Hier invoegen:


jaargang 13 nummer 1-2 mei 1995

* * *


DE JAREN 1940 – 1945 IN NIEUWLEUSEN ______________________________________________________

"hou moed ons land
zal nooit een duitse provincie worden"

Inhoud:

blz.
3  
5  
19  
21  
23  

27  
31  
33  
41  
53  
59  
60  

62  
65  
67  
69  

77  
77  
79  
80  


Oorlogsmonument Nieuwleusen
Nieuwleusen in de oorlog
Jeugdherinnering uit de oorlogsjaren
De periode van 6 tot 14 april 1945
Het leven van een onderduiker in Nieuwleusen van 1943 tot 1945
Een neergestorte bommenwerper
De bemanning van de bommenwerper
Brieven Bart van der Graaf
Herinneringen aan de oorlog 1940-1945
Een Utrechtse evacuée in Nieuwleusen
Etenhalers en geschaad vertrouwen
Wie zag de schepen op 5 april 1945 door de Dedemsvaart voorbij komen?
De Nieuwleusener N.B.S. bij de bevrijding
Met bevrijders op de foto
Een mislukte overval
De verzetsgroep van "Het Schot" de boswachterij Staphorst en de bevrijding
De bevrijding in deze regio
Uit de Meppeler Courant
Voorwoord burgemeester Backx Oranjefeesten 1945
Colofon

* * *


OORLOGSMONUMENT NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Het oorlogsmonument van Nieuwleusen bestaat uit een zwart plateau met daarop een staande witte steen waarop een kruis en de tekst 'Ter gedachtenis aan de gevallenen 1940 - 1945". Voorin het plateau zijn acht zwarte stenen aangebracht waarop de namen vermeld zijn van evenzoveel Nieuwleusenaren die de bezetting niet hebben overleefd. Tot blijvende herinnering aan hen die in de oorlogsjaren hun leven lieten voor een vrij Nederland werd dit monument opgericht.

In 1994 is het monument "uitgebreid" ter herinnering aan de inwoners die in de periode tussen 1945 en 1950 in Nederlands-Indië het leven lieten. Ook hun namen werden op zwarte stenen aangebracht onder een eveneens staande witte steen.

De namen op het monument voor de gevallenen 1940-45 zijn:
1. Jan van Ankum, geboren 15 februari 1923 en afkomstig van de Meele. Hij werd als "onderduiker" gepakt en naar kamp Erika bij Ommen gebracht. Daar is hij bij een beschieting van het kamp door Engelse vliegtuigen om het leven gekomen.
2. Willem Beldman, geboren 7 april 1924. Zijn ouders woonden aan het Westeinde. Beldman diende bij een boer op het Kampereiland. Een landwachter die op een melkauto reed die geregeld de melk bij de boeren ophaalde, werd door een groep jongelui, waaronder Beldman, uitgejouwd. De man nam wraak en verschillende jongens van de groep werden later opgehaald door de Grünen; Willem Beldman toen hij een keer op bezoek was bij zijn ouders in Nieuwleusen. Hij kwam in een kamp in Duitsland terecht en is later in Zweden overleden. Bij het einde van de oorlog hadden de Zweden zich namelijk over de mensen in de Duitse kampen ontfermd. Voor Beldman kwam dat echter te laat!
3. Hendrik Brasjen Jzn. van de Visscherweg, geboren op 25 juli 1924. Hij wist geen vrijstelling te krijgen voor tewerkstelling in Duitsland. In de buurt van Hamburg kwam hij om het leven.
4. Lucas Gijsen, geboren 16 april 1924 en zoon van kapper Gijsen, werd verplicht in Duitsland werkzaamheden te verrichten, alwaar hij om het leven kwam.
5. Bart van der Graaf, geboren op 27 februari 1922, woonde aan de Ommerdijk, maar was ondergedoken in Apeldoorn. Voor een verjaardag bezocht hij zijn ouders. De terugreis naar zijn onderduikadres maakte hij per bus. Tijdens deze rit werd hij opgepakt. Van der Graaf heeft o.a. in kamp Amersfoort gezeten en werd later naar Duitsland overgebracht. Daar is hij omgekomen.
6. Gerrit Jan Luten, geboren op 1 april 1912. Tijdens een huiszoeking bij hem aan het Ruitenveen vond men een radio. Hij werd opgepakt en naar Duitsland vervoerd, alwaar hij overleed.
7. Hendrik Schoemaker Gzn., geboren op 4 september 1890, woonde in één van de boerderijen aan het Westeinde die bij de bevrijding van Nieuwleusen in brand werden geschoten. De Canadese bevrijders dachten dat daar nog Duitsers verscholen zaten, hetgeen niet het geval was. Hierbij kwam Schoemaker om het leven.
8. Hendrik van der Sluis, geboren op 22 september 1915 en afkomstig van de Dommelerdijk, was vóór de oorlog al als militair naar Nederlands-Indië gegaan. Hij diende op een schip dat onder commando stond van Karel Doorman. In de Javazee brachten de Japanners het schip tot zinken, waarbij Van der Sluis het leven liet.

Op het monument voor de gevallenen in Nederlands-Indië staan de volgende namen:
1. Jan Bijker Jzn., geboren op 3 juni 1926 en afkomstig van het Oosteinde nabij de Stouwe. Hij kwam om het leven door een ongeluk met een geweer. Bijker werd in Nederlands-Indië begraven.
2. Hendrikus Bloemhof, geboren op 3 maart 1927, afkomstig van de Meele, kwam in Nederlands-Indië om het leven bij een auto-ongeluk Ook hij werd daar begraven.
3. Hendrikus Mensink Janszn., geboren op 25 augustus 1925, kwam uit Den Hulst. Tijdens een gevecht sneuvelde hij en werd eveneens in Nederlands-Indië begraven.
4. Jan van der Sluis, geboren op 20 maart 1920, was een jongere broer van de eerder genoemde Hendrik van der Sluis van de Dommelerdijk. Jan ging naar Nederlands-Indië om zijn broer te zoeken, maar keerde ziek terug. In Davos, Zwitserland, overleed hij. Zijn graf bevindt zich op het kerkhof in Nieuwleusen.

* * *


NIEUWLEUSEN IN DE OORLOG _________________________________________________________

"10 mei 1940 ging Brug 6 de lucht in." Waarom die brug en wat gebeurde er met de andere bruggen?
Voor de inwoners van Nieuwleusen die het allemaal meemaakten is veel zo vanzelfsprekend, dat de verhalen voor anderen vaak onduidelijk en onvolledig zijn. Dat komt omdat er intussen zoveel veranderd is dat we de gebeurtenissen niet meer kunnen plaatsen in hun tijd.

Toen Duitsland in september 1939 Polen binnen viel, werd in Nederland de mobilisatie afgekondigd. Tijdens de mobilisatie werden verkeerspunten die van belang waren voor het doorgaande verkeer in ons land, versterkt en verdedigd. Langs de Dedemsvaart waren dat: Brug 6 (omdat daarover de provinciale straatweg van de zuidzijde over de brug naar de noordzijde van de vaart ging), de Baanbreker bij De Krim (samenkomst van wegen) en bij Gramsbergen. Wonderlijk genoeg werd het Lichtmisviaduct niet bewaakt. Pas aan het einde van de oorlog hielden de Duitsers het bezet. Men was tijdens de mobilisatie blijkbaar alleen beducht voor de oost-west verbindingen. Tijdens de bouw waren nissen in de betonnen palen ingebouwd, waar in geval van nood dynamiet ingestopt kon worden, maar ook dat is niet gebeurd.
Op vrijdag 10 mei om ongeveer 4 uur 's morgens vernietigden de militairen het draaiwerk van Brug 6, waarna ze zich terug trokken richting IJsselbrug.
Tegen half zes kwamen de vliegtuigen terug uit het westen. Ze werden daarbij achtervolgd door Nederlandse vliegtuigen. 's Middags trokken 23 Duitse cavaleristen langs de Dedemsvaart. Ze hadden mitrailleurs bij zich, die in kisten aan weerszijden van de paardenruggen hingen. Ze trokken langs het kanaal en over de Leidijk naar Staphorst richting Friesland, waar bij de Afsluitdijk hevig is gevochten.
Op 12 mei, eerste Pinksterdag, ging in omgekeerde richting een wagen met gesneuvelde en gewonde Duitse soldaten terug naar Duitsland. In de buurt van de Rollecaterbrug werd enige tijd rust gehouden, waarbij muziek moest voorkomen dat de omgeving het kreunen en kermen van de zwaargewonden zou kunnen horen.
Tweede Pinksterdag reden 2 of 3 Duitse tanks langs de zandkant van de Dedemsvaart.
De gemeente ontving, zoals overal, een verordeningenblad waarin de bezetter alle maatregelen aankondigde die moesten worden uitgevoerd, gecontroleerd en nageleefd.

Na de capitulatie in 1940 kwamen de militairen weer naar huis. Grietje Kreule vertelt dat ze nog heel goed weet wat een angstige dagen dat voor haar moeder waren, omdat haar vader niet terug kwam. Als haar moeder op een bepaalde plek bij de boerderij ging staan kon ze zien en horen of de bus van Zwolle bij het station Dedemsvaart stopte. Ze liet zich daar niet vanaf brengen door een ongeduldig, vragend kind. Telkens kwam er niemand en begon een volgende periode van onzekerheid. Tot de dag dat haar moeder weer voor het huis stond te kijken en te luisteren en haar vader het achterhuis binnenstapte. Oma kwam aanrennen, roepend dat hij weer thuis was.
Waarom zoveel dagen later? Hij was bij de cavalerie en de paarden zo aan hun lot over laten, dat konden de mannen niet over hun hart verkrijgen. Pas toen de zorg over de paarden was geregeld, kon de terugkeer naar huis beginnen.
Hij vertelde nog hoe ze op hun paarden van Brabant naar de Grebbelinie voortdurend beschoten waren.

In de eerste jaren van de oorlog kwam slechts een enkele keer een Duitse bezetter de gemeente controleren en kwamen Duitse officieren de piloot van het in de omgeving van Brug 6 neergeschoten vliegtuig ophalen. Toen vroegen neergeschoten vliegeniers nog waar ze zich moesten overgeven en burgers wezen hen de weg naar het gemeentehuis!
Een neergeschoten vliegtuig betekende "jacht" voor de bevolking. Al vlug waren verrekijker, kaarten, parachutes en andere waardevolle zaken verdwenen.

Hoe was de situatie vlak voor de oorlog? Er waren geen werklozen maar wel veel dagloners en er was armoede. De gemeente kende B-steun, die bestond uit aanvullende bonnen waarmee je bijvoorbeeld vlees kon kopen.
De diaconie van de kerk hield jaarlijks extra collectes bij de mensen thuis en gaf aan de postbode enveloppen met geld mee voor de mensen die zonder die bijstand niet konden leven. Het ging allemaal in stille beslotenheid en onzichtbaar voor buitenstaanders.

De directeur van de zuivelfabriek in Den Hulst was een groot voorstander van de nieuwe orde en ging veel bij mensen op bezoek om hen te overtuigen van de noodzaak van politieke veranderingen. Hij kreeg veel medestanders en hierbij waren, zoals overal, mensen die de Nationaal Socialistische ideeën overnamen maar daarbij de gemeenschap niet nodeloos in gevaar brachten. Er waren anderen die actief afdwongen dat regels van de bezetters werden uitgevoerd en die er op uit waren mensen aan te geven wanneer ze meenden dat die het "grote belang" achterstelden en de bevelen van de bezetters tegenwerkten.
Naïef, omdat niet vermoed werd dat daarmee mensen in gevaar gebracht werden, werd zo 's zondags getrouw de kerk bezocht en gecontroleerd wat de dominee zei en gerapporteerd aan de partij wat gehoord was.
Er was stil verzet. Mensen wisten wat er gebeurde en praatten daar alleen over met wie ze kenden en vertrouwden. Daarbij probeerde iedereen die niet goed op de hoogte was, natuurlijk achter de waarheid te komen. Gepraat wordt er altijd, ook in de oorlog.
Het verzet was een puur persoonlijke zaak, waarin mensen van verschillende godsdiensten en maatschappelijke functies zaten.

Meester Oldenbeuving, hoofd van de christelijke school op De Meele speelde een sleutelrol in het verzet. Zo vertelde Grietje Kreule: "Ik heb nog met Ed van Thijn gespeeld." Die kwam bij hen thuis logeren, waarbij de kinderen geacht werden niet te weten dat het om een onderduikerskind ging. Ze was toen ongeveer 6 jaar oud en zei tegen haar moeder zoiets als: "Oh, maar ik weet wel wie dat is, want op school mag hij in de pauze met ons spelen." "Oh, die meester Oldenbeuving is soms toch ook zo roekeloos." hoorde ze haar moeder toen mompelen. Kort daarop kwamen er Duitse soldaten om een inkwartiering te regelen, die de kinderen ook het een en ander vroegen en daarbij Edje, omdat ze wel zagen dat het geen gewoon boerenkind uit de streek was, extra veel aandacht gaven. "Wat een aardige mensen waren dat," zei hij na afloop tegen haar moeder, maar die wist wel beter en nog dezelfde middag werd hij naar een vertrouwd adres gebracht. Gelukkig liep dit alles goed af.

De christelijke school op de Meele lag dicht bij de spoorlijn en regelmatig vlogen vliegtuigen laag over om treinen te beschieten. De eerste keer dachten de kinderen dat de wereld verging, maar later wenden ze eraan. Meester floot en dat betekende: snel allemaal op de grond gaan liggen. Eén keer was de schrik weer enorm, toen vlakbij een bom ontplofte. Er is weinig geraakt en vernield als je nagaat hoe vaak er beschietingen plaats vonden. Toen de bombardementen toenamen werd de school gesloten omdat het een te gevaarlijke plek werd en bleven de kinderen thuis.

Betrekkelijk in het begin van de oorlog kwam een verdwaalde bom in het Westerveen terecht en ontplofte vlak bij het huis van Egbert Steenbergen en Jansje Gerrits. De ruiten sprongen en Jansje kreeg daarbij een glassplinter in het oog dat ze later moest missen.



Vanaf 1943 verscheen een ondergronds blaadje LUCTOR ET EMERGO. Het werd uitgegeven met de bedoeling de mensen beter voor te lichten, aangezien de berichten in de Zwolse Courant "getint" werden weergegeven. Op een eenvoudige schrijfmachine werd de tekst uitgetikt en daarna op een eveneens eenvoudige stencilmachine afgedrukt. Dat gebeurde op papier dat afkomstig was van de melkfabriek. In het begin besloeg de tekst niet meer dan één velletje. Het blaadje werd verspreid door koeriersters, die het in hun directoire verborgen. Zij brachten het onder andere naar Meppel, Ommen, Zwolle, Balkbrug en Dedemsvaart. Later werd het ook in Drenthe verspreid, waarbij het ook daar op enkele adressen werd vermenigvuldigd.

Op 31 augustus 1944 verscheen nummer drie van de tweede jaargang en op 5 mei 1945 no. 28. In dit nummer wordt zonder angst voor oppakken vermeld: Oprichter: H. Brassien. Hoofdredacteur H. Oldenbeuving. Redacteuren: F. van Westen en J. van Westenbrugge. Medewerkers waren: J. van Aarst, J. Snorrewind en Alb. Klein. Administratie: Brederostraat 43, Zwolle. (Dat was het woonhuis van Frans van Westen, voor de oorlog en tot 1942 hoofd van de Koningin Emmaschool in Zwolle en daarna betrokken bij de Noord-Oost­Polder). Er waren plaatselijke uitgaven.
In het nummer van 25 april 1945 staat: "Verschijnt voor Nieuwleusen dagelijks. Vertegenwoordiger voor Nieuwleusen: J. van Giessel te Den Hulst." Er wordt bericht over de voedseldroppingen in West Nederland, en "NIEUWLEUSEN: De jongens van de N.B.S. zijn na de bevrijding van Nieuwleusen gedetacheerd naar de IJssellinie. Ze mochten daar op 14 april 1945 Wilsum binnentrekken als de eersten van de Geallieerde strijdmacht. Ze worden in Wilsum gezien als de bevrijders van die plaats. Daarna trokken ze vóór de Canadezen uit Kampen binnen en kwamen daar als eersten die plaats binnen".
"VLAGGEN IN. De Plaatselijke Commandant maakt bekend, dat het vlaggen met ingang van heden is geëindigd. De vlaggen moeten ingenomen worden en kunnen op 30 April 1945, verjaardag van H.K.H. Prinses Juliana weer worden uitgehangen."

Van belang voor nu is het ook te weten dat er in 1939 een grote mond- en klauwzeer epidemie onder het melkvee uitbrak, waaraan veel koeien bezweken. In deze noodsituatie moesten de boeren zich in september 1939 laten registreren om bonnen voor veevoer te kunnen krijgen. Later werd men via deze weg verplicht melk te leveren, die zoals alles op bon kwam.
Voor dit systeem was in elke gemeente een Bureauhouder aangesteld, die ressorteerde onder het Ministerie van Voedselvoorziening. In Zwolle zat de Provinciale Voedselcommissaris. In Nieuwleusen was Schiphorst bureauhouder, eerst met kantoor aan huis, later met kantoor aan de Ommerdijk(Backxlaan) bij de Molenhoek.
Bij de mei-staking in 1943 kwam ook een landelijke actie waarbij de boeren weigerden nog langer aan dit systeem mee te werken. Burgemeester Backx stond achter de boeren en weigerde de maatregelen uit te voeren.
Eens werd een dorsmachine in brand gestoken. De gedachte achter die daad was, dat men dan geen koren voor de bezetter kon dorsen. Maar daarmee werd ook de eigen bevolking getroffen.
Vanwege zijn weigering de verordeningen uit te voeren, werd burgemeester Backx uit zijn functie ontheven. Hij dook op 14 mei veiligheidshalve, samen met zijn vrouw, onder in Hemmen bij Arnhem, de gemeente waar hij voordien ambtenaar was geweest. Hij zou daar later als gevolg van oorlogshandelingen tijdens de Slag om Arnhem al zijn bezittingen verliezen, waaronder kostbare fotoalbums.
Vanaf 14 mei tot 22 september 1943 was wethouder H. Prins loco­burgemeester. Per die datum werd J. D. van Arkel benoemd tot burgemeester. Nieuwleusen had het geluk door de benoeming van Van Arkel niet iemand te krijgen die een actief onderdrukkingssysteem instelde maar die meer dom was dan echt slecht voor de bevolking. Op een dag kreeg hij toevalligerwijze post in handen, in een dienstenveloppe verstuurd, waarin tekst voor een blaadje van de ondergrondse zat die bestemd was voor meester Oldenbeuving, die toen al weg was naar Drenthe. Die post heeft hij teruggestuurd naar de anonieme afzender (die hij meteen herkende als het handschrift van Van Aarst, hoofd van de school te Ruitenveen, die beroepshalve over dienstenveloppen beschikte) met het verzoek dergelijke post in het vervolg niet meer in overheidsenveloppen te versturen.
Post in enveloppen van een steenkoolhandel uit Den Haag bevatte blaadjes voor de ondergrondse. Dat wisten de mensen die met de post omgingen, maar ze bezorgden die gewoon, wetend bij wie ze verder terecht kwamen.

"Veldwachter" Holties was al vanaf 1920 gemeente-veldwachter in Nieuwleusen. Hij was opgegroeid in de omgeving van Emmen, had zijn opleiding in Duitsland gehad en was Duitsgezind maar was geen voorstander van de ideeën van de bezetters. De publieke opinie was echter wel tegen hem en pesterijtjes, ook al waren ze niet persoonlijk bedoeld, raakten hem.
Op verschillende plaatsen in de gemeente stonden bordjes "Zum Bürgermeister" en op de gemeentegrens bij Avereest werd dat bordje wel eens de verkeerde kant opgezet en het viel op een dag in de sloot. Wel wetend wie dat gedaan had, hield Holties de volgende dag een man aan toen hij met een vracht hooi over het Westeinde op huis aan reed. "Heb je daarvoor vergunning?" "Nee, dan ga je mooi op de bon, want jouw vrouw heeft... " Moest je voor hooivervoer dan vergunning hebben, vragen wij ons nu af of was het alleen terugpesten?

In de oorlog was alles wat de boeren aanging geregistreerd. Controleurs van de CCD (crisis controle dienst) moesten dat doen; de hoeveelheid koeien, de melkproductie, de aardappelen, rogge, haver enz. die geoogst werd. Er waren regels hoeveel procent de boer zelf mocht houden en hoeveel verplicht en tegen vastgestelde prijzen verkocht moest worden aan de overheid.
Deze controleurs waren mensen uit het dorp, die door de oorlog geen ander werk meer konden vinden of geen klanten meer hadden voor het beroep dat ze uitoefenden. Ze gaven wel de goede raad vóór de registratie meer weg te zetten dan toegestaan was. "Meer is er niet afgekomen dan wij bij de controle zien", was hun houding.
De van buiten het dorp aangestelde controleur was juist heel fel in het precies registreren van waar de overheid meende recht op te hebben. Boeren verkochten, net als iedereen die de kans kreeg, buiten die verplichting om, omdat de prijzen slecht waren en de nood hoog. Ook was er veel ruilhandel.
Terug naar veldwachter Holties: Er werd in de oorlog veel clandestien geslacht en als hij dacht dat een boer daar weer aan toe was, controleerde hij dat niet om ze aan te geven, maar liep tegen die tijd eens langs met een opmerking als: "De pot moet eens weer gevuld worden". Die boer wist dan dat hij voor Holties niet meer bang hoefde te zijn en ook wel wat hij bij hem binnen de deur moest zetten.
Toen Holties 25 jaar veldwachter was, kwamen NSB-superieuren om dat met hem te vieren. Die wees hij de deur: "Als je daarvoor komt, kun je wel weer gaan, dat vier ik met de mensen uit de gemeente", of woorden van die strekking, heeft hij gezegd.

In 1941 werden de persoonsbewijzen ingevoerd voor alle inwoners van 15 jaar en ouder. Op vertoon van dat bewijs kon je bonkaarten krijgen.
Hoewel in Nieuwleusen geen Duitse militairen of ambtenaren aanwezig waren, kon door die persoonsbewijzen de bezetter toch wel bepalen wat ze van de mensen wilde en in 1943 moesten mannen ouder dan 16 jaar zich melden om te werken voor de overheid. Veel jonge mannen doken onder en de mannen van de Landwacht, Nederlanders in Duitse uniformen, hadden de taak hen op te sporen.
Later werden ook de hoofden van scholen aan de tand gevoeld over de verblijfplaats van "zoekgeraakte" personen.
Zo trok meester Siefers altijd "het veld in" als er wat gebeurde of als er razzia's waren. Hij had dan niets gezien en kon ook niets vertellen. Op een dag was hij bij de familie Van Berkum aan de Kringsloot, waar ze "in de geute" rond de tafel zaten, het oog op het Westeinde omdat de razzia's altijd vanuit Zwolle werden georganiseerd. Er waren verder nog een oom, een zoon en een neef aanwezig. Opeens gerammel aan de achterdeur en paniek. De zoon er toch maar naar toe. Bleken het Duitsers te zijn die uit de richting van Oudleusen waren gekomen en eieren wilden. Hij ging met ze mee naar het kippenhok en zo liep alles goed af.


Persoonsbewijs van Hendrik Jan Sterken, afgegeven op 22 oktober 1941.

Grietje Kreule vertelde hoe haar vader en moeder eens 's morgens op weg naar het weiland om de koeien te melken een groep Duitse soldaten tegenkwamen. Persoonsbewijzen werden gecontroleerd en ze mochten verder gaan. Met hen was het goed afgelopen, maar thuis sliepen de grootouders, de kinderen en de "gasten" nog en dit kon razzia betekenen. Wat te doen? Bij het weiland aangekomen ging de moeder dwars door de weilanden en over de sloten naar huis om te waarschuwen en daarna weer dezelfde weg terug. Na het melken gingen ze samen weer de gewone weg naar huis. Er waren geen Duitsers meer te zien en thuis was niets gebeurd. Zo kon op de meest onverwachte momenten de schrik toeslaan.
De heer Meijerink, die in mei 1943 vanwege de Arbeitseinsatz in zijn ouderlijk huis aan de Rollecate onderdook, vertelde dat hij 's morgens bij het leeggooien van de aslade regelmatig mensen van de Sicherheids Dienst vanuit kamp Erika bij Ommen langs het kanaal richting Friesland zag rijden om opgepakte onderduikers op te halen. In juni 1944 werd het thuis te gevaarlijk en daarom vertrok hij naar een oom in Ankum.
Daar liep hij de NSB-burgemeester van Dalfsen, op inspectie naar een goede plaats voor een lanceerinrichting voor de V2's, tegen het lijf. "'t Liekt me dat ze hier niet zo beschermd staat", zei hij heel gewiekst. "Nee, dat lijkt mij ook niet", was het antwoord. "Wist je wel wie je daar tegen kwam", werd hem naderhand gevraagd. "Nee, maar 't leken me wel belangrijke, dus gevaarlijke, mensen en zo heb ik het maar gedaan."
Ook kwam hij een keer een koerierster tegen die op weg was naar een huis in het Sterrebos aan de andere kant van de Vecht, waar burgemeester Winia van Alkmaar was ondergedoken en daar een illegale drukkerij voor de ondergrondse had. Ze vroeg of het veilig was in Dalfsen. Dat was afhankelijk van de situatie en of er Wehrmachtmensen op de brug stonden. Met adressen voor een veilige schuilplaats is ze verder gegaan.

Op 6 maart 1943 werden twee Engelse vliegeniers, Sergant A.C. Loveland en sergant David Leyson krijgsgevangen gemaakt.
In het Palthebosje was in de oorlog nog een moddergat een klein eindje achter de kerk. Op een dag ontdekte de ondergrondse Duitse verkenners of spionnen. Bij de achtervolging vluchtte een van hen in die modderpoel en bleef daar lange tijd, door een rietstengel ademhalend. Later is hij toch gevonden. Ook is een Duitser eens gepakt die door het inslikken van een pil zelf een einde aan zijn leven maakte.
De verzetsgroep uit het Staatsbos kwam eens binnen bij een N.S.B.-boer bij Brug 6 om een fiets op te eisen. Een van de zoons die juist de aslade in de handen had, raakte in paniek en smeet de nog hete inhoud richting verzetsgroep. Geschrokken werd er geschoten en daarbij werd de zoon zodanig geraakt dat hij overleed. De Duitsers kondigden op aanplakbiljetten represaillemaatregelen aan als de daders zich niet meldden.
Toen op de Dommelerdijk eens een semi-militaire vrachtauto door een Amerikaans vliegtuig werd beschoten, kroop een van de twee inzittenden onder de auto en werd daardoor doodgeschoten.

In de winter van 1944 is een boerderij aan het Lichtmiskanaal door mensen van het verzet in brand gestoken om de bewoners te straffen. Daar zijn voor de bevolking geen represaillemaatregelen uit voortgekomen. Wel is aan de gemeente de opdracht gegeven ƒ 40.000,- te betalen voor de bouw van een nieuwe boerderij. Dat geld is nooit betaald, maar de boerderij is wel weer opgebouwd. De verzekering betaalde na de oorlog als er bewijzen waren dat een brand gesticht was door een georganiseerde verzetsbeweging.

In mei 1943 kwamen 36 evacués uit Den Haag naar Nieuwleusen. De bezetters wilden daar een bredere onbewoonde kuststrook hebben en ontruimden huizen. Het waren meest vrouwen met kinderen en oude mensen. De gemeente moest maar zien een onderkomen voor hen te vinden. Burgemeester Backx, die als "spek en vuur" met de notaris was, vond dat in het grote huis van de notaris ook wel mensen ondergebracht konden worden en was ongevoelig voor de mening van de notaris dat hij ze dan zelf ook in huis kon nemen. De notaris wist met een wethouder te regelen dat er toch geen mensen in zijn huis kwamen "omdat hij dat voor zijn kantoor nodig had".
De evacués kregen geld van de gemeente, die dat weer declareerde bij het rijk. Evacués werkten ook wel en moesten dan hun inkomen opgeven bij de gemeente zodat dit op de uitkering kon worden ingehouden. Dit moest gecontroleerd worden, want dat gebeurde niet vanzelf.
Na de opmars van de geallieerden in Limburg kwamen daar vandaan ook evacués, die werden ondergebracht in school C in Den Hulst. De laatste oorlogswinter werden honderden kinderen uit de grote steden van het westen hier bij boeren ondergebracht. Bijna huis aan huis was wel een kind en soms twee als er sprake was van een jonger broertje of zusje.
Na de oorlog zijn er contacten gebleven met evacués. Hoeveel is ons niet bekend, maar voor iedere eerste zondag van het nieuwe jaar ontving de familie L. Kok een brief van een evacuée. Toen die opeens een keer niet kwam was de moeder heel ontdaan en ongerust. Wat een verrassing toen die zondagmorgen de briefschrijfster zelf met haar kinderen op bezoek kwam! En zo is het gebleven. Nog ieder jaar komt ze de eerste zondag van het jaar op bezoek.

Al voor de oorlog verstrekte de regering een distributie-stamkaart aan de bevolking. Deze kaart zou voor het verkrijgen van bonkaarten gebruikt moeten worden. Zwangere vrouwen kregen op vertoon van een "Bewijs van voorrang" extra bonkaarten.



Extra verklaringen Distributiekaarten

In 1943 brak ook een dysenterie-epidemie uit in Nieuwleusen. Binnen een uur was het eerste slachtoffer overleden. Op een dag waren er zes doden te betreuren. Bij de toegangswegen van het dorp werden borden geplaatst met de waarschuwing dat het ging om besmet gebied waar dysenterie heerste.
Rond de bevrijding werd het dorp ook nog getroffen door een difterie-epidemie.

Ook in 1943 kwam er een door Duitse militairen bemande "lucht­wachtpost" nabij de Ommerdijk. Pas toen kwamen er in het dorp vier Duitse militairen. Ze werden ingekwartierd in de huizen aan de overkant. Vanuit deze post, een houten barak die streng werd bewaakt, werden de vluchten van de geallieerde luchteskaders doorgegeven.
Deze post hebben de verzetsmensen uit het dorp nog willen bezetten, maar onder druk van anderen hebben ze hiervan afgezien. De motieven waren dat de represaillemaatregelen andere leden van de plaatselijke bevolking zouden treffen en niet de verzetsmensen.

Vlak voor de bevrijding kwamen twee mannen van de verzetsgroep uit het Staatsbos, gekleed in Duits uniform naar de burgemeesterswoning de auto van de brandweer vorderen.
Na de oorlog heeft burgemeester Backx een brief naar het Ministerie van Binnenlandse zaken gestuurd om geld te krijgen voor vervanging van de "gevorderde en kapot geschoten brandweertrekker".

W. ten Kate uit Balkbrug vertelt in de Zwolse Courant van 10 april 1985 hoe hij op 7 april 1945, nadat drie Canadese tanks vanuit Dedemsvaart richting Balkbrug waren gepasseerd, voor de Canadezen naar Dedemsvaart moest.
Op de terugweg, toen hij van de Zuidwoldigerstraat bij de Langewijk aankwam, reed daar juist een tank langs waarop onder andere de NSB-burgemeester Van Arkel van Nieuwleusen en de boerenleider uit Balkbrug zaten, die gevangengenomen waren.

Toen 9 april 1945 het gerucht ging dat de Canadezen al in Balkbrug waren en verder trokken richting Den Hulst en de Meele waren er mensen die uit nieuwsgierigheid hen tegemoet gingen. Zo ontstond er een samenscholing bij de boerderij van de familie Visscher op de Meele, ongeveer 100 meter ten westen van de Jachtlusterallee. Dit groepje werd door de inmiddels in hun gevechtswagens gearriveerde Canadezen voor Duitsers aangezien en het vuur werd op hen geopend. L. Kok werd door de fiets geschoten die hij aan de kant had gesmeten toen hij zelf in de sloot was gesprongen. Men kon het later bij thuiskomst nog goed zien. Hij zat helemaal onder het kroos. Een kogel had de velg van de fiets doorboord en de band was lek.
De dochter van Hogezand is daarbij gewond geraakt en naar het ziekenhuis in Coevorden gebracht. Ze heeft het goed overleefd.
De kogels vlogen ook dwars door het dak van de boerderij van Visscher en daarbij raakte op de deel een hoopje stro in brand. De oude mevrouw Petter, die daar ook in huis was, had gelukkig de tegenwoordigheid van geest om dat meteen te blussen. Op de boerderij werd gauw een witte vlag geplaatst.
Hoewel de Canadezen langs de Dedemsvaart al tot de Rollecaterbrug waren gekomen, trokken ze zich 's avonds weer terug omdat de Duitsers de Lichtmis en de spoorlijn met tankgeschut bezet hielden, waarvan ze wisten dat hun gevechtswagens daar niet tegen opgewassen waren. De Duitsers onderzochten dan 's avonds de zandsporen en vroegen waar de "Tommies" waren gebleven.
De Canadezen schoten een keer richting De Meele toen ze daar vijandelijke beweging meenden waar te nemen. De granaten, die je langs hoorde vliegen, kwamen bij de twee boerderijen van Koop en Luuks Timmerman, aan de zandkant van de Dedemsvaart tussen de Rollecaterbrug en het staatsspoor.
Aan het Westeinde, tegenover waar vroeger bakker Dunnink woonde, stonden in een bosje (dat er toen nog was) twee Duitse tanks verdekt opgesteld. Toen ze vluchtten voor de geallieerden hebben de Duitsers er een meegenomen en de ander in brand gestoken.
Daar vlakbij, iets verder het veld in, is ook een vliegtuig neergekomen dat niet ontploft is, maar helemaal de grond ingeboord werd. Hoe dat ontmanteld is weten we niet, maar veel mensen hadden nadien een stuk rubber als buitenmat voor de deur liggen.

Gevechtscommando's die op 10 april via Oosteinde en Westeinde in westelijke richting trokken, stootten in de nabijheid van de Hoevenbrug op een groep bezetters. Geen nood, de commando's schoten vanuit hun gevechtswagen met lichte granaten dwars door de boerderijen heen. De bewoners moesten maken dat ze wegkwamen. Men weet zich te herinneren dat ze door een sloot kropen. Anderen weten nog dat ze een nacht ergens anders hebben geslapen en dat de dag daarop alles weer rustig was. Eén bewoner, H. Schoemaker, kwam bij de beschieting om het leven.
Grietje Kreule herinnert zich dat haar moeder 's avonds toen ze hoorde dat er aan het Westeinde boerderijen in brand geschoten waren, geen rust meer had en er op de fiets naar toe ging omdat haar broer met zijn familie daar woonde. Bij de Koedijk kwam ze hen tegen, op weg naar de familie Van Leusen voor onderdak, omdat de boerderij inderdaad was afgebrand. Gerustgesteld dat het met de mensen goed was afgelopen ging ze weer naar huis.


* * *


JEUGDHERINNERING UIT DE OORLOGSJAREN _________________________________________________________

A. Kreule

In de bezettingsjaren waren er in Nieuwleusen kinderen uit het westen van het land die hier logeerden omdat daar niet genoeg te eten was voor iedereen. In 1943, ik was toen 14 jaar, hadden we met een tiental jongens, waaronder ook westerlingen, een luchtvaartclub opgericht met het doel het bouwen van modelzweefvliegtuigen en er mee vliegen. Dit vliegen hield in het toestel (lengte ca. 75 cm., vleugelbreedte 100 tot 150 cm.) met een touw, waaraan een ring bevestigd was, tegen de wind in omhoogtrekken. De ring zat achter een haak onder aan het vliegtuigje en wanneer dit ongeveer recht boven je was, gleed de ring vanzelf van de haak en vervolgde het vliegtuig windafwaarts zelf zijn weg.



Op ongeveer 200 tot 300 m. westwaarts vanaf de plek waar zich nu de tennisbanen van Nieuwleusen bevinden, hadden de Duitsers een zgn. luchtwachtpost gebouwd. Dit was een houten gebouw waar grote kijkers en andere apparatuur waren opgesteld om het luchtruim af te zoeken op vliegtuigen. Als er vijandelijke bommenwerpers vanuit Engeland richting Duitsland koersten, werden allerlei gegevens zo snel mogelijk doorgegeven aan het overal opgestelde afweergeschut, zodat die paraat waren om de vliegtuigen neer te schieten.
Op een mooie zomeravond in juli 1943 hadden we weer gevlogen op een stuk schoon hooiland ongeveer 1 kilometer ten westen van de luchtwachtpost. Het lukte vrij aardig maar de balans liet wat te wensen over omdat de neus te licht was, zodat het toestelletje een wat golvende vlucht maakte.
's Avonds gingen we op tijd naar bed. In de zomertijd was er genoeg te doen op de boerderij en zoals mijn vader altijd zei: "Het is morgen weer vroeg dag". Omstreeks een uur of elf hoorde ik gerammel aan de buitendeur en een mannenstem die in het Duits vroeg de deur open te maken. Mijn vader kwam op het geluid af en opende de deur voor een drietal Duitsers. Ik sliep in een bedstee voor op de deel en hield de deurtjes op een kier zodat ze mij niet konden zien, maar ik wel kon volgen wat er gebeurde. Het kwam er op neer dat ze het zweefvliegtuig wilden zien wat in de afgelopen avond op de achterliggende landerijen was geland. Mijn vader begreep het eerst niet goed maar Roelof Hogenkamp, die toen bij ons werkte, kwam er bij en vertelde dat het om mijn zweefvliegtuigje ging. Mijn vader vond toen dat ik er ook maar bij moest komen. Ik ging het gezelschap voor naar de stal waar het toestel lag. Ze namen het in de hand en barstten toen in lachen uit!
Wat was er gebeurd? De persoon die 's avonds dienst had op de luchtwachtpost had het zweefvliegtuigje in de kijker gekregen en gedacht dat het een Engels vliegtuig was, dat door zijn golvende vlucht door een onervaren piloot bestuurd werd en dat het in de buurt geland was. Hij heeft toen onmiddellijk naar Zwolle gebeld om versterking. Er kwam een motor met zijspan, waarna ze op de landerijen aan het zoeken zijn gegaan. Vanzelfsprekend vonden ze niets, maar tenslotte stootten ze wel op Roelof die naar zijn ouders was geweest, ongeveer 1 kilometer achter ons. Ze vroegen hem of hij een vliegtuig had zien landen. Nee, dat had hij niet, maar toen ze er nog wat over door praatten, vertelde hij de Duitsers dat de jongens wel met zo'n klein vliegtuigje bezig waren geweest. Nu dit wilden ze dan wel eens zien en Roelof moest hun de weg wijzen. Toen ze het modelzweefvliegtuigje zagen hadden ze in de gaten dat dit het bewuste vliegtuig moest wezen. Het gevolg was wel dat ik niet weer mocht vliegen en dat het voor mijn vader nog een hele toer was om de Duitsers zonder een al te groot stuk spek de deur weer uit te krijgen!

* * *


DE PERIODE VAN 6 TOT 14 APRIL 1945 _________________________________________________________

Hoe zit dat nu? Hoe kan de NSB-burgemeester Van Arkel nu al op 7 april afgezet en afgevoerd zijn als Nieuwleusen op 13 april pas bevrijd is?
Jan Dirk van Arkel was naast burgemeester van Nieuwleusen sinds 13 juni 1944 ook waarnemend burgemeester van Avereest. Hij verbleef dus niet uitsluitend in Nieuwleusen, waar hij bij café "De Viersprong" in pension was.
Nieuwleusen is bevrijd door het 1Oe peloton van het Toronto Scottish Regiment en die behoorden tot de grote legereenheden die opereerden in het Duits-Nederlandse grensgebied.


Er waren twee grote legereenheden die naar het noorden optrokken; de 2e en de 3e Canadese Divisie (Zie kaartje). Omdat de 3e Divisie niet zo'n snelle voortgang maakte is Overijssel vooral door compagnies van de 2e Divisie bevrijd.
Verkenningseenheden werden vooruitgestuurd om af te tasten wat de sterkte van de Duitse garnizoenen was. Ze trokken daarbij ver vooruit en ook ver opzij, om te kijken of er nog flankaanvallen van Duitse troepen te verwachten waren.
Dit gebeurde uitsluitend overdag. 's Avonds trokken ze zich terug achter de eigen hoofdlinie. Dat was hier helemaal in Lutten en Hardenberg, want ook Dedemsvaart en Balkbrug hadden 's nachts dezelfde "niemandsland"-situatie als Nieuwleusen.
Uit een gevechtsverslag van het Toronto Scottish Regiment blijkt dat ze op 13 april enorm hebben rondgezworven en dat de brencarriers op deze dag enorm ver van elkaar hebben geopereerd.
Ze waren in Assen en Vries, zowel als in de omgeving van Meppel. "De C-compagnie verlaat in konvooi het hoofdkwartier; het 9e peloton gaat naar Vilsteren, het 8e peloton gaat naar Den Hulst en het 10e peloton naar Nieuwleusen, waar de commandant omstreeks 6 uur 's avonds Nieuwleusen tot bevrijd gebied verklaart. Er zijn veel mensen voor de kerk. De klokken van de Hervormde Kerk worden geluid en op het gemeentehuis wordt de vlag gehesen. De bevolking stroomt toe, dol van vreugde."
De A-compagnie veroverde die dag Meppel.

* * *


HET LEVEN VAN EEN ONDERDUIKER IN NIEUWLEUSEN VAN 1943 TOT 1945 _________________________________________________________

Chris Vreugdenhil

Het was 1943 en ik was tuinarbeider in het Westland, in Honselersdijk. Ik ben in 1923 geboren en iedereen van mijn leeftijd moest naar Duitsland. Bij de Gereformeerde kerk waren de namen bekend van iedereen die naar Duitsland moest en een ouderling kwam met mij praten over wat ik zou gaan doen.
Al snel bleek dat de ouderling er voor was dat ik zou onderduiken en dat heb ik toen ook besloten te doen.
Ik heb me nog wel laten keuren voor Duitsland en ik heb het geld aangenomen dat je kreeg als je naar Duitsland ging.
Op zondagmiddag moesten we na de kerkdienst bij de kerkeraad komen en toen werden we toegesproken door de dominee.
We moesten op maandag 12 juli om 7 uur bij de bus staan die ons naar Den Haag zou brengen. We waren met z'n drieën en de schilder van het dorp, Rien Honselaar. Hij bracht ons weg, maar we moesten doen alsof hij niet bij ons hoorde. In Den Haag moesten we een treinkaartje naar Zwolle nemen. We wisten helemaal niet waar we naar toe gingen en mijn meisje (nu mijn vrouw) en ook mijn ouders wisten het niet.
We zijn in Zwolle aangekomen en van daaruit met de bus naar Nieuwleusen gegaan. We kwamen aan in de Kerkenhoek en hebben daar iets gedronken. Wij vroegen daar waar Albert Kleen woonde en nadat het ons was uitgelegd, zijn we naar hem toegegaan.
Wij zagen daar bij aankomst een bus karnemelk staan en hij vertelde ons dat die melk voor het vee was. Daar snapten we niets van want bij ons in het westen was karnemelk op de bon. Albert Kleen nam de deksel van de bus en goot hem vol en wij maar drinken. David Aalbrecht bleef bij Kleen, Cor van der Hout ging naar weduwe Westerman aan het Oosteinde en ik ging naar Gerrit Jan Visscher aan de Veldweg. Gerrit woonde bij zijn ouders in en ik ben daar heel hartelijk ontvangen.
Hij was die dag jarig en 's avonds was het feest op de deel. Het was voor mij allemaal nieuw. Arend Jan Bouwman was ondergedoken bij Derk Jan Schoemaker en wij trokken veel met elkaar op. Het is jammer genoeg erg kort geweest, want in Honselersdijk hadden ze onze stamkaarten gevonden met de adressen waar we verbleven. Cor van der Hout werd opgepakt. Mevrouw Westerman was ze net te snel af en wist gelukkig te ontkomen. Daarna gingen ze naar Albert Kleen. Albert Kleen en David Aalbrecht werden opgepakt en ingeladen. Willem Kleen was ook thuis maar hem namen ze niet mee. Hij werd opgesloten in zijn kamer, maar hij had wel gehoord naar welk adres ze verder gingen. Hij heeft de deur van zijn kamer ingetrapt en is door het veld naar ons toegekomen om ons te waarschuwen. De dekens werden van mijn bed gehaald en op hun bed gelegd. Arend Jan en ik zijn als de weerga naar het bos gegaan en daarna in de haver gekropen. We waren er nog maar net toen we hoorden dat ze er waren. We bleven in de haver en daar werd ons het eten gebracht en 's middags kwam dominee Wassink ons een stichtelijk woord toespreken. Toen hoorden we ook dat Gerrit Visscher was meegenomen. Ja, dat was een spannende dag. Mevrouw Visscher heeft wel ik weet niet hoeveel keer gezegd dat ze niet gelogen had, want op dat moment was ik er niet. Voor de naam Visscher hadden ze andere voorletters dan G.J., dus ze waren op het verkeerde adres.
Later ontdekte de familie Visscher dat op de eerste bladzijde van mijn bijbeltje mijn naam en adres geschreven stonden. Die bladzijde is er meteen uitgescheurd. 's Avonds kwam Jan Kleen me ophalen want ik moest naar een andere plaats. Ik kwam terecht bij Derk Jan Veldman in Oudleusen, waar ik ongeveer een week in het kalverhok heb gebivakkeerd. Daarna ben ik naar Hekman achter de christelijke school in Den Hulst gegaan. Ik werd er heen gebracht door Jan Kleen. Mijn kamer was in de hooiberg. Om in deze kamer te komen moest ik door het hondenhok kruipen. Ik nam het schot weg en als ik dan in de kamer was, zette ik het schot terug. Geen mens kon me dan vinden. Ik dacht lekker te kunnen slapen, want er stond ook een bed, maar ik kreeg toch een jeuk! Die was op het laatst niet meer te harden en ik dacht: ik moet eruit, want hier word ik gek van. De hond deed erg vervelend. Hij kende mij niet en ik kende hem niet. Ik heb hem toen een schop gegeven en gelukkig kon ik naar buiten kruipen. Ik ben op de boerenwagen gaan liggen en 's morgens mocht ik in het bed van de boer en de boerin slapen. (Die jeuk kwam door hooimijt.)
Ik heb daar gewoon op het land gewerkt en het beviel me goed. Na ongeveer 10 weken had de boer geen werk meer. Toen kwam ik terecht bij Wolter Zomer aan de Ommerdijk. Daar kreeg ik zoveel boeken te lezen dat ik dacht: ik wou dat ik maar bij een boer was. Ook ben ik nog bij dominee Wassink geweest, waar ik op de vliering tabaksbladeren heb zitten rijgen.
Gelukkig kwam er weer uitkomst en kwam ik bij Jente Visscher aan de Kringsloot. Na mijn verblijf aan de Kringsloot kwam ik bij Derk Jan Massier aan het Oosteinde. Na een poosje daar doorgebracht te hebben kwam ik bij Albert Kruithof aan de Meele. Daar waren nog meer onderduikers. Dat was wel fijn.
We kregen catechisatie bij Petter aan de spoorlijn. Samen met Sjoerd Kok, die bij Willem Westerman was, en Anton Bisschop hebben we genoten van de shag van vader Bisschop. Die was bij de spoorwegen en hij kreeg daar de shag. We werden wel eens 's nachts uit ons bed gehaald en dan liepen we heen en weer. Koud dat je het kreeg en ook slaap. Ook hebben we op een sloot geslapen waar een hek op lag. Met veel stro en zakken probeerden we nog een beetje warm te blijven. We hebben zelfs, ook in zakken, onder de roggegarven geslapen. Later ben ik naar Asse Visscher gegaan en daar heb ik ook een goede tijd gehad, totdat we op een morgen gewaarschuwd werden voor razzia's. De hele dag hadden we niets gezien. Samen met de jonge Asse ging ik met paard en wagen het veld in om knollen te plukken. Toen we terugkwamen stond de landwacht op het erf van Willem Westerman. Wij hielden het paard stil en wilden weglopen, maar de kogels vlogen ons al om de oren. Toen zijn we maar teruggelopen. Daar kregen we een flinke draai om de oren. Ik begrijp nog niet wat Asse Visscher toen tegen de landwacht heeft gezegd, maar hem hebben ze niet meegenomen. Jan van Ankum was al opgepakt en nog een paar onderduikers van de Meele. We gingen naar het café tegenover de Union en daar lagen we in het stro. We moesten zoveel mogelijk kleren meenemen, want we zouden naar vliegveld Eelde gaan. Na een dag of wat werden we in een auto geladen en ging het richting Meppel. Daar werden we met z'n vijven in een cel gestopt die eigenlijk voor één persoon bedoeld was. Bij ons in de cel was ook de godsdienstleraar Boelens uit Nieuwleusen en hij heeft ons geholpen en gesterkt. Na ongeveer 10 dagen werden we in een vrachtwagen gejaagd en gingen we richting Ommen, naar kamp Erika. Dat kamp zal ik verder maar laten rusten.
Op zondag 14 januari hadden we bezoek in het kamp. Asse Visscher had het geluk om dat weekeinde naar huis te mogen en was er dus niet bij. We hadden appèl en werden in twee groepen gescheiden. Voor de ene groep was er bezoek en voor de andere niet. Toen kwamen er ineens vliegtuigen over die begonnen te schieten. Wij mochten niet weglopen, maar opeens rende iedereen toch. Ik dook weg achter een strobaal en riep Jan van Ankum nog toe: "Joh, ga liggen. " Ik weet niet wat er toen met hem gebeurd is, maar later hoorde ik dat hij overleden was.
Ik was door mijn arm geschoten en lag met mijn hoofd op mijn armen. Mijn ene arm hing erbij. Dit gebeurde om 1 uur 's middags en 's avonds om 7 uur zijn we met een vrachtauto van de Wehrmacht naar Zwolle gebracht. Ik heb daar tot één week voor de bevrijding gelegen. De lopende patiënten werden ondergebracht bij mensen in Zwolle. Ik kwam terecht bij Dirk Pierik over de spoorlijn. De schuren waren daar allemaal gevorderd door de Duitsers. Op vrijdag at ik nog biscuitjes van de Duitsers en zaterdags rookte ik sigaretten van de Canadezen.
Met de bevrijding wilde ik weg uit Zwolle omdat er gezegd werd dat de stad beschoten zou worden. Dat is gelukkig niet gebeurd omdat een Canadese verkenner de nacht voor de aanval ontdekte dat de Duitsers in alle stilte vertrokken waren.
Ik zou weggaan uit Zwolle maar omdat ik helemaal geen weg wist, bracht Dirk Pierik me weg. We kwamen opeens bij een spoorlijn en ik was zo blij, want ik dacht: als we die volgen, dan kom ik vanzelf wel bij de Meele. Dat was ook zo, maar ik had niet gedacht dat het zo ver was. Maar we waren vrij en het was een vriendelijk weerzien. Ik kon nog niet naar huis, want het westen was nog niet bevrijd. Ik ben nog een weekje hier en een weekje daar geweest, totdat ik de IJssellinie over mocht.
Nadat ik was weggegaan ben ik na twee dagen reizen veilig en wel aangekomen bij mijn ouders en mijn meisje.

Dit is mijn verhaal over de belangrijkste momenten uit een bange maar ook gezellige tijd die ik mijn hele leven niet zal vergeten, want daarvoor heb ik teveel meegemaakt.
Ik heb heel veel te danken aan veel mensen uit Nieuwleusen en ik kom er nog graag. Ik heb er ook van alles meegemaakt, zowel trouwerijen als begrafenissen. Ieder jaar kom ik wel even naar Nieuwleusen en ik hoop dat, zolang als het gaat, vol te houden. Je kunt wel zeggen dat ik in twee dorpen leef.

* * *


EEN NEERGESTORTE BOMMENWERPER _________________________________________________________

H. Schoemaker

Op 15 maart 1944 stortte er een Amerikaanse bommenwerper neer aan de Stouwe. Dat gebeurde omstreeks half één in de middag. We zaten aan tafel te eten toen we ineens een vreselijk lawaai hoorden. Buiten gekomen zagen we dat er een vliegtuig in brand stond. Er vielen stukken af. Het staartstuk kwam bij Snel aan de Stouwe terecht en de motor viel bij De Weerd tussen het huis en de hooiberg. Toen wij zo stonden te kijken, zagen we ook nog iemand aan een parachute naar beneden komen. Die vertelde later dat hij op dat moment niet bij kennis was. Wonder boven wonder ging de parachute toch open en het bemanningslid kwam neer op zo'n 100 meter achter Gerrit Jan Prins. Daar moest hij zo snel mogelijk weg. Timmerman Arend Jan Schuurman woonde in het Oosteinde aan de straat. Hij had een en ander ook gezien en liep de richting van de piloot op. Ondertussen wenkte hij de neergekomen parachutist dat hij zo snel mogelijk in zijn richting moest lopen.


David Talbott in burgerkleding temidden van Sybe Post (links) en Arend Jan Schuurman. Foto van maart 1944 gemaakt in Nieuwleusen.
Onder de link Sybe Post en David Talbott in 1986

De man deed dat gelukkig. Het bleek te gaan om de Amerikaanse piloot David Talbott. Na de kennismaking bracht Schuurman hem naar de afgebrande woning van Brouwer aan de Middeldijk en verborg hem daar onder de heg. De Engelse taal vormde echter een barrière tussen beiden en daarom werd Sybe Post er bij gehaald. Hij was onderduiker bij Meuleman aan het Oosterveen en had kennis van de Engelse taal. Besloten werd dat Talbott 's avonds zou worden opgehaald en de nacht bij Meuleman zou doorbrengen.

David Talbott kwam in november 1943 naar Engeland waar zich de bases bevonden vanwaar bombardementsvluchten op Duitsland werden uitgevoerd. Hij ontving zijn opleiding tot piloot in Amerika. Met een toestel van het type B-24 werden de missies naar nazi-Duitsland ondernomen. Aan boord waren tien bemanningsleden. Negen vluchten had men al gemaakt en de bemanning was er van overtuigd dat ook na de tiende vlucht het toestel weer veilig op de Engelse basis aan de grond kon worden gezet. Het zou echter anders uitpakken. Nadat de bemanning bommen had laten vallen op Hamburg en Hannover, werd de machine op de retourvlucht plotseling aangevallen door Duitse jagers. Waarschijnlijk nog boven Duitsland werd de B-24 geraakt.
De vlammen sloegen uit het toestel en de piloot kon zijn toestel niet meer onder controle houden. Talbott beval de overige bemanningsleden het toestel te verlaten. Twee van hen, de 25-jarige tweede luitenant Artur Goldman en de evenoude ook tweede luitenant Clifford Moriarty, overleefden dat niet. Talbott werd uit het exploderende toestel geslingerd en kwam in een weiland terecht.

Een paar dagen bracht Talbott door bij Meuleman. Daarna is hij opgehaald en naar Meppel gebracht, gekleed in kleren van Post. Daar werd hij van valse papieren voorzien. Na twee weken werd hij op de trein naar Amsterdam gezet. Het was bekend dat er op die dag weinig controle was in de trein. Iemand van het verzet vergezelde Talbott. De afspraak was dat als er gevaar dreigde deze man op zou staan, waarna Talbott zijn maatregelen kon nemen. Na aankomst in de hoofdstad werd Talbott op de trein richting Deventer gezet. Ook die rit verliep zonder problemen. In Deventer kreeg Talbott een adres waar hij moest wachten op bericht om verder te kunnen reizen.
Op een gegeven moment kwam dat bericht en kon hij, weer per trein, doorreizen naar Heerlen. Dat was een spannende reis. Er zaten Duitse soldaten in de trein en zelfs in dezelfde coupé als Talbott. Deze besloot te doen alsof hij sliep, maar ze tegelijkertijd goed in de gaten te houden. In Heerlen aangekomen werd Talbott opgewacht door iemand die hem naar een onderduikadres bracht. Daar verbleef hij drie weken, waarna hij via Maastricht naar de Belgische Ardennen kon ontsnappen.
Daar aangekomen ontmoette hij een andere Amerikaan die ook probeerde om weer naar Engeland te komen. Samen zijn ze een heel eind door België gelopen. Op een gegeven moment kwam zijn maat te vallen en brak een been. Toen moesten ze natuurlijk hulp hebben. Er kwam een gezin aanlopen, man, vrouw en een paar kinderen, hond bij zich, en men waagde het er op hulp te vragen. De man bleek een onderwijzer te zijn. Hij sprak ook Engels en door zijn bemiddeling is toen hulp vanuit een klooster geregeld. Daar is de patiënt ondergebracht en heeft hij de bevrijding van België afgewacht. Via een pad, dwars door de Duitse linies heen, dat door Fransen gebruikt werd om drank naar België te smokkelen, kwam Talbott in Frankrijk. Daar werd hij twee dagen verhoord om te zien of zijn verhaal juist was en hij geen spion was. Nadat zijn verhaal in Engeland was gecontroleerd, waar hij als vermist stond vermeld, kon hij zijn tocht naar Engeland vervolgen.


Een toestel van dit type stortte neer aan de Stouwe.

Toen die vliegmachine daar aan de Stouwe lag, zijn wij er op een zondagmiddag naar wezen kijken. Er zaten toen een paar jonge Duitsers van een jaar of 16 à 17 achter een mitrailleur. Omdat ik zelf bij de mitrailleurs was geweest in militaire dienst zag ik wel dat het nog een goede was. We besloten die op te halen. Op een avond zijn mijn broer en ik ernaar toegegaan, maar helaas die goede mitrailleur was weg. Ik heb toen net zolang gezocht tot ik er een vond die nog een beetje redelijk was en waar nog een deksel op zat.
Overal op het land lagen hele ritsen patronen voor die mitrailleurs. We hebben ze aan gordels om ons lijf gewonden om zoveel mogelijk mee te krijgen naar huis. Toen we daar kwamen, hoorden we dat de kust niet al te veilig was en werd de buit zo snel mogelijk in het hol onder het hooi gestopt.
Het van de mitrailleur ontbrekende deel hebben wij een tijdje later bij Pinxterhuis bij laten maken. Die vroeg of het een onderdeel voor een dorsmachine was, waarop bevestigend werd geantwoord. "Ja, dat dacht ik al," zei Pinxterhuis.

De mitrailleur is later opgehaald door de groep van Jos Bonvanie en door hen op een auto gemonteerd. Zij wilden een overval plegen op een Duitse post. Ik zou de mitrailleur moeten bedienen, maar gelukkig is dat niet doorgegaan. Later werd de mitrailleur bij "Het Wiede Gat" in de grond gestopt, maar vrouwen hadden dat gezien en Duitsers hebben hem daarna gevonden.

* * *


DE BEMANNING VAN DE BOMMENWERPER _________________________________________________________

Op 15 maart 1944 werd om ongeveer 12.20 uur de viermotorige Dragoon B-24 bommenwerper aangevallen door een viertal Duitse jagers. Het toestel begon te branden en om 12.24 werden een zevental parachutes waargenomen evenals een tweetal dat zich niet opende. Om 12.25 explodeerde het toestel.

De bemanningsleden van de B-24 waren:
1e luitenant David E. Talbott, kapitein bij de 8ste Airforce, 44ste bombardementsgroep, gezagvoerder.
2e luitenant Lemaine E. Clausen, co-piloot.
Sergeant Ernaxt W. Arhon, boordwerktuigkundige.
Sergeant Raymond E. Swick, marconist.
2e luitenant Arthur Goldman, navigator.†
2e luitenant Clifford T. Moriarty, bombardeur.†
Sergeant Jack L. Williamson, borstvensterschutter.
Sergeant Herman C. Carver, borstvensterschutter.
Sergeant Sammy W. Haddock, buikschutter.
Sergeant Cecil R. Symson, staartschutter.

De beide omgekomen vliegers werden op 17 maart op het nieuwe gedeelte van de Algemene Begraafplaats begraven. Zij kregen een rustplaats op het in de noordoost hoek gelegen gedeelte algemene graven. Op hun graven werd een houten kruis geplaatst voorzien van hun naam en herkenningsteken. Op 20 februari 1946 werden hun stoffelijke overschotten overgebracht naar de Militaire begraafplaats te Margraten.

Het officieel opgestelde rapport van de crash luidt:
At appromately 1220 at 52°35' N. 06°40' E, A/C No. 332 was hit by the first attack from four FW 190's who came in from 10:00 o'clock out of the sun and from out of contrails and in a steep dive, firing on A/C No. 332 which was in the low left element. Number 3 engine burst into flames which soon spread over the aircraft. Seven (7) chutes were seen to open at 12:24 and two more were seen going through the clouds whitout chutes open, presumably making a delayed jump. The aircraft was then seen to go info a thigt spin and exploded at approximately 12:25.


Deze tekening werd in 1946 gemaakt van het grafteken dat op het graf van de omgekomen vlieger Arthur Goldman stond op de begraafplaats te Nieuwleusen. Of de datum 14 maart 1944 ook op het kruis stond of dat dit een vergissing is, is niet meer te achterhalen.

De bijgeschreven tekst luidt:
"Hier rust de trouwe vlieger en bevrijder ARTHUR GOLDMAN ver van zijn ouders, ver van zijn land weggerukt uit hun midden. Lang heeft deze vlieger evenals anderen om de vrijheid gevlogen. Hij gaf zijn leven voor de VRIJHEID."

* * *


BRIEVEN BART VAN DER GRAAF _________________________________________________________

Bart van der Graaf, geboren op 27 februari 1922, was knecht bij bakker Wind in Ommen. Hij moest onder andere brood naar kamp Erika brengen. Daarom beschikte hij over een door dit kamp uitgegeven Ausweis.
Toen Bart van der Graaf moest onderduiken vond hij een schuilplaats bij een bakker in Apeldoorn. In 1944 bracht hij ter gelegenheid van een verjaardag een bezoek aan zijn ouders aan de Ommerdijk in Nieuwleusen. Op de terugreis naar Apeldoorn is hij bij een controle in Epe uit de bus gehaald en gevangen genomen.
Hij werd overgebracht naar de strafgevangenis in Arnhem, waar strenge regels waren ingesteld.



Vanuit Arnhem, waar hij niet zo lang is geweest, werd hij overgebracht naar kamp Amersfoort. Daar verbleef hij ongeveer vijf maanden en omstreeks augustus 1944 werd hij op transport gesteld naar Duitsland.
Bart van der Graaf schreef enkele brieven naar zijn ouders. Deze correspondentie is bewaard gebleven, evenals enkele brieven die zijn kameraden na de oorlog aan zijn ouders schreven. In zijn brieven liet Van der Graaf zich hoegenaamd niet uit over de toestanden in de kampen, dit om zijn ouders niet te verontrusten. Nu weten we hoe verschrikkelijk het daar geweest moet zijn.

De familie verleende ons toestemming de brieven op te nemen. De eerste brief draagt het poststempel 29 juni 1944:
_______

Amersfoort.

       Beste Vader en Moeder,
       Broers en Zusters.

B.v.d. Graaf.
Block 107 nr. 10729.

Hierbij laat ik jullie weten dat ik nog goed gezond ben en hoop van jullie hetzelfde. Het is alweer een hele tijd geleden dat ik voor het laatst thuis ben geweest. Ik heb de brief die jullie geschreven hebben in Arnhem ontvangen maar het geld nog niet. En hoe is het thuis, heeft vader nog altijd werk. En hoe is het in Apeldoorn, zijn ze daar nog allemaal gezond? Nou ik heb hier niks te klagen in het kamp hoor. En jullie mogen ook geld sturen, maar niet meer als twintig gulden per maand. En dan mag jullie ook weer terug schrijven. Dus ik verwacht zo spoedig mogelijk een brief. Het weer is nog niet zo mooi naar de tijd van het jaar. En gaat Johan nog altijd naar de ambachtsschool? Nou verder heb ik ook al niet veel nieuws, dus maar weer tot de volgende brief. Allemaal de groeten van Bart.

_______

Beste Ouders en Br. en Zuster.

Hierbij wil ik jullie nog een briefje schrijven, dat ik nog steeds dezelfde ben en hoop van jullie hetzelfde. Ik heb gehoord van wachtmeester Van Soest dat Mienie er geweest is met nog één meer, dat was Klaasje zeker. Nou ik kom niet weer op Soesterberg, dat is voorgoed afgelopen want er is bij ons een gevangene weggelopen en nu mogen wij niet meer uitrukken. Maar ik zit op het ogenblik bij de Luftwaffe, nou dat is lang niet best hoor, wij krijgen haast geen eten. Ik zit bij het munitiedepot. Wij met ons vijven en wij doen niets anders dan bommen laden in de vliegmachines, nou dat is een gevaarlijk werk. Verleden week is er bij ons een ernstig ongeluk gebeurd. Er is een bom ontploft en dat is iets vreeselijks.
Ik ben niet gewond maar wel geschrokken, ik kan er nu nog haast niet van schrijven. Er waren vijf doden en wel mijn beste kameraden. Ja jullie mogen mij niet bezoeken want daar mag geen mens komen waar wij werken, dus spaar de moeite. Ik vond het heel mooi dat jullie mij opgezocht hebben. En dat Mienie en Klaasje voor niets gekomen zijn dat is erg jammer. En ik heb mijn schoenen ook gekregen en mijn scheergerei, dus daar ben ik ook weer mee onder de kap. En nu nog iets anders, als jij nog een roggebrood of wat anders hebt, moeder, nou dan is dat hartelijk welkom want ik krijg hier niet veel en het is hard werken. Dus als je nog wat bij elkaar kunt trommelen dan heel graag. Misschien heeft Wind ook nog wel wat voor mij, want met die man werk ik hier op het werk, dus dan komt het wel bij mij terecht. En doe ook de groeten in Apeldoorn en bedank ze voor die shag enz. Nu ik moet eindigen want er is onraad.



Nu allemaal de hartelijke groeten van

Bart en
hou moed ons land
zal nooit een duitse provincie worden.

Doe ook de groeten aan de verdere
familie en kennissen en ook aan Wind.
Stuur het pakje naar
J. Smeuding
Schimmelpenningstraat 43
Amersfoort.

_______

Onderstaande brief is omstreeks augustus 1944 geschreven en door iemand uit de trein gegooid. Langs de spoorlijn werd deze laatste brief van Bart van der Graaf gevonden.

Aan den Heer Joh. v.d. Graaf
Ommerdijk 69
Nieuwleusen (Overijssel)

Beste ouders.

Hierbij wil ik nog een paar woordjes schrijven, ik ben goed gezond en hoop van jullie hetzelfde. Wij zijn op het ogenblik onderweg naar Berlijn en waar wij verder naar toe gaan dat weet ik nog niet maar dat schrijf ik later wel als ik op de plaats van bestemming ben. Wij mogen geen koffers ontvangen, dus wij weten nog niet waar wij heen gaan. Maar ik moet weer eindigen want die mijnheer moet de brief meenemen. Nu de groeten van Bart en hoop tot spoedig weerziens


daaaag.

_______

Na de oorlog verzocht de familie aan enkele personen die met hem gevangen zaten om informatie over de omstandigheden waaronder Bart was overleden. Uit de ontvangen brieven wordt de ware toedracht duidelijk.

Weledele Heer.

Amsterdam 17 Juli '45.

Daar mevrouw v/d Berg gisteravond bij mij thuis geweest is, en ik helaas niet thuis was, zal ik U persoonlijk maar even een briefje schrijven.
Verleden jaar September heb ik Uw zoon leren kennen in Spremberg, waar wij in een bekledingslager moesten werken. Uw zoon heeft mij toen zijn belevenissen verteld. Zo hij vertelde werd hij gegrepen toen hij van huis naar Apeldoorn terugkeerde, waar hij bij een bakker was ondergedoken. Na in Arnhem in de strafgevangenis te hebben gezeten werd hij overgeplaatst naar Amersfoort. Of U van zijn verblijf in het concentratiekamp op de hoogte bent, weet ik niet, mocht u echter daar iets van willen weten dan schrijft u maar, dan zoek ik de kampgenoten van hem wel op. Van Amersfoort werd Bertus naar Berlijn gestuurd. Daar ik goed met hem bevriend was, weet ik dat hij wel naar huis heeft geschreven, doch nooit een antwoord terug heeft ontvangen. Bertus was toen geen gevangene meer en mocht gaan en staan waar hij wou. In Januari werden wij plotseling teruggeroepen naar Berlijn, vanwaar wij naar Dachau bij München werden getransporteerd. Wij werden van Dachau uit in troepen naar andere plaatsen gestuurd. Bertus kwam toen in München terecht, waar hij puin moest ruimen in een kazerne. Op een stormachtige dag is toen een schoorsteen omgevallen, met het U bekende treurige gevolg. Volgens de jongens die daar bij hem werkten, heeft Bertus niet geleden, daar hij op slag dood was. Ook was hij niet verminkt, zodat het wel leek of hij van schrik was overleden.
Mocht U nog verdere inlichtingen willen hebben, dan schrijft U maar even terug, daar ik, indien mogelijk, U gaarne alle gewenste inlichtingen zal geven.
Hoogachtend,
J. ten Hoorn Boer.
J. ten Hoorn Boer
Warmondstraat 44h.
Amsterdam (W).


_______

Amsterdam 22 Aug. 1945.

Weled. Heer.

Daar ik enige tijd niet thuis ben geweest, heb ik uw brief niet kunnen beantwoorden. Ik zal dat nu nog even doen.
U vraagt of wij na Sept. nog post ontvingen. Jazeker, alhoewel niet veel. Er zijn zelfs nog brieven aangekomen, die in Jan. '45 geschreven waren. Ik echter heb mijn laatste brief van October ontvangen. Over zijn familie had Bertus het vaak, vooral als we samen luchtbeschermingsdienst hadden en we brieven hadden zitten schrijven. Hij had ook nog enige foto's bij zich. U vraagt verder of ik ook weet waar Bertus begraven is. Op die vraag zal niemand U antwoord kunnen geven. Bertus zou op een Woensdag begraven worden en enige vrienden mochten mee gaan. Hij zou vanuit de kazerne begraven worden, dus wij daar heen. Daar lag hij echter niet en men stuurde ons naar het ziekenhuis. Daar was hij wel geweest, doch reeds naar het kerkhof gebracht. Toen wij daar kwamen en naar hem vroegen, wisten ze echter van niets, doch ze dachten dat zijn rustplaats in een massagraf zou zijn, daar er dagelijks enige honderden werden begraven. Ik heb nog gevraagd hoe die werden begraven en ze vertelden mij toen, dat het met veel plechtigheid ging en met veel bloemen. Over de eigendommen van Bertus hoop ik u nog eens iets te kunnen schrijven. Ik weet wie ze heeft, doch ik kan niet op de naam van die man komen. Die man was een fascist, dus ik denk wel dat hij hier of daar in een kamp zal zitten, zodat hij niet weg kan lopen. Mocht ik die naam te weten komen, dan schrijf ik wel weer even. Mocht u nog iets willen weten, schrijft u dan maar gerust. Zover ik kan zal ik u dan antwoorden. Verders vele hartelijke groeten,

J. ten Hoorn Boer
Warmondstraat 44h.
Amsterdam (W).

_______

Spanbeek, 10 Sept. 1946.

Geachte familie.

Naar aanleiding van uw schrijven over uw zoon Bertus wil ik u gaarne enige inlichtingen verstrekken. Ik ben in April 1944 in het kamp Amersfoort terecht gekomen. Daar heb ik Bertus leren kennen. Daar hebben we samen gewerkt in het buitencommando en zo hebben we daar 5 lange maanden doorgebracht totdat we naar Duitsland gebracht werden, waar ze ons te werk stelden, eerst naar Berlijn.
Daar hebben we gewerkt in een bekledingslager. Het was er wel hard werken, maar ja, we waren 's avonds vrij, we konden de stad in en 's avonds om 10 uur moesten we weer in het Lager zijn. Het eten wat we kregen was wel goed maar veel te weinig, maar ja, we deden het er mee. Daar zijn we geweest tot omstreeks Januari 1945. Toen zijn we naar München gebracht en daar hebben we gewerkt aan de afbraak van huizen en daar is Bertus gebleven. Ja beste mensen, het valt mij zwaar u te schrijven hoe hij is overleden, maar omdat u gaarne inlichtingen over hem had, zal ik dit ook proberen te schrijven.
We gingen op een morgen met een groep jongens weg om een school af te breken die gebombardeerd was. We waren naast elkaar aan het werk op ongeveer 5 meter afstand en er was die dag nogal een beetje wind en er stond nog een schoorsteen op dat huis en die stond helemaal vrij en die schoorsteen is omgewaaid en Bertus is er onder geraakt. Ik was het eerst bij hem, maar helaas hij was al dood. We hebben hem naar binnen gedragen en de dokter kwam, maar er was niets meer te doen.
Ja beste mensen u neemt het me toch niet kwalijk dat ik dit niet eerder geschreven heb, maar heus ik had er de moed niet toe u dit te schrijven, totdat er een vrouw uit Apeldoorn bij ons kwam. Die heb ik gevraagd of ze die mensen kende. Ze zei toen "Nee, maar ik kan wel navragen waar ze wonen". Toen heb ik die foto meegegeven en haar gezegd dat hij in Duitsland is overleden. Ik heb daar toen alles van Bertus moeten inleveren, alles wat hij bezat en toen hebben ze gezegd "Dit alles sturen we naar zijn huis", maar ik vertrouwde het niet en heb me deze foto van Bertus eigen gemaakt en zijn vulpenhouder, die heb ik nog altijd in mijn bezit. Ik wil u deze gaarne teruggeven, maar ik wist nog steeds geen goed adres. Als u zo goed wilt zijn schrijft u me dan nog een brief. Hierbij sluit ik die foto maar weer in de brief. Als u nog een foto van Bertus hebt, stuurt u mij s.v.p. een.

gegroet
P. Franssen
Hoeve A 19 Spanbeek. (L).

Na de oorlog werd het Ausweis van Bart van der Graaf aangetroffen in het Sophia-ziekenhuis in Zwolle. Hoe het daar terecht is gekomen, is niet duidelijk. De familie kreeg het teruggestuurd met het volgende aangehecht briefje.

Mijnheer v.d. Graaf,

Ingesloten een ausweis, gevonden in onze
administratie, als een "zoete herinnering" aan
de voorbije oorlogsjaren.
De Lagerführer Diepgrond zal thans wel met
z'n handen in het haar zitten.

Gem. Sophia-Ziekenhuis
Zwolle


* * *


HERINNERINGEN AAN DE OORLOG 1940-1945 _________________________________________________________

Kabé

10 mei 1940, 's morgens tegen 4 uur hoorde ik vliegtuigen overkomen. Ik ben vlug uit mijn bed gestapt, naar buiten gerend en zag eskaders Duitse oorlogsvliegtuigen vanuit het oosten westwaarts overvliegen. Al spoedig kwamen er meer mensen naar buiten. Sommigen meenden dat ze naar Engeland vlogen om daar de boel plat te gooien.
Thuis werd vlug de radio aangezet en uit de berichten bleek dat de vliegtuigen wel degelijk tegen Nederland werden ingezet. Zo overviel Duitsland ons verraderlijk, ondanks regelmatige verzekeringen dat onze neutraliteit geëerbiedigd zou worden.
Onze gedachten gingen allereerst uit naar mijn broer die als soldaat gelegerd was in de Grebbelinie. Hoe zou dat aflopen? We hadden er nog geen idee van dat de oorlog vijf lange jaren zou duren.
Behalve dat Brug 6 werd opgeblazen en 23 Duitse militairen te paard richting Lichtmis trokken (de volgende dag deed het gerucht de ronde dat ze allemaal waren doodgeschoten vanuit de Hasselter toren, hetgeen sommigen ook nog geloofden), merkten we de eerste dagen niet veel van de oorlog. Alleen de radio gaf weinig opwekkende berichten door.
Ook op de Pinksterdagen 12 en 13 mei was het stralend weer, maar de oorlog verliep steeds ongunstiger. Toen het bericht kwam dat koningin Wilhelmina naar Londen was vertrokken, waren we verbijsterd en begrepen dat onze jongens voor een verloren zaak vochten.
Toch ondervonden de Duitsers meer tegenstand dan waarop ze hadden gerekend en omdat de capitulatie van Nederland niet snel genoeg ging, bombardeerden ze Rotterdam.
De regering begreep dat verder bloedvergieten zinloos was en het Nederlandse leger onder generaal Winkelman capituleerde. Daarna was het een angstig afwachten hoe onze jongens het er hadden afgebracht. Na enkele weken kwamen ze terug uit krijgsgevangenschap en het leven nam weer zijn normale loop.

De pakhuizen in het westen zaten boordevol waardevolle importgoederen. Grote hoeveelheden van deze goederen werden door de Duitsers gevorderd en naar de "Heimat" gesleept. Zo werd bijvoorbeeld twee derde van de aanwezige tabak naar Duitsland uitgevoerd. Geleidelijk kwamen steeds meer goederen op de bon. Vooral fietsbanden werden schaars. Banden waren zeer belangrijk voor de mensen, want praktisch iedereen was afhankelijk van de fiets.
Ook benzine werd schaars en je zag steeds minder auto's. De paardentractie kwam daarvoor in de plaats. Op gezette tijden werden door de Wehrmacht paarden gevorderd. De boeren kregen er wel een goede prijs voor, maar dat geld kwam wel uit de Nederlandse schatkist.
Steeds meer auto's werden uitgerust met zogenaamde gasgeneratoren, achterop de auto gebouwd of op een karretje gekoppeld aan de auto. De generatoren werden gestookt met hout, turf of antraciet. De druk van de Duitsers, bijgestaan door Duitsgezinde personen zoals N.S.B.-ers, werd steeds groter. De militaire successen van het Duitse leger waren zeer groot en sommige mensen dachten dat Duitsland de oorlog zou winnen, maar het overgrote deel van de bevolking was ervan overtuigd dat Duitsland het op de duur zou verliezen.
Op 22 juni 1941 viel de Duitse Wehrmacht de Sovjet Unie binnen. Ook hier grote successen. Tot aan Stalingrad. Daar werden de Duitse troepen definitief tot stilstand gebracht en tot de terugtocht gedwongen. We dachten dat de oorlog nu wel niet zo lang meer zou duren, maar wisten niet dat het Duitse oorlogspotentieel zo groot was en de tegenstand zo taai zou zijn.
In december 1941 viel Japan bij Pearl Harbour de Amerikaanse vloot aan. Ook Nederlands Oost-Indië werd door de Japanners bezet en enkele jongens uit Nieuwleusen raakten in krijgsgevangenschap en moesten werken aan de Birmaspoorlijn. Met hen in contact komen was vrijwel onmogelijk. Alleen lukte het soms via het Internationale Rode Kruis, en de familie en verloofden verkeerden gedurende de hele oorlog in grote onzekerheid.
Geleidelijk werd de weerstand tegen de bezetter groter en kwam de ondergrondse tot stand. De bezetter kreeg gebrek aan arbeidskrachten en riep jongens van 16 jaar en oudere werknemers op. Velen voelden er niets voor om als dwangarbeider naar Duitsland te gaan en doken onder. De ondergrondse was hierbij ook zeer actief en onderduikers uit Nieuwleusen en van elders werden hier ondergebracht.
Het grote aantal onderduikers bracht een nieuw probleem met zich mee; ze ontvingen geen distributiekaarten maar moesten wel eten. Overal in het land werden distributiekantoren overvallen. Ook op het distributiekantoor van Nieuwleusen werd een overval gepleegd, die helaas mislukte.
Geleidelijk aan kwam de geallieerde oorlogsmachine op gang en begonnen Engelse bommenwerpers 's nachts Duitse steden te bombarderen. Eerst zeer bescheiden, maar na verloop van tijd in grote aantallen. Later kwam ook de Amerikaanse luchtmacht in actie en begon overdag Duitse steden te bombarderen. Op de terugweg werden de vliegtuigen bestookt door Duitse Messerschmidt- en Focke-Wulf jagers. Veel bommenwerpers, zowel Engelse 's nachts als Amerikaanse overdag, werden neergeschoten. Soms vonden luchtgevechten plaats tussen Duitse en geallieerde jagers. Aanvankelijk waren ze tegen elkaar opgewassen, maar na verloop van tijd werden de Engelse Spitfires en Amerikaanse Thunderbolts sneller en beter bewapend en kregen de overhand in de lucht en werden tenslotte heer en meester boven West-Europa. Bij een luchtgevecht boven Nieuwleusen werd een Amerikaans vliegtuig getroffen door een Duitse jager en stortte neer vlak bij de boerderij van de familie Klunder-de Weerd. Gelukkig vloog het toestel niet in brand en bleef de schade beperkt.
De bezettende macht kwam steeds meer in het nauw en nam steeds strengere maatregelen. De druk op de bevolking werd steeds groter en de jacht op onderduikers intensiever, daarbij vlijtig geholpen door de Landwacht.
In mei 1943 kwam het bevel dat alle voormalige militairen terug moesten in Duitse krijgsgevangenschap. Grote onrust was hiervan het gevolg. Begrijpelijk. Uitgezonderd werden diegenen die in het bezit waren van een zogenaamde Ausweis.



Deze "Ausweise" werden uitgereikt aan personen die onmisbaar waren voor de voedselvoorziening en nog enkele categorieën. De uitgifte ervan werd verzorgd door de plaatselijke bureauhouder van de voedselcommissaris. In Nieuwleusen was dat F.A. Schiphorst, die zijn kantoor had aan de Ommerdijk. Drukke tijden braken aan voor hem en zijn assistenten want plotseling was iedereen betrokken bij de voedselvoorziening. Die beperking werd zeer ruim genomen en ik geloof niet dat iemand teleurgesteld werd. De bezetter had wel bepaald dat een functionaris van de "Landstand" met zijn handtekening zijn fiat moest geven. Die heeft daar, voor zover ik weet, nooit moeilijk over gedaan.
De "Landstand" was een door de bezetter in het leven geroepen organisatie waar iedere boer automatisch lid van was. Naar zijn mening werd niet gevraagd. Ongevraagd werd ook elk "lid" een weekblad toegestuurd.
De kranten werden steeds kleiner en het papier voor andere doeleinden schaarser, maar het blad van de Landstand werd ruim van papier voorzien. Het was allemaal propaganda. In het begin stuurden veel boeren de krant terug, vaak met het verzoek van toezending verschoond te blijven. Tevergeefs, en op den duur stopten ze met het terugzenden. Het was ook nog wel gemakkelijk een beetje papier in huis.
Onze buurman, Jan de Lange, heeft consequent tot het laatst toe de krant teruggezonden. Zodra de krant bezorgd was, klom hij op zijn fiets en bracht het blad terug naar het postkantoor.
Voor de Landstand moest betaald worden en iedere "abonnee" kreeg een aanslag toegestuurd. Velen weigerden te betalen. Diverse aanmaningen werden verstuurd en toen dat onvoldoende hielp, werd gedreigd met de deurwaarder. Maar de toestand werd steeds penibeler en van de dreigementen kwam niets terecht.





Het was niet zo dat de mensen in zak en as verkeerden, zelfs niet in het begin toen Duitsland nog onoverwinnelijk scheen. Er waren wel mensen die het niet meer zagen zitten, maar verreweg de meesten waren er van overtuigd dat Duitsland zou worden verslagen, vooral toen Amerika bij de oorlog werd betrokken. Er werd ook gelachen en ontelbaar was het aantal moppen dat de ronde deed. Vooral Hitler moest het ontgelden.
Eén mop vond ik goed gevonden: "Weet je hoe Hitler in Friesland genoemd wordt?" "Jelle Gapstra." "En in Rusland?" "Slarotdiemof." "En in China?" "Hang Kreng Hang." "En in Spanje?" "Donderop." "En in Portugal?" 'Lopez de zee in. " En zo waren er nog wel enkele namen.

Toen de geallieerde luchtmacht de heerschappij in de lucht had veroverd, werden veel strategisch belangrijke doelen onder handen genomen. Vooral het spoorwegverkeer moest het ontgelden. De locomotieven werden kapot geschoten en opeens was machinist en stoker een levensgevaarlijk beroep geworden. De stations werden gewaarschuwd als Amerikaanse jagers boven ons land werden gesignaleerd. Ze staken dan een geel-blauwe vlag uit als waarschuwing voor de reizigers, die dan zoveel mogelijk achter in de trein gingen zitten.
Op een keer moest ik met de trein van Heino naar Zwolle. Hoewel de waarschuwingsvlag uithing, dacht ik: "Ik ga maar in het voorste rijtuig zitten. Op zo'n klein eindje zal er wel niets gebeuren." Ik wilde net in de trein stappen toen er een oorverdovend geknetter weerklonk: een vliegtuig nam de locomotief onder handen. Ik zocht zo snel mogelijk dekking" maar je voelt je niet lekker als aan weerskanten de kogels in de grond inslaan. Gelukkig liep bijna alles goed af. Een paard, dat voor het station stond, werd getroffen en moest worden afgemaakt. Ik nam me voor niet meer per trein te reizen, maar daar is niet veel van gekomen.
Ook het verkeer over de weg werd beschoten. Er werden putten naast de weg gegraven waarin zonodig geschuild kon worden. Kon je in geval van beschieting achter een dikke boom schuilen, dan zat je goed. Wel moest je er voor zorgen aan de schaduwkant van de boom te gaan staan wamt de vliegtuigen vielen altijd aan met de zon in de rug.

In mei 1943 brandde de molen in Den Hulst af ten gevolge van vonken uit een gasgenerator. Er woei een strakke noordoostenwind en alles was kurkdroog en de brandspuit kon weinig tegen de vlammenzee beginnen. De brandweer van Staphorst werd nog te hulp geroepen, maar het was al te laat. Wel bluste deze brandspuit de brand van het huis van Arend Mannen aan de overzijde van de Dedemsvaart. Het huis was door overvliegende vonken en stukken gloeiend zink van de molen in brand geraakt. Alleen een gedeelte van het dak ging in vlammen op en zo had de Staphorster brandweer toch nuttig werk gedaan.

Het oorlogsgeweld kwam steeds nader. Reikhalzend keken we uit naar de invasie vanuit het westen. De Engelse zenders stelden die steeds maar weer in het vooruitzicht. Het duurde allemaal zo lang meenden wij, niet wetend welk een gigantische voorbereiding zo'n invasie vergde. Het moest allemaal tot in de perfectie georganiseerd worden, want als de invasie mislukken zou, dan was de ellende niet te overzien.
Op 6 juni 1944 was het dan eindelijk zover. De geallieerde troepen kwamen in Frankrijk aan wal. De invasie werd door de bevolking met groot enthousiasme ontvangen, behalve door degenen die met de Duitsers samenspanden. Maar Hitler beloofde door middel van een geheim wapen de krijgskansen te doen keren. Vooral de V2 was een geducht wapen, dat in en rond de havens van Antwerpen en Londen grote schade aanrichtte. Ze werden vanaf een betrekkelijk kleine lanceerinrichting afgevuurd.
Zo'n lanceerinrichting was er in de bossen van Hessum, in de buurt van speeltuin Madrid ten zuiden van de Vecht tussen Dalfsen en Vilsteren. Ook werden V2's afgevuurd vanaf het landgoed Mataram bij Dalfsen. Ongeveer 10% van de lanceringen mislukte en dan kwam zo'n V2 met donderend geweld weer naar beneden.
Nadat er zo'n honderd raketten waren afgevuurd werd de lanceerplaats ontmanteld en ergens anders weer geformeerd. Zo heb ik de verlaten lanceerplaats in Hessum eens bezocht. Het stelde niet veel voor. Een plek van misschien 25 meter in het vierkant. Het stonk er enorm naar spiritus. Ik neem aan dat de raketten aangedreven werden door alcohol. In de grond zaten wat schuilplaatsen, vanwege de kans op ongelukken. De eigenlijke lanceerinrichting was vanzelfsprekend al verdwenen.
Op 17 september 1944 landde een grote troepenmacht bij Arnhem met het doel de brug over de Rijn onbeschadigd in handen te krijg en. De Duitsers en degenen die met hen samen werkten, raakten in paniek en velen vluchtten naar het noorden om het vege lijf te redden. Maar de Duitse Wehrmacht herstelde zich en de hele operatie, genaamd Market Garden, mislukte. De verliezen aan mensen en materiaal waren enorm.
De teleurstelling onder de bevolking was zeer groot. Wat nu?
Door de regering in Londen was opgeroepen tot een spoorwegstaking. Deze werd algemeen opgevolgd en de treinenloop lag stil. Door Duits personeel op de treinen te zetten bleef het militaire verkeer gedeeltelijk mogelijk. Maar burgerlijk verkeer en vervoer van goederen was taboe. Dit had verschrikkelijke gevolgen voor de burgerbevolking in het westen, want die bleef van aanvoer en distributie van goederen uit het noorden en oosten van het land verstoken. De rantsoenen werden steeds kleiner en al spoedig was er in het westen niets meer op de bonnen te verkrijgen. Alleen wie over heel veel geld of ruilmiddelen beschikte, kon via de zwarte handel nog aan eten komen. Een grote hongersnood was het gevolg.
Vanuit het westen trokken duizenden de IJssel over om bij de boeren eten op te scharrelen. Alles wat wielen had werd hiervoor gebruikt: bakfietsen, handkarren, kinderwagens, fietsen enz. Gewone luchtbanden waren zeer schaars en door haast niemand te betalen. Maar de mens is vindingrijk en uit oude autobanden werden smalle repen gesneden en om de velgen gelegd. De uiteinden werden door middel van ijzerdraad aan elkaar verbonden. Het trapte wel zwaar, maar men was gered.
De "trekkers", zoals de etenhalers werden genoemd, troffen ook nog een strenge winter. Het vroor behoorlijk en er lag veel sneeuw. Ongelooflijk wat door die mensen werd gepresteerd. Per dag werden grote afstanden afgelegd.
Een probleem was ook het slapen. Iedere avond kwamen mensen om onderdak vragen. Hieraan werd wel voldaan, maar de meesten moesten op de deel in het hooi slapen, zo goed mogelijk toegedekt. Ze waren overal tevreden mee.
Het werd steeds moeilijker om aan de vraag naar eten te voldoen. De voorraden tarwe en rogge raakten op, maar gelukkig hadden we nog voldoende aardappelen. Een bord aardappelen, wat groente en een stukje spek was voor de trekkers een feestmaaltijd, maar ze moesten alsmaar verder naar het oosten en het noorden om nog wat eten te bemachtigen.
Vaak werden de fietsen te zwaar beladen, waardoor het achterwiel het begaf. Dat was een ramp. De fietsenmakers deden, meestal belangeloos, hun uiterste best om de fietsen weer gangbaar te maken.
De beschietingen vanuit de lucht werden steeds intensiever. Op alles wat bewoog werd geschoten. Niets en niemand werd ontzien. Het heeft ook trekkers het leven gekost.
De Duitsers dreigden de IJsselbrug bij Zwolle voor burgerverkeer af te sluiten, wat op 1 maart 1945 toch gebeurde, en controleurs namen uit wraak vergaarde levensmiddelen in beslag. Toen was het praktisch afgelopen met het eten halen en in het westen werd de hongersnood steeds nijpender.
Na de oorlog maakten sommige mensen de boeren in Oost- en Noord-Nederland uit voor uitbuiters en zwarthandelaren. Altijd en overal zijn mensen die misbruik maken van de nood van de medemens, maar ik kan rustig zeggen dat dit uitzonderingen waren. Ook het overgrote deel van de inwoners van Nieuwleusen heeft haar burgerplicht naar vermogen vervuld.

In het najaar van 1944 kwam het bevel om bij Hasselt langs de oostelijke oever van het Zwartewater versterkingen aan te leggen. De uitvoering hiervan was in handen van de organisatie Todt. Iedere morgen trokken koppels arbeiders, zelfs vanuit Dedemsvaart, per fiets naar Hasselt. Men kon ze al op grote afstand horen aankomen, want de meesten reden op "antiplofbanden". 's Avonds was de optocht in omgekeerde richting. Naast een behoorlijke betaling kregen de "dwangarbeiders" een warme maaltijd, een welkome aanvulling op de zeer karige rantsoenen.
De loopgraven en versterkingen zijn nooit gebruikt, want de bevrijders kwamen niet uit het westen, zoals de Duitsers verwachtten, maar vanuit het oosten.
In de late avond van 7 april werden in deze omgeving groepen parachutisten afgeworpen om strategische punten te bezetten en de opmars van de bevrijdingstroepen te bespoedigen. Een aantal kwam onbedoeld aan de zuidzijde van de Dedemsvaart terecht. De afgedwaalde parachutisten verzamelden zich bij de boerderij van Gerrit Schoemaker aan het Zandspeur. Deze kon hen de gevraagde informatie niet verschaffen. De taal was een barrière. Daarom bracht de zoon Derk Jan een paar naar ons toe, denkend dat ik wel met ze kon praten. Het bleken Franse parachutisten te zijn die helaas alleen Frans spraken en mijn kennis van het Frans was maar zeer beperkt. Later kwamen de anderen van de groep ook naar ons toe en daarvan sprak een wat Engels. Toen verliep de conversatie wat beter.
Intussen waren Hendrik Heite en Jan de Lange gewaarschuwd, want de afspraak was, dat wanneer er iets bijzonders aan de hand was, we elkaar zouden waarschuwen.
De opdracht voor de parachutisten was optrekken naar IJhorst om de weg Balkbrug-Meppel vrij te maken. De stafkaarten die ze bij zich hadden stamden van ver voor de oorlog. De (Staphorster) Staatsbossen stonden nog niet op de kaart. Dat gebied was nog aangegeven als woeste grond en heidevelden en de Reest was aangegeven als een vrij brede rivier. De jongens waren moe. Daarom werden snel eieren gekookt, die er met smaak ingingen. Wij kregen een flesje whisky en een paar stukken chocolade.

We overlegden wat te doen en stelden voor de jongens naar de verzetsgroep in de Staatsbossen te brengen. Daar konden de para's wel mee instemmen. De moeilijkheid was om over de Dedemsvaart te komen, want de Ommerdijkerbrug en de brug bij Sluis 3 waren door de Duitsers opgeblazen. Gelukkig lag in de nabijheid het schip van De Vries aan de wal. Het gezin had het schip verlaten omdat ook schepen regelmatig vanuit de lucht werden beschoten. Hiermee werd de overtocht gemaakt en toen ging de groep, bestaande uit ongeveer 12 personen met als gidsen Willem Borgers, Hendrik Heite en Jan de Lange, via de Spijkersweg en de Kanlaan naar de schuur in het Staatsbos. Tot hun grote vreugde troffen de para's hier een viertal kameraden aan die nog vermist waren. Groot was de vreugde van het weerzien.
's Morgens vroeg lagen op de weilanden parachutes en munitie verspreid en de mensen gisten wat er die afgelopen nacht gebeurd was. Ze hadden wel wat gehoord, maar het rechte wisten ze er niet van. Wij hielden ons wijselijk stil, want het gevaar bestond, dat als bekend werd wat er gebeurd was, collaborateurs dit zouden verraden aan de Duitsers en die waren heel radicaal. Wij zouden de kogel krijgen, want de Duitsers waren nog steeds de baas. In Drenthe waren al enkele mensen doodgeschoten die parachutisten hadden geholpen.
In de staatsbossen vond ook een groep van de ondergrondse, waarvan twee broers die Loichot heetten, elkaar weer. Die vier waren door veearts Loman en zijn assistent naar de Staatsbossen gebracht. 's Zondags is een van de broers Loichot, tezamen met de verzetsstrijder Kees de Roos, doodgeschoten toen ze op een motor op weg waren naar een afwerpterrein om achtergelaten spullen op te halen.
Een week van onzekerheid brak aan. Via Balkbrug trokken de Canadezen in noordwestelijke richting tot Meppel en niet verder naar het westen. Zo nu en dan kwamen een paar bren-carriers hier om de boel te verkennen, maar daarna gingen ze ook weer terug. En dan zag je weer een paar Duitsers. Nee, erg safe voelden wij ons niet, want als de Duitsers je pakten, kwam je voor het vuurpeloton.
In de Kerkenhoek stuitte een Canadese patrouille, die vanuit Balkbrug naar het zuidwesten trok, op een aantal achtergebleven Duitsers, waardoor een vuurgevecht ontstond. Een bruidspaar, dat zich per rijtuig naar het gemeentehuis begaf, kwam tussen de strijdende partijen terecht en moest in allerijl dekking zoeken achter de bomen. Gelukkig liep alles goed af. Ook in Ruitenveen vond een vuurgevecht plaats en daarbij werden 6 boerderijen een prooi der vlammen.
Op 13 april was Nieuwleusen helemaal vrij van Duitsers en de bevrijding werd uitbundig gevierd.


* * *


EEN UTRECHTSE EVACUÉE IN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Tiny Weyers

Het hierna volgende verhaal is geschreven door mevrouw Tiny Scharrenburg-Weyers uit Bunnik, die de laatste oorlogsmaanden als 21-jarige in Nieuwleusen doorbracht. Nog iedere eerste zondag in het nieuwe jaar komt het echtpaar Scharrenburg bij Tiny's vroegere "kostbaas" op bezoek, waarbij nog menige herinnering wordt opgehaald.

In januari 1945 kwamen mijn oom en tante tijdens een voedseltocht in Nieuwleusen terecht. Toen ze op de Meele waren, kregen ze pech met de handkar en aangezien die eerst gerepareerd moest worden, moesten ze daar noodgedwongen overnachten. Dat gebeurde bij de familie L. Kok. Tijdens dat bezoek werd de overkomst van mij en mijn nichtje Riek geregeld.
We vertrokken op 12 februari, begeleid door oom Jo. De koffers werden op zijn fiets geladen en zo gingen we lopend vanuit Utrecht in de richting Zwolle. De eerste dag kwamen we tot Nijkerk, waar we bij familie de nacht doorbrachten.
Daarna begon de ellende. Onze voeten waren al kapot gelopen en in de regen en natte sneeuw werd dat er niet beter op. Regenkleding hadden we niet en goede schoenen evenmin. We sjokten door tot Nunspeet waar we de volgende nacht verbleven in een klaslokaal van een school. We zaten daar met z'n allen, mannen, vrouwen en kinderen, in het op de grond uitgespreide losse stro. De kinderen krijsten van de honger. Gelukkig kregen ze laat in de avond nog een boterham van het Rode Kruis. De school was afgesloten om te voorkomen dat de een er met de spullen van de ander vandoor zou gaan. Sommigen waren al op de terugweg naar huis en zij hadden al wat etenswaren bij elkaar gehaald.
Midden in de nacht hoorden we de vliegtuigen overkomen. Ze wierpen lichtkogels af die het lokaal in een spookachtig licht zetten. We waren erg bang dat we gebombardeerd zouden worden, want dan zouden we als ratten in de val zitten.
Onder de aanwezigen was er een die op een gegeven moment een kaars aanstak temidden van het kurkdroge stro. Ik zal maar niet zeggen wat voor woorden hij naar zijn hoofd geslingerd kreeg, maar het was niet veel moois. Hij wist dan ook niet hoe snel hij de kaars weer moest doven.
Zo ging de nacht voorbij zonder dat we al te veel konden slapen. De volgende ochtend togen we verder richting Zwolle. Onderweg zagen we veel ellende; moeders al maar sjokkend achter de kinderwagen met daarin hun huilende kinderen, mensen met kapotte fietsen en karretjes waarvan een wiel was afgelopen. En het regende maar door!
Toen we eindelijk in Zwolle aankwamen, werden we ondergebracht in een tabaksfabriek. We kregen daar iets te eten en sliepen er op de vliering, dit keer op strozakken. Bij een post van het Rode Kruis kon je je blaren laten doorprikken. Daar kreeg ik later spijt van want de wonden raakten flink ontstoken. Ik heb er veel last van gehad want door de hongeroedeem wilde het niet goed genezen.
Die nacht was er een inval van de Duitsers die de mannen weghaalden voor de Arbeitseinsatz. Hun vrouwen raakten in paniek; zij stonden er vanaf nu alleen voor!
Of we de volgende morgen nog iets te eten kregen, weet ik niet meer, maar wel kan ik mij nog herinneren dat die laatste dag de zwaarste was van de hele reis. Tegenwoordig stelt de afstand Zwolle Nieuwleusen met de auto niets meer voor, maar als je uitgehongerd bent en kapotte voeten hebt, lijkt er geen eind aan te komen. Toen we op de Meeleweg aangekomen waren, was ik zo vermoeid dat ik tegen elke boom eventjes moest rusten.

Eindelijk kwamen we zo 's middags tegen etenstijd aan bij de familie Kok (later zou ik ze Rika en Luuks noemen), totaal uitgeput. Het was 15 februari. Hun zoon Johannes vierde die dag zijn zesde verjaardag. Besloten werd dat mijn nichtje Riek op de boerderij zou blijven en dat ik de volgende dag met de melkrijder naar Griet en Gerrit Klein in Nieuwleusen (Zuid) zou gaan.
Na ongeveer een week bleek dat ik beter op de boerderij bij de familie Kok zou kunnen zijn omdat ze daar meer, vooral naaiwerk, voor mij te doen hadden. Ik vond het best. Op de boerderij waren vier kinderen en dat leek mij wel wat. Dus zo kwam ik bij Rika en Luuks en ging mijn nichtje Riek naar Griet en Gerrit. We kwamen elk weekend bij elkaar, de ene week ging ik naar Nieuwleusen, de andere week kwam Riek naar de Meele.

Tiny Weyers omstreeks 1942.

Zoals in die tijd wel vaker gebeurde, woonden de ouders van Rika ook op de boerderij. Opoe was een kwieke oude vrouw die de hele dag bezig was en opa, die een hartkwaal had, zat meestal bij de kachel. Bij de familie Kok hebben we veel gelachen. Luuks had er lol in om je onverwachts op een koe te zetten. Als stadse vond je dat doodeng. Ook heeft hij me eens het land ingestuurd met een kalfje dat aan een lang touw geweid moest worden. Dat beestje begon daar te springen en te rukken!

En de hele familie maar roepen: "Hou vast, hou vast!" Maar toen de koeien, nieuwsgierig als ze zijn, aan kwamen hollen, liet ik het kalfje voor wat het was en rende het land uit. Later hebben we er nog menigmaal smakelijk om kunnen lachen.
De eerste weken bleef ik maar eten. 's Morgens acht boterhammen en twee borden pap en als we dan om tien uur melk dronken (koffie was er natuurlijk niet meer), was ik blij als Rika koek gebakken had. Ik rammelde dan alweer van de honger. Waar ik het allemaal gelaten heb, is nu onbegrijpelijk. Pas na een week of zes was ik verzadigd en was het afgelopen met het vele eten.
Van al dat eten groeide ik helemaal dicht. De kleren scheurden me letterlijk van het lijf. Als ik op zaterdag brood moest halen bij bakker Klosse, zei hij: "Deern, deern, wat bi'j alweer egroeid". Dat klopte ook wel want vier maanden later bleek dat ik van 55 kilogram, die ik woog toen ik op de Meele kwam, was gegroeid tot 70 kilogram.

Zo gingen de weken voorbij met naai- en verstelwerk voor de kinderen en 's avonds breien, babbelen en melk drinken en om negen uur naar bed. Ik sliep met Grietje in de bedstee in het kleine kamertje, waar Thijs ook in zijn ledikantje lag.
's Zaterdags was het mijn taak om de schoenen te poetsen en de kinderen te wassen. Eens per maand kwam Jantie, de wasvrouw, om de grote was te doen. Die was daar dan de hele dag mee bezig. Er werd gebleekt op het veldje achter de moestuin en wanneer de was droog was, was er altijd wel wat te herstellen. Ik moest ook de was strijken met een bout die van binnen hol was. Daarin moest je een stuk ijzer doen dat in de kachel heet gemaakt was. Met een tang moest je dat ijzer uit het vuur halen en in de bout schuiven. Dat strijken vond ik een beroerd karwei. Het strijkwerk werd nooit echt mooi omdat de bout snel afkoelde.

Omdat voor Rika niet meer zoveel herstel- en naaiwerk te doen was, ging ik ook naar anderen om daarmee te helpen. 's Morgens vroeg trok ik er dan al op uit. Heerlijk in de vroege ochtendzon door het land lopen!
Op zondag was het altijd rustig. We gingen 's morgens naar de kerk en als we terug kwamen had opoe de melk met een stuk koek erbij klaar staan. Het was dan altijd heel gezellig en er werd over een en ander nog wat nagepraat. Als mijn nichtje Riek er was, gingen we 's middags een eind wandelen. Bij slecht weer zaten we vaak in de hooiberg te zingen.
We hadden het goed, meer dan goed zelfs. In het westen werd de toestand steeds slechter en al gauw werd de brug over de IJssel gesloten en konden er geen voedseltochten meer plaatsvinden. Vanaf dat moment hadden we geen enkel contact meer met onze familie. Daarvoor kon je nog wel eens een brief meegeven aan mensen die eten kwamen halen. Het was heel erg te weten dat je familie bijna niets te eten had en dat jij daaraan geen gebrek had. Wat had ik graag wat overgestuurd, maar helaas, dat kon niet.
Zo tegen Pasen had ik een doos vol met levensmiddelen verzameld die ik met naai- en verstelwerk had verdiend. Er zat van alles in: boter, eieren, brood enzovoort. Een vrachtrijder zou de doos meenemen, maar helaas, de rit ging niet door. Toen ik weer thuis was hoorde ik van mijn moeder dat ze juist met Pasen helemaal niets te eten hadden gehad!

Het was ook hier niet alleen maar pret. We hebben wel eens angstige momenten gehad als ze de spoorlijn bombardeerden. Ik herinner me de keer dat ik bij Arend van Ankum, die vlak bij de spoorlijn woonde, met naaiwerk bezig was toen er weer gebombardeerd werd. Het was zo erg dat de schilderijen van de muur vielen.
Bij een ander bombardement waren er bij ons twee vrouwen uit Den Haag met paard en rijtuigje Het was echt angstig. De beide vrouwen stonden hardop te bidden en opoe lag op haar knieën in de hooiberg.

Voordat de IJsselbrug gesloten werd, was het een komen en gaan van mensen die om eten kwamen vragen. We hadden vaak eters aan tafel want Rika stuurde niet gauw iemand zonder eten weg. Luuks werkte van de vroege ochtend tot de late avond en vaak moest Rika hem wel drie keer roepen om te komen eten. Dan dacht ik: "Man, kom nou toch eens, ik verga van de honger".
Er was ook een onderduiker bij ons op de boerderij. Hij noemde zich Piet, maar dat was niet zijn echte naam. Later hoorde ik dat hij uit Beilen kwam. 's Nachts sliep hij in de hooiberg op het erf.

Langzaam maar zeker naderde de bevrijding. Onze bevrijders kwamen steeds dichterbij, waardoor de spanning met de dag steeg. Soms kwamen de granaten gierend over. De koeien loeiden alsof ze in doodsnood verkeerden.
Op een avond zagen we dat er in de verte in zuidelijke richting boerderijen in brand stonden. Toen brandde ook de boerderij af van de broer van Rika in het Westeinde.
De geruchten gingen dat de Canadezen al aan de Dedemsvaart waren en Luuks, nieuwsgierig geworden, moest er zo snel mogelijk naar toe. Hij wilde de Canadezen met eigen ogen zien. Bijna zou hij nooit weer iets gezien hebben, want toen hij dichtbij was, werd er geschoten. Door met een snoeksprong in de sloot te springen, wist hij het vege lijf te redden. Na een tijdje kwam hij weer thuis, danig geschrokken en van top tot teen onder het eendenkroos. Natuurlijk konden Rika en ik het lachen niet laten. Het was ook geen gezicht, die stoere boer bleek van schrik en onder het kroos. Luuks was genezen van zijn nieuwsgierigheid.
Eindelijk op 14 april, een prachtige voorjaarsdag, ratelden de tanks over de Meeleweg. Wat een heerlijk gevoel! De weg werd totaal kapot gereden, maar dat hinderde niets. We waren vrij! Ik weet nog dat ik met krulspelden in het haar en tranen in de ogen op het erf stond te kijken naar de gezichten van de mannen, die vermoeid door hun verrekijkers de omgeving afspeurden naar eventueel achtergebleven Duitsers.
De radio werd weer tevoorschijn gehaald. Die was verstopt geweest onder de keldertrap bij opoe in de kamer. Ik hoorde toen pas dat de familie elke avond naar de Engelse zender had geluisterd. De radio en het luisteren ernaar was zo goed geheim gehouden dat ik er nooit iets van gemerkt heb.
Nu wij bevrijd waren konden we weer vrijelijk luisteren. We hoorden dat de nood in het westen erg hoog was en dat veel mensen van de honger omgekomen waren. En dan ben je bang om je familie waar je al een hele tijd geen contact meer mee hebt gehad. Hoe zou het met ze zijn? Zouden ze het goed overleefd hebben? Al dat soort vragen komen dan bij je op.
Na de vreugde hernam het leven zijn gewone loop. N.S.B.-ers werden onder het oog van een stilzwijgende menigte opgebracht naar het gemeentehuis in Nieuwleusen. Grote groepen Nederlandse arbeiders die in Duitsland te werk gesteld waren, kwamen op eigen gelegenheid uit Duitsland terug. Ze werden tegengehouden en ondergebracht in de school in Den Hulst. We gingen daar vaak heen om te vragen of ze misschien mijn broer kenden die ook in Duitsland had gewerkt. Dat was natuurlijk zoeken naar een speld in een hooiberg.
Op datzelfde schoolplein kon je ook naar nieuws uit het westen gaan luisteren. Op een avond hoorden we van de voedseldroppings en we waren blij dat ook voor onze familie de redding nabij was. En eindelijk, eindelijk op de vijfde mei, hoorden we klokgelui. Ik was binnen bezig toen opoe in de deuropening verscheen, de handen in de zij en riep: "Deern, 't is vrede. De oorlog is afgelopen!" Dat moment vergeet ik nooit. Wat een vreugde, eindelijk, v r e d e!
Ondanks het feit dat we het hier goed hadden, wilden we daarna zo snel mogelijk naar huis, naar onze familie. Maar helaas, daar was voorlopig geen sprake van. In verband met besmettingsgevaar voor de sterk ondervoede bevolking daar mocht er niemand naar het westen. Maar eindelijk, op 15 juni 1945, konden we met de melkauto van de fabriek naar huis. Ik zal die periode in mijn leven nooit vergeten!

* * *


ETEN HALERS EN GESCHAAD VERTROUWEN _________________________________________________________

Dat de goeden altijd onder de slechten moeten lijden, blijkt uit het volgende verhaal.
In september 1944 kwamen hier de eerste etenhalers. Volkomen verbijsterd keken de tafelgenoten naar de hoeveelheid roggepap die de etenhalers "naar binnen werkten". Konden mensen zoveel honger hebben? Dagelijks herhaalde zich dat patroon.
's Nachts mochten ze op de "hilde" (dat is de zolder boven de koeien) slapen, maar met één strenge voorwaarde; ze mochten er 's nachts niet meer af omdat de boer zelf ook rustig wilde slapen. Ze moesten dus naar de wc voor ze gingen slapen en daar 's morgens mee wachten tot de bewoners wakker waren. Dat ging lang goed, tot op een nacht toch iemand naar beneden sloop en de konijnen doodsloeg, meenam en wegliep. De boer was in het diepst van zijn ziel getroffen en liet geen etenhalers meer op zijn erf. “Weg van mien erf, of ik steek oe aan de greepe" was vanaf die dag het dreigende parool.


* * *


WIE ZAG DE SCHEPEN OP 5 APRIL 1945 DOOR DE DEDEMSVAART VOORBIJ KOMEN? _________________________________________________________

H.W. Poortman

Karel Overijssel, de schuilnaam van Hendrik Willem Groot Enzerink, was een van de verzetsmensen van de Trouw-groep. Op 16 maart 1945 werd hij bij de Sassenpoort in Zwolle opgepakt en naar het Huis van Bewaring gebracht. Op 5 april wilden de Duitsers de gevangenen nog wegvoeren naar Duitsland.
"We werden naar de haven gebracht en in twee daar liggende schepen geduwd. We voeren de Dedemsvaart in. In de richting Den Hulst. Ik zag de Union Rijwielfabriek, een bekende naam voor mij als zoon van een fietsenmaker. We voeren Dedemsvaart voorbij, richting Lutten. Wat was me die omgeving bekend. Maar plotseling konden we niet verder. Leden van het verzet hadden er een brug opgeblazen."
Ze werden in een school ondergebracht en de volgende dag wist Karel te ontsnappen. Een andere gevangene was gevlucht in de richting van Gramsbergen, waar juist 6 Canadese tanks waren aangekomen. Toen deze vertelde dat er ruim 260 gevangenen in de school in Lutten zaten, zonden de Canadezen onmiddellijk twee tanks richting Lutten.
Dat verklaart waarom Lutten zo vroeg bevrijd was en de Canadezen van daaruit overdag deze omgeving verkenden.
Na de bevrijding van Lutten wilde Karel door de weilanden en velden naar Heemse lopen. Jo Sinkler ging met hem mee.
"Toen we er waren, zei Jo tegen me: "Ik kan geen stap meer lopen, ik ben totaal op. Ik blijf hier tegen de muur zitten tot jij terugkomt met fietsen"
Het was in de kromming van de Ommerweg. Jo kon de weg aan beide kanten goed overzien. Maar wat gebeurde er? Een bus met Duitse soldaten erin naderde en stopte vlak voor hem. Enige Duitsers stapten er uit met hun revolvers reeds op hem gericht. Hij moest opstaan en toen zagen ze een klein stukje oranje op z'n jas zitten.
"Aha", zeiden ze, "Een terrorist, ga tegen de muur staan, dan schieten we je dood".
Wezenloos en doodsbleek stond Jo tegen de muur. Hij dacht: nu is mijn laatste uur geslagen. Toen keek hij naar rechts en wat zag hij? Er naderde een Canadese tank. Terwijl de Duitsers hem neer wilden schieten, kon hij nog net uitbrengen: "de Canadezen!" De Duitsers keken ook in de richting van Heemse en staarden in de vuurmond van de vijandelijke tank. Als door de bliksem getroffen veerden ze op, renden naar de bus, maar het was al te laat."
Zo bepaalde in de oorlog het toeval tot de laatste minuut het verschil tussen leven en dood.

(Deze tekst is ontleend aan: H.W. Poortman - Karel Overijssel, een Christenrebel. Het boek is aanwezig in de openbare bibliotheek van Nieuwleusen.)


* * *


DE NIEUWLEUSENER N.B.S. BIJ DE BEVIJDING _________________________________________________________

H. Schoemaker

Meester Oldebeuving was de man achter het verzet in Nieuwleusen. Ook Jan Snorrewind, werkzaam op het distributiekantoor, maakte deel uit van de groep. Hij woonde aan de Jan Hereweg en omdat het daar nogal wat afgelegen lag, werden daar altijd onze samenkomsten gehouden.
Toen het dan zover was dat de Canadezen bij Coevorden kwamen, werden de mensen van het verzet 's middags opgeroepen naar Jan Snorrewind te komen. Daar werd besloten dat Brug 6 veilig gesteld moest worden. De brug aan Balkbrug was al gesprongen. Daar konden de Canadezen dus niet over om naar IJhorst en De Wijk te komen. Ze zouden eerst naar Brug 6 moeten om het kanaal over te komen en dan weer aan de zandkant terug naar Balkbrug.
De wapens werden bij elkaar gezocht en Sybe Post en ik zijn als eersten op pad gegaan. Wij naderden de maalderij van de gebroeders Muller vanuit richting Oosterveen. Vanuit de kelder van het maalderijgebouw konden wij de Duitsers in de mitrailleurpost aan de andere kant van de brug zien liggen.
De bedoeling was om de Duitsers uit te schakelen als de Canadezen er aan kwamen. Maar een paar dagen voor het zover was, trokken de Duitsers zich terug naar Zwolle. Ze hebben wel de brug laten springen, dat wil zeggen de beide ophaalbomen van de brug. Het tegengewicht klapte daardoor naar beneden. Omwonenden hebben met touwen de balans van de brug opgetrokken en daar een paar omgezaagde eikenbomen onder gezet. Omdat het brugdek onbeschadigd was, zouden de Canadezen daar toch over kunnen.
Voordat het zover was zijn wij naar Talen gegaan in de Oosterhulst, waar we een paar dagen gezeten hebben voor het geval dat de Duitsers terug zouden komen. Op 12 april moesten we ons terug trekken op Balkbrug. Dat vonden de mensen in de buurt eigenlijk niet zo mooi want stel dat de Duitsers nog eens terug kwamen.

Die nacht sliepen we in de oude drukkerij van Veldzicht. De andere morgen vertrokken we op de fiets richting Nieuwleusen, tegelijk met de Canadezen. Toen we in de Kerkenhoek aankwamen, waren daar een heleboel mensen op de been. Ik had een blauw pak aan. Het was eigenlijk een oud soldatenpak dat geverfd was. Het was een beetje uitgelegd en er zaten wat strepen over de rug. Een van de omstanders zei: "Moe'j kieken, hi'j hef de braandstrepen al over de rugge".
Om de arm hadden we een band met de letters N.B.S., Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Dat leek allemaal wel mooi maar van diezelfde letters kun je ook N.S.B. maken. Diezelfde man van de brandstrepen maakte ook de nog minder mooie opmerking: "Moe'j kieken, nog beroerder soort."
Bij oom Hendrik in café "De Viersprong" werd ons hoofdkwartier ingericht. Dat klinkt heel groot voor zo'n koppeltje. Nu de bevrijding er eenmaal was, waren er jongens zat die zich aanmelden. Zij wilden ook wel met een geweer rond lopen, maar daar had je weinig aan, er moest wat gedaan worden.

Na de bevrijding van Nieuwleusen kreeg de N.B.S. de opdracht een aantal N.S.B.-ers op te halen. We hebben dat ook gedaan, maar over de manier waarop heb ik achteraf mijn twijfel.


In 1990 kwam de groep die bij Wilsum aan de IJssel lag nog eens weer bij elkaar. Bij die gelegenheid werd deze foto gemaakt waarop vlnr. Hendrik Schoemaker, Gerrit Groen, Albert Klein, Jan Mannen, Jannes Groen, Sybe Kleen, Jan Sikkema en Sybe Post. Vooraan vlnr. Jan Klein, Hendrik Brassien en Hendrik Klein.

Op een avond kwam er een man van de knokploeg uit Zwolle voor de Canadezen om vrijwilligers te vragen die aan de IJssel wilden liggen. We zijn toen met de groep op weg gegaan. In Zwolle zagen we een hele club N.S.B.-ers die met hun handen in de nek werden opgebracht. Ze moesten het "Oranje boven" luidkeels zingen.
's Avonds om elf uur kwamen wij aan in Wilsum. We werden daar opgewacht door mensen die ons beschouwden als hun bevrijders. Later trokken we voor de Canadezen Kampen binnen.
In Wilsum hadden wij de taak een deel van de IJsseldijk in de gaten te houden De Duitsers zaten nog aan de overkant van de IJssel. 's Nachts om één uur kregen Hendrik Klein en ik de eerste wacht in dit voor ons onbekende terrein. Wij moesten aan de binnenkant langs de IJsseldijk lopen richting Kampen tot Uiterwijk, waar de jongens van Staphorst zaten. Omdat we niet meer zulke beste schoenen hadden en het nogal dauwde, hadden we binnen een kwartier natte voeten. Toen we een eindje op weg waren, hoorden we opeens gesuis en een doffe plof. Vanaf de Veluwe werd nog een kanon afgeschoten. De granaat gierde over ons heen en kwam in het riet aan de andere kant van de dijk terecht. Wij lagen natuurlijk direct op de grond en toen waren wij helemaal nat.
We hadden gehoord dat er Duitsers met een bootje over de IJssel kwamen en een eind verder zag ik in het donker opeens twee figuren staan met naast hen in het water een bootje. Wij dachten: "'t Is raak" en beduiden elkaar dat we er plat op de buik naar toe moesten Toen wij dichtbij waren gaf ik een schreeuw en we vlogen overeind met de stengun klaar om te schieten. De figuren bleven stokstijf staan. Dat klopte ook wel want ze waren van hout; het waren twee grote meerpalen.
Op de terugweg hoorden wij over de dijk iemand aan komen lopen. Wat zou dat wezen? Na het "sta of ik schiet" stak de man meteen de handen in de lucht. Het bleek iemand van de B.V.L.(Bijzondere Vrijwillige Landstorm) te zijn die op weg was naar hun hoofdkwartier in de school.
De volgende dag hebben wij daar kennis met hen gemaakt. Ze hadden samen nog een geweer overgehouden, een Nederlands infanteriegeweer, waarin een kogel vast zat. Jannes Groen dacht hem er uit te krijgen, stopte en een nieuwe patroon in en knalde door de bomen de lucht in. Een spreeuw viel dood naar beneden.

Op een keer werden twee Duitsers gesignaleerd in de richting Zalk. We zijn daar toen achteraan gegaan en hebben nog op hen geschoten. Ze waren al dicht bij de IJsseldijk en toen wij daar waren, zwommen ze al midden in de rivier richting 's Heerenbroek. Daar zijn ze gevangen genomen.
Naast nare dingen is er ook nog wel een aardige gebeurtenis te melden. Jannes Groen was bij mensen ingekwartierd waarvan een dochter zou trouwen. Mij werd gevraagd het paard op te vlechten en op te kammen. Als beloning mochten wij met z'n beiden de andere avond het bruiloftsfeest op de deel meevieren.

* * *


MET BEVRIJDERS OP DE FOTO _________________________________________________________

Hoewel er waarschijnlijk niet veel foto's gemaakt zullen zijn van de intocht van de Canadezen in Nieuwleusen, het archief laat ons wat dat betreft in de steek, kunnen we hier toch enkele foto's plaatsen. Ze zijn gemaakt in de Kerkenhoek.

namen

Op de foto hierboven herkennen we links Arend van Spijker met naast hem Jan Willems en zittend achter op de fiets Jan Brouwer.

namen

* * *


EEN MISLUKTE OVERVAL _________________________________________________________

Omdat goederen als voedsel, kleding en andere zaken steeds schaarser werden, werd een distributiesysteem ingevoerd dat met bonnen werkte. Het distributiekantoor zorgde voor de verspreiding van de bonnen. Dat kantoor was in het Palthehuis ondergebracht.


Het personeel van het distributiekantoor kwam in 1943 op de foto. Achteraan vlnr. Anton Kleen, Evert Boesenkool, Lammy Kok, Johan Bouwman, Geertje Mijnheer, Henk Schoemaker, Geesje de Groot, Dirk Witten en Jan Waanders. Vooraan vlnr. Albert Klein, leider K.D. Fleurke en Jan Katoele.

Van enig verzet was tot halverwege de oorlog weinig te merken. Dat veranderde toen in het midden van 1943 degenen die in 1940 krijgsgevangen waren geweest, zich opnieuw moesten melden. Tot de medewerkers van het distributiekantoor behoorde ook Van de Vegt. Hij was beroepsmilitair geweest en weigerde zich te melden. Daardoor was hij genoodzaakt onder te duiken. Zijn collega's verzocht hij om voor zijn vrouw te zorgen, dat wil zeggen te zorgen dat zij over voldoende bonkaarten kon beschikken.
De bonnen werden in steeds grotere getale achterover gedrukt. Op een gegeven moment waren dat er wel 100 in één distributieperiode. Er moest wat gebeuren want anders liep het spaak. Henk Brassien reisde samen met meester Van Aarst naar een knokploeg in Meppel, waar een plan tot overval op het distributiekantoor werd uitgewerkt. De overval, die op 25 januari 1944 plaats had, mislukte echter.
De sleutel van de kluis waarin de bonnen bewaard werden, werd 's avonds aan agent Holties gegeven, die hem in een linnen zakje deed en van een lakzegel voorzag. Hij nam daarop de sleutel mee naar huis en bracht hem 's morgens terug.
Holties was Nederlander, maar fel Duits gezind. Van de N.S.B. moest hij echter niets hebben. Hij leefde gescheiden van zijn vrouw, die hem een paar dagen voor de overval zou plaats vinden, nog bezocht. Tijdens dat bezoek kregen ze ruzie en Holties gooide zijn vrouw van de trap, waarbij zij een been brak.
Op de dag van de overval werd Holties op het distributiekantoor aan de praat gehouden tot het donker was geworden. Bij zijn huis werd hij opgewacht, waar hij zou worden overvallen en gekneveld. Het toeval wilde dat hij op weg naar huis zijn dochter ontmoette. Samen liepen ze naar huis en daar aangekomen borg zijn dochter haar fiets in de schuur. Daar zag ze één van de overvallers met een revolver staan en sloeg alarm. Holties kwam er op af en de overvaller schoot op hem. Na enkele dagen overleed Holties in het ziekenhuis in Zwolle.
De dag na de mislukte overval deed het gerucht de ronde dat Holties te pakken was genomen door de familie van zijn vrouw. Er is nooit een onderzoek naar het voorval ingesteld.

* * *


DE VERZETSGROEP VAN "HET SCHOT", DE BOSWACHTERIJ STAPHORST EN DE BEVRIJDING _________________________________________________________

Meppeler Courant
Wim Bakker

De uit Almelo afkomstige politieman H.(Jos) Bonvanie was in Brabant wachtmeester bij de politie geweest en overgeplaatst naar Staphorst. Daar kwam hij in augustus 1944 in contact met de verzetsbeweging. Op 19 augustus 1944 zag hij kans in zijn eentje de bonnenvoorraad en het bevolkingsregister uit Staphorst weg te nemen. Hij bracht de buit naar de grasdrogerij in het Staphorsterveld, een toen nog heel dunbevolkt ontginningsgebied. Hij werd daarna naar de knokploeg van Steenwijk gebracht. Daar werd het te gevaarlijk en de Steenwijker KP-ers(KnokPloeg) besloten, met goedvinden van de kampbeheerder, onder te duiken in het kamp "Het Wiede Gat" aan de Kanlaan vlak bij de Staatsbossen aan de spoorlijn Zwolle-Meppel.
Omdat alles er nog op wees dat de geallieerden na de landing in Normandië op 6 juni fors zouden doorstoten naar ons land, begonnen mensen van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten zich overal voor te bereiden op hun taak in het slotoffensief tegen de gehate vijand en waar mogelijk werden de krachten gebundeld. Zo ook hier.
In het kamp "Het Wiede Gat" kwamen eind augustus een aantal leidinggevende verzetsfiguren bijeen om dit te bespreken. De Staphorster- en Steenwijker groep sloten zich aaneen, waardoor een gevechtsgroep van circa 30 man sterk ontstond.
De groep nam haar intrek in dit kamp. Dag en nacht werd er wacht gelopen en op 5 september 1944, Dolle Dinsdag, bracht men zelfs een zware mitrailleur voor het kamp in stelling. Alles wat "fout" was raakte die dag in paniek en velen vluchtten hier via Staphorst en Meppel in de richting van Noord-Duitsland.
Op 6 september kreeg een personenauto pech, vlak bij het kamp en een inzittende vroeg om hulp. De twee inzittenden waren, zo bleek achteraf, SD-officieren en er ontstond een vuurgevecht waarbij één sneuvelde en de ander wist te ontkomen. De 15 KP-ers vluchtten naar het Westerhuizingerveld. In de boerderij van Johannes Kist kregen ze onderdak.
Inderdaad kwam kort daarop een grote groep Duitsers het kamp binnenstormen. De kampbewoners werden duchtig aan de tand gevoeld en omwonende boeren kregen rake klappen, maar de Duitsers keerden onverrichter zake terug.
Koerierster Nel herstelde het contact met de ondergrondse buitenwereld, waarvan "De Groene" (Beernink) in Zwolle een centrumfunctie innam. De Steenwijker groep besloot terug te gaan naar Steenwijk en de Staphorster groep besefte dat, na de mislukte landing bij Arnhem op 17 september, de bezetter genadelozer dan ooit op zoek was naar gezinnen die illegale werkers onderdak boden. Eerst dacht men dat Berkum een goede schuilplaats zou bieden, maar door de grote concentratie Duitsers in die buurt viel dat meteen weer af.
Begin oktober werd contact gezocht met boswachter Van Veenen van het Staatsbos. Deze wees in het bos een geschikte, redelijk verscholen plek aan waar een tent voor ongeveer 20 personen opgezet zou kunnen worden. Hout voor het geraamte was in het bos aanwezig, stro werd bij bevriende boeren opgehaald, dekkleden "leende" men op het stationsemplacement van station Dedemsvaart van de Duitse spoorwegen en dekens kreeg men van "Het Wiede Gat". Het onderkomen werd gecamoufleerd met dennentakken en sporen werden steeds weggewerkt.
Elke avond begaf men zich na "spertijd" per fiets, voorafgegaan door Nel, naar de boerderij van Kist om de door en door verkleumde lichamen op temperatuur te brengen. Overdag moesten de KP-ers, om niet gezien te worden, in de hut blijven. Het regende veel, maar hoewel het koud was, mocht er niet gestookt worden omdat de rook hen zou verraden. De Duitsers hadden twee bemande uitkijktorens op "'t Schot", zoals het Staatsbos werd genoemd. In de spertijd waren de Landwachters veel op pad om slachtoffers te vinden voor de Duitse SD (Sicherheits Dienst).
Omstreeks die tijd stopte een Duitse legertrein die door geallieerde jagers onder vuur werd genomen, vlakbij 't Schot. Drie Luftwaffe-militairen namen de benen en hielden zich enkele weken in leven met wat op het land groeide. Ze schuilden en sliepen onder hun camouflagezeiltjes. Een werknemer van "Het Wiede Gat" ontdekte ze en bracht hen naar de KP-ers.
Het bleken drie Poolse jongens van 18 tot 19 jaar oud te zijn. Tijdens een razzia in Potzdam waren ze van straat geplukt en ingelijfd in het Duitse leger. Dokter Van der Sterre in Balkbrug heeft hen weer opgeknapt. Ze werden bij boeren aan de rand van het bos ondergebracht en hebben daar de bevrijding meegemaakt. Hun uniformen werden aan de KP gegeven.


Omstreeks 1990 bezochten twee Polen, vergezeld van enkele oud-verzetsstrijders, nog eens weer de schuur waar ze enige tijd in ondergedoken hadden gezeten. Bij die gelegenheid werd deze foto gemaakt.
Vlnr.: Nel ter Heide, Stefan Pierzyclï, George Woicik, Roel ter Heide, Jan de Weerd (eigenaar) en Hennie Mulder.

Van de illegaliteit uit Zwolle kwam de opdracht een lid van de Landwacht in de buurt van het Staatsbos te liquideren omdat hij levensgevaarlijk was voor het verzet. Gestoken in Duits uniform voerden KP-ers hun opdracht uit.
Eind oktober hoorden de 12 KP-ers dat het bos door de vijand uitgekamd zou worden. Meteen werd overlegd wie naar welk adres zou gaan en ze vertrokken.
Op 1 november werd het hele bos afgegrendeld en onder leiding van de Sicherheits Dienst uit Meppel uitgekamd. iedereen die er in of uit wilde, werd naar de schuur van de boswachterij gebracht en ondervraagd. Ook boswachter Van Veenen werd er van verdacht onder één hoedje te spelen met de "terroristen" en danig aan de tand gevoeld. Op een haartje na werd hij niet overgebracht naar de SD-gevangenis te Meppel. In de boerderijen aan de rand van het bos werd alles overhoop gehaald; ook de drie boerderijen waar de Polen ondergedoken zaten. Eén Pool werd opgepakt, maar wist in de schuur weer te ontsnappen.
De KP-ers wisten dat het bos niet meer veilig was en ze mochten zich in een onbewoonde schuur in het veld schuil houden. 's Avonds gingen ze weer naar de boerderij van Kist omdat het ook hier weer veel te koud was. Overdag werd de schuur alleen verlaten om sabotagedaden uit te voeren, in opdracht van "Zwolle". Daarbij gingen ze zo weinig mogelijk door het gevaarlijke bos.
Toen dat op een dag toch moest, vroegen twee "boeren" hen te helpen de boerenwagen te herstellen. Dichterbij gekomen moesten ze de handen omhoog steken. Een van de twee KP-ers had een hand met daarin een pistool in de zak en schoot dwars door de jas heen op één van de twee "boeren". Door de ontstane paniek konden ze vluchten.
De strenge winter van 1944 dwong de KP-ers in de eerste helft van december een ander onderkomen te zoeken. Ze kregen dat bij drie boeren in De Stapel en later bij boeren in Staphorst.
De KP-ers hielden zich, tot de bezetters rond de jaarwisseling de IJsselbrug afsloten, bezig met de etenhalers. Ze probeerden op woekerwinsten beluste boeren zo weinig mogelijk voet aan de grond te laten krijgen, door bij bevriende boeren rogge, aardappelen en erwten op te halen. De mensen van de CCD (Crisis Controle Dienst) werkten mee. Het voedsel werd naar boeren gebracht die het tegen normale prijzen verkochten. Toen de voorraden opraakten moesten de etenhalers verder naar het noorden trekken.
Ook gingen de KP-ers regelmatig op de fiets naar Zwolle om daar opdrachten voor sabotagedaden te halen.
Op 8 februari werd "De Groene" in Zwolle doodgeschoten. Benno Smit, een ondergronds contact uit Meppel, werd op 8 maart gearresteerd. De KP-ers wisten niet hoever het netwerk verraden was. Om geen gastfamilies in gevaar te brengen, werd opnieuw boswachter Van Veenen opgezocht. Hoewel verdacht door de Duitsers werkte hij toch weer mee een zo goed mogelijke plek te vinden. Deze keer was er ook een wel met schoon water. Er werd weer een hut en ook een kookhut gebouwd en gecamoufleerd met dennentakken.
Het was in 1945 een mild voorjaar, waardoor alles beter uitpakte.
Nu hadden de KP-ers ook een op een accu werkende radio, waarmee de Engelse zender beluisterd kon worden. De groep werd gepromoveerd tot een mobiele gevechtsgroep waaronder de gemeenten Hasselt, Zwartsluis, Nieuwleusen en Staphorst ressorteerden. In Balkbrug kon men de hand leggen op een aantal stenguns.
Halverwege maart kwam uit Zwolle het bericht dat ze vanuit de lucht bevoorraad zouden worden met wapens en dergelijke. Er werd, niet ver van het kampement, een heideveld uitgezocht waar in het nachtelijk duister de parachutes met containers gedropt konden worden. Instructies en inspecties van leidinggevende verzetsmensen volgden en uit Twente kwam op 25 maart de wapendroppingspecialist Koos, met achterop zijn fiets een seintoestel. Zou hij aangehouden zijn door Duitsers, dan was het mis geweest.
Op 27 maart leek alles te gaan gebeuren, maar twee laag overvliegende Lancasters deden niets. In de vroege morgen werden de KP­ers gewekt door het schieten met mitrailleurs. Toen bleek dat Duitse troepen op het droppingsveld oefenden hoe de aanwalsende geallieerde overmacht te keren.
Drie dagen later, 30 maart en Goede Vrijdag, hoorden ze opnieuw hun code-zin op de radio. Omstreeks 11 uur 's avonds liet op ongeveer 700 meter hoogte een Lancaster bommenwerper zijn lading vallen en begon de herrie van klapperende parachutes en neervallende kisten. Een tweede toestel kwam verkeerd op het doel af en de parachutes dreven uit de richting. Het heeft de mannen uren werk gekost om alles terug te vinden; eerst de felgekleurde parachutes wegwerken, de containers halen en verzamelen en met paard en wagen naar de gegraven kuilen brengen en verstoppen.
Ook de spullen van de kapotgevallen containers moesten verzameld worden. 57 containers waren gedropt met wapens, waarbij handleidingen in vele talen, rookartikelen, voedsel en zelfs paaseieren. In één keer hadden de KP-ers de beschikking over 10 mitrailleurs, 200 stenguns, een flinke portie geweren, houders met patronen, springstoffen, antitankwapens, handgranaten, revolvers, brandbommen enz.
De nu uit 10 man bestaande groep besloot een beroep te doen op de reserve krachten uit Staphorst en gebruiksklaar gemaakte wapens werden naar verzetsgroepen gebracht; een uitermate riskante onderneming. De groep zelf heeft op het droppingsveld een oefening gehouden met antitankgeschut.
De KP uit Hasselt voegde zich bij de groep in het Staatsbos, die daarmee op 25 man kwam. Omdat de groep "mobiel" moest zijn, besloot men dat de fiets te langzaam was om snel te kunnen opereren. Eén van de KP-ers trok een Duits uniform aan en ging, vergezeld door één van zijn makkers, richting Nieuwleusen. Volgens een reeds van te voren gemaakte afspraak werd de in de garage van het gemeentehuis staande brandweerauto (zonder de daarachter te koppelen spuitwagen) geruisloos ingelijfd in de gelederen van de Staphorster Binnenlandse Strijdkrachten.
Op de terugweg werden de KP-ers bij de brug over de Dedemsvaart aangehouden door Duitse militairen. Die waarschuwden hen dat de brug op het punt stond om opgeblazen te worden. Ze werden naar de verderop gelegen brug verwezen die nog niet aan de beurt was. De hier postende schildwacht hield zijn vermeende collega's staande en gaf na enig heen en weer praten toestemming om door te rijden. Snel ging het richting het kampement, waar de auto gebruiksklaar werd gemaakt. Enkele dagen later werd de auto hier door een Engels jachtvliegtuig onherstelbaar vernietigd omdat het niet met de goede schutkleur was afgedekt. Om mobiel te blijven heeft één van de mannen toen direct de brandweerauto van Staphorst "in naam der koningin" gevorderd. (Deze is op de laatste oorlogsdag in Staphorst bij een gevecht op het kruispunt bij Waanders in brand gevlogen, evenals het hotel en achttien boerderijen.)
Op 7 April was het kanongebulder duidelijk te horen. De nu 30 KP­ers deden armbanden om, om herkend te worden als burgers met militaire bevoegdheden. De antitankwapens kregen een plaats op de brandweerauto.
Kort na middernacht vlogen Lancaster-bommenwerpers laag over. De vliegtuigen behoorden tot de No.38 Group van de RAF die in de driehoek Groningen-Coevorden-Zwolle diverse groepjes Franse parachutisten dropten, behorende tot de 2e en 3e Regiments de Chasseur Parachutistes. Het was hun taak om achter de Duitse linies bruggen ongeschonden in handen te krijgen, om de snelle opmars van de Canadezen en Polen zo ongestoord mogelijk te laten verlopen. Verder moesten ze verwarring zaaien onder de Duitse troepen, die zo niet meer zouden weten welke kant ze op moesten vechten, en ze moesten informatie zien te krijgen voor de voorop gaande eenheden van de bevrijdingstroepen.
Jan Mannen klopte even later bij Van Veenen aan omdat hij de KP­ers wilde waarschuwen over de gelande parachutisten. Koerierster Nel ging met hem naar het kamp en onderweg praatten ze volop met elkaar. Deze vrouwenstem heeft voorkomen dat de in het bos gelande parachutisten op hen schoten.
Was Van Veenen meegegaan, zoals hij van plan was, dan was het anders afgelopen. De KP-ers besloten uiterst voorzichtig te werk te gaan om eerst te weten te komen of het geen Duitse valstrik was. Jos Bonvanie ging met Mannen en Nel terug naar het boswachtershuis. Even later kwam hier ook dierenarts Loman uit Den Hulst met de parachutist Henri la Garde en de uit Meppel afkomstige, in Den Hulst ondergedoken Wieb van Werven.
Twee KP-ers gingen, zoals afgesproken, wat later op weg naar het boswachtershuis en werden toen beschoten door Franse parachutisten, die niet wisten dat er een verzetsgroep in het bos zat. Een van de gewonden riep "maquis Hollandais" (Nederlandse verzetsstrijders) en toen viel er geen schot meer. De Fransen verleenden eerste hulp bij een knieschot en een geraakte voet en toen werden de twee weer naar het kamp gebracht, waar ze eerst beter door Loman en daarna nog weer door de huisarts uit Staphorst werden verzorgd.
Ook uit Nieuwleusen werden Franse parachutisten gebracht en 8 april was de groep op één na compleet. Kees de Roos en Yves Loichot zouden op een motor nog gedropte spullen gaan halen en stopten aan de Dekkersweg voor de boerderij van de familie Santing. Ze waren hier onbekend en wisten niet dat daar een NSB-familie woonde die de avond daarvoor een verjaardag had gevierd. Juist op dat moment wilden zoon Harm en de landwachter die meegekomen was, weer terug gaan naar Zwolle. Daar stond opeens iemand in een vijandelijk uniform in de baanderdeur. Een vuurgevecht ontstond waarbij Kees en Yves omkwamen. De landwachter ontsnapte naar Zwolle.
De KP-ers in het bos stonden op het punt met enkele Canadese gevechtswagens een aanval te doen op de brug bij de Dedemsvaart die nog door Duitsers werd verdedigd, toen een dochter van de familie Spijkerman kwam vertellen wat er gebeurd was. Onder commando van de Fransen werd naar de boerderij getrokken, waar ze met geweervuur werden begroet. Het gevecht ging door tot in de boerderij, waarbij de vader en de drie zonen het leven lieten. De aanval op de brug daarna mislukte omdat de vijandelijke overmacht te groot was. Een parachutist werd geraakt.
De Canadese verkenningswagens beheersten overdag de omgeving, maar trokken zich 's avond ver terug. (Lutten was definitief in handen van de Canadezen maar Ommen zat nog bomvol SS-ers. Hardenberg en Gramsbergen waren 6 april al bevrijd, maar de grote legermacht kwam pas 11 april via Ommen in Balkbrug.)
De Franse para's beseften dat ze 's avonds een gewild doelwit voor wraakacties konden worden. Ze besloten daarom de vijand-welgezinde lieden, waarvan verwacht kon worden dat ze ook nog wel bij het scheiden van de markt levensbedreigende informatie aan de vijand wilden verschaffen, op te pakken. Na het oppakken van zeven personen besloot men, na verhoor, vijf vast te houden en toen ging één er vandoor en wist te ontsnappen. Welke contacten had hij, wat zou hij gaan doen? Men besloot een veiliger onderkomen te zoeken en de vier overgebleven gevangenen zouden daarbij zo'n risico betekenen dat tot een vuurpeloton werd besloten. Een zwarte bladzijde aan de goede kant van de oorlog. De volgende dag kwamen de orders om Balkbrug te bezetten, op dat moment een belangrijk punt in de as waarlangs de 2e Canadese divisie wilde oprukken en waar op zondag 8 april al een Poolse afdeling was gearriveerd. Tevens was het één van de weinige punten waarlangs het SS-garnizoen uit Ommen nog zou kunnen ontsnappen. Twee volle dagen en nachten liepen de KP-ers patrouille bij de tactische punten en wegen, met de dreiging aan de SS-overmacht het hoofd te moeten bieden.
Op dinsdag 10 april werd er tussen de Poolse voorhoede uit Balkbrug en de Duitse bezetting in Ommen bij Witharen gevochten. Drie boerderijen brandden af.
Vanuit Den Ham kwamen de Canadezen die de Duitsers uit Ommen verdreven. In de nacht was het oorlogsrumoer dichtbij, maar de SS trok zich langs een andere weg terug.
Woensdag 11 april werd Balkbrug definitief bevrijd. Onafgebroken kwamen vanuit Ommen jeeps, tanks en zwaar geschut die via Balkbrug naar Hoogeveen gingen en 12 april werden Beilen en Kamp Westerbork bevrijd. De Franse para's gingen terug naar hun onderdeel en de KP-ers moesten naar De Wijk.

(Samenvatting van een viertal artikelen "De partisanen van 't Schot" door Wim Bakker in de Meppeler Courant; april 1983. Overgenomen met toestemming van de auteur.)

* * *


DE BEVRIJDING IN DEZE REGIO _________________________________________________________

Op 6 april werden Gramsbergen en Hardenberg door de eerste Poolse divisie bevrijd. De Wijk volgde 8 april, Lutten en Slagharen 9 april en Dedemsvaart 10 april.
Ommen, Witharen, Balkbrug en Heemse bij Hardenberg werden op 11 april door de Canadese Tweede Infanterie Divisie bevrijd.
12 april: Steenwijk met 2 vliegvelden bij Havelterberg, Vledder en Heino.
Een dag later, op 13 april, waren Havelte, Ruinerwold, Meppel, Nijeveen, Dalfsen, Wijhe, Olst en Nieuwleusen aan de beurt.
Toen de KP-ers na het vuurgevecht bij Staphorst versterking gingen zoeken bij de Canadese brigades, waren er bij Bloemberg, De Wijk, Balkbrug, Ommen en Den Hulst geen of niet voldoende Canadezen om mee te gaan. Teneinde raad reden ze naar Nieuwleusen waar de Canadezen toezegden met enkele gevechtswagens te zullen uitrukken. Het gevecht was echter al ten einde toen ze kwamen.
Zwolle werd bevrijd op 14 april door de zevende Canadese brigade die via Raalte van Heino kwam. Daarna kwam de derde tankdivisie die langs de IJssel van Zutphen, Deventer, en na enig oponthoud, via Zwolle op 15 april door Staphorst trok richting Friesland en de Afsluitdijk.
De bevrijding van Genemuiden en Hasselt gebeurde op 14 april.
Staphorst volgde 15 april. Hier vonden de KP-ers van het Staatsbos elkaar weer en ze bleven daar een week.
De bevrijding van Zwartsluis was eveneens op 15 april.

* * *


UIT DE MEPPELER COURANT _________________________________________________________

Na sinds juni 1942 niet meer uitgegeven te zijn, verscheen op dinsdag 17 april 1945 de eerste editie van de Meppeler Courant na de bevrijding. In de krant van vrijdag 27 april werd verslag gedaan van de bevrijding van Nieuwleusen en de terugkeer van burgemeester Backx.


* * *


Voorwoord burgemeester Backx Oranjefeesten 1945 _________________________________________________________

J.Ph. Backx


Voorwoord van burgemeester Backx in een boekje dat aan de schoolkinderen werd uitgereikt bij de Oranjefeesten in augustus 1945.

                                Nieuwleusen, 31 Augustus 1945


                     Aan

de schoolkinderen van

                      NIEUWLEUSEN



                     HOLLAND IS WEER VRIJ!

Ons Vorstenhuis is weer teruggekeerd.
Vandaag de vlaggen weer uit en Oranje boven!
Geen vrees voor den bezetter meer.
Ootmoedig buigen wij het hoofd en zeggen de regelen van
het zesde vers van het aloude schoone "Christelick liet",
het Wilhelmus:
                     ..Mijn schilt ende Betrouwen
                     ..Zijt Ghij, 0 Godt, mijn Heer!
                     ..Op U zoo wil ick bouwen.
                     ..Verlaet mij nimmermeer.
                     ..Dat ick doch vroom mag blijven
                     ..U dienaer t'aller stond,
                     ..De tyranny verdrijven,
                     ..Die mij mijn hert doorwondt.

                          Het bestuur van de Oranje-vereeniging,
                               De Eere-voorzitter,

                                J.Ph. BACKX, Burgemeester.

* * *


COLOFON _________________________________________________________

Uitgave: Historische Vereniging "Ni'jluusn van vrogger"
Postbus 38
7710 AA Nieuwleusen


Samenstelling:
Redactie "Ni'jluusn van vrogger"
G. Bartels-Martens, M.C. Dirksen,
G. Hengeveld-van Berkum, R.J. Klijn,
J.W. de Weerd (eindredactie).


Met dank aan:
W. Bakker, K. Borgers, K. Brassien,
H.J. Bijker, R. Folkerts, A. Klein,
A. Kreule, G. Kreule-Kok, H.J. Meijerink,
T. Scharrenburg-Weyers, H. Schoemaker,
W. van Spijker-Kreule, H.J. Sterken,
J. Sterken-Kouwen, M. Vogelzang-van der Graaf,
C. Vreugdenhil.


"De jaren 1940 - 1945 in Nieuwleusen" verschijnt tevens als de nummers 1 en 2 van het kwartaal blad 1995 van de Historische Vereniging "Ni'jluusn van vrogger" te Nieuwleusen.


© Copyright: "Ni'jluusn van vrogger" - 1995.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.