Kwartaalblad Ni'jluusn van vrogger

* * *


Kwartaalblad
Ni'jluusn van Vrogger _________________________________________________________

Marius Veltmaat


Het is de bedoeling van dit project om alle door Ni'jluusn van Vrogger uitgegeven nummers van het Kwartaalblad in één doorzoekbaar bestand samen te voegen.

Begonnen is in juni 2019 met de oudste nummers, uitgegeven in 1983. Hoelang het gaat duren totdat alle nummers opgenomen zullen zijn is nog niet in te schatten.

Het kwartaalblad is vanaf 1983 tot en met 2018 uitgegeven in het formaat A5 staand, vandaar dat de tekstkolom niet breed is. Foto's die in het blad gekanteld zijn afgedrukt zijn ten behoeve van de leesbaarheid rechtop gezet.

Zoeken in het bestand is geen aparte functie, U kunt gewoon <CTRL F> of <Command F> gebruiken en dan uw zoekwoord(en) intikken in het door de browser geopende zoekveld.

Het bestand is met meer dan 10 MB groot voor een enkel .html bestand. Het duurt wel even voor het geheel ingeladen is en alle instructies verwerkt zijn door de browser.

Ik wens u veel genoegen aan de verhalen in het Kwartaalblad.

Op en aanmerkingen gaarne naar: marius@veltmaat.nl




Jaargang 1 Nummer 1 maart 1983.

* * *


Nieuwleusen, 350 jaar jong! _________________________________________________________

Hendrik Schoemaker Gzn.

DRIEHONDERDVIJFTIG JAAR NIEUWLEUSEN heeft
de gemoederen los gemaakt. Wij hebben dit vorig jaar gevierd. Velen van U hebben de tentoonstelling "'T VERGETEN NIEUWLEUSEN" bezocht.
De reacties die daaruit naar voren kwamen hebben ons tot het oprichten van de vereniging

"'t NI'JLUUSN VAN VROGGER"

doen besluiten.
Voor U ligt het eerste van ons viermaal per jaar verschijnend tijdschrift. Hierin willen wij de neerslag geven van verhalen die Nieuwleusenaren nog kennen van en over vroeger en van de kennis die er nog is over wat in het verleden gebouwd, gewerkt en gevierd werd.
Tevens is dit het contactorgaan voor de leden van de vereniging.
Een bekend vers zegt:

"Al het heden wordt verleden,
schoon 't ons toegerekend blijft."

zo is er bij onze vereniging ook al weer een verleden dat we niet zo snel hadden verwacht. Wij hebben al moeten omzien naar een grotere ruimte om al onze leden de gelegenheid te geven de vergaderingen bij te wonen.


Waarom deze vereniging?

Het is vooral in deze tijd van economische teruggang goed, eens na te gaan hoe onze voorvaderen hebben geleefd en gewerkt; zeg maar geploeterd, voor hun dagelijks brood.
Het met de schop graven van sloten was toen heel gewoon en lijkt nu haast ondenkbaar. Zo zijn er veel werkzaamheden gedaan op een wijze die paste in haar tijd, maar waarvan we ons nu haast geen voorstelling meer kunnen maken, maar die door voorbeelden en verhalen weer in de herinnering zullen worden opgeroepen. Ook willen we helpen het vage beeld van onze voorvaderen wat duidelijker te maken.
De vereniging heeft de KERKBOEKEN van NIEUWLEUSEN gekopieerd in haar bezit en ook vele uit archieven overgenomen stukken. Deze kunnen door de leden worden doorzocht. In het tijdschrift zullen we regelmatig foto's van mensen die in Nieuwleusen gewoond hebben, afdruk- ken, zodat meer mensen ze – weliswaar gekopieerd - in hun bezit kunnen krijgen.
We willen in de foto's, zowel als in de verhalen, alle kanten van de gemeente belichten en zoveel mogelijk mensen, situaties en beroepen afbeelden. Mocht U bijdragen voor ons tijdschrift hebben, dan willen wij die graag van Uw ontvangen. Voor foto's waarvan wij niet weten wie er allemaal op afgebeeld staan, doen wij een beroep op Uw kennis. Weet U meer dan wij vertellen, Vult U dat dan aan. We zullen dat dan in een volgend nummer opnemen. Wat ons bezig houdt werd op bijzondere wijze verwoord door een oud inwoonster. Hiervoor wil ik U verwijzen naar het gedicht op de volgende bladzijde.
Wij wensen U nu en in de toekomst veel genoegen aan dit blad.

* * *


Vraag aan onze lezers _________________________________________________________

Op de omslag een foto die werd genomen in Nieuwleusen en waarop een voor deze omgeving karakteristieke bouwwijze is terug te vinden.
KENT U DIT BOERDERIJTJE?
Hoewel de omgeving naderhand wel enigszins is veranderd, is de plaats gelijk gebleven.

Inzendingen sturen naar het redactie-adres:
H. Schoemaker, Burg. Backxlaan 16.

* * *


ONS VOORGESLACHT _________________________________________________________

G. Walderen - van Duren

Uit een nevelig verleden
Komen schimmen op ons af
Eerst nog wazig als een schaduw
Tot hun de tijd gestalten gaf

Traag werken de eersten moeizaam
Op de rauwe woeste grond
Tot hun moegewerkte lichaam
Er een laatste rustplaats vond

De gestalten komen nader
Uit de eeuwen op ons aan
Krijgen namen als hun vader
Die te vroeg is heen gegaan!

Namen, die steeds dichter komen
Bij het hedendaags geslacht
Tot een oude gele foto
Hun gezichten overbracht

Strenge monden en gesloten handen
Boven een wat stijve dracht
En ontroerd om wat wij vonden
Staan wij voor ons voorgeslacht.

Nieuwleusen, 7 december 1981.
G. Walderen - van Duren.


* * *


Olde Kloas. _________________________________________________________

B. van Duren


De oldere mensen op Ni'jluusn hebt um nog wel ekend.
Olde Kloas Musker. Een stille en nog al op zich zelf levende man. Een zwarte jasse an, niet al te schone.
Met zien kiste ging Kloas de boer op.
Ien die kiste zat van alles wat de vrouwen gebruuken konden. Veters, band en gaoren en veur de kienders klein speulgoed.
Bij oes thuus werd altied wat van Kloas ekocht. Mien moe had altied wel een klussie gaoren of wat aanders neudig.
Andringen deut Kloas nooit.
Proaten deut hij ook niet veule. As er een tekste aan de waand hun dan mogge daor nog wel ies graag even veur staon kieken. Verder was het ien van die stillen in den lande.
Erg breed zal hij ut wel nooit ehad hebben. As kiender denk ie daor niet zo an, mar op oldere leeftied kump de gedachte wei ies naor veuren dat Kloas ien van die stille armen is ewest.
As ie op een dorp woont dan wordt oen doen en laoten goed na egaone. Altied bint er wei mensen die wat van aandern eheurd hebben. Zij vertelt het verder, soms op een aandere manniere en zo ontstiet dan een praotien det veur de betrokkene niet altied angenaam is.
Zo gun op een keer Olde Kloas bij oes op het dorp ok aorig over de tonge.
Kloas zol 's aovends niet naor huus egaone wezen, mar bij een weduwvrouwe Griete ien bedde overnacht hebben. Ja, en dan bint der van die mensen, die wilt er het rechte van weten.
Van die mensen die nooit van het gezegde van de splinter en de balk eheurd hebben.
Zo kwaamp Kloas dan met zien negotie bij een gezin waor ak de name niet van numen wille. De vrouw begun der over; "Kloas, wat ek eheurd. Heb ie onlangs bij Griete eslaopen? Wat muk daor nou van denken?"
Kloas had zien antwoord niet klaor. Wat mus hij daor nou op zeggen?
Mar hij kreeg hulpe.
Er ging een schip deur de Dedemsvaort en het mag dan wel toevallig wezen, mar opiens Kloas tegen de vrouwe: "Dreeit oe ies umme en leest ies wat op det schip stiet".
Het mense kreeg een kleur tot achter de oren, want zij lezen de woorden: "ZIET OP U ZELVEN".
Dit is mar een klein verhaaltien wat wel echt ge- beurd is.
Hoe het gesprek tussen Kloas en die vrouwe wieder egaone is, weet ik ook niet.
Wat ik echter wel wete, is dat wij allemaole van mensen als Olde Kloas Musker heel wat kunt leren.

* * *


Kruidenier Jan de Groot _________________________________________________________


Foto: A.J. van Spijker.


Hierboven zien we op een omstreeks 1920 gemaakte foto JAN DE GROOT; kruidenier bij de Withaarsbrug en grootvader van de Sparwinkeliers.
Naast hem staan HILLIGJE PRINS en KLAASJE SCHUURMAN. Waarschijnlijk is deze foto gemaakt bij HENDRIK PRINS aan het OOSTEINDE, want daar stond zo'n schuur, die vroeger ook wel "schot" werd genoemd.
Jan de Groot, die ook wel Jan Kuiper - waarschijnlijk naar het beroep van zijn vader - werd genoemd, maar dat zullen nog maar weinig mensen weten - werd door een van de kleine kinderen die nog niet goed kon praten, Jan Kuker genoemd.
Vooral bij nat weer was het ploeteren om aan de kost te komen. Bijna alle wegen waren nog onverhard en verander- den in ware modderpoelen, zodat hij niet zelden zijn HIT of KIDDE moest helpen trekken om er door te komen. Het was vaak al donker als hij kwam en er lagen al veel mensen in bed wanneer hij nog naar zijn laatste klanten moest. We zien hier dat in de tijd van alles kon. Achteraan de wagen hangt een KIPPENBEN. Ook het licht op de wagen werd niet vergeten. We zien er een mooie KAARSLANTAREN op staan.

* * *


KOERIERSBRUG _________________________________________________________

H.S.


FOTO hieronder: "KOERIERSBRUG".

In 1924 is de ophaalbrug vervangen door een draai brug. Op de vaartwal staat nog een appelboom: "met zure krengen" is ons verteld. Verder zien we een straatlantaren; een zogenaamde OLIEBRANDER.
Een boerderij aan de noordzijde en de voormalige brugwachterswoning bewaren de namen voor het nageslacht.


KOERIERSBRUG - BRUG 5 - WITHOAR ZIEN BRUGGE.

Personen op de foto zijn:
Vrouw Withaar, dochter Jitske en kleindochter Geesje. Derk Jan Schiphorst, Jozina Schiphorst en wegwerker Bouwman.

* * *


Ze kwamen terug. _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.

"Ze kwamen na jaren uit Brabant weerom, met vliegend vaandel en slaande trom…….."

Aan dit oude gedicht moesten we denken toen vorig jaar veel oud-Nieuwleuseners en zelfs hun verre nazaten weer naar hun oude dorp terugkwamen.
Met een kleindochter, achterkleinzoon en achter- achter-kleinkinderen van burgemeester Bosch Bruist bezochten we de tentoonstelling "'t Vergeten Nieuw leusen" bij Schoemaker. De kleindochter droeg bij deze gelegenheid een zware gouden armband die haar grootmoeder eens geschonken kreeg van de inwoners van Nieuwleusen. Het draagt de inscriptie: "Voor Uwe trouwe hulp bij den watersnood van 1894".

JAN BOSCH BRUIST was al op 28-iarige leeftijd burgemeester van Nieuwleusen. Hij huwde te Staphorst met JACOBA RICA STEENBEEK, oud 20 jaren. Ambtenaar van de burgerlijke stand was hierbij Jacob Ubak, want voor deze gelegenheid trad burgemeester, mr. Petrus Slot, als getuige op. Van Nieuwleusen was als getuige komen opdraven HENDRIK MARTEN HOOGKLIMMER, oud 68 jaren, predikant. In het "Jahrbuch des Heimatsvereins Bentheim" staat een artikel over de familie Hoogklimmer onder de titel: "Hendrik Martin Hoogklimmer, Predi ger zu Laar 1837-1872."
In het blad "'t Onderschoer" van de heemkunde vereniging Denekamp, schreef H. Boink een artikel over ds. Hoogklimmer, waarvan we met diens toestemmming enkele gegevens overnemen.

Ds. H.M. HOOGKLIMMER was gehuwd met ANNA AGNIETA STORK. Ze hadden zeven kinderen, waarvan de oudste, de latere burgemeester van Denekamp, eerst de Duitse nationaliteit had.
Van 1872 tot 1875 was ds. Hoogklimmer predikant te Weerselo en daarna nog vier jaar in Nieuwleusen. Een in het Duits gesteld persbericht vertelt:
"In Nieuwleusen feiert er das 40 jährige Ehejubiläum, an dem das ganze Dorf sich beteiligt. Die Kinder der drei Schulen bringen eine schöne Obade beim Pfarrhaus. Sie werden beschenkt mit "chocolade, krentebroodjes, enz.". Als Geschenk der Gemeinde bekommt er eine "marmere Pendule"..
In 1887 is hij overleden ten huize van zijn dochter in Dalen, die gehuwd was met burgemeester Ten Holte. In Dalen ligt ook zijn vrouw begraven, die overleed in 1901.


Hendrik Martin Hoogklimmer 1837 - 1872
predikant te Laar
(een dorp, net over de grens bij Coevorden).

In 1614 woonde in Oldenzaal "Johann Harmsoen Hoog- klimmer en Anneke z'n husfrau". Ze waren lid van het weversgilde. Zo'n tien jaar later is dit echtpaar met hun kinderen bepakt en bezakt in Bentheim aangekomen en daar een wijnwinkeltje begonnen.
De voorvaderen van ds. Hoogklimmer in rechte lijn zijn:

Jurgen Hoogklimmer 1626-1705; burgemeester van
Bentheim
Ernst Friedrich Hoogklimmer, overl. 1739: burgemeester
van Bentheim
Jan Georg Hoogklimmer 1711-1775: burgemeester van
Bentheim
Johann Georg Hoogklimmer 1784-1853: rentmeester en
Ambtmann te
Neuenhaus.


Het kerkje Van Laar, afgebroken in 1863 en vervangen
door nieuwbouw.

* * *


Schaapskooi _________________________________________________________

H. Schoemaker.


Foto H. Schoemaker.

Op een kaart uit 1890 zien wij in Nieuwleusen 43 SCHAAPSKOOIEN aangegeven.
Schapen werden hoofdzakelijk gehouden voor de mest, welke op het bouwland werd gebruikt. Daarnaast was de wol belangrijk. Met de komst van de kunstmest werden schapen minder nodig en veel schaapskooien raakten in verval en werden afgebroken.
Er staat nu nog maar een heel enkele kooi. Wij vonden -behalve de afgebeelde- nog slechts drie schaapskooien in de gemeente, nl. bij:
Henk Prins aan het Oosteinde
Jan Kragt aan het Oosteinde
Arend Reuvers aan 't Pad, of wel het Westerveen.
ZIJN ER NOG MEER?
De hierboven afgebeelde schaapskooi is van KLAAS BIJKER aan het OOSTERVEEN.
Het is nog een mooi exemplaar.

Schaapskooien hadden meestal driehoekige voor- en achterkanten, zodat de schapen elkaar niet zouden kunnen dooddrukken. De vloer was lager dan de grond rondom de kooi, zodat er een dikke laag mest in kon worden opgespaard. Het rieten dak werd onderbroken door rijen dakpannen,
om het uitwasemen te bevorderen.

* * *


Bijenstal _________________________________________________________

H. Schoemaker.


De trots en de nestor KLAAS KREULEMAN van
de Nieuwleusense bijenvereniging bij zijn "bijenstal"
aan het RUITENVEEN.

Wij wensen hem nog veel vreugde met zijn vliegende vrienden.
Zolang er mensen op Nieuwleusen hebben gewoond, zullen er ook wel bijen zijn geweest. Op de BOEKWEIT en de HEIDE verzamelden zij de nectar, waarvan ze de honing maakten.

* * *


KLOMPENGELD _________________________________________________________

G. Hengeveld - van Berkum

Wie in onze dagen weet nog wat klompengeld is? Misschien de ouderen nog wel en degenen die het vroeger kregen, maar verder is het niet zo bekend. Als men er naar informeert bij de officiële instanties weet men ook daar niet wat het is. Maar zo werd het in de volksmond gebruikt. Wie kwamen er voor in aanmerking? Dat waren degenen die verder dan vier kilometer van school woonden. Het inkomen van de ouders was medebepalend. Dit alles was vastgelegd in artikel 13 van de Lagere Onderwijs Wet. Men kon deze vergoeding aanvragen bij de gemeente waarin men woonde.
Toen mijn ouders op de Kievitshaar woonden, hebben zij het aangevraagd, bij de gemeente Avereest, voor hun kinderen die in Den Hulst naar school gingen. Dit deden ze tezamen met de andere buurt bewoners in 1932. Zij richtten hun verzoek aan de gemeente en die moest bepalen of men er voor in aanmerking kwam.
De gemeente Avereest stelde het in handen van veldwachter Piel, die een onderzoek moest instellen omtrent de afstand. Maar wat hield dit nu in? De veldwachter moest lopend van de Kievitshaar naar Den Hulst gaan om te kijken hoe groot de afstand was. Hij nam wel de fiets aan de hand mee, zodat hij de terugweg kon fietsen. Enige tijd later kregen de bewoners van de Kievitshaar bericht dat hun verzoek was ingewilligd. Evenwel niet voor diegenen die hun kinderen naar Oud Avereest naar school stuurden. Dat was te dichtbij.
Men kreeg ƒ 10,-- per leerplichtig kind. De klompen kostten in in die tijd 80 à 90 cent per paar. Maar ze waren spoedig versleten, want het was heen en terug ongeveer drie uur lopen en dat vijf keer per week. Ook hielden ze het niet zo lang vol. Voor die tijd was het toch een mooi bedrag.

* * *


De Meele _________________________________________________________



Bijgaande foto toont het huis op DE MEELE waar HENDRIK JAN LUTTEL omstreeks 1914 ging wonen. De plaat is zo'n 50 jaar geleden, ± 1933 genomen door meester ROZELAAR.
In het oude trouwboek van de Herv. Kerk lezen we:
30-11-1829: gehuwd:
BEREND JAN LUTTEL. 25 jaar,
geboren te Twist - Koninkrijk Hannover - boerenknecht,
zoon van Harm Heinrich Luttel en Maria Catharina
Wosthoff en HENDRIKJE UILTJES, 24 jaar, dochter
van Jan Uiltjes en Klaasje Hendriks.
Dus daar stammen de Luttels vanaf.


* * *


't Ni'jluusn van Vrogger _________________________________________________________

R.J. Klijn

Wat beoogt deze vereniging te doen en waarom stelt zij zich deze taak?
Om hierop in het kort een antwoord te geven, deze toelichting.

Vrogger, wat moeten wij onder dit begrip verstaan? Uiteraard is dat niet heden of gisteren, maar eer- gisteren doet er reeds een beetje aan denken. Hoe spoedig zeggen we niet:
O ja, dat was toen!
Om nu te voorkomen, dat "dat van toen" vergeten wordt, stelt de vereniging zich tot doel, om al wat van belang is voor het nageslacht te behouden. Foto's, geschriften en het gesproken woord op de band zullen worden verzameld en bewaard. Maar ook het Vrogger van lang geleden, dat in ar- chieven elders is opgeslagen, zal worden opgespoord en op een voor een ieder begrijpelijke wijze beschik- baar komen.

Hiernaast zal ook getracht worden om oude gebruiks- voorwerpen en kleding te verzamelen, welke te zijner tijd in een in te richten oudheidskamer zullen worden tentoongesteld.

Zo zullen er vast nog meer onderwerpen zijn, die betrekking kunnen hebben op het "Ni'jluusn van Vrogger".
Om deze nu gestalte te geven, kunnen de leden van de vereniging werkgroepen gaan vormen en zodoende hun bijdrage leveren tot behoud van al hetgeen van deze streek vermeldenswaard is.


Jaargang 1 nummer 2 juni 1983.

* * *


Van de Redactie _________________________________________________________

Op de omslag van dit tweede nummer van ons tijdschrift een foto van de drie dames die zorgden dat het eerste nummer door z'n 300 mensen gekocht en dus gelezen is. Een betere start hebben we ons als redactie niet kunnen wensen.
Op de voorjaarsmarkt op zaterdag 9 april hebben ze, gekleed in de klederdracht van deze streek, de belangstelling van menig marktbezoeker weten te trekken. Bewondering voor de kleding die tot de zestiger jaren een deel van het gewone straatbeeld vormden, maar die daarna langzaamaan als gedragen kleding helemaal verdween.
Als we zien hoeveel werk er gemoeid is met het netjes houden van de onderdelen van de kleding, dan is dat ook geen wonder. Alleen het wassen, stijven en in model brengen van de witte mutsen - die elke keer weer uit elkaar en in elkaar gezet moeten worden - vraagt uren.
Het aantal vrouwen dat deze vaardigheid nog bezit is bovendien erg dun gezaaid. Dit bracht mevr. Henge veld en mevr. Kreule ertoe de kunst bij een familielid in Wijhe af te kijken. Ze zijn nu al druk doende met de plankjes en de koperen pennen, zodat binnenkort mensen die nog klederdracht bezitten weer in hun eigen dorp terecht kunnen voor het fris maken van deze mutsen. Zien we misschien op de volgende marktdag nog meer dames in een stukje "cultuur van vroeger" rondstappen ?

De goede oplossing van de vraag uit ons vorig nummer kwam van C. VOGELZANG.
De foto op de omslag was: Het huisje dat ingebouwd is in de winkel van Schoemaker - de meubelmaker.
Hierin zijn de eerste vergaderingen van de vereniging gehouden, tot het te klein werd.

U kunt LID/ABONNEE van ons tijdschrift worden door het overmaken van ƒ 15,-- op rekeningnr. 3455.74.427 van de Rabobank te Nieuwleusen.

* * *


Notabelen op Studiereis _________________________________________________________

foto: mevr. Aalbers - Zonnenberg.


Omstreeks 1920 genomen foto van Nieuwleusener notabelen, aan de dis in de stationsrestauratie van de Hollandse Spoorweg Maatschappij te Zutphen.
Afgebeeld van links naar rechts: Hendrik Schoemaker, Berend Jan v.d. Berg,
Burgemeester Backx, Hendrik Jan Bijker, Klaas Bijker, Gerrit Jan Zonnenberg,
Jan van Spijker, Jan Kleen Scholten, Albert Dekker, Hendrik Prins.
Wie kent de tweede man van rechts? De goede naam graag insturen.

Aanvulling naar aanleiding van het tweede nummer:
In het boekje nr. 2 d.d. juni 1983 werd gevraagd wie op de foto van blz. 18 de tweede man van rechts was. Van diverse zijden werd ons bericht dat deze persoon de heer Albert Dekker was, gewoond hebbende Brug 5.

Van Hilligie Bijker, Raiffeisenstraat 35, ontvingen wij nog enige aanvullende informatie.
Haar vader Hendrik Jan Bijker stond nl. ook op de foto. De notabelen waren deze dag in 1918 naar Borculo geweest om aldaar de aanleg van de elektra te bezien, omdat men ook in Nieuwleusen wilde overgaan tot de aanleg hiervan.
Het uitstapje was de heren zo goed bevallen, dat men een jaar later weer op reis ging en toen nog wat verder en wel naar Rotterdam. De reden van deze trip is nog in nevelen gehuld, maar mogelijk kan iemand ons nader informeren. De foto van deze reis is al opgenomen in het boek: "Kent U ze nog.... de Nieuwleusenaren", door H.J. Meijerink.

* * *


öKKIES KêRMSE _________________________________________________________

Mevr. Bosch Bruist-Steenbeek
H. Sterken Rzn.


Mej. De Koning, nu ± 70 jaar en wonend in Enschede, logeerde als 4-jarig kind in Nieuwleusen, waar haar grootvader Bosch Bruist burgemeester was (1876-1916). Niet lang geleden vond ze een bundel herinneringen aan Nieuwleusen van haar grootmoeder mevr. Bosch Bruist- Steenbeek. öKKIES KêRMSE is één van die ver halen. öKKIES zijn hokjes en dat zijn de zitplaatsen in de kerk.

* * *

Ja, ja, we hebben ook een kermis op ons dorp en meer dan ergens anders staat onze kermis nog met de kerk in verband. Het is de zogenaamde Hokjeskermis of, zoals ons landsvolk zegt ökkieskarremis.
Zij wordt gehouden op de laatste dinsdag in April en is feitelijk niet anders dan het verhuren der zitplaatsen in de Ned. Herv. Kerk. Bij die gelegenheid komen één of hoogstens twee bakkers uit naburige dorpen, benevens een koopman in zeer ordinair kinderspeelgoed, hunne heerlijkheden in een paar kraampjes die tegen de kerk geplaatst worden, ter verkoop aan bieden. Daar zegt ge: "Dat is toch volstrekt niets interessant". Neen zeker niet. Niemand zal er iets merkwaardigs in vinden, behalve de dorpelingen zelf en in 't bijzonder de getrouwde vrouwen. Die vinden de kermis wel degelijk van belang, bijna zo gewichtig als de Vrijdagse markt, maar toch niet helemaal. Al heerst er ook tot des middags half twee de meest volkomen rust op 't dorp, wij die ons volkje kennen, weten heel goed dat het er popelt in menig vrouwen hart, van verlangen naar het gewichtige ogenblik, naar het plechtig boem-bam van de torenklok. Voor haar is het ook volstrekt niet van gewicht ontbloot of de vrouw van Klaas en Geert voor of achter haar zit en of de plaatsen hoog zullen lopen of niet. Want ge moet weten: hoe bescheiden ijdel een boerin ook zij, haar beugeltas gaat niet gemakkelijk open en dat is goed ook.
Welnu, om half twee ruim stappen de leden van den kerkenraad voorbij; kluchtig deftig is hun tred, kluchtig gewichtig staat hun gelaat.
Zij begeven zich naar het kerkgebouw, waar inmiddels ook de kerkelijke ontvanger en een gepensioneerd hulp-onderwijzer zijn aangekomen. Langzamerhand komen nu de boerinnen - mannen gaan er weinig heen - van alle kanten aan wandelen; de meeste met twee, drie kinderen aan de rokken, sommige met zuigelingen op den arm. Allen zijn ze wel niet in "kistentuug", maar toch netjes opgeknapt. De knipmuts en schuuties schullik zijn achterwege gelaten, maar een nette strikmuts, een bont- of wollen schort kleden haar in mijn oog tenminste nog veel beter. De kinderen met de mooie pluimmutsen of wel met de nieuwe, met groen lint en rode roosjes versierde hoedjes stappen al even gewichtig als hun moeders. Maar hun oogjes schit teren toch. Daar slaat het twee uur. Plechtig ogenblik: boem-bam, boem-bam. De boerinnen zijn nu om de kerk verzameld. De kinderen verdringen zich voor de kraampjes terwijl de kermis wordt ingeluid. Och, 't is alles zo primitief, zo doodeenvoudig, maar toch zo aardig voor wie daar oog voor heeft. Enige ruiten van één der hoge boogvormige kerkramen worden geopend en daar verschijnt door de opening de gestalte van de hulponderwijzer; tenminste, zijn bovenlijf, vrijwel gelijk onze vriend Jan Klaassen in de poppenkast. En evenals 't publiek zich gewoonlijk verdringt om Jan en Lijs, zo verdringen de boerinnen elkander hier om de langen hulponderwijzer op zijn verheven standplaats. Dan begint het eigenlijke verpachten.
De nummers der plaatsen worden opgeroepen en van beneden wordt er geboden; wel tot negen of tien gulden toe. Vooral als "domeneer" in de gunst en geen vacature te voorzien is. 't Is onbegrijpelijk dat de vrouwen zich alleen door het afroepen der banken en nummers zich een juist denkbeeld van de plaatsen kunnen geven. Maar ze kunnen het, dat verzeker ik U. Wat begerige ogen, wat benauwde gezichten als de prijzen eindelijk al te hoog lopen. O, 't is vermakelijk om te zien. Het loven en bieden duurt voort tot eindelijk ook de goedkoopste plaatsen geveild zijn. De minst met aards slijk bedeelden zijn dientengevolge het laatst aan 't woord. En dan gaat elk nog eens rondkuieren, de schatten harer kinderen bewonderen, iets voor de hele kleintjes kopen. En dan gaat elk, ja 't is schrikkelijk eenvoudig, weer naar huis, met kinderen en al. Want daar wachten weer koeien, kalveren en biggen op ver zorging, die de wakkere boerin niet gaarne aan anderen overlaat. Was daarmee de pret voor de ouderen en de kinderen afgelopen, dan begonnen de jonge "magies" en jongens op het toneel te komen. Begonnen, want of de boeren werkelijk "krimphartig" worden, zoals mij onlangs door een neringdoende werd verzekerd, of dat het jonge volk geblaseerd is door het bezoeken der Z.sche of D.sche kermis. Hoe het zij, er wordt geen napret meer gemaakt en 's avonds om negen uur is het weer even rustig op het dorp als het om half twee nog was. Is dat nu geen belangrijke kermis? Neen, foei, schaamt U. Zeg het maar niet aan de boerin netjes die er vanmiddag naar toe zijn geweest. Die praten er nog over, tot ze zich klaar gaan maken voor de Vrijdagse markt, waar ze de in de laatste week gekarnde boter en de verse eieren te koop gaan presenteren.

* * *


DE DOKTER _________________________________________________________

G. Hengeveld-van Berkum



Toen Henderkien meuje in 1921 ziek was, vroeg dokter WAGNER, die hier toen huisarts was, hulp van een specialist uit Zwolle. Op zondagmorgen kwam Dr. FIJN VAN DRAAD met paard en wagen naar Nieuwleusen, verleende zijn hulp en stuurde enige tijd later de rekening.
Die bedroeg ƒ 25,--

Voor die tijd een erg hoog bedrag.
Dokter Wagner vond dit bedrag dan ook veel te hoog en zei dat hij er werk van zou maken; echter zonder resultaat.
Maken we een vergelijking met onze tijd, dan was het bezoek van de specialist bijna voor niets. Maar een vergelijking met een andere doktersrekening uit een iets latere tijd leert dat het bedrag toch wel erg hoog was.
Klaasje van Berkum had een poosje op Nieuwleusen gediend en ging nu als boerenmeid naar Masten broek. Voor zij daar naar toe ging werd er een nieuwe fiets gekocht. Toen ze nog niet zo lang "in betrekking" was, zoals dat toen heette, kwam ze op één van haar vrije zondagen, die ze één keer per maand had, thuis.
"Jullie moeten mijn fiets eens proberen, die trapt zo zwaar. Ik word zo moe van het fietsen", zei ze toen.
Aan de fiets bleek niets te mankeren. Toen moest ze naar de dokter en toen bleek dat ze "pleuris" had. Drie maanden lang kwam de dokter haar bezoeken en na die tijd moest ze nog "afkuren".
Voor al die doktersbezoeken en de medicijnen die ze in die tijd nodig had, is de rekening op de vorige bladzijde.

Let U ook nog even op het telefoonnr.:

* * *


Wapenstilstand 1918 _________________________________________________________



De kaart is geadresseerd aan Mej. G.J. Palthe in Oldenzaal!

In de nacht van 10-11 november 1918 werd de wapenstil stand ondertekend, die een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog. Uit blijdschap over de bereikte vrede of uit dankbaarheid voor de ontvangen gastvrijheid of om te tonen dat Nieuwleusen zich betrokken voelde bij het wereldgebeuren; in ieder geval werd in diezelfde maand deze foto genomen - aan het WESTEINDE bij de school van SIEFERS - waarop een groep Franse/Belgische(?) vluchtelingen staat afgebeeld, samen met een aantal gastheren.
Wij kennen:
MEESTER VALK - toenmalig hoofd van de school
BURGEMEESTER BACKX en echtgenote
WETHOUDER ZONNENBERG
Tekst op het bord:
"SOUVENIR NIEUWLEUSEN - HOLLANDE
LES éVACUéS DU NORD DE LA FRANCE
NOVEMBRE 1918
Herinnert iemand zich nog iets over deze évacués of zijn ergens contacten gebleven?


* * *


'n Groet aan Ni'jluuz'n. _________________________________________________________

E. Dijk

An Westkaant van de Vinkenbuurte
Daor lig Ni'jluuz'n uut espreid.
As ik mien fietse daorhen stuurde,
Die mi'j naar 't olde dorpien leid,
Dan kwam ik vrogger in die streek'n
Van of oes 'uus naor d' Kèrkenhoek.
'K 'eb die umgeeving goed bekeek'n
-In 't Zuuden lag 't Oldluusnerbroek.-

De klinkerweg bink langs 'ekoom'n
Bi'j winterdag soms gloepens glad
An beide kaanten stonden boom'n
Naor 't Noorden hen, daor leup het Pad.
Daor stunnen groote boer'n 'uuz'n
Die luu daor boerd'n barre best
Hier in 't Oosteinde van Ni'jluuz'n
Ad elke boer een bonke mest.

Bi 'j 't verder gaon langs stienen straote
kwam ik in d' Kèrkenhoek terecht.
Daor bin 'k un poosie toen gaon praot'n
Mien oom en meuje dag ezegd.
Nog wieder bin ik wel ies gaone
Naar 't Westeinde, naor 't Ruutenveen
Soms wel ies an de spoorlijn staone.
De trein gunk deur De Meele heen.

Ook gung ik vrogger meerdre maolen
In mien jeugdtied, veur zestig jaor,
Mien andacht an Den Hulst bepaol'n.
Dan zag ik veule scheep'n daor
Die van De Balk naor Asselt vaar'n.
Den Hulst, weerskaanten van 't Kanaal
Waor d' uuz'n naost mekaar zich schaarden
Het lag apart, t' sprak een eigen taal.

Ik eb de meulens vaak zien dreijen
Van Muller, Snieder en Massier.
En as et soms wat 'ard gung weijen
Dan add'n de wiek'n veul plezier.
De tram eb ik er langs zien ried'n
De bochte deur, over brug Zes.
Hi'j kwam er langs op vaste tied'n,
Langs de vaort, naor Dedemsvaort-S.S.

De klokke van de Groote Kèrke
Ko'j 'euren tot in d' Vinkenbuurt.
As d' wiend 't geluud wied weg wol warken
Ef ee zien groet an oes 'estuurd.
'K 'eb ok wel ies bi'j 't orgel keek'n
Van d' Kleine Kèrke in d' Kèrkenhoek,
Doomnee Van Diem'n 'euren preek'n
Uut 't grote, dikke Biebelboek.

En toen Ni'jluuz'n feest gung vier'n
-Driehonderd vieftig jaor'n old-
Met bloem'n straoten op gung sier'n,
Muziek klaor over de Straoten rold',
Dacht ik t'rugge an de jaor'n
Toen ik er eertieds veule kwam,
D' indruk van toen gao ik bewaar'n
Ok van 't Kanaal en d'olde tram.

Dit was un vassien van Ni'jluuz'n
Van 't dorpien uut mien jonge tied.
Die streek met mooie, olle 'uuz'n
Wie 't ienmaol zag, verget et niet.
lk zal dit laand bliev'n gedenk'n
-Mien veurolders koomt er vandaon-
Mien andacht wil ik 't blieven schenk'en
'K 'oop er nog vaake deur te gaon.

E. Dijk woonde als kind in de Vinkenbuurt. Zijn moeder, Margien Tempelman, was in 't Oldluusnerbroek - in 't Veen heette dat in de volksmond - geboren. Dat is de oostkant van wat nu de Dommelerdijk is. Hij is nog een nazaat van ds. Brunemeijer, die van 1871-1882 predikant was in 'het kleine kerkje', dat nu door transport bedrijf Westerman - Westeinde 11- als garage wordt gebruikt.
Een dochter van ds. Brunemeijer, Engelina, trouwde in 1878 met Evert Dijk, de grootvader van deze Evert Dijk.

* * *


Het Groene Kruis _________________________________________________________


Foto van zuster AGNES VAN DE ABEELEN, met in het midden haar moeder en rechts haar zuster MATHILDE.
Zuster Agnes van de Abeelen was de eerste "LIEFDEZUSTER" zoals de wijkverpleegsters nog wel tot en met de komst van zuster Dirksen werden genoemd.


De Vereniging het Groene Kruis werd in 1917 opgericht en Agnes van de Abeelen werd op 9 mei 1919 met algemene stemmen door het bestuur benoemd tot wijkver pleegster. Zij kwam uit Arnhem.

Op 8 oktober 1925 heeft ze de beschikking over een motorfiets gekregen; te gebruiken voor Groene Kruis- werkzaamheden. lx per week mocht ze deze motorfiets bij de heer Vos brengen - directeur van de zuivelfabriek en voorzitter van het bestuur - om schoon te laten maken. Op 22 december 1925 kreeg ze, op eigen verzoek na een conflict met een huisarts, eervol ontslag.

Ze woonde in het laatste van de vier dubbele huizen aan de Backxlaan tegenover (nu) de Spar, met haar moeder en zuster als buren.
Dit waren de eerste huurwoningen, in 1920 gebouwd, van de woningbouwvereniging.
Op een steen in de gevel van de huizen 116-118 staat:

"DE EERSTE STEEN IS GELEGD DOOR
J.Ph. BACKX
BURGEMEESTER VAN NIEUWLEUSEN,
VOORZITTER DER VEREENIGING WONINGBOUW."

Zus Mathilde bouwde later een huisje achter (nu) garage Stolte en hield daar zoveel kippen dat ze de bijnaam "kippenzuster" kreeg.

In 1921 werd de eerste steen gelegd van het GROENE KRUISGEBOUW - nu Backxlaan 75 - naast de boerderij van Willem Stegeman; later verbouwd tot DE BOERDERIJ, en na de bouw van het nieuwe huidige Groene Kruisgebouw, waarvan de eerste steen werd gelegd op 5 oktober 1953, gekocht en verbouwd door Klaas Dunnink, die er nu nog woont.

ANNO 1921
Dit gebouwtje werd aan de
Vereeniging het Groene Kruis
geschonken door
Mej. G.J. PALTHE
en
Mr. W.J. BARON VAN DEDEM

Tegenover het groene kruisgebouwtje werden in datzelfde jaar de drie dubbele woningen gebouwd. In één ervan woonde Mevrouw Brouwer, die steeds met de "klanten" naar het gebouwtje aan de overkant ging om de benodigde spullen uit te lenen. Zij is de moeder van aannemer Brouwer uit de Bosch Bruiststraat en de schoonmoeder van de filiaalhouder van de Rabobank aan het Westerveen Klaas Brassien.

Als tweede wijkverpleegster voor de gemeente Nieuwleusen kwam zuster G. VAN BUITEN.
Ze werd op de bestuursvergadering van 17 juni 1926 benoemd met ingang van 18 juni 1926 tot in de jaren vijftig.
Ze ging op haar fiets van de Steenwetering tot Oosteinde de zieken en bejaarden verzorgen en dat was op de vele onverharde wegen geen kleinigheid.
In de oorlog kreeg ze van de bezettende macht speciale fietsbanden uitgereikt om haar werk te kunnen blijven doen.

Het Groene Kruis werd vroeger door particulier initiatief opgericht en instand gehouden. Tijdens de bazar ten bate van het kruiswerk stelde de firma Boers een bus ter beschikking, waarmee de mensen voor een dubbeltje een ritje van Den Hulst naar De Kerkenhoek mochten maken en, als ze geluk hadden, de rol van conducteur spelen. De bus was steeds afgeladen vol.

Beide foto's zijn van mevr. Schuurman, Meeleweg 54.

* * *


BOEKWEIT: ALTIJD TE VEEL OF TE WEINIG _________________________________________________________


Volgens een oud gezegde was boekweit een gewas waar men altijd teveel of te weinig van had. Te veel als er een groot stuk land mee was ingezaaid en de nachtvorst toesloeg. Te weinig wanneer het gewas wel voorspoedig was opgegroeid, maar slechts weinig korrels bleek te dragen. De opbrengst kon bijzonder wisselvallig zijn. De hoeveelheid halmen die het ene jaar honderd kilo zaad opleverde, gaf dikwijls het andere jaar niet meer dan vijftig kilo.

Behalve voor het bereiden van "grutjes"-pap en panne koeken diende het boekweitmeel als veevoeder, speciaal voor varkens en paarden.

Het woord boekweit betekent BEUKEN-TARWE, dit in verband met de driehoekige vruchtjes, die vorm van beukennootjes hebben. De plant is geen graansoort, maar behoort tot de Duizendknoopfamilie, d.w.z. planten met opvallende "stengelknopen" waar de zijstengels groeien.

Boekweit werd vroeger veel verbouwd omdat het op arme grond wilde groeien. Het land dat "aangemaakt" of "afgeveend" was, werd de eerste keer met boekweit ingezaaid omdat dit het enige gewas was dat op onbemeste grond wilde groeien. Na wat jaren mesten kon haver en rogge verbouwd worden En verdween de boekweit. Toen de boeren in Oudleusen meer behoefte aan weidegrond kregen, begon men de heide, tussen wat nu Kringsloot en Oosteinde heet, te ontginnen en maakte daar akkerland van; begon daar dus boekweit te verbouwen. Het akkerland kon verder van de boerderijen liggen omdat dat niet dagelijkse zorg van de boer nodig had.

Boekweit moest 's morgens vroeg of 's avonds laat - in de dauw of BOEKWEITMAAN - gemaaid en gebonden worden, omdat anders het zaad wegviel.
Een BUSSEL (bos) boekweit, die 50 tot 70 cm lang was, werd eerst van onderen uitgespreid neergelegd en dan werd de kop met zaden erop gevouwen en werd de onderkant er weer omheen gevouwen. Met een BAND roggestro werd de GARVE dan dichtgebonden.
Binnen werd de boekweit gedorst en getreden.
Meestal zaten er nog oude bloemblaadjes aan de zaden. Het zaad werd daarom in een ton gedaan en met klompen aan GETREDEN. Daarna werd het zaad gewand of geschud. Met een WANNE werd het zaad op een winderige plaats omhoog gegooid, zodat de oude bloemblaadjes konden wegwaaien en de korrels weer terug vielen in de wan. Daarna werden de korrels gemalen in een korenmolen, waarin boekweitstenen werden gezet.

De naam BOEKWEITENKAMP die door de familie Van Der Kuil in 1982 aan hun huis aan de Puntweg werd gegeven, houdt de herinnering levend aan dit vroeger ook voor deze streek zo belangrijk gewas.

* * *


Ni'jluus'ner Klederdracht _________________________________________________________


Beschrijving van de kleding zoals die op deze foto gedragen wordt; van links naar rechts.

Mevr. KREULE draagt een lijf en rok met daarover heen een schoudermanteltje of pellerine van zachte zwarte wol; meestal machinaal gebreid.
De (k)neepjesmuts is - in tegenstelling tot de situatie en het blijde gezicht - bedoeld voor de rouwtijd. Het is dan een muts van tule of, zoals hier, van heel dunne katoen of batist zonder patronen of versiering; in lange plooien over de schouder vallend. Aan de voorkant een afzetting van heel fijn en stijf in elkaar vallende plooien.
Bij diepe rouw, d.w.z. wanneer er om naaste familie gerouwd werd, kwam er een zwarte, grillig geplooide muts met zwarte satijnen strikken over heen.
Als zondagse kledij gedragen kwam bij deze dracht een neepjes- of knipmuts van tule, versierd met prachtige ronde kantversieringen. Hier over heen kwam bij feestelijke gelegenheden een als een bontrand vallende bruin geverfde struisvogelveer.
Prachtig versierde gouden "mutsbellen" gaven rijkdom
aan het geheel.

Mevr. HENGEVELD loopt er "daags" bij. Ze draagt een donkerblauwe schort met geruite bovenkant. De daagse muts is gehaakt van witte katoen, die zo gerimpeld en gesteven wordt dat de buitenkant omhoog afstaat en ook de strikken onder de kin staan vaak wijduit.

Mevr. SPIJKER draagt de gewone uitgaanskledij, met een zwart satijnen rok, met onderaan 4 opnaaisels en een "redicule" tas.
Ze draagt een Zwolse- of kroesmuts. Dit is een witte, katoenen muts met rijke broderiekant, die achterlangs in brede, platgestreken plooien weer uitwaaiert tot openstaande plooien doordat de bovenste plooi steeds aan de zomen tegen elkaar genaaid worden.
Voor bovenlangs drie heel dicht rond geplooide randen
die op elkaar genaaid worden.

DRUK: Drukkerij "STAPHORST".



Jaargang 1 nummer 3 september 1983

* * *


Emigratie naar Amerika _________________________________________________________

G.B.M.

Dat HOLLAND, OVERISEL, GRONINGEN e.a. in MICHIGAN in de VERENIGDE STATEN van NOORD-AMERIKA liggen is heel verbazingwekkend voor wie niet de ontstaansgeschiedenis van deze plaatsen kent.
De "AMERIKAANSE WEEK" was voor ons aanleiding om het materiaal dat we hier over hebben te ordenen en op een rij te zetten. Niet in de laatste plaats omdat een aantal kolonisten van deze plaatsen uit NIEUWLEUSEN afkomstig zijn en de familierelaties nog duidelijk terug te vinden zijn.

De landverhuizing naar Amerika.
Tussen 1830 en 1840 was de kerkelijke wereld in rep en roer geraakt, waarbij Hendrik de Cock, predikant te Ulrum - Groningen, de meest omstreden figuur werd. In een verweerschrift noemde hij zich gereformeerd leraar. Op 3 oktober 1835 werd Albert van Raalte tot het predikantschap toegelaten. Hij voelde zich aangetrokken tot de denkwereld van Ds. De Cock. In datzelfde jaar werd de wetsbepaling met betrekking tot het houden van onwettige bijeenkomsten van toepassing geacht op godsdienstige samenkomsten. De "Afgescheidenen" werden vervolgd en jaren achtereen werden aanhangers van de "gereformeerde leer" achtervolgd en gemolesteerd.
Ds. Van Raalte werd predikant te Ommen (waar later een straat en een school naar hem zijn genoemd) en speelde een belangrijke rol in de landverhuizing. Op 18 november 1837 werd te Nieuwleusen de Provinciale vergadering van Overijssel van de Gereformeerde Kerken gehouden. Hieruit blijkt de betrokkenheid van de inwoners bij dit kerkelijk leven.

In die tijd leed ons land onder de gevolgen van de "Belgische Opstand", die veel geld had gekost. Hierdoor waren de belastingen hoog opgedreven en heerste er grote armoede en veel werkloosheid. Tot overmaat van ramp brak de AARDAPPELZIEKTE in 1845 uit, die het grootste deel van de oogst vernielde. Door het onbetaalbaar worden van dit volksvoedsel stierven duizenden de hongerdood.
Hierdoor kwam een sterke beweging van landverhuizing naar Noord-Amerika op gang. Ds. VAN RAALTE zag hier, met anderen, een mogelijkheid om min- en onvermogenden een kans op een betere toekomst te bieden. Ze richtten de "Vereniging van Christenen voor de Hollandsche volksverhuizing naar de Verenigde Staten in Noord-Amerika" op en brachten geld bijeen die de emigratie van mensen mogelijk maakte. Op 28 mei 1846 vertrok de eerste groep mensen uit Arnhem. Al vrij spoedig ging de bezorgdheid van de predikanten verder en voelden zich ook verantwoordelijk voor de verdere levensloop van de mensen die zij het emigreren mogelijk hadden gemaakt. Ds. Van Raalte vertrok daarom ook zelf op 24 september 1846 met een groep per stoomboot Van Arnhem naar Rotterdam. Vandaar op 2 oktober 1946 met "The Sultance" naar Amerika. Ze kwamen op 17 november behouden te New York aan. Per stoomboot gingen ze naar Albany, per stoom- wagen naar Buffalo en daarna weer per boot over het Erie-meer naar Detroit.
Hier heeft Van Raalte zich uitvoerig laten voorlichten over de beste plaats van vestiging voor de "Hollandse kolonie". De keuze viel op MICHIGAN, omdat daar water- en spoorverbindingenwaren naar grote steden met goede markten.
De bosrijke omgeving werd gekozen boven vlug te ontginnen prairiegrond, omdat het hout voor goede huizen kon zorgen en tevens een goede handelswaar zou zijn. Visserij en jacht zou de eerste periode tot er goede oogsten kwamen overbruggen en een al enigszins bewoonde streek zou de pioniersfase minder riskant maken.
Er werd een comité "Hollandse Emigratie" opgericht, die gelden bijeen bracht, allerlei dingen wettelijk regelde en grond aankocht aan de Blackriver, die uitkwam in het Michigan-meer.
Toen de eerste landverhuizers voet aan land zetten aan de onherbergzame oevers van het Michigan-meer ontdekten ze geen enkel bewijs van menselijke beschaving. Bos en moeras was alles wat hun oog zag.

Toen de "Township = een stuk uitgebakende grond, waarbinnen een dorp of stad zal worden gebouwd, een naam moest krijgen werd "HOLLAND" gekozen.


Een blik in een emigrantenverblijf aan boord van een zeilschip in die dagen.

"Dinsdag 9 februari 1847 kwam een aantal mannen o.l.v. Van Raalte, vergezeld van een vrouw, op de nieuw gekozen plek ter woning aan. Allen knielden neder en verenigden zich in vurig gebed. Daarna werd de hand aan het werk geslagen en het eerste hout geveld om blokhuizen te kunnen bouwen."

Na de eerste ontginningsfase brak van 1848 tot 1850 een moeilijke tijd aan, omdat door de vlugge houtkap de waterhuishouding was ontregeld en vooral in de hete zomer die volgde, de ontstane poelen en moerassen een klimaat schiepen waarin malaria, tyfus, roodvonk en pokken zich konden verspreiden.
Meestal arm vertrokken en met een lange reis vol ontberingen achter de rug en een aankomst waarbij eerst de hut moest worden gebouwd voor men kon wonen, hadden de mensen zo weinig weerstand dat de helft van de aangekomen kolonisten bezweek aan ziekte. In 1851 volgde nog een knaagdierenplaag: muizen, ratten, eekhoorns en stekelvarkens vraten de hele oogst weg. Ontmoedigd trokken velen weer weg. Wie bleven werden de grondleggers van een stukje HOLLAND in Amerika.

* * *


Jentien Stolte 1788-1871 _________________________________________________________

Jentien Stolte; moeder van velen die in Amerika wonen, maar ook van velen die in ons land nu nog in Nieuwleusen wonen. Ze is op 22 juni 1788 geboren als dochter van Albert Stolte en Stijntje Alberts en ze kreeg de naam Jantje mee. Ze bracht haar jeugd op Nieuwleusen door. Vermoedelijk was ze boerenmeid bij Hendrik Kragt, wiens vrouw omstreeks 1807 overleed en haar man achter liet met vier kinderen.
In 1810 trouwde HENDRIK KRAGT met JENTIEN STOLTE. De bruidegom was toen 42 jaar oud en de bruid was 22 jaar oud.
Over de kinderen werden Herm Klaas Kragt -oom van vaders zijde- en Gerrit Koops Klein -oom van moeders zijde- als voogden gesteld. Tegelijk met de voogdijstelling werd tussen de voogden en het bruidspaar een overeenkomst voor de kinderen uit het eerste huwelijk opgesteld. Dat werd aldus beschreven:

"Dat deze pupillen voor moeders goed vooraf zullen hebben en genieten, namelijk van het mobilair of tilbare goederen zodra zij den ouderdom van agtien jaren bereikt hebben, ieder een summa van ƒ 200,-- tweehonderd guldens en daarenboven ieder kind ƒ 60,-- voor een bruiloftskleed, de drie jongste kinderen horologie en verder zilver, een gouden kist en Bijbel met zilveren krappen en een gebleekt stuk doek, alles even zoals den oudsten heeft of zal genieten van 't hier voornoemde en als een of meerdere van gemelde kinders komen te overlijden erven de dan nog in leven zijnde kinderen of kind 't hier gespecificeerde van de overledenen. Voorts tot gemelde 18 jaren zullen zij in hun ouderlijk huis opgevoed en verpleegt moeten worden en aldaar behoorlijk onderhoud genieten en op den dienst zijnde; ziek of zuchtig wordende, aldaar vrije toegang hebben, onderhoud en verpleging genieten als voorzegd. Intussen lezen en schrijven laten leren na behoren waarvoor tegen gemelde mobilair en tilbare goederen aan den eerstgenoemde zal zijn en verblijven. "

Met al deze bepalingen ging Jentien akkoord toen ze haar huwelijk begon. Spoedig werd het gezin groter, want uit het huwelijk werden drie kinderen geboren, Klaasje, Janna en Albert. Ongeveer zestien jaar heeft dit huwelijk geduurd. In augustus 1823 overleed Hendrik Kragt. Hij was toen 56 jaar oud. Binnen een half jaar overleed ook de jongste zoon Albert, die toen pas 5 jaar oud was. Inmiddels waren er al drie kinderen uit het eerste huwelijk van Hendrik Kragt getrouwd, zodat Jentien nu nog de zorg had over haar stiefzoon Gerrit en haar twee dochters Klaasje en Janna.
Ruim een jaar na het overlijden van haar echtgenoot trouwde Jentien opnieuw.
We lezen in de burgerlijke stand van die tijd:

"Albert de Weerd, 24 jaar, boerenknecht, zoon van
Jan Everts de Weerd en Hendrikje Alberts, gehuwd
4 december 1824 met:
Jantje Alberts Stolte, 36 jaar, dochter van Albert
Stolte en Stijntje Alberts, weduwe van Hendrik
Kragt."

Zo zien we dat naar alle waarschijnlijkheid de geschiedenis zich herhaalde en dat Albert de Weerd nu bij haar boerenknecht was geweest.
Dit huwelijk werd bekroond met de geboorte van twee dochtertjes: Stiena en twee jaar later Hendrikje.
Gerrit Kragt trouwde in 1833 met Berendina Nijhuis.
In 1834 trouwde Klaasje Kragt met Harm Broek.
In 1835 trouwde Janna Kragt met Hendrik Schuurman.
Op 31 december 1846 trouwden de beide jongste dochters tegelijk.
Stiena de Weerd, 21 jaar oud, trouwde toen met Arend van Duren, 40 jaar oud en weduwnaar van Niesje de Boer.
Hendrikje de Weerd, 19 jaar oud, trouwde toen met Hendrik Jan Schoemaker, 25 jaar oud.
Jentien Stolte was toen al bijna 60 jaar oud. Toch zouden in haar leven nog grote dingen gebeuren.

Om te ontsnappen aan de slechte economische toestand of gedreven door het idealisme van Ds. Van Raalte, besloten ook een aantal gezinnen uit Nieuwleusen zich aan te sluiten bij de groepen landverhuizers die in de V.S. van N.Amerika een nieuw bestaan wilden opbouwen.
Jentien Stolte ging met haar man en de gezinnen van 3 van haar dochters naar Amerika.
Het waren: Albert de Weerd, Harm Broek, Arend van Duren en Hendrik Jan Schoemaker. Dat het een hele onderneming was kunnen we ons voorstellen, wanneer we bedenken dat eerst de reis naar Rotterdam of Engeland moest worden gemaakt. Daarna de tocht per zeilschip over de Atlantische Oceaan, die meestal 7 tot 8 weken duurde. Tijdens deze zeereis moesten de landverhuizers voor hun eigen eten, drinken, beddengoed enz. enz. zorgen.
Vanuit New York weer een stuk over land en tenslotte een gevaarlijke tocht over het Michigan-meer met een landing op het strand, twee of drie dagen lopend tot de eerste blokhutten. Spoedig na aankomst overleed haar schoonzoon Hendrik Jan Schoemaker.
Maar het leven gaat verder ook al is het wreed en hard.
De weduwe geworden dochter Hendrikje trouwde in mei 1848 met de uit Genemuiden afkomstige Wolter van der Haar.
In juli 1849 werd het gezin met de geboorte
van een dochtertje verblijd. Grootvader Albert de Weerd schreef dit in een brief die hij in december 1949 naar Nederland stuurde:
(De brief, met een getypte vertaling is bij de Vereniging te verkrijgen). "-en in dezen kan en mag ik U melden een vermeerdering van ons geslacht dat Wolter en Hendrikje een jonge dochter hebben overwonnen."
Veel is er in die tijd nog gebeurd, want grootmoeder Jentien kreeg na het overlijden van haar dochter Stiena in 1857 en haar man Arend van Duren in 1863 ook nog de zorg voor de drie kinderen uit dat huwelijk, de drie kleinkinderen waren: Gerrit Jan, Jantje en Albertus van Duren.
Via Gerrit - Jan van Duren werd later de familieband met nakomelingen ontdekt toen de grafsteen van Jentien Stolte werd gevonden, waarop te lezen staat dat ze op 9 oktober 1871 overleed. Ze had toen een druk en tot op hoge leeftijd werkzaam en dienstbaar leven
achter de rug.


Jentien Stolte 1788-1871. Na zovele jaren wordt op Nieuwleusen aan haar gedacht. Misschien een eenvoudige vrouw. Een vrouw in wiens leven hoogtepunten waren, was een schakel in de grote ketting waarvan wij het begin niet weten en het einde evenmin, want: wat geweest is, is geweest en is voorbij gegaan. Toch is er een band en die blijft altijd bestaan.

In 1847 uit Nieuwleusen vertrokken landverhuizers.

*



*




*
*







*

Albert de Weerd, landb.
Jentien Stolte
Stiena de Weerd
Hendrikje de Weerd
Gosen van Duren
Arend van Duren, landb.
Femmigje van Duren
Hendrik van Duren, landb.
Janna de Boer, echtgenote van
Gerrit Hendrik van Dijk, landb.
Harm Broek,
Klaasje Kragt
Derk Broek
Hendrik Broek
Jentje Broek
Jan Broek
Albert Broek
Janna Broek
Hendrik Jan Schoemaker, landb.

geb.







H.






11-10-1800
22- 6-1788
10- 8-1825
7- 1-1825
1824
1845
25- 2-1806

van Duren

3- 7-1809
12-11-1813
5- 2-1835
18- 2-1838
18-11-1839
28- 7-1841
12- 3-1843
14- 3-1845
5- 6-1823

Colderveen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Ruitenveen



Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen


Vertrokken in 1851 met het zeilschip
"ELISHA DENOISON, Kapitein Tucker.

*

Klaasje Boerman, wed. v. A. Seinen, geb. 1797
Hendrik Seinen, geb. 1819, schoenmaker



*





*






Hendrikje Seinen, 1825
Janna Seinen, 1827
Jan Willem Nijkamp, 1827
Aaltje Seinen, 1819
Arend Nijkamp, 1844
Hendrik Nijkamp, 1846
Klaas Nijkamp, 1848
Reint Nijkamp, 1822
Levert v.d. Kolk, 1780
Jan v.d. Kolk, 1811
Arend v.d. Kolk, 1825
Hendrik v.d. Kolk, 1830
Geertje v.d. Kolk, 1826
Arend Seinen, 1830
Janna v.d. Kolk, 1834

*




*










H. Meijer, 1819
Aaltje Boerman, 1825
Geertje Meijer, 12-12-1844
Janna Meijer, 30-11-1847
Klaas Meijer, 27-1-1850
Klaas Boerman, 1822
Femmigje Bulder, 1824
Klaas Boerman, 1849
Klaas Boerman, 1799
Geertje Mulder, 1796
Jan Boerman, 1833
Derk Boerman, 1837
Hendrikje Boerman, 1823
Janna Boerman, 1827
Hendrik Boerman, 1830
Janna Gerritsen, 1832

*


Roelof Harm Smit, dominee
Grietje Boesenkool
Klaasje Smit

21-7-1815 Rouveen
1816
11-11-1848

Vertrokken in 1856

*


Harm Kragt, geb. 6-12-1839
Margje Visscher, 06-12-1840
Hendrik Kragt, 1820

Berendina Kragt, 1821
Klaas Kragt, 1849
Wiegger Gerritsen, 1827


Dirk Broek had an interim kind of ministry during his
pastorate at Third Church from 1880 to 1888.


* * *


Het ontstaan van de nederzetting "Holland". _________________________________________________________


Indien er enige kans op slagen zou zijn voor de nederzetting, moesten eerst de bomen worden omgehakt. Letterlijk nergens was er genoeg ruimte om een huis te bouwen en nog veel minder om er iets te verbouwen. Mijlen ver strekte zich het woud uit, doorsneden door moerassen, poelen, beken en rivieren. Zonder wegen of bruggen of iets wat de mensen aanleiding kon geven daar hun huizen te bouwen.
Toen de kolonisten voor het eerst voet aan wal zetten en de ontzaglijke woudreuzen zagen, waarvan velen zes voet en meer in omtrek waren, en overal waar ze keken niets dan bomen zagen en toen zagen met hoe weinig mensen ze waren en met hoe weinig kracht, vroegen ze zichzelf in verwondering af, hoe het mogelijk zou zijn dat hier ooit een kolonie van landbouwers gesticht kon worden.
Heuvelreeksen, dalen en ravijnen gaven de hele streek een golvend aanzien. Klei, zand en andere grondsoorten wisselden elkaar af of kwamen gemengd voor. Daardoor groeiden er allerlei boomsoorten, zoals: ahorn, walnoot, ceder, eiken, beuken, maple, pijn, olmen, helmlok, linden, essen, wilgen en elzen. Geen vruchtbomen, behalve wilde druiven en pruimen.
Bijna niemand van de kolonisten had ooit bomen gerooid. In het begin was het een zware en ontmoedigende arbeid. De lompe, vierkante Hollandse bijlen waren ongeschikt.
Het vellen van de bomen was een gevaarlijk werk. Niemand wist waarheen de boom zou vallen, wanneer hij, zoals ze in het vaderland gewend, de boom dicht bij de grond cirkelvormig hadden gehakt.
Gelukkig hielpen de in de omgeving wonende indianen, de hier en daar wonende Amerikanen en doortrekkende vreemdelingen de onkundige nederzetters. Spoedig waren ze ook zo ver, dat ze hele rijen bomen zo konden hakken, dat die op het punt stonden van omvallen. De laatste boom in de rij werd zo gehakt dat hij neer kwam op de dichtstbijzijnde en dan vielen met een ontzettend gekraak, al de bomen in één keer. In het begin lachten de Amerikanen om de onhandige Nederlanders, maar hun volhouden en ijver dwongen zoveel respect af, dat ze al vlug hielpen en goede raad kwamen geven. Al vlug kregen de Amerikanen zoveel vertrouwen in de onderneming dat het gezegde: "die mensen houden het hier niet uit" veranderde in: "het duurt maar wei- nig jaren, dan zijn die mensen welvarend".
En uit de brief van Albert de Weerd uit 1849 blijkt ook dat er toen ook al heel wat bereikt was. Vrienden die na een jaar de kolonie bezochten riepen in bewonde- ring uit: "Hoe is het mogelijk dat gij al die bomen hebt neergekregen?"
Daarop gaf Van Raalte het eenvoudige antwoord: "God heeft ons volk spierkracht gegeven".
Niet alleen moest er grond vrij gemaakt worden voor huizen en landbouwgrond, ook moesten er wegen worden aangelegd. Waarheen men ook wilde gaan, er waren hinderpalen in de vorm van bulten, stompen, gaten, moerassen, rivieren, omgevallen boomstammen, ravijnen enz. De door de regering beloofde hulp bleef uit, zodat men dat ook zelf moest doen.
Het was een zwaar en soms ondankbaar werk, wanneer een weg door een moeras liep. Vaak moesten er eerst sloten gegraven worden om de afwatering naar de Blackriver mogelijk te maken. Tenslotte is alles gelukt. Zodra de omwonende Amerikanen zagen, wat soort van mensen de Hollanders waren, wilde ze hen graag in dienst nemen en veel kinderen gingen als dienstboden en arbeiders of ambachtslieden bij Amerikanen werken. Vaak moesten ze 30 tot 60 mijlen lopen om een baan te vinden. Bovendien bleven ze in de verre omgeving werkende landgenoten, in de schaarse vrije tijd opzoeken, zodat nog veel huwelijken tussen landgenoten plaats vonden. Met houten pinnen in de eggen werd de open gekapte grond los gemaakt. Om de dikste boomstronken werd eerst heen gewerkt. Boekweit, cichorei, rogge, haver, tarwe, maar ook bonen en erwten en tabak brachten eerst nog weinig op. Geld werd verdiend met wat het bos opleverde; suiker van de ahornboom, schillen van de helmlokbomen voor het looien van leer, houten dakpannen van de pijnbomen, klompen uit de wilgen, hardhout voor meubilair enz.

Waar in 1847 nog alleen bomen stonden, trof men twee jaar later al nederzettingen aan met 235 blok- hutten (in Holland) en 35 blokhutten (in Overisel). Deze laatste nederzetting was gesticht door vroegere inwoners uit Hellendoorn, maar de bewoners waren zo "calvinistisch" dat het dagelijks geconfronteerd worden met het woord "hel" hen deed besluiten een nieuwe naam te kiezen. Het werd "Overisel".


Ahorn-suikeroogst, zie ook de voorplaat.
in de lente wordt het sap van de maple-boom opgevangen en
gekookt tot er ± 5 % overblijft = maple stroop.

ged. Uit : A. van der Linde, Gesch. v. d. ger. kerk te
Hellendoorn.

* * *


Zoeken naar familierelaties in het nieuwe vaderland. _________________________________________________________

B.v.D.

Toen Klaas van Duren, een naar Canada geëmigreerde broer van Berend van Duren, eens schreef dat er veel "Van Durens" in Canada en Amerika woonden, maar dat hij niet na kon gaan of dat van vroeger nog familie kon zijn, werd een kopie van de inmiddels gevonden brief, die Albert de Weerd in 1849 naar Nederland had verzonden, naar hem gestuurd.
In de zomer van 1981 reisden daarop zijn zoon Henk van Duren met zijn vrouw naar het 600 km van Guelph - Toronto liggende Holland in Michigan om ter plekke te onderzoeken hoe eventuele familierelaties nog terug te vinden zouden zijn.
Groot was hun verbazing toen ze bij een garage naar een telefoonboek vroegen en als antwoord kregen: "Kiek zelf mar, der stoat er genokt ien". Wie zou ook verwachten dat daar nu nog Sallands wordt gesproken.
Delen uit de brief, waarin ze verslag van hun reis geven, zijn zo boeiend, dat we die hier overnemen.

"Toen we in de stad Holland in Michigan aankwamen viel het ons op, dat heel veel namen en opschriften daar aan Nederland doen denken. We hebben eerst maar eens wat rondgekeken. Daarna spraken we mensen aan en vertelden hun over onze bedoelingen. We werden verwezen naar de stadsbibliotheek. Daar waren ook de archieven ondergebracht."

Inderdaad vonden wij heel wat gegevens. Kerkregisters volkstellingsstukken, en wat al niet meer. Waar mogelijk stonden de plaatsen van afkomst vermeld. Op enkele van deze lijsten staan plaatsnamen als Baarland, Borger, Midwolde, Nieuwleusen, Winterswijk. Hieruit blijkt dat destijds emigranten van overal uit ons land naar die streek zijn vertrokken.
Daarna zijn wij op zoek gegaan naar "Van Durens". De eerste die wij bezochten was een kleermaker. Deze man was echter niet zo geïnteresseerd. Wel beloofde hij wat voor ons op te zoeken en dit dan te zenden. Niet ontmoedigd zochten wij verder en ja hoor!

D. van Duren: kleermaker

Het gezin van Gerrit Jan van Duren ± 1910?


Bij de tweede familie hadden we meer geluk. Toen we vertelden waar we voor kwamen, werden we als oude bekenden ontvangen en moesten natuurlijk blijven eten. Een grote koffer met papieren en foto's van vroeger kwam tevoorschijn.
Een oude foto uit het begin van deze eeuw bracht ons op het goede spoor. Hierop stonden de grootvader van Frank van Duren -bij wie we nu op bezoek waren- met zijn gezin afgebeeld. Frank wist te vertellen dat zijn grootvader Gerrit Jan van Duren in 1853 was geboren en in 1912 was overleden. Het in de bibliotheek gekregen afschrift van het kerkregister werd geraadpleegd en daaruit blijkt dat Arend van Duren en Stiena de Weerd drie kinderen hadden:
Gerrit Jan, geb. 2-7-1853, Jantje, geb. 31-10-1854 en Albertus, geb. 4-1-1857.
Uit het eerste huwelijk van Arend van Duren met Niesje de Boer was ook nog een dochter, Femmigje geboren (hierover wordt ook in de brief van 1849 geschreven).
Frank had wel eens gehoord dat zijn grootvaders ouders gestorven waren toen hij nog maar een jongen was. En dat kon aan de hand van het afschrift van het begraafregister ook worden vastgesteld:

Stiena de Weerd, overleden 4- 1-1857 = 31 jr. (kraambed)
Arend van Duren, overleden 19-4-1863 = 58 jr.

De grootvader van Frank was toen verder opgevoed door de familie De Weerd. En dat was, zoals wij nu weten over - overgrootmoeder Jentien Stolte en haar gezin.
Op de begraafplaats vonden we later het familiegraf van de Van Durens. Maar ook een oude grafsteen, overwoekerd met gras. De steen werd wat schoon gemaakt en toen konden we lezen dat Jentien Stolte, de vrouw van Albert de Weerd, geboren te Nieuwleusen, provincie Overijssel op 9 oktober 1871 in Holland - Michigan was overleden in de leeftijd van 83 jaar, 3 maanden en 20 dagen."




Jaargang 1 nummer 4 december 1983

* * *


Van de Redactie _________________________________________________________

Het is de redactie van dit tijdschrift een genoegen U hierbij het vierde exemplaar van 1983 te kunnen aanbieden. Alle begin is moeilijk En zo was het ook voor de redactie - commissie niet eenvoudig om onmiddellijk de goede slag te pakken krijgen, maar omdat er ook gesteld kan worden: "al doende leert men", verwacht de commissie in het komende jaar in dit tijdschrift nog meer de relatie te leggen met de naam van de vereniging: 'T NIJLUUSN VAN VROGGER.

Zo nu en dan zal echter ook even het heden om de hoek komen kijken in dit tijdschrift en dat is dan nu als eerste het verzoek aan U om Uw contributie voor 1984 over te willen maken op de rekening van de vereniging bij de Rabobank Nieuwleusen 34.55.74.427. Het gironummer van de bank is 8797766.

Als tweede belangrijke punt kunnen wij U mededelen dat door de notaris onze oprichtingsakte is gepasseerd en wij dus niet meer een vereniging in oprichting zijn. Dit houdt in, dat wij nu een bestuur moeten gaan kiezen zoals de statuten voorschrijven. Hiervoor heeft het thans zittende voorlopige bestuur een algemene ledenvergadering belegd op dinsdag 24 januari 1984 om 20.00 uur in een zaal van het jeugdgebouw van de gereformeerde kerk aan de Backxlaan. Behalve dat het bestuur met een voordracht komt, kunt U ook kandidaten stellen. Begin januari ontvangt U hierover nog nadere mededelingen. Houdt U vast deze avond voor deze ledenvergadering vrij.

Wij hopen dat we er in 1984 ook in zullen slagen vier exemplaren van dit tijdschrift samen te stellen. De redactie - commissie ontvangt daarvoor ook van U graag bijdragen, want dat is juist de sterke kant van een vereniging: met z'n allen weet je meerdan één alleen kan weten. Aarzelt U niet aan te bieden wat U aan interessante feiten over het verleden weet. Samen maken we er dan een goed tijdschrift van.

En tot slot, als redactie-commissie wensen wij alle leden een vrolijk kerstfeest en een voorspoedig 1984.

Aanvulling naar aanleiding van het tweede nummer.

In het boekje nr. 2 d.d. juni 1983 werd gevraagd wie op de foto van blz. 18 de tweede man van rechts was. Van diverse zijden werd ons bericht dat deze persoon de heer Albert Dekker was, gewoond hebbende Brug 5.

Van Hilligje Bijker, Raiffeisenstraat 35, ontvingen wij nog enige aanvullende informatie.
Haar vader Hendrik Jan Bijker stond nl. ook op de foto. De notabelen waren deze dag in 1918 naar Borculo geweest om aldaar de aanleg van de elektra te bezien, omdat men ook in Nieuwleusen wilde overgaan tot de aanleg hiervan.
Het uitstapje was de heren zo goed bevallen, dat men een jaar later weer op reis ging en toen nog wat verder en wel naar Rotterdam. De reden van deze trip is nog in nevelen gehuld, maar mogelijk kan iemand ons nader informeren. De foto van deze reis is al opgenomen in het boek: "Kent U ze nog.... de Nieuwleusenaren", door H.J. Meijerink.

* * *


LETTERDOEKEN _________________________________________________________

Tijdens het Open Huis op 12 en 13 oktober van de verbouwde Rabobank aan de Raiffeisenstraat werd door medewerking van onze vereniging een 18-tal letterdoeken of ook wel merklappen tentoongesteld.
Van deze letterdoeken hebben wij, in ruil voor de medewerking, dia's gekregen, die samen met de gegevens die de eigenaren ons gaven, de start vormen van het archief(je) dat we over dit onderwerp opzetten. Immers de letterdoeken geven altijd voorletters, jaartallen en andere belangrijke gegevens uit het leven van de maaksters. We denken dat er nog veel meer letterdoeken in de gemeente zijn die van belang zijn voor een stuk geschiedschrijving. Weet U iets, wilt U dan meewerken aan het verzamelen van de gegevens.

Op de omslag één van de tentoongestelde letterdoeken, welke is gemaakt door Janna Snel toen ze 12 jaar was in 1857.

* * *


Firma B.J. van den Berg _________________________________________________________


Firma B.J. van den Berg Rijwielhandel Den Hulst a.d. Dedemsvaart

Op de foto de eerste aanzet van hetgeen vandaag de Unikap rijwielfabriek is geworden. Oorspronkelijk woonde de familie Van den Berg aan de Dommelerdijk, waar ze een molen dreven. Toen in de eerste helft van de 19e eeuw de Dedemsvaart werd gegraven bouwden zij een losplaats aan het kanaal en werd een loods gebouwd voor de opslag van meel, kalk en andere bouwmaterialen. Daarna besloot de molenaar B.J. van den Berg ter plaatse een woonhuis met winkel te bouwen. Deze werden op 27 juni 1904 in gebruik genomen en vormen de oorsprong van het huidige bedrijf.
In 1984 is het dus tachtig jaar geleden dat van hieruit de eerste fiets werd verkocht.

* * *


HILLIGJE EN KOOP WITPEERD - WITPAARD _________________________________________________________

G. Kreule-Kok


Bij een oude foto


Via zuster Dirksen kwam ik in het bezit van een oude foto van Nieuwleusenaren, waarvan ze niet wist wie dat waren. Na enig gepuzzel en het afleggen van een paar bezoekjes kan ik het volgende over deze berichten.
Hilligje Witpaard, geboren 3 dec. 1835 te Nieuwleusen en dochter van Jan Witpaard en Fennigje Klumpjes trouwde op 3 okt. 1864 met Koop Witpeerd, geboren 27 aug. 1835 te Nieuwleusen en zoon van Koop Witpeerd en Hendrikje Ganzeboer.
Ze waren de grootouders van Gerrit Jan Witpeerd die thans nog op De Meele woont en bijna 89 jaar is. Hij vertelde mij dat zijn grootvader, zijn vader en hij zelf naast werken op de boerderij o.a. gewerkt hebben bij station Dedemsvaart en de tijdelijke tram. Bij station Dedemsvaart kwam per schip turfstrooisel aan uit Klazienaveen (van het bedrijf W.H. Scholten). Deze moest gelost worden en over gebracht in de spoorwagens voor verder vervoer. Dit was een moeilijk en zwaar karwei en niet zonder gevaar. De turfstrooisel was tot grote balen geperst en moest over een smalle loopplank naar de wal worden gekruid. Ooit is hierbij iemand van de loopplank gegleden en verdronken in de Dedemsvaart.
Als jongen van 16 jaar werd Gerrit Jan reeds ingeschakeld bij het werk. Dit was dus ± 1910. De verdiensten waren 12 stuivers per dag. Later werd dit geleidelijk wat verhoogd en liep het op tot ƒ 2,50 per dag. Ook is Gerrit Jan werkzaam geweest bij de aanleg van de tijdelijke tramlijn, die vanaf de Rollecate langs de brede wijk richting Nieuwleusenerdijk liep. Via deze tramlijn werd puin vanuit schepen in de Dedemsvaart vervoerd naar de Hessenweg en Hoevenweg, die met dit puin verhard werden.
Jan Jonkers regelde het verkeer voor dit trammetje op de Nieuwleusenerdijk door met een vlag in de hand eventuele auto's tegen te houden.
Door de Brede- of Kalkovenwijk werd per schip o.a. turf vervoerd, die uit Klazienaveen e.o. kwam. Vandaar ging het per boerenwagen verder of met kleine bootjes die door de sloten langs het Westeinde de Kerkenhoek konden bereiken.
Na de ruilverkaveling is het nog maar moeilijk voor te stellen hoe deze "wieke" vanaf Rollecate westelijk langs de boerderij van (nu) Harm Prins en westelijk langs het Jachtlust ter hoogte van de Dedemsweg uitkwam op de Nieuwleusenerdijk.

* * *


Krummels _________________________________________________________

Mevr. Hengeveld vond nog een stukje archief dat op grappige wijze het wisselen van bijna dezelfde achternaam in een familie aangeeft.

Koop Witpaard: 20 jaar en landbouwer en zoon van Gerrit Jan Witpaard en Jennigje Witpaard trouwt op 27 - 09 - 1894 te Nieuwleusen met:
Fennigje Witpeerd: 26 jaar en dochter van Koop Witpeerd en Hilligje Witpaard.

* * *


Over namen en bijnamen _________________________________________________________

B.v.D.

Evenals elders in ons land woonden vroeger op Nieuwleusen (en waarschijnlijk nu nog wel) mensen die naast hun gewone naam nog een bijnaam hadden. Deze bijnaam kwam vaak van de achternaam van moeders kant. Door de samenvoeging met de achternaam van de nieuwe echtgenoot ontstond soms een woordcombi natie die prettig in het gehoor lag en de persoon en haar kinderen duidelijk onderscheidde van andere dorpsgenoten met dezelfde naam.
Zo woonde iets ten oosten van de Kerkenhoek de fam. Van Spijker. De kinderen noemde men Spiekerpotties.
Dit kwam omdat een voorvader/moeder Pot heette.
Als men over Hendrik van Duren van naast de Union sprak, dan zei men Zwaank.
Zo zijn er meerdere gevallen te noemen.
Ene Hendrik Jan Schuurman noemde men Hendrik Jan Jeremias.
Het is niet de bedoeling met het noemen van deze namen iemand of iemands familieleden te beledigen. Het zoeken naar de oorzaak is vaak interessant en het blijkt maar al te vaak dat voor het noemen van sommige bijnamen wel een reden bestond.

Hieronder volgen enkele van de gebruikte bijnamen.

Visscher - Brand.

Voorouders van Jan Visscher (Dikke Jan) woonden op Rouveen. In het jaar 1813 huwde Claas Jan Visscher , smid van beroep, met Geesje Hendriks Brand.

Borger - Wichers.

Wicher was de voornaam van een der Borgers uit vroeger dagen. In die tijd was het gewoonte de voornaam van de vader mede te vermelden. Harm Wichers Borger is dus Harm, de zoon van Wicher.
Zo langzamerhand verdween deze gewoonte, maar bij deze naam bleef men volhouden. Zo kan men in de burgerlijke stand van 1890 nog lezen dat ene Klaas Wichers Borgers huwde met Hendrikje Witpaard. Erg consequent was dat niet, want de vader van Klaas heette Jan Wichers Borger, zodat de eigenlijke naam dus Klaas Jans Borger had moeten zijn. De bijnaam Wichers is hiermee echter voldoende verklaard.

Luten - Sok.

Van oorsprong komt deze familie uit Friesland en later uit het merengebied bij Wanneperveen. In 1827 trouwt ene Gerrit Sok, zoon van Luite Simens Sok en Hendrikje Gerrits Knobbe met Annigje van Dijk.
Deze Gerrit Sok huwt als weduwnaar in 1848, maar nu onder de naam "Gerrit Luiten" met Aaltje Brinkman en zes jaar later voor de derde maal met Hendrikje Bos. De naam Luiten verandert op de duur in Luten en de naam Sok hoort men nog maar sporadisch.

Reurink-Oyers.

Deze familie vinden we in het begin der vorige eeuw in Hasselt, waar een Gerrit Reurink trouwt met Lammigje Oyers. Twee zonen vestigen zich in Nieuwleusen als timmerman, trouwden aldaar en gebruikten, zelfs in officiële stukken, zowel de naam Reurink als Oyers.
Zou er toch waarheid schuilen in het gezegde: "Als het kind maar een naam heeft", want erg nauwkeurig was men in de vorige eeuw beslist niet met het opschrijven van namen.
Als er voor dit artikel belangstelling bestaat is er wellicht een vervolg mogelijk. Wie namen met bijnamen meent te weten, moet dit maar door geven. Misschien zijn er verbanden te vinden.

* * *


O.L. School A - Oosteinde - 1904 _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.

Een schoolfoto van het Oosteinde uit 1904.
De namen van alle leerlingen zijn bij de vereniging bekend. Dat valt erg tegen en de namenlijst lijkt ook niet bij deze foto te horen! Rechts op de foto meester Zoete, de eerste kassier van de Boerenleenbank. In het aanvangsjaar verdiende hij vijfentwintig gulden. Daarna was zijn jaarsalaris honderd gulden.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  


Klaas Mijnheer

Dina Hofman


Aaltje Oljans

W.F.H. de Greef, onderwijzer









19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  




















* * *


Eendenverkoop _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.


Een al erg oude foto van een verre voorvader van ons medelid Jan Groen, die met het paard voor de "brikke" boter en eenden naar Amsterdambracht. Staphorst had in het verleden veel eendenkooien. Ook op Nieuwleusener gebied lagen er twee: de Tolhuiskooi en de Roetenkooi.
Deze "vogelcooije" verkocht Tijmen ter Linde, rentmeester van Klooster Dickninge in 1632 aan de Leusener Compagnie.

* * *


De Rollecate _________________________________________________________

H. Veltmaat-Hegen

Velen van U zouden toch wel eens willen weten hoe de woningen van "De Rollecate" aan de Dedemsvaart vroeger bewoond werden en door wie. Dit artikel wil niet zeggen dat ik hier helemaal mee op de hoogte ben, maar door vaak een bezoek te brengen aan rijks- en gemeentelijke archieven is er toch een stuk inzicht verkregen dat voor velen van U zeker interessant zal zijn. Mede door de hulp van de bewoners van deze omgeving die vroeger onder "De Rollecate" gewoond en gewerkt hebben, ben ik in het bezit gekomen van vele duidelijke gegevens, die ik graag wil doorgeven aan 't Ni'jluusn van vrogger.

Dat gemeentegrenzen vaak achter een bureau worden vastgesteld geeft dit stukje buurtschap wel heel duidelijk aan. In haar ontstaan een eenheid is het nu opgedeeld naar twee gemeenten. Om dit te illustreren is steeds de gemeente waartoe een gebouw nu behoort toegevoegd.

Het grote huis - gemeente Nieuwleusen.

In 1820 werd "het grote huus" - De Rollecate vanuit Vollenhove, waar het eerst werd afgebroken, naar Den Hulst verplaatst, door baron W.J. van Dedem; de oprichter van de Dedemsvaart. Het grote huis is tot in de jaren 1920 door de familie van de baron van Dedem bewoond geweest. In 1934 is het huis afgebroken om ruimte te maken voor de aanleg van een nieuw gedeelte van de provinciale weg.

De villa - gemeente Staphorst.

Op 1 sept. 1908 krijgt mr. W.J. baron van Dedem vergunning van B en W van Staphorst voor het bouwen van een "landhuis". Dit landhuis wordt nu bewoond door de fam. De Keijzer - Rollecaterweg 13. Dit gebouw moest volgens de bouwvergunning in februari 1909 geheel klaar zijn. Of dit inderdaad gebeurd is en door wie het gebouwd is weet ik niet. Ook over de periode van 1909 - 1913 is weinig bekend. Weet U misschien iets?
In 1913, zo vinden we in akten, krijgt de Maatschappij "Rollecate" te Den Hulst aan de Dedemsvaart een vergunning voor het bouwen van een "bijgebouw" vast aan het hoofdgebouw. Kosten ƒ 5.000,--. Dit gebouwtje is in 1930 weer afgebroken. In dit bijgebouwtje bevonden zich een leslokaal, een leskeuken, een lokaal voor wasbehandeling en een berglokaal. Bovendien vond ik een akte welke verklaart dat de inspecteur van het Landbouwonderwijs als "'huurder" en de Maatschappij "Rollecate" - in deze vertegenwoordigd door mr. W.J. Baron van Dedem - als "verhuurders" overeen komen het huren en verhuren van: het huis met bijgebouwen, schuur en ± 40 aren grond gelegen op het landgoed "Rollecate", een en ander ten behoeve van de aldaar gevestigde Rijks Landbouwhuishoudschool. Ingang huur, voor zover het huis en grond betreft vanaf 1 mei 1913 en wat betreft het bijgebouw vanaf 1 september 1913.
Op 20 september 1913 begon de tweejarige opleiding tot landbouwhuishoudlerares. Directrice was mej. Theda Mansholt. De school begon met 8 leerlingen en met 8 leerkrachten.

De Bijhof - gemeente Staphorst.

Dit was de rentmeesterswoning die in 1914 als pension door de huishoudschool in gebruik werd genomen. Later hebben er de families V.d. Hof en Prins gewoond. Thans wordt het huis bewoond door Familie Veltmaat (auteur van dit artikel).

De Tuinmanswoning - gemeente Staphorst.

Hier woont nu de familie Van Berkum.

Het Koetsiershuis - gemeente Staphorst.

Dit huis wordt nu bewoond door wed. Knol.

De Veestal - gemeenten Nieuwleusen en Staphorst.

Na verbouwing is dit een woonhuis geweest voor de families Steenbergen, Baltus en Ter Wee. Nu woont aan de zuidkant van het gebouw familie W. Schlüte - gem. Nieuwleusen en aan de noordkant familie J. van Dijk - gem. Staphorst.

De Zuivelfabriek(?) - gemeente Staphorst.

In 1909 werd er een stalgebouw met zuivellokalen voor 200 koeien gebouwd aan de Van Dedemsweg – hoek Schapendijk - gem. Staphorst. Thans is dit een bouwval, waarover later meer.
(De fabriek van baron Van Dedem was van 1899 tot 1923 te vinden op de hoek van de Schapedijk en de Rollecaterweg.)
(In dit gebouw was na de oorlog, tijdens de koude oorlog, een depot gevestigd met voertuigen en ander materiaal van de BB, Bescherming Burgerbevolking, met als vaste beheerder Klaas Wijbenga(1909-1992). Ook woonde er één of meerdere gezinnen in het vroegere kantoorgedeelte. Daarna een vestiging van Buisman Woninginrichting en tenslotte zijn er ook nu in 2019 nog verschillende bedrijven in het gebouw gevestigd.)

Dit zijn enige gegevens over "De Rollecate", die in de gemeenten Nieuwleusen en Staphorst veel historie met zich mee heeft gebracht. Misschien mogen wij hier nog eens op terug komen.

Villa waarin het internaat van de Rijkslandbouwhuishoud- school "De Rollecate" aan de Dedemsvaart was gehuisvest.

* * *

Gesprek met twee oude grasmaaiers _________________________________________________________

Freek Pereboom
IJsselacademie

Tot kort na het tot stand komen van de Afsluitdijk gingen iedere zomer een groep mannen uit Nieuwleusen naar Urk om het grasland te maaien.
In "Berichten van de IJsselacademie" stond een vraaggesprek met twee dorpsgenoten. Omdat weinig mensen dit tijdschrift lezen en het toch interessante gegevens over bewoners van ons dorp bevat, hebben wij gevraagd het hier nog een keer te mogen afdrukken. Op de foto's staan een aantal mannen waarvan we de namen graag zouden weten. Herkent U iemand, laat het ons dan weten.

Die vrijdagmiddag 18 februari 1983 had ik een gesprek met Hendrik Brouwer en Jan-Willem Schuurman. De heer Brouwer is 80 jaar, de heer Schuurman 74. Het gesprek vond plaats bij de heer Brouwer, Burg. Backxlaan 45 te Nieuwleusen. Omdat het Urkers de heren vertrouwd was en zij er op prijs stelden Nieuwleusens te spreken, voerden we het gesprek in dialect en legden het vast op cassette.
Wanneer het antwoord van beide heren gelijkluidend was dan wordt er na "Antw:" geen naam genoemd, wanneer zij in een antwoord van elkaar verschillen dan wordt de naam toegevoegd.

Vraag: Wanneer waren jullie als maaiers op Urk en hoe vaak
    zijn jullie daar geweest?
Antw. Schuurman: Toen ik 19 was ben ik voor het eerst
    meegeweest, dat moet ongeveer in 1926 geweest zijn en ik
    ben een keer of zeven meegegaan. Met mijn 19 jaar was
    ik tamelijk jong voor dat zware werk. Ik heb ook de laatste
    keer meegemaakt, dat er door Nieuwleusense maaiers op
    het eiland gemaaid werd.
Antw. Brouwer: Ik was al in dienst geweest toen ik voor
    het eerst meeging, Maar ik weet niet meer precies in welk
    jaar dat geweest is, in elk geval in de jaren twintig en ook
    ik ben zo'n keer of zeven meegeweest.
Vraag: Het is bekend dat de banden tussen de Urker
    boeren en de Nieuwleusense maaiers al heel oud zijn en
    dat verschillende geslachten van vader op zoon op Urk
    gemaaid hebben. Was dat in jullie families ook traditie?
Antw. Brouwer: Ik weet, dat het inderdaad voorkwam,
    maar in de familie van Schuurman en de mijne was het
    geen traditie. Mijn vader heeft één keer op Urk gemaaid,
    dat was echter nog voor mijn maaierstijd.
Vraag: De leeftijd waarop iemand zich als maaier verhuurde
    lag boven de 20 jaar. Hoe oud waren de oudsten?
Antw. Schuurman: Midden vijftig, hoogstens tot ongeveer
    60 jaar kon je het volhouden.
Vraag: Wanneer viel de maaitijd op Urk precies en hoe
    kwam het contact tussen de boeren en de maaiers tot stand?
Antw.: Dat was meestal de week waarin de langste dag
    viel. Vanuit Urk werd een paar maand voor de tijd naar
    Nieuwleusen geschreven. Een zekere Klaas Spijker is
    hier vele jaren de contactman geweest. Deze ging bij de
    mensen in Nieuwleusen langs en nam ze aan. Verreweg
    de meesten kwamen uit de gemeente Nieuwleusen, een
    enkele net over de grens met Dalfsen, maar dat waren
    uitzonderingen.
Vraag: Hoe ging de reis naar Urk?
Antw.: Op maandagochtend vertrokken wij om een uur
    of zes met de fiets naar Kampen, daar kwamen wij
    tussen negen en tien uur aan en stalden onze fietsen.
    Wij namen zelf ons maaigereedschap mee: de zeis, de
    stok waaraan hij bevestigd is en het haargerei om de
    zeis mee scherp te maken. Dit haargerei bestaat uit
    een hamer en een haarspit. De boot vertrok om een
    uur of tien en even voor de middag kwamen we dan in
    de haven van Urk aan. Daar stond veel volk om ons
    op te wachten en wij weten nog dat de kinderen dan
    zongen: Maaiers! Maaiers, koppensnaaiers! En dat
    refrein werd dan eindeloos herhaald. Op de kade
    werden wij verwelkomd door een ontvangstcomité van
    de hooilanders, dat ons naar onze kosthuizen bracht.
Vraag: Bij wie werden jullie ondergebracht?
Antw.: Soms bij degenen voor wie wij moesten maaien,
    soms werden we bij anderen uitbesteed.
Vraag: Herinneren jullie nog namen van mensen bij wie
    jullie in de kost zijn geweest?
Antw.: Wij herinneren ons slager Jan Pasterkamp, bakker
    Evert Nentjes, Kotteman en Hakvoort.
Schuurman: Bij Pasterkamp kreeg je de eerste middag wel
    eens een borreltje voor het eten.
Vraag: Gingen jullie na de "kost" meteen naar het land?
Antw.: Jazeker. Wij werden op het hooiland in ploegjes
    verdeeld en kregen aangewezen welk stuk wij moesten
    maaien. Deze stukjes land waren afgezet met paaltjes
    waar tussen touwtjes gespannen waren. Op die paaltjes
    stonden merktekens, maar het was voor ons een raadsel
    hoe de boeren precies wisten waar de paaltjes gezet
    moesten worden. De Urker boeren maaiden zelf niet
    mee, maar zij letten wel goed op om het gemaaide
    gras aan de rand van hun stukje land naar zich toe
    te harken.
Vraag: Als een ploegje maaiers een stukje land klaar
    had, moest dat groepje dan samen met andere maaiers
    een nieuw stuk doen?
Antw.: Je bleef zo lang mogelijk met het zelfde ploegje
    werken. Alleen het gemeenteland, dat altijd als
    laatste gemaaid werd, werd gezamenlijk bewerkt.
Vraag: Hoelang duurde de maaitijd?
Antw.: Wij begonnen op maandagmiddag en meestal
    was het werk vrijdagsavonds af. Wij hebben het
    ook een keer meegemaakt, dat we pas zaterdags
    tegen een uur of twaalf de zaak geklaard
    hadden. De boeren hadden namelijk het land
    bemest met compost waarin nogal wat troep zat.
    Daardoor werden onze zeisen snel bot, zodat
    wij ze om de haverklap moesten scherpen.
Vraag: Hoe waren de werk- en schafttijden?
Antw.: Wij stonden om 4 uur op en gingen dan zo
    snel mogelijk naar het land. Tegen 8 uur bracht
    men koffie en brood, later in de ochtend weer
    koffie. Voor de middagpot gingen we naar onze
    kosthuizen. 's Middags kregen we weer koffie
    op het land en om een uur of zes werd ons
    avondbrood gebracht. Wij bleven tot zonsonder-
    gang door werken.
Vraag: Hebben jullie op Urk weleens dikkoek gegeten?
Antw. Brouwer: Ik herinner mij dat ik dat weleens
    gegeten heb. Over het algemeen was het eten goed.
    Ik weet ook nog wel dat wij vaak krentebolletjes
    bij de broodmaaltijd kregen.
Vraag: Was er na het werk 's avonds nog een beetje
    tijd voor
ontspanning?
Antw. Schuurman: Voor ontspanning was geen tijd.
    Je had je rust hard nodig. Ik heb weleens met een
    schipper 's avonds laat aan boord zitten praten.
    Dat kon eigenlijk niet, want om 4 uur moest ik er
    weer uit, maar als je jong bent doe je zoiets.
Vraag: Hoe was de slaapgelegenheid?
Antw.: Wij hebben niet altijd in ledikanten geslapen. Bij
    Klaas van Urk sliepen we meestal een man of tien op de
    zolder.Je kreeg dan lakens, dekens en een kussen en zo
    moest je je redden. Pyjama's had je in die tijd niet,
    dus 's avonds trokken we alleen onze sokken en boven-
    goed uit en dat sliep best.
Vraag: Hoe was de kwaliteit van het gras op Urk?
Antw.: Goed, zelfs beter dan in Nieuwleusen, want hier heb
    je zandgrond en op Urk kleigrond.
Vraag: Hoeveel verdienden jullie?
Antw.: De man ƒ 30,--. Het maakte niet uit of het werk
    vrijdag al klaar was of pas zaterdagochtend.Wanneer
    één van de maaiers een halve of een hele dag ziek
    was dan gingen de anderen als het moest wat eerder
    naar het land en werkten eventueel ook wat langer door.
    Iedereen die meeging kreeg zijn ƒ 30,--. De bootreis
    heen en terug werd door de hooilanders betaald.
Vraag: Wat deden jullie als het erg slecht weer was?
Antw.: Als het even kon werd er gewoon doorgewerkt.


            Maaiers temidden van Urker kinderen



    Wij herinneren ons dat we één keer een dinsdagmorgen
    niet hebben gewerkt, omdat het zo geweldig stormde dat
    men bang was dat het hooiland onder zou lopen. Het was
    nog voor deAfsluitdijk was aangelegd. Er waren veel
    takken van bomen gewaaid. Aan het eind van de morgen
    bedaarde de storm en 's middags zijn we weer naar het
    land gegaan. We hebben die ochtend maar wat door het
    dorp gekuierd, uitslapen was er niet bij.
Vraag: Kwamen de mensen uit Nieuwleusen alleen om te
    maaien of ook wel om mee te helpen het hooi binnen te
    halen?
Antw. Schuurman: Ik ben één keer langer gebleven om te
    hooien. Bij mijn weten bleven meestal een man of vier om
    bij het hooien te helpen.
Vraag: Is er wel eens één van de maaiers op Urk blijven
    hangen doordat hij verkering had gekregen met een meisje
    van het eiland?
Antw.: Nee, voor zover wij weten is dat nooit gebeurd.
Vraag: De komst van de maaiers was een feestelijke
    gebeurtenis, hoe was jullie vertrek?
Antw.: Als wij zaterdagsmiddags om 2 uur met de boot naar
    Kampen vertrokken dan waren er veel minder mensen dan
    bij onze aankomst. Met een voorspoedige reis waren wij
    aan het begin van de avond weer in Nieuwleusen.
Vraag: Hoe herinneren jullie de maaitijd op Urk?
Antw.: Wij hebben een heleboel zweetdruppels op Urk
    achtergelaten, want wij moesten er hard werken en niet
    alle maaiers waren even handig met de zeis.
Brouwer: "Je mozzen nog wel een beetien met de zeisen
    geword'n kunn'n, anders had je het aan de broek."

Al met al herinneren wij ons de maaitijd als een gezellige tijd, de verdiensten waren goed en we mochten graag op Urk zijn.


            Colofon uitgaven 1983


            Uitgaven van 1984


Jaargang 2 nummer 1 maart 1984

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


Van de Redactie _________________________________________________________

Een nieuwe lente, een nieuw geluid. Een (ver)nieuw(d) bestuur, een (ver)nieuw(de) redactie en weer een nieuw blad. Er is veel nieuw in 1984, het tweede jaar van onze historische vereniging. Over de samenstelling van het bestuur leest U meer in de rubriek verenigingsnieuws.

De redactieleden mevrouw Bartels en de heer Schoemaker gaven te kennen wegens drukke werkzaamheden geen tijd meer voor de samenstelling van dit blad te kunnen vrijmaken. Hoewel we dit betreuren, menen wij toch hun besluit te moeten respecteren.
We hebben de heer J.W. de Weerd bereid gevonden één van de opengevallen plaatsen te bezetten, met hem hopen wij voor U een interessant blad te maken, maar.....dit kan niet zonder U. Bijdragen van leden zijn, voor een vereniging als de onze, van groot belang en de redactie meent dan ook nogmaals een beroep op U te moeten doen. Notities, ook al vindt U ze zelf minder belangrijk, zijn voor anderen vaak erg interessant en vormen meestal een klein stukje in de grote legpuzzel van de historie. Foto's maken een verhaal extra aantrekkelijk. Helaas is er nogal eens gebrek aan beeldmateriaal. Ook hiervoor menen wij een beroep op U te moeten doen. We denken dat er in veel kasten, laden en dozen nog wel een foto te vinden is. Wanneer U het ons even laat weten, noteren we dat en kunnen wij in voorkomende gevallen daar gebruik van maken.

Voor U ligt thans het eerste nummer van de tweede jaargang. De redactie heeft z'n best gedaan om een zo aantrekkelijk en gevarieerd mogelijk geheel te maken. We kunnen slechts hopen dat het bij U in de smaak valt.

* * *


VERENIGINGSNIEUWS _________________________________________________________

Met het passeren van de statuten van onze vereniging, in de laatste maand van 1983, voor de notaris, is het stadium van een vereniging in oprichting achter de rug en heeft "Ni'jluusn van vrogger" een officiële status verkregen. Dit maakte het nodig dat er een definitief bestuur gekozen moest worden. Deze bestuursverkiezing vond plaats in de vergadering van 24 januari jl. en resulteerde in de herverkiezing van 4 leden van het voorlopige bestuur, te weten de heer H. Schoemaker als voorzitter, de heren A. Kreule (secretaris) en R.J. Klijn (penningmeester) en mevr. G. Hengeveld. Als vijfde bestuurslid werd de heer J. Prins gekozen.
In dezelfde vergadering werd gesproken over werkgroepen. Dit resulteerde in de instelling van twee werkgroepen, waarvan de werkgroep "merklappen en letterdoeken" zich zal bezighouden met het opsporen en documenteren van letterdoeken. Als contactpersonen treden op dc dames Spijker en Kreule.
Namens hen willen wij U oproepen letterdoeken beschikbaar te stellen, of hierbij te bemiddelen, om er voor het archief van de vereniging een dia van te laten maken.
De werkgroep "genealogie", met mevrouw Hengeveld als contactpersoon, gaat zich bezighouden met het onderzoek naar de Nieuwleusener voorouders.
Voorts onthulde de heer Schoemaker die avond de door hem op schaal nagebouwde havezathe Oosterveen en vertelde hij daarbij iets over de geschiedenis van het gebouw. In artikelen schonken de Zwolse en de Meppeler Courant aandacht aan deze unieke maquette.

Het eerste jaar van het bestaan van "Ni'jluusn van vrogger" werd afgesloten met een ledenaantal van 105. Inmiddels zijn we de 120 overschreden. Het stemt tot voldoening, dat reeds zoveel mensen de weg naar de vereniging konden vinden. Wij hopen dat het aantal leden de komende tijd nog verder zal toenemen. Voor de uitbouw van onze vereniging is dit onontbeerlijk.

* * *


EEN BIJBEL UIT 1847 _________________________________________________________

Henk van Duren Klzn. uit Canada, wiens speurwerk er mede toe heeft bijgedragen dat het artikel in het septembernummer van de eerste jaargang van ons blad tot stand kwam, heeft onlangs weer een bezoek aan Holland (Michigan) gebracht. Hij maakte daar kennis met een zekere Edward Prins die vertelde dat zijn voorouders in 1876 van Hoogeveen naar Michigan waren geëmigreerd. Deze Prins had een zwager met de naam Van der Haar en hij toonde een heel oude bijbel die eens toebehoorde aan Hendrikjen de Weerd, dochter
van Albert de Weerd en Jentien Stolte. Zij maakte aantekeningen voor in haarbijbel.
De foto toont enkele aantekeningen die haar tweede huwelijk betreffen. Kort na de aankomst in Amerika in 1847 was haar eerste eehtgenoot overleden. Zij hertrouwde op 7 mei 1848 met Wouter van der Haar. Van hun kinderen overleden er enkele op jeugdige leeftijd.

* * *


OVER NAMEN EN BIJNAMEN II _________________________________________________________

B.v.D.

Hoewel het niet als een wet van Meden en Perzen beschouwd kan worden, d.w.z. een vaste regel waarvan niet kan worden afgeweken, is het toch wel vrij zeker dat door middel van gegevens uit de burgerlijke stand meestal een oplossing wordt gevonden voor de bijnaam die aan iemand is gegeven. In ons vorige artikel behandelden wij de namen met toenamen Visscher - Brand, Borger - Wichers, Luten - Sok, Willems - Snor(re) en Reu rink - Oijers. Verder hadden wij het over de Spieker potties. De oplossing hiervan is simpel, Van Spijker huwt met Pot. Heel vaak is de oorzaak van zo'n naam terug te vinden in de geslachtsnaam van de moeder enz. In gedachten de namen van oude Nieuwleusenaren langs gaande, vinden we nog het volgende:

JAAP VAN DALFSEN

Wie heeft deze nijvere postbode in Den Hulst niet gekend? Zijn eigenlijke naam was Jacob Borger.
Mevrouw Klinge, een kleindochter, heeft ons bij het zoeken naar deze bijnaam een heel eind geholpen. Haar overgrootvader Hendrik Jan Borger was gehuwd met Margje Zomer, dochter van Jacob Zomer en Niesje Tuin. De vader van Hendrik Jan Borger was Klaas Burger (later Borger), boerenknecht onder Dalfsen, zoon van Hendrik Burger en Gerritdina Benne. Hij was gehuwd met Jentje Veijer, dochter van Berend Veijer en Jantje Klein. Jaap zijn grootvader kwam dus uit Dalfsen en de rest is wel te raden.

BOTTERMAN - JAN THIJS

Met deze naam ging Jan Thijs Klein door het leven. Hij was een zoon van Jan Thijs Klein en Jentje Boter man. Boter is in het dialect botter en klinkt helemaal niet onaardig.

KAPPERS - GEESE

Ze woonde in Den Hulst. Steevast elke zondagmorgen kon men deze flinke vrouw naar de kerk zien stappen in gezelschap van haar dochter Gerritdina en haar schoonzoon Gerrit Jan Gerrits. Kappers Geese was gehuwd met Jan Kappert. Haar meisjesnaam Geesje Timmerman was slechts bij weinigen bekend.

KATOELE - PATER

In het jaar 1850 trouwde ene Jan Katoele, zoon van Jan Katoele en Jantje Reuvers, met Hendrikje Jansen Pater, geboren onder Staphorst en dochter van Gerrit Jansen Pater en Geesje Duurkoop. Deze Jansen Pater is vermoedelijk kastelein geweest in Den Hulst of omgeving.

HENDRIK VAN DUREN - PAANDERTIEN

Zowel de moeder als de grootmoeder heetten Janna Pander. Van het geslacht Pander kwamen een zoon Arend en verder vrouwelijke nakomelingen. Deze Arend kreeg in zijn huwelijk met Willempje Borger slechts dochters, dus komt de naam Pander in Nieuwleusen niet meer voor.

Nogmaals, het is niet de bedoeling familieleden van betrokkenen te beledigen. Mocht dit zo opgevat worden, dan gaarne onze excuses. Wie meent nog namen met bijnamen, waarvan de herkomst naar alle waarschijnlijkheid is vast te stellen, te weten uit Nieuwleusen of naaste omgeving, kan dit ten allen tijde doorgeven aan de redactie.

* * *


TEVREDEN _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.

Een gezellige vertel- en schrijfwijze had mevr. Bosch - Bruist. Onderstaande heeft naar onze mening betrekking op een familie Schutte. Het kerkje der Oud-Gereformeerde Gemeente is in de volksmond nog vaak "Schutten kerkien".

Naast ons woont in een klein huisje een timmermansknecht met zijn vrouw en kind. Knappe, vlijtige mensen. Hun kindje is een aardig meisje van vijftien maanden. Op zekere avond komen wij laat terug van een wandeling. 't Is bijna donker en als wij de kleine woning passeren komt daar juist de timmerman aan met de bak vol gereedschap op zijn rug. Moeder hoort zeker zijn voetstappen op het bruggetje, want met haar kindje op de arm komt ze de deur uit. "Ja, doar is vader. Dag Jentien mien maagien, bin ie doar", dit tegen de kleine en Jentien kraait het uit van de pret. Dan verder: "wol ie bi'j mi'j komen mien maagien, ja mar vader hef zo'n zwoare bak op de rugge, is 't niet Jentien?"
Tot zijn vrouw zegt hij op dezelfde opgewekte toon: "kom Griet, loa'w ien huus goan, mi'j lust wel wat uut de schöttel." En daar gaat het drietal de woning binnen; de deur blijft open. Daar staat de kleine klap tafel met het bescheiden hanglampje helder brandend er boven. Op de tafel een dampende schotel en een klein pannetje er naast. Moeder zet de kleine in de kinderstoel en vader is naar het achterhuis gegaan, komt dan weer binnen met glimmend gezicht en natte haren en neemt gauw een brokje kam dat op een hoekje van de schoorsteenmantel ligt.
Ziezo nu aan tafel, maar eerst buigen de ouders het hoofd. Amen. Amen, zeg ik hen zacht na. Zo zij het leven van de handwerksman. Zullen die lieden gelukkiger zijn als ze in het bezit zullen zijn van meer rechten zogenaamd, ais het volbrengen van hun dagelijkse taak hen zo tevreden maakt?

* * *


DE SMEDERIJ VAN VROEGER _________________________________________________________

Eén van de uitstervende beroepen in ons dorp is de smid. Om toch weer iets van dit in herinnering te roepen, laten wij dit verhaal volgen.
Rond de eeuwwisseling bestonden er op het platteland verschillende smederijen. Het waren meestal kleine bedrijfjes met een klein inkomen, waarvoor veel zwaar werk gedaan moest worden. Bij de zomerdag werden er dagen gemaakt van zes uur 's morgens tot n egen uur 's avonds. De gereedschappen van een smid waren:
aambeeld, hamer, voorhamer, tang en smidsvuur.
Het vuur werd aangeblazen door een blaasbalg. Deze bevond zich op de zolder en werd door middel van een ketting gebruikt. Gezien het gereedschap waar ze over beschikten, hadden de smeden een grote vaardig heid. Het beslag van boerenwagens werd geheel met de hamer gemaakt. Ook werden ploegen, eggen, spijkers, schoppen en bijlen in de smederij gemaakt.
De smid was vaak ook hoefsmid. De paarden werden dan van hoefijzers voorzien en dat gebeurde in de hoefstal. De ijzers werden ook in de smederij gemaakt. Bij de winterdag moesten ze worden beslagen met winterbeslag. Dat waren ijzers voorzien van vier gaten waar dan proppen in geslagen werden. Dit was om de paarden niet uit te laten glijden als er ijs en sneeuw lag.
Ook werden in de smederij vaak de laatste nieuwtjes verteld en werden er grappen en moppen verhaald, waardoor het er vaak erg gezellig was. Eén van deze grappen willen wij U niet onthouden:
Een timmerman stuurde zijn knecht met een briefje naar de smid, waarop stond wat hij moest halen. De knecht kon niet lezen, dus wist hij niet wat er op het stukje papier stond. De smid las het briefje en vroeg: "moet je alles hebben wat er op staat?" "Ja", zei de knecht. Toen hij weer terug kwam, zei hij tegen zijn baas: "hij wou mij ook nog een klap geven." Maar wat was het geval? De timmerman had op het papiertje gezet: geef hem maar een flinke oorvijg.

foto: mevr. Knol - Westerveen

Hier zien we de smederij met de hoefstal van Westerveen in de Kerkenhoek. De hoefstal is verdwenen, maar de ramen zijn nog dezelfde.

DE HOEFSTAL.

Het beslaan van paarden gebeurde meestal niet in de smederij, maar buiten in de zogenaamde hoefstal of travalje (afgeleid van het Latijnse trepalium, een van drie balken gemaakt folterwerktuig). Soms stonden ze geheel vrij. Er waren er ook die alleen maar een dak hadden; anderen waren aan één kant open en boden dus meer beschutting. De hoefstal van Westerveen was ingericht om één paard te stallen. Aan beide kanten had de smid zijn werkruimte.
Op de foto is duidelijk de oorzaak van het verdwijnen van de travalje te zien; door de aanschaf van auto's en tractoren werden de paarden afgedankt.

* * *


KATJA'S JEUGD _________________________________________________________

G. Kreule - Kok

Nieuwleusen is tot op heden niet bekend geworden door schrijvers van literatuur met een grotere dan lokale betekenis. Ook het boekje dat ik van mevrouw Annema ter lezing kreeg, geschreven door een oud-plaatsgenote, valt onder deze categorie.
De schrijfster heeft haar levensloop op schrift gesteld en in boekvorm uitgegeven met als titel: "Katja's jeugd." Het betreft hier mevrouw Klaasje Jonkers (Katja), geboren op de Meele omstreeks 1900, dochter van Gerrit Jan Jonkers. Ze was eerst gehuwd met Gerrit Roozeboom (Gerrad Verboom in haar boekje)
en later met B. Kuus.
Toch is het voor leden van "Ni'jluusn van vrogger" en andere belangstellenden wel interessant om van dit boekje kennis te nemen.
Mevrouw Annema geeft er een beschrijving bij met de werkelijke namen van de in het boek genoemde personen, waardoor het voor de Nieuwleusener lezers veel meer gaat spreken. Een belevenis uit de periode in het leven van "Katja", toen ze met haar man op de Kievitshaar woonde, volgt hieronder. Zoals we eerder uit beschrijvingen van o.a. mevr. Hengeveld en de heren Sterken, de Weerd en Piel mochten vernemen, gold de Kievitshaar vroeger als een oord veraf gelegen van de bewoonde wereld, te midden van een zandwoestijn.

* * *


Op een dag kwam Verboom vroeg thuis want er was een varken dat naar biggetjes verlangde, dus moest hij naar de beerhouder en die woonde 2 uur lopen bij hun vandaan. En al maar wegen door de woestijn van dat mulle stuifzand. Het was 6 uur toen Verboom met het varken vertrok en om tien uur kon hij terug zijn, dan was het nog licht. Vrouw Verboom zei nog eens denk er goed om hoor, want er lopen hier honderden wegen, dat je niet verdwaald.
O nee vrouw, wees gerust, ik ben om tien uur wel weer thuis.
En dat werd dan afwachten, het was wel prachtig weer, maar toch had vrouw Verboom bange vermoedens. Maar ze had nog wel wat werk en dat scheelde nogal weer.
De volgende dag was het zondag en dan zou vader komen. Om 8 uur kwam een buurvrouw bij vrouw Verboom. Ja ze hadden een baby gekregen en dat wist vrouw Verboom ook wel. Maar ze kwam vragen of vrouw Verboom hun kind wel in de kerk wou brengen want het moest gedoopt worden en vrouw Verboom was de jongste vrouw van de hele buurt.
O ja hoor, dat wilde ze graag doen, zei ze.
En al pratende was de tijd gauw voorbij gegaan en er werd afgesproken dat een week later hun kind gedoopt zou worden.
En toen vertrok de buurvrouw weer.
De 2 kindertjes sliepen heerlijk. Maar toen de klok 11 uur sloeg en Verboom nog niet met het varkenthuis was werd ze erg angstig en dacht er is wat mis. Maar ze kon niets doen.
Toen het 12 uur was kwam broer Wim thuis en hij zag dat er wat niet in orde was. Maar hij troostte haar met te zeggen dat Verboom in geen zeven sloten tegelijk zou lopen, maar sloten waren er wel en hele brede als hij daar in kwam zou hij zeker verdrinken, dacht vrouw Verboom.
Het werd 1 uur, half 2 en geen Verboom.
Toen dachten broer Wim en Katja, wij zullen de stormlantaarn hoog in de boom hangen, zodat hij op het licht kon afkomen. En toen de lantaarn in de boom hing gingen allebeide heel hard roepen Gerrad - Gerrad, maar alleen de echo gaf geluid terug. Het werd steeds angstiger en broer Wim wist nu ook wel dat er wat gebeurd moest zijn.
Om 2 uur was Katja ten einde raad en liep als een bezetene naar buiten, begon heel hard om Gerrad te schreeuwen en nog eens schreeuwde ze, totdat ze meende dat hij terug riep. En ja hoor, broer Wim hoorde het goed en zei toen, hij komt er aan zus.
Wat was Katja toch gelukkig, nou zou hij gauw thuis
zijn, dacht ze.
Toen het bijna half 3 was stond Gerrad weer in huis, nat tot z'n knieën toe. Maar zei Katja, waar is het varken. O, die kon niet meer lopen. Maar eerst droge kleren aan dan zal ik het wel vertellen. Toen hij droge kleren aan had kwam er een groot verhaal.
Gerrad had de verkeerde weg ingeslagen, zodat hij steeds verder van huis ging in plaats weer terug. Het varken kon niet meer lopen zodat hij bij de dichtst bijzijnde boerderij de mensen uit hun slaap had gewekt en die vertelden hem dat het varken maar even op een kleine wagen naar de schuur gebracht moest worden en dat Verboom hem dan de volgende morgen maar moest komen halen. Nog nooit hadden broer Wim en Katja zo gelachen als toen. En Gerrad, hoe moe hij ook was, lachte ook mee. Het was intussen al half 3 geworden. Als Gerrad de volgende morgen vroeg het varken wilde halen kon hij nog wel een paar uur slapen dus gingen ze maar gauw naar bed toe. Maar Katja kon heel niet slapen. Eerst de hele avond in angst gezeten en nu Gerrad dan eindelijk thuis was gekomen maar zonder varken, dat ging Katja boven haar verstand. Wat was er in hun huwelijksleven toch al veel gebeurd.
De volgende morgen was Gerrad al weer vroeg opgestaan om het varken te halen, twee uur lopen heen en twee uur terug. Maar Katja was heel gelukkig dat er niets ernstigs was gebeurd. Maar ze dacht in haar eentje aan dat mooie vers van: "Op de grote stille heide dwaalt de herder eenzaam rond". Gerrad was dan wel geen schaapherder maar was toch echt verdwaald.
Daar kwam vader binnen. Hij bracht chocolade mee voor de kleine Jan. Toen vroeg hij, waar is Gerrad? En Katja vertelde hoe ze in angst had gezeten de vorige dag. En dat Gerrad zonder het varken thuis was gekomen want die kon niet meer lopen en mocht daar 's nachts bij een boer blijven in de schuur. En nou is hij het varken halen zei Katja. Vader zat stomverbaasd te luisteren. Maar wat hij daarop antwoordde zal Katja nooit meer vergeten. Broer Wim was intussen ook uit zijn bed gekomen en begon weer te lachen.
Even later gingen ze naar buiten om te kijken of Gerrad er aan zou komen. Ja hoor, heel in de verte kwam hij er aan. O wat was het toch een grote wereld. Uren moest je gaan voor je in de bewoonde wereld was.
Even later lag het varken weer in zijn eigen hok. En vader zei, hij kan wel eens een mooi toompje biggetjes geven en ze moesten er allemaal weer heel erg om lachen.
Dat Gerrad zo'n groot avontuur had beleefd op de grote stille heide, een woestijn waar maar zes gezinnen woonden.

* * *


Inmiddels is een exemplaar van dit boek in mijn bezit en ik wil het graag uitlenen aan belangstellende leden van "Ni'jluusn van vrogger".

* * *


VARIA _________________________________________________________

Helaas zijn er in het vorige nummer enkele fouten ge-
slopen.
Op blz. 54 regel 6: Harm Prins i.p.v. Jan Prins
Op blz. 55 regel 19; Luten - Sok i.p.v. Luten - Kok
Op blz. 58 regel 21; 1820 i.p.v. 1920
Op blz. 59 regel 33: Baltus i.p.v. Balder

(Deze fouten zijn in de tekst hersteld.)

* * *



Heeft U de contributie voor 1984 al betaald?

* * *

Volgende ledenvergadering woensdag 9 mei
om 8.00 uur 's avonds in het
verenigingsgebouw bij de geref. kerk.

* * *


DE "BAK" VAN NI'JLUUSN _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.


Deze foto is genomen achter de tegenwoordige burgemeesterswoning. Hierop staan burgemeester Bosch Bruist met echtgenote en twee dochtertjes. Een probleem voor ons was het stenen gebouwtje met de gekartelde bovenrand. Ons medelid Vloedgraven loste het op met de woorden: "dat moet de bajes geweest zijn. Wij hadden op Staphorst ook zoiets.
De bekende koopman Kloas had er weer eens onderdak gevonden. Hij nam wat tegels uit de vloer en begon met de handen te graven. Broer Ap verleende hem aan de buitenkant assistentie en de volgende morgen was Kloas vertrokken."
De voorzitter vertelde ons nog een gezegde van veldwachter Holties: "nu heb ik een zingende kanarie in de kooi." Een Nieuwleusenaar die hij daar onderdak had gegeven zong met galmende stem: "Als ik omringt door tegenspoed...."

* * *


DE LEVENSBOOM I _________________________________________________________

A. Sch.-Y.

Al eeuwen is de boom het symbool van leven en dood. Vandaar dat vroeger bomen vereerd werden:
- Perzische koningen lieten oude platanen versieren met
  gouden kettingen;
- Germanen eerden de Alvader in oeroude eiken;
- Boven Keltische graven stond de taxus als scherm;
- 15 december tot 15 januari midwinterzonnewendefeest,
  gesymboliseerd in de eeuwig groene Joel of levensboom
  (gekerstend - kerstboom);
- Op letterdoeken komt vaak een boom voor
  (stamboomonderzoek).
Karel de Grote verbood de heidense boomverering.
Het symbool voor groei en leven in vruchtbaarheid is gebleven. Boven vele voordeuren vindt men een levensboom, gemaakt van smeedijzer of soms van hout en in ons dorp alle wit geverfd.
Na vier zondagmiddagen fietsen hebben we er in ons dorp nog 12 geteld en wel op de volgende adressen: Oosteinde 41 en 59, Oosterveen 69 en 79, Neurinkweg 2, Bosmansweg 7, Backxlaan 16, Hulstkampenweg 9, Jagtlusterallee 5, Meeleweg 48 en 79 en aan de Noordelijke Ruitenweg.
Zijn we er één vergeten, geef dit dan s.v.p. aan ons door. Weet iemand wie de levensbomen maakte of waar ze gemaakt werden? De dorpssmid bv. of in Zwolle? Verdere gegevens zijn van harte welkom en bij voorbaat hartelijk dank.

Bron: D.J. Prins, De oorsprong van de levensboom
          (februari 1982).

* * *

Maart roert zijn staart.

April doet wat hij wil.

In mei leggen alle vogeltjes een ei.

* * *


DE LEVENSBOOM II _________________________________________________________

J. W. de Weerd

In het voorgaande artikel wordt vraag gesteld wie de levensbomen maakte en waar dit gebeurde. Alvorens hierop in te gaan, willen we eerst iets zeggen over de oorsprong.
De huizen zagen er in vroeger dagen anders uit dan tegenwoordig. Vooral op het platteland waren de ge bouwen erg sober. Dit kon ook moeilijk anders, omdat de levensstandaard dit niet toeliet. Veel boerderijen waren niet meer dan een stal met een al dan niet afgescheiden woongedeelte. In de loop van de jaren werd het iets beter en mede onder invloed van ambachtslieden en edelen, wilde men hier en daar wel eens een versiering aanbrengen. Deze versieringen ontstonden in de eerste plaats op nuttige en in het oogspringende dingen. Zo werd de deurklink sierlijker, bracht men een rozet op het muuranker aan en ontwikkelde de spijl in het bovenlicht van de voordeur zich ongeveer in het midden van de 18e eeuw tot een sierlijk ornament. Omdat het te ingewikkeld werd ze van hout te maken, veranderde het materiaal in ijzer.
In mallen kon men gedetailleerde ornamenten makkelijk gieten. Dit gebeurde vooral in de Achterhoek waar een groot aantal ijzergieterijen gevestigd was.
Deze bedrijven hadden catalogi waarin de leverbare artikelen stonden. De timmerman / aannemer kon zodoende rechtstreeks bij de fabriek bestellen.
Oorspronkelijk sprak men dus van bovenlichtornament.
In de jaren 30 van deze eeuw stond de volkskunde onder invloed van Duitse volkskundigen. Zij trachtten veel te verklaren als zijnde oorspronkelijk afkomstig van de Germanen. Hoewel de geschriften van deze Duitse volkskundigen later zijn verboden, is er toch veel zo ingeburgerd dat het thans algemeen gebruikt wordt. Zo kreeg het bovenlichtornament de benaming levensboom, hoewel het dat niet is.

* * *

OP JACHT _________________________________________________________


Foto: H. Brinkman (± 1927)

Op deze foto zien wij enkele jagers op jacht in het Katoelenveld. Dit veld lag tussen de Kringsloot en de Kampenweg en naast de Brouwersweg.
v.l.n.r. Paul Withaar, schilder. Hij woonde waar nu garage Stolte is.
In het midden Gerrit van der Kolk. Hij was keuterboer en woonde in het Oosteinde aan de westkant van het Chinees restaurant. Van hem is bekend dat hij graag een borreltje dronk. Zo ook eens op een zaterdagavond toen veldwachter Holties hem in de bak had gestopt. Maar het duurde hem te lang voor hij weer vrijgelaten werd. Daarom maakte hij nogal veel kabaal en bleef maar roepen:
"lk mut naor huus soep koaken, want Krikkien (dat was zijn vrouw) mut naor de karke."
Naast hem Willem Brinkman, wonende aan de Backxlaan tussen vrachtrijder Runhard en horlogerie van de Bosch.



Jaargang 2 nummer 2 juni 1984


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


Van de Redactie _________________________________________________________

De voorjaarsmarkt is weer voorbij. Het was een drukte van belang en vooral de kraam van onze vereniging werd druk bezocht. Onze in klederdracht gehulde "vrouwluu" hadden het "zo drok as een boer ien 't heujn". De oude foto's met de onbekende personen trokken veel bekijks en er zijn aardig wat namen boven water gekomen. Het onbekende voorwerp is echter nog steeds onbekend. We komen hier een volgende keer op terug.
De voor- en najaarsmarkt kennen we van de laatste paar jaar, maar vroeger had men ook reeds een Hulst-markt. In de Steenwijker almanak van 1931 staat vermeld dat er in Den Hulst op 14 en 28 april en op 27 oktober een veemarkt zal worden gehouden.

Deze zomer staat in het teken van het 175-jarig bestaan van de Dedemsvaart. Tegen deze achtergrond is dit nummer samengesteld. Het bevat diverse artikelen en foto's die betrekking hebben op of verband houden met het kanaal. Zo treft U o.a. de letterlijke tekst aan van het contract dat de heer Van Dedem sloot met de aangelanden in Nieuwleusen en maken we met Jacob van Lennep een tocht door deze omgeving.
Verder blikken we, door middel van de foto hieronder, even terug naar het 100-jarig bestaan van het kanaal. Ter gelegenheid van dit eeuwfeest werd een optocht georganiseerd waaraan ook versierde fietsen hebben mee gedaan. Op de foto (in bezit van de fam. Schoemaker zien we links W. Ennik met "leve de scheepvaart" en rechts H. Ennik met een ophaalbrug voor op de fiets. De jongeman in het midden is de later naar Amerika geëmigreerde J. Ennik Hzn.



* * *


BIJ DE OMSLAGFOTO _________________________________________________________



Foto: beschikbaar gesteld door mevr. H. Veltmaat - Hegen, is
gemaakt door een studente aan de Landbouwhuishoudschool.

In 1928 werd van een in de Dedemsvaart, tussen de Rollecate en de spoorbrug, in de richting Hasselt zeilend schip deze opname gemaakt. In het huis rechts woonde Luuks Timmerman; links woonde Ter Horst en in het tweede huis Schuurman. Tussen het kanaal en de weg is nog een spoor van het jaagpad te zien.

* * *


UIT HET DAGBOEK VAN JACOB VAN LENNEP _________________________________________________________

Dinsdag 15 July (1823).
Te acht ure verlieten wij het eerste fatsoenlijke logement (te Zwolle) dat wij tot nog toe gehad hadden en stapten volgens afspraak naar het stadhuis, waar ons de Heer Tobias, die met den bode eene schouw moest gaan doen, met een kapwagen afwachtte. Zijne goede harddravers brachten ons met spoed over den zandweg heen door de groote landerijen, waar de arme lieden uit de stad hun beesten voor een geringe som laten weiden. Wij zagen de plaats waar men den nieuwe weg naar Meppel maken wil en kwamen drie uren van Zwol aan de plaats van den Heer van Dedem, aanlegger van het beroemde kanaal dat zijn naam draagt. Daar wij gemelden Heer een bezoek wilden doen, stapten wij af en bedankten den Heer Tobias voor al zijne beleefdheden. Die gedienstige man herinnerde mij in houding, gestalte, gelaatstrekken, spraak, omgang en vooral zijn vriendelijke en inneemende handelwijze mijn overleden oom den Heer Sylvius van Lennep.
De oude plaats (Jagtlust) van den Heer van Dedem doorgewandeld zijnde kwamen wij aan de nieuw aangelegde. Waar vóór 2 jaren alleen barre heide was, staat nu reeds welig hout en koren, zijn bloemperken en vruchtboomgaarden aangelegd en prijkt het heerlijk huis, dat van Vollenhove derwaarts gevoerd is, en aangenaam over de vaart hangt. De vaart is zeer breed en genoegzaam diep, zoodat mijn reisgenoot (Dirk van Hoogendorp) in 1819, toen de Smilder en Hoogeveensche vaarten onbevaarbaar waren wegens het lage water op deze vaart eene vloot van niet minder dan zeventig turfschepen zeilen zag. Met gunstigen wind kunnen de schepen van de Ommerveenen in een dag te Amsterdam zijn, daar zij uit de Pekel Colonies komende acht dagen werk hebben, wegens de menigten sluizen. Desniettegenstaande spreekt bijna ieder ten nadeele over de vaart van den Heer van Dedem, meest uit onkunde of ijverzucht. Het speet ons zeer, dat wij hem niet buiten vonden, daar hij ons zeker veel konde verhalen en ten eten zou gehouden hebben. Van zijne buitenplaats wandelden wij twee uren de vaart op en kwamen zoo aan de herberg van Kruizinga, nabij de Ommerschans gelegen.


nog een foto van huize "Rollecate" vanaf de oprijlaan

* * *


DE DEDEMSVAART _________________________________________________________

J.W. de Weerd

De veengebieden in het noorden van Overijssel vormden sinds onheuglijke tijden samen met de venen in het oosten van Drenthe en Groningen een natuurlijke verdedigingslinie van de noordelijke provincies. Door een uitgekiend stelsel kon men hele gebieden onder water zetten. Vanuit het Oversticht was het landschap Drenthe bij inundatie alleen via enkele hoger gelegen verdedigingswerken als de Bisschopsschans en de Ommerschans te bereiken. Veenafgraving kwam in deze gebieden dan ook niet voor. Wel werd er incidenteel turf gegraven, maar dat was alleen voor eigen gebruik. Buiten de natuurlijke verdedigingswerken werd wel op ruime schaal veen ontgonnen. Langzamerhand verloor de inundatielijn zijn waarde en kon ook in deze gebieden de turfwinning een aanvang nemen.
In de achttiende eeuw is het een familie Van Marle die aanzienlijke bezittingen heeft in de uitgestrekte heide- en veengebieden in het noorden van Overijssel. Regelmatig jagen er de heren en baronnen op het hier aanwezige wild. Ook stropers maken er het nodige buit. De turfgraverij en de veenontginning hebben in deze streek nog niet veel te betekenen. Spoedig zal daar echter verandering in komen. Een lid van de familie Van Marle, Gerrit Willem, ontwikkelt plannen om de venen te gaan exploiteren. Op andere plaatsen in ons land men reeds lang geld aan de verveningen en waarom hier dan niet?
Voor de ontginning van de venen is een kanaal nodig. Enerzijds dient dit voor de afwatering, anderzijds voor de afvoer van turf en de aanvoer van de benodigde materialen als stenen, hout en dergelijke. In 1791 zijn de plannen klaar en brengt Van Marle ze in het openbaar. Wat hij niet verwacht had, gebeurt. Van verschillende kanten ondervindt hij zoveel tegenwerking dat het niet tot uitvoering kan komen. Zonder dat hij iets van zijn ideeën kan verwezenlijken, sterft Gerrit Willem van Marle in 1799.
Het is 12 december 1802 als zijn op 18 september 1782 geboren oudste dochter Judith in Zwolle in het huwelijk treedt met Willem Jan Baron van Dedem tot den Berg. Hij is op 18 maart 1776 geboren op het huis "den Berg" te Dalfsen.
Als erfgenaam van Gerrit Willem van Marle komt Van Dedem in het bezit van de papieren met de plannen voor de ontginning van de Avereester venen. Hij ziet er wel iets in en, mede op aandrang van de andere erfgenamen van Van Marle, begint hij met grote voortvarendheid de plannen van zijn overleden schoonvader verder uit te werken. Helaas, ook hij zal grote tegenwerking ondervinden. Dit kan hem er echter niet van weerhouden om voorbereidende werkzaamheden uit te voeren. In 1804 begint Van Dedem de gronden aan te kopen die nodig zijn voor het graven van het kanaal. Het gaat om honderden percelen die doorsneden moeten worden. Vooral ten noorden van Nieuwleusen zijn de kavels erg smal, soms zijn ze nog geen zes roeden (24 meter) breed. Met enkele grondbezitters in Nieuwleusen kan Van Dedem niet tot overeenstemming komen. Hij zoekt daarom een meer noordelijker tracé uit en wijzigt zijn plannen dienovereenkomstig. Later, wanneer men bezig is met het graven, komen de Nieuwleusener grondbezitters tot andere inzichten en zien ze wellicht ook de voordelen van zo'n kanaal. Daarom verzoeken ze Van Dedem om het oorspronkelijke traject te volgen. Deze komt met hen tot een akkoord en het eerste plan wordt dan ook uitgevoerd. In 1805 zijn de grondaankopen voor het kanaal rond en wordt een verzoek ingediend tot het graven van een kanaal van Hasselt naar de Avereester venen. Door de vele tegenwerking zal het nog enkele jaren duren alvorens er toestemming komt.
In maart van het jaar 1809 maakt koning Lodewijk Napoleon een reis door de noordelijke provincies. Iedereen verwacht dat Van Dedem nu zijn plannen aan de koning zal voorleggen. Dat gebeurt echter niet omdat hij bang is dat het in het bijzijn van tegenstanders zal mislukken toestemming te verkrijgen. Van Dedem verzint echter een list. Hij licht zijn vriend Mr. Zacharias Tijl in. Deze is advocaat en secretaris der Stad Hasselt. Mr. Tijl zal Lodewijk Napoleon bij zijn bezoek aan Hasselt een viertal verzoeken voorleggen, waaronder dat van een te graven kanaal vanuit deze stad naar de Avereester venen.
De list lukt, de koning willigt de verzoeken in.
Bij Koninklijk Besluit van 22 maart 1809 wordt officieel toegestaan "het verzoek van de erven Van Marle tot het graven van een vaart op hunne eigene kosten, tot het afvoeren der turf van hunne Veenderijen".
Op 12 juni daaraan volgend tekent Lodewijk Napoleon op Het Loo nog een Koninklijk Besluit en wel houdende Concessie - voorwaarden tot het graven van de Dedemsvaart. Daarna wordt er met voortvarendheid gewerkt want reeds op 9 juli van dat zelfde jaar gaat in Hasselt de eerste spade de grond in. Aan het eind van het jaar is het kanaal klaar tot aan de herberg De Lichtmis en is de bovengrond over een lengte van 5 km, tot aan de buurtschap Den Hulst, reeds verwijderd.
In 1810 vaart het eerste schip met een lading turf het kanaal af naar Hasselt. Het volgende jaar is de vaart al bevaarbaar tot voorbij het huidige Balkbrug. Het graven gaat onverstoord verder en kost Van Dedem handen vol geld. Uiteindelijk zit hij zo in de financiële problemen dat hij het kanaal met aanhorigheden aan het Rijk moet overdoen. Dit gebeurt bij akte van 3 augustus 1826, waarbij de officiële naam van het kanaal luidt: Rijksvaart van Hasselt naar de Avereester Venen.
Het zit Van Dedem behoorlijk dwars dat hij zijn plannen niet heeft kunnen voltooien en hij probeert dan ook de middelen bij elkaar te krijgen om een en ander terug te kopen. Na twee jaar lukt dit reeds; bij akte van 16 augustus 1828 wordt Willem Jan van Dedem weer eigenaar samen met de heer Jan Heere te Amsterdam. Spoedig zijn er echter alweer financiële perikelen.Ditmaal resulteert het in een openbare verkoop in Odeon in Zwolle. De inzet is bepaald op 11 augustus en de finale veiling op 8 september 1845. Het geheel wordt in vier percelen geveild. De provincie Overijssel koopt drie percelen en wordt daarmee definitief eigenaar van de hele vaart en de belangrijkste aanhorigheden.
Na de eigendomsoverdracht laat de provincie het kanaal voltooien en voert er het beheer over. Dit zal zo blijven tot in 1965 de beslissing valt het kanaal voor scheepvaart te sluiten. Enkele jaren later wordt de vaart gedempt en wordt er door Den Hulst een vierbaansweg aangelegd.

* * *


DE SCHEEPSJAGER _________________________________________________________

G.H.


Zo'n vijftig jaar geleden werd deze foto gemaakt van Klaas Wink, één van
onze laatste scheepsjagers. Hij woonde aan het Zandspeur in Den Hulst.
Foto: M. Wink, Hattem

Op jeugdige leeftijd. hij was 12 à 13 jaar, begon Klaas Wink met het scheepsjagen. Tot het einde van de scheepsjagersperiode, die tot na de oorlog duurde, heeft hij dit werk gedaan. Zo rond 1947-1948 was het jagen niet meer nodig omdat er toen scheepsmotoren kwamen die dit werk overbodig maakten.
Het was een heel karwei om een schip van Coevorden naar Hasselt te brengen. Vaak ging hij 's avonds al weg, ook 's zondagsavonds, om de volgende morgen een schip te halen. Het eerste eind liep hij, maar later ging hij op het paard zitten. Dit deed hij alleen als het paard niet behoefde te trekken.
Op de foto zien we een paard dat de schepen elf jaar door de Dedemsvaart heeft getrokken. Het was een Russisch paard en het kwam daar uit de bossen. Toen het hier kwam, was het bang voor auto's. Wanneer er één aankwam, ging het paard prompt het kanaal in om er weer uit te komen als de auto voorbij was.
De Jagersweg herinnert nog aan het beroep van scheepsjager en zou daarom ook Scheepsjagersweg kunnen heten, maar door bezwaren hiertegen werd het Jagersweg.

* * *


DE ROLLECATEBRUG _________________________________________________________

Op de foto die hieronder is afgedrukt, zien we de brug bij het landgoed Rollecate. Oorspronkelijk was dit een houten draaibrug. Omstreeks 1850 werd deze vervangen door een ophaalbrug, een "klap brugge" zoals men een dergelijke brug vroeger noemde.
In verband met de aanleg van de tramlijn bouwde de Dedemsvaartsche Stoomtramwegmaatschappij op deze plaats in 1886 een nieuwe ophaalbrug.
Het bruggetje rechts gaf toegang tot het huis Rollecate.
Links, tussen de weg en het kanaal, het jaagpad, waarover het paard van de scheepsjager liep. De kaart werd uitgegeven door "De Vlijt" - Boekhandel te Balkbrug.
De foto werd ook door andere uitgevers gebruikt, de gekoppelde, ingekleurde, kaart is uitgegeven door La Rivière en Voorhoeve in Zwolle.



* * *


DE OVEREENKOMST VAN 1810 _________________________________________________________

Convenant tusschen De Heer W.J. Van Dedem als gevolmagtigde der Erfgenamen Van Merle en de Erfgenamen en Goedsheren van den Hulst en Nieuwleussen.

Alzoo op aansoek van onderscheiden geërfdens in specie de Boeren in den Hulst men gaarne zoude zien dat de gegraven en door Zijn Majesteit den Koning geaccordieerde vaart niet door den Hulst benoorden de Beentjes graven, maar zuidelijker langst den Hulst door die oude zogenaamde gragte werde aangelegd en gegraven, zo is het, dat men tot gerief van veelen daar toe niet ongenegen is, op de volgende voorwaarden, dat namentlijk aan de aanleggenen der vaart, zoo door alle die Eigenaaren op Nieuwleussen en den Hulst aan hun om niet worde afgestaan, en in vollen eigendom gegeven, een streepel gronds van ten minsten tien Rhijnlandsche Roeden of acht Zallandschen tot in het Huisinger veld toe, zullende deze breedte zoo lang men de gragte zal volgen ter weder zijden gerekend en gemeten worden midden uit de oude gragte vier Zallandsche of vijf Rhijnlandsche roeden, en dus te zamen acht Zallandsche of tien Rhijnlandsche Roeden gronds, en wanneer men de gragte komt te verlaten zal die breedte genoomen worden door de Smeulen volgens de Rooijinge der vaart linie zo als die is uitgebakend geweest of zal worden tot gezegde Huizingerveld, om daar uit te maaken de vaart en deszelfs wegen en waterleidingen, en dat daar en boven alle de bomen en houtgewassen, langs deselve die in de weg of den aanleg hinderlijk zijn worden uit den weg geruimd en daar geen anderen worden gepoot, wanneer men die gragte zal volgen van uit den Hulst, en wel het Erve van Hendrik Klaas of Nieuwboer, tot voorbij Hk Hilbers of het Erve van Schoenmaker, en dan die gragte zal verlaaten en Rooijen op de nieuwe Dijk, even zoo als de rooijjinge voor jaaren reeds is aangelegd geweest, sodanig dat de vaart als dan valle in het Huijsinger veld of veen.
Waar tegen men 1mo aanneemt te leggen vier bruggen, eene bij of omtrent Hendrik Nieuwboer of Klaas Arends eene in


de Dommelerdijk eene aan de Oostersche Zijde van het Erve van Hk Hilberts, en eene drie vier of vijf Erven van het Oosteinde, in de plaats van de brugge in de Nieuwendijk ten waare de Boeren op de Avereest daar in niet bewilligden, welke Bruggen door de aanleggenen zullen worden onderhouden, even als de weg ten Noorden der vaart, en de vaarts wal ten Zuiden ter breedte van een heele Roede aan die Zuid Zijde. Zullende daar en boven de aanleggenen der vaart aan de Eijgen Erfdens in Den Hulst en Nieuwleussen doen genieten de op en af vaart van de vaart, met mest, hooij, stroo, koorn en allerleij bouw Materialen, voor af tot hun eigen gebruik zullende dienen, vrij van alle belastingen, in gelde, die ten voordeele der aanleggenen der vaart voor het gebruik derzelve daar op sullen gelegd worden uitgezondert dan nog de verlaatsgelden, zoo die mogten passeren, dewelke zij in gelijkheid van anderen sullen betalen, zo als zij mede alle kosten zullen betalen, van den turf die door hun daarop mogt worden vervoerd, zoo als hun mede worde vergund de vrije passagen langs de weg van de Ligtmis na Hasselt voor hunne persoonen, vhee en rijtuigen, vorders voorbedingen en verbinden zig de aanleggenen der vaart zoo voor hun, als hun regt verkrijgende, zo als mede de Eigen Erfden en ondergetekenden op Nieuwleussen en den Hulst, om zoo er over dit Convenant of hun verstand van dien, of welke verschillen ook onder hun mogten ontstaan, altoos te zien, dezelve in der minne te schikken, dog bij ontstentenisse van dien, dezelve te stellen ter arbitrage en decisie van twee onpartijdigen, door ieder eene te kiesen, die aan parthijen een korten en min kostbaren manier van procederen zullen voorschrijven, en daar in Finaal desideren met magt dan nog om in Cas van discrepanse een derden Super Arbiter te adsumeren.

Aldus door ons ondergetekenden als gevolmachtigden der Erfgenamen op Nieuwleussen en den Hulst ter eenner en de Heer W.J. Van Dedem qq ter andere Zijde getekend,



* * *


IJspret op de Dedemsvaart _________________________________________________________


IJspret op de Dedemsvaart nabij de Omrnerdijkerbrug.
Wanneer het ook maar even kon, werd er door jong
en oud op het kanaal geschaatst. Dat behoort, evenals
veel op deze foto, definitief tot het verleden.


* * *


DE STRAATWEG LANGS DE DEDEMSVAART _________________________________________________________

Tot 1852 was er nog nimmer een verharde weg van de Lichtmis af langs het kanaal de Dedemsvaart. In genoemd jaar richtte een aantal particulieren uit Avereest een maatschappij op, welke de eerste kunstweg van "De Ligtmis tot in Heemse" deed aanleggen. De kosten werden geraamd op ƒ 60.000,--. Het is niet bekend of dit bedrag toereikend is geweest.

Toen jaren later deze grindweg vervangen zou worden door een straatweg, hoorden een paar oude mensen in Nieuwleusen ook van deze plannen. Ze bespraken het eens en kwamen tot de conclusie: "det bestiet niet, want zoveule stien'n bint der ien de hele wereld niet!"

* * *


DE WACHTERSWONING BIJ OPHAALBRUG No 4 _________________________________________________________


Klik om een foto van de woning te openen op een apart tabblad.


Deze brugwachterswoning staat aan de zuidzijde der vaart en aan de Oostzijde van den Ommerdijk. Het is een stenen gebouw met een rieten dak. Het bevat:
een kamer met uitlaat, lang 4,75 m, breed 4,00 m., waarin twee bedsteden en een kast; een deel waarin een potstal en een privaat en, onder de kamer, een keldertje.



Tot 1885 werd de ophaalbrug no. 4 verpacht zonder genot van vrije woning. In 1884 werd van provinciewege besloten tot den bouw eener brugwachterswoning. De aanbesteding had plaats op 12 September 1884. Het werk dat op ƒ 1230 geraamd was, werd voor ƒ 1179 gegund aan F.H. Noorman te Zwolle. De woning kwam in 1885 gereed.

(Uit: L.F. Teixeira de Mattos, De Dedemsvaart. )

(Deze woning is tot voorjaar 1956 bewoond door familie Voorhorst - van Buren met zoon Albert en dochter Hilda en daarna gesloopt.)

* * *


DE ROLLECATE II _________________________________________________________

A. Kreule

Door het artikel van mevr. Veltmaat in het decembernummer van 1983 werd mijn belangstelling gewekt voor dit vroegere landgoed en wat er mee samenhangt. Door haar werd ik op het spoor gezet voor het verkrijgen van meer gegevens. Ook mevr. H. Prins - Bouwman van de Meeleweg en de heer J. Veyer, van Sandickstraat en mogelijk anderen kunnen er heel wat van vertellen, maar daarover hopelijk later meer.
Rollecate, waar komt die naam vandaan? We hebben gezien dat het huis oorspronkelijk in Vollenhove heeft gestaan en in 1820 naar Den Hulst werd verplaatst.
Na enig speurwerk bleek dat de betekenis is: Rolle = stroom en Cate = huis, dus huis aan de stroom. Gezien de ligging aan de Dedemsvaart ook op zijn nieuwe plaats een erg toepasselijke naam.
Door studie van kinderen aan "Nieuw Rollecate te Deventer (de in 1930 "verplaatste" landbouwhuishoudschool "Rollecate") had ik in eerste instantie belangstelling voor de hier in 1913 gevestigde school en de omstandigheden van die tijd.
Toen in 1913 van Rijkswege besloten werd om een opleidingsschool voor het landbouwhuishoudonderwijs te stichten, dacht men dit in Meppel te doen. De toenmalige directeur van de landbouwwinterschool vestigde echter de aandacht op de mogelijkheid om de school te stichten op het bedrijf van Mr. Willem Jan Baron van Dedem, de Rollecate, gelegen dichtbij het station Dedemsvaart tussen Den Huist en de Lichtmis.
Daar stond een ruim woonhuis toevallig leeg en dat zou wellicht geschikt zijn om er een internaat te vestigen voor de leerlingen van de beoogde opleidingsschool.
Bij de besprekingen met het echtpaar Van Dedem bleek dat beiden zich zeer voor het plan interesseerden. De heer Van Dedem verklaarde zich bereid om bij het bestaande huis een eenvoudig schoolgebouwtje te stichten en een en ander met een flink stuk grond voor een schooltuin aan het Rijk te verhuren, met de gelegenheid om van de boerderij van het landgoed de Rollecate als leermiddel gebruik te maken. Het geheel lag in een landelijke omgeving en dit maakte het idee nog aantrekkelijker. Na enige overweging werd besloten dit plan tot uitvoering te brengen, hetgeen geschiedde. Het resultaat was dat de eerste opleiding van landbouwhuishoudleraressen in september 1913 van start kon gaan.
Een van de eerste leerlingen, mevr. Cleveringa - Jensema uit Zutphen, gaf in het gedenkboek bij het 25-jarig bestaan van de school een aardig verslag van haar belevenissen. Enthousiast vertelt ze over de natuur, over de kennissen, de heer en mevrouw Van Dedem, over Waanders de slager, Huzen de postkantoorhouder en Klosse de kruidenier, over de familie Katoele en de oude Janna met haar kinderen Jan en Mien, die in de buurt van de school bij de brug woonden.

wordt vervolgd.




Jaargang 2 nummer 3 september 1984

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


Van de Redactie _________________________________________________________

Een zomer, die wellicht niet bracht wat U er van verwachtte, kunnen we ook met dit nieuwe nummer van Ni'jluusn van vrogger, dat hopelijk wel brengt wat U er van verwacht, niet goed maken.
Een aantal leden zond ons een welkome bijdrage. Verderop kunt U hier kennis van nemen. De redactie zou evenwel graag zien dat nog meer leden een bijdrage leveren aan ons blad. We wachten op Uw reacties.

Sinds het eerste nummer van deze jaargang bestond er een vacature in het redactieteam. Door het toetreden van mevrouw M. Dirksen is de redactie weer op volle sterkte. We heten zuster, eh …. mevrouw Dirksen van harte welkom.

* * *


VERENIGINGSNIEUWS _________________________________________________________

De eerste ledenbijeenkomst in het nieuwe seizoen is vastgesteld op dinsdag 4 september a.s. en zal weer plaatsvinden in een van de zalen van de Gereformeerde Kerk aan de Backxlaan. Op deze avond, die om 8 uur begint, zulten dia's worden vertoond die gemaakt zijn van de letterdoeken en merklappen. Er zijn zeer interessante exemplaren bij en we verwachten dan ook een grote opkomst.

* * *


BIJ DE OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Huize Rollecate anno 1984 zoals deze te zien was in de optocht die gehouden werd ter gelegenheid van het 175-jarig bestaan van de Dedemsvaart. Wanneer U deze foto vergelijkt met die welke in het volgende artikel is geplaatst, zult U een treffende gelijkenis ervaren en constateren dat deze nieuwbouw van het oude huis met grote precisie is uitgevoerd.

foto: C. Schoemaker


* * *


DE ROLLECATE III _________________________________________________________

A. Kreule

Na de vorige keer iets over ontstaan van de opleidingsschool op de Rollecate verteld te hebben, wil ik nu een deel citeren uit het verslag van mevrouw G.G. Smit, een leerlinge in 1919.

Na een lange reis hield de trein stil bij het station Dedemsvaart. Maar van de plaats Dedemsvaart was niets te zien. Van het stationsgebouw liep een brede weg langs de vaart die zich eindeloos voortzette en uitmondde in een oprijlaan met statig geboomte waarin de school verscholen lag. Dit was de Rijkslandbouwhuishoudschool, het doel van onze tocht. De wandeling langs de vaart bood niet veel afwisseling. Er lagen een paar arbeidershuisjes en een flinke schuur, het cichoreifabriekje, waar 's zondags ook kerk werd gehouden. Het was er dan ook altijd stampvol Rouveners, die moedig de cichoreilucht verdroegen en ernstig de zware preek aanhoorden.
Aan de dochters van diezelfde Rouveners zou ik later, om me te oefenen, lesgeven. Maar eerst moest de weg van het station naar de school worden afgelegd. Wie bagage had deed beter op het uur aan te komen dat de stoomtram van Zwolle naar Dedemsvaart aansluiting gaf. Die stoomtram werd ons spoedig een vertrouwd beeld. Vanuit de school zagen we hem door de velden aankomen en vaak liepen we naar de brug om te zien wie eruit kwamen. Die brug was trouwens ook om andere redenen een aantrekkelijk punt want de brugwachtersvrouw, vrouw Kiek in de Vechte, was een vriendelijke vrouw en een prima opvoedster van haar kleuters. Er werd altijd met respect over haar gesproken en met reden, Want ze héétte nu wel "brugwachtersvrouw” maar eigenlijk was ze, wat wij tegenwoordig noemen, een "gehuwde werkende vrouw". Haar man werkte als landarbeider en zij had de taak bij elk schip de zware brug op te trekken en in een klompje het bruggeld te innen. Zij was onze naaste buur.
Maar de school lag op het grondgebied van Baron Van Dedem en, hoewel de conversatie met de Heer en Mevrouw Van Dedem een heel ander karakter had dan die met de vrouw bij de brug, zij behoorden toch ook tot onze buren,


Huize Rollecate zoals dat vroeger te zien was komende vanaf de Lichtmis.

die vaak beter zijn dan verre vrienden. Mejuffrouw Mansholt, onze directrice, stelde deze buurschap op hoge prijs. Mevrouw Van Dedem vroeg ons soms op de thee, ze woonde de repetities en de schoolexamens bij en stelde veel belang in het leven op de school.
Het grote huis bezat een telefoon en het gebeurde meer dan eens dat Baron Van Dedem de oprijlaan afkwam om mejuffrouw Mansholt een telefonische boodschap te brengen. Verder had het echtpaar een abonnement op de schouwburg in Zwolle en reed daar eens in de maand in de koets naar toe. Er waren dan twee plaatsen open en wij mochten loten wie er mee kon gaan. Gelukkig ben ik ook eenmaal van de partij geweest en ik zal die feestelijke uitgang niet gauw vergeten. Men zal misschien denken dat de "arme leerlingen" toen toch wel een heel beperkte opleiding kregen voor aanstaande leraressen en veel te veel verstoken bleven van wat men gewoonlijk "cultuur" noemt.
Maar hoeveel waardevols stond daar niet tegenover!
We woonden samen met onze opleidsters in één huis en aten aan dezelfde tafel. Menigmaal waren er docenten, die uit andere plaatsen kwamen of we hadden gasten, die een interessante bijdrage tot het gesprek gaven. Daar werd verteld over alles wat er op het platteland leefde en alles wat tot verrijking van het platteland kon bijdragen. Het leven op de oude Rollecate was niet saai; er was tijd zich rustig op het werk te concentreren en op de toekomstige taak te bezinnen. Maar voor de leerkrachten was de ligging van de school op de duur toch wel wat erg geïsoleerd. Bovendien was het niet mogelijk waterleiding en electriciteitsvoorziening naar de school te brengen. We stookten onze fornuizen en kachels met kolen en hielpen de tuinman met het oppompen van het water (ieder moest voor haar eigen bad pompen) en verder maakten wij trouw de petroleumstellen en -lampen schoon. Ik kan niet zeggen dat we dat zo erg vonden, want we waren niet anders gewend. Maar voor het onderwijs was het op de duur toch beter het over te brengen naar een plaats waar moderne voorzieningen waren en waar de leraressen wat meer mogelijkheid hadden tot contact met de buitenwereld. Bovendien zou het aan een grotere school ook mogelijk zijn de twee jaar die nu als vooropleiding op een stadschool moesten worden doorgebracht (voor het diploma huishoudkundige) aan de eigen school te verbinden en haar zo tevens het karakter van "vooropleiding" te geven. Toch denken velen nog met grote dankbaarheid aan "de oude Rollecate" terug.

Tot zover het citaat. Een volgende keer wil ik graag eens een ander facet van het landgoed "Rollecate" belichten.

* * *

CRESCENDO _________________________________________________________

In het midden van de dertiger jaren maakte de muziekvereniging Crescendo een mars door het dorp Den Hulst. Op de Ommerdijk (nu Backxlaan) werd deze foto gemaakt. De muzikanten komen vanaf de brug en zijn zojuist het huis van schilder Mijnheer (links) gepasseerd. Rechts is nog een gedeelte van een bruggetje te onderscheiden dat over de sloot lag die langs de straat liep. Het kleine jongetje dat links met de muziek meeloopt is Hendrik Runhart die in het begin van de vijftiger jaren naar Frankrijk is vertrokken. Van de muzikanten zijn te herkennen: met de grote trom Frits Klunder, daarachter Berend Brinkman en Klaas Runhart, met de bekkens Willem Katoele en daarachter Arend Compagner en Hendrik Sterken, in de derde rij Arend Katoele met de trommel en Hendrik Paasman en van de vierde rij is alleen trommelslager Berend Jonkers te zien. De man rechts is dirigent Meijer.


foto: mevr. Kamerman-Katoele


* * *


DE NAAM LUTEN-SOK _________________________________________________________

G.W. Beltman

In het nummer van december 1983 is in het artikel “Over namen er: bijnamen" geschreven dat de lamilie Luten - Sok uit Friesland afkomstig is. Tenzij hierover gegevens bestaan van voor het jaar 1682, ligt de oorsprong van het geslacht Sok, en daarmee de afsplitsing Luten op Nieuwleusen, niet in Friesland.
De tot nu toe oudst bekende Sok - voorouders zijn in het doopboek van de 'gereformeerde' kerk van het dorpje Beulake als volgt geboekstaafd:
- den 8 Octob. 1682 is gedoopt Sander Jacobus Soeck
- ende vrou Mensjen Sijmons en het gedoopte Kijnt
- Henderijckijn Sanders.
Omstreeks 1685 wordt in Ronduite nog een zoon van genoemd echtpaar geboren. Als Siemen Sanders zal hij door het leven gaan en evenals zijn vader zal hij zijn beroep in de turfmakerij vinden. Hij trouwt met Nelligjen Luiten en hiermee treffen we zo rond 1710 de naam Luiten voor het eerst aan in deze familie. Uit dit huwelijk wordt omstreeks 1715 Luite Siemens Sok geboren die later van beroep vervener/turfboer is. Tot vrouw neemt hij Annigje Stoffels Lok.
Dit echtpaar woont in Belt-Schutsloot als in het jaar 1744 Siemen Luite Sok wordt geboren. Van beroep turfmaker huwt Siemen Luite met Lummichje Albers. Zij schenkt hem een zoon die de naam Luite Siemens krijgt. Luite Siemens Sok huwt twee keer. Eerst met de in Tjalleberd (Friesland) geboren Hendrikje Gerrits Knobbe en later met Geertje Klaassens, geboren in Zwartsluis. Uit het eerste huwelijk wordt in 1805 Gerrit Sok geboren. Tjalleberd was dus een tussenstation van de aldaar tijdelijk turfmakende, dan wel zich als arbeider verhurende Luite Siemens Sok. Met Gerrit Sok, zich ook wel Luiten of Luten noemende, komen we op Nieuwleusen terecht. Hij is de eerste in de stamreeks die landbouwer is. Zoals reeds in het eerder aangehaalde artikel is geschreven, huwt Gerrit Sok drie keer. Zijn eerste vrouw Annigje van Dijk is geboren in 1808; Aaltje Brinkman kwam in 1818 ter wereld en in 1832 aanschouwde Hendrikje Bos het levenslicht. Zij is dus 22 jaar als ze in 1854 trouwt met de dan negenenveertigjarige Gerrit Luiten.
Deze stamboom van Gerrit Sok of Luiten heeft betrekking op de meeste, zo niet alle, 'Lutens' op Nieuwleusen. Familieonderzoek is vaak een puzzel en degene die van puzzelen houdt, moet aan genealogie gaan doen!
Allen met de geslachtsnaam Sok die woonachtig zijn in of afkomstig zijn uit de voormalige veengebieden in Friesland, Overijssel en Drenthe en de Lutens op Nieuwleusen of daarvan afkomstig, dienen er op bedacht te zijn bij lamilieonderzoek terecht te zullen komen in Beulake, het in 1776 verdronken dorpje in Noordwest-Overijssel. Waar eens dit dorpje lag, golft nu het water van het Beulakerwiede.

* * *

EEN BEZOEK AAN EEN LÖS HUUS _________________________________________________________

H. Prins Hzn.

Op veertienjarige leeftijd kwam Jentje Schoemaker als dienstmeid bij de familie Prins op de Kievitshaar. Ze voelde zich al gauw eenzaam op het grote heideveld en na een paar jaar had er genoeg van en vertrok. Zoon Roelof Prins kon ze echter niet vergeten en Jentje raakte zo aan hem gehecht dat beiden in 1843 in het huwelijksbootje stapten. Het jonge paar ging op de eenzame Kievitshaar wonen en Jentje zou er bijna haar hele verdere leven blijven wonen. Een van haar kleinzoons heeft in de loop der tijden een en ander op papier vastgelegd, waardoor dit kleine artikeltje kon ontstaan.

Jentje Prins-Schoemaker was zeventig jaar toen ze in het voorjaar van 1896 met haar kleinzoon een bezoek bracht aan haar broer Hendrik. Old-Hendrik-ome woonde tussen Sluis III en de Rollecate aan de zuidkant van de Dedemsvaart. Oudere mensen uit onze gemeente en omgeving zullen het zich nog wel kunnen herinneren. Het huisje stond met de achterzijde naar de vaart en de weg daarlangs. Het was al gebouwd voordat Mr. Willem Jan Baron van Dedem het kanaal liet graven. De laatste bewoner was Geert Schoemaker, een zoon van old-Hendrik-ome. Daarna is het afgebroken.
Het oude boerderijtje was een zogenaamd lös huus.
Dat wil zeggen het voor- en achterhuis waren niet door een tussenmuur van elkaar gescheiden. Alles bevond zich dus in één ruimte. In latere tijden is er toch nog een scheiding aangebracht. Maar planken waren duur! De vindingrijkheid, meegekregen van verre voorouders, kwam te hulp. De tussenwand werd gevlochten van wilgentwijgen en daarna dichtgesmeerd met koemest.
In het lös huus liepen de kippen om en onder de tafel om de kruimels mee te pikken die er nog wel eens afvielen. Twee mooie jachtgeweren, waarvan één in leren foedraal, stonden in een hoek van het voorhuis. Hendrik was jager bij de baron die aan de andere kant van de vaart in zijn mooie landhuis woonde. Verder was er een oude honingpers te vinden. In een bijenstal naast zijn huis had old-Hendrik-ome een vijftiental bijenkorven staan.
De oude baas, als je die tenminste met zijn zevenenvijftigtig jaren zo mag noemen, zat bij het turfvuur. De hond lag aan zijn voeten en het dier droomde vast van vette hazen want zo nu en dan liet het een gegrom horen. Het vuur deed gezellig aan. De rode vonken dansten om de ketelhaak en het vuur was heerlijk warm. Als ome Hendrik de rug koud kreeg dan ging hij achterstevoren, dus met de rug naar het vuur, op de stoel zitten. Hij kon dan meteen zijn veestapel in ogenschouw nemen.
Zo eenvoudig was dat allemaal.
De turf knisterde en de vonken sprongen. Langs de punten van zijn klompen keek old-Hendrik-ome naar het eeuwige spel tussen vlammen en turf. Hij luisterde naar de boodschap dat er ook na deze voorbijgegane winter weer een zomer zal komen. Want ook Hendrik was een schakel in die grote ketting die het verleden verbindt met de tijd van nu.

* * *


DE SMEDERIJ VAN VROEGER II _________________________________________________________

In het eerste deel heeft U kunnen lezen hoe het vroeger toeging in een smederij, wat een smid zoal maakte en met welk materiaal hij dit deed. Deze keer willen we iets meer over de blaasbalg vertellen. Dit instrument dat voor de smid onmisbaar was en dat gebruikt werd om het vuur aan te blazen, zullen we in een smederij zoals we die van vroeger



kennen dan ook zeker aantreffen. De blaasbalg was vlak onder de zolder opgehangen, maar kon zich ook wel op zolder bevinden. Het gevaarte had een afmeting van ongeveer 1,50 meter lang en, als hij uitgeklapt was, ongeveer 1 meter hoog. Hij is te vergelijken met de kleine blaasbalgen die we tegenwoordig overal nog zien. Ze werken allebei volgens hetzelfde principe en zijn van hetzelfde materiaal gemaakt. De boven- en onderkant is van hout en daartussen zit een leren balg. Leer was sterk en dat moest ook wel want anders ging hij veel te vlug kapot. Om de blaasbalg te bedienen hing er vlak bij het vuur een ketting met een ring er aan, waarin de smid een hand kon steken om er aan te trekken. De andere hand had hij vrij om bij het smidsvuur te gebruiken. Onder in de blaasbalg zat een klep die charnieren wilde. Als de smid aan de ketting trok, drukte de balg de lucht weg naar het vuur en was hij dicht. Was dit gebeurd dan moest de blaasbalg weer terug naar zijn oude stand. Dit openen gebeurde door de ketting los te laten, waarna het gewicht er voor zorgde dat de balg vanzelf weer terug ging in z'n geopende stand. Tijdens het openen kwam er weer lucht binnen en kon de smid hem opnieuw gebruiken. Via een pijp werd de lucht naar het vuur geblazen waardoor de kolen feller gingen branden en de smid met zijn werk kon beginnen.
Soms werd er een veldsmidse gebruikt. Deze was verplaatsbaar en zo op verschillende plaatsen te gebruiken. Er kon hetzelfde mee gedaan worden als met het grote smidsvuur. De veldsmidse had vier poten en was ongeveer 90 centimeter hoog. Het werkblad was 80 bij 80 cm. In het midden was een verlaging waar de pijp voor de lucht in uitkwam en waarin ook de kolen lagen. De lucht om het vuur aan te blazen moest de smid verkrijgen door zelf het mechanisme aan te trappen. Dit mechaniek bestond uit twee vliegwielen waarover een V-snaar liep en een ventilator die de lucht door de pijp naar boven blies.

* * *

BIJ EEN OUDE WINKEL _________________________________________________________

De winkel van Koop van Spijker stond aan het Westeinde tegenover de burgemeesterswoning. Op de foto kijken we vanuit de tuin van de burgemeester door zijn toegangshek en over zijn bruggetje op de weg waarop takken liggen die waarschijnlijk juist van de bomen zijn gezaagd. Aan de andere kant van de weg geeft het bruggetje toegang tot het erf en de winkel van Koop van Spijker.
Volgens een aantekening van mevrouw Bosch Bruist was hij van alle markten thuis. Hij was boer, kruidenier, imker, rijwielhersteller en verhuurder van een glimmend zwart rijtuig met mooie blauw beklede kussens en gordijntjes verfraaid met franje, alles van dezelfde kleur.
Had die prachtige koets soms toebehoord aan een der laatste kasteelheren van een der omliggende kastelen die alles had moeten achterlaten omdat hij het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had?
De meisjes met de kruiwagens zijn Jo en Mien Bosch Bruist. De man met de stok is vermoedelijk een knecht van Van Spijker, het kan Schipper zijn of Nijkamp. Wie de jongeman en het andere meisje zijn is niet bekend.


Foto: H. Sterken


* * *

NAOR DE EIERMARKT _________________________________________________________

B. van Duren

Toen as wij vrogger zukke kiender waar'n en zomers drie weken vrij hadden van de schoele, dan moggen wij um de beurte vrijdags een keer met naor Zwolle.
Oese Rika en Klaziena waarn al ewest en now was het mien beurte. Met mien oldere zuster Diene en een flinke màànde vol eiers stunden wij an de Ommerdiekerbrugge op de tram te wachten.
Wat was det mooi zo'n reize met de tram: Ik wete nog goed dat ie an de Lichtmis bij Huusman de appels haoste van de boom konden plukken, zo dichte gunk de tram daor veurbij.
Zo kwame wij dan op de markt. Moe had tegen Diene ezegd "probeert mar zeuven cent per stuk te kriegen", mar det völt oes tegen. De koopluu beuden mar zes en een kwart. Het hölp niet as Diene al zeg "kiek ies an zukke rnooie dikke broenen", die luu wol’n der niet an. lk keke mar ies wat rond. Wat een drokte ien zo'n stad. "Niet varre weg lopen", zei mien zuster en det was mar goed ok want daor zat ik al zowat onder een fietse van een slagersjonge die zo'n grote màànde veurop de drager had. Zeuven cent is het niet eworden. Een koper beud zes en een half. Uuteindelijk worden het zes driekwart, dus det völt nog best mee.
De màànde was leug en wij gungen weer veur naor Zwolle waor de tram stund. Mar eerst kwarne wij nog op de foto en elk een ijsco van twee cent kon der ok nog of. Ik vunne det ies helemaole niet lekker en heb het bij de fotograaf ien de vensterbaanke laoten liggen.
Met de markttram binne wij weer naar huus egaone.
Die was flink vol en daorumme kon ik mooi achter op het balkon staon. An de Lichtmis stoppen de tram en zo kon ik een appel pakken. Een zoer kreng want die was nog lange niet riepe. En zo kwame wii dan weer an de Ommerdiek. Thuus had ik veule te vertellen.
Mien jongere zusters mar vraogen of ik det of det wel eziene hadde. Ik wus het allemaole niet.
Now, op oldere leeftied denk ie vake terugge. Aover de tied det oen olders het varre van gemakkelijk hebt ehad. An de







Met mien zuster

op de foto










tied toen de centen krap waar'n En een kwart cent op een ei heel wat uut maakte. Wat wij toen as kienders misschien niet altied begrepen, wordt oes now dudelijk en ien dankbaarheid mutte wij ervaren dat de bàànd tussen va en moe, al bint ze der dan niet meer, toch altied blif bestaon!

* * *

Krummels _________________________________________________________

“Vröggcr kreiden de haan'n”, zei dove Jaap, "mar tegenwoordig doet ze allent nog mar de snavel open.!"

* * *


HET WASSEN VAN OUDE MUTSEN EEN TYPISCH VAKWERK _________________________________________________________

Onder invloed van de toenemende interesse voor de oude klederdracht blijkt dat jongeren weer belangstelling krijgen in het oude ambacht van het wassen van mutsen.
Dit ambacht werd door de "mutsenwaster” uitgeoefend. Meestal waren er in een dorp enkele vrouwen die dit typische vakwerk uitoefenden. Want een vakwerk was het! De bij het kostuum behorende mutsen moesten na het wassen worden opgemaakt en voor dit langdurige en nauwkeurige werkje had de boerin meestal geen tijd. Daarom werden de mutsen naar de mutsenwaster gebracht. Zij zorgde er niet alleen voor dat de mutsen werden gewassen, maar ook dat ze weer werden opgemaakt.
Wanneer er een aantal mutsen waren gebracht die behandeld moesten worden, begon zij aan haar taak. Eerst werden de mutsen helemaal uit elkaar gehaald. Om geen onderdelen te verwisselen, was elk stukje voorzien van een merkteken van de eigenaresse. Daarna werden alle onderdelen gewassen en gesteven, waarna alles stuk voor stuk werd gestreken, in plooi en in model gebracht. Dit gebeurde met behulp van allerlei materialen. Zo werden voor het plooien staafjes van koper gebruikt die om en om belegd met kant in rekken werden geschoven. Om de staarten van de mutsen in mooie golfjes te laten vallen werd gebruik gemaakt van dikkere lange pijpijzers. Was dit allemaal gebeurd, dan zocht de mutsenwaster alle onderdelen weer bij elkaar en zette de muts weer in elkaar. Dit was een vak op zich omdat er velerlei soorten mutsen waren die elk op hun eigen manier in elkaar gezet moesten worden.

Vanuit Nieuwleusen konden we eerst nog terugvallen op mevrouw Jansen te Dalfsen en mevrouw Beltman uit Berkum, doch het bleek al spoedig dat dit een aflopende zaak was, zodat er iets anders bedacht moest worden. Het gevolg was dat de dames Hengeveld en Kreule bij onze plaatsgenote mevrouw H. Stoel - Vonder in de leer zijn gegaan om dit werk zelf te leren. Hoewel men over een flinke portie geduld moet beschikken en het voorlopig niet best zou zijn om hiermee de kost te moeten verdienen, geeft het resultaat toch


Mevrouw Stoel legt uit hoe een zogenaamde "kleedwagen" in elkaar gezet moet worden.

foto: A. Kreule


zoveel voldoening dat onze mutsenwasters er mee door willen gaan. Het zou echter wel leuk zijn als dit initiatief (nog) jongere belangstellenden zou aantrekken die dit oude ambacht ook onder de knie willen krijgen. Onze mutsenwasters zien Uw reacties graag tegemoet.

* * *
Mijn moeder maakt me mooi
met mijn moeders mooie mopmuts.


* * *


DE DERDENDAAGSE KOORTS _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.

Seer liefe dogter
Het is mij lief gewest te mogen vernemen dat gij met U.Ed. vader nog wel siet maar met leetwesen dat den ontfanger nog al in die selfe gesteldheijd blijft, hope dat eens het regte middel mag getroffen worden tot een volkomen keerstelling, ons Garrijt Derk bevint zich hier tans heel wel maar mijn man sijn wij voor bevreest dat die de anderdagese sal krijgen, die is het vrijdag angegaan mar Saterdag een helen slimmen dag mar Sondag nog weer geprekt maandag weer slimmer maar nu krijgt soo de korsse weer, nu moet gij eens schrijven wanneer dat mijn man van dat goet mag innemen dat Garrijt Derk hier heeft, soo dat wij gisteren ons Derkien hebben na Swolle moeten sturen, nu wol nigte Scheffers hem van den morgen an haar huijs laten komen en stueren het een Donderdag dan wat hij der van ordonneert.
Onse Hendrina is een Saterdag al na Swolle gevaren om de botschappen voor U. Ed. te besorgen die gij een maandag al wel sult ontvangen hebben. Wense dan ontfanger van harten beterschap na onser aller hartelijke groetenisse aan U.Ed. alle te samen.
Nieuwleusen 1777

U.Ed. Moeder


Bovenstaande brief over de ziekte van haar man, Ds. Jan Arend Palthe, schreef mevrouw Palthe aan haar dochter Aleijda Iohanna. Zij woonde met haar man, die op dat moment ook ziek was,in Oldenzaal, waar deze, de Wel Edele Heer A.A. Palthe, ontvanger was.
Garrijt Derk, ook wel Derkien genoemd, was een zoon van dominee Palthe en Hendrina een dochter.


Jaargang 2 nummer 4 december 1984

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


BIJ DE OMSLAGFOTO _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

Sinds vakantie in eigen land weer "in" is, komen er meer toeristen naar of door Nieuwleusen. Afgelopen zomer vroeg één van hun waarom er hier naast veel boerderijen een mini—huisje staat. We hebben hem uitgelegd dat dat een "bakhuus" of een "stoakhokke" kan zijn. Nu gebruikt men ze meestal als bergruimte, maar vroeger hadden deze gebouwtjes een funktie.
In het "bakhuus" bakte de boerin het brood. Daarin stond ook de rechthoekige houten trog waarin ze het deeg maakte. Het ovenhuis was in Nieuwleusen meestal ingebouwd, elders ook wel aangebouwd. De stenen oven was met leem opgemetseld. Als brandstof gebruikte men takkebossen, soms ander hout of turf.
Was de oven warm genoeg, dan haalde de boerin de houtresten eruit en werd hij uitgedweild. Daarna zette ze met een schieter de deegkluiten erin. Wanneer het brood gaar was, werd het ook met de schieter er weer uitgehaald en kwam het op een plank of in een wanne, waarin ze al een schoon stuk laken had gelegd.
In het "stoakhokke" werd 's zomers het eten voor het gezin gekookt. Verder kookte de boerin er de was en ook wel het veevoer.
Helaas worden tegenwoordig veel van deze gebouwtjes afgebroken. Dit is wel begrijpelijk omdat de eigenlijke funktie verloren is gegaan. We hopen dat de nu nog bestaande bakhuizen en stookhokken voor de toekomst gespaard blijven, zodat onze kinderen en kleinkinderen nog kunnen zien hoe het was. Bovendien behoren ze echt bij een boerderij. Een enkele keer wordt er nog eentje in oude luister hersteld, zoals op de Kievitshaar, waar een vervallen bakhuis werd vernieuwd en het zijn verdwenen oven terug kreeg.

* * *

AANTEKENING BIJ EEN VAKANTIEVERHAAL _________________________________________________________

Eén van de grote "zonen" van ons dorp was wel Prof. Dr. Jan Waterink. Hij werd op 20 oktober 1890 te Den Hulst geboren, alwaar zijn vader, H. Waterink, oefenaar was van de Dolerende Kerk van 1 juni 1890 tot 18 september 1893. Toen is deze kerk samengegaan met de Christelijke Gereformeerde Kerk en vormden zij samen de Gereformeerde Kerk.
Jan Waterink bleef ongehuwd en zou een bekend pedagoog en theoloog worden. In 1926 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Van zijn hand verschenen veel boeken en rubrieken in tijdschriften, vooral opvoedkundige. Hij was hoofdredacteur van het blad "Moeder". Zijn vele werk vond erkenning in zijn benoeming tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau en tot Officier in de Kroonorde van België. Op 29 november 1966 overleed professor Waterink.
Nadat de familie Waterink in 1893 naar elders was vertrokken, kwamen ze in hun vakanties toch nog weer naar Nieuwleusen. Later bracht Jan Waterink alleen zijn vakanties door in Den Hulst, waar hij logeerde bij de gebroeders Bosman. In het hierna volgende artikel kunt U van zijn vakantie- ervaringen kennis nemen.
We ontvingen deze verhandeling van ons lid mevrouw Hof te Brummen. Vermoedelijk heeft het in het Kerkblad voor Drenthe en Overijssel gestaan, waarschijnlijk vóór 1940.

* * *

VAKANTIE IN DEN HULST _________________________________________________________

J. Waterink

Rondom het jaar 1900 was er ook reeds een verschil te constateren in de ligging van de onderscheiden gemeenten. In mijn kinderjaren kwam ik soms in aanraking met een geestelijke sfeer, die voor mijn gevoel erg verschilde van die welke leefde in de kerken waarmee ik vrij geregeld in contact was. En als ik dat zeg dan denk ik aan de situatie in de achttienhonderddrieënnegentig tot vereniging gekomen kerk van Nieuwleusen en Den Hulst.
Mijn vader was in die laatste kerk voorganger geweest van 1889 tot de zomer van 1893. Ofschoon hij zich bewust was dat hij zijn eigen plaats als "oefenaar" ophief, had hij uit principiële overwegingen al zijn krachten ingespannen om zo spoedig mogelijk de vereniging tot stand te brengen. Toen tot de vereniging van de twee kerken (thans de Gereformeerde Kerk van Nieuwleusen) besloten was, kreeg mijn vader een nieuw arbeidsveld in de kerk van Bergentheim.
Maar iedere zomer gingen mijn ouders met hun kinderen naar Den Hulst om daar een veertien dagen vakantie door te brengen. We logeerden dan bij de gebroeders Bosman (Willem en Arend), die met een huishoudster, Jentje Mannen, in een heel eenvoudig boerderijtje hun rustige leven leefden. Maar Willem Bosman was uitvoerder van allerlei baggerwerken aan de Dedemsvaart.
Voor mij als kleine jongen was dit heerlijk, want dikwijls


De familie Waterink omstreeks 1915. Op de toto rechts van zijn moeder zien we Jan, de schrijver van dit artikel.

mocht ik meevaren met de "bokken" of de "modderbakken", die bij dat baggeren gebruikt werden. Toen ik wat ouder werd, zo'n jaar of tien/twaalf, ging ik ook alleen wel eens daar logeren. En ook als gymnasiast, toen ik over een fiets beschikte, was ik er nogal eens op een zondag.
Dit alles is niet belangrijk. Maar wel belangrijk is de sfeer waarin men daar leefde. En misschien mag ik nu zonder commentaar eens mijn indrukken geven die ik als jongen van een jaar of twaalf, dertien daar opdeed.

Op zaterdagavond na het brood eten (gewoonlijk was karnemelksepap één van de ingrediënten die de broodmaaltijd versierden) werd er door Willem Bosman een hoofdstuk gelezen en dan volgde het avondgebed voor de zondag. In dat gebed werden allerlei (mogelijke) noden van de christenheid gebracht. Maar inzonderheid werden de behoeften van de dienaren des Woords aan de Here voorgelegd. Ik herinner me nog een typische uitdrukking die ik in het gebed van Willem Bosman vaak hoorde: "Och Here, het zijn toch niet alléén herders, maar het zijn voor Uw ogen toch zelf ook schapen van uw kudde". Na dit gebed, dat, ondanks zijn lengte en ondanks zijn doorspekt zijn met bepaalde termen, toch altijd door zijn eenvoud, zijn ernst en zijn ootmoed diepe indruk op mij maakte, hielden de drie mensen, de beide Bosmannen en Jentje Mannen, een voorbereiding op de zondag door ieder over hun moeilijkheden van de afgelopen week te praten. Het gebed en het gesprek duurden zo ongeveer een uur.
Uit de aard der zaak werd ik als kind niet in het gesprek betrokken, maar een paar maal gebeurde het dat Willem Bosman mii vroeg: "en wil jij nu het Onze Vader met ons bidden, en denk er om hoor, niet opzeggen, maar bidden".

De volgende morgen bereidde alles zich voor op de kerkgang. Bosman woonde aan de Dedemsvaart tussen de Ommerdijkerbrug en Sluis 3 en de kerk stond aan de straatweg door Nieuwleusen, die evenwijdig aan de Dedemsvaart liep. Als je dus bij Bosman achteruit de weiden door liep kwam je dicht bij de kerk uit. In een half uur kon je het goed lopen. Zo'n uurtje voor kerktijd kwam dan een vriendin van Jentje, die op "de Meele" woonde, binnenschommelen. Een boerenvrouw net als Jentie, met een witte muts op en aan de arm een kerkboek met zilveren hoekbeslag en met zilveren kettingen, waaraan het geheel zich met de schommelende vrouw heen en weer bewoog.
Al dadelijk begonnen dan de geestelijke gesprekken. In die gesprekken werden heel veel verzen geciteerd.
Na een gesprek over allerlei geestelijke noden en uitreddingen werd de wandeling aanvaard. Ik stapte mee door de weiden en hoorde dan de gesprekken zo wat aan. Er kwamen óók wat meer aardse dingen aan de orde. "Het is vakantie, misschien is de oudste zoon van de dominee met die gekke meid ook wel in de kerk".
"Ja, het is een schandaal, rare meid, je kan haar hele hals

Op deze foto zien we de vroegere Gereformeerde Kerk en de pastorie aan het Westeinde. De kerk deed dienst tot 4 januari 1940 toen de eerste dienst, geleid door ds. Wassink, in het huidige gebouw aan de Backxlaan 81 werd gchouden. Deze pastorie werd het laatste bewoond door ds. Van Diemen.

zien, helemaal bloot en een hoed op als een pannekoek".
"Ja, en de vorige keer toen heeft ze gelachen in de kerk. De broer van haar jongen kwam wat later dan zij, en toen lachte ze zo maar tegen hem".
"Ja, als ik die zie, dan is mijn zegen weg".
Of over een andere gelegenheid, dat namelijk een paar broers in de gemeente ruzie hadden gehad; de ene broer was voorzanger en bij de ruzie had hij van zijn broer een flinke jaap met een mes over zijn wang gekregen. Nou, dat die broer voor het gerecht in Zwolle geweest was, was al erg genoeg, en dat hij een week moest zitten was natuurlijk vreselijk. "Maar die voorzanger kan geen voorzanger blijven, want dan zag je altijd dat litteken als hij stond te zingen en dan werd je altijd maar weer aan die vechtpartij herinnerd......."
"Ja, maar ze zeggen, als hij geen voorzanger blijft, dan gaat hij van de kerk af met de hele familie".
"Nou, dan moet hij maar gaan, zulke mensen horen ook niet in de kerk".
Dezelfde zondag werd er voorgelezen van de preekstoel dat een vijftal personen hun lidmaatschap van de kerk had opgezegd. Het was de gesnedene, de snijder, plus de vrouw van de één, de vrouw van de ander, en de oude moeder van de twee.

Toen ik de kerk binnenkwam had ik erg veel belangstelling voor de vraag of "die gekke meid" er ook zou zitten. Inderdaad kwam ze binnen met haar verloofde, diens broer en de moeder van de beide jongens, de vrouw van de dominee dus. Ik weet nog heel goed, dat er een beetje kritiek in mij groeide op Jentje en haar vriendin, toen ik deze mensen zag. Een keurig stel mensen, en het meisje vriendelijk en correct; en inderdaad ze lachte. Er viel namelijk een psalmboekje van haar bank op de grond. Haar verloofde raapte het voor haar op en legde het voor haar neer. Het was het lachje, waarmee ze hem bedankte. Toen kregen we een preek waar ik niets meer van weet. Ik weet alleen, dat het zingen erg slecht ging want er was geen goede voorzanger meer en een orgel ontbrak in de kerk.
Op de terugweg was het onderwerp van gesprek natuurlijk gegeven. Het was het weglopen van de vijf leden. En het was al weer de lach van "die gekke meid". Dit was een van de eerste keren waarop ik innerlijk kritiek voelde op de mensen bij wie ik hoorde. Dat was niet zo erg. Maar thuis was ik altijd gewoon om open over die kritiek te praten en hier kòn dat niet. Wie iets van pedagogische beïnvloeding begrijpt, begrijpt ook waarom dit juist het erge was.
Want hoewel ik altijd veel van deze mensen hield en veel van ze gehouden heb hun leven lang, voelde ik toch als jongen reeds een zekere huivering. En toen ik thuis kwam en dit alles vertelde, zeiden mijn vader en moeder: "Je moet maar zo denken, jongen, ook vrome mensen hebben hun grote gebreken".

Een paar jaar later zonden mijn ouders een foto van ons gezin aan de vrienden in Den Hulst. Jentje schreef terug: "Het portret staat op de schoorsteenmantel. Ik kijk er vaak naar. Je kunt er helemaal diep door worden ingeleid". Toen keken mijn vader en moeder elkaar aan en mijn vader zei: "Nou:", waarop mijn moeder zei: "Naar hè?". En ik herinner mij heel goed dat mijn vader die een zachtmoedig man was, maar soms scherp kon zijn, één woord zei, en dat was: "Erger".

* * *

TOE D'R VOART NOG WAS _________________________________________________________

H. Stolte

Zaten Jan en Kloas met z'n beiden te vissen op de voartwal:
Jan - Ik vônge hier veurige weke toch een snoek - die was wel een meter làànk.
Kloas - Ik kan 't hoaste niet gleuv'n, moar eergistern had ik er hier een stormlanteern an zitten, en die brààn ok nog.
Jan - lk kan 't hoaste niet gleuv'n.
Kloas - Toe dan mar, as ie d'helfte van de snoek of dôet, dan zal ik de lanteern uutbloazn.

* * *

BIJ EEN OUDE SCHOOLFOTO _________________________________________________________

H. Stolte

Op deze foto van mevrouw Steenbergen uit 1911 zien we de leerlingen en het onderwijzend personeel van School I met de Bijbel te Nieuwleusen. De school stond destijds aan het Westeinde. Het gebouw is nog aanwezig en wordt thans gebruikt door de firma Ten Kate.


Wanneer we goed kijken, zien we dat een groot aantal leerlingen de streekdracht draagt. Wat opvalt zijn de halsdoeken en de "buis" met links en rechts een rij knopen.
Is er iemand die nog in het bezit van deze klederdracht is of van onderdelen daarvan? De vereniging zou er blij mee zijn:


Op de foto zijn de volgende personen te zien:
(+ is overleden; C. is geëmigreerd naar Canada)
1. Albert Stolte +
2. Meester Van Marle +
3. Lubbert Stolte C.
4. Geert Stolte C.
5. Harm Witpaard +
6. Jan de Boer +
7. Jansje Gerrits (Steenbergen)
8. Hendrika Gerrits (Pierik) +
9. Meester Valk +
10. Juffrouw Schaaf +
11. Janna Scholten (Th. de Boer) +
12. Geertje Stolte
13. Willem van Oene +
14. Willem Gerritsen +
15. Lucas Petter
16. Jan Petter
17. Leentje de Boer
18. Gerrit Jan Kappert
19. Jentje Stolte +
20. Klaasje van Oene (v. Dorsten)
21. Hilligje Gerritsen +
22. Klazina Stolte
23. Arend Jan Stolte (dominee)
24. Klaasje Stolte
25. Jentje de Boer
26. Fennigje de Boer
27. Otto Scholten C. +
28. Hendrikje Scholten
29. Jentje Brinkman C.
30. Hendrik Jan Gerrits
31. Hendrik Stolte (fietsenmaker)
32. Freek Jan Westerman (exp.) +
33. Hendrik Gerritsen
34. Gerrit Jan Gerritsen
35. Willem Brinkman
36. Gerda Valk
37. Pim Valk
38. Jentje Westerman (Kruidhof)
39. Gerrigje Westerman (v.d. Vegte)
40. Jo de Boer +
41. Thijs de Boer (wethouder) +

* * *


Krummels _________________________________________________________

Laatst vroeg de juffrouw aan de kinderen wie er wist wat een "potpourri" was. De kinderen waren nog niet goed op de hoogte met al die moeilijke woorden, maar toch stak Piet ineens de vinger op en zei: is poerri die de pot kookt, juffrouw".

* * *


HET DUBBELTJE VAN MEVROUW _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.

Ik word wakker met een recht prettig gevoel en ik voel een levendige begeertje om desen of genen een kleinen dienst te bewijzen. Er wordt gebeld. Een man met een wond aan den voet vraagt geld om een eindje te kunnen trammen. Briefjes van onderscheidene dokters moeten kracht aan zijn verzoek bijzetten. Mijn man vertrouwt den vrager niet en weigert, ik heb nog een dubbeltje. Twee dagen mijn geklopt ei met suiker ontbeerd, en het dubbeltje is verdiend. Ik geef het den man stil, en wensch hem goede reis.
Onze meid woont naast ons, hare ouders houden eene herberg, en ik zend haar om melk uit, naar haar huis. Met de woorden: uw dubbeltje is al weer bij ons komt ze terug. De man had voor acht centen brandewijn gevraagd, want meer geld had hij niet, men wilde hem voor tien cent verkoopen, maar hij beweert bij hoog en laag niet meer te hebben en biedt acht centen plus een doosje schoensmeer want daar loopt hij mee rond, de man die mij juist verteld heeft dat hij den heelen winter in 't ziekenhuis geweest is en nu terug moet naar zijn woonplaats. Leugen op leugen stapelt hij op een schoonen lentemorgen met een blauwen hemel boven zich, een jubelende vogelschaar om zich heen en alles vrede ademend. Weg is mijn warm gevoel. Een andere bedelaar belt, ik wijs hem af met de woorden: ik word te vaak bedrogen.
Was dat wel goed? Zondigde ook ik niet op dien schoonen lentemorgen? Wie weet hoe goed hier eene aalmoes besteed zou zijn geweest. Ware wijsheid waar zijt gij toch? Verlicht mijn pad, verruim mijn blik.

* * *

Bovenstaande aantekening is van de hand van rnevrouw Bosch Bruist. Een exacte datering is niet bekend, maar de notitie zal dateren van na 1886 toen de Dedemsvaartse stoomtram in dienst kwam.

* * *


WINTERGEZICHTEN UIT DE JAREN DERTIG _________________________________________________________

M.M.W. van Roozelaar



Deze twee winterse foto's werden in het begin van de dertiger jaren gemaakt door meester Van Roozelaar.

Links de Rollecatebrug over de dichtgevroren Dedemsvaart en het huis dat destijds werd bewoond door Arend van de Weide, ook bekend als Arend Lies. Ook woonden er mevr. Hille de Bruyn en later de families Arend Stegeman en Gerrit Kappert. Enkele jaren geleden heeft ook dit mooie plekje plaats moeten maken voor de nieuwe weg.

De rechter foto toont het besneeuwde en berijpte landschap van de Meeleweg. De foto is genomen voor de Meeleschool, thans Koningin Emmaschool. De weg was toen nog erg smal. Het was een hobbelige klinkerweg die bij de bevrijding in 1945 door de tanks van de Canadezen volkomen stuk gereden werd. Daarna is er een nieuwe straatweg gekomen, later gevolgd door de nu bestaande, verbrede asfaltweg.

* * *

NOTITIES OVER DE FAMILIE REUVERS _________________________________________________________

G.H.

In het eerste nummer van deze jaargang drukten wij een bladzijde af uit het bijbeltje van Hendrikje de Weerd. Zij was afkomstig uit Nieuwleusen en emigreerde naar Amerika, waar haar bijbeltje bewaard is gebleven. Maar ook hier bleven bijbels bewaard waar een schat aan gegevens in is te vinden. Vooral de huwelijken en geboortes van kinderen werden er in opgeschreven.
Zo zagen we onlangs een bijbel met gegevens over de familie Rcuvers. Het is een naam die nog steeds voorkomt in Nieuwleusen. De oudste in deze familiebijbel genoemde persoon is Gerrit Jan Reuvers, geboren omstreeks 1774 in Den Ham. Hij is overleden op 7 augustus 1853 te Nieuwleusen en was gehuwd met Margje Jans (Snieder), overleden op 10 januari 1846, 66 jaar oud.



J: Reuvers geb: den
4 mei 1819
Mje Jans overleden de 10 Jan
1846 in den ouderdom van 66 jaar
Aje De Boer geb: den
26 mei 1823
G:J: Reuvers overleden den 7 Aug:
1853 in den ouderdom van 79 jaar
gehuwd den 16 mei 1842
H:J: Reuvers overleden den 3 Janu
1853 in den ouderdom van 46 jaren
G:J: Reuvers geb: den
29 Maart 1843

F:je Reuvers geb:
16 Dec: 1844
Aaltje Reuvers overleden den 11
April 1858 in de ouderdom van 15 weken
M:je Reuvers geb: den
24 Sept: 1847
Jentje Reuvers gebor. 1803
overleden de 16 Sept. 1870
B:J: Reuvers geb: den
2 October 1850
1885 is getrouwd
H: Reuvers geb: den
15 Febr. 1853
Hendrik Kragt met
Jentje Reuvers
Jentje Reuvers geb: den
7 april 1855
Jentje Reuvers overleden
den 15 Junil 1893
Aatje Reuvers geb: den
22 Decemb: 1857


Een afbeelding van de geschreven tekst was helaas niet duidelijk leesbaar te reproduceren. Daarom hebben we hier de transcriptie weergegeven.

* * *

Een zoon van Gerrit Ian Reuvers en Margie Jans, genaamd Jan, werd op mei 1819 in Den Ham geboren. Hij huwde op 16 mei 1842 te Nieuwleusen met Arendje de Boer, oud negentien jaar, dochter van Berend de Boer en Femmigje Klaas Koezen. Dit echtpaar Reuvers was de eerste eigenaar van de uit 1852 daterende familiebijbel. Uit hun huwelijk werden zeven kinderen geboren, vier dochters en drie zonen.
Dochter Jentje, geboren op 7 april 1855, trouwde ruim dertig jaar oud op 23 april 1885 in Nieuwleusen met Hendrik Kragt, oud 31 jaar, van beroep landbouwer. De bijbel vererft op dit echtpaar. Hendrik was een zoon van Gerrit Kragt en Hendrikje Kragt. Omdat zij oom en nicht waren, is voor dit huwelijk dat op augustus 1853 werd voltrokken, door Koning Willem III bij koninklijk besluit dispensatie verleend.
Een dochter van Hendrik en Jentie Kragt, Hendrikje, huwde met Berend Timmerman en de bijbel komt in deze familie. Hun dochter Janna Timmerman, getrouwd met Jannes Kragt, bewaart nu deze bijbel zorgvuldig. De aantekeningen "H.J. Reuvers overleden den 3 Janu 1853 in den ouderdom van 46 jaren" en "Jentje Reuvers gebor 1803, overleden den 16 Sept 1870" hebben betrekking op een inwonende (?) broer en zuster van Jan Reuvers.

* * *

EEN ONBEKEND VOORWERP _________________________________________________________

In het afgelopen voorjaar kwam een volkomen onbekend voorwerp voor de dag. Op de voorjaarsmarkt werd het aan het publiek getoond met de vraag of iemand wist wat het was en/of waar het voor diende. Hoewel de kraam van de vereniging zich in een grote belangstelling mocht verheugen, is er niemand geweest die een antwoord op de gestelde vraag kon geven.
Omdat het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem een grote kennis bezit van gebruiksvoorwerpen op het platteland, werd contact met genoemd museum gezocht. Dit leverde evenwel geen resultaat Op. Na een gerichte zoekaktie moest men, toch wel een beetje teleurgesteld, meedelen niets te hebben kunnen vinden wat ook maar enigszins op ons onbekende voorwerp leek.
Kennelijk is het een zeldzaam ding. Hoe oud is het? Is het wel kompleet? Komt het wel uit deze omgeving; uit ons land? Is het misschien een klein onderdeel van een groter geheel? Waarom kan het bovenstuk losgedraaid worden van de onderplaat? Moet er iets in? Een kooltje vuur misschien, ook al zijn daar geen sporen van in het ijzer te vinden, of een lokaas voor vliegen? En zo zouden we nog wel even door kunnen gaan. We weten het eenvoudig niet.


Het voorwerp is van gietijzer gemaakt en is ongeveer vijftien centimeter hoog en ook in doorsnee. Het staat op drie pootjes. Het bovenste deel kan losgedraaid worden en zit met twee pennetjes vast in het onderste. Aan het bovenstuk zit een oog. De onderplaat heeft een fraai bewerkte bodem.
Wanneer er iemand is die weet of ook maar het geringste verrnoeden heeft wat het is of waar het mee te maken heeft, laat het ons dan weten. We zijn erg benieuwd.

* * *

Het voorwerp is een kluwenhouder, bedoeld om een knot wol in te leggen tijdens het breien. De wol wikkelt dan beter af en de knot rolt niet alle kanten op.

* * *

MILITAIREN 1831 - 1836 _________________________________________________________

B. van Duren

In het overlijdensregister van Nieuwleusen komen we in de jaren 1831 tot en met 1836 een tiental militairen tegen waarvan de doodsoorzaak niet bekend is. Het is mogelijk dat hun overlijden een gevolg is van de tiendaagse veldtocht. Of misschien heeft het iets te maken met de gevreesde gele koorts.
We geven hieronder de overlijdensdata en de verdere gegevens van deze soldaten weer. Mogelijk is er onder de lezers iemand die iets meer over deze personen of hun omstandigheden kan vertellen.

12 – 10 – 1831 - Koop Derks, 28 jaar, schutter bij de Overijs-
selse schutters. Overleden te Hulst (Zld).
Hij was een zoon van Derk Koops en Janne-
tje Arends.
11 – 02 – 1832 - Berend Katoele, 29 jaar oud, zoon van Hen-
drik Katoele en Margje Jans Huisman.
Ook hij was schutter bij de Overijsselse
schutters en is overleden in de Oranje -
kazerne in 's-Gravenhage.
21 – 02 – 1832 - Jan Dekker, 33 jaar, zoon van Gerrit
Arends Dekker en Femmigje Jans. Hij
was eveneens schutter bij de Overijsselse
schutters.
7 – 10 – 1832 - Cornelis Jonkers, 21 jaar en zoon van
Klaas Jonkers en Aaltje Spijker. Hij was
infanterist.
30 – 10 – 1832 - Wolter Mulder, 25 jaar, schutter bij de
Overijsselse schutters en zoon van Jan
Mulder en Geertje Kuiper.
20 – 05 – 1833 - Derk Kouwen, zoon van Jan Kouwen en
Femmigje Derks. Toen hij overleed was
hij nog maar 19 jaar en diende hij als
1e fuselier bij de infanterie.
03 – 06 – 1833 - Klaas Hof, 20 jaar oud, infanterist. Zoon
van Willem Hof en Hendrikje Evers.
09 – 08 – 1834 - Herm Maatman, 31 jaar, schutter bij
de Overijsselse schutters. Hij was een
zoon van Gerrit Maatman en Meine Schip-
horst en werd geboren in Denekamp.
13 – 02 – 1835 - Jan Garner, overleden te Den Helder
in de leeftijd van 19 jaar. De ouders van
Jan waren Gerhardus Garner en Wilhelmina
Hietkamp. Zijn militare funktie was fuselier.
10 – 07 – 1836 - Thijs Vonder, oud 32 jaar, echtgenoot
van Stijntje van Duren. Zijn beroep was
landbouwer en hij was schutter met onbe-
perkt verlof. Het echtpaar Vonder woonde
in Den Hulst.

* * *


VERENIGINGSNIEUWS _________________________________________________________


v.l.n.r. de dames G. Hengeveld, M. Dirksen en G. Kreule
en Uw eindredacteur de heer de Weerd.

Sinds begin september beschikt de vereniging over een eigen kraam die op de markten gebruikt zal worden. Voor het eerst gebeurde dit op de najaarsmarkt, waar losse nummers van dit periodiek en "knieperties" ten verkoop werden aangeboden. Over belangstelling was niet te klagen en de resultaten waren daaraan evenredig. Dank zij de "knieperties" konden de dames van de werkgroep letterdoeken foto-afdrukken van de dia's laten maken, waardoor de verzameling makkelijker toegankelijk is geworden




            Colofon uitgaven 1984


            Uitgaven van 1985


Jaargang 3 nummer 1 maart 1985

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

(foto: A. Aalbers-Zonnenberg).

Op de omslagfoto:
Jantje Zonnenberg voor het Melkrek. Hierop werden de emmers en vaten te drogen gelegd nadat ze waren schoongemaakt. Naast het rek ligt de karnton met z’n koperen rand. Ook het juk dat Jantje draagt, behoorde tot de attributen die bij de melkverwerking werden gebruikt

* * *

DE BOTERBEREIDING _________________________________________________________

Th. Bijker

Karnhuizen, enkele zijn er nog te vinden, al zal de karnmolen die er in stond wel verdwenen zijn. De beide zuivelfabrieken, die je hebt zien beginnen, ontwikkelen en sluiten, zijn ontmanteld en voor andere doeleinden in gebruik. Het valt op dat in een tijd van zeventig jaar, waarin hevige crises en twee wereldoorlogen voorkwamen, veel op het gebied van de zuivelbereiding is veranderd.
En dan denk ik aan de tijd dat ik als jongen van een jaar of acht het paard moest aandrijven in de karnmolen. We hadden thuis geen karnhuis, maar de molen stond aan de zijkant op de deel. Ik hoefde niet altijd mee te lopen, maar moest er wel bijblijven anders bleef het paard staan. Er moest een regelmatige gang blijven. Het mocht ook niet te hard gaan, want dan brandde de boter aan. Hoelang het karnen duurde weet ik niet meer. Je was er al gauw drie kwartier mee bezig, maar het verschilde wel eens. De melk wilde altijd niet even goed boteren. Misschien komt daar ook het gezegde "het botert niet goed" vandaan.





Dit is het karnhuis van
mevr. Aalbers-Zonnenberg
aan hetWesteinde.

(foto: G. Schoemaker)






(In jaargang 34, nummer 2, juli 2016 staat een artikel waarin wordt beschreven hoe een karnhuis gebruikt werd voor het maken van boter. In Nieuwleusen is nog een karnhuis bewaard gebleven. Dat staat aan het Westeinde 96a, in de tuin van de familie Kiekebosch. Dat is dus dit karnhuis, maar het is verplaatst en nu in gebruik als tuinhuisje.)

De karnmolen bestond uit een draaibare horizontale as, waaromheen zich aan de bovenkant een groot getand wiel bevond. Verder naar beneden was er een dwarsbalk aan bevestigd. Hieraan trok het paard. De tanden die aan het grote bovenwiel zaten, pakten in een ander tandwiel. Dit was aan een as bevestigd die door een gat in de muur naar de "geute" liep. Hier stond de karnton. Aan deze as zat een tandwiel dat weer in de tanden van het wiel greep waaraan de pols zat. Aan deze pols zaten in de karnton een paar vleugels die snel ronddraaiden. De melk die gekarnd moest worden, werd in platte vaten gedaan en in de kelder gezet. Daar bleef ze een paar dagen staan om aan te zuren. Steeds werd er weer verse melk bijgezet die dan later aan de beurt kwam. De aangezuurde melk werd met een emmer in de karn gedaan en dan kon met karnen worden begonnen. M'n moeder wist heel precies wanneer de boter goed was. Ze gaf dan een seintje en het paard mocht weer naar de stal. De pols werd uit de karn gehaald en de boter, die in grote klonters op de karnemelk dreef, werd er met een zeef afgeschept. Later op de morgen moest de boter nog we] veel aangekneed worden om er alle karnemelk uit re krijgen. De boter werd in een vat bewaard. Op donderdag werd het hieruit geschept en in een boterton gedaan. Dat waren tonnetjes van naar ik meen 30 kilo. Wanneer de ton vol was, werden er met een spateltje mooie figuurtjes op gedrukt, want de boter opmaken was de boter verkopen. De boter werd verkocht op de markt. Als er biggen waren die naar de markt konden, dan gingen mijn vader en moeder met de kleedwagen naar Zwolle. Moeder ging naar de botermarkt en vader naar de biggenmarkt. Wanneer ze niet met de wagen gingen, werden de boter en de eieren op donderdag naar de winkel gebracht. Daar haalde veerman Westerman (de overgrootvader van de huidige gebroeders) ze op en nam het mee naar Zwolle.
Vader ging dan op de fiets.
Wat de prijs van de boter betreft was er groot verschil.
De een maakte een betere prijs dun de ander. Daar zal ook wel reden voor geweest zijn. lk zie de boterkooplieden nog

Het werk is gedaan. Alvorensop reis te gaan nog even voor het melkrek op de foto. Achter zien we G.J. Zonnenberg, met naast hem een en vooraan links twee logees van burgemeester Backx, daarnaast Janna Zonnenberg - Kroezen en rechts Aaltje Zonnenberg.
De prent dateert van juni 1929.
(foto: A. Aalbers-Zonnenberg).

bezig met een boor een monster nemen en dan ruiken en proeven. En daarna al dat gepingel om de prijs. lieten zich echt geen knollen voor citroenen verkopen.
Als ik zo terug kijk naar het leven in die jaren en naar het vele werk dat moest gebeuren en dan vooral denk aan de boerin die overal tegelijk moest zijn, waar is dan die goede. oude tijd? lk geloof er niet in.

* * *

VOOR WAT HOORT WAT _________________________________________________________

                                Den 13 meij 1764

                             Geert Egberts, Jongeman

                             en
                             Fennigjen Hendriks, Jongedogter
                             beijde op het Ruitenveen
                                     alhier getrouwt.
                             1 hoen gebragt        Solvit

(Uit het huwelijksregister van de Hervormde Gemeente)

* * *

NIEUWLEUSEN IN ACTIE ANNO 1797 _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

Verzet, protestacties en betogingen tegen de overheid lijken allemaal typische verschijnselen te zijn die behoren bij de tweede helft van deze eeuw. Maar bijna 200 jaar geleden werd bijvoorbeeld ook al in Nieuwleusen een handtekeningenactie op touw gezet om de overheid in Den Haag af te houden van maatregelen die vele mensen onwelgevallig waren. Om ontstaan en doel van de actie te kunnen plaatsen eerst een stukje voorgeschiedenis.

Voordat in 1795 de Fransen in ons land kwamen was de positie van de hervormde (of: gereformeerde) kerk comfortabel in vergelijking met die van andere kerkgenootschappen. Zij, de hervormde kerk, was reeds twee eeuwen de heersende kerk. Zo bezat zij de ruimste en oudste kerkgebouwen waarvan het onderhoud werd verzorgd door de staat, die tevens zorg droeg voor de betaling van haar predikanten. De andere kerkgenootschappen werden hooguit geduld, meer niet. Zo werd de verhouding tussen kerk en staat eens vergeleken niet een Mohammedaans huwelijk, waarbij de staat één hoofdvrouw kende (de hervormde kerk dus), terwijl de andere kerken slechts bijvrouwen waren.

Maar in 1795 keerde het getij met de komst der Fransen Toen was het gedaan met de bevoorrechting der hervormden. Al in augustus 1796 werd, weliswaar voorlopig, bepaald dat er een scheiding moest komen tussen kerk en staat. Van een "heersende kerk" kon geen sprake meer zijn. Joden. rooms-katholieken, lutheranen, remonstranten, doopsgezinden en anderen juichten om deze gelijkstelling.
De hervormden echter keken beteuterd. Was dat nou billijk om van hen te eisen dat zijzelf hun voorgangers zouden betalen en zorg gingen dragen voor het onderhoud van hun kerken, terwijl de overheid vele van hun goederen tot nationaal bezit verklaarde, waardoor een belangrijk deel van hun inkomsten wegviel? Om de drommel niet, vonden ze, en als het aan hen lag zou het niet gebeuren ook. Daarom, zo redeneerden ze, moeten we ervoor zorgen dat deze voorlopige bepalingen, hoe dan ook, niet definitief in de Grondwet worden opgenomen.
Nu werden er teksten ontworpen en gedrukt waarin de Commissie, die een Grondwet moest ontwerpen, werd gevraagd, ja, soms zelfs geëist, dat “geene schikkingen zullen worden voorgedragen, waar door het Hervormd Kerkgenootschap gevaar zou lopen, het nodig onderhoud, en de gelegenheid voor zijne Godsdienstoeffening te verliezen". Vervolgens werden de voorbedrukte formulieren over het gehele land verspreid. De "actiebereidheid" was groot. Ruim 10 procent van de bevolking (d.w.z. zo'n 215.000 inwoners) tekende de verzoekschriften. Soms ging het enthousiasme zover dat zwangere vrouwen alvast een handtekening plaatsten voor hun nog ongeboren kind. Maar de Grondwetcommissie keurde al deze verzoekschriften geen blik waardig en borg ze ongezien en ongelezen op. Alle moeite was voor niets geweest. De gewraakte bepalingen werden ongewijzigd overgenomen in de Grondwet van 1798 (de allereerste die Nederland kende) en pas jaren later voor een deel weer ongedaan gemaakt.

Ook de hervormde kerk in Nieuwleusen ontving een formulier met een (gematigde) tekst waarop de ondertekeningen moesten komen. Slechts een klein deel der hervormden (vierentwintig in totaal) ondertekenden het formulier. Het is ook de vraag of het kerkbestuur het nodig of zinnig vond om een ieder in de gelegenheid te stellen zijn naam of, indien men niet schrijven kon, kruisje onder het verzoekschrift te laten zetten. Toch zijn op deze wijze de ondertekeningen bewaard gebleven van ruim twintig Nieuwleusenaren uit het jaar 1797.
Een fotokopie van het verzoekschrift berust bij de redactie.
Zij die tekenden waren:

Jan Arend Palthe, predikant
Hendrik Willems, ouderling
        (hij zette een kruisje)
Jan Jans, ouderling
Derk Jans, diaken
Hermen Jans, diaken
Fredrik Arens, kerkmeester
Jan Klaas, kerkmeester
Jan Dijkstra, koster en schoolmeester
Peter Coobs
Hendrik Geerts
Hendrik Klaas
Jan Stolte
Jan Aans (Arens?)
Gerrit Jans
Kornelijs Berents
Albert Stolte
Pouwel Herms
Berent Stolte
Hendrik Jans
Hendryk Wiellems
Gerrijd Jansen
Barteld van Holten
Claas Willems
        (hij zette een kruisje)
Weijllem Gerges (?)

december 1984

* * *

ZO DOET MEN DAT! _________________________________________________________

Spleten in handen geneest men door inwrijven met een mengsel van 30 gram witten wijnazijn, 15 gram alcohol, 15 gram rozenwater en 10 gram citroensap.

Het bloeden eener snijwond kan men doen ophouden door het gewonde lichaamsdeel in water en wat azijn te steken. Helpt dat niet dan brenge men eenige druppels ijzerchloride op de bloedende plaats.

Aardbeien zijn een geneesmiddel tegen ziekelijke aandoeningen van lever en onderbuik. Tegen "roos" draagt men spaansch-groen bij zich. Tegen bladerende roos eene vossetong. Tegen maagpijn raadt men zoete melk aan, waarin amandelpitten zijn gekookt.

* * *

FOTO-ALBUMS MERKLAPPEN EN LETTERDOEKEN _________________________________________________________

In het vorige nummer werd reeds gemeld, dat de dames van de werkgroep Merklappen en Letterdoeken van de dia's foto-afdrukken hebben laten maken. Dat zij nog meer in petto hadden, bleek op de vergadering van 6 november j.l. toen de foto's aan de vereniging werden overgedragen.
Tot verrassing van de aanwezigen hielden de drie dames, gestoken in historische kledij, een samenspraak waarin ze de gang van zaken rond het opsporen en vastleggen van de merklappen belichtten. Daarna werden de zeven met foto's gevulde albums aan de voorzitter aangeboden.
Hiervan werd onderstaande foto gemaakt, die zowel in de Meppeler als in de Zwolse Courant werd afgedrukt.


De heer H. Schoemaker bekijkt één van de zeven albums die hem werden overhandigd door mevrouw M. Spijker. Rechts mevrouw G. Hengeveld en in het midden mevrouw G. Kreule.

* * *


DE SUBSIDIE-AANVRAAG VAN JAN STOLTE _________________________________________________________

Het lijkt iets van deze tijd, het aanvragen van een subsidie, maar ook reeds in de eerste helft van de 18e eeuw kwam het voor. In het jaar 1703 werd Jan Stolte benoemd tot schoolmeester te Nieuwleusen. Aan dit ambt was tevens dat van koster verbonden. Mogelijk door zijn regelmatige kontakten met de predikant, ging hij Latijn studeren. Toen hij deze taal redelijk onder de knie had, vond hij de tijd gekomen om in de theologie verder te gaan.
Hij liet zich hiervoor in Groningen inschrijven. Zoals uit de aanvraag blijkt, kreeg hij toestemming van de inwoners van Nieuwleusen om zijn baan neer te leggen en zich aan deze studie te gaan wijden.
Hierdoor vielen zijn inkomsten weg. En omdat ook zijn verdere bezittingen niet erg florissant waren, schreef hij onderstaand, niet gedateerd, smeekschrift (vertaling A. Schoemaker-Ytsma) aan:

Edel Mogende Heeren
Mijn Heeren
Ridderschap en Steden de
Staaten van Overijssel

Remonstreert UEd.Mog: met alle eerbiedight Jan Stolte, schoolmeester tot Nijleusen, hoe dat hij onder sijn schooldienst, sig in de Latijnsche taale sodanig heeft geoeffent, dat tot vervolg van dien met toelatinge der ingesetene hem op de Academie tot Groningen hebbe begeven, alwaar Theologi studeert, ende also hij segged niets ter werelt meer overig heeft, dan alles daar bijgeset en geconfisceert:
So bidt en smeekt deselve, doe UEd.Mog: hem gratieuselijk eenmaal met een subsidie gelieve te begunstigen.

Twelk doende

* * *

HET BEKENDE ONBEKENDE VOORWERP _________________________________________________________

J. W. de Weerd

Als je op een mooie zondagmiddag in december, net een week na het verschijnen van het nummer van het 4e kwartaal, tegen vier uur thuis komt, kan je het volgende overkomen: Je zet de t.v. aan en schakelt van de ene naar de andere zender. En als je dan even op Duitsland 2 blijft "hangen", zie je toevallig het slot van een aflevering van een jeugdserie waarin drie vrouwen in een winkel in heftig gesprek zijn. Je ziet ook de winkelbediende bezig om een touwtje om een pakketje te maken en zo terloops zie je ook nog dat het touwtje uit een bolvormig apparaatje komt. Daarna volgt de aftiteling en omdat het volgende programma ook niet jouw smaak is, zet je het toestel uit.
Dan gaat ruim een kwartier later de telefoon en wordt er gevraagd of er bovenin het onbekende voorwerp ook een gaatje zit. Als je de foto ter hand neemt en de vraag bevestigend beantwoordt, wordt er aan de andere kant van de lijn gezegd dat er zojuist op het scherm een scene te zien was waarin een man een touwtje om een pakje deed, welk touwtje bovenuit een bolvormig voorwerp werd getrokken. En dan pas gaat je een licht op, een licht dat elders al eerder ging branden. Dat bolvormige voorwerp, waaruit het touwtje werd getrokken, is een broertje van ons onbekende voorwerp. En hoe langer je er over nadenkt, Hoe duidelijker het je wordt. In het apparaatje past een kluwen touw (simtouw noemden we dat vroeger) die van binnenuit afwindt. Het eind van het touwtje wordt recht naar boven door het gaatje geleid en zo kan het gebruikt worden iets in te binden in bijvoorbeeld een winkel of postkantoor. De zwaarte van het gietijzer houdt het op zijn plaats en zo is er altijd touw bij de hand.
In de dagen na de bewuste zondag hoorden we meerdere personen, die de beelden ook gezien hadden, een zelfde verklaring geven. De scene kwam voor in de aflevering van 9 december van een van oorsprong Zweedse serie, die in Duitsland onder de titel "Rasmund und der Vagabund" werd uitgezonden. Het verhaal speelt vermoedelijk rond de eeuwwisseling.(ca. 1900)


Dit zijn enkele modellen van kluwenhouders, zoals die in 1926 door de Engelse firma A. Kendrick & Sons Limited in haar verkoopcatalogus werden aangeboden. Het Nederlands Openluchtmuseum spoorde deze illustratie voor ons op in haar bibliotheek.

Het raadsel is dus opgelost; het onbekende voorwerp is een kluwenhouder. Of dit de officiële benaming is, weten we niet, maar omdat er niemand is die het wel weet houden we het maar bij deze.

* * *

EEN REFREIN VAN EEN ONBEKEND LIED _________________________________________________________

Een van onze leden, de heer C. Schoemaker, kan zich nog een refrein van een lied herinneren dat vroeger door Gerrit van de Kolk (een jager uit ons maartnummer 1984) werd gezongen. De overige tekst is hem niet bekend. Mogelijk is het een algemeen lied, maar het zou kunnen dat het uit deze omgeving, misschien uitNieuwleusen komt. Het refrein luidt:

In mijn kleine woning
daar leef ik blij en stil.
Menig mens heeft alles
wat hij wensen kan op aard.
Maar ik, ik ben tevreden
en dat is schatten waard.

Weet iemand van welk lied of gedicht dit refrein is of kent er iemand nog een aantal regels en mogelijk de volledige tekst? We horen het graag van U.

* * *

EEN VERHAAL OVER DE DROOGTE IN 1911 _________________________________________________________

G.H.

In een gesprek met iemand uit Nieuwleusen kwamen er verhalen over de tijd van vroeger. Zo kwam de periode van de grote droogte van 1911, die ook Nieuwleusen trof, ter sprake. In jaar viel er maar geen regen, alles dood en dor. Van het vroege voorjaar tot in de herfst regende het niet. Zelfs de winter die er op volgde was droog. Wel waren er in de zomer verschillende onweersbuien, maar er kwam geen regen uit. Na niet al te lange tijd was er geen gras meer te vinden. Van een boer die zo'n zes à zeven koeien had, is bekend dat die in dat jaar maar één voer hooi gewonnen heeft. Men trok met het melkvee, nadat het ‘s morgens eerst gemolken was, naar het lager gelegen gebied tussen de spoorlijn en de grote weg. Om een uur of acht ging men weg en 's avonds tussen zes uur en half zeven was men terug. Daarna moesten de koeien nog gemolken worden. Het trekken met het vee uit de Schuthoek en de Meele over de Koeweg en de Meeleweg naar het westen over het spoor gebeurde ongeveer gedurende zes weken. Het vee liep daar vrij rond en de oppassers lagen bij het brughuis onder de bomen. Dit was bij de brug die aan het eind van de Meeleweg over het Lichtmiskanaal lag. (deze brug werd ook wel 'Hooibrug' genoemd.) Daar woonde in die tijd Van Haarst. Hij verkocht jenever maar ook petroleum. De hele dag kon men dan verder niets doen. Soms werd er wat geld bij elkaar gelegd om een borreltje te kunnen kopen. Sommigen hadden ook breiwerk bij zich en anderen stopten kousen. Voordat men weer naar huis ging moest er gezorgd worden dat de juiste koeien weer bij elkaar kwamen, want ook van Nieuwleusen kwamen ze met koeien om ze daar te laten weiden en het vee liep allemaal door elkaar. De drijvers, meestal een stuk of vijf, namen de koeien mee van verschillende boeren. Enkele namen van die boeren: Withaar, Nijboer, Huisman, Meesters, Schoemaker en Westerman. Veel verdienden de oppassers er niet mee, soms wel eens iets, maar ze namen hun eigen vee ook mee.
Na de droge winter kwam er ook in het volgende voorjaar geen regen. Eindelijk kort voor de hooitijd begon het te regenen en was de tijd van grote zorgen voorbij.

* * *

VEURJOAR _________________________________________________________

M. Schutte-Massier

Ien 't veurjoar komp de natuur weer tot lèven. Alles wordt gruun en 't is niet erg um 's morgens um vief uur wakker te worden, want dan begunt 't concert van ik wee niet hoeveul vogels. De dirigent mut een groot man wèèzn. Alle accoorden klinkt èven zuuver. 't Is gewoon een feest um wakker te liggen ien bedde. As dan de gedienen oaveral lös goat, denk ik: zol elk wel zien det de hagedoornhegge weer veul greuner is dan gister en eergister; 't gruun van de lariks heel ààns is as van de beuk en de els?
Ien disse wereld van hoasten en jachten is toch nog wel wat oaver um ies èven bi' j stil te stoan. De natuur is ien 't veurjoar net een groot schilderi'j met allemoal mooie kleuren. lk zol elk wel willen wiezen op de dingen um bliede en dankbaar veur te wèèzn. Kiek ies noar de dieren, noar de plàànten en bomen en bekiek de akkers ies. De iene ien zacht gruun; de àànder zwart met diepe voren van 't ploegen. Ze liekt nog dood, mar binnenien brôest het van leven en zuukt de ontkiemde eerpels heur weg noar het licht.
Maar dan bedenk ik det niet veur niks de wegen 's zundags zo drok en vol bint en det er een boel toch wel ien stoat bint um al det moois ien de natuur te zien.
Mènsen, geniet van ’t veurjoar!

* * *

Krummels _________________________________________________________

"Det kump mooi uut”, zee Geert, “’t heui is op en de koe is dood."

* * *

EEN NIEUWLEUSENER BRIEF UIT 1778 _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.

                                      Wel Edele Juffrouw
                                         Mejuffrouw A. Palthe
                                         Weduwe van den Heer ontvanger
                                         Palthe te Oldenzaal

franco Ulsen

   Veel geliefde en Hooggeagte Suster

lk ben dinksedag morgen om half 9 met een koetse met 4 paarden van Ulsen vertrokken en al vroegtijdig hier geweest. Het geluk heeft mij weer gedient.
Op den Herdenberg hebbe ik tot gezelschap gekregen Dr. Sandberg en zijn soon en heb vader en moeder heel wel angetroffen die menden dat ik uit de lugt qaam regen die konden haar geen denkbeeld maaken waar ik heen kwaam. Mijn lieve suster ik doe Uw Ed. nogmaals bedanken voor alle genoten vriendschap en beleefdheid die Uw Ed. an mij heeft believen te bewisen wense wel eens in staad te zijn iets tot dankbaarheid weerom te doen. Ik ga dinksedag na Zwolle dan sal ik het alle wel besorgen. Over een week of 3 dan komt Vader en Moeder met broer Jan. De halssiekte is hier weer in stielstaand als Gerriet Berens Jantjen heeft se nog. Wij hebben gisteren na Jan bakkers huis geweest en hebben de appels geschud wij hebben hier kwetsen in overvloet. Komt mandag met Juffer Nagel en Freule Bentink gij sult so veel eten als u lust en so veel meedragen als gij kunt.
Nu ik sal Uw Ed.ls de bestemde tijd tegemoete komen. Het complement an Mevrouw Borgering en den Ampman en Dokter en Juffer Nagel en ik doe haar nogmaals bedanken voor al het pleizier da se mij bewesen hebben. Als oom het belieft te hebben dan schrieft het maar dan sal broer Jan van de winter bij Uw Ed. in de kost gaan hij wil het wel graag doen hij seid ik sal suster wel gezelschap houden. Dat Uw Ed. geschreven hebt sal Vader wel besorgen. Nu hertelijke liefde groet van Vader en Moeder Jan hetwelk ik ins gelijk versoek ook an Oom en tante, broer, Gese, en den apteker besonder an Gesine, in grooten haast terwiel de brief so na de Kroon moet. Woensdag sal ik Uw Ed. nader schriven.
                                         Seer lieve suster
                                      Uw Ed. ond.D. Dienaresse
                                      en liefhebbende Suster H. Palthe

Kwetsen zijn langwerpige blauwe pruimen. Met de Kroon is herberg de Landskroon in Oudleusen bedoeld. Hier liep de Hessenweg langs van Zwolle naar Hardenberg en verder naar Ulsen. Over deze weg reed de postkoets die dus bij de Landskroon een halteplaats had.

* * *

Infanterie 1914-1918 _________________________________________________________

foto: H. Sterken Rzn.


Een compagnie infanteriesoldaten uit 1914-1918.
Hieronder uit Nieuwleusen:
A.J. de Boer, F. de Boer, ? Boerrigter, Th. Brasjen, ? van der Elst, P. Groteboer, W, van Hulst, J. Kappert, L. Knol,H. Kragt, H. Nijboer, H. Schuurman en J. Sterken.

* * *

DE BEVOLKING VAN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Aartje Schoemaker-Ytsma

Naar aanleiding van het feit dat Nieuwieusen de grens van 8000 inwoners is gepasseerd, is het interessant om eens na te gaan hoe die groei verlopen is.

jaar
1680
1795
1818
1825
1869

inwoners
± 346
855
1031
1206
2151

jaar
1899
1924
1955
1985

inwoners
2695
3226
4505
8002

De oudste bron is de lijst van huisgezinnen opgetekend door Arnoldus van Bercum, de eerste predikant alhier.
Hoe heetten de bewoners toen eigenlijk?
De meesten hadden nog geen achternaam zoals we die nu kennen. De voornaam van de vader werd meestal de achternaam van het kind. Vaak werd er een s, een z, sz, of sen achter geschreven (Gerrit, de zoon van Willem, heette dus Gerrit Willems, oorspronkelijk was dat Gerrit Willemszoon. Red.).
Hieronder geven we de namen weer die in Nieuwleusen tussen 1663 en 1680 voorkwamen. Met deze lijst hopen we aanstaande ouders van dienst te zijn.



Van het mannelijk geslacht:

Aart, Abel, Albert, Arend, Arent, Arnoldus, Assen, Bartelt, Berend, Berent, Boeie, Claas, Claes, Coop, Cornelis, Derck, Dirc, Dirck, Egbert, Engbert, Evert, Frens, Frerick, Geert, Gerrit, Hans, Hendric, Hendrick, Hendrik, Henric, Herm, Hermen, Hilbert, Hille, Jacob, Jan, Jannes, Jochem, Jochum, Johannes, Joris, Lambert, Laurens, Liwert, Lubbe, Lubbert, Luychien, Lutgert, Marten, Maurits, Meynert, Nijs, Pauwel, Peter, Remmelt, Reyn, Reynert, Rutgerd, Rutgert, Rijckelt, Steven, Sijmen, Sijmon, Toenis, Tijmen, Thijs, Tijs, Vreric, Willem, Wolter.

Van het vrouwelijk geslacht:

Adriane, Aeltien, Albertien, Aleida, Amele, Ameltien, Anna, Annichjen, Barber, Beerte, Berentien, Claessien, Cornelissien, Derckien, Derckjen, Engbertien, Femme, Femmechien, Femmichien, Femmichjen, Fennichjen, Frensien, Fije, Geertien, Geertjen, Gese, Gesien, Griete, Grietien, Gijsbertien, Hendrickien,Hendrickjen, Hendrikjen, Hermtien, Heyltje, Hille, Hillechien, Hillichjen, Ida, Jacobien, Jacopien, Janna, Jannichjen, Jantien, Jenne, Jennichien, Jentien, Johanna, Jutte, Lammichien, Lammichjen, Lubbichien, Lutgert, Lijse, Lijsebet, Maria, Marrichjen, Merrichien, Merrichjen, Marij, Mattien, Mattjen, Mechteld, Mechtelt, Roeloffien, Roosien, Steventien, Stijne, Stijntien, Swaentien, Toentien, Trijntien, Trijntje, Vrouchjen, Webbichjen, Wibbichien, Wichertien, Willemtien, Woltertien.

* * *

DE DRIE SPOKEN _________________________________________________________

B. van Duren

Gait-Jan was ien wezen een heel beste vent,
oldere mensen hebt hum misschien nog wel ekend.
As de manluu vroeger bi'j 't vuur zaten te roken,
dan gungen de verhalen heel vaak over spoken.

De vrouwluu die griezel'n en vunden der niks an,
zie worden bange. "Ikke niet", zee Gait-Jan.
Zien drie maoten dachten: wacht mar ies èven,
vandage of morgen dan zöl ie ’t belèven!

De volgende aovund was heel geschikt weer,
soms zag ie de maone, dan opiens niet meer.
Tegen elf ure kon ie de deure heuren klappen,
Gait-Jan kuste Aoltien en nam grote stappen.

Een eintien verder dacht Gait-Jan: wat gek,
wat is det daorgunder, daorgunder op 't hek?
Wat zit die daor vrömd ien mekare gedoken,
daor onder die lakens; det liekt ja wel spoken!

"0e. drie daor op 't hekke, oe vrees ik niet,
ik kome wel thuus, het is niet meer wied,
mar die grote daorachter, daor onder die bomen,
ik wete niet hoe ak daor an veurbi'j mut komen..."

Det was veur de spoken toch wel grote schrik:
Wat mos Gait-Jan lachen, wat had hi’j een schik.
De drie leupen harder as ooit tevoren,
de lakens die flodderen Gait-Jan um de oren.


Jaargang 3 nummer 2 juni 1985

De omslagfoto is genomen vanaf de Kerkbrug in de Dommelerdijk in de richting van de Ommerdijk (thans Backxlaan). De weg rechts is het Oosteinde en van links komt het Westeinde.

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

STRAATNAMEN IN NIEUWLEUSEN I _________________________________________________________

J.W. de Weerd

In het midden van de vijftiger jaren liep de tweede ruilverkaveling van Nieuwleusen ten einde. Deze verkaveling, die nogal ingrijpend was, deed veel van het landschappelijk schoon verdwijnen. Daar stond evenwel tegenover, dat de kavels verbeterd en over nieuwe verharde wegen toegankelijk werden.
Voordat de verharding plaats vond, waren veel wegen naamloos. Dat kon zo niet blijven en daarom werd er een commissie ingesteld die met voorstellen over de naamgeving moest komen. De "Commissie Naamgeving Wegen Nieuwleusen" stond onder voorzitterschap van burgemeester J. Hoekstra, terwijl G.H. Krol als seeretaris fungeerde. Voorts hadden zitting de heren W. Muller, H. Pessink, J. Reuvers en R.J. de Wit. Later werd aan dit zestal D.J. Massier toegevoegd als adviserend lid. Voor de eerste keer kwam de commissie bijeen op 11 januari 1954. Uit het verslag van deze vergadering blijkt dat een verantwoorde naamgeving in die tijd hoe langer hoe meer aan de orde kwam. Hoewel nog niet in die mate als in het buitenland, kwamen er toen ook in Nederland provinciale en plaatselijke verenigingen op dit gebied te voorschijn. Nieuwleusen was de eerste gemeente in Overijssel die de naamgeving van wegen op deze manier aanvatte.
Het doel van de "Commissie Naamgeving Wegen Nieuwleusen" was om voor iedere weg een naam te vinden en zo mogelijk bestaande namen te doen herleven. Nieuwe benamingen dienden passend te zijn, ook al waren ze niet oud. Men was van oordeel, dat het gewenst was alle wegen van een naam te voorzien. Aan de hand van de verslagen zullen we de verschillende namen, die in de commissie besproken werden, ten tonele voeren.

We beginnen in de Kerkenhoek. Daar kwamen in het begin van de jaren vijftig nog de Straatweg OZ en de Straatweg WZ samen. De commissie vond deze namen, die uit de tijd stamden van de verharding van de wegen, minder geslaagd.
Als nieuwe namen werden Nieuwleusenerdijk en Zwolscheweg genoemd. Volgens één der commissieleden zou men zich met de benaming Nieuwleusenerdijk "buiten de familie" plaatsen. Algemeen was men echter van oordeel, dat de Straatweg het best weer kon worden omgedoopt in de oude ingeburgerde en bij veel mensen nog in gebruik zijnde namen. Besloten werd dan ook voor te stellen de Straatweg OZ, lopende vanaf de Kerkenhoek tot de Stouwe, de naam Oosteinde te geven en de Straatweg WZ te wijzigen in Westeinde.
Over de naam Stouwe was de commissie van oordeel dat die gehandhaafd moest worden. Omdat er in de omgeving meer wegen deze naam droegen, kwam de vraag naar voren of er nog iets aan toegevoegd diende te worden. Ter onderscheiding van de Vosse-Stouwe in de gemeente Dalfsen, werd er aan Varsener-Stouwe gedacht. Er werd evenwel opgemerkt dat Vosse-Stouwe geen ingeburgerde naam was. Hoewel het noordelijke gedeelte de Varsener-Stouwe en het zuidelijk deel Ommer-Stouwe werden genoemd, was de commissie van mening, dat aan deze verschillende benamingen geen behoefte bestond. Voorgesteld werd voor de gehele weg, lopende vanaf de Middeldijk tot aan de Hoofdvaart, de naam Stouwe aan te houden.
Middeldijk was de reeds lang bestaande naam voor de weg van de Stouwe tot aan de weg die vanaf het Westeinde in zuidelijke richting langs de molen van Massier liep en vanouds als Veldweg bekend was. Het voorstel luidde de namen Middeldijk en Veldweg niet te veranderen. Kennelijk twijfelde de commissie eraan of zij deze beide wegen namen konden toekennen; men vroeg zich namelijk af of ze niet in de gemeente Dalfsen lagen.
Volgens de heren commissieleden kon de naam Nieuweweg gehandhaafd worden. Deze weg, gelegen tussen Oosteinde en Middeldijk, was indertijd door de mensen zelf aangelegd en er werd al gauw van de Nieuwe Weg gesproken.
Ook bleek er geen behoefte te zijn de benaming Dommelerdijk, een altijd bestaan hebbende en ingeburgerde naam, te wijzigen.
Tussen de Dommelerdijk en de Veldweg treffen we een tweetal noord-zuid wegen aan. Aan de eerste weg, komende vanaf de Kerkenhoek, woonde in vroeger jaren de kleermakersfamilie Gerritsen. Het leek de commissie een goede gedachte om deze weg Kleermakersweg te dopen. Hoewel in de notulen niet te vinden is dat later aan een


Bovenstaande afbeelding op blz. 19 laat ons een plekje zien aan het begin van de Middeldijk-Oost in de zomer van 1963.

andere naam werd gedacht, heeft deze naam toch geen ingang gevonden. Uit een losse aantekening in de ons ter beschikking staande papieren blijkt, dat men in kerkelijke archieven de naam Arendneven heeft aangetroften. Men is kennelijk van oordeel geweest dat Arendnevenweg een betere benaming was dan Kleermakersweg.
De andere weg liep over gronden die in de volksmond het "Butenland” werden genoemd. Het lag dus voor de hand dat het voorstel kwam om de weg over deze landerijen de naam Buitenlandsweg te geven.
Voor het tussenliggende weggetje, dat bij de oude begraafplaats dood loopt, stelde de commissie Schuurmanslaantje voor. Dit naar de plichtsgetrouwe Schuurman, destijds gedurende ongeveer 40 jaar koster en voorzanger der Hervormde Kerk, die al die tijd zelden of nooit een dienst niet heeft bijgewoond.
Het Pad was de naam van de weg die ten noorden van, en nagenoeg evenwijdig aan het Oosteinde, respectievelijk Westeinde lag en vanaf de Stouwe tot aan de Koedijk liep. Vroeger was dit inderdaad een pad met vonders en overstappen. Reeds in de eerste vergadering kwam de wens naar voren een dergelijke historische naam niet te veranderen. "Het doet het verleden voortleven", aldus een der commissieleden, waarbij hij als voorbeelden Zeedijk, Overtoom en de Dam noemde. In de volgende vergadering bleef dit standpunt ongewijzigd, alleen zou men Het Pad willen wijzigen in Pad.
Met de naam Oosterveen weet de commissie geen raad. De betekenis hiervan was de heren niet geheel, of geheel niet, duidelijk. Men zou trachten hierover iets meer te weten te komen.
Omtrent pad en Oosterveen vernemen we uit de notulen niets meer. Ongetwijfeld is er vaker over gesproken, want in de definitieve voorstellen lezen we: "De commissie is van mening, dat de aanwonenden, nu het Pad geen pad meer is, deze naam minder op prijs zullen stellen. Hier komt nog bij dat het pad op een tweetal plaatsen samenvalt met een andere weg, t.w. bij de Ommerdijk en de Staphorsterweg. De commissie stelt dan ook voor het gedeelte tussen de Stouwe en de Ommerdijk "Oosterveen" te noemen, het gedeelte tussen de Ommerdijk en de Jagtlusterallee "Westerveen", het gedeelte tussen Jagtlusterallee en Staphorsterweg "Ruitenveen" en het gedeelte tussen de Staphorsterweg en Koedijk "Stadhoek".
Kennelijk heeft men dus toch de betekenis van Oosterveen achterhaald en met de andere namen beter geschikt geacht dan Pad, hoewel men toch lang heeft gemeend deze naam te moeten handhaven. De motivatie voor de andere namen is ons evenmin overgeleverd.
Twee andere lange wegen die Oost-West liepen, lagen langs het kanaal de Dedemsvaart en werden Hoofdvaart NZ en Hoofdvaart ZZ genoemd. Een commissielid dat vroeg hoe men aan deze naam gekomen was, kreeg als antwoord dat dit de levensader van Nieuwleusen was. Men wist geen betere passende naam te vinden, al werd er nog wel aan Kanaaldijk, Benedenvaart, Bovenvaart e.d. gedacht.
Hoewel niet tot de taak behorende waarvoor de commissie was aangesteld, stelde de voorzitter er prijs op dat ook bruggen van een naam werden voorzien. Hij noemde als voorbeeld brug vijf, die in de vorige eeuw reeds als "Koeriersbrug” bekend was. Er werd besloten over de naamgeving van bruggen te zijner tijd contact op te nemen met Gedeputeerde Staten. Of dit inderdaad is gebeurd, is niet bekend.
Voor de eerste tussen Oosteinde en Hoofdvaart gelegen noord-zuid weg, gerekend vanaf de Stouwe, dachten de heren commissieleden allereerst aan Schoemakerweg. Bij de kruising met het pad woonde nl. H. Schoemaker. Al spoedig moest deze naam wijken voor Samenweg, een naam die toepasselijker geacht werd en al enigszins was ingeburgerd. De oude onverharde weg behoorde aan een groot aantal inwoners en werd dus ook door hen samen gebruikt.
In een latere vergadering scheen men hier toch weer op terug te komen, want de Schoemakerweg kwam opnieuw ter tafel. En weer later, in de definitieve voorstellen, werd voorgesteld om deze weg met de naam Bijkersweg te tooien. Dit naar de in vroeger jaren aan deze weg gewoond hebbende familie Bijker, die ook de aanliggende gronden bezat.


Hierboven op bladzijde 21 een kijkje op de Kerkenhoek vanaf het Westeinde, staande voor het gemeentehuis. Rechts tussen de bomen de Kerkbrug met Dommelerdijk, links de brug over de sloot naar de Ommerdijk. Deze sloot noemde men vroeger Binnendijksloot, die aan de overzijde Buitendijksloot.

Voor de tweede noord-zuid weg kwam men al direct met Bouwmansweg op de proppen. De gronden in de omgeving van deze weg behoorden indertijd toe aan de familie Bouwman.
Van 1753 tot 1803 was aan Arend Palthe predikant te Nieuwleusen. Hij was tevens bezitter van vele landerijen. Deze vererfden later op mej. Gulia Palthe, een van zijn nakomelingen en door velen de Landsvrouwe van Nieuwleusen genoemd. Geheel over het grondgebied van de Palthe’s liep een zandweg vanaf het Oosteinde tot aan de Hoofdvaart. Wat lag er dus meer voor de hand dan deze weg, nu die verhard was, de naam Paltheweg te geven. In een volgende vergadering besloot de commissie voor te stellen ook het verlengde van genoemde weg, tussen Oosteinde en Middeldijk, deel te laten uit maken van de Paltheweg.
Met de ingeburgerde naam Smeule voor de weg tussen Ommerdijk en Paltheweg, had de commissie geen enkele moeite. Dit was ook het geval met het Molenpad, waarover in de notulen het volgende valt te lezen: "Deze naam heeft in de loop der jaren ook burgerrecht verkregen. Voorgesteld zal worden deze naam aan te houden voor de weg, lopende vanaf de Ommerdijk in oostelijke richting, langs de woning van kleermaker G.J. van Dorsten, tot aan de tweede verharde weg tussen Oosteinde en de Hoofdvaart ZZ, gerekend vanaf de Ommerdijk."
Dan was er verder nog de weg vanaf de Ommerdijk langs de algemene begraafplaats, ten oosten daarvan ombuigende in zuidelijke richting, tot aan het Pad. Een gedeelte van deze weg was vanouds bekend als het "Katoelenweggie". Omdat het niet verantwoord werd gevonden deze betrekkelijk korte weg van twee namen te voorzien, luidde het voorstel voor de hele weg: Katoelenweg. Zonder dat we er in het tussenliggende jaar iets over vernemen, duikt in 1955 plotseling de naam Ds. Smitslaan op. De commissie gaf toen de voorkeur aan deze naam als eerbetoon aan Ds. Smits. Hij was van 20 september 1891 tot aan zijn overlijden op maart 1929 predikant in Nieuwleusen.
Zijn familie was erg ingenomen met deze naam. Zijn dan nog enig overlevende broer schreef, na het definitief worden van de naam Ds. Smitslaan, in juli 1957: "Deze hulde, gebracht aan wijlen mijn broer, heeft mij diep getroffen. Ik zie daarin het bewijs dat Ds. Smits, die geheel zijn ambtelijke leven de gemeente Nieuwleusen heeft gediend en die zich in Nieuwleusen zo gelukkig gevoeld heeft, nog niet is vergeten, maar dat hij nog voortleeft in de gedachten van die Nieuwleusenaren die hem gekend hebben."
Ook een neef van Ds. Smits betuigde, eveneens in juli van dat jaar, in een brief aan B. en W. zijn dank; "Met groot genoegen en dankbaarheid las ik (…) dat, op advies eener commissie, is overgegaan het "Katoelenweggie" te veranderen in: “Ds. Smitslaan”. Ds. Hendrik Smits was mijn vaders broeder, dus mijn oom. Hoeveel mijne dierbare oom van Nieuwleusen hield, moge U blijken uit het feit, dat, toen ik hem op zijn laatste ziekbed, dat zijn sterfbed werd, bezocht, hij mij zeide; "Als ik mijn leven mocht overdoen, werd ik weer dominee te Nieuwleusen." Vanaf 1928 (lees 1929, dW) rust mijn oom op het kerkhof, dat gelegen is aan den weg, dien hij zoo talloze malen heeft afgelegd bij het leiden van de begrafenisplechtigheden. Deze weg draagt thans zijn naam. Nieuwleusen heeft Ds. Smits niet vergeten:"

Wordt vervolgd.

* * *

De foto's bij het artikel Straatnamen in Nieuwleusen zijn afkomstig uit het archief der gemeente.
De omslagfoto is genomen vanaf de Kerkbrug in de Dommelerdijk in de richting van de Ommerdijk (thans Backxlaan). De weg rechts is het Oosteinde en van links komt het Westeinde.
De afbeelding op blz. 19 laat ons een plekje zien aan het begin van de Middeldijk-Oost in de zomer van 1963.
Op bladzijde 21 een kijkje op de Kerkenhoek vanaf het Westeinde, staande voor het gemeentehuis. Rechts tussen de bomen de Kerkbrug met Dommelerdijk, links de brug over de sloot naar de Ommerdijk. Deze sloot noemde men vroeger Binnendijksloot, die aan de overzijde Buitendijksloot.

* * *

BIJ EEN OUDE SCHOOLFOTO II _________________________________________________________

Aanvankelijk was van de op deze foto afgebeelde leerlingen geen enkele naam bekend. Ook wist men niet welke school het betrof. Door presentatie van de foto op een markt kwamen een aantal namen boven water.
Hierna spande de heer H. Prins zich in om alle namen te achterhalen. Het resultaat ziet U onderstaand.

Foto: J.T. Alteveer


Nummers uit de beeldbank

De foto werd omstreeks 1907 gemaakt van meester Witvoet
en zijn leerlingen voor hun school aan het Oosteinde.

De namen luiden als volgt:

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

Jan Prins
Harm Zwiers
Klaas van Dorsten
Harm Kragt
Rut Kragt
Arend Blik
Willem Pessink
? Belt
Hendrik Jan Evertsen
Arend Pessink
Jan Seine
Meester Witvoet
Arend de Boer
Dirk Reuvers
Jan Boerman
Klaasje Boerman
Rieka Belt
? Belt
Hendrik Jan Huzen
Hendrik Brouwer

21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  

Dirk Jan Schiphorst
Dirk Jan Evertsen
Geertje Evenboer
Hendrikje Evenboer
Hendrikje van Spijker
Mien van Spijker
Mien Boerman
Fennigje Hekman
Jennigje Evertsen
Heintje Schiphorst
Aaltje Huzen
Margje Prins
Hendrikje Brouwer
Aaltje Reuvers
Geesje de Boer
Hilligje Prins
Siena Seine
Annigje Schuurman
Femmigje Schuurman

* * *

HET GESLACHT MASSIER IN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

A. Kreule

In de zeventiende eeuw vluchtten veel Franse protestanten hun land uit omdat ze op beestachtige wijze werden vervolgd door hun rooms katholieke koning Lodewijk XIV. Verschillende landen namen deze vluchtelingen, Hugenoten genaamd, op. Zo ook Nederland, waar de protestantse stadhouder Willem III aan de regering was.
De meeste vluchtelingen waren handelaren. Ze konden gemakkelijk vluchten omdat ze immers geen vee hadden waarvoor ze moesten zorgen. Hier bouwden ze, geholpen door de Nederlanders, aan een nieuwe toekomst. Na verloop van tijd namen de Hugenoten de Nederlandse nationaliteit aan.

De naam Massier, zoals die oorspronkelijk luidt, is uit Frankrijk afkomstig. In diverse plaatsen komt men er de naam nog tegen, onder andere in Lyon en Nice. Volgens deskundigen betekent massier: vaandeldrager. In ons land treffen we de naam omstreeks 1650 het eerst aan in Amsterdam.
We beginnen ons verhaal met Jan Massier Peterszoon. Hij werd in 1715 geboren en was tweemaal gehuwd. De eerste keer met Derkien Bos en later met Geesje Speelman. Uit beide huwelijke kwamen kinderen voort. De afstammelingen van Jan Massier en Geesje Speelman hebben niet anders gewoond dan in Ommen.
Op het gemeentehuis aldaar heeft men de naam nog al eens verschreven. Zo bijvoorbeeld in 1835 toen er een Jan Massier werd geboren, die als Jan Mansier werd ingeschreven. Door deze verschrijvingen komt in de stamboom zowel Massier als Mansier voor.
We gaan terug naar Jan Massier en Derkien Bos. Ze kregen in 1741 een zoon die ze Peter noemden. Hij trouwde Wubbe Jans, van wie hij in 1765 een zoon kreeg. Deze kreeg de naam Jan, naar zijn grootvader, de vader van zijn vader, zoals dat vroeger gebruikelijk was bij de eerste zoon.
Jan trouwde met Jentien Bakker en in 1799 werd een zoon geboren, Lucas genaamd. Hij was dus niet de oudste, want hij werd niet naar zijn grootvader van vaderszijde genoemd. Lucas nam Henderkien Thomas tot vrouw en hun eerste zoon werd in 1821 geboren En kreeg de naam Jan. Met deze Jan verschijnen de eerste Massiers in Nieuwleusens historie.
Jan Massier trouwde met Femmechien Kluin. Ze waren beiden geboren Meppelers, doch verhuisden omstreeks 1849 naar Nieuwleusen, waar ze betere toekomstmogelijkheden zagen. Het echtpaar begon hier een molenaarsbedrijf aan het Molenpad. Later verhuisden ze naar het Westeinde, naar de plek waar nu nog het bedrijf van Jan Massier Wzn. is te vinden.
Een deel van hun afstammelingen zijn, wat wonen betreft, Nieuwleusen trouw gebleven en op hun zijn de woorden van het gedicht van H. Sterken zeker van toepassing:

Ni'jluusen mien dörpien ik hoale van oe
En 'k blieve oe trouw as mien va en mien moe
Ja veule geslachten die deden heur wèrk
En maakten Ni'jluusen zo groot en zo stèrk.

De eerste generatie Massiers in Nieuwleusen was dus:

  I Jan Massier, geboren in 1821 en gehuwd met Femmechien Kluin.
    Kinderen uit die huwelijk zijn:
    1. Gerrit, geboren in 1845 te Meppel; trouwt met Margje Katoele.
        (kinderen zie II). Van dit echtpaar stammen de Nieuwleusense
        Massiers af.
    2. Hendrikje, geboren in 1847, eveneens te Meppel.
    3. Lucas, geboren in 1850 te Nieuwleusen en aldaar overleden in 1852.
    4. Niesje, geboren in 1855 te Nieuwleusen en aldaar overleden in 1868.

  II. Kinderen van Gerrit Massier en Margje Katoele:
    l. Jan, geb. in 1868, trouwt Aaltje Bijker (kinderen zie IIIa)
    2. Hendrik, geb. in 1870, trouwt Helena Schiphorst (kinderen zie IIIb)
    3. Lucas, geb. in 1872, trouwt Aaltje Prins (kinderen zie IIIc)
    4. Wolter, jong overleden
    5. Arend, geb. in 1877, trouwt Fennigje van Spijker (kinderen zie IIId)
    6. Femmigje, geb. in 1879, trouwt Hendrik Berend van de Vegt.
    7. Gerrit, geb. in 1880, trouwt Hendrika Waanders (kinderen zie IIIe)
    8. Albertus, geb. in 1883, trouwt 1e. Aaltje Bijker
                                                         2e. W. de Groot (kinderen zie IIIf)
    9. Wolter, geb. in 1886, trouwt Hendrikje Knol
    10. Marten, geb. in 1890, trouwt Hendrikje Lotterman (kinderen zie IIIg)

  IIIa. Kinderen van Jan Massier en Aaltje Bijker:
    l. Margje, trouwt J.F. de Rooi
    2. Koop, trouwt W. van Spijker
    3. Gerrit, trouwt E. Schiphorst
    4. Jan, trouwt R. Theusink
    5. Wolter, trouwt W. Waanders
    6. Arendina, trouwt R. Riphagen

  IIIb. Kinderen van Hendrik Massier en Helena Schiphorst:
    l. Gerrit, trouwt J. Prins
    2. Margje, trouwt H. Schoemaker
    3. Marten, trouwt M. Bakker
    4. Aaltje, trouwt G.J. Prins

  IIIc. Kinderen van Lucas Massier en Aaltje Prins:
    l. Gerrit, trouwt J. Dekker
    2. Derk Jan, jong overleden
    3. Marinus, trouwt H. Bakker
    4. Derk Jan, trouwt H. Alteveer
    5. Catharina, trouwt J. Scholten
    6. Femmigje, trouwt K. Dijkhuizen
    7. Jozina, trouwt G. Schroten

  IIId. Kinderen van Arend Massier en Femmigje van Spijker:
    l. Margje, ongehuwd overleden

  IIIe. Kinderen van Gerrit Massier en Hendrika Waanders:
    l. Gerrit, trouwt W. Waanders
    2. Hendrik , trouwt M. Lijerink
    3. Femmigje, trouwt J. Vosjan

  IIIf. Kinderen van Albertus Massier en Aaltje Bijker/W.de Groot:
    l. Margje, trouwt B. Schutte
    2. Hilligje. trouwt W. Andela

    3. Elsje, trouwt J.H. Stegeman
    4. Bertha, trouwt H. Doosje

  IIIg. Kinderen van Marten Massier en Hendrikje Lotterman:
    1. Hendrika, trouwt 1e. J. Huisman
                                    2e. J. v.d. Woude
    2. Margje, trouwt J. Pot

Tot zover de gegevens van de oudere Massiers van Nieuwleusen, die werden verzameld door ons lid H.J. Mansier te Ruinen.
De familie heeft al een paar keer een reünie gehouden in hotel "De Viersprong", voorheen "tante Margje" (Massier).
Voor geïnteresseerden in de verdere afstammelingen is het vervolg ook in het bezit van de vereniging en voor de prijs van ƒ 2,-- te verkrijgen. Even bellen naar 05296 - 1247.

* * *

HERINNERINGEN AAN DE BEVRIJDING _________________________________________________________

H.J. Meijerink

Begin april 1945 trokken de geallieerde stoottroepen langs de Rijn noordwaarts. Via Dedemsvaart bereikten ze Balkbrug. Bij het terugtrekken hadden de Duitsers de verschillende bruggen over de Dedemsvaart opgeblazen, zo ook de Ommerdijker- en Rollecaterbrug. De Spoorbrug en het viaduct Lichtmis waren echter nog intact. Zij vormden voor de bezetter belangrijke knooppunten op de terugweg naar het noorden.
Gevechtscommando's, die via het Oosteinde en Westeinde in westelijke richting trokken, stootten in de nabijheid van de Hoevenbrug op een groep bezetters, die zich daar schuil hield in en om een aantal boerderijen. De commando's schoten vanuit hun gevechtswagen met lichte granaten dwars door de boerderijen heen. Hierbij kwam op 10 april 1945 één bewoner om het leven. De boerderijen zijn later weer opgebouwd.
Te zelfder tijd vertoonden zich gevechtscommando’s aan de Rollecate. Verder ging men niet omdat men de sterkte van de nog bij het spoor en de Lichtmis gestationneerde groepen niet kende. Via radiocontact met Balkbrug, waar zich een grotere eenheid ophield, werd de vliegbasis Volkel ingeschakeld om de situatie ter plaatse te verkennen. Daarbij kwam vast te staan, dat zich aan de Lichtmis nog een 80-tal soldaten bevonden en dat men beschikte over antitankwapens. Op het viaduct nam men 4 groepen (door Tyfoons op de spoorbrug afgeworpen, doch niet ontplofte) bommen waar. De Duitsers en de geallieerden begluurden elkaar door de verrekijker. 's Avonds gingen de geallieerden terug naar Balkbrug, terwijl de Duitsers dan weer kwamen kijken en vragen waar de Tommies waren gebleven. Tijdelijk was men aan de Rollecate dus in niemandsland verzeild, met alle gevolgen van dien. Op een gegeven ogenblik werd er vanuit Balkbrug geschoten. Een granaat trof een aardappelkuil En alle aardappels vlogen door de lucht.
Het was ook de tijd, waarin de Franse para's hier 's nachts landen en 's morgens de parachutes nog in de bomen te zien waren. Zij hadden in feite veel noordelijker moeten landen om de wegen naar het noorden af te sluiten en verbinding met andere groepen te maken.
Het in de lucht laten vliegen van het viaduct aan de Lichtmis was tot in de verre omtrek te horen; er steeg een enorme hoge stofwolk op. Doch er kwamen slechts enkele geringe gaten in het viaduct. De geallieerden konden er binnen de kortst mogelijke tijd al weer over.
Nadat alle bezetters waren verdreven, werd Nieuwleusen op vrijdag 13 april 1945, 's avonds om 6 uur, bevrijd verklaard.

Hoe was de toestand toen in Nieuwleusen?
Op 14 mei 1943 werd burgemeester J.Ph. Backx van zijn functie ontheven en vertrok naar Hemmen in de Betuwe. Tot 13 oktober trad wethouder H. Prins als loco-burgemeester op. Per die datum werd J.D. van Arkel door de Commissaris - Generaal voor Bestuur met het burgemeesterschap belast. Wethouder H. Prins overleed op 12 maart 1945. Wethouder W. Nijboer had al op 1 februari 1943 ontslag moeten nemen op aandrang van de Duitse autoriteiten.
In de loop van dat jaar werd de gemeente ook verplicht onderdak te verschaffen aan 36 evacué’s uit Den Haag. Zij waren afkomstig uit de z.g. Schilderswijk. De bezetter zorgde er voor, dat de trein op de dag van aankomst nog eens stopte op het al in het midden van de 30-jaren gesloten Station Dedemsvaart.
In de loop der tijd was aan de Burg. Backxlaan op een stuk land gelegen achter de huidige "Boerderij" een

Foto: Mevr. W. van Spijker-Kreule

Deze foto werd vlak na de bevrijding in de Kerkenhoek genomen. Hoewel zichtbaar is dat de foto met de gebrekkige middelen van die tijd is gemaakt, willen we hem toch plaatsen. Het was de enigste foto die we van de bevrijding te pakken konden krijgen.
(De foto staat in de Beeldbank nr 07042 = KB081.jpg)

luchtverkenningspost van de Duitse Weermacht gebouwd. Zij, die de post moesten bemannen en bedienen, waren ingekwartierd bij de gezinnen in de Molenbuurt (tegenover het zwembad).
Op 7 april 1945 werd burgemeester Van Arkel van zijn taak ontheven en naar het kamp Erica te Ommen overgebracht. Daarna begon de O.D. (Ordedienst) met het interneren van een aantal personen, wat inhield dat een 9-tal bedrijven en woningen in beheer werd genomen. Bovendien werd aan enkele personen huisarrest opgelegd, zij moesten zich dagelijks melden.
Met de financiën was het op dat moment ook niet al te rooskleurig gesteld. Dank zij de plaatselijke Boerenleenbank werd de gemeente aan geld geholpen om uitbetalingen aan evacué's te kunnen doen. Naast die evacué’s waren 400 kinderen uit Utrecht en Den Haag bij gezinnen in Nieuwleusen ondergebracht.
Wat de volksgezondheid betreft: er heerste veel difterie en dysenterie.
De winkeliers moesten hun voorraden levensmiddelen zelf van elders halen (Zwolle, Hengelo); er was gebrek aan kleding en schoeisel. De Union fietsenfabriek had geen materialen meer in voorraad om fietsen te kunnen maken. Alleen de maalderijen en de zuivelfabrieken mochten overdag elektriciteit gebruiken. Gas was er toen nog niet. Er moesten 9 geheel verwoeste woningen worden geregistreerd, 18 waren herstelbaar beschadigd en 28 kenden alleen maar glas- en pannenschade. Maar helaas...... materiaal voor herstel was er niet.
Voor het plaatselijk verkeer was men op de fiets en op wagens aangewezen. Auto's zag men niet. Een enkele, zoals de doktoren G.R. Dekker en P.J.J. Versluys, hadden nog een motorrijwiel van 125 cc ter beschikking. De bruggen over de Dedemsvaart waren stuk. Wie herinnert zich nog de uitvaarbare noodbrug op de plaats van de opgeblazen Ommerdijkerbrug, onder de zorgen van de gebr. Geert en Hendrikus Westrik?
Het postverkeer ging erg langzaam. Bij de gemeente werd de post de eerste tijd gebracht door een motorordonnans van het Militaire Gezag. Telefoonverkeer was alleen mogelijk in het gebied langs de Dedemsvaart.
Van 15 mei tot 14 juni 1945 werd, op een stuk land nabij en in de villa Rollecate, een onderdeel van het Canadese leger ingekwartierd. De militairen genoten grote belangstelling, niet alleen van de omgeving, doch met name ook,dat laat zich begrijpen, van de zijde van de meisjes. Alles bij elkaar genomen, zijn wij in Nieuwleusen de oorlog goed doorgekomen. De oorlogshandelingen zijn weinig geweest; zij beperkten zich tot enkele schermutselingen vlak voor de bevrijding.

april 1985


* * *

WERKGROEP OUDE LIEDJES _________________________________________________________

Het gaat goed met de werkgroep oude liedjes. Vrij kort nadat zij in het leven was geroepen, kon men er toe over gaan een serie oude versjes op band te zetten. Enkele titels: In het lommer van 't groen prieeltje; Gij komt, o stille avond; Mijn vader zei laatst tegen mij; Toen ik op Neerland bergje stond.
Later werd het plan gelanceerd een aantal cassettebandjes voor de verkoop aan belangstellenden te vervaardigen. Op de voorjaarsmarkt werden deze bandjes aangeboden. In korte tijd was de beschikbare voorraad op en moesten nog tientallen belangstellenden hun naam laten noteren voor latere levering.
Degene die thans nog in het bezit wil komen van een bandje, kan dit bestellen bij de heer H. Sterken of bij de secretaris van de vereniging.


<

Deze foto van de werkgroep werd gemaakt van de overhandiging van het eerste bandje door de heer Kl. Kouwen Hzn. aan voorzitter H. Schoemaker. Naast hem de heer H. Sterken en daarnaast mevrouw G. Kreule-Kok. Zittend van links naar rechts de dames M. Luten-Seine, J. Sterken-Kouwen, D, Egging en G. Vasse-Timmerman.


Jaargang 3 nummer 3 september 1985
(Foto voorplaat: Beeldbank 06579 = KA040.jpg Ommerdijk ca. 1925)

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

STRAATNAMEN IN NIEUWLEUSEN II _________________________________________________________

J.W. de Weerd

In het eerste deel van ons artikel hebben we het gehad over de namen van straten gelegen ten zuiden van het Westeinde en ten oosten van de Backxlaan en Dommelerdijk.
Thans willen we ons bepalen tot het overige gebied van ruilverkaveling II.

Ook ten westen van de Ommerdijk treffen we wegen aan met namen die naar het oordeel van de Commissie Naamgeving Wegen Nieuwleusen gehandhaafd dienden te worden, omdat ze goed waren ingeburgerd. Tot deze wegen behoorden het Zandspeur, gelegen tussen Ommerdijk en Jagtlusterallee en de Jagtlusterallee, van Westeinde tot aan de Rollecaterbrug over de Dedemsvaart.
Over de Bosmansweg is in de verslagen niet anders vermeld dan dat deze naam akkoord was. De reden zal wel geweest zijn dat de gronden aan een Bosman hebben toebehoord. Zo ook droegen de landerijen in de buurt van de huidige Bouwhuisweg de naam Bouwhuislanden en kreeg de weg die door de Buldershoek liep de naam Buldersweg. De commissie tekende bij deze laatste naam aan: '"Vermoedelijk bulderde het daar wel eens".
Vanaf de Jagtlusterallee loopt in oostelijke richting een weg die verderop naar het zuiden ombuigt en aan het Westerveen eindigt. Deze weg, die oorspronkelijk is aangelegd ten behoeve van enkele percelen gelegen achter het pad (van Westeinde uit bezien), noemde men aanvankelijk Achterweg. De commissieleden wisten met deze naam niets aan te vangen. We lezen er dan ook verder niet meer over dan alleen dat er in één der laatste vergaderingen nog geen beslissing over genomen is. Omdat deze weg thans Neurinkweg heet, mag worden aangenomen dat de heren toch in de geschiedenis zijn gedoken en in het eerste kwart van de 19e eeuw als eigenaar van de aldaar gelegen gronden de onderwijzer D.J. Neurink hebben aangetroffen en deze naam wel geschikt achtten om er een weg mee te tooien.
Ten noorden van het Zandspeur liep een weg langs het huis van wethouder De Boer naar de Hoofdvaart ZZ. Aanvankelijk kon men geen naam voor deze weg vinden. Omdat één der commissieleden misschien onderwijs heeft genoten van meester Eshuis, kwam men op het idee deze weg naar het vroegere hoofd der school te noemen.
Een zijweg van deze weg liep al kronkelend naar de Meeleweg. Daar deze betrekkelijk korte weg rijkelijk voorzien was van bochten, werd Kronkelwegje een passende naam gevonden. In een latere vergadering kwam men hierop evenwel terug. In die vergadering werd Hulstkampenweg voorgesteld, een naam afgeleid van Hulstkampen, een complex gronden tussen Zandspeur en Hoofdvaart.
Tussen Jagtlusterallee en spoorlijn liggen een drietal wegen lopende vanaf het Westeinde tot aan de Meeleweg. De Petersweg is indertijd vermoedelijk genoemd naar de aldaar wonende Peter Grooteboer. De commissie stelde voor deze naam te handhaven, als ook de benaming Staphorsterweg, een weg die zijn naam zou danken aan het feit dat vroeger de Staphorsters hier langs gingen om hun koolzaad naar de molen in Dalfsen te brengen. De derde weg heette vanouds Oudeweg, een naam waarmee de heren zich in eerste instantie konden verenigen. In een latere bijeenkomst merkte één der leden op dat in deze buurt vroeger het Oude Ebbenland lag. Naar aanleiding van deze opmerking werd voorgesteld de weg Oude Ebbenweg te noemen, echter met dien verstande dat er een verklaring voor "oude" gevonden zou worden. Anders zou deze toevoeging weggelaten worden. Een verklaring heeft men niet kunnen vinden, reden waarom de weg nu Ebbenweg heet. Eveneens tussen Westeinde en spoorlijn lag een weg met de vanouds bestaande naam Koedijk. Zonder omhaal besloot de commissie deze naam te laten voortbestaan. Vanaf de Koedijk naar de Meeleweg lag een weg door de vroeger bestaan hebbende gemeenschappelijke weide, de zogenaamde meent. Het was een laag gelegen gebied dat 's winters volop onder water stond. Schaatsenrijden op het Meentje was een geliefde bezigheid. En kennelijk met de gedachte daaraan, besloten de heren voor te stellen de weg door dit gebied Meentjesweg te noemen. Hoewel de commissie ook wel eens gehoord had dat deze buurt als Borgerije werd aangeduid, heeft men met deze naam niets gedaan. Waarschijnlijk heeft men de betekenis niet weten te achterhalen. (Borgerije kan betekenen: gebied behorende bij een burcht = borg).

Foto: W. van Spijker-Kreule

Schaatsenrijden op het Meentje was een geliefde bezigheid.
V.l.n.r. Klaasje Pessink, Annigje Pessink, Trijntje Hekman, Mientje Reuvers, Hendrik Jan Boer, Annigje Runhard, Jan Bonen, Jaantje Pessink, Aaltje Reuvers, Arend Reuvers, Jentje Boesenkool, Jentje Alteveer, Mies van Giesel en Klazien Schoemaker.

Tussen Jagtlusterallee en Meentjesweg lag een weg, evenwijdig aan de Meeleweg, die in vroeger dagen wel als het Verlengde Zandspeur werd aangeduid. De commissieleden achtten deze naam niet juist. Daar er aan de betreffende weg veel bouwland lag waarop graan werd verbouwd, oordeelde men Korenweg beter. Aan de weg evenwijdig aan de Petersweg, tussen Korenweg en Meeleweg, woonden vroeger hoofdzakelijk scheepsjagers. Wat lag er dan ook meer voor de hand dan met het voorstel te komen deze weg te tooien met de naam Scheepsjagersweg. Echter de commissie vond de naam minder toepasselijk en gaf de voorkeur aan Jagersweg. Een jaar later waren de heren van gedachten veranderd en stelden ze voor toch te kiezen voor Scheepsjagersweg. Men vond hier niets minderwaardigs in zitten en was van oordeel dat de mensen over enkele tientallen jaren zich een scheepsjager niet meer zouden kunnen voorstellen. Waarlijk een vooruitziende blik! Met dit voorstel was de kous evenwel niet af. De aanwonenden waren het er niet mee eens. In december 1956 richtten ze een schrijven aan "Heren Wethouders en Burgemeester" met de volgende inhoud:
"Wild U de naam van ons weg veranderen tot Jagersweg of Jagerslaan. Wij nemen geen genoegen met de naam die U ons nu hebt gegeven".
De aanwonenden tilden er nogal zwaar aan en vermeden zorgvuldig het woord Scheepsjagersweg in hun brief. Zij oordeelden het beroep van scheepsjager toch kennelijk erg minderwaardig. De brief werd in de gemeenteraad behandeld en de raad besloot aldus: "0verwegende dat de commissie, belast met de voorbereiding van de naamgeving van wegen in deze gemeente, in eerste instantie aan de betrokken weg reeds de naam Jagersweg had willen geven; (.....) de naam van de weg, lopende vanaf Meeleweg langs het perceel bewoond door Arend Buiter, in zuidelijke richting tot de Korenweg, te wijzigen van "Scheepsjagersweg” in “Jagersweg".
Naar het oordeel van de commissie was Meeleweg een goed ingeburgerde naam voor de weg vanaf Sluis III tot aan de Rijksstraatweg Zwolle - Meppel. Hoewel het eerste gedeelte, van Sluis III tot aan de Jagtlusterallee nog dikwijls Koeweg werd genoemd, vond men het beter deze niet zo bekende naam te doen verdwijnen en de gehele weg Meeleweg te noemen. Tussen Meeleweg en Dedemsvaart lag, hieraan evenwijdig, de Meelemiddenweg. Lopende in westelijke richting begon deze ten oosten van de 2e Meeledwarsweg, doorkruiste deze alsmede de spoorbaan en de 3e Meeledwarsweg en eindigde tenslotte aan de Nieuwendijk, een weg van Westeinde tot aan Lichtmis. Aangezien het hier alle ingeburgerde namen betrof, wilde de commissie ze in eerste instantie allemaal handhaven. Met uitzondering van de Nieuwendijk vond men ze later niet meer zo fraai. Het voorstel kwam om van de Meelemiddenweg de G.W. van Marleweg te maken, dit als eerbewijs aan de man die reeds in 1791 een plan had ontworpen voor het graven van een kanaal naar de in het noord-oosten van Overijssel gelegen hoge venen, teneinde deze te kunnen ontginnen. Ook voor de 2e en 3e Meeledwarsweg werden namen voorgesteld die in verband stonden met de Dedemsvaart. Voor de 2e Meeledwarsweg was dat Jan Heereweg, naar de Amsterdamse koopman Jan Heere die samen met baron Van Dedem een som geld wist bijeen te brengen om in 1828 het kanaal van het rijk te kunnen terugkopen. Voor de 3e Meeledwarsweg stelde men voor deze om te dopen in Jan Visschersweg. Jan Visscher was de eerste schipper die in 1810 met een lading turf de Dedemsvaart afvoer. Tussen beide laatstgenoemde wegen lag er nog een die vanaf de Meeleweg in noordelijke richting naar de zogenaamde Trambrug liep. De reeds bestaande naam Stationsweg behoefde van de heren commissieleden geen verandering te ondergaan, evenals de Parallelweg, vanaf Meeleweg in zuidelijke richting langs de spoorbaan.
Hier mee zijn we zo ongeveer de gemeente rond geweest, althans dat deel dat onder ruilverkaveling II viel. Daar in die tijd in de kom van de dorpen uitbreidingsplannen werden gerealiseerd, nam de commissie de naamgeving voor de aldaar ontstane wegen en passant mee. In Den Hulst gaf men de namen van de voormalige burgervaders Van Dedem, Van de Gronden, Bosch Bruist en Van Sandick aan de straten, terwijl in het dorp Nieuwleusen de vroegere wethouders Nijboer, Prins en Van de Berg werden vernoemd.
De oplettende lezer zal de Backxlaan gemist hebben. We hebben deze tot het laatst bewaard, overeenkomstig de gang van zaken bij de Commissie Naamgeving. Oorspronkelijk hadden de heren commissieleden geen behoefte om deze verbindingsweg tussen de beide dorpen een andere naam te geven. De Ommerdijk was een begrip en moest dat blijven. Echter in het eindstadium van hun taak veranderden de heren van mening. We vernemen dan dat ze van oordeel waren dat de naam van burgemeester Backx voor de gemeente bewaard diende te blijven. De reden hiervoor was dat hij de stoot had gegeven tot de beide ruilverkavelingen die Nieuwleusen heeft gekend. "Daar de Ommerdijk in het centrum van de (2e) ruilverkaveling is gelegen en de naam "Ommerdijk" de commissie niet veel zegt en het tevens geen onbelangrijke weg is, stelt zij voor aan deze weg de naam "J. Ph. Backxlaan" te verbinden." En aldus geschiedde.

In het vorenstaande hebben we alle destijds bestaande wegen binnen het gebied van de tweede verkaveling de revue laten passeren. Waren de verslagen in het begin nog redelijk uitgebreid, later werden ze zeer summier. Vermoedelijk is er van sommige, vooral latere vergaderingen, helemaal niets op papier gezet.
We mogen concluderen dat de "Commissie Naamgeving Wegen Nieuwleusen" heeft getracht alle wegen van een verantwoorde naam te voorzien. In een redelijk groot aantal gevallen hield dit in dat de ingeburgerde namen bleven bestaan. Voor deze, en ook voor vele andere namen, wist zij tevens niet altijd een geschiedkundige verklaring te geven; vaak is deze ook niet gezocht. Toch krijgen we een vrij aardig beeld waarom wegen zo zijn genoemd zoals ze zijn genoemd. Opvallend is daarbij wel dat in de jaren vijftig Meeledwarsweg niet acceptabel bleek te zijn, terwijl in de tachtiger jaren wel een weg met die naam wordt getooid. Was Duivenslagweg niet beter geweest?

* * *

WIE ZIJN DIT? _________________________________________________________

Het echtpaar ……….op een zomerdag rustig in de tuin genietend van het mooie weer.
Deze tekst bij nevenstaande foto in een album kunnen worden aangetroffen. Uiteraard zouden dan de puntjes door de namen van de afgebeelde personen vervangen zijn. Dat zou in dit verhaaltje ook het geval moeten zijn. Echter, we weten niet wie het zijn!
Reeds enkele keren is de vraag aan de bezoekers van de voor- en najaarsmarkt voorgelegd. Ook diverse oudere inwoners werden met dezelfde vraag benaderd. Soms was het antwoord dat het die en die wel eens zouden kunnen zijn, maar steeds werd dat later door iemand anders ontkend.


Foto: H. Bijker


Zo zouden het de volgende personen niet zijn: Klaas Knol en Grietje Vonder; Jan Alteveer en Jentje van de Berg; Klaas Alteveer en Jentje Knol; Gosen Snijder.
Hoewel ook ontkend dat zij het zijn, schijnen Hilligje Knol en Jan Schuurman, timmerman van beroep en van 1902 tot 1942 koster en voorlezer en -zanger van de Hervormde Gemeente, de meeste kans te hebben. De vraag wordt hier nogmaals gesteld: Wie zijn de mensen op deze foto? Wie het denkt te weten kan contact opnemen met mevrouw G. Kreule (tel. 1207).

* * *

NOGMAALS DE LEVENSBOOM _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

De lijst van bovenlichtversieringen in de vorm van een levensboom, zoals die in het eerste nummer van de tweede jaargang werd gepubliceerd, kan nog worden aangevuld met die op het adres Oosterveen 63. Hiermee is het aantal in Nieuwleusen bekende exemplaren gekomen op dertien. Van de werkgroep letterdoeken vernamen we dat de levensboom ook veel geborduurd is. Het is een eeuwenoud symbool.
In het boek "Hout in alle tijden" van W. Boerhave Beekman staat in deel twee, hoofdstuk drie: -.....er is geen cultuurkring aan te wijzen waarin de levensboom of hemelboom ontbreekt. Hoezeer deze mythische boom de gedachten der volkeren heeft beziggehouden, kan men nog schatten naar de veelvuldigheid waarmede hij voorkomt als siermotief o.a. op Friese broodplanken, oorijzermutsjes, Indische tapijten, Griekse vazen, Mohammedaanse bidkleedjes en op huizen. -
Verder lezen we in het boek van H. Bergema, getiteld "De boom des levens in Schrift en Historie", dat in het Paradijsverhaal van Genesis de boom des levens een eeuwig leven in gemeenschap met God symboliseert, dat door gehoorzaamheid had kunnen worden verkregen.
In genoemd boek zijn illustraties te zien van een levensboom op een "kniepertiesiezer"; op Egyptische papyrusrollen en in het bovenlicht van grachtenhuizen in Amsterdam. We lezen er ook in dat in de Koran een boom voorkomt die tot aan de hemel reikt en dat daar in 1938 die boom in het volksgeloof nog een grote rol speelt. Men gelooft dat die boom zoveel bladeren heeft als er levende mensen zijn. De naam van ieder mens is op een van die bladeren geschreven. Eenmaal per jaar wordt de boom geschud en wanneer iemand voorbeschikt is om in dat jaar te sterven, valt het blad waarop zijn naam is geschreven naar beneden.
In veel mythologische verhalen neemt de boom als verbinding tussen hemel en aarde een grote plaats in. De voorstelling van een berg met een boom als begin der schepping treft men bij veel oeroude volken aan. De Egyptische levensboom stond in het oosten van hun hemel. Daar woonden de goden en die leefden van deze boom die eeuwig leven gevende spijs en drank schonk, waarvan alleen de gestorven koningen en de zielen der zaligen mochten eten.
Afsluitend zou men kunnen zeggen dat de boom als teken van leven al zo oud is als de mensheid.

* * *

HERINNERINGEN AAN MIJN OPA _________________________________________________________

Jet ten Brinke-Bulder

Mijn opa was Jan Bulder van 't Grashekke en van café Bulder, volledige vergunning. Hij was zelf één van z'n beste klanten, zo werd er verteld. Misschien was Opoe

Foto: J. ten Brinke – Bulder


Jan Bulder (1877-1954) en Geesje Weertjes (1877-1958) voor hun café.

(Geesje Weertjes) daardoor wel extra zuinig, 'knieperig" eigenlijk. Wij kregen daar geen chocolademelk, "een beker cacao", maar chocoladewater. Dat was net zo goed volgens Opoe.
Opoe weckte ook bijna al het fruit; de kelder stond vol potten met pruimen, kruisbessen, peren, e.d. De pruimen, appels en peren, die zo van de boom op de grond vielen, waren voor ons. Dat waren er nooit veel, maar daar had Opa wat op gevonden. Wanneer wij arriveerden bij 't Grashekke, dan ging Opa naar de bongerd, schudde eens flink aan alle bomen en zei dan met een vriendelijk lachje: "Der hef een stevige wind in de bongerd waaid, gao maar eens kiek'n". En dat deden we dan en vonden handen vol lekkere pruimen, wat peren en appels.
Wanneer Opa op jacht ging, vonden wij dat griezelig. Hij had dan een echt geweer over zijn schouder en de honden liepen dan blaffend en springend om hem heen. Opa speelde nooit met ons, maar hij zorgde er wel voor, dat er voor ons altijd wat te spelen viel. Zo lag er bijvoorbeeld altijd een berg wit zand bij de varkensschuur en die mochten wij als zandbank gebruiken. Ook hebben we veel gespeeld met de biljartballen in het café.
Toen Opa overleed legden ze hem in een kist met een klein glazen deurtje bij zijn gezicht. De kamer was donker en wij kinderen moesten ook naar de dode kijken met behulp van een zaklantaarn. Die scheen zo op het glazen luikje en dan zag je dat witte gezicht en die witte kleren, echt akelig wit. Vele nachten daarna zag ik Opa er zo wit bij liggen. Ik ben dat nooit vergeten. Opa had dat zelf waarschijnlijk nooit zo gewild, want hij hield veel van kinderen. Voor de begrafenis moesten wij een zwart dropje op onze jas naaien en mijn broer een zwarte band. Met tentwagens gingen we naar de begraafplaats in de Kerkenhoek. 't was heel koud (januari 1954) en het duurde heel lang. Opa was een fijne opa voor ons!

* * *

ONZE BUREN JENTJE EN STEVEN MANNEN _________________________________________________________

K. Borgers

In het decembernummer 1984 was in een artikel van Prof. J. Waterink sprake van Jentje Mannen in Den Hulst. lk heb haar goed gekend. Ze werd ook vaak Jentje Bosman genoemd, omdat ze jarenlang huishoudster bij Willem Bosman was geweest. Voor zover ik mij haar herinner, woonde ze samen met haar broer Steven in een oud boerderijtje naast ons. Daarnaast stond nog een heel oud huisje dat verhuurd werd.
Jentje had één of twee koeien, een paar varkens, enkele geiten en een aantal kippen. Achter het huis lag het grasland en een paar akkers bouwland. Verder was er een uitgebreide moestuin, zodat in eigen groenten kon worden voorzien.
Een paar maal per jaar kwam Egbert Wink van de Meele om het land te ploegen. Als kleine jongen was ik daar graag bij. Eppe kon machtig mooie verhalen vertellen. Verhalen waarin sterke en snelle paarden vaak een hoofdrol speelden, want Eppe was scheepsjager van beroep. Verder kwam Willem Hoes een paar dagen per jaar om het gras en de rogge te maaien en 's winters om de rogge te dorsen. Willem was vrijgezel en kon naar mijn mening prachtig zingen met lange uithalen. Hij zong veelal psalmen en Hazeuliederen en somtijds een liefdeslied uit vroeger tijden.
Steven Mannen was vroeger schipper geweest en kon daarover boeiend vertellen. Menig winteravond heb ik daamaar zitten luisteren met de voeten op de kolomkachel. Die werd altijd flink opgestookt met van die harde sponturf. Eénmaal eer jaar werden door de turfschipper (Bakker?) vier- a vijfduizend turven gebracht. lk vond het maar zeer luxueus die fijne sponturf, want die werd ook door de gegoede burgerij gestookt. Ik was er jaloers op; wij moesten het doen met zelf gestoken turf uit het veld. En eerlijk gezegd was dat niet veel bijzonders.
Steven had ƒ 3,- ouderdomsrente per week en daarnaast een spaarcentje overgehouden van de verkoop van zijn schip. Samen met de opbrengst van het boerderijtje hadden ze een sober doch niet armoedig bestaan.
Tweemaal per week karnde Jentje de melk in de grote karnmolen die op de deel stond. Het was een hondekarn. De hond liep in een verticaal geplaatst wiel en bracht door er tegenop te lopen een as in beweging en via raderwerk de pols die op en neer ging in de karnton. Na ongeveer drie kwartier à een uur was de boter “groot" en schepte Jentje de boter er met een fijnmazige zeef af. Een fijnsmakende karnemelk bleef over. De boter werd gekneed tot het water er uit was, afgewogen tot ponden en in het botervat op de geute gezet. De geute was een koele kamer aan de oostkant van de boerderij. Buiten stond een grote vlierstruik om 's zomers de temperatuur in de geute laag te houden. De boter werd verkocht aan enkele klanten, waartoe ook wij behoorden. Gedurende het karnproces zat Steven met een stok in de hand bij de karnmolen om de hond tot de nodige spoed te manen, want de karn mocht niet stilstaan. De stok was meer bedoeld als dreigement. Steven sloeg wel op het houtwerk, doch niet de hond. Hij en ook Jentje waren heel goed voor hun dieren. Jarenlang had de hond, een grote zwarte, trouw zijn dienst gedaan. Zijn leven was vrij eentonig. Na het karnen mocht het dier een poosje buiten rondlopen en moest daarna weer aan de ketting achter in de stal. De oude hond werd trager en kon zijn werk bijna niet meer aan. Een jonge hond werd gekocht, een sterk en speels beest. Zo geleidelijk aan werd hij opgeleid tot karnhond. Zeer enthousiast joeg hij het karwiel rond en in korte tijd was de boter "groot". Steven was zeer tevreden. Ja, en toen moest het oude dier het veld ruimen. Oljans, de veldwachter, werd er bij gehaald. Hij maakte met een welgemikt schot een eind aan het leven van de hond. Men kijkt daar nu misschien een beetje raar tegenaan, maar een betere methode, zoals een spuitje, kende men toen nog niet.
De nieuwe hond voldeed uitstekend. Na zijn werk mocht ook hij zich buiten een poosje uitleven en dat deed hij ook wel. Als je niet uitkeek, rende hij je radicaal van de benen. Op een keer had Jentje misschien de geute niet afgesloten zodat de hond naar binnen kon komen. Hij zag de boter staan en voordat Jentje kon ingrijpen, had de hond de boter naar binnen gewerkt.
Iets anders dan schone ingewanden heeft hij er niet van overgehouden. Jentje’s klaagzangen waren evenwel niet van de lucht. Begrijpelijk, het was een hele strop: een half weekgeld weg!

* * *

UIT DE OUDE DOOS _________________________________________________________


Foto: J. Groen


Op deze helaas beschadigde oude foto staan mevrouw Bakker - Klein en haar dochter Mina afgebeeld. Ze woonden in het begin van deze eeuw in het huis thans
Oosterhulst 56.
In latere jaren was Mina Bakker als weduwe Reuvers - Bakker beheerster van café 't Witte Peerd.

* * *

DE BOUWHANE _________________________________________________________

M. van Roozelaar

Voordat de Oranjevereniging opgericht werd, organiseerde de vereniging "Volksonderwijs” de feestelijkheden op Koninginnedag. Er werden school- en volksspelen gehouden en ook een optocht behoorde op die dag tot de vermakelijkheden. Op deze foto, omstreeks 1935 door meester Roozelaar in de Oosterhulst genomen, zien we een versierde wagen voorstellende "De bouwhane".
Het was vroeger traditie om in de herfst, wanneer de aardappelen gerooid waren, oliebollen te bakken.
De wagen stelt zo'n tafereel voor: de boer, boerin en hun twee kinderen zitten rond de tafel waarop een schaal vol oliebollen.

De haan is vanouds het zinnebeeld van de vruchtbaarheid. Wanneer de boer de aardappelen uit de grond had, dan had hij met het rooien van de laatste stammen de bouwhane te pakken en was de tijd gekomen het einde van de oogst te vieren met oliebollen.
Hoewel moeilijk te onderscheiden zien we van links naar rechts op de wagen zitten: Divertje Schuurman, Rika Buisman, Jan Schuurman en Tina Strooink.

* * *

WAAR KOMEN ZE VANDAAN? _________________________________________________________

B. van Duren

Net als tegenwoordig vertrokken er vroeger ook mensen uit Nieuwleusen om zich elders te vestigen en kwamen er mensen van andere streken die zich hier vestigden. Over de diverse plaatsen van herkomst verschaffen de registers van de Burgerlijke Stand interessante informatie. Uit deze registers van de vorige eeuw heb ik onderstaande gegevens geput van die personen die van over de landsgrens naar hier zijn gekomen. Een enkele keer is ook gebruik van de kerkboeken gemaakt.
8 mei 1812. Jan Marselink, geboren 10-03-1780 te Giethel (vermoedelijk Getelo) in het karspcl Uelsen, Duitsland, zoon van Jan Marselink en van Mette Mikken, huwt met Jantjen Willems Podt, geboren 29-06-1788 te Nieuwleusen, dochter van Willem Willems Podt en van Janna Alberts, wonende op het Ruitenveen. Jan Marselink was hier als boerenknecht werkzaam. De naam wordt later geschreven als Masselink, terwijl Podt wordt vervangen door Pot.
Op 29 mei 1813 huwt Jan Garritsen, 25 jaar oud, van beroep kleermaker, geboren te Veldhausen, gemeente Bentheim, zoon van Gerhard Garritsen en van Janna Spekkers met Janna Jans, 38 jaar, dochter van Jan Jacobs en van Margjen Hendriks te Nieuwleusen.
In 1808 is er ene Anthonij Hendriks, ook genaamd Garritsen, geboren in Neuenhaus, gemeente Bentheim, Kreis Steinfurt, die huwt met de weduwe Aaltjen Jans. Vermoedelijk zijn Jan en Anthonij neven van elkaar geweest. De naam Garritsen verandert later in Gerritsen.
Beide neven werden al spoedig weduwnaar en trouwden voor de tweede maal, Jan Garritsen op 15-10-1816 met Femmigjen Klein, dochter van Derk Klein en van Wijgmantje Claas op het Ruitenveen, en Anthonij Garritsen op 02-05-1818 met Aaltien Smit, geboren te Rouveen, dochter van Klaas Smit en van Derkjen Hendriks.
2 mei 1818 huwt Geert Raben, 26 jaar, kleermaker van beroep, geboren te Veldhausen, gemeente Bentheim, zoon van Wasse Raben en van Triene Snieders (zij waren linnenwevers) met Jentjen van den Berg, 29 jaar, dochter van Hendrik Gerrits (van den Berg) en van Hendrikjen Roelofs op Nieuwleusen.
Op 14 mei 1821 trouwt de weduwnaar van Geesje Wijnvoorden, Lambert Voorhorst op de leeftijd van 37 jaar en grutter van beroep met Anna Aleida Otterink, 24 jaar oud, geboren te Velzen, Koninkrijk Hannover, dochter van Gerrit Otterink en van Zwenne Stegink. Lambert Voorhorst was geboren in Zwolle en was de zoon van Lambert Voorhorst en van Maria Hendrika Broekhuizen.
De zoon van Harm Heinrich Luttel en Maria Catharina Wösthof, genaamd Berend Harms Luttel, geboren te Twist, Koninkrijk Hannover, van beroep boerenknecht, is 25 jaar wanneer hij op 30 november 1829 trouwt met Hendrikjen Uiltjes, 24 jaar, dochter van Jan Uiltjes en van Klaasje Hendriks op Nieuwleusen. Aan de naam Luttel werd in sommige gevallen de letter s toegevoegd.
Het is 6 april 1839 wanneer Christian Friedrich Winter, 34 jaar, bakker, geboren te Theesen, gemeente Schilderse, > zoon van Casper Heinrich Winter en Maria Elisabeth Dahlman als weduwnaar van Maria Margaretha van den Berg huwt met de 17-jarige Jantien Alteveer, dochter van Herm Hendriks Alteveer en van Hilligie Peters (Bouwman).
Het is bijna 50 jaar later als op 25 mei 1888 Gerhard Hebinck, 24 jaar, notaris, geboren te Anholt, zoon van Gerhard Hebinck en Adelheid Delsing huwt met Francina Dommerholt, 17 jaar, dochter van Engbertus Gerhardus Dommerholt, bakker en van Gerritdina Westerik.

Dit zijn de huwelijken die tot 1909 in Nieuwleusen werden gesloten en waarvan één van de beide echtelieden uit het buitenland kwam.

* * *

ERRATA JUNI-NUMMER _________________________________________________________

Door een misverstand bij de drukker zijn de foto's op de blz. 19 en 21 verwisseld. De foto op blz. 30 is van Mevr. W. van Spijker-Kreule en niet van A. Kreule. In de Massier-stamboom moet op blz. 27 bij IIIa no. 6 Arendina staan i.p.v. Arend.

(deze fouten zijn in de tekst hersteld).


Jaargang 3 nummer 4 december 1985

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

Over de OMSLAGFOTO _________________________________________________________

O.L. school D, zoals nog steeds op de voormalige Emmaschool op de Meele is te lezen, omstreeks 1930. Het derde lokaal (rechts) werd in 1918 aan de school toegevoegd. De fraaie dakkapelletjes zijn nog aanwezig; de oorspronkelijke schoorsteen is evenwel verdwenen. Op het schoolplein staan een drietal kastanjebomen. Om de meest rechtse boom was een driehoekig bankje gemaakt.

* * *

DE BEGINJAREN VAN DE EMMASCHOOL OP DE MEELE _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Nu in 1985 dan definitief het doek is gevallen voor de Koningin Emmaschool op de Meele en het schoolgebouw in particuliere handen is overgegaan te worden omgebouwd tot een dubbele wooneenheid, lijkt het wel interessant om eens na te gaan hoe de school er in de eerste jaren van zijn bestaan uitzag. We doen dit aan de hand van de bouwtekening en de voorwaarden volgens welke de school in 1903 gebouwd werd.

Nadat in 1902 de gemeenteraad akkoord was gegaan met de stichting van een school in de buurtschap de Meele, kreeg architect H. Burgmans opdracht tot het maken van een bestek en voorwaarden. Op 4 december van dat jaar werd een en ander door B & W vastgesteld en op 7 januari d.a.v. gaf het Ministerie van Binnenlandse Zaken zijn goedkeuring. Ruim een maand later, op 16 februari 1903 's middags om half drie, vond de openbare aanbesteding plaats in het "Café van F. Huisman bij het Station Dedemsvaart van het Staatsspoor". Aanbesteed werd: "Het bouwen van een School met twee Lokalen, Onderwijzerswoning met Schuurtje en bijkomende werken, aan den Zuidelijken Meelenweg”. (De huidige G.W. van Marleweg was de noordelijke Meeleweg). Een dertiental gegadigden leverden hun gezegelde inschrijvingsbiljetten in voor het bouwen van de school. Op de onderwijzerswoning werd afzonderlijk ingeschreven. Van de inschrijvers bleek Gerhard Fredrikus Miskotte, aannemer te Meppel, de laagste te zijn met ƒ 6.863,=. Aan hem werd voor dit bedrag de opdracht verstrekt. Als borgen en mede-aannemers traden op Piet van der Veen, koffiehuishouder, en Jan Huberts, winkelier, beiden eveneens te Meppel. Op 12 maart 1903 werd de gunning door Secretaris Generaal Dijckmeester namens de Minister van Binnenlandse Zaken goedgekeurd.

In de voorwaarden voor de bouw was opgenomen dat de eerste oplevering op 1 juni 1903 en de tweede op 1 augustus dienden plaats vinden. Voor elke dag te late oplevering zou de aannemer ƒ 10, worden gekort (momenteel is dit meestal ƒ 25, Artikel 13 van de voorwaarden zal in deze tijd wel niet meer worden gehanteerd: "Het is ten strengste verboden op het werk sterken drank te gebruiken". Ook was voorgeschreven dat per uur geen lager loon mocht worden uitbetaald dan "aan een opperman of arbeider 10 cent; aan een verver twaalf cent; aan een stucadoor, timmerman en loodgieter 14 cent en een metselaar 15 cent". Aan overwerk, de werktijd van 11 uur, werd de eerste drie uren respectievelijk 10, 20 en 30% extra betaald en daarna 50%.


Het schoolgebouw kreeg naast de twee lokalen van 7 bij 7 meter een twee meter brede gang, die tevens bergplaats voor de kleren was, privaten en een bergplaats voor brandstoffen van 3,15 bij 4,30 meter. Voordat met de bouw kon worden begonnen, moest allereerst de plaats van het gebouw worden ontgraven tot goed zuiver zand was verkregen om daarna tot het gewenste peil te worden opgehoogd. De ophoging diende in dunne lagen te geschieden en telkens 12 uur onder 10 cm. water te staan. Ter verkrijging van het benodigde zand moest aan de achterzijde van het perceel zo'n brede sloot worden gegraven als nodig was. De taluds van deze sloot en ook van de overige greppels die moesten worden gegraven, werden bezet met 10 cm. dikke blokzoden die op het terrein werden afgestoken. De school kreeg steens muren, uitgezonderd die lussen de beide lokalen en de binnenmuren van de privaten welke halfsteens mochten worden. De voorgevel werd van kleurige hardgrauwe waalsteen opgetrokken, de overige van miskleurige (= niet egaal dezelfde kleur), alles afgewisseld met banden van gele siersteen in overeenkomstige kwaliteit.
Het voegwerk werd als "net Amsterdamsch knipwerk" (dit is een iets buiten de muur uitstekende voeg) uitgevoerd. Voor alle binnenmuren was voorgeschreven dat ze zuiver vlak bepleisterd moesten worden. Alle wanden, behalve die van het kolenhok, werden verder van een portlandcement lambrisering voorzien.
Elk der lokalen kreeg aan de straatkant, dus op het zuiden, 2 tweelicht raamkozijnen. Hierin kwamen onder- en bovenramen met raamroeden van gegalvaniseerd ijzer. De onderramen werden vastgezet; de bovenramen draaiende gemaakt met beugels, katrollen en koorden om ze te sluiten.
Tevens kregen de bovenramen tochtwanden met eiken latjes om het doorvallen van het raam te beletten.

De raamdorpels werden, evenals die van de deuren, gemaakt van blauw Eucaszijnsche steen die gefrijnt (van groefjes voorzien) en geschuurd was. Aan de oostzijde van het gebouw gaf een dubbele deur toegang tot de gang. Boven de deur was een bovenlicht aangebracht. De onderpanelen van de deuren kregen schuin naar beneden geplaatste schrootjes; de bovenpanelen werden van gegoten ijzer gemaakt met daarachter glas. Een deur aan de westzijde, eveneens met bovenlicht, gaf toegang tot het brandstoffenhok. Deze ruimte was ook vanuit de gang te bereiken. In de gang gaven twee naast elkaar geplaatste deuren toegang tot de lokalen. In het oostelijke lokaal werd naast de deur tevens een raam aangebracht, kennelijk om de tegenover gelegen toiletten in de gaten te kunnen houden. Dat waren twee meisjes- en drie jongensprivaten, waarvan er twee urinebakken hadden van blauwe hardsteen. De overige drie privaten kregen een houten kastje met een rond gat er bovenin. Hierop kwamen deksels met eenvoudige knoppen. In de kastjes werden geëmailleerde privaattrechters aangebracht en gegalvaniseerde privaattonnen geplaatst. Tevens werden er drie tonnetjes op reserve gehouden. De tonnen waren 42 cm. hoog en hadden een doorsnee van 35 cm. Ze waren van zuiver sluitende deksels voorzien. In de privaten was voorts een houten papierbakje aanwezig. Deze kleine kamertjes waren, evenals de entree, in imitatie-eiken geverfd. De vloeren in de lokalen waren van Amerikaans grenenhout gemaakt. Het hout was geolied en de naden waren met gekleurde stopverf gestopt. De zoldervloeren waren van smalle droge vurenhouten delen en waren "solide gespijkerd". Voor de toegang tot de zolders was in de gang een klimluik aangebracht waardoor men met behulp van een losse ladder (die tot de inventaris behoorde) de ruimte boven de lokalen kon bereiken. In de gang en de privaten was op een zandlaag van boerengrauw en een laag hardgrauw een vloer aangebracht van hard gebakken gele tegels met zwarte randen. Deze tegels kosten volgens het bestek f 2,80 inkoop. De brandstoffenbergplaats moest het doen met een vloer van op hun kant geplaatste straatklinkers.
Voor de dakbedekking was aan 1e soort zilverkleurige kruispannen met dito vorsten gedacht. De huidige kruispannen zullen wel niet meer de oorspronkelijke zijn. Aan afvoerleidingen voor het water werd 35 meter dubbel verglaasde aarden buis van 12 cm. met de nodige T- en bochtstukken in de grond aangebracht. De lozing gebeurde in de greppel ten westen van het perceel.
Midden op het dak zorgde een schoorsteen voor de bekroning. In feite waren het twee zuigschoorstenen waarin in elk een onverglaasde aarden buis met de nodige bochten voor de rookafvoer diende.
Voor de beëindiging was een "daarmee overeenkomende ventilatie en rookinrichting volgens fig. II uit de catalogus van den heer I.C.T. Laurillard, Zwolscheweg No. 7, Deventer" voorgeschreven.
De schoorsteen was dus tevens ventilatiekanaal. Hiervoor waren in de lokalen 2 kozijntjes aanwezig die voor de helft gedicht waren met hout en voor de andere helft met een schuif die met behulp van koorden en tegengewichten goed en gemakkelijk diende te kunnen worden geschoven.
Aan de voorzijde werd het dakschild met twee dakkapellen met halfcirkelvormige bovendorpels gesierd. Aan de achterkant waren twee gegoten ijzeren legramen aanwezig en zorgden een drietal luchtkappen voor frisse lucht in de privaten.
Voor de speelplaats werd bij de eerste aanleg 40 m3 rivierzand en 25 m3 kalkpuin gebruikt. De bestrating om en nabij het schoolgebouw besloeg 175 m2 en bestond uit op hun kant gezette vlakke straatklinkers.
Om op het terrein te komen werd in de sloot voor de school een 6 meter lange dennenhouten duiker geplaatst. Op de dam was een dubbel grenenhouten draaihek aangebracht. Rond het schoolterrein stond een hekwerk van 4 schroten hoog, waarvoor in totaal 47 palen nodig waren.
Voor de watervoorziening was op het terrein een welput gemaakt. Deze bestond uit twee portlandcement ringen van één meter hoog, afgesloten op 1 meter diep door een kruinstuk waarin een mangat zat. Op deze put was een Douglas pomp ter waarde van ƒ 20,= geplaatst.


De namen luiden als volgt:

1  
 
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  

Nies Kuiterman
of Grietje Ennik
Gerrigje Pellinkhof
Margje Schuurman
Jentje Dijk
Margje Jonkers
Klaasje Rumpf
Hilligje Upper
Jentje Seinen
Sienie Seinen
? of Jan Ennik
Harm Borger
Gerrit Jan Bouwman
Hendrik Bouwman
Hendrik Kuiterman
Hilligje Bouwman
Aaltje de Boer

17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  

Geesje Mijnheer
Wichertje Upper
?
Meester H.A. Meijer
Arend Bouwman
Harm Bonen
Mans Zieleman
?
?
Hendrikje Rumpf
Aaltje Huisman
Meester A. Broekhuizen
Hilligje Witpaard
Geesje Kleen
Hendrikje Seinen
Janna Roddenhof

De schoolfoto hierboven dateert van 24 april 1908. Hoofd van de school was toen A.H. Meijer, die samen met de onderwijzer A. Broekhuizen, les aan de kinderen gaf. De eerste onderwijzeres zou pas na de uitbreiding van de school in 1918 worden aangetrokken.
(Zie ook: Beeldbank 02902 = BG030.jpg

* * *

Er is op diezelfde dag nòg een foto gemaakt met dezelfde leerkrachten, maar met andere leerlingen, deze foto heeft niet in het kwartaalblad gestaan, maar willen wij toch hierbij plaatsen. Beeldbank 02903 = BG031.jpg, jammer genoeg zijn van deze foto geen namen van de leerlingen bekend



De namen luiden als volgt:

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  



? Witpaard














17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  




Meester H.A. Meijer







Meester A. Broekhuizen




* * *

Op dezelfde datum als het gebouw werd ook het leveren van het ameubelement aanbesteed. Hiervoor waren zeven inschrijvingen waarvan Hendrik Timmer, aannemer te Meppel, de laagste was met ƒ 940, Berend Timmer en Hendericus Timmer, beiden houthandelaar te Meppel, fungeerden als borgen. Het werk bestond uit het maken en leveren van 48 schoolbanken, schoolborden, kachels, gordijnen en schoolkasten.
Wat hierbij opvalt is, dat er in het bestek niet wordt gesproken over een tafel of lessenaar voor de leerkrachten. Mogelijk zijn deze meubelen later bij afzonderlijke opdracht vervaardigd. De juf en de meester zullen wel niet de gehele dag hebben gestaan.
Elk der banken bood ruimte aan twee kinderen. Maximaal konden er dus 96 leerlingen op de Meeleschool onderwijs genieten.
De bladen van de banken waren van blank bewerkt eikenhout en waren voor het grootste gedeelte schuin geplaatst. Onder de bladen zaten kastjes voor het opbergen van de leermiddelen. De kastjes waren naar de kant van de leerling open. In het rechte stukje van het blad zaten twee porseleinen inktpotten. Boven elke inktpot was een koperen schuifje aangebracht dat diende om het bederven van de inkt tegen te gaan. Een opstaand plankje zorgde ervoor dat de schriften en dergelijke niet naar voren konden vallen.
De bank bestond verder uit een zittingplank en rugleuning en vormde samen met de voetenplank één geheel dat op een tweetal consoles rustte.
Er waren drie verschillende groottes van de banken, die al naar gelang de leeftijd van de leerlingen gebruikt werden.
Op de bladen na was het geheel van vurenhout gemaakt. De eikenhouten bladen waren geolied en gevernist; het overige was in eikenhoutkleur geverfd.
"Voor 24 stuks tafels op de bladen latten aan te brengen van vurenhout, zwaar 0.06 x 0.015 M. Aan de kopeinden ijzeren haakjes te maken, welke voor het tafelblad komen voor vastlegging. Op deze latten kussens van groen laken 0.025 M. straal beschreven een halfcirkelvorm en opgevuld met zaagsel".
Deze passage in de voorwaarden leverde aanvankelijk nogal wat vraagtekens op. Wat voor doel hadden de kussentjes? Het antwoord kwam helemaal uit Limburg: de kussentjes werden gebruikt om de kroontjespennen aan schoon te maken; ze dienden dus als inktlappen.
In de lokalen waren elk twee schoolborden aanwezig. Ze waren tussen twee stijlen opgehangen en konden op en neer bewogen worden. Om de borden was een eiken rand aangebracht. Eveneens een eikenrand hadden de krijtbakjes, die voor het overige van vurenhout waren. Verder stonden er achter in de lokalen kasten van 2,40 meter hoog en 40 cm. diep, waarin 6 legplanken zaten. De kasten waren afgesloten "met zeer beste kastdeursloten” en waren in eikenhoutkleur geverfd. In het oostelijke lokaal was een dubbele kast en in het andere twee enkele kasten.
Voor de koude dagen moest de aannemer een kachel met kachelpijpen en hangers leveren. Hiervoor mocht hij f 80,= uittrekken, echter met dien verstande dat de mindere dan wel de meerdere kosten werden verrekend. Ook voor de gordijnen kon verrekening plaatsvinden wanneer de kosten afweken van de f 60,= die er voor was uitgetrokken. Bij dit bedrag waren de ijzeren roeden, de koorden en koordbinden inbegrepen.
In de gang bestond de inventaris uit 98 stuks houten kapstokpennen, die met lijm en spie waren vastgezet op aan de muur bevestigde planken.
De oplevering van het meubilair moest op 15 juli 1903 plaats vinden. Op 1 oktober van dat jaar werd de school in gebruik genomen. Vanaf die dag volgden een vijftigtal leerlingen voor het eerst onderwijs aan de O.L. School D te de Meele.

* * *

GRONDVERBETERING ACHTER DE MIDDELDIJK _________________________________________________________

A. Kreule

De noeste werkers op onderstaande foto pauzeren eventjes voor de fotograaf. Ze waren omstreeks 1925 bezig met verbetering van een perceel grond achter de Middeldijk in de buurt van Boerman. De klompenmaker H. Schoemaker (getrouwd met Zwaantje Hoorn) woonde ook in die buurt. Hij was tevens fotograaf. Met zijn zoontje kwam hij even naar de werkzaamheden kijken en maakte toen deze foto.


Foto: B. Vonder

Op het voorwiel van de trekker zit Jan de Boer (Stadhoek). Arend de Boer was trekkerchauffeur. Voor de trekker v.l.n.r. Arend Vonder, Willem Hoes en Hendrik Vonder (neef van Arend). Het jongetje is Hendrik Schoemaker Hzn. Achter hen eveneens v.l.n.r. Berend Vonder Azn, Hendrik van Duren en Jan Boerman (Hessem). Het drietal op de achtergrond is Jan Willem Seine, Jan Hekman en uiterst rechts Roelof Oosterveen.

* * *

KWAJONGENSSTREKEN _________________________________________________________

Kabé

Klaos en Roelof waren dikke kameraden. Ze woonden op de Meele; Roelof aan de Koeweg en Klaos een eindje verderop. Geregeld gingen ze samen op stap om allerlei streken uit te halen. Ze durfden heel wat aan en niets was hen te dol. Er was zelfs een naam voor hun streken! Ook het bezoeken van een “lös huussien” was een geliefde bezigheid.
Wat was een "1ös huussien"? Als vader en moeder 's avonds op bezoek waren bij familie en kennissen, zoals dat bijvoorbeeld in januari gebeurde met de nieuwjaarsvisites, dan kwamen meisjes van zo'n duizend weken of ouder om op te passen. Vanzelfsprekend kwamen vrijgezelle jongens daar op af en werd het vaak een gezellige boel. Menige verkering begon op zo'n avond.
Als Klaos en Roelof niet welkom waren, wat ook wel eens gebeurde, dan moest er op wraak gerekend worden.
Een veel gebruikt iets was een melkbus met water heel voorzichtig schuin tegen de voordeur plaatsen. Als de deur dan werd geopend, viel de melkbus met inhoud de kamer in. Of wanneer het nog erger moest, bijvoorbeeld bij iemand die niet erg populair was, dan werd de melkbus vervangen door de "kiepelton” (w.c.-ton). Soms werd de schoorsteen afgedekt met heideplaggen, zodat de trek weg was en de rook zich in de kamer verspreidde.

Op een avond vroeg in de herfst speelde zich het nu volgende af. Het was zwaar bewolkt, dus stikdonker. Straatverlichting was er toen nog niet. Klaos en Roelof liepen in de richting van Sluis III. "Wat zulle wej ies doen Klaos?" “Ik weet wat, wej gaot ies bej kleine Gait in de appels. Die hef een boom vol; ik kenne ze:”
Daar woonde kleine Gait en de boom was snel gevonden. Klaos klom er in en schudde aan een dikke tak. De appels ploften naar beneden. Maar wat was dat? Een boom op enige afstand schudde mee. Ze schrokken: Klaos schudde nog een keer en ja hoor, de andere boom schudde weer mee. Ze werden bang. Klaos liet zich uit de boom zakken en ze slopen weg. De appels lieten ze voor wat ze waren. De beide jongens gingen vroeg naar huis die avond.
De volgende dag moest Klaos met de “zelle” (paardetuig) naar Karel, de schoenmaker. Bij het huis van kleine Gait keek hij voorzichtig naar de appelboom. En toen zag hij het! Tussen de twee bomen was een "tuugliende” (drooglijn) gespannen en als je aan de ene boom schudde, schudde de andere via de drooglijn mee.



* * *

TEVREDEN _________________________________________________________

In het nummer van maart 1985 plaatsten we een deel van onbekend lied met de vraag wie de volledige tekst kende. Kennelijk was er niemand van de leden die ons hierover kon inlichten. Toch kennen we nu het gehele gedicht, waarvan de titel is: Tevreden. We troffen het aan in het blad "De Breef" en laten het hieronder volgen:

Vriend, ik ben tevreden
't ga mij zo 't wil
in mijn kleine woning
leef ik blij en stil.

Menig mens heeft alles
wat hij wenst op aard
en ik kan ontberen,
dat zijn schatten waard.

Er schitteren genc lampen
hier in mijn lokaal
en tint'len gene wijnen
bij mijn avondmaal.

God bleef mij bewaren
voor gebrek in nood
daarom smaakt na d'arbeid
zoet mijn stukje brood.

* * *

BIJ EEN STRAATNAAMBORDJE IN ZEELAND _________________________________________________________

A. Kreule

Tijdens onze vakantie in Zeeuws-Vlaanderen in juli jl. kwamen we op een fietstocht door het plaatsje Cadzand. Wie schetst onze verbazing toen we plotseling bij een straat het bordje "Nieuwleusenerstraat" zagen staan: Aangezien er naar onze mening maar één Nieuwleusen is, dachten we: Hier moeten we meer van weten. Gevraagd aan een oudere man in de betrokken straat, verklaarde deze: "Ik heb hier mijn leven lang gewoond, maar ik kan u over de herkomst van deze naam niets vertellen. Mogelijk dat mijn neef, een oud-wethouder van deze gemeente, er meer van weet". Op zijn aanwijzing de oud-wethouder opgezocht en deze wist inderdaad iets meer te vertellen. Hij zei: "De straat is genoemd naar het dorp Nieuwleusener ergens in Utrecht. Dit dorp heeft ons na de oorlog geholpen toen hier alles verwoest was. Maar als je meer wilt welen, kun je beter de oud-gemeentesecretaris in Cadzand-Haven opzoeken". Vervolgens hebben we deze (de heer Verhage) benaderd en die wist ons er alles over te vertellen.

Cadzand heeft aan het eind van de oorlog 1940-1945 ongeveer een maand lang onder het vuur van de Canadezen gelegen, die bij de strijd om de Scheldemond werden opgehouden achter het Leopold-kanaal in België. Er werd toen veel verwoest in Zeeuws-Vlaanderen. Toen de oorlog voorbij was, moest alles weer opgebouwd worden en diverse gemeenten in Zeeland werden geadopteerd door gemeenten in het oosten van het land, o.a. Cadzand door Nieuwleusen. Ze werden toen geholpen met geld en goederen en uit dankbaarheid voor deze hulp werd in 1949 een straat naar Nieuwleusen genoemd. Ook in Cadzand bleek men moeite te hebben met een juiste spelling van onze dorpsnaam, hetgeen in eerste instantie resulteerde in een naambordje met het opschrift: "Nieuwleusderstraat”. Oud-burgemeester Backx heeft dit echter recht gezet en in 1950 besloten B & W van Cadzand een nieuw bord aan te brengen met het opschrift zoals dat op de foto is te zien.

Naschrift van de redactie

Naar aanleiding van het artikel van de heer A. Kreule is er in het gemeente - archief gezocht naar meer gegevens over deze hulp. Tot onze teleurstelling echter is gebleken dat er niets over de adoptie van Cadzand in het gemeente - archief bewaard is gebleven. Wel werd er in notulen van een raadsvergadering in 1953 gevonden dat Nieuwleusen toen als gevolg van de watersnoodramp de gemeente Cadzand wilde adopteren, evenals dat in 1945 was gebeurd. Wat de adoptie in 1945 precies inhield en waar Cadzand mee gesteund is hebben we niet kunnen achterhalen. Wellicht is er iemand onder onze leden die dit nog weet. Dat er wel over de adoptie is gecorrespondeerd, bleek ons uit een brief van de burgemeester van Cadzand aan die van Nieuwleusen, waarin hij mededeelt van de adoptatie op de hoogte te zijn gesteld en berichten vanuit Nieuwleusen met belangstelling af te wachten. (Gemeente - archief Cadzand).

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES I _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

Bij' dié ….. kûj’n bónestok op zien kop anpunt’n.

Normaal gesproken werd een bonenstok met een hiep (hakmes) aangepunt. Met dit gezegde werd iemand aangeduid, die bikkelhard werd als er met hem geldzaken geregeld moesten worden.

* * *

BRANDWEER IN DE TWINTIGER JAREN _________________________________________________________

H.J. Snijder

Op de plaats waar nu het huis van mevrouw De Weerd aan het Westeinde 56 staat, stond vroeger een heel oud boerderijtje. Dat werd toen bewoond door Harm en Janna Schoemaker. Ze waren broer en zus. Harm is in de twintiger jaren overleden, zodat daarna Janna nog alleen het huisje bewoonde. Het was zeer primitief ingericht. De stal was een zogenaamde potstal. Deze stond vaak vol water, vooral wanneer in het voorjaar het vee naar het land ging. De stal werd dan uitgemest en er ontstond dan een diep gat. Er is mij wel verteld, dat het vee daarin stond en met de hals over de "zulle” of stalhout hing. Voorin het huisje was de geute, één kamer en twee bedsteden. Alles was met riet gedekt, evenals de hooiberg die aan de oostzijde van het boerderijtje stond. Janna had de gewoonte om het hooi uit het "slop" in de berg te halen, zodat die van binnen uit werd leeggehaald. Hierin werd dan ook graag door kinderen gespeeld. Dit had eens tot gevolg dat er brand ontstond. Door de vonkenregen stond al spoedig de woning ook in brand. Een en ander gebeurde op een zondagmiddag in of omstreeks 1929. Om de brand te blussen moest de handspuit (deze staat thans keurig gerestaureerd op het gemeentehuis) gehaald worden bij de firma Boers in Den Hulst. Omdat er toen nog praktisch geen auto's waren, moest dit met een paard gebeuren. Het paard van mevrouw Visscher-Katoele, die in het huis er net achter woonde, is hiervoor gebruikt.

Foto: J. ten Brinke-Bulder

De brandspuit heeft zijn dienst weer gedaan. De brand is geblust, maar van de boerderij bleef niet veel meer over. Voordat de brandspuit weer naar zijn bergplaats werd gebracht, werd deze foto nog even gemaakt, waarop we van links naar rechts zien: Jan Sander Westerveen, ?, ?, Jan Bulder, Arend Jan Boer, Klaas Brouwer (Varkenklaas), Kleine Jan Brouwer.

Brandmeester was toen waarschijnlijk de heer Zonnenberg. Omdat de handspuit gepompt moest worden, moesten hiervoor 4 of 6 mannen komen opdraven, terwijl de spuit maar één straal water gaf. Het pompen was zwaar en vermoeiend werk. Om de pompers in conditie te houden, ging de brandmeester wel eens met een fles jenever rond. Gezien het tijdsverloop tussen het uitbreken van de brand en het moment van het inzetten van de spuit, kan men wel rekenen dat er van de woning niet veel meer overbleef. Het boerderijtje brandde tot de grond toe af!

* * *


MARIA MAGDALENA BARKENS _________________________________________________________



Maria Magdalena Barkens,
           viel languit tussen de varkens.
                    En schrokken de olijke dieren?
                             Welnee, ze lachten en ze gierden:
                                      Blijf maar hier, slordige slons,
                                               Je bent er net één van ons!

* * *


INHOUD VAN DE DERDE JAARGANG _________________________________________________________

1  
3  
4  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
 
17  
24  
25  
28  
32  
 
33  
38  
39  
41  
43  
45  
46  
47  
48  
 
49  
57  
58  
59  
60  
62  
62  
64  
64  

De boterbereiding
Voor wat hoort wat
Nieuwleusen in actie anno 1797
Zo doet men dat
Foto-albums merklappen en letterdoeken
De subsidie-aanvraag van Jan Stolte
Het bekende onbekende voorwerp
Een refrein van een onbekend lied
Een verhaal over de droogte in 1911
Veurjoar
Een Nieuwleusener brief uit 1778
Een compagnie infanteriesoldaten (foto)
De bevolking van Nieuwleusen
De drie spoken

Straatnamen in Nieuwleusen I
Bij een oude schoolfoto II
Het geslacht Massier in Nieuwleusen
Herinneringen aan de bevrijding
Werkgroep oude liedjes

Straatnamen in Nieuwleusen II
Wie zijn dit?
Nogmaals de levensboom
Herinneringen aan mijn opa
Onze buren Jentje en Steven Mannen
Uit de oude doos (foto)
De bouwhane
Waar komen ze vandaan?
Errata juni-nummer

De beginjaren van de Emmaschool op de Meele
Grondverbetering achter de Middeldijk
Kwajongensstreken
Tevreden
Bij een straatnaambordje in Zeeland
Nieuwleusener gezegdes I
Brandweer in de twintiger jaren
Maria Magdalena Barkens
Inhoud van de derde jaargang

Th. Bijker

Jan H. Kompagnie



J.W. de Weerd

G.H.
M. Schutte-Massier
H. Sterken Rzn.

Aartje Schoemaker-Ytsma
B. van Duren

J.W. de Weerd

A. Kreule
H.J. Meijerink


J.W. de Weerd

A. Schoemaker-Ytsma
Jet ten Brinke-Bulder
K. Borgers

M. van Roozelaar
B. van Duren


J. W. de Weerd
A. Kreule
Kabé

A. Kreule
A. Schoemaker-Ytsma
H.J. Snijder


* * *

Ni'jluusn van vrogger _________________________________________________________



            Colofon uitgaven 1985


            Uitgaven van 1986


Jaargang 4 nummer 1 maart 1986

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

MUZIEKVERENIGINGEN IN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

J. W. de Weerd

De historie van blaasorkesten gaat ver terug. Een voorloper van de muziekkorpsen, zoals wij die nu kennen, waren de stadspijpers. Zij kondigden in de Middeleeuwen de morgen en de avond aan. Omstreeks 1700 is er sprake van stadskapellen. Ook kende men in de 18e eeuw hof- en militaire kapellen en had de schutterij haar eigen muziek. De Franse revolutie bracht verandering, de beroepsmuzikanten werden werkloos omdat de korpsen werden opgeheven. Zij trachtten nu in hun eigen onderhoud te voorzien en gingen spelen in herbergen en bij optochten en dergelijke. Vaak ook sloten ze zich aaneen en gingen voor hun plezier spelen.
Vanuit Frankrijk verspreidde het verschijnsel van amateur - muziekkorpsen zich over Europa. In Nederland het eerst in het zuiden, waar korpsen werden opgericht om de kerkelijke gebeurtenissen te begeleiden. Door de grondwet van 1848 werd de vrijheid om processies te houden sterk beknot. Eerst na 1870 zou de wet soepeler worden toegepast en is de tijd van grote groei van het aantal blaasorkesten in het zuiden aangebroken.
Van hieruit gaat de ontwikkeling verder in noordelijke richting. De industrialisatie heeft een gunstige invloed op het oprichten van korpsen. Grote fabrieken krijgen hun eigen orkest en arbeidersorganisaties richten eigen muziekgezelschappen op.
Aanvankelijk is in het zuiden het doel van de muziekkorpsen het opluisteren van kerkelijke gebeurtenissen, terwijl dat in het noorden hoofdzakelijk de vrije tijdsbesteding is. Dit heeft zijn invloed op de samenstelling van de orkesten. In het zuiden kwamen de muzikanten over het algemeen uit alle lagen van de bevolking, ten noorden van de grote rivieren waren het voornamelijk mensen met dezelfde sociale positie.
Het hoogtepunt in het oprichten van muziekkorpsen ligt tussen 1890 en 1930. In dit tijdvak valt ook het ontstaan van de beide muziekgezelschappen die Nieuwleusen rijk is. Crescendo-Excelsior werd opgericht in 1905 en de Broederband begon in 1925 haar activiteiten.
De jubilea van beide korpsen was voor ons aanleiding enige aandacht aan "de muziek" te besteden. Aanvankelijk dachten we aan een artikeltje, maar al doende groeide dit uit tot de verhalen die U hierna aantreft.

De vaandels van de beide korpsen sieren de omslag. Het vaandel is de trots van een muziekvereniging. Er staat, behalve de naam en de plaats, een soort monogram van een aantal muziekinstrumenten op dat omsloten is door een lauwerkrans. Boven het doek bevindt zich de kroon waaraan de op concoursen behaalde medailles worden gehangen. Ook speldt men de penningen wel op het doek. De vaandelstok van Crescendo eindigt in een lira. Bovenop die van de Broederband staan de letters DBBN, de afkorting van De BroederBand Nieuwleusen.


(de muziek in het kwartaalblad is niet erg duidelijk, vandaar wat betere informatie op internet gezocht, met links.)


* * *

CRESCENDO _________________________________________________________

G.W. Kalter
J. W. de Weerd

"80 jaar in een notendop", dat was de titel van een revue die in het afgelopen jaar enige keren werd opgevoerd en waarin het verhaal van muziekvereniging Crescendo - Excelsior werd verteld. Oorspronkelijk waren het twee zelfstandige muziekkorpsen die beiden in 1905 werden opgericht; Crescendo in Den Hulst en Excelsior in Balkbrug. Na enkele moeilijke jaren werd in 1969 besloten de beide verenigingen samen te voegen tot een. Onderstaand zullen we ons beperken tot de geschiedenis van Crescendo.
Het zaI U duidelijk zijn dat er zich in die 80 jaar nog al wat heeft afgespeeld. Veel van datgene wat er gebeurd is, werd niet aan ons overgeleverd. Bij het samenstellen van onderstaande was het ontbreken van de oudste notulen - boeken dan ook een node gemis. Hopelijk draagt dit artikel er toe bij dat er nog meer herinneringen aan het papier worden toevertrouwd. Of misschien heeft U nog wel een oude foto. We horen het graag, het zal zeker een bijdrage zijn aan de reconstructie van Crescendo's verleden.

In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van woensdag 4 oktober 1905 werd melding gemaakt van de oprichting van een muziekkorps in Den Hulst.
"Nieuwleusen, 2 Oct. Er is in Den Hulst onder deze gemeente, zeker tot groot genoegen van zeer velen, een fanfarekorps opgericht onder den naam "Crescendo", aanvankelijk bestaande uit 15 leden. De instrumenten zijn reeds besteld. De heer G. Zevenbergen uit Den Hulst zal als directeur optreden en daar deze als een zeer bekwaam musicus bekend is mag men onderstellen, dat dit onder zijn leiding een flink korps zal worden. In het bestuur zijn gekozen de h.h. G. Zevenbergen, directeur, D.J. Mensink, onderdirecteur, K. Wicherson, voorzitter, B.J. Stroink, secretaris en D.J. Prins Jr., als penningmeester."
Dat deze oprichting nog geen definitief karakter droeg, kunnen we opmaken uit een bericht dat bijna een maand later, op 1 november, in genoemde krant verscheen.
"Den Hulst, 30 Oct. Werden sinds eenigen tijd door eenige jongelui pogingen gedaan tot het oprichten van een muziekkorps, thans kan men zeggen, dat hun werk met succes


De oudst bekende foto van Crescendo is van omstreeks 1907 en is genomen op het schoolplein bij de openbare school C in Den Hulst. Om een goed overzicht van het korps te krijgen, stonden de achterste muzikanten op schoolbanken. De school stond op de plaats waar nu de inrit is naar de gebouwen van de firma Hulsink (nu: BAM). De huizen links hiervan stonden er nog niet, daar konden de koeien nog dansen op de maat van de muziek.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

J. Stoel
H. de Groot
H. Snel
P. Snel
?
?
D.J. Prins
K. Wicherson
W. Kamerman

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  

B.J. Stroink
dirigent O. Krönig
L. Huisman
?
?
H. van Duren
D.J. van Duren
H. Brinkman
H. Compagner


Ook deze foto van Crescendo is van omstreeks 1907 en genomen op het schoolplein bij de openbare school C in Den Hulst en gevonden in de Beeldbank. Men speelt niet op deze foto waardoor de gezichten beter uitkomen .

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

J. Stoel
H. de Groot
H. Snel
P. Snel
?
?
D.J. Prins
K. Wicherson
W. Kamerman

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  

B.J. Stroink
dirigent O. Krönig
L. Huisman
?
?
H. van Duren
D.J. van Duren
H. Brinkman
H. Compagner

bekroond is geworden. De thans (dus op maandag 15 okt. 1905, red.) opgerichte vereniging is genaamd "Crescendo" en bestaat uit 15 leden.
De heer Krönig, directeur van het Dilettantenorkest te Zwolle, heeft de leiding op zich genomen. De muziekinstrumenten zijn geleverd door de naaml. vennootschap D. Ansingh & Co. te Zwolle."
Crescendo: geleidelijk sterker worden. Dat was wat de 15 jongelui voor ogen stond. Vol goede moed begonnen ze met de oefeningen. Als oefenruimte kreeg men de beschikking over de openbare school aan de Dedemsvaart in Den Hulst. Wekelijks kwamen de jongelui daar bij elkaar op de repetitie - avonden. Tussendoor werd er thuis geoefend. Het lukte allemaal vrij aardig en reeds spoedig kon de muziekvereniging voor de eerste maal hun kunnen laten horen aan de Nieuwleusense bevolking. Na enige tijd waren de muzikanten zover gevorderd, dat ze aan een concours dachten te kunnen deelnemen. Vele concoursen zouden er in de loop der jaren nog volgen. Het succes op deze muziekwedstrijden vertoonde, evenals dat van Crescendo zelf, een wisselende op- en neergaande lijn. Voor een concours is men altijd zenuwachtig en er wil dan ook wel eens wat mis gaan. Voor het optreden is er meestal nog wel even tijd om de stukken door te spelen. Wanneer dan blijkt dat iemand zijn instrument thuis heeft laten liggen, krijg je het bepaald benauwd. Goede raad is dan duur. Het instrument ophalen gaat niet meer, daar is de tijd te kort voor. Dan maar proberen te lenen bij de organiserende vereniging. Hoewel spelen op een vreemd instrument toch een bepaald risico geeft, is dat toch beter dan spelen met een uitgedund korps. Het mag dan ook een hele opluchting genoemd worden, wanneer bij de prijsuitreiking een eerste prijs het resultaat blijkt te zijn.
In de jaren dertig moet het ook eens voorgekomen zijn dat er een optreden op 1 april in de krant stond aangekondigd. Dat was een aprilgrap, maar die resulteerde wel in een te betalen aanslag voor de muziekrechten. Meester Meyer moest er echter wel achteraan om de nota ongedaan te krijgen.

foto: J. Bruggeman-Schoemaker

Crescendo omstreeks 1927


1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  

Willem Katoele
Hendrik Kamerman
Berend Brinkman
Arend Cornpagner
Hendrik Jan Mulder
Hendrikus Kamerman
Derk jan Prins
Jaap van Eldik
Gerrit Willem Lubbers
Jan Vonder
Jan Kamerman
Klaas Prins

13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  

Derk Jan Prins
Meester Meyer
Hendrik Brinkman
Derk Brinkman
Johannes Mensink
Gerrit Massier
Willem Bruggeman
Klaas Katoele
Jan Katoele
Willy Katoele
Gerrit Jan Prins

De crisisjaren waren voor Crescendo overigens moeilijke
jaren. De algemene malaise trof ook het korps. Nadat
men in 1932 nog aanwezig was bij de eerste boomplantdag
in het Staatsbos, kwam de vereniging zelfs voor enige
tijd helemaal stil te liggen.
Nadat dirigent Krönig was vertrokken, nam meester H.A.
Meyer omstreeks 1915 het dirigentschap op zich. Hij
zou jaren dirigent blijven. Onder zijn leiding werden vele
optredens verzorgd.
Meester Meyer was een strenge dirigent. Hij vergde heel
wat van zijn muzikanten. Niet alleen goed spelen was
een vereiste, ook goed marcheren behoorde tot de taak
van de leden van het muziekkorps. En een kombinatie
van beide was zeer gewenst. Immers tijdens optochten
en concoursen moest er gemarcheerd èn gespeeld worden.
Wilde men iets bereiken, dan was een goede training
noodzakelijk.
Meyer pakte de repetities kordaat aan. Naast de muziek-
lessen en de muziekoefeningen instrueerde de dirigent
zijn muzikanten hoe er gemarcheerd moest worden. Eerst
gebeurde dat zonder instrumenten, later, toen men het
onder de knie kreeg, met instrumenten. Kilometers werden
er op het schoolplein aan de Dedemsvaart afgelegd. Maar
een schoolplein is maar een beperkte ruimte. Daarom
besloot de dirigent ook wel eens een rondgang door Nieuw-
leusen te maken. De marsroute was meestal als volgt:
langs de Dedemsvaart tot aan de Stouwe, dan de Stouwe
over naar het Oosteinde en vandaar via de Kerkenhoek
en Westeinde over de Jagtlusterallee naar de Rollecate,
om daarna weer langs het kanaal naar de openbare school
in Den Hulst terug te keren. Een hele afstand, en dan
ook nog te bedenken dat de meeste wegen nog zandwegen
waren.
Soms was de route iets korter en ging men via het Pad
van de Stouwe naar de Jagtlusterallee. Tijdens een rond-
gang werd op sommige plaatsen halt gehouden om voor
de bewoners van de huizen die daar stonden, een lied
ten gehore te brengen.
In later jaren maakte men af en toe wel eens gebruik
van paard en wagen. Het was een probleem op zich,


foto: Crescendo

Crescendo omstreeks 1950

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  

G .J. Schuurman
M. Runhart
B. Oosterveen
H. Bouwman
J. Schuurman
H.J. Brinkman
H. Vonder
A. Douma
R. Mensink
W. Kuterman
F. Klunder
T. Braams
A. Kouwen
J. Prins DJzn
K. Hekman

16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  

A. Compagner
W. Bruggeman
H. Schuurman
B. Jonkers
A. Bruggernan
W. van de Klok
W.H. Scholtens
K. Runhart
H. Paasman
H.J. van Duren
A. Bruggeman
H. Runhart
G. Hoes
J. Boesenkool
H. Gerritsen

dat spelen met het hele korps op een hotsende wagen. Het paard moest mak zijn en niet schrikken van de muziek. Het dier moest de wagen bovendien rustig en gelijkmatig voorttrekken. Soms ging het met rukken en dan was het oppassen geblazen. Het is eens gebeurd, dat de grote trommelslager, die achter op de wagen zat, met trommel en al van de wagen viel.
Begon Crescendo in 1905 met vijftien leden, weldra blijken er nog enkele jongelui te zijn die ook wel aan het korps willen deelnemen. Het ledenbestand groeit gestaag tot er in 1944 32 leden zijn. De tussenliggende jaren geven echter ook menigmaal een daling in het ledenaantal te zien.
In enkele gevallen kostte het een nieuw lid veel moeite om op het niveau van de overige muzikanten te komen. Zo was er eens iemand die een ontzettende moeite had met het zogenaamde naslagwerk, dat is het blazen na de tel. Toen hem dat na veel gezweet maar niet wou lukken, vond de dirigent de oplossing. De muzikant kreeg een touw aan zijn voet en iedere keer als hij nu moest blazen, trok de dirigent, die het andere eind vasthield, aan het touw. Zo leerde de man prima spelen.
Ook gebeurde het volgende eens op een vroegere repetitie. De dirigent had al een paar maal verstoord opgekeken van zijn lessenaar, omdat hij steeds valse noten hoorde. Toen hij de bewuste muzikant er op aansprak en deze er geen verklaring voor had, vroeg hij het instrument voor een nader onderzoek. Het bleek nogal wat lucht te lekken. De reactie van de muzikant was: "Ik dacht ok al, wat tocht het mien toch in de nekke."
Financieel had Crescendo soms de grootste moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Uiteindelijk lukte het meestal toch wel weer. Het beschermheerschap van Willem Jan Baron van Dedem en van notaris A. van Scherpenzeel zal wel eens geholpen hebben. Later werd juffrouw G.J. Palthe beschermvrouwe van het korps. En dat moest gezien worden.
Op een dag kwam Meyer thuis met de mededeling dat het korps een nieuwe schutsvrouwe had. De muziekvereniging was daar erg blij mee en Lenie, de dochter van meester Meyer, kreeg van haar vader de opdracht om dit gegeven op het vaandel te borduren. Vader Meyer was, volgens zijn kinderen, erg streng. Wanneer hij iets zei, dan durfden ze geen "neen" te zeggen, dat was er niet bij. Toch was het een oprecht en eerlijk man, die veel voor de Nieuwleusense gemeenschap heeft gedaan.
Omdat Lenie in die jaren in Zwolle naar school ging, kocht ze in een winkel in de Sassenstraat de benodigde gouddraad. Haar vader sneed de letters uit karton en spelde ze op het vaandel, zodat Lenie ze met het gouddraad kon overborduren. Na ongeveer een jaar was het karwei geklaard en sierde de tekst BESCHERMROUWE Mej. G.J. PALTHE het vaandel. Vermoedelijk is toen ook het jaartal 1927, zoals dat er nu nog opstaat, op het doek gekomen. Na het overlijden van mejuffrouw Palthe in 1928, bleef dit jaartal staan en werd de tekst van de beschermvrouwe vervangen door DEN HULST.
Toen juffrouw Palthe beschermvrouwe van het korps was geworden en daaraan ook financieel bijdroeg, wilde ze er ook wel de vruchten van plukken. Wanneer ze naar haar huisje in Nieuwleusen kwam, had ze dit van te voren al aan haar rentmeester Barteld Blik geschreven. Hij kreeg de opdracht er voor te zorgen dat de muziek speelde als ze met de tram aankwam en dat dit ook weer zo moest zijn wanneer de vrouwe met paard en wagen bij het Spiker arriveerde. De muzikanten voldeden aan deze verzoeken, ook al omdat ze het nodige in het laatje bracht.
Om snel van de tramhalte naar het Spiker in het Westeinde te kunnen komen, maakten ze gebruik van hun fietsen. De rentmeester zorgde er voor dat het paard niet te snel liep, desnoods reed hij met een omweg, om er toch vooral voor te zorgen dat de juffrouw niet eerder zou aankomen dan dat het korps in gereedheid was.
Deze laatste gebeurtenis ademt een sfeer uit die alleen maar bij die jaren past en die in onze tijd ondenkbaar is. Deze sfeer van vroeger doet ons realiseren dat we zuinig moeten zijn op dat kleine beetje wat er nog van het verleden rest.

* * *

'T WINKELTIEN

Dag olderwets klein winkeltien
met oen gevel vol PERSIL,
Oen buulties an een touw,
'k stun eêmpies bi' j oe stil.
Het blauwe stoepien veur de deur,
het snuupgerei veur 't raam.
Het klingel-klangel bellegien,
zo vertrouwd en angenaam.
Oen geur van varsgebakken brood,
koloniale waren.
De zegels op de KLOK zeep
die a'w vlietig gungen sparen.
De arwten in de bak,
de soda in de zak.
Het proatien met de klink' in d' hand,
de KWATTA chocolade.
De lusse stroop in 't kannegien,
en de platies van VERKADE.

De weegschaal met het beugeltien
woarin de zakkies passen,
het lange smalle winkelboek,
de teunbank vol met krassen.
... O, en die grote koffiemeuln,
de witkalk in de tonne
en in de oorlog het kleffe brood,
de distributiebonnen.
de stuver gist veur moe,
met soms een snupien toe.

Klein winkeltien, verleden tied,
't verpietern zienderogen.
Maar dudelijker dan ooit teveur
stoa ie mi'j nouw veur ogen.

(uit de revue “80 jaar in een notendop")

* * *

DE BROEDERBAND _________________________________________________________

J. Kleen
J.W. de Weerd

"Het terugblikken op De Broederband is als het zicht op een mistige dag: naarmate je verder kijkt, wordt de mist dikker. Vooral de eerste jaren zijn moeilijk te reconstrueren, omdat officiële gegevens vrijwel ontbreken." Deze woorden, die ook al eerder werden geschreven, tonen aan hoe moeilijk het is iets over de muziekvereniging te vertellen. Toch willen we een duik in het verleden nemen.
Het feit dat er in Den Hulst een muziekkorps was en in Nieuwleusen niet, was eigenlijk de aanleiding tot de oprichting van De Broederband. Tot dan toe werd, wanneer er bij feestelijke gebeurtenissen als kinderfeesten en dergelijke, muziek nodig was, een muziekkorps ingehuurd. Dat was muziekvereniging "Euphonia" uit Dedemsvaart. Toen dit in de zomer van 1925 weer eens nodig bleek, begon het idee te rijpen zelf een korps op te richten. In oktober riep de heer F. Scholten door middel van een circulaire belangstellenden op voor een vergadering. Deze vergadering leidde uiteindelijk tot de oprichting van een vereniging met de naam "Christelijk Muziekkorps Broederband."
Een dertigtal heren liet zich als lid inschrijven en zorgde daarmee voor een goede start. Naast Scholten (die commies was) behoorden klompenmaker G.J. Beltman, Kamphuis van de Coöperatie, F. Masselink van de Landbouwvereniging in het Westeinde en de later naar Amerika geëmigreerde J. Jans tot de oprichters.
Het eerste bestuur bestond uit F. Scholten als voorzitter, G.J. Beltman als secretaris, H. Schaapman als penningmeester en F. Masselink als algemeen adjunct. Ere-voorzitter was mej. G. J. Palthe. Voorts was er een Commissie van Toezicht, waarvan de heren K. Beltman, J. Huzen en H.J. Evertsen de leden waren. Het doel van de muziekvereniging was om als leden zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk de muziek te beoefenen. Dit trachtte men te bereiken door het in bruikleen afstaan van de instrumenten en de muziek aan ieder der leden, teneinde thuis


foto: L. Petter

De Broederband omstreeks 1926 met haar erevoorzitster juffrouw Palthe. Deze zeldzaam mooie foto werd genomen voor het Palthehuis. Hendrik Hoes had problemen met zijn pet, want met hoofddeksel op de foto kon niet. Daarom verstopte hij de pet maar achter zijn rechter voet en plaatste deze een beetje schuin.


1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

Andrie Siefers
? Kamphuis
Dieks Veldhuis
Arend van Ankum
Jan Westerik
Gerrit Jan Beltman
Gerrit Reurink
Luuks Huzen
Willem Raben
Hendrik Hoes
Jan Huzen

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  

Klaas Beltman
Frans Masselink
Arend Tempelman
Luuks Petter
Koop Geerts
Hendrik Jan Evertsen
Hilbert Hoogezand
Geert Schoemaker
Goosen Evenboer
Johannes de Boer
Gulia Palthe

te kunnen oefenen en tevens op de wekelijkse repetitieavond onder leiding van een directeur. Zo mogelijk moest jaarlijks een uitvoering worden gegeven.
Als eerste dirigent werd de heer Ladenius uit Zwolle aangesteld. Hij was het die de nodige noten en tekens aan de eerste leden duidelijk maakte. Want zonder dat kon er niet gespeeld worden; evenmin als zonder instrumenten. Hiervoor werd met de firma Ansingh in Zwolle een overeenkomst gesloten voor de aankoop van twintig instrumenten en een tweetal trommels en voor de bruikleen van nog tien instrumenten voor de duur van een jaar. Dit bleek achteraf wel een verstandig besluit te zijn geweest, want het ledental liep in de eerste jaren enigszins terug.
Al vrij spoedig gaf dirigent Ladenius te kennen wegens overplaatsing en vertrek naar Assen het dirigeerstokje te moeten neerleggen. De heer E. van de Berg, eveneens uit Zwolle, bleek bereid de functie van dirigent over te nemen. Hij was in het dagelijks leven kippenkoper, maar 's avonds stond hij als dirigent voor een muziekvereniging of zat als muzikant in de muziekvereniging "David" te Zwolle.
De nieuwe dirigent vond dat men de instrumenten te snel in handen had gekregen. Er moest daarom hier en daar nog heel wat aan de noten gedaan worden. Onder zijn leiding ging men toch verder met de muziekles. "Iedereen kan het leren, als er maar gestudeerd wordt", was de mening van Van de Berg. De heren muzikanten knoopten dit goed in hun oren en het resultaat werd na niet al te lange tijd hoorbaar: men was in staat om enkele marsen te spelen.
Toch bleef het voor sommige leden nog moeilijk. Zo zag H.J. Brouwer het niet helemaal zitten omdat hij de hoge noten niet kon halen. Dit was voor hem evenwel geen beletsel om les te geven aan andere muzikanten. In de eerste jaren van haar bestaan greep de jonge vereniging elke mogelijkheid om te spelen aan. Eén der eerste gelegenheden was bij de officiële in gebruik stelling van de eerste verharde weg in de Vinkenbuurt, het Oosteinde. Enkele aldaar wonende leden hadden het


foto: C. Vogelzang

De Broederband in 1935 bij het 10-jarig bestaan.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

?
Frans Masselink
Hendrikus Velthuis
? Bouwman
Jan Westerik
Hendrik Paasman
? de Weerd (?)
Jan Berend Schuurman
Willem Stoel
Arend Tempelman
? Kamphuis

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  

Lambertus Mulder
Gerrit Mijnheer
Arend Prins
Derk Schuurman
Berend van der Haar
E. van de Berg
Frederik Jan de Weerd
Hendrik Masselink
Jan Mijnheer
Albert Masselink
Egbert Brasjen

muziekkorps uitgenodigd. Berend van de Haar, één der leden, hield tussen de gespeelde marsen door een toespraak. Na afloop van het optreden complimenteerde dirigent Van de Berg de muzikanten met de woorden: "Goed gedaan heren!"
Ook bij andere gelegenheden voerde Berend van de Haar, die goed kon voordragen, het woord. Tijdens een serenade die aan de heer Kamphuis werd gebracht, gebeurde dat ook en wel onder het genot van een borrel. Kamphuis was lid van de vereniging en liet misschien daarom tijdens de serenade de fles rond gaan. Hij was chef - bakker bij de Coöperatie (nu supermarkt Lip (Plus Luuk Tijs)) en woonde aan de Ommerdijk, zoals de Backxlaan destijds heette, in het huis waarin nu De Boerderij is gehuisvest.
Omstreeks 1930 (vermoedelijk in 1929 bij het 25-jarig bestaan van de fabriek) bracht De Broederband een serenade bij de Union. Ook muziekvereniging Crescendo was hierbij van de partij. Een en ander werd erg op prijs gesteld. De toenmalige direkteur Van den Berg had lovende woorden voor de beide muziekkorpsen over. Naast het spelen bij diverse gebeurtenissen was het altijd vaste prik om op kerstavond op verschillende plaatsen kerstliederen ten gehore te brengen.
De woensdagavond was bestemd als repetitie-avond. Deze werd gehouden in de christelijke school in het Westeinde, later in die aan de Dedemsvaart in Den Hulst. Aanvankelijk leverde dat, toen het op spelen aankwam, enige problemen op. In de repetitieruimte van een muziekvereniging moeten stoelen aanwezig zijn en geen banken. Maar stoelen waren er in die tijd niet in de school te vinden en stoelen kopen kostte geld, iets waar de vereniging niet ruim in zat. Daarom nam men het besluit om zelf stoelen te gaan maken. Duidelijk was, dat niet iedereen stoelenmaker was. Zo had Dieks Veldhuis ook een stoel gemaakt, maar die bleek duidelijk te slecht. Toen hij op zijn stoel had plaats genomen en begon te spelen, zakte hij spontaan door de stoel, maar, aldus Luuks Petter, Dieks bleef correct muziek maken. Dieks was een goede rustige muzikant.
Doordat de vereniging in 1927 besloten had zich bij de Christelijke Bond van Harmonie- en Fanfaregezelschappen in Overijssel en Drenthe aan te sluiten, was de mogelijkheid geschapen om aan concoursen deel te nemen. De leden voelden daar wel voor en wilden er liefst zo snel mogelijk aan deelnemen. Dirigent Van de Berg was evenwel van mening dat er eerst nog heel wat gestudeerd moest worden, voordat het zover was.
Een jaar later, in 1928, trok Van de Berg zijn billentikker, die hij altijd tijdens concoursen zou dragen, aan. De Broederband nam in genoemd jaar voor het eerst deel aan een concours en wel in Steenwijk. Er werd een behoorlijk resultaat behaald, namelijk de derde prijs in de vierde afdeling.
Voor de dirigent was het wel eens moeilijk om elke week weer vanuit Zwolle naar Den Hulst te komen. De reiskostenvergoeding was niet erg aan de hoge kant, reden waarom Van de Berg op zijn fiets was aangewezen. Het kon dan ook gebeuren, dat, wanneer de weersomstandigheden niet al te best waren, de muzikanten de repetitie - avond zonder leiding moesten doorbrengen. Dit wekte op de duur wrevel en het resultaat was, dat de dirigentwerd ontslagen.
Er moest toen een nieuwe dirigent worden gezocht. De heer Hiemstra uit Dedemsvaart was niet al te duur en reageerde ook op de expres gemaakte fouten tijdens het "examen", dat elke dirigent in spé werd afgenomen. Toch zou de praktijk leren dat Hiemstra niet voldeed. Hoewel er onder zijn leiding een derde prijs in de vierde afdeling op een concours in Hasselt werd behaald, liep de opkomst voor de repetities snel terug. Hierop besloot Hiemstra te bedanken als dirigent.
Omdat het dirigentschap van Van de Berg altijd goed was bevallen, werd na rijp beraad besloten hem weer als zodanig aan te zoeken. Onder de voorwaarde dat hij voortaan per tram of per auto mocht reizen, voldeed hij aan dit verzoek. Hierna heeft De Broederband nog vele jaren prettig met hem samengewerkt.
De financiële positie van De Broederband was niet altijd even florissant. Soms was alleen de bodem in de kas zichtbaar. Bij de oprichting werd besloten dat ieder lid zijn eigen studiemateriaal moest bekostigen. Tevens werd een inleggeld van ƒ 5,== gevraagd. Aan contributie betaalden de muzikanten 20 cent in de week. Een belangrijk deel daarvan ging naar de dirigent.
Het ere-voorzitterschap van juffrouw Gulia Palthe bracht ook de nodige centen in de kas. Naast de leden kende de vereniging ook begunstigers. Zij betaalden ten minste 50 cent per jaar en hadden daarvoor, naast een adviserende stem op de jaarvergadering, éénmaal per maand toegang tot de repetities. Verder hadden ze "met een dame vrijen toegang" tot de jaarlijkse uitvoering. Na het vertrek van Scholten, die in de beginjaren de aangewezen persoon was om financiële bijdragen los te peuteren, bracht men de minimum jaarlijkse bijdrage op een gulden. Tot 1930 was het uniform van de muzikanten niet anders dan het zondagse pak. In genoemd jaar, ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan, kwam het eerste uniform, de groene pet. Lange jaren was De Broederband alleen aan de petten te herkennen. Toen in 1959 een actie onder de bevolking de nodige gelden bijeenbracht, kon men eindelijk uniformen aanschaffen.
In 1938 vierde De Broederband haar 12 ½ jarig bestaan met een festival, waaraan door verschillende muziekkorpsen uit de omgeving werd deelgenomen. De bevolking van Nieuwleusen liet dit jubileum niet ongemerkt voorbij gaan. Men had de handen ineen geslagen en er voor gezorgd dat er een vaandel aan de vereniging kon worden aangeboden. Voor het korps was dit een volkomen verrassing. De muzikanten waren bijzonder ingenomen met dit fraaie geschenk. De heer F. Vleer werd als vaandeldrager aangesteld.
In de oorlogsjaren zag men zich genoodzaakt de vereniging voor onbepaalde tijd op non-actief te zetten omdat men niet aan de cultuurkamer verbonden wilde worden. Na de bevrijding werd de draad vol goede moed weer opgepakt, eerst nog onder leiding van Van de Berg. Al spoedig nam meester Kist het dirigeerstokje over. Op zijn beurt stelde hij het stokje bij zijn vertrek ter hand van meester Wiersma. In 1950 zou de heer W. Huzen voor lange tijd als dirigent worden aangesteld.


foto: C. Vogelzang

De Broederband omstreeks 1950.


1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  

Meester Wiersma
Albert Timmerman
Frederik Jan de Weerd
Jan Huzen
Jan Thijs Huzen
Albert Masselink
Lammert jan Velthuis
Arend Jan Katoele
Arend Huzen
Klaas Huzen

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

Hendrik Masselink
Peter Kragt
Hendrik Schuurman
Gerrit Vonder
Jan Mijnheer
Frans Masselink
Arend Kreule
Willem Huzen
Hendrik Veyer
Gerrit Mijnheer

De uitvoeringen die De Broederband gaf werden een begrip bij de bevolking. En dat was te merken. Er werden maar liefst vier uitvoeringen per seizoen gegeven. Twee vonden er plaats in Nieuwleusen en twee in Den Hulst. Daarbij was de muziek niet zo erg belangrijk; de toneelstukken waren de klappers van de avond.
Hoe zag zo'n avond er uit? Na de opening door de voorziter een klein stukje muziek en dan werd de avond verder gevuld met toneel. Stukken met diverse titels werden op het toneel gezet. Na de oorlog werden er enkele spelen opgevoerd die terug sloegen op de bezettingstijd. "Plicht of liefde" en "Een vliegtuig vermist" waren zulke stukken.
Omdat er in die tijd geen vrouwen op de muziek zaten, moesten er voor de toneelstukken dames worden aangetrokken. Het zou nog tot 1962 duren voor de eerste vrouw in het muziekkorps werd opgenomen.
Ook voor de begeleiding van jaarlijkse schoolreisjes werd De Broederband aangezocht. Deze schoolreisjes begonnen aan de Lichtmis, waar men op de boot ging om via Hasselt naar Hattem en Giethoorn te varen. De reden waarom het muziekkorps meeging was gelegen in het feit dat het anders zo stil was op de boot. Kennelijk maakten de kinderen vroeger geen lawaai. Of was het juist om ze in toom te houden?
In het voorgaande hebben we getracht een beeld te geven van het verleden van De Broederband, zonder daarbij volledig te willen en kunnen zijn. Zestig jaar is een hele tijd.


(de muziek in het kwartaalblad is niet erg duidelijk, vandaar wat betere informatie op internet gezocht, met links.)





Jaargang 4 nummer 2 juni 1986

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

ZESTIG JAAR HUWELIJKSLIEF EN -LEED _________________________________________________________

Diamanten bruidspaar te Nieuwleusen.

NIEUWLEUSEN. In de Kerkenhoek, naast het postkantoor, woont een diamanten bruidspaar. Het zijn Jan Westerman en Gerritje Dijk, die elkaar op 3 Nov. 1867 (Lees 1877, red.) trouw voor het leven hebben beloofd en die dus a.s. Woensdag het zeldzame feit kunnen gedenken, dat ze dan zestig lange jaren lief en leed hebben gedeeld.
-Koomt 'er mar in, zei Westerman, toen we op een van de mooie herfstavonden van deze week, de weg naar de vriendelijke woning hadden gevonden en de klink van de deur lichtten. We verwachtte oe al.
Dat was het begin van een gezellige avond.....
We schikten aan in een echt huiselijk tafereeltje. Moeder Garregien was met de koffie bezig en de oude baas zat, geholpen door een inwonende zoon, de aardappelen te schillen. We verwonderden ons over de vaardigheid, waarmee hem dit afging. Het beste van de aardappel zit juist onder de schil is een waarheid, die vele huismoeders kennen en als ze de mooie dunne schillen van Westerman gezien hadden, dan zouden ze hem ongetwijfeld een compliment hebben gemaakt. Nu hebben wij, als leek, het maar gedaan. Want verdienen deed hij het.
Wie over het verleden wil praten moet beginnen bij de tegenwoordige tijd. We kregen daarbij gelegenheid ons nog vaker te verwonderen en wel over de buitengewone krasheid en levendigheid van deze 85-jarige, die nog zoveel belang stelt in de gebeurtenissen om hem heen. Het ging eerst over enkele dingen uit de krant, toen over gebeurtenissen in Nieuwleusen en telkens trof ons de rake kijk, die de oude baas op verschillende zaken heeft.
Sommige oude mensen leven in het verleden en ze hebben als het ware hun blik inwendig gericht. Bij Westerman is daarvan geen sprake. Hij leeft met volle belangstelling in het heden en zijn ogen zijn de spiegel van zijn gedachten. Nu eens ernstig en een beetje weemoedig, soms zelfs een tikje geërgerd, maar vaak schalks en wat spottend. Kortom, een man die vele dwaasheden gezien heeft, die het leven kent en die voor zichzelf weet, dat hij het zo goed mogelijk gedaan heeft. En die, gesteund door een sterk geloof, onbekommerd zijn oude dag heeft afgewacht. Want nietwaar: "Wie in zijn jeugd, het pad der deugd, heeft ingeslagen...."
Vanaf zijn dertigste jaar ongeveer is Westerman vrachtrijder geweest. Hij is de oprichter van de bekende vrachtdienst Nieuwleusen-ZwoIIe, die thans door zijn kleinzoon wordt gedreven.
-Toen ik pas getrouwd was, was ik boerenknecht, vertelt Westerman. En voerman. Ik moest een paard houden en ik had er eigenlijk geen voldoende werk voor. Toen kwamen op een goeie dag twee winkeliers bij mij, Stolte en Van Spijker en ze vroegen of ik geen vrachtdienst op Zwolle zou kunnen beginnen, eenmaal per week. Ik had er wel oren naar en ben direct maar begonnen.
Wat was mien vader er eerst op tegen. Ie komt van 't warken af, zei ie, en dan goat 't mis. Dat kwam omdat er een voerman was, die-ie goed kende. Een slimme drinkebreur! A'j de schuppe an 'e kaant gooit, zei mien vader, dan goat het mit oe net zoo. Ik zei: daar ben 'k niet zoo heel bange veur en ik heb het toch moar edoan... En nou kan 'k zeggen, da'k er altied veur bewaard 'ebleven bin. Ik bin nog nooit aanders as aanders thuus 'ekomen... 't is aanders een kwaad vak, want ie kunt ze te veul veur niks kriegen...
Het was in het jaar 1881 dat ik de eerste reis naar Zwolle maakte. In de maand Februari. De Straatweg was nog niet helemaal klaar, want ik ben de eerste drie keren nog over Den Hulst en De Lichtmis gegaan. Ik ging een keer in de week, Vrijdags. Donderdagavonds haalde ik met de hondenkar de bestellingen op uit Den Hulst en Vrijdagmorgens om plm. half vier vertrok ik naar Zwolle met paard en wagen. Ik heb het ook wel eens op andere dagen in de week geprobeerd maar dan kon ik het niet aan de gang krijgen. Maar Vrijdags had ik het druk en ik had heel wat manden met eieren en boter mee te nemen. Een enkele maal ging ik ook wel eens naar Meppel om een vrachtje op te halen, b.v. van de fa. Houwink, maar dat was meer een "bijwarkien".
De reis naar Zwolle duurde ongeveer drie uur. Het werd

Helemaal links is Westeinde 20 waar Westerman woonde.

foto: J. Westerman

Het huis van het echtpaar Westerman dat aan het Westeinde naast het postkantoor stond.

echter altijd langer, want ik werd onderweg nogal eens aangehouden. Voor die moest ik dit meebrengen en voor de ander dat.
Voor een zakkien meel kreeg ik een stuiver.
Nu doet de kleinzoon het met de auto al elf jaar lang, in twintig minuten en hij gaat dan nog de Lichtmis over. Vaak heeft hij 5000 kilo vracht in de laadbak. De wekelijkse dienst is sinds lang een dagelijkse dienst geworden...
Ruim veertig jaar lang trok de grootvader elke Vrijdag met paard en wagen naar Zwolle. Veertig maal was het zomer en dan ging het wel. Maar tachtig maal was het herfst en winter. Vaak gierde de stormwind door de kale bomen en soms spoelde het water over de weg. Soms lag de sneeuw op kniehoogte.
-Toen hadden we nog slimme winters, zegt Westerman. Nou, nou? Het is wel eens gebeurd, dat het water zo hoog over de Vechtbrug stroomde, dat ik terug moest. Soms was het zoo koud, dat ik de hele weg heen en terug moest lopen, om maar warm te blijven. Eén keer moesten ze me, toen ik 's avonds thuis kwam, van de bok tillen, zó stijf was ik.
Ik was meestal 's morgens tegen half acht in Zwolle. Om acht uur was het lossen in de stad. 's Middags om ruim 2 uur werd de terugtocht aanvaard. Om 3 uur ongeveer was ik bij het Plankenloodsje, waar ik bij Van Berkum het paard uitspande en verzorgde.
Ik kwam daar eens aan, toen een luidruchtig gezelschap binnen aan het ruzie maken was. De oude Van Berkum had net de zaak een beetje "leeggeruimd" toen ik in de deur verscheen. "lee d'r in", riep ie. Hij trok mij de gelagkamer binnen en deed de deur op slot. Ik kon er pas weer uit komen, toen ik zei, dat ik even naar mijn paard moest. Toen ik eenmaal buiten was, riep ik, dat hij nu de deur wel weer op slot kon doen. Wat was die oude Van Berkum kwaad...
Ongelukken? Nee nooit. Ja één keer. Ik had toen een jong paard voor de wagen, dat onderweg schrok voor een varken. Het sprong pardoes in de sloot en ik erbij.
Anders heb ik bij de weg nooit ongelukken gehad.
Het leven was niet altijd gemakkelijk. Ik heb veel tegenslagen gehad. Het huis is een keer helemaal afgebrand, er is vaak vee gestorven en wel eens een paard...
Als het in het achterhuis blijft is 't wel erg, maar niet onherstelbaar. Maar als de dood in het voorhuis komt, dan blijven de stoelen altijd leeg... Er zijn drie Trijntje's uit mijn huis gedragen, twee dochters en een schoondochter...
-Hij gaat nog elke Vrijdag met me mee naar Zwolle, zegt de kleinzoon. Hij zit dan naast me in de cabine. En secuur dat-ie nog is...
-Ja, lacht de oude baas. Als de zaak niet klopt, dan slaap ik niet gerust. lk kan aan de eierenmand zien, van welke boer ze is. Ik had vroeger een mand, daaraan kon ik het alleen al ruiken... En nòg breng 'k mit de handkarre vaak de boodschappen rond...
Mar now kan 't wel zoo zachies-an. Loa'we now mar ies koffie goan drinken.
We staken ons boekje weg en bleven nog eenige tijd "inof- ficieel", zooals dat heet, bij elkaar.
Om tenslotte afscheid te nemen met de wens dat Westerman en zijn vrouw nog vele jaren voor elkaar behouden mogen blijven. En dat hij zich nog lang daadwerkelijk zal mogen bemoeien met de vrachtdienst Nieuwleusen-ZwoIle.

(Uit de Meppeler Courant van vrijdag 29 oktober 1937)

* * *

MET KLAASJE KREULEN OP DE FOTO _________________________________________________________

Klaasje Kreulen werd geboren in 1839. Op 10 maart 1869 trouwde ze met Arend van Spijker, geboren in 1829. Samen bewoonden ze de boerderij op de Nijmansplaats aan het Westeinde, ten westen van die van Grit. De boerderij stond met de achterkant naar de straat en is later afgebroken.


Foto: A.J. van Spijker

Links van Klaasje Kreulen staat Jan Thijs van Spijker. Hij werd geboren in 1873, huwde wel maar bleef kinderloos. Rechts zien we Gerrit van Spijker, geboren in 1878. De na- komelingen van Gerrit waren hier goed bekend als de "Spiekerpotties".
Van Klaasje Kreulen is bekend dat zij altijd een zak met rijksdaalders bij zich droeg.

* * *

IETS OVER DE MARKE ROSENGAERDE _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Het grondgebied van de gemeente Nieuwleusen ligt op het noordelijk deel van de vroegere marken Rosengaerde en Leusen. De grens tussen beide marken lag ongeveer op de plaats van de huidige Jagtlusterallee.
De marke Rosengaerde lag ten noorden van de Vecht en strekte zich uit tot aan de Beentjesgraven. De gronden werden door de boeren gemeenschappelijk gebruikt en behoorden bij de boerderijen in de buurschappen Ankum, Gerner, Oosterdalfsen en Welsum. Het eigendom was in handen van voornamelijk adel en geestelijkheid. Het deel van de gezamenlijke markegrond waarop de eigenaar of erfgenaam recht had, heette een waardeel of waar. De marke Rosengaerde kende 76 waren. Dat wil niet zeggen dat er op het moment van de verdeling 76 eigenaren waren; door o.a. verkoop en vererving kan dat aantal anders zijn geweest. De marke telde oorspronkelijk echter wel 76 eigenaren.
Na de bedijking van de meeste rivieren in Overijssel oefende de landsheer (dat was de bisschop van Utrecht) grote aandrang op de eigenaren uit om de gemeenschappelijke gronden te gaan verdelen. De bisschop had daar groot belang bij omdat hij bij de verdeling recht kon doen gelden op een tiende deel, de zogenaamde voorslag, van de totale in gemeenschappelijk gebruik zijnde gronden. Dit was dus een soort belasting.
Alvorens tot verdeling te kunnen overgaan, was de goedkeuring van de meerderheid van de eigenaren nodig. De gebruikers werd niet om hun mening gevraagd. Toen het besluit omstreeks 1400 was genomen, kon de schout met de uitvoering worden belast. Hij liet zich bijstaan door de landmeter Hendrick Boldewenssoen. Deze moest allereerst de totale oppervlakte bepalen, waarna het bisschoppelijk voorslag kon worden vastgesteld. De te verdelen gronden hadden een oppervlakte van 4800 ha. en het gebied bestond uit weilanden, veen en woeste gronden.
De boerderijen hadden voor hun bedrijfsvoering behoefte aan verschillende soorten gronden: weide- en hooilanden, bouwakkers, veen om turf te kunnen steken en heide voor


het steken van plaggen voor de mest. Om alle erfgenamen een gelijk deel van de verschillende gronden te doen toekomen, verdeelde Boldewenssoen het gebied eerst in elf blokken. De blokken "die Hoeven" en "die Nederste Hoeven" waren bestemd voor de bisschop en bestonden voornamelijk uit weidegronden evenals dat het geval was met de blokken "die Olde Roesengaerde" en "die Nije Roesengaerde". "Die Plagghen Slage" werd gebruikt voor het steken van heideplaggen. Als hooiland werden "die Wester Hoijslage" en "die Oester Hoijslage" gebruikt, terwijl in "dat Groete Hermelen" turf werd gegraven. Dan waren er verder nog twee blokken met woeste gronden: "de Hoge Ruthe", ook wel "de Hoge Holt" genaamd vanwege de houtopstanden, en "Spijkerbaer Broick", een vrij drassig gebied.
"Dat Groete Hermelen" bestond uit twee blokken die gescheiden waren door een gebied dat werd aangeduid als zijnde van "der Stadt" en "mijns Heeren Slach". Deze percelen, die buiten de blokken van 76 waren lagen, behoorden toe aan de stad Zwolle en aan de Bisschop van Utrecht. Zwolle had het belang van dit veengebied voor zijn energievoorziening ingezien en in 1416, met toestemming van de bisschop, een gracht (der Stadt Grave, ook wel Hermelijn genoemd) laten graven. De gracht diende niet alleen voor het vervoer van turf maar zorgde ook voor een verbetering in de afwatering. De beide percelen, respectievelijk 120 en 60 hectare groot, moeten als tegenprestatie gezien worden.
Nadat de bisschop zijn voorslag had gekregen, werden de resterende blokken, waarvan er enkele een grillige vorm hadden, onder de 76 erfgenamen verdeeld. Hierbij moet worden aangemerkt dat de hoge Rute en Spijkerbaar Broek als één blok in de verdeling werden opgenomen. Sommige blokken bestonden uit 76 kavels, andere uit 38 waarbij in elk perceel 2 waren kwamen te liggen, in totaal dus weer 76 waren. Ook waren er blokken met 19 kavels à 4 waren. Elk der erfgenamen kreeg door loting zijn waardelen toegewezen.
De marke Rosengaerde ressorteerde aanvankelijk onder het schoutambt van Dalfsen. In 1434 werd een deel, namelijk de Rute en de Hermelijn, aan dit schoutambt onttrokken en toegevoegd aan dat van Zwolle. Dit gebeurde door Rudolph van Diepholt als dank voor de steun die de stad Zwolle hem bij zijn verkiezing tot bisschop van Utrecht had verleend. In het gebied van "die Hoge Ruthe" vond in het volgende jaar de eerste particuliere ruilverkaveling van ons land plaats. Het betrof zuiver een ruiling van gronden en niet een verkaveling zoals wij die nu kennen. De initiatiefnemer was het in het kerspel Zwolle gelegen aan St. Agnes gewijde klooster op de Nemelerberg in de buurschap Bircmede (Berkum). Bij de verdeling van de marke Rosengaerde waren de door schenkingen, door het klooster verkregen waardelen, niet tot een aaneengesloten gebied gevormd, maar verspreid over de Rute blijven liggen. Vanwege die verspreide ligging was het niet mogelijk de gronden efficiënt te exploiteren. De kloosterlingen zochten daarom een oplossing in de vorm van kavelruil met diverse andere eigenaren van gronden in het zelfde blok. Op deze manier slaagde het klooster er in 1436 in om een aaneengesloten gebied van 50 ha. te verkrijgen.

* * *

MET VOLLE VAART _________________________________________________________

Joh. Bouwman

Het is al weer bijna veertig jaar geleden dat er een revue onder de titel "Met volle vaart" werd opgevoerd in café Schoemaker in de Kerkenhoek. De aanleiding was het 40-jarig bestaan van de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek "Onderling Belang". Misschien zullen veel mensen zich de revue nog wel herinneren, vooral ook omdat die nogal succes had. In totaal moesten er elf opvoeringen voor het voetlicht worden gebracht. De eerste was op 7 oktober 1947. Schrijver en regisseur was de heer H. Bomhof, terwijl de heer J. van Neck de muzikale leiding had. Beide heren kwamen uit Apeldoorn. De decors waren van J. Masselink uit Den Hulst. Aan de revue werd door 21 dames en 21 heren deelgenomen.


foto: Joh. Bouwman

Een scene uit de revue met van links naar rechts ?, ?, A. Prins, Divertje Schuurman, Harm Bouwman, ?, Joh. Bouwman en Rieka Pessink.

Naast de sketches werden er diverse liedjes gezongen. Eén daarvan was het "Nijlusens lietien”. Ter gelegenheid van Nieuwleusen 350 jaar is dit liedje met een gewijzigde tekst door de Yellow Stars op de plaat gezet.
De oorspronkelijke tekst werd door schrijver dezes in de revue gezongen.
Enkele leuke herinneringen aan de uitvoeringen wil ik U niet onthouden. Op een van de avonden werd er erg gelachen om Arend Prins. Na zijn optreden kwam hij achter de coulissen en glunderde omdat hij het zo goed gedaan had. Tijdens zijn optreden droeg hij een geleende erg nauwe broek en toen we die zagen, begrepen we pas waarom het publiek zo had gelachen. Het hele kruis lag uit de broek. In die tijd was men nog erg kuis. De kleedkamers van de dames en heren waren door een los kleed van elkaar gescheiden. Tijdens één van de uitvoeringen gebeurde het: Rieks Kamerman moest zich verkleden en in een nogal ouderwetse krappe broek stappen. Daarbij verloor hij zijn evenwicht en belandde in zijn lange onderbroek met gordijn en al tussen de dames. Wat hebben we toen gelachen, zo erg zelfs dat de regisseur op een gegeven moment met een rood hoofd binnenstormde en brulde dat wij ons rustig moesten houden omdat de spelers op het toneel niet meer te verstaan waren.

* * *

NIJLUSENS LIETIEN _________________________________________________________

H. Bomhof

Woar of ik ooit mag komen of reizen wied in 't rond,
Ien plekkien ol ik oge, doar lig mien vaar zien grond!
Doar bint mien geile weiden, woar kieft' en leeuwruk vlug,
Doar oasemt blij mien böste Nijlusens vrije lucht!
Doar gruûjt de bärkebomen fris an de waterkaant,
Ligt 't mooiste schilderrijchien van eel oews Nederlaand!

In d' uutgestrekte weiden löp glanzend zwätbont vee!
Nijlusen, wat bi'j' ienig in al oew rust en vree!
Woar beste boerderijen in 't gruun verscheulen stoat,
De meule drèjt zo zuûties al joar op joar zien zoad,
An d'Ommerdiek 't febriek stiet woar vette melk hen giet,
Doar 's Overiessels lusthof, 't durp dät Nijlusen hiet!

De meensen bint der wärkzaam, zie boert met stoere moed,
Veur God brenk z' alle zörgen, zo lèèf z' eur lèven goed!
Ze geef zich niet zo makluk, mär eerlijk bint z' en echt,
As 't mut dan wilt ze strieden voor vrieheid en veur recht!
Woar of ik ooit mag komen of reizen wied in 't rond,
Dät plekkien ol ik oge, doar lig mien vaar zien grond!

In grote en kleine lasten, in bliedschap en in rouw,
Trekt 't hät mie noa Nijlusen, dät durpien blief ik trouw!
Ik bin doar zo gelukkig, woar niks de rust versteurd,
Woar 't wûulen van de wereld de vrede nooit bereurt!
Zo veule goeje dingen van vrogger en van nou
Lacht steeds uut 't Old Nijlusen mij vrendluk neugend toe!

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO III _________________________________________________________

foto: E. Westerman


Ditmaal een foto met de leerlingen van de school in Ruitenveen omstreeks 1920.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  

Meester van Ingen
Gerrit Gerrits
Willempje Meulenbelt
Annigje Meulenbelt
Dina Brinkman
Derk van Duren
Berend Jan Reuvers
Arend Brouwer
Janna Alteveer
Hilligje Alteveer
Margje Meulenbelt
Rika Brinkman
Jentje Spijker
Klaas Spijker
Gerrit Willem v Lenthe
Egbert Westerman
Hendrik Seinen
Jentje Timmerman
Meester Belt

20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  

Arend de Boer
Rika Zieleman
Derkje van Lenthe
Truida Masselink
Willem Borger
Hendrik Jan Seinen
Janna Klomp
Niesje de Boer
Aaltje Seinen
Hendrik Masselink
jan Klomp
Hendrik Klomp
Mientje van Duren
Hilligje Beumer
Femmigje Westerman
Hendrik Jan Klomp
Jan van Duren
Aaltje van Duren

* * *

MANNENKOOR TE RUITENVEEN _________________________________________________________

G.H.


Wie thans in Nieuwleusen lid wil worden van een vereniging kan een keuze maken uit een grote verscheidenheid aan verenigingen, zoals muziek- en zangvereniging, plattelandsvrouwen- of schietvereniging, onze eigen vereniging Ni’jluusn van vrogger en alles wat er nog meer bestaat. Hoe groot deze mogelijkheden in 1900 waren, is ons (nog) niet bekend. Toch waren er toen ook al verenigingen waar men lid van kon worden. Van ons lid A.J. van Spijker kregen we een reglement zoals men dat opstelde bij de oprichting van een mannenkoor op het Ruitenveen. Onderstaand volgt het 27 artikelen tellende reglement:

Art. 1 Alhier is in Oct. 1900 een mannenkoor opgericht, welke
           zich ten doel stelt, het oefenen van den zang onderling.
Art. 2 Het gezelschapsjaar begint 1 Oct. en eindigt 30 Sept. Dan
           kunnen zij als lid worden toegelaten, die den leeftijd van
           16 j. bereikt hebben.
Art. 3 Het bestuur bestaat uit President, Secretaris en
           Penningmeester.
Art. 4 Bestuursleden moeten door en uit de werkende leden
           worden benoemd. Elk aftredend lid (bestuurs) blijft in
           functie, tot zijn opvolger de benoeming heeft aanvaard.
Art. 5 Elk jaar treden de bestuursleden af, die terstond
           herkiesbaar zijn.
Art. 6 De werkzaamheden van het bestuur bestaan uit:
           a. de uitvoering van het reglement en verdere besluiten.
           b. het nemen van zodanige maatregelen, welke geacht
           worden in 't belang van het gezelschap te zijn en waarin
           het reglement niet voorziet.
Art. 7 Behalve de gewone werkzaamheden, aan de betrekking
           verbonden, hebben bestuursleden nog de volgende
           bijzondere werkzaamheden, omschreven in de volgende
           artikels.
Art. 8 Voor den President. Het presideren (leiden) van alle
           vergaderingen.
Art. 9 Voor den Penningmeester. Het doen van rekening en
           verantwoording met overlegging van alle stukken, ieder
           jaar, en wel in September. Het geven van inlichtingen
           over de geldelijke toestand, zovaak het bestuur dit nodig
           acht.
Art. 10 Voor den Secretaris. Het bijhouden van een naamlijst
             der leden; het mededelen van de voornaamste besluiten
             der bestuursvergaderingen aan de leden en het geven
             van een verslag over den toestand van het
             gezelschapsjaar in de maand September.
Art. 11 De voorganger of directeur wordt door de werkende
             leden benoemd.
Art. 12 Bij ziekte of afwezigheid geeft hij daarvan
             vroegtijdig kennis aan het bestuur of stelt met
             goedvinden van het bestuur een plaatsvervanger, die
             dezelfde rechten en verplichtingen heeft.
Art. 13 Hij regelt de partijen, de plaatsing der leden enz., alle,
             zoals hij in 't belang eener goede uitvoering nodig acht.
Art. 14 Is een lid verhinderd de vergadering bij te wonen, dan
             geeft hij daarvan schriftelijk of mondeling kennis aan
             één der bestuursleden. Bij niet kennisgeving indien hij
             niet wettig verhinderd is, betaalt hij, een boete van 5
             cent en elk lid, dat zonder kennisgeving 4 weken de
             vergadering verzuimt, wordt niet meer als lid
             aangemerkt.
Art. 15 Een lid, dat 5 minuten te laat ter vergadering komt,
             zonder kennisgeving of wettelijke reden, of voor de tijd
             de vergadering verlaat, betaalt 3 cent boete.
Art. 16 Het is den leden verboden, gedurende de oefening te
             roken of tabak te gebruiken. In de pauze is het
             geoorloofd, mits er niet op de vloer wordt gespuwd.
             Wie zich aan overtreding schuldig maakt, betaalt 3 cent
             boete.
Art. 17 Belangstellenden worden tegen betaling van 3 cent
             toegelaten op de gewone vergaderingen en moeten zich
             aan art. 16 onderwerpen.
Art. 18 Verder vervallen in een boete van 3 cent degenen, die op
             de banken lopen, muren of banken bekrassen; die niet
             voldoet aan art. 19 of tijdens de vergadering vloekt.
Art. 19 Na afloop van elke vergadering wordt door twee leden,
             ieder op zijn beurt, de school geveegd en wel zo, dat
             de president er geen aanmerkingen op behoeft te maken.
Art. 20 De leden betalen een contributie van 10 cent in
             de maand en zijn verplicht zich zelf de benodigde
             boeken aan te schaffen.
Art. 21 Zij, die wensen op te houden als lid, dienen daarvan
             kennis te geven aan het bestuur.
Art. 22 Zij, die lid wensen te worden, geven zich daarvoor aan
             bij het bestuur. In de eerstvolgende vergadering wordt
             door de leden over hen gestemd. Zo zij meer dan de
             helft der stemmen op zich verenigd hebben; worden zij
             als lid toegelaten.
Art. 23 leder lid moet een afschrift van dit reglement in bezit
             hebben.
Art. 24 Ieder werkend lid verbindt zich tot handhaving van deze              zangvereniging.
Art. 25 De volgende vergaderingen kunnen worden gehouden:
             a. bestuursvergaderingen. b. gewone vergaderingen,
             c. buitengewone vergaderingen. d. huishoudelijke
             vergaderingen.
Art. 26 De secretaris is verplicht, belangstellenden bekend te
             maken met art. 16 en 17.
Art. 27 Die onder het zingen baldadigheid uitvoert vervalt in 3
             cent boete.
                                    Aldus vastgesteld en goedgekeurd in
            de vergadering van 11 Nov. 1900 met de bepaling, dat
            het direct in werking zal treden.
                                    Namens het bestuur
                                    K. Klunder President
                                    A. van Spijker Secretaris
                                    B. Stolte Penningmeester

Veel is er nog niet bekend over dit mannenkoor. Bij de vele naspeuringen die we gedaan hebben, bleken de oudere Nieuwleusenaren zich weinig of niets van dit koor te herinneren. Het enige dat we gehoord hebben, is dat men op zondagavond in de school vergaderde. Sommigen van hen gingen na afloop naar huis om de hond op te halen om dan op bunzingjacht te gaan. In die tijd werd er voor een bunzing goed betaald, ongeveer ƒ 3,50 per stuk.
Omdat veel mensen zich nog wel herinneren dat de Hazeuzangers aan huis zongen en in dit reglement sprake is van een school, kan dit reglement niet van hen zijn. Wel wisten sommigen nog te vertellen dat er zowel in de westerse school als in de oosterse school een koor was. Het oosterse koor werd ook wel "de rooie zang" genoemd, waarom is niet bekend. Beide koren gingen lopende en zingende elkaar tegemoet om dan samen verder te zingen. Daarna ging ieder weer zijn eigen weg.
Van Thijs Brasjen kregen we een lied dat gezongen werd aan het einde van deze avonden. Volgens hem gebeurde dit bij het mannenkoor (waar zijn broer heen ging), maar ook wel bij de Hazeuzangers waar hij lid van was.
Dit lied dat buiten werd gezongen laten we tot slot volgen:

             Laat ons met volstrekte zinnen,
             deze slotzang weer beginnen,
             't is met lust volbracht,
             't is met lust volbracht.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES II _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

A'j zo begrips waarn, as de'j begaaps bint, dan lu' j gien snippe an de weg lig'n.

Indien u zo verstandig was als dat u nieuwsgierig bent, dan liet u nog geen drol aan de weg liggen. Dit werd tegen zeer nieuwsgierige mensen gezegd.


Jaargang 4 nummer 3 september 1986

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Havezathe Haerst in Zwollerkerspel, woonplaats van de familie Van Haersolte
Foto: Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist

* * *

HET ONTSTAAN VAN DE LEUSENER VERVE- NINGSCOMPAGNIE _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

Inleiding

In 1982 werd het feit herdacht dat 350 jaar eerder de aanzet werd gegeven tot het ontstaan van Nieuwleusen. In menig gedenkschrift werd weer gewag gemaakt van de vijf "erfgenamen" of "eigenerfden" uit de marke Leusen die in 1630 een compagnie oprichtten teneinde de ontginning ter hand te nemen van de Woeste gronden ten noorden van Leusen. De vijf deelnemers, ook wel de "participanten" genaamd, vroegen de provinciale overheid (de Ridderschap en Steden van Overijssel) om vrijdom van belasting voor het te ontginnen gebied. Dit werd toegestaan en zo kon het gebeuren dat er binnen enkele tientallen jaren een nieuwe nederzetting ontstond die tot grote bloei werd gebracht en de plaats waar haar oprichters vandaan kwamen, in grootte en inwonertal overvleugelde. Ter onderscheiding van het moederdorp ging de plaats Nieuwleusen heten. Steeds wanneer het ontstaan van Nieuwleusen ter sprake komt wordt deze geschiedenis verhaald en herhaald. De vraag is in hoeverre deze gegevens feiten zijn. Weliswaar verschaft de raadpleging van literatuur over de "geboorte" van Nieuwleusen wat meer inzicht maar een volstrekt helder beeld is daarmee nog niet verkregen.
De auteur van dit artikel, wiens achternaam vermoedelijk in verband staat met de vroegere werkzaamheden van de Leusener verveningscompagnie, heeft in een aantal archieven een voorlopig onderzoek verricht naar het ontstaan van Nieuwleusen. In bijgaand artikel wil hij verslag doen van het resultaat van zijn onderzoek waarbij de nadruk ligt op het gevondene in het huisarchief-Batinge dat bij het Rijksarchief in Drenthe berust. Dit archief bevat vele belangwekkende bescheiden betreffende Nieuwleusen die door vererving hierin terecht gekomen zijn. Voorshands zal alleen ingegaan worden op twee vragen: wanneer werd de compagnie opgericht en wie waren haar oprichters. Tenzij anders vermeld verwijzen de aangehaalde inventarisnummers naar de inventaris van het Batinge-archief, samengesteld door H. Joosting (Assen, 1910).

De oprichting
De woeste gronden die ten noorden van de marke Leusen lagen en in bezit waren van de erfgenamen of eigenerfden van Leusen, waren in de 12e en 13e eeuw door de bisschoppen van Utrecht in pacht uitgegeven. Tot de 17e eeuw werd eigenlijk niet naar dit gebied omgekeken maar toen de bevolking zich uitbreidde en er meer behoefte kwam aan landbouwproducten staken een vijftal erfgenamen uit Leusen de hoofden bij elkaar en overlegden hoe de woeste gronden vruchtbaar gemaakt konden worden. In de loop van 1630 besloot men om zich te verenigen in een sociëteit of compagnie. Nog voordat de compagnie in 1631 officieel werd opgericht ging men in november 1630 al over tot de koop van enkele erven.
Van belang is in dit verband een passage in een archiefstuk dat getiteld is: "Cooppenningen ende Staet wat costen de Lussener goederen van de Compagnie", en in circa 1643 ontstaan is (inventarisnummer 650). Die passage luidt als volgt: "De Participanten van de Luessener Compagnie hebbe aengekoft deze naebenoemde goederen. Opten 7. November 1630 gekoft vanden heere Ripperda den hooff to Luessen ofte Roelevinck, het erve Roelinck, Engbert Geerts erve, met 4 waeren to saemen voor Car.g. 14500". Elf dagen later kocht de compagnie-in-oprichting van kapitein Baecke de helft "vande Baecken Meele". Hieruit blijkt dat in 1630 Ripperda de bezitter van de hof van Leusen was. Deze Ripperda behoorde echter niet, zoals wel werd aangenomen, tot de deelnemers (participanten) in de compagnie.
In een kopie van de akte met de voorwaarden waaronder in 1633 een zesde participant tot de compagnie wordt toegelaten, wordt de oprichtingsdatum van de compagnie als volgt in een zin vermeld (inventarisnummer 648): "...aennemen ende beteikenen het Contract van de Sociëteit opten 8/18. Januarij Anno 1631 tusschen ons bij t oprichten van de Compagnie beraempt..". Omdat Overijssel in 1631 nog de oude Juliaanse tijdrekening kende en Holland en Zeeland al de nieuwe of Gregoriaanse kalender aanhielden en daardoor tien dagen voorliepen op de rest van het land wordt door middel van "8/18" aangegeven dat het ten tijde van de oprichting in Overijssel 8 januari was en in Holland en Zeeland 18 januari. Het was dus op zaterdag 8 januari 1631 dat de compagnie officieel werd opgericht. De oprichtingsakte zelf is overigens (nog) niet gevonden.
In hetzelfde stuk wordt de doelstelling van de compagnie als volgt omschreven: "Alsoe bij ons ondergeschrevenen ingegaen in seckere societeit ofte Compagnie tot ancopinge ende vercopinge van enige landen ende veenen, tot welcken einde ook alrede bij ons verscheiden goderen ende landerijen gecoft, een grifte begonnen ende se(e)cker accort op t stuck vande duervaert mette Stadt Hasselt gemaeckt". Met die "grifte" wordt zeer waarschijnlijk de Beentjesgraven bedoeld, die een waterverbinding tot stand bracht vanuit het te ontginnen gebied naar de stad Hasselt en diende voor de afvoer van de turf (zie het boek van L.F. Teixiera de Mattos, De Dedemsvaart, Zwolle, 1903, pag. 6-9).

De oprichters
De akte waarbij in 1633 een zesde deelnemer in de compagnie wordt opgenomen, is door vier van de vijf participanten die dan de compagnie vormen, ondertekend. Het zijn: Sweder van Haersolte, Rutger van Haersolte, Herman Roelinck en Jacob Wijfferdinck. De vijfde participant was zeer waarschijnlijk Herman Bloemert, getuige een vermelding in een akte uit 1639 waarbij het bezit van de compagnie bij loting over de (dan zes) participanten wordt verdeeld en ook de weduwe van wijlen Herman Bloemert een deel krijgt toegewezen (inventarisnummer 647).
Sweder van Haersolte tot Swaluenborch en Oosterveen, (1582-1643), drost en landrentmeester van Salland, had zitting in het college van Ridderschap en Steden van Overijssel en vertegenwoordigde vanaf 1621 dit gewest bijna ononderbroken in de Staten-Generaal. Namens dit college ondernam Sweder, die de protectie genoot van prins Maurits, een aantal diplomatieke zendingen die hem o.a. naar Denemarken, Brandenburg, Engeland en Frankrijk brachten. Het belangrijkste, mede door hem behaalde succes was het sluiten van het Offensief en Defensief Verbond dat op 8 februari 1635 met het Frankrijk van Richelieu werd gesloten. In 1640 werd het recht van Havezathe door Sweder verlegd van zijn landgoed in Dieze naar de havezathe Oosterveen van zijn zoon Rutger, die de kern zou gaan vormen van het latere Nieuwleusen.
Sweder was gehuwd met Johanna van Doorninck en werd in 1606 vader van genoemde Rutger, die in 1631 ook deelnemer in de compagnie werd. Deze Rutger van Haersolte, heer van Haerst, Oosterveen en Staverden, (in sommige literatuur aangeduid als "de beruchte drost van Lingen"), was een gunsteling van prins Frederik Hendrik, die hem in 1632 het drostambt van Lingen gunde. In 1639 volgde zijn benoeming tot landrentmeester van Salland. In 1654 werd Rutger door een kleine meerderheid van de Overijsselse Staten benoemd tot drost van Twente, hetgeen zo'n grote commotie veroorzaakte dat de benoeming drie jaar later, mede door toedoen van de anti-prinsgezinde Johan de Witt, weer werd ongedaan gemaakt. Zo werd Rutger in die tijd o.a. van omkoperij, meineed en zelfs moord beschuldigd. Na zijn benoeming in 1660 tot drost van Salland ontstonden er wederom moeilijkheden waarbij zijn grote tegenspeler Adolph Hendrik van Raesfelt was.
Op 21 december 16714 overleed Rutger van Haersolte.
Herman Roelinck was griffier van de Staten van Overijssel van 1613 tot 1652. Hermans vader, Derk Roelinck, had deze functie eveneens bekleed en ook de zoon van Herman die ook Derk heette zou later griffier van de Staten worden. Op 7 juli 1616 huwde Herman met Elisabeth Machtelt Ripperda en kocht in 1622 "Vechterweerd".
Van hen afkomstig zijn de wapens boven de preekstoel in de Hervormde kerk in Nieuwleusen. Van zoon Derk, die gehuwd was met Machteld Bueker, stamt de klok met randschrift in de toren van dezelfde kerk.
Jacob Wijfferdinck wordt hier en daar als commies aangeduid. Van hem was de grond afkomstig waarop in 1658 een school werd gebouwd, waardoor zijn erfgenamen niet in de kosten voor het schoolgebouw hoefden bij te dragen.
Herman Bloemert tenslotte was een burgemeester van Hasselt.

Reeds op 9 januari 1633, twee jaar na de oprichting, werd het aantal deelnemers in de compagnie uitgebreid met Rudolph van de Clooster tot de Grote Weede, die als zesde participant tot de compagnie toetrad. Hij was in 1628 hoogschout van Hasselt geworden. In 1638 overleed hij waardoor vele archiefstukken zijn ontstaan die de verdeling en overdracht van zijn deel in de compagnie regelden. En juist deze bescheiden hebben ons in staat gesteld om te weten te komen wanneer de compagnie is opgericht en wie haar in het leven hebben geroepen.

Belastingvrijdom
In de jaren na de oprichting breidt de compagnie haar bezit gestaag uit. Vele erven worden aangekocht en griften, verlaten en wegen gegraven en aangelegd. In 1635 wenden de erfgenamen van Leusen (onder wie de zes participanten) zich tot de Ridderschap en Steden van Overijssel en vragen in hun verzoekschrift om vrijstelling van belastingbetaling voor de te verwachten opbrengsten uit het nog in cultuur te brengen gebied. Bij Besluit van 20 maart 1635 willigen de Provinciale Staten dit verzoek in voor de tijd van 20 jaar. Het antwoord op het (niet teruggevonden) verzoekschrift luidt als volgt:

Opte Requeste(l) van de Erffgenaemen van
Luessen versoeckende voor een geruij-
men tijt van 25 jaeren meer ofte
min, vrijdom ende exemptie(2) van im-
positien(3) ende schattingen over de wilde
woestenije ofte achterste vhene
met sijn toebehoor t welck sij meenen
te brengen onder cultere om ge-
bouwet ofte geweijdet te mogen
worden Sonder dat daeronder ge-
mient wort de reste van de bour-
schap ofte marcke de gebouwet
gehoijet ofte geweijdet wort
daervan supplianten(q) willich syn te dragen
de schattongen ende impositien ge-
lijck sij nu daerop staen ofte nae-
maels daerop gestelt sullen worden
tendeerende(5) alsoo het versoeck van
supplianten niet tot eenige verminder-
onge van het tegenwoordige, maer
alleene tot bevrijnge van t geene
daer noch niet genooten wort.


Het laatste deel van het besluit van 20 maart 1635, waarbij Provinciale Staten het verzoek om belastingvrijdom inwilligden.

                                    Wort den supplianten geaccor-
                                    deert exemptie voor den
                                    tijt van twintich jaeren
                                    van alle schattingen uijt-
                                    besondert van consumptie(6)
___________
(l) verzoek
(2) uitzondering
(3) belasting
(4) verzoekers, vragers
(5) strekking of bedoeling hebbende
(6) verbruik van goederen

En toen stond niets de ontplooiing van de compagnie, en dus van de nederzetting waaruit Nieuwleusen is ontstaan, meer in de weg!




* * *

EEN MEISJESCLUB _________________________________________________________

Vroeger kwam het nog wel eens voor dat een groepje meisjes een clubje oprichten met het doel om zich gezamenlijk te wijden aan allerlei nuttige zaken zoals handwerken en dergelijke. Meestal zocht men dan ook iemand die de meisjes in deze zaken kon inwijden.

Omstreeks 1926 vormden de dames op bovenstaande foto zo'n clubje. V.l.n.r. zijn dat Annigje van Ankum, Dina Bouwman, Mevrouw Hekman-Veldhuis, Jentje van de Vegte en Jentje Bouwman.


* * *

BIJGELOOF _________________________________________________________

Kabé

In mijn jeugdjaren, een dikke zestig jaar geleden, was het bijgeloof nog lang niet verdwenen. In de verhalen die hierover de ronde deden, namen dieren een belangrijke plaats in. Zo waren er honden die konden praten en de mensen waarschuwen tegen zondige praktijken.
lk herinner mij nog goed een verhaal dat over dikke Hendrik werd verteld. Dikke Hendrik was een gezeten boer van de "lège kaante". Daarmee werd Mastenbroek en omgeving bedoeld. Daar hadden vele inwoners van Nieuwleusen nogal nauwe betrekkingen mee. Veelal kwamen de boerenknechten en -meiden die in Mastenbroek dienden uit Nieuwleusen. De Mastenbroeker boeren hadden graag dienstvolk daar vandaan, want die werkten hard en waren bescheiden in hun eisen.
Zoals gezegd, "dikke Hendrik" was een welgestelde boer. De naam "dikke Hendrik" liet hij zich met welgevallen aanleunen. Wanneer iemand dik was, dan was dat een teken dat hij zich kon veroorloven het werk over te laten aan zijn ondergeschikten en zelf een goed leventje te leiden met het brengen van bezoeken aan de wekelijkse markten in Kampen en Zwolle.
"Dikke Hendrik" had één groot gebrek. Hij was verslingerd aan het kaartspel. Dat was in die tijd een groot kwaad, want het spreekwoord zei: kaartspelers en dobbelaars zijn grote zondaars.
Enkele avonden in de week ging Hendrik naar zijn grote vriend in het kwaad Derk de streuper. Derk deed alles wat verboden was, dus ook kaarten. Tot laat in de avond zaten beiden te kaarten. Daarbij dronken ze ook wel een neutje.
Op een avond ging Hendrik laat, en lichtelijk aangeschoten, naar huis. Op het bruggetje over de wetering komt hij Fikkie, het hondje van de buurman, tegen. Hendrik was in een jolige bui en vroeg: "Zo Fikkie, waor wil ie naor toe?" "Hen koarten", antwoordde Fikkie. Hendrik sloeg de schrik om het hart en ziet er een teken van hogerhand in dat hij op de verkeerde weg is. Nooit heeft "dikke Hendrik” meer een kaart aangeraakt.
En het verhaal eindigde vaak met: "'t Is waor gebeurd, want Fennechien van mien Jan-oom dient an de lège kaante en die kent dikke Hendrik goed". Erg geloven deed je het verhaal wel niet, maar je kon er ook zo maar niet aan voorbij gaan. Er kon wel eens iets van waar zijn. Het was een beetje griezelig!

Een ander verhaal met een hond als onderwerp, speelde zich in de kerstnacht af. Je mocht dan niet naar buiten, want je liep dan de kans "Derk met de hunties" tegen te komen. Als je die tegenkwam, dan nam hij je mee.
Dit verhaal was meer bedoeld om de kinderen bang te maken. En bang was je toen wel!

Het gehuil van een hond was een kwaad voorteken. Het gebeurde wel eens, dat een hond op een donkere avond ergens zat te huilen zoals wolven dat ook wel doen. Wanneer zoiets zich dan enkele keren herhaalde, was dit een teken dat er binnen niet al te lange tijd een sterfgeval zou plaatsvinden.

Bij de geboorte van een veulen moest de nageboorte hoog in een boom worden gehangen, anders liep je de kans dat het veulen dood ging. Hoe hoger in de boom, hoe beter. Hendrik Jan geloofde er niet erg in; hij begroef de nageboorte. Het veulen ging dood. Men kon toch beter maar het wisse voor het ongewisse nemen!

In de verhalen over bijgeloof namen de vogels ook een belangrijke plaats in. De katuil was zo'n geheimzinnig dier. Wanneer die ergens in een boom zat en hij liet zijn roep horen, dan luisterden de mensen er met ontzag naar en zeiden tegen elkaar: "He'j de katoele heur'n roep'n?"
Zo'n roep bracht onheil, want het betekende, net als we dat bij het gehuil van de hond hebben gezien, dat er binnenkort iemand uit de buurt zou komen te overlijden. Er werden dan voorbeelden bijgehaald waaruit moest blijken dat het wel uitkwam.

Vleermuizen waren ook niet erg geliefd. Dat waren zulke griezelige beesten, die het vooral op vrouwen gemunt hadden. Ze kropen in je haar, brrr.

Een zwaluw werd gezien als een vogel die geluk bracht. In het voorjaar werd er uitgekeken naar zijn komst. En als iemand hem dan gezien had, dan vroeg hij aan zijn buurman: "He'j de zwaluw al ziene?" "Nee, nog niet." "Nou he' j is er weer heur, het weer zal nou wel gauw opknappen."
Wanneer de zwaluw zijn nest bouwde tegen de muur van een huis, of in een schuur of hooiberg, dan werd dat erg op prijs gesteld. Zo'n nest mocht niet verstoord worden. Als je dat toch deed, ging er een beest van de veestapel dood; een kalf, of misschien wel een koe.

De kwikstaart stond ook in aanzien. De komst van dit kwieke vogeltje was ook een teken dat het voorjaar nabij was.

De komst van de leeuwerik werd eveneens als een voorjaarsbode gezien. Steeds hoger en hoger stijgend liet hij luidkeels zijn lied horen, om dan plotseling in een snelle duik naar beneden te storten en in het gras zijn zang voort te zetten.
Mijn grootvader kende het lied van de leeuwerik. Ik ben het vergeten, maar het was een lied ter ere van zijn Schepper.



* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES III _________________________________________________________

Ditmaal willen we u het volgende, door mevrouw A. Schoemaker opgetekende, raadsel voorleggen. De oplossing vindt u in het decembernummer.

Daags giet 't van klipperdeklap en 's nachts stiet 't veur ’t beddegat!

* * *

WIE IS DEZE ONBEKENDE NIEUWLEUSENER JONGEDAME? _________________________________________________________

De jonge vrouw die op de foto hiernaast achter het hekje poseert, kijkt ietwat angstig naar de fotograaf. Het is ons al vaker opgevallen dat de op oude foto's afgebeelde personen altijd ernstig kijken. De techniek was destijds nog niet zo ver gevorderd dat er in een luttel ogenblik een goede foto kon worden gemaakt. Daarom moest men, wilde de foto slagen, een tijdje doodstil blijven staan. Een stoel, of zoals hier een hekje, bewees dan goede diensten.
Wie de dame is, weten we echter niet. Dat zouden we graag van u willen horen (tel. 1247 of 3380).

* * *

CHRISTELIJK ONDERWIJS TE NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

H. Hille

De stichting van de eerste school met de Bijbel

Voorspel
De afgescheidenen, later christelijk gereformeerden en nog later gereformeerden geheten, staan bekend als voorstanders en oprichters van Scholen met de Bijbel. Onder hen werden ook te Nieuwleusen aan het eind van de vorige eeuw voorstanders van christelijk onderwijs gevonden. Bij het volkspetitionnement van 1878 tekenden in Nieuwleusen 57 personen, die voor 27 schoolgaande kinderen tussen 6 en 12 jaar hun begeerte voor dat onderwijs kenbaar maakten. Deze zagen zich echter geplaatst enerzijds voor de kerkelijke verdeeldheid en anderzijds voor een na-ijver tussen de kernen Nieuwleusen en Den Hulst.
Rond 1890 werden er in Nieuwleusen drie kerkgenootschappen gevonden, te weten: de oude Nederlandse Hervormde Kerk, de Christelijke Gereformeerde Gemeente en de Nederduitsch Gereformeerde Gemeente. Vanuit beide laatste gemeenten werden pogingen ondernomen om tot de oprichting van een School met de Bijbel te komen. Helaas trok men niet gezamenlijk op. In 1890 vergaderde de christelijke gereformeerde predikant H. Louman Beyer met enige hervormden. Het kwam toen tot de oprichting van een Vereniging voor onderwijs op gereformeerde grondslag.
Om aan het streven van de nieuwe vereniging meerdere bekendheid te geven, werd docent Wielenga van de Theologische School van Kampen uitgenodigd een "opwekkingsrede" in de Christelijk Gereformeerde Kerk te Nieuwleusen uit te spreken. Door het vertrek naar elders van zowel ds. Louman Beyer als de hervormde ds. Steenbeek, bloedde het gezamenlijk initiatief dood.

Een nieuwe poging
Van dolerende zijde werd een klein jaar later actie ondernomen. Op 26 januari 1891 werd door hun een Vereniging voor Lager Onderwijs op gereformeerde grondslag te Nieuwleusen opgericht. De drie dagen later opgestelde uit zeven artikelen bestaande statuten, werden op 21 mei door H.M. koningin-regentes Emma goedgekeurd. Het bestuur van de vereniging bestond uit H. Waterink (voorzitter), J. Guichelaar (penningmeester), K. Snijder (secretaris), W. Bosman en L. Hetebrij.
Dit bestuur trachtte langs allerlei wegen gelden voor een zogenaamd schoolfonds bijeen te brengen. Aan de kerkeraad van de Gereformeerde Kerk vroegen ze in oktober 1894 een bus aan de kerkdeur voor dit doel te mogen plaatsen. Na rijp beraad willigde de kerkeraad dat verzoek niet in, aangezien er reeds voor veel doeleinden gecollecteerd moest worden, en er op de realisering van een christelijke school in de nabije toekomst weinig uitzicht was. Wel drong de predikant, ds. E.L. Harkema er bij de kerkeraad op aan zich als leden van de vereniging te laten inschrijven "opdat het fonds gesteund en er meer belangstelling getoond worde in deze hoogst gewichtige zaak". Toen dan ook twee jaar later het kerkgebouw gevraagd werd voor een spreker, die een opwekkend woord voor gereformeerd schoolonderwijs wilde spreken, werd dit zonder discussie toegestaan. Christelijk onderwijs bleef in die jaren te Nieuwleusen een zaak voor gereformeerden. Toen een lid van de schoolraad in 1899 eens informeerde of er in samenwerking met de hervormden geen mogelijkheid bestond een christelijke school op te richten, luidde het antwoord dat die samenwerking ettelijke keren beproefd was, maar steeds afgestoten was op onwil van hervormde zijde. Ook in latere jaren werd herhaaldelijk beproefd de hervormden bij de schoolstichting te betrekken. Zelfs was men bereid de statuten daarvoor aan te passen en bestuurszetels aan hen toe te kennen. Nadat de vereniging in 1907 grond gekocht had, werd een dergelijk aanbod nog eens herhaald. Doch met een enkele uitzondering bleken de hervormden in die jaren niet bereid op het terrein van christelijk onderwijs met de gereformeerden in zee te gaan.
Het kapitaal van de vereniging groeide slechts langzaam. In 1902 -elf jaar na de oprichting van de vereniging- bedroeg het bedrag, bijeenverkregen uit contributies en collecten, slechts ƒ 549,16.

Onder ds. E.L. Harkema
In 1903 werd de christelijk gereformeerde ds. Harkema in het bestuur verkozen. Bij de verdeling van de functies vertrouwde men hem de voorzittershamer toe. Er kwam nu in de zaak van de schoolstichting wat beweging. In de eerste plaats werd de naam van de vereniging na ingewonnen advies veranderd in "Vereniging van Christelijk Nationaal Schoolonderwijs".
Gehoopt werd dat door deze naamsverandering het vooroordeel van vele hervormden zou kunnen worden weggenomen. Verder werden voor de nieuwe vereniging statuten opgesteld die bij koninklijk besluit van 30 juni 1903 werden goedgekeurd.
Vervolgens werden de mogelijkheden om tot schoolstichting te komen duidelijk op een rij gezet. De verwachting was dat de School met de Bijbel bezocht zou worden door ongeveer dertig kinderen. Daarvoor had men een schoolgebouw met twee lokalen nodig. De kosten van dit schoolgebouw met een eenvoudige woning werden geschat op 5 à 6000 gulden. Voor het aan te stellen hoofd kon men van het rijk een subsidie van ƒ 360,- per jaar tegemoet zien, terwijl voor een onderwijzer ƒ 260,- vergoed werd. De rest moest uit eigen middelen betaald worden.
Ondanks deze weinig opwekkende bedragen pakte het bestuur onder leiding van ds. Harkema door. In 1904 ging men met een intekenlijst de gemeente door. Op deze lijsten werd voor een bedrag van ƒ 1200, - ingetekend. Verder verzocht het bestuur via de kerkeraad aan de classis van Ommen van de Gereformeerde Kerken, in de classiskerken voor een christelijke school te Nieuwleusen te willen collecteren.
De volgende stap was het verkrijgen van een stuk grond waarop de school gebouwd zou worden. Door loting werd uitgemaakt dat te Nieuwleusen naar grond gezocht zou worden. Daar het bestuur grote tegenwerking bij de grondaankopen verwachtte, verzochten ze J. Kragt, die geen bestuurslid van de schoolvereniging was, voor hun als koper op te treden. Deze kocht van A. de Boer grond voor de som van ƒ 600,- (waar nog ƒ 61,25 aan onkosten bijkwam). De vereniging had in die tijd ongeveer ƒ 800,- in kas, zodat er na de grondaankoop weinig meer overbleef. Het bestuur gaf de moed niet op, integendeel, ze benoemden alvast de heer Ganzevoort, een onderwijzer uit Zwolle, tot hoofdonderwijzer van de te stichten school. De ledenvergadering van februari 1908 achtte deze handelswijze toch wel enigszins voorbarig. Bovendien had ze liever gezien dat er een normale sollicitatieprocedure was gevolgd. Wel betuigde ze haar instemming met de door het bestuur verstrekte opdracht aan de Zwolse architect Post om een voorlopig bestek en tekening te maken voor de som van ƒ 6.000,- . Doch dit was een heel bedrag. Als daar de intekengelden afgetrokken werden, bleef er nog ƒ 4.800,- te financieren over. En daar hadden de bestuursleden niet dadelijk een oplossing voor. Het gekochte stuk land bleef dan ook voorlopig nog ongebouwd. Wel werd het opgehoogd met zand, dat verkregen werd bij schoenmaker Jan Kleen, die tegenover het bouwterrein woonde.


De school, met links de hoofdenwoning, zoals die uiteindelijk in 1911 gebouwd zou worden aan het Westeinde. De school deed dienst tot 1969 , waarna het gebouw door de fa. Ten Kate in gebruik werd genomen als opslagplaats.

Waar moet de school komen?
Voor het bouwen van de zo begeerde school ontbraken niet alleen de financiën, maar ook de zo benodigde eensgezindheid was ver te zoeken. De na-ijver tussen Nieuwleusen en Den Hulst speelde ook een rol mee. Vanuit Den Hulst kwam de kritische vraag waarom Nieuwleusen eerder een school moest hebben dan Den Hulst. En hoewel bestuursleden de heren uit Den Hulst voorhielden dat er in Nieuwleusen een aangekocht terrein lag en dat het onmogelijk was om twee scholen tegelijk te bouwen, bleef de kritiek vanuit Den Hulst aanhouden.
Zelfs bleef dit het geval toen het bestuur toezegde, dat wanneer er in Den Hulst een geschikt terrein voor een schoolgebouw te koop kwam, het gekocht zou worden.
Het was de bedoeling van het schoolbestuur om na de realisering van een School met de Bijbel te Nieuwleusen, ook de stichting van een dergelijke school in Den Hulst na te streven, hoewel het bestuur de kans op de realisering van de tweede school op korte termijn niet groot achtte.
In Den Hulst was men kennelijk dezelfde gedachte toegedaan en drong men op de jaarvergadering van 17 februari 1908 aan op een boedelscheiding, zodat ieder op eigen kracht verder kon werken. Hoewel het bestuur en de meerderheid van de ledenvergadering daar aanvankelijk niet voor voelden, zag het bestuur na korte tijd in, dat dit de enige manier was om uit de gerezen problemen te komen. Na op verschillende vergaderingen over deze zaak gesproken te hebben, ging men uiteen en werd er een financiële regeling getroffen, waarbij het bestuur de inmiddels opgerichte zustervereniging in Den Hulst zoveel mogelijk tegemoet kwam. Uiteindelijk werd ongeveer 40% van het in de loop der jaren bijeengebrachte geld aan de vereniging in Den Hulst uitgekeerd.

Nog meer problemen
Alzo kende de gemeente Nieuwleusen aan het eind van 1908 twee verenigingen die precies hetzelfde doel nastreefden, alleen met dit verschil, dat de één de school te Nieuwleusen en de ander in Den Hulst wilde gevestigd zien. De realisering van deze wens scheen verder dan ooit, mede omdat het oude schoolbestuur ook nog in andere moeilijkheden was geraakt.
Voortvarend als het bestuur was, had het door architect Post een tekening en bestek laten maken. Zelfs schijnt een soort aanbesteding van het werk te hebben plaatsgevonden, doch toen het op gunning aankwam, liet het bestuur, dat het financieel toch niet aandurfde, het afweten. Wel was het terrein bouwrijp gemaakt. Daarin zag de architect het begin van de uitvoering en maakte vervolgens aanspraak op het volle bedrag dat als loon berekend mocht worden. Na juridisch advies ingewonnen te hebben bij Mr. H. van de Vegte besloot het bestuur de vordering van de architect te voldoen.

Wordt vervolgd.



Jaargang 4 nummer 4 december 1986

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

DRIE KLEINE HUISJES _________________________________________________________

M. van Roozelaar

Drie kleine huisjes die stonden in een rij. Deze zinspeling op een oud liedje zouden we kunnen gebruiken wanneer we het over een drietal oude huisjes hebben die nabij de vroegere Sluis III stonden. Stonden, want helaas is dit drietal afgelopen zomer afgebroken. Daarmee is er weer een stukje "oud Nieuwleusen" verdwenen.
De huisjes werden ongeveer 150 jaar geleden gebouwd door Jan Willem Baron van Dedem. Hij woonde op De Rollecate en zal de woningen gebruikt hebben om er zijn personeel in onder te brengen. Later zijn de huisjes verkocht.
Ongeveer 70 jaar geleden woonde in het huis aan de oostkant Simon Houwer. Hij was kleermaker en postbode. Fietsen kon hij niet en daarom droeg hij de postzak steeds op de rug. Simon was de vader van de latere postbode Jan Houwer.
In het middelste huisje woonde Brinkman, die zijn kost verdiende met het venten van petroleum.
Het huis aan de westkant diende tot woning van Van Holten. Zijn vrouw Aaltje ging bij Van Dedem melken. Verder woonden er nog de klokkenmaker Bosgraaf en Jacob Gijssen (knippen en scheren).
Nog meer namen van personen die in één van de drie huisjes woonden zijn: Arendina Mulder-Kappert; G.J. Wink; J. Roo; Kl. Borger; W. Brinkman die getrouwd was met Joh. Gijssen; W. Bruggernan en G.J. Schiphorst.
De laatste jaren stonden twee van de drie woninkjes al leeg. Nadat ook het laatste huisje was ontruimd, behoorden de oude percelen Den Hulst 170, 172 en 174 al snel tot het verleden. Bij het uitgraven van de bouwput voor de nieuw te bouwen woningen werden een tweetal handgevormde kruikjes gevonden, waarin zich een melkachtige substantie bevond. Beide kruikjes hadden als merkteken een cirkel waarin het woord Selters en een leeuwtje.

De huisjes in 1985

* * *

CHRISTELIJK ONDERWIJS TE NIEUWLEUSEN II _________________________________________________________

H. Hille

De stichting van de eerste School met de Bijbel

Een nieuwe impuls
Inmiddels was ds. Harkema in 1907 wegens bekomen emeritaat vertrokken naar Zwolle. In de persoon van zijn opvolger, ds. S. de Vries, vond het bestuur een militant strijder voor christelijk onderwijs. Ds. De Vries was naar Nieuwleusen gekomen in de veronderstelling dat hij het volgende jaar zijn oudste kind naar een School met de Bijbel zou kunnen zenden. Van de consultant ds. Lamers van Avereest hoorde hij echter de verdeeldheid en de spanningen op het terrein van zijn gemeente. Hij nam zich voor in het belang zowel van zijn eigen kind als dat van de kinderen in zijn gemeente niet eerder te rusten voor althans de school te Nieuwleusen gerealiseerd was.
Welnu in Nieuwleusen had men geen ijveriger propagandist kunnen vinden dan ds. De Vries. Hij was de juiste man om het enigszins gedesillusioneerde schoolbestuur weer tot daden aan te zetten. Daarbij ging de predikant zelf voorop. Onder zijn leiding, hij was in januari 1909 voorzitter van het schoolbestuur geworden, werd besloten opnieuw met een intekenlijst rond te gaan om te weten op hoeveel geld voor de schoolbouw gerekend kon worden. De rondgang vorderde nogal wat tijd. Ondertussen was het bouwterrein met daarop een bouwvallige woning een aanfluiting. De tegenstanders van het christelijk onderwijs dreven ook de spot met de pogingen van het schoolbestuur. Zo voegde Frowijn, het hoofd van de openbare school in het Oosteinde, ds. De Vries eens spottend toe, terwijl ze samen van de tramhalte naar huis liepen: "Zeg dominee, wanneer gaat U eens bouwen? Want ik heb kinderen teveel!"
Het schoolbestuur had inmiddels contact gezocht met de heer Duijmaer van Twist, het A.R. tweede kamerlid voor Steenwijk. Mede door zijn bemiddeling en die van dr. J. Woltjer werd een toezegging voor hypothecaire steun door het schoolbestuur van de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs verkregen. Er zou nu voortgewerkt kunnen worden wanneer er tenminste voldoende kapitaal uit eigen kring kon worden bijeen gebracht. Van de eigen gemeente kon dit niet verwacht worden. De gemeente Nieuwleusen had er financieel nooit goed bijgezeten. Bovendien was de steun voor deze zaak in de gemeente niet een onverdeelde. Nog in 1911 wees de Gereformeerde Kerk het verzoek van het schoolbestuur om tijdens de zondagse diensten een derde collecte te bestemmen voor het christelijk onderwijs af met als motivatie dat de gemeente er nog niet rijp voor was. Pas nadat de kerkeraad gevraagd was één van de bestuurszetels te willen bezetten, werd in januari 1914 besloten twee bussen te plaatsen bij de uitgangen van de kerk.

Collecte tochten
Ds. De Vries vatte daarom in 1911 het plan op om in het gehele land giften voor een School met de Bijbel te Nieuwleusen te gaan vragen. De eerste die de predikant voor dit doel wat geld ter hand stelde was zijn vader. Daarna heeft hij stad en land afgereisd om te collecteren. Dat bracht nogal wat moeilijkheden met zich mee. Op zondag en maandag moest de predikant in Nieuwleusen aanwezig zijn; op zondag voor het leiden van de kerkdiensten en op maandag voor het ziekenbezoek en de catechisaties. Daarom bleef er voor zijn collectetochten de tijd van dinsdagmorgen tot donderdag of vrijdag over. In een ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de school uitgesproken herdenkingsrede vertelde ds. De Vries over deze tochten het volgende:
"Soms werd ik wel eens moedeloos. Bijvoorbeeld op een ochtend ging ik van Velp naar Arnhem, alle adressen bezoekend die daarvoor in aanmerking kwamen -en toen ik de Velperpoort bereikt had- had ik nog geen halve cent ontvangen. Soms werd beleefd geïnformeerd naar hen, die deze zaak hadden aanbevolen; de namen opgeschreven om te onderzoeken -maar het voor mij gunstige resultaat bleef uit. Van onheuse behandeling zou ik U staaltjes kunnen geven; soms door personen die in de pers geprezen werden om hun werk voor het christelijk onderwijs. Maar liever vertel ik U iets anders. Ik denk aan mijn collecte


Ds. S(imon). de Vries, gereformeerd predikant te Nieuwleusen, 1908-1912.

in Maassluis. Eén der broeders verwijst mij naar een ander adres in zijn buurt, mij niet door de plaatselijke dominee opgegeven. Toen ik er kwam, zei de vrouw: "Dominee, wij hebben zondag in de kerk van Uw komst gehoord. Maar wij zijn arm en kunnen niet geven. Maar onze kinderen hebben ons gevraagd of zij dan niet uit hun spaarpot mochten geven voor die school." -Dien gulden heb ik met grote dankbaarheid aanvaard. Ik ben er door gesterkt, meer dan door een grotere gave van anderen.
Zo ging het mij ook in Steenwijk. Ik had een vakantiezondag bestemd om daar te preken. Dien dag werd de op maandag aan de huizen te houden collecte aanbevolen. Onderwijl de broeder, bij wie ik logeerde, met mij de stad rondging, kwamen twee behoeftige weduwen der gemeente ieder een dubbeltje aan zijn huis brengen om aan mij te overhandigen. Is dat niet treffend?

Ik kan dus gerust zeggen, dat voor de bouw van Uw school ook het "penninkske der weduwe" is geofferd."

Laatste voorbereidingen
Na een half jaar was het startkapitaal van de vereniging aangegroeid tot ƒ 3.385,-. Daar kwam nog een legaat van ƒ 100,- van wijlen H.J. Tempelman bij. Hieruit werd aan de schoolvereniging van Den Hulst ƒ 25,- uitgekeerd. Bij het opmaken van een nieuwe kostenraming kwam men thans voor een school en hoofdenwoning tot een bedrag van ƒ 7.000, . Nu werd aan architect P.G. Mos uit Dwingeloo opgedragen een bestek en tekening te maken.
In 1911 kon aannemer J. Hof uit Assen onder toezicht van de Dwingeloose architect met de bouw beginnen. In augustus 1911 was de bouw zover gevorderd dat er een advertentie voor een hoofd der school geplaatst kon worden. Een maand later werd uit een geselecteerd vijftal de heer J.W.P. Valk te Bussum als zodanig benoemd. De hoofdonderwijzer werd een salaris van ƒ 1.000,- per jaar in het vooruitzicht gesteld, waarvan hij zelf de verplichte pensioenpremie van ƒ 70,- per jaar moest betalen. Verder kon hij beschikken over een vrije woning met een behoorlijke tuin. Hoewel de heer Valk gereformeerd was, lag het niet in de bedoeling van het schoolbestuur van de School met de Bijbel een gereformeerde school te maken. Nog steeds werd gehoopt op deelname van de hervormde zijde. Met het oog daarop werd besloten een advertentie te plaatsen voor een onderwijzeres van gereformeerde beginselen, waaraan toegevoegd zou worden "liefst Nederlands Hervormd"'.
Bovendien moest ze de bekwaamheid bezitten om nuttige handwerken te geven. Benoemd werd mejuffrouw A.M. van Zuijlen op een salaris van ƒ 500,- per jaar.

Schoolopening
Op dinsdag twee januari 1912 vond de opening van de nieuwe tweeklassige school plaats. 's Morgens om tien uur waren de belangstellenden in zo'n grote getale sarnengekomen, dat velen in de gang een plaats moesten vinden. Ds. De Vries had de leiding op deze dag. In zijn openingswoord herinnerde hij eraan hoe men te Nieuwleusen reeds meer dan twintig jaar over een christelijke school gedacht en gesproken had, maar wegens gebrek aan bouwkapitaal niet bij machte was geweest tot schoolstichting over te gaan. Doch dankzij de collectearbeid van de voorzitter had de school gebouwd kunnen worden, zonder dat er een al te zware schuldenlast op de vereniging rustte. Voorts ging de predikant uitvoerig in op de relatie tussen de opvoeding en onderwijs; dit vanwege het onbekend zijn van velen in deze omgeving met de materie. Nadat in de pauze de kinderen "onthaald" waren, spraken nog dr. C.C. Schot uit Hardenberg, namens de districtsraad der Vereniging voor CNS, en het schoolhoofd, de heer Valk. De voorzitter sloot de vergadering met de opmerking wel dankbaar, maar niet voldaan te zijn. Immers tegen vier openbare scholen was er slechts één christelijke school, terwijl er met het oog op de enorme afstanden dringend behoefte bestond aan een tweede christelijke school in Den Hulst.
Op de dag van de opening van de school stonden reeds zestig leerlingen ingeschreven, terwijl op de eerste eigenlijke schooldag dat aantal steeg tot zevenenzestig. Dat was boven verwachting. Aanvankelijk was het bestuur uitgegaan van dertig leerlingen, terwijl het later meende te kunnen rekenen op een dertig à veertigtal.
Uit dankbaarheid voor het vele werk dat ds. De Vries voor de schoolstichting had gedaan, bood het schoolbestuur hem, na de gemeente met een lijst te zijn rondgegaan, een bedrag van ƒ 50,- aan. De predikant kocht hier een viertal werken van professor H. Bavink voor. Lang zou hij de voorzittershamer niet meer hanteren. In de vergadering van 18 oktober 1912 nam hij afscheid van het bestuur wegens vertrek naar Nieuw-Dordrecht. Zijn plaats werd ingenomen door de heer P. Bouwman, die van oktober 1912 tot februari 1924 deze functie zou waarnemen.

* * *

HET BEGON MET PETROLEUM VAN "DE AUTOMAAT" _________________________________________________________

De geschiedenis van Olie- en Gashandel Oosterveen gaat terug tot 1900. Toen begon de grootvader van de tegenwoordige eigenaar met een handel in petroleum voor de maatschappij "De Automaat", de vroegere benaming voor Esso. Een hondenkar was voor Albert Oosterveen het eerste transportmiddel waarmee hij toen in en rond Dedemsvaart olie voor lampen en petroleum aan de man bracht. Kort na het begin verhuisde de familie naar Nieuwleusen.
Grootvader Oosterveen was gedwongen om in de oliehandel te stappen want fabriekswerk had zijn gezondheid aangetast en om meer frisse lucht te krijgen, ging hij toen de weg maar op. Toen zijn zoon Berend 17 jaar oud was, nam deze het werk van zijn vader over en zette de verkoop van petroleum van "De Automaat" voort. Inmiddels was er een paard en wagen aangeschaft en tobde Oosterveen daarmee over de vele zandwegen van het platteland van Overijssel. Werd het te zwaar voor het paard, dan was


Albert Oosterveen met paard en wagen van "De Automaat".

er altijd nog een door zijn broer Harm bereden transportfiets voorhanden, om daar verder mee op pad te gaan met voorop de kleine blikjes van vier of tien liter petroleum. Het paard en de wagen waren toen nog van de maatschappij en elke venter kreeg om die reden dan ook een voedertoelage van een paar gulden van "De Automaat" om het edele dier zo van haver te voorzien. In de jaren v6ór en na de oorlog versleet Berend Oosterveen wel een paar paarden. Pas in 1952 kwam de eerste vrachtwagen in dienst. Een echte vrachtwagen was het eigenlijk niet; het was een oude A-Ford waarvan de voor de passagiers bestemde achterkant was verwijderd. Hiervoor in de plaats kwam een houten vlonder, waarop de olie en petroleum in blikken en in een groot vat werden vervoerd. Kort daarna kwamen ook de eerste tractoren op de boerderij en daarmee steeg ook de vraag naar trekkerpetroleum. Berend Oosterveen verkocht overigens niet alleen olieproducten; hij bracht ook petroleumkachels en -stelletjes voor in de keuken aan de man. Bij verscheiden mensen staan ze nog op zolder, die kacheltjes met de naam "Valor" en “Valor Minor".
In 1960 nam Oosterveen de eerste tankwagen, die voorzien was van een vloeistofmeter, slangen en een pomp, in gebruik. De tweede tankwagen werd in 1964 afgeleverd en daarmee kwam ook de zoon en tegenwoordige eigenaar Klaas Oosterveen in het bedrijf. Enkele jaren later werd ook de verkoop van propaan- en butaangas ter hand genomen, waarna het bedrijf tot zijn huidige omvang uitgroeide.

* * *

ERRATA _________________________________________________________

Het is ons gebleken dat er in het maartnummer een paar namen niet juist zijn vermeld. Op blz. 15 dient U bij nr. 16 te lezen Berend van der Haar en op blz. 19 bij nr. 5 jan Thijs Huzen.
(dit is in de tekst verbeterd.)

* * *

DE JONGELINGSVERE-NIGING "REHOBOTH" _________________________________________________________

Als groepsfoto kozen we dit keer voor een foto van de jongelingsvereniging " Rehoboth". De foto werd omstreeks 1930 gemaakt. Het juiste jaar hebben we niet kunnen achterhalen.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  

Jan van Duren
Klaas Brinkman
Geert Evenboer
Albert Katoele
Klaas Dunnink
Jan Thijs Kragt
Paul Bloemhof
Jan Wink
Arend de Boer
Albert Santing
Arend Hekman
Hendrik Visscher

13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  

Albert Kok
Hendrik Jan Seine
Derk Kleen
Arend van Ankum
Jan Willem Pot
Gerrit Jan van Ankum
Jan Borger
Hendrik Brinkman
Cornelis van Donkersgoed
Derk Dunnink
Jan Katoele
Berend Jan Witpaard

* * *

DE AANLEG VAN DE WEG VAN GRASHEKKE NAAR LICHTMIS _________________________________________________________

In de "Overijsselsche Almanak voor oudheid en letteren voor 1853" is een uitgebreid artikel te vinden over de wegverbindingen van Zwolle naar het noorden van ons land. Oorspronkelijk ging het verkeer via Hasselt, Rouveen (Stadsweg) en Staphorst naar Meppel. Door het verplaatsen van Staphorst en Rouveen zou er in 1634 ook een andere, kortere verbinding met Rouveen komen. De episode die over de aanleg van deze weg handelt, nemen we hieronder over.

De stad Zwolle konde nog niet anders uit Groningen, Drenthe en Friesland, te lande genaderd worden dan over Hasselt. Niet veel vroeger dan de aanleg van den stadweg werd Zwolle door Bisschop Rudolf van Diepholt begiftigd met de landstreek die Ruete. Omstreeks dien tijd zal dan ook eerst de weg van den Ordel of den Vechtdijk bij de Ordelerzijl door de route langs de Hermelijn tot aan Dalfsen zijn aangelegd. Tot zoo ver was dus reeds de weg gebaand, maar om van af het thans nog bekende grashek te Rouveen te komen, bestond geene gelegenheid. De lage gesteldheid der landstreek en de wildernissen verhinderden eene aansluiting van den weg van de route langs de Hermelijn op Dalfsen aan den weg te Rouveen, toen nog gelegen ter plaatse, later het olde benedenpat of de olde dyck genaamd.
Dan nadat de ingezetenen van Rouveen en ook van Staphorst in de 17e eeuw begonnen waren gemelden olden dyck te verlaten, door het meer binnenwaarts plaatsen der woningen, waar langs zij nu eenen derden nieuwen weg daarstelden, zoo werd de gelegenheid der aansluiting van den Zwolschcn weg aan dien nicuwen weg door Staphorst en Rouveen meer gemakkelijk gemaakt en beproefde toen de Magistraat van Zwolle om dien weg tot de Ligtmis (te dier tijd bekend onder den naam van Pannenhuis) door te trekken. Daartoe moest men handelingen aanknoopen met de Ingelanden van dc Rosengaarder marke, welke daarop de voorwaarden instelden, waarop zij aan de Magistraat van Zwolle den aanleg van den weg accordeerden. Het stuk voert de dagteekening van 12 Augustus 1634 en luidt als volgt.
Cope conditien waarup de erfgen. van den Rosengaarder an de stat Zwolle willen vergunnen enen wegh over den camp.
l. Eerstelyck dat de stadt denzelven wech ofte dyck ewelick und erflicke buyten enighe costen van de erfgen. sal onderholden.
2. It. dat in den selvigen dyck twee bruggen gelecht sullen worden, daer het alder bequaemste bevonden sal worden dat water synen doorganck sal kunnen nemen, als oock om dat de biesten voor yeder an de melencamp sullen moghen passieren ende doorgaen, welcke bruggen lank sullen syn 3 roeden, oock sullen ghelecht ende onderholden worden buyten costen ofte lasten van de crfgen.
3. Dat daer een duykertien tendens den wech naer Rouveene gheleght sal worden, waerdurch dat water van den tochtsloot sal kunnen passieren.
4. lt. dat daer twee bruggen met twee hekken ouver beyde grauens elcker syde van den wech gelecht sullen worden om dat hoy wth den lande te brenghen.
5. lt. dat de erfgen. unde ingesetenen meyeren met wagens, peerden unde biesten desen wech sullen moghen ghebruycken sonder tol ofte wechgelt.
6. lt. by aldien mocht bevonden worden dat desen wech ofte dyck an de merckte van den Rosengaerden schadelick moghte syn, sal dc stadt deseluc altyt gehouden syn te remydyeeren offte by faute van dien sullen de vurss. erfgen. Sich seluen regt ende middelen moghen gebruyken.
7. It. voor dese vergunning sal de Stadt an die erfgen. betalen.
Hiermee eindigt dit stuk. Op den rug staat: "deze binnen geschreven conditien syn op den 12 augustus 1634 van de erfgen. an die gedeputeerde van de stadt Zwolle voorgelesen, die daer op geantwoort hebben an de principalen t selue te willen relateren en t antwoort te laten toecomen".
In hoeverre de Magistraat van Zwolle aan deze conditien heeft voldaan, is niet verder gebleken. Doch zeker gaat het, dat de weg is daargesteld, en dat dienaangaande reeds kort daarna disputen gerezen zijn, alzoo uit een convocatiebrief van den Erfmarkenrigter van de Rosengaarder marke, van 17 Mei 1637, onder andere punten van beschrijving ook vermeld staat onder het eerste punt: "'Om satisfactie te bekomen wegens den nygegraven dyck so die van Zwolle door de mele hebben gelegt."
De aanleg van dezen weg was zeer tegen den zin van de Regering der stad Hasselt; als mede geërfde van de Rosengaarder marke deed zij daartegen wel protest antekenen, doch zonder gevolg en moest de stad Hasselt zulks dan ook met leede oogen blijven aanzien.

* * *

DE DAMES BACKX _________________________________________________________

J. de Lange-Van Dorsten

Onderstaande foto werd in augustus 1926 gemaakt van mevrouw Backx-van Dort en twee van haar dochters. Mevrouw Backx was getrouwd met de toenmalige burgemeester en was ten tijde van de foto 38 jaar. Haar dochter Mieke (links) was toen 15 en Jopie 13.


Mieke Backx trouwde met Wim Udo. Hij was notaris te Den Haag. Na zijn pensionering nam het echtpaar Udo zijn intrek in een verzorgingsflat in Doorn.
Jopie Backx trouwde met een zekere Huges, die planter van beroep was. Na hun trouwen vertrok het echtpaar Huges naar Indië. Later kwamen ze naar Nederland terug, waarna Huges op het kantoor van Tomsons havenbedrijven in Rotterdam ging werken. Na zijn pensionering gingen beiden in Ouderkerk op Schouwen Duivenland wonen.

* * *

EEN VOOGD IN MOEILIJKHEDEN _________________________________________________________

B. van Duren

Voor het gebeuren gaan we terug naar het eind van de achttiende eeuw. Als we de volkstelling van 1795 raadplegen, zien we dat in het Oosteinde van Nieuwleusen een jonge boer, genaamd Hendrik Kragt, met zijn gezin woonde. Een paar huizen verder was Jan Evertsen, vermoedelijk een oom van moederszijde van Hendrik Kragt, met zijn familie gehuisvest. De verstandhouding tussen Kragt en Evertsen was niet zo erg goed. Wat was daarvan toch wel de oorzaak?
Hiervoor gaan we nog even verder terug en wel naar het jaar 1776. Toen waren Klaas Hendriks Kragt en zijn vrouw Aaltjen Claes (vermoedelijk Evertsen) uit de tijd geraakt. De achtergebleven kinderen Harm, Jan, Klaas, Hendrik, Aaltjen en Cornelis kregen voogden toegewezen. Eén daarvan was (oom?) Jan Evertsen. Tot zover ging het allemaal goed.
Het zal in die dagen wel precies zo geweest zijn als tegenwoordig: kleine kinderen, kleine zorgen en grote kinderen, grote zorgen. Hoewel er destijds toch wel een en ander op papier werd vastgelegd, kan men toch niet verwachten dat door eenvoudige boerenmensen een volledige boekhouding werd bijgehouden. Veel zaken werden mondeling geregeld. Het was om zo te zeggen steeds een vertrouwenskwestie. Nu zijn mondelinge overeenkomsten allemaal mooi zolang er vriendschap is. Maar mensen zijn ook wel eens achterdochtig en dan kan er weleens een kwaad woord vallen. De tegenpartij neemt zulks niet en het is maar al te waar: de oorlog begint in een gezin of familie.
Meestal zijn het materiële belangen die de oorzaak van een dergelijke twist zijn. En zo zal het in deze zaak ook wel gegaan zijn.
Het is 4 februari 1796 wanneer drie broers Kragt, Jan, Klaas en Hendrik, op weg gaan naar het "Scholten-Gerigte" in Dalfsen. Hun oudste broer, Harm, gaat niet mee. In Dalfsen ontmoeten ze procureur Mr. H.N. Grevenstein uit Zwolle. Hij zal namens hen een klacht indienen tegen voogd Jan Evertsen. Deze wil namelijk van zijn voogdijschap worden ontheven. De drie broers kunnen daarmee voorlopig niet instemmen, omdat er, volgens hen, met rekeningen is geknoeid en er eigendommen zijn achtergehouden. Ze willen opzegging van het voogdijschap alleen aanvaarden wanneer alles naar recht geregeld is. Voogd Jan Evertsen, die ook aanwezig is, beweert dat zijn pupillen steeds datgene hebben ontvangen waar ze recht op hadden. Hij komt zelfs met een bewijsstuk voor de dag dat door de niet aanwezige broer Harm Kragt is ondertekend. Zijn wens om te worden ontheven van zijn verplichtingen als voogd, wordt nogmaals herhaald. Daarna komen de gebroeders weer aan het woord. Ze zeggen met de beweringen van hun voogd geen genoegen te kunnen nemen. De overgelegde rekeningen vinden zij verward en onvoldoende. De broers voelen zich, hoe ongaarne ook, genoodzaakt deze weg te bewandelen om datgene te verkrijgen wat hun toekomt.
Hierna vraagt de voogd aan de gebroeders om hem op te geven wat er is achtergehouden. En dan blijkt het volgende. Bij mondeling contract is overeengekomen dat de erfenissen van de in 1794 en 1795 overleden zuster Aaltjen en broer Cornelis onder de andere 'kinderen zullen worden verdeeld. Verder heeft Hendrik Kragt nog recht op huur van enige jaren van het hooiland dat bij zijn vader in gebruik geweest is. Verder ontbreken de zilveren krappen (sluitingen) van een boek. De gebroeders verwachten dat hun voogd geen bezwaar zal maken het ontbrekende aan te vullen. Bij weigering zullen ze zich genoodzaakt voelen zodanig te handelen als de wetten van de provincie het hun aan de hand geven.
Voogd Jan Evcrtsen doet daarna de belofte om over veertien dagen de rekeningen en alle verdere stukken, voorzover hij als voogd verplicht is, bij het Scholten-Gerigte over te leggen.
Wanneer veertien dagen later, op de 18e februari 1796, Hendrik Kragt in gezelschap van Mr. H.N. Grevenstein in Dalfsen verschijnt, blijkt dat de voogd niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Hem wordt nog een keer veertien dagen de tijd gegeven. Wel is hij verplicht om de gemaakte kosten van het vergeefse bezoek te betalen. Uiteindelijk schijnt alles toch naar wens opgelost te zijn. In een schrijven van 16 juli 1810, waarin de verplichtingen van Hendrik Kragt en zijn tweede vrouw ten opzichte van de kinderen uit zijn eerste huwelijk zijn vastgelegd, wordt zelfs gesproken over een Bijbel met zilveren krappen. We nemen aan dat dit het bedoelde boek was waar destijds de krappen van ontbraken.
Hoe de verhouding tussen de families Kragt en Evertsen na deze onverkwikkelijke gebeurtenis is geweest, is niet bekend. De tijd heelt alle wonden. Het is dan ook goed te vernemen dat op 26 april van het jaar 1845 in het huwelijk zijn getreden: Derk Hof, kleinzoon van jan Evertsen en Klaasje Kragt, kleindochter van Hendrik Kragt. De beide hoofdpersonen uit ons verhaal, Jan Evertsen en Hendrik Kragt, waren er toen al lang niet meer.



* * *

IN DE KRANT GELEZEN _________________________________________________________

Nieuwleusen, 26 mei (1918). Door den burgemeester zijn 1800 eieren in beslag genomen, die boven de maximumprijs werden verkocht.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES IV _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

Wij zijn U de oplossing van het raadsel uit het september- nummer nog schuldig. Hoewel velen dachten dat het een ooievaar was, gaan een paar klompen daags van klipperdeklap en staan ze 's nachts voor het beddegat.

Hier het nieuwe gezegde met daaronder de vertaling.
Un oarig mâgien en 'n wol 'n schulk blieft altied wel erg'ns an hoaken. 1. Kleen Een aardig meisje en een wollen schort blijven altijd wel ergens aan haken.



* * *

INHOUD VAN DE VIERDE JAARGANG _________________________________________________________

blz.
1  
3  
 
11  
12  

21  
25  
26  
29  
31  
32  
33  
36  
37  
 
43  
44  
46  
47  
47  
53  
54  
59  
60  
61  
62  
64  
65  
67  
68  
68  

 
Muziekverenigingen in Nieuwleusen
Crescendo

't Winkeltien
De Broederband
 
Zestig jaar huwelijkslief en -leed
Met Klaasje Kreulen op de foto
Iets over de Marke Rosengaerde
Met volle vaart
Nijlusens lietien
Een oude schooltoto III
Reglement der zangvereniging te Ruitenveen,
Nieuwleusener gezegdes II
Het ontbtaan de Leusener vervenings-
cornpagnie
Een meisjesclub
Bijgeloof
Nieuwleusener gezegdes III
Wie is deze onbekende Nieuwleusener jongedame?
Christelijk onderwijs te Nieuwleusen
Drie kleine huisjes
Christelijk onderwijs te Nieuwleusen II
Het begon met petroleum van “De Automaat”
Errata
De jongelingsvereniging “Rehoboth”
De aanleg van de weg van Grashekke naar Lichtmis
De dames Backx
Een voogd in moeilijkheden
In de krant gelezen
Nieuwleusener gezegdes IV
Inhoud van de vierde jaargang

 
J.W. de Weerd
G.W. Kalter
J.W. de Weerd

J. Kleen
J.W. de Weerd


J.W. de Weerd
Joh. Bouwman
H. Bomhof

G.H.
A. Schoemaker-Ytsma

Jan H. Kompagnie

KaBé
A. Schoemaker-Ytsma

H. Hille
M. van Roozelaar
H. Hille




J. de Lange – van Dorsten
B. van Duren

A. Schoemaker-Ytsma


            Colofon uitgaven 1986


            Uitgaven van 1987


Jaargang 5 nummer 1 maart 1987

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

WILLEM STOLTE, PREDIKANT TE NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

K. Schoenmaker-van Berkum

De familienaam Stolte is al erg oud. In de tweede helft van de zestiende eeuw komen we in officiële stukken in Zwolle al regelmatig Stolte's tegen. De doop- en trouwboeken spreken er dan echter nog niet van, daar is het nog Klaas Janszoon en Jan Klaaszoon. In de 17e eeuw komen we, wat nu achternamen genoemd worden, al een enkele keer in de kerkelijke boeken tegen. Toch hebben we de geboortedatum van Willem Willemszoon Stolte niet kunnen vinden.
Willem Willemszoon Stolte was de tweede predikant van Nieuwleusen. Hij diende de gemeente van 1681 tot zijn dood in 1694. In 1671 deed hij te Zwolle belijdenis van zijn geloof. Op 21 december 1679 kwam hij als student in huis bij zijn zwager Jan Grevink in de Voorstraat te Zwolle. Hij bleef daar tot 13 november 1681 en verhuisde toen naar Nieuwleusen, waar hij inmiddels als predikant was beroepen.
Wilhelmus Stolte, bedienaar des Heilige Evangelij tot Nyluessen, trouwde op 1 mei 1681 met Anna van Munster. Uit hun huwelijk werden drie kinderen geboren, die alle in Nieuwleusen zijn gedoopt: Anna Catrina op 5-2-1682; Anthonij op 26-8-1683 en Henrijk op 24-14-1686. Uit de tijd dat Stolte predikant in Nieuwleusen was, is niet zoveel bewaard gebleven. Volgens het vuurstedenregister van 1695 had het huis van de dominee twee schoorstenen "non solvit, zoo omdat andere predicanten niet betaelen, als oock in specie omdat weyniger tractement als anderen heeft en de betaelinge van de kercke en weeme met grote moeyte moet versoecken. Van de schole , tot de kercke behorende word rnede niet betaeld." De kerkelijke gemeente beschikte dus niet over veel geld; Stolte moest steeds vragen om de betaling van zijn tractement, dat bovendien lager was dan het honorarium van andere predikanten.

Een aantal akten waarin Stolte betrokken was, zijn bewaard gebleven. Eén daarvan is een akte van aankoop van enige onroerende goederen te Nieuwleusen. Uit een andere blijkt dat Stolte drie jaar later een deel van die goederen weer verkocht heeft.
- Anno 1688, den 13e September, verkocht Dr. Herman ten Broecke, burgemeester van Steenwijk, voor een zekere somme van penningen ten profijte van de Eerwaarde Willem Stolte en de heer Gerrit Tydernan te Zwolle, haar respectieve huysvrouwen en erfgenamen, seecker erve en goed op Nyluesen gelegen, de vrouwe wed. Roelink aan de eene en de predikant Westenberg van Neede aan de andere zijde, strekkende voor van de Middeldijk tot achter aan de grachte, zoals hetselve bij Geert Willems word gebruikt. Mitsgaders de helfte van een erve en goed eveneens op Nyluesen gelegen, de Welgemelte wed. Roelink aan de eene en de rector Hasfueri aan de andere zijde, strekkende voor van de Middeldijk tot so verre als Nyluesen geregtigd is, gebruikt wordende bij Hermen Jansen. Bewarende de gemelte goederen te wagten en waren voor alle evictie en opsprake, en in specie wegens het apart in de societijt van de herberge Lichtmisse en de lasten en profijten van deselve die verkoper voor sig heeft behouden (werd dus niet mee verkocht).-
6 Oct. 1691 verscheen voor Albert Molckenboer en Ceurnoten als de Hr. Ioan Molckenboer, Scholtis van den Hardenberg, ende Marius van de Vechte, dominee Willem Stolte op Nieuleussen ende de Ed. Anna van Munster zijn echeliefste, wesende met haar voorn. Echeman als momber geassisteert, welke bekenden om een welbekende somme van penningen te hebben verkoft, sulx doende kragt deses, aan de Ed. Gerrit Tydeman tot Zwolle, deszelfs huisvrouw en erfg. haar geregte vierde part van een erve op 't Oosteinde van Nyluessen, wordende meijerswijze bewoont van Hermen Jansen, waar van de drie andere vierde parten alreeds voorn. Tydeman toecomende zijn (reeds eigendom van Tydeman zijn). Ten oostwaarts daar angelandet Abraham Haddis en westwaarts de vrouw wed. Roelink.-

Een jaar later kocht Stolte van zijn zwager een huis in de Voorstraat te Zwolle. Waarom Stolte geld stak in onroerende goederen is niet bekend. Mogelijk dat het om geldbelegging ging, al zullen we straks zien dat de predikant niet erg rijk was.
- Anno 1692, den I Augustus verschenen Jan van Munster en Judith Bouwmeester zijn huisvrouw, en bekenden ten erflijkcn profijte van de predikant Stolte tot Nyluessen en deszelfs huisvrouw, Maria (lees Anna) van Munster, comparantes respective swager en suster, gecedeert en getransporteert te hebben mitsdesen een huys en wehre, genaamd De Meerminne, staende in de Voorstraat naast het huis van de erfgenamen van de wed. Geert Greve aan de eene en het gemeene steegje aan de andere kant, met verschillende uitgaande rentes, sonder arg ofte list. Actum coram Schepen Herman Joan Roelink.-

Twee jaar later overleed Willem Stolte. Zijn weduwe ontving daarna verschillende rekeningen over de afgelopen jaren, zelfs van voor hun huwelijk. Waarom de predikant deze schulden tijdens zijn leven niet heeft betaald, is niet bekend. Hij was niet rijk en we moeten aannemen dat de benodigde middelen steeds hebben ontbroken. Dat valt evenwel niet te rijmen met de aankoop van onroerende goederen. Mogelijk moeten we dit als een reservering voor de oude dag zien.
Onder de rekeningen die de weduwe Stolte ontving en die in het Gemeentearchief in Zwolle bewaard worden, bevinden er zich ook een aantal van haar zwager Jan Grevink.
Suster Anna van Munster, weduwe Stolte, debet aan Jan Grevink. So van kostgelt en anderszints, alsmede vrije kamer, versien met vuur en ligt, en alles wat daaran dependeert, ja selfs wanneer iemant hem is komen besoeken, so heeft mijn swager saliger, Ds. Stolte. gecommandeert, bier, brandewijn en wijn, toebak, en dat met beloften om ons dubbelt weder om te vergelden, so hij t niet met gelt kon betalen, so sou hij ons met rogge betalen, en daarop ontfangen in t jaar van drie en t negentig een schepel bockweijt.-
Het bedrag van deze rekening was ƒ 297,- Dit was voor de periode van 21 december 1679 tot 13 november 1681, toen Stolte als student bij zijn zwager in huis woonde, dus gedurende bijna twee jaar. Op 1 mei van laatstgenoemd jaar was Anna van Munster daar ook gekomen en had -neffens haar man saliger gegeten en gedronken-.
-Ook nog verscheijde weken eer mijn zwager saliger Willem Stolte tot predicant beroepen wierd, die boeren van Nieuleussen op gewagt en haar uit last van rnijn swager saliger getrakteert met eten en drinken, omdat sij dikwijls raad pleegden met mijn swager Sal. om hem tot predicant te beroepen, sodat ik veel onkosten daar an gehad hebbe, waarvoor ik pretendeerde ƒ 25. Nog een ducaton tot een schinke gelankt welke mijn swager salig kort voor t beroep an iemant vereert heeft ƒ 3.- Tot zover de schulden van de predikant aan zijn zuster Janna Stolte en zwager Jan Grevink.
Van zijn vader had de dominee een zwart blaarde koe gekocht voor zesendertig gulden. Daarop had Barta Stolte zes ellen sersi ontvangen en bleef er nog dertig gulden onbetaald.
Verder was er nog een rekening voor - een kussensloop geleent doe mijn Swager sal. het seere been hadde in van Munsters huis en het niet konde weder krijgen.-

Het totaal bedrag van de rekeningen die de weduwe Stolte voorgeschoteld kreeg, bedroeg het voor die tijd kapitale bedrag van ƒ 479,-. Het zal haar moeite gekost hebben deze schuld te voldoen. Zeventien jaar na het overlijden van Willem Stolte heeft ze nog een behoorlijke schuld. Dit blijkt uit een akte, gedagtekend 25 juni 1711. - Anna van Munster, wed. van wijlen Ds. Willem Stolte met haer zoon Henrik Stolte als momber geassisteert en bekende wegens verstrekte penningen schuldig te zijn aan de wed Jan Jellen een somme van twee hondert carolus gulden.- Een dochter van Jan Jellen, Anna, was gehuwd met een Werner Stolte. Of er sprake van een familierelatie is, is ons niet bekend.
Op 22 februari 1709 trouwt in Amsterdam de jongste zoon van Willem Stolte en Anna van Munster -Hendrik Stolte van Niculeusen, silversmit, oud 25 jaren, in de Garstemolensteeg, ouders doot, geassisteerdt met Jan Grevink en Evertje Nab van Amsterdarn, oud 22 jaren, in de Rosestraat geas. met haar moeder Huybertje de de Laat.- Waarom bij dit huwelijk is vermeld dat Anna van Munster ook al overleden was, terwijl uit de eerder genoemde akte van 1711 blijkt dat ze dan nog in leven is, valt moeilijk te zeggen.
Het leven van Anthonij, de oudste zoon, verliep niet zo erg kalm. Hij trouwde met Christina van Niel. Evenals zijn vader werd hij predikant. Hij diende de kerk te Heemse en werd door zijn zoon Willem opgevolgd. Over deze beide predikanten zijn niet erg veel goede dingen te vertellen. Een ruzie met de adellijke familie Van Reasfelt, waarbij ook de zoon jan Hendrik (later dokter in Zwolle) betrokken was, kwam hem duur te staan. Het was zelfs zo erg dat er in het rechtelijk archief wordt gesproken van -een slagerije-.
Tot zover deze terugblik naar de predikantenfamilie Stolte. Deze tak van de familie heeft het wapen gevoerd dat op de omslag is afgedrukt. Het wapen heeft een rood veld, waarin twee verhoogde gouden sterren naast elkaar, vergezeld beneden van een zilveren klaverblad. De naam Stolte komt in Nieuwleusen nog steeds voor, maar van een familielijn naar de predikant Willem Stolte is ons niets gebleken.

* * *

OP DE BOERDERIJ _________________________________________________________

A. Kreule
Peter Kreule

Indertijd, in 1969 vroeg ik mijn vader eens wat op te schrijven over het leven en werken zoals dat in zijn jeugdjaren in Nieuwleusen plaats vond. Onderstaand een eerste aflevering van de door Peter Kreule, geboren in 1895 en overleden in 1974, opgeschreven zaken zoals hij die heeft ervaren. Veel is al historie, maar de ouderen onder ons zullen er nog veel van herkennen. Het komt voor dat bepaalde dingen die mijn vader destijds als achterhaald en afgedaan beschouwde, inmiddels weer opgeld doen. Daarentegen zijn sommige dingen die hij in 1969 als modern zag, al weer achterhaald.

Het leven en werken op de boerderij omstreeks de eeuwwisseling in vergelijking met anno 1969.


Peter Kreule

Als men nu het leven vergelijkt met dat van omstreeks 1900, dan is het verschil, vooral op landbouwgebied, wel enorm groot. Destijds was alles nog handenarbeid; nu is bijna alles machinewerk. Om maar eens enkele dingen te noemen: melken, dorsen van het graan, kunstmest zaaien, het drenken van vee, het maaien van gras, het hooien, enz.
Hebben de meesten tegenwoordig wel een melkmachine, in het begin van deze eeuw waren die er nog niet en moest er met de hand gemolken worden. Voordat onze tegenwoordige boterfabriek in 1907 werd opgericht, moest men ook zelf de melk karnen. Er was toen al wel zo'n fabriekje van "Kingma", waar de melk werd ontroomd, maar daar werd nog niet zoveel melk naar toe gestuurd. De meeste boeren stonden er in het begin nog wat kritisch tegenover en stuurden de melk niet naar de fabriek, want, zo werd er gezegd, de ondermelk die je terug krijgt is lang zo goed niet voor varkensvoer als de karnemelk die je hebt als je zelf karnt. Langzamerhand ging men er toch toe over de melk naar de fabriek te doen. Zo had men ook een heel stuk werk minder.
Dat zelf karnen was nogal een zwaar karwei. Je moest er ongeveer een uur aan staan. Sommigen hadden wel een karnmolen. Een paard kon dan het zware werk doen; die moest dan een uur in de molen in het rond lopen. lk geloof dat het karnen ook wel eens een enkele keer met een hond gebeurde, die dan door in een wiel te lopen, dit draaiende moest houden.
Wanneer de boter "groot" werd, dat wil zeggen als er klonten boter ontstonden, dan werden die uit de karn


Foto met reclame en directeur voor zijn voordeur


Dezelfde foto maar zònder de directeur!

gehaald en in een ton gedaan. Er waren tonnen waar 40 pond in kon, maar er waren er ook van 20 pond. Meestal ging men elke week naar de markt in Zwolle om de boter te verkopen. Omdat de eieren toen nog niet door de winkeliers werden opgekocht, nam men die ook mee naar de stad. Ik herinner mc dat ik wel eens een enkele keer mee mocht naar Zwolle. Op een keer, het was in 1902, gebeurde er op de terugweg iets waar ik later nog wel eens aan terug dacht.
We reden op het Westeinde toen het paard een leidsel onder de staart kreeg en aan de haal ging. Mijn vader trok eerst nogal om het leidsel los te krijgen, maar dat ging niet. lk begon te schreeuwen, maar daar werd het paard nog wilder van. Mijn moeder greep mij beet en drukte meteen mijn mond dicht. Hoe zou dat aflopen? Het ging steeds harder en in volle vaart op de buitendijksloot, die vol met water stond, af. Maar toen gebeurde er iets. Het rechter voorwiel en het voorstel van de kleedwagen kwamen ieder aan een kant van een niet al te dikke boom terecht en we waren gered. Het paard rukte en trok, waardoor het tuig en een stuk van het inspan braken. Maar dat was het ergste niet, wij kwamen er goed af. Mijn tante, die ook in de wagen zat, zei: "De Heer heeft ons weer bewaard". Nadat het paard wat was bedaard en de strengen waren los gedaan werd de wagen teruggeschoven en een en ander met touw gebonden, waarna de thuisreis werd voortgezet. Vader nam plaats op het voorkistje, om als er weer wat zou gebeuren, dit direct te voorkomen.
De verdere reis ver liep voorspoedig en we kwamen behouden thuis.

Wordt vervolgd


* * *

ZANGVERENIGING RUITENVEEN _________________________________________________________

De groepsfoto is deze keer van de zangvereniging te Ruitenveen en werd omstreeks 1930 gemaakt tijdens een van de uitstapjes die het gezelschap maakte. De vereniging stond onder leiding van meester Karnm.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  

Evert Bulder
Hilbertus Bulder
Hendrik Jan Krul
Hendrik Jan Brasjen
Gerrit Nijlant
Jan Willem Schuurman
Hendrik Jan van Veen
Klaas Brouwer
Jan Jans
Harm Jan Brouwer
Leentje van Spijker
Jantje Kouwen
Hilligje van Dijk
Hendrikje Schoemaker
Trijn Lefferts
Jan Willem Boer
Hilligje de Boer
Janna Schoemaker
Geesje Voorhorst


20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  

Hendrikje Klein
Berendina Schuurman
Jan Runhart
Mina van Duren
Jentje Kleen Scholten
Klaasje Vonder
Derk Hekman
Femmigje Evertsen
Hilligje Alteveer
Aaltje Schuurman
Mientje Brouwer
Hendrikje Veerman
Meester Kamm
Aaltje Schoemaker
Aaltje de Boer
Mevr. Kamm
Jan Bouwhuis
Thijs Kleen

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES V _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

Wanneer na een periode waarin het behoorlijk gevroren heeft, de dooi invalt, zit er eerst nog vorst in de grond.
In Nieuwleusen zegt men dan: 't hal is nog in de grond.

* * *

"HET GROENE KRUIS" TE NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

F. Visscher

Aan de J.Ph. Backxlaan is eind 1986 een periode van verbouwwerkzaamheden beëindigd. In de loop van april 1987 bestaat de Vereniging "Het Groene Kruis" Nieuwleusen 75 jaar en zal ook de officiële opening plaats vinden. Bij zo'n gelegenheid is het goed eens terug te blikken in de geschiedenis van onze plaatselijke Groene Kruisvereniging. Ook dat is "Ni'jluusn van vrogger”.

De eerste berichten over Het Groene Kruis komen we tegen in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 12 april 1912. Bericht wordt dan dat ten huize van G. Massier aan de Ommerdijkerbrug in een druk bezochte vergadering een vereniging van Het Groene Kruis werd opgericht. Alle aanwezigen traden spontaan als lid toe en uit hun midden werden met algemene stemmen tot bestuurslid gekozen de heren D.J. Prins, H. Massier, R. Snel en G. Snijder.
Hoe het de eerste jaren verder verlopen is, ontbreekt in het archief. Vanaf 23 april 1917, dus 5 jaren later, zijn er notulen. In die vergadering werd als voorzitter gekozen de heer Ph. Backx, de heer B.J.v.d.Berg Bzn. als secretaris en als penningmeester mej. J. Huizinga. De voorzitter deelt mede dat reeds een mooie gift ( ƒ 1.000,=) van mej. Palthe is binnen gekomen. Mogelijkerwijze zijn er tussen 1912 en 1917 niet veel activiteiten geweest want in de vergadering van 27 juli 1917 wordt gesproken over het aanstellen van een zuster, terwijl in die vergadering tevens het besluit valt lid te worden van de Provinciale Vereniging en wel met ingang van 1 januari 1918.
In de vergadering van 22 november 1917, gehouden in de Rijkslandbouwschool Rollecate, is ook dokter Risselada als adviserend geneesheer aanwezig. Besloten wordt een zuster te benoemen tegen een salaris van ƒ 850,= per jaar en een jaarlijkse rijwielvergoeding van ƒ 50,= . Daar tijdens de sollicitatieprocedure bleek dat het salaris te laag gesteld was, werd in de volgende oproep ƒ 1.000,= beloning vermeld, terwijl de ziekteverzekering voor rekening van de vereniging zou komen. Verplegingsartikelen (te weten twee vouwledikanten, twee ligstoelen, twee linnen zakken en drie ondersteken) werden conform het bestuursbesluit van 1 mei 1918 aangeschaft. Ook hield men zich in dat jaar in een vergadering bezig met de vraag of het stichten van een badinrichting gewenst zou zijn.
In de vergadering van 12 april 1919 komt de benoeming van zuster Van de Abeelen aan de orde. Zij treedt met ingang van 15 mei van dat jaar in functie. Besloten werd ook de Algemene Ledenvergadering op woensdag na Pasen bij "Braakhekke" te houden. In die vergadering komen we de namen tegen van de heer Middag (Vinkebuurt), mej. Huizinga, B.J. van de Berg, mej. Diepenhorst, mevr. J. v.d. Berg-Langenberg, K. Tempelman, mevr. Kapinga, mej. A. Kragt, H. Haasjes, A. van Spijker, L. Schiphorst, W.A. v.d. Berg, H. Prins Arzn., J.Ph. Backx en G.J. Zonnenberg.
In deze jaren wordt veel aandacht geschonken aan de TBC-bestrijding. Voor het eerst wordt er over gesproken om ook subsidie aan te vragen bij de gemeenten Staphorst, Dalfsen en Ambt Ommen, daar toen, net als nu, Nieuwleusens verzorgingsgebied de grenzen van genoemde gemeenten overschrijdt.
Café Borst is nu de plaats waar regelmatig vergaderd wordt in afwisseling met het gemeentehuis. De noodzaak tot het stichten van magazijnruimte dient zich aan. In de vergadering van 7 mei 1920 wordt besloten aan de Bouwvereniging alhier te vragen een stukje grond bij de nieuw te bouwen woningen (Molenhoek) tegen matige prijs in huur te mogen ontvangen (als dat tenminste wettelijk mogelijk is), om daarop een houten gebouwtje te kunnen plaatsen. Het bestuur krijgt machtiging om ƒ 700,= te financieren uit de destijds ontvangen gift van mej. Palthe. Ook de aanschaf van een ligtent ten behoeve van TBC-patiënten en de woningtoestanden worden besproken, daar deze (ook van diegenen die wellicht niet onbemiddeld zijn) veel te wensen over laten.
Op 28 augustus 1920 komt een zangavond in de Hervormde kerk ten bate van Het Groene Kruis ter sprake. De heer











W.A. v.d. Berg wordt aangewezen om dit met de kerkautoriteiten te bespreken.
In de vergadering van 9 septernber 1920 volgt de verheugende mededeling dat van mej. G.J. Palthe te Oldenzaal, doch tijdelijk hier verblijvende, opnieuw een gift is ontvangen zodat nu niets de stichting van een wijkgebouwtje meer in de weg staat. Met algemene stemmen besluit men mej. Palthe dank te zeggen en dit te doen door haar een oorkonde, getekend door een bekende tekenaar, te doen aanbieden, alsmede haar tot erelid der vereniging te benoemen.
Een jaar later is het gebouwtje werkelijkheid. Mevrouw Brouwer-Goselink zal gevraagd worden het schoon te houden en voor uitlening van de artikelen zorg te dragen.
Omdat zich in november 1921 een geval van Typhus in de gemeente voordoet, komt het bestuur in bijzondere vergadering bijeen. De zuster mag in dergelijke gevallen geen hulp verlenen, dit om te voorkomen dat zij de besmetting overdraagt aan andere patiënten. Toch wil men deze patiënt niet in de steek laten. Een directe oplossing wordt echter niet gevonden. In de Algemene Ledenvergadering van maart 1923 wordt besloten dat de zuster ook patiënten met een besmettelijke ziekte (behalve roodvonk) moet verplegen op advies van de plaatselijke geneesheer. Wel moet zij zich na de behandeling behoorlijk reinigen en verkleden. Gevraagd wordt of niet alle 553 leden een persoonlijke oproep voor de Algemene Ledenvergadering kunnen krijgen. De voorzitter deelt mede dat dit minstens ƒ 11, = aan porto zou kosten en dat is toch wel erg veel. Daarom is de vergadering aangekondigd in de Dedemsvaartsche Courant en het Landbouwblad, terwijl de heer Kapinga aan de schoolkinderen uitnodigingen heelt meegegeven. Besloten wordt in den vervolge de afkondigingen te doen aan de bomen bij de kerken en op andere plaatsen in de gemeente en de hoofden van scholen te vragen briefjes voor de ouders aan de kinderen mee te geven. Alle bij die vergadering aanwezige 26 leden worden in het verslag met name genoemd.
Dat er in 1924 nog geen TV of ander vermaak is, blijkt uit het feit dat er op zaterdagavond 26 januari een bestuursvergadering wordt gehouden en wel ten gemeentehuize. Men spreekt dan over het voeren van propaganda. Aangezien er in de gemeente geen goede projectielantaarn is, zal de heer Vos, die binnenkort toch naar Amsterdam moet, trachten een goede lantaarn en voor propaganda geschikte lantaarnplaatjes te bemachtigen.
Dat zuster Van de Abeelen genoeg te doen had, blijkt uit de 2723 bezoeken aan patiënten, waarvan 456 bij TBC-patiënten, die zij in de loop van 1923 aan patiënten bracht. 103 gezinnen maakten gebruik van verpleegartikelen, terwijl er op dat moment één patiënt op kosten van de vereniging in het sanatorium werd verpleegd.
In 1924 is er in de notulen voor het eerst sprake van de plaatselijke jagersvereniging die de door haar vrijwillig verschuldigde pacht afdraagt aan Het Groene Kruis. De eerste bazaar wordt gehouden. Mej. Mansholt en de heer Oosterhof nemen zitting in het bazaarcomité. Ook de voorzitters en presidentes van de jongelings- en meisjesverenigingen zullen gevraagd worden. De plaatselijke middenstanders rnogen reclame maken op de te houden bazaar. Uiteindelijk wordt de moeite beloond met een netto opbrengst van ƒ 794,-, voor die tijd voorwaar geen gering bedrag.
Eén van de leden stelt de vraag waarom de vergaderingen steeds in Nieuwleusen worden gehouden en niet in Den Hulst.
De techniek schrijdt voort. In de vergadering van 20 april 1925 komt de aanschaf van een motorrijwiel ten behoeve van de zuster aan de orde. Prijs ƒ 565,-. Men besluit een "Neracan" aan te schaffen via de firma Boers.
Als in 1925 de verhouding tussen zuster Van de Abeelen en de plaatselijke geneesheer dokter Wagner verstoord raakt, neemt de zuster ontslag. Ook binnen het bestuur leidt een en ander tot meningsverschillen. In de daarop volgende ledenvergadering volgt een uitgebreide discussie over de signature van de nieuw te benoemen zuster. Bestuurlijk komt de vereniging in een impasse. Gelukkig zegeviert het gezonde verstand en komt de benoeming van zuster Van Buiten in zicht. Mej. Mansholt is dan voorzitter.
In 1926 blijken er 13 jagers te zijn die hun "pachtbijdrage" aan het Groene Kruis ten goede laten komen. Ook is er dan voor het eerst sprake van een Moedercursus. Vanuit het bestuur wordt opgemerkt "dat er wel eenige meisjes voor te vinden zullen zijn, speciaal bij het jonge geslacht".
Dat de gevaren in het dagelijks leven aandacht krijgen, blijkt uit het feit dat een cursus "Eerste Hulp Bij Ongelukken" ter sprake komt. In eerste. instantie alleen met toelating van heren, later ook van dames.
In 1927 dient de noodzaak van een consultatiebureau voor zuigelingen zich aan, temeer omdat dit in Staphorst al gerealiseerd is. In 1929 gaat het bureau van start. Dokter Wagner is dan vertrokken en dokter Van Ravenswaay wordt adviserend geneesheer. Ook nu weer na-ijver tussen beide dorpskernen. De heer Zonnenberg maakt er bezwaar tegen dat er ditmaal in Den Hulst (Café Nijmeijer) vergaderd is, terwijl Nieuwleusen aan de beurt was. De eerste ruilverkaveling komt in 1929 aan de orde in verband met uitbreiding van het werkgebied.
Wanneer in de vergadering van 20 april 1931 nieuwe bestuursleden zijn geïnstalleerd, bestaat het bestuur uit mevrouw V.d. Berg-Langenberg, mevrouw Kamm-Kniep en de heren Vos, Prins, Zonnenberg, v.d. Bos en Van den Berg. De heer Van Ravenswaay gaat de voorzittershamer hanteren.
Ook in de jaren dertig blijkt TB nog veel aandacht van de bestuursleden te vragen. Eén van de belangrijkste grote uitleenartikelen is dan nog steeds de houten ligtent. Gelukkig is deze ziekte thans goed te bestrijden en komt ze dan ook niet veel meer in ons land voor.
Met deze dertiger jaren besluit ik het oudste stuk historie van Het Groene Kruis Nieuwleusen. Wellicht is er later gelegenheid om wat over haar jongere historie te vertellen.

* * *

VERKEERSCONTROLE _________________________________________________________

H.J. Snijder

In de jaren rond de eerste wereldoorlog werd het verkeer op de wegen steeds drukker. Het was dan ook wel eens nodig dat er controle op het wegverkeer werd uitgeoefend. Zo werd er wel verteld dat politieagent Holties het verkeer op de Viersprong in de gaten hield.
Hij stond dan bij het bord dat een maximum snelheid van 25 km. aangaf. Dit bord stond tussen de bomen ongeveer tegenover de woning van K. Mijnheer, de plek waar later het gemeentehuis werd gebouwd.
Om in het donker te kunnen zien en gezien te worden, begon men in die dagen de fietsen van een carbidlantaarn te voorzien. Al spoedig werd dit een verplichting, maar niet iedereen voldeed daar direct aan. Een boer die eens naar "westert" was geweest om naar zijn vee en land te kijken, was daar wat later dan in de bedoeling lag vandaan gekomcn. Fietsend zonder verlichting hoorde hij plotseling het commando: "Halt, politie". De man was er niet erg van onder de indruk en antwoordde terwijl hij gewoon doorfietste: "Det is een mooi beroep, zie dej het holt". Of de boer ook een bekeuring heeft gekregen, is ons niet overgeleverd.

* * *

ONTMOETING _________________________________________________________

Mini A. Tuur










Mien Old huppelpeerd, och daor stun ie op zolder.
Wat stoffig, wat dof, veur de rest ongedeerd.
En ik was eëm weer kiend, 'kwame net boôm oen scholder,
maar ik vulen mi'j groot en ik numen oe Geert.

Nee, echt met oens beiden gunk nooit wat verkeerd.
Ie waren mien droomprins, en ik oen kabolter.
Dan meuke wi' j reizen, mien fier huppelpeerd.
De kuif in de lucht, en mien knie teeng oen scholder.

Nou beide deurleêft en ok vieftig jaor older....!
Der is in die jaoren zo heel wat passeerd.
En elk gunk zien gaank, ieë stille op zolder,
en ikke, ...och Geert, 'k heb veule ófeleerd!

Nog eëm fantaseren, want oh, det is 't weerd.
Nog eëm in galop weer. (De harfst kump, 't wurd kolder.)
Nog eëmpies, nog eëmpies mien knie teeng oen scholder!
Wat is der ...of bi' j soms het huppeln verleerd!

Mien prins, 't giet oe net as die olde kabolter,
de glaans is der of ...jank maar uut an mien scholder.




Jaargang 5 nummer 2 juni 1987

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

HET PALTHEHUIS _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

In het archief van de Nederlands Hervormde Gemeente in Nieuwleusen bevindt zich een brief van de hand van dominee J.A. Palthe. Hij was hier dominee van 1754 tot 1803. Uit de brief blijkt dat het Palthe-huis zijn privé eigendom was en dat het schoorsteengeld (een soort belasting) door de eigenaar of huurder betaald diende te worden. Het huis werd gebouwd in 1795; dit blijkt ook uit een aantekening in het doopboek van de Nederduits Gereformeerde Gemeente waarin staat: "Het huis staande op de pastorijbleike is gebouwt 1795". Niet duidelijk is waarom ds. Palthe niet in de pastorie woonde. Vermoedelijk woonde hij eerst nog ergens anders. In een koopakte, gedateerd 8 september 1763, van "het halve erve en goed met het halve huis" staat dat de wederhelft toebehoort aan ds. J.A. Palthe "naast de schole".
Het Palthehuis stond tussen de Grote Kerk en 't Witte Peerd en is in 1966 afgebroken. Bij de volkstelling van oktober 1795 is vermeld: "J.A. Palthe. Aantal mensen in huis: 2." In de brief, die hieronder volgt, is sprake van een stanketsel. Dit is een hekwerk. Wat de wisserie is, is niet duidelijk. Mogelijk de wasplaats.

Bekenne en verklare ik ondergeschrevene in en vermits desen aan de kerkenraad en kerkmeesters van Nieuwleuse; de mede ondergetekende versekering te geven, dat zoo het mogte gebeuren, dat er schoorsteengeld gelegd wierde op mijn eigendommelijke huis en daaraannexe schuire voor mijn eigen geld hebbende laten maken, benevens het stanketsel van de schuire na de wisserie, staande alle op de pastorij bleike, dat dan het schoorsteengeld van voorgemelde huis nooit tot laste van de Gemeente van Nieuwleuse sal komen, maar van gemelde huis door den huirder of eigenaar sal betaalt worden. En zoo de toekomende predicant niet mogte goedvinden voorschreven huis met de annexe schuire en stanketsel op de pastorij bleike te willen laten staan, de opzage een jaar en ses weken te voren gedaan zijnde, zoo als onder ons is goedgevonden, zal de ondergeschrevene domine J.A. Palthe, sijn erfgenamen of wie het na desen ook mogte toebehoren, gehouden zijn, binnen gemelden tijd van een jaar en ses weke te moeten afbreken en verplaatst worden, en het schoorsteen moeten



worden medegenomen en door de huirder of eigenaar betaalt worden. In oirconde der waarheid is deze door ons eigenhandig ondertekent, en twe alleens luidende daarvan gemaakt te Nieuwleuse den 1 juny 1795.

J.A. Palthe
Predicant.

* * *

GROTE MANS _________________________________________________________

Kabé

Grote Mans kwam aan de kost als timmerman. Bij de boeren knapte hij allerlei karweitjes op. Een specialiteit van hem was het plaatsen van een nieuwe roe in een hooiberg .
Harm Jan, een van zijn klanten, had de afgelopen winter een geschikte eikenboom gekocht en de timmerman werd er bij geroepen om het karwei te klaren. Grote Mans bekeek de boom met een kennersblik en zei "Het is een goeie, klaor körrel, en mooi recht". Een afspraak werd gemaakt en op de bewuste dag kwam Mans om de boom te bekanten. Dat verliep gladjes. Er werd een lijn langs de boom bevestigd, zodat Mans kon zien waar wat af moest om een mooie rechte bergroe te krijgen. Al spoedig was dit geklaard, waarna er met een speciale grote boor op ongeveer een voet afstand van elkaar gaten in werden geboord. Dat was zwaar werk en al spoedig gutste het zweet van Mans' gezicht. Maar Mans was oersterk en 's avonds lag de roe klaar om de volgende dag op zijn plaats gezet te worden.
Voor het opzetten had Harm Jan een paar buren gevraagd te komen helpen. Eerst moest de oude bergroe uitgegraven worden. Het gat werd een beetje dieper gemaakt met van binnen uit een schuine sleuf. Hierdoor moest de "kont" van de roe naar beneden zakken.
Gezamenlijk werd de nieuwe zware roe op het achterstel van een boerenwagen gelegd, waarna het geheel onder de kap gereden werd. Het bovenste deel van de roe werd opgetild en op de daarvoor bestemde plaats naar buiten geschoven. Daar werd de roe opgevangen door twee lange palen, de zogenaamde juffers, die met een stuk touw aan elkaar waren gebonden. Zo werd de nieuwe roe al verder via de schuin aflopende sleuf in het gat gewerkt. Na veel krachtsinspanning stond de roe eindelijk rechtop. Mans ging op een afstand staan om de laatste aanwijzingen te geven. Toen de roe goed stond, moest het gat weer met zand gevuld worden. Het zand werd aangeslempt met veel water om de paal goed stevig te laten staan. Tegen half elf kwam Janna, de vrouw van Harm Jan naar buiten met de mededeling dat de koffie klaar was. Dat was niet aan dovemansoren gezegd. Koffie hoorde er bij en er werd ruimschoots de tijd voor genomen. Het was toch immers de rustige periode voor de hooioogst. Grote Mans liep voorop en voor hij naar binnen ging, legde hij zijn tabakspruim in de vensterbank. Daar kon hij na de koffie nog wel even mee verder. Achter Mans liep klein Pietertien. Met hem moest je oppassen. Het was een gewiekst mannetje, die graag iemand te pakken nam. Met zijn pink wipte Pietertien de pruim van Mans van de vensterbank en legde de zijne er voor in de . plaats. Op de deel had Janna een tafel klaar gezet met de nodige stoelen er om heen. Op de tafel een grote kan met koffie en een schaal grote plakken zelfgebakken krentenstoet. De plakken waren dik besmeerd met "goeie botter"; Janna stond bekend als een gul mens. In elke kom koffie kwam ook een flinke suikerklont.
Alies ging er vlot in, want zwaar werken maakt hongerig. Onderwijl werden allerlei nieuwtjes uitgewisseld en sterke verhalen verteld. Toen Grote Mans vond dat de koffiepauze· lang genoeg had geduurd, kwam hij als eerste in de benen om weer aan de slag te gaan. Per slot van rekening werd hij er voor betaald en daarvoor moest ook wat gebeuren. Klein Pietertien liep achter hem aan. Bij de vensterbank gekomen, greep Mans de tabakspruim. Klein Pietertien stak een nieuwe pruim op.

* * *

TE KOOP _________________________________________________________

TE KOOP: een Gramophoon met 13 platen, dubbel bespeelbaar, zoo goed als nieuw. Aan het zelfde adres een trom met zes schroeven, koperen ketel en met extra vellen er op. Te bevragen bij G. Klein D.Jzn., Kerkenhoek, Nieuwleusen.
(Uit de Dedemsvaartsche Courant van woensdag 24 september 1919).

* * *

HAZEU EN DE HAZEUZANGERS _________________________________________________________

Een belangrijk deel van dit nummer is gewijd aan de Hazeuzangers en aan de man die de liederen dichtte die dit koor nog steeds zingt. Dat de Hazeuliederen vroeger een belangrijke plaats innamen bij de boerenbevolking, moge blijken uit onderstaand citaat uit de streekroman "Harm, de boer van 't Hoogelaand", geschreven door de Dedemsvaarter L. Jonker.

= "Die jonge meister, 't is toch zo'n sprinkhane, dan hef hi'j dit, en dan weer det, bi'j 't ende. He'j 't wel eheurd, now wil hi'j 't jonge volk zing'n leer'n op en Zangv'rienege, en hi'j kan zöls jao haoste niet zing'n.
Nee - dan mus ie de olde meister hebb'n. Zundus in de karke, - hi'j zunk baov'n alles uut, en as 't ies v'rkeerd gunk, skreeuwde hi'j zóó hard, de'j allemaol'nt weer op de goeije wieze kwamm'n."
Daor kunn'n ook aand'r'n van mit praot'n, die bi'j hum op skoele waar'n ewest, of hum goed ekend hadd'n.
Geeze ook. Zi'j v'rvolgde: "Toe hadd'n ze ook al 'n zangklasse, daor ze 's wint'rsaov'ns zing'n leerd' n. En mooi as 't gunk! De Azeurgezang'n hew' van hum eleerd en dan v'rskeid'n psalm'n op lieties wieze. Ik kenne ze nog wel."=

* * *

JOHANNES HAZEU Czn, SCHRIJVER EN DICHTER TOT NUT VAN 'T ALGEMEEN _________________________________________________________

M. den Admirant

Hier en daar in ons land - in Zwolle en omstreken, op Goeree Overvlakkee en in Zeeland - bestaan nog zanggroepen die de zogenaamde Hazeuse gezangen op hun repertoire hebben. Deze stichtelijke liederen zijn genoemd naar Johannes Hazeu Cz, een tijdgenoot van Willem Bilderdijk. Hazeu was boekhandelaar en boekdrukker, die in zijn vrije tijd gedichten en prozastukken schreef, vooral lectuur voor de jeugd.
Hij werd op 15 februari 1755 te Schoonhoven geboren als zoon van Cornelis Hazeu en Maria Zweris en overleed op 25 november 1834 te Haarlem.
In zijn geboorteplaats genoot Johannes Hazeu het eerste onderwijs, dat toen nog heel gebrekkig was en beperkt bleef tot lezen, schrijven en rekenen. Hij was bijzonder leergierig en vlug van begrip. Had hij de wens van zijn hart kunnen volgen, dan zou hij aan een studie voor predikant zijn begonnen; de middelen daartoe ontbraken echter. Hazeu koos toen voor de boekhandel. Aanvankelijk werkte hij in Schoonhoven, maar reeds als jongeman vertrok hij naar Edam, om zich daar in het boekverkopersvak te bekwamen. Door zelfstudie wist hij zijn kennis te vermeerderen.



Tijdens zijn verblijf in Edam werd op 16 november l784 in dit stadje het Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (later genoemd: de Maatschappij) tot Nut van 't Algemeen gesticht. De oprichters - de doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuyzen, diens zoon Martinus en enkele anderen - waren vrienden van Hazeu en hij hielp hen bij de uitvoering van hun plan. Hoewel Hazeu niet als medeoprichter kon worden aangemerkt, droeg hij wel iets tot de stichting van het "Nut" bij. Gedurende zijn gehele leven bleef hij een ijverig voorstander van deze Maatschappij, die zich ten doel stelde, mede te werken aan de verbetering van de verstandelijke, zedelijke en maatschappelijke toestand van het volk, inzonderheid van de lagere volksklassen, o.a. door invloed uit te oefenen op de opvoeding en het onderwijs. De grondgedachte was de verbreiding van de ethische en maatschappelijke denkbeelden van de "Verlichting". Hierdoor kwam het Nut in botsing met het orthodoxe Christendom.

Hazeu verhuisde later naar Amsterdam, waar hij zich als boekhandelaar vestigde. Hij werd er in 1791 toegelaten tot het boekverkopersgilde. In hetzelfde jaar trouwde hij met de dochter van de uit Groningen afkomstige boekdrukker A. Bakker. Na Bakkers dood zette Hazeu diens boekdrukkerij voort, aanvankelijk samen met zijn schoonmoeder. Zijn vrije tijd besteedde hij aan velerlei nuttige werkzaamheden. Op het terrein van de armenzorg was Hazeu bij zonder actief, vooral in de moeilijke jaren van de Franse overheersing. Een deel van zijn tijd benutte hij voor het onderwijs aan behoeftigen in de Diaconieschol en.
Actief was Hazeu ook als schrijver en dichter, in het bijzonder van kinderlectuur. Ongeveer 40 dicht- en prozawerkjes van zijn hand zagen het licht. Sommige geschriften waren zo in trek dat ze meermalen moesten worden herdrukt.
Hazeu schreef en dichtte tot nut van 't algemeen; met andere woorden: hij wilde, overeenkomstig de doelstelling van de in 1784 opgerichte Maatschappij, zijn pennenvruchten dienstbaar maken aan de verhoging van het geestelijke en zedelijke peil van de volksklassen. Dit streven blijkt al uit de titels van een aantal geschriften, zoals:
- Leerzame Gesprekjens, of de vlijt der kinderen opgewekt;
- Reinharts raadgevingen aan Eduard en Louise, ter verkrijging van het ware genot des levens.

Gehoorzaamheid is vanzelfsprekend ook een grote deugd. Ze is, zegt Hazeu, "een der beste pligten, die niet alleen kinderen, maar alle Menschen te betrachten hebben; want de meeste onrust wordt uit ongehoorzaamheid geboren". Overigens schreef Hazeu niet uitsluitend voor kinderen en jonge lieden. Lectuur voor ouderen was bijvoorbeeld het door hem herschreven boek van N.S. van Leeuwarden "de Godvreezende Zeeman". Ook publiceerde hij "De Heidelbergsche Catechismus in LII Gezangen" en "Bijbelsche Geschiedenissen uit het N. Testament, voor Minvermogenden".

Hoewel Hazeu als dichter niet uitmuntte, werden zijn stichtelijke liederen gedurende tientallen jaren in vele gezinnen en zanggezelschappen gezongen. Er verschenen diverse bundels, waarvan de "Nieuwe Stichtelijke Liederen" het meest bekend waren. De eerste uitgave dateert uit 1806. Blijkens het titelblad waren deze liederen bestemd "voor de huisgezinnen en gezelschappen der Christenen" en op nieuwe zangwijzen gesteld door Dirk van der Reyden. Later bracht de schrijfschoolhouder en zangmeester B. Smit de stichtelijke liederen op vier stemmen.
Zijn laatste levens jaren bracht Hazeu in werkzame rust door, eerst buiten en vervolgens binnen de stad Haarlem, die hem lief was niet alleen wegens de heerlijke omstreken, maar ook omdat Laurens Jansz. Coster, de uitvinder van de boekdrukkunst, er gewerkt had.
Johannes Hazeu overleed zoals reeds vermeld op 25 november 1834, bijna 80 jaar oud zijnde. Na zijn dood verschenen nog zijn laatste pennenvruchten onder de titel "Mijn laatste werk op aarde". Voor de uitgave daarvan zorgde zijn zoon, Arend Hazeu - destijds predikant te Vlaardingen -, die het boekje van een voorrede en een naschrift voorzag.

* * *

DE HAZEUZANGERS _________________________________________________________

Radio Oost

Onder grote belangstelling traden op maandag 10 november 1986 de Hazeuzangers op in een partycentrum aan de Lichtmis. Een unieke gebeurtenis, want dit a capella koor zingt voornamelijk bij één van de leden thuis of een enkele keer in een bejaarden- of verpleegtehuis. De groep bestaat uit 20 mannen die allen rond een tafel zitten. Eén man, de voorzanger, heeft een hamertje en tikt daarmee de maat op de tafel om dit vierstemmig zingende koor te begeleiden. Het vierstemmig zingen komt oorspronkelijk uit Frankrijk, zo vertelde Dirk Duijzer, die al zes jaar Hazeuzanger is, aan Jan de Koning (verslaggever Radio Oost).
D- Toen ik voor het eerst bij deze groep kwam, was ik erg geïnteresseerd in de ontstaansgeschiedenis. Niemand wist me daar eigenlijk iets van te vertellen. Ik moest



........ die allen rond een tafel zitten.

zelf alle bronnen langs om de oorsprong te achterhalen. Ik ben in Frankrijk beland in het jaar 1560, toen de psalmwijzen zijn ontstaan onder Calvijn. Vlak daarop, in 1565, zijn er vierstemmige wijzen bijgemaakt door Claude Coudimelle, iemand die later in de Bartholomeusnacht omgebracht is als Hugenoot. Het is nooit de bedoeling geweest om deze psalmen vierstemmig te zingen in de diensten. Calvijn heeft dat destijds verboden. Wel heeft hij het erg aanbevolen voor de huisgezelschappen en de gezinnen en daar vinden we de oorsprong.
dK- De Hazeuzangers zijn uniek. Hoeveel groepen van deze zangwijzen zijn er nog in Nederland?
D- Ik vertelde net iets over de oorsprong; waarschijnlijk is het rond 1600 met de Hugenoten naar Nederland gekomen. In 1602 is hier de eerste bundel psalmen verschenen en als we dan verder kijken, dan zien we die bundel ook met de berijming van Dathenus en vervolgens ook met de berijming van 1673. Rond 1800 - 1820 ontstaat de bundel van Hazeu. Hazeu was boekdrukker en heeft zelf de bundel samengesteld. In die tijd worden ze eigenlijk tegelijkertijd gezongen, de liederen van Hazeu samen met de psalmen. Als verspreidingsgebieden vinden we Urk, Zeeland, Groningen en rondom Zwolle. In alle boerengebieden eigenlijk had iedere buurtschap wel zo'n zanggezelschap. Men zong de psalmen samen met de bundel van Hazeu. Later is men ook de Neerbos-zangen gaan zingen en allerlei andere liederen.
dK- Maar hoeveel zijn er nog?
D- Ik denk dat er nog vijf over zijn; een in Urk, deze en nog drie in Zeeland.
dK- Is het nooit in het zuiden geweest, in Brabant en Limburg?
D- Nee, ik denk dat de Hugenoten die streek overgeslagen hebben en dat met name de psalmen, waar de Hazeuliederen aan vast zaten, dat die duidelijk een protestantse neerslag hadden.
dK- Er is veel over de Hazeuzangers geschreven, o.a. ook een gedicht door de heer Sterken. Kende U dat gedicht?
D- Ja, ik had het al eens in een krant gelezen en het gedicht zegt wel iets over het karakter van de zang.


Voorzanger Willem Bovenhoff kreeg in 1962 ter gelegenheid van de verjaardag van de Koningin de eremedaille verbonden aan de orde van Oranje Nassau in brons opgespeld door burgemeester Mulder. Bovenhoff was toen 80 jaar.

Het is wat norsig, wat donkerbruin en door boeren gezongen. Het is ook niet gepolijst. Het is zoals de psalmen misschien wel de eeuwen door gezongen zijn; niet door culturele gezelschappen, maar door de zangers van huis uit en dat zijn de boeren. Daar zegt het gedicht eigenlijk iets van en het geeft de kenmerken daarvan weer.
De voorzanger zet in met het befaamde "ut re mi fa sol", wat later het "do re mi fa sol" is geworden en hij slaat met het hamertje de taxe, het ritme. Voor zover ik weet is dit één van de weinige groepen waar nog met zo'n hamertje geslagen wordt, ik ken het verhaal van een Franse componist die met een wandelstok de maat sloeg en ik heb begrepen dat hij daaraan overleden is. Hij sloeg op zijn teen en liep daarbij een wond op. Destijds hadden ze daar nog geen middelen tegen en zo is hij aan z'n eind gekomen. Zo zie je maar........ dat het een gevaarlijke sport kan zijn.
dK- Is dit hamertje nog van oorsprong het eerste dat aan de Hazeuzangers verbonden is geweest?
D- Dat durf ik niet te zeggen. Ik denk wel van deze groep, want ik schat het ontstaan zo rond 1850 - 1860. Ik heb begrepen dat een overgrootopa van de voorzanger dat hamertje vroeger al gehanteerd heeft en als je hem bekijkt, dan zie je dat de houtworm er diverse malen door gekropen is.
dK- Dus nog even slaan en het hamertje is in tweeën?
D- Ja, dat denk ik wel.
dK- En wat voor nieuw hamertje moet er dan komen, toch niet een gewoon uit een hobbywinkel?
D- Nee, ik denk dat we hem dan toch weer met alle moeite aan elkaar zullen plakken.
dK- Deze avond is wel uniek. Ik meen me te herinneren dat dit het eerste optreden is voor openbaar publiek?
D- We hebben één keer samen met de zangers van Urk (daar hebben we nog wel eens contact mee) gezongen in de Bovenkerk in Kampen. Dat is al een jaar of vier geleden. Het bevalt erg goed. Zo'n avond is best leuk, alleen zijn we er niet zo erg geschikt voor. Het is best aardig, maar men ziet ons dan als een stukje traditie, een museumstuk misschien wel, en dat stoort ons soms wel, want daar zingen we niet voor. Wij zijn eigenlijk geen folklore.
dK- U treedt vanavond wel op. Waarom doet U dat dan toch?
D- Je zou kunnen zeggen het is het begin van een rondreizende carrière. Zo moet het in ieder geval niet gezien worden. Het is een uitzondering en het zal een uitzondering blijven. Een aantal mensen hebben ons gevraagd en we dachten dat we hier wel een aandachtig gehoor zouden hebben van mensen die de achtergrond van onze liederen kennen, die misschien zelfs wel meezingen. Daarom hebben wij gehoor gegeven aan deze uitnodiging.

Bovengenoemd verhaal is een weergave van een uitzending van Radio Oost van 11 november 1986.

* * *

OP DE BOERDERIJ II _________________________________________________________

P. Kreule

De koeien bleven 's nachts niet in de wei, maar werden op stal gezet. Pinken liet men wel buiten lopen. Dat de koeien 's nachts in de zogenaamde platte stal kwamen, was om een voorraad mest te verkrijgen. De boeren moesten wel voor een partij stalmest zorgen, want voordat in de herfst de rogge gezaaid kon worden, moest het bouwland bemest worden. Kunstmest was nog schaars. Bijna iedere boer had wel bouwland.
In het voorjaar was er stalmest nodig om het land te bemesten voor de aardappel-, haver- of boekweitteelt. De benodigde mest werd 's winters verkregen in de grupstal. Deze stallen werden van palen en planken in de platte stal gemaakt. In het voorjaar werden ze afgebroken en nadat de mest er uit was, kon de boer weer met een schone stal beginnen.
's Zomers werd er een grote voorraad plaggen uit het heideveld gehaald om als strooisel onder het vee te dienen. Veel boeren hadden zelf een heideveldje of anders werd er wel een stukje gehuurd. Wanneer begin mei het vee in het land was, dan ging men dag op dag naar het heideveld om plaggen te steken voor het komende jaar. De heide werd afgestoken en soms ook wel afgebrand. Van de bovenste laag stak men de "zoden". Daaronder zat vaak wat turf; hier wat meer, daar wat minder. Ook deze brandstof werd zelf in het heideveld gestoken. Destijds werd meestal nog turf gestookt.
Kolen gebruikte men weinig. Alleen wanneer het erg koud was, werd er wel eens een half mud gekocht. Hout werd er wel veel gestookt, maar nu heeft dat ook praktisch afgedaan. De petroleumkachels waren er nog niet en het aardgas dat nu onze kamers verwarmt, is er nog maar enkele jaren.
Het dorsen van het graan gebeurde in die tijd met de dorsvlegel. Men ging dan 's morgens meestal twee "leggen" dorsen, dat is twee keer de deel vol garven. En dan maar slaan tot het zaad er af was. Meestal werd uit het stro "dak" geschud voor dakbedekking op huis. Zo ging dat de hele winter door, 's morgens eerst melken, dan dorsen en vaak ook nog het gedorste graan met de kafmolen schoon maken, haksel snijden voor de paarden en meestal ook nog karnen. U ziet dat er toen heel wat te doen was.
Voordat er stoomdorsmachines kwamen, waren er eerst nog handdorsmachines. Boeren die veel graan verbouwden, hadden zo'n machine met vier of vijf man samen. Deze machines waren ook te huur voor één gulden per dag. Zo'n machine moest je op de wagen zetten als je hem ophaalde. Om te dorsen werd hij op de deel gezet, een partij garven er achter en het dorsen kon beginnen.
Hiervoor waren zes personen nodig; twee die de machine draaiden, één om de garven op te gooien, één om ze op de bijbehorende tafel te leggen, één die het stro weg schudde (zaad en stro kwamen allebei vóór de machine te liggen) en dan nog een binder. De garven gingen in de lengte door de machine. Je hield ze net zo lang vast tot dat het zaad er af was en liet ze dan los. Per dag kon er ongeveer 1O vim (een vim is 100 garven) gedorst worden. De voorraad was na een dag al aardig ingekort. Toen de stoomdorsmachine kwam, ging het nog gemakkelijker en sneller. De dorsmachine ging van boer tot boer. Degene die aan de beurt was, moest de machine met de paarden ophalen van de vorige boer. De motor werd gebracht. Later kwam er een tractor met een aandrijfpoelie.
Zelfbinders waren er nog niet, zodat het stro met de hand moest worden gebonden. Om de dorsmachine te kunnen bijhouden, waren er hiervoor 6 a 7 man (of vrouw) nodig.
Begin 1900 werd het gras met de zeis gemaaid, doch al spoedig kwamen er maaimachines met vingerbalk. Ze waren meestal tweepaards, maar er waren ook wel éénpaardsmachines, die dan smaller waren.
De maaimachine was alweer een hele verbetering, het ging nu allemaal gemakkelijker en vlugger. Nu staan deze machines al weer in het museum. Iedereen heeft nu een tractor met maaibalk. Het nieuwste is nu (1969) de cirkelmaaier.
Het hooien gebeurde ook vrijwel geheel met handkracht. Als het gras gemaaid was, bleef het meestal een paar dagen liggen en werd dan met de vork uitgespreid of met de hark


Aan de Backxlaan staat het hooi in oppers. Op de achtergrond de boerderij van Willem De Weerd.

omgetrokken. Nu gaat men er bij goed weer elke dag even met de schudder door tot het droog is. Het hooi werd met een vork op de wagen gestoken. Daar stond iemand die het in lagen over de wagen legde. Wanneer het voer vol was, kwam er een zogenaamde wezeboom over, die aan de voor- en achterkant met een touw (de voor- en achterlijn) via een katrol werd vastgebonden. Bij de hooiberg moest het voer hooi weer met de vork worden afgeladen. Tegenwoordig gaat dat wel wat gemakkelijker. De opraapwagens nemen het op en duwen het in de wagen. Bij de hooiberg is er dan de hooiblazer of transporteur die het in de berg brengt.
De transporteur heeft echter ook al bijna weer afgedaan, omdat het hooikanon met verdeler in de hooiberg weer beter is. Er wordt ook wel veel hooi op het land in balen van ongeveer 50 pond geperst.

Wordt vervolgd

* * *

BOERDERIJ - MEIMERIJ _________________________________________________________

Mini A. Tuur

Het eerste jonge-hennenei
De houten ton met groene wei
De kelderplanken met gelei
De trap van eigen makelei
De dikke inmaakpottenkei
De botergele melk in mei
De romig zachte rijstebrij
Het drogen van de selderij
De glazen kast met pronkerij
Het bakhuis met de stokerij
De wiemel met het slachtgerei

De manke kat ... Haar kramerij
Nieuwjaarsvisite velerlei
De kalfjes in de voorjaarswei
't Vee knus op stal in 't herfstgetij

De roggeoogst, brandend karwei
Als gulle dank, een schilderij
van gouden garven, rij na rij

... De zondagmiddagdromerij!

Herinneringen, velerlei,
maar 't mooist van alles blijft voor mij
De zon op het blinkend melkgerei.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES VI _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma



Dat gold toen en nu nog: Een was en een leugen worden steeds groter.




Omslagfoto: hooiladen met vlnr: Peter Kreule, Roelof Hogenkamp,
Hilbert van Spijker Jzn., Arend Kreule en Hendrik Kreule.

Jaargang 5 nummer 3 september 1987

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OP DE BOERDERIJ III _________________________________________________________

Peter Kreule

Niet alleen het gras moest geheel met de zeis gemaaid worden, ook met het koren was dat het geval. Eén persoon maaide, één legde het graan aan garven (wellen) en één of twee man, al naar gelang men werkkrachten ter beschikking had, moesten de garven binden. Vervolgens werden de garven aan garsten gezet en die bleven dan staan tot ze droog waren.
In die tijd werden er nogal wat aardappelen verbouwd (naar Nieuwleusense begrippen dan), zo'n 0,25 tot 0,50 hectare per bedrijf. Deze werden in de maand september geoogst door middel van rooien of krabben.
Na 1940 kwamen de aardappelstomers in zwang. Men kon toen de aardappelen, die voor veevoeder bestemd waren, laten stomen en in een kuil opslaan, wat alweer een hele verbetering was vergeleken met de methode van het zelf moeten koken in de fornuispot. Nu in 1969 hebben deze stomers al weer geruime tijd afgedaan. Wie verbouwt er hier nog aardappelen van enige betekenis? Mensen die een paar are poten voor eigen gebruik komen er steeds minder; men koopt ze liever. In de polder worden er genoeg verbouwd.
De lonen waren in het begin van deze eeuw erg laag. Ter illustratie hiervan het volgende. Het was in 1911. Mijn oom Arend Bouwman liet een stuk land door de Heidemaatschappij ontginnen. Dat lag in de Maat bij Den Hulst. Het was geploegd en er moest een sloot rondom worden gegraven. Ook moest het nog geëgaliseerd worden. Dit gebeurde allemaal met handkracht. Daarom konden ze nog wel enige arbeiders gebruiken en ik er dus ook maar naar toe met onder andere vriend Gerrit Stokvis (later politieagent in Zwolle) en Klaas van Spijker, de latere varkenshandelaar, en nog enige anderen. Het werk nam een aanvang op een middag. Er werd gewerkt van een uur tot half zes. Toen wij om di e tijd naar huis wilden gaan, wendde de voorwerker zich tot één van ons en zei: "Ik heb morgen geen werk weer voor jou en je krijgt geen elf cent per uur (dat was het gangbare uurloon), maar acht cent." Hij voegde daar nog aan toe : "Poeren in de grond, dat kun je". De betrokken persoon, die volgens de voorwerker niet genoeg had gepresteerd, moest zich er wel bij neerleggen. Totaal had hij die middag maar 36 cent verdiend .
Het jaar 1911 was zeer droog . Het bouwland was als as. De aardappelen moest men met de schop rooien. Tot overmaat van ramp waren ze dat voorjaar ook nog afgevroren, zodat ze laat aan het groeien waren gekomen en ze dan ook pas tegen oktober geoogst konden worden. Dikke aardappelen ontbraken geheel; het waren allemaal poters en kleinen.
Voor het vee was het ook een slecht jaar. Er was weinig gras en er werd weinig hooi voor de volgende winter gewonnen.
In het jaar 1914 brak de eerste wereldoorlog uit. In augustus kwam Duitsland in oorlog met enkele omliggende landen. De oorlog duurde tot l918 . Hoewel Nederland er niet in betrokken werd en neutraal bleef, hebben wij de oorlogstoestand wel degelijk aan den lijve ondervonden. In ons land kwam alles op de bon en wij moesten geregeld naar het gemeentehuis om broodkaarten en kaarten voor de verdere levensmiddelen te halen.
Voor de broodbonnen kon men per week acht ons brood kopen. Ook kleding was niet meer vrij te koop. Wanne er een kledingstuk versleten was , kon men een aanvraag indienen voor een nieuw.
Alles werd duurder in die oorlogsjaren en clandestien werden er soms hoge prijzen betaald. De lonen waren echter niet veel hoger dan voor het uitbreken van de oorlog. Toen mijn vader (Hendrik Kreule, geboren in 1856) in 1916 overleden was, hadden we nadien vaak een arbeider die één gulden per dag verdiende.
Ook het vee werd duurder. Koeien brachten ongeveer vier- tot zeshonderd gulden per stuk op en biggen twintig tot vijfentwintig gulden. Na de oorlog daalden de prijzen weer sterk. Toen werd alles ook weer wat vrijer en ruimer verkrijgbaar.
Omstreeks 1920 werd in Nieuwleusen de eerste auto aangeschaft door drie personen gezamenlijk. Dat waren de heren L. Vos, de directeur van de Coöperatieve Zuivelfabriek, J. van Spijker Kzn, directeur van de levensmiddelencoöperatie Eendracht Maakt Macht, en G. Boers, de oprichter van busonderneming Gebo.


Vlnr: Hendrik Kreule, Roelof Hogenkamp en Peter Kreule aan het aardappels rooien. In de manden heeft een directe sortering plaats van dikken, poters en kleinen.
Omslagfoto: hooiladen met vlnr: Peter Kreule, Roelof Hogenkamp, Hilbert van Spijker Jzn., Arend Kreule en Hendrik Kreule.

In die tijd reden de vrachtrijders nog met paard en wagen naar de Zwolse markt. Wijlen de heer J. Westerman Sr. heb ik daar wel eens over horen vertellen. "Nu", zei hij, "zitten ze met de neus aan het glas. Wij moesten 's nachts om twee uur opstaan om de paarden te voederen, spanden ze dan om drie uur voor de, meestal twee aan één gekoppelde wagens, en reden stapvoets naar Zwolle." Voor 15 cent nam hij een mand met eieren mee.
Veel boeren reden ook zelf met de wagen naar de Zwolse markt om bijvoorbeeld biggen te verkopen. De biggenmand werd onder aan de wagen gebonden. In deze mand bleven de biggen ook op de markt. De nieuwe markt met biggenbakken was er toen nog niet. De overdekte markt werd enige j aren later gebouwd.
Nog goed in het geheugen ligt me de datum 10 augustus 1925. Tegen zes uur 's avonds kwam er een zware bui opzetten en werd het heel erg donker. In onze omgeving bleef het bij wat ontwortelde bomen, maar na de bui was Borculo vrijwel geheel verwoest. Er werd direct een actie op touw gezet om te helpen en in korte tijd was er drie miljoen gulden bij elkaar. Voor die tijd een groot bedrag. Met dit geld werd Borculo weer opgebouwd en toen bleek ook dat er zoveel was ingezameld dat er nog vijftig duizend gulden over was.

Wordt vervolgd

* * *

LEZERS SCHRIJVEN _________________________________________________________

W.

Van een van onze leden ontvingen wij een reactie op het eerste artikel uit de serie "Op de boerderij", geschreven door Peter Kreule. Hoewel we het schrijven ruimschoots voor juni ontvingen, kwam het te laat om nog in dat nummer op te nemen. We willen U deze reactie toch niet onthouden en nemen die hieronder op.

"Het verhaal van Peter Kreule; je ziet het voor je . Omstreeks de tijd waarin zijn verhaal speelt, of zo'n jaar of twintig daarvoor, sloeg het paard van m'n grootvader op hol. Grootvader en grootmoeder waren pas getrouwd en waren samen op weg naar het aardappelland. De jonge vrouw viel van de wagen en brak haar been. Dat is nooit weer goed gekomen en daardoor kon ze niet meer helpen op 't land.

Een ander verhaal: een bruiloft in mei 1931.
Een zus van mijn vriend ging trouwen. Alle grote jongens en meisjes uit de buurt werden op een avond uitgenodigd. De jongens kregen brandewijn met rozijnen, de meisjes met abrikozen. In kleine glaasjes! We zaten aan één lange tafel , de jongens apart van de meisjes. We wisten niet veel te praten. Het leek wel een gewone visite. Op een gegeven moment gingen we naar buiten en daar werd het voor de jongens en meisjes een uitbundig feest. 't Was een mooie heldere windstille avond; een goede avond voor de meikevers die bruiloft vierden in de eiken. We gingen hossen, "hossen maar": gewoon in cadans op en neer springen met de armen op elkaars schouder en jongens tegenover meisjes. We hadden maar heel weinig op en toch werden we heel blij, uitbundig en vrolijk: "hossen maar", "hossen maar". Even uitrusten en dan weer.
Op 't laatst hebben de jongens de meisjes heel voorzichtig gezoend. Het was voor mij voor het eerst. 't Was al niet zo vroeg meer toen we naar huis fietsten.
Zo'n bruiloft heb ik nooit meer beleefd.
Wie weet nog meer verhalen over bruiloften zo’n zestig jaar geleden?"


Deze laatste regel behelst een oproep aan onze leden. We hopen dat daaraan voldaan wordt zodat we een volgende keer zo'n verhaal kunnen opnemen.

De redactie

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO IV _________________________________________________________

Op 12 juni 1923 werd de Christelijke School in Den Hulst geopend. Ter gelegenheid daarvan werd er een foto gemaakt van alle leerlingen en het onderwijzend personeel. Het uit 98 personen bestaande gezelschap staat hieronder afgebeeld. Helaas zijn een aantal namen op dit moment niet bekend. Wanneer U één of meerdere aanvullingen kunt geven, horen wij dit graag van U.

De foto werd ons toegezonden door de heer Dirk Schuurman (nummer 50) uit Canada. Hij liet ons weten veel aan historie te doen en regelmatig oudheden naar de musea in zijn woonplaats Guelph in Ontario te zenden.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  

Meester W.W. Bouwhuis
Hendrik Huisman
Freek Jan de Boer
Willem Hekman
? Stolte
?
?
Jan Westrik
Derk Jan Klunder
?
Arend Tempelman
Sicco Oegema
Juffrouw J.W. Dingstee
Meester Postuma
?
Gerrit Jan Witpaard
Derkje Dijk
?
Stientje Scholten
Jentje Petter
Geertje Krale
Stientje van Ankum
Jan Scholten
Bernard Westrik
Henk Visscher
Juffrouw L.M. Harwig
Arend Jan Westrik
Hendrik Jan van Duren
Hendrik Klunder
Lubbert de Haan
Albert Huzen
Jansje Westrik
Grietje Nijboer

34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
41  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  
54  
55  
56  
57  
58  
59  
60  
61  
62  
63  
64  
65  
66  

Dina Scholten
Stientje Stolte
Klaasje Knol
Klaasje Groen
Janna Evenboer
Aaltje Dijk
?
Dina van Duren
?
Klaasje Portiek
?
Margje Trompetter
?
R.... Scholten
Arend Hekman
Aaltje Huzen
Dirk Schuurman
Albert de Haan
Jentje Knol
Evertje Nijboer
Derk Hendrik de Boer
Jantje Groen
Margje Spijker
?
Derk Schoemaker?
Willem de Boer
Hendrik Jan van der Kolk
Hendrik Grotenboer
Gerrit Jan Doren
Arend Groen
Lubbert Brinkman
Geert Doren
Asselina Visser

67  
68  
69  
70  
71  
72  
73  
74  
75  
76  
77  
78  
79  
80  
81  
82  
83  
84  
85  
86  
87  
88  
89  
90  
91  
92  
93  
94  
95  
96  
97  
98  
 

Hendrik Schuurman
?
?
Grietje Doren
Geertje Klunder
Hendrik Visscher
Fennigje Witpaard
? Witpaard
Klaziena Bouwman
Geesje Bouwman
Grietje de Haan
Geesje Mulder
Femmigje Schuurman
Grietje Wennemars
Aaltje Westerik
Koop de Weert
Hendrik Meijer
Jo Harwig
Derk Schuurman
Gerrit Meijer
Piet Wennemars
?
Roelof Visscher
Hendrik Potjes
Gerrit Willem Visscher
?
Hendrik Prins
???
Jan Hekman
Asje Beltman
Berend Jan Witpaard
Willem Kappert



* * *

VAN PLAATSELIJK- TOT GEMEENTEGENEESHEER _________________________________________________________

G. Hengeveld-van Berkum
J. W. de Weerd

Omdat in een der raadsvergaderingen zijn naam, ter sprake was gebracht, deed dokter M.L. Risselada. in de loop van 1918 het verzoek om de raadsvergaderingen als particulier te mogen bijwonen. Het voorval dat aan de orde was geweest, hield verband met de uitoefening van zijn functie als arts, of zoals geschreven staat "plaatselijk geneesheer belast met de vaccinatie en doodschouw". Of het geval van difterie, dat in dat jaar in de gemeente voorkwam, de aanleiding tot de bespreking over de dokter was, is niet bekend. Het is wel aan te nemen dat Risselada in een bepaald geval aan zijn verplichting als dokter niet geheel heeft voldaan.

Het verzoek van Risselada om de vergaderingen te mogen bijwonen, werd in de raad besproken en het antwoord was dat raadsvergaderingen openbaar zijn en er dus voor de dokter geen speciale toestemming nodig was. Over de functie van plaatselijk geneesheer hadden burgemeester en wethouders inmiddels hun gedachten laten gaan. Met het oog op het zich wijzigen van de toestanden in de gemeente in de laatste jaren, komt het hen wenselijk voor deze betrekking op te heffen. Daarvoor in de plaats stellen zij voor de betrekking van gemeente­geneesheer in te voeren. Het vertrouwen in Risselada blijkt nog aanwezig, want burgemeester en wethouders doen het voorstel hem als zodanig te benoemen en voor hem een instructie vast te stellen.
Met algemene stemmen besluit de raad in beginsel de voorstellen te aanvaarden. Tevens wordt besloten de arts Risselada met de zienswijze van de raad in kennis te stellen en hem te verzoeken de raad te willen meedelen of hij een eventuele benoeming tot gemeente-geneesheer zal aannemen. Dokter Risselada staat hier niet onwelwillend tegenover, doch hij vraagt voor de meerdere werkzaamheden een hogere beloning.
In de vergadering van 14 september 1918 neemt de raad het besluit om per l januari 1919 de functie van "plaatselijk geneesheer belast met de vaccinatie en doodschouw", op te heffen en die van gemeente-geneesheer in te stellen. Als zodanig wordt per dezelfde datum M.L. Risselada benoemd


Het doktershuis aan het Westeinde.

op een jaarwedde van vijfhonderd gulden, alsmede vrije woning met tuin en het gebruik van het koetshuis. In deze vergadering wordt ook een instructie voor de gemeente-geneesheer aangenomen. In de vergadering van 8 januari 1919 wordt deze evenwel weer ingetrokken en in gewijzigde vorm vastgesteld. De verplichtingen die toen aan de arts werden opgelegd, willen wij U niet onthouden. Daarom volgt hieronder de volledige tekst van de

Instructie voor den Gemeente Geneesheer.

Artikel 1.
De gemeente geneesheer in de gemeente Nieuwleusen is verplicht alle armen, zoowel bedeelden als minvermogenden , wonende of verblijvende in de gemeente, te bezoeken om te allen tijde en zoo spoedig mogelijk te voldoen aan alle aanvragen om genees-, heel- of verloskundige hulp, door hen gedaan.
Hij is verplicht de armen, bedeelden en minvermogenden geheel kosteloos te behandelen en zelf apotheek houdende, aan de behoeftigen de noodige geneesmiddelen te leveren, volgens het daarvoor geldende laagste tarief. Alle on- en minvermogenden die gratis behandeling wenschen, zijn verplicht zich tot den Burgemeester (Armbestuur) te wenden, dat na onderzoek den gemeente geneesheer op geeft of zij recht hebben op kostelooze behandeling. Hangende het onderzoek worden zij door den gemeente geneesheer behandeld, zoo zij dat vragen. Bij verschil van opvatting of iemand behoort tot den on- dan wel minvermogenden, heeft de geneesheer recht van beroep op den Gemeente Raad.
Artikel 2.
De gemeente geneesheer is verplicht:
a. daar, waar Burgemeester en Wethouders of de Burge meester redelijker wijze zijn hulp en bijstand inroept, dient hij daaraan gevolg te geven.
b. Burgemeester en Wethouders te dienen van bericht en raad, voorzooverre hij dit mag doen in verband van den eed, bedoeld in Artikel 21 der Wet van 25 December 1870 (Staatsblad nr. 222), laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 21 Juni 1901 (Staatsblad nr. 157).
Bij verschil van opvatting omtrent het bepaalde in sub. a. van dit Artikel , heeft de gemeente geneesheer recht van beroep op den Gemeente Raad.
Artikel 3.
Bij aldien hij ingevolge Artikel 4, laatste alinea der Wet van 10 April 1869 (Staatsblad nr. 65) wordt aangewezen tot het verrichten van den doodschouw, zal hij zulks kosteloos moeten doen, tevens zal hij kosteloos moeten zitting houden tot het verrichten van inentingen en her­inentingen, bedoeld bij Artikel l8 der Wet van 4 December 1872 (Staatsblad nr. 134).
Artikel 4.
Hij zal zich niet langer dan vier en twintig uren uit de gemeente mogen begeven zonder verlof van den Burgemeester. Bij langer dan vier dagen afwezigheid zal hij verlof van Burgemeester en Wethouder s noodig hebben en een persoon ten genoege van Burgemeester en Wethouders ter vervanging aanwijzen, die alsdan verplicht is deze instructie na te leven, tenzij hem de Raad in bijzondere gevallen onder nader te bepalen voorwaarden van deze verplichting vrijstelt. Het jaarlijksch verlof voor den gemeente geneesheer duurt drie weken.
Artikel 5.
De gemeente geneesheer is verplicht tot kosteloos geneeskundige behandeling van den gemeente veldwachter , diens echtgenoote en inwonende kinderen.
Artikel 6.
Ontslag op eigen verzoek behoeft door den Raad niet verleend te worden, indien de geneesheer zijn verzoek niet minstens drie maanden voor de datum, waarop hij ontslag wenscht, heeft ingediend. Bij een vervroegd vertrek uit de gemeente zorgt hij, ten genoege van Burgemeester en Wethouders desgevorderd op eigen kosten, voor een plaatsvervanger.
Ontslag dan wel schorsing geschiedt door den Raad, na gehoord den betrokken Inspecteur van de Volksgezondheid en na den gemeente geneesheer in staat te hebben gesteld zich schriftelijk te kunnen verdedigen. Tijdens de schorsing, die niet langer duurt dan een maand, blijft hij in het genot van zijn inkomen. Bij ontslag wordt hem dit drie maanden van te voren medegedeeld.
Artikel 7.
Burgemeester en Wethouders zullen omtrent klachten of bezwaren tegen den geneesheer geen beslissing nemen, die niet in den Raad brengen en de Raad zal die niet behandelen, dan na een nauwgezet onderzoek en na den geneesheer te hebben gehoord.
Artikel 8.
De gemeente geneesheer houdt toezicht over de leerlingen der O.L. Scholen in de gemeente en bezoekt minstens één maal per maand de schoolvertrekken. Bij het heerschen van besmettelijke ziekten als roodvonk en diphteritus, bezoekt hij de scholen zoo dikwijls dit nodig is en onderzoekt aldaar de kinderen die hij vermoedt aan eene besmettelijke ziekte te lijden. In tijden gedurende welke veel besmettelijke ziekten voorkomen, onderzoekt hij de kinderen, die schoolverzuimen, om na te gaan of deze ook aan besmettelijke ziekten lijdende zijn, tenzij een verklaring overlegd wordt van een ander geneesheer, die verklaart het kind te hebben onderzocht en dat het aan geen besmettelijke ziekte lijdende is, dan doet hij daarvan mededeling aan den Burgemeester.
Artikel 9.
De gemeente geneesheer is verplicht om, zoo hij meent dat geneeskundige hulp noodig is, dit in gesloten omslag aan de ouders, den voogd of den verzorger mede te deelen. Hij doet aan het Hoofd der School die mededeelingen die hij uit een algemeen gezondheidsoogpunt wenschelijk acht omtrent vertrekken, leermiddelen, banken enz. en de leerlingen.
Zoo nodig doet hij een persoonlijk geneeskundig onderzoek. Hiervoor geldt het bepaalde in artikel 1O.
Ingeval een meisje wordt onderzocht, doet hij dat in tegenwoordigheid van de moeder of wanneer deze verhinderd is, in tegenwoordigheid van de onderwijzeres. Bij onderzoek van de jongens geschiedt dit in bijzijn van een der ouders of anders van de onderwijzer.
Artikel 10.
Wanneer hij die de ouderlijke macht of de voogdij over een kind uitoefent, verlangt dat het geneeskundig toezicht over een kind niet wordt gehouden, geeft hij daarvan schriftelijk kennis aan het Hoofd der School, waar het kind is geplaatst, doch legt dan een verklaring over van een geneesheer, dat het kind door hem onderzocht en geheel gezond bevonden is.

Gedaan ter Openbare vergadering van den Raad der Gemeente Nieuwleusen den Achtsten Januari 1900 en negentien.

* * *

DE JEUGDIGE TUINDERS VAN DE O.L. SCHOOL IN DE MEELE _________________________________________________________

Dedemsvaartse Courant

In de tuin van de openbare lagere school van De Meele, de school van meester W. van Rooselaar, was het zaterdagmorgen al voor achten een hele bedrijvigheid. Het was de dag dat de leerlingen door hen zelf gekweekte groente oogstten, om deze dan daarna op de huishoudschool toe te bereiden en dan nog op te eten ook. Drie keer per jaar wordt zo'n kookdag gehouden en het zijn echte hoogtijdagen in het schooljaar.
Een fijne nevel danste in het eerste licht van de morgen, waarin de herfst zijn grijsheid had geweven. Tussen de boswallen van elzenhout lag de tuin in een vredige beslotenheid. Verbloeide zonnebloemen negen de zware zaaddragende harten naar de aarde.

De leerlingen van de hoogste klassen hadden ondanks hun jeugdige leeftijd van 10 tot 14 jaar een mooi gewas gekweekt. Ze konden voor hun kookdag een keuze doen uit 800 fris-groene andijvieplanten en uit een paar rijen stevige oranje-kleurige winterpeen.
Zoals bij veel werk door de jeugd verricht, was het hier ook "het oog van de meester", dat het werk tot succes voerde. Meester Van Rooselaar is een schoolhoofd, dat met bijzondere toewijding zijn pedagogische taak vervult. Al sinds 1940, toen door de landbouwvoorlichtingsdienst het kweken van groente werd gepropageerd op de scholen, heeft hij vele dagen van vele weken na half vier zijn schooltijd met een uur verlengd om de kinderen, die daar voor voelden, leiding te geven bij hun tuinderswerk. Hij legde in een schrift het kweekprogramma van verschillende groenten vast. Dit schrift heeft in de oorlogsjaren door het land gecirculeerd om als leidraad te dienen voor andere scholen.
Maar er zijn niet veel scholen waar men dit mooie werk zolang heeft volgehouden als in De Meele. De gemeente verzorgt het graafwerk in de schooltuin en de ouders van de kinderen brengen mest. De kinderen zaaien de gewassen, houden de tuin schoon en oogsten ten slotte de groente, die eerlijk verdeeld wordt. Zo heeft menig gezin het gebruik


Foto: K . v.d. Kolk-Kuterman

Kinderen onder leiding van meester Van Rooselaar bezig in de schooltuin. Vlnr: Arend Klosse, J. Rumpf, Jan Bloemhof, Jentje Rozeboom, Jan ter Welle, Margje Huisman, Annie Dekker, Klaasje Kuterman, Margje Wink, Aaltje Bijker, Sientje Arts en Aaltje Belt.

geleerd van allerlei vitaminerijke groenten, die het eerder niet op tafel had gehad.
"Wie van jullie weet wat stimp-stamp is?" zo klonk een kwartier later de stem van juffrouw Wolbers in het kooklokaal van de landbouwhuishoudschool met zijn blauw­geruite gordijntjes.
Mej. S. Wolbers, directrice, en mej. E. van Neck, kooklerares, hadden deze dag - hun vrije zaterdag - wel een ongewone klas me t leerlingen. Behalve drie m eisjes telde het gezelschap acht jongens . En het is moeilijk uit te maken wie er met meer animo aan de les deelnamen, de toekomstige huismoeders of de huisvaders-in-de-dop, die behendig begonnen de andijviekroppen in fijne snippertjes te snijden voor de stimp-stamp. Deze kleine mannen zullen later wel weten of de aardappelen gaar zijn en of de groente niet te lang heeft gekookt!
De peen werd in dobbelsteentjes gesneden voor de hutspot. Voor aardappelen, spek, boter en melk hadden de ouders gezorgd. Het duurde een paar uur, maar toen was de tafel gedekt van het kooklokaal, - de school is ondergebracht in de O.L. School van Den Hulst, in afwachting van een nieuw eigen gebouw - en de schalen met smeuïge stamppot stonden dampend en wel te wachten.
We mochten mee proeven en we moeten zeggen: het was overheerlijk, die stimp-stamp van puree met rauwe andijvie en ook de hutspot. De vla met rozijnen, die de leraressen voor de kinderen als extra traktatie kookten, gold dan als bekroning van deze feestelijke morgen. De heer Van Rooselaar nam het woord toen de puddingschalen helemaal leeg waren, om namens burgemeester Hoekstra, die wegens uitstedigheid hier niet bij kon zijn, te zeggen hoezeer de burgemeester het werk op prijs stelt, dat de dames van de landbouwhuishoudschool in hun vrije tijd steeds weer voor de kinderen doen.
Namens de leerlingen dankte het schoolhoofd voor deze kookles. Hij sprak de hoop uit, dat in de nieuwe huishoudschool het volgend jaar een nog mooiere kookdag zou kunnen worden gehouden.

Uit de Dedemsvaartsche Courant van 28 september 1953.

* * *

SCHRAOPERS _________________________________________________________

B. van Duren

Harm-ome slit zien olde dag
bij Jan en Jannao Schraoperag.
Hij krig wat ongevallengeld,
det netties hum wordt uuteteld.
De eerste is 't ontvangsttermien,
Harm ondertekent dan de schien
en Jannao stapt naar 't postkantoor.
Veur disse maand is 't dan weer klaor.
Mar now hef Harm-ome 't eran,
't is niks meer met de aolde man
de leste dagen van november,
En aovermorgen is 't december!
Harm-ome löt een diepe zucht
en 't leven is uut hem evlucht.
Jan en Jannao, arg ontsteld:
"Krig hij now nog wel zien geld?"
Dartig november, een zwaore dag
veur Jan en Jannao Schraoperag.
De mensen leupen of en an,
Harm-ome is zo'n beste man.
Jan, an de deure, kon wel krieten,
zeg steeds: "Och jong, het kan mij spieten,
vandage is hij niet zo best,
daor bint der al zo veule west,
koomt morgen weer a'i hem wilt zien,
hij mos now al zo veule lien.
Ansprekers waar'n der now al zat,
hij is het praoten meer dan zat."
De eersten kwaamp, Jan worden drok:
"Gauw Jannao, ien de zundagsrok."
Um tien ure lag dan al het geld
op taofel veur heur uuteteld.
's Middags kwaamp Jan Henduk Snieder,
naobers Geese en zo wieder.
Zie vraogt hoe 't met Harm-ome is.
"Och," zeg Jan, "helemaol mis"
en wis naor 't bedde an de zied,
"oes Harm-ome, die is uut de tied ...."

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES V _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


"t Kassetuug" _'t Zondagse goed (uit de kast) is voor kerkgang, bruiloften en begrafenissen, in ‘t werk heb je ander "tuug'' (kleding) aan, dat tegen een stootje kan.


Jaargang 5 nummer 4 december 1987

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OP DE BOERDERIJ IV _________________________________________________________

P. Kreule

Het jaar 1927 was van grote betekenis voor de vliegerij. In dat jaar vloog de Amerikaan Lindberg als eerste over de Atlantische Oceaan van New York naar Parijs. Een andere belevenis met de vliegerij had in 1910 al plaats gehad. In dat jaar vloog Jan Olieslager (een Belg) in Zwolle rondom de Peperbus. Vele mensen uit ons dorp wilden dat zien en gingen er naar toe.
Een bekend lied in die dagen was:

Jan van Brussel, Jan van Brussel,
Jan van Brussel val maar dood.
Als Jan van Brussel dood is,
dan krijgen wij misschien
de helft van al zijn centen
en ook zijn vliegmachien!

Dit klinkt nogal hard, maar men moet dit nu ook weer niet al te letterlijk nemen.
Een gebeurtenis die in 1928 in Nieuwleusen plaats vond en die de mensen schokte, was het overlijden van onze buurman Hendrik Evertsen en zijn zoon Hendrik Jan. Ze hadden kunstmest (slakkenmeel) gestrooid en kwamen beiden door vergiftiging om het leven. Ze zijn tegelijkertijd begraven. Wij hebben toen die boerderij gekocht en in de zomer van het volgende jaar het voorhuis laten verbouwen. Voor een timmerman betaalden we twaalf en een halve gulden per week.
In 1929 brak de wereldcrisis uit. Er kwam een sterke prijsdaling en veel bedrijven gingen failliet. De werkloosheid was groot. Omstreeks 1936 was het dieptepunt bereikt en telde ons land zo'n 400.000 werklozen.
Ook voor het boerenbedrijf was het een slechte tijd. Een boerenknecht verdiende ongeveer ƒ 380,-- tot ƒ 400,-- per jaar. Eieren brachten anderhalve cent per stuk op. Een goede koe leverde hoogstens ƒ 100,-­ op, veelal echter minder. Biggen brachten maximaal ƒ 2,50 à ƒ 3,-- per stuk op.
Het is voorgekomen, hoewel ik dit niet zelf heb meegemaakt, dat boeren van ons dorp die met biggen naar de markt in Ommen waren geweest, ze niet konden verkopen en met een groter aantal in hun wagen weer naar huis terug reden dan ze 's morgens waren vertrokken. Wanneer de kleedwagen niet goed was afgesloten, werden er stiekem biggen bij in gedaan door mensen die ze niet kwijt konden. Ze hoefden deze biggen dan niet langer te voeren, want dat kostte ook geld!
Deze slechte tijd duurde zo ongeveer tot het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Toen werd alles geleidelijk weer duurder.
In 1938 haalde ik mijn rijbewijs. Je kon bij garage Pinxsterhuis (nu garage Dokter) voor ƒ 15,-- leren autorijden tot je het rijbewijs had, ongeacht hoe lang je er over deed. Het examen kostte ƒ 3,50 per keer. Dus na eerst twee keer gezakt te zijn, kon je toch nog voor ongeveer ƒ 25,-- je rijbewijs halen.
Over de oorlog van 1940 tot 1945 zal ik niet uitwijden. Daar is al zo veel over geschreven. Voor Nieuwleusen verliep die tijd over het algemeen vrij rustig. Wel vonden er inkwartieringen plaats van Duitse troepen en er werd soms jacht gemaakt op onderduikers. Ook werden er wel paarden en wagens gevorderd. Onze nieuwe houten wagen, die we vlak voor de oorlog hadden laten maken, werd niet gevorderd. Dit dankzij de hulp van een buurman (een NSB-er), die bij de toenmalige burgemeester Van Arkel een goed woordje deed.
Wat me wel zeer goed bijgebleven is uit de laatste oorlogswinter, zijn de "trekkers". Dit waren mensen uit westelijk Nederland die zo weinig te eten hadden, dat ze naar de boeren in het oosten en noorden trokken om daar voedsel te halen. Ook Nieuwleusen werd overstroomd door hongerige mensen die met fietsen zonder banden, handkarren, kinderwagens, ja je kunt het zo gek niet bedenken met wat voor vervoersmiddelen ze hier kwamen om te proberen wat rogge, tarwe, boter, kaas en aardappelen bij elkaar te krijgen. Alles was bij hen welkom. Vóór in de middag vroegen ze dan soms al een nachtverblijfplaats om er zeker van te zijn dat ze een slaapplaats hadden. Als ze


Enige tijd nadat Peter Kreule zijn rijbewijs had gehaald, werd er bij garage Pinxsterhuis een auto gehuurd en gingen Jan Brinkman, Willem Brinkman, Peter Kreule , Hendrik Kreule en Roelof Hogenkamp (vlnr) een dagje naar het Openluchtmuseum in Arnhem.

daarin geslaagd waren, gingen ze weer een poosje weg om nog wat op te scharrelen. Tegen donker kwamen ze dan weer terug. Sommigen konden hele verhalen vertellen over zaken waar wij hier geen weet van hadden.
Toen de oorlog afgelopen was, kwam alles weer geleidelijk op gang. Mijn oude vriend Gerard Schaapman, die in 1911 met zijn vader naar Amerika (Ripon in Californie) was vertrokken, stuurde ons fietsbanden, kleding en tabak. Vele jaren heb ik met hem gecorrespondeerd, maar tot een bezoek over en weer is het nooit gekomen. Omstreeks 1950 is hier de ruilverkaveling op gang gekomen. Dat was voor Nieuwleusen, en vooral voor de boeren, een enorme verbetering. Moest men vroeger altijd over modderige wegen rijden, nu kon men veelal tot bij het land komen over een goede verharde weg. Ik meen dat zo ongeveer 70 kilometer verharde weg is aangelegd. En dan de afwatering. Vergelijk je die met de toestand voor de verkaveling, dan was dat een hele verbetering. Vroeger stonden de laatste stukken land vaak onder water. De sloten waren te klein, zodat het water niet weg kon. Maar dat leed behoort na de ruilverkaveling tot het verleden.
Het jaar 1959 kenmerkte zich, evenals 1911 , als een zeer droog jaar. De hoger gelegen percelen grasland waren helemaal door de zon rood verbrand. Nieuwleusen kwam er nog vrij redelijk af, maar in Dalfsen en op veel andere plaatsen was de toestand erg. In de meest getroffen gebieden werden bietenkoppen uit de Noord­Oostpolder aangevoerd voor het hongerige vee.
We hebben veel in de wereld zien veranderen. Wat een vooruitgang is er geweest in de tijd van een mensenleven! Ouders van emigranten kunnen nu spreken met hun kinderen aan het andere eind van de wereld. We hebben de Zeppelin gezien, de eerste pogingen om te vliegen en nu zijn er straalvliegtuigen. En we hebben de radio en de televisie zien komen.
De mens zelf is eigenlijk niet veel veranderd. De grote momenten van het leven, geboorte, liefde en dood, blijven toch altijd hetzelfde. Vele tijdgenoten sterven om ons heen en ook wel velen die jonger zijn. Mijn eerste echtgenote zei eens: "Ik heb toch in twee eeuwen geleefd." Ze was geboren op 30 december 1899, zodat ze ruim een dag in de vorige eeuw heeft meegemaakt. Een mens die ruim 100 jaar oud wordt, kan dus in drie eeuwen leven, mits hij dan in het laatst der vorige eeuw geboren is. Maar wie bereikt die hoge leeftijd? Dat is maar een enkeling.
Het jaar 1969 is ook een belangrijk jaar in de geschiedenis. Op 21 juli vond de eerste landing op de maan plaats. Wie had vroeger gedacht dat dat mogelijk zou zijn! En zal de mens het nu nog verder zoeken? Zullen ze proberen om nog verder in het heelal door te dringen naar verder gelegen planeten? Als we nog eens 30 jaar verder zijn, tegen het jaar 2000, hoe zal het er hier dan uit zien en wat zal er dan allemaal weer niet uitgevonden zijn? Maar Neil Armstrong en Edwin Aldrin maakten als eersten in de geschiedenis een vreugde­ dansje op de maanbodem. Tienduizenden kilometers onder hen hielden miljoenen mensen de adem in. Voorwaar een historisch ogenblik!
Soms denk je wel eens: ik ben te vroeg geboren, de mensen van nu en misschien van straks hebben het veel gemakkelijker dan wij vroeger. In zekere zin is dat ook wel zo, wij moesten in het begin van deze eeuw veel harder werken dan de mensen van nu. Maar of ze nu wel zo gelukkig zijn, is daarom nog niet gezegd. En als je teruggaat tot omstreeks het midden van de vorige eeuw toen de eerste straatweg aangelegd werd van Nieuwleusen naar Zwolle, hoe moeilijk hebben onze ouders en grootouders het niet gehad. Velen gingen te voet naar de Zwolse markt, vaak met een mandje met eieren op de rug, hopende op een lift van een boer die met paard en wagen naar Zwolle reed.
Als je jong bent, heb je geen notie van het leven en door schade en schande wordt je enigszins wijs. Achteraf ga je begrijpen hoe je leven toch werd bestuurd en dat alle vergissingen en tekortkomingen iets van waarde achter hebben gelaten. Ze hebben je gevormd. Misschien ook wel eens misvormd. Maar wie gaat ongeschonden door het leven? Ik ben te vroeg geboren, maar is dat wel zo?

september 1969

* * *
Naschrift van de redactie:
In het voorgaande verhaal is sprake van het door vergiftiging om het leven komen van Hendrik en Hendrik-Jan Evertsen. Over deze schokkende gebeurtenis vond de "Leesgroep Oude Kranten" in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van l0 maart 1928 onderstaand bericht:

Nieuwleusen, 9 Maart. Op de algemeene begraafplaats alhier werd ter aarde besteld het stoffelijk overschot van wijlen H. Evertsen HJzn. en H.J. Evertsen Hzn., welke beiden na een kortstondige ziekte van enkele dagen zijn overleden. Laatstgenoemde was gedurende enkele jaren lid der Chr. Jongel. Vereen. "Soli Deo Gloria", waarvan hij de laatste jaren het voorzitterschap vervulde. Voorts was hij bestuurslid van de Chr. Muziekvereen. "De Broederband". Van beide vereenigingen waren leden vertegenwoordigd, terwijl ook de oud-voorzitter, de heer D. Wiersma, van eerstgenoemde vereeniging, die in Friesland woont, aanwezig was.

* * *

DE EERSTE AUTO'S VAN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Kabé

Met belangstelling lees ik steeds de stukjes "Op de boerderij" van P. Kreule. Zeer juist schetst hij de sfeer van het boerenleven van voor de tweede wereldoorlog en kort daarna. Gaarne wil ik enkele kanttekeningen maken bij de eerste auto van Nieuwleusen.



Deze auto, een bus, werd door L. Vos, J. van Spijker en G. Boers gekocht. Gezamenlijk exploiteerden zij met deze bus een lijndienst op Zwolle onder de naam NADO (Nieuwleusener Autobus Dienst Oderneming). Een lang leven was deze dienst niet beschoren. Er werd onvoldoende gebruik van gemaakt. Chauffeur was J. Knol, die in dienst was bij de firma Boers.
Een van de eersten die een personenauto kocht, was caféhouder Borst aan de Ommerdijkerbrug. Het was een Spijker, een auto van Nederlands fabrikaat.
Verder had de Union fietsenfabriek al vroeg een auto, een Franse wagen van het merk Panhard. Het was een hoog koetsachtig geval, zwart van kleur, speciaal ontworpen voor één der directeuren. Deze had een arm- en beenprothese en moest hoog kunnen zitten. Chauffeur op deze auto was W. Hoes. Hij was de enige die deze auto mocht besturen. Daar was hij zeer trots op en hij verzorgde hem dan ook tot in de puntjes.
Ook notaris Visscher kocht al spoedig een auto, een grijze Chevrolet. Omdat de notaris zelf niet kon rijden, moest er steeds iemand komen van de fa. Boers, als de familie ergens naar toe wilde.
Zo geleidelijk aan kwamen er meer auto's, al was het aantal autobezitters voor de oorlog vrij beperkt vergeleken bij nu.

* * *

GIEN SCHRAOPERS _________________________________________________________

K. Schoenmaker-van Berkum

Zoas het met Harm-ome egaon is in het veurige boekien, zo gunk het gelukkug niet met iederiene op zien olde dag. Ik zal ies een verhaal vertellen over inwoning, det echt gebeurt is.
Mien Derk-ome en Henderkien-meuje woonden met zien beiden in een boerderi'jgien op Ni'jluusn. Kiender hebt ze nooit ekregen. In 1920 bint mien va en moe bij Derk-ome en Henderkien-meuje in gaon wonen. Det was toen Henderkien ziek eworden was en zi'j zich niet meer zo goed kunnen redden. Gezinshulpe zoas tegenwoordig was d'r vanzelf nog niet en aandere hulpe kunnen ze niet betalen, want veul geld was d'r niet. Ze hadden een paar koeien en een geite en die mossen vanzelf elke dag emölken worden. Mien moe deed alle wark in 't veurhuus, op de geute en ok op de deele. Mien va gonk op de daghure en later ok met de bakkerskarre venten.
Zo woonden wi'j met zien allen en één huus en det gonk merakel goed. Derk-ome was arg gek met mi'j. Mien breur is d'r wel wat an tekorte komen. As die hum veur de voeten leup, dan zee Derk-ome: "Veuruut, oprommelen." Det was niet zo mooi netuurluk.
Toen Henderkien-meuje op 4 september 1924 estörven was, gonk alles gewoon zo deur. Maor op een goeie dag gonk Derk-ome naor de notaris toe, want hi'j wol het boerderi'jgien op name van mien va en moe laoten zetten. De notaris raoden hum det stark of. "Doe det nooit", zee hi'j, "want dan kunt ze oe d'r uutzetten." Det was een tegenvaller veur Derk-ome. Lippend (huilend) is hi'j weer thuus ekomen. Hi'j had heur dit zo graag egeven.
Toen hef hi'j een testament laoten maken, zodat mien va en moe het spullegien kregen toen Derk-ome uut de tied was. Daor mossen ze vanzelf toen wel successie­rechten over betalen.
Mien ome is altied arg dankbaar ewest det wi'j bi'j hum inwoonden en det hi'j zo goed verzorgd werd. Tegen mien moe zee hi'j det eigen kiender niet beter veur hum hadden kunnen zorgen.
Wi'j hebt goed acht jaor bi'j Derk-ome inewoont. Op 27 oktober 1928 is Derk-ome estorven.

* * *

REACTIES OP "EEN OUDE SCHOOLFOTO IV" _________________________________________________________

Van de op bladzijde 38 in ons vorige nummer afgedrukte schoolfoto van de Christelijke School te Den Hulst waren van een aantal kinderen de namen niet bekend. Het aantal vraagtekens is inmiddels met twee terug gebracht. De heer Bouwman vertelde ons op de najaars­markt dat de nummers 74 en 75 twee zusters van hem waren, te weten respectieve lijke Klaziena en Geesje. Verder ontvingen wij van een zoon van juffrouw Harwig een brief, waarin hij zegt verrast te zijn een schoolfoto met zijn moeder en zijn broer Jo aan te treffen in ons blad. Overigens dient de naam met een g in plaats van een ch geschreven te worden.
De heer Frans Harwig verzamelt allerlei gegevens en foto's voor zijn familie-archief . Hij is dan ook zeer benieuwd of iemand nog meer foto's of andere informatie over zijn familie heeft.
De familie Harwig woonde in Den Hulst in het huis thans Oosterhulst 42, bewoond door Jan Petter. Onderstaande foto werd voor dit huis genomen. De drie kinderen zijn Diet, Tonnie en (met gebogen hoofd) Frans Harwig.



* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO V _________________________________________________________

Deze keer laten we u een oude foto zien van de Openbare Lagere School B aan het Ruitenveen. Hoofd van de school was meester Kamm. De foto dateert uit ongeveer 1936/37.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  

Arend Luten
Hendrik Sterken
Gerrit Dekker
Jan Krul Klzn.
Arend Mannen
Jan Krul
Arend Schoemaker
Hendrik Hekman
Eefje Groteboer
Aaltje Bijker
Sientje Kuterman
Janna Schoemaker
Klaasje Nijland
Klaasje Pessink
Meester Hardingsveld
Aaltje Bijker
Klaziena Schoemaker
Hendrikje Krul
Hendrikje Buitenhuis
Aaltje Nijland
Mina Boer
Margje Seine
Trijntje Huisman

24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
41  
43  
44  
45  
46  

Geesje Huisman
Jansje Boer
Dina Bijker
Mina Klompjan
Jan Buitenhuis
Juffrouw Visser
Aaltje Schoemaker
Jan Brouwer
Henk van Duren
Jan Bijker
Arend Jan Scholten
Meester Kamm
Jan Willem Seinen
Arend Jan de Boer
Jan Brouwer
Hendrik Jan Scholten
Gerrit Jan Krul
Egbert Boerman
Berend Jan Scholten
Jan Boerman
Gerrit Jan Pessink
Gezinus Mannen
Gerrit Jan Boerman



* * *

ARMENZORG ROND 1800 _________________________________________________________

In het archief van het ministerie van Binnenlandse Zaken 1795-1813 bevinden zich een tweetal stukken waarin iets te lezen valt over de armenzorg rond 1800. Onderstaand volgen beide stukken, respectievelijk inventarisnummers 199 en 207 in genoemd archief.
De heer Jan H. Kompagnie verzorgde de transcriptie. Inventarisnummer 207 is ondertekend met J.A. Palthe V:D:M: ibidem, hetgeen betekent: predikant (Verbi Divi Minister) aldaar.

*

ree 23 novb 98

Memorie
van den Armenstaat en Armenbestier van het
het Gereformeert Kerkengenootschap
Te Nieuwleuse
Ter voldoeninge van den last van het administratief Bestuir
van het voormalig Gewest van Overijssel
Den 1 Deser

Ingevolge aanschrijving van het Uitvoerend Bewind van den 26 September en Decreet van het Vertegenwoordigent Lichaam der Bataafse Republyk van den 2 September 1798
Zijnde het fons tot onderhoud van den Armen alhier ongeveer Jaarlijks 350 gulden
Hier van word onderhouden een huishoudinge van een oud man met een lamme vrouwe en een die de selve oppast waaraan na de omstandigheden veel moet gegeven worden, selfs ook een huisjen en gaarden voor gehuirt.
Twe menschen daar kostgeld toe betaalt moet worden
Tot onderhoud van twe weduwen en een kind
betalen.
Tot een man en vrouwe-huishuire betalen
Nog voor ee n man en vrouwe de gaarden huire betalen
Het onderhoud van twe huisjes door Armen bewoont
ook het geven aan arme passenten (?) die hier over
toekomen
Tot klederen voor Armen
Aan Predicanten van onsen gereformeerden Godsdienst die zoo ongelukkig haare tractementen in de afgestane Landen verloren hebben, gelijk ook van andere
Diaconien is geschied
Ook word alhier aan geringe menschen een pent (?)- of beest
verliesende, om se niet geheel aan de Diaconie te laten
vervallen daartoe ook geld na vermogen gegeven
als ook wel bij slegt verbouw Zaad om te Saijen en ook wel om te Eeten
Bestaande deze Gereformeerde Gemeente uit Boeren en kotters
Actum Nieuwleuse den 16 October 1798

Derk Jansen als Diaken

Hermen Jansen als Diaken

(inventarisnr. 199)

Berigt
van den Kerkenraad van Nieuwleuse op de Missive van de Heer Scholtus aan de Kerkenraad in dato den 29 September 1800 aangaande de Diaconie
van Nieuwleusen

De kerkenraad van Nieuwleuse heeft op de bekomene missive de Ledematen van Nieuwleuse bij Kerkensprake geconvoceert te compareren in de kerk alhier, en haar voorgestelt om de Diaconie alhier te behouden of niet. Is na deliberatie zoo van de Leden des Kerkenraads als van alle de Ledematen der gemeente eenparig goedgevonden om de Diaconie alhier te behouden en niet over te geven, om den Armen als voren daaruit te onderhouden. Nieuwleuse den 27 November 1800

Uit naam des Kerkenraads
van Nieuwleuse

J.A. Palthe
V:D:M:ibidem

(inventarisnr. 207)

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES VI _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


Hij gooit met een stukje worst naar een zij spek. Dat werd gezegd wanneer iemand voor weinig geld of goed véél terug wilde krijgen.

* * *

ONBEKENDE PERSONEN _________________________________________________________

G. Hengeveld-van Berkum



Wie zijn dit? Deze vraag stelden we in ons kwartaalblad van september 1985 bij deze foto. Er kwamen diverse reacties van mensen die dachten dat zij wisten wie het waren. Heel wat verschillende namen van echtparen werden genoemd. Daarbij doken meerdere keren de namen van Roelof Visscher en Asselina (Slientie) van der Vegt op. Sommige familieleden ontkennen evenwel dat zij het zijn, reden waarom wij hier opnieuw de vraag stellen: wie zijn dit?

Over het echtpaar Visscher-van der Vegt nog het volgende.
Roelof Visscher werd op 18 april 1844 te Rouveen geboren. Asselina van der Vegt aanschouwde op 19 september 1845 het levenslicht in Dalfsen en overleed te Nieuwleusen op 5 januari 1932. Op 19 maart 1868 trouwden zij te Dalfsen, waarna ze in Nieuwleusen, aan het Oosteinde, gingen wonen. Later verhuisden ze naar de buurtschap Welsum onder Dalfsen. Het huis dat ze daar bewoonden, draagt thans de naam "Brandhoeve", een naam die is afgeleid van de vroegere benaming van de Visschers.
Vanuit Welsum verhuisde de familie begin 1900 naar de Meele. Hier werden ze niet lang daarna dakloos door het afbranden van hun woning. Meester Meyer wist raad. Hij liet de schoolkinderen het kolenhok schoonmaken, zodat de familie Visscher daar zolang kon wonen tot hun boerderij herbouwd was. Het gezin Visscher telde negen kinderen. Hun dochter Geesje is nog in leven en is thans 98 jaar.
Toen Roelof Visscher en Asselina van der Vegt vijftig jaar waren getrouwd, maakte hun buurman meester Meyer, hoofd van de openbare lagere school op de Meele, onderstaand gedicht, dat in de advertentie in de krant werd opgenomen.

Vijftig jaar is het geleden
dat onze ouders op deze dag
in het huwelijk zijn getreden,
wat niet elk gebeuren mag.
En dit doet ons blijde wezen,
kinderen van dit ouderpaar,
dat wij dit aanschouwen mogen,
ons ouders zijn nog bij elkaar.
Mogen hunne verdere dagen
nog gelukkig vel en zijn,
niet te morren, niet te klagen,
mooi in 't midden van ons zijn.
Lieve ouders, met u beiden
hopen wij op deze dag,
dat de goede God en Vader
U hier lang nog sparen mag.

Ook in het nummer van september l986 plaatsen we een foto van een onbekend persoon. Dit probleem is nog evenmin opgelost. Eerst was men van mening dat het Aaltje Reuvers, de vrouw van Peter Kreule, moest zijn. Daarna kwam de naam van Jentje Visscher naar voren. Zij was gehuwd met Klaas Stolte.
Om zekerheid te krijgen hebben we een bezoek aan haar dochter gebracht. Zij heeft de foto goed bekeken en met name de sieraden die de dame droeg. Hieruit bleek echter dat de onbekende dame niet Jentje Visscher is. Vandaar opnieuw de vraag: is er iemand die de dame op bladzijde 47 (september 1986) kent? Inmiddels is wel min of meer vast komen te staan dat de foto gemaakt moet zijn in bioscoop "De Kroon" in Zwolle.

* * *

INHOUD VAN DE VIJFDE JAARGANG _________________________________________________________

blz.
1  
5  
8  
9  
10  
15  
16  
17  
19  
21  
21  
 
25  
29  
32  
32  
33  
36  
37  
40  
 
45  
 
47  
48  
49  
54  
55  
57  
58  
59  
61  
62  
64  

 
Willem Stolte, Predikant te Nieuwleusen
Op de boerderij
Zangvereniging Ruitenveen
Nieuwleusener gezegdes V
"Het Groene Kruis" te Nieuwleusen
Verkeerscontrole
Ontmoeting
Het Palthehuis
Grote Mans
Hazeu en de Hazeuzangers
Johannes Hazeu Cz, schrijver en dichter tot nut van 't algemeen
De Hazeuzangers
Op de boerderij II
Boerderij-meimerij
Nieuwleusener gezegdes IV
Op de boerderij III
Lezers schrijven
Een oude schoolfoto IV
Van plaatselijk- tot gemeentegeneesheer
 
De jeugdige tuinders van de O.L. School in de Meele
Schraopers
Nieuwleusener gezegdes V
Op de boerderij IV
De eerste auto's van Nieuwleusen
Gien schraopers
Reacties op "Een oude school foto IV"
Een oude schoolfoto V
Armenzorg rond 1800
Nieuwleusener gezegdes VI
Onbekende personen
Inhoud van de vijfde jaargang

 
K. Schoenmaker-van Berkum
P. Kreule

A. Schoemaker-Ytsma
F. Visscher
H.J. Snijder
Mini A. Tuur
A. Schoemaker-Ytsma
Kabé


M. den Admirant

P. Kreule
Mini A. Tuur
A. Schoemaker-Ytsma
P. Kreule


G. Hengeveld-van Berkum
J.W. de Weerd


B. van Duren
A. Schoemaker-Ytsma
P. Kreule
Kabé
K. Schoenmaker-van Berkum


Jan H. Kompagnie(transcriptie)
A. Schoemaker-Ytsma
G. Hengeveld-van Berkum




            Colofon uitgaven 1987


            Uitgaven van 1988


Jaargang 6 nummer 1 maart 1988

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

HET LANDGOED "ROLLECATE" _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Het voormalige landgoed Rollecate op de grens van de gemeenten Nieuwleusen en Staphorst is onverbrekelijk verbonden met de naam Van Dedem. Leden van dit geslacht bewoonden het huis, dat in 1820 vanuit Vollenhove naar een plaats nabij Den Hulst aan het kanaal de Dedemsvaart werd verplaatst, tot aan de openbare verkoop in 1923. Toch is er niet altijd een verband geweest tussen de namen Rollecate en Van Dedem. Toen het huis nog te Vollenhove stond, was het tot aan 1763 in het bezit van het geslacht Van Isselmuden. Vanaf het midden van de 15e eeuw heeft het goed tot de bezittingen van deze familie behoort.
Omstreeks 1750 is de Rollecate in het bezit van Johan Hendrik (ook wel Jan) van Isselmuden. Wanneer hij in 1760 rijdend te paard in Mastenbroek verdrinkt, is hij nog ongehuwd. Zijn zuster Theodora Judith Margriet van Isselmuden erft het landgoed en verklaart op 6 april 1763, als douairière van Gijsbert Willem van Dedem, voor het gericht van Vollenhove, dat zij het huis Rollecate met boomgaard en landerijen heeft verkocht aan haar zoon Coenraad Willem van Dedem, geboren te Dalfsen op 3 augustus 1738.
Een jaar nadat hij de Rollecate verkreeg, in 1764 dus, koopt Coenraad Willem het goed Den Berg bij Dalfsen van zijn broer Willem Jan. Vanwege Den Berg werd hij in 1768 in de Ridderschap van Overijssel verschreven, nadat hij dat in 1763 al was wegens de Rollecate. In 1787 is Coenraad Willem drost van Haaksbergen en van 1790 tot 1795 bekleedt hij dezelfde functie van Vollenhove. Na de Franse revolutie wordt hij in 1814 bij Souverein besluit benoemd in de Ridderschap van Overijssel.
Op 1 december 1772 trouwt Coenraad Willem in Dalfsen met Suzanna Leonora de Vos van Steenwijk, een volle nicht van hem. Uit dit huwelijk wordt op 18 maart 1776 een zoon geboren die de naam Willem Jan krijgt.
In 1816 sterft Coenraad Willem van Dedem. Nog juist voor zijn overlijden begint de verbrokkeling van het


"Plattegrond_ van het landgoed Rollecate, gelegen in de Provincie Overijssel en toebehorende aan den Hoog welgeb, Heer W.J. Baron van Dedem tot den Berg. Lid van de Ridderschap en Provinciale Staten enz.
Opgemeten en in kaart gebragt door (J.C.) Honig gew. Landmeter van 1ste klasse van het kadaster."
Aquarel-pentekening uit de 1e helft van de 19e eeuw. Collectie Gemeente Nieuwleusen.

landgoed Rollecate in Vollenhove. Samen met zijn vrouw verkoopt hij op 12 februari 1816 een boerenerf met landerijen dat tot dan toe tot het landgoed had behoort. In 1820 laat Douairière Van Dedem tot den Berg een herenhuis, genaamd de Rollencate en staande op het goed de Rollecate voor afbraak veilen. De inzet is op 29 maart en een dag later vindt de eindveiling plaats. Het huis wordt dan evenwel niet gegund.
Inmiddels is Willem Jan Baron van Dedem tot den Berg in 1809 begonnen met het graven van een kanaal vanuit Hasselt in oostelijke richting naar de veengebieden. We zagen al dat hij in 1776 geboren was. Op 12 september 1802 trouwt Willem Jan met Judith van Marle. Om elke dag van zijn levenswerk te genieten, besluit Van Dedem om het niet gegunde huis in Vollenhove te doen afbreken en het aan het kanaal weer te doen opbouwen. Dit gebeurt in 1820/21. Het puin dat na de afbraak overbleef, wordt in mei 1821 gekocht door het Heemraadschap Vollenhove, waarna het naar de Blokzijlerdijk wordt gebracht.
Tot zijn overlijden op 21 november 1851 bewoont Willem Jan het huis Rollecate. Na hem is zijn zoon Coenraad Willem, geboren op 30 juli 1811, eigenaar van het huis. Coenraad Willem trouwt met Johanna Catharina Engelkens, geboren te Veendam op 2 april 1816.
Van 8 december 1837 tot 1852 bekleedt Coenraad Willem van Dedem de functie van notaris en burgemeester van Nieuwleusen en Avereest. Voorts is hij lid geweest van Provinciale Staten van Overijssel. Wanneer hij op 3 september 1870 op het huis Rollecate overlijdt, laat hij een weduwe na, die daarna naar Zwolle vertrekt. Zij keert nog enkele keren voor korte tijd in Nieuwleusen terug en overlijdt ten slotte in Zwolle op 8 augustus 1880. Uit het huwelijk van Coenraad Willem van Dedem en Johanna Catharina Engelkens wordt op 31 augustus 1854 te Nieuwleusen een zoon geboren, Willem Jan. Bij het overlijden van zijn vader is hij nog minderjarig. Hij studeert dan in Deventer, waarheen hij op 4 november 1869 is vertrokken. Op 30 april 1879 komt hij na zijn studietijd vanuit Leiden terug in Nieuwleusen . Dat najaar vertrekt hij met zijn moeder naar Zwolle, om zich daarna op 30 april 1880 definitief op de Rollecate te vestigen.
Op 10 augustus 1881 huwt Willem Jan met Beerte Henriëtte Geertsema, geboren 4 oktober 1859 te Groningen. Zij komt op 26 oktober 1881 vanuit Zwolle naar Nieuwleusen om zich bij haar man op de Rollecate te vestigen.
Willem Jan Baron van Dedem van de Rollecate bekleedt diverse functies in het openbare leven. Hij is jarenlang lid geweest van Provinciale Staten, van het College van Gedeputeerde Staten en van de gemeenteraad van Nieuwleusen. Op 15 februari 1922 overlijdt Van Dedem, zonder kinderen na te laten, in het ziekenhuis te Groningen, alwaar hij sinds 2 februari verbleef na een ernstige keeloperatie. Hij werd in Groningen begraven. Zijn weduwe blijft nog tot 4 mei 1923 op het huis Rollecate wonen en vertrekt dan naar Den Haag.
In het najaar van dat zelfde jaar heeft ten overstaan van notaris J. Visscher te Nieuwleusen de veiling plaats van de Rollecate. De eerste veiling is op dinsdag 23 oktober en de eindveiling op dinsdag 6 november, telkens om 11 uur "in het Café Borst, bij de Ommerdijkerbrug, aan de Dedemsvaart, halte Dedemsvaartsche Stoomtram".

Het Veilingsboekje

Het landgoed Rollecate wordt geveild in 40 percelen. Het is volgens het veilingboekje "gelegen aan weerszijden van de Dedemsvaart, den grintweg en de stoomtram, nabij het station Dedemsvaart, in Den Hulst, gemeenten Nieuwleusen en Staphorst, bestaande uit Heerenhuis met Sier­ en Moestuinen, Park, Gracht en Bosch, Koetsiers- en Tuinmanswoningen, model ingerichte Stallingen, Bedrijfsgebouwen , Landbouwschuren, Weiland , Bouwland, Boerenplaatsjes en boschgronden, tezamen ter grootte van ruim 100 hectare."
Bij de veiling is de bijzondere bepaling van kracht dat de kopers het recht hebben om de op hun percelen staande bomen, voor zover die zijn vermeld in een taxatierapport van de Nederlandse Heidemaatschappij, hetzij allemaal, hetzij één of meer percelen daarvan, over te nemen voor de bedragen die daarvoor zijn vastgesteld in het taxatierapport. Dit rapport lag op het kantoor van de notaris voor de belangstellenden ter inzage. De bomen en al het verdere houtgewas zijn dus van alle percelen uitbedongen, evenwel met uitzondering van perceel 1, het huis, zoals we nog zullen zien. Verder is de mest van alle percelen uitbedongen, evenals van de verhuurde percelen datgene wat van de huurder is. Ook is de smalspoorbaan met bijbehorende werken van alle percelen uitbedongen en verder een aantal zaken bij diverse percelen. Ook moeten de kopers bij verschillende percelen een aantal zaken overnemen.
Onderstaand zullen we op de belangrijkste te veilen percelen nader ingaan.

Als perceel 1 wordt geveild het herenhuis met tuingrond, bos, laan en gracht, koetshuis, stalling, ijskelder, loods en schuren, ter grootte van 3.40.50 ha. Bij dit perceel wordt tevens het recht verkocht om de berm van de grintweg langs de Dedemsvaart, tegenover het huis, voor zover gelegen tussen de brug en de bocht in de weg, te bepoten. Er zit wel een beperking op dat recht, er mogen alleen bomen worden gepoot ter vervanging van en op de plaatsen van de aldaar staande bomen. De koper van deze kavel heeft het recht om de bestaande bomen over te nemen voor een bedrag volgens het rapport van de Heidemaatschappij.


Het buis Rollecate gezien vanaf Nieuwleusen.

Uitbedongen bij perceel 1 zijn de zonnewijzer in de tuin en een marmeren fontein met koperen kraan in het huis. Tot de zaken die verplicht moeten worden overgenomen behoren de rolgordijnen en de tule gordijnen, met uitzondering van die op het kantoor, voor ƒ 50,=; alle elektrische lampen met porseleinen kapjes, de ganglantaarn en de armaturen met kappen in de eet- en koepelkamer voor ƒ 25,=: op zolder voor ƒ 27,= het verplaatsbare vruchtenrek, de droogstokken, de vouwtafel en de vuilgoedkast; in de kleedkamer de badkuip met geiser en filter voor ƒ 20,=; in de provisiekamer de rekken en het klaptafeltje voor ƒ 25,=; in de serre het buitengordijn en de bij de serre behorende losse ramen voor ƒ 33,=; de akten kasten op het kantoor voor ƒ 20,=; in de keuken voor ƒ 75,= het fornuis met pijp, plaat en ringen en tenslotte in het souterrain de rekken, de muurvaste tafels en de vaste vliegenkast voor ƒ 25,=.
Ook buiten moet het nodige worden overgenomen, te weten een eikenboom, die ten zuiden van de koetsierswoning staat, een bruine beuk, twee essen en een plataan op de werf en op het plein de treurbeuk, de treurberk, drie bruine beuken, een tamme en tien wilde kastanjebomen, twee essen, een cypres, een abeel, een esdoorn, een tulpenboom , een bonte eik, een acer en twee acacia’s. Voor al deze bomen moet de koper ƒ 350,= op tafel leggen. Verder staat er in de tuin nog een draaibare koepel, die, zonder de losse ramen, moet worden overgenomen voor ƒ 100,=.
Als tweede perceel komt de tuinmanswoning met tuin, bosgrond en gracht onder de hamer. Dit perceel heeft uitweg over de buitenlaan van perceel 1. Het kettingbrugje, een bruine beuk, een esdoorn en een tulpenboom moeten voor ƒ 50,= worden bijgekocht.
Het derde perceel bestaat uit de moestuin, de druivenkas en de broeikas, de warme en koude bakken, stallen, loodsen en gracht ten oosten van het huis. De uitweg loopt over de percelen 1 en 5 en verder over de buitenlaan langs de gracht.
Het weiland "de Kalverkamp" met weg, bosgrond en houten stal wordt als vierde kavel geveild. Hierbij moeten de


houten stal, de betonpalen en het draad, het slaghek, de eiken- en beukebomen langs de algemene weg (zie kaart) en nog drie eiken worden overgenomen voor ƒ 230,=.
Op perceel vijf staan de koetsierswoning met stal en stenen hok, erf, tuin, weg en grasland. Ook hier horen een verplichte overname bij en wel van het stenen schot, de hooiberg, de rikking, 40 beukebomen en 10 eikenbomen voor de prijs van ƒ 270,=.
Tegenover het huis aan de overzijde van de Dedemsvaart ligt het zesde perceel, dat bestaat uit weiland en bosgrond. Daarnaast ligt perceel zeven, dat eveneens uit weide en bos bestaat. Deze beide percelen staan aangekondigd als "de kamp vóór het Spijker".
De percelen 8 en 9 zijn eveneens gelegen tussen het kanaal en de Koeweg (Meeleweg) en dragen de benaming "de Duivenslagkamp". Ze bestaan beide uit weide en houtsingel. Op perceel 8 staat een stal of schot, waarvan de balkenslieten zijn uitbedongen.
Het tiende perceel dat onder de hamer komt, is de nog bestaande en thans geheel vervallen "Nieuwe Stal" aan de Schapendrift en de openbare weg. Groenland, bos en weg behoren tot deze kavel. In de grote stenen stal zijn een kantoor, laboratorium, machinekamer, kelder, gierkelder, twee bergkamers, voederbergplaats, schaftlokaal en zolder. Uitbedongen zijn alle machinerieën en gereedschappen met drijfwerk en motor, de deur met het bijbehorende raam voor de brandkluis en de hooiberg. De aanwezige gierpomp moet verplicht worden overgenomen samen met de linde- en peppelboompjes voor ƒ 10,=.
Perceel 11 is de stenen schuur "het Torenschot", nog een stenen varkensstal, erf, weg en weiland. De hier ook staande turfschuur, het ossenschot en de hooiberg worden uitbedongen. Wel overgenomen, en wel voor ƒ 710,=, moeten worden de stenen varkensstal , het slaghek, het draad en de palen (wat trouwens bij de meeste andere percelen ook het geval is), de hekken op de varkensbrink en de niet genummerde eiken.
De percelen 12, 13 en 14 dragen alle de namen "de Schutskamp" en bestaan uit weiland en weg . Langs de weg bij de kavels 13 en 14 staan eiken, die verplicht moeten worden overgenomen. Perceel 14 is in gebruik bij de voetbalclub die Nieuwleusen toen rijk was (VIOS). Al hetgeen van hen is, gaat niet mee over op de nieuwe eigenaar van de grond.
Een zevental perceeltjes (de nummers 15 tot en met 21) worden als huisplaats met bosgrond verkocht. Hierop zullen in latere jaren woningen gebouwd worden.
Op de hoek met de tegenwoordige Schapendijk ligt perceel 22: gras-, tuin- en bosgrond met daarop een houten schuurtje, dat voor ƒ 30,= moet worden bijgekocht . Het witte zand dat langs de gracht ligt, is van de verkoop uitgesloten.
Achter de "Nieuwe Stal" en de algemene weg (nu de Dedemsweg) liggen nog een achttiental percelen, voornamelijk bestaande uit wei- en bouwland. Op enkele daarvan staat een boerenhuis of schuur. Het zou te ver voeren om hier elke kavel stuk voor stuk op te sommen. We beperken ons tot de vijf laatste en meest interessante percelen (althans op papier), die het verst van het huis af liggen. Deze percelen hebben namelijk allemaal een naam. Achteraan ligt (uiteraard) "de achterste Pijmanskamp". Daarvoor ligt het "plaatsje van Stoel", een huis met erf, grasland en bos. Daar weer voor ligt "de voorste Pijmanskamp", die in twee gedeelten wordt geveild. Op de grens tussen deze beide kavels staat een pomp met stenen drinkbak, die evenals de "dwarsrikking of het draad en de palen" gemeenschappelijk eigendom wordt van beide percelen. De kopers zijn verplicht één en ander gezamenlijk te gebruiken en te onderhouden, en wel ieder voor de helft.
Voor de "voorste Pijmanskamp" ligt "Pijmans dennenkamp", een perceel dat zijn naam niet volledig meer eer aandoet, omdat het ook uit grasland bestaat.

Tot zover de veiling van het oude landgoed Rollecate. dat daarna als versnipperd en behorend aan verschillende eigenaren blijft liggen. De opbrengst is ongeveer twee ton. Was dat in die tijd een groot bedrag, vandaag de dag zou het zeker enkele miljoenen waard zijn geweest. Na de veiling verdwijnt nagenoeg alle bos van het voormalige landgoed. Het hout wordt, voor zover het niet bij de geveilde kavels is inbegrepen, uit de hand verkocht tegen de door de Heidemaatschappij getaxeerde bedragen. Het huis zal nog een aantal jaren blijven staan, om tenslotte in de dertiger jaren te worden afgebroken. Er gaan geruchten dat toen bleek dat sommige binnenmuren van turf waren opgebouwd. Indien dat waar is, dan heeft Van Dedem op die manier zeker op de bouwkosten kunnen besparen . Veengebieden had hij genoeg en turf was dan ook ruimschoots voorhanden.
In de loop van de jaren is het landgoed geheel onherkenbaar geworden en er is niet zo heel veel meer dat aan het, naar mijn idee, eens zo prachtige landgoed herinnert. Merkwaardig is wel dat er in de weg, die aan de zuidzijde van het voormalige kanaal de Dedemsvaart ligt, nog steeds de bocht zit die er ook al zat toen het huis Rollecate precies op dat punt aan de noordkant van het kanaal stond. Het zou wenselijk zijn om bij de uitbreiding van het industrieterrein, op de voormalige Duivenslagkamp, deze bocht als herinnering aan de Rollecate te handhaven. De meeste oude namen zijn immers al in het vergeetboek geraakt. Helaas!

* * *

OUDE LIEDJES _________________________________________________________

J. de Lange-Van Dorsten

Koos Speenhof, velen van u zal deze naam niet onbekend in de oren klinken , schreef eens een liedje dat hij als titel gaf "Opoe". De werkgroep "Oude liedjes" kreeg de tekst van dit aangrijpende lied in handen en zou het graag willen zingen met begeleiding op de harmonica van onze beide muzikanten. De melodie is echter niet bekend. Wellicht is er iemand onder de lezers die het liedje kan zingen of de noten heeft. Wanneer dit het geval is, kunt u dit doorgeven aan mevrouw Vasse, tel. 05296 - 2632.

Hier volgt de tekst van het liedje:

OPOE

Opoe had d'r hele leven
                     voor d'r kinderen gesjouwd.
Al d'r jongens en d'r meisjes
                     waren na elkaar getrouwd.
Opoe was toen in gaan wonen
                     bij d'r jongste lieveling
en daar wachtte ze geduldig
                     tot ze naar het kerkhof ging.

In 't eerst was opoe alles,
                     ieder was haar aangenaam,
't warmste hoekje naast de kachel,
                     't mooiste plekje voor 't raam.
Maar toen opoe 's spaarbankboekje
                     helemaal was afgezet,
en toen opoe lam ging worden,
                     moest ze 's middags al naar bed.

Eerst moest opoe naar de keuken.
                     had d'r lieveling gezeid.
Toen moest opoe naar de zolder.
                     in de bedstee van de meid.
Maanden lag ze daar te suffen.
                     niemand had meer medelij,
tot de kleine meid kwam zeggen.
                     dat d'r opoe niks meer zei.

Nu we het toch over oude liedjes hebben, willen we u er nog een tweetal voorschotelen. Eerst het liedje dat Jan Snorrewind maakte op het refrein van Sari Marijs "naar die ou Transvaal".

0, breng mij terug naar die Ommerdijkerbrug,
daar waar Jan Nijmeier woont.
Daar onder die veranda met een heerlijk glaasje bier,
daar hebben wij zoveel plezier.


Jan Snorrewind was knecht bij D.J. Schoemaker, die een smederij had op de plek tegenover bakker Dunnink aan het Westeinde, waar nu A.J. de Boer woont. Dit liedje kregen we van mevrouw Vogelzang. Met haar zullen vast nog wel anderen zich dit wijsje herinneren.

Tot slot een dorpslied, waarvan de schrijver ons onbekend is.

DORPSLIED In Overijssels dreven
daar aan de Dedemsvaart,
daar is mijn dorpje gelegen,
't mooiste plekje op deez' aard.
Tussen de volgroene weiden
met daarop het grazende vee,
ja, dat is mijn dorpje Nieuwleusen
plaatsje van voorspoed en vree.

Op lange winteravonden
hoort men nog 't oud verhaal,
hoe arm deez' streken waren,
't heidelandschap leeg en kaal .
Daar staan nu de boerderijen
statig een toonbeeld van vlijt.
Ja, zo is mijn dorpje Nieuwleusen
't volkje verstaat er de tijd.

Wijze: Hoog op de gele wagen.

* * *

DE TIENDE PENNING _________________________________________________________

B. van Duren

Een gulden is in waarde gelijk aan twintig stuivers. In de tijd van de tiende penning is men daar blijkbaar van afgeweken, hetgeen blijkt uit het nu volgende, waar de verkoop van een schuur voor afbraak in het jaar 1817 is vastgelegd.

Nr. 343 - Bestuur der Registratie Zegel- en hypotheek Regten. Extract uyt het Register van voorlopige aangave tot verkoop van roerende Goederen.
"Op den vijf en twintigsten April 1817 compareerde Den Heer A.C. Bouwmeester, Notaris te Dalfsen, welke verklaarde, dat hij op Saturdag den 26 deser te Nieuwleusen, onder de Gemeente Dalfsen, een publieke verkoop zal houden van een Schuur tot afbraaken, ten verzoeke van Klaas Boer, wonende te Nieuwleusen , waarvan Acte is opgemaakt en heeft getekent: A.C. Bouwmeester.
De Ontvanger der Registratie, W.L. Hoorn."

"In den Jaare agtien hondert en zeventien, den zes en twintigsten April, heb ik A.C. Bouwmeester, Openbaar Notaris, residerende te Dalfsen, in tegenwoordigheid van de nagenoemde Getuigen, ten verzoeke van Klaas Boer, Landbouwer, wonende te Nieuwleusen, publiek verkogt een Schuur tot afbraaken volgens bekendmakingen op de volgende conditiën
1. De Verkoop zal geschieden voor guldens van twee en twintig stuyvers het stuk, waarvan de betaling zal moeten gedaan worden aan den Notaris voornoemd , binnen Dalfsen, voor of op den l November agtien hondert en zeventien op poena (boete) van een stuvver per gulden opgeld voor later betaling.
2. Desgevordert zal den koper moeten stellen twee voldoende Borgen, welke zig ieder in Solidum en ten Principalen verbinden en zig onthouden van alle Optiën en Beneficiën (gunsten) regtens in Speci die van order Divisie (verdeling) en zelfs ondertekening.
3. Den Schuur word verkogt tot afbraaken welke heeden over drie weeken geheel van den Plaats zal moeten vervoerd zijn, op verbeurte van drie gulden voor ieder dag dat er een stuk langer van blijft liggen.

En is deselven gekogt door Harmen Oosterveen voor vijftig guldens ƒ 50,--
tiende verhoging daarboven 5,--
makende te samen vijf- en vijftig guldens ƒ 55,--

Gedaan en gepasseerd in tegenwoordigheid van Jan Stolte, timmerman en Bartelt van Holten, herbergier, beide te Nieuwleusen woonagtig, getuigen ten desen verzogt, welke met mij Notaris, deze Minute, na gedane voorlezing hebben getekent.
J. Stolte B. van Holten
A.C. Bouwmeester, Notaris

Geregistreerd te Ommen den zesde Mey 1818 - Folio 171 nr. 3. Ontvangen met verhoging - Een gulden een en veertig en een halve cents. W.L. Hoorn."

* * *

KLAAS GAAT NAAR EEN ERFHUIS _________________________________________________________

Kabé

Klaas las in de Dedemsvaartse Courant dat er volgende week een "erfhuis" gehouden zou worden bij Hendrik Jan op de Meele. Hendrik Jan hield er mee op; hij werd ouder en opvolgers had bij niet.
Zo'n erfhuis, dat was wat voor Klaas. En het kwam mooi uit, want die dag hoefde hij niet naar school. Al bijtijds ging Klaas op zijn oude Duitse "Brennebor" naar het huis van Hendrik Jan. Overal lagen de spullen uitgestald en het was al een drukte van belang. Voor iedereen was er wel iets van zijn gading bij. Er waren heel goede dingen bij, want Hendrik Jan hield er niet van zich te moeten



behelpen en hij had zijn spullen dan ook prima voor elkaar.
Daar kwam de notaris aan, vergezeld van een klerk en van Willem, de afslager. Op de deel bij de baanderdeur werden een tafeltje en stoelen voor de notaris en zijn klerk neergezet. Die klerk was een pienter mannetje, die iedereen kende en precies op de hoogte was van de financiële mogelijkheden van de inwoners van Nieuwleusen. Voor Willem werd een kistje neergezet, waar hij op ging staan om een goed overzicht over het publiek te hebben.
De mensen dromden samen en de verkoop kon beginnen. De notaris las de verkoopcondities voor , maar niemand luisterde er naar. Voor de goede orde herhaalde Willem de voornaamste voorwaarden: betaling vóór 1 mei aanstaande; posten beneden de tien gulden contant en onbekende kopers moeten zorgen voor een solide borg. En toen begon de verkoop. Het eerste stuk werd door een helper omhoog gehouden. "Wie biedt er geld voor het eerste perceel". Met deze woorden begon Willem steevast een verkoping.
Eerst was er nog wat aarzeling, maar geleidelijk aan begonnen de mensen te bieden, daarbij aangemoedigd door Willem, die met een vlotte babbel en zo nu en dan een kwinkslag de spullen aan de man bracht.
De geboden bedragen werden uitgedrukt in stuivers. Kwam men boven een rijksdaalder, dan ging Willem met een kwartje omhoog en boven de vijf gulden met twee kwartjes. En als het bedrag nog hoger werd, dan met een gulden.
Het ging goed met de verkoop. De spullen gingen vlot van de hand en Hendrik Jan keek dan ook heel tevreden. Op een gegeven moment begon de belangstelling van Klaas voor de veiling te verflauwen. Hij liep wat rond en trof naast het huis een paar bekende jongens uit de buurt. Ze liepen naar de sloot, waarlangs een aantal hoge eikenbomen stonden met in één ervan een eksternest. "Jonges, ik gao det nûst uuthaal'n", riep Klaas en meteen klom hij de boom in. Hij was een geoefend klimmer en in een mum van tijd was hij bij het nest. Zes eieren lagen



er in. Klaas haalde ze er uit en deed ze behoedzaam in zijn pet. Zo ging hij er mee naar beneden. "Kiek ies jonges, zes eier!" "Wat doe'j d'r mee Klaas?", vroeg één van de jongens. "Det za'k oe laot'n zien. Kom mar met", was het antwoord.
Klaas ging tussen de mensen staan en zo hier en daar stopte hij een ei in een jaszak. Toen hij ze kwijt was, ging hij terug en deed dezelfde ronde opnieuw. Daarbij duwde hij met zijn arm tegen elke jaszak waarin een ei gedeponeerd was.
Toen hij terug was, ging Klaas op een veilige afstand staan en zei tegen de jongens: "Mu'j kiek'n hoe det oflöp". Het duurde niet lang of er kwam er al een tot de ontdekking dat er iets niet in orde was in zijn jaszak. Woest keek hij in het rond, maar Klaas en zijn kornuiten deden net als of ze niets in de gaten hadden en leken de onschuld zelve. De man trok zich terug en ging naar de sloot om met een natte zakdoek de viezigheid uit zijn jaszak te verwijderen. Even later kwam er nog iemand bij de sloot die hetzelfde probleem had . Ze praatten met elkaar en keken rond wie of toch wel de dader mocht zijn. Klaas vond het toen beter zijn biezen te pakken om een ongewenste confrontatie te voorkomen.

* * *

EEN BOEDELTAXATIE UIT 1887 _________________________________________________________

J. Prins

Onlangs kregen we een taxatierapport van een boedel onder ogen, dat was opgemaakt op 20 maart 1887 na het overlijden van een inwoner van Nieuwleusen. De overledene liet een vrouw en drie minderjarige kinderen na. Hij was zeker niet één van de armsten.
De taxatie van de voorwerpen en het vee was als volgt:

2 bedden met toebehoren
een partij linnen
mans - en vrouwenkleren en lijfsieraden
3 kerkboeken, tabaksdoos, cigarenkoker en horlogie
kabinet en kast
klok
lampen
trom(?)spiegel en wasbak
14 stoelen
tafels
koffijketel, kannen, presenteertrommeltjes, theeblad, glas en aardewerk
2 parapluis
1 karn, 3 roomtonnen, 16 vaten, 6 emmers, 2 zeijen en 2 tobben
potten, waterketel, koekpan, koffijketels en turfbak
tonnen, wateremmers en manden
3 bussen en stort(?)vat
wan, zeeften en zaaivat
2 ladders
schoppen, vorken en harken
kippen
paardetuig, touwwerk en paardedek
een partij stroo
meelzakken, meel en baktrog
koekmolen, een zaag, bijl en snoeimes
de zwijnen
de deelgereedschappen
3 wagens, een kar, ploeg en egge
een partij hooi
een beestekrib en kruiwagen
een partij stroijing en brandhout
ornamenten en haalketting, tang, asschop
een roodbonte, drie zwartbonte, 2 witbonte koejen, een blauwbonte en een zwartbonte vaars, twee roodbonte pinken, een roodbonte stier en drie roodbonte kalveren
een zwart ruin paard

ƒ 100,--
60,--
250,--

25,--
90,--
13,--
1,50
4,--
9,80
3,50

7,50
3,--

69,75

16,50
4,40
2,70
2,75
2,30
4,50
7,50
9,--
5,--
12,--
4,--
150,--
1,--
287,50
5,--
4,50
25,--
3,--



980,--
75,--

Het totaalbedrag waarvoor het huisraad, de deelgereedschappen en het vee werden getaxeerd
bedroeg ƒ 2338,70. Voorts behoorden een bedrag van ƒ 5500,- aan uitgeleende gelden tot de boedel.

* * *

REACTIE OMSLAGFOTO DECEMBER 1987 _________________________________________________________

In de verzameling dia's van de vereniging is er een aanwezig van een marktkiekje in Ommen. Deze is gebruikt als omslagfoto voor het kwartaalblad van december j.l. De op de foto afgebeelde personen waren bij ons onbekend en we dachten dat dit ook geen mensen uit de omgeving waren . Groot was dan ook de verrassing toen mevrouw H. Klein-Katoele uit de Van de Grondenstraat ons meedeelde dat de man en vrouw, met beiden een big op de arm, haar grootouders waren.
Het zijn Gerrit Hendrik Lubbers, geboren omstreeks 1870, ook wel bijgenaamd "Gerrit van de Bulder" en Hendrikje Krul, zijn tweede vrouw. Zelf was hij haar derde man.
Het echtpaar Lubbers-Krul woonde aan de Peezeweg in Oudleusen. Lubbers was landbouwer van beroep. Hij had ook schapen, die op de heide liepen en gehoed moesten worden. Ook hield hij bijen voor de productie van honing.
Verder verkocht hij heideborstels op de markt in Ommen. Deze borstels maakte hij zelf. Daarvoor maakte hij gebruik van heide uit Beerzerveld, omdat die beter was. Fietsen deed Lubbers vroeger op een vélocipède, een fiets met een groot wiel. Zijn vrouw heeft na hun trouwen het fietsen nog geleerd.

G. Kreule-Kok


Jaargang 6 nummer 2 juni 1988

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

l6E EEUWSE HUIZENBOUW IN DE RUTE _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

In 1434 is de marke De Rute zelfstandig geworden. Vanaf dat jaar ook behoort de marke niet meer tot het schoutambt Dalfsen maar tot het schoutambt Zwolle, waarmee de stad Zwolle wordt beloond voor zijn trouwe dienst aan de bisschop van Utrecht. In 1818 gaat het grondgebied van De Rute (of: De Route) met de buurtschappen Ruitenhuizen en Ruitenveen deel uitmaken van de nieuwe gemeente Nieuwleusen.
In 1434 wordt over De Rute bericht dat het nog 'woeste leecht ende onbewoent' is. Op een kaart van N. ten Have uit ca. 1648 wordt De Rute weergegeven door middel van vijf getekende vlekjes waaruit afgeleid zou kunnen worden dat er toen vijf hoeven waren, hetgeen wellicht het begin was van Ruitenhuizen. Tevens zijn op de kaart weergegeven een tolhuis en de herberg 'Het Pannehuys', voorloper van 'De Lichtmis'.
In het gemeentearchief van Zwolle bevindt zich het archief van de marke Hermelijn/De Rute over de jaren 1434-1761. In dit archief is aanwezig een bestek van twee huizen die rondom 1565 in de marke De Rute zijn gebouwd . Wellicht zijn dit twee van de vijf 'vlekjes' op de kaart van Ten Have. Teneinde een indruk te krijgen van de bouwstijl en -voorwaarden uit die tijd, volgt hieronder de getranscribeerde tekst. Wie weet inspireert dit vrij gedetailleerde bestek de vereniging om één of beide huizen nog eens na te bouwen, hetgeen dan, in navolging van wat ook ruim 400 jaar geleden gebeurde, met 'ene tonne byrs ' gevierd moet worden!

        Besteck van twie huseren in die Ruite
Item dat ene huis sall syn van vijr gebunden Ende
dat ander van vyff gebunden, Beyde xxii voet
wijt tusschen die stylen, Dat ene van vyr gebunt sall wesen
xxxviii voet lanck Ende dat ander huis L voet lanck
        Tho weten dat eerste gebunt
under den heert van xiiii voet, tusschen die stijle
Ende die ander gebunde xii voet tusschen die stijle, Item
die twie middelste balcken van die vyr gebunde
sollen dicke wesen een voet int vljrcant ende die
endell balcken van iiii vyrendeell voetz gemeten int middell,
Item die stijlen sollen wesen xiii voet lanck ende
die middelste stijlen 1 voet breet, Ende die ander
stylen iiii vyrdell breet, Ende die dickte van
die middelste stijlen iii vyrdell voets , ende die
endelsten iii vijrendell dicke
Item die plaeten sollen wesen iiii vyrendeell breet
Ende iii vijrendeell dijcke
Item alle kerbiels sollen soe dicke wesen, als die
stijlen ende balcken nae den eisch des wercks
Item an allen syden een affkibbinghe van viii voet
wijt tusschen die stijlen ende dat mit syn grunt
halter ende plaeten
Item die gruntholter sollen breet wesen drie vijren
deell (under die middelste sty?) Ende iii vyrendeell
voetz dijcke
Item upte einde van die banssdoeren salt affgesteken
wesen viii voet, als een bouhuis thobehoert
mit twie stijlen nae den eisch des wercks mit
die bannsdoeren ende doeren,
Item dat bavenste einde mit (een) syn posten gescheert
mit syn kruisvenster ende ene doere (oick) mit
enen katten balcken up die ene sydt iii vyrendeell
ende up die ander sydt i voet ende een oeversteeck
(dair) alst behoert
Item alle streckrien tot beiden huisen sall breet wesen
1 voet ende ii vyrendell dijcke
Item alle kubbeposten sollen dicke syn 1 voet int
vijrcant, Ende die cleine doerstylen in die kubbinge
ende int voereinde oick 1 voet int
vijrcant
Item desse vursseide huise sollen hebben ii voet diepinge
Item alle intangen(?) 1 voet breet ende ii vyrendell dicke
Item die sparen up beide die huiser yder ii voet vanden
anderen, Ende die spreybanden t leveren nae den eisch
des wercks
Item die ix spaeren uth v vyrendeell voetz gesneden
Ende alle upsetels die ix uth een voet
Item die haenenbalcken sallen Ianck wesen vii
voet, ende die dickte nae eisch (des) der sparen
Item desse beide vursseide huiser hefft, up vorwerden vursseid
angenaemen tho leveren Mr Berent Timmerman van Rijssen
sonder raterschell Rondolen ende unbehoirlick spint
Item offte ichtwes(?) an desse huseren te maicken ende
t leveren vergeten were, Sall men nochtantz
schuldich zyn t leveren nae eisch ende proportie
des werckes Ende voer desse beide huise te leveren
sal hie hebben hondert ende Lxx g(olt)g(ulden) ad xxviii
st(uvers) b(rabants)(?) den g(ulden)
Item dat ene huus van die vyr gebunde woe baeven
verhaelt hefft Mr Berent Timmerman van Ryssen vursseid
tot behoeff der Stadt Zwolle gelaisst tho leveren op


De oude boerderij "Het Spijker" aan het Westerveen is
helaas verdwenen. Deze boerderij bestond nog niet toen
de huizen in de Rute werden gebouwd.

Meij nestcoemende up syne coste acht daege (nae)
voer offte nae unverhaelt in die Broeckhuisen upt lant
Ende dat ander huis van die v gebunt up Joannis tho
mitsommer daer naest volgende up diezelve
plaetze, ditzelve allet tho leveren up vorwerden als
vursseid, Ende Mr Berent vursseid sall up syne eigen
costen beide desse vursseide huseren in die Rute ter
plaetzen dair hem gewesen sall worden uprichten
offte doen uprichten by luiden (luiden) des verstant hebbende,
Ende dat die leverancie des holtes tot die twie
vursseide huise gehoerende, mit t ghene dairan cleven
mach als baven verhailt by Mr Berent Vollenthaegen
sall worden, dairvoer soe hefft gelaisst ende is
Borge geworden die Erentfeste Johan van Voerst
Burg(meeste?)r der stadt Zwolle, des hefft Mr Berent
vursseid syn F.L. der lofftenisse halven costeloes
ende schaedeloes te holden, Ende wanneer die up
richtinge der huiser geschuit , willen Schepenen
ende Raidt hem tho stuir coemen ende schencken ene
tonne byrs, alle dinck sonder argl(ist) actum
up Saemdach voer Nije Jaers avent anno xvc
Lxv In presentie der vijr Cameners Burg(meeste?)r
Herman Ubbinck.

Opmerkingen:
-tussen haakjes geplaatste tekst is in de originele tekst of doorgestreept of niet voluit geschreven.
-indien een vraagteken is toegevoegd, is de tekst voor meerdere interpretaties vatbaar.
- i=1 v=5 x=l0 L=50 c=100

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

detail van een Italiaanse kaart (naar Ten Have uit ca 1648) van Antonio Martinelli. Mogelijk staan bij de Route de 2 huizen en 6 bomen afgebeeld.

* * *

't HUUSSIE _________________________________________________________

't Huussie was vrogger wat now de wc is. 't Was miestal 'n hôltn hôkkie van urn en noabi'j 'n meter breed en zo'n aanderhalve meter diepe, met 'n deure der veur die aj an de binn'nkaante met 'n krabbe of een hôôkkie dichte konn doen. In 't huussie was op zo'n zestig centimeter van de achterkaante 'n muurtie emesseld töt ziteugte . An de zied- en achterkaante wönn op dezelfde eugte 'n panlatte teeng de kaante espiekerd en doar kwaamp dan de brille op te lign. Zo'n brille was niks aans as een höltn bred met 'n rond gat der in. Toch zat det nog niet zo slecht. Niet veur niks det ze zèèn: "Hoev-ie nie, dan rus-ie toch".
De bodem onder de brille leup schief noa achtern of op zied weg, noa een in de grond uutegrääm gat, det 'n paar kear 's joars leug eschept wönn. De mest wönn op 't laand of op de gruuntetuun ebracht. Urn te veurkomm, det de kiender in de koele veuln, wönn der wat um hen ezet en veur 't oge ok nog wat vlierstruukn. In de achter- of ziedkaante van 't huussie was meestal 'n vearkaant gat en in de deure was een hättie uut ezaagd. Det dienn veur licht en lucht, al was det miestal noa verloop van joarn niet meer neudig, umdet der an alle kaantn volop noaden en gleumm kwaamm. Zo'n huussie kon dan ok best as uutkiekpost dienn. Bi'j de zommerdag köj der best zittn. mar bi'j de winterdag heul ie 't kort of deuj oe grote bösschop gewoon achter de biesten bòòm de gruppe, want doar was et wel zo warm.
Aj bi'j vostig weer 't huussie toch gebruukn, bevreur de hoop vääke al op de schune bòdem en dan mos det een päär keer in de weeke met de schuppe lös esteuken wönn. Stunn de eerste höltn huussies 'n endtie van de boerderi'je of, later wönn ze van stien emaakt en teegn de boerderi'je of 't huus anezet. 'n Gat in de grond was ok niet meer neudig, want met 'n gresbuis wönn 't huussie op de aalte kelder of op de beerputte an eslöttn. Toletpepier, of closetpepier zoas ze hier ok wel zekt, kenn ze vrogger niet. Meestal wönn der



een fussie heuj uut de barg etrokkn, of bi'j zommerdag gunk 't met een fussie grös ok best. Op sommige stëën zurgen de vrouwe söáters met 't schonemaakn van 't huussie ok wel veur pepier. Det was dan 'n kraante of 'n weekblad, mar det lääste was hoaste niet te gebruukn: veuls te glad!
Ie kunt oe veurstelln, det zo'n vri'jstoand huussie vrogger nog wel iens anleiding was urn 'n grappie uut te haaln. Wat dach ie van 't volgnde? 't Is winterdag en 's oamps ardstikke duuster. As de vrouwe of de meid teegn 't beddegoan nog éém noar 't huussie goat, hangt der 'n panne met hiet water in 't gat van de brille.
Of 's murns, as de nood soms zo griezulig hoge was, konn ze de deure van 't huussie niet lös kriêgn, umdet er jonges de hööke of de krabbe der op edoan haddn!

* * *

RUILVERKAVELING "NIEUWLEUSEN I" _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Oude gebruiken in de streek ten noordoosten van Zwolle brachten bij elke verdeling van gronden een versnippering met zich mee, die de eigenaren zelf op de duur noodlottig werd. Niet alleen werden hierdoor de landerijen steeds kleiner, ook ging er steeds meer grond aan grensafscheidingen verloren. Door een begrijpelijk verlangen om aan de grote weg te liggen, werden de verschillende eigendommen tot smalle stroken, die voor de exploitatie zeer ongunstig waren. Er kwamen percelen voor van 2 kilometer lengte en slechts enkele meters breed .
Telkens wanneer er werkzaamheden op de landerijen moesten worden verricht, had de verspreide ligging veel tijdverlies tot gevolg . Door de ongunstige vorm van de percelen was machinale bewerking van de grond vaak onuitvoerbaar. Grondverbeteringswerken konden daardoor niet worden uitgevoerd. Door het ontbreken van openbare wegen waren vele percelen belast met het recht van uit­ en overweg. Dit had tot gevolg dat procentsgewijze te veel gronden aan de cultuur werden onttrokken.



Op het westelijk grondgebied van de gemeente Nieuwleusen konden bovendien de ontwateringsbelangen niet worden behartigd. Dit omdat de nodige waterleidingen meestal door de gronden van derden moesten worden geleid. Weliswaar was door de voortdurende overlast van het water de waarde voor exploitatie niet overmatig, maar daarin kon door bemaling verandering komen. Om de cultuurwaarde van deze gronden te verhogen, besloot het waterschap "De Noorder Vechtdijken", waarin de gronden gelegen waren, tot bemaling. Er moest een gemaal komen. In april 1925 werd een begin gemaakt met de bouw hiervan bij Streukelerzijl. Hoewel de wateroverlast zou verminderen, werden de overige problemen daarmee niet opgelost. Het gevolg van deze toestand was, dat de boeren dringend verlegen zaten om ruilverkaveling.

Inmiddels was in 1923 een ontwerp van een ruilverkavelingswet bij de Staten Generaal ingediend. De wet werd in staatsblad nr 481 van 31 oktober 1924 gepubliceerd en trad op 1 december van dat jaar in werking.
De ruilverkavelingswet beoogde de gelegenheid open te stellen om voor verspreid en ongunstig liggende eigendommen een betere economische indeling te verkrijgen, waardoor de productiviteit zou worden verhoogd. Onder volledige waarborgen van ieders rechten moest volgens de wet een minderheid berusten in ruilverkaveling, wanneer de meerderheid deze zou wensen.
Toen de wet was aangenomen, besloten de bewoners de zaak flink aan te pakken, zodat door een betere indeling in percelen van grotere omvang en geschiktere vorm, cultivering beter mogelijk zou zijn. Door het samenvoegen van percelen, het scheppen van een betere perceelsvorm en de aanleg van wegen en waterleidingen kon de exploitatie gemakkelijker en vlugger geschieden en zouden de gronden intensiever bewerkt kunnen worden. Daardoor zouden de opbrengsten stijgen en werd de welvaart van de streek bevorderd.

De aanvraag om ruilverkaveling werd op 4 maart 1925 ingediend bij Gedeputeerde Staten van Overijssel en zij werd, na ontvangst door de Centrale Commissie voor de Ruilverkaveling, terstond in behandeling genomen. De gronden werden gewaterpast en er werden besprekingen en vergaderingen gehouden met de belanghebbenden, waarbij de gang van zaken bij een ruilverkaveling uitvoerig werd uiteengezet . Een voorlopig plan van wegen en waterlopen werd daarbij tevens op de vergaderingen besproken en de raming van de kosten medegedeeld.
Het blok van de ruilverkaveling was ongeveer 1217 ha groot, en lag onder de gemeente Nieuwleusen , ter weerszijden van het Lichtmiskanaal (nu autoweg) en de spoorweg Zwolle-Meppel. Beiden sneden op ongunstige wijze de vele percelen, waardoor de versnippering in sterke mate was bevorderd. Tevens was een goed stelsel van wegen en waterleidingen er steeds in hoge mate door bemoeilijkt.
Het gebied waarvoor de verkaveling was aangevraagd, was plaatselijk bekend onder de namen Ruiten en Veenekampen, Kleine Meele, Dwarsbroek, Polhoeven, Tolhuislanden,


Veel oude namen zijn na de ruilverkaveling verdwenen.

Emmerkampje, Doodkamp, Scholtenkamp, Regterkamp, Spijkerkamp, Spijkerbroek en Stelleng. Het geheel was verdeeld in ongeveer 2000 kadastrale percelen, toebehorende aan 767 rechthebbenden, voor het grootste deel wonende onder Nieuwleusen en Dalfsen.
De grond bestond uit zandgrond en moerasveengrond. Bijna zonder uitzondering werden de gronden als hooiland gebruikt, bemesting vond om zo te zeggen niet plaats , waardoor de natuurlijke graszode slechts hooi van minderwaardige grassoorten leverde. De opbrengsten waren dientengevolge gering, in sommige jaren zelfs zo, dat zij de kosten der grondbelasting niet konden dekken. Veel Nieuwleusener boeren trokken elke zomer naar de Rute voor het korte blauwgras hooi. Er waren toen nog geen moderne hooiwagens en het kostte dan ook nogal wat moeite om het korte spul onder de wezeboom te houden. Op weg naar huis verminderde de, toch al geringe, opbrengst nog meer doordat er regelmatig plukken hooi van de wagen vielen en langs de weg bleven liggen. Bewoners van Den Hulst die een paar geiten hadden, harkten langs de grintweg hun gratis wintervoorraad bij elkaar.

Nadat de Centrale Commissie haar advies had uitgebracht, legden Gedeputeerde Staten het voorlopig plan van wegen en waterlopen ter inzage voor belanghebbenden en tevens ontving iedere rechthebbende een aangetekend schrijven, waarin werd meegedeeld dat de stemming over het al of niet doorgaan van de ruilverkaveling zou plaats hebben op 7 oktober 1925 te Nieuwleusen. Deze goedkeuringsvergadering werd op die woensdag om drie uur gehouden in de Openbare Lagere School C in Den Hulst. Op het plein was een schoolbord geplaatst , waarop meester Meyer met forse hand had geschreven: "naar de ruilverkaveling". Van de stemming verscheen in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 8 oktober onderstaand verslag:
"Nieuwleusen, 7 Oct. Er was hier een plan tot ruilverkaveling van ongeveer 1231 H.A., verdeeld over 767 eigenaren, in bewerking, over welk plan heden gestemd werd.Een paar honderd eigenaren waren opgekomen om aan

de stemming deel te nemen. Negentien eigenaren met ongeveer 86 H.A. land stemden tegen, zoodat het plan tot ruilverkaveling zal worden uitgevoerd. De gronden, die van uitstekende kwaliteit zijn, liggen alle binnen de gemeente Nieuwleusen aan de Lichtmis. Voor de gemeente Nieuwleusen is het besluit van zeer groot belang".

. . . . blief thuus, jonge!

De Telegraaf van dezelfde dag voegde daar nog het volgende aan toe:"In de toekomst zal hier een dorp op zich zelf kunnen verrijzen met groote boerderijen."
Stemgerechtigd waren 767 personen en de oppervlakte van het blok bedroeg 1216.59.91 ha. Voor verkaveling stemden 748 personen, die een oppervlakte vertegenwoordigden van 1148.75.93 ha.
Het grondgebied van de 19 tegenstemmers bedroeg 67.83.98 ha. Zij konden de ruilverkaveling niet tegenhouden, zodat "Nieuwleusen" de eerste wettelijke ruilverkaveling van Overijssel en de derde van Nederland zou worden.

In het blok van de ruilverkaveling lagen een tweetal eendenkooien. Die tussen de spoorlijn en het Lichtmiskanaal was vermoedelijk al in onbruik geraakt. De andere lag meer in de richting van Streukel. Eigenaar van deze kooi was de heer H. Schaapman. Hij dacht kennelijk dat er direct na de goedkeuring met de werkzaamheden zou worden begonnen, want reeds in oktober 1925 schrijft hij: "Kund u mijn ook schrijven of u van den winter ook al aan het werk gaat. Ik zou dat wel willen weten. Om mijn eendekooi. Hij lig in de roede. (de Rute, red.)" Het antwoord dat de Centrale Commissie gaf, luidde ontkennend.


Kaart Oude Toestand Kaart Nieuwe Toestand

Om de belangen van de eigenaren zo goed mogelijk te verdedigen, werd er een commissie in het leven geroepen, die namens de belanghebbenden kon optreden. De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 19 november 1925 hierover:
"Tengevolge van de in werking zijnde ruilverkaveling zal er een heele verandering komen in de Westersche hooilanden onder Nieuwleusen. Zooals van algemeene bekendheid mag geacht worden, is het de bedoeling om van tallooze kleine stukjes land, die aan onderscheidene eigenaren toebehoren en over de geheele vlakte van ongeveer 1300 H.A. verspreid liggen. groote blokken te maken, die beter dan nu, geschikt zijn om te worden bearbeid en waarop kan worden "geboerd", zooals de gangbare term luidt.
Zooals gezegd, is het de bedoeling om al die kleine stukken zooveel mogelijk bij elkaar te brengen, doch dit doel zal bezwaarlijk kunnen worden bereikt, wanneer al die eigenaren afzonderlijk blijven staan en zich niet verenigen om gezamenlijk hunne rechten te laten gelden. Het is daarom dat zich enkele personen tot een commissie hebben gevormd, om te trachten al die kleine grondeigenaren te vereenigen, en te bewerken, dat de rechten van hen, die ieder voor zich te weinig land hebben om daarvan een goed geheel te maken, gezamenlijk uit te oefenen en een of meer aan elkander grenzende blokken te verkrijgen. Die commissie zal het land niet opkopen zooals sommigen meenen. De leden der commissie zullen eenvoudig de lasthebbers of vertegenwoordigers der grondeigenaren zijn. Winstbejag is totaal uitgesloten. Het ligt in de bedoeling der commissie om, nadat in plaats van al die verspreide stukken en stukjes land één aan elkander liggend geheel is verkregen, dit geheel in blokken in veiling te brengen.
(Dit gebeurde slechts gedeeltelijk. red.) Iedereen heeft dan de gelegenheid om zooveel en zoo weinig als hij hebben wil te koopen en de kooppenningen worden onder al de verkoopers verdeeld, naar gelang van de waarde, die aan ieders eigendom dat hij vóór de verkaveling bezat, is toegekend door de schatters genoemd in art. 32 der Ruilverkavelingswet.


De mensen van de Ruilverkaveling Nieuwleusen: achterste rij vlnr : Ten Oever, aspirant landmeter van het kadaster, J.J. Gorter, Landmeter van het kadaster, J.F.A. van Riessen, S.L. Louwes, beiden lid van de Centrale Commissie, Kraan, aspirant landmeter van het kadaster, Mr. A.J.M. van Heyst, rechter-commissaris, Mr. J.H.F. Bloemers, griffier en H.J. van Leussen, 2e secretaris van de Centrale Commissie.
Voorste rij vlnr: J. Kleen Scholten, H. Prins, beiden schatters, W. Nijboer, voorzitter, G. Hebinck, secretaris, E. Westerman, lid van de Plaatselijke Commissie en R. Snel, schatter.

De commissie bestaat uit de heren J.P. Backx, burgemeester, B.J. van den Berg BJzn. en G.J. Zonnenberg, beiden wethouder, L. Vos, directeur, A. Aarten, voorzitter en J. Kleen Scholten, bestuurslid der Coöp. Stoomzuivelfabriek "Onderling Belang", G. Snijder, directeur, G. Huzen. voorzitter en H. Bijker Klzn., bestuurslid der Coöp. Landbouwvereeniging, W. Nijboer Hzn., directeur en J. Visscher, notaris, voorzitter van den Raad van Toezicht der Coöp. Boerenleenbank. Zij heeft zich later nog geassummeerd den heer J. Oegema, gemeenteraadslid en bestuurslid van laatstgenoemde bank.
De commissie heeft zich de medewerking verzekerd van den heer H.J. van Leussen, inspecteur van de Nederlandsche Heidemaatschappij en 2e secretaris der in de Ruilverkavelingswet genoemde centrale commissie en in haar zaterdagavond ten gemeentehuize te Nieuwleusen gehouden vergadering benoemde zij den heer J.P. Backx tot haar voorzitter en den heer J. Visscher tot secretaris. Het is zeker onnoodig nogmaals te wijzen op het groote belang, dat de kleine landeigenaren bij deze vereeniging hunner belangen hebben."
Krachtens de Ruilverkavelingswet werd met de uitvoering van ruilverkavelingen een door Gedeputeerde Staten te benoemen Plaatselijke Commissie belast, die werd bijgestaan door een landmeter van het kadaster en zo nodig door andere deskundigen. Tot leden van deze commissie werden personen benoemd, die het volledige vertrouwen van de bevolking genoten en die ook op landbouwkundig gebied met de toestanden ter plaatse goed bekend waren. Als voorzitter van de Plaatselijke Commissie werd aangesteld W. Nijboer, wonende wijk C nr. 60 in de buurtschap Den Hulst. Plaatsvervangend voorzitter werd Egb. Westerman, wijk B nr. 11 te Ruitenveen en als secretaris werd benoemd G. Hebinck, notarisklerk, Coetsstraat 45 te Zwolle. Plaatsvervangende leden werden R. Sterken en J. Reuvers. Als landmeter voor deze verkaveling werd J.J. Gorter uit Rotterdam aangesteld. Terstond na haar benoeming werd door de plaatselijke commissie, bijgestaan door de landmeter van het kadaster, een begin gemaakt met het opmaken van de lijst van allen, die belang hadden bij de ruilverkaveling. Inmiddels vond op het terrein de schatting van de gronden plaats. De Plaatselijke Commissie had reeds bij de aanvang van haar functie drie schatters benoemd; personen die ter plaatse uitstekend bekend waren en geheel berekend voor de hun opgedragen taak. Het waren de landbouwers Jan Kleen Scholten te Ruitenveen, Hendrik Prins Arendszoon, Oosteinde en Rutger Snel te Den Hulst.

wordt vervolgd

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES VII _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


Dit oude gezegde geeft aan, dat in een groot gezin er geen extra versiering van de kleding af kan.

* * *

SAUZEN OVER EEN HOEN, DAT GEBRADEN IS _________________________________________________________

Neemt wat soep of gekookt waater, en laat daarin gaar kooken een look (ui) met 2 kruidnagels bestoken en wat gehakte sjalotten, doet daar in een stuk booter, wat zout, peper en notemuscaat, een bosjen Peterselij, en wat Timiaan samen gebonden, laat daarin het Hoen eenige minuten kooken, dat regt door warm zijn kan, dan den look en het bosjen peterselij en Timiaan der uitgenomen, en het opwillende geven, neemt men 3 dooyers van eijeren, het nat van een citroen, of wat wijnazijn wel door een geklopt, neemt men de pan van 't vuur en roert er drie eijeren in .

(een oud recept uit ± 1750)

* * *

DE VERKOOP GUNK NIET DEUR _________________________________________________________

B. van Duren

Olde Jans wol 't huus verkopen,
de priezen waren now nog goed.
Kiek, zei Jans toen tegen zien vrouwe,
weet ie oe asse wi 'j det doet?
An die kerel van de kraante
vraoge wi'j hoe of det giet,
een advertensie op zien name,
dan hebbe wi 'j die drokte niet!
Mar de mensen uut de buurte
wussen 't nog vrog genog,
det 't olde Jans zien huus was
en de kopers kwamen toch.
Zomar op een mooie morgen
kwamen der twee heren an
en zie waren ien gezelschap
van de advertensie-kraantenman.
Kerel, wat woon ie hier röstig,
zei de iene heer tegen Jans.
Ja meneer, det doet wi'j zeker;
de olde baos die reuk zien kans.
Jans zien vrouwe zetten koffie
en zi'j dacht daorbi'j heel wies:
as 't met de koop wel deur giet,
scheelt det vaste ien de pries.
Mar wat was det now toch jammer
det die regenbuie kwaamp.
Kom, zei Jans, wi'j drinkt eerst koffie,
en keek ies schieve naor de laamp.
De regen kletteren tegen de roeten.
Jans keek angstig naast de heerd,
want as det zo effen deur gunk,
dan was 't vaste wel verkeerd.
En jawel heur, nao een poossien,
precies in 't koppien van meneer,
völt een druppel van de zolder
en even later kwaamp der meer.
't Water spetteren op de taofel.
nee daar hölp gien wasseldoek.
Beter was de grote emmer.
die al klaar stund ien de hoek.
De heren keken naar mekare.
en dachten der 't hunne van:
Aw de koffie op hebt,
mow mar weer naar huus opan.

De koop is dus niet deur egaone,
Now lag 't an 't slechte weer.
Mar wie weet Jans, misschien lukt 't oe
vast wel een aandere keer.


* * *

OUDE REKENINGEN ZIJN OOK HISTORIE _________________________________________________________

Oude rekeningen en verwante papieren als kwitanties, prijslijsten, catalogi, verpakkingszakjes, enz. geven vaak een stuk informatie over vroeger. Ze brengen mensen die zich vroeger met velerlei takken van handel en ambacht bezig hielden nog eens in herinnering, ze laten iets zien van de artikelen die toen gangbaar waren en vertellen iets van de diensten die toen gevraagd en verleend werden. Het verschijnen van nieuwe artikelen wordt zichtbaar, evenals het verdwijnen van oude. Kortom: ze geven een massa inlichtingen over leven en werken van enkele generaties die aan de onze vooraf gingen; ook over onze eigen generatie trouwens.
Het is daarom dat we een verzameling van oude rekeningen en dergelijke willen aanleggen. We roepen uw aller hulp in. Misschien heeft u zelf iets dat u zou willen afstaan. Misschien ook kunt u een tip geven. Er is de laatste tijd veel materiaal verloren gegaan. Laten we er op attent zijn dat er niet nog meer verdwijnt. Met veel of met weinig, met een heel archief of met een enkel stuk, u kunt er altijd mee terecht bij "Ni'jluusn van vrogger".


H. WAANDERS - Ommerdijk - DEN HULST
Manufacturen - Confectie - Heeren - Modeartikelen
Bedden - Dekens - Matrassen enz.


Jaargang 6 nummer 3 september 1988

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

BOERDERIJEN FOTOGRAFEREN _________________________________________________________

A. Kreule

In 1985, op een mooie dag in mei, kwam ik voor het eerst in contact met de familie Van den Berg van de Union. De wijze waarop was nu niet bepaald de meest ideale om een eerste contact te leggen.
Ik was bezig met het fotograferen van boerderijen aan het Oosterveen. Wanneer dit zonder problemen vanaf de openbare weg kon, vroeg ik aan de bewoners niet om toestemming. Maar bij de boerderijen die met de achterzijde naar de weg staan, moest ik over het erf om aan de voorkant te komen. Daarvoor vroeg ik toestemming en in alle gevallen kreeg ik die ook. Bij de familie B.J. van den Berg echter werd mijn aanbellen niet beantwoord. Ik had toen beter weg kunnen gaan om het later nog eens te proberen. De weersomstandigheden waren op dat moment echter zo gunstig voor het maken van een foto dat ik dat niet deed, maar met de gedachte "ze vinden het vast wel goed" ben ik doorgelopen naar de voorzijde van het huis. Toen ik net een foto van de voorgevel had genomen, ging de voordeur open


Op de omslag de oude en hierboven de bewuste foto met de huidige situatie van het pand Oosterveen 42.

en kwam Mevrouw Van den Berg naar buiten. Ze keek mij enigszins verwonderd aan en vroeg wat ik in hun tuin te zoeken had.
Men zal begrijpen dat ik mij op dat moment niet erg prettig gevoelde. Ik bood mijn excuses aan en gaf een verklaring voor mijn aanwezigheid. De excuses werden min of meer aanvaard en we spraken af dat ik de foto's eerst aan hen zou laten zien, voordat ik ze voor een of andere publicatie zou gaan gebruiken.
Na enige tijd ben ik met een afdruk naar het Oosterveen getogen en ik kan u zeggen dat het bezoek me erg is meegevallen. Ik kreeg het groene licht voor verder gebruik van de foto en ging tenslotte de deur uit met een aantal oude foto's die voor de vereniging gereproduceerd mochten worden. En verder kon ik de familie Van den Berg ook nog op onze ledenlijst bijschrijven.
Nadien ben ik er met mijn vrouw nog weer op bezoek geweest en met de gegevens die we toen kregen, zal een aantal artikelen worden samengesteld over de achtergronden van de familie Van den Berg en de Union fabriek. Hoewel de eerste kennismaking geen succes leek, is er toch nog wat goeds uit voortgekomen!

* * *

DE FAMILIE VAN DEN BERG EN DE UNION _________________________________________________________

B.J. van den Berg

Als men poogt zich voor te stellen hoe de sociaal­ economische toestanden in Nederland zich in deze eeuw ontwikkeld hebben, dan staat men voor een wonderlijk probleem. Want alles is sinds het begin van deze eeuw op het terrein van de arbeid totaal veranderd. Stel u eens een maatschappelijk leven zonder elektriciteit voor en zonder de meeste van de machines en apparaten die we nu kennen en arbeid waarbij slechts in de fabrieken stoommachines ter beschikking stonden, zodat het dus, behalve gereedschappen en wat apparatuur die door hand- of voetkracht werd bediend, voornamelijk op handenarbeid aankwam. Of liever: op de lichamelijke arbeidskracht. Daarmee loste men de schepen. Daarmee bracht men op de bouwwerken de stenen, het hout en de kalk omhoog. Daarmee sjouwde men in de metaalbedrijven de zware stukken ijzer.
Als trekkracht stond het paard ter beschikking. Men had de paardentram en de omnibussen. Maar fietsen waren nog een rariteit! Te voet werden dagelijks de soms verre afstanden naar en van het werk afgelegd.
Het kunstlicht was schaars en slecht. Veelal moest men zich met een petroleumlamp behelpen, zelfs voor de straatverlichting, want gas was er nog lang niet overal. Ook de sociale toestanden in Nieuwleusen waren heel sober en vaak onhygiënisch. Slecht drinkwater, aardappelen (zonder groente) of bruine bonen met spekvet vormden het dagelijks menu. Zelfs een zakdoek was voor de plattelandskinderen een weelde.
De Kerkenhoek was het centrum van het dorp met slechts enkele burgerwoningen in Den Hulst, de streek langs de Dedemsvaart, waar het huis van de notaris domineerde. Bij de houten ophaalbrug stonden enkel een café annex bakkerij en het huis van de brugwachter. Langs de verbindingsweg de Ommerdijk (thans Backxlaan) stond een molen en er waren enkele boerderijtjes met grasland en heideveld dat nog niet in cultuur was gebracht.
De Zwolse markt en 's winters het schaatsenrijden waren het enige vertier, de Dedemsvaartse Stoomtram het snelste middel om zich te verplaatsen. Het was alles zo vredig en rustig ……
Vier molens draaiden lustig jaar in jaar uit om rogge, haver en boekweit te malen. Van de oudste molen aan de Dommelerdijk bij de Kerkenhoek (Anno 1798) was Berend Jan van den Berg eigenaar, die tevens handel dreef in hout en bouwmaterialen. De molen van 1855 stond in Den Hulst, waar broer Wilhelmus van den Berg molenaar was. Er bestond een prettige familierelatie en weinig concurrentie.
Berend Jan van den Berg was gehuwd met Hendrikje Blik.


Berend Jan van den Berg en Hendrikje Blik

Het echtpaar had drie kinderen, Berend Jan, Jan en Evert, allen harde werkers in het bedrijf van hun vader. De zaken gingen goed, maar toch niet zo dat er in de toekomst drie gezinnen van konden bestaan.
De molenaar trachtte daarom in Den Hulst uitbreiding te zoeken voor de bouwmaterialen- en veevoederhandel. Een perceel grond van ½ ha. werd gekocht van Arend Gans. Er werd een huisje op gezet en een eenvoudig pakhuis voor kalk (cement werd nog niet verwerkt) en een houtloods. De eerste kunstmest werd verhandeld samen met de neven gebroeders Blik. Veldwachter Oljans bewoonde het huisje en was gaarne genegen een oogje in het zeil te houden. Het beheer werd opgedragen aan Berend Jan, de 20-jarige oudste zoon, die 's middags bij Oljans zijn boterham kwam opeten.
De andere molenaar Wilhelmus van den Berg te Den Hulst had een groot gezin. De jongens moesten vroeg de deur uit. Zo kwam zoonlief Wilhelmus Jr.(W.A. genoemd) in Noord-Holland terecht, waar hij van zijn l3e tot 21e jaar molenaarsbediende was en een behoorlijke ontwikkeling opdeed en zelfs de Beurs te Amsterdam bezocht. De zaken van vader gingen helaas niet goed en verliepen. Wie weinig rekent, zelden schrijft, een wonder als hij koopman blijft. Wilhelm, de molenaar, moest vader komen helpen. Hij kwam thuis, "stads" gekleed (colbert en witte boord) en de nodige energie om de zaak weer op te werken, zo zelfs dat oom B.J. na korte tijd een bedenkelijk gezicht trok.
Er was nog een andere oorzaak waarom neef W.A. niet altijd welkom was in het molenaarshuis te Nieuwleusen.
De jongens Berend Jan en Jan droegen naar 's lands wijs'een pettien en een klepbroekien'. Ze hunkerden naar een pak als neef had. Moeder Hendrikje zei toen kort en bondig: "Wilhelm, ik hope dat ie niet weerkomt, ie maakt de jonges glad gek." Eindelijk mocht Berend Jan van vader en moeder een nieuw pak bestellen bij Bervoets maar .... met klepbroek en geen witte boord.
De relatie van de neven had nog verdere gevolgen. W.A. had een fiets en Berend Jan had geen rust voor hij een dergelijk modern vervoermiddel het zijne kon noemen. Toen ze samen bij neef Gerhard te Arnhem eens logeerden, kocht B.J. van zijn spaargeld zijn eerste rijwiel; een doortrapper zonder kettingkast. Met een paar knijpveren om de broekspijpen was hij op zijn stalen ros de koning te rijk; met aangeboren commerciële aanleg zag hij "toekomst" in de fietsenhandel en verkocht met winst zijn eerste exemplaar aan Hendrik Prins.
Zo begon het eerste handelskapitaal te groeien. B.J., W.A. en J. ieder een fiets. Evert was nog te klein. Samen er op uit als burgerjongens. Het verboden witte boordje werd achter het struikgewas aan het Lichtmiskanaal opgedaan en tochten ondernomen naar het Loo en Arnhem. B.J. en W.A. dreven als bijverdienste nu samen een fietsenhandeltje. Voor boerenjongens (kennissen) werden fietsen meegenomen uit Arnhem en als echte kooplieden wekten ze de animo op door het organiseren van fietstochten. In het dorp Nieuwleusen had het rijwiel zijn intree gedaan en de harten van de jongelui veroverd.

wordt vervolgd

* * *

HET KOPEN VAN EEN BOERDERIJ IN 1794 _________________________________________________________

B. van Duren

Omstreeks 1800 moest men bij koop en verkoop van een onroerend goed naar het Scholtengerecht of, zoals men het toen noemde, "Het Scholtengerigte". In ieder geval werd alles, evenals nu bij de notaris, op papier vastgelegd. Dat het allemaal toch wel wat anders gebeurde dan heden ten dage, blijkt uit de volgende overeenkomst. Op schrijffouten lette men in die dagen niet zo.
Afgaande op gegevens van de volkstelling van 1795 moet de bewuste boerderij westelijk van de Kerkenhoek gestaan hebben.

"Ik Gerrit Bloemendal wegens de hoogheid in der tijd verwalter Scholtus van Dalfsen doe cond en certificeren in en vermits deesen voor mij en Ceurnoten als waaren Gerrit Zilhuis en Jan Haselhorst Personelijk Erschenen zijn Hoog Gebooren Mevrouw M.J.G. Douairiere De Famars Geboren Vriezen en verklaarden bij desen zo ver nodig geassisteert met Haaren verkozen en toegelaten Momber Engbert Bloemendal, verklaarden om een welbetaalde Somma van penningen waar van den Eersten met den laatsten voldaan is te cederen en te Transporteren. Sulks doende kragt deeses aan en ten Erflijken profijte van Hendrik Jacobus en Mergien Jansen, Eheluiden en Erfgenamen Het Erve en Goet genaamt Peter koops plaatse met alle daar ondergehoorde landerijen en getimmertens en opgaande boomen en akkermaals houd, gelegen op Nieuweleusen des Schout ampts Dalfsen met een Waartal in de Roosegaarde Merkte en weijden in de hoeve en zes Roeden lands in de Stellinge met de geregtigheid gelijk de ander Eigenaars van Nieuweleusen een Stemme tot beroepinge van een Predicant en Coster, alles ingevolge Conditien van verkopinge in dato den 16de Julij 1793, Sijnde het Selve vrij alodiaal goed sonder bezwaar of Uitgaande Renten als Heeren Schattinge bestaande in een vuursteede alsmeede Predicants geld bedragende Jaarlijks vier gulden en seventien stuivers en agt penninge , Vorders met sijn lusten en lasten raad en onraad van ouds daar toe gehorende en heeft Mevrouw Comptes belooft het selve te zullen wagten en waaren voor Evectie of opspraake als na regten.
In Waarheijds oirkonde hebbe ik verwalter Scholus voornoemt deeses, benevens Mevrouw Comptes Eigenhandig getekent en geseegelt. Actum op den Huijse Aalshorst, den 21 Julij 1794.
Gerrit Bloemendal, ver. Scholtus
M.J.G. De Famers, Gebooren Vriezen"

Enkele verklaringen:
Verwalter = beheerder; Ceurnoten = getuigen of bijzitters; momber = voogd; Hendrik Jacobus en Mergien Jansen = Hendrik Katoele en Margje Jansen; akkermaalshout = eiken opslag ; de hoeve = De Hoeven ; de Stellinge = De Stelling ; allodiaal = eigengeërfd; evictie = verzonnen ; Actum = gedaan op die datum.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES VIII _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


“Die hef haaz’nhaar in de klompen.”
Dit zei men over iemand die zéér hard kon lopen.

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO VI _________________________________________________________

In de serie oude schoolfoto's plaatsen we dit keer een opname van de leerlingen en de onderwijzers van de Christelijke Nationale School "De Meele" uit ± 1931.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  

Geesje Lier
Jenny Bosch
Hendrik 8eltman
Gerrit Meijer
Willem van de Kolk
Hendrik Bouwman
Geert Evenboer
Jan Boerman
Cornelis Zieleman
Juffrouw D.Jonkman
Meester T. Dijkstra
Evert Bosch
Aaltje Bloemhof
Jentje Bloemhof
Wolter Bloemhof
Willem Meijer
Jo(han) Meijer
Klaas Boerman
Derk Jan van de Kolk
Christina Klein
Grietje Vos
Aaltje Haasjes
Jan Haasjes
Harm Haasjes
Jan Mulder
Aaltje Mulder

27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
41  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  

Herman Meijer
Koop Krale
Hendrik Dunnink
Lijsje Haasjes
Lijsje Kin
Aaltje Kin
Aaltje Boesenkool
Ida Oegema
Fennigje Witpaard
Aaltje Bloemhof
Janna Brinkman
Klaas Brinkman
Arend Dunnink
Klaasje Dijk
Hendrikje Visscher
Asse Visscher
Jantje Westrik
Geesje Huls
Hendrik Boesenkool
Grietje Boesenkool
Aaltje Witpaard
Jan van Veen
Klaas Evenboer
Gerrit Jan Boerman
Jan van Ankum
Asselina Deusien

* * *

RUILVERKAVELING "NIEUWLEUSEN I" vervolg _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Voor het begin van de schatting werd door een drietal leden van de Centrale Commissie, in tegenwoordigheid van de leden en plaatsvervangende leden van de Plaatselijke Commissie , van de schatters en van de landmeter, het gehele blok in alle onderdelen onderzocht. Daarbij werden op tal van plaatsen proefgaten gegraven, teneinde de samenstelling en aard van de grondsoorten te kunnen nagaan. Tot besluit werd met aller instemming een omschrijving gemaakt van de indeling in klassen. Die omschrijving had de vorm van een proces-verbaal, gedagtekend 21 april 1926, en werd door alle medewerkers ondertekend.
Uit het ingestelde onderzoek bleek dat het ge bied in twee kenmerkende delen kon worden ingedeeld. De beide delen werden gescheiden door het Lichtmiskanaal. In het gebied gelegen tussen Steenwetering, Lichtmiskanaal en de Dedemsvaart, werden vijf klassen vastgesteld:
Klasse 1: gunstig gelegen, bovengrond 0,30 - 0,80 m. moerasveen, geen smeerlaag, ondergrond goed zand.
Klasse II: als I, maar met meer veen en weinig smeerlaag. Klasse III: bovengrond tot 1,50 m. veen van gelijke samenstelling.
Klasse IV: laag gelegen veengrond met een bovengrond van 1 m. en meer licht veen.
Klasse V : zandige hoogten en zeer laag gelegen gronden.
Het geschatte bedrag per ha. in klasse I bedroeg ƒ 800,= en liep voor de volgende klassen telkens met ƒ 100,= terug.
Het overige deel van het blok werd in 7 klassen ingedeeld. Ook hier lag het geschatte bedrag per ha. telkens ƒ 100,= lager dan in de vorige klasse.
Klasse I werd geschat op ƒ 1000,= per ha.: gunstig gelegen grond, vlakke ligging, bovenlaag 0,30 - 0,80 m. moerasveen, ondergrond goed zand.
Klasse II: als 1, maar zandiger.
Klasse III: als II, maar iets minder gunstig gelegen.
Klasse IV: als II, maar met meer zand in de bovenlaag.
Klasse V: humeuse zandgrond.
Klasse VI: laaggelegen zandgrond.
Klasse VII: hogere zandkoppen.
Op 10 juni werd aan het proces-verbaal toegevoegd: "Wanneer op een geringe diepte dan van 1 meter onder maaiveld ijzerverbindingen in min of meer samenhangenden bankvorm worden aangetroffen, worden deze gronden één of meer klassen lager geschat dan zulks het geval zou zijn geweest, indien die ijzerverbindingen niet waren aangetroffen."
De enkele landwegen verkregen een waarde van ƒ 100,= per ha. en water werd geschat op ƒ l,= per ha.
Terstond na de vaststelling van de klassenomschrijving begonnen de schatters en de landmeter met hun werkzaamheden. De schatters, dat waren de heren Kleen Scholten, Prins en Snel, ontvingen voor elke dag dat zij als


De schatters, landmeters, leden van de Plaatselijke Commissie en enkele leden van de Centrale Commissie, vergezeld door enkele helpers. Deze foto werd gemaakt tijdens het onderzoek en de opmeting van het terrein. In het midden een lessenaar, waarop de kaarten werden ingetekend. De man rechts (Evert Nijboer) heeft een polsstok om over de sloten te kunnen springen.

zodanig werkzaam waren, een vergoeding van ƒ 10,=. Zij begonnen op 28 april 1926, waarna ze gedurende 21 dagen hun werkzaamheden uitoefenden, om die tenslotte op 3 juni te beëindigen. De taak van de schatters bestond daarin, dat zij aan de hand van de klassenomschrijving op het terrein de grenzen moesten aanduiden van de verschillende klassen. Daarvoor was uit de aard der zaak dikwijls onderzoek van de grondlagen nodig door het maken van proefsteken met de schop en overigens door gebruik te maken van een grondboor.
De aldus opgespoorde klassegrenzen werden door de schatters met stokjes zichtbaar aangegeven. De landmeter volgde de schatters op de voet voor het inmeten en in kaart brengen van deze grenzen. Het zal duidelijk zijn dat een bepaald perceel, op die wijze onderzocht, dikwijls in meer dan één klasse werd gerangschikt.
De oppervlakte van elk perceelsgedeelte, vermenigvuldigd met de toegekende waarde van de betreffende klasse, gaf de waarde voor dit deel. Door het samentellen van de waarden van de verschillende gedeelten, verkreeg men de waarde van elk kadastraal perceel.
Op deze wijze vond men dus van ieders bezit de totaalwaarde. Toen alles was berekend, werden de uitkomsten met de kaart waarop de schattingsgrenzen waren aangegeven, gedurende een maand ter inzage gelegd en ieder kreeg daarvan weer per aangetekend schrijven bericht van de Plaatselijke Commissie. Men had nu het recht om schriftelijk bezwaren tegen de schatting in te brengen. Geen der eigenaren maakte daar echter gebruik van en zo kon de schatting op 29 oktober 1926 definitief worden vastgesteld. Daarmede was de grondslag voor de ruilverkaveling gelegd.
Op 24 februari 1927 werd in gebouw Odeon aan de Blijmarkt in Zwolle de definitieve lijst van rechthebbenden, aangevuld met de aard en omvang van ieders recht, vastgesteld door de rechtercommissaris.
Het plan van wegen en waterlopen werd, nadat enkele verbeteringen in het voorlopig ontwerp waren aangebracht, op 27 september 1927 definitief door Gedeputeerde Staten van Overijssel vastgesteld. Eigendom, beheer en onderhoud van op één na alle wegen en van alle waterlopen werden daarbij, ingevolge art. 8 van de Ruilverkavelingswet, toegewezen aan het betrokken waterschap, terwijl de Gemeente Nieuwleusen een gedeelte van de Verlengde Meeleweg en een deel van de Hooidijk werd toegewezen. Reeds voordat het plan van ruilverkaveling definitief vaststond, werd begonnen met de uitvoering van deze grondwerken, echter voor zover de eigenaren daar geen bezwaren tegen maakten. Toen dan ook het ruilverkavelingsplan definitief vast stond, waren zo goed als alle wegen en waterlopen gereed. Deze hadden elk ongeveer een lengte van 35 km. De breedte van de hoofdwegen was vastgesteld op 8 meter tussen de sloten; die van de secundaire wegen op 7 meter. De wegen van minder betekenis werden 6 meter breed. De minimum afmeting van 6 meter was ingegeven door de overweging dat twee beladen hooiwagens elkaar moesten kunnen passeren.
Nabij de Steenwetering werd over het Lichtmiskanaal een ijzeren ophaalbrug gelegd, welke afkomstig was uit Ossenzijl. Gedeputeerde Staten stelden voor de aankoop van de bovenbouw van deze brug ƒ 50,= ter beschikking. De brug werd voor ƒ 5050,= gebouwd door het waterschap "De Noorder Vechtdijken".
Alvorens werd overgegaan tot het maken van het nieuwe indelingsplan, werden door de plaatselijke commissie de wensen van iedere eigenaar opgenomen en te boek gesteld. Daarbij werden de nodige toelichtingen en adviezen door de commissie en de landmeter aan de belanghebbende verstrekt. Steeds werd aanbevolen zoveel mogelijk op sterke samenvoeging aan te sturen. Het zal begrijpelijk zijn, dat het op deze wijze mogelijk was om een indelingsplan samen te stellen, dat zo nauwkeurig mogelijk tegemoet kwam aan de opvattingen van de eigenaren.

Toen het plan gereed was, werd het door de Centrale Commissie getoetst aan de hand van de gedane wensen en vervolgens goedgekeurd. De kavelgrenzen werden op het terrein aangeduid. Daarna werd het plan van 14 tot en met 19 november 1927 op de secretarie van het gemeentehuis en van 21 tot en met 23 november in de Openbare Lagere School te Den Hulst ter inzage gelegd. De ter inzagelegging werd bekend gemaakt in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, in de Zwolsche Post en in de Dedemsvaartsche Courant. Ook werd het op het gemeentehuis aangeplakt. Tevens kreeg iedere eigenaar per aangetekend schrijven bericht.
Tegen het plan werden vier schriftelijke bezwaren ingediend. Klaas Stolte Arendszoon te Den Hulst voerde in zijn bezwaar aan dat er geen rekening was gehouden met de wens om zijn kavel te leggen aan het kruispunt van beide hoofdwegen door "de Ruiten" en verzoekt dit alsnog te doen.
Klaas Klunder, eveneens uit Den Hulst, wenste met de hem toegewezen kavel geen genoegen te nemen.
Door Jan Dekker uit het Spijkerbroek werd het feit dat hij een hectare minder kreeg toegewezen dan hij inbracht, als onbillijk ervaren.
Het vierde bezwaarschrift was van Hendrik Katoele Berendszoon uit Nieuwleusen. Namens zichzelf, zijn zuster Annigje en zijn zoons Berend en Hendrik, zegt hij geen genoegen te nemen met de hun toegewezen percelen, maar te blijven bij de wens om hun eigendommen in één complex toegewezen te krijgen en wel in het "Dwarsbroek" ten oosten van het Lichtmiskanaal.
Op 16 december 1927 werd door de Plaatselijke Commissie een vergadering belegd op het Hypotheekkantoor te Zwolle. Daar werden de bezwaarschriften behandeld en één voor één met de betrokkenen besproken. Dit resulteerde in de terugname van de bezwaarschriften door de drie eerst vermelde personen. Alleen de pogingen om met Hendrik Katoele tot overeenstemming te komen, hadden geen succes. Wel bleek daar dat de oorzaak van het bezwaar de minder goede grond was van de hun toegewezen kavels in de "Tolhuislanden" (er waren daar zandkoppen aanwezig).
Naast het genoemde viertal bezwaarschriften kwamen er bij de Plaatselijke Commissie nog vier verzoeken binnen, waarvan er drie werden beschouwd als zijnde bezwaren


Op de plek waar de Meeleweg het Lichtmiskanaal kruiste, werd in later jaren deze vaste brug, de Hooibrug, gebouwd.

tegen het plan van ruilverkaveling. Als gevolg daarvan werden ze ook als zodanig behandeld en afgehandeld in overeenstemming met de wensen van de betrokkenen. Het betrof een grenscorrectie tussen de aan Wolter Nijboer Hendrikszoon te Den Hulst en Jan Prins Arendszoon te Nieuwleusen toegewezen percelen; een wijziging van de tenaamstelling van de aan Jan Alteveer Arendszoon en Arend Jan Schuurman, beiden te Nieuwleusen, gezamenlijk toegewezen kavels en een splitsing van het gezamenlijk toegewezen perceel aan Hendrik Hoes en Willem Hoes te Nieuwleusen, Jentje Hoes te Oudleusen (getrouwd met Willem Seinen) en Hendrikus Bloemers te Nieuwleusen. Het verzoek van Jochem Heetebrij te Balkbrug om een regeling voor de sloot welke midden door zijn perceel liep, werd door de commissie in overweging genomen.
Op 30 december werd op dezelfde plaats een nieuwe vergadering belegd om tot een oplossing te komen van het bezwaar van Hendrik Katoele c.s. Nadat zijn bezwaarschrift "nogmaals in den brede was besproken", zoals de commissie schrijft, verklaarde Katoele namens allen de bezwaren niet langer te handhaven.
Zo stond dan het nieuwe indelingsplan definitief vast op 30 december 1927. De inbezitneming van de nieuwe kavels vond plaats op 28 januari 1928. De ruilverkavelingsacte werd op 3 april bij notaris Visscher gepasseerd.
Het aantal kavels, voor de verkaveling nog bijna 2000, was teruggebracht tot 91, verdeeld over 400 kadastrale percelen met een totale oppervlakte van ± 1160 ha.
De ruilverkaveling kostte in totaal ƒ 102.801,59, ofwel gemiddeld ongeveer ƒ 89,= per ha. Ingevolge de wet werden de kosten naar evenredigheid van de waarde over de kavels omgeslagen.

Inmiddels had de Centrale Commissie een brief gekregen van H. Schaapman, de eigenaar van de "Roeten Eendekooi". Hij zegt door de ruilverkaveling en door de ontwatering schade te hebben. Desgevraagd is een vergoeding door "De Noorder Vechtdijken" afgewezen. Nu wil hij een vergoeding van de ruilverkaveling, temeer omdat er bij zijn kooi ook een weg wordt aangelegd. Van Leussen, die hem al mondeling had medegedeeld dat hij weinig succes zou hebben, stelt aan de commissie een schadevergoeding van ƒ 1500,= voor om Schaapman van zijn kooirecht afstand te laten doen.
Het kooirecht gaf de kooiker recht op rust (een vereiste bij een eendenkooi) binnen een bepaalde afstand vanaf het midden van zijn kooi. Over zijn voorstel zegt van Leussen: ".. met het oog op de billijkheid zowel als het voordeel van opheffing van het kooirecht (1100 m.) overwegen vergoeding te geven." Met ingang van 1 mei 1928 werd met Hendrik Schaapman Janszoon te Streukel, gemeente Zwollerkerspel, een overeenkomst gesloten, waarbij hij afstand deed van het recht van afpaling (kooirecht) ten behoeve van zijn eendenkooi, voor een bedrag van ƒ 1280,=. Dit bedrag werd voor ƒ 379,97 verrekend in grond boven zijn recht en voor de rest in contanten uitbetaald.

Van economische betekenis is nog het feit, dat een vrij groot aantal rechthebbenden (als mede-eigenaar) voorkwam met slechts een gering bezit. Deze verzochten in het nieuwe plan één of meer kavels aan hen gezamenlijk toe te wijzen, teneinde daarna die kavels publiek te verkopen en de opbrengst onder hen te verdelen naar evenredigheid van ieders "inbreng". Dit gebeurde en de plaatselijke commissie vormde daartoe drie kavels, ter gezamenlijke grootte van 24.42.60 ha en door haar zorg werden die kavels publiek verkocht en de opbrengst met de rechthebbenden verrekend.

wordt vervolgd

* * *

VLUCHTELINGEN IN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

J.W.de Weerd

Tegen het einde van de eerste wereldoorlog kwam er vanuit België en het noorden van Frankrijk een vluchtelingenstroom op gang die Nederland, en met name het zuiden van ons land, overspoelde. In de maand oktober, nog voor de grote volksverhuizing op gang kwam, was de verwachting dat er op zo'n 250.000 vluchtelingen gerekend moest worden. Naar schatting zijn dat er uiteindelijk veel meer geweest. De zuidelijke provincies zaten spoedig vol, zodat naar meer noordelijker streken moest worden uitgeweken.
Omstreeks dezelfde tijd werd ons land geteisterd door de Spaanse griep, een ernstige ziekte waaraan veel mensen overleden. De ziekte kon door contact met anderen worden overgebracht. Dat was de reden waarom besloten werd zo min mogelijk vergaderingen en andere bijeenkomsten te houden. Tevens werden de scholen voor enige tijd gesloten.
Deze "bijkomstigheid" kwam goed van pas bij de opvang


van de vluchtelingen. Zij konden nu in de leegstaande schoolgebouwen worden ondergebracht. In de plaatsen waar de vluchtelingen werden gehuisvest, werden comités opgericht om hen het verblijf zo aangenaam mogelijk te maken. Ook in Nieuwleusen kwamen vluchtelingen terecht. Vorenstaande foto, die ook reeds in ons kwartaalblad van juni 1983 werd geplaatst, laat ons een groep vluchtelingen zien die verbleven in de school aan het Westeinde.
Op de voorste rij treffen we vlnr enkele Nieuwleusener prominenten aan, te weten meester Valk, burgemeester Backx, mevrouw Backx en wethouder Zonnenberg. Uit de tekst op het bord blijkt dat deze groep voortvluchtigen uit het noorden van Frankrijk afkomstig was.

Een van de leden van de werkgroep "Oude kranten", trof in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van vrijdag 1 november 1918 een artikel aan dat betrekking had op het verblijf van vluchtelingen in Nieuwleusen. Nadere studie in de Dedemsvaartsche Courant leverde, naast hetzelfde bericht als in de Zwolsche Courant verscheen, een aantal andere berichten op. Om u een indruk te geven van het verblijf van de vluchtelingen in Nieuwleusen, nemen we de artikelen hieronder over.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 1 november 1918 (tevens opgenomen in de Dedemsvaartsche Courant van 6 november 1918):
Nieuwleusen, 31 October. Ook onze gemeente heeft reeds een gedeelte van de toegezegde Fransche vluchtelingen ontvangen. Zij zijn ondergebracht in school D.
De heer Kapinga en zijn echtgenoote, die 25 jaar in België hebben gewoond, maken zich zeer verdienstelijk. Het is een lust om te zien hoe zij met de vluchtelingen omspringen, zij gebruiken met hen den maaltijd en hebben hun eigen huishouding in de school bij de vluchtelingen ondergebracht. Geen wonder dan ook dat die menschen opperbest tevreden zijn.
Een kok onder hen zorgt voor smakelijk eten, vrouwen ziet men achter een naaimachine handdoeken zoomen enz.
Het geheel geeft een gezellig huishoudentje, dank zij de medewerking van het echtpaar Kapinga. Onder de vluchtelingen is o.a. een juffrouw van 78 jaar, die als bagage twee manden had meegedragen aan een lange stoffer (kamerbezem). Uit vreugde over haar in Holland zijn, maakte zij met den heer Kapinga een dansje.

Dedemsvaartsche Courant, woensdag 13 november 1918:
Donderdagmiddag zijn alhier van Dalfsen 61 vluchtelingen aangekomen, welke in de school te Den Hulst en in de bijzondere school te Nieuwleusen zijn ondergebracht. De menschen zijn over het algemeen best tevreden; het wordt hun door het Comité zoo gezellig mogelijk gemaakt.

Dedemsvaartsche Courant, zaterdag 16 november 1918:
Nauwelijks was het hier bekend, dat de wapenstilstand was ingetreden, of onze Fransche kolonie besloot feest te vieren. Een telegram aan den Fransche gezant noodigde dezen uit aan het feest deel te nemen. Het Comité, met eenige


Meester Kapinga met z'n 2e vrouw en haar dochter.

verdere genoodigden, was aanwezig. De burgemeester, de heer Backx, had voor muziek gezorgd. De avond was zeer gezellig en het schoollokaal was rijkelijk versierd met prachtige bloemen, door Barones van Dedem van de Rollecate den feestvierenden aangeboden. Nauwelijks had madem. Madeleine den burgemeester en het Comité uit naam der vluchtelingen bedankt voor de goede zorgen en het heerlijke feest, of een telegram van den minister, dat hij in gedachten tegenwoordig zou zijn op het feest, bracht het gezelschap in geestdriftige beroering. Het spreekt vanzelf, dat ook thans het echtpaar Kapinga zich niet onbetuigd heeft gelaten. De heer Kapinga was de ziel van den avond. In een keurige improvisatie sprak hij de vluchtelingen toe, terwijl tenslotte de burgemeester een slotwoord sprak.

Dedemsvaartsche Courant, woensdag 20 november 1918:
Woensdagmiddag passeerden hier langs den grintweg te Den Hulst drie Belgische woonwagens, waarvan de vrouwen een bezoek brachten bij den landbouwer J.M. te Den Hulst, die hun eenige aardappelen gaf. Later kwam hij tot de ontdekking, dat zij nog twee beste leggende kippen hadden medegenomen. Door J.M. met den Rijksveldwachter, die hun achtervolgden in de richting Zwolle, was van de kippen niets meer te vinden.

Dedemsvaartsche Courant, zaterdag 21 december 1918:
De vluchtelingen welke gedurende eenige weken alhier waren ondergebracht in drie scholen, zijn zaterdag j.l. naar Rotterdam vertrokken. Het onderwijs kan nu, na flinke reiniging der lokalen, spoedig beginnen.


Jaargang 6 nummer 4 december 1988

Omslagfoto: Eén van de boerderijen die als gevolg van de ruilverkaveling ontstond, was de boerderij van E. Nijboer. Deze werd gebouwd aan het kanaal de Dedemsvaart, even voorbij de Lichtmis.

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

RUILVERKAVELING "NIEUWLEUSEN I", slot _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Begrijpelijkerwijze heerste er vreugde in de streek, die een nieuwe toekomst tegemoet ging en als bekroning op het vele werk dat aan de totstandkoming voorafging, zou de minister van binnenlandse zaken, mr. J.B. Kan (de vader van Wim Kan), op 4 mei 1928 met een bezoek aan het gebied de ruilverkaveling officieel komen inwijden. Voordat het evenwel zover was, moest er nog wel het een en ander geregeld worden. De Centrale Commissie verzorgde het programma voor die dag. Er werd toestemming gevraagd om de kerk te mogen gebruiken. De kerkeraad, in de persoon van J. Kleen Scholten als voorzitter en B.J. van den Berg als secretaris, verleende daarvoor in een brief van 19 april haar toestemming. Uitnodigingen om op 4 mei aanwezig te zijn, werden verstuurd. De gemeente Nieuwleusen liet in een brief van 23 april aan de Centrale Commissie weten dat zij: ".... alhoewel niet sympathiseerende met het door u in elkaar gezette program - aan de excursie op 4 mei a.s. hopen deel te nemen." De reden van het schrijven van deze woorden is niet bekend.
Om iedereen ter bestemder plaatse te krijgen, moest er het nodige worden georganiseerd om voldoende auto's ter beschikking te hebben. Niet alleen voor vervoer van genodigden van buiten Nieuwleusen moest worden gezorgd, ook voor de meeste plaatselijke notabelen was dat het geval. B.J. van den Berg en notaris Visscher hadden wel een auto, burgemeester Backx bijvoorbeeld niet. Er vond dan ook de nodige correspondentie plaats over wie met wie in de auto moest zitten. Maar uiteindelijk kwam, dankzij garage Sietsma in Zwolle, het autovervoer in orde.
Maar daarmee was nog niet alles geregeld. Auto's mochten niet overal komen! Om toch op de plekken te kunnen komen waar men dat wenste, werd aan Gedeputeerde Staten ontheffing gevraagd. Deze vonden goed aan de Centrale Commissie het gevraagde te verlenen "om met motorrijtuigen te rijden op wegen, welke voor verkeer op meer dan 2 wielen gesloten zijn verklaard, onder voorwaarde dat met geen groter snelheid zal worden gereden dan van 20 K.M. per uur; dat bij het passeeren van voertuigen desverlangd wordt gestopt en dat bij dreigend gevaar de motor in rust wordt gebracht." En zo was alles op 4 mei 1928 in gereedheid om minister Kan te ontvangen.
Behalve de minister namen aan de tocht deel mr. A.E. Baron van Voorst tot Voorst, commissaris der koningin in de provincie Overijssel; Baron de Vos van Steenwijk, gedeputeerde; mr. W.M. Wyt, griffier van de Staten van Overijssel; mr. A. J.M. van Heijst, rechter-commissaris der ruilverkaveling, hoofdingenieur en ingenieur van de Provinciale Waterstaat; ir. Walland, hoofdingenieur van de Rijkswaterstaat; de ingenieurs Otten, Mesu en Swart, rijkslandbouwconsulenten; de landmeters Gorter en Ten Oever; leden van de Centrale Commissie voor de Ruilverkaveling; dijkgraaf en heemraden van het waterschap " De Noorder Vechtdijken" ; en de heren E. Bredewout, wethouder van Zwolle, en D. Knop, directeur van de arbeidsbeurs aldaar.
Per auto ging het gezelschap van het station Zwolle naar de Lichtmis, waar zich de leden en plaatsvervangende leden van de Plaatselijke Commissie, de schatters, burgemeester en wethouders van Nieuwleusen en notaris Visscher bij hen aansloten. Daar werd ook een korte bespreking gehouden van de uitgevoerde werken.
Na de koffiemaaltijd werd een wandeling gemaakt door het blok van de ruilverkaveling, waarna men per auto naar de Hervormde kerk te Nieuwleusen vertrok, waar het gezelschap werd ontvangen door de president­kerkvoogd en het kerkbestuur. In de kerk hield minister Kan de volgende rede:
"Voor de tweede maal valt mij het voorrecht te beurt aan een met groot succes volbrachte ruilverkaveling een enkel woord te mogen wijden. Hadden de elementen niet aan dit, steeds veldwinnende instituut,een minder goed hart toegedragen, dan zou deze verkaveling de derde zijn geweest, die ik in een tijdsbestek van ternauwernood zes maanden had mogen gedenken. Van Ameland is de Victorie begonnen en alleen de omstandigheid, dat men dit eiland nog niet per Pulmanntrein kan benaderen, was de oorzaak dat ik de daar gevestigden samenwerkenden eigenaars niet tijdig de gelukwensen heb kunnen aanbieden, die zij zo ten volle verdienden.
Nochthans voor de ruilverkaveling te Nieuwleusen kan dit slechts bate brengen. Iets wat te dikwerf de aandacht vraagt, zelfs al mag het op de benaming van klassiek aanspraak maken, is niet in staat blijvend de belangstelling der massa te prikkelen en al heeft een beroemd dichter zich eens uitgelaten, dat hij de massa haat en van zich afweert, zonder de publieke opinie achter ons, vermogen wij toch weinig.
Het zou trouwens in het geval dat tot deze feestelijke bijeenkomst aanleiding gaf, bijzonder spijtig zijn wanneer het onopgemerkt tot het stof der vergetelheid wederkeerde. Het blok Nieuwleusen, meer dan 1200 ha groot, is lange tijd de vergaderplaats geweest van water, dat de oostwaarts gelegen percelen moesten lozen. Na lange vergeefse pogingen is ten slotte een behoorlijke afwatering verkregen, maar evenmin als goede wetten niets betekenen zonder goede zeden, kan afwatering alleen een complex dat al te grillig is ingedeeld, tot bloei brengen. De ingelanden hebben dit destijds ook uitnemend begrepen, wat wel het treffendst blijkt uit een verzoekschrift aan de regering, door tal van belanghebbenden getekend, om een wetsontwerp op de ruilverkaveling in te dienen. Nu dit ontwerp inmiddels wet is geworden, was het wellicht toch voor deze streek onnodig. Immers in de wet wordt de gedwongen ruilverkaveling geregeld, de mogelijkheid derhalve geopend om ook als enkele eigenaars zich verzetten, desondanks de verkregen voortgang te doen hebben. Vrijwillige verkaveling, waarbij dus alle belanghebbenden meewerken, behoeft geen wettelijke ondergrond. En nu treft het dat, behoudens enkele kleine strubbelingen die gemakkelijk uit de weg werden geruimd, eigenlijk alle eigenaars deze



Deze "statiefoto" van de inwijding van Ruilverkaveling "Nieuwleusen I" werd gemaakt bij de Grote Kerk. Van links naar rechts zien we: Burgemeester J. Ph. Backx; landmeter J.J. Gorter; Ir. A.G. Swart; Ds. H. Smits; G. Hebinck, secretaris Plaatselijke Commissie; minister J.B. Kan; schatter R. Snel; E. Vesterman, lid Plaatselijke Commissie; schatter J. Kleen Scholten; V. Nijboer Hzn, voorzitter Plaatselijke Commissie; H. Prins, schatter en Commissaris der Koningin in Overijssel Baron Van Voorst tot Voorst.

ruilverkaveling hebben gewild. Een nieuw bewijs dat, mogen al sommige eigenaars wel eens despoten zijn genoemd, Nieuwleusen dan toch slechts verlichte despoten herbergt! Dit is te opmerkelijker, omdat deze gronden gelegen zijn in een streek, nauw grenzend aan een land waarvan de bevolking om hare bij uitstek behoudende aard vermaardheid heeft verworven. Het kan niet anders of dit uitnemende voorbeeld moet ook uwe buren prikkelen, wat de landbouwbelangen in deze streek slechts kan dienen.
Van ganser harte spreek ik dan ook de hoop en de verwachting uit, dat de ruilverkaveling te Nieuwleusen zal blijken te zijn, wat Horatius placht te noemen, een monument, hechter dan koper."

Met deze officiële gebeurtenis was de ruilverkaveling echter nog niet afgesloten. De afwikkeling van een en ander nam nog enige tijd in beslag.
In de zomer van 1928 overleed de heer E. Westerman, lid van de Plaatselijke Commissie. Tot zijn opvolger werd door Gedeputeerde Staten R. Sterken benoemd, tot dan plaatsvervangend lid.
Per 31 december 1928 namen de werkzaamheden van de Plaatselijke Commissie een einde. Hoewel hierdoor officieel het contact tussen de beide commissies werd opgelost, stelde de Centrale Commissie er hoge prijs op om in voorkomende gevallen een beroep te mogen doen op de gewaardeerde adviezen van de Plaatselijke Commissie. "De ruilverkaveling, welke onder het beheer der Plaatselijke Commissie op zoo uitmuntende wijze is tot stand gebracht, zal tot in het verre nageslacht getuigenis afleggen van haar goed inzicht en de belangelooze behartiging der belangen van anderen", aldus de lovende woorden van de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant.
Op 26 juni 1929 wordt de ruilverkaveling "Nieuwleusen" afgesloten met een bijeenkomst in café "De Lichtmis". De Zwolsche Courant schreef hierover: "Woensdag was het voor de Ruilverkaveling een enigszins grootsche dag. Dien dag werd de verkaveling als voltooid beschouwd en werd door de plaatselijke commissie afscheid genomen van de centrale commissie en den rechtercommissaris. Een excursie door het verkavelde gebied was als afscheidsfeest bedoeld. Twee auto's brachten de centrale commissie, met de heeren mr. A.J.M. van Heyst; rechtercommissaris der ruilverkaveling, en J.J. Gorter, landmeter, naar de Lichtmis, waar in het café Waanders een ontmoeting plaats had met de plaatselijke commissie en de schatters, alsmede de heeren Zwart en Huisman, beiden opzichters.
De heer Nahuys, vice-voorzitter der plaatselijke commissie sprak hier zeer waardeerende woorden over het ontstaan en verloop van de ruilverkaveling, van welke goede werking men nu reeds vruchten plukt. Daarop sprak de heer Hebinck, secretaris der plaatselijke commissie namens deze en de schatters enkele woorden over de prettige samenwerking, die er steeds tusschen de centrale commissie, den rechter-commissaris, den landmeter en de plaatselijke commissie heeft bestaan en roemde vooral het waardeerende werk van den heer Gorter. Namens de plaatselijke commissie nam hij hiermede afscheid van de centrale commissie c.s.
De heer Lonkhuizen, secretaris der centrale commissie sprak eveneens enkele woorden en merkte op, dat er in het verkavelingsgebied in korten tijd reeds vele boerderijen waren verrezen, en er binnen afzienbaren tijd zelfs een school zal worden gebouwd.
Na de lunch werd de excursie door het verkavelde gebied aangevangen, en werden door de heeren verschillende in cultuur gebrachte complexen grond in oogenschouw genomen. Het bleek hierbij. dat de grond van een uitstekende kwaliteit, en dat bij een goede cultiveering ervan het productie vermogen groot is. Ook werden nog ongecultiveerde stukken land bezichtigd, doch die zagen er troosteloos uit. Hieruit blijkt dus wel, dat. wil men de grond productief maken, ze ontgonnen moet worden."

Naar aanleiding van deze bijeenkomst schrijft de caféhouder, de heer H. Waanders, aan Van Leussen: "Ook de lof en dank, U en Uw Commissie, door andere heren toegezwaaid, op die dag, blijken nog alle dagen goed op hun plaats. Want als men de enorme hoeveelheden haver en andere producten ziet vervoeren uit het ruilverkavelingsgebied, zooals wij alle dagen maar door, dan pas beseft men het Groote werk. Men kan dan ook nu van iedere boer, ook van diegene die vroeger tegen de ruilverkaveling was, niets dan lof horen."

Met dank aan allen die op een of andere manier behulpzaam waren bij de tot standkoming van dit artikel, met name de heer Ketting Olivier van de Archiefbewaarplaats te Soesterberg.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES IX _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


"Hi'j hef d'r iene an bladhark'n."

Dit werd gezegd van iemand die niet z'n volle verstand had.

* * *

REACTIE OUDE SCHOOLFOTO VI _________________________________________________________

De namen welke vermeld waren bij de schoolfoto van de CNS "De Meele " in ons vorige kwartaalblad, blijken niet allemaal juist te zijn. Wij ontvingen hierop onderstaande correcties:

nr. 4 is Gerrit Meier in plaats van Hendrik
nr. 6 is niet Jo Meier, maar wie wel???
nr. 12 is ook geen Meier, maar Evert Bos
nr. 17 is Jo(han) Meier in plaats van Thijs
nr. 19 is Derk Jan van der Kolk en niet Jan Winkels
(dit is bij de foto gewijzigd.)

* * *

TOEN IK NOG EEN KLEIN MEISJE WAS _________________________________________________________

G. Klunder-Groothuismink

Met het verglijden der jaren herinner ik mij steeds dichter wordende beeltenissen uit mijn prille jeugd. We woonden in de Kerkenhoek aan het Schuurmanslaantje, achter de voormalige pastorie van de Gereformeerde kerk (nu expeditie Westerman). De herinneringen zijn alle uit de jaren vóór 1920. Zo bijvoorbeeld de frêle figuur van dominee Smits. In een zwart domineespak, groen verweerd zoals lakense pakken dat deden, stond hij met zijn paraplu onder de arm (hoewel hij nog geen honderd meter van huis was) onbeweeglijk als een reiger wachtend op zijn prooi, onder de fraaie eikenbomen aan de noordkant van de kerk. Zijn waarnemingen vormden geen beletsel voor de goede samenleving in het dorp. Keetje, zijn huishoudster, was een stille figuur die heel weinig op de voorgrond trad. Met haar witte mutsje, zoals toen algemeen werd gedragen, was ze een enkele keer in de tuin aan de achterkant van de pastorie, vanuit het Palthebos te zien.
De hoofdingang van de kerk, aan de Dommelerdijk, werd bij de zondagse kerkgang uitsluitend door de mannen gebruikt. Voor vrouwen was deze ingang hoogst ongebruikelijk. Zij die van de oostkant kwamen, gingen door de kleine zijingang aan de zuidzijde naar binnen en de vrouwen uit het westen betraden de kerk via de ingang aan de noordkant. De voorste banken in het middenblok waren speciaal voor de vrouwelijke kerkgangers. De preekstoel stond toen nog, dat is voor de grote verbouwing, tegen de westelijke muur.
Het is allemaal geleidelijk veranderd, zo geleidelijk eigenlijk dat het niemand is opgevallen. Nu is het heel gewoon dat mannen en vrouwen door elkaar zitten. Vroeger was dat alleen maar in de zijbanken het geval.
Wat ik ook nog weet, is dat de armenbank achter de bank van de ouderlingen was. Op één meisje na was die meestal leeg. Als de kerkdienst al begonnen was, kwam zij op haar klompen binnen en liep dan naar die bank om daar als enige plaats te nemen. Dieptreurig vond ik het. Wie ze was en waar ze is gebleven, ben ik nooit te weten gekomen.
Ik las eens een verhaal waarin een kind vroeg aan haar moeder: "Als pappa weer werkloos wordt, moet ik dan weer in de armenbank?" Kinderen die met geld naar de disco gingen, waren toen nog een visioen.

Ook een opvallend persoon was burgemeester Backx met zijn indrukwekkende figuur. Zijn mooie woning aan het Westeinde was voor ons een soort Paleis Soestdijk, waar we op Koninginnedag, met Crescendo voorop, aan de burgemeester een hulde brachten. We hadden dan een vlaggetje in de hand, een sjerp om en een muts op en werden gadegeslagen door dorpsgenoten die hun werk even onderbraken.
Naast de burgemeester woonde dorpstimmerman Schutte met Griet, zijn vrouw. Hij had een grijze ringbaard en was een bijzonder vriendelijk mens. Het Schuttenkerkje, waar nu nog gekerkt wordt, is naar hem genoemd. Hij was een van de oprichters ervan. Veel tijd heb ik doorgebracht in zijn als werkplaats ingerichte achterhuis. In de tijd van de Spaanse griep maakte hij daar de kisten voor de overledenen. Aan deze ziekte zijn in Nieuwleusen veel jonge mensen tussen de twintig en dertig jaar ten prooi gevallen. Er was niets tegen te doen. Zo zag je mensen en even later waren ze er niet meer. Dat was in 1918 en bijna nergens werd de kerkklok méér geluid.
Tegenover timmerman Schutte stond het café van Bertus Massier. Later was hier het postkantoor gevestigd en thans woont hier Rik van der Werf. Bij Massier ben ik veel geweest en ik mocht er ook vaak blijven slapen omdat ik graag bij de meisjes was. De nacht van donderdag op vrijdag was altijd een bijzondere. Die nacht trokken de vracht- en andere wagens al in donker naar de vrijdagse markt in Zwolle. De wagens hadden verlichting en het was een heel mooi verschijnsel om in het donker in je bed te liggen en het licht door de gordijnen te zien schijnen. Net levende beelden; een voorspooksel zoals men zei, voor de TV van later.
Naast het café woonde oom Arend Massier. Daar was toen het postkantoor (momenteel woont hier Hilligje Massier-Alteveer). Druk was het er niet, maar hij was bezig. Als peuters kwamen we er vaak.
Op een dag werd oom Arend niet goed, waarna hij op zijn fiets stapte om in het ziekenhuis in Zwolle te worden opgenomen. Spoedig bereikte ons de mare dat oom Arend Massier overleden was. Het was het tragische gevolg van een misgegane blindedarmoperatie. De kist werd met paard en wagen van Zwolle gehaald. We stonden allen te kijken toen de kist werd afgeladen. Door een piepklein luikje konden we oom Arend nog zien.
Op een mooie najaarsdag werd hij begraven. De rozen bloeiden en geurden volop op die dag.


De grafsteen van Arend Massier draagt een zeldzaam opschrift.

Naast het zogenaamde Spiker van juffrouw Palthe stonden prachtige beuken. Zowel het huis als de beuken zijn helaas verdwenen. Wanneer juffrouw Palthe van haar winterverblijf in Oldenzaal terugkeerde, was het feest in het dorp. Ze werd in de open landauwer van Harm Bakker van "'t Witte Peerd" van de tram gehaald. En met begeleiding van het muziekkorps Crescendo, dat dan zijn beste beentje voor zette, ging ze naar het Spiker. Alles en ieder een liep er achteraan.
Soms bracht juffrouw Palthe wel eens een bezoek aan de zondagsschool. Ze deelde dan plaatjes uit met een tekst er op. Ook als het 25 tot 30 graden was, kwam ze gekleed in mantel en met hoed.
De zondagsschoolleraar was Jan Reuvers. Hij was een rustige man die in keurig pak iedere zondag maar weer naar het lokaal kwam. Dit "leerhok" of "leerkamer", zoals men toen zei, was vastgebouwd aan de pastorie. De catechisatie werd er ook gegeven. Het was somber en kaal en het had weinig moois. Wanneer het er nu nog had gestaan, had men het met afgrijzen bekeken.
Wat wel mooi was, was het Palthebos met zijn dikke bomen. We liepen er vaak door wanneer we een boodschap moesten doen bij Lucas Schiphorst, de veelzijdige kruidenier. Daarnaast deed hij nog in textiel; onder andere linten, haarstrikken, sokken en kousen. Ook was hij gemeenteontvanger en had hij een boerderij. De melk verkocht hij aan de burgemeester, de dokter en de dominee. Eefje Schiphorst bezorgde in een melkkan de melk bij deze notabelen.
Voor ons was het lopen door het bos een prettige bezigheid. Je voelde je er geborgen om bijvoorbeeld verboden straatliedjes te schreeuwen: Laat de klok maar luiden en laat de klok maar slaan. En het opkomende socialisme van toen: Hadjememaar de Amsterdamse avonturier. De liedjes vielen helemaal niet in de smaak en waren dan ook streng verboden. Thuisgekomen met de boodschappen werden we steevast bestraft voor het zingen van deze liedjes.
Wanneer we in de winkel waren aangekomen, stond de knorrige winkelierster een half pond koffie te wegen. De schaal schommelde steeds maar heen en weer, net zolang tot de klant zei: "Kniep hum maor deur midden".

Aan de oostkant van de Dommelerdijk werd op zeker moment een nieuwe woning voor de veldwachter gebouwd (nu bewoond door Gerrit Klein). Veldwachter was Holthuis, een markante figuur, groot, breed en zwaar met een knap uiterlijk. Hij droeg meestal een maatpak vanwege zijn omvang en zag er in dat pak uit als een veldmaarschalk. De veldwachter was een man van gezag, vooral bij de jeugd.


Veldwachter Holthuis in vol ornaat.

Maar ook voor het gezin Holthuis waren er goede en kwade dagen. Zoon Herman kwam door een ongeluk om het leven. Wat er van dochter Hanna geworden is, weet ik niet. Ik heb haar later nooit weer teruggezien.

Een vrolijke noot werd destijds gebracht door harmonicaspeler De Keizer. Op gezette dagen ging hij bij de huizen langs om na ontvangst van een kleine fooi zijn weg te vervolgen.
Groent