* * *


Kwartaalblad
Ni'jluusn van Vrogger _________________________________________________________

Marius Veltmaat


Het is de bedoeling van dit project om alle door Ni'jluusn van Vrogger uitgegeven nummers van het Kwartaalblad in één doorzoekbaar bestand samen te voegen.

Begonnen is in juni 2019 met de oudste nummers, uitgegeven in 1983. Hoelang het gaat duren totdat alle nummers opgenomen zullen zijn is nog niet in te schatten.

Het kwartaalblad is vanaf 1983 tot en met 2018 uitgegeven in het formaat A5 staand, vandaar dat de tekstkolom niet breed is. Foto's die in het blad gekanteld zijn afgedrukt zijn ten behoeve van de leesbaarheid rechtop gezet.

Zoeken in het bestand is geen aparte functie, U kunt gewoon <CTRL F> of <Command F> gebruiken en dan uw zoekwoord(en) intikken in het door de browser geopende zoekveld.

Het bestand is met meer dan 11 MB groot voor een enkel .html bestand. Het duurt wel even voor het geheel ingeladen is en alle instructies verwerkt zijn door de browser.

Ik wens u veel genoegen aan de verhalen in het Kwartaalblad.

Op en aanmerkingen gaarne naar: marius@veltmaat.nl




Jaargang 1 Nummer 1 maart 1983.

* * *


Nieuwleusen, 350 jaar jong! _________________________________________________________

Hendrik Schoemaker Gzn.

DRIEHONDERDVIJFTIG JAAR NIEUWLEUSEN heeft
de gemoederen los gemaakt. Wij hebben dit vorig jaar gevierd. Velen van U hebben de tentoonstelling "'T VERGETEN NIEUWLEUSEN" bezocht.
De reacties die daaruit naar voren kwamen hebben ons tot het oprichten van de vereniging

"'t NI'JLUUSN VAN VROGGER"

doen besluiten.
Voor U ligt het eerste van ons viermaal per jaar verschijnend tijdschrift. Hierin willen wij de neerslag geven van verhalen die Nieuwleusenaren nog kennen van en over vroeger en van de kennis die er nog is over wat in het verleden gebouwd, gewerkt en gevierd werd.
Tevens is dit het contactorgaan voor de leden van de vereniging.
Een bekend vers zegt:

"Al het heden wordt verleden,
schoon 't ons toegerekend blijft."

zo is er bij onze vereniging ook al weer een verleden dat we niet zo snel hadden verwacht. Wij hebben al moeten omzien naar een grotere ruimte om al onze leden de gelegenheid te geven de vergaderingen bij te wonen.


Waarom deze vereniging?

Het is vooral in deze tijd van economische teruggang goed, eens na te gaan hoe onze voorvaderen hebben geleefd en gewerkt; zeg maar geploeterd, voor hun dagelijks brood.
Het met de schop graven van sloten was toen heel gewoon en lijkt nu haast ondenkbaar. Zo zijn er veel werkzaamheden gedaan op een wijze die paste in haar tijd, maar waarvan we ons nu haast geen voorstelling meer kunnen maken, maar die door voorbeelden en verhalen weer in de herinnering zullen worden opgeroepen. Ook willen we helpen het vage beeld van onze voorvaderen wat duidelijker te maken.
De vereniging heeft de KERKBOEKEN van NIEUWLEUSEN gekopieerd in haar bezit en ook vele uit archieven overgenomen stukken. Deze kunnen door de leden worden doorzocht. In het tijdschrift zullen we regelmatig foto's van mensen die in Nieuwleusen gewoond hebben, afdruk- ken, zodat meer mensen ze – weliswaar gekopieerd - in hun bezit kunnen krijgen.
We willen in de foto's, zowel als in de verhalen, alle kanten van de gemeente belichten en zoveel mogelijk mensen, situaties en beroepen afbeelden. Mocht U bijdragen voor ons tijdschrift hebben, dan willen wij die graag van Uw ontvangen. Voor foto's waarvan wij niet weten wie er allemaal op afgebeeld staan, doen wij een beroep op Uw kennis. Weet U meer dan wij vertellen, Vult U dat dan aan. We zullen dat dan in een volgend nummer opnemen. Wat ons bezig houdt werd op bijzondere wijze verwoord door een oud inwoonster. Hiervoor wil ik U verwijzen naar het gedicht op de volgende bladzijde.
Wij wensen U nu en in de toekomst veel genoegen aan dit blad.

* * *


Vraag aan onze lezers _________________________________________________________

Op de omslag een foto die werd genomen in Nieuwleusen en waarop een voor deze omgeving karakteristieke bouwwijze is terug te vinden.
KENT U DIT BOERDERIJTJE?
Hoewel de omgeving naderhand wel enigszins is veranderd, is de plaats gelijk gebleven.

Inzendingen sturen naar het redactie-adres:
H. Schoemaker, Burg. Backxlaan 16.

* * *


ONS VOORGESLACHT _________________________________________________________

G. Walderen - van Duren

Uit een nevelig verleden
Komen schimmen op ons af
Eerst nog wazig als een schaduw
Tot hun de tijd gestalten gaf

Traag werken de eersten moeizaam
Op de rauwe woeste grond
Tot hun moegewerkte lichaam
Er een laatste rustplaats vond

De gestalten komen nader
Uit de eeuwen op ons aan
Krijgen namen als hun vader
Die te vroeg is heen gegaan!

Namen, die steeds dichter komen
Bij het hedendaags geslacht
Tot een oude gele foto
Hun gezichten overbracht

Strenge monden en gesloten handen
Boven een wat stijve dracht
En ontroerd om wat wij vonden
Staan wij voor ons voorgeslacht.

Nieuwleusen, 7 december 1981.
G. Walderen - van Duren.


* * *


Olde Kloas. _________________________________________________________

B. van Duren


De oldere mensen op Ni'jluusn hebt um nog wel ekend.
Olde Kloas Musker. Een stille en nog al op zich zelf levende man. Een zwarte jasse an, niet al te schone.
Met zien kiste ging Kloas de boer op.
Ien die kiste zat van alles wat de vrouwen gebruuken konden. Veters, band en gaoren en veur de kienders klein speulgoed.
Bij oes thuus werd altied wat van Kloas ekocht. Mien moe had altied wel een klussie gaoren of wat aanders neudig.
Andringen deut Kloas nooit.
Proaten deut hij ook niet veule. As er een tekste aan de waand hun dan mogge daor nog wel ies graag even veur staon kieken. Verder was het ien van die stillen in den lande.
Erg breed zal hij ut wel nooit ehad hebben. As kiender denk ie daor niet zo an, mar op oldere leeftied kump de gedachte wei ies naor veuren dat Kloas ien van die stille armen is ewest.
As ie op een dorp woont dan wordt oen doen en laoten goed na egaone. Altied bint er wei mensen die wat van aandern eheurd hebben. Zij vertelt het verder, soms op een aandere manniere en zo ontstiet dan een praotien det veur de betrokkene niet altied angenaam is.
Zo gun op een keer Olde Kloas bij oes op het dorp ok aorig over de tonge.
Kloas zol 's aovends niet naor huus egaone wezen, mar bij een weduwvrouwe Griete ien bedde overnacht hebben. Ja, en dan bint der van die mensen, die wilt er het rechte van weten.
Van die mensen die nooit van het gezegde van de splinter en de balk eheurd hebben.
Zo kwaamp Kloas dan met zien negotie bij een gezin waor ak de name niet van numen wille. De vrouw begun der over; "Kloas, wat ek eheurd. Heb ie onlangs bij Griete eslaopen? Wat muk daor nou van denken?"
Kloas had zien antwoord niet klaor. Wat mus hij daor nou op zeggen?
Mar hij kreeg hulpe.
Er ging een schip deur de Dedemsvaort en het mag dan wel toevallig wezen, mar opiens Kloas tegen de vrouwe: "Dreeit oe ies umme en leest ies wat op det schip stiet".
Het mense kreeg een kleur tot achter de oren, want zij lezen de woorden: "ZIET OP U ZELVEN".
Dit is mar een klein verhaaltien wat wel echt ge- beurd is.
Hoe het gesprek tussen Kloas en die vrouwe wieder egaone is, weet ik ook niet.
Wat ik echter wel wete, is dat wij allemaole van mensen als Olde Kloas Musker heel wat kunt leren.

* * *


Kruidenier Jan de Groot _________________________________________________________


Foto: A.J. van Spijker.


Hierboven zien we op een omstreeks 1920 gemaakte foto JAN DE GROOT; kruidenier bij de Withaarsbrug en grootvader van de Sparwinkeliers.
Naast hem staan HILLIGJE PRINS en KLAASJE SCHUURMAN. Waarschijnlijk is deze foto gemaakt bij HENDRIK PRINS aan het OOSTEINDE, want daar stond zo'n schuur, die vroeger ook wel "schot" werd genoemd.
Jan de Groot, die ook wel Jan Kuiper - waarschijnlijk naar het beroep van zijn vader - werd genoemd, maar dat zullen nog maar weinig mensen weten - werd door een van de kleine kinderen die nog niet goed kon praten, Jan Kuker genoemd.
Vooral bij nat weer was het ploeteren om aan de kost te komen. Bijna alle wegen waren nog onverhard en verander- den in ware modderpoelen, zodat hij niet zelden zijn HIT of KIDDE moest helpen trekken om er door te komen. Het was vaak al donker als hij kwam en er lagen al veel mensen in bed wanneer hij nog naar zijn laatste klanten moest. We zien hier dat in de tijd van alles kon. Achteraan de wagen hangt een KIPPENBEN. Ook het licht op de wagen werd niet vergeten. We zien er een mooie KAARSLANTAREN op staan.

* * *


KOERIERSBRUG _________________________________________________________

H.S.


FOTO hieronder: "KOERIERSBRUG".

In 1924 is de ophaalbrug vervangen door een draai brug. Op de vaartwal staat nog een appelboom: "met zure krengen" is ons verteld. Verder zien we een straatlantaren; een zogenaamde OLIEBRANDER.
Een boerderij aan de noordzijde en de voormalige brugwachterswoning bewaren de namen voor het nageslacht.


KOERIERSBRUG - BRUG 5 - WITHOAR ZIEN BRUGGE.

Personen op de foto zijn:
Vrouw Withaar, dochter Jitske en kleindochter Geesje. Derk Jan Schiphorst, Jozina Schiphorst en wegwerker Bouwman.

* * *


Ze kwamen terug. _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.

"Ze kwamen na jaren uit Brabant weerom, met vliegend vaandel en slaande trom…….."

Aan dit oude gedicht moesten we denken toen vorig jaar veel oud-Nieuwleuseners en zelfs hun verre nazaten weer naar hun oude dorp terugkwamen.
Met een kleindochter, achterkleinzoon en achter- achter-kleinkinderen van burgemeester Bosch Bruist bezochten we de tentoonstelling "'t Vergeten Nieuw leusen" bij Schoemaker. De kleindochter droeg bij deze gelegenheid een zware gouden armband die haar grootmoeder eens geschonken kreeg van de inwoners van Nieuwleusen. Het draagt de inscriptie: "Voor Uwe trouwe hulp bij den watersnood van 1894".

JAN BOSCH BRUIST was al op 28-iarige leeftijd burgemeester van Nieuwleusen. Hij huwde te Staphorst met JACOBA RICA STEENBEEK, oud 20 jaren. Ambtenaar van de burgerlijke stand was hierbij Jacob Ubak, want voor deze gelegenheid trad burgemeester, mr. Petrus Slot, als getuige op. Van Nieuwleusen was als getuige komen opdraven HENDRIK MARTEN HOOGKLIMMER, oud 68 jaren, predikant. In het "Jahrbuch des Heimatsvereins Bentheim" staat een artikel over de familie Hoogklimmer onder de titel: "Hendrik Martin Hoogklimmer, Predi ger zu Laar 1837-1872."
In het blad "'t Onderschoer" van de heemkunde vereniging Denekamp, schreef H. Boink een artikel over ds. Hoogklimmer, waarvan we met diens toestemmming enkele gegevens overnemen.

Ds. H.M. HOOGKLIMMER was gehuwd met ANNA AGNIETA STORK. Ze hadden zeven kinderen, waarvan de oudste, de latere burgemeester van Denekamp, eerst de Duitse nationaliteit had.
Van 1872 tot 1875 was ds. Hoogklimmer predikant te Weerselo en daarna nog vier jaar in Nieuwleusen. Een in het Duits gesteld persbericht vertelt:
"In Nieuwleusen feiert er das 40 jährige Ehejubiläum, an dem das ganze Dorf sich beteiligt. Die Kinder der drei Schulen bringen eine schöne Obade beim Pfarrhaus. Sie werden beschenkt mit "chocolade, krentebroodjes, enz.". Als Geschenk der Gemeinde bekommt er eine "marmere Pendule"..
In 1887 is hij overleden ten huize van zijn dochter in Dalen, die gehuwd was met burgemeester Ten Holte. In Dalen ligt ook zijn vrouw begraven, die overleed in 1901.


Hendrik Martin Hoogklimmer 1837 - 1872
predikant te Laar
(een dorp, net over de grens bij Coevorden).

In 1614 woonde in Oldenzaal "Johann Harmsoen Hoog- klimmer en Anneke z'n husfrau". Ze waren lid van het weversgilde. Zo'n tien jaar later is dit echtpaar met hun kinderen bepakt en bezakt in Bentheim aangekomen en daar een wijnwinkeltje begonnen.
De voorvaderen van ds. Hoogklimmer in rechte lijn zijn:

Jurgen Hoogklimmer 1626-1705; burgemeester van
Bentheim
Ernst Friedrich Hoogklimmer, overl. 1739: burgemeester
van Bentheim
Jan Georg Hoogklimmer 1711-1775: burgemeester van
Bentheim
Johann Georg Hoogklimmer 1784-1853: rentmeester en
Ambtmann te
Neuenhaus.


Het kerkje Van Laar, afgebroken in 1863 en vervangen
door nieuwbouw.

* * *


Schaapskooi _________________________________________________________

H. Schoemaker.


Foto H. Schoemaker.

Op een kaart uit 1890 zien wij in Nieuwleusen 43 SCHAAPSKOOIEN aangegeven.
Schapen werden hoofdzakelijk gehouden voor de mest, welke op het bouwland werd gebruikt. Daarnaast was de wol belangrijk. Met de komst van de kunstmest werden schapen minder nodig en veel schaapskooien raakten in verval en werden afgebroken.
Er staat nu nog maar een heel enkele kooi. Wij vonden -behalve de afgebeelde- nog slechts drie schaapskooien in de gemeente, nl. bij:
Henk Prins aan het Oosteinde
Jan Kragt aan het Oosteinde
Arend Reuvers aan 't Pad, of wel het Westerveen.
ZIJN ER NOG MEER?
De hierboven afgebeelde schaapskooi is van KLAAS BIJKER aan het OOSTERVEEN.
Het is nog een mooi exemplaar.

Schaapskooien hadden meestal driehoekige voor- en achterkanten, zodat de schapen elkaar niet zouden kunnen dooddrukken. De vloer was lager dan de grond rondom de kooi, zodat er een dikke laag mest in kon worden opgespaard. Het rieten dak werd onderbroken door rijen dakpannen,
om het uitwasemen te bevorderen.

* * *


Bijenstal _________________________________________________________

H. Schoemaker.


De trots en de nestor KLAAS KREULEMAN van
de Nieuwleusense bijenvereniging bij zijn "bijenstal"
aan het RUITENVEEN.

Wij wensen hem nog veel vreugde met zijn vliegende vrienden.
Zolang er mensen op Nieuwleusen hebben gewoond, zullen er ook wel bijen zijn geweest. Op de BOEKWEIT en de HEIDE verzamelden zij de nectar, waarvan ze de honing maakten.

* * *


KLOMPENGELD _________________________________________________________

G. Hengeveld - van Berkum

Wie in onze dagen weet nog wat klompengeld is? Misschien de ouderen nog wel en degenen die het vroeger kregen, maar verder is het niet zo bekend. Als men er naar informeert bij de officiële instanties weet men ook daar niet wat het is. Maar zo werd het in de volksmond gebruikt. Wie kwamen er voor in aanmerking? Dat waren degenen die verder dan vier kilometer van school woonden. Het inkomen van de ouders was medebepalend. Dit alles was vastgelegd in artikel 13 van de Lagere Onderwijs Wet. Men kon deze vergoeding aanvragen bij de gemeente waarin men woonde.
Toen mijn ouders op de Kievitshaar woonden, hebben zij het aangevraagd, bij de gemeente Avereest, voor hun kinderen die in Den Hulst naar school gingen. Dit deden ze tezamen met de andere buurt bewoners in 1932. Zij richtten hun verzoek aan de gemeente en die moest bepalen of men er voor in aanmerking kwam.
De gemeente Avereest stelde het in handen van veldwachter Piel, die een onderzoek moest instellen omtrent de afstand. Maar wat hield dit nu in? De veldwachter moest lopend van de Kievitshaar naar Den Hulst gaan om te kijken hoe groot de afstand was. Hij nam wel de fiets aan de hand mee, zodat hij de terugweg kon fietsen. Enige tijd later kregen de bewoners van de Kievitshaar bericht dat hun verzoek was ingewilligd. Evenwel niet voor diegenen die hun kinderen naar Oud Avereest naar school stuurden. Dat was te dichtbij.
Men kreeg ƒ 10,-- per leerplichtig kind. De klompen kostten in in die tijd 80 à 90 cent per paar. Maar ze waren spoedig versleten, want het was heen en terug ongeveer drie uur lopen en dat vijf keer per week. Ook hielden ze het niet zo lang vol. Voor die tijd was het toch een mooi bedrag.

* * *


De Meele _________________________________________________________



Bijgaande foto toont het huis op DE MEELE waar HENDRIK JAN LUTTEL omstreeks 1914 ging wonen. De plaat is zo'n 50 jaar geleden, ± 1933 genomen door meester ROZELAAR.
In het oude trouwboek van de Herv. Kerk lezen we:
30-11-1829: gehuwd:
BEREND JAN LUTTEL. 25 jaar,
geboren te Twist - Koninkrijk Hannover - boerenknecht,
zoon van Harm Heinrich Luttel en Maria Catharina
Wosthoff en HENDRIKJE UILTJES, 24 jaar, dochter
van Jan Uiltjes en Klaasje Hendriks.
Dus daar stammen de Luttels vanaf.


* * *


't Ni'jluusn van Vrogger _________________________________________________________

R.J. Klijn

Wat beoogt deze vereniging te doen en waarom stelt zij zich deze taak?
Om hierop in het kort een antwoord te geven, deze toelichting.

Vrogger, wat moeten wij onder dit begrip verstaan? Uiteraard is dat niet heden of gisteren, maar eer- gisteren doet er reeds een beetje aan denken. Hoe spoedig zeggen we niet:
O ja, dat was toen!
Om nu te voorkomen, dat "dat van toen" vergeten wordt, stelt de vereniging zich tot doel, om al wat van belang is voor het nageslacht te behouden. Foto's, geschriften en het gesproken woord op de band zullen worden verzameld en bewaard. Maar ook het Vrogger van lang geleden, dat in ar- chieven elders is opgeslagen, zal worden opgespoord en op een voor een ieder begrijpelijke wijze beschik- baar komen.

Hiernaast zal ook getracht worden om oude gebruiks- voorwerpen en kleding te verzamelen, welke te zijner tijd in een in te richten oudheidskamer zullen worden tentoongesteld.

Zo zullen er vast nog meer onderwerpen zijn, die betrekking kunnen hebben op het "Ni'jluusn van Vrogger".
Om deze nu gestalte te geven, kunnen de leden van de vereniging werkgroepen gaan vormen en zodoende hun bijdrage leveren tot behoud van al hetgeen van deze streek vermeldenswaard is.


Jaargang 1 nummer 2 juni 1983.

* * *


Van de Redactie _________________________________________________________

Op de omslag van dit tweede nummer van ons tijdschrift een foto van de drie dames die zorgden dat het eerste nummer door z'n 300 mensen gekocht en dus gelezen is. Een betere start hebben we ons als redactie niet kunnen wensen.
Op de voorjaarsmarkt op zaterdag 9 april hebben ze, gekleed in de klederdracht van deze streek, de belangstelling van menig marktbezoeker weten te trekken. Bewondering voor de kleding die tot de zestiger jaren een deel van het gewone straatbeeld vormden, maar die daarna langzaamaan als gedragen kleding helemaal verdween.
Als we zien hoeveel werk er gemoeid is met het netjes houden van de onderdelen van de kleding, dan is dat ook geen wonder. Alleen het wassen, stijven en in model brengen van de witte mutsen - die elke keer weer uit elkaar en in elkaar gezet moeten worden - vraagt uren.
Het aantal vrouwen dat deze vaardigheid nog bezit is bovendien erg dun gezaaid. Dit bracht mevr. Henge veld en mevr. Kreule ertoe de kunst bij een familielid in Wijhe af te kijken. Ze zijn nu al druk doende met de plankjes en de koperen pennen, zodat binnenkort mensen die nog klederdracht bezitten weer in hun eigen dorp terecht kunnen voor het fris maken van deze mutsen. Zien we misschien op de volgende marktdag nog meer dames in een stukje "cultuur van vroeger" rondstappen ?

De goede oplossing van de vraag uit ons vorig nummer kwam van C. VOGELZANG.
De foto op de omslag was: Het huisje dat ingebouwd is in de winkel van Schoemaker - de meubelmaker.
Hierin zijn de eerste vergaderingen van de vereniging gehouden, tot het te klein werd.

U kunt LID/ABONNEE van ons tijdschrift worden door het overmaken van ƒ 15,-- op rekeningnr. 3455.74.427 van de Rabobank te Nieuwleusen.

* * *


Notabelen op Studiereis _________________________________________________________

foto: mevr. Aalbers - Zonnenberg.


Omstreeks 1920 genomen foto van Nieuwleusener notabelen, aan de dis in de stationsrestauratie van de Hollandse Spoorweg Maatschappij te Zutphen.
Afgebeeld van links naar rechts: Hendrik Schoemaker, Berend Jan v.d. Berg,
Burgemeester Backx, Hendrik Jan Bijker, Klaas Bijker, Gerrit Jan Zonnenberg,
Jan van Spijker, Jan Kleen Scholten, Albert Dekker, Hendrik Prins.
Wie kent de tweede man van rechts? De goede naam graag insturen.

Aanvulling naar aanleiding van het tweede nummer:
In het boekje nr. 2 d.d. juni 1983 werd gevraagd wie op de foto van blz. 18 de tweede man van rechts was. Van diverse zijden werd ons bericht dat deze persoon de heer Albert Dekker was, gewoond hebbende Brug 5.

Van Hilligie Bijker, Raiffeisenstraat 35, ontvingen wij nog enige aanvullende informatie.
Haar vader Hendrik Jan Bijker stond nl. ook op de foto. De notabelen waren deze dag in 1918 naar Borculo geweest om aldaar de aanleg van de elektra te bezien, omdat men ook in Nieuwleusen wilde overgaan tot de aanleg hiervan.
Het uitstapje was de heren zo goed bevallen, dat men een jaar later weer op reis ging en toen nog wat verder en wel naar Rotterdam. De reden van deze trip is nog in nevelen gehuld, maar mogelijk kan iemand ons nader informeren. De foto van deze reis is al opgenomen in het boek: "Kent U ze nog.... de Nieuwleusenaren", door H.J. Meijerink.

* * *


öKKIES KêRMSE _________________________________________________________

Mevr. Bosch Bruist-Steenbeek
H. Sterken Rzn.


Mej. De Koning, nu ± 70 jaar en wonend in Enschede, logeerde als 4-jarig kind in Nieuwleusen, waar haar grootvader Bosch Bruist burgemeester was (1876-1916). Niet lang geleden vond ze een bundel herinneringen aan Nieuwleusen van haar grootmoeder mevr. Bosch Bruist- Steenbeek. öKKIES KêRMSE is één van die ver halen. öKKIES zijn hokjes en dat zijn de zitplaatsen in de kerk.

* * *

Ja, ja, we hebben ook een kermis op ons dorp en meer dan ergens anders staat onze kermis nog met de kerk in verband. Het is de zogenaamde Hokjeskermis of, zoals ons landsvolk zegt ökkieskarremis.
Zij wordt gehouden op de laatste dinsdag in April en is feitelijk niet anders dan het verhuren der zitplaatsen in de Ned. Herv. Kerk. Bij die gelegenheid komen één of hoogstens twee bakkers uit naburige dorpen, benevens een koopman in zeer ordinair kinderspeelgoed, hunne heerlijkheden in een paar kraampjes die tegen de kerk geplaatst worden, ter verkoop aan bieden. Daar zegt ge: "Dat is toch volstrekt niets interessant". Neen zeker niet. Niemand zal er iets merkwaardigs in vinden, behalve de dorpelingen zelf en in 't bijzonder de getrouwde vrouwen. Die vinden de kermis wel degelijk van belang, bijna zo gewichtig als de Vrijdagse markt, maar toch niet helemaal. Al heerst er ook tot des middags half twee de meest volkomen rust op 't dorp, wij die ons volkje kennen, weten heel goed dat het er popelt in menig vrouwen hart, van verlangen naar het gewichtige ogenblik, naar het plechtig boem-bam van de torenklok. Voor haar is het ook volstrekt niet van gewicht ontbloot of de vrouw van Klaas en Geert voor of achter haar zit en of de plaatsen hoog zullen lopen of niet. Want ge moet weten: hoe bescheiden ijdel een boerin ook zij, haar beugeltas gaat niet gemakkelijk open en dat is goed ook.
Welnu, om half twee ruim stappen de leden van den kerkenraad voorbij; kluchtig deftig is hun tred, kluchtig gewichtig staat hun gelaat.
Zij begeven zich naar het kerkgebouw, waar inmiddels ook de kerkelijke ontvanger en een gepensioneerd hulp-onderwijzer zijn aangekomen. Langzamerhand komen nu de boerinnen - mannen gaan er weinig heen - van alle kanten aan wandelen; de meeste met twee, drie kinderen aan de rokken, sommige met zuigelingen op den arm. Allen zijn ze wel niet in "kistentuug", maar toch netjes opgeknapt. De knipmuts en schuuties schullik zijn achterwege gelaten, maar een nette strikmuts, een bont- of wollen schort kleden haar in mijn oog tenminste nog veel beter. De kinderen met de mooie pluimmutsen of wel met de nieuwe, met groen lint en rode roosjes versierde hoedjes stappen al even gewichtig als hun moeders. Maar hun oogjes schit teren toch. Daar slaat het twee uur. Plechtig ogenblik: boem-bam, boem-bam. De boerinnen zijn nu om de kerk verzameld. De kinderen verdringen zich voor de kraampjes terwijl de kermis wordt ingeluid. Och, 't is alles zo primitief, zo doodeenvoudig, maar toch zo aardig voor wie daar oog voor heeft. Enige ruiten van één der hoge boogvormige kerkramen worden geopend en daar verschijnt door de opening de gestalte van de hulponderwijzer; tenminste, zijn bovenlijf, vrijwel gelijk onze vriend Jan Klaassen in de poppenkast. En evenals 't publiek zich gewoonlijk verdringt om Jan en Lijs, zo verdringen de boerinnen elkander hier om de langen hulponderwijzer op zijn verheven standplaats. Dan begint het eigenlijke verpachten.
De nummers der plaatsen worden opgeroepen en van beneden wordt er geboden; wel tot negen of tien gulden toe. Vooral als "domeneer" in de gunst en geen vacature te voorzien is. 't Is onbegrijpelijk dat de vrouwen zich alleen door het afroepen der banken en nummers zich een juist denkbeeld van de plaatsen kunnen geven. Maar ze kunnen het, dat verzeker ik U. Wat begerige ogen, wat benauwde gezichten als de prijzen eindelijk al te hoog lopen. O, 't is vermakelijk om te zien. Het loven en bieden duurt voort tot eindelijk ook de goedkoopste plaatsen geveild zijn. De minst met aards slijk bedeelden zijn dientengevolge het laatst aan 't woord. En dan gaat elk nog eens rondkuieren, de schatten harer kinderen bewonderen, iets voor de hele kleintjes kopen. En dan gaat elk, ja 't is schrikkelijk eenvoudig, weer naar huis, met kinderen en al. Want daar wachten weer koeien, kalveren en biggen op ver zorging, die de wakkere boerin niet gaarne aan anderen overlaat. Was daarmee de pret voor de ouderen en de kinderen afgelopen, dan begonnen de jonge "magies" en jongens op het toneel te komen. Begonnen, want of de boeren werkelijk "krimphartig" worden, zoals mij onlangs door een neringdoende werd verzekerd, of dat het jonge volk geblaseerd is door het bezoeken der Z.sche of D.sche kermis. Hoe het zij, er wordt geen napret meer gemaakt en 's avonds om negen uur is het weer even rustig op het dorp als het om half twee nog was. Is dat nu geen belangrijke kermis? Neen, foei, schaamt U. Zeg het maar niet aan de boerin netjes die er vanmiddag naar toe zijn geweest. Die praten er nog over, tot ze zich klaar gaan maken voor de Vrijdagse markt, waar ze de in de laatste week gekarnde boter en de verse eieren te koop gaan presenteren.

* * *


DE DOKTER _________________________________________________________

G. Hengeveld-van Berkum



Toen Henderkien meuje in 1921 ziek was, vroeg dokter WAGNER, die hier toen huisarts was, hulp van een specialist uit Zwolle. Op zondagmorgen kwam Dr. FIJN VAN DRAAD met paard en wagen naar Nieuwleusen, verleende zijn hulp en stuurde enige tijd later de rekening.
Die bedroeg ƒ 25,--

Voor die tijd een erg hoog bedrag.
Dokter Wagner vond dit bedrag dan ook veel te hoog en zei dat hij er werk van zou maken; echter zonder resultaat.
Maken we een vergelijking met onze tijd, dan was het bezoek van de specialist bijna voor niets. Maar een vergelijking met een andere doktersrekening uit een iets latere tijd leert dat het bedrag toch wel erg hoog was.
Klaasje van Berkum had een poosje op Nieuwleusen gediend en ging nu als boerenmeid naar Masten broek. Voor zij daar naar toe ging werd er een nieuwe fiets gekocht. Toen ze nog niet zo lang "in betrekking" was, zoals dat toen heette, kwam ze op één van haar vrije zondagen, die ze één keer per maand had, thuis.
"Jullie moeten mijn fiets eens proberen, die trapt zo zwaar. Ik word zo moe van het fietsen", zei ze toen.
Aan de fiets bleek niets te mankeren. Toen moest ze naar de dokter en toen bleek dat ze "pleuris" had. Drie maanden lang kwam de dokter haar bezoeken en na die tijd moest ze nog "afkuren".
Voor al die doktersbezoeken en de medicijnen die ze in die tijd nodig had, is de rekening op de vorige bladzijde.

Let U ook nog even op het telefoonnr.:

* * *


Wapenstilstand 1918 _________________________________________________________



De kaart is geadresseerd aan Mej. G.J. Palthe in Oldenzaal!

In de nacht van 10-11 november 1918 werd de wapenstil stand ondertekend, die een einde maakte aan de Eerste Wereldoorlog. Uit blijdschap over de bereikte vrede of uit dankbaarheid voor de ontvangen gastvrijheid of om te tonen dat Nieuwleusen zich betrokken voelde bij het wereldgebeuren; in ieder geval werd in diezelfde maand deze foto genomen - aan het WESTEINDE bij de school van SIEFERS - waarop een groep Franse/Belgische(?) vluchtelingen staat afgebeeld, samen met een aantal gastheren.
Wij kennen:
MEESTER VALK - toenmalig hoofd van de school
BURGEMEESTER BACKX en echtgenote
WETHOUDER ZONNENBERG
Tekst op het bord:
"SOUVENIR NIEUWLEUSEN - HOLLANDE
LES éVACUéS DU NORD DE LA FRANCE
NOVEMBRE 1918
Herinnert iemand zich nog iets over deze évacués of zijn ergens contacten gebleven?


* * *


'n Groet aan Ni'jluuz'n. _________________________________________________________

E. Dijk

An Westkaant van de Vinkenbuurte
Daor lig Ni'jluuz'n uut espreid.
As ik mien fietse daorhen stuurde,
Die mi'j naar 't olde dorpien leid,
Dan kwam ik vrogger in die streek'n
Van of oes 'uus naor d' Kèrkenhoek.
'K 'eb die umgeeving goed bekeek'n
-In 't Zuuden lag 't Oldluusnerbroek.-

De klinkerweg bink langs 'ekoom'n
Bi'j winterdag soms gloepens glad
An beide kaanten stonden boom'n
Naor 't Noorden hen, daor leup het Pad.
Daor stunnen groote boer'n 'uuz'n
Die luu daor boerd'n barre best
Hier in 't Oosteinde van Ni'jluuz'n
Ad elke boer een bonke mest.

Bi 'j 't verder gaon langs stienen straote
kwam ik in d' Kèrkenhoek terecht.
Daor bin 'k un poosie toen gaon praot'n
Mien oom en meuje dag ezegd.
Nog wieder bin ik wel ies gaone
Naar 't Westeinde, naor 't Ruutenveen
Soms wel ies an de spoorlijn staone.
De trein gunk deur De Meele heen.

Ook gung ik vrogger meerdre maolen
In mien jeugdtied, veur zestig jaor,
Mien andacht an Den Hulst bepaol'n.
Dan zag ik veule scheep'n daor
Die van De Balk naor Asselt vaar'n.
Den Hulst, weerskaanten van 't Kanaal
Waor d' uuz'n naost mekaar zich schaarden
Het lag apart, t' sprak een eigen taal.

Ik eb de meulens vaak zien dreijen
Van Muller, Snieder en Massier.
En as et soms wat 'ard gung weijen
Dan add'n de wiek'n veul plezier.
De tram eb ik er langs zien ried'n
De bochte deur, over brug Zes.
Hi'j kwam er langs op vaste tied'n,
Langs de vaort, naor Dedemsvaort-S.S.

De klokke van de Groote Kèrke
Ko'j 'euren tot in d' Vinkenbuurt.
As d' wiend 't geluud wied weg wol warken
Ef ee zien groet an oes 'estuurd.
'K 'eb ok wel ies bi'j 't orgel keek'n
Van d' Kleine Kèrke in d' Kèrkenhoek,
Doomnee Van Diem'n 'euren preek'n
Uut 't grote, dikke Biebelboek.

En toen Ni'jluuz'n feest gung vier'n
-Driehonderd vieftig jaor'n old-
Met bloem'n straoten op gung sier'n,
Muziek klaor over de Straoten rold',
Dacht ik t'rugge an de jaor'n
Toen ik er eertieds veule kwam,
D' indruk van toen gao ik bewaar'n
Ok van 't Kanaal en d'olde tram.

Dit was un vassien van Ni'jluuz'n
Van 't dorpien uut mien jonge tied.
Die streek met mooie, olle 'uuz'n
Wie 't ienmaol zag, verget et niet.
lk zal dit laand bliev'n gedenk'n
-Mien veurolders koomt er vandaon-
Mien andacht wil ik 't blieven schenk'en
'K 'oop er nog vaake deur te gaon.

E. Dijk woonde als kind in de Vinkenbuurt. Zijn moeder, Margien Tempelman, was in 't Oldluusnerbroek - in 't Veen heette dat in de volksmond - geboren. Dat is de oostkant van wat nu de Dommelerdijk is. Hij is nog een nazaat van ds. Brunemeijer, die van 1871-1882 predikant was in 'het kleine kerkje', dat nu door transport bedrijf Westerman - Westeinde 11- als garage wordt gebruikt.
Een dochter van ds. Brunemeijer, Engelina, trouwde in 1878 met Evert Dijk, de grootvader van deze Evert Dijk.

* * *


Het Groene Kruis _________________________________________________________


Foto van zuster AGNES VAN DE ABEELEN, met in het midden haar moeder en rechts haar zuster MATHILDE.
Zuster Agnes van de Abeelen was de eerste "LIEFDEZUSTER" zoals de wijkverpleegsters nog wel tot en met de komst van zuster Dirksen werden genoemd.


De Vereniging het Groene Kruis werd in 1917 opgericht en Agnes van de Abeelen werd op 9 mei 1919 met algemene stemmen door het bestuur benoemd tot wijkver pleegster. Zij kwam uit Arnhem.

Op 8 oktober 1925 heeft ze de beschikking over een motorfiets gekregen; te gebruiken voor Groene Kruis- werkzaamheden. lx per week mocht ze deze motorfiets bij de heer Vos brengen - directeur van de zuivelfabriek en voorzitter van het bestuur - om schoon te laten maken. Op 22 december 1925 kreeg ze, op eigen verzoek na een conflict met een huisarts, eervol ontslag.

Ze woonde in het laatste van de vier dubbele huizen aan de Backxlaan tegenover (nu) de Spar, met haar moeder en zuster als buren.
Dit waren de eerste huurwoningen, in 1920 gebouwd, van de woningbouwvereniging.
Op een steen in de gevel van de huizen 116-118 staat:

"DE EERSTE STEEN IS GELEGD DOOR
J.Ph. BACKX
BURGEMEESTER VAN NIEUWLEUSEN,
VOORZITTER DER VEREENIGING WONINGBOUW."

Zus Mathilde bouwde later een huisje achter (nu) garage Stolte en hield daar zoveel kippen dat ze de bijnaam "kippenzuster" kreeg.

In 1921 werd de eerste steen gelegd van het GROENE KRUISGEBOUW - nu Backxlaan 75 - naast de boerderij van Willem Stegeman; later verbouwd tot DE BOERDERIJ, en na de bouw van het nieuwe huidige Groene Kruisgebouw, waarvan de eerste steen werd gelegd op 5 oktober 1953, gekocht en verbouwd door Klaas Dunnink, die er nu nog woont.

ANNO 1921
Dit gebouwtje werd aan de
Vereeniging het Groene Kruis
geschonken door
Mej. G.J. PALTHE
en
Mr. W.J. BARON VAN DEDEM

Tegenover het groene kruisgebouwtje werden in datzelfde jaar de drie dubbele woningen gebouwd. In één ervan woonde Mevrouw Brouwer, die steeds met de "klanten" naar het gebouwtje aan de overkant ging om de benodigde spullen uit te lenen. Zij is de moeder van aannemer Brouwer uit de Bosch Bruiststraat en de schoonmoeder van de filiaalhouder van de Rabobank aan het Westerveen Klaas Brassien.

Als tweede wijkverpleegster voor de gemeente Nieuwleusen kwam zuster G. VAN BUITEN.
Ze werd op de bestuursvergadering van 17 juni 1926 benoemd met ingang van 18 juni 1926 tot in de jaren vijftig.
Ze ging op haar fiets van de Steenwetering tot Oosteinde de zieken en bejaarden verzorgen en dat was op de vele onverharde wegen geen kleinigheid.
In de oorlog kreeg ze van de bezettende macht speciale fietsbanden uitgereikt om haar werk te kunnen blijven doen.

Het Groene Kruis werd vroeger door particulier initiatief opgericht en instand gehouden. Tijdens de bazar ten bate van het kruiswerk stelde de firma Boers een bus ter beschikking, waarmee de mensen voor een dubbeltje een ritje van Den Hulst naar De Kerkenhoek mochten maken en, als ze geluk hadden, de rol van conducteur spelen. De bus was steeds afgeladen vol.

Beide foto's zijn van mevr. Schuurman, Meeleweg 54.

* * *


BOEKWEIT: ALTIJD TE VEEL OF TE WEINIG _________________________________________________________


Volgens een oud gezegde was boekweit een gewas waar men altijd teveel of te weinig van had. Te veel als er een groot stuk land mee was ingezaaid en de nachtvorst toesloeg. Te weinig wanneer het gewas wel voorspoedig was opgegroeid, maar slechts weinig korrels bleek te dragen. De opbrengst kon bijzonder wisselvallig zijn. De hoeveelheid halmen die het ene jaar honderd kilo zaad opleverde, gaf dikwijls het andere jaar niet meer dan vijftig kilo.

Behalve voor het bereiden van "grutjes"-pap en panne koeken diende het boekweitmeel als veevoeder, speciaal voor varkens en paarden.

Het woord boekweit betekent BEUKEN-TARWE, dit in verband met de driehoekige vruchtjes, die vorm van beukennootjes hebben. De plant is geen graansoort, maar behoort tot de Duizendknoopfamilie, d.w.z. planten met opvallende "stengelknopen" waar de zijstengels groeien.

Boekweit werd vroeger veel verbouwd omdat het op arme grond wilde groeien. Het land dat "aangemaakt" of "afgeveend" was, werd de eerste keer met boekweit ingezaaid omdat dit het enige gewas was dat op onbemeste grond wilde groeien. Na wat jaren mesten kon haver en rogge verbouwd worden En verdween de boekweit. Toen de boeren in Oudleusen meer behoefte aan weidegrond kregen, begon men de heide, tussen wat nu Kringsloot en Oosteinde heet, te ontginnen en maakte daar akkerland van; begon daar dus boekweit te verbouwen. Het akkerland kon verder van de boerderijen liggen omdat dat niet dagelijkse zorg van de boer nodig had.

Boekweit moest 's morgens vroeg of 's avonds laat - in de dauw of BOEKWEITMAAN - gemaaid en gebonden worden, omdat anders het zaad wegviel.
Een BUSSEL (bos) boekweit, die 50 tot 70 cm lang was, werd eerst van onderen uitgespreid neergelegd en dan werd de kop met zaden erop gevouwen en werd de onderkant er weer omheen gevouwen. Met een BAND roggestro werd de GARVE dan dichtgebonden.
Binnen werd de boekweit gedorst en getreden.
Meestal zaten er nog oude bloemblaadjes aan de zaden. Het zaad werd daarom in een ton gedaan en met klompen aan GETREDEN. Daarna werd het zaad gewand of geschud. Met een WANNE werd het zaad op een winderige plaats omhoog gegooid, zodat de oude bloemblaadjes konden wegwaaien en de korrels weer terug vielen in de wan. Daarna werden de korrels gemalen in een korenmolen, waarin boekweitstenen werden gezet.

De naam BOEKWEITENKAMP die door de familie Van Der Kuil in 1982 aan hun huis aan de Puntweg werd gegeven, houdt de herinnering levend aan dit vroeger ook voor deze streek zo belangrijk gewas.

* * *


Ni'jluus'ner Klederdracht _________________________________________________________


Beschrijving van de kleding zoals die op deze foto gedragen wordt; van links naar rechts.

Mevr. KREULE draagt een lijf en rok met daarover heen een schoudermanteltje of pellerine van zachte zwarte wol; meestal machinaal gebreid.
De (k)neepjesmuts is - in tegenstelling tot de situatie en het blijde gezicht - bedoeld voor de rouwtijd. Het is dan een muts van tule of, zoals hier, van heel dunne katoen of batist zonder patronen of versiering; in lange plooien over de schouder vallend. Aan de voorkant een afzetting van heel fijn en stijf in elkaar vallende plooien.
Bij diepe rouw, d.w.z. wanneer er om naaste familie gerouwd werd, kwam er een zwarte, grillig geplooide muts met zwarte satijnen strikken over heen.
Als zondagse kledij gedragen kwam bij deze dracht een neepjes- of knipmuts van tule, versierd met prachtige ronde kantversieringen. Hier over heen kwam bij feestelijke gelegenheden een als een bontrand vallende bruin geverfde struisvogelveer.
Prachtig versierde gouden "mutsbellen" gaven rijkdom
aan het geheel.

Mevr. HENGEVELD loopt er "daags" bij. Ze draagt een donkerblauwe schort met geruite bovenkant. De daagse muts is gehaakt van witte katoen, die zo gerimpeld en gesteven wordt dat de buitenkant omhoog afstaat en ook de strikken onder de kin staan vaak wijduit.

Mevr. SPIJKER draagt de gewone uitgaanskledij, met een zwart satijnen rok, met onderaan 4 opnaaisels en een "redicule" tas.
Ze draagt een Zwolse- of kroesmuts. Dit is een witte, katoenen muts met rijke broderiekant, die achterlangs in brede, platgestreken plooien weer uitwaaiert tot openstaande plooien doordat de bovenste plooi steeds aan de zomen tegen elkaar genaaid worden.
Voor bovenlangs drie heel dicht rond geplooide randen
die op elkaar genaaid worden.

DRUK: Drukkerij "STAPHORST".



Jaargang 1 nummer 3 september 1983

* * *


Emigratie naar Amerika _________________________________________________________

G.B.M.

Dat HOLLAND, OVERISEL, GRONINGEN e.a. in MICHIGAN in de VERENIGDE STATEN van NOORD-AMERIKA liggen is heel verbazingwekkend voor wie niet de ontstaansgeschiedenis van deze plaatsen kent.
De "AMERIKAANSE WEEK" was voor ons aanleiding om het materiaal dat we hier over hebben te ordenen en op een rij te zetten. Niet in de laatste plaats omdat een aantal kolonisten van deze plaatsen uit NIEUWLEUSEN afkomstig zijn en de familierelaties nog duidelijk terug te vinden zijn.

De landverhuizing naar Amerika.
Tussen 1830 en 1840 was de kerkelijke wereld in rep en roer geraakt, waarbij Hendrik de Cock, predikant te Ulrum - Groningen, de meest omstreden figuur werd. In een verweerschrift noemde hij zich gereformeerd leraar. Op 3 oktober 1835 werd Albert van Raalte tot het predikantschap toegelaten. Hij voelde zich aangetrokken tot de denkwereld van Ds. De Cock. In datzelfde jaar werd de wetsbepaling met betrekking tot het houden van onwettige bijeenkomsten van toepassing geacht op godsdienstige samenkomsten. De "Afgescheidenen" werden vervolgd en jaren achtereen werden aanhangers van de "gereformeerde leer" achtervolgd en gemolesteerd.
Ds. Van Raalte werd predikant te Ommen (waar later een straat en een school naar hem zijn genoemd) en speelde een belangrijke rol in de landverhuizing. Op 18 november 1837 werd te Nieuwleusen de Provinciale vergadering van Overijssel van de Gereformeerde Kerken gehouden. Hieruit blijkt de betrokkenheid van de inwoners bij dit kerkelijk leven.

In die tijd leed ons land onder de gevolgen van de "Belgische Opstand", die veel geld had gekost. Hierdoor waren de belastingen hoog opgedreven en heerste er grote armoede en veel werkloosheid. Tot overmaat van ramp brak de AARDAPPELZIEKTE in 1845 uit, die het grootste deel van de oogst vernielde. Door het onbetaalbaar worden van dit volksvoedsel stierven duizenden de hongerdood.
Hierdoor kwam een sterke beweging van landverhuizing naar Noord-Amerika op gang. Ds. VAN RAALTE zag hier, met anderen, een mogelijkheid om min- en onvermogenden een kans op een betere toekomst te bieden. Ze richtten de "Vereniging van Christenen voor de Hollandsche volksverhuizing naar de Verenigde Staten in Noord-Amerika" op en brachten geld bijeen die de emigratie van mensen mogelijk maakte. Op 28 mei 1846 vertrok de eerste groep mensen uit Arnhem. Al vrij spoedig ging de bezorgdheid van de predikanten verder en voelden zich ook verantwoordelijk voor de verdere levensloop van de mensen die zij het emigreren mogelijk hadden gemaakt. Ds. Van Raalte vertrok daarom ook zelf op 24 september 1846 met een groep per stoomboot Van Arnhem naar Rotterdam. Vandaar op 2 oktober 1946 met "The Sultance" naar Amerika. Ze kwamen op 17 november behouden te New York aan. Per stoomboot gingen ze naar Albany, per stoom- wagen naar Buffalo en daarna weer per boot over het Erie-meer naar Detroit.
Hier heeft Van Raalte zich uitvoerig laten voorlichten over de beste plaats van vestiging voor de "Hollandse kolonie". De keuze viel op MICHIGAN, omdat daar water- en spoorverbindingenwaren naar grote steden met goede markten.
De bosrijke omgeving werd gekozen boven vlug te ontginnen prairiegrond, omdat het hout voor goede huizen kon zorgen en tevens een goede handelswaar zou zijn. Visserij en jacht zou de eerste periode tot er goede oogsten kwamen overbruggen en een al enigszins bewoonde streek zou de pioniersfase minder riskant maken.
Er werd een comité "Hollandse Emigratie" opgericht, die gelden bijeen bracht, allerlei dingen wettelijk regelde en grond aankocht aan de Blackriver, die uitkwam in het Michigan-meer.
Toen de eerste landverhuizers voet aan land zetten aan de onherbergzame oevers van het Michigan-meer ontdekten ze geen enkel bewijs van menselijke beschaving. Bos en moeras was alles wat hun oog zag.

Toen de "Township = een stuk uitgebakende grond, waarbinnen een dorp of stad zal worden gebouwd, een naam moest krijgen werd "HOLLAND" gekozen.


Een blik in een emigrantenverblijf aan boord van een zeilschip in die dagen.

"Dinsdag 9 februari 1847 kwam een aantal mannen o.l.v. Van Raalte, vergezeld van een vrouw, op de nieuw gekozen plek ter woning aan. Allen knielden neder en verenigden zich in vurig gebed. Daarna werd de hand aan het werk geslagen en het eerste hout geveld om blokhuizen te kunnen bouwen."

Na de eerste ontginningsfase brak van 1848 tot 1850 een moeilijke tijd aan, omdat door de vlugge houtkap de waterhuishouding was ontregeld en vooral in de hete zomer die volgde, de ontstane poelen en moerassen een klimaat schiepen waarin malaria, tyfus, roodvonk en pokken zich konden verspreiden.
Meestal arm vertrokken en met een lange reis vol ontberingen achter de rug en een aankomst waarbij eerst de hut moest worden gebouwd voor men kon wonen, hadden de mensen zo weinig weerstand dat de helft van de aangekomen kolonisten bezweek aan ziekte. In 1851 volgde nog een knaagdierenplaag: muizen, ratten, eekhoorns en stekelvarkens vraten de hele oogst weg. Ontmoedigd trokken velen weer weg. Wie bleven werden de grondleggers van een stukje HOLLAND in Amerika.

* * *


Jentien Stolte 1788-1871 _________________________________________________________

Jentien Stolte; moeder van velen die in Amerika wonen, maar ook van velen die in ons land nu nog in Nieuwleusen wonen. Ze is op 22 juni 1788 geboren als dochter van Albert Stolte en Stijntje Alberts en ze kreeg de naam Jantje mee. Ze bracht haar jeugd op Nieuwleusen door. Vermoedelijk was ze boerenmeid bij Hendrik Kragt, wiens vrouw omstreeks 1807 overleed en haar man achter liet met vier kinderen.
In 1810 trouwde HENDRIK KRAGT met JENTIEN STOLTE. De bruidegom was toen 42 jaar oud en de bruid was 22 jaar oud.
Over de kinderen werden Herm Klaas Kragt -oom van vaders zijde- en Gerrit Koops Klein -oom van moeders zijde- als voogden gesteld. Tegelijk met de voogdijstelling werd tussen de voogden en het bruidspaar een overeenkomst voor de kinderen uit het eerste huwelijk opgesteld. Dat werd aldus beschreven:

"Dat deze pupillen voor moeders goed vooraf zullen hebben en genieten, namelijk van het mobilair of tilbare goederen zodra zij den ouderdom van agtien jaren bereikt hebben, ieder een summa van ƒ 200,-- tweehonderd guldens en daarenboven ieder kind ƒ 60,-- voor een bruiloftskleed, de drie jongste kinderen horologie en verder zilver, een gouden kist en Bijbel met zilveren krappen en een gebleekt stuk doek, alles even zoals den oudsten heeft of zal genieten van 't hier voornoemde en als een of meerdere van gemelde kinders komen te overlijden erven de dan nog in leven zijnde kinderen of kind 't hier gespecificeerde van de overledenen. Voorts tot gemelde 18 jaren zullen zij in hun ouderlijk huis opgevoed en verpleegt moeten worden en aldaar behoorlijk onderhoud genieten en op den dienst zijnde; ziek of zuchtig wordende, aldaar vrije toegang hebben, onderhoud en verpleging genieten als voorzegd. Intussen lezen en schrijven laten leren na behoren waarvoor tegen gemelde mobilair en tilbare goederen aan den eerstgenoemde zal zijn en verblijven. "

Met al deze bepalingen ging Jentien akkoord toen ze haar huwelijk begon. Spoedig werd het gezin groter, want uit het huwelijk werden drie kinderen geboren, Klaasje, Janna en Albert. Ongeveer zestien jaar heeft dit huwelijk geduurd. In augustus 1823 overleed Hendrik Kragt. Hij was toen 56 jaar oud. Binnen een half jaar overleed ook de jongste zoon Albert, die toen pas 5 jaar oud was. Inmiddels waren er al drie kinderen uit het eerste huwelijk van Hendrik Kragt getrouwd, zodat Jentien nu nog de zorg had over haar stiefzoon Gerrit en haar twee dochters Klaasje en Janna.
Ruim een jaar na het overlijden van haar echtgenoot trouwde Jentien opnieuw.
We lezen in de burgerlijke stand van die tijd:

"Albert de Weerd, 24 jaar, boerenknecht, zoon van
Jan Everts de Weerd en Hendrikje Alberts, gehuwd
4 december 1824 met:
Jantje Alberts Stolte, 36 jaar, dochter van Albert
Stolte en Stijntje Alberts, weduwe van Hendrik
Kragt."

Zo zien we dat naar alle waarschijnlijkheid de geschiedenis zich herhaalde en dat Albert de Weerd nu bij haar boerenknecht was geweest.
Dit huwelijk werd bekroond met de geboorte van twee dochtertjes: Stiena en twee jaar later Hendrikje.
Gerrit Kragt trouwde in 1833 met Berendina Nijhuis.
In 1834 trouwde Klaasje Kragt met Harm Broek.
In 1835 trouwde Janna Kragt met Hendrik Schuurman.
Op 31 december 1846 trouwden de beide jongste dochters tegelijk.
Stiena de Weerd, 21 jaar oud, trouwde toen met Arend van Duren, 40 jaar oud en weduwnaar van Niesje de Boer.
Hendrikje de Weerd, 19 jaar oud, trouwde toen met Hendrik Jan Schoemaker, 25 jaar oud.
Jentien Stolte was toen al bijna 60 jaar oud. Toch zouden in haar leven nog grote dingen gebeuren.

Om te ontsnappen aan de slechte economische toestand of gedreven door het idealisme van Ds. Van Raalte, besloten ook een aantal gezinnen uit Nieuwleusen zich aan te sluiten bij de groepen landverhuizers die in de V.S. van N.Amerika een nieuw bestaan wilden opbouwen.
Jentien Stolte ging met haar man en de gezinnen van 3 van haar dochters naar Amerika.
Het waren: Albert de Weerd, Harm Broek, Arend van Duren en Hendrik Jan Schoemaker. Dat het een hele onderneming was kunnen we ons voorstellen, wanneer we bedenken dat eerst de reis naar Rotterdam of Engeland moest worden gemaakt. Daarna de tocht per zeilschip over de Atlantische Oceaan, die meestal 7 tot 8 weken duurde. Tijdens deze zeereis moesten de landverhuizers voor hun eigen eten, drinken, beddengoed enz. enz. zorgen.
Vanuit New York weer een stuk over land en tenslotte een gevaarlijke tocht over het Michigan-meer met een landing op het strand, twee of drie dagen lopend tot de eerste blokhutten. Spoedig na aankomst overleed haar schoonzoon Hendrik Jan Schoemaker.
Maar het leven gaat verder ook al is het wreed en hard.
De weduwe geworden dochter Hendrikje trouwde in mei 1848 met de uit Genemuiden afkomstige Wolter van der Haar.
In juli 1849 werd het gezin met de geboorte
van een dochtertje verblijd. Grootvader Albert de Weerd schreef dit in een brief die hij in december 1949 naar Nederland stuurde:
(De brief, met een getypte vertaling is bij de Vereniging te verkrijgen). "-en in dezen kan en mag ik U melden een vermeerdering van ons geslacht dat Wolter en Hendrikje een jonge dochter hebben overwonnen."
Veel is er in die tijd nog gebeurd, want grootmoeder Jentien kreeg na het overlijden van haar dochter Stiena in 1857 en haar man Arend van Duren in 1863 ook nog de zorg voor de drie kinderen uit dat huwelijk, de drie kleinkinderen waren: Gerrit Jan, Jantje en Albertus van Duren.
Via Gerrit - Jan van Duren werd later de familieband met nakomelingen ontdekt toen de grafsteen van Jentien Stolte werd gevonden, waarop te lezen staat dat ze op 9 oktober 1871 overleed. Ze had toen een druk en tot op hoge leeftijd werkzaam en dienstbaar leven
achter de rug.


Jentien Stolte 1788-1871. Na zovele jaren wordt op Nieuwleusen aan haar gedacht. Misschien een eenvoudige vrouw. Een vrouw in wiens leven hoogtepunten waren, was een schakel in de grote ketting waarvan wij het begin niet weten en het einde evenmin, want: wat geweest is, is geweest en is voorbij gegaan. Toch is er een band en die blijft altijd bestaan.

In 1847 uit Nieuwleusen vertrokken landverhuizers.

*



*




*
*







*

Albert de Weerd, landb.
Jentien Stolte
Stiena de Weerd
Hendrikje de Weerd
Gosen van Duren
Arend van Duren, landb.
Femmigje van Duren
Hendrik van Duren, landb.
Janna de Boer, echtgenote van
Gerrit Hendrik van Dijk, landb.
Harm Broek,
Klaasje Kragt
Derk Broek
Hendrik Broek
Jentje Broek
Jan Broek
Albert Broek
Janna Broek
Hendrik Jan Schoemaker, landb.

geb.







H.






11-10-1800
22- 6-1788
10- 8-1825
7- 1-1825
1824
1845
25- 2-1806

van Duren

3- 7-1809
12-11-1813
5- 2-1835
18- 2-1838
18-11-1839
28- 7-1841
12- 3-1843
14- 3-1845
5- 6-1823

Colderveen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Ruitenveen



Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen
Nieuwleusen


Vertrokken in 1851 met het zeilschip
"ELISHA DENOISON, Kapitein Tucker.

*

Klaasje Boerman, wed. v. A. Seinen, geb. 1797
Hendrik Seinen, geb. 1819, schoenmaker



*





*






Hendrikje Seinen, 1825
Janna Seinen, 1827
Jan Willem Nijkamp, 1827
Aaltje Seinen, 1819
Arend Nijkamp, 1844
Hendrik Nijkamp, 1846
Klaas Nijkamp, 1848
Reint Nijkamp, 1822
Levert v.d. Kolk, 1780
Jan v.d. Kolk, 1811
Arend v.d. Kolk, 1825
Hendrik v.d. Kolk, 1830
Geertje v.d. Kolk, 1826
Arend Seinen, 1830
Janna v.d. Kolk, 1834

*




*










H. Meijer, 1819
Aaltje Boerman, 1825
Geertje Meijer, 12-12-1844
Janna Meijer, 30-11-1847
Klaas Meijer, 27-1-1850
Klaas Boerman, 1822
Femmigje Bulder, 1824
Klaas Boerman, 1849
Klaas Boerman, 1799
Geertje Mulder, 1796
Jan Boerman, 1833
Derk Boerman, 1837
Hendrikje Boerman, 1823
Janna Boerman, 1827
Hendrik Boerman, 1830
Janna Gerritsen, 1832

*


Roelof Harm Smit, dominee
Grietje Boesenkool
Klaasje Smit

21-7-1815 Rouveen
1816
11-11-1848

Vertrokken in 1856

*


Harm Kragt, geb. 6-12-1839
Margje Visscher, 06-12-1840
Hendrik Kragt, 1820

Berendina Kragt, 1821
Klaas Kragt, 1849
Wiegger Gerritsen, 1827


Dirk Broek had an interim kind of ministry during his
pastorate at Third Church from 1880 to 1888.


* * *


Het ontstaan van de nederzetting "Holland". _________________________________________________________


Indien er enige kans op slagen zou zijn voor de nederzetting, moesten eerst de bomen worden omgehakt. Letterlijk nergens was er genoeg ruimte om een huis te bouwen en nog veel minder om er iets te verbouwen. Mijlen ver strekte zich het woud uit, doorsneden door moerassen, poelen, beken en rivieren. Zonder wegen of bruggen of iets wat de mensen aanleiding kon geven daar hun huizen te bouwen.
Toen de kolonisten voor het eerst voet aan wal zetten en de ontzaglijke woudreuzen zagen, waarvan velen zes voet en meer in omtrek waren, en overal waar ze keken niets dan bomen zagen en toen zagen met hoe weinig mensen ze waren en met hoe weinig kracht, vroegen ze zichzelf in verwondering af, hoe het mogelijk zou zijn dat hier ooit een kolonie van landbouwers gesticht kon worden.
Heuvelreeksen, dalen en ravijnen gaven de hele streek een golvend aanzien. Klei, zand en andere grondsoorten wisselden elkaar af of kwamen gemengd voor. Daardoor groeiden er allerlei boomsoorten, zoals: ahorn, walnoot, ceder, eiken, beuken, maple, pijn, olmen, helmlok, linden, essen, wilgen en elzen. Geen vruchtbomen, behalve wilde druiven en pruimen.
Bijna niemand van de kolonisten had ooit bomen gerooid. In het begin was het een zware en ontmoedigende arbeid. De lompe, vierkante Hollandse bijlen waren ongeschikt.
Het vellen van de bomen was een gevaarlijk werk. Niemand wist waarheen de boom zou vallen, wanneer hij, zoals ze in het vaderland gewend, de boom dicht bij de grond cirkelvormig hadden gehakt.
Gelukkig hielpen de in de omgeving wonende indianen, de hier en daar wonende Amerikanen en doortrekkende vreemdelingen de onkundige nederzetters. Spoedig waren ze ook zo ver, dat ze hele rijen bomen zo konden hakken, dat die op het punt stonden van omvallen. De laatste boom in de rij werd zo gehakt dat hij neer kwam op de dichtstbijzijnde en dan vielen met een ontzettend gekraak, al de bomen in één keer. In het begin lachten de Amerikanen om de onhandige Nederlanders, maar hun volhouden en ijver dwongen zoveel respect af, dat ze al vlug hielpen en goede raad kwamen geven. Al vlug kregen de Amerikanen zoveel vertrouwen in de onderneming dat het gezegde: "die mensen houden het hier niet uit" veranderde in: "het duurt maar wei- nig jaren, dan zijn die mensen welvarend".
En uit de brief van Albert de Weerd uit 1849 blijkt ook dat er toen ook al heel wat bereikt was. Vrienden die na een jaar de kolonie bezochten riepen in bewonde- ring uit: "Hoe is het mogelijk dat gij al die bomen hebt neergekregen?"
Daarop gaf Van Raalte het eenvoudige antwoord: "God heeft ons volk spierkracht gegeven".
Niet alleen moest er grond vrij gemaakt worden voor huizen en landbouwgrond, ook moesten er wegen worden aangelegd. Waarheen men ook wilde gaan, er waren hinderpalen in de vorm van bulten, stompen, gaten, moerassen, rivieren, omgevallen boomstammen, ravijnen enz. De door de regering beloofde hulp bleef uit, zodat men dat ook zelf moest doen.
Het was een zwaar en soms ondankbaar werk, wanneer een weg door een moeras liep. Vaak moesten er eerst sloten gegraven worden om de afwatering naar de Blackriver mogelijk te maken. Tenslotte is alles gelukt. Zodra de omwonende Amerikanen zagen, wat soort van mensen de Hollanders waren, wilde ze hen graag in dienst nemen en veel kinderen gingen als dienstboden en arbeiders of ambachtslieden bij Amerikanen werken. Vaak moesten ze 30 tot 60 mijlen lopen om een baan te vinden. Bovendien bleven ze in de verre omgeving werkende landgenoten, in de schaarse vrije tijd opzoeken, zodat nog veel huwelijken tussen landgenoten plaats vonden. Met houten pinnen in de eggen werd de open gekapte grond los gemaakt. Om de dikste boomstronken werd eerst heen gewerkt. Boekweit, cichorei, rogge, haver, tarwe, maar ook bonen en erwten en tabak brachten eerst nog weinig op. Geld werd verdiend met wat het bos opleverde; suiker van de ahornboom, schillen van de helmlokbomen voor het looien van leer, houten dakpannen van de pijnbomen, klompen uit de wilgen, hardhout voor meubilair enz.

Waar in 1847 nog alleen bomen stonden, trof men twee jaar later al nederzettingen aan met 235 blok- hutten (in Holland) en 35 blokhutten (in Overisel). Deze laatste nederzetting was gesticht door vroegere inwoners uit Hellendoorn, maar de bewoners waren zo "calvinistisch" dat het dagelijks geconfronteerd worden met het woord "hel" hen deed besluiten een nieuwe naam te kiezen. Het werd "Overisel".


Ahorn-suikeroogst, zie ook de voorplaat.
in de lente wordt het sap van de maple-boom opgevangen en
gekookt tot er ± 5 % overblijft = maple stroop.

ged. Uit : A. van der Linde, Gesch. v. d. ger. kerk te
Hellendoorn.

* * *


Zoeken naar familierelaties in het nieuwe vaderland. _________________________________________________________

B.v.D.

Toen Klaas van Duren, een naar Canada geëmigreerde broer van Berend van Duren, eens schreef dat er veel "Van Durens" in Canada en Amerika woonden, maar dat hij niet na kon gaan of dat van vroeger nog familie kon zijn, werd een kopie van de inmiddels gevonden brief, die Albert de Weerd in 1849 naar Nederland had verzonden, naar hem gestuurd.
In de zomer van 1981 reisden daarop zijn zoon Henk van Duren met zijn vrouw naar het 600 km van Guelph - Toronto liggende Holland in Michigan om ter plekke te onderzoeken hoe eventuele familierelaties nog terug te vinden zouden zijn.
Groot was hun verbazing toen ze bij een garage naar een telefoonboek vroegen en als antwoord kregen: "Kiek zelf mar, der stoat er genokt ien". Wie zou ook verwachten dat daar nu nog Sallands wordt gesproken.
Delen uit de brief, waarin ze verslag van hun reis geven, zijn zo boeiend, dat we die hier overnemen.

"Toen we in de stad Holland in Michigan aankwamen viel het ons op, dat heel veel namen en opschriften daar aan Nederland doen denken. We hebben eerst maar eens wat rondgekeken. Daarna spraken we mensen aan en vertelden hun over onze bedoelingen. We werden verwezen naar de stadsbibliotheek. Daar waren ook de archieven ondergebracht."

Inderdaad vonden wij heel wat gegevens. Kerkregisters volkstellingsstukken, en wat al niet meer. Waar mogelijk stonden de plaatsen van afkomst vermeld. Op enkele van deze lijsten staan plaatsnamen als Baarland, Borger, Midwolde, Nieuwleusen, Winterswijk. Hieruit blijkt dat destijds emigranten van overal uit ons land naar die streek zijn vertrokken.
Daarna zijn wij op zoek gegaan naar "Van Durens". De eerste die wij bezochten was een kleermaker. Deze man was echter niet zo geïnteresseerd. Wel beloofde hij wat voor ons op te zoeken en dit dan te zenden. Niet ontmoedigd zochten wij verder en ja hoor!

D. van Duren: kleermaker

Het gezin van Gerrit Jan van Duren ± 1910?


Bij de tweede familie hadden we meer geluk. Toen we vertelden waar we voor kwamen, werden we als oude bekenden ontvangen en moesten natuurlijk blijven eten. Een grote koffer met papieren en foto's van vroeger kwam tevoorschijn.
Een oude foto uit het begin van deze eeuw bracht ons op het goede spoor. Hierop stonden de grootvader van Frank van Duren -bij wie we nu op bezoek waren- met zijn gezin afgebeeld. Frank wist te vertellen dat zijn grootvader Gerrit Jan van Duren in 1853 was geboren en in 1912 was overleden. Het in de bibliotheek gekregen afschrift van het kerkregister werd geraadpleegd en daaruit blijkt dat Arend van Duren en Stiena de Weerd drie kinderen hadden:
Gerrit Jan, geb. 2-7-1853, Jantje, geb. 31-10-1854 en Albertus, geb. 4-1-1857.
Uit het eerste huwelijk van Arend van Duren met Niesje de Boer was ook nog een dochter, Femmigje geboren (hierover wordt ook in de brief van 1849 geschreven).
Frank had wel eens gehoord dat zijn grootvaders ouders gestorven waren toen hij nog maar een jongen was. En dat kon aan de hand van het afschrift van het begraafregister ook worden vastgesteld:

Stiena de Weerd, overleden 4- 1-1857 = 31 jr. (kraambed)
Arend van Duren, overleden 19-4-1863 = 58 jr.

De grootvader van Frank was toen verder opgevoed door de familie De Weerd. En dat was, zoals wij nu weten over - overgrootmoeder Jentien Stolte en haar gezin.
Op de begraafplaats vonden we later het familiegraf van de Van Durens. Maar ook een oude grafsteen, overwoekerd met gras. De steen werd wat schoon gemaakt en toen konden we lezen dat Jentien Stolte, de vrouw van Albert de Weerd, geboren te Nieuwleusen, provincie Overijssel op 9 oktober 1871 in Holland - Michigan was overleden in de leeftijd van 83 jaar, 3 maanden en 20 dagen."




Jaargang 1 nummer 4 december 1983

* * *


Van de Redactie _________________________________________________________

Het is de redactie van dit tijdschrift een genoegen U hierbij het vierde exemplaar van 1983 te kunnen aanbieden. Alle begin is moeilijk En zo was het ook voor de redactie - commissie niet eenvoudig om onmiddellijk de goede slag te pakken krijgen, maar omdat er ook gesteld kan worden: "al doende leert men", verwacht de commissie in het komende jaar in dit tijdschrift nog meer de relatie te leggen met de naam van de vereniging: 'T NIJLUUSN VAN VROGGER.

Zo nu en dan zal echter ook even het heden om de hoek komen kijken in dit tijdschrift en dat is dan nu als eerste het verzoek aan U om Uw contributie voor 1984 over te willen maken op de rekening van de vereniging bij de Rabobank Nieuwleusen 34.55.74.427. Het gironummer van de bank is 8797766.

Als tweede belangrijke punt kunnen wij U mededelen dat door de notaris onze oprichtingsakte is gepasseerd en wij dus niet meer een vereniging in oprichting zijn. Dit houdt in, dat wij nu een bestuur moeten gaan kiezen zoals de statuten voorschrijven. Hiervoor heeft het thans zittende voorlopige bestuur een algemene ledenvergadering belegd op dinsdag 24 januari 1984 om 20.00 uur in een zaal van het jeugdgebouw van de gereformeerde kerk aan de Backxlaan. Behalve dat het bestuur met een voordracht komt, kunt U ook kandidaten stellen. Begin januari ontvangt U hierover nog nadere mededelingen. Houdt U vast deze avond voor deze ledenvergadering vrij.

Wij hopen dat we er in 1984 ook in zullen slagen vier exemplaren van dit tijdschrift samen te stellen. De redactie - commissie ontvangt daarvoor ook van U graag bijdragen, want dat is juist de sterke kant van een vereniging: met z'n allen weet je meerdan één alleen kan weten. Aarzelt U niet aan te bieden wat U aan interessante feiten over het verleden weet. Samen maken we er dan een goed tijdschrift van.

En tot slot, als redactie-commissie wensen wij alle leden een vrolijk kerstfeest en een voorspoedig 1984.

Aanvulling naar aanleiding van het tweede nummer.

In het boekje nr. 2 d.d. juni 1983 werd gevraagd wie op de foto van blz. 18 de tweede man van rechts was. Van diverse zijden werd ons bericht dat deze persoon de heer Albert Dekker was, gewoond hebbende Brug 5.

Van Hilligje Bijker, Raiffeisenstraat 35, ontvingen wij nog enige aanvullende informatie.
Haar vader Hendrik Jan Bijker stond nl. ook op de foto. De notabelen waren deze dag in 1918 naar Borculo geweest om aldaar de aanleg van de elektra te bezien, omdat men ook in Nieuwleusen wilde overgaan tot de aanleg hiervan.
Het uitstapje was de heren zo goed bevallen, dat men een jaar later weer op reis ging en toen nog wat verder en wel naar Rotterdam. De reden van deze trip is nog in nevelen gehuld, maar mogelijk kan iemand ons nader informeren. De foto van deze reis is al opgenomen in het boek: "Kent U ze nog.... de Nieuwleusenaren", door H.J. Meijerink.

* * *


LETTERDOEKEN _________________________________________________________

Tijdens het Open Huis op 12 en 13 oktober van de verbouwde Rabobank aan de Raiffeisenstraat werd door medewerking van onze vereniging een 18-tal letterdoeken of ook wel merklappen tentoongesteld.
Van deze letterdoeken hebben wij, in ruil voor de medewerking, dia's gekregen, die samen met de gegevens die de eigenaren ons gaven, de start vormen van het archief(je) dat we over dit onderwerp opzetten. Immers de letterdoeken geven altijd voorletters, jaartallen en andere belangrijke gegevens uit het leven van de maaksters. We denken dat er nog veel meer letterdoeken in de gemeente zijn die van belang zijn voor een stuk geschiedschrijving. Weet U iets, wilt U dan meewerken aan het verzamelen van de gegevens.

Op de omslag één van de tentoongestelde letterdoeken, welke is gemaakt door Janna Snel toen ze 12 jaar was in 1857.

* * *


Firma B.J. van den Berg _________________________________________________________


Firma B.J. van den Berg Rijwielhandel Den Hulst a.d. Dedemsvaart

Op de foto de eerste aanzet van hetgeen vandaag de Unikap rijwielfabriek is geworden. Oorspronkelijk woonde de familie Van den Berg aan de Dommelerdijk, waar ze een molen dreven. Toen in de eerste helft van de 19e eeuw de Dedemsvaart werd gegraven bouwden zij een losplaats aan het kanaal en werd een loods gebouwd voor de opslag van meel, kalk en andere bouwmaterialen. Daarna besloot de molenaar B.J. van den Berg ter plaatse een woonhuis met winkel te bouwen. Deze werden op 27 juni 1904 in gebruik genomen en vormen de oorsprong van het huidige bedrijf.
In 1984 is het dus tachtig jaar geleden dat van hieruit de eerste fiets werd verkocht.

* * *


HILLIGJE EN KOOP WITPEERD - WITPAARD _________________________________________________________

G. Kreule-Kok


Bij een oude foto


Via zuster Dirksen kwam ik in het bezit van een oude foto van Nieuwleusenaren, waarvan ze niet wist wie dat waren. Na enig gepuzzel en het afleggen van een paar bezoekjes kan ik het volgende over deze berichten.
Hilligje Witpaard, geboren 3 dec. 1835 te Nieuwleusen en dochter van Jan Witpaard en Fennigje Klumpjes trouwde op 3 okt. 1864 met Koop Witpeerd, geboren 27 aug. 1835 te Nieuwleusen en zoon van Koop Witpeerd en Hendrikje Ganzeboer.
Ze waren de grootouders van Gerrit Jan Witpeerd die thans nog op De Meele woont en bijna 89 jaar is. Hij vertelde mij dat zijn grootvader, zijn vader en hij zelf naast werken op de boerderij o.a. gewerkt hebben bij station Dedemsvaart en de tijdelijke tram. Bij station Dedemsvaart kwam per schip turfstrooisel aan uit Klazienaveen (van het bedrijf W.H. Scholten). Deze moest gelost worden en over gebracht in de spoorwagens voor verder vervoer. Dit was een moeilijk en zwaar karwei en niet zonder gevaar. De turfstrooisel was tot grote balen geperst en moest over een smalle loopplank naar de wal worden gekruid. Ooit is hierbij iemand van de loopplank gegleden en verdronken in de Dedemsvaart.
Als jongen van 16 jaar werd Gerrit Jan reeds ingeschakeld bij het werk. Dit was dus ± 1910. De verdiensten waren 12 stuivers per dag. Later werd dit geleidelijk wat verhoogd en liep het op tot ƒ 2,50 per dag. Ook is Gerrit Jan werkzaam geweest bij de aanleg van de tijdelijke tramlijn, die vanaf de Rollecate langs de brede wijk richting Nieuwleusenerdijk liep. Via deze tramlijn werd puin vanuit schepen in de Dedemsvaart vervoerd naar de Hessenweg en Hoevenweg, die met dit puin verhard werden.
Jan Jonkers regelde het verkeer voor dit trammetje op de Nieuwleusenerdijk door met een vlag in de hand eventuele auto's tegen te houden.
Door de Brede- of Kalkovenwijk werd per schip o.a. turf vervoerd, die uit Klazienaveen e.o. kwam. Vandaar ging het per boerenwagen verder of met kleine bootjes die door de sloten langs het Westeinde de Kerkenhoek konden bereiken.
Na de ruilverkaveling is het nog maar moeilijk voor te stellen hoe deze "wieke" vanaf Rollecate westelijk langs de boerderij van (nu) Harm Prins en westelijk langs het Jachtlust ter hoogte van de Dedemsweg uitkwam op de Nieuwleusenerdijk.

* * *


Krummels _________________________________________________________

Mevr. Hengeveld vond nog een stukje archief dat op grappige wijze het wisselen van bijna dezelfde achternaam in een familie aangeeft.

Koop Witpaard: 20 jaar en landbouwer en zoon van Gerrit Jan Witpaard en Jennigje Witpaard trouwt op 27 - 09 - 1894 te Nieuwleusen met:
Fennigje Witpeerd: 26 jaar en dochter van Koop Witpeerd en Hilligje Witpaard.

* * *


Over namen en bijnamen _________________________________________________________

B.v.D.

Evenals elders in ons land woonden vroeger op Nieuwleusen (en waarschijnlijk nu nog wel) mensen die naast hun gewone naam nog een bijnaam hadden. Deze bijnaam kwam vaak van de achternaam van moeders kant. Door de samenvoeging met de achternaam van de nieuwe echtgenoot ontstond soms een woordcombi natie die prettig in het gehoor lag en de persoon en haar kinderen duidelijk onderscheidde van andere dorpsgenoten met dezelfde naam.
Zo woonde iets ten oosten van de Kerkenhoek de fam. Van Spijker. De kinderen noemde men Spiekerpotties.
Dit kwam omdat een voorvader/moeder Pot heette.
Als men over Hendrik van Duren van naast de Union sprak, dan zei men Zwaank.
Zo zijn er meerdere gevallen te noemen.
Ene Hendrik Jan Schuurman noemde men Hendrik Jan Jeremias.
Het is niet de bedoeling met het noemen van deze namen iemand of iemands familieleden te beledigen. Het zoeken naar de oorzaak is vaak interessant en het blijkt maar al te vaak dat voor het noemen van sommige bijnamen wel een reden bestond.

Hieronder volgen enkele van de gebruikte bijnamen.

Visscher - Brand.

Voorouders van Jan Visscher (Dikke Jan) woonden op Rouveen. In het jaar 1813 huwde Claas Jan Visscher , smid van beroep, met Geesje Hendriks Brand.

Borger - Wichers.

Wicher was de voornaam van een der Borgers uit vroeger dagen. In die tijd was het gewoonte de voornaam van de vader mede te vermelden. Harm Wichers Borger is dus Harm, de zoon van Wicher.
Zo langzamerhand verdween deze gewoonte, maar bij deze naam bleef men volhouden. Zo kan men in de burgerlijke stand van 1890 nog lezen dat ene Klaas Wichers Borgers huwde met Hendrikje Witpaard. Erg consequent was dat niet, want de vader van Klaas heette Jan Wichers Borger, zodat de eigenlijke naam dus Klaas Jans Borger had moeten zijn. De bijnaam Wichers is hiermee echter voldoende verklaard.

Luten - Sok.

Van oorsprong komt deze familie uit Friesland en later uit het merengebied bij Wanneperveen. In 1827 trouwt ene Gerrit Sok, zoon van Luite Simens Sok en Hendrikje Gerrits Knobbe met Annigje van Dijk.
Deze Gerrit Sok huwt als weduwnaar in 1848, maar nu onder de naam "Gerrit Luiten" met Aaltje Brinkman en zes jaar later voor de derde maal met Hendrikje Bos. De naam Luiten verandert op de duur in Luten en de naam Sok hoort men nog maar sporadisch.

Reurink-Oyers.

Deze familie vinden we in het begin der vorige eeuw in Hasselt, waar een Gerrit Reurink trouwt met Lammigje Oyers. Twee zonen vestigen zich in Nieuwleusen als timmerman, trouwden aldaar en gebruikten, zelfs in officiële stukken, zowel de naam Reurink als Oyers.
Zou er toch waarheid schuilen in het gezegde: "Als het kind maar een naam heeft", want erg nauwkeurig was men in de vorige eeuw beslist niet met het opschrijven van namen.
Als er voor dit artikel belangstelling bestaat is er wellicht een vervolg mogelijk. Wie namen met bijnamen meent te weten, moet dit maar door geven. Misschien zijn er verbanden te vinden.

* * *


O.L. School A - Oosteinde - 1904 _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.

Een schoolfoto van het Oosteinde uit 1904.
De namen van alle leerlingen zijn bij de vereniging bekend. Dat valt erg tegen en de namenlijst lijkt ook niet bij deze foto te horen! Rechts op de foto meester Zoete, de eerste kassier van de Boerenleenbank. In het aanvangsjaar verdiende hij vijfentwintig gulden. Daarna was zijn jaarsalaris honderd gulden.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  


Klaas Mijnheer

Dina Hofman


Aaltje Oljans

W.F.H. de Greef, onderwijzer









19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  




















* * *


Eendenverkoop _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.


Een al erg oude foto van een verre voorvader van ons medelid Jan Groen, die met het paard voor de "brikke" boter en eenden naar Amsterdambracht. Staphorst had in het verleden veel eendenkooien. Ook op Nieuwleusener gebied lagen er twee: de Tolhuiskooi en de Roetenkooi.
Deze "vogelcooije" verkocht Tijmen ter Linde, rentmeester van Klooster Dickninge in 1632 aan de Leusener Compagnie.

* * *


De Rollecate _________________________________________________________

H. Veltmaat-Hegen

Velen van U zouden toch wel eens willen weten hoe de woningen van "De Rollecate" aan de Dedemsvaart vroeger bewoond werden en door wie. Dit artikel wil niet zeggen dat ik hier helemaal mee op de hoogte ben, maar door vaak een bezoek te brengen aan rijks- en gemeentelijke archieven is er toch een stuk inzicht verkregen dat voor velen van U zeker interessant zal zijn. Mede door de hulp van de bewoners van deze omgeving die vroeger onder "De Rollecate" gewoond en gewerkt hebben, ben ik in het bezit gekomen van vele duidelijke gegevens, die ik graag wil doorgeven aan 't Ni'jluusn van vrogger.

Dat gemeentegrenzen vaak achter een bureau worden vastgesteld geeft dit stukje buurtschap wel heel duidelijk aan. In haar ontstaan een eenheid is het nu opgedeeld naar twee gemeenten. Om dit te illustreren is steeds de gemeente waartoe een gebouw nu behoort toegevoegd.

Het grote huis - gemeente Nieuwleusen.

In 1820 werd "het grote huus" - De Rollecate vanuit Vollenhove, waar het eerst werd afgebroken, naar Den Hulst verplaatst, door baron W.J. van Dedem; de oprichter van de Dedemsvaart. Het grote huis is tot in de jaren 1920 door de familie van de baron van Dedem bewoond geweest. In 1934 is het huis afgebroken om ruimte te maken voor de aanleg van een nieuw gedeelte van de provinciale weg.

De villa - gemeente Staphorst.

Op 1 sept. 1908 krijgt mr. W.J. baron van Dedem vergunning van B en W van Staphorst voor het bouwen van een "landhuis". Dit landhuis wordt nu bewoond door de fam. De Keijzer - Rollecaterweg 13. Dit gebouw moest volgens de bouwvergunning in februari 1909 geheel klaar zijn. Of dit inderdaad gebeurd is en door wie het gebouwd is weet ik niet. Ook over de periode van 1909 - 1913 is weinig bekend. Weet U misschien iets?
In 1913, zo vinden we in akten, krijgt de Maatschappij "Rollecate" te Den Hulst aan de Dedemsvaart een vergunning voor het bouwen van een "bijgebouw" vast aan het hoofdgebouw. Kosten ƒ 5.000,--. Dit gebouwtje is in 1930 weer afgebroken. In dit bijgebouwtje bevonden zich een leslokaal, een leskeuken, een lokaal voor wasbehandeling en een berglokaal. Bovendien vond ik een akte welke verklaart dat de inspecteur van het Landbouwonderwijs als "'huurder" en de Maatschappij "Rollecate" - in deze vertegenwoordigd door mr. W.J. Baron van Dedem - als "verhuurders" overeen komen het huren en verhuren van: het huis met bijgebouwen, schuur en ± 40 aren grond gelegen op het landgoed "Rollecate", een en ander ten behoeve van de aldaar gevestigde Rijks Landbouwhuishoudschool. Ingang huur, voor zover het huis en grond betreft vanaf 1 mei 1913 en wat betreft het bijgebouw vanaf 1 september 1913.
Op 20 september 1913 begon de tweejarige opleiding tot landbouwhuishoudlerares. Directrice was mej. Theda Mansholt. De school begon met 8 leerlingen en met 8 leerkrachten.

De Bijhof - gemeente Staphorst.

Dit was de rentmeesterswoning die in 1914 als pension door de huishoudschool in gebruik werd genomen. Later hebben er de families V.d. Hof en Prins gewoond. Thans wordt het huis bewoond door Familie Veltmaat (auteur van dit artikel).

De Tuinmanswoning - gemeente Staphorst.

Hier woont nu de familie Van Berkum.

Het Koetsiershuis - gemeente Staphorst.

Dit huis wordt nu bewoond door wed. Knol.

De Veestal - gemeenten Nieuwleusen en Staphorst.

Na verbouwing is dit een woonhuis geweest voor de families Steenbergen, Baltus en Ter Wee. Nu woont aan de zuidkant van het gebouw familie W. Schlüte - gem. Nieuwleusen en aan de noordkant familie J. van Dijk - gem. Staphorst.

De Zuivelfabriek(?) - gemeente Staphorst.

In 1909 werd er een stalgebouw met zuivellokalen voor 200 koeien gebouwd aan de Van Dedemsweg – hoek Schapendijk - gem. Staphorst. Thans is dit een bouwval, waarover later meer.
(De fabriek van baron Van Dedem was van 1899 tot 1923 te vinden op de hoek van de Schapedijk en de Rollecaterweg.)
(In dit gebouw was na de oorlog, tijdens de koude oorlog, een depot gevestigd met voertuigen en ander materiaal van de BB, Bescherming Burgerbevolking, met als vaste beheerder Klaas Wijbenga(1909-1992). Ook woonde er één of meerdere gezinnen in het vroegere kantoorgedeelte. Daarna een vestiging van Buisman Woninginrichting en tenslotte zijn er ook nu in 2019 nog verschillende bedrijven in het gebouw gevestigd.)

Dit zijn enige gegevens over "De Rollecate", die in de gemeenten Nieuwleusen en Staphorst veel historie met zich mee heeft gebracht. Misschien mogen wij hier nog eens op terug komen.

Villa waarin het internaat van de Rijkslandbouwhuishoud- school "De Rollecate" aan de Dedemsvaart was gehuisvest.

* * *

Gesprek met twee oude grasmaaiers _________________________________________________________

Freek Pereboom
IJsselacademie

Tot kort na het tot stand komen van de Afsluitdijk gingen iedere zomer een groep mannen uit Nieuwleusen naar Urk om het grasland te maaien.
In "Berichten van de IJsselacademie" stond een vraaggesprek met twee dorpsgenoten. Omdat weinig mensen dit tijdschrift lezen en het toch interessante gegevens over bewoners van ons dorp bevat, hebben wij gevraagd het hier nog een keer te mogen afdrukken. Op de foto's staan een aantal mannen waarvan we de namen graag zouden weten. Herkent U iemand, laat het ons dan weten.

Die vrijdagmiddag 18 februari 1983 had ik een gesprek met Hendrik Brouwer en Jan-Willem Schuurman. De heer Brouwer is 80 jaar, de heer Schuurman 74. Het gesprek vond plaats bij de heer Brouwer, Burg. Backxlaan 45 te Nieuwleusen. Omdat het Urkers de heren vertrouwd was en zij er op prijs stelden Nieuwleusens te spreken, voerden we het gesprek in dialect en legden het vast op cassette.
Wanneer het antwoord van beide heren gelijkluidend was dan wordt er na "Antw:" geen naam genoemd, wanneer zij in een antwoord van elkaar verschillen dan wordt de naam toegevoegd.

Vraag: Wanneer waren jullie als maaiers op Urk en hoe vaak
    zijn jullie daar geweest?
Antw. Schuurman: Toen ik 19 was ben ik voor het eerst
    meegeweest, dat moet ongeveer in 1926 geweest zijn en ik
    ben een keer of zeven meegegaan. Met mijn 19 jaar was
    ik tamelijk jong voor dat zware werk. Ik heb ook de laatste
    keer meegemaakt, dat er door Nieuwleusense maaiers op
    het eiland gemaaid werd.
Antw. Brouwer: Ik was al in dienst geweest toen ik voor
    het eerst meeging, Maar ik weet niet meer precies in welk
    jaar dat geweest is, in elk geval in de jaren twintig en ook
    ik ben zo'n keer of zeven meegeweest.
Vraag: Het is bekend dat de banden tussen de Urker
    boeren en de Nieuwleusense maaiers al heel oud zijn en
    dat verschillende geslachten van vader op zoon op Urk
    gemaaid hebben. Was dat in jullie families ook traditie?
Antw. Brouwer: Ik weet, dat het inderdaad voorkwam,
    maar in de familie van Schuurman en de mijne was het
    geen traditie. Mijn vader heeft één keer op Urk gemaaid,
    dat was echter nog voor mijn maaierstijd.
Vraag: De leeftijd waarop iemand zich als maaier verhuurde
    lag boven de 20 jaar. Hoe oud waren de oudsten?
Antw. Schuurman: Midden vijftig, hoogstens tot ongeveer
    60 jaar kon je het volhouden.
Vraag: Wanneer viel de maaitijd op Urk precies en hoe
    kwam het contact tussen de boeren en de maaiers tot stand?
Antw.: Dat was meestal de week waarin de langste dag
    viel. Vanuit Urk werd een paar maand voor de tijd naar
    Nieuwleusen geschreven. Een zekere Klaas Spijker is
    hier vele jaren de contactman geweest. Deze ging bij de
    mensen in Nieuwleusen langs en nam ze aan. Verreweg
    de meesten kwamen uit de gemeente Nieuwleusen, een
    enkele net over de grens met Dalfsen, maar dat waren
    uitzonderingen.
Vraag: Hoe ging de reis naar Urk?
Antw.: Op maandagochtend vertrokken wij om een uur
    of zes met de fiets naar Kampen, daar kwamen wij
    tussen negen en tien uur aan en stalden onze fietsen.
    Wij namen zelf ons maaigereedschap mee: de zeis, de
    stok waaraan hij bevestigd is en het haargerei om de
    zeis mee scherp te maken. Dit haargerei bestaat uit
    een hamer en een haarspit. De boot vertrok om een
    uur of tien en even voor de middag kwamen we dan in
    de haven van Urk aan. Daar stond veel volk om ons
    op te wachten en wij weten nog dat de kinderen dan
    zongen: Maaiers! Maaiers, koppensnaaiers! En dat
    refrein werd dan eindeloos herhaald. Op de kade
    werden wij verwelkomd door een ontvangstcomité van
    de hooilanders, dat ons naar onze kosthuizen bracht.
Vraag: Bij wie werden jullie ondergebracht?
Antw.: Soms bij degenen voor wie wij moesten maaien,
    soms werden we bij anderen uitbesteed.
Vraag: Herinneren jullie nog namen van mensen bij wie
    jullie in de kost zijn geweest?
Antw.: Wij herinneren ons slager Jan Pasterkamp, bakker
    Evert Nentjes, Kotteman en Hakvoort.
Schuurman: Bij Pasterkamp kreeg je de eerste middag wel
    eens een borreltje voor het eten.
Vraag: Gingen jullie na de "kost" meteen naar het land?
Antw.: Jazeker. Wij werden op het hooiland in ploegjes
    verdeeld en kregen aangewezen welk stuk wij moesten
    maaien. Deze stukjes land waren afgezet met paaltjes
    waar tussen touwtjes gespannen waren. Op die paaltjes
    stonden merktekens, maar het was voor ons een raadsel
    hoe de boeren precies wisten waar de paaltjes gezet
    moesten worden. De Urker boeren maaiden zelf niet
    mee, maar zij letten wel goed op om het gemaaide
    gras aan de rand van hun stukje land naar zich toe
    te harken.
Vraag: Als een ploegje maaiers een stukje land klaar
    had, moest dat groepje dan samen met andere maaiers
    een nieuw stuk doen?
Antw.: Je bleef zo lang mogelijk met het zelfde ploegje
    werken. Alleen het gemeenteland, dat altijd als
    laatste gemaaid werd, werd gezamenlijk bewerkt.
Vraag: Hoelang duurde de maaitijd?
Antw.: Wij begonnen op maandagmiddag en meestal
    was het werk vrijdagsavonds af. Wij hebben het
    ook een keer meegemaakt, dat we pas zaterdags
    tegen een uur of twaalf de zaak geklaard
    hadden. De boeren hadden namelijk het land
    bemest met compost waarin nogal wat troep zat.
    Daardoor werden onze zeisen snel bot, zodat
    wij ze om de haverklap moesten scherpen.
Vraag: Hoe waren de werk- en schafttijden?
Antw.: Wij stonden om 4 uur op en gingen dan zo
    snel mogelijk naar het land. Tegen 8 uur bracht
    men koffie en brood, later in de ochtend weer
    koffie. Voor de middagpot gingen we naar onze
    kosthuizen. 's Middags kregen we weer koffie
    op het land en om een uur of zes werd ons
    avondbrood gebracht. Wij bleven tot zonsonder-
    gang door werken.
Vraag: Hebben jullie op Urk weleens dikkoek gegeten?
Antw. Brouwer: Ik herinner mij dat ik dat weleens
    gegeten heb. Over het algemeen was het eten goed.
    Ik weet ook nog wel dat wij vaak krentebolletjes
    bij de broodmaaltijd kregen.
Vraag: Was er na het werk 's avonds nog een beetje
    tijd voor
ontspanning?
Antw. Schuurman: Voor ontspanning was geen tijd.
    Je had je rust hard nodig. Ik heb weleens met een
    schipper 's avonds laat aan boord zitten praten.
    Dat kon eigenlijk niet, want om 4 uur moest ik er
    weer uit, maar als je jong bent doe je zoiets.
Vraag: Hoe was de slaapgelegenheid?
Antw.: Wij hebben niet altijd in ledikanten geslapen. Bij
    Klaas van Urk sliepen we meestal een man of tien op de
    zolder.Je kreeg dan lakens, dekens en een kussen en zo
    moest je je redden. Pyjama's had je in die tijd niet,
    dus 's avonds trokken we alleen onze sokken en boven-
    goed uit en dat sliep best.
Vraag: Hoe was de kwaliteit van het gras op Urk?
Antw.: Goed, zelfs beter dan in Nieuwleusen, want hier heb
    je zandgrond en op Urk kleigrond.
Vraag: Hoeveel verdienden jullie?
Antw.: De man ƒ 30,--. Het maakte niet uit of het werk
    vrijdag al klaar was of pas zaterdagochtend.Wanneer
    één van de maaiers een halve of een hele dag ziek
    was dan gingen de anderen als het moest wat eerder
    naar het land en werkten eventueel ook wat langer door.
    Iedereen die meeging kreeg zijn ƒ 30,--. De bootreis
    heen en terug werd door de hooilanders betaald.
Vraag: Wat deden jullie als het erg slecht weer was?
Antw.: Als het even kon werd er gewoon doorgewerkt.


            Maaiers temidden van Urker kinderen



    Wij herinneren ons dat we één keer een dinsdagmorgen
    niet hebben gewerkt, omdat het zo geweldig stormde dat
    men bang was dat het hooiland onder zou lopen. Het was
    nog voor deAfsluitdijk was aangelegd. Er waren veel
    takken van bomen gewaaid. Aan het eind van de morgen
    bedaarde de storm en 's middags zijn we weer naar het
    land gegaan. We hebben die ochtend maar wat door het
    dorp gekuierd, uitslapen was er niet bij.
Vraag: Kwamen de mensen uit Nieuwleusen alleen om te
    maaien of ook wel om mee te helpen het hooi binnen te
    halen?
Antw. Schuurman: Ik ben één keer langer gebleven om te
    hooien. Bij mijn weten bleven meestal een man of vier om
    bij het hooien te helpen.
Vraag: Is er wel eens één van de maaiers op Urk blijven
    hangen doordat hij verkering had gekregen met een meisje
    van het eiland?
Antw.: Nee, voor zover wij weten is dat nooit gebeurd.
Vraag: De komst van de maaiers was een feestelijke
    gebeurtenis, hoe was jullie vertrek?
Antw.: Als wij zaterdagsmiddags om 2 uur met de boot naar
    Kampen vertrokken dan waren er veel minder mensen dan
    bij onze aankomst. Met een voorspoedige reis waren wij
    aan het begin van de avond weer in Nieuwleusen.
Vraag: Hoe herinneren jullie de maaitijd op Urk?
Antw.: Wij hebben een heleboel zweetdruppels op Urk
    achtergelaten, want wij moesten er hard werken en niet
    alle maaiers waren even handig met de zeis.
Brouwer: "Je mozzen nog wel een beetien met de zeisen
    geword'n kunn'n, anders had je het aan de broek."

Al met al herinneren wij ons de maaitijd als een gezellige tijd, de verdiensten waren goed en we mochten graag op Urk zijn.


            Colofon uitgaven 1983


            Uitgaven van 1984


Jaargang 2 nummer 1 maart 1984

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


Van de Redactie _________________________________________________________

Een nieuwe lente, een nieuw geluid. Een (ver)nieuw(d) bestuur, een (ver)nieuw(de) redactie en weer een nieuw blad. Er is veel nieuw in 1984, het tweede jaar van onze historische vereniging. Over de samenstelling van het bestuur leest U meer in de rubriek verenigingsnieuws.

De redactieleden mevrouw Bartels en de heer Schoemaker gaven te kennen wegens drukke werkzaamheden geen tijd meer voor de samenstelling van dit blad te kunnen vrijmaken. Hoewel we dit betreuren, menen wij toch hun besluit te moeten respecteren.
We hebben de heer J.W. de Weerd bereid gevonden één van de opengevallen plaatsen te bezetten, met hem hopen wij voor U een interessant blad te maken, maar.....dit kan niet zonder U. Bijdragen van leden zijn, voor een vereniging als de onze, van groot belang en de redactie meent dan ook nogmaals een beroep op U te moeten doen. Notities, ook al vindt U ze zelf minder belangrijk, zijn voor anderen vaak erg interessant en vormen meestal een klein stukje in de grote legpuzzel van de historie. Foto's maken een verhaal extra aantrekkelijk. Helaas is er nogal eens gebrek aan beeldmateriaal. Ook hiervoor menen wij een beroep op U te moeten doen. We denken dat er in veel kasten, laden en dozen nog wel een foto te vinden is. Wanneer U het ons even laat weten, noteren we dat en kunnen wij in voorkomende gevallen daar gebruik van maken.

Voor U ligt thans het eerste nummer van de tweede jaargang. De redactie heeft z'n best gedaan om een zo aantrekkelijk en gevarieerd mogelijk geheel te maken. We kunnen slechts hopen dat het bij U in de smaak valt.

* * *


VERENIGINGSNIEUWS _________________________________________________________

Met het passeren van de statuten van onze vereniging, in de laatste maand van 1983, voor de notaris, is het stadium van een vereniging in oprichting achter de rug en heeft "Ni'jluusn van vrogger" een officiële status verkregen. Dit maakte het nodig dat er een definitief bestuur gekozen moest worden. Deze bestuursverkiezing vond plaats in de vergadering van 24 januari jl. en resulteerde in de herverkiezing van 4 leden van het voorlopige bestuur, te weten de heer H. Schoemaker als voorzitter, de heren A. Kreule (secretaris) en R.J. Klijn (penningmeester) en mevr. G. Hengeveld. Als vijfde bestuurslid werd de heer J. Prins gekozen.
In dezelfde vergadering werd gesproken over werkgroepen. Dit resulteerde in de instelling van twee werkgroepen, waarvan de werkgroep "merklappen en letterdoeken" zich zal bezighouden met het opsporen en documenteren van letterdoeken. Als contactpersonen treden op dc dames Spijker en Kreule.
Namens hen willen wij U oproepen letterdoeken beschikbaar te stellen, of hierbij te bemiddelen, om er voor het archief van de vereniging een dia van te laten maken.
De werkgroep "genealogie", met mevrouw Hengeveld als contactpersoon, gaat zich bezighouden met het onderzoek naar de Nieuwleusener voorouders.
Voorts onthulde de heer Schoemaker die avond de door hem op schaal nagebouwde havezathe Oosterveen en vertelde hij daarbij iets over de geschiedenis van het gebouw. In artikelen schonken de Zwolse en de Meppeler Courant aandacht aan deze unieke maquette.

Het eerste jaar van het bestaan van "Ni'jluusn van vrogger" werd afgesloten met een ledenaantal van 105. Inmiddels zijn we de 120 overschreden. Het stemt tot voldoening, dat reeds zoveel mensen de weg naar de vereniging konden vinden. Wij hopen dat het aantal leden de komende tijd nog verder zal toenemen. Voor de uitbouw van onze vereniging is dit onontbeerlijk.

* * *


EEN BIJBEL UIT 1847 _________________________________________________________

Henk van Duren Klzn. uit Canada, wiens speurwerk er mede toe heeft bijgedragen dat het artikel in het septembernummer van de eerste jaargang van ons blad tot stand kwam, heeft onlangs weer een bezoek aan Holland (Michigan) gebracht. Hij maakte daar kennis met een zekere Edward Prins die vertelde dat zijn voorouders in 1876 van Hoogeveen naar Michigan waren geëmigreerd. Deze Prins had een zwager met de naam Van der Haar en hij toonde een heel oude bijbel die eens toebehoorde aan Hendrikjen de Weerd, dochter
van Albert de Weerd en Jentien Stolte. Zij maakte aantekeningen voor in haarbijbel.
De foto toont enkele aantekeningen die haar tweede huwelijk betreffen. Kort na de aankomst in Amerika in 1847 was haar eerste eehtgenoot overleden. Zij hertrouwde op 7 mei 1848 met Wouter van der Haar. Van hun kinderen overleden er enkele op jeugdige leeftijd.

* * *


OVER NAMEN EN BIJNAMEN II _________________________________________________________

B.v.D.

Hoewel het niet als een wet van Meden en Perzen beschouwd kan worden, d.w.z. een vaste regel waarvan niet kan worden afgeweken, is het toch wel vrij zeker dat door middel van gegevens uit de burgerlijke stand meestal een oplossing wordt gevonden voor de bijnaam die aan iemand is gegeven. In ons vorige artikel behandelden wij de namen met toenamen Visscher - Brand, Borger - Wichers, Luten - Sok, Willems - Snor(re) en Reu rink - Oijers. Verder hadden wij het over de Spieker potties. De oplossing hiervan is simpel, Van Spijker huwt met Pot. Heel vaak is de oorzaak van zo'n naam terug te vinden in de geslachtsnaam van de moeder enz. In gedachten de namen van oude Nieuwleusenaren langs gaande, vinden we nog het volgende:

JAAP VAN DALFSEN

Wie heeft deze nijvere postbode in Den Hulst niet gekend? Zijn eigenlijke naam was Jacob Borger.
Mevrouw Klinge, een kleindochter, heeft ons bij het zoeken naar deze bijnaam een heel eind geholpen. Haar overgrootvader Hendrik Jan Borger was gehuwd met Margje Zomer, dochter van Jacob Zomer en Niesje Tuin. De vader van Hendrik Jan Borger was Klaas Burger (later Borger), boerenknecht onder Dalfsen, zoon van Hendrik Burger en Gerritdina Benne. Hij was gehuwd met Jentje Veijer, dochter van Berend Veijer en Jantje Klein. Jaap zijn grootvader kwam dus uit Dalfsen en de rest is wel te raden.

BOTTERMAN - JAN THIJS

Met deze naam ging Jan Thijs Klein door het leven. Hij was een zoon van Jan Thijs Klein en Jentje Boter man. Boter is in het dialect botter en klinkt helemaal niet onaardig.

KAPPERS - GEESE

Ze woonde in Den Hulst. Steevast elke zondagmorgen kon men deze flinke vrouw naar de kerk zien stappen in gezelschap van haar dochter Gerritdina en haar schoonzoon Gerrit Jan Gerrits. Kappers Geese was gehuwd met Jan Kappert. Haar meisjesnaam Geesje Timmerman was slechts bij weinigen bekend.

KATOELE - PATER

In het jaar 1850 trouwde ene Jan Katoele, zoon van Jan Katoele en Jantje Reuvers, met Hendrikje Jansen Pater, geboren onder Staphorst en dochter van Gerrit Jansen Pater en Geesje Duurkoop. Deze Jansen Pater is vermoedelijk kastelein geweest in Den Hulst of omgeving.

HENDRIK VAN DUREN - PAANDERTIEN

Zowel de moeder als de grootmoeder heetten Janna Pander. Van het geslacht Pander kwamen een zoon Arend en verder vrouwelijke nakomelingen. Deze Arend kreeg in zijn huwelijk met Willempje Borger slechts dochters, dus komt de naam Pander in Nieuwleusen niet meer voor.

Nogmaals, het is niet de bedoeling familieleden van betrokkenen te beledigen. Mocht dit zo opgevat worden, dan gaarne onze excuses. Wie meent nog namen met bijnamen, waarvan de herkomst naar alle waarschijnlijkheid is vast te stellen, te weten uit Nieuwleusen of naaste omgeving, kan dit ten allen tijde doorgeven aan de redactie.

* * *


TEVREDEN _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.

Een gezellige vertel- en schrijfwijze had mevr. Bosch - Bruist. Onderstaande heeft naar onze mening betrekking op een familie Schutte. Het kerkje der Oud-Gereformeerde Gemeente is in de volksmond nog vaak "Schutten kerkien".

Naast ons woont in een klein huisje een timmermansknecht met zijn vrouw en kind. Knappe, vlijtige mensen. Hun kindje is een aardig meisje van vijftien maanden. Op zekere avond komen wij laat terug van een wandeling. 't Is bijna donker en als wij de kleine woning passeren komt daar juist de timmerman aan met de bak vol gereedschap op zijn rug. Moeder hoort zeker zijn voetstappen op het bruggetje, want met haar kindje op de arm komt ze de deur uit. "Ja, doar is vader. Dag Jentien mien maagien, bin ie doar", dit tegen de kleine en Jentien kraait het uit van de pret. Dan verder: "wol ie bi'j mi'j komen mien maagien, ja mar vader hef zo'n zwoare bak op de rugge, is 't niet Jentien?"
Tot zijn vrouw zegt hij op dezelfde opgewekte toon: "kom Griet, loa'w ien huus goan, mi'j lust wel wat uut de schöttel." En daar gaat het drietal de woning binnen; de deur blijft open. Daar staat de kleine klap tafel met het bescheiden hanglampje helder brandend er boven. Op de tafel een dampende schotel en een klein pannetje er naast. Moeder zet de kleine in de kinderstoel en vader is naar het achterhuis gegaan, komt dan weer binnen met glimmend gezicht en natte haren en neemt gauw een brokje kam dat op een hoekje van de schoorsteenmantel ligt.
Ziezo nu aan tafel, maar eerst buigen de ouders het hoofd. Amen. Amen, zeg ik hen zacht na. Zo zij het leven van de handwerksman. Zullen die lieden gelukkiger zijn als ze in het bezit zullen zijn van meer rechten zogenaamd, ais het volbrengen van hun dagelijkse taak hen zo tevreden maakt?

* * *


DE SMEDERIJ VAN VROEGER _________________________________________________________

Eén van de uitstervende beroepen in ons dorp is de smid. Om toch weer iets van dit in herinnering te roepen, laten wij dit verhaal volgen.
Rond de eeuwwisseling bestonden er op het platteland verschillende smederijen. Het waren meestal kleine bedrijfjes met een klein inkomen, waarvoor veel zwaar werk gedaan moest worden. Bij de zomerdag werden er dagen gemaakt van zes uur 's morgens tot n egen uur 's avonds. De gereedschappen van een smid waren:
aambeeld, hamer, voorhamer, tang en smidsvuur.
Het vuur werd aangeblazen door een blaasbalg. Deze bevond zich op de zolder en werd door middel van een ketting gebruikt. Gezien het gereedschap waar ze over beschikten, hadden de smeden een grote vaardig heid. Het beslag van boerenwagens werd geheel met de hamer gemaakt. Ook werden ploegen, eggen, spijkers, schoppen en bijlen in de smederij gemaakt.
De smid was vaak ook hoefsmid. De paarden werden dan van hoefijzers voorzien en dat gebeurde in de hoefstal. De ijzers werden ook in de smederij gemaakt. Bij de winterdag moesten ze worden beslagen met winterbeslag. Dat waren ijzers voorzien van vier gaten waar dan proppen in geslagen werden. Dit was om de paarden niet uit te laten glijden als er ijs en sneeuw lag.
Ook werden in de smederij vaak de laatste nieuwtjes verteld en werden er grappen en moppen verhaald, waardoor het er vaak erg gezellig was. Eén van deze grappen willen wij U niet onthouden:
Een timmerman stuurde zijn knecht met een briefje naar de smid, waarop stond wat hij moest halen. De knecht kon niet lezen, dus wist hij niet wat er op het stukje papier stond. De smid las het briefje en vroeg: "moet je alles hebben wat er op staat?" "Ja", zei de knecht. Toen hij weer terug kwam, zei hij tegen zijn baas: "hij wou mij ook nog een klap geven." Maar wat was het geval? De timmerman had op het papiertje gezet: geef hem maar een flinke oorvijg.

foto: mevr. Knol - Westerveen

Hier zien we de smederij met de hoefstal van Westerveen in de Kerkenhoek. De hoefstal is verdwenen, maar de ramen zijn nog dezelfde.

DE HOEFSTAL.

Het beslaan van paarden gebeurde meestal niet in de smederij, maar buiten in de zogenaamde hoefstal of travalje (afgeleid van het Latijnse trepalium, een van drie balken gemaakt folterwerktuig). Soms stonden ze geheel vrij. Er waren er ook die alleen maar een dak hadden; anderen waren aan één kant open en boden dus meer beschutting. De hoefstal van Westerveen was ingericht om één paard te stallen. Aan beide kanten had de smid zijn werkruimte.
Op de foto is duidelijk de oorzaak van het verdwijnen van de travalje te zien; door de aanschaf van auto's en tractoren werden de paarden afgedankt.

* * *


KATJA'S JEUGD _________________________________________________________

G. Kreule - Kok

Nieuwleusen is tot op heden niet bekend geworden door schrijvers van literatuur met een grotere dan lokale betekenis. Ook het boekje dat ik van mevrouw Annema ter lezing kreeg, geschreven door een oud-plaatsgenote, valt onder deze categorie.
De schrijfster heeft haar levensloop op schrift gesteld en in boekvorm uitgegeven met als titel: "Katja's jeugd." Het betreft hier mevrouw Klaasje Jonkers (Katja), geboren op de Meele omstreeks 1900, dochter van Gerrit Jan Jonkers. Ze was eerst gehuwd met Gerrit Roozeboom (Gerrad Verboom in haar boekje)
en later met B. Kuus.
Toch is het voor leden van "Ni'jluusn van vrogger" en andere belangstellenden wel interessant om van dit boekje kennis te nemen.
Mevrouw Annema geeft er een beschrijving bij met de werkelijke namen van de in het boek genoemde personen, waardoor het voor de Nieuwleusener lezers veel meer gaat spreken. Een belevenis uit de periode in het leven van "Katja", toen ze met haar man op de Kievitshaar woonde, volgt hieronder. Zoals we eerder uit beschrijvingen van o.a. mevr. Hengeveld en de heren Sterken, de Weerd en Piel mochten vernemen, gold de Kievitshaar vroeger als een oord veraf gelegen van de bewoonde wereld, te midden van een zandwoestijn.

* * *


Op een dag kwam Verboom vroeg thuis want er was een varken dat naar biggetjes verlangde, dus moest hij naar de beerhouder en die woonde 2 uur lopen bij hun vandaan. En al maar wegen door de woestijn van dat mulle stuifzand. Het was 6 uur toen Verboom met het varken vertrok en om tien uur kon hij terug zijn, dan was het nog licht. Vrouw Verboom zei nog eens denk er goed om hoor, want er lopen hier honderden wegen, dat je niet verdwaald.
O nee vrouw, wees gerust, ik ben om tien uur wel weer thuis.
En dat werd dan afwachten, het was wel prachtig weer, maar toch had vrouw Verboom bange vermoedens. Maar ze had nog wel wat werk en dat scheelde nogal weer.
De volgende dag was het zondag en dan zou vader komen. Om 8 uur kwam een buurvrouw bij vrouw Verboom. Ja ze hadden een baby gekregen en dat wist vrouw Verboom ook wel. Maar ze kwam vragen of vrouw Verboom hun kind wel in de kerk wou brengen want het moest gedoopt worden en vrouw Verboom was de jongste vrouw van de hele buurt.
O ja hoor, dat wilde ze graag doen, zei ze.
En al pratende was de tijd gauw voorbij gegaan en er werd afgesproken dat een week later hun kind gedoopt zou worden.
En toen vertrok de buurvrouw weer.
De 2 kindertjes sliepen heerlijk. Maar toen de klok 11 uur sloeg en Verboom nog niet met het varkenthuis was werd ze erg angstig en dacht er is wat mis. Maar ze kon niets doen.
Toen het 12 uur was kwam broer Wim thuis en hij zag dat er wat niet in orde was. Maar hij troostte haar met te zeggen dat Verboom in geen zeven sloten tegelijk zou lopen, maar sloten waren er wel en hele brede als hij daar in kwam zou hij zeker verdrinken, dacht vrouw Verboom.
Het werd 1 uur, half 2 en geen Verboom.
Toen dachten broer Wim en Katja, wij zullen de stormlantaarn hoog in de boom hangen, zodat hij op het licht kon afkomen. En toen de lantaarn in de boom hing gingen allebeide heel hard roepen Gerrad - Gerrad, maar alleen de echo gaf geluid terug. Het werd steeds angstiger en broer Wim wist nu ook wel dat er wat gebeurd moest zijn.
Om 2 uur was Katja ten einde raad en liep als een bezetene naar buiten, begon heel hard om Gerrad te schreeuwen en nog eens schreeuwde ze, totdat ze meende dat hij terug riep. En ja hoor, broer Wim hoorde het goed en zei toen, hij komt er aan zus.
Wat was Katja toch gelukkig, nou zou hij gauw thuis
zijn, dacht ze.
Toen het bijna half 3 was stond Gerrad weer in huis, nat tot z'n knieën toe. Maar zei Katja, waar is het varken. O, die kon niet meer lopen. Maar eerst droge kleren aan dan zal ik het wel vertellen. Toen hij droge kleren aan had kwam er een groot verhaal.
Gerrad had de verkeerde weg ingeslagen, zodat hij steeds verder van huis ging in plaats weer terug. Het varken kon niet meer lopen zodat hij bij de dichtst bijzijnde boerderij de mensen uit hun slaap had gewekt en die vertelden hem dat het varken maar even op een kleine wagen naar de schuur gebracht moest worden en dat Verboom hem dan de volgende morgen maar moest komen halen. Nog nooit hadden broer Wim en Katja zo gelachen als toen. En Gerrad, hoe moe hij ook was, lachte ook mee. Het was intussen al half 3 geworden. Als Gerrad de volgende morgen vroeg het varken wilde halen kon hij nog wel een paar uur slapen dus gingen ze maar gauw naar bed toe. Maar Katja kon heel niet slapen. Eerst de hele avond in angst gezeten en nu Gerrad dan eindelijk thuis was gekomen maar zonder varken, dat ging Katja boven haar verstand. Wat was er in hun huwelijksleven toch al veel gebeurd.
De volgende morgen was Gerrad al weer vroeg opgestaan om het varken te halen, twee uur lopen heen en twee uur terug. Maar Katja was heel gelukkig dat er niets ernstigs was gebeurd. Maar ze dacht in haar eentje aan dat mooie vers van: "Op de grote stille heide dwaalt de herder eenzaam rond". Gerrad was dan wel geen schaapherder maar was toch echt verdwaald.
Daar kwam vader binnen. Hij bracht chocolade mee voor de kleine Jan. Toen vroeg hij, waar is Gerrad? En Katja vertelde hoe ze in angst had gezeten de vorige dag. En dat Gerrad zonder het varken thuis was gekomen want die kon niet meer lopen en mocht daar 's nachts bij een boer blijven in de schuur. En nou is hij het varken halen zei Katja. Vader zat stomverbaasd te luisteren. Maar wat hij daarop antwoordde zal Katja nooit meer vergeten. Broer Wim was intussen ook uit zijn bed gekomen en begon weer te lachen.
Even later gingen ze naar buiten om te kijken of Gerrad er aan zou komen. Ja hoor, heel in de verte kwam hij er aan. O wat was het toch een grote wereld. Uren moest je gaan voor je in de bewoonde wereld was.
Even later lag het varken weer in zijn eigen hok. En vader zei, hij kan wel eens een mooi toompje biggetjes geven en ze moesten er allemaal weer heel erg om lachen.
Dat Gerrad zo'n groot avontuur had beleefd op de grote stille heide, een woestijn waar maar zes gezinnen woonden.

* * *


Inmiddels is een exemplaar van dit boek in mijn bezit en ik wil het graag uitlenen aan belangstellende leden van "Ni'jluusn van vrogger".

* * *


VARIA _________________________________________________________

Helaas zijn er in het vorige nummer enkele fouten ge-
slopen.
Op blz. 54 regel 6: Harm Prins i.p.v. Jan Prins
Op blz. 55 regel 19; Luten - Sok i.p.v. Luten - Kok
Op blz. 58 regel 21; 1820 i.p.v. 1920
Op blz. 59 regel 33: Baltus i.p.v. Balder

(Deze fouten zijn in de tekst hersteld.)

* * *



Heeft U de contributie voor 1984 al betaald?

* * *

Volgende ledenvergadering woensdag 9 mei
om 8.00 uur 's avonds in het
verenigingsgebouw bij de geref. kerk.

* * *


DE "BAK" VAN NI'JLUUSN _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.


Deze foto is genomen achter de tegenwoordige burgemeesterswoning. Hierop staan burgemeester Bosch Bruist met echtgenote en twee dochtertjes. Een probleem voor ons was het stenen gebouwtje met de gekartelde bovenrand. Ons medelid Vloedgraven loste het op met de woorden: "dat moet de bajes geweest zijn. Wij hadden op Staphorst ook zoiets.
De bekende koopman Kloas had er weer eens onderdak gevonden. Hij nam wat tegels uit de vloer en begon met de handen te graven. Broer Ap verleende hem aan de buitenkant assistentie en de volgende morgen was Kloas vertrokken."
De voorzitter vertelde ons nog een gezegde van veldwachter Holties: "nu heb ik een zingende kanarie in de kooi." Een Nieuwleusenaar die hij daar onderdak had gegeven zong met galmende stem: "Als ik omringt door tegenspoed...."

* * *


DE LEVENSBOOM I _________________________________________________________

A. Sch.-Y.

Al eeuwen is de boom het symbool van leven en dood. Vandaar dat vroeger bomen vereerd werden:
- Perzische koningen lieten oude platanen versieren met
  gouden kettingen;
- Germanen eerden de Alvader in oeroude eiken;
- Boven Keltische graven stond de taxus als scherm;
- 15 december tot 15 januari midwinterzonnewendefeest,
  gesymboliseerd in de eeuwig groene Joel of levensboom
  (gekerstend - kerstboom);
- Op letterdoeken komt vaak een boom voor
  (stamboomonderzoek).
Karel de Grote verbood de heidense boomverering.
Het symbool voor groei en leven in vruchtbaarheid is gebleven. Boven vele voordeuren vindt men een levensboom, gemaakt van smeedijzer of soms van hout en in ons dorp alle wit geverfd.
Na vier zondagmiddagen fietsen hebben we er in ons dorp nog 12 geteld en wel op de volgende adressen: Oosteinde 41 en 59, Oosterveen 69 en 79, Neurinkweg 2, Bosmansweg 7, Backxlaan 16, Hulstkampenweg 9, Jagtlusterallee 5, Meeleweg 48 en 79 en aan de Noordelijke Ruitenweg.
Zijn we er één vergeten, geef dit dan s.v.p. aan ons door. Weet iemand wie de levensbomen maakte of waar ze gemaakt werden? De dorpssmid bv. of in Zwolle? Verdere gegevens zijn van harte welkom en bij voorbaat hartelijk dank.

Bron: D.J. Prins, De oorsprong van de levensboom
          (februari 1982).

* * *

Maart roert zijn staart.

April doet wat hij wil.

In mei leggen alle vogeltjes een ei.

* * *


DE LEVENSBOOM II _________________________________________________________

J. W. de Weerd

In het voorgaande artikel wordt vraag gesteld wie de levensbomen maakte en waar dit gebeurde. Alvorens hierop in te gaan, willen we eerst iets zeggen over de oorsprong.
De huizen zagen er in vroeger dagen anders uit dan tegenwoordig. Vooral op het platteland waren de ge bouwen erg sober. Dit kon ook moeilijk anders, omdat de levensstandaard dit niet toeliet. Veel boerderijen waren niet meer dan een stal met een al dan niet afgescheiden woongedeelte. In de loop van de jaren werd het iets beter en mede onder invloed van ambachtslieden en edelen, wilde men hier en daar wel eens een versiering aanbrengen. Deze versieringen ontstonden in de eerste plaats op nuttige en in het oogspringende dingen. Zo werd de deurklink sierlijker, bracht men een rozet op het muuranker aan en ontwikkelde de spijl in het bovenlicht van de voordeur zich ongeveer in het midden van de 18e eeuw tot een sierlijk ornament. Omdat het te ingewikkeld werd ze van hout te maken, veranderde het materiaal in ijzer.
In mallen kon men gedetailleerde ornamenten makkelijk gieten. Dit gebeurde vooral in de Achterhoek waar een groot aantal ijzergieterijen gevestigd was.
Deze bedrijven hadden catalogi waarin de leverbare artikelen stonden. De timmerman / aannemer kon zodoende rechtstreeks bij de fabriek bestellen.
Oorspronkelijk sprak men dus van bovenlichtornament.
In de jaren 30 van deze eeuw stond de volkskunde onder invloed van Duitse volkskundigen. Zij trachtten veel te verklaren als zijnde oorspronkelijk afkomstig van de Germanen. Hoewel de geschriften van deze Duitse volkskundigen later zijn verboden, is er toch veel zo ingeburgerd dat het thans algemeen gebruikt wordt. Zo kreeg het bovenlichtornament de benaming levensboom, hoewel het dat niet is.

* * *

OP JACHT _________________________________________________________


Foto: H. Brinkman (± 1927)

Op deze foto zien wij enkele jagers op jacht in het Katoelenveld. Dit veld lag tussen de Kringsloot en de Kampenweg en naast de Brouwersweg.
v.l.n.r. Paul Withaar, schilder. Hij woonde waar nu garage Stolte is.
In het midden Gerrit van der Kolk. Hij was keuterboer en woonde in het Oosteinde aan de westkant van het Chinees restaurant. Van hem is bekend dat hij graag een borreltje dronk. Zo ook eens op een zaterdagavond toen veldwachter Holties hem in de bak had gestopt. Maar het duurde hem te lang voor hij weer vrijgelaten werd. Daarom maakte hij nogal veel kabaal en bleef maar roepen:
"lk mut naor huus soep koaken, want Krikkien (dat was zijn vrouw) mut naor de karke."
Naast hem Willem Brinkman, wonende aan de Backxlaan tussen vrachtrijder Runhard en horlogerie van de Bosch.



Jaargang 2 nummer 2 juni 1984


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


Van de Redactie _________________________________________________________

De voorjaarsmarkt is weer voorbij. Het was een drukte van belang en vooral de kraam van onze vereniging werd druk bezocht. Onze in klederdracht gehulde "vrouwluu" hadden het "zo drok as een boer ien 't heujn". De oude foto's met de onbekende personen trokken veel bekijks en er zijn aardig wat namen boven water gekomen. Het onbekende voorwerp is echter nog steeds onbekend. We komen hier een volgende keer op terug.
De voor- en najaarsmarkt kennen we van de laatste paar jaar, maar vroeger had men ook reeds een Hulst-markt. In de Steenwijker almanak van 1931 staat vermeld dat er in Den Hulst op 14 en 28 april en op 27 oktober een veemarkt zal worden gehouden.

Deze zomer staat in het teken van het 175-jarig bestaan van de Dedemsvaart. Tegen deze achtergrond is dit nummer samengesteld. Het bevat diverse artikelen en foto's die betrekking hebben op of verband houden met het kanaal. Zo treft U o.a. de letterlijke tekst aan van het contract dat de heer Van Dedem sloot met de aangelanden in Nieuwleusen en maken we met Jacob van Lennep een tocht door deze omgeving.
Verder blikken we, door middel van de foto hieronder, even terug naar het 100-jarig bestaan van het kanaal. Ter gelegenheid van dit eeuwfeest werd een optocht georganiseerd waaraan ook versierde fietsen hebben mee gedaan. Op de foto (in bezit van de fam. Schoemaker zien we links W. Ennik met "leve de scheepvaart" en rechts H. Ennik met een ophaalbrug voor op de fiets. De jongeman in het midden is de later naar Amerika geëmigreerde J. Ennik Hzn.



* * *


BIJ DE OMSLAGFOTO _________________________________________________________



Foto: beschikbaar gesteld door mevr. H. Veltmaat - Hegen, is
gemaakt door een studente aan de Landbouwhuishoudschool.

In 1928 werd van een in de Dedemsvaart, tussen de Rollecate en de spoorbrug, in de richting Hasselt zeilend schip deze opname gemaakt. In het huis rechts woonde Luuks Timmerman; links woonde Ter Horst en in het tweede huis Schuurman. Tussen het kanaal en de weg is nog een spoor van het jaagpad te zien.

* * *


UIT HET DAGBOEK VAN JACOB VAN LENNEP _________________________________________________________

Dinsdag 15 July (1823).
Te acht ure verlieten wij het eerste fatsoenlijke logement (te Zwolle) dat wij tot nog toe gehad hadden en stapten volgens afspraak naar het stadhuis, waar ons de Heer Tobias, die met den bode eene schouw moest gaan doen, met een kapwagen afwachtte. Zijne goede harddravers brachten ons met spoed over den zandweg heen door de groote landerijen, waar de arme lieden uit de stad hun beesten voor een geringe som laten weiden. Wij zagen de plaats waar men den nieuwe weg naar Meppel maken wil en kwamen drie uren van Zwol aan de plaats van den Heer van Dedem, aanlegger van het beroemde kanaal dat zijn naam draagt. Daar wij gemelden Heer een bezoek wilden doen, stapten wij af en bedankten den Heer Tobias voor al zijne beleefdheden. Die gedienstige man herinnerde mij in houding, gestalte, gelaatstrekken, spraak, omgang en vooral zijn vriendelijke en inneemende handelwijze mijn overleden oom den Heer Sylvius van Lennep.
De oude plaats (Jagtlust) van den Heer van Dedem doorgewandeld zijnde kwamen wij aan de nieuw aangelegde. Waar vóór 2 jaren alleen barre heide was, staat nu reeds welig hout en koren, zijn bloemperken en vruchtboomgaarden aangelegd en prijkt het heerlijk huis, dat van Vollenhove derwaarts gevoerd is, en aangenaam over de vaart hangt. De vaart is zeer breed en genoegzaam diep, zoodat mijn reisgenoot (Dirk van Hoogendorp) in 1819, toen de Smilder en Hoogeveensche vaarten onbevaarbaar waren wegens het lage water op deze vaart eene vloot van niet minder dan zeventig turfschepen zeilen zag. Met gunstigen wind kunnen de schepen van de Ommerveenen in een dag te Amsterdam zijn, daar zij uit de Pekel Colonies komende acht dagen werk hebben, wegens de menigten sluizen. Desniettegenstaande spreekt bijna ieder ten nadeele over de vaart van den Heer van Dedem, meest uit onkunde of ijverzucht. Het speet ons zeer, dat wij hem niet buiten vonden, daar hij ons zeker veel konde verhalen en ten eten zou gehouden hebben. Van zijne buitenplaats wandelden wij twee uren de vaart op en kwamen zoo aan de herberg van Kruizinga, nabij de Ommerschans gelegen.


nog een foto van huize "Rollecate" vanaf de oprijlaan

* * *


DE DEDEMSVAART _________________________________________________________

J.W. de Weerd

De veengebieden in het noorden van Overijssel vormden sinds onheuglijke tijden samen met de venen in het oosten van Drenthe en Groningen een natuurlijke verdedigingslinie van de noordelijke provincies. Door een uitgekiend stelsel kon men hele gebieden onder water zetten. Vanuit het Oversticht was het landschap Drenthe bij inundatie alleen via enkele hoger gelegen verdedigingswerken als de Bisschopsschans en de Ommerschans te bereiken. Veenafgraving kwam in deze gebieden dan ook niet voor. Wel werd er incidenteel turf gegraven, maar dat was alleen voor eigen gebruik. Buiten de natuurlijke verdedigingswerken werd wel op ruime schaal veen ontgonnen. Langzamerhand verloor de inundatielijn zijn waarde en kon ook in deze gebieden de turfwinning een aanvang nemen.
In de achttiende eeuw is het een familie Van Marle die aanzienlijke bezittingen heeft in de uitgestrekte heide- en veengebieden in het noorden van Overijssel. Regelmatig jagen er de heren en baronnen op het hier aanwezige wild. Ook stropers maken er het nodige buit. De turfgraverij en de veenontginning hebben in deze streek nog niet veel te betekenen. Spoedig zal daar echter verandering in komen. Een lid van de familie Van Marle, Gerrit Willem, ontwikkelt plannen om de venen te gaan exploiteren. Op andere plaatsen in ons land men reeds lang geld aan de verveningen en waarom hier dan niet?
Voor de ontginning van de venen is een kanaal nodig. Enerzijds dient dit voor de afwatering, anderzijds voor de afvoer van turf en de aanvoer van de benodigde materialen als stenen, hout en dergelijke. In 1791 zijn de plannen klaar en brengt Van Marle ze in het openbaar. Wat hij niet verwacht had, gebeurt. Van verschillende kanten ondervindt hij zoveel tegenwerking dat het niet tot uitvoering kan komen. Zonder dat hij iets van zijn ideeën kan verwezenlijken, sterft Gerrit Willem van Marle in 1799.
Het is 12 december 1802 als zijn op 18 september 1782 geboren oudste dochter Judith in Zwolle in het huwelijk treedt met Willem Jan Baron van Dedem tot den Berg. Hij is op 18 maart 1776 geboren op het huis "den Berg" te Dalfsen.
Als erfgenaam van Gerrit Willem van Marle komt Van Dedem in het bezit van de papieren met de plannen voor de ontginning van de Avereester venen. Hij ziet er wel iets in en, mede op aandrang van de andere erfgenamen van Van Marle, begint hij met grote voortvarendheid de plannen van zijn overleden schoonvader verder uit te werken. Helaas, ook hij zal grote tegenwerking ondervinden. Dit kan hem er echter niet van weerhouden om voorbereidende werkzaamheden uit te voeren. In 1804 begint Van Dedem de gronden aan te kopen die nodig zijn voor het graven van het kanaal. Het gaat om honderden percelen die doorsneden moeten worden. Vooral ten noorden van Nieuwleusen zijn de kavels erg smal, soms zijn ze nog geen zes roeden (24 meter) breed. Met enkele grondbezitters in Nieuwleusen kan Van Dedem niet tot overeenstemming komen. Hij zoekt daarom een meer noordelijker tracé uit en wijzigt zijn plannen dienovereenkomstig. Later, wanneer men bezig is met het graven, komen de Nieuwleusener grondbezitters tot andere inzichten en zien ze wellicht ook de voordelen van zo'n kanaal. Daarom verzoeken ze Van Dedem om het oorspronkelijke traject te volgen. Deze komt met hen tot een akkoord en het eerste plan wordt dan ook uitgevoerd. In 1805 zijn de grondaankopen voor het kanaal rond en wordt een verzoek ingediend tot het graven van een kanaal van Hasselt naar de Avereester venen. Door de vele tegenwerking zal het nog enkele jaren duren alvorens er toestemming komt.
In maart van het jaar 1809 maakt koning Lodewijk Napoleon een reis door de noordelijke provincies. Iedereen verwacht dat Van Dedem nu zijn plannen aan de koning zal voorleggen. Dat gebeurt echter niet omdat hij bang is dat het in het bijzijn van tegenstanders zal mislukken toestemming te verkrijgen. Van Dedem verzint echter een list. Hij licht zijn vriend Mr. Zacharias Tijl in. Deze is advocaat en secretaris der Stad Hasselt. Mr. Tijl zal Lodewijk Napoleon bij zijn bezoek aan Hasselt een viertal verzoeken voorleggen, waaronder dat van een te graven kanaal vanuit deze stad naar de Avereester venen.
De list lukt, de koning willigt de verzoeken in.
Bij Koninklijk Besluit van 22 maart 1809 wordt officieel toegestaan "het verzoek van de erven Van Marle tot het graven van een vaart op hunne eigene kosten, tot het afvoeren der turf van hunne Veenderijen".
Op 12 juni daaraan volgend tekent Lodewijk Napoleon op Het Loo nog een Koninklijk Besluit en wel houdende Concessie - voorwaarden tot het graven van de Dedemsvaart. Daarna wordt er met voortvarendheid gewerkt want reeds op 9 juli van dat zelfde jaar gaat in Hasselt de eerste spade de grond in. Aan het eind van het jaar is het kanaal klaar tot aan de herberg De Lichtmis en is de bovengrond over een lengte van 5 km, tot aan de buurtschap Den Hulst, reeds verwijderd.
In 1810 vaart het eerste schip met een lading turf het kanaal af naar Hasselt. Het volgende jaar is de vaart al bevaarbaar tot voorbij het huidige Balkbrug. Het graven gaat onverstoord verder en kost Van Dedem handen vol geld. Uiteindelijk zit hij zo in de financiële problemen dat hij het kanaal met aanhorigheden aan het Rijk moet overdoen. Dit gebeurt bij akte van 3 augustus 1826, waarbij de officiële naam van het kanaal luidt: Rijksvaart van Hasselt naar de Avereester Venen.
Het zit Van Dedem behoorlijk dwars dat hij zijn plannen niet heeft kunnen voltooien en hij probeert dan ook de middelen bij elkaar te krijgen om een en ander terug te kopen. Na twee jaar lukt dit reeds; bij akte van 16 augustus 1828 wordt Willem Jan van Dedem weer eigenaar samen met de heer Jan Heere te Amsterdam. Spoedig zijn er echter alweer financiële perikelen.Ditmaal resulteert het in een openbare verkoop in Odeon in Zwolle. De inzet is bepaald op 11 augustus en de finale veiling op 8 september 1845. Het geheel wordt in vier percelen geveild. De provincie Overijssel koopt drie percelen en wordt daarmee definitief eigenaar van de hele vaart en de belangrijkste aanhorigheden.
Na de eigendomsoverdracht laat de provincie het kanaal voltooien en voert er het beheer over. Dit zal zo blijven tot in 1965 de beslissing valt het kanaal voor scheepvaart te sluiten. Enkele jaren later wordt de vaart gedempt en wordt er door Den Hulst een vierbaansweg aangelegd.

* * *


DE SCHEEPSJAGER _________________________________________________________

G.H.


Zo'n vijftig jaar geleden werd deze foto gemaakt van Klaas Wink, één van
onze laatste scheepsjagers. Hij woonde aan het Zandspeur in Den Hulst.
Foto: M. Wink, Hattem

Op jeugdige leeftijd. hij was 12 à 13 jaar, begon Klaas Wink met het scheepsjagen. Tot het einde van de scheepsjagersperiode, die tot na de oorlog duurde, heeft hij dit werk gedaan. Zo rond 1947-1948 was het jagen niet meer nodig omdat er toen scheepsmotoren kwamen die dit werk overbodig maakten.
Het was een heel karwei om een schip van Coevorden naar Hasselt te brengen. Vaak ging hij 's avonds al weg, ook 's zondagsavonds, om de volgende morgen een schip te halen. Het eerste eind liep hij, maar later ging hij op het paard zitten. Dit deed hij alleen als het paard niet behoefde te trekken.
Op de foto zien we een paard dat de schepen elf jaar door de Dedemsvaart heeft getrokken. Het was een Russisch paard en het kwam daar uit de bossen. Toen het hier kwam, was het bang voor auto's. Wanneer er één aankwam, ging het paard prompt het kanaal in om er weer uit te komen als de auto voorbij was.
De Jagersweg herinnert nog aan het beroep van scheepsjager en zou daarom ook Scheepsjagersweg kunnen heten, maar door bezwaren hiertegen werd het Jagersweg.

* * *


DE ROLLECATEBRUG _________________________________________________________

Op de foto die hieronder is afgedrukt, zien we de brug bij het landgoed Rollecate. Oorspronkelijk was dit een houten draaibrug. Omstreeks 1850 werd deze vervangen door een ophaalbrug, een "klap brugge" zoals men een dergelijke brug vroeger noemde.
In verband met de aanleg van de tramlijn bouwde de Dedemsvaartsche Stoomtramwegmaatschappij op deze plaats in 1886 een nieuwe ophaalbrug.
Het bruggetje rechts gaf toegang tot het huis Rollecate.
Links, tussen de weg en het kanaal, het jaagpad, waarover het paard van de scheepsjager liep. De kaart werd uitgegeven door "De Vlijt" - Boekhandel te Balkbrug.
De foto werd ook door andere uitgevers gebruikt, de gekoppelde, ingekleurde, kaart is uitgegeven door La Rivière en Voorhoeve in Zwolle.



* * *


DE OVEREENKOMST VAN 1810 _________________________________________________________

Convenant tusschen De Heer W.J. Van Dedem als gevolmagtigde der Erfgenamen Van Merle en de Erfgenamen en Goedsheren van den Hulst en Nieuwleussen.

Alzoo op aansoek van onderscheiden geërfdens in specie de Boeren in den Hulst men gaarne zoude zien dat de gegraven en door Zijn Majesteit den Koning geaccordieerde vaart niet door den Hulst benoorden de Beentjes graven, maar zuidelijker langst den Hulst door die oude zogenaamde gragte werde aangelegd en gegraven, zo is het, dat men tot gerief van veelen daar toe niet ongenegen is, op de volgende voorwaarden, dat namentlijk aan de aanleggenen der vaart, zoo door alle die Eigenaaren op Nieuwleussen en den Hulst aan hun om niet worde afgestaan, en in vollen eigendom gegeven, een streepel gronds van ten minsten tien Rhijnlandsche Roeden of acht Zallandschen tot in het Huisinger veld toe, zullende deze breedte zoo lang men de gragte zal volgen ter weder zijden gerekend en gemeten worden midden uit de oude gragte vier Zallandsche of vijf Rhijnlandsche roeden, en dus te zamen acht Zallandsche of tien Rhijnlandsche Roeden gronds, en wanneer men de gragte komt te verlaten zal die breedte genoomen worden door de Smeulen volgens de Rooijinge der vaart linie zo als die is uitgebakend geweest of zal worden tot gezegde Huizingerveld, om daar uit te maaken de vaart en deszelfs wegen en waterleidingen, en dat daar en boven alle de bomen en houtgewassen, langs deselve die in de weg of den aanleg hinderlijk zijn worden uit den weg geruimd en daar geen anderen worden gepoot, wanneer men die gragte zal volgen van uit den Hulst, en wel het Erve van Hendrik Klaas of Nieuwboer, tot voorbij Hk Hilbers of het Erve van Schoenmaker, en dan die gragte zal verlaaten en Rooijen op de nieuwe Dijk, even zoo als de rooijjinge voor jaaren reeds is aangelegd geweest, sodanig dat de vaart als dan valle in het Huijsinger veld of veen.
Waar tegen men 1mo aanneemt te leggen vier bruggen, eene bij of omtrent Hendrik Nieuwboer of Klaas Arends eene in


de Dommelerdijk eene aan de Oostersche Zijde van het Erve van Hk Hilberts, en eene drie vier of vijf Erven van het Oosteinde, in de plaats van de brugge in de Nieuwendijk ten waare de Boeren op de Avereest daar in niet bewilligden, welke Bruggen door de aanleggenen zullen worden onderhouden, even als de weg ten Noorden der vaart, en de vaarts wal ten Zuiden ter breedte van een heele Roede aan die Zuid Zijde. Zullende daar en boven de aanleggenen der vaart aan de Eijgen Erfdens in Den Hulst en Nieuwleussen doen genieten de op en af vaart van de vaart, met mest, hooij, stroo, koorn en allerleij bouw Materialen, voor af tot hun eigen gebruik zullende dienen, vrij van alle belastingen, in gelde, die ten voordeele der aanleggenen der vaart voor het gebruik derzelve daar op sullen gelegd worden uitgezondert dan nog de verlaatsgelden, zoo die mogten passeren, dewelke zij in gelijkheid van anderen sullen betalen, zo als zij mede alle kosten zullen betalen, van den turf die door hun daarop mogt worden vervoerd, zoo als hun mede worde vergund de vrije passagen langs de weg van de Ligtmis na Hasselt voor hunne persoonen, vhee en rijtuigen, vorders voorbedingen en verbinden zig de aanleggenen der vaart zoo voor hun, als hun regt verkrijgende, zo als mede de Eigen Erfden en ondergetekenden op Nieuwleussen en den Hulst, om zoo er over dit Convenant of hun verstand van dien, of welke verschillen ook onder hun mogten ontstaan, altoos te zien, dezelve in der minne te schikken, dog bij ontstentenisse van dien, dezelve te stellen ter arbitrage en decisie van twee onpartijdigen, door ieder eene te kiesen, die aan parthijen een korten en min kostbaren manier van procederen zullen voorschrijven, en daar in Finaal desideren met magt dan nog om in Cas van discrepanse een derden Super Arbiter te adsumeren.

Aldus door ons ondergetekenden als gevolmachtigden der Erfgenamen op Nieuwleussen en den Hulst ter eenner en de Heer W.J. Van Dedem qq ter andere Zijde getekend,



* * *


IJspret op de Dedemsvaart _________________________________________________________


IJspret op de Dedemsvaart nabij de Omrnerdijkerbrug.
Wanneer het ook maar even kon, werd er door jong
en oud op het kanaal geschaatst. Dat behoort, evenals
veel op deze foto, definitief tot het verleden.


* * *


DE STRAATWEG LANGS DE DEDEMSVAART _________________________________________________________

Tot 1852 was er nog nimmer een verharde weg van de Lichtmis af langs het kanaal de Dedemsvaart. In genoemd jaar richtte een aantal particulieren uit Avereest een maatschappij op, welke de eerste kunstweg van "De Ligtmis tot in Heemse" deed aanleggen. De kosten werden geraamd op ƒ 60.000,--. Het is niet bekend of dit bedrag toereikend is geweest.

Toen jaren later deze grindweg vervangen zou worden door een straatweg, hoorden een paar oude mensen in Nieuwleusen ook van deze plannen. Ze bespraken het eens en kwamen tot de conclusie: "det bestiet niet, want zoveule stien'n bint der ien de hele wereld niet!"

* * *


DE WACHTERSWONING BIJ OPHAALBRUG No 4 _________________________________________________________


Klik om een foto van de woning te openen op een apart tabblad.


Deze brugwachterswoning staat aan de zuidzijde der vaart en aan de Oostzijde van den Ommerdijk. Het is een stenen gebouw met een rieten dak. Het bevat:
een kamer met uitlaat, lang 4,75 m, breed 4,00 m., waarin twee bedsteden en een kast; een deel waarin een potstal en een privaat en, onder de kamer, een keldertje.



Tot 1885 werd de ophaalbrug no. 4 verpacht zonder genot van vrije woning. In 1884 werd van provinciewege besloten tot den bouw eener brugwachterswoning. De aanbesteding had plaats op 12 September 1884. Het werk dat op ƒ 1230 geraamd was, werd voor ƒ 1179 gegund aan F.H. Noorman te Zwolle. De woning kwam in 1885 gereed.

(Uit: L.F. Teixeira de Mattos, De Dedemsvaart. )

(Deze woning is tot voorjaar 1956 bewoond door familie Voorhorst - van Buren met zoon Albert en dochter Hilda en daarna gesloopt.)

* * *


DE ROLLECATE II _________________________________________________________

A. Kreule

Door het artikel van mevr. Veltmaat in het decembernummer van 1983 werd mijn belangstelling gewekt voor dit vroegere landgoed en wat er mee samenhangt. Door haar werd ik op het spoor gezet voor het verkrijgen van meer gegevens. Ook mevr. H. Prins - Bouwman van de Meeleweg en de heer J. Veyer, van Sandickstraat en mogelijk anderen kunnen er heel wat van vertellen, maar daarover hopelijk later meer.
Rollecate, waar komt die naam vandaan? We hebben gezien dat het huis oorspronkelijk in Vollenhove heeft gestaan en in 1820 naar Den Hulst werd verplaatst.
Na enig speurwerk bleek dat de betekenis is: Rolle = stroom en Cate = huis, dus huis aan de stroom. Gezien de ligging aan de Dedemsvaart ook op zijn nieuwe plaats een erg toepasselijke naam.
Door studie van kinderen aan "Nieuw Rollecate te Deventer (de in 1930 "verplaatste" landbouwhuishoudschool "Rollecate") had ik in eerste instantie belangstelling voor de hier in 1913 gevestigde school en de omstandigheden van die tijd.
Toen in 1913 van Rijkswege besloten werd om een opleidingsschool voor het landbouwhuishoudonderwijs te stichten, dacht men dit in Meppel te doen. De toenmalige directeur van de landbouwwinterschool vestigde echter de aandacht op de mogelijkheid om de school te stichten op het bedrijf van Mr. Willem Jan Baron van Dedem, de Rollecate, gelegen dichtbij het station Dedemsvaart tussen Den Huist en de Lichtmis.
Daar stond een ruim woonhuis toevallig leeg en dat zou wellicht geschikt zijn om er een internaat te vestigen voor de leerlingen van de beoogde opleidingsschool.
Bij de besprekingen met het echtpaar Van Dedem bleek dat beiden zich zeer voor het plan interesseerden. De heer Van Dedem verklaarde zich bereid om bij het bestaande huis een eenvoudig schoolgebouwtje te stichten en een en ander met een flink stuk grond voor een schooltuin aan het Rijk te verhuren, met de gelegenheid om van de boerderij van het landgoed de Rollecate als leermiddel gebruik te maken. Het geheel lag in een landelijke omgeving en dit maakte het idee nog aantrekkelijker. Na enige overweging werd besloten dit plan tot uitvoering te brengen, hetgeen geschiedde. Het resultaat was dat de eerste opleiding van landbouwhuishoudleraressen in september 1913 van start kon gaan.
Een van de eerste leerlingen, mevr. Cleveringa - Jensema uit Zutphen, gaf in het gedenkboek bij het 25-jarig bestaan van de school een aardig verslag van haar belevenissen. Enthousiast vertelt ze over de natuur, over de kennissen, de heer en mevrouw Van Dedem, over Waanders de slager, Huzen de postkantoorhouder en Klosse de kruidenier, over de familie Katoele en de oude Janna met haar kinderen Jan en Mien, die in de buurt van de school bij de brug woonden.

wordt vervolgd.




Jaargang 2 nummer 3 september 1984

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


Van de Redactie _________________________________________________________

Een zomer, die wellicht niet bracht wat U er van verwachtte, kunnen we ook met dit nieuwe nummer van Ni'jluusn van vrogger, dat hopelijk wel brengt wat U er van verwacht, niet goed maken.
Een aantal leden zond ons een welkome bijdrage. Verderop kunt U hier kennis van nemen. De redactie zou evenwel graag zien dat nog meer leden een bijdrage leveren aan ons blad. We wachten op Uw reacties.

Sinds het eerste nummer van deze jaargang bestond er een vacature in het redactieteam. Door het toetreden van mevrouw M. Dirksen is de redactie weer op volle sterkte. We heten zuster, eh …. mevrouw Dirksen van harte welkom.

* * *


VERENIGINGSNIEUWS _________________________________________________________

De eerste ledenbijeenkomst in het nieuwe seizoen is vastgesteld op dinsdag 4 september a.s. en zal weer plaatsvinden in een van de zalen van de Gereformeerde Kerk aan de Backxlaan. Op deze avond, die om 8 uur begint, zulten dia's worden vertoond die gemaakt zijn van de letterdoeken en merklappen. Er zijn zeer interessante exemplaren bij en we verwachten dan ook een grote opkomst.

* * *


BIJ DE OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Huize Rollecate anno 1984 zoals deze te zien was in de optocht die gehouden werd ter gelegenheid van het 175-jarig bestaan van de Dedemsvaart. Wanneer U deze foto vergelijkt met die welke in het volgende artikel is geplaatst, zult U een treffende gelijkenis ervaren en constateren dat deze nieuwbouw van het oude huis met grote precisie is uitgevoerd.

foto: C. Schoemaker


* * *


DE ROLLECATE III _________________________________________________________

A. Kreule

Na de vorige keer iets over ontstaan van de opleidingsschool op de Rollecate verteld te hebben, wil ik nu een deel citeren uit het verslag van mevrouw G.G. Smit, een leerlinge in 1919.

Na een lange reis hield de trein stil bij het station Dedemsvaart. Maar van de plaats Dedemsvaart was niets te zien. Van het stationsgebouw liep een brede weg langs de vaart die zich eindeloos voortzette en uitmondde in een oprijlaan met statig geboomte waarin de school verscholen lag. Dit was de Rijkslandbouwhuishoudschool, het doel van onze tocht. De wandeling langs de vaart bood niet veel afwisseling. Er lagen een paar arbeidershuisjes en een flinke schuur, het cichoreifabriekje, waar 's zondags ook kerk werd gehouden. Het was er dan ook altijd stampvol Rouveners, die moedig de cichoreilucht verdroegen en ernstig de zware preek aanhoorden.
Aan de dochters van diezelfde Rouveners zou ik later, om me te oefenen, lesgeven. Maar eerst moest de weg van het station naar de school worden afgelegd. Wie bagage had deed beter op het uur aan te komen dat de stoomtram van Zwolle naar Dedemsvaart aansluiting gaf. Die stoomtram werd ons spoedig een vertrouwd beeld. Vanuit de school zagen we hem door de velden aankomen en vaak liepen we naar de brug om te zien wie eruit kwamen. Die brug was trouwens ook om andere redenen een aantrekkelijk punt want de brugwachtersvrouw, vrouw Kiek in de Vechte, was een vriendelijke vrouw en een prima opvoedster van haar kleuters. Er werd altijd met respect over haar gesproken en met reden, Want ze héétte nu wel "brugwachtersvrouw” maar eigenlijk was ze, wat wij tegenwoordig noemen, een "gehuwde werkende vrouw". Haar man werkte als landarbeider en zij had de taak bij elk schip de zware brug op te trekken en in een klompje het bruggeld te innen. Zij was onze naaste buur.
Maar de school lag op het grondgebied van Baron Van Dedem en, hoewel de conversatie met de Heer en Mevrouw Van Dedem een heel ander karakter had dan die met de vrouw bij de brug, zij behoorden toch ook tot onze buren,


Huize Rollecate zoals dat vroeger te zien was komende vanaf de Lichtmis.

die vaak beter zijn dan verre vrienden. Mejuffrouw Mansholt, onze directrice, stelde deze buurschap op hoge prijs. Mevrouw Van Dedem vroeg ons soms op de thee, ze woonde de repetities en de schoolexamens bij en stelde veel belang in het leven op de school.
Het grote huis bezat een telefoon en het gebeurde meer dan eens dat Baron Van Dedem de oprijlaan afkwam om mejuffrouw Mansholt een telefonische boodschap te brengen. Verder had het echtpaar een abonnement op de schouwburg in Zwolle en reed daar eens in de maand in de koets naar toe. Er waren dan twee plaatsen open en wij mochten loten wie er mee kon gaan. Gelukkig ben ik ook eenmaal van de partij geweest en ik zal die feestelijke uitgang niet gauw vergeten. Men zal misschien denken dat de "arme leerlingen" toen toch wel een heel beperkte opleiding kregen voor aanstaande leraressen en veel te veel verstoken bleven van wat men gewoonlijk "cultuur" noemt.
Maar hoeveel waardevols stond daar niet tegenover!
We woonden samen met onze opleidsters in één huis en aten aan dezelfde tafel. Menigmaal waren er docenten, die uit andere plaatsen kwamen of we hadden gasten, die een interessante bijdrage tot het gesprek gaven. Daar werd verteld over alles wat er op het platteland leefde en alles wat tot verrijking van het platteland kon bijdragen. Het leven op de oude Rollecate was niet saai; er was tijd zich rustig op het werk te concentreren en op de toekomstige taak te bezinnen. Maar voor de leerkrachten was de ligging van de school op de duur toch wel wat erg geïsoleerd. Bovendien was het niet mogelijk waterleiding en electriciteitsvoorziening naar de school te brengen. We stookten onze fornuizen en kachels met kolen en hielpen de tuinman met het oppompen van het water (ieder moest voor haar eigen bad pompen) en verder maakten wij trouw de petroleumstellen en -lampen schoon. Ik kan niet zeggen dat we dat zo erg vonden, want we waren niet anders gewend. Maar voor het onderwijs was het op de duur toch beter het over te brengen naar een plaats waar moderne voorzieningen waren en waar de leraressen wat meer mogelijkheid hadden tot contact met de buitenwereld. Bovendien zou het aan een grotere school ook mogelijk zijn de twee jaar die nu als vooropleiding op een stadschool moesten worden doorgebracht (voor het diploma huishoudkundige) aan de eigen school te verbinden en haar zo tevens het karakter van "vooropleiding" te geven. Toch denken velen nog met grote dankbaarheid aan "de oude Rollecate" terug.

Tot zover het citaat. Een volgende keer wil ik graag eens een ander facet van het landgoed "Rollecate" belichten.

* * *

CRESCENDO _________________________________________________________

In het midden van de dertiger jaren maakte de muziekvereniging Crescendo een mars door het dorp Den Hulst. Op de Ommerdijk (nu Backxlaan) werd deze foto gemaakt. De muzikanten komen vanaf de brug en zijn zojuist het huis van schilder Mijnheer (links) gepasseerd. Rechts is nog een gedeelte van een bruggetje te onderscheiden dat over de sloot lag die langs de straat liep. Het kleine jongetje dat links met de muziek meeloopt is Hendrik Runhart die in het begin van de vijftiger jaren naar Frankrijk is vertrokken. Van de muzikanten zijn te herkennen: met de grote trom Frits Klunder, daarachter Berend Brinkman en Klaas Runhart, met de bekkens Willem Katoele en daarachter Arend Compagner en Hendrik Sterken, in de derde rij Arend Katoele met de trommel en Hendrik Paasman en van de vierde rij is alleen trommelslager Berend Jonkers te zien. De man rechts is dirigent Meijer.


foto: mevr. Kamerman-Katoele


* * *


DE NAAM LUTEN-SOK _________________________________________________________

G.W. Beltman

In het nummer van december 1983 is in het artikel “Over namen er: bijnamen" geschreven dat de lamilie Luten - Sok uit Friesland afkomstig is. Tenzij hierover gegevens bestaan van voor het jaar 1682, ligt de oorsprong van het geslacht Sok, en daarmee de afsplitsing Luten op Nieuwleusen, niet in Friesland.
De tot nu toe oudst bekende Sok - voorouders zijn in het doopboek van de 'gereformeerde' kerk van het dorpje Beulake als volgt geboekstaafd:
- den 8 Octob. 1682 is gedoopt Sander Jacobus Soeck
- ende vrou Mensjen Sijmons en het gedoopte Kijnt
- Henderijckijn Sanders.
Omstreeks 1685 wordt in Ronduite nog een zoon van genoemd echtpaar geboren. Als Siemen Sanders zal hij door het leven gaan en evenals zijn vader zal hij zijn beroep in de turfmakerij vinden. Hij trouwt met Nelligjen Luiten en hiermee treffen we zo rond 1710 de naam Luiten voor het eerst aan in deze familie. Uit dit huwelijk wordt omstreeks 1715 Luite Siemens Sok geboren die later van beroep vervener/turfboer is. Tot vrouw neemt hij Annigje Stoffels Lok.
Dit echtpaar woont in Belt-Schutsloot als in het jaar 1744 Siemen Luite Sok wordt geboren. Van beroep turfmaker huwt Siemen Luite met Lummichje Albers. Zij schenkt hem een zoon die de naam Luite Siemens krijgt. Luite Siemens Sok huwt twee keer. Eerst met de in Tjalleberd (Friesland) geboren Hendrikje Gerrits Knobbe en later met Geertje Klaassens, geboren in Zwartsluis. Uit het eerste huwelijk wordt in 1805 Gerrit Sok geboren. Tjalleberd was dus een tussenstation van de aldaar tijdelijk turfmakende, dan wel zich als arbeider verhurende Luite Siemens Sok. Met Gerrit Sok, zich ook wel Luiten of Luten noemende, komen we op Nieuwleusen terecht. Hij is de eerste in de stamreeks die landbouwer is. Zoals reeds in het eerder aangehaalde artikel is geschreven, huwt Gerrit Sok drie keer. Zijn eerste vrouw Annigje van Dijk is geboren in 1808; Aaltje Brinkman kwam in 1818 ter wereld en in 1832 aanschouwde Hendrikje Bos het levenslicht. Zij is dus 22 jaar als ze in 1854 trouwt met de dan negenenveertigjarige Gerrit Luiten.
Deze stamboom van Gerrit Sok of Luiten heeft betrekking op de meeste, zo niet alle, 'Lutens' op Nieuwleusen. Familieonderzoek is vaak een puzzel en degene die van puzzelen houdt, moet aan genealogie gaan doen!
Allen met de geslachtsnaam Sok die woonachtig zijn in of afkomstig zijn uit de voormalige veengebieden in Friesland, Overijssel en Drenthe en de Lutens op Nieuwleusen of daarvan afkomstig, dienen er op bedacht te zijn bij lamilieonderzoek terecht te zullen komen in Beulake, het in 1776 verdronken dorpje in Noordwest-Overijssel. Waar eens dit dorpje lag, golft nu het water van het Beulakerwiede.

* * *

EEN BEZOEK AAN EEN LÖS HUUS _________________________________________________________

H. Prins Hzn.

Op veertienjarige leeftijd kwam Jentje Schoemaker als dienstmeid bij de familie Prins op de Kievitshaar. Ze voelde zich al gauw eenzaam op het grote heideveld en na een paar jaar had er genoeg van en vertrok. Zoon Roelof Prins kon ze echter niet vergeten en Jentje raakte zo aan hem gehecht dat beiden in 1843 in het huwelijksbootje stapten. Het jonge paar ging op de eenzame Kievitshaar wonen en Jentje zou er bijna haar hele verdere leven blijven wonen. Een van haar kleinzoons heeft in de loop der tijden een en ander op papier vastgelegd, waardoor dit kleine artikeltje kon ontstaan.

Jentje Prins-Schoemaker was zeventig jaar toen ze in het voorjaar van 1896 met haar kleinzoon een bezoek bracht aan haar broer Hendrik. Old-Hendrik-ome woonde tussen Sluis III en de Rollecate aan de zuidkant van de Dedemsvaart. Oudere mensen uit onze gemeente en omgeving zullen het zich nog wel kunnen herinneren. Het huisje stond met de achterzijde naar de vaart en de weg daarlangs. Het was al gebouwd voordat Mr. Willem Jan Baron van Dedem het kanaal liet graven. De laatste bewoner was Geert Schoemaker, een zoon van old-Hendrik-ome. Daarna is het afgebroken.
Het oude boerderijtje was een zogenaamd lös huus.
Dat wil zeggen het voor- en achterhuis waren niet door een tussenmuur van elkaar gescheiden. Alles bevond zich dus in één ruimte. In latere tijden is er toch nog een scheiding aangebracht. Maar planken waren duur! De vindingrijkheid, meegekregen van verre voorouders, kwam te hulp. De tussenwand werd gevlochten van wilgentwijgen en daarna dichtgesmeerd met koemest.
In het lös huus liepen de kippen om en onder de tafel om de kruimels mee te pikken die er nog wel eens afvielen. Twee mooie jachtgeweren, waarvan één in leren foedraal, stonden in een hoek van het voorhuis. Hendrik was jager bij de baron die aan de andere kant van de vaart in zijn mooie landhuis woonde. Verder was er een oude honingpers te vinden. In een bijenstal naast zijn huis had old-Hendrik-ome een vijftiental bijenkorven staan.
De oude baas, als je die tenminste met zijn zevenenvijftigtig jaren zo mag noemen, zat bij het turfvuur. De hond lag aan zijn voeten en het dier droomde vast van vette hazen want zo nu en dan liet het een gegrom horen. Het vuur deed gezellig aan. De rode vonken dansten om de ketelhaak en het vuur was heerlijk warm. Als ome Hendrik de rug koud kreeg dan ging hij achterstevoren, dus met de rug naar het vuur, op de stoel zitten. Hij kon dan meteen zijn veestapel in ogenschouw nemen.
Zo eenvoudig was dat allemaal.
De turf knisterde en de vonken sprongen. Langs de punten van zijn klompen keek old-Hendrik-ome naar het eeuwige spel tussen vlammen en turf. Hij luisterde naar de boodschap dat er ook na deze voorbijgegane winter weer een zomer zal komen. Want ook Hendrik was een schakel in die grote ketting die het verleden verbindt met de tijd van nu.

* * *


DE SMEDERIJ VAN VROEGER II _________________________________________________________

In het eerste deel heeft U kunnen lezen hoe het vroeger toeging in een smederij, wat een smid zoal maakte en met welk materiaal hij dit deed. Deze keer willen we iets meer over de blaasbalg vertellen. Dit instrument dat voor de smid onmisbaar was en dat gebruikt werd om het vuur aan te blazen, zullen we in een smederij zoals we die van vroeger



kennen dan ook zeker aantreffen. De blaasbalg was vlak onder de zolder opgehangen, maar kon zich ook wel op zolder bevinden. Het gevaarte had een afmeting van ongeveer 1,50 meter lang en, als hij uitgeklapt was, ongeveer 1 meter hoog. Hij is te vergelijken met de kleine blaasbalgen die we tegenwoordig overal nog zien. Ze werken allebei volgens hetzelfde principe en zijn van hetzelfde materiaal gemaakt. De boven- en onderkant is van hout en daartussen zit een leren balg. Leer was sterk en dat moest ook wel want anders ging hij veel te vlug kapot. Om de blaasbalg te bedienen hing er vlak bij het vuur een ketting met een ring er aan, waarin de smid een hand kon steken om er aan te trekken. De andere hand had hij vrij om bij het smidsvuur te gebruiken. Onder in de blaasbalg zat een klep die charnieren wilde. Als de smid aan de ketting trok, drukte de balg de lucht weg naar het vuur en was hij dicht. Was dit gebeurd dan moest de blaasbalg weer terug naar zijn oude stand. Dit openen gebeurde door de ketting los te laten, waarna het gewicht er voor zorgde dat de balg vanzelf weer terug ging in z'n geopende stand. Tijdens het openen kwam er weer lucht binnen en kon de smid hem opnieuw gebruiken. Via een pijp werd de lucht naar het vuur geblazen waardoor de kolen feller gingen branden en de smid met zijn werk kon beginnen.
Soms werd er een veldsmidse gebruikt. Deze was verplaatsbaar en zo op verschillende plaatsen te gebruiken. Er kon hetzelfde mee gedaan worden als met het grote smidsvuur. De veldsmidse had vier poten en was ongeveer 90 centimeter hoog. Het werkblad was 80 bij 80 cm. In het midden was een verlaging waar de pijp voor de lucht in uitkwam en waarin ook de kolen lagen. De lucht om het vuur aan te blazen moest de smid verkrijgen door zelf het mechanisme aan te trappen. Dit mechaniek bestond uit twee vliegwielen waarover een V-snaar liep en een ventilator die de lucht door de pijp naar boven blies.

* * *

BIJ EEN OUDE WINKEL _________________________________________________________

De winkel van Koop van Spijker stond aan het Westeinde tegenover de burgemeesterswoning. Op de foto kijken we vanuit de tuin van de burgemeester door zijn toegangshek en over zijn bruggetje op de weg waarop takken liggen die waarschijnlijk juist van de bomen zijn gezaagd. Aan de andere kant van de weg geeft het bruggetje toegang tot het erf en de winkel van Koop van Spijker.
Volgens een aantekening van mevrouw Bosch Bruist was hij van alle markten thuis. Hij was boer, kruidenier, imker, rijwielhersteller en verhuurder van een glimmend zwart rijtuig met mooie blauw beklede kussens en gordijntjes verfraaid met franje, alles van dezelfde kleur.
Had die prachtige koets soms toebehoord aan een der laatste kasteelheren van een der omliggende kastelen die alles had moeten achterlaten omdat hij het tijdelijke met het eeuwige verwisseld had?
De meisjes met de kruiwagens zijn Jo en Mien Bosch Bruist. De man met de stok is vermoedelijk een knecht van Van Spijker, het kan Schipper zijn of Nijkamp. Wie de jongeman en het andere meisje zijn is niet bekend.


Foto: H. Sterken


* * *

NAOR DE EIERMARKT _________________________________________________________

B. van Duren

Toen as wij vrogger zukke kiender waar'n en zomers drie weken vrij hadden van de schoele, dan moggen wij um de beurte vrijdags een keer met naor Zwolle.
Oese Rika en Klaziena waarn al ewest en now was het mien beurte. Met mien oldere zuster Diene en een flinke màànde vol eiers stunden wij an de Ommerdiekerbrugge op de tram te wachten.
Wat was det mooi zo'n reize met de tram: Ik wete nog goed dat ie an de Lichtmis bij Huusman de appels haoste van de boom konden plukken, zo dichte gunk de tram daor veurbij.
Zo kwame wij dan op de markt. Moe had tegen Diene ezegd "probeert mar zeuven cent per stuk te kriegen", mar det völt oes tegen. De koopluu beuden mar zes en een kwart. Het hölp niet as Diene al zeg "kiek ies an zukke rnooie dikke broenen", die luu wol’n der niet an. lk keke mar ies wat rond. Wat een drokte ien zo'n stad. "Niet varre weg lopen", zei mien zuster en det was mar goed ok want daor zat ik al zowat onder een fietse van een slagersjonge die zo'n grote màànde veurop de drager had. Zeuven cent is het niet eworden. Een koper beud zes en een half. Uuteindelijk worden het zes driekwart, dus det völt nog best mee.
De màànde was leug en wij gungen weer veur naor Zwolle waor de tram stund. Mar eerst kwarne wij nog op de foto en elk een ijsco van twee cent kon der ok nog of. Ik vunne det ies helemaole niet lekker en heb het bij de fotograaf ien de vensterbaanke laoten liggen.
Met de markttram binne wij weer naar huus egaone.
Die was flink vol en daorumme kon ik mooi achter op het balkon staon. An de Lichtmis stoppen de tram en zo kon ik een appel pakken. Een zoer kreng want die was nog lange niet riepe. En zo kwame wii dan weer an de Ommerdiek. Thuus had ik veule te vertellen.
Mien jongere zusters mar vraogen of ik det of det wel eziene hadde. Ik wus het allemaole niet.
Now, op oldere leeftied denk ie vake terugge. Aover de tied det oen olders het varre van gemakkelijk hebt ehad. An de







Met mien zuster

op de foto










tied toen de centen krap waar'n En een kwart cent op een ei heel wat uut maakte. Wat wij toen as kienders misschien niet altied begrepen, wordt oes now dudelijk en ien dankbaarheid mutte wij ervaren dat de bàànd tussen va en moe, al bint ze der dan niet meer, toch altied blif bestaon!

* * *

Krummels _________________________________________________________

“Vröggcr kreiden de haan'n”, zei dove Jaap, "mar tegenwoordig doet ze allent nog mar de snavel open.!"

* * *


HET WASSEN VAN OUDE MUTSEN EEN TYPISCH VAKWERK _________________________________________________________

Onder invloed van de toenemende interesse voor de oude klederdracht blijkt dat jongeren weer belangstelling krijgen in het oude ambacht van het wassen van mutsen.
Dit ambacht werd door de "mutsenwaster” uitgeoefend. Meestal waren er in een dorp enkele vrouwen die dit typische vakwerk uitoefenden. Want een vakwerk was het! De bij het kostuum behorende mutsen moesten na het wassen worden opgemaakt en voor dit langdurige en nauwkeurige werkje had de boerin meestal geen tijd. Daarom werden de mutsen naar de mutsenwaster gebracht. Zij zorgde er niet alleen voor dat de mutsen werden gewassen, maar ook dat ze weer werden opgemaakt.
Wanneer er een aantal mutsen waren gebracht die behandeld moesten worden, begon zij aan haar taak. Eerst werden de mutsen helemaal uit elkaar gehaald. Om geen onderdelen te verwisselen, was elk stukje voorzien van een merkteken van de eigenaresse. Daarna werden alle onderdelen gewassen en gesteven, waarna alles stuk voor stuk werd gestreken, in plooi en in model gebracht. Dit gebeurde met behulp van allerlei materialen. Zo werden voor het plooien staafjes van koper gebruikt die om en om belegd met kant in rekken werden geschoven. Om de staarten van de mutsen in mooie golfjes te laten vallen werd gebruik gemaakt van dikkere lange pijpijzers. Was dit allemaal gebeurd, dan zocht de mutsenwaster alle onderdelen weer bij elkaar en zette de muts weer in elkaar. Dit was een vak op zich omdat er velerlei soorten mutsen waren die elk op hun eigen manier in elkaar gezet moesten worden.

Vanuit Nieuwleusen konden we eerst nog terugvallen op mevrouw Jansen te Dalfsen en mevrouw Beltman uit Berkum, doch het bleek al spoedig dat dit een aflopende zaak was, zodat er iets anders bedacht moest worden. Het gevolg was dat de dames Hengeveld en Kreule bij onze plaatsgenote mevrouw H. Stoel - Vonder in de leer zijn gegaan om dit werk zelf te leren. Hoewel men over een flinke portie geduld moet beschikken en het voorlopig niet best zou zijn om hiermee de kost te moeten verdienen, geeft het resultaat toch


Mevrouw Stoel legt uit hoe een zogenaamde "kleedwagen" in elkaar gezet moet worden.

foto: A. Kreule


zoveel voldoening dat onze mutsenwasters er mee door willen gaan. Het zou echter wel leuk zijn als dit initiatief (nog) jongere belangstellenden zou aantrekken die dit oude ambacht ook onder de knie willen krijgen. Onze mutsenwasters zien Uw reacties graag tegemoet.

* * *
Mijn moeder maakt me mooi
met mijn moeders mooie mopmuts.


* * *


DE DERDENDAAGSE KOORTS _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.

Seer liefe dogter
Het is mij lief gewest te mogen vernemen dat gij met U.Ed. vader nog wel siet maar met leetwesen dat den ontfanger nog al in die selfe gesteldheijd blijft, hope dat eens het regte middel mag getroffen worden tot een volkomen keerstelling, ons Garrijt Derk bevint zich hier tans heel wel maar mijn man sijn wij voor bevreest dat die de anderdagese sal krijgen, die is het vrijdag angegaan mar Saterdag een helen slimmen dag mar Sondag nog weer geprekt maandag weer slimmer maar nu krijgt soo de korsse weer, nu moet gij eens schrijven wanneer dat mijn man van dat goet mag innemen dat Garrijt Derk hier heeft, soo dat wij gisteren ons Derkien hebben na Swolle moeten sturen, nu wol nigte Scheffers hem van den morgen an haar huijs laten komen en stueren het een Donderdag dan wat hij der van ordonneert.
Onse Hendrina is een Saterdag al na Swolle gevaren om de botschappen voor U. Ed. te besorgen die gij een maandag al wel sult ontvangen hebben. Wense dan ontfanger van harten beterschap na onser aller hartelijke groetenisse aan U.Ed. alle te samen.
Nieuwleusen 1777

U.Ed. Moeder


Bovenstaande brief over de ziekte van haar man, Ds. Jan Arend Palthe, schreef mevrouw Palthe aan haar dochter Aleijda Iohanna. Zij woonde met haar man, die op dat moment ook ziek was,in Oldenzaal, waar deze, de Wel Edele Heer A.A. Palthe, ontvanger was.
Garrijt Derk, ook wel Derkien genoemd, was een zoon van dominee Palthe en Hendrina een dochter.


Jaargang 2 nummer 4 december 1984

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


BIJ DE OMSLAGFOTO _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

Sinds vakantie in eigen land weer "in" is, komen er meer toeristen naar of door Nieuwleusen. Afgelopen zomer vroeg één van hun waarom er hier naast veel boerderijen een mini—huisje staat. We hebben hem uitgelegd dat dat een "bakhuus" of een "stoakhokke" kan zijn. Nu gebruikt men ze meestal als bergruimte, maar vroeger hadden deze gebouwtjes een funktie.
In het "bakhuus" bakte de boerin het brood. Daarin stond ook de rechthoekige houten trog waarin ze het deeg maakte. Het ovenhuis was in Nieuwleusen meestal ingebouwd, elders ook wel aangebouwd. De stenen oven was met leem opgemetseld. Als brandstof gebruikte men takkebossen, soms ander hout of turf.
Was de oven warm genoeg, dan haalde de boerin de houtresten eruit en werd hij uitgedweild. Daarna zette ze met een schieter de deegkluiten erin. Wanneer het brood gaar was, werd het ook met de schieter er weer uitgehaald en kwam het op een plank of in een wanne, waarin ze al een schoon stuk laken had gelegd.
In het "stoakhokke" werd 's zomers het eten voor het gezin gekookt. Verder kookte de boerin er de was en ook wel het veevoer.
Helaas worden tegenwoordig veel van deze gebouwtjes afgebroken. Dit is wel begrijpelijk omdat de eigenlijke funktie verloren is gegaan. We hopen dat de nu nog bestaande bakhuizen en stookhokken voor de toekomst gespaard blijven, zodat onze kinderen en kleinkinderen nog kunnen zien hoe het was. Bovendien behoren ze echt bij een boerderij. Een enkele keer wordt er nog eentje in oude luister hersteld, zoals op de Kievitshaar, waar een vervallen bakhuis werd vernieuwd en het zijn verdwenen oven terug kreeg.

* * *

AANTEKENING BIJ EEN VAKANTIEVERHAAL _________________________________________________________

Eén van de grote "zonen" van ons dorp was wel Prof. Dr. Jan Waterink. Hij werd op 20 oktober 1890 te Den Hulst geboren, alwaar zijn vader, H. Waterink, oefenaar was van de Dolerende Kerk van 1 juni 1890 tot 18 september 1893. Toen is deze kerk samengegaan met de Christelijke Gereformeerde Kerk en vormden zij samen de Gereformeerde Kerk.
Jan Waterink bleef ongehuwd en zou een bekend pedagoog en theoloog worden. In 1926 werd hij benoemd tot hoogleraar aan de Vrije Universiteit te Amsterdam.
Van zijn hand verschenen veel boeken en rubrieken in tijdschriften, vooral opvoedkundige. Hij was hoofdredacteur van het blad "Moeder". Zijn vele werk vond erkenning in zijn benoeming tot Commandeur in de Orde van Oranje-Nassau en tot Officier in de Kroonorde van België. Op 29 november 1966 overleed professor Waterink.
Nadat de familie Waterink in 1893 naar elders was vertrokken, kwamen ze in hun vakanties toch nog weer naar Nieuwleusen. Later bracht Jan Waterink alleen zijn vakanties door in Den Hulst, waar hij logeerde bij de gebroeders Bosman. In het hierna volgende artikel kunt U van zijn vakantie- ervaringen kennis nemen.
We ontvingen deze verhandeling van ons lid mevrouw Hof te Brummen. Vermoedelijk heeft het in het Kerkblad voor Drenthe en Overijssel gestaan, waarschijnlijk vóór 1940.

* * *

VAKANTIE IN DEN HULST _________________________________________________________

J. Waterink

Rondom het jaar 1900 was er ook reeds een verschil te constateren in de ligging van de onderscheiden gemeenten. In mijn kinderjaren kwam ik soms in aanraking met een geestelijke sfeer, die voor mijn gevoel erg verschilde van die welke leefde in de kerken waarmee ik vrij geregeld in contact was. En als ik dat zeg dan denk ik aan de situatie in de achttienhonderddrieënnegentig tot vereniging gekomen kerk van Nieuwleusen en Den Hulst.
Mijn vader was in die laatste kerk voorganger geweest van 1889 tot de zomer van 1893. Ofschoon hij zich bewust was dat hij zijn eigen plaats als "oefenaar" ophief, had hij uit principiële overwegingen al zijn krachten ingespannen om zo spoedig mogelijk de vereniging tot stand te brengen. Toen tot de vereniging van de twee kerken (thans de Gereformeerde Kerk van Nieuwleusen) besloten was, kreeg mijn vader een nieuw arbeidsveld in de kerk van Bergentheim.
Maar iedere zomer gingen mijn ouders met hun kinderen naar Den Hulst om daar een veertien dagen vakantie door te brengen. We logeerden dan bij de gebroeders Bosman (Willem en Arend), die met een huishoudster, Jentje Mannen, in een heel eenvoudig boerderijtje hun rustige leven leefden. Maar Willem Bosman was uitvoerder van allerlei baggerwerken aan de Dedemsvaart.
Voor mij als kleine jongen was dit heerlijk, want dikwijls


De familie Waterink omstreeks 1915. Op de toto rechts van zijn moeder zien we Jan, de schrijver van dit artikel.

mocht ik meevaren met de "bokken" of de "modderbakken", die bij dat baggeren gebruikt werden. Toen ik wat ouder werd, zo'n jaar of tien/twaalf, ging ik ook alleen wel eens daar logeren. En ook als gymnasiast, toen ik over een fiets beschikte, was ik er nogal eens op een zondag.
Dit alles is niet belangrijk. Maar wel belangrijk is de sfeer waarin men daar leefde. En misschien mag ik nu zonder commentaar eens mijn indrukken geven die ik als jongen van een jaar of twaalf, dertien daar opdeed.

Op zaterdagavond na het brood eten (gewoonlijk was karnemelksepap één van de ingrediënten die de broodmaaltijd versierden) werd er door Willem Bosman een hoofdstuk gelezen en dan volgde het avondgebed voor de zondag. In dat gebed werden allerlei (mogelijke) noden van de christenheid gebracht. Maar inzonderheid werden de behoeften van de dienaren des Woords aan de Here voorgelegd. Ik herinner me nog een typische uitdrukking die ik in het gebed van Willem Bosman vaak hoorde: "Och Here, het zijn toch niet alléén herders, maar het zijn voor Uw ogen toch zelf ook schapen van uw kudde". Na dit gebed, dat, ondanks zijn lengte en ondanks zijn doorspekt zijn met bepaalde termen, toch altijd door zijn eenvoud, zijn ernst en zijn ootmoed diepe indruk op mij maakte, hielden de drie mensen, de beide Bosmannen en Jentje Mannen, een voorbereiding op de zondag door ieder over hun moeilijkheden van de afgelopen week te praten. Het gebed en het gesprek duurden zo ongeveer een uur.
Uit de aard der zaak werd ik als kind niet in het gesprek betrokken, maar een paar maal gebeurde het dat Willem Bosman mii vroeg: "en wil jij nu het Onze Vader met ons bidden, en denk er om hoor, niet opzeggen, maar bidden".

De volgende morgen bereidde alles zich voor op de kerkgang. Bosman woonde aan de Dedemsvaart tussen de Ommerdijkerbrug en Sluis 3 en de kerk stond aan de straatweg door Nieuwleusen, die evenwijdig aan de Dedemsvaart liep. Als je dus bij Bosman achteruit de weiden door liep kwam je dicht bij de kerk uit. In een half uur kon je het goed lopen. Zo'n uurtje voor kerktijd kwam dan een vriendin van Jentje, die op "de Meele" woonde, binnenschommelen. Een boerenvrouw net als Jentie, met een witte muts op en aan de arm een kerkboek met zilveren hoekbeslag en met zilveren kettingen, waaraan het geheel zich met de schommelende vrouw heen en weer bewoog.
Al dadelijk begonnen dan de geestelijke gesprekken. In die gesprekken werden heel veel verzen geciteerd.
Na een gesprek over allerlei geestelijke noden en uitreddingen werd de wandeling aanvaard. Ik stapte mee door de weiden en hoorde dan de gesprekken zo wat aan. Er kwamen óók wat meer aardse dingen aan de orde. "Het is vakantie, misschien is de oudste zoon van de dominee met die gekke meid ook wel in de kerk".
"Ja, het is een schandaal, rare meid, je kan haar hele hals

Op deze foto zien we de vroegere Gereformeerde Kerk en de pastorie aan het Westeinde. De kerk deed dienst tot 4 januari 1940 toen de eerste dienst, geleid door ds. Wassink, in het huidige gebouw aan de Backxlaan 81 werd gchouden. Deze pastorie werd het laatste bewoond door ds. Van Diemen.

zien, helemaal bloot en een hoed op als een pannekoek".
"Ja, en de vorige keer toen heeft ze gelachen in de kerk. De broer van haar jongen kwam wat later dan zij, en toen lachte ze zo maar tegen hem".
"Ja, als ik die zie, dan is mijn zegen weg".
Of over een andere gelegenheid, dat namelijk een paar broers in de gemeente ruzie hadden gehad; de ene broer was voorzanger en bij de ruzie had hij van zijn broer een flinke jaap met een mes over zijn wang gekregen. Nou, dat die broer voor het gerecht in Zwolle geweest was, was al erg genoeg, en dat hij een week moest zitten was natuurlijk vreselijk. "Maar die voorzanger kan geen voorzanger blijven, want dan zag je altijd dat litteken als hij stond te zingen en dan werd je altijd maar weer aan die vechtpartij herinnerd......."
"Ja, maar ze zeggen, als hij geen voorzanger blijft, dan gaat hij van de kerk af met de hele familie".
"Nou, dan moet hij maar gaan, zulke mensen horen ook niet in de kerk".
Dezelfde zondag werd er voorgelezen van de preekstoel dat een vijftal personen hun lidmaatschap van de kerk had opgezegd. Het was de gesnedene, de snijder, plus de vrouw van de één, de vrouw van de ander, en de oude moeder van de twee.

Toen ik de kerk binnenkwam had ik erg veel belangstelling voor de vraag of "die gekke meid" er ook zou zitten. Inderdaad kwam ze binnen met haar verloofde, diens broer en de moeder van de beide jongens, de vrouw van de dominee dus. Ik weet nog heel goed, dat er een beetje kritiek in mij groeide op Jentje en haar vriendin, toen ik deze mensen zag. Een keurig stel mensen, en het meisje vriendelijk en correct; en inderdaad ze lachte. Er viel namelijk een psalmboekje van haar bank op de grond. Haar verloofde raapte het voor haar op en legde het voor haar neer. Het was het lachje, waarmee ze hem bedankte. Toen kregen we een preek waar ik niets meer van weet. Ik weet alleen, dat het zingen erg slecht ging want er was geen goede voorzanger meer en een orgel ontbrak in de kerk.
Op de terugweg was het onderwerp van gesprek natuurlijk gegeven. Het was het weglopen van de vijf leden. En het was al weer de lach van "die gekke meid". Dit was een van de eerste keren waarop ik innerlijk kritiek voelde op de mensen bij wie ik hoorde. Dat was niet zo erg. Maar thuis was ik altijd gewoon om open over die kritiek te praten en hier kòn dat niet. Wie iets van pedagogische beïnvloeding begrijpt, begrijpt ook waarom dit juist het erge was.
Want hoewel ik altijd veel van deze mensen hield en veel van ze gehouden heb hun leven lang, voelde ik toch als jongen reeds een zekere huivering. En toen ik thuis kwam en dit alles vertelde, zeiden mijn vader en moeder: "Je moet maar zo denken, jongen, ook vrome mensen hebben hun grote gebreken".

Een paar jaar later zonden mijn ouders een foto van ons gezin aan de vrienden in Den Hulst. Jentje schreef terug: "Het portret staat op de schoorsteenmantel. Ik kijk er vaak naar. Je kunt er helemaal diep door worden ingeleid". Toen keken mijn vader en moeder elkaar aan en mijn vader zei: "Nou:", waarop mijn moeder zei: "Naar hè?". En ik herinner mij heel goed dat mijn vader die een zachtmoedig man was, maar soms scherp kon zijn, één woord zei, en dat was: "Erger".

* * *

TOE D'R VOART NOG WAS _________________________________________________________

H. Stolte

Zaten Jan en Kloas met z'n beiden te vissen op de voartwal:
Jan - Ik vônge hier veurige weke toch een snoek - die was wel een meter làànk.
Kloas - Ik kan 't hoaste niet gleuv'n, moar eergistern had ik er hier een stormlanteern an zitten, en die brààn ok nog.
Jan - lk kan 't hoaste niet gleuv'n.
Kloas - Toe dan mar, as ie d'helfte van de snoek of dôet, dan zal ik de lanteern uutbloazn.

* * *

BIJ EEN OUDE SCHOOLFOTO _________________________________________________________

H. Stolte

Op deze foto van mevrouw Steenbergen uit 1911 zien we de leerlingen en het onderwijzend personeel van School I met de Bijbel te Nieuwleusen. De school stond destijds aan het Westeinde. Het gebouw is nog aanwezig en wordt thans gebruikt door de firma Ten Kate.


Wanneer we goed kijken, zien we dat een groot aantal leerlingen de streekdracht draagt. Wat opvalt zijn de halsdoeken en de "buis" met links en rechts een rij knopen.
Is er iemand die nog in het bezit van deze klederdracht is of van onderdelen daarvan? De vereniging zou er blij mee zijn:


Op de foto zijn de volgende personen te zien:
(+ is overleden; C. is geëmigreerd naar Canada)
1. Albert Stolte +
2. Meester Van Marle +
3. Lubbert Stolte C.
4. Geert Stolte C.
5. Harm Witpaard +
6. Jan de Boer +
7. Jansje Gerrits (Steenbergen)
8. Hendrika Gerrits (Pierik) +
9. Meester Valk +
10. Juffrouw Schaaf +
11. Janna Scholten (Th. de Boer) +
12. Geertje Stolte
13. Willem van Oene +
14. Willem Gerritsen +
15. Lucas Petter
16. Jan Petter
17. Leentje de Boer
18. Gerrit Jan Kappert
19. Jentje Stolte +
20. Klaasje van Oene (v. Dorsten)
21. Hilligje Gerritsen +
22. Klazina Stolte
23. Arend Jan Stolte (dominee)
24. Klaasje Stolte
25. Jentje de Boer
26. Fennigje de Boer
27. Otto Scholten C. +
28. Hendrikje Scholten
29. Jentje Brinkman C.
30. Hendrik Jan Gerrits
31. Hendrik Stolte (fietsenmaker)
32. Freek Jan Westerman (exp.) +
33. Hendrik Gerritsen
34. Gerrit Jan Gerritsen
35. Willem Brinkman
36. Gerda Valk
37. Pim Valk
38. Jentje Westerman (Kruidhof)
39. Gerrigje Westerman (v.d. Vegte)
40. Jo de Boer +
41. Thijs de Boer (wethouder) +

* * *


Krummels _________________________________________________________

Laatst vroeg de juffrouw aan de kinderen wie er wist wat een "potpourri" was. De kinderen waren nog niet goed op de hoogte met al die moeilijke woorden, maar toch stak Piet ineens de vinger op en zei: is poerri die de pot kookt, juffrouw".

* * *


HET DUBBELTJE VAN MEVROUW _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.

Ik word wakker met een recht prettig gevoel en ik voel een levendige begeertje om desen of genen een kleinen dienst te bewijzen. Er wordt gebeld. Een man met een wond aan den voet vraagt geld om een eindje te kunnen trammen. Briefjes van onderscheidene dokters moeten kracht aan zijn verzoek bijzetten. Mijn man vertrouwt den vrager niet en weigert, ik heb nog een dubbeltje. Twee dagen mijn geklopt ei met suiker ontbeerd, en het dubbeltje is verdiend. Ik geef het den man stil, en wensch hem goede reis.
Onze meid woont naast ons, hare ouders houden eene herberg, en ik zend haar om melk uit, naar haar huis. Met de woorden: uw dubbeltje is al weer bij ons komt ze terug. De man had voor acht centen brandewijn gevraagd, want meer geld had hij niet, men wilde hem voor tien cent verkoopen, maar hij beweert bij hoog en laag niet meer te hebben en biedt acht centen plus een doosje schoensmeer want daar loopt hij mee rond, de man die mij juist verteld heeft dat hij den heelen winter in 't ziekenhuis geweest is en nu terug moet naar zijn woonplaats. Leugen op leugen stapelt hij op een schoonen lentemorgen met een blauwen hemel boven zich, een jubelende vogelschaar om zich heen en alles vrede ademend. Weg is mijn warm gevoel. Een andere bedelaar belt, ik wijs hem af met de woorden: ik word te vaak bedrogen.
Was dat wel goed? Zondigde ook ik niet op dien schoonen lentemorgen? Wie weet hoe goed hier eene aalmoes besteed zou zijn geweest. Ware wijsheid waar zijt gij toch? Verlicht mijn pad, verruim mijn blik.

* * *

Bovenstaande aantekening is van de hand van rnevrouw Bosch Bruist. Een exacte datering is niet bekend, maar de notitie zal dateren van na 1886 toen de Dedemsvaartse stoomtram in dienst kwam.

* * *


WINTERGEZICHTEN UIT DE JAREN DERTIG _________________________________________________________

M.M.W. van Roozelaar



Deze twee winterse foto's werden in het begin van de dertiger jaren gemaakt door meester Van Roozelaar.

Links de Rollecatebrug over de dichtgevroren Dedemsvaart en het huis dat destijds werd bewoond door Arend van de Weide, ook bekend als Arend Lies. Ook woonden er mevr. Hille de Bruyn en later de families Arend Stegeman en Gerrit Kappert. Enkele jaren geleden heeft ook dit mooie plekje plaats moeten maken voor de nieuwe weg.

De rechter foto toont het besneeuwde en berijpte landschap van de Meeleweg. De foto is genomen voor de Meeleschool, thans Koningin Emmaschool. De weg was toen nog erg smal. Het was een hobbelige klinkerweg die bij de bevrijding in 1945 door de tanks van de Canadezen volkomen stuk gereden werd. Daarna is er een nieuwe straatweg gekomen, later gevolgd door de nu bestaande, verbrede asfaltweg.

* * *

NOTITIES OVER DE FAMILIE REUVERS _________________________________________________________

G.H.

In het eerste nummer van deze jaargang drukten wij een bladzijde af uit het bijbeltje van Hendrikje de Weerd. Zij was afkomstig uit Nieuwleusen en emigreerde naar Amerika, waar haar bijbeltje bewaard is gebleven. Maar ook hier bleven bijbels bewaard waar een schat aan gegevens in is te vinden. Vooral de huwelijken en geboortes van kinderen werden er in opgeschreven.
Zo zagen we onlangs een bijbel met gegevens over de familie Rcuvers. Het is een naam die nog steeds voorkomt in Nieuwleusen. De oudste in deze familiebijbel genoemde persoon is Gerrit Jan Reuvers, geboren omstreeks 1774 in Den Ham. Hij is overleden op 7 augustus 1853 te Nieuwleusen en was gehuwd met Margje Jans (Snieder), overleden op 10 januari 1846, 66 jaar oud.



J: Reuvers geb: den
4 mei 1819
Mje Jans overleden de 10 Jan
1846 in den ouderdom van 66 jaar
Aje De Boer geb: den
26 mei 1823
G:J: Reuvers overleden den 7 Aug:
1853 in den ouderdom van 79 jaar
gehuwd den 16 mei 1842
H:J: Reuvers overleden den 3 Janu
1853 in den ouderdom van 46 jaren
G:J: Reuvers geb: den
29 Maart 1843

F:je Reuvers geb:
16 Dec: 1844
Aaltje Reuvers overleden den 11
April 1858 in de ouderdom van 15 weken
M:je Reuvers geb: den
24 Sept: 1847
Jentje Reuvers gebor. 1803
overleden de 16 Sept. 1870
B:J: Reuvers geb: den
2 October 1850
1885 is getrouwd
H: Reuvers geb: den
15 Febr. 1853
Hendrik Kragt met
Jentje Reuvers
Jentje Reuvers geb: den
7 april 1855
Jentje Reuvers overleden
den 15 Junil 1893
Aatje Reuvers geb: den
22 Decemb: 1857


Een afbeelding van de geschreven tekst was helaas niet duidelijk leesbaar te reproduceren. Daarom hebben we hier de transcriptie weergegeven.

* * *

Een zoon van Gerrit Ian Reuvers en Margie Jans, genaamd Jan, werd op mei 1819 in Den Ham geboren. Hij huwde op 16 mei 1842 te Nieuwleusen met Arendje de Boer, oud negentien jaar, dochter van Berend de Boer en Femmigje Klaas Koezen. Dit echtpaar Reuvers was de eerste eigenaar van de uit 1852 daterende familiebijbel. Uit hun huwelijk werden zeven kinderen geboren, vier dochters en drie zonen.
Dochter Jentje, geboren op 7 april 1855, trouwde ruim dertig jaar oud op 23 april 1885 in Nieuwleusen met Hendrik Kragt, oud 31 jaar, van beroep landbouwer. De bijbel vererft op dit echtpaar. Hendrik was een zoon van Gerrit Kragt en Hendrikje Kragt. Omdat zij oom en nicht waren, is voor dit huwelijk dat op augustus 1853 werd voltrokken, door Koning Willem III bij koninklijk besluit dispensatie verleend.
Een dochter van Hendrik en Jentie Kragt, Hendrikje, huwde met Berend Timmerman en de bijbel komt in deze familie. Hun dochter Janna Timmerman, getrouwd met Jannes Kragt, bewaart nu deze bijbel zorgvuldig. De aantekeningen "H.J. Reuvers overleden den 3 Janu 1853 in den ouderdom van 46 jaren" en "Jentje Reuvers gebor 1803, overleden den 16 Sept 1870" hebben betrekking op een inwonende (?) broer en zuster van Jan Reuvers.

* * *

EEN ONBEKEND VOORWERP _________________________________________________________

In het afgelopen voorjaar kwam een volkomen onbekend voorwerp voor de dag. Op de voorjaarsmarkt werd het aan het publiek getoond met de vraag of iemand wist wat het was en/of waar het voor diende. Hoewel de kraam van de vereniging zich in een grote belangstelling mocht verheugen, is er niemand geweest die een antwoord op de gestelde vraag kon geven.
Omdat het Nederlands Openluchtmuseum in Arnhem een grote kennis bezit van gebruiksvoorwerpen op het platteland, werd contact met genoemd museum gezocht. Dit leverde evenwel geen resultaat Op. Na een gerichte zoekaktie moest men, toch wel een beetje teleurgesteld, meedelen niets te hebben kunnen vinden wat ook maar enigszins op ons onbekende voorwerp leek.
Kennelijk is het een zeldzaam ding. Hoe oud is het? Is het wel kompleet? Komt het wel uit deze omgeving; uit ons land? Is het misschien een klein onderdeel van een groter geheel? Waarom kan het bovenstuk losgedraaid worden van de onderplaat? Moet er iets in? Een kooltje vuur misschien, ook al zijn daar geen sporen van in het ijzer te vinden, of een lokaas voor vliegen? En zo zouden we nog wel even door kunnen gaan. We weten het eenvoudig niet.


Het voorwerp is van gietijzer gemaakt en is ongeveer vijftien centimeter hoog en ook in doorsnee. Het staat op drie pootjes. Het bovenste deel kan losgedraaid worden en zit met twee pennetjes vast in het onderste. Aan het bovenstuk zit een oog. De onderplaat heeft een fraai bewerkte bodem.
Wanneer er iemand is die weet of ook maar het geringste verrnoeden heeft wat het is of waar het mee te maken heeft, laat het ons dan weten. We zijn erg benieuwd.

* * *

Het voorwerp is een kluwenhouder, bedoeld om een knot wol in te leggen tijdens het breien. De wol wikkelt dan beter af en de knot rolt niet alle kanten op.

* * *

MILITAIREN 1831 - 1836 _________________________________________________________

B. van Duren

In het overlijdensregister van Nieuwleusen komen we in de jaren 1831 tot en met 1836 een tiental militairen tegen waarvan de doodsoorzaak niet bekend is. Het is mogelijk dat hun overlijden een gevolg is van de tiendaagse veldtocht. Of misschien heeft het iets te maken met de gevreesde gele koorts.
We geven hieronder de overlijdensdata en de verdere gegevens van deze soldaten weer. Mogelijk is er onder de lezers iemand die iets meer over deze personen of hun omstandigheden kan vertellen.

12 – 10 – 1831 - Koop Derks, 28 jaar, schutter bij de Overijs-
selse schutters. Overleden te Hulst (Zld).
Hij was een zoon van Derk Koops en Janne-
tje Arends.
11 – 02 – 1832 - Berend Katoele, 29 jaar oud, zoon van Hen-
drik Katoele en Margje Jans Huisman.
Ook hij was schutter bij de Overijsselse
schutters en is overleden in de Oranje -
kazerne in 's-Gravenhage.
21 – 02 – 1832 - Jan Dekker, 33 jaar, zoon van Gerrit
Arends Dekker en Femmigje Jans. Hij
was eveneens schutter bij de Overijsselse
schutters.
7 – 10 – 1832 - Cornelis Jonkers, 21 jaar en zoon van
Klaas Jonkers en Aaltje Spijker. Hij was
infanterist.
30 – 10 – 1832 - Wolter Mulder, 25 jaar, schutter bij de
Overijsselse schutters en zoon van Jan
Mulder en Geertje Kuiper.
20 – 05 – 1833 - Derk Kouwen, zoon van Jan Kouwen en
Femmigje Derks. Toen hij overleed was
hij nog maar 19 jaar en diende hij als
1e fuselier bij de infanterie.
03 – 06 – 1833 - Klaas Hof, 20 jaar oud, infanterist. Zoon
van Willem Hof en Hendrikje Evers.
09 – 08 – 1834 - Herm Maatman, 31 jaar, schutter bij
de Overijsselse schutters. Hij was een
zoon van Gerrit Maatman en Meine Schip-
horst en werd geboren in Denekamp.
13 – 02 – 1835 - Jan Garner, overleden te Den Helder
in de leeftijd van 19 jaar. De ouders van
Jan waren Gerhardus Garner en Wilhelmina
Hietkamp. Zijn militare funktie was fuselier.
10 – 07 – 1836 - Thijs Vonder, oud 32 jaar, echtgenoot
van Stijntje van Duren. Zijn beroep was
landbouwer en hij was schutter met onbe-
perkt verlof. Het echtpaar Vonder woonde
in Den Hulst.

* * *


VERENIGINGSNIEUWS _________________________________________________________


v.l.n.r. de dames G. Hengeveld, M. Dirksen en G. Kreule
en Uw eindredacteur de heer de Weerd.

Sinds begin september beschikt de vereniging over een eigen kraam die op de markten gebruikt zal worden. Voor het eerst gebeurde dit op de najaarsmarkt, waar losse nummers van dit periodiek en "knieperties" ten verkoop werden aangeboden. Over belangstelling was niet te klagen en de resultaten waren daaraan evenredig. Dank zij de "knieperties" konden de dames van de werkgroep letterdoeken foto-afdrukken van de dia's laten maken, waardoor de verzameling makkelijker toegankelijk is geworden




            Colofon uitgaven 1984


            Uitgaven van 1985


Jaargang 3 nummer 1 maart 1985

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

(foto: A. Aalbers-Zonnenberg).

Op de omslagfoto:
Jantje Zonnenberg voor het Melkrek. Hierop werden de emmers en vaten te drogen gelegd nadat ze waren schoongemaakt. Naast het rek ligt de karnton met z’n koperen rand. Ook het juk dat Jantje draagt, behoorde tot de attributen die bij de melkverwerking werden gebruikt

* * *

DE BOTERBEREIDING _________________________________________________________

Th. Bijker

Karnhuizen, enkele zijn er nog te vinden, al zal de karnmolen die er in stond wel verdwenen zijn. De beide zuivelfabrieken, die je hebt zien beginnen, ontwikkelen en sluiten, zijn ontmanteld en voor andere doeleinden in gebruik. Het valt op dat in een tijd van zeventig jaar, waarin hevige crises en twee wereldoorlogen voorkwamen, veel op het gebied van de zuivelbereiding is veranderd.
En dan denk ik aan de tijd dat ik als jongen van een jaar of acht het paard moest aandrijven in de karnmolen. We hadden thuis geen karnhuis, maar de molen stond aan de zijkant op de deel. Ik hoefde niet altijd mee te lopen, maar moest er wel bijblijven anders bleef het paard staan. Er moest een regelmatige gang blijven. Het mocht ook niet te hard gaan, want dan brandde de boter aan. Hoelang het karnen duurde weet ik niet meer. Je was er al gauw drie kwartier mee bezig, maar het verschilde wel eens. De melk wilde altijd niet even goed boteren. Misschien komt daar ook het gezegde "het botert niet goed" vandaan.





Dit is het karnhuis van
mevr. Aalbers-Zonnenberg
aan hetWesteinde.

(foto: G. Schoemaker)






(In jaargang 34, nummer 2, juli 2016 staat een artikel waarin wordt beschreven hoe een karnhuis gebruikt werd voor het maken van boter. In Nieuwleusen is nog een karnhuis bewaard gebleven. Dat staat aan het Westeinde 96a, in de tuin van de familie Kiekebosch. Dat is dus dit karnhuis, maar het is verplaatst en nu in gebruik als tuinhuisje.)

De karnmolen bestond uit een draaibare horizontale as, waaromheen zich aan de bovenkant een groot getand wiel bevond. Verder naar beneden was er een dwarsbalk aan bevestigd. Hieraan trok het paard. De tanden die aan het grote bovenwiel zaten, pakten in een ander tandwiel. Dit was aan een as bevestigd die door een gat in de muur naar de "geute" liep. Hier stond de karnton. Aan deze as zat een tandwiel dat weer in de tanden van het wiel greep waaraan de pols zat. Aan deze pols zaten in de karnton een paar vleugels die snel ronddraaiden. De melk die gekarnd moest worden, werd in platte vaten gedaan en in de kelder gezet. Daar bleef ze een paar dagen staan om aan te zuren. Steeds werd er weer verse melk bijgezet die dan later aan de beurt kwam. De aangezuurde melk werd met een emmer in de karn gedaan en dan kon met karnen worden begonnen. M'n moeder wist heel precies wanneer de boter goed was. Ze gaf dan een seintje en het paard mocht weer naar de stal. De pols werd uit de karn gehaald en de boter, die in grote klonters op de karnemelk dreef, werd er met een zeef afgeschept. Later op de morgen moest de boter nog we] veel aangekneed worden om er alle karnemelk uit re krijgen. De boter werd in een vat bewaard. Op donderdag werd het hieruit geschept en in een boterton gedaan. Dat waren tonnetjes van naar ik meen 30 kilo. Wanneer de ton vol was, werden er met een spateltje mooie figuurtjes op gedrukt, want de boter opmaken was de boter verkopen. De boter werd verkocht op de markt. Als er biggen waren die naar de markt konden, dan gingen mijn vader en moeder met de kleedwagen naar Zwolle. Moeder ging naar de botermarkt en vader naar de biggenmarkt. Wanneer ze niet met de wagen gingen, werden de boter en de eieren op donderdag naar de winkel gebracht. Daar haalde veerman Westerman (de overgrootvader van de huidige gebroeders) ze op en nam het mee naar Zwolle.
Vader ging dan op de fiets.
Wat de prijs van de boter betreft was er groot verschil.
De een maakte een betere prijs dun de ander. Daar zal ook wel reden voor geweest zijn. lk zie de boterkooplieden nog

Het werk is gedaan. Alvorensop reis te gaan nog even voor het melkrek op de foto. Achter zien we G.J. Zonnenberg, met naast hem een en vooraan links twee logees van burgemeester Backx, daarnaast Janna Zonnenberg - Kroezen en rechts Aaltje Zonnenberg.
De prent dateert van juni 1929.
(foto: A. Aalbers-Zonnenberg).

bezig met een boor een monster nemen en dan ruiken en proeven. En daarna al dat gepingel om de prijs. lieten zich echt geen knollen voor citroenen verkopen.
Als ik zo terug kijk naar het leven in die jaren en naar het vele werk dat moest gebeuren en dan vooral denk aan de boerin die overal tegelijk moest zijn, waar is dan die goede. oude tijd? lk geloof er niet in.

* * *

VOOR WAT HOORT WAT _________________________________________________________

                                Den 13 meij 1764

                             Geert Egberts, Jongeman

                             en
                             Fennigjen Hendriks, Jongedogter
                             beijde op het Ruitenveen
                                     alhier getrouwt.
                             1 hoen gebragt        Solvit

(Uit het huwelijksregister van de Hervormde Gemeente)

* * *

NIEUWLEUSEN IN ACTIE ANNO 1797 _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

Verzet, protestacties en betogingen tegen de overheid lijken allemaal typische verschijnselen te zijn die behoren bij de tweede helft van deze eeuw. Maar bijna 200 jaar geleden werd bijvoorbeeld ook al in Nieuwleusen een handtekeningenactie op touw gezet om de overheid in Den Haag af te houden van maatregelen die vele mensen onwelgevallig waren. Om ontstaan en doel van de actie te kunnen plaatsen eerst een stukje voorgeschiedenis.

Voordat in 1795 de Fransen in ons land kwamen was de positie van de hervormde (of: gereformeerde) kerk comfortabel in vergelijking met die van andere kerkgenootschappen. Zij, de hervormde kerk, was reeds twee eeuwen de heersende kerk. Zo bezat zij de ruimste en oudste kerkgebouwen waarvan het onderhoud werd verzorgd door de staat, die tevens zorg droeg voor de betaling van haar predikanten. De andere kerkgenootschappen werden hooguit geduld, meer niet. Zo werd de verhouding tussen kerk en staat eens vergeleken niet een Mohammedaans huwelijk, waarbij de staat één hoofdvrouw kende (de hervormde kerk dus), terwijl de andere kerken slechts bijvrouwen waren.

Maar in 1795 keerde het getij met de komst der Fransen Toen was het gedaan met de bevoorrechting der hervormden. Al in augustus 1796 werd, weliswaar voorlopig, bepaald dat er een scheiding moest komen tussen kerk en staat. Van een "heersende kerk" kon geen sprake meer zijn. Joden. rooms-katholieken, lutheranen, remonstranten, doopsgezinden en anderen juichten om deze gelijkstelling.
De hervormden echter keken beteuterd. Was dat nou billijk om van hen te eisen dat zijzelf hun voorgangers zouden betalen en zorg gingen dragen voor het onderhoud van hun kerken, terwijl de overheid vele van hun goederen tot nationaal bezit verklaarde, waardoor een belangrijk deel van hun inkomsten wegviel? Om de drommel niet, vonden ze, en als het aan hen lag zou het niet gebeuren ook. Daarom, zo redeneerden ze, moeten we ervoor zorgen dat deze voorlopige bepalingen, hoe dan ook, niet definitief in de Grondwet worden opgenomen.
Nu werden er teksten ontworpen en gedrukt waarin de Commissie, die een Grondwet moest ontwerpen, werd gevraagd, ja, soms zelfs geëist, dat “geene schikkingen zullen worden voorgedragen, waar door het Hervormd Kerkgenootschap gevaar zou lopen, het nodig onderhoud, en de gelegenheid voor zijne Godsdienstoeffening te verliezen". Vervolgens werden de voorbedrukte formulieren over het gehele land verspreid. De "actiebereidheid" was groot. Ruim 10 procent van de bevolking (d.w.z. zo'n 215.000 inwoners) tekende de verzoekschriften. Soms ging het enthousiasme zover dat zwangere vrouwen alvast een handtekening plaatsten voor hun nog ongeboren kind. Maar de Grondwetcommissie keurde al deze verzoekschriften geen blik waardig en borg ze ongezien en ongelezen op. Alle moeite was voor niets geweest. De gewraakte bepalingen werden ongewijzigd overgenomen in de Grondwet van 1798 (de allereerste die Nederland kende) en pas jaren later voor een deel weer ongedaan gemaakt.

Ook de hervormde kerk in Nieuwleusen ontving een formulier met een (gematigde) tekst waarop de ondertekeningen moesten komen. Slechts een klein deel der hervormden (vierentwintig in totaal) ondertekenden het formulier. Het is ook de vraag of het kerkbestuur het nodig of zinnig vond om een ieder in de gelegenheid te stellen zijn naam of, indien men niet schrijven kon, kruisje onder het verzoekschrift te laten zetten. Toch zijn op deze wijze de ondertekeningen bewaard gebleven van ruim twintig Nieuwleusenaren uit het jaar 1797.
Een fotokopie van het verzoekschrift berust bij de redactie.
Zij die tekenden waren:

Jan Arend Palthe, predikant
Hendrik Willems, ouderling
        (hij zette een kruisje)
Jan Jans, ouderling
Derk Jans, diaken
Hermen Jans, diaken
Fredrik Arens, kerkmeester
Jan Klaas, kerkmeester
Jan Dijkstra, koster en schoolmeester
Peter Coobs
Hendrik Geerts
Hendrik Klaas
Jan Stolte
Jan Aans (Arens?)
Gerrit Jans
Kornelijs Berents
Albert Stolte
Pouwel Herms
Berent Stolte
Hendrik Jans
Hendryk Wiellems
Gerrijd Jansen
Barteld van Holten
Claas Willems
        (hij zette een kruisje)
Weijllem Gerges (?)

december 1984

* * *

ZO DOET MEN DAT! _________________________________________________________

Spleten in handen geneest men door inwrijven met een mengsel van 30 gram witten wijnazijn, 15 gram alcohol, 15 gram rozenwater en 10 gram citroensap.

Het bloeden eener snijwond kan men doen ophouden door het gewonde lichaamsdeel in water en wat azijn te steken. Helpt dat niet dan brenge men eenige druppels ijzerchloride op de bloedende plaats.

Aardbeien zijn een geneesmiddel tegen ziekelijke aandoeningen van lever en onderbuik. Tegen "roos" draagt men spaansch-groen bij zich. Tegen bladerende roos eene vossetong. Tegen maagpijn raadt men zoete melk aan, waarin amandelpitten zijn gekookt.

* * *

FOTO-ALBUMS MERKLAPPEN EN LETTERDOEKEN _________________________________________________________

In het vorige nummer werd reeds gemeld, dat de dames van de werkgroep Merklappen en Letterdoeken van de dia's foto-afdrukken hebben laten maken. Dat zij nog meer in petto hadden, bleek op de vergadering van 6 november j.l. toen de foto's aan de vereniging werden overgedragen.
Tot verrassing van de aanwezigen hielden de drie dames, gestoken in historische kledij, een samenspraak waarin ze de gang van zaken rond het opsporen en vastleggen van de merklappen belichtten. Daarna werden de zeven met foto's gevulde albums aan de voorzitter aangeboden.
Hiervan werd onderstaande foto gemaakt, die zowel in de Meppeler als in de Zwolse Courant werd afgedrukt.


De heer H. Schoemaker bekijkt één van de zeven albums die hem werden overhandigd door mevrouw M. Spijker. Rechts mevrouw G. Hengeveld en in het midden mevrouw G. Kreule.

* * *


DE SUBSIDIE-AANVRAAG VAN JAN STOLTE _________________________________________________________

Het lijkt iets van deze tijd, het aanvragen van een subsidie, maar ook reeds in de eerste helft van de 18e eeuw kwam het voor. In het jaar 1703 werd Jan Stolte benoemd tot schoolmeester te Nieuwleusen. Aan dit ambt was tevens dat van koster verbonden. Mogelijk door zijn regelmatige kontakten met de predikant, ging hij Latijn studeren. Toen hij deze taal redelijk onder de knie had, vond hij de tijd gekomen om in de theologie verder te gaan.
Hij liet zich hiervoor in Groningen inschrijven. Zoals uit de aanvraag blijkt, kreeg hij toestemming van de inwoners van Nieuwleusen om zijn baan neer te leggen en zich aan deze studie te gaan wijden.
Hierdoor vielen zijn inkomsten weg. En omdat ook zijn verdere bezittingen niet erg florissant waren, schreef hij onderstaand, niet gedateerd, smeekschrift (vertaling A. Schoemaker-Ytsma) aan:

Edel Mogende Heeren
Mijn Heeren
Ridderschap en Steden de
Staaten van Overijssel

Remonstreert UEd.Mog: met alle eerbiedight Jan Stolte, schoolmeester tot Nijleusen, hoe dat hij onder sijn schooldienst, sig in de Latijnsche taale sodanig heeft geoeffent, dat tot vervolg van dien met toelatinge der ingesetene hem op de Academie tot Groningen hebbe begeven, alwaar Theologi studeert, ende also hij segged niets ter werelt meer overig heeft, dan alles daar bijgeset en geconfisceert:
So bidt en smeekt deselve, doe UEd.Mog: hem gratieuselijk eenmaal met een subsidie gelieve te begunstigen.

Twelk doende

* * *

HET BEKENDE ONBEKENDE VOORWERP _________________________________________________________

J. W. de Weerd

Als je op een mooie zondagmiddag in december, net een week na het verschijnen van het nummer van het 4e kwartaal, tegen vier uur thuis komt, kan je het volgende overkomen: Je zet de t.v. aan en schakelt van de ene naar de andere zender. En als je dan even op Duitsland 2 blijft "hangen", zie je toevallig het slot van een aflevering van een jeugdserie waarin drie vrouwen in een winkel in heftig gesprek zijn. Je ziet ook de winkelbediende bezig om een touwtje om een pakketje te maken en zo terloops zie je ook nog dat het touwtje uit een bolvormig apparaatje komt. Daarna volgt de aftiteling en omdat het volgende programma ook niet jouw smaak is, zet je het toestel uit.
Dan gaat ruim een kwartier later de telefoon en wordt er gevraagd of er bovenin het onbekende voorwerp ook een gaatje zit. Als je de foto ter hand neemt en de vraag bevestigend beantwoordt, wordt er aan de andere kant van de lijn gezegd dat er zojuist op het scherm een scene te zien was waarin een man een touwtje om een pakje deed, welk touwtje bovenuit een bolvormig voorwerp werd getrokken. En dan pas gaat je een licht op, een licht dat elders al eerder ging branden. Dat bolvormige voorwerp, waaruit het touwtje werd getrokken, is een broertje van ons onbekende voorwerp. En hoe langer je er over nadenkt, Hoe duidelijker het je wordt. In het apparaatje past een kluwen touw (simtouw noemden we dat vroeger) die van binnenuit afwindt. Het eind van het touwtje wordt recht naar boven door het gaatje geleid en zo kan het gebruikt worden iets in te binden in bijvoorbeeld een winkel of postkantoor. De zwaarte van het gietijzer houdt het op zijn plaats en zo is er altijd touw bij de hand.
In de dagen na de bewuste zondag hoorden we meerdere personen, die de beelden ook gezien hadden, een zelfde verklaring geven. De scene kwam voor in de aflevering van 9 december van een van oorsprong Zweedse serie, die in Duitsland onder de titel "Rasmund und der Vagabund" werd uitgezonden. Het verhaal speelt vermoedelijk rond de eeuwwisseling.(ca. 1900)


Dit zijn enkele modellen van kluwenhouders, zoals die in 1926 door de Engelse firma A. Kendrick & Sons Limited in haar verkoopcatalogus werden aangeboden. Het Nederlands Openluchtmuseum spoorde deze illustratie voor ons op in haar bibliotheek.

Het raadsel is dus opgelost; het onbekende voorwerp is een kluwenhouder. Of dit de officiële benaming is, weten we niet, maar omdat er niemand is die het wel weet houden we het maar bij deze.

* * *

EEN REFREIN VAN EEN ONBEKEND LIED _________________________________________________________

Een van onze leden, de heer C. Schoemaker, kan zich nog een refrein van een lied herinneren dat vroeger door Gerrit van de Kolk (een jager uit ons maartnummer 1984) werd gezongen. De overige tekst is hem niet bekend. Mogelijk is het een algemeen lied, maar het zou kunnen dat het uit deze omgeving, misschien uitNieuwleusen komt. Het refrein luidt:

In mijn kleine woning
daar leef ik blij en stil.
Menig mens heeft alles
wat hij wensen kan op aard.
Maar ik, ik ben tevreden
en dat is schatten waard.

Weet iemand van welk lied of gedicht dit refrein is of kent er iemand nog een aantal regels en mogelijk de volledige tekst? We horen het graag van U.

* * *

EEN VERHAAL OVER DE DROOGTE IN 1911 _________________________________________________________

G.H.

In een gesprek met iemand uit Nieuwleusen kwamen er verhalen over de tijd van vroeger. Zo kwam de periode van de grote droogte van 1911, die ook Nieuwleusen trof, ter sprake. In jaar viel er maar geen regen, alles dood en dor. Van het vroege voorjaar tot in de herfst regende het niet. Zelfs de winter die er op volgde was droog. Wel waren er in de zomer verschillende onweersbuien, maar er kwam geen regen uit. Na niet al te lange tijd was er geen gras meer te vinden. Van een boer die zo'n zes à zeven koeien had, is bekend dat die in dat jaar maar één voer hooi gewonnen heeft. Men trok met het melkvee, nadat het ‘s morgens eerst gemolken was, naar het lager gelegen gebied tussen de spoorlijn en de grote weg. Om een uur of acht ging men weg en 's avonds tussen zes uur en half zeven was men terug. Daarna moesten de koeien nog gemolken worden. Het trekken met het vee uit de Schuthoek en de Meele over de Koeweg en de Meeleweg naar het westen over het spoor gebeurde ongeveer gedurende zes weken. Het vee liep daar vrij rond en de oppassers lagen bij het brughuis onder de bomen. Dit was bij de brug die aan het eind van de Meeleweg over het Lichtmiskanaal lag. (deze brug werd ook wel 'Hooibrug' genoemd.) Daar woonde in die tijd Van Haarst. Hij verkocht jenever maar ook petroleum. De hele dag kon men dan verder niets doen. Soms werd er wat geld bij elkaar gelegd om een borreltje te kunnen kopen. Sommigen hadden ook breiwerk bij zich en anderen stopten kousen. Voordat men weer naar huis ging moest er gezorgd worden dat de juiste koeien weer bij elkaar kwamen, want ook van Nieuwleusen kwamen ze met koeien om ze daar te laten weiden en het vee liep allemaal door elkaar. De drijvers, meestal een stuk of vijf, namen de koeien mee van verschillende boeren. Enkele namen van die boeren: Withaar, Nijboer, Huisman, Meesters, Schoemaker en Westerman. Veel verdienden de oppassers er niet mee, soms wel eens iets, maar ze namen hun eigen vee ook mee.
Na de droge winter kwam er ook in het volgende voorjaar geen regen. Eindelijk kort voor de hooitijd begon het te regenen en was de tijd van grote zorgen voorbij.

* * *

VEURJOAR _________________________________________________________

M. Schutte-Massier

Ien 't veurjoar komp de natuur weer tot lèven. Alles wordt gruun en 't is niet erg um 's morgens um vief uur wakker te worden, want dan begunt 't concert van ik wee niet hoeveul vogels. De dirigent mut een groot man wèèzn. Alle accoorden klinkt èven zuuver. 't Is gewoon een feest um wakker te liggen ien bedde. As dan de gedienen oaveral lös goat, denk ik: zol elk wel zien det de hagedoornhegge weer veul greuner is dan gister en eergister; 't gruun van de lariks heel ààns is as van de beuk en de els?
Ien disse wereld van hoasten en jachten is toch nog wel wat oaver um ies èven bi' j stil te stoan. De natuur is ien 't veurjoar net een groot schilderi'j met allemoal mooie kleuren. lk zol elk wel willen wiezen op de dingen um bliede en dankbaar veur te wèèzn. Kiek ies noar de dieren, noar de plàànten en bomen en bekiek de akkers ies. De iene ien zacht gruun; de àànder zwart met diepe voren van 't ploegen. Ze liekt nog dood, mar binnenien brôest het van leven en zuukt de ontkiemde eerpels heur weg noar het licht.
Maar dan bedenk ik det niet veur niks de wegen 's zundags zo drok en vol bint en det er een boel toch wel ien stoat bint um al det moois ien de natuur te zien.
Mènsen, geniet van ’t veurjoar!

* * *

Krummels _________________________________________________________

"Det kump mooi uut”, zee Geert, “’t heui is op en de koe is dood."

* * *

EEN NIEUWLEUSENER BRIEF UIT 1778 _________________________________________________________

H. Sterken Rzn.

                                      Wel Edele Juffrouw
                                         Mejuffrouw A. Palthe
                                         Weduwe van den Heer ontvanger
                                         Palthe te Oldenzaal

franco Ulsen

   Veel geliefde en Hooggeagte Suster

lk ben dinksedag morgen om half 9 met een koetse met 4 paarden van Ulsen vertrokken en al vroegtijdig hier geweest. Het geluk heeft mij weer gedient.
Op den Herdenberg hebbe ik tot gezelschap gekregen Dr. Sandberg en zijn soon en heb vader en moeder heel wel angetroffen die menden dat ik uit de lugt qaam regen die konden haar geen denkbeeld maaken waar ik heen kwaam. Mijn lieve suster ik doe Uw Ed. nogmaals bedanken voor alle genoten vriendschap en beleefdheid die Uw Ed. an mij heeft believen te bewisen wense wel eens in staad te zijn iets tot dankbaarheid weerom te doen. Ik ga dinksedag na Zwolle dan sal ik het alle wel besorgen. Over een week of 3 dan komt Vader en Moeder met broer Jan. De halssiekte is hier weer in stielstaand als Gerriet Berens Jantjen heeft se nog. Wij hebben gisteren na Jan bakkers huis geweest en hebben de appels geschud wij hebben hier kwetsen in overvloet. Komt mandag met Juffer Nagel en Freule Bentink gij sult so veel eten als u lust en so veel meedragen als gij kunt.
Nu ik sal Uw Ed.ls de bestemde tijd tegemoete komen. Het complement an Mevrouw Borgering en den Ampman en Dokter en Juffer Nagel en ik doe haar nogmaals bedanken voor al het pleizier da se mij bewesen hebben. Als oom het belieft te hebben dan schrieft het maar dan sal broer Jan van de winter bij Uw Ed. in de kost gaan hij wil het wel graag doen hij seid ik sal suster wel gezelschap houden. Dat Uw Ed. geschreven hebt sal Vader wel besorgen. Nu hertelijke liefde groet van Vader en Moeder Jan hetwelk ik ins gelijk versoek ook an Oom en tante, broer, Gese, en den apteker besonder an Gesine, in grooten haast terwiel de brief so na de Kroon moet. Woensdag sal ik Uw Ed. nader schriven.
                                         Seer lieve suster
                                      Uw Ed. ond.D. Dienaresse
                                      en liefhebbende Suster H. Palthe

Kwetsen zijn langwerpige blauwe pruimen. Met de Kroon is herberg de Landskroon in Oudleusen bedoeld. Hier liep de Hessenweg langs van Zwolle naar Hardenberg en verder naar Ulsen. Over deze weg reed de postkoets die dus bij de Landskroon een halteplaats had.

* * *

Infanterie 1914-1918 _________________________________________________________

foto: H. Sterken Rzn.


Een compagnie infanteriesoldaten uit 1914-1918.
Hieronder uit Nieuwleusen:
A.J. de Boer, F. de Boer, ? Boerrigter, Th. Brasjen, ? van der Elst, P. Groteboer, W, van Hulst, J. Kappert, L. Knol,H. Kragt, H. Nijboer, H. Schuurman en J. Sterken.

* * *

DE BEVOLKING VAN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Aartje Schoemaker-Ytsma

Naar aanleiding van het feit dat Nieuwieusen de grens van 8000 inwoners is gepasseerd, is het interessant om eens na te gaan hoe die groei verlopen is.

jaar
1680
1795
1818
1825
1869

inwoners
± 346
855
1031
1206
2151

jaar
1899
1924
1955
1985

inwoners
2695
3226
4505
8002

De oudste bron is de lijst van huisgezinnen opgetekend door Arnoldus van Bercum, de eerste predikant alhier.
Hoe heetten de bewoners toen eigenlijk?
De meesten hadden nog geen achternaam zoals we die nu kennen. De voornaam van de vader werd meestal de achternaam van het kind. Vaak werd er een s, een z, sz, of sen achter geschreven (Gerrit, de zoon van Willem, heette dus Gerrit Willems, oorspronkelijk was dat Gerrit Willemszoon. Red.).
Hieronder geven we de namen weer die in Nieuwleusen tussen 1663 en 1680 voorkwamen. Met deze lijst hopen we aanstaande ouders van dienst te zijn.



Van het mannelijk geslacht:

Aart, Abel, Albert, Arend, Arent, Arnoldus, Assen, Bartelt, Berend, Berent, Boeie, Claas, Claes, Coop, Cornelis, Derck, Dirc, Dirck, Egbert, Engbert, Evert, Frens, Frerick, Geert, Gerrit, Hans, Hendric, Hendrick, Hendrik, Henric, Herm, Hermen, Hilbert, Hille, Jacob, Jan, Jannes, Jochem, Jochum, Johannes, Joris, Lambert, Laurens, Liwert, Lubbe, Lubbert, Luychien, Lutgert, Marten, Maurits, Meynert, Nijs, Pauwel, Peter, Remmelt, Reyn, Reynert, Rutgerd, Rutgert, Rijckelt, Steven, Sijmen, Sijmon, Toenis, Tijmen, Thijs, Tijs, Vreric, Willem, Wolter.

Van het vrouwelijk geslacht:

Adriane, Aeltien, Albertien, Aleida, Amele, Ameltien, Anna, Annichjen, Barber, Beerte, Berentien, Claessien, Cornelissien, Derckien, Derckjen, Engbertien, Femme, Femmechien, Femmichien, Femmichjen, Fennichjen, Frensien, Fije, Geertien, Geertjen, Gese, Gesien, Griete, Grietien, Gijsbertien, Hendrickien,Hendrickjen, Hendrikjen, Hermtien, Heyltje, Hille, Hillechien, Hillichjen, Ida, Jacobien, Jacopien, Janna, Jannichjen, Jantien, Jenne, Jennichien, Jentien, Johanna, Jutte, Lammichien, Lammichjen, Lubbichien, Lutgert, Lijse, Lijsebet, Maria, Marrichjen, Merrichien, Merrichjen, Marij, Mattien, Mattjen, Mechteld, Mechtelt, Roeloffien, Roosien, Steventien, Stijne, Stijntien, Swaentien, Toentien, Trijntien, Trijntje, Vrouchjen, Webbichjen, Wibbichien, Wichertien, Willemtien, Woltertien.

* * *

DE DRIE SPOKEN _________________________________________________________

B. van Duren

Gait-Jan was ien wezen een heel beste vent,
oldere mensen hebt hum misschien nog wel ekend.
As de manluu vroeger bi'j 't vuur zaten te roken,
dan gungen de verhalen heel vaak over spoken.

De vrouwluu die griezel'n en vunden der niks an,
zie worden bange. "Ikke niet", zee Gait-Jan.
Zien drie maoten dachten: wacht mar ies èven,
vandage of morgen dan zöl ie ’t belèven!

De volgende aovund was heel geschikt weer,
soms zag ie de maone, dan opiens niet meer.
Tegen elf ure kon ie de deure heuren klappen,
Gait-Jan kuste Aoltien en nam grote stappen.

Een eintien verder dacht Gait-Jan: wat gek,
wat is det daorgunder, daorgunder op 't hek?
Wat zit die daor vrömd ien mekare gedoken,
daor onder die lakens; det liekt ja wel spoken!

"0e. drie daor op 't hekke, oe vrees ik niet,
ik kome wel thuus, het is niet meer wied,
mar die grote daorachter, daor onder die bomen,
ik wete niet hoe ak daor an veurbi'j mut komen..."

Det was veur de spoken toch wel grote schrik:
Wat mos Gait-Jan lachen, wat had hi’j een schik.
De drie leupen harder as ooit tevoren,
de lakens die flodderen Gait-Jan um de oren.


Jaargang 3 nummer 2 juni 1985

De omslagfoto is genomen vanaf de Kerkbrug in de Dommelerdijk in de richting van de Ommerdijk (thans Backxlaan). De weg rechts is het Oosteinde en van links komt het Westeinde.

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

STRAATNAMEN IN NIEUWLEUSEN I _________________________________________________________

J.W. de Weerd

In het midden van de vijftiger jaren liep de tweede ruilverkaveling van Nieuwleusen ten einde. Deze verkaveling, die nogal ingrijpend was, deed veel van het landschappelijk schoon verdwijnen. Daar stond evenwel tegenover, dat de kavels verbeterd en over nieuwe verharde wegen toegankelijk werden.
Voordat de verharding plaats vond, waren veel wegen naamloos. Dat kon zo niet blijven en daarom werd er een commissie ingesteld die met voorstellen over de naamgeving moest komen. De "Commissie Naamgeving Wegen Nieuwleusen" stond onder voorzitterschap van burgemeester J. Hoekstra, terwijl G.H. Krol als seeretaris fungeerde. Voorts hadden zitting de heren W. Muller, H. Pessink, J. Reuvers en R.J. de Wit. Later werd aan dit zestal D.J. Massier toegevoegd als adviserend lid. Voor de eerste keer kwam de commissie bijeen op 11 januari 1954. Uit het verslag van deze vergadering blijkt dat een verantwoorde naamgeving in die tijd hoe langer hoe meer aan de orde kwam. Hoewel nog niet in die mate als in het buitenland, kwamen er toen ook in Nederland provinciale en plaatselijke verenigingen op dit gebied te voorschijn. Nieuwleusen was de eerste gemeente in Overijssel die de naamgeving van wegen op deze manier aanvatte.
Het doel van de "Commissie Naamgeving Wegen Nieuwleusen" was om voor iedere weg een naam te vinden en zo mogelijk bestaande namen te doen herleven. Nieuwe benamingen dienden passend te zijn, ook al waren ze niet oud. Men was van oordeel, dat het gewenst was alle wegen van een naam te voorzien. Aan de hand van de verslagen zullen we de verschillende namen, die in de commissie besproken werden, ten tonele voeren.

We beginnen in de Kerkenhoek. Daar kwamen in het begin van de jaren vijftig nog de Straatweg OZ en de Straatweg WZ samen. De commissie vond deze namen, die uit de tijd stamden van de verharding van de wegen, minder geslaagd.
Als nieuwe namen werden Nieuwleusenerdijk en Zwolscheweg genoemd. Volgens één der commissieleden zou men zich met de benaming Nieuwleusenerdijk "buiten de familie" plaatsen. Algemeen was men echter van oordeel, dat de Straatweg het best weer kon worden omgedoopt in de oude ingeburgerde en bij veel mensen nog in gebruik zijnde namen. Besloten werd dan ook voor te stellen de Straatweg OZ, lopende vanaf de Kerkenhoek tot de Stouwe, de naam Oosteinde te geven en de Straatweg WZ te wijzigen in Westeinde.
Over de naam Stouwe was de commissie van oordeel dat die gehandhaafd moest worden. Omdat er in de omgeving meer wegen deze naam droegen, kwam de vraag naar voren of er nog iets aan toegevoegd diende te worden. Ter onderscheiding van de Vosse-Stouwe in de gemeente Dalfsen, werd er aan Varsener-Stouwe gedacht. Er werd evenwel opgemerkt dat Vosse-Stouwe geen ingeburgerde naam was. Hoewel het noordelijke gedeelte de Varsener-Stouwe en het zuidelijk deel Ommer-Stouwe werden genoemd, was de commissie van mening, dat aan deze verschillende benamingen geen behoefte bestond. Voorgesteld werd voor de gehele weg, lopende vanaf de Middeldijk tot aan de Hoofdvaart, de naam Stouwe aan te houden.
Middeldijk was de reeds lang bestaande naam voor de weg van de Stouwe tot aan de weg die vanaf het Westeinde in zuidelijke richting langs de molen van Massier liep en vanouds als Veldweg bekend was. Het voorstel luidde de namen Middeldijk en Veldweg niet te veranderen. Kennelijk twijfelde de commissie eraan of zij deze beide wegen namen konden toekennen; men vroeg zich namelijk af of ze niet in de gemeente Dalfsen lagen.
Volgens de heren commissieleden kon de naam Nieuweweg gehandhaafd worden. Deze weg, gelegen tussen Oosteinde en Middeldijk, was indertijd door de mensen zelf aangelegd en er werd al gauw van de Nieuwe Weg gesproken.
Ook bleek er geen behoefte te zijn de benaming Dommelerdijk, een altijd bestaan hebbende en ingeburgerde naam, te wijzigen.
Tussen de Dommelerdijk en de Veldweg treffen we een tweetal noord-zuid wegen aan. Aan de eerste weg, komende vanaf de Kerkenhoek, woonde in vroeger jaren de kleermakersfamilie Gerritsen. Het leek de commissie een goede gedachte om deze weg Kleermakersweg te dopen. Hoewel in de notulen niet te vinden is dat later aan een


Bovenstaande afbeelding op blz. 19 laat ons een plekje zien aan het begin van de Middeldijk-Oost in de zomer van 1963.

andere naam werd gedacht, heeft deze naam toch geen ingang gevonden. Uit een losse aantekening in de ons ter beschikking staande papieren blijkt, dat men in kerkelijke archieven de naam Arendneven heeft aangetroften. Men is kennelijk van oordeel geweest dat Arendnevenweg een betere benaming was dan Kleermakersweg.
De andere weg liep over gronden die in de volksmond het "Butenland” werden genoemd. Het lag dus voor de hand dat het voorstel kwam om de weg over deze landerijen de naam Buitenlandsweg te geven.
Voor het tussenliggende weggetje, dat bij de oude begraafplaats dood loopt, stelde de commissie Schuurmanslaantje voor. Dit naar de plichtsgetrouwe Schuurman, destijds gedurende ongeveer 40 jaar koster en voorzanger der Hervormde Kerk, die al die tijd zelden of nooit een dienst niet heeft bijgewoond.
Het Pad was de naam van de weg die ten noorden van, en nagenoeg evenwijdig aan het Oosteinde, respectievelijk Westeinde lag en vanaf de Stouwe tot aan de Koedijk liep. Vroeger was dit inderdaad een pad met vonders en overstappen. Reeds in de eerste vergadering kwam de wens naar voren een dergelijke historische naam niet te veranderen. "Het doet het verleden voortleven", aldus een der commissieleden, waarbij hij als voorbeelden Zeedijk, Overtoom en de Dam noemde. In de volgende vergadering bleef dit standpunt ongewijzigd, alleen zou men Het Pad willen wijzigen in Pad.
Met de naam Oosterveen weet de commissie geen raad. De betekenis hiervan was de heren niet geheel, of geheel niet, duidelijk. Men zou trachten hierover iets meer te weten te komen.
Omtrent pad en Oosterveen vernemen we uit de notulen niets meer. Ongetwijfeld is er vaker over gesproken, want in de definitieve voorstellen lezen we: "De commissie is van mening, dat de aanwonenden, nu het Pad geen pad meer is, deze naam minder op prijs zullen stellen. Hier komt nog bij dat het pad op een tweetal plaatsen samenvalt met een andere weg, t.w. bij de Ommerdijk en de Staphorsterweg. De commissie stelt dan ook voor het gedeelte tussen de Stouwe en de Ommerdijk "Oosterveen" te noemen, het gedeelte tussen de Ommerdijk en de Jagtlusterallee "Westerveen", het gedeelte tussen Jagtlusterallee en Staphorsterweg "Ruitenveen" en het gedeelte tussen de Staphorsterweg en Koedijk "Stadhoek".
Kennelijk heeft men dus toch de betekenis van Oosterveen achterhaald en met de andere namen beter geschikt geacht dan Pad, hoewel men toch lang heeft gemeend deze naam te moeten handhaven. De motivatie voor de andere namen is ons evenmin overgeleverd.
Twee andere lange wegen die Oost-West liepen, lagen langs het kanaal de Dedemsvaart en werden Hoofdvaart NZ en Hoofdvaart ZZ genoemd. Een commissielid dat vroeg hoe men aan deze naam gekomen was, kreeg als antwoord dat dit de levensader van Nieuwleusen was. Men wist geen betere passende naam te vinden, al werd er nog wel aan Kanaaldijk, Benedenvaart, Bovenvaart e.d. gedacht.
Hoewel niet tot de taak behorende waarvoor de commissie was aangesteld, stelde de voorzitter er prijs op dat ook bruggen van een naam werden voorzien. Hij noemde als voorbeeld brug vijf, die in de vorige eeuw reeds als "Koeriersbrug” bekend was. Er werd besloten over de naamgeving van bruggen te zijner tijd contact op te nemen met Gedeputeerde Staten. Of dit inderdaad is gebeurd, is niet bekend.
Voor de eerste tussen Oosteinde en Hoofdvaart gelegen noord-zuid weg, gerekend vanaf de Stouwe, dachten de heren commissieleden allereerst aan Schoemakerweg. Bij de kruising met het pad woonde nl. H. Schoemaker. Al spoedig moest deze naam wijken voor Samenweg, een naam die toepasselijker geacht werd en al enigszins was ingeburgerd. De oude onverharde weg behoorde aan een groot aantal inwoners en werd dus ook door hen samen gebruikt.
In een latere vergadering scheen men hier toch weer op terug te komen, want de Schoemakerweg kwam opnieuw ter tafel. En weer later, in de definitieve voorstellen, werd voorgesteld om deze weg met de naam Bijkersweg te tooien. Dit naar de in vroeger jaren aan deze weg gewoond hebbende familie Bijker, die ook de aanliggende gronden bezat.


Hierboven op bladzijde 21 een kijkje op de Kerkenhoek vanaf het Westeinde, staande voor het gemeentehuis. Rechts tussen de bomen de Kerkbrug met Dommelerdijk, links de brug over de sloot naar de Ommerdijk. Deze sloot noemde men vroeger Binnendijksloot, die aan de overzijde Buitendijksloot.

Voor de tweede noord-zuid weg kwam men al direct met Bouwmansweg op de proppen. De gronden in de omgeving van deze weg behoorden indertijd toe aan de familie Bouwman.
Van 1753 tot 1803 was aan Arend Palthe predikant te Nieuwleusen. Hij was tevens bezitter van vele landerijen. Deze vererfden later op mej. Gulia Palthe, een van zijn nakomelingen en door velen de Landsvrouwe van Nieuwleusen genoemd. Geheel over het grondgebied van de Palthe’s liep een zandweg vanaf het Oosteinde tot aan de Hoofdvaart. Wat lag er dus meer voor de hand dan deze weg, nu die verhard was, de naam Paltheweg te geven. In een volgende vergadering besloot de commissie voor te stellen ook het verlengde van genoemde weg, tussen Oosteinde en Middeldijk, deel te laten uit maken van de Paltheweg.
Met de ingeburgerde naam Smeule voor de weg tussen Ommerdijk en Paltheweg, had de commissie geen enkele moeite. Dit was ook het geval met het Molenpad, waarover in de notulen het volgende valt te lezen: "Deze naam heeft in de loop der jaren ook burgerrecht verkregen. Voorgesteld zal worden deze naam aan te houden voor de weg, lopende vanaf de Ommerdijk in oostelijke richting, langs de woning van kleermaker G.J. van Dorsten, tot aan de tweede verharde weg tussen Oosteinde en de Hoofdvaart ZZ, gerekend vanaf de Ommerdijk."
Dan was er verder nog de weg vanaf de Ommerdijk langs de algemene begraafplaats, ten oosten daarvan ombuigende in zuidelijke richting, tot aan het Pad. Een gedeelte van deze weg was vanouds bekend als het "Katoelenweggie". Omdat het niet verantwoord werd gevonden deze betrekkelijk korte weg van twee namen te voorzien, luidde het voorstel voor de hele weg: Katoelenweg. Zonder dat we er in het tussenliggende jaar iets over vernemen, duikt in 1955 plotseling de naam Ds. Smitslaan op. De commissie gaf toen de voorkeur aan deze naam als eerbetoon aan Ds. Smits. Hij was van 20 september 1891 tot aan zijn overlijden op maart 1929 predikant in Nieuwleusen.
Zijn familie was erg ingenomen met deze naam. Zijn dan nog enig overlevende broer schreef, na het definitief worden van de naam Ds. Smitslaan, in juli 1957: "Deze hulde, gebracht aan wijlen mijn broer, heeft mij diep getroffen. Ik zie daarin het bewijs dat Ds. Smits, die geheel zijn ambtelijke leven de gemeente Nieuwleusen heeft gediend en die zich in Nieuwleusen zo gelukkig gevoeld heeft, nog niet is vergeten, maar dat hij nog voortleeft in de gedachten van die Nieuwleusenaren die hem gekend hebben."
Ook een neef van Ds. Smits betuigde, eveneens in juli van dat jaar, in een brief aan B. en W. zijn dank; "Met groot genoegen en dankbaarheid las ik (…) dat, op advies eener commissie, is overgegaan het "Katoelenweggie" te veranderen in: “Ds. Smitslaan”. Ds. Hendrik Smits was mijn vaders broeder, dus mijn oom. Hoeveel mijne dierbare oom van Nieuwleusen hield, moge U blijken uit het feit, dat, toen ik hem op zijn laatste ziekbed, dat zijn sterfbed werd, bezocht, hij mij zeide; "Als ik mijn leven mocht overdoen, werd ik weer dominee te Nieuwleusen." Vanaf 1928 (lees 1929, dW) rust mijn oom op het kerkhof, dat gelegen is aan den weg, dien hij zoo talloze malen heeft afgelegd bij het leiden van de begrafenisplechtigheden. Deze weg draagt thans zijn naam. Nieuwleusen heeft Ds. Smits niet vergeten:"

Wordt vervolgd.

* * *

De foto's bij het artikel Straatnamen in Nieuwleusen zijn afkomstig uit het archief der gemeente.
De omslagfoto is genomen vanaf de Kerkbrug in de Dommelerdijk in de richting van de Ommerdijk (thans Backxlaan). De weg rechts is het Oosteinde en van links komt het Westeinde.
De afbeelding op blz. 19 laat ons een plekje zien aan het begin van de Middeldijk-Oost in de zomer van 1963.
Op bladzijde 21 een kijkje op de Kerkenhoek vanaf het Westeinde, staande voor het gemeentehuis. Rechts tussen de bomen de Kerkbrug met Dommelerdijk, links de brug over de sloot naar de Ommerdijk. Deze sloot noemde men vroeger Binnendijksloot, die aan de overzijde Buitendijksloot.

* * *

BIJ EEN OUDE SCHOOLFOTO II _________________________________________________________

Aanvankelijk was van de op deze foto afgebeelde leerlingen geen enkele naam bekend. Ook wist men niet welke school het betrof. Door presentatie van de foto op een markt kwamen een aantal namen boven water.
Hierna spande de heer H. Prins zich in om alle namen te achterhalen. Het resultaat ziet U onderstaand.

Foto: J.T. Alteveer


Nummers uit de beeldbank

De foto werd omstreeks 1907 gemaakt van meester Witvoet
en zijn leerlingen voor hun school aan het Oosteinde.

De namen luiden als volgt:

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

Jan Prins
Harm Zwiers
Klaas van Dorsten
Harm Kragt
Rut Kragt
Arend Blik
Willem Pessink
? Belt
Hendrik Jan Evertsen
Arend Pessink
Jan Seine
Meester Witvoet
Arend de Boer
Dirk Reuvers
Jan Boerman
Klaasje Boerman
Rieka Belt
? Belt
Hendrik Jan Huzen
Hendrik Brouwer

21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  

Dirk Jan Schiphorst
Dirk Jan Evertsen
Geertje Evenboer
Hendrikje Evenboer
Hendrikje van Spijker
Mien van Spijker
Mien Boerman
Fennigje Hekman
Jennigje Evertsen
Heintje Schiphorst
Aaltje Huzen
Margje Prins
Hendrikje Brouwer
Aaltje Reuvers
Geesje de Boer
Hilligje Prins
Siena Seine
Annigje Schuurman
Femmigje Schuurman

* * *

HET GESLACHT MASSIER IN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

A. Kreule

In de zeventiende eeuw vluchtten veel Franse protestanten hun land uit omdat ze op beestachtige wijze werden vervolgd door hun rooms katholieke koning Lodewijk XIV. Verschillende landen namen deze vluchtelingen, Hugenoten genaamd, op. Zo ook Nederland, waar de protestantse stadhouder Willem III aan de regering was.
De meeste vluchtelingen waren handelaren. Ze konden gemakkelijk vluchten omdat ze immers geen vee hadden waarvoor ze moesten zorgen. Hier bouwden ze, geholpen door de Nederlanders, aan een nieuwe toekomst. Na verloop van tijd namen de Hugenoten de Nederlandse nationaliteit aan.

De naam Massier, zoals die oorspronkelijk luidt, is uit Frankrijk afkomstig. In diverse plaatsen komt men er de naam nog tegen, onder andere in Lyon en Nice. Volgens deskundigen betekent massier: vaandeldrager. In ons land treffen we de naam omstreeks 1650 het eerst aan in Amsterdam.
We beginnen ons verhaal met Jan Massier Peterszoon. Hij werd in 1715 geboren en was tweemaal gehuwd. De eerste keer met Derkien Bos en later met Geesje Speelman. Uit beide huwelijke kwamen kinderen voort. De afstammelingen van Jan Massier en Geesje Speelman hebben niet anders gewoond dan in Ommen.
Op het gemeentehuis aldaar heeft men de naam nog al eens verschreven. Zo bijvoorbeeld in 1835 toen er een Jan Massier werd geboren, die als Jan Mansier werd ingeschreven. Door deze verschrijvingen komt in de stamboom zowel Massier als Mansier voor.
We gaan terug naar Jan Massier en Derkien Bos. Ze kregen in 1741 een zoon die ze Peter noemden. Hij trouwde Wubbe Jans, van wie hij in 1765 een zoon kreeg. Deze kreeg de naam Jan, naar zijn grootvader, de vader van zijn vader, zoals dat vroeger gebruikelijk was bij de eerste zoon.
Jan trouwde met Jentien Bakker en in 1799 werd een zoon geboren, Lucas genaamd. Hij was dus niet de oudste, want hij werd niet naar zijn grootvader van vaderszijde genoemd. Lucas nam Henderkien Thomas tot vrouw en hun eerste zoon werd in 1821 geboren En kreeg de naam Jan. Met deze Jan verschijnen de eerste Massiers in Nieuwleusens historie.
Jan Massier trouwde met Femmechien Kluin. Ze waren beiden geboren Meppelers, doch verhuisden omstreeks 1849 naar Nieuwleusen, waar ze betere toekomstmogelijkheden zagen. Het echtpaar begon hier een molenaarsbedrijf aan het Molenpad. Later verhuisden ze naar het Westeinde, naar de plek waar nu nog het bedrijf van Jan Massier Wzn. is te vinden.
Een deel van hun afstammelingen zijn, wat wonen betreft, Nieuwleusen trouw gebleven en op hun zijn de woorden van het gedicht van H. Sterken zeker van toepassing:

Ni'jluusen mien dörpien ik hoale van oe
En 'k blieve oe trouw as mien va en mien moe
Ja veule geslachten die deden heur wèrk
En maakten Ni'jluusen zo groot en zo stèrk.

De eerste generatie Massiers in Nieuwleusen was dus:

  I Jan Massier, geboren in 1821 en gehuwd met Femmechien Kluin.
    Kinderen uit die huwelijk zijn:
    1. Gerrit, geboren in 1845 te Meppel; trouwt met Margje Katoele.
        (kinderen zie II). Van dit echtpaar stammen de Nieuwleusense
        Massiers af.
    2. Hendrikje, geboren in 1847, eveneens te Meppel.
    3. Lucas, geboren in 1850 te Nieuwleusen en aldaar overleden in 1852.
    4. Niesje, geboren in 1855 te Nieuwleusen en aldaar overleden in 1868.

  II. Kinderen van Gerrit Massier en Margje Katoele:
    l. Jan, geb. in 1868, trouwt Aaltje Bijker (kinderen zie IIIa)
    2. Hendrik, geb. in 1870, trouwt Helena Schiphorst (kinderen zie IIIb)
    3. Lucas, geb. in 1872, trouwt Aaltje Prins (kinderen zie IIIc)
    4. Wolter, jong overleden
    5. Arend, geb. in 1877, trouwt Fennigje van Spijker (kinderen zie IIId)
    6. Femmigje, geb. in 1879, trouwt Hendrik Berend van de Vegt.
    7. Gerrit, geb. in 1880, trouwt Hendrika Waanders (kinderen zie IIIe)
    8. Albertus, geb. in 1883, trouwt 1e. Aaltje Bijker
                                                         2e. W. de Groot (kinderen zie IIIf)
    9. Wolter, geb. in 1886, trouwt Hendrikje Knol
    10. Marten, geb. in 1890, trouwt Hendrikje Lotterman (kinderen zie IIIg)

  IIIa. Kinderen van Jan Massier en Aaltje Bijker:
    l. Margje, trouwt J.F. de Rooi
    2. Koop, trouwt W. van Spijker
    3. Gerrit, trouwt E. Schiphorst
    4. Jan, trouwt R. Theusink
    5. Wolter, trouwt W. Waanders
    6. Arendina, trouwt R. Riphagen

  IIIb. Kinderen van Hendrik Massier en Helena Schiphorst:
    l. Gerrit, trouwt J. Prins
    2. Margje, trouwt H. Schoemaker
    3. Marten, trouwt M. Bakker
    4. Aaltje, trouwt G.J. Prins

  IIIc. Kinderen van Lucas Massier en Aaltje Prins:
    l. Gerrit, trouwt J. Dekker
    2. Derk Jan, jong overleden
    3. Marinus, trouwt H. Bakker
    4. Derk Jan, trouwt H. Alteveer
    5. Catharina, trouwt J. Scholten
    6. Femmigje, trouwt K. Dijkhuizen
    7. Jozina, trouwt G. Schroten

  IIId. Kinderen van Arend Massier en Femmigje van Spijker:
    l. Margje, ongehuwd overleden

  IIIe. Kinderen van Gerrit Massier en Hendrika Waanders:
    l. Gerrit, trouwt W. Waanders
    2. Hendrik , trouwt M. Lijerink
    3. Femmigje, trouwt J. Vosjan

  IIIf. Kinderen van Albertus Massier en Aaltje Bijker/W.de Groot:
    l. Margje, trouwt B. Schutte
    2. Hilligje. trouwt W. Andela

    3. Elsje, trouwt J.H. Stegeman
    4. Bertha, trouwt H. Doosje

  IIIg. Kinderen van Marten Massier en Hendrikje Lotterman:
    1. Hendrika, trouwt 1e. J. Huisman
                                    2e. J. v.d. Woude
    2. Margje, trouwt J. Pot

Tot zover de gegevens van de oudere Massiers van Nieuwleusen, die werden verzameld door ons lid H.J. Mansier te Ruinen.
De familie heeft al een paar keer een reünie gehouden in hotel "De Viersprong", voorheen "tante Margje" (Massier).
Voor geïnteresseerden in de verdere afstammelingen is het vervolg ook in het bezit van de vereniging en voor de prijs van ƒ 2,-- te verkrijgen. Even bellen naar 05296 - 1247.

* * *

HERINNERINGEN AAN DE BEVRIJDING _________________________________________________________

H.J. Meijerink

Begin april 1945 trokken de geallieerde stoottroepen langs de Rijn noordwaarts. Via Dedemsvaart bereikten ze Balkbrug. Bij het terugtrekken hadden de Duitsers de verschillende bruggen over de Dedemsvaart opgeblazen, zo ook de Ommerdijker- en Rollecaterbrug. De Spoorbrug en het viaduct Lichtmis waren echter nog intact. Zij vormden voor de bezetter belangrijke knooppunten op de terugweg naar het noorden.
Gevechtscommando's, die via het Oosteinde en Westeinde in westelijke richting trokken, stootten in de nabijheid van de Hoevenbrug op een groep bezetters, die zich daar schuil hield in en om een aantal boerderijen. De commando's schoten vanuit hun gevechtswagen met lichte granaten dwars door de boerderijen heen. Hierbij kwam op 10 april 1945 één bewoner om het leven. De boerderijen zijn later weer opgebouwd.
Te zelfder tijd vertoonden zich gevechtscommando’s aan de Rollecate. Verder ging men niet omdat men de sterkte van de nog bij het spoor en de Lichtmis gestationneerde groepen niet kende. Via radiocontact met Balkbrug, waar zich een grotere eenheid ophield, werd de vliegbasis Volkel ingeschakeld om de situatie ter plaatse te verkennen. Daarbij kwam vast te staan, dat zich aan de Lichtmis nog een 80-tal soldaten bevonden en dat men beschikte over antitankwapens. Op het viaduct nam men 4 groepen (door Tyfoons op de spoorbrug afgeworpen, doch niet ontplofte) bommen waar. De Duitsers en de geallieerden begluurden elkaar door de verrekijker. 's Avonds gingen de geallieerden terug naar Balkbrug, terwijl de Duitsers dan weer kwamen kijken en vragen waar de Tommies waren gebleven. Tijdelijk was men aan de Rollecate dus in niemandsland verzeild, met alle gevolgen van dien. Op een gegeven ogenblik werd er vanuit Balkbrug geschoten. Een granaat trof een aardappelkuil En alle aardappels vlogen door de lucht.
Het was ook de tijd, waarin de Franse para's hier 's nachts landen en 's morgens de parachutes nog in de bomen te zien waren. Zij hadden in feite veel noordelijker moeten landen om de wegen naar het noorden af te sluiten en verbinding met andere groepen te maken.
Het in de lucht laten vliegen van het viaduct aan de Lichtmis was tot in de verre omtrek te horen; er steeg een enorme hoge stofwolk op. Doch er kwamen slechts enkele geringe gaten in het viaduct. De geallieerden konden er binnen de kortst mogelijke tijd al weer over.
Nadat alle bezetters waren verdreven, werd Nieuwleusen op vrijdag 13 april 1945, 's avonds om 6 uur, bevrijd verklaard.

Hoe was de toestand toen in Nieuwleusen?
Op 14 mei 1943 werd burgemeester J.Ph. Backx van zijn functie ontheven en vertrok naar Hemmen in de Betuwe. Tot 13 oktober trad wethouder H. Prins als loco-burgemeester op. Per die datum werd J.D. van Arkel door de Commissaris - Generaal voor Bestuur met het burgemeesterschap belast. Wethouder H. Prins overleed op 12 maart 1945. Wethouder W. Nijboer had al op 1 februari 1943 ontslag moeten nemen op aandrang van de Duitse autoriteiten.
In de loop van dat jaar werd de gemeente ook verplicht onderdak te verschaffen aan 36 evacué’s uit Den Haag. Zij waren afkomstig uit de z.g. Schilderswijk. De bezetter zorgde er voor, dat de trein op de dag van aankomst nog eens stopte op het al in het midden van de 30-jaren gesloten Station Dedemsvaart.
In de loop der tijd was aan de Burg. Backxlaan op een stuk land gelegen achter de huidige "Boerderij" een

Foto: Mevr. W. van Spijker-Kreule

Deze foto werd vlak na de bevrijding in de Kerkenhoek genomen. Hoewel zichtbaar is dat de foto met de gebrekkige middelen van die tijd is gemaakt, willen we hem toch plaatsen. Het was de enigste foto die we van de bevrijding te pakken konden krijgen.
(De foto staat in de Beeldbank nr 07042 = KB081.jpg)

luchtverkenningspost van de Duitse Weermacht gebouwd. Zij, die de post moesten bemannen en bedienen, waren ingekwartierd bij de gezinnen in de Molenbuurt (tegenover het zwembad).
Op 7 april 1945 werd burgemeester Van Arkel van zijn taak ontheven en naar het kamp Erica te Ommen overgebracht. Daarna begon de O.D. (Ordedienst) met het interneren van een aantal personen, wat inhield dat een 9-tal bedrijven en woningen in beheer werd genomen. Bovendien werd aan enkele personen huisarrest opgelegd, zij moesten zich dagelijks melden.
Met de financiën was het op dat moment ook niet al te rooskleurig gesteld. Dank zij de plaatselijke Boerenleenbank werd de gemeente aan geld geholpen om uitbetalingen aan evacué's te kunnen doen. Naast die evacué’s waren 400 kinderen uit Utrecht en Den Haag bij gezinnen in Nieuwleusen ondergebracht.
Wat de volksgezondheid betreft: er heerste veel difterie en dysenterie.
De winkeliers moesten hun voorraden levensmiddelen zelf van elders halen (Zwolle, Hengelo); er was gebrek aan kleding en schoeisel. De Union fietsenfabriek had geen materialen meer in voorraad om fietsen te kunnen maken. Alleen de maalderijen en de zuivelfabrieken mochten overdag elektriciteit gebruiken. Gas was er toen nog niet. Er moesten 9 geheel verwoeste woningen worden geregistreerd, 18 waren herstelbaar beschadigd en 28 kenden alleen maar glas- en pannenschade. Maar helaas...... materiaal voor herstel was er niet.
Voor het plaatselijk verkeer was men op de fiets en op wagens aangewezen. Auto's zag men niet. Een enkele, zoals de doktoren G.R. Dekker en P.J.J. Versluys, hadden nog een motorrijwiel van 125 cc ter beschikking. De bruggen over de Dedemsvaart waren stuk. Wie herinnert zich nog de uitvaarbare noodbrug op de plaats van de opgeblazen Ommerdijkerbrug, onder de zorgen van de gebr. Geert en Hendrikus Westrik?
Het postverkeer ging erg langzaam. Bij de gemeente werd de post de eerste tijd gebracht door een motorordonnans van het Militaire Gezag. Telefoonverkeer was alleen mogelijk in het gebied langs de Dedemsvaart.
Van 15 mei tot 14 juni 1945 werd, op een stuk land nabij en in de villa Rollecate, een onderdeel van het Canadese leger ingekwartierd. De militairen genoten grote belangstelling, niet alleen van de omgeving, doch met name ook,dat laat zich begrijpen, van de zijde van de meisjes. Alles bij elkaar genomen, zijn wij in Nieuwleusen de oorlog goed doorgekomen. De oorlogshandelingen zijn weinig geweest; zij beperkten zich tot enkele schermutselingen vlak voor de bevrijding.

april 1985


* * *

WERKGROEP OUDE LIEDJES _________________________________________________________

Het gaat goed met de werkgroep oude liedjes. Vrij kort nadat zij in het leven was geroepen, kon men er toe over gaan een serie oude versjes op band te zetten. Enkele titels: In het lommer van 't groen prieeltje; Gij komt, o stille avond; Mijn vader zei laatst tegen mij; Toen ik op Neerland bergje stond.
Later werd het plan gelanceerd een aantal cassettebandjes voor de verkoop aan belangstellenden te vervaardigen. Op de voorjaarsmarkt werden deze bandjes aangeboden. In korte tijd was de beschikbare voorraad op en moesten nog tientallen belangstellenden hun naam laten noteren voor latere levering.
Degene die thans nog in het bezit wil komen van een bandje, kan dit bestellen bij de heer H. Sterken of bij de secretaris van de vereniging.


<

Deze foto van de werkgroep werd gemaakt van de overhandiging van het eerste bandje door de heer Kl. Kouwen Hzn. aan voorzitter H. Schoemaker. Naast hem de heer H. Sterken en daarnaast mevrouw G. Kreule-Kok. Zittend van links naar rechts de dames M. Luten-Seine, J. Sterken-Kouwen, D, Egging en G. Vasse-Timmerman.


Jaargang 3 nummer 3 september 1985
(Foto voorplaat: Beeldbank 06579 = KA040.jpg Ommerdijk ca. 1925)

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

STRAATNAMEN IN NIEUWLEUSEN II _________________________________________________________

J.W. de Weerd

In het eerste deel van ons artikel hebben we het gehad over de namen van straten gelegen ten zuiden van het Westeinde en ten oosten van de Backxlaan en Dommelerdijk.
Thans willen we ons bepalen tot het overige gebied van ruilverkaveling II.

Ook ten westen van de Ommerdijk treffen we wegen aan met namen die naar het oordeel van de Commissie Naamgeving Wegen Nieuwleusen gehandhaafd dienden te worden, omdat ze goed waren ingeburgerd. Tot deze wegen behoorden het Zandspeur, gelegen tussen Ommerdijk en Jagtlusterallee en de Jagtlusterallee, van Westeinde tot aan de Rollecaterbrug over de Dedemsvaart.
Over de Bosmansweg is in de verslagen niet anders vermeld dan dat deze naam akkoord was. De reden zal wel geweest zijn dat de gronden aan een Bosman hebben toebehoord. Zo ook droegen de landerijen in de buurt van de huidige Bouwhuisweg de naam Bouwhuislanden en kreeg de weg die door de Buldershoek liep de naam Buldersweg. De commissie tekende bij deze laatste naam aan: '"Vermoedelijk bulderde het daar wel eens".
Vanaf de Jagtlusterallee loopt in oostelijke richting een weg die verderop naar het zuiden ombuigt en aan het Westerveen eindigt. Deze weg, die oorspronkelijk is aangelegd ten behoeve van enkele percelen gelegen achter het pad (van Westeinde uit bezien), noemde men aanvankelijk Achterweg. De commissieleden wisten met deze naam niets aan te vangen. We lezen er dan ook verder niet meer over dan alleen dat er in één der laatste vergaderingen nog geen beslissing over genomen is. Omdat deze weg thans Neurinkweg heet, mag worden aangenomen dat de heren toch in de geschiedenis zijn gedoken en in het eerste kwart van de 19e eeuw als eigenaar van de aldaar gelegen gronden de onderwijzer D.J. Neurink hebben aangetroffen en deze naam wel geschikt achtten om er een weg mee te tooien.
Ten noorden van het Zandspeur liep een weg langs het huis van wethouder De Boer naar de Hoofdvaart ZZ. Aanvankelijk kon men geen naam voor deze weg vinden. Omdat één der commissieleden misschien onderwijs heeft genoten van meester Eshuis, kwam men op het idee deze weg naar het vroegere hoofd der school te noemen.
Een zijweg van deze weg liep al kronkelend naar de Meeleweg. Daar deze betrekkelijk korte weg rijkelijk voorzien was van bochten, werd Kronkelwegje een passende naam gevonden. In een latere vergadering kwam men hierop evenwel terug. In die vergadering werd Hulstkampenweg voorgesteld, een naam afgeleid van Hulstkampen, een complex gronden tussen Zandspeur en Hoofdvaart.
Tussen Jagtlusterallee en spoorlijn liggen een drietal wegen lopende vanaf het Westeinde tot aan de Meeleweg. De Petersweg is indertijd vermoedelijk genoemd naar de aldaar wonende Peter Grooteboer. De commissie stelde voor deze naam te handhaven, als ook de benaming Staphorsterweg, een weg die zijn naam zou danken aan het feit dat vroeger de Staphorsters hier langs gingen om hun koolzaad naar de molen in Dalfsen te brengen. De derde weg heette vanouds Oudeweg, een naam waarmee de heren zich in eerste instantie konden verenigen. In een latere bijeenkomst merkte één der leden op dat in deze buurt vroeger het Oude Ebbenland lag. Naar aanleiding van deze opmerking werd voorgesteld de weg Oude Ebbenweg te noemen, echter met dien verstande dat er een verklaring voor "oude" gevonden zou worden. Anders zou deze toevoeging weggelaten worden. Een verklaring heeft men niet kunnen vinden, reden waarom de weg nu Ebbenweg heet. Eveneens tussen Westeinde en spoorlijn lag een weg met de vanouds bestaande naam Koedijk. Zonder omhaal besloot de commissie deze naam te laten voortbestaan. Vanaf de Koedijk naar de Meeleweg lag een weg door de vroeger bestaan hebbende gemeenschappelijke weide, de zogenaamde meent. Het was een laag gelegen gebied dat 's winters volop onder water stond. Schaatsenrijden op het Meentje was een geliefde bezigheid. En kennelijk met de gedachte daaraan, besloten de heren voor te stellen de weg door dit gebied Meentjesweg te noemen. Hoewel de commissie ook wel eens gehoord had dat deze buurt als Borgerije werd aangeduid, heeft men met deze naam niets gedaan. Waarschijnlijk heeft men de betekenis niet weten te achterhalen. (Borgerije kan betekenen: gebied behorende bij een burcht = borg).

Foto: W. van Spijker-Kreule

Schaatsenrijden op het Meentje was een geliefde bezigheid.
V.l.n.r. Klaasje Pessink, Annigje Pessink, Trijntje Hekman, Mientje Reuvers, Hendrik Jan Boer, Annigje Runhard, Jan Bonen, Jaantje Pessink, Aaltje Reuvers, Arend Reuvers, Jentje Boesenkool, Jentje Alteveer, Mies van Giesel en Klazien Schoemaker.

Tussen Jagtlusterallee en Meentjesweg lag een weg, evenwijdig aan de Meeleweg, die in vroeger dagen wel als het Verlengde Zandspeur werd aangeduid. De commissieleden achtten deze naam niet juist. Daar er aan de betreffende weg veel bouwland lag waarop graan werd verbouwd, oordeelde men Korenweg beter. Aan de weg evenwijdig aan de Petersweg, tussen Korenweg en Meeleweg, woonden vroeger hoofdzakelijk scheepsjagers. Wat lag er dan ook meer voor de hand dan met het voorstel te komen deze weg te tooien met de naam Scheepsjagersweg. Echter de commissie vond de naam minder toepasselijk en gaf de voorkeur aan Jagersweg. Een jaar later waren de heren van gedachten veranderd en stelden ze voor toch te kiezen voor Scheepsjagersweg. Men vond hier niets minderwaardigs in zitten en was van oordeel dat de mensen over enkele tientallen jaren zich een scheepsjager niet meer zouden kunnen voorstellen. Waarlijk een vooruitziende blik! Met dit voorstel was de kous evenwel niet af. De aanwonenden waren het er niet mee eens. In december 1956 richtten ze een schrijven aan "Heren Wethouders en Burgemeester" met de volgende inhoud:
"Wild U de naam van ons weg veranderen tot Jagersweg of Jagerslaan. Wij nemen geen genoegen met de naam die U ons nu hebt gegeven".
De aanwonenden tilden er nogal zwaar aan en vermeden zorgvuldig het woord Scheepsjagersweg in hun brief. Zij oordeelden het beroep van scheepsjager toch kennelijk erg minderwaardig. De brief werd in de gemeenteraad behandeld en de raad besloot aldus: "0verwegende dat de commissie, belast met de voorbereiding van de naamgeving van wegen in deze gemeente, in eerste instantie aan de betrokken weg reeds de naam Jagersweg had willen geven; (.....) de naam van de weg, lopende vanaf Meeleweg langs het perceel bewoond door Arend Buiter, in zuidelijke richting tot de Korenweg, te wijzigen van "Scheepsjagersweg” in “Jagersweg".
Naar het oordeel van de commissie was Meeleweg een goed ingeburgerde naam voor de weg vanaf Sluis III tot aan de Rijksstraatweg Zwolle - Meppel. Hoewel het eerste gedeelte, van Sluis III tot aan de Jagtlusterallee nog dikwijls Koeweg werd genoemd, vond men het beter deze niet zo bekende naam te doen verdwijnen en de gehele weg Meeleweg te noemen. Tussen Meeleweg en Dedemsvaart lag, hieraan evenwijdig, de Meelemiddenweg. Lopende in westelijke richting begon deze ten oosten van de 2e Meeledwarsweg, doorkruiste deze alsmede de spoorbaan en de 3e Meeledwarsweg en eindigde tenslotte aan de Nieuwendijk, een weg van Westeinde tot aan Lichtmis. Aangezien het hier alle ingeburgerde namen betrof, wilde de commissie ze in eerste instantie allemaal handhaven. Met uitzondering van de Nieuwendijk vond men ze later niet meer zo fraai. Het voorstel kwam om van de Meelemiddenweg de G.W. van Marleweg te maken, dit als eerbewijs aan de man die reeds in 1791 een plan had ontworpen voor het graven van een kanaal naar de in het noord-oosten van Overijssel gelegen hoge venen, teneinde deze te kunnen ontginnen. Ook voor de 2e en 3e Meeledwarsweg werden namen voorgesteld die in verband stonden met de Dedemsvaart. Voor de 2e Meeledwarsweg was dat Jan Heereweg, naar de Amsterdamse koopman Jan Heere die samen met baron Van Dedem een som geld wist bijeen te brengen om in 1828 het kanaal van het rijk te kunnen terugkopen. Voor de 3e Meeledwarsweg stelde men voor deze om te dopen in Jan Visschersweg. Jan Visscher was de eerste schipper die in 1810 met een lading turf de Dedemsvaart afvoer. Tussen beide laatstgenoemde wegen lag er nog een die vanaf de Meeleweg in noordelijke richting naar de zogenaamde Trambrug liep. De reeds bestaande naam Stationsweg behoefde van de heren commissieleden geen verandering te ondergaan, evenals de Parallelweg, vanaf Meeleweg in zuidelijke richting langs de spoorbaan.
Hier mee zijn we zo ongeveer de gemeente rond geweest, althans dat deel dat onder ruilverkaveling II viel. Daar in die tijd in de kom van de dorpen uitbreidingsplannen werden gerealiseerd, nam de commissie de naamgeving voor de aldaar ontstane wegen en passant mee. In Den Hulst gaf men de namen van de voormalige burgervaders Van Dedem, Van de Gronden, Bosch Bruist en Van Sandick aan de straten, terwijl in het dorp Nieuwleusen de vroegere wethouders Nijboer, Prins en Van de Berg werden vernoemd.
De oplettende lezer zal de Backxlaan gemist hebben. We hebben deze tot het laatst bewaard, overeenkomstig de gang van zaken bij de Commissie Naamgeving. Oorspronkelijk hadden de heren commissieleden geen behoefte om deze verbindingsweg tussen de beide dorpen een andere naam te geven. De Ommerdijk was een begrip en moest dat blijven. Echter in het eindstadium van hun taak veranderden de heren van mening. We vernemen dan dat ze van oordeel waren dat de naam van burgemeester Backx voor de gemeente bewaard diende te blijven. De reden hiervoor was dat hij de stoot had gegeven tot de beide ruilverkavelingen die Nieuwleusen heeft gekend. "Daar de Ommerdijk in het centrum van de (2e) ruilverkaveling is gelegen en de naam "Ommerdijk" de commissie niet veel zegt en het tevens geen onbelangrijke weg is, stelt zij voor aan deze weg de naam "J. Ph. Backxlaan" te verbinden." En aldus geschiedde.

In het vorenstaande hebben we alle destijds bestaande wegen binnen het gebied van de tweede verkaveling de revue laten passeren. Waren de verslagen in het begin nog redelijk uitgebreid, later werden ze zeer summier. Vermoedelijk is er van sommige, vooral latere vergaderingen, helemaal niets op papier gezet.
We mogen concluderen dat de "Commissie Naamgeving Wegen Nieuwleusen" heeft getracht alle wegen van een verantwoorde naam te voorzien. In een redelijk groot aantal gevallen hield dit in dat de ingeburgerde namen bleven bestaan. Voor deze, en ook voor vele andere namen, wist zij tevens niet altijd een geschiedkundige verklaring te geven; vaak is deze ook niet gezocht. Toch krijgen we een vrij aardig beeld waarom wegen zo zijn genoemd zoals ze zijn genoemd. Opvallend is daarbij wel dat in de jaren vijftig Meeledwarsweg niet acceptabel bleek te zijn, terwijl in de tachtiger jaren wel een weg met die naam wordt getooid. Was Duivenslagweg niet beter geweest?

* * *

WIE ZIJN DIT? _________________________________________________________

Het echtpaar ……….op een zomerdag rustig in de tuin genietend van het mooie weer.
Deze tekst bij nevenstaande foto in een album kunnen worden aangetroffen. Uiteraard zouden dan de puntjes door de namen van de afgebeelde personen vervangen zijn. Dat zou in dit verhaaltje ook het geval moeten zijn. Echter, we weten niet wie het zijn!
Reeds enkele keren is de vraag aan de bezoekers van de voor- en najaarsmarkt voorgelegd. Ook diverse oudere inwoners werden met dezelfde vraag benaderd. Soms was het antwoord dat het die en die wel eens zouden kunnen zijn, maar steeds werd dat later door iemand anders ontkend.


Foto: H. Bijker


Zo zouden het de volgende personen niet zijn: Klaas Knol en Grietje Vonder; Jan Alteveer en Jentje van de Berg; Klaas Alteveer en Jentje Knol; Gosen Snijder.
Hoewel ook ontkend dat zij het zijn, schijnen Hilligje Knol en Jan Schuurman, timmerman van beroep en van 1902 tot 1942 koster en voorlezer en -zanger van de Hervormde Gemeente, de meeste kans te hebben. De vraag wordt hier nogmaals gesteld: Wie zijn de mensen op deze foto? Wie het denkt te weten kan contact opnemen met mevrouw G. Kreule (tel. 1207).

* * *

NOGMAALS DE LEVENSBOOM _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

De lijst van bovenlichtversieringen in de vorm van een levensboom, zoals die in het eerste nummer van de tweede jaargang werd gepubliceerd, kan nog worden aangevuld met die op het adres Oosterveen 63. Hiermee is het aantal in Nieuwleusen bekende exemplaren gekomen op dertien. Van de werkgroep letterdoeken vernamen we dat de levensboom ook veel geborduurd is. Het is een eeuwenoud symbool.
In het boek "Hout in alle tijden" van W. Boerhave Beekman staat in deel twee, hoofdstuk drie: -.....er is geen cultuurkring aan te wijzen waarin de levensboom of hemelboom ontbreekt. Hoezeer deze mythische boom de gedachten der volkeren heeft beziggehouden, kan men nog schatten naar de veelvuldigheid waarmede hij voorkomt als siermotief o.a. op Friese broodplanken, oorijzermutsjes, Indische tapijten, Griekse vazen, Mohammedaanse bidkleedjes en op huizen. -
Verder lezen we in het boek van H. Bergema, getiteld "De boom des levens in Schrift en Historie", dat in het Paradijsverhaal van Genesis de boom des levens een eeuwig leven in gemeenschap met God symboliseert, dat door gehoorzaamheid had kunnen worden verkregen.
In genoemd boek zijn illustraties te zien van een levensboom op een "kniepertiesiezer"; op Egyptische papyrusrollen en in het bovenlicht van grachtenhuizen in Amsterdam. We lezen er ook in dat in de Koran een boom voorkomt die tot aan de hemel reikt en dat daar in 1938 die boom in het volksgeloof nog een grote rol speelt. Men gelooft dat die boom zoveel bladeren heeft als er levende mensen zijn. De naam van ieder mens is op een van die bladeren geschreven. Eenmaal per jaar wordt de boom geschud en wanneer iemand voorbeschikt is om in dat jaar te sterven, valt het blad waarop zijn naam is geschreven naar beneden.
In veel mythologische verhalen neemt de boom als verbinding tussen hemel en aarde een grote plaats in. De voorstelling van een berg met een boom als begin der schepping treft men bij veel oeroude volken aan. De Egyptische levensboom stond in het oosten van hun hemel. Daar woonden de goden en die leefden van deze boom die eeuwig leven gevende spijs en drank schonk, waarvan alleen de gestorven koningen en de zielen der zaligen mochten eten.
Afsluitend zou men kunnen zeggen dat de boom als teken van leven al zo oud is als de mensheid.

* * *

HERINNERINGEN AAN MIJN OPA _________________________________________________________

Jet ten Brinke-Bulder

Mijn opa was Jan Bulder van 't Grashekke en van café Bulder, volledige vergunning. Hij was zelf één van z'n beste klanten, zo werd er verteld. Misschien was Opoe

Foto: J. ten Brinke – Bulder


Jan Bulder (1877-1954) en Geesje Weertjes (1877-1958) voor hun café.

(Geesje Weertjes) daardoor wel extra zuinig, 'knieperig" eigenlijk. Wij kregen daar geen chocolademelk, "een beker cacao", maar chocoladewater. Dat was net zo goed volgens Opoe.
Opoe weckte ook bijna al het fruit; de kelder stond vol potten met pruimen, kruisbessen, peren, e.d. De pruimen, appels en peren, die zo van de boom op de grond vielen, waren voor ons. Dat waren er nooit veel, maar daar had Opa wat op gevonden. Wanneer wij arriveerden bij 't Grashekke, dan ging Opa naar de bongerd, schudde eens flink aan alle bomen en zei dan met een vriendelijk lachje: "Der hef een stevige wind in de bongerd waaid, gao maar eens kiek'n". En dat deden we dan en vonden handen vol lekkere pruimen, wat peren en appels.
Wanneer Opa op jacht ging, vonden wij dat griezelig. Hij had dan een echt geweer over zijn schouder en de honden liepen dan blaffend en springend om hem heen. Opa speelde nooit met ons, maar hij zorgde er wel voor, dat er voor ons altijd wat te spelen viel. Zo lag er bijvoorbeeld altijd een berg wit zand bij de varkensschuur en die mochten wij als zandbank gebruiken. Ook hebben we veel gespeeld met de biljartballen in het café.
Toen Opa overleed legden ze hem in een kist met een klein glazen deurtje bij zijn gezicht. De kamer was donker en wij kinderen moesten ook naar de dode kijken met behulp van een zaklantaarn. Die scheen zo op het glazen luikje en dan zag je dat witte gezicht en die witte kleren, echt akelig wit. Vele nachten daarna zag ik Opa er zo wit bij liggen. Ik ben dat nooit vergeten. Opa had dat zelf waarschijnlijk nooit zo gewild, want hij hield veel van kinderen. Voor de begrafenis moesten wij een zwart dropje op onze jas naaien en mijn broer een zwarte band. Met tentwagens gingen we naar de begraafplaats in de Kerkenhoek. 't was heel koud (januari 1954) en het duurde heel lang. Opa was een fijne opa voor ons!

* * *

ONZE BUREN JENTJE EN STEVEN MANNEN _________________________________________________________

K. Borgers

In het decembernummer 1984 was in een artikel van Prof. J. Waterink sprake van Jentje Mannen in Den Hulst. lk heb haar goed gekend. Ze werd ook vaak Jentje Bosman genoemd, omdat ze jarenlang huishoudster bij Willem Bosman was geweest. Voor zover ik mij haar herinner, woonde ze samen met haar broer Steven in een oud boerderijtje naast ons. Daarnaast stond nog een heel oud huisje dat verhuurd werd.
Jentje had één of twee koeien, een paar varkens, enkele geiten en een aantal kippen. Achter het huis lag het grasland en een paar akkers bouwland. Verder was er een uitgebreide moestuin, zodat in eigen groenten kon worden voorzien.
Een paar maal per jaar kwam Egbert Wink van de Meele om het land te ploegen. Als kleine jongen was ik daar graag bij. Eppe kon machtig mooie verhalen vertellen. Verhalen waarin sterke en snelle paarden vaak een hoofdrol speelden, want Eppe was scheepsjager van beroep. Verder kwam Willem Hoes een paar dagen per jaar om het gras en de rogge te maaien en 's winters om de rogge te dorsen. Willem was vrijgezel en kon naar mijn mening prachtig zingen met lange uithalen. Hij zong veelal psalmen en Hazeuliederen en somtijds een liefdeslied uit vroeger tijden.
Steven Mannen was vroeger schipper geweest en kon daarover boeiend vertellen. Menig winteravond heb ik daamaar zitten luisteren met de voeten op de kolomkachel. Die werd altijd flink opgestookt met van die harde sponturf. Eénmaal eer jaar werden door de turfschipper (Bakker?) vier- a vijfduizend turven gebracht. lk vond het maar zeer luxueus die fijne sponturf, want die werd ook door de gegoede burgerij gestookt. Ik was er jaloers op; wij moesten het doen met zelf gestoken turf uit het veld. En eerlijk gezegd was dat niet veel bijzonders.
Steven had ƒ 3,- ouderdomsrente per week en daarnaast een spaarcentje overgehouden van de verkoop van zijn schip. Samen met de opbrengst van het boerderijtje hadden ze een sober doch niet armoedig bestaan.
Tweemaal per week karnde Jentje de melk in de grote karnmolen die op de deel stond. Het was een hondekarn. De hond liep in een verticaal geplaatst wiel en bracht door er tegenop te lopen een as in beweging en via raderwerk de pols die op en neer ging in de karnton. Na ongeveer drie kwartier à een uur was de boter “groot" en schepte Jentje de boter er met een fijnmazige zeef af. Een fijnsmakende karnemelk bleef over. De boter werd gekneed tot het water er uit was, afgewogen tot ponden en in het botervat op de geute gezet. De geute was een koele kamer aan de oostkant van de boerderij. Buiten stond een grote vlierstruik om 's zomers de temperatuur in de geute laag te houden. De boter werd verkocht aan enkele klanten, waartoe ook wij behoorden. Gedurende het karnproces zat Steven met een stok in de hand bij de karnmolen om de hond tot de nodige spoed te manen, want de karn mocht niet stilstaan. De stok was meer bedoeld als dreigement. Steven sloeg wel op het houtwerk, doch niet de hond. Hij en ook Jentje waren heel goed voor hun dieren. Jarenlang had de hond, een grote zwarte, trouw zijn dienst gedaan. Zijn leven was vrij eentonig. Na het karnen mocht het dier een poosje buiten rondlopen en moest daarna weer aan de ketting achter in de stal. De oude hond werd trager en kon zijn werk bijna niet meer aan. Een jonge hond werd gekocht, een sterk en speels beest. Zo geleidelijk aan werd hij opgeleid tot karnhond. Zeer enthousiast joeg hij het karwiel rond en in korte tijd was de boter "groot". Steven was zeer tevreden. Ja, en toen moest het oude dier het veld ruimen. Oljans, de veldwachter, werd er bij gehaald. Hij maakte met een welgemikt schot een eind aan het leven van de hond. Men kijkt daar nu misschien een beetje raar tegenaan, maar een betere methode, zoals een spuitje, kende men toen nog niet.
De nieuwe hond voldeed uitstekend. Na zijn werk mocht ook hij zich buiten een poosje uitleven en dat deed hij ook wel. Als je niet uitkeek, rende hij je radicaal van de benen. Op een keer had Jentje misschien de geute niet afgesloten zodat de hond naar binnen kon komen. Hij zag de boter staan en voordat Jentje kon ingrijpen, had de hond de boter naar binnen gewerkt.
Iets anders dan schone ingewanden heeft hij er niet van overgehouden. Jentje’s klaagzangen waren evenwel niet van de lucht. Begrijpelijk, het was een hele strop: een half weekgeld weg!

* * *

UIT DE OUDE DOOS _________________________________________________________


Foto: J. Groen


Op deze helaas beschadigde oude foto staan mevrouw Bakker - Klein en haar dochter Mina afgebeeld. Ze woonden in het begin van deze eeuw in het huis thans
Oosterhulst 56.
In latere jaren was Mina Bakker als weduwe Reuvers - Bakker beheerster van café 't Witte Peerd.

* * *

DE BOUWHANE _________________________________________________________

M. van Roozelaar

Voordat de Oranjevereniging opgericht werd, organiseerde de vereniging "Volksonderwijs” de feestelijkheden op Koninginnedag. Er werden school- en volksspelen gehouden en ook een optocht behoorde op die dag tot de vermakelijkheden. Op deze foto, omstreeks 1935 door meester Roozelaar in de Oosterhulst genomen, zien we een versierde wagen voorstellende "De bouwhane".
Het was vroeger traditie om in de herfst, wanneer de aardappelen gerooid waren, oliebollen te bakken.
De wagen stelt zo'n tafereel voor: de boer, boerin en hun twee kinderen zitten rond de tafel waarop een schaal vol oliebollen.

De haan is vanouds het zinnebeeld van de vruchtbaarheid. Wanneer de boer de aardappelen uit de grond had, dan had hij met het rooien van de laatste stammen de bouwhane te pakken en was de tijd gekomen het einde van de oogst te vieren met oliebollen.
Hoewel moeilijk te onderscheiden zien we van links naar rechts op de wagen zitten: Divertje Schuurman, Rika Buisman, Jan Schuurman en Tina Strooink.

* * *

WAAR KOMEN ZE VANDAAN? _________________________________________________________

B. van Duren

Net als tegenwoordig vertrokken er vroeger ook mensen uit Nieuwleusen om zich elders te vestigen en kwamen er mensen van andere streken die zich hier vestigden. Over de diverse plaatsen van herkomst verschaffen de registers van de Burgerlijke Stand interessante informatie. Uit deze registers van de vorige eeuw heb ik onderstaande gegevens geput van die personen die van over de landsgrens naar hier zijn gekomen. Een enkele keer is ook gebruik van de kerkboeken gemaakt.
8 mei 1812. Jan Marselink, geboren 10-03-1780 te Giethel (vermoedelijk Getelo) in het karspcl Uelsen, Duitsland, zoon van Jan Marselink en van Mette Mikken, huwt met Jantjen Willems Podt, geboren 29-06-1788 te Nieuwleusen, dochter van Willem Willems Podt en van Janna Alberts, wonende op het Ruitenveen. Jan Marselink was hier als boerenknecht werkzaam. De naam wordt later geschreven als Masselink, terwijl Podt wordt vervangen door Pot.
Op 29 mei 1813 huwt Jan Garritsen, 25 jaar oud, van beroep kleermaker, geboren te Veldhausen, gemeente Bentheim, zoon van Gerhard Garritsen en van Janna Spekkers met Janna Jans, 38 jaar, dochter van Jan Jacobs en van Margjen Hendriks te Nieuwleusen.
In 1808 is er ene Anthonij Hendriks, ook genaamd Garritsen, geboren in Neuenhaus, gemeente Bentheim, Kreis Steinfurt, die huwt met de weduwe Aaltjen Jans. Vermoedelijk zijn Jan en Anthonij neven van elkaar geweest. De naam Garritsen verandert later in Gerritsen.
Beide neven werden al spoedig weduwnaar en trouwden voor de tweede maal, Jan Garritsen op 15-10-1816 met Femmigjen Klein, dochter van Derk Klein en van Wijgmantje Claas op het Ruitenveen, en Anthonij Garritsen op 02-05-1818 met Aaltien Smit, geboren te Rouveen, dochter van Klaas Smit en van Derkjen Hendriks.
2 mei 1818 huwt Geert Raben, 26 jaar, kleermaker van beroep, geboren te Veldhausen, gemeente Bentheim, zoon van Wasse Raben en van Triene Snieders (zij waren linnenwevers) met Jentjen van den Berg, 29 jaar, dochter van Hendrik Gerrits (van den Berg) en van Hendrikjen Roelofs op Nieuwleusen.
Op 14 mei 1821 trouwt de weduwnaar van Geesje Wijnvoorden, Lambert Voorhorst op de leeftijd van 37 jaar en grutter van beroep met Anna Aleida Otterink, 24 jaar oud, geboren te Velzen, Koninkrijk Hannover, dochter van Gerrit Otterink en van Zwenne Stegink. Lambert Voorhorst was geboren in Zwolle en was de zoon van Lambert Voorhorst en van Maria Hendrika Broekhuizen.
De zoon van Harm Heinrich Luttel en Maria Catharina Wösthof, genaamd Berend Harms Luttel, geboren te Twist, Koninkrijk Hannover, van beroep boerenknecht, is 25 jaar wanneer hij op 30 november 1829 trouwt met Hendrikjen Uiltjes, 24 jaar, dochter van Jan Uiltjes en van Klaasje Hendriks op Nieuwleusen. Aan de naam Luttel werd in sommige gevallen de letter s toegevoegd.
Het is 6 april 1839 wanneer Christian Friedrich Winter, 34 jaar, bakker, geboren te Theesen, gemeente Schilderse, > zoon van Casper Heinrich Winter en Maria Elisabeth Dahlman als weduwnaar van Maria Margaretha van den Berg huwt met de 17-jarige Jantien Alteveer, dochter van Herm Hendriks Alteveer en van Hilligie Peters (Bouwman).
Het is bijna 50 jaar later als op 25 mei 1888 Gerhard Hebinck, 24 jaar, notaris, geboren te Anholt, zoon van Gerhard Hebinck en Adelheid Delsing huwt met Francina Dommerholt, 17 jaar, dochter van Engbertus Gerhardus Dommerholt, bakker en van Gerritdina Westerik.

Dit zijn de huwelijken die tot 1909 in Nieuwleusen werden gesloten en waarvan één van de beide echtelieden uit het buitenland kwam.

* * *

ERRATA JUNI-NUMMER _________________________________________________________

Door een misverstand bij de drukker zijn de foto's op de blz. 19 en 21 verwisseld. De foto op blz. 30 is van Mevr. W. van Spijker-Kreule en niet van A. Kreule. In de Massier-stamboom moet op blz. 27 bij IIIa no. 6 Arendina staan i.p.v. Arend.

(deze fouten zijn in de tekst hersteld).


Jaargang 3 nummer 4 december 1985

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

Over de OMSLAGFOTO _________________________________________________________

O.L. school D, zoals nog steeds op de voormalige Emmaschool op de Meele is te lezen, omstreeks 1930. Het derde lokaal (rechts) werd in 1918 aan de school toegevoegd. De fraaie dakkapelletjes zijn nog aanwezig; de oorspronkelijke schoorsteen is evenwel verdwenen. Op het schoolplein staan een drietal kastanjebomen. Om de meest rechtse boom was een driehoekig bankje gemaakt.

* * *

DE BEGINJAREN VAN DE EMMASCHOOL OP DE MEELE _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Nu in 1985 dan definitief het doek is gevallen voor de Koningin Emmaschool op de Meele en het schoolgebouw in particuliere handen is overgegaan te worden omgebouwd tot een dubbele wooneenheid, lijkt het wel interessant om eens na te gaan hoe de school er in de eerste jaren van zijn bestaan uitzag. We doen dit aan de hand van de bouwtekening en de voorwaarden volgens welke de school in 1903 gebouwd werd.

Nadat in 1902 de gemeenteraad akkoord was gegaan met de stichting van een school in de buurtschap de Meele, kreeg architect H. Burgmans opdracht tot het maken van een bestek en voorwaarden. Op 4 december van dat jaar werd een en ander door B & W vastgesteld en op 7 januari d.a.v. gaf het Ministerie van Binnenlandse Zaken zijn goedkeuring. Ruim een maand later, op 16 februari 1903 's middags om half drie, vond de openbare aanbesteding plaats in het "Café van F. Huisman bij het Station Dedemsvaart van het Staatsspoor". Aanbesteed werd: "Het bouwen van een School met twee Lokalen, Onderwijzerswoning met Schuurtje en bijkomende werken, aan den Zuidelijken Meelenweg”. (De huidige G.W. van Marleweg was de noordelijke Meeleweg). Een dertiental gegadigden leverden hun gezegelde inschrijvingsbiljetten in voor het bouwen van de school. Op de onderwijzerswoning werd afzonderlijk ingeschreven. Van de inschrijvers bleek Gerhard Fredrikus Miskotte, aannemer te Meppel, de laagste te zijn met ƒ 6.863,=. Aan hem werd voor dit bedrag de opdracht verstrekt. Als borgen en mede-aannemers traden op Piet van der Veen, koffiehuishouder, en Jan Huberts, winkelier, beiden eveneens te Meppel. Op 12 maart 1903 werd de gunning door Secretaris Generaal Dijckmeester namens de Minister van Binnenlandse Zaken goedgekeurd.

In de voorwaarden voor de bouw was opgenomen dat de eerste oplevering op 1 juni 1903 en de tweede op 1 augustus dienden plaats vinden. Voor elke dag te late oplevering zou de aannemer ƒ 10, worden gekort (momenteel is dit meestal ƒ 25, Artikel 13 van de voorwaarden zal in deze tijd wel niet meer worden gehanteerd: "Het is ten strengste verboden op het werk sterken drank te gebruiken". Ook was voorgeschreven dat per uur geen lager loon mocht worden uitbetaald dan "aan een opperman of arbeider 10 cent; aan een verver twaalf cent; aan een stucadoor, timmerman en loodgieter 14 cent en een metselaar 15 cent". Aan overwerk, de werktijd van 11 uur, werd de eerste drie uren respectievelijk 10, 20 en 30% extra betaald en daarna 50%.


Het schoolgebouw kreeg naast de twee lokalen van 7 bij 7 meter een twee meter brede gang, die tevens bergplaats voor de kleren was, privaten en een bergplaats voor brandstoffen van 3,15 bij 4,30 meter. Voordat met de bouw kon worden begonnen, moest allereerst de plaats van het gebouw worden ontgraven tot goed zuiver zand was verkregen om daarna tot het gewenste peil te worden opgehoogd. De ophoging diende in dunne lagen te geschieden en telkens 12 uur onder 10 cm. water te staan. Ter verkrijging van het benodigde zand moest aan de achterzijde van het perceel zo'n brede sloot worden gegraven als nodig was. De taluds van deze sloot en ook van de overige greppels die moesten worden gegraven, werden bezet met 10 cm. dikke blokzoden die op het terrein werden afgestoken. De school kreeg steens muren, uitgezonderd die lussen de beide lokalen en de binnenmuren van de privaten welke halfsteens mochten worden. De voorgevel werd van kleurige hardgrauwe waalsteen opgetrokken, de overige van miskleurige (= niet egaal dezelfde kleur), alles afgewisseld met banden van gele siersteen in overeenkomstige kwaliteit.
Het voegwerk werd als "net Amsterdamsch knipwerk" (dit is een iets buiten de muur uitstekende voeg) uitgevoerd. Voor alle binnenmuren was voorgeschreven dat ze zuiver vlak bepleisterd moesten worden. Alle wanden, behalve die van het kolenhok, werden verder van een portlandcement lambrisering voorzien.
Elk der lokalen kreeg aan de straatkant, dus op het zuiden, 2 tweelicht raamkozijnen. Hierin kwamen onder- en bovenramen met raamroeden van gegalvaniseerd ijzer. De onderramen werden vastgezet; de bovenramen draaiende gemaakt met beugels, katrollen en koorden om ze te sluiten.
Tevens kregen de bovenramen tochtwanden met eiken latjes om het doorvallen van het raam te beletten.

De raamdorpels werden, evenals die van de deuren, gemaakt van blauw Eucaszijnsche steen die gefrijnt (van groefjes voorzien) en geschuurd was. Aan de oostzijde van het gebouw gaf een dubbele deur toegang tot de gang. Boven de deur was een bovenlicht aangebracht. De onderpanelen van de deuren kregen schuin naar beneden geplaatste schrootjes; de bovenpanelen werden van gegoten ijzer gemaakt met daarachter glas. Een deur aan de westzijde, eveneens met bovenlicht, gaf toegang tot het brandstoffenhok. Deze ruimte was ook vanuit de gang te bereiken. In de gang gaven twee naast elkaar geplaatste deuren toegang tot de lokalen. In het oostelijke lokaal werd naast de deur tevens een raam aangebracht, kennelijk om de tegenover gelegen toiletten in de gaten te kunnen houden. Dat waren twee meisjes- en drie jongensprivaten, waarvan er twee urinebakken hadden van blauwe hardsteen. De overige drie privaten kregen een houten kastje met een rond gat er bovenin. Hierop kwamen deksels met eenvoudige knoppen. In de kastjes werden geëmailleerde privaattrechters aangebracht en gegalvaniseerde privaattonnen geplaatst. Tevens werden er drie tonnetjes op reserve gehouden. De tonnen waren 42 cm. hoog en hadden een doorsnee van 35 cm. Ze waren van zuiver sluitende deksels voorzien. In de privaten was voorts een houten papierbakje aanwezig. Deze kleine kamertjes waren, evenals de entree, in imitatie-eiken geverfd. De vloeren in de lokalen waren van Amerikaans grenenhout gemaakt. Het hout was geolied en de naden waren met gekleurde stopverf gestopt. De zoldervloeren waren van smalle droge vurenhouten delen en waren "solide gespijkerd". Voor de toegang tot de zolders was in de gang een klimluik aangebracht waardoor men met behulp van een losse ladder (die tot de inventaris behoorde) de ruimte boven de lokalen kon bereiken. In de gang en de privaten was op een zandlaag van boerengrauw en een laag hardgrauw een vloer aangebracht van hard gebakken gele tegels met zwarte randen. Deze tegels kosten volgens het bestek f 2,80 inkoop. De brandstoffenbergplaats moest het doen met een vloer van op hun kant geplaatste straatklinkers.
Voor de dakbedekking was aan 1e soort zilverkleurige kruispannen met dito vorsten gedacht. De huidige kruispannen zullen wel niet meer de oorspronkelijke zijn. Aan afvoerleidingen voor het water werd 35 meter dubbel verglaasde aarden buis van 12 cm. met de nodige T- en bochtstukken in de grond aangebracht. De lozing gebeurde in de greppel ten westen van het perceel.
Midden op het dak zorgde een schoorsteen voor de bekroning. In feite waren het twee zuigschoorstenen waarin in elk een onverglaasde aarden buis met de nodige bochten voor de rookafvoer diende.
Voor de beëindiging was een "daarmee overeenkomende ventilatie en rookinrichting volgens fig. II uit de catalogus van den heer I.C.T. Laurillard, Zwolscheweg No. 7, Deventer" voorgeschreven.
De schoorsteen was dus tevens ventilatiekanaal. Hiervoor waren in de lokalen 2 kozijntjes aanwezig die voor de helft gedicht waren met hout en voor de andere helft met een schuif die met behulp van koorden en tegengewichten goed en gemakkelijk diende te kunnen worden geschoven.
Aan de voorzijde werd het dakschild met twee dakkapellen met halfcirkelvormige bovendorpels gesierd. Aan de achterkant waren twee gegoten ijzeren legramen aanwezig en zorgden een drietal luchtkappen voor frisse lucht in de privaten.
Voor de speelplaats werd bij de eerste aanleg 40 m3 rivierzand en 25 m3 kalkpuin gebruikt. De bestrating om en nabij het schoolgebouw besloeg 175 m2 en bestond uit op hun kant gezette vlakke straatklinkers.
Om op het terrein te komen werd in de sloot voor de school een 6 meter lange dennenhouten duiker geplaatst. Op de dam was een dubbel grenenhouten draaihek aangebracht. Rond het schoolterrein stond een hekwerk van 4 schroten hoog, waarvoor in totaal 47 palen nodig waren.
Voor de watervoorziening was op het terrein een welput gemaakt. Deze bestond uit twee portlandcement ringen van één meter hoog, afgesloten op 1 meter diep door een kruinstuk waarin een mangat zat. Op deze put was een Douglas pomp ter waarde van ƒ 20,= geplaatst.


De namen luiden als volgt:

1  
 
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  

Nies Kuiterman
of Grietje Ennik
Gerrigje Pellinkhof
Margje Schuurman
Jentje Dijk
Margje Jonkers
Klaasje Rumpf
Hilligje Upper
Jentje Seinen
Sienie Seinen
? of Jan Ennik
Harm Borger
Gerrit Jan Bouwman
Hendrik Bouwman
Hendrik Kuiterman
Hilligje Bouwman
Aaltje de Boer

17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  

Geesje Mijnheer
Wichertje Upper
?
Meester H.A. Meijer
Arend Bouwman
Harm Bonen
Mans Zieleman
?
?
Hendrikje Rumpf
Aaltje Huisman
Meester A. Broekhuizen
Hilligje Witpaard
Geesje Kleen
Hendrikje Seinen
Janna Roddenhof

De schoolfoto hierboven dateert van 24 april 1908. Hoofd van de school was toen A.H. Meijer, die samen met de onderwijzer A. Broekhuizen, les aan de kinderen gaf. De eerste onderwijzeres zou pas na de uitbreiding van de school in 1918 worden aangetrokken.
(Zie ook: Beeldbank 02902 = BG030.jpg

* * *

Er is op diezelfde dag nòg een foto gemaakt met dezelfde leerkrachten, maar met andere leerlingen, deze foto heeft niet in het kwartaalblad gestaan, maar willen wij toch hierbij plaatsen. Beeldbank 02903 = BG031.jpg, jammer genoeg zijn van deze foto geen namen van de leerlingen bekend



De namen luiden als volgt:

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  



? Witpaard














17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  




Meester H.A. Meijer







Meester A. Broekhuizen




* * *

Op dezelfde datum als het gebouw werd ook het leveren van het ameubelement aanbesteed. Hiervoor waren zeven inschrijvingen waarvan Hendrik Timmer, aannemer te Meppel, de laagste was met ƒ 940, Berend Timmer en Hendericus Timmer, beiden houthandelaar te Meppel, fungeerden als borgen. Het werk bestond uit het maken en leveren van 48 schoolbanken, schoolborden, kachels, gordijnen en schoolkasten.
Wat hierbij opvalt is, dat er in het bestek niet wordt gesproken over een tafel of lessenaar voor de leerkrachten. Mogelijk zijn deze meubelen later bij afzonderlijke opdracht vervaardigd. De juf en de meester zullen wel niet de gehele dag hebben gestaan.
Elk der banken bood ruimte aan twee kinderen. Maximaal konden er dus 96 leerlingen op de Meeleschool onderwijs genieten.
De bladen van de banken waren van blank bewerkt eikenhout en waren voor het grootste gedeelte schuin geplaatst. Onder de bladen zaten kastjes voor het opbergen van de leermiddelen. De kastjes waren naar de kant van de leerling open. In het rechte stukje van het blad zaten twee porseleinen inktpotten. Boven elke inktpot was een koperen schuifje aangebracht dat diende om het bederven van de inkt tegen te gaan. Een opstaand plankje zorgde ervoor dat de schriften en dergelijke niet naar voren konden vallen.
De bank bestond verder uit een zittingplank en rugleuning en vormde samen met de voetenplank één geheel dat op een tweetal consoles rustte.
Er waren drie verschillende groottes van de banken, die al naar gelang de leeftijd van de leerlingen gebruikt werden.
Op de bladen na was het geheel van vurenhout gemaakt. De eikenhouten bladen waren geolied en gevernist; het overige was in eikenhoutkleur geverfd.
"Voor 24 stuks tafels op de bladen latten aan te brengen van vurenhout, zwaar 0.06 x 0.015 M. Aan de kopeinden ijzeren haakjes te maken, welke voor het tafelblad komen voor vastlegging. Op deze latten kussens van groen laken 0.025 M. straal beschreven een halfcirkelvorm en opgevuld met zaagsel".
Deze passage in de voorwaarden leverde aanvankelijk nogal wat vraagtekens op. Wat voor doel hadden de kussentjes? Het antwoord kwam helemaal uit Limburg: de kussentjes werden gebruikt om de kroontjespennen aan schoon te maken; ze dienden dus als inktlappen.
In de lokalen waren elk twee schoolborden aanwezig. Ze waren tussen twee stijlen opgehangen en konden op en neer bewogen worden. Om de borden was een eiken rand aangebracht. Eveneens een eikenrand hadden de krijtbakjes, die voor het overige van vurenhout waren. Verder stonden er achter in de lokalen kasten van 2,40 meter hoog en 40 cm. diep, waarin 6 legplanken zaten. De kasten waren afgesloten "met zeer beste kastdeursloten” en waren in eikenhoutkleur geverfd. In het oostelijke lokaal was een dubbele kast en in het andere twee enkele kasten.
Voor de koude dagen moest de aannemer een kachel met kachelpijpen en hangers leveren. Hiervoor mocht hij f 80,= uittrekken, echter met dien verstande dat de mindere dan wel de meerdere kosten werden verrekend. Ook voor de gordijnen kon verrekening plaatsvinden wanneer de kosten afweken van de f 60,= die er voor was uitgetrokken. Bij dit bedrag waren de ijzeren roeden, de koorden en koordbinden inbegrepen.
In de gang bestond de inventaris uit 98 stuks houten kapstokpennen, die met lijm en spie waren vastgezet op aan de muur bevestigde planken.
De oplevering van het meubilair moest op 15 juli 1903 plaats vinden. Op 1 oktober van dat jaar werd de school in gebruik genomen. Vanaf die dag volgden een vijftigtal leerlingen voor het eerst onderwijs aan de O.L. School D te de Meele.

* * *

GRONDVERBETERING ACHTER DE MIDDELDIJK _________________________________________________________

A. Kreule

De noeste werkers op onderstaande foto pauzeren eventjes voor de fotograaf. Ze waren omstreeks 1925 bezig met verbetering van een perceel grond achter de Middeldijk in de buurt van Boerman. De klompenmaker H. Schoemaker (getrouwd met Zwaantje Hoorn) woonde ook in die buurt. Hij was tevens fotograaf. Met zijn zoontje kwam hij even naar de werkzaamheden kijken en maakte toen deze foto.


Foto: B. Vonder

Op het voorwiel van de trekker zit Jan de Boer (Stadhoek). Arend de Boer was trekkerchauffeur. Voor de trekker v.l.n.r. Arend Vonder, Willem Hoes en Hendrik Vonder (neef van Arend). Het jongetje is Hendrik Schoemaker Hzn. Achter hen eveneens v.l.n.r. Berend Vonder Azn, Hendrik van Duren en Jan Boerman (Hessem). Het drietal op de achtergrond is Jan Willem Seine, Jan Hekman en uiterst rechts Roelof Oosterveen.

* * *

KWAJONGENSSTREKEN _________________________________________________________

Kabé

Klaos en Roelof waren dikke kameraden. Ze woonden op de Meele; Roelof aan de Koeweg en Klaos een eindje verderop. Geregeld gingen ze samen op stap om allerlei streken uit te halen. Ze durfden heel wat aan en niets was hen te dol. Er was zelfs een naam voor hun streken! Ook het bezoeken van een “lös huussien” was een geliefde bezigheid.
Wat was een "1ös huussien"? Als vader en moeder 's avonds op bezoek waren bij familie en kennissen, zoals dat bijvoorbeeld in januari gebeurde met de nieuwjaarsvisites, dan kwamen meisjes van zo'n duizend weken of ouder om op te passen. Vanzelfsprekend kwamen vrijgezelle jongens daar op af en werd het vaak een gezellige boel. Menige verkering begon op zo'n avond.
Als Klaos en Roelof niet welkom waren, wat ook wel eens gebeurde, dan moest er op wraak gerekend worden.
Een veel gebruikt iets was een melkbus met water heel voorzichtig schuin tegen de voordeur plaatsen. Als de deur dan werd geopend, viel de melkbus met inhoud de kamer in. Of wanneer het nog erger moest, bijvoorbeeld bij iemand die niet erg populair was, dan werd de melkbus vervangen door de "kiepelton” (w.c.-ton). Soms werd de schoorsteen afgedekt met heideplaggen, zodat de trek weg was en de rook zich in de kamer verspreidde.

Op een avond vroeg in de herfst speelde zich het nu volgende af. Het was zwaar bewolkt, dus stikdonker. Straatverlichting was er toen nog niet. Klaos en Roelof liepen in de richting van Sluis III. "Wat zulle wej ies doen Klaos?" “Ik weet wat, wej gaot ies bej kleine Gait in de appels. Die hef een boom vol; ik kenne ze:”
Daar woonde kleine Gait en de boom was snel gevonden. Klaos klom er in en schudde aan een dikke tak. De appels ploften naar beneden. Maar wat was dat? Een boom op enige afstand schudde mee. Ze schrokken: Klaos schudde nog een keer en ja hoor, de andere boom schudde weer mee. Ze werden bang. Klaos liet zich uit de boom zakken en ze slopen weg. De appels lieten ze voor wat ze waren. De beide jongens gingen vroeg naar huis die avond.
De volgende dag moest Klaos met de “zelle” (paardetuig) naar Karel, de schoenmaker. Bij het huis van kleine Gait keek hij voorzichtig naar de appelboom. En toen zag hij het! Tussen de twee bomen was een "tuugliende” (drooglijn) gespannen en als je aan de ene boom schudde, schudde de andere via de drooglijn mee.



* * *

TEVREDEN _________________________________________________________

In het nummer van maart 1985 plaatsten we een deel van onbekend lied met de vraag wie de volledige tekst kende. Kennelijk was er niemand van de leden die ons hierover kon inlichten. Toch kennen we nu het gehele gedicht, waarvan de titel is: Tevreden. We troffen het aan in het blad "De Breef" en laten het hieronder volgen:

Vriend, ik ben tevreden
't ga mij zo 't wil
in mijn kleine woning
leef ik blij en stil.

Menig mens heeft alles
wat hij wenst op aard
en ik kan ontberen,
dat zijn schatten waard.

Er schitteren genc lampen
hier in mijn lokaal
en tint'len gene wijnen
bij mijn avondmaal.

God bleef mij bewaren
voor gebrek in nood
daarom smaakt na d'arbeid
zoet mijn stukje brood.

* * *

BIJ EEN STRAATNAAMBORDJE IN ZEELAND _________________________________________________________

A. Kreule

Tijdens onze vakantie in Zeeuws-Vlaanderen in juli jl. kwamen we op een fietstocht door het plaatsje Cadzand. Wie schetst onze verbazing toen we plotseling bij een straat het bordje "Nieuwleusenerstraat" zagen staan: Aangezien er naar onze mening maar één Nieuwleusen is, dachten we: Hier moeten we meer van weten. Gevraagd aan een oudere man in de betrokken straat, verklaarde deze: "Ik heb hier mijn leven lang gewoond, maar ik kan u over de herkomst van deze naam niets vertellen. Mogelijk dat mijn neef, een oud-wethouder van deze gemeente, er meer van weet". Op zijn aanwijzing de oud-wethouder opgezocht en deze wist inderdaad iets meer te vertellen. Hij zei: "De straat is genoemd naar het dorp Nieuwleusener ergens in Utrecht. Dit dorp heeft ons na de oorlog geholpen toen hier alles verwoest was. Maar als je meer wilt welen, kun je beter de oud-gemeentesecretaris in Cadzand-Haven opzoeken". Vervolgens hebben we deze (de heer Verhage) benaderd en die wist ons er alles over te vertellen.

Cadzand heeft aan het eind van de oorlog 1940-1945 ongeveer een maand lang onder het vuur van de Canadezen gelegen, die bij de strijd om de Scheldemond werden opgehouden achter het Leopold-kanaal in België. Er werd toen veel verwoest in Zeeuws-Vlaanderen. Toen de oorlog voorbij was, moest alles weer opgebouwd worden en diverse gemeenten in Zeeland werden geadopteerd door gemeenten in het oosten van het land, o.a. Cadzand door Nieuwleusen. Ze werden toen geholpen met geld en goederen en uit dankbaarheid voor deze hulp werd in 1949 een straat naar Nieuwleusen genoemd. Ook in Cadzand bleek men moeite te hebben met een juiste spelling van onze dorpsnaam, hetgeen in eerste instantie resulteerde in een naambordje met het opschrift: "Nieuwleusderstraat”. Oud-burgemeester Backx heeft dit echter recht gezet en in 1950 besloten B & W van Cadzand een nieuw bord aan te brengen met het opschrift zoals dat op de foto is te zien.

Naschrift van de redactie

Naar aanleiding van het artikel van de heer A. Kreule is er in het gemeente - archief gezocht naar meer gegevens over deze hulp. Tot onze teleurstelling echter is gebleken dat er niets over de adoptie van Cadzand in het gemeente - archief bewaard is gebleven. Wel werd er in notulen van een raadsvergadering in 1953 gevonden dat Nieuwleusen toen als gevolg van de watersnoodramp de gemeente Cadzand wilde adopteren, evenals dat in 1945 was gebeurd. Wat de adoptie in 1945 precies inhield en waar Cadzand mee gesteund is hebben we niet kunnen achterhalen. Wellicht is er iemand onder onze leden die dit nog weet. Dat er wel over de adoptie is gecorrespondeerd, bleek ons uit een brief van de burgemeester van Cadzand aan die van Nieuwleusen, waarin hij mededeelt van de adoptatie op de hoogte te zijn gesteld en berichten vanuit Nieuwleusen met belangstelling af te wachten. (Gemeente - archief Cadzand).

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES I _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

Bij' dié ….. kûj’n bónestok op zien kop anpunt’n.

Normaal gesproken werd een bonenstok met een hiep (hakmes) aangepunt. Met dit gezegde werd iemand aangeduid, die bikkelhard werd als er met hem geldzaken geregeld moesten worden.

* * *

BRANDWEER IN DE TWINTIGER JAREN _________________________________________________________

H.J. Snijder

Op de plaats waar nu het huis van mevrouw De Weerd aan het Westeinde 56 staat, stond vroeger een heel oud boerderijtje. Dat werd toen bewoond door Harm en Janna Schoemaker. Ze waren broer en zus. Harm is in de twintiger jaren overleden, zodat daarna Janna nog alleen het huisje bewoonde. Het was zeer primitief ingericht. De stal was een zogenaamde potstal. Deze stond vaak vol water, vooral wanneer in het voorjaar het vee naar het land ging. De stal werd dan uitgemest en er ontstond dan een diep gat. Er is mij wel verteld, dat het vee daarin stond en met de hals over de "zulle” of stalhout hing. Voorin het huisje was de geute, één kamer en twee bedsteden. Alles was met riet gedekt, evenals de hooiberg die aan de oostzijde van het boerderijtje stond. Janna had de gewoonte om het hooi uit het "slop" in de berg te halen, zodat die van binnen uit werd leeggehaald. Hierin werd dan ook graag door kinderen gespeeld. Dit had eens tot gevolg dat er brand ontstond. Door de vonkenregen stond al spoedig de woning ook in brand. Een en ander gebeurde op een zondagmiddag in of omstreeks 1929. Om de brand te blussen moest de handspuit (deze staat thans keurig gerestaureerd op het gemeentehuis) gehaald worden bij de firma Boers in Den Hulst. Omdat er toen nog praktisch geen auto's waren, moest dit met een paard gebeuren. Het paard van mevrouw Visscher-Katoele, die in het huis er net achter woonde, is hiervoor gebruikt.

Foto: J. ten Brinke-Bulder

De brandspuit heeft zijn dienst weer gedaan. De brand is geblust, maar van de boerderij bleef niet veel meer over. Voordat de brandspuit weer naar zijn bergplaats werd gebracht, werd deze foto nog even gemaakt, waarop we van links naar rechts zien: Jan Sander Westerveen, ?, ?, Jan Bulder, Arend Jan Boer, Klaas Brouwer (Varkenklaas), Kleine Jan Brouwer.

Brandmeester was toen waarschijnlijk de heer Zonnenberg. Omdat de handspuit gepompt moest worden, moesten hiervoor 4 of 6 mannen komen opdraven, terwijl de spuit maar één straal water gaf. Het pompen was zwaar en vermoeiend werk. Om de pompers in conditie te houden, ging de brandmeester wel eens met een fles jenever rond. Gezien het tijdsverloop tussen het uitbreken van de brand en het moment van het inzetten van de spuit, kan men wel rekenen dat er van de woning niet veel meer overbleef. Het boerderijtje brandde tot de grond toe af!

* * *


MARIA MAGDALENA BARKENS _________________________________________________________



Maria Magdalena Barkens,
           viel languit tussen de varkens.
                    En schrokken de olijke dieren?
                             Welnee, ze lachten en ze gierden:
                                      Blijf maar hier, slordige slons,
                                               Je bent er net één van ons!

* * *


INHOUD VAN DE DERDE JAARGANG _________________________________________________________

1  
3  
4  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
 
17  
24  
25  
28  
32  
 
33  
38  
39  
41  
43  
45  
46  
47  
48  
 
49  
57  
58  
59  
60  
62  
62  
64  
64  

De boterbereiding
Voor wat hoort wat
Nieuwleusen in actie anno 1797
Zo doet men dat
Foto-albums merklappen en letterdoeken
De subsidie-aanvraag van Jan Stolte
Het bekende onbekende voorwerp
Een refrein van een onbekend lied
Een verhaal over de droogte in 1911
Veurjoar
Een Nieuwleusener brief uit 1778
Een compagnie infanteriesoldaten (foto)
De bevolking van Nieuwleusen
De drie spoken

Straatnamen in Nieuwleusen I
Bij een oude schoolfoto II
Het geslacht Massier in Nieuwleusen
Herinneringen aan de bevrijding
Werkgroep oude liedjes

Straatnamen in Nieuwleusen II
Wie zijn dit?
Nogmaals de levensboom
Herinneringen aan mijn opa
Onze buren Jentje en Steven Mannen
Uit de oude doos (foto)
De bouwhane
Waar komen ze vandaan?
Errata juni-nummer

De beginjaren van de Emmaschool op de Meele
Grondverbetering achter de Middeldijk
Kwajongensstreken
Tevreden
Bij een straatnaambordje in Zeeland
Nieuwleusener gezegdes I
Brandweer in de twintiger jaren
Maria Magdalena Barkens
Inhoud van de derde jaargang

Th. Bijker

Jan H. Kompagnie



J.W. de Weerd

G.H.
M. Schutte-Massier
H. Sterken Rzn.

Aartje Schoemaker-Ytsma
B. van Duren

J.W. de Weerd

A. Kreule
H.J. Meijerink


J.W. de Weerd

A. Schoemaker-Ytsma
Jet ten Brinke-Bulder
K. Borgers

M. van Roozelaar
B. van Duren


J. W. de Weerd
A. Kreule
Kabé

A. Kreule
A. Schoemaker-Ytsma
H.J. Snijder


* * *

Ni'jluusn van vrogger _________________________________________________________



            Colofon uitgaven 1985


            Uitgaven van 1986


Jaargang 4 nummer 1 maart 1986

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

MUZIEKVERENIGINGEN IN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

J. W. de Weerd

De historie van blaasorkesten gaat ver terug. Een voorloper van de muziekkorpsen, zoals wij die nu kennen, waren de stadspijpers. Zij kondigden in de Middeleeuwen de morgen en de avond aan. Omstreeks 1700 is er sprake van stadskapellen. Ook kende men in de 18e eeuw hof- en militaire kapellen en had de schutterij haar eigen muziek. De Franse revolutie bracht verandering, de beroepsmuzikanten werden werkloos omdat de korpsen werden opgeheven. Zij trachtten nu in hun eigen onderhoud te voorzien en gingen spelen in herbergen en bij optochten en dergelijke. Vaak ook sloten ze zich aaneen en gingen voor hun plezier spelen.
Vanuit Frankrijk verspreidde het verschijnsel van amateur - muziekkorpsen zich over Europa. In Nederland het eerst in het zuiden, waar korpsen werden opgericht om de kerkelijke gebeurtenissen te begeleiden. Door de grondwet van 1848 werd de vrijheid om processies te houden sterk beknot. Eerst na 1870 zou de wet soepeler worden toegepast en is de tijd van grote groei van het aantal blaasorkesten in het zuiden aangebroken.
Van hieruit gaat de ontwikkeling verder in noordelijke richting. De industrialisatie heeft een gunstige invloed op het oprichten van korpsen. Grote fabrieken krijgen hun eigen orkest en arbeidersorganisaties richten eigen muziekgezelschappen op.
Aanvankelijk is in het zuiden het doel van de muziekkorpsen het opluisteren van kerkelijke gebeurtenissen, terwijl dat in het noorden hoofdzakelijk de vrije tijdsbesteding is. Dit heeft zijn invloed op de samenstelling van de orkesten. In het zuiden kwamen de muzikanten over het algemeen uit alle lagen van de bevolking, ten noorden van de grote rivieren waren het voornamelijk mensen met dezelfde sociale positie.
Het hoogtepunt in het oprichten van muziekkorpsen ligt tussen 1890 en 1930. In dit tijdvak valt ook het ontstaan van de beide muziekgezelschappen die Nieuwleusen rijk is. Crescendo-Excelsior werd opgericht in 1905 en de Broederband begon in 1925 haar activiteiten.
De jubilea van beide korpsen was voor ons aanleiding enige aandacht aan "de muziek" te besteden. Aanvankelijk dachten we aan een artikeltje, maar al doende groeide dit uit tot de verhalen die U hierna aantreft.

De vaandels van de beide korpsen sieren de omslag. Het vaandel is de trots van een muziekvereniging. Er staat, behalve de naam en de plaats, een soort monogram van een aantal muziekinstrumenten op dat omsloten is door een lauwerkrans. Boven het doek bevindt zich de kroon waaraan de op concoursen behaalde medailles worden gehangen. Ook speldt men de penningen wel op het doek. De vaandelstok van Crescendo eindigt in een lira. Bovenop die van de Broederband staan de letters DBBN, de afkorting van De BroederBand Nieuwleusen.


(de muziek in het kwartaalblad is niet erg duidelijk, vandaar wat betere informatie op internet gezocht, met links.)


* * *

CRESCENDO _________________________________________________________

G.W. Kalter
J. W. de Weerd

"80 jaar in een notendop", dat was de titel van een revue die in het afgelopen jaar enige keren werd opgevoerd en waarin het verhaal van muziekvereniging Crescendo - Excelsior werd verteld. Oorspronkelijk waren het twee zelfstandige muziekkorpsen die beiden in 1905 werden opgericht; Crescendo in Den Hulst en Excelsior in Balkbrug. Na enkele moeilijke jaren werd in 1969 besloten de beide verenigingen samen te voegen tot een. Onderstaand zullen we ons beperken tot de geschiedenis van Crescendo.
Het zaI U duidelijk zijn dat er zich in die 80 jaar nog al wat heeft afgespeeld. Veel van datgene wat er gebeurd is, werd niet aan ons overgeleverd. Bij het samenstellen van onderstaande was het ontbreken van de oudste notulen - boeken dan ook een node gemis. Hopelijk draagt dit artikel er toe bij dat er nog meer herinneringen aan het papier worden toevertrouwd. Of misschien heeft U nog wel een oude foto. We horen het graag, het zal zeker een bijdrage zijn aan de reconstructie van Crescendo's verleden.

In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van woensdag 4 oktober 1905 werd melding gemaakt van de oprichting van een muziekkorps in Den Hulst.
"Nieuwleusen, 2 Oct. Er is in Den Hulst onder deze gemeente, zeker tot groot genoegen van zeer velen, een fanfarekorps opgericht onder den naam "Crescendo", aanvankelijk bestaande uit 15 leden. De instrumenten zijn reeds besteld. De heer G. Zevenbergen uit Den Hulst zal als directeur optreden en daar deze als een zeer bekwaam musicus bekend is mag men onderstellen, dat dit onder zijn leiding een flink korps zal worden. In het bestuur zijn gekozen de h.h. G. Zevenbergen, directeur, D.J. Mensink, onderdirecteur, K. Wicherson, voorzitter, B.J. Stroink, secretaris en D.J. Prins Jr., als penningmeester."
Dat deze oprichting nog geen definitief karakter droeg, kunnen we opmaken uit een bericht dat bijna een maand later, op 1 november, in genoemde krant verscheen.
"Den Hulst, 30 Oct. Werden sinds eenigen tijd door eenige jongelui pogingen gedaan tot het oprichten van een muziekkorps, thans kan men zeggen, dat hun werk met succes


De oudst bekende foto van Crescendo is van omstreeks 1907 en is genomen op het schoolplein bij de openbare school C in Den Hulst. Om een goed overzicht van het korps te krijgen, stonden de achterste muzikanten op schoolbanken. De school stond op de plaats waar nu de inrit is naar de gebouwen van de firma Hulsink (nu: BAM). De huizen links hiervan stonden er nog niet, daar konden de koeien nog dansen op de maat van de muziek.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

J. Stoel
H. de Groot
H. Snel
P. Snel
?
?
D.J. Prins
K. Wicherson
W. Kamerman

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  

B.J. Stroink
dirigent O. Krönig
L. Huisman
?
?
H. van Duren
D.J. van Duren
H. Brinkman
H. Compagner


Ook deze foto van Crescendo is van omstreeks 1907 en genomen op het schoolplein bij de openbare school C in Den Hulst en gevonden in de Beeldbank. Men speelt niet op deze foto waardoor de gezichten beter uitkomen .

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

J. Stoel
H. de Groot
H. Snel
P. Snel
?
?
D.J. Prins
K. Wicherson
W. Kamerman

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  

B.J. Stroink
dirigent O. Krönig
L. Huisman
?
?
H. van Duren
D.J. van Duren
H. Brinkman
H. Compagner

bekroond is geworden. De thans (dus op maandag 15 okt. 1905, red.) opgerichte vereniging is genaamd "Crescendo" en bestaat uit 15 leden.
De heer Krönig, directeur van het Dilettantenorkest te Zwolle, heeft de leiding op zich genomen. De muziekinstrumenten zijn geleverd door de naaml. vennootschap D. Ansingh & Co. te Zwolle."
Crescendo: geleidelijk sterker worden. Dat was wat de 15 jongelui voor ogen stond. Vol goede moed begonnen ze met de oefeningen. Als oefenruimte kreeg men de beschikking over de openbare school aan de Dedemsvaart in Den Hulst. Wekelijks kwamen de jongelui daar bij elkaar op de repetitie - avonden. Tussendoor werd er thuis geoefend. Het lukte allemaal vrij aardig en reeds spoedig kon de muziekvereniging voor de eerste maal hun kunnen laten horen aan de Nieuwleusense bevolking. Na enige tijd waren de muzikanten zover gevorderd, dat ze aan een concours dachten te kunnen deelnemen. Vele concoursen zouden er in de loop der jaren nog volgen. Het succes op deze muziekwedstrijden vertoonde, evenals dat van Crescendo zelf, een wisselende op- en neergaande lijn. Voor een concours is men altijd zenuwachtig en er wil dan ook wel eens wat mis gaan. Voor het optreden is er meestal nog wel even tijd om de stukken door te spelen. Wanneer dan blijkt dat iemand zijn instrument thuis heeft laten liggen, krijg je het bepaald benauwd. Goede raad is dan duur. Het instrument ophalen gaat niet meer, daar is de tijd te kort voor. Dan maar proberen te lenen bij de organiserende vereniging. Hoewel spelen op een vreemd instrument toch een bepaald risico geeft, is dat toch beter dan spelen met een uitgedund korps. Het mag dan ook een hele opluchting genoemd worden, wanneer bij de prijsuitreiking een eerste prijs het resultaat blijkt te zijn.
In de jaren dertig moet het ook eens voorgekomen zijn dat er een optreden op 1 april in de krant stond aangekondigd. Dat was een aprilgrap, maar die resulteerde wel in een te betalen aanslag voor de muziekrechten. Meester Meyer moest er echter wel achteraan om de nota ongedaan te krijgen.

foto: J. Bruggeman-Schoemaker

Crescendo omstreeks 1927


1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  

Willem Katoele
Hendrik Kamerman
Berend Brinkman
Arend Cornpagner
Hendrik Jan Mulder
Hendrikus Kamerman
Derk jan Prins
Jaap van Eldik
Gerrit Willem Lubbers
Jan Vonder
Jan Kamerman
Klaas Prins

13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  

Derk Jan Prins
Meester Meyer
Hendrik Brinkman
Derk Brinkman
Johannes Mensink
Gerrit Massier
Willem Bruggeman
Klaas Katoele
Jan Katoele
Willy Katoele
Gerrit Jan Prins

De crisisjaren waren voor Crescendo overigens moeilijke
jaren. De algemene malaise trof ook het korps. Nadat
men in 1932 nog aanwezig was bij de eerste boomplantdag
in het Staatsbos, kwam de vereniging zelfs voor enige
tijd helemaal stil te liggen.
Nadat dirigent Krönig was vertrokken, nam meester H.A.
Meyer omstreeks 1915 het dirigentschap op zich. Hij
zou jaren dirigent blijven. Onder zijn leiding werden vele
optredens verzorgd.
Meester Meyer was een strenge dirigent. Hij vergde heel
wat van zijn muzikanten. Niet alleen goed spelen was
een vereiste, ook goed marcheren behoorde tot de taak
van de leden van het muziekkorps. En een kombinatie
van beide was zeer gewenst. Immers tijdens optochten
en concoursen moest er gemarcheerd èn gespeeld worden.
Wilde men iets bereiken, dan was een goede training
noodzakelijk.
Meyer pakte de repetities kordaat aan. Naast de muziek-
lessen en de muziekoefeningen instrueerde de dirigent
zijn muzikanten hoe er gemarcheerd moest worden. Eerst
gebeurde dat zonder instrumenten, later, toen men het
onder de knie kreeg, met instrumenten. Kilometers werden
er op het schoolplein aan de Dedemsvaart afgelegd. Maar
een schoolplein is maar een beperkte ruimte. Daarom
besloot de dirigent ook wel eens een rondgang door Nieuw-
leusen te maken. De marsroute was meestal als volgt:
langs de Dedemsvaart tot aan de Stouwe, dan de Stouwe
over naar het Oosteinde en vandaar via de Kerkenhoek
en Westeinde over de Jagtlusterallee naar de Rollecate,
om daarna weer langs het kanaal naar de openbare school
in Den Hulst terug te keren. Een hele afstand, en dan
ook nog te bedenken dat de meeste wegen nog zandwegen
waren.
Soms was de route iets korter en ging men via het Pad
van de Stouwe naar de Jagtlusterallee. Tijdens een rond-
gang werd op sommige plaatsen halt gehouden om voor
de bewoners van de huizen die daar stonden, een lied
ten gehore te brengen.
In later jaren maakte men af en toe wel eens gebruik
van paard en wagen. Het was een probleem op zich,


foto: Crescendo

Crescendo omstreeks 1950

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  

G .J. Schuurman
M. Runhart
B. Oosterveen
H. Bouwman
J. Schuurman
H.J. Brinkman
H. Vonder
A. Douma
R. Mensink
W. Kuterman
F. Klunder
T. Braams
A. Kouwen
J. Prins DJzn
K. Hekman

16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  

A. Compagner
W. Bruggeman
H. Schuurman
B. Jonkers
A. Bruggernan
W. van de Klok
W.H. Scholtens
K. Runhart
H. Paasman
H.J. van Duren
A. Bruggeman
H. Runhart
G. Hoes
J. Boesenkool
H. Gerritsen

dat spelen met het hele korps op een hotsende wagen. Het paard moest mak zijn en niet schrikken van de muziek. Het dier moest de wagen bovendien rustig en gelijkmatig voorttrekken. Soms ging het met rukken en dan was het oppassen geblazen. Het is eens gebeurd, dat de grote trommelslager, die achter op de wagen zat, met trommel en al van de wagen viel.
Begon Crescendo in 1905 met vijftien leden, weldra blijken er nog enkele jongelui te zijn die ook wel aan het korps willen deelnemen. Het ledenbestand groeit gestaag tot er in 1944 32 leden zijn. De tussenliggende jaren geven echter ook menigmaal een daling in het ledenaantal te zien.
In enkele gevallen kostte het een nieuw lid veel moeite om op het niveau van de overige muzikanten te komen. Zo was er eens iemand die een ontzettende moeite had met het zogenaamde naslagwerk, dat is het blazen na de tel. Toen hem dat na veel gezweet maar niet wou lukken, vond de dirigent de oplossing. De muzikant kreeg een touw aan zijn voet en iedere keer als hij nu moest blazen, trok de dirigent, die het andere eind vasthield, aan het touw. Zo leerde de man prima spelen.
Ook gebeurde het volgende eens op een vroegere repetitie. De dirigent had al een paar maal verstoord opgekeken van zijn lessenaar, omdat hij steeds valse noten hoorde. Toen hij de bewuste muzikant er op aansprak en deze er geen verklaring voor had, vroeg hij het instrument voor een nader onderzoek. Het bleek nogal wat lucht te lekken. De reactie van de muzikant was: "Ik dacht ok al, wat tocht het mien toch in de nekke."
Financieel had Crescendo soms de grootste moeite om de eindjes aan elkaar te knopen. Uiteindelijk lukte het meestal toch wel weer. Het beschermheerschap van Willem Jan Baron van Dedem en van notaris A. van Scherpenzeel zal wel eens geholpen hebben. Later werd juffrouw G.J. Palthe beschermvrouwe van het korps. En dat moest gezien worden.
Op een dag kwam Meyer thuis met de mededeling dat het korps een nieuwe schutsvrouwe had. De muziekvereniging was daar erg blij mee en Lenie, de dochter van meester Meyer, kreeg van haar vader de opdracht om dit gegeven op het vaandel te borduren. Vader Meyer was, volgens zijn kinderen, erg streng. Wanneer hij iets zei, dan durfden ze geen "neen" te zeggen, dat was er niet bij. Toch was het een oprecht en eerlijk man, die veel voor de Nieuwleusense gemeenschap heeft gedaan.
Omdat Lenie in die jaren in Zwolle naar school ging, kocht ze in een winkel in de Sassenstraat de benodigde gouddraad. Haar vader sneed de letters uit karton en spelde ze op het vaandel, zodat Lenie ze met het gouddraad kon overborduren. Na ongeveer een jaar was het karwei geklaard en sierde de tekst BESCHERMROUWE Mej. G.J. PALTHE het vaandel. Vermoedelijk is toen ook het jaartal 1927, zoals dat er nu nog opstaat, op het doek gekomen. Na het overlijden van mejuffrouw Palthe in 1928, bleef dit jaartal staan en werd de tekst van de beschermvrouwe vervangen door DEN HULST.
Toen juffrouw Palthe beschermvrouwe van het korps was geworden en daaraan ook financieel bijdroeg, wilde ze er ook wel de vruchten van plukken. Wanneer ze naar haar huisje in Nieuwleusen kwam, had ze dit van te voren al aan haar rentmeester Barteld Blik geschreven. Hij kreeg de opdracht er voor te zorgen dat de muziek speelde als ze met de tram aankwam en dat dit ook weer zo moest zijn wanneer de vrouwe met paard en wagen bij het Spiker arriveerde. De muzikanten voldeden aan deze verzoeken, ook al omdat ze het nodige in het laatje bracht.
Om snel van de tramhalte naar het Spiker in het Westeinde te kunnen komen, maakten ze gebruik van hun fietsen. De rentmeester zorgde er voor dat het paard niet te snel liep, desnoods reed hij met een omweg, om er toch vooral voor te zorgen dat de juffrouw niet eerder zou aankomen dan dat het korps in gereedheid was.
Deze laatste gebeurtenis ademt een sfeer uit die alleen maar bij die jaren past en die in onze tijd ondenkbaar is. Deze sfeer van vroeger doet ons realiseren dat we zuinig moeten zijn op dat kleine beetje wat er nog van het verleden rest.

* * *

'T WINKELTIEN

Dag olderwets klein winkeltien
met oen gevel vol PERSIL,
Oen buulties an een touw,
'k stun eêmpies bi' j oe stil.
Het blauwe stoepien veur de deur,
het snuupgerei veur 't raam.
Het klingel-klangel bellegien,
zo vertrouwd en angenaam.
Oen geur van varsgebakken brood,
koloniale waren.
De zegels op de KLOK zeep
die a'w vlietig gungen sparen.
De arwten in de bak,
de soda in de zak.
Het proatien met de klink' in d' hand,
de KWATTA chocolade.
De lusse stroop in 't kannegien,
en de platies van VERKADE.

De weegschaal met het beugeltien
woarin de zakkies passen,
het lange smalle winkelboek,
de teunbank vol met krassen.
... O, en die grote koffiemeuln,
de witkalk in de tonne
en in de oorlog het kleffe brood,
de distributiebonnen.
de stuver gist veur moe,
met soms een snupien toe.

Klein winkeltien, verleden tied,
't verpietern zienderogen.
Maar dudelijker dan ooit teveur
stoa ie mi'j nouw veur ogen.

(uit de revue “80 jaar in een notendop")

* * *

DE BROEDERBAND _________________________________________________________

J. Kleen
J.W. de Weerd

"Het terugblikken op De Broederband is als het zicht op een mistige dag: naarmate je verder kijkt, wordt de mist dikker. Vooral de eerste jaren zijn moeilijk te reconstrueren, omdat officiële gegevens vrijwel ontbreken." Deze woorden, die ook al eerder werden geschreven, tonen aan hoe moeilijk het is iets over de muziekvereniging te vertellen. Toch willen we een duik in het verleden nemen.
Het feit dat er in Den Hulst een muziekkorps was en in Nieuwleusen niet, was eigenlijk de aanleiding tot de oprichting van De Broederband. Tot dan toe werd, wanneer er bij feestelijke gebeurtenissen als kinderfeesten en dergelijke, muziek nodig was, een muziekkorps ingehuurd. Dat was muziekvereniging "Euphonia" uit Dedemsvaart. Toen dit in de zomer van 1925 weer eens nodig bleek, begon het idee te rijpen zelf een korps op te richten. In oktober riep de heer F. Scholten door middel van een circulaire belangstellenden op voor een vergadering. Deze vergadering leidde uiteindelijk tot de oprichting van een vereniging met de naam "Christelijk Muziekkorps Broederband."
Een dertigtal heren liet zich als lid inschrijven en zorgde daarmee voor een goede start. Naast Scholten (die commies was) behoorden klompenmaker G.J. Beltman, Kamphuis van de Coöperatie, F. Masselink van de Landbouwvereniging in het Westeinde en de later naar Amerika geëmigreerde J. Jans tot de oprichters.
Het eerste bestuur bestond uit F. Scholten als voorzitter, G.J. Beltman als secretaris, H. Schaapman als penningmeester en F. Masselink als algemeen adjunct. Ere-voorzitter was mej. G. J. Palthe. Voorts was er een Commissie van Toezicht, waarvan de heren K. Beltman, J. Huzen en H.J. Evertsen de leden waren. Het doel van de muziekvereniging was om als leden zowel gezamenlijk als ieder afzonderlijk de muziek te beoefenen. Dit trachtte men te bereiken door het in bruikleen afstaan van de instrumenten en de muziek aan ieder der leden, teneinde thuis


foto: L. Petter

De Broederband omstreeks 1926 met haar erevoorzitster juffrouw Palthe. Deze zeldzaam mooie foto werd genomen voor het Palthehuis. Hendrik Hoes had problemen met zijn pet, want met hoofddeksel op de foto kon niet. Daarom verstopte hij de pet maar achter zijn rechter voet en plaatste deze een beetje schuin.


1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

Andrie Siefers
? Kamphuis
Dieks Veldhuis
Arend van Ankum
Jan Westerik
Gerrit Jan Beltman
Gerrit Reurink
Luuks Huzen
Willem Raben
Hendrik Hoes
Jan Huzen

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  

Klaas Beltman
Frans Masselink
Arend Tempelman
Luuks Petter
Koop Geerts
Hendrik Jan Evertsen
Hilbert Hoogezand
Geert Schoemaker
Goosen Evenboer
Johannes de Boer
Gulia Palthe

te kunnen oefenen en tevens op de wekelijkse repetitieavond onder leiding van een directeur. Zo mogelijk moest jaarlijks een uitvoering worden gegeven.
Als eerste dirigent werd de heer Ladenius uit Zwolle aangesteld. Hij was het die de nodige noten en tekens aan de eerste leden duidelijk maakte. Want zonder dat kon er niet gespeeld worden; evenmin als zonder instrumenten. Hiervoor werd met de firma Ansingh in Zwolle een overeenkomst gesloten voor de aankoop van twintig instrumenten en een tweetal trommels en voor de bruikleen van nog tien instrumenten voor de duur van een jaar. Dit bleek achteraf wel een verstandig besluit te zijn geweest, want het ledental liep in de eerste jaren enigszins terug.
Al vrij spoedig gaf dirigent Ladenius te kennen wegens overplaatsing en vertrek naar Assen het dirigeerstokje te moeten neerleggen. De heer E. van de Berg, eveneens uit Zwolle, bleek bereid de functie van dirigent over te nemen. Hij was in het dagelijks leven kippenkoper, maar 's avonds stond hij als dirigent voor een muziekvereniging of zat als muzikant in de muziekvereniging "David" te Zwolle.
De nieuwe dirigent vond dat men de instrumenten te snel in handen had gekregen. Er moest daarom hier en daar nog heel wat aan de noten gedaan worden. Onder zijn leiding ging men toch verder met de muziekles. "Iedereen kan het leren, als er maar gestudeerd wordt", was de mening van Van de Berg. De heren muzikanten knoopten dit goed in hun oren en het resultaat werd na niet al te lange tijd hoorbaar: men was in staat om enkele marsen te spelen.
Toch bleef het voor sommige leden nog moeilijk. Zo zag H.J. Brouwer het niet helemaal zitten omdat hij de hoge noten niet kon halen. Dit was voor hem evenwel geen beletsel om les te geven aan andere muzikanten. In de eerste jaren van haar bestaan greep de jonge vereniging elke mogelijkheid om te spelen aan. Eén der eerste gelegenheden was bij de officiële in gebruik stelling van de eerste verharde weg in de Vinkenbuurt, het Oosteinde. Enkele aldaar wonende leden hadden het


foto: C. Vogelzang

De Broederband in 1935 bij het 10-jarig bestaan.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

?
Frans Masselink
Hendrikus Velthuis
? Bouwman
Jan Westerik
Hendrik Paasman
? de Weerd (?)
Jan Berend Schuurman
Willem Stoel
Arend Tempelman
? Kamphuis

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  

Lambertus Mulder
Gerrit Mijnheer
Arend Prins
Derk Schuurman
Berend van der Haar
E. van de Berg
Frederik Jan de Weerd
Hendrik Masselink
Jan Mijnheer
Albert Masselink
Egbert Brasjen

muziekkorps uitgenodigd. Berend van de Haar, één der leden, hield tussen de gespeelde marsen door een toespraak. Na afloop van het optreden complimenteerde dirigent Van de Berg de muzikanten met de woorden: "Goed gedaan heren!"
Ook bij andere gelegenheden voerde Berend van de Haar, die goed kon voordragen, het woord. Tijdens een serenade die aan de heer Kamphuis werd gebracht, gebeurde dat ook en wel onder het genot van een borrel. Kamphuis was lid van de vereniging en liet misschien daarom tijdens de serenade de fles rond gaan. Hij was chef - bakker bij de Coöperatie (nu supermarkt Lip (Plus Luuk Tijs)) en woonde aan de Ommerdijk, zoals de Backxlaan destijds heette, in het huis waarin nu De Boerderij is gehuisvest.
Omstreeks 1930 (vermoedelijk in 1929 bij het 25-jarig bestaan van de fabriek) bracht De Broederband een serenade bij de Union. Ook muziekvereniging Crescendo was hierbij van de partij. Een en ander werd erg op prijs gesteld. De toenmalige direkteur Van den Berg had lovende woorden voor de beide muziekkorpsen over. Naast het spelen bij diverse gebeurtenissen was het altijd vaste prik om op kerstavond op verschillende plaatsen kerstliederen ten gehore te brengen.
De woensdagavond was bestemd als repetitie-avond. Deze werd gehouden in de christelijke school in het Westeinde, later in die aan de Dedemsvaart in Den Hulst. Aanvankelijk leverde dat, toen het op spelen aankwam, enige problemen op. In de repetitieruimte van een muziekvereniging moeten stoelen aanwezig zijn en geen banken. Maar stoelen waren er in die tijd niet in de school te vinden en stoelen kopen kostte geld, iets waar de vereniging niet ruim in zat. Daarom nam men het besluit om zelf stoelen te gaan maken. Duidelijk was, dat niet iedereen stoelenmaker was. Zo had Dieks Veldhuis ook een stoel gemaakt, maar die bleek duidelijk te slecht. Toen hij op zijn stoel had plaats genomen en begon te spelen, zakte hij spontaan door de stoel, maar, aldus Luuks Petter, Dieks bleef correct muziek maken. Dieks was een goede rustige muzikant.
Doordat de vereniging in 1927 besloten had zich bij de Christelijke Bond van Harmonie- en Fanfaregezelschappen in Overijssel en Drenthe aan te sluiten, was de mogelijkheid geschapen om aan concoursen deel te nemen. De leden voelden daar wel voor en wilden er liefst zo snel mogelijk aan deelnemen. Dirigent Van de Berg was evenwel van mening dat er eerst nog heel wat gestudeerd moest worden, voordat het zover was.
Een jaar later, in 1928, trok Van de Berg zijn billentikker, die hij altijd tijdens concoursen zou dragen, aan. De Broederband nam in genoemd jaar voor het eerst deel aan een concours en wel in Steenwijk. Er werd een behoorlijk resultaat behaald, namelijk de derde prijs in de vierde afdeling.
Voor de dirigent was het wel eens moeilijk om elke week weer vanuit Zwolle naar Den Hulst te komen. De reiskostenvergoeding was niet erg aan de hoge kant, reden waarom Van de Berg op zijn fiets was aangewezen. Het kon dan ook gebeuren, dat, wanneer de weersomstandigheden niet al te best waren, de muzikanten de repetitie - avond zonder leiding moesten doorbrengen. Dit wekte op de duur wrevel en het resultaat was, dat de dirigentwerd ontslagen.
Er moest toen een nieuwe dirigent worden gezocht. De heer Hiemstra uit Dedemsvaart was niet al te duur en reageerde ook op de expres gemaakte fouten tijdens het "examen", dat elke dirigent in spé werd afgenomen. Toch zou de praktijk leren dat Hiemstra niet voldeed. Hoewel er onder zijn leiding een derde prijs in de vierde afdeling op een concours in Hasselt werd behaald, liep de opkomst voor de repetities snel terug. Hierop besloot Hiemstra te bedanken als dirigent.
Omdat het dirigentschap van Van de Berg altijd goed was bevallen, werd na rijp beraad besloten hem weer als zodanig aan te zoeken. Onder de voorwaarde dat hij voortaan per tram of per auto mocht reizen, voldeed hij aan dit verzoek. Hierna heeft De Broederband nog vele jaren prettig met hem samengewerkt.
De financiële positie van De Broederband was niet altijd even florissant. Soms was alleen de bodem in de kas zichtbaar. Bij de oprichting werd besloten dat ieder lid zijn eigen studiemateriaal moest bekostigen. Tevens werd een inleggeld van ƒ 5,== gevraagd. Aan contributie betaalden de muzikanten 20 cent in de week. Een belangrijk deel daarvan ging naar de dirigent.
Het ere-voorzitterschap van juffrouw Gulia Palthe bracht ook de nodige centen in de kas. Naast de leden kende de vereniging ook begunstigers. Zij betaalden ten minste 50 cent per jaar en hadden daarvoor, naast een adviserende stem op de jaarvergadering, éénmaal per maand toegang tot de repetities. Verder hadden ze "met een dame vrijen toegang" tot de jaarlijkse uitvoering. Na het vertrek van Scholten, die in de beginjaren de aangewezen persoon was om financiële bijdragen los te peuteren, bracht men de minimum jaarlijkse bijdrage op een gulden. Tot 1930 was het uniform van de muzikanten niet anders dan het zondagse pak. In genoemd jaar, ter gelegenheid van het vijfjarig bestaan, kwam het eerste uniform, de groene pet. Lange jaren was De Broederband alleen aan de petten te herkennen. Toen in 1959 een actie onder de bevolking de nodige gelden bijeenbracht, kon men eindelijk uniformen aanschaffen.
In 1938 vierde De Broederband haar 12 ½ jarig bestaan met een festival, waaraan door verschillende muziekkorpsen uit de omgeving werd deelgenomen. De bevolking van Nieuwleusen liet dit jubileum niet ongemerkt voorbij gaan. Men had de handen ineen geslagen en er voor gezorgd dat er een vaandel aan de vereniging kon worden aangeboden. Voor het korps was dit een volkomen verrassing. De muzikanten waren bijzonder ingenomen met dit fraaie geschenk. De heer F. Vleer werd als vaandeldrager aangesteld.
In de oorlogsjaren zag men zich genoodzaakt de vereniging voor onbepaalde tijd op non-actief te zetten omdat men niet aan de cultuurkamer verbonden wilde worden. Na de bevrijding werd de draad vol goede moed weer opgepakt, eerst nog onder leiding van Van de Berg. Al spoedig nam meester Kist het dirigeerstokje over. Op zijn beurt stelde hij het stokje bij zijn vertrek ter hand van meester Wiersma. In 1950 zou de heer W. Huzen voor lange tijd als dirigent worden aangesteld.


foto: C. Vogelzang

De Broederband omstreeks 1950.


1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  

Meester Wiersma
Albert Timmerman
Frederik Jan de Weerd
Jan Huzen
Jan Thijs Huzen
Albert Masselink
Lammert jan Velthuis
Arend Jan Katoele
Arend Huzen
Klaas Huzen

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

Hendrik Masselink
Peter Kragt
Hendrik Schuurman
Gerrit Vonder
Jan Mijnheer
Frans Masselink
Arend Kreule
Willem Huzen
Hendrik Veyer
Gerrit Mijnheer

De uitvoeringen die De Broederband gaf werden een begrip bij de bevolking. En dat was te merken. Er werden maar liefst vier uitvoeringen per seizoen gegeven. Twee vonden er plaats in Nieuwleusen en twee in Den Hulst. Daarbij was de muziek niet zo erg belangrijk; de toneelstukken waren de klappers van de avond.
Hoe zag zo'n avond er uit? Na de opening door de voorziter een klein stukje muziek en dan werd de avond verder gevuld met toneel. Stukken met diverse titels werden op het toneel gezet. Na de oorlog werden er enkele spelen opgevoerd die terug sloegen op de bezettingstijd. "Plicht of liefde" en "Een vliegtuig vermist" waren zulke stukken.
Omdat er in die tijd geen vrouwen op de muziek zaten, moesten er voor de toneelstukken dames worden aangetrokken. Het zou nog tot 1962 duren voor de eerste vrouw in het muziekkorps werd opgenomen.
Ook voor de begeleiding van jaarlijkse schoolreisjes werd De Broederband aangezocht. Deze schoolreisjes begonnen aan de Lichtmis, waar men op de boot ging om via Hasselt naar Hattem en Giethoorn te varen. De reden waarom het muziekkorps meeging was gelegen in het feit dat het anders zo stil was op de boot. Kennelijk maakten de kinderen vroeger geen lawaai. Of was het juist om ze in toom te houden?
In het voorgaande hebben we getracht een beeld te geven van het verleden van De Broederband, zonder daarbij volledig te willen en kunnen zijn. Zestig jaar is een hele tijd.


(de muziek in het kwartaalblad is niet erg duidelijk, vandaar wat betere informatie op internet gezocht, met links.)





Jaargang 4 nummer 2 juni 1986

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

ZESTIG JAAR HUWELIJKSLIEF EN -LEED _________________________________________________________

Diamanten bruidspaar te Nieuwleusen.

NIEUWLEUSEN. In de Kerkenhoek, naast het postkantoor, woont een diamanten bruidspaar. Het zijn Jan Westerman en Gerritje Dijk, die elkaar op 3 Nov. 1867 (Lees 1877, red.) trouw voor het leven hebben beloofd en die dus a.s. Woensdag het zeldzame feit kunnen gedenken, dat ze dan zestig lange jaren lief en leed hebben gedeeld.
-Koomt 'er mar in, zei Westerman, toen we op een van de mooie herfstavonden van deze week, de weg naar de vriendelijke woning hadden gevonden en de klink van de deur lichtten. We verwachtte oe al.
Dat was het begin van een gezellige avond.....
We schikten aan in een echt huiselijk tafereeltje. Moeder Garregien was met de koffie bezig en de oude baas zat, geholpen door een inwonende zoon, de aardappelen te schillen. We verwonderden ons over de vaardigheid, waarmee hem dit afging. Het beste van de aardappel zit juist onder de schil is een waarheid, die vele huismoeders kennen en als ze de mooie dunne schillen van Westerman gezien hadden, dan zouden ze hem ongetwijfeld een compliment hebben gemaakt. Nu hebben wij, als leek, het maar gedaan. Want verdienen deed hij het.
Wie over het verleden wil praten moet beginnen bij de tegenwoordige tijd. We kregen daarbij gelegenheid ons nog vaker te verwonderen en wel over de buitengewone krasheid en levendigheid van deze 85-jarige, die nog zoveel belang stelt in de gebeurtenissen om hem heen. Het ging eerst over enkele dingen uit de krant, toen over gebeurtenissen in Nieuwleusen en telkens trof ons de rake kijk, die de oude baas op verschillende zaken heeft.
Sommige oude mensen leven in het verleden en ze hebben als het ware hun blik inwendig gericht. Bij Westerman is daarvan geen sprake. Hij leeft met volle belangstelling in het heden en zijn ogen zijn de spiegel van zijn gedachten. Nu eens ernstig en een beetje weemoedig, soms zelfs een tikje geërgerd, maar vaak schalks en wat spottend. Kortom, een man die vele dwaasheden gezien heeft, die het leven kent en die voor zichzelf weet, dat hij het zo goed mogelijk gedaan heeft. En die, gesteund door een sterk geloof, onbekommerd zijn oude dag heeft afgewacht. Want nietwaar: "Wie in zijn jeugd, het pad der deugd, heeft ingeslagen...."
Vanaf zijn dertigste jaar ongeveer is Westerman vrachtrijder geweest. Hij is de oprichter van de bekende vrachtdienst Nieuwleusen-ZwoIIe, die thans door zijn kleinzoon wordt gedreven.
-Toen ik pas getrouwd was, was ik boerenknecht, vertelt Westerman. En voerman. Ik moest een paard houden en ik had er eigenlijk geen voldoende werk voor. Toen kwamen op een goeie dag twee winkeliers bij mij, Stolte en Van Spijker en ze vroegen of ik geen vrachtdienst op Zwolle zou kunnen beginnen, eenmaal per week. Ik had er wel oren naar en ben direct maar begonnen.
Wat was mien vader er eerst op tegen. Ie komt van 't warken af, zei ie, en dan goat 't mis. Dat kwam omdat er een voerman was, die-ie goed kende. Een slimme drinkebreur! A'j de schuppe an 'e kaant gooit, zei mien vader, dan goat het mit oe net zoo. Ik zei: daar ben 'k niet zoo heel bange veur en ik heb het toch moar edoan... En nou kan 'k zeggen, da'k er altied veur bewaard 'ebleven bin. Ik bin nog nooit aanders as aanders thuus 'ekomen... 't is aanders een kwaad vak, want ie kunt ze te veul veur niks kriegen...
Het was in het jaar 1881 dat ik de eerste reis naar Zwolle maakte. In de maand Februari. De Straatweg was nog niet helemaal klaar, want ik ben de eerste drie keren nog over Den Hulst en De Lichtmis gegaan. Ik ging een keer in de week, Vrijdags. Donderdagavonds haalde ik met de hondenkar de bestellingen op uit Den Hulst en Vrijdagmorgens om plm. half vier vertrok ik naar Zwolle met paard en wagen. Ik heb het ook wel eens op andere dagen in de week geprobeerd maar dan kon ik het niet aan de gang krijgen. Maar Vrijdags had ik het druk en ik had heel wat manden met eieren en boter mee te nemen. Een enkele maal ging ik ook wel eens naar Meppel om een vrachtje op te halen, b.v. van de fa. Houwink, maar dat was meer een "bijwarkien".
De reis naar Zwolle duurde ongeveer drie uur. Het werd

Helemaal links is Westeinde 20 waar Westerman woonde.

foto: J. Westerman

Het huis van het echtpaar Westerman dat aan het Westeinde naast het postkantoor stond.

echter altijd langer, want ik werd onderweg nogal eens aangehouden. Voor die moest ik dit meebrengen en voor de ander dat.
Voor een zakkien meel kreeg ik een stuiver.
Nu doet de kleinzoon het met de auto al elf jaar lang, in twintig minuten en hij gaat dan nog de Lichtmis over. Vaak heeft hij 5000 kilo vracht in de laadbak. De wekelijkse dienst is sinds lang een dagelijkse dienst geworden...
Ruim veertig jaar lang trok de grootvader elke Vrijdag met paard en wagen naar Zwolle. Veertig maal was het zomer en dan ging het wel. Maar tachtig maal was het herfst en winter. Vaak gierde de stormwind door de kale bomen en soms spoelde het water over de weg. Soms lag de sneeuw op kniehoogte.
-Toen hadden we nog slimme winters, zegt Westerman. Nou, nou? Het is wel eens gebeurd, dat het water zo hoog over de Vechtbrug stroomde, dat ik terug moest. Soms was het zoo koud, dat ik de hele weg heen en terug moest lopen, om maar warm te blijven. Eén keer moesten ze me, toen ik 's avonds thuis kwam, van de bok tillen, zó stijf was ik.
Ik was meestal 's morgens tegen half acht in Zwolle. Om acht uur was het lossen in de stad. 's Middags om ruim 2 uur werd de terugtocht aanvaard. Om 3 uur ongeveer was ik bij het Plankenloodsje, waar ik bij Van Berkum het paard uitspande en verzorgde.
Ik kwam daar eens aan, toen een luidruchtig gezelschap binnen aan het ruzie maken was. De oude Van Berkum had net de zaak een beetje "leeggeruimd" toen ik in de deur verscheen. "lee d'r in", riep ie. Hij trok mij de gelagkamer binnen en deed de deur op slot. Ik kon er pas weer uit komen, toen ik zei, dat ik even naar mijn paard moest. Toen ik eenmaal buiten was, riep ik, dat hij nu de deur wel weer op slot kon doen. Wat was die oude Van Berkum kwaad...
Ongelukken? Nee nooit. Ja één keer. Ik had toen een jong paard voor de wagen, dat onderweg schrok voor een varken. Het sprong pardoes in de sloot en ik erbij.
Anders heb ik bij de weg nooit ongelukken gehad.
Het leven was niet altijd gemakkelijk. Ik heb veel tegenslagen gehad. Het huis is een keer helemaal afgebrand, er is vaak vee gestorven en wel eens een paard...
Als het in het achterhuis blijft is 't wel erg, maar niet onherstelbaar. Maar als de dood in het voorhuis komt, dan blijven de stoelen altijd leeg... Er zijn drie Trijntje's uit mijn huis gedragen, twee dochters en een schoondochter...
-Hij gaat nog elke Vrijdag met me mee naar Zwolle, zegt de kleinzoon. Hij zit dan naast me in de cabine. En secuur dat-ie nog is...
-Ja, lacht de oude baas. Als de zaak niet klopt, dan slaap ik niet gerust. lk kan aan de eierenmand zien, van welke boer ze is. Ik had vroeger een mand, daaraan kon ik het alleen al ruiken... En nòg breng 'k mit de handkarre vaak de boodschappen rond...
Mar now kan 't wel zoo zachies-an. Loa'we now mar ies koffie goan drinken.
We staken ons boekje weg en bleven nog eenige tijd "inof- ficieel", zooals dat heet, bij elkaar.
Om tenslotte afscheid te nemen met de wens dat Westerman en zijn vrouw nog vele jaren voor elkaar behouden mogen blijven. En dat hij zich nog lang daadwerkelijk zal mogen bemoeien met de vrachtdienst Nieuwleusen-ZwoIle.

(Uit de Meppeler Courant van vrijdag 29 oktober 1937)

* * *

MET KLAASJE KREULEN OP DE FOTO _________________________________________________________

Klaasje Kreulen werd geboren in 1839. Op 10 maart 1869 trouwde ze met Arend van Spijker, geboren in 1829. Samen bewoonden ze de boerderij op de Nijmansplaats aan het Westeinde, ten westen van die van Grit. De boerderij stond met de achterkant naar de straat en is later afgebroken.


Foto: A.J. van Spijker

Links van Klaasje Kreulen staat Jan Thijs van Spijker. Hij werd geboren in 1873, huwde wel maar bleef kinderloos. Rechts zien we Gerrit van Spijker, geboren in 1878. De na- komelingen van Gerrit waren hier goed bekend als de "Spiekerpotties".
Van Klaasje Kreulen is bekend dat zij altijd een zak met rijksdaalders bij zich droeg.

* * *

IETS OVER DE MARKE ROSENGAERDE _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Het grondgebied van de gemeente Nieuwleusen ligt op het noordelijk deel van de vroegere marken Rosengaerde en Leusen. De grens tussen beide marken lag ongeveer op de plaats van de huidige Jagtlusterallee.
De marke Rosengaerde lag ten noorden van de Vecht en strekte zich uit tot aan de Beentjesgraven. De gronden werden door de boeren gemeenschappelijk gebruikt en behoorden bij de boerderijen in de buurschappen Ankum, Gerner, Oosterdalfsen en Welsum. Het eigendom was in handen van voornamelijk adel en geestelijkheid. Het deel van de gezamenlijke markegrond waarop de eigenaar of erfgenaam recht had, heette een waardeel of waar. De marke Rosengaerde kende 76 waren. Dat wil niet zeggen dat er op het moment van de verdeling 76 eigenaren waren; door o.a. verkoop en vererving kan dat aantal anders zijn geweest. De marke telde oorspronkelijk echter wel 76 eigenaren.
Na de bedijking van de meeste rivieren in Overijssel oefende de landsheer (dat was de bisschop van Utrecht) grote aandrang op de eigenaren uit om de gemeenschappelijke gronden te gaan verdelen. De bisschop had daar groot belang bij omdat hij bij de verdeling recht kon doen gelden op een tiende deel, de zogenaamde voorslag, van de totale in gemeenschappelijk gebruik zijnde gronden. Dit was dus een soort belasting.
Alvorens tot verdeling te kunnen overgaan, was de goedkeuring van de meerderheid van de eigenaren nodig. De gebruikers werd niet om hun mening gevraagd. Toen het besluit omstreeks 1400 was genomen, kon de schout met de uitvoering worden belast. Hij liet zich bijstaan door de landmeter Hendrick Boldewenssoen. Deze moest allereerst de totale oppervlakte bepalen, waarna het bisschoppelijk voorslag kon worden vastgesteld. De te verdelen gronden hadden een oppervlakte van 4800 ha. en het gebied bestond uit weilanden, veen en woeste gronden.
De boerderijen hadden voor hun bedrijfsvoering behoefte aan verschillende soorten gronden: weide- en hooilanden, bouwakkers, veen om turf te kunnen steken en heide voor


het steken van plaggen voor de mest. Om alle erfgenamen een gelijk deel van de verschillende gronden te doen toekomen, verdeelde Boldewenssoen het gebied eerst in elf blokken. De blokken "die Hoeven" en "die Nederste Hoeven" waren bestemd voor de bisschop en bestonden voornamelijk uit weidegronden evenals dat het geval was met de blokken "die Olde Roesengaerde" en "die Nije Roesengaerde". "Die Plagghen Slage" werd gebruikt voor het steken van heideplaggen. Als hooiland werden "die Wester Hoijslage" en "die Oester Hoijslage" gebruikt, terwijl in "dat Groete Hermelen" turf werd gegraven. Dan waren er verder nog twee blokken met woeste gronden: "de Hoge Ruthe", ook wel "de Hoge Holt" genaamd vanwege de houtopstanden, en "Spijkerbaer Broick", een vrij drassig gebied.
"Dat Groete Hermelen" bestond uit twee blokken die gescheiden waren door een gebied dat werd aangeduid als zijnde van "der Stadt" en "mijns Heeren Slach". Deze percelen, die buiten de blokken van 76 waren lagen, behoorden toe aan de stad Zwolle en aan de Bisschop van Utrecht. Zwolle had het belang van dit veengebied voor zijn energievoorziening ingezien en in 1416, met toestemming van de bisschop, een gracht (der Stadt Grave, ook wel Hermelijn genoemd) laten graven. De gracht diende niet alleen voor het vervoer van turf maar zorgde ook voor een verbetering in de afwatering. De beide percelen, respectievelijk 120 en 60 hectare groot, moeten als tegenprestatie gezien worden.
Nadat de bisschop zijn voorslag had gekregen, werden de resterende blokken, waarvan er enkele een grillige vorm hadden, onder de 76 erfgenamen verdeeld. Hierbij moet worden aangemerkt dat de hoge Rute en Spijkerbaar Broek als één blok in de verdeling werden opgenomen. Sommige blokken bestonden uit 76 kavels, andere uit 38 waarbij in elk perceel 2 waren kwamen te liggen, in totaal dus weer 76 waren. Ook waren er blokken met 19 kavels à 4 waren. Elk der erfgenamen kreeg door loting zijn waardelen toegewezen.
De marke Rosengaerde ressorteerde aanvankelijk onder het schoutambt van Dalfsen. In 1434 werd een deel, namelijk de Rute en de Hermelijn, aan dit schoutambt onttrokken en toegevoegd aan dat van Zwolle. Dit gebeurde door Rudolph van Diepholt als dank voor de steun die de stad Zwolle hem bij zijn verkiezing tot bisschop van Utrecht had verleend. In het gebied van "die Hoge Ruthe" vond in het volgende jaar de eerste particuliere ruilverkaveling van ons land plaats. Het betrof zuiver een ruiling van gronden en niet een verkaveling zoals wij die nu kennen. De initiatiefnemer was het in het kerspel Zwolle gelegen aan St. Agnes gewijde klooster op de Nemelerberg in de buurschap Bircmede (Berkum). Bij de verdeling van de marke Rosengaerde waren de door schenkingen, door het klooster verkregen waardelen, niet tot een aaneengesloten gebied gevormd, maar verspreid over de Rute blijven liggen. Vanwege die verspreide ligging was het niet mogelijk de gronden efficiënt te exploiteren. De kloosterlingen zochten daarom een oplossing in de vorm van kavelruil met diverse andere eigenaren van gronden in het zelfde blok. Op deze manier slaagde het klooster er in 1436 in om een aaneengesloten gebied van 50 ha. te verkrijgen.

* * *

MET VOLLE VAART _________________________________________________________

Joh. Bouwman

Het is al weer bijna veertig jaar geleden dat er een revue onder de titel "Met volle vaart" werd opgevoerd in café Schoemaker in de Kerkenhoek. De aanleiding was het 40-jarig bestaan van de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek "Onderling Belang". Misschien zullen veel mensen zich de revue nog wel herinneren, vooral ook omdat die nogal succes had. In totaal moesten er elf opvoeringen voor het voetlicht worden gebracht. De eerste was op 7 oktober 1947. Schrijver en regisseur was de heer H. Bomhof, terwijl de heer J. van Neck de muzikale leiding had. Beide heren kwamen uit Apeldoorn. De decors waren van J. Masselink uit Den Hulst. Aan de revue werd door 21 dames en 21 heren deelgenomen.


foto: Joh. Bouwman

Een scene uit de revue met van links naar rechts ?, ?, A. Prins, Divertje Schuurman, Harm Bouwman, ?, Joh. Bouwman en Rieka Pessink.

Naast de sketches werden er diverse liedjes gezongen. Eén daarvan was het "Nijlusens lietien”. Ter gelegenheid van Nieuwleusen 350 jaar is dit liedje met een gewijzigde tekst door de Yellow Stars op de plaat gezet.
De oorspronkelijke tekst werd door schrijver dezes in de revue gezongen.
Enkele leuke herinneringen aan de uitvoeringen wil ik U niet onthouden. Op een van de avonden werd er erg gelachen om Arend Prins. Na zijn optreden kwam hij achter de coulissen en glunderde omdat hij het zo goed gedaan had. Tijdens zijn optreden droeg hij een geleende erg nauwe broek en toen we die zagen, begrepen we pas waarom het publiek zo had gelachen. Het hele kruis lag uit de broek. In die tijd was men nog erg kuis. De kleedkamers van de dames en heren waren door een los kleed van elkaar gescheiden. Tijdens één van de uitvoeringen gebeurde het: Rieks Kamerman moest zich verkleden en in een nogal ouderwetse krappe broek stappen. Daarbij verloor hij zijn evenwicht en belandde in zijn lange onderbroek met gordijn en al tussen de dames. Wat hebben we toen gelachen, zo erg zelfs dat de regisseur op een gegeven moment met een rood hoofd binnenstormde en brulde dat wij ons rustig moesten houden omdat de spelers op het toneel niet meer te verstaan waren.

* * *

NIJLUSENS LIETIEN _________________________________________________________

H. Bomhof

Woar of ik ooit mag komen of reizen wied in 't rond,
Ien plekkien ol ik oge, doar lig mien vaar zien grond!
Doar bint mien geile weiden, woar kieft' en leeuwruk vlug,
Doar oasemt blij mien böste Nijlusens vrije lucht!
Doar gruûjt de bärkebomen fris an de waterkaant,
Ligt 't mooiste schilderrijchien van eel oews Nederlaand!

In d' uutgestrekte weiden löp glanzend zwätbont vee!
Nijlusen, wat bi'j' ienig in al oew rust en vree!
Woar beste boerderijen in 't gruun verscheulen stoat,
De meule drèjt zo zuûties al joar op joar zien zoad,
An d'Ommerdiek 't febriek stiet woar vette melk hen giet,
Doar 's Overiessels lusthof, 't durp dät Nijlusen hiet!

De meensen bint der wärkzaam, zie boert met stoere moed,
Veur God brenk z' alle zörgen, zo lèèf z' eur lèven goed!
Ze geef zich niet zo makluk, mär eerlijk bint z' en echt,
As 't mut dan wilt ze strieden voor vrieheid en veur recht!
Woar of ik ooit mag komen of reizen wied in 't rond,
Dät plekkien ol ik oge, doar lig mien vaar zien grond!

In grote en kleine lasten, in bliedschap en in rouw,
Trekt 't hät mie noa Nijlusen, dät durpien blief ik trouw!
Ik bin doar zo gelukkig, woar niks de rust versteurd,
Woar 't wûulen van de wereld de vrede nooit bereurt!
Zo veule goeje dingen van vrogger en van nou
Lacht steeds uut 't Old Nijlusen mij vrendluk neugend toe!

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO III _________________________________________________________

foto: E. Westerman


Ditmaal een foto met de leerlingen van de school in Ruitenveen omstreeks 1920.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  

Meester van Ingen
Gerrit Gerrits
Willempje Meulenbelt
Annigje Meulenbelt
Dina Brinkman
Derk van Duren
Berend Jan Reuvers
Arend Brouwer
Janna Alteveer
Hilligje Alteveer
Margje Meulenbelt
Rika Brinkman
Jentje Spijker
Klaas Spijker
Gerrit Willem v Lenthe
Egbert Westerman
Hendrik Seinen
Jentje Timmerman
Meester Belt

20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  

Arend de Boer
Rika Zieleman
Derkje van Lenthe
Truida Masselink
Willem Borger
Hendrik Jan Seinen
Janna Klomp
Niesje de Boer
Aaltje Seinen
Hendrik Masselink
jan Klomp
Hendrik Klomp
Mientje van Duren
Hilligje Beumer
Femmigje Westerman
Hendrik Jan Klomp
Jan van Duren
Aaltje van Duren

* * *

MANNENKOOR TE RUITENVEEN _________________________________________________________

G.H.


Wie thans in Nieuwleusen lid wil worden van een vereniging kan een keuze maken uit een grote verscheidenheid aan verenigingen, zoals muziek- en zangvereniging, plattelandsvrouwen- of schietvereniging, onze eigen vereniging Ni’jluusn van vrogger en alles wat er nog meer bestaat. Hoe groot deze mogelijkheden in 1900 waren, is ons (nog) niet bekend. Toch waren er toen ook al verenigingen waar men lid van kon worden. Van ons lid A.J. van Spijker kregen we een reglement zoals men dat opstelde bij de oprichting van een mannenkoor op het Ruitenveen. Onderstaand volgt het 27 artikelen tellende reglement:

Art. 1 Alhier is in Oct. 1900 een mannenkoor opgericht, welke
           zich ten doel stelt, het oefenen van den zang onderling.
Art. 2 Het gezelschapsjaar begint 1 Oct. en eindigt 30 Sept. Dan
           kunnen zij als lid worden toegelaten, die den leeftijd van
           16 j. bereikt hebben.
Art. 3 Het bestuur bestaat uit President, Secretaris en
           Penningmeester.
Art. 4 Bestuursleden moeten door en uit de werkende leden
           worden benoemd. Elk aftredend lid (bestuurs) blijft in
           functie, tot zijn opvolger de benoeming heeft aanvaard.
Art. 5 Elk jaar treden de bestuursleden af, die terstond
           herkiesbaar zijn.
Art. 6 De werkzaamheden van het bestuur bestaan uit:
           a. de uitvoering van het reglement en verdere besluiten.
           b. het nemen van zodanige maatregelen, welke geacht
           worden in 't belang van het gezelschap te zijn en waarin
           het reglement niet voorziet.
Art. 7 Behalve de gewone werkzaamheden, aan de betrekking
           verbonden, hebben bestuursleden nog de volgende
           bijzondere werkzaamheden, omschreven in de volgende
           artikels.
Art. 8 Voor den President. Het presideren (leiden) van alle
           vergaderingen.
Art. 9 Voor den Penningmeester. Het doen van rekening en
           verantwoording met overlegging van alle stukken, ieder
           jaar, en wel in September. Het geven van inlichtingen
           over de geldelijke toestand, zovaak het bestuur dit nodig
           acht.
Art. 10 Voor den Secretaris. Het bijhouden van een naamlijst
             der leden; het mededelen van de voornaamste besluiten
             der bestuursvergaderingen aan de leden en het geven
             van een verslag over den toestand van het
             gezelschapsjaar in de maand September.
Art. 11 De voorganger of directeur wordt door de werkende
             leden benoemd.
Art. 12 Bij ziekte of afwezigheid geeft hij daarvan
             vroegtijdig kennis aan het bestuur of stelt met
             goedvinden van het bestuur een plaatsvervanger, die
             dezelfde rechten en verplichtingen heeft.
Art. 13 Hij regelt de partijen, de plaatsing der leden enz., alle,
             zoals hij in 't belang eener goede uitvoering nodig acht.
Art. 14 Is een lid verhinderd de vergadering bij te wonen, dan
             geeft hij daarvan schriftelijk of mondeling kennis aan
             één der bestuursleden. Bij niet kennisgeving indien hij
             niet wettig verhinderd is, betaalt hij, een boete van 5
             cent en elk lid, dat zonder kennisgeving 4 weken de
             vergadering verzuimt, wordt niet meer als lid
             aangemerkt.
Art. 15 Een lid, dat 5 minuten te laat ter vergadering komt,
             zonder kennisgeving of wettelijke reden, of voor de tijd
             de vergadering verlaat, betaalt 3 cent boete.
Art. 16 Het is den leden verboden, gedurende de oefening te
             roken of tabak te gebruiken. In de pauze is het
             geoorloofd, mits er niet op de vloer wordt gespuwd.
             Wie zich aan overtreding schuldig maakt, betaalt 3 cent
             boete.
Art. 17 Belangstellenden worden tegen betaling van 3 cent
             toegelaten op de gewone vergaderingen en moeten zich
             aan art. 16 onderwerpen.
Art. 18 Verder vervallen in een boete van 3 cent degenen, die op
             de banken lopen, muren of banken bekrassen; die niet
             voldoet aan art. 19 of tijdens de vergadering vloekt.
Art. 19 Na afloop van elke vergadering wordt door twee leden,
             ieder op zijn beurt, de school geveegd en wel zo, dat
             de president er geen aanmerkingen op behoeft te maken.
Art. 20 De leden betalen een contributie van 10 cent in
             de maand en zijn verplicht zich zelf de benodigde
             boeken aan te schaffen.
Art. 21 Zij, die wensen op te houden als lid, dienen daarvan
             kennis te geven aan het bestuur.
Art. 22 Zij, die lid wensen te worden, geven zich daarvoor aan
             bij het bestuur. In de eerstvolgende vergadering wordt
             door de leden over hen gestemd. Zo zij meer dan de
             helft der stemmen op zich verenigd hebben; worden zij
             als lid toegelaten.
Art. 23 leder lid moet een afschrift van dit reglement in bezit
             hebben.
Art. 24 Ieder werkend lid verbindt zich tot handhaving van deze              zangvereniging.
Art. 25 De volgende vergaderingen kunnen worden gehouden:
             a. bestuursvergaderingen. b. gewone vergaderingen,
             c. buitengewone vergaderingen. d. huishoudelijke
             vergaderingen.
Art. 26 De secretaris is verplicht, belangstellenden bekend te
             maken met art. 16 en 17.
Art. 27 Die onder het zingen baldadigheid uitvoert vervalt in 3
             cent boete.
                                    Aldus vastgesteld en goedgekeurd in
            de vergadering van 11 Nov. 1900 met de bepaling, dat
            het direct in werking zal treden.
                                    Namens het bestuur
                                    K. Klunder President
                                    A. van Spijker Secretaris
                                    B. Stolte Penningmeester

Veel is er nog niet bekend over dit mannenkoor. Bij de vele naspeuringen die we gedaan hebben, bleken de oudere Nieuwleusenaren zich weinig of niets van dit koor te herinneren. Het enige dat we gehoord hebben, is dat men op zondagavond in de school vergaderde. Sommigen van hen gingen na afloop naar huis om de hond op te halen om dan op bunzingjacht te gaan. In die tijd werd er voor een bunzing goed betaald, ongeveer ƒ 3,50 per stuk.
Omdat veel mensen zich nog wel herinneren dat de Hazeuzangers aan huis zongen en in dit reglement sprake is van een school, kan dit reglement niet van hen zijn. Wel wisten sommigen nog te vertellen dat er zowel in de westerse school als in de oosterse school een koor was. Het oosterse koor werd ook wel "de rooie zang" genoemd, waarom is niet bekend. Beide koren gingen lopende en zingende elkaar tegemoet om dan samen verder te zingen. Daarna ging ieder weer zijn eigen weg.
Van Thijs Brasjen kregen we een lied dat gezongen werd aan het einde van deze avonden. Volgens hem gebeurde dit bij het mannenkoor (waar zijn broer heen ging), maar ook wel bij de Hazeuzangers waar hij lid van was.
Dit lied dat buiten werd gezongen laten we tot slot volgen:

             Laat ons met volstrekte zinnen,
             deze slotzang weer beginnen,
             't is met lust volbracht,
             't is met lust volbracht.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES II _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

A'j zo begrips waarn, as de'j begaaps bint, dan lu' j gien snippe an de weg lig'n.

Indien u zo verstandig was als dat u nieuwsgierig bent, dan liet u nog geen drol aan de weg liggen. Dit werd tegen zeer nieuwsgierige mensen gezegd.


Jaargang 4 nummer 3 september 1986

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Havezathe Haerst in Zwollerkerspel, woonplaats van de familie Van Haersolte
Foto: Rijksdienst voor de Monumentenzorg, Zeist

* * *

HET ONTSTAAN VAN DE LEUSENER VERVE- NINGSCOMPAGNIE _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

Inleiding

In 1982 werd het feit herdacht dat 350 jaar eerder de aanzet werd gegeven tot het ontstaan van Nieuwleusen. In menig gedenkschrift werd weer gewag gemaakt van de vijf "erfgenamen" of "eigenerfden" uit de marke Leusen die in 1630 een compagnie oprichtten teneinde de ontginning ter hand te nemen van de Woeste gronden ten noorden van Leusen. De vijf deelnemers, ook wel de "participanten" genaamd, vroegen de provinciale overheid (de Ridderschap en Steden van Overijssel) om vrijdom van belasting voor het te ontginnen gebied. Dit werd toegestaan en zo kon het gebeuren dat er binnen enkele tientallen jaren een nieuwe nederzetting ontstond die tot grote bloei werd gebracht en de plaats waar haar oprichters vandaan kwamen, in grootte en inwonertal overvleugelde. Ter onderscheiding van het moederdorp ging de plaats Nieuwleusen heten. Steeds wanneer het ontstaan van Nieuwleusen ter sprake komt wordt deze geschiedenis verhaald en herhaald. De vraag is in hoeverre deze gegevens feiten zijn. Weliswaar verschaft de raadpleging van literatuur over de "geboorte" van Nieuwleusen wat meer inzicht maar een volstrekt helder beeld is daarmee nog niet verkregen.
De auteur van dit artikel, wiens achternaam vermoedelijk in verband staat met de vroegere werkzaamheden van de Leusener verveningscompagnie, heeft in een aantal archieven een voorlopig onderzoek verricht naar het ontstaan van Nieuwleusen. In bijgaand artikel wil hij verslag doen van het resultaat van zijn onderzoek waarbij de nadruk ligt op het gevondene in het huisarchief-Batinge dat bij het Rijksarchief in Drenthe berust. Dit archief bevat vele belangwekkende bescheiden betreffende Nieuwleusen die door vererving hierin terecht gekomen zijn. Voorshands zal alleen ingegaan worden op twee vragen: wanneer werd de compagnie opgericht en wie waren haar oprichters. Tenzij anders vermeld verwijzen de aangehaalde inventarisnummers naar de inventaris van het Batinge-archief, samengesteld door H. Joosting (Assen, 1910).

De oprichting
De woeste gronden die ten noorden van de marke Leusen lagen en in bezit waren van de erfgenamen of eigenerfden van Leusen, waren in de 12e en 13e eeuw door de bisschoppen van Utrecht in pacht uitgegeven. Tot de 17e eeuw werd eigenlijk niet naar dit gebied omgekeken maar toen de bevolking zich uitbreidde en er meer behoefte kwam aan landbouwproducten staken een vijftal erfgenamen uit Leusen de hoofden bij elkaar en overlegden hoe de woeste gronden vruchtbaar gemaakt konden worden. In de loop van 1630 besloot men om zich te verenigen in een sociëteit of compagnie. Nog voordat de compagnie in 1631 officieel werd opgericht ging men in november 1630 al over tot de koop van enkele erven.
Van belang is in dit verband een passage in een archiefstuk dat getiteld is: "Cooppenningen ende Staet wat costen de Lussener goederen van de Compagnie", en in circa 1643 ontstaan is (inventarisnummer 650). Die passage luidt als volgt: "De Participanten van de Luessener Compagnie hebbe aengekoft deze naebenoemde goederen. Opten 7. November 1630 gekoft vanden heere Ripperda den hooff to Luessen ofte Roelevinck, het erve Roelinck, Engbert Geerts erve, met 4 waeren to saemen voor Car.g. 14500". Elf dagen later kocht de compagnie-in-oprichting van kapitein Baecke de helft "vande Baecken Meele". Hieruit blijkt dat in 1630 Ripperda de bezitter van de hof van Leusen was. Deze Ripperda behoorde echter niet, zoals wel werd aangenomen, tot de deelnemers (participanten) in de compagnie.
In een kopie van de akte met de voorwaarden waaronder in 1633 een zesde participant tot de compagnie wordt toegelaten, wordt de oprichtingsdatum van de compagnie als volgt in een zin vermeld (inventarisnummer 648): "...aennemen ende beteikenen het Contract van de Sociëteit opten 8/18. Januarij Anno 1631 tusschen ons bij t oprichten van de Compagnie beraempt..". Omdat Overijssel in 1631 nog de oude Juliaanse tijdrekening kende en Holland en Zeeland al de nieuwe of Gregoriaanse kalender aanhielden en daardoor tien dagen voorliepen op de rest van het land wordt door middel van "8/18" aangegeven dat het ten tijde van de oprichting in Overijssel 8 januari was en in Holland en Zeeland 18 januari. Het was dus op zaterdag 8 januari 1631 dat de compagnie officieel werd opgericht. De oprichtingsakte zelf is overigens (nog) niet gevonden.
In hetzelfde stuk wordt de doelstelling van de compagnie als volgt omschreven: "Alsoe bij ons ondergeschrevenen ingegaen in seckere societeit ofte Compagnie tot ancopinge ende vercopinge van enige landen ende veenen, tot welcken einde ook alrede bij ons verscheiden goderen ende landerijen gecoft, een grifte begonnen ende se(e)cker accort op t stuck vande duervaert mette Stadt Hasselt gemaeckt". Met die "grifte" wordt zeer waarschijnlijk de Beentjesgraven bedoeld, die een waterverbinding tot stand bracht vanuit het te ontginnen gebied naar de stad Hasselt en diende voor de afvoer van de turf (zie het boek van L.F. Teixiera de Mattos, De Dedemsvaart, Zwolle, 1903, pag. 6-9).

De oprichters
De akte waarbij in 1633 een zesde deelnemer in de compagnie wordt opgenomen, is door vier van de vijf participanten die dan de compagnie vormen, ondertekend. Het zijn: Sweder van Haersolte, Rutger van Haersolte, Herman Roelinck en Jacob Wijfferdinck. De vijfde participant was zeer waarschijnlijk Herman Bloemert, getuige een vermelding in een akte uit 1639 waarbij het bezit van de compagnie bij loting over de (dan zes) participanten wordt verdeeld en ook de weduwe van wijlen Herman Bloemert een deel krijgt toegewezen (inventarisnummer 647).
Sweder van Haersolte tot Swaluenborch en Oosterveen, (1582-1643), drost en landrentmeester van Salland, had zitting in het college van Ridderschap en Steden van Overijssel en vertegenwoordigde vanaf 1621 dit gewest bijna ononderbroken in de Staten-Generaal. Namens dit college ondernam Sweder, die de protectie genoot van prins Maurits, een aantal diplomatieke zendingen die hem o.a. naar Denemarken, Brandenburg, Engeland en Frankrijk brachten. Het belangrijkste, mede door hem behaalde succes was het sluiten van het Offensief en Defensief Verbond dat op 8 februari 1635 met het Frankrijk van Richelieu werd gesloten. In 1640 werd het recht van Havezathe door Sweder verlegd van zijn landgoed in Dieze naar de havezathe Oosterveen van zijn zoon Rutger, die de kern zou gaan vormen van het latere Nieuwleusen.
Sweder was gehuwd met Johanna van Doorninck en werd in 1606 vader van genoemde Rutger, die in 1631 ook deelnemer in de compagnie werd. Deze Rutger van Haersolte, heer van Haerst, Oosterveen en Staverden, (in sommige literatuur aangeduid als "de beruchte drost van Lingen"), was een gunsteling van prins Frederik Hendrik, die hem in 1632 het drostambt van Lingen gunde. In 1639 volgde zijn benoeming tot landrentmeester van Salland. In 1654 werd Rutger door een kleine meerderheid van de Overijsselse Staten benoemd tot drost van Twente, hetgeen zo'n grote commotie veroorzaakte dat de benoeming drie jaar later, mede door toedoen van de anti-prinsgezinde Johan de Witt, weer werd ongedaan gemaakt. Zo werd Rutger in die tijd o.a. van omkoperij, meineed en zelfs moord beschuldigd. Na zijn benoeming in 1660 tot drost van Salland ontstonden er wederom moeilijkheden waarbij zijn grote tegenspeler Adolph Hendrik van Raesfelt was.
Op 21 december 16714 overleed Rutger van Haersolte.
Herman Roelinck was griffier van de Staten van Overijssel van 1613 tot 1652. Hermans vader, Derk Roelinck, had deze functie eveneens bekleed en ook de zoon van Herman die ook Derk heette zou later griffier van de Staten worden. Op 7 juli 1616 huwde Herman met Elisabeth Machtelt Ripperda en kocht in 1622 "Vechterweerd".
Van hen afkomstig zijn de wapens boven de preekstoel in de Hervormde kerk in Nieuwleusen. Van zoon Derk, die gehuwd was met Machteld Bueker, stamt de klok met randschrift in de toren van dezelfde kerk.
Jacob Wijfferdinck wordt hier en daar als commies aangeduid. Van hem was de grond afkomstig waarop in 1658 een school werd gebouwd, waardoor zijn erfgenamen niet in de kosten voor het schoolgebouw hoefden bij te dragen.
Herman Bloemert tenslotte was een burgemeester van Hasselt.

Reeds op 9 januari 1633, twee jaar na de oprichting, werd het aantal deelnemers in de compagnie uitgebreid met Rudolph van de Clooster tot de Grote Weede, die als zesde participant tot de compagnie toetrad. Hij was in 1628 hoogschout van Hasselt geworden. In 1638 overleed hij waardoor vele archiefstukken zijn ontstaan die de verdeling en overdracht van zijn deel in de compagnie regelden. En juist deze bescheiden hebben ons in staat gesteld om te weten te komen wanneer de compagnie is opgericht en wie haar in het leven hebben geroepen.

Belastingvrijdom
In de jaren na de oprichting breidt de compagnie haar bezit gestaag uit. Vele erven worden aangekocht en griften, verlaten en wegen gegraven en aangelegd. In 1635 wenden de erfgenamen van Leusen (onder wie de zes participanten) zich tot de Ridderschap en Steden van Overijssel en vragen in hun verzoekschrift om vrijstelling van belastingbetaling voor de te verwachten opbrengsten uit het nog in cultuur te brengen gebied. Bij Besluit van 20 maart 1635 willigen de Provinciale Staten dit verzoek in voor de tijd van 20 jaar. Het antwoord op het (niet teruggevonden) verzoekschrift luidt als volgt:

Opte Requeste(l) van de Erffgenaemen van
Luessen versoeckende voor een geruij-
men tijt van 25 jaeren meer ofte
min, vrijdom ende exemptie(2) van im-
positien(3) ende schattingen over de wilde
woestenije ofte achterste vhene
met sijn toebehoor t welck sij meenen
te brengen onder cultere om ge-
bouwet ofte geweijdet te mogen
worden Sonder dat daeronder ge-
mient wort de reste van de bour-
schap ofte marcke de gebouwet
gehoijet ofte geweijdet wort
daervan supplianten(q) willich syn te dragen
de schattongen ende impositien ge-
lijck sij nu daerop staen ofte nae-
maels daerop gestelt sullen worden
tendeerende(5) alsoo het versoeck van
supplianten niet tot eenige verminder-
onge van het tegenwoordige, maer
alleene tot bevrijnge van t geene
daer noch niet genooten wort.


Het laatste deel van het besluit van 20 maart 1635, waarbij Provinciale Staten het verzoek om belastingvrijdom inwilligden.

                                    Wort den supplianten geaccor-
                                    deert exemptie voor den
                                    tijt van twintich jaeren
                                    van alle schattingen uijt-
                                    besondert van consumptie(6)
___________
(l) verzoek
(2) uitzondering
(3) belasting
(4) verzoekers, vragers
(5) strekking of bedoeling hebbende
(6) verbruik van goederen

En toen stond niets de ontplooiing van de compagnie, en dus van de nederzetting waaruit Nieuwleusen is ontstaan, meer in de weg!




* * *

EEN MEISJESCLUB _________________________________________________________

Vroeger kwam het nog wel eens voor dat een groepje meisjes een clubje oprichten met het doel om zich gezamenlijk te wijden aan allerlei nuttige zaken zoals handwerken en dergelijke. Meestal zocht men dan ook iemand die de meisjes in deze zaken kon inwijden.

Omstreeks 1926 vormden de dames op bovenstaande foto zo'n clubje. V.l.n.r. zijn dat Annigje van Ankum, Dina Bouwman, Mevrouw Hekman-Veldhuis, Jentje van de Vegte en Jentje Bouwman.


* * *

BIJGELOOF _________________________________________________________

Kabé

In mijn jeugdjaren, een dikke zestig jaar geleden, was het bijgeloof nog lang niet verdwenen. In de verhalen die hierover de ronde deden, namen dieren een belangrijke plaats in. Zo waren er honden die konden praten en de mensen waarschuwen tegen zondige praktijken.
lk herinner mij nog goed een verhaal dat over dikke Hendrik werd verteld. Dikke Hendrik was een gezeten boer van de "lège kaante". Daarmee werd Mastenbroek en omgeving bedoeld. Daar hadden vele inwoners van Nieuwleusen nogal nauwe betrekkingen mee. Veelal kwamen de boerenknechten en -meiden die in Mastenbroek dienden uit Nieuwleusen. De Mastenbroeker boeren hadden graag dienstvolk daar vandaan, want die werkten hard en waren bescheiden in hun eisen.
Zoals gezegd, "dikke Hendrik" was een welgestelde boer. De naam "dikke Hendrik" liet hij zich met welgevallen aanleunen. Wanneer iemand dik was, dan was dat een teken dat hij zich kon veroorloven het werk over te laten aan zijn ondergeschikten en zelf een goed leventje te leiden met het brengen van bezoeken aan de wekelijkse markten in Kampen en Zwolle.
"Dikke Hendrik" had één groot gebrek. Hij was verslingerd aan het kaartspel. Dat was in die tijd een groot kwaad, want het spreekwoord zei: kaartspelers en dobbelaars zijn grote zondaars.
Enkele avonden in de week ging Hendrik naar zijn grote vriend in het kwaad Derk de streuper. Derk deed alles wat verboden was, dus ook kaarten. Tot laat in de avond zaten beiden te kaarten. Daarbij dronken ze ook wel een neutje.
Op een avond ging Hendrik laat, en lichtelijk aangeschoten, naar huis. Op het bruggetje over de wetering komt hij Fikkie, het hondje van de buurman, tegen. Hendrik was in een jolige bui en vroeg: "Zo Fikkie, waor wil ie naor toe?" "Hen koarten", antwoordde Fikkie. Hendrik sloeg de schrik om het hart en ziet er een teken van hogerhand in dat hij op de verkeerde weg is. Nooit heeft "dikke Hendrik” meer een kaart aangeraakt.
En het verhaal eindigde vaak met: "'t Is waor gebeurd, want Fennechien van mien Jan-oom dient an de lège kaante en die kent dikke Hendrik goed". Erg geloven deed je het verhaal wel niet, maar je kon er ook zo maar niet aan voorbij gaan. Er kon wel eens iets van waar zijn. Het was een beetje griezelig!

Een ander verhaal met een hond als onderwerp, speelde zich in de kerstnacht af. Je mocht dan niet naar buiten, want je liep dan de kans "Derk met de hunties" tegen te komen. Als je die tegenkwam, dan nam hij je mee.
Dit verhaal was meer bedoeld om de kinderen bang te maken. En bang was je toen wel!

Het gehuil van een hond was een kwaad voorteken. Het gebeurde wel eens, dat een hond op een donkere avond ergens zat te huilen zoals wolven dat ook wel doen. Wanneer zoiets zich dan enkele keren herhaalde, was dit een teken dat er binnen niet al te lange tijd een sterfgeval zou plaatsvinden.

Bij de geboorte van een veulen moest de nageboorte hoog in een boom worden gehangen, anders liep je de kans dat het veulen dood ging. Hoe hoger in de boom, hoe beter. Hendrik Jan geloofde er niet erg in; hij begroef de nageboorte. Het veulen ging dood. Men kon toch beter maar het wisse voor het ongewisse nemen!

In de verhalen over bijgeloof namen de vogels ook een belangrijke plaats in. De katuil was zo'n geheimzinnig dier. Wanneer die ergens in een boom zat en hij liet zijn roep horen, dan luisterden de mensen er met ontzag naar en zeiden tegen elkaar: "He'j de katoele heur'n roep'n?"
Zo'n roep bracht onheil, want het betekende, net als we dat bij het gehuil van de hond hebben gezien, dat er binnenkort iemand uit de buurt zou komen te overlijden. Er werden dan voorbeelden bijgehaald waaruit moest blijken dat het wel uitkwam.

Vleermuizen waren ook niet erg geliefd. Dat waren zulke griezelige beesten, die het vooral op vrouwen gemunt hadden. Ze kropen in je haar, brrr.

Een zwaluw werd gezien als een vogel die geluk bracht. In het voorjaar werd er uitgekeken naar zijn komst. En als iemand hem dan gezien had, dan vroeg hij aan zijn buurman: "He'j de zwaluw al ziene?" "Nee, nog niet." "Nou he' j is er weer heur, het weer zal nou wel gauw opknappen."
Wanneer de zwaluw zijn nest bouwde tegen de muur van een huis, of in een schuur of hooiberg, dan werd dat erg op prijs gesteld. Zo'n nest mocht niet verstoord worden. Als je dat toch deed, ging er een beest van de veestapel dood; een kalf, of misschien wel een koe.

De kwikstaart stond ook in aanzien. De komst van dit kwieke vogeltje was ook een teken dat het voorjaar nabij was.

De komst van de leeuwerik werd eveneens als een voorjaarsbode gezien. Steeds hoger en hoger stijgend liet hij luidkeels zijn lied horen, om dan plotseling in een snelle duik naar beneden te storten en in het gras zijn zang voort te zetten.
Mijn grootvader kende het lied van de leeuwerik. Ik ben het vergeten, maar het was een lied ter ere van zijn Schepper.



* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES III _________________________________________________________

Ditmaal willen we u het volgende, door mevrouw A. Schoemaker opgetekende, raadsel voorleggen. De oplossing vindt u in het decembernummer.

Daags giet 't van klipperdeklap en 's nachts stiet 't veur ’t beddegat!

* * *

WIE IS DEZE ONBEKENDE NIEUWLEUSENER JONGEDAME? _________________________________________________________

De jonge vrouw die op de foto hiernaast achter het hekje poseert, kijkt ietwat angstig naar de fotograaf. Het is ons al vaker opgevallen dat de op oude foto's afgebeelde personen altijd ernstig kijken. De techniek was destijds nog niet zo ver gevorderd dat er in een luttel ogenblik een goede foto kon worden gemaakt. Daarom moest men, wilde de foto slagen, een tijdje doodstil blijven staan. Een stoel, of zoals hier een hekje, bewees dan goede diensten.
Wie de dame is, weten we echter niet. Dat zouden we graag van u willen horen (tel. 1247 of 3380).

* * *

CHRISTELIJK ONDERWIJS TE NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

H. Hille

De stichting van de eerste school met de Bijbel

Voorspel
De afgescheidenen, later christelijk gereformeerden en nog later gereformeerden geheten, staan bekend als voorstanders en oprichters van Scholen met de Bijbel. Onder hen werden ook te Nieuwleusen aan het eind van de vorige eeuw voorstanders van christelijk onderwijs gevonden. Bij het volkspetitionnement van 1878 tekenden in Nieuwleusen 57 personen, die voor 27 schoolgaande kinderen tussen 6 en 12 jaar hun begeerte voor dat onderwijs kenbaar maakten. Deze zagen zich echter geplaatst enerzijds voor de kerkelijke verdeeldheid en anderzijds voor een na-ijver tussen de kernen Nieuwleusen en Den Hulst.
Rond 1890 werden er in Nieuwleusen drie kerkgenootschappen gevonden, te weten: de oude Nederlandse Hervormde Kerk, de Christelijke Gereformeerde Gemeente en de Nederduitsch Gereformeerde Gemeente. Vanuit beide laatste gemeenten werden pogingen ondernomen om tot de oprichting van een School met de Bijbel te komen. Helaas trok men niet gezamenlijk op. In 1890 vergaderde de christelijke gereformeerde predikant H. Louman Beyer met enige hervormden. Het kwam toen tot de oprichting van een Vereniging voor onderwijs op gereformeerde grondslag.
Om aan het streven van de nieuwe vereniging meerdere bekendheid te geven, werd docent Wielenga van de Theologische School van Kampen uitgenodigd een "opwekkingsrede" in de Christelijk Gereformeerde Kerk te Nieuwleusen uit te spreken. Door het vertrek naar elders van zowel ds. Louman Beyer als de hervormde ds. Steenbeek, bloedde het gezamenlijk initiatief dood.

Een nieuwe poging
Van dolerende zijde werd een klein jaar later actie ondernomen. Op 26 januari 1891 werd door hun een Vereniging voor Lager Onderwijs op gereformeerde grondslag te Nieuwleusen opgericht. De drie dagen later opgestelde uit zeven artikelen bestaande statuten, werden op 21 mei door H.M. koningin-regentes Emma goedgekeurd. Het bestuur van de vereniging bestond uit H. Waterink (voorzitter), J. Guichelaar (penningmeester), K. Snijder (secretaris), W. Bosman en L. Hetebrij.
Dit bestuur trachtte langs allerlei wegen gelden voor een zogenaamd schoolfonds bijeen te brengen. Aan de kerkeraad van de Gereformeerde Kerk vroegen ze in oktober 1894 een bus aan de kerkdeur voor dit doel te mogen plaatsen. Na rijp beraad willigde de kerkeraad dat verzoek niet in, aangezien er reeds voor veel doeleinden gecollecteerd moest worden, en er op de realisering van een christelijke school in de nabije toekomst weinig uitzicht was. Wel drong de predikant, ds. E.L. Harkema er bij de kerkeraad op aan zich als leden van de vereniging te laten inschrijven "opdat het fonds gesteund en er meer belangstelling getoond worde in deze hoogst gewichtige zaak". Toen dan ook twee jaar later het kerkgebouw gevraagd werd voor een spreker, die een opwekkend woord voor gereformeerd schoolonderwijs wilde spreken, werd dit zonder discussie toegestaan. Christelijk onderwijs bleef in die jaren te Nieuwleusen een zaak voor gereformeerden. Toen een lid van de schoolraad in 1899 eens informeerde of er in samenwerking met de hervormden geen mogelijkheid bestond een christelijke school op te richten, luidde het antwoord dat die samenwerking ettelijke keren beproefd was, maar steeds afgestoten was op onwil van hervormde zijde. Ook in latere jaren werd herhaaldelijk beproefd de hervormden bij de schoolstichting te betrekken. Zelfs was men bereid de statuten daarvoor aan te passen en bestuurszetels aan hen toe te kennen. Nadat de vereniging in 1907 grond gekocht had, werd een dergelijk aanbod nog eens herhaald. Doch met een enkele uitzondering bleken de hervormden in die jaren niet bereid op het terrein van christelijk onderwijs met de gereformeerden in zee te gaan.
Het kapitaal van de vereniging groeide slechts langzaam. In 1902 -elf jaar na de oprichting van de vereniging- bedroeg het bedrag, bijeenverkregen uit contributies en collecten, slechts ƒ 549,16.

Onder ds. E.L. Harkema
In 1903 werd de christelijk gereformeerde ds. Harkema in het bestuur verkozen. Bij de verdeling van de functies vertrouwde men hem de voorzittershamer toe. Er kwam nu in de zaak van de schoolstichting wat beweging. In de eerste plaats werd de naam van de vereniging na ingewonnen advies veranderd in "Vereniging van Christelijk Nationaal Schoolonderwijs".
Gehoopt werd dat door deze naamsverandering het vooroordeel van vele hervormden zou kunnen worden weggenomen. Verder werden voor de nieuwe vereniging statuten opgesteld die bij koninklijk besluit van 30 juni 1903 werden goedgekeurd.
Vervolgens werden de mogelijkheden om tot schoolstichting te komen duidelijk op een rij gezet. De verwachting was dat de School met de Bijbel bezocht zou worden door ongeveer dertig kinderen. Daarvoor had men een schoolgebouw met twee lokalen nodig. De kosten van dit schoolgebouw met een eenvoudige woning werden geschat op 5 à 6000 gulden. Voor het aan te stellen hoofd kon men van het rijk een subsidie van ƒ 360,- per jaar tegemoet zien, terwijl voor een onderwijzer ƒ 260,- vergoed werd. De rest moest uit eigen middelen betaald worden.
Ondanks deze weinig opwekkende bedragen pakte het bestuur onder leiding van ds. Harkema door. In 1904 ging men met een intekenlijst de gemeente door. Op deze lijsten werd voor een bedrag van ƒ 1200, - ingetekend. Verder verzocht het bestuur via de kerkeraad aan de classis van Ommen van de Gereformeerde Kerken, in de classiskerken voor een christelijke school te Nieuwleusen te willen collecteren.
De volgende stap was het verkrijgen van een stuk grond waarop de school gebouwd zou worden. Door loting werd uitgemaakt dat te Nieuwleusen naar grond gezocht zou worden. Daar het bestuur grote tegenwerking bij de grondaankopen verwachtte, verzochten ze J. Kragt, die geen bestuurslid van de schoolvereniging was, voor hun als koper op te treden. Deze kocht van A. de Boer grond voor de som van ƒ 600,- (waar nog ƒ 61,25 aan onkosten bijkwam). De vereniging had in die tijd ongeveer ƒ 800,- in kas, zodat er na de grondaankoop weinig meer overbleef. Het bestuur gaf de moed niet op, integendeel, ze benoemden alvast de heer Ganzevoort, een onderwijzer uit Zwolle, tot hoofdonderwijzer van de te stichten school. De ledenvergadering van februari 1908 achtte deze handelswijze toch wel enigszins voorbarig. Bovendien had ze liever gezien dat er een normale sollicitatieprocedure was gevolgd. Wel betuigde ze haar instemming met de door het bestuur verstrekte opdracht aan de Zwolse architect Post om een voorlopig bestek en tekening te maken voor de som van ƒ 6.000,- . Doch dit was een heel bedrag. Als daar de intekengelden afgetrokken werden, bleef er nog ƒ 4.800,- te financieren over. En daar hadden de bestuursleden niet dadelijk een oplossing voor. Het gekochte stuk land bleef dan ook voorlopig nog ongebouwd. Wel werd het opgehoogd met zand, dat verkregen werd bij schoenmaker Jan Kleen, die tegenover het bouwterrein woonde.


De school, met links de hoofdenwoning, zoals die uiteindelijk in 1911 gebouwd zou worden aan het Westeinde. De school deed dienst tot 1969 , waarna het gebouw door de fa. Ten Kate in gebruik werd genomen als opslagplaats.

Waar moet de school komen?
Voor het bouwen van de zo begeerde school ontbraken niet alleen de financiën, maar ook de zo benodigde eensgezindheid was ver te zoeken. De na-ijver tussen Nieuwleusen en Den Hulst speelde ook een rol mee. Vanuit Den Hulst kwam de kritische vraag waarom Nieuwleusen eerder een school moest hebben dan Den Hulst. En hoewel bestuursleden de heren uit Den Hulst voorhielden dat er in Nieuwleusen een aangekocht terrein lag en dat het onmogelijk was om twee scholen tegelijk te bouwen, bleef de kritiek vanuit Den Hulst aanhouden.
Zelfs bleef dit het geval toen het bestuur toezegde, dat wanneer er in Den Hulst een geschikt terrein voor een schoolgebouw te koop kwam, het gekocht zou worden.
Het was de bedoeling van het schoolbestuur om na de realisering van een School met de Bijbel te Nieuwleusen, ook de stichting van een dergelijke school in Den Hulst na te streven, hoewel het bestuur de kans op de realisering van de tweede school op korte termijn niet groot achtte.
In Den Hulst was men kennelijk dezelfde gedachte toegedaan en drong men op de jaarvergadering van 17 februari 1908 aan op een boedelscheiding, zodat ieder op eigen kracht verder kon werken. Hoewel het bestuur en de meerderheid van de ledenvergadering daar aanvankelijk niet voor voelden, zag het bestuur na korte tijd in, dat dit de enige manier was om uit de gerezen problemen te komen. Na op verschillende vergaderingen over deze zaak gesproken te hebben, ging men uiteen en werd er een financiële regeling getroffen, waarbij het bestuur de inmiddels opgerichte zustervereniging in Den Hulst zoveel mogelijk tegemoet kwam. Uiteindelijk werd ongeveer 40% van het in de loop der jaren bijeengebrachte geld aan de vereniging in Den Hulst uitgekeerd.

Nog meer problemen
Alzo kende de gemeente Nieuwleusen aan het eind van 1908 twee verenigingen die precies hetzelfde doel nastreefden, alleen met dit verschil, dat de één de school te Nieuwleusen en de ander in Den Hulst wilde gevestigd zien. De realisering van deze wens scheen verder dan ooit, mede omdat het oude schoolbestuur ook nog in andere moeilijkheden was geraakt.
Voortvarend als het bestuur was, had het door architect Post een tekening en bestek laten maken. Zelfs schijnt een soort aanbesteding van het werk te hebben plaatsgevonden, doch toen het op gunning aankwam, liet het bestuur, dat het financieel toch niet aandurfde, het afweten. Wel was het terrein bouwrijp gemaakt. Daarin zag de architect het begin van de uitvoering en maakte vervolgens aanspraak op het volle bedrag dat als loon berekend mocht worden. Na juridisch advies ingewonnen te hebben bij Mr. H. van de Vegte besloot het bestuur de vordering van de architect te voldoen.

Wordt vervolgd.



Jaargang 4 nummer 4 december 1986

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

DRIE KLEINE HUISJES _________________________________________________________

M. van Roozelaar

Drie kleine huisjes die stonden in een rij. Deze zinspeling op een oud liedje zouden we kunnen gebruiken wanneer we het over een drietal oude huisjes hebben die nabij de vroegere Sluis III stonden. Stonden, want helaas is dit drietal afgelopen zomer afgebroken. Daarmee is er weer een stukje "oud Nieuwleusen" verdwenen.
De huisjes werden ongeveer 150 jaar geleden gebouwd door Jan Willem Baron van Dedem. Hij woonde op De Rollecate en zal de woningen gebruikt hebben om er zijn personeel in onder te brengen. Later zijn de huisjes verkocht.
Ongeveer 70 jaar geleden woonde in het huis aan de oostkant Simon Houwer. Hij was kleermaker en postbode. Fietsen kon hij niet en daarom droeg hij de postzak steeds op de rug. Simon was de vader van de latere postbode Jan Houwer.
In het middelste huisje woonde Brinkman, die zijn kost verdiende met het venten van petroleum.
Het huis aan de westkant diende tot woning van Van Holten. Zijn vrouw Aaltje ging bij Van Dedem melken. Verder woonden er nog de klokkenmaker Bosgraaf en Jacob Gijssen (knippen en scheren).
Nog meer namen van personen die in één van de drie huisjes woonden zijn: Arendina Mulder-Kappert; G.J. Wink; J. Roo; Kl. Borger; W. Brinkman die getrouwd was met Joh. Gijssen; W. Bruggernan en G.J. Schiphorst.
De laatste jaren stonden twee van de drie woninkjes al leeg. Nadat ook het laatste huisje was ontruimd, behoorden de oude percelen Den Hulst 170, 172 en 174 al snel tot het verleden. Bij het uitgraven van de bouwput voor de nieuw te bouwen woningen werden een tweetal handgevormde kruikjes gevonden, waarin zich een melkachtige substantie bevond. Beide kruikjes hadden als merkteken een cirkel waarin het woord Selters en een leeuwtje.

De huisjes in 1985

* * *

CHRISTELIJK ONDERWIJS TE NIEUWLEUSEN II _________________________________________________________

H. Hille

De stichting van de eerste School met de Bijbel

Een nieuwe impuls
Inmiddels was ds. Harkema in 1907 wegens bekomen emeritaat vertrokken naar Zwolle. In de persoon van zijn opvolger, ds. S. de Vries, vond het bestuur een militant strijder voor christelijk onderwijs. Ds. De Vries was naar Nieuwleusen gekomen in de veronderstelling dat hij het volgende jaar zijn oudste kind naar een School met de Bijbel zou kunnen zenden. Van de consultant ds. Lamers van Avereest hoorde hij echter de verdeeldheid en de spanningen op het terrein van zijn gemeente. Hij nam zich voor in het belang zowel van zijn eigen kind als dat van de kinderen in zijn gemeente niet eerder te rusten voor althans de school te Nieuwleusen gerealiseerd was.
Welnu in Nieuwleusen had men geen ijveriger propagandist kunnen vinden dan ds. De Vries. Hij was de juiste man om het enigszins gedesillusioneerde schoolbestuur weer tot daden aan te zetten. Daarbij ging de predikant zelf voorop. Onder zijn leiding, hij was in januari 1909 voorzitter van het schoolbestuur geworden, werd besloten opnieuw met een intekenlijst rond te gaan om te weten op hoeveel geld voor de schoolbouw gerekend kon worden. De rondgang vorderde nogal wat tijd. Ondertussen was het bouwterrein met daarop een bouwvallige woning een aanfluiting. De tegenstanders van het christelijk onderwijs dreven ook de spot met de pogingen van het schoolbestuur. Zo voegde Frowijn, het hoofd van de openbare school in het Oosteinde, ds. De Vries eens spottend toe, terwijl ze samen van de tramhalte naar huis liepen: "Zeg dominee, wanneer gaat U eens bouwen? Want ik heb kinderen teveel!"
Het schoolbestuur had inmiddels contact gezocht met de heer Duijmaer van Twist, het A.R. tweede kamerlid voor Steenwijk. Mede door zijn bemiddeling en die van dr. J. Woltjer werd een toezegging voor hypothecaire steun door het schoolbestuur van de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs verkregen. Er zou nu voortgewerkt kunnen worden wanneer er tenminste voldoende kapitaal uit eigen kring kon worden bijeen gebracht. Van de eigen gemeente kon dit niet verwacht worden. De gemeente Nieuwleusen had er financieel nooit goed bijgezeten. Bovendien was de steun voor deze zaak in de gemeente niet een onverdeelde. Nog in 1911 wees de Gereformeerde Kerk het verzoek van het schoolbestuur om tijdens de zondagse diensten een derde collecte te bestemmen voor het christelijk onderwijs af met als motivatie dat de gemeente er nog niet rijp voor was. Pas nadat de kerkeraad gevraagd was één van de bestuurszetels te willen bezetten, werd in januari 1914 besloten twee bussen te plaatsen bij de uitgangen van de kerk.

Collecte tochten
Ds. De Vries vatte daarom in 1911 het plan op om in het gehele land giften voor een School met de Bijbel te Nieuwleusen te gaan vragen. De eerste die de predikant voor dit doel wat geld ter hand stelde was zijn vader. Daarna heeft hij stad en land afgereisd om te collecteren. Dat bracht nogal wat moeilijkheden met zich mee. Op zondag en maandag moest de predikant in Nieuwleusen aanwezig zijn; op zondag voor het leiden van de kerkdiensten en op maandag voor het ziekenbezoek en de catechisaties. Daarom bleef er voor zijn collectetochten de tijd van dinsdagmorgen tot donderdag of vrijdag over. In een ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de school uitgesproken herdenkingsrede vertelde ds. De Vries over deze tochten het volgende:
"Soms werd ik wel eens moedeloos. Bijvoorbeeld op een ochtend ging ik van Velp naar Arnhem, alle adressen bezoekend die daarvoor in aanmerking kwamen -en toen ik de Velperpoort bereikt had- had ik nog geen halve cent ontvangen. Soms werd beleefd geïnformeerd naar hen, die deze zaak hadden aanbevolen; de namen opgeschreven om te onderzoeken -maar het voor mij gunstige resultaat bleef uit. Van onheuse behandeling zou ik U staaltjes kunnen geven; soms door personen die in de pers geprezen werden om hun werk voor het christelijk onderwijs. Maar liever vertel ik U iets anders. Ik denk aan mijn collecte


Ds. S(imon). de Vries, gereformeerd predikant te Nieuwleusen, 1908-1912.

in Maassluis. Eén der broeders verwijst mij naar een ander adres in zijn buurt, mij niet door de plaatselijke dominee opgegeven. Toen ik er kwam, zei de vrouw: "Dominee, wij hebben zondag in de kerk van Uw komst gehoord. Maar wij zijn arm en kunnen niet geven. Maar onze kinderen hebben ons gevraagd of zij dan niet uit hun spaarpot mochten geven voor die school." -Dien gulden heb ik met grote dankbaarheid aanvaard. Ik ben er door gesterkt, meer dan door een grotere gave van anderen.
Zo ging het mij ook in Steenwijk. Ik had een vakantiezondag bestemd om daar te preken. Dien dag werd de op maandag aan de huizen te houden collecte aanbevolen. Onderwijl de broeder, bij wie ik logeerde, met mij de stad rondging, kwamen twee behoeftige weduwen der gemeente ieder een dubbeltje aan zijn huis brengen om aan mij te overhandigen. Is dat niet treffend?

Ik kan dus gerust zeggen, dat voor de bouw van Uw school ook het "penninkske der weduwe" is geofferd."

Laatste voorbereidingen
Na een half jaar was het startkapitaal van de vereniging aangegroeid tot ƒ 3.385,-. Daar kwam nog een legaat van ƒ 100,- van wijlen H.J. Tempelman bij. Hieruit werd aan de schoolvereniging van Den Hulst ƒ 25,- uitgekeerd. Bij het opmaken van een nieuwe kostenraming kwam men thans voor een school en hoofdenwoning tot een bedrag van ƒ 7.000, . Nu werd aan architect P.G. Mos uit Dwingeloo opgedragen een bestek en tekening te maken.
In 1911 kon aannemer J. Hof uit Assen onder toezicht van de Dwingeloose architect met de bouw beginnen. In augustus 1911 was de bouw zover gevorderd dat er een advertentie voor een hoofd der school geplaatst kon worden. Een maand later werd uit een geselecteerd vijftal de heer J.W.P. Valk te Bussum als zodanig benoemd. De hoofdonderwijzer werd een salaris van ƒ 1.000,- per jaar in het vooruitzicht gesteld, waarvan hij zelf de verplichte pensioenpremie van ƒ 70,- per jaar moest betalen. Verder kon hij beschikken over een vrije woning met een behoorlijke tuin. Hoewel de heer Valk gereformeerd was, lag het niet in de bedoeling van het schoolbestuur van de School met de Bijbel een gereformeerde school te maken. Nog steeds werd gehoopt op deelname van de hervormde zijde. Met het oog daarop werd besloten een advertentie te plaatsen voor een onderwijzeres van gereformeerde beginselen, waaraan toegevoegd zou worden "liefst Nederlands Hervormd"'.
Bovendien moest ze de bekwaamheid bezitten om nuttige handwerken te geven. Benoemd werd mejuffrouw A.M. van Zuijlen op een salaris van ƒ 500,- per jaar.

Schoolopening
Op dinsdag twee januari 1912 vond de opening van de nieuwe tweeklassige school plaats. 's Morgens om tien uur waren de belangstellenden in zo'n grote getale sarnengekomen, dat velen in de gang een plaats moesten vinden. Ds. De Vries had de leiding op deze dag. In zijn openingswoord herinnerde hij eraan hoe men te Nieuwleusen reeds meer dan twintig jaar over een christelijke school gedacht en gesproken had, maar wegens gebrek aan bouwkapitaal niet bij machte was geweest tot schoolstichting over te gaan. Doch dankzij de collectearbeid van de voorzitter had de school gebouwd kunnen worden, zonder dat er een al te zware schuldenlast op de vereniging rustte. Voorts ging de predikant uitvoerig in op de relatie tussen de opvoeding en onderwijs; dit vanwege het onbekend zijn van velen in deze omgeving met de materie. Nadat in de pauze de kinderen "onthaald" waren, spraken nog dr. C.C. Schot uit Hardenberg, namens de districtsraad der Vereniging voor CNS, en het schoolhoofd, de heer Valk. De voorzitter sloot de vergadering met de opmerking wel dankbaar, maar niet voldaan te zijn. Immers tegen vier openbare scholen was er slechts één christelijke school, terwijl er met het oog op de enorme afstanden dringend behoefte bestond aan een tweede christelijke school in Den Hulst.
Op de dag van de opening van de school stonden reeds zestig leerlingen ingeschreven, terwijl op de eerste eigenlijke schooldag dat aantal steeg tot zevenenzestig. Dat was boven verwachting. Aanvankelijk was het bestuur uitgegaan van dertig leerlingen, terwijl het later meende te kunnen rekenen op een dertig à veertigtal.
Uit dankbaarheid voor het vele werk dat ds. De Vries voor de schoolstichting had gedaan, bood het schoolbestuur hem, na de gemeente met een lijst te zijn rondgegaan, een bedrag van ƒ 50,- aan. De predikant kocht hier een viertal werken van professor H. Bavink voor. Lang zou hij de voorzittershamer niet meer hanteren. In de vergadering van 18 oktober 1912 nam hij afscheid van het bestuur wegens vertrek naar Nieuw-Dordrecht. Zijn plaats werd ingenomen door de heer P. Bouwman, die van oktober 1912 tot februari 1924 deze functie zou waarnemen.

* * *

HET BEGON MET PETROLEUM VAN "DE AUTOMAAT" _________________________________________________________

De geschiedenis van Olie- en Gashandel Oosterveen gaat terug tot 1900. Toen begon de grootvader van de tegenwoordige eigenaar met een handel in petroleum voor de maatschappij "De Automaat", de vroegere benaming voor Esso. Een hondenkar was voor Albert Oosterveen het eerste transportmiddel waarmee hij toen in en rond Dedemsvaart olie voor lampen en petroleum aan de man bracht. Kort na het begin verhuisde de familie naar Nieuwleusen.
Grootvader Oosterveen was gedwongen om in de oliehandel te stappen want fabriekswerk had zijn gezondheid aangetast en om meer frisse lucht te krijgen, ging hij toen de weg maar op. Toen zijn zoon Berend 17 jaar oud was, nam deze het werk van zijn vader over en zette de verkoop van petroleum van "De Automaat" voort. Inmiddels was er een paard en wagen aangeschaft en tobde Oosterveen daarmee over de vele zandwegen van het platteland van Overijssel. Werd het te zwaar voor het paard, dan was


Albert Oosterveen met paard en wagen van "De Automaat".

er altijd nog een door zijn broer Harm bereden transportfiets voorhanden, om daar verder mee op pad te gaan met voorop de kleine blikjes van vier of tien liter petroleum. Het paard en de wagen waren toen nog van de maatschappij en elke venter kreeg om die reden dan ook een voedertoelage van een paar gulden van "De Automaat" om het edele dier zo van haver te voorzien. In de jaren v6ór en na de oorlog versleet Berend Oosterveen wel een paar paarden. Pas in 1952 kwam de eerste vrachtwagen in dienst. Een echte vrachtwagen was het eigenlijk niet; het was een oude A-Ford waarvan de voor de passagiers bestemde achterkant was verwijderd. Hiervoor in de plaats kwam een houten vlonder, waarop de olie en petroleum in blikken en in een groot vat werden vervoerd. Kort daarna kwamen ook de eerste tractoren op de boerderij en daarmee steeg ook de vraag naar trekkerpetroleum. Berend Oosterveen verkocht overigens niet alleen olieproducten; hij bracht ook petroleumkachels en -stelletjes voor in de keuken aan de man. Bij verscheiden mensen staan ze nog op zolder, die kacheltjes met de naam "Valor" en “Valor Minor".
In 1960 nam Oosterveen de eerste tankwagen, die voorzien was van een vloeistofmeter, slangen en een pomp, in gebruik. De tweede tankwagen werd in 1964 afgeleverd en daarmee kwam ook de zoon en tegenwoordige eigenaar Klaas Oosterveen in het bedrijf. Enkele jaren later werd ook de verkoop van propaan- en butaangas ter hand genomen, waarna het bedrijf tot zijn huidige omvang uitgroeide.

* * *

ERRATA _________________________________________________________

Het is ons gebleken dat er in het maartnummer een paar namen niet juist zijn vermeld. Op blz. 15 dient U bij nr. 16 te lezen Berend van der Haar en op blz. 19 bij nr. 5 jan Thijs Huzen.
(dit is in de tekst verbeterd.)

* * *

DE JONGELINGSVERE-NIGING "REHOBOTH" _________________________________________________________

Als groepsfoto kozen we dit keer voor een foto van de jongelingsvereniging " Rehoboth". De foto werd omstreeks 1930 gemaakt. Het juiste jaar hebben we niet kunnen achterhalen.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  

Jan van Duren
Klaas Brinkman
Geert Evenboer
Albert Katoele
Klaas Dunnink
Jan Thijs Kragt
Paul Bloemhof
Jan Wink
Arend de Boer
Albert Santing
Arend Hekman
Hendrik Visscher

13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  

Albert Kok
Hendrik Jan Seine
Derk Kleen
Arend van Ankum
Jan Willem Pot
Gerrit Jan van Ankum
Jan Borger
Hendrik Brinkman
Cornelis van Donkersgoed
Derk Dunnink
Jan Katoele
Berend Jan Witpaard

* * *

DE AANLEG VAN DE WEG VAN GRASHEKKE NAAR LICHTMIS _________________________________________________________

In de "Overijsselsche Almanak voor oudheid en letteren voor 1853" is een uitgebreid artikel te vinden over de wegverbindingen van Zwolle naar het noorden van ons land. Oorspronkelijk ging het verkeer via Hasselt, Rouveen (Stadsweg) en Staphorst naar Meppel. Door het verplaatsen van Staphorst en Rouveen zou er in 1634 ook een andere, kortere verbinding met Rouveen komen. De episode die over de aanleg van deze weg handelt, nemen we hieronder over.

De stad Zwolle konde nog niet anders uit Groningen, Drenthe en Friesland, te lande genaderd worden dan over Hasselt. Niet veel vroeger dan de aanleg van den stadweg werd Zwolle door Bisschop Rudolf van Diepholt begiftigd met de landstreek die Ruete. Omstreeks dien tijd zal dan ook eerst de weg van den Ordel of den Vechtdijk bij de Ordelerzijl door de route langs de Hermelijn tot aan Dalfsen zijn aangelegd. Tot zoo ver was dus reeds de weg gebaand, maar om van af het thans nog bekende grashek te Rouveen te komen, bestond geene gelegenheid. De lage gesteldheid der landstreek en de wildernissen verhinderden eene aansluiting van den weg van de route langs de Hermelijn op Dalfsen aan den weg te Rouveen, toen nog gelegen ter plaatse, later het olde benedenpat of de olde dyck genaamd.
Dan nadat de ingezetenen van Rouveen en ook van Staphorst in de 17e eeuw begonnen waren gemelden olden dyck te verlaten, door het meer binnenwaarts plaatsen der woningen, waar langs zij nu eenen derden nieuwen weg daarstelden, zoo werd de gelegenheid der aansluiting van den Zwolschcn weg aan dien nicuwen weg door Staphorst en Rouveen meer gemakkelijk gemaakt en beproefde toen de Magistraat van Zwolle om dien weg tot de Ligtmis (te dier tijd bekend onder den naam van Pannenhuis) door te trekken. Daartoe moest men handelingen aanknoopen met de Ingelanden van dc Rosengaarder marke, welke daarop de voorwaarden instelden, waarop zij aan de Magistraat van Zwolle den aanleg van den weg accordeerden. Het stuk voert de dagteekening van 12 Augustus 1634 en luidt als volgt.
Cope conditien waarup de erfgen. van den Rosengaarder an de stat Zwolle willen vergunnen enen wegh over den camp.
l. Eerstelyck dat de stadt denzelven wech ofte dyck ewelick und erflicke buyten enighe costen van de erfgen. sal onderholden.
2. It. dat in den selvigen dyck twee bruggen gelecht sullen worden, daer het alder bequaemste bevonden sal worden dat water synen doorganck sal kunnen nemen, als oock om dat de biesten voor yeder an de melencamp sullen moghen passieren ende doorgaen, welcke bruggen lank sullen syn 3 roeden, oock sullen ghelecht ende onderholden worden buyten costen ofte lasten van de crfgen.
3. Dat daer een duykertien tendens den wech naer Rouveene gheleght sal worden, waerdurch dat water van den tochtsloot sal kunnen passieren.
4. lt. dat daer twee bruggen met twee hekken ouver beyde grauens elcker syde van den wech gelecht sullen worden om dat hoy wth den lande te brenghen.
5. lt. dat de erfgen. unde ingesetenen meyeren met wagens, peerden unde biesten desen wech sullen moghen ghebruycken sonder tol ofte wechgelt.
6. lt. by aldien mocht bevonden worden dat desen wech ofte dyck an de merckte van den Rosengaerden schadelick moghte syn, sal dc stadt deseluc altyt gehouden syn te remydyeeren offte by faute van dien sullen de vurss. erfgen. Sich seluen regt ende middelen moghen gebruyken.
7. It. voor dese vergunning sal de Stadt an die erfgen. betalen.
Hiermee eindigt dit stuk. Op den rug staat: "deze binnen geschreven conditien syn op den 12 augustus 1634 van de erfgen. an die gedeputeerde van de stadt Zwolle voorgelesen, die daer op geantwoort hebben an de principalen t selue te willen relateren en t antwoort te laten toecomen".
In hoeverre de Magistraat van Zwolle aan deze conditien heeft voldaan, is niet verder gebleken. Doch zeker gaat het, dat de weg is daargesteld, en dat dienaangaande reeds kort daarna disputen gerezen zijn, alzoo uit een convocatiebrief van den Erfmarkenrigter van de Rosengaarder marke, van 17 Mei 1637, onder andere punten van beschrijving ook vermeld staat onder het eerste punt: "'Om satisfactie te bekomen wegens den nygegraven dyck so die van Zwolle door de mele hebben gelegt."
De aanleg van dezen weg was zeer tegen den zin van de Regering der stad Hasselt; als mede geërfde van de Rosengaarder marke deed zij daartegen wel protest antekenen, doch zonder gevolg en moest de stad Hasselt zulks dan ook met leede oogen blijven aanzien.

* * *

DE DAMES BACKX _________________________________________________________

J. de Lange-Van Dorsten

Onderstaande foto werd in augustus 1926 gemaakt van mevrouw Backx-van Dort en twee van haar dochters. Mevrouw Backx was getrouwd met de toenmalige burgemeester en was ten tijde van de foto 38 jaar. Haar dochter Mieke (links) was toen 15 en Jopie 13.


Mieke Backx trouwde met Wim Udo. Hij was notaris te Den Haag. Na zijn pensionering nam het echtpaar Udo zijn intrek in een verzorgingsflat in Doorn.
Jopie Backx trouwde met een zekere Huges, die planter van beroep was. Na hun trouwen vertrok het echtpaar Huges naar Indië. Later kwamen ze naar Nederland terug, waarna Huges op het kantoor van Tomsons havenbedrijven in Rotterdam ging werken. Na zijn pensionering gingen beiden in Ouderkerk op Schouwen Duivenland wonen.

* * *

EEN VOOGD IN MOEILIJKHEDEN _________________________________________________________

B. van Duren

Voor het gebeuren gaan we terug naar het eind van de achttiende eeuw. Als we de volkstelling van 1795 raadplegen, zien we dat in het Oosteinde van Nieuwleusen een jonge boer, genaamd Hendrik Kragt, met zijn gezin woonde. Een paar huizen verder was Jan Evertsen, vermoedelijk een oom van moederszijde van Hendrik Kragt, met zijn familie gehuisvest. De verstandhouding tussen Kragt en Evertsen was niet zo erg goed. Wat was daarvan toch wel de oorzaak?
Hiervoor gaan we nog even verder terug en wel naar het jaar 1776. Toen waren Klaas Hendriks Kragt en zijn vrouw Aaltjen Claes (vermoedelijk Evertsen) uit de tijd geraakt. De achtergebleven kinderen Harm, Jan, Klaas, Hendrik, Aaltjen en Cornelis kregen voogden toegewezen. Eén daarvan was (oom?) Jan Evertsen. Tot zover ging het allemaal goed.
Het zal in die dagen wel precies zo geweest zijn als tegenwoordig: kleine kinderen, kleine zorgen en grote kinderen, grote zorgen. Hoewel er destijds toch wel een en ander op papier werd vastgelegd, kan men toch niet verwachten dat door eenvoudige boerenmensen een volledige boekhouding werd bijgehouden. Veel zaken werden mondeling geregeld. Het was om zo te zeggen steeds een vertrouwenskwestie. Nu zijn mondelinge overeenkomsten allemaal mooi zolang er vriendschap is. Maar mensen zijn ook wel eens achterdochtig en dan kan er weleens een kwaad woord vallen. De tegenpartij neemt zulks niet en het is maar al te waar: de oorlog begint in een gezin of familie.
Meestal zijn het materiële belangen die de oorzaak van een dergelijke twist zijn. En zo zal het in deze zaak ook wel gegaan zijn.
Het is 4 februari 1796 wanneer drie broers Kragt, Jan, Klaas en Hendrik, op weg gaan naar het "Scholten-Gerigte" in Dalfsen. Hun oudste broer, Harm, gaat niet mee. In Dalfsen ontmoeten ze procureur Mr. H.N. Grevenstein uit Zwolle. Hij zal namens hen een klacht indienen tegen voogd Jan Evertsen. Deze wil namelijk van zijn voogdijschap worden ontheven. De drie broers kunnen daarmee voorlopig niet instemmen, omdat er, volgens hen, met rekeningen is geknoeid en er eigendommen zijn achtergehouden. Ze willen opzegging van het voogdijschap alleen aanvaarden wanneer alles naar recht geregeld is. Voogd Jan Evertsen, die ook aanwezig is, beweert dat zijn pupillen steeds datgene hebben ontvangen waar ze recht op hadden. Hij komt zelfs met een bewijsstuk voor de dag dat door de niet aanwezige broer Harm Kragt is ondertekend. Zijn wens om te worden ontheven van zijn verplichtingen als voogd, wordt nogmaals herhaald. Daarna komen de gebroeders weer aan het woord. Ze zeggen met de beweringen van hun voogd geen genoegen te kunnen nemen. De overgelegde rekeningen vinden zij verward en onvoldoende. De broers voelen zich, hoe ongaarne ook, genoodzaakt deze weg te bewandelen om datgene te verkrijgen wat hun toekomt.
Hierna vraagt de voogd aan de gebroeders om hem op te geven wat er is achtergehouden. En dan blijkt het volgende. Bij mondeling contract is overeengekomen dat de erfenissen van de in 1794 en 1795 overleden zuster Aaltjen en broer Cornelis onder de andere 'kinderen zullen worden verdeeld. Verder heeft Hendrik Kragt nog recht op huur van enige jaren van het hooiland dat bij zijn vader in gebruik geweest is. Verder ontbreken de zilveren krappen (sluitingen) van een boek. De gebroeders verwachten dat hun voogd geen bezwaar zal maken het ontbrekende aan te vullen. Bij weigering zullen ze zich genoodzaakt voelen zodanig te handelen als de wetten van de provincie het hun aan de hand geven.
Voogd Jan Evcrtsen doet daarna de belofte om over veertien dagen de rekeningen en alle verdere stukken, voorzover hij als voogd verplicht is, bij het Scholten-Gerigte over te leggen.
Wanneer veertien dagen later, op de 18e februari 1796, Hendrik Kragt in gezelschap van Mr. H.N. Grevenstein in Dalfsen verschijnt, blijkt dat de voogd niet aan zijn verplichtingen heeft voldaan. Hem wordt nog een keer veertien dagen de tijd gegeven. Wel is hij verplicht om de gemaakte kosten van het vergeefse bezoek te betalen. Uiteindelijk schijnt alles toch naar wens opgelost te zijn. In een schrijven van 16 juli 1810, waarin de verplichtingen van Hendrik Kragt en zijn tweede vrouw ten opzichte van de kinderen uit zijn eerste huwelijk zijn vastgelegd, wordt zelfs gesproken over een Bijbel met zilveren krappen. We nemen aan dat dit het bedoelde boek was waar destijds de krappen van ontbraken.
Hoe de verhouding tussen de families Kragt en Evertsen na deze onverkwikkelijke gebeurtenis is geweest, is niet bekend. De tijd heelt alle wonden. Het is dan ook goed te vernemen dat op 26 april van het jaar 1845 in het huwelijk zijn getreden: Derk Hof, kleinzoon van jan Evertsen en Klaasje Kragt, kleindochter van Hendrik Kragt. De beide hoofdpersonen uit ons verhaal, Jan Evertsen en Hendrik Kragt, waren er toen al lang niet meer.



* * *

IN DE KRANT GELEZEN _________________________________________________________

Nieuwleusen, 26 mei (1918). Door den burgemeester zijn 1800 eieren in beslag genomen, die boven de maximumprijs werden verkocht.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES IV _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

Wij zijn U de oplossing van het raadsel uit het september- nummer nog schuldig. Hoewel velen dachten dat het een ooievaar was, gaan een paar klompen daags van klipperdeklap en staan ze 's nachts voor het beddegat.

Hier het nieuwe gezegde met daaronder de vertaling.
Un oarig mâgien en 'n wol 'n schulk blieft altied wel erg'ns an hoaken. 1. Kleen Een aardig meisje en een wollen schort blijven altijd wel ergens aan haken.



* * *

INHOUD VAN DE VIERDE JAARGANG _________________________________________________________

blz.
1  
3  
 
11  
12  

21  
25  
26  
29  
31  
32  
33  
36  
37  
 
43  
44  
46  
47  
47  
53  
54  
59  
60  
61  
62  
64  
65  
67  
68  
68  

 
Muziekverenigingen in Nieuwleusen
Crescendo

't Winkeltien
De Broederband
 
Zestig jaar huwelijkslief en -leed
Met Klaasje Kreulen op de foto
Iets over de Marke Rosengaerde
Met volle vaart
Nijlusens lietien
Een oude schooltoto III
Reglement der zangvereniging te Ruitenveen,
Nieuwleusener gezegdes II
Het ontbtaan de Leusener vervenings-
cornpagnie
Een meisjesclub
Bijgeloof
Nieuwleusener gezegdes III
Wie is deze onbekende Nieuwleusener jongedame?
Christelijk onderwijs te Nieuwleusen
Drie kleine huisjes
Christelijk onderwijs te Nieuwleusen II
Het begon met petroleum van “De Automaat”
Errata
De jongelingsvereniging “Rehoboth”
De aanleg van de weg van Grashekke naar Lichtmis
De dames Backx
Een voogd in moeilijkheden
In de krant gelezen
Nieuwleusener gezegdes IV
Inhoud van de vierde jaargang

 
J.W. de Weerd
G.W. Kalter
J.W. de Weerd

J. Kleen
J.W. de Weerd


J.W. de Weerd
Joh. Bouwman
H. Bomhof

G.H.
A. Schoemaker-Ytsma

Jan H. Kompagnie

KaBé
A. Schoemaker-Ytsma

H. Hille
M. van Roozelaar
H. Hille




J. de Lange – van Dorsten
B. van Duren

A. Schoemaker-Ytsma


            Colofon uitgaven 1986


            Uitgaven van 1987


Jaargang 5 nummer 1 maart 1987

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

WILLEM STOLTE, PREDIKANT TE NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

K. Schoenmaker-van Berkum

De familienaam Stolte is al erg oud. In de tweede helft van de zestiende eeuw komen we in officiële stukken in Zwolle al regelmatig Stolte's tegen. De doop- en trouwboeken spreken er dan echter nog niet van, daar is het nog Klaas Janszoon en Jan Klaaszoon. In de 17e eeuw komen we, wat nu achternamen genoemd worden, al een enkele keer in de kerkelijke boeken tegen. Toch hebben we de geboortedatum van Willem Willemszoon Stolte niet kunnen vinden.
Willem Willemszoon Stolte was de tweede predikant van Nieuwleusen. Hij diende de gemeente van 1681 tot zijn dood in 1694. In 1671 deed hij te Zwolle belijdenis van zijn geloof. Op 21 december 1679 kwam hij als student in huis bij zijn zwager Jan Grevink in de Voorstraat te Zwolle. Hij bleef daar tot 13 november 1681 en verhuisde toen naar Nieuwleusen, waar hij inmiddels als predikant was beroepen.
Wilhelmus Stolte, bedienaar des Heilige Evangelij tot Nyluessen, trouwde op 1 mei 1681 met Anna van Munster. Uit hun huwelijk werden drie kinderen geboren, die alle in Nieuwleusen zijn gedoopt: Anna Catrina op 5-2-1682; Anthonij op 26-8-1683 en Henrijk op 24-14-1686. Uit de tijd dat Stolte predikant in Nieuwleusen was, is niet zoveel bewaard gebleven. Volgens het vuurstedenregister van 1695 had het huis van de dominee twee schoorstenen "non solvit, zoo omdat andere predicanten niet betaelen, als oock in specie omdat weyniger tractement als anderen heeft en de betaelinge van de kercke en weeme met grote moeyte moet versoecken. Van de schole , tot de kercke behorende word rnede niet betaeld." De kerkelijke gemeente beschikte dus niet over veel geld; Stolte moest steeds vragen om de betaling van zijn tractement, dat bovendien lager was dan het honorarium van andere predikanten.

Een aantal akten waarin Stolte betrokken was, zijn bewaard gebleven. Eén daarvan is een akte van aankoop van enige onroerende goederen te Nieuwleusen. Uit een andere blijkt dat Stolte drie jaar later een deel van die goederen weer verkocht heeft.
- Anno 1688, den 13e September, verkocht Dr. Herman ten Broecke, burgemeester van Steenwijk, voor een zekere somme van penningen ten profijte van de Eerwaarde Willem Stolte en de heer Gerrit Tydernan te Zwolle, haar respectieve huysvrouwen en erfgenamen, seecker erve en goed op Nyluesen gelegen, de vrouwe wed. Roelink aan de eene en de predikant Westenberg van Neede aan de andere zijde, strekkende voor van de Middeldijk tot achter aan de grachte, zoals hetselve bij Geert Willems word gebruikt. Mitsgaders de helfte van een erve en goed eveneens op Nyluesen gelegen, de Welgemelte wed. Roelink aan de eene en de rector Hasfueri aan de andere zijde, strekkende voor van de Middeldijk tot so verre als Nyluesen geregtigd is, gebruikt wordende bij Hermen Jansen. Bewarende de gemelte goederen te wagten en waren voor alle evictie en opsprake, en in specie wegens het apart in de societijt van de herberge Lichtmisse en de lasten en profijten van deselve die verkoper voor sig heeft behouden (werd dus niet mee verkocht).-
6 Oct. 1691 verscheen voor Albert Molckenboer en Ceurnoten als de Hr. Ioan Molckenboer, Scholtis van den Hardenberg, ende Marius van de Vechte, dominee Willem Stolte op Nieuleussen ende de Ed. Anna van Munster zijn echeliefste, wesende met haar voorn. Echeman als momber geassisteert, welke bekenden om een welbekende somme van penningen te hebben verkoft, sulx doende kragt deses, aan de Ed. Gerrit Tydeman tot Zwolle, deszelfs huisvrouw en erfg. haar geregte vierde part van een erve op 't Oosteinde van Nyluessen, wordende meijerswijze bewoont van Hermen Jansen, waar van de drie andere vierde parten alreeds voorn. Tydeman toecomende zijn (reeds eigendom van Tydeman zijn). Ten oostwaarts daar angelandet Abraham Haddis en westwaarts de vrouw wed. Roelink.-

Een jaar later kocht Stolte van zijn zwager een huis in de Voorstraat te Zwolle. Waarom Stolte geld stak in onroerende goederen is niet bekend. Mogelijk dat het om geldbelegging ging, al zullen we straks zien dat de predikant niet erg rijk was.
- Anno 1692, den I Augustus verschenen Jan van Munster en Judith Bouwmeester zijn huisvrouw, en bekenden ten erflijkcn profijte van de predikant Stolte tot Nyluessen en deszelfs huisvrouw, Maria (lees Anna) van Munster, comparantes respective swager en suster, gecedeert en getransporteert te hebben mitsdesen een huys en wehre, genaamd De Meerminne, staende in de Voorstraat naast het huis van de erfgenamen van de wed. Geert Greve aan de eene en het gemeene steegje aan de andere kant, met verschillende uitgaande rentes, sonder arg ofte list. Actum coram Schepen Herman Joan Roelink.-

Twee jaar later overleed Willem Stolte. Zijn weduwe ontving daarna verschillende rekeningen over de afgelopen jaren, zelfs van voor hun huwelijk. Waarom de predikant deze schulden tijdens zijn leven niet heeft betaald, is niet bekend. Hij was niet rijk en we moeten aannemen dat de benodigde middelen steeds hebben ontbroken. Dat valt evenwel niet te rijmen met de aankoop van onroerende goederen. Mogelijk moeten we dit als een reservering voor de oude dag zien.
Onder de rekeningen die de weduwe Stolte ontving en die in het Gemeentearchief in Zwolle bewaard worden, bevinden er zich ook een aantal van haar zwager Jan Grevink.
Suster Anna van Munster, weduwe Stolte, debet aan Jan Grevink. So van kostgelt en anderszints, alsmede vrije kamer, versien met vuur en ligt, en alles wat daaran dependeert, ja selfs wanneer iemant hem is komen besoeken, so heeft mijn swager saliger, Ds. Stolte. gecommandeert, bier, brandewijn en wijn, toebak, en dat met beloften om ons dubbelt weder om te vergelden, so hij t niet met gelt kon betalen, so sou hij ons met rogge betalen, en daarop ontfangen in t jaar van drie en t negentig een schepel bockweijt.-
Het bedrag van deze rekening was ƒ 297,- Dit was voor de periode van 21 december 1679 tot 13 november 1681, toen Stolte als student bij zijn zwager in huis woonde, dus gedurende bijna twee jaar. Op 1 mei van laatstgenoemd jaar was Anna van Munster daar ook gekomen en had -neffens haar man saliger gegeten en gedronken-.
-Ook nog verscheijde weken eer mijn zwager saliger Willem Stolte tot predicant beroepen wierd, die boeren van Nieuleussen op gewagt en haar uit last van rnijn swager saliger getrakteert met eten en drinken, omdat sij dikwijls raad pleegden met mijn swager Sal. om hem tot predicant te beroepen, sodat ik veel onkosten daar an gehad hebbe, waarvoor ik pretendeerde ƒ 25. Nog een ducaton tot een schinke gelankt welke mijn swager salig kort voor t beroep an iemant vereert heeft ƒ 3.- Tot zover de schulden van de predikant aan zijn zuster Janna Stolte en zwager Jan Grevink.
Van zijn vader had de dominee een zwart blaarde koe gekocht voor zesendertig gulden. Daarop had Barta Stolte zes ellen sersi ontvangen en bleef er nog dertig gulden onbetaald.
Verder was er nog een rekening voor - een kussensloop geleent doe mijn Swager sal. het seere been hadde in van Munsters huis en het niet konde weder krijgen.-

Het totaal bedrag van de rekeningen die de weduwe Stolte voorgeschoteld kreeg, bedroeg het voor die tijd kapitale bedrag van ƒ 479,-. Het zal haar moeite gekost hebben deze schuld te voldoen. Zeventien jaar na het overlijden van Willem Stolte heeft ze nog een behoorlijke schuld. Dit blijkt uit een akte, gedagtekend 25 juni 1711. - Anna van Munster, wed. van wijlen Ds. Willem Stolte met haer zoon Henrik Stolte als momber geassisteert en bekende wegens verstrekte penningen schuldig te zijn aan de wed Jan Jellen een somme van twee hondert carolus gulden.- Een dochter van Jan Jellen, Anna, was gehuwd met een Werner Stolte. Of er sprake van een familierelatie is, is ons niet bekend.
Op 22 februari 1709 trouwt in Amsterdam de jongste zoon van Willem Stolte en Anna van Munster -Hendrik Stolte van Niculeusen, silversmit, oud 25 jaren, in de Garstemolensteeg, ouders doot, geassisteerdt met Jan Grevink en Evertje Nab van Amsterdarn, oud 22 jaren, in de Rosestraat geas. met haar moeder Huybertje de de Laat.- Waarom bij dit huwelijk is vermeld dat Anna van Munster ook al overleden was, terwijl uit de eerder genoemde akte van 1711 blijkt dat ze dan nog in leven is, valt moeilijk te zeggen.
Het leven van Anthonij, de oudste zoon, verliep niet zo erg kalm. Hij trouwde met Christina van Niel. Evenals zijn vader werd hij predikant. Hij diende de kerk te Heemse en werd door zijn zoon Willem opgevolgd. Over deze beide predikanten zijn niet erg veel goede dingen te vertellen. Een ruzie met de adellijke familie Van Reasfelt, waarbij ook de zoon jan Hendrik (later dokter in Zwolle) betrokken was, kwam hem duur te staan. Het was zelfs zo erg dat er in het rechtelijk archief wordt gesproken van -een slagerije-.
Tot zover deze terugblik naar de predikantenfamilie Stolte. Deze tak van de familie heeft het wapen gevoerd dat op de omslag is afgedrukt. Het wapen heeft een rood veld, waarin twee verhoogde gouden sterren naast elkaar, vergezeld beneden van een zilveren klaverblad. De naam Stolte komt in Nieuwleusen nog steeds voor, maar van een familielijn naar de predikant Willem Stolte is ons niets gebleken.

* * *

OP DE BOERDERIJ _________________________________________________________

A. Kreule
Peter Kreule

Indertijd, in 1969 vroeg ik mijn vader eens wat op te schrijven over het leven en werken zoals dat in zijn jeugdjaren in Nieuwleusen plaats vond. Onderstaand een eerste aflevering van de door Peter Kreule, geboren in 1895 en overleden in 1974, opgeschreven zaken zoals hij die heeft ervaren. Veel is al historie, maar de ouderen onder ons zullen er nog veel van herkennen. Het komt voor dat bepaalde dingen die mijn vader destijds als achterhaald en afgedaan beschouwde, inmiddels weer opgeld doen. Daarentegen zijn sommige dingen die hij in 1969 als modern zag, al weer achterhaald.

Het leven en werken op de boerderij omstreeks de eeuwwisseling in vergelijking met anno 1969.


Peter Kreule

Als men nu het leven vergelijkt met dat van omstreeks 1900, dan is het verschil, vooral op landbouwgebied, wel enorm groot. Destijds was alles nog handenarbeid; nu is bijna alles machinewerk. Om maar eens enkele dingen te noemen: melken, dorsen van het graan, kunstmest zaaien, het drenken van vee, het maaien van gras, het hooien, enz.
Hebben de meesten tegenwoordig wel een melkmachine, in het begin van deze eeuw waren die er nog niet en moest er met de hand gemolken worden. Voordat onze tegenwoordige boterfabriek in 1907 werd opgericht, moest men ook zelf de melk karnen. Er was toen al wel zo'n fabriekje van "Kingma", waar de melk werd ontroomd, maar daar werd nog niet zoveel melk naar toe gestuurd. De meeste boeren stonden er in het begin nog wat kritisch tegenover en stuurden de melk niet naar de fabriek, want, zo werd er gezegd, de ondermelk die je terug krijgt is lang zo goed niet voor varkensvoer als de karnemelk die je hebt als je zelf karnt. Langzamerhand ging men er toch toe over de melk naar de fabriek te doen. Zo had men ook een heel stuk werk minder.
Dat zelf karnen was nogal een zwaar karwei. Je moest er ongeveer een uur aan staan. Sommigen hadden wel een karnmolen. Een paard kon dan het zware werk doen; die moest dan een uur in de molen in het rond lopen. lk geloof dat het karnen ook wel eens een enkele keer met een hond gebeurde, die dan door in een wiel te lopen, dit draaiende moest houden.
Wanneer de boter "groot" werd, dat wil zeggen als er klonten boter ontstonden, dan werden die uit de karn


Foto met reclame en directeur voor zijn voordeur


Dezelfde foto maar zònder de directeur!

gehaald en in een ton gedaan. Er waren tonnen waar 40 pond in kon, maar er waren er ook van 20 pond. Meestal ging men elke week naar de markt in Zwolle om de boter te verkopen. Omdat de eieren toen nog niet door de winkeliers werden opgekocht, nam men die ook mee naar de stad. Ik herinner mc dat ik wel eens een enkele keer mee mocht naar Zwolle. Op een keer, het was in 1902, gebeurde er op de terugweg iets waar ik later nog wel eens aan terug dacht.
We reden op het Westeinde toen het paard een leidsel onder de staart kreeg en aan de haal ging. Mijn vader trok eerst nogal om het leidsel los te krijgen, maar dat ging niet. lk begon te schreeuwen, maar daar werd het paard nog wilder van. Mijn moeder greep mij beet en drukte meteen mijn mond dicht. Hoe zou dat aflopen? Het ging steeds harder en in volle vaart op de buitendijksloot, die vol met water stond, af. Maar toen gebeurde er iets. Het rechter voorwiel en het voorstel van de kleedwagen kwamen ieder aan een kant van een niet al te dikke boom terecht en we waren gered. Het paard rukte en trok, waardoor het tuig en een stuk van het inspan braken. Maar dat was het ergste niet, wij kwamen er goed af. Mijn tante, die ook in de wagen zat, zei: "De Heer heeft ons weer bewaard". Nadat het paard wat was bedaard en de strengen waren los gedaan werd de wagen teruggeschoven en een en ander met touw gebonden, waarna de thuisreis werd voortgezet. Vader nam plaats op het voorkistje, om als er weer wat zou gebeuren, dit direct te voorkomen.
De verdere reis ver liep voorspoedig en we kwamen behouden thuis.

Wordt vervolgd


* * *

ZANGVERENIGING RUITENVEEN _________________________________________________________

De groepsfoto is deze keer van de zangvereniging te Ruitenveen en werd omstreeks 1930 gemaakt tijdens een van de uitstapjes die het gezelschap maakte. De vereniging stond onder leiding van meester Karnm.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  

Evert Bulder
Hilbertus Bulder
Hendrik Jan Krul
Hendrik Jan Brasjen
Gerrit Nijlant
Jan Willem Schuurman
Hendrik Jan van Veen
Klaas Brouwer
Jan Jans
Harm Jan Brouwer
Leentje van Spijker
Jantje Kouwen
Hilligje van Dijk
Hendrikje Schoemaker
Trijn Lefferts
Jan Willem Boer
Hilligje de Boer
Janna Schoemaker
Geesje Voorhorst


20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  

Hendrikje Klein
Berendina Schuurman
Jan Runhart
Mina van Duren
Jentje Kleen Scholten
Klaasje Vonder
Derk Hekman
Femmigje Evertsen
Hilligje Alteveer
Aaltje Schuurman
Mientje Brouwer
Hendrikje Veerman
Meester Kamm
Aaltje Schoemaker
Aaltje de Boer
Mevr. Kamm
Jan Bouwhuis
Thijs Kleen

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES V _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

Wanneer na een periode waarin het behoorlijk gevroren heeft, de dooi invalt, zit er eerst nog vorst in de grond.
In Nieuwleusen zegt men dan: 't hal is nog in de grond.

* * *

"HET GROENE KRUIS" TE NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

F. Visscher

Aan de J.Ph. Backxlaan is eind 1986 een periode van verbouwwerkzaamheden beëindigd. In de loop van april 1987 bestaat de Vereniging "Het Groene Kruis" Nieuwleusen 75 jaar en zal ook de officiële opening plaats vinden. Bij zo'n gelegenheid is het goed eens terug te blikken in de geschiedenis van onze plaatselijke Groene Kruisvereniging. Ook dat is "Ni'jluusn van vrogger”.

De eerste berichten over Het Groene Kruis komen we tegen in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 12 april 1912. Bericht wordt dan dat ten huize van G. Massier aan de Ommerdijkerbrug in een druk bezochte vergadering een vereniging van Het Groene Kruis werd opgericht. Alle aanwezigen traden spontaan als lid toe en uit hun midden werden met algemene stemmen tot bestuurslid gekozen de heren D.J. Prins, H. Massier, R. Snel en G. Snijder.
Hoe het de eerste jaren verder verlopen is, ontbreekt in het archief. Vanaf 23 april 1917, dus 5 jaren later, zijn er notulen. In die vergadering werd als voorzitter gekozen de heer Ph. Backx, de heer B.J.v.d.Berg Bzn. als secretaris en als penningmeester mej. J. Huizinga. De voorzitter deelt mede dat reeds een mooie gift ( ƒ 1.000,=) van mej. Palthe is binnen gekomen. Mogelijkerwijze zijn er tussen 1912 en 1917 niet veel activiteiten geweest want in de vergadering van 27 juli 1917 wordt gesproken over het aanstellen van een zuster, terwijl in die vergadering tevens het besluit valt lid te worden van de Provinciale Vereniging en wel met ingang van 1 januari 1918.
In de vergadering van 22 november 1917, gehouden in de Rijkslandbouwschool Rollecate, is ook dokter Risselada als adviserend geneesheer aanwezig. Besloten wordt een zuster te benoemen tegen een salaris van ƒ 850,= per jaar en een jaarlijkse rijwielvergoeding van ƒ 50,= . Daar tijdens de sollicitatieprocedure bleek dat het salaris te laag gesteld was, werd in de volgende oproep ƒ 1.000,= beloning vermeld, terwijl de ziekteverzekering voor rekening van de vereniging zou komen. Verplegingsartikelen (te weten twee vouwledikanten, twee ligstoelen, twee linnen zakken en drie ondersteken) werden conform het bestuursbesluit van 1 mei 1918 aangeschaft. Ook hield men zich in dat jaar in een vergadering bezig met de vraag of het stichten van een badinrichting gewenst zou zijn.
In de vergadering van 12 april 1919 komt de benoeming van zuster Van de Abeelen aan de orde. Zij treedt met ingang van 15 mei van dat jaar in functie. Besloten werd ook de Algemene Ledenvergadering op woensdag na Pasen bij "Braakhekke" te houden. In die vergadering komen we de namen tegen van de heer Middag (Vinkebuurt), mej. Huizinga, B.J. van de Berg, mej. Diepenhorst, mevr. J. v.d. Berg-Langenberg, K. Tempelman, mevr. Kapinga, mej. A. Kragt, H. Haasjes, A. van Spijker, L. Schiphorst, W.A. v.d. Berg, H. Prins Arzn., J.Ph. Backx en G.J. Zonnenberg.
In deze jaren wordt veel aandacht geschonken aan de TBC-bestrijding. Voor het eerst wordt er over gesproken om ook subsidie aan te vragen bij de gemeenten Staphorst, Dalfsen en Ambt Ommen, daar toen, net als nu, Nieuwleusens verzorgingsgebied de grenzen van genoemde gemeenten overschrijdt.
Café Borst is nu de plaats waar regelmatig vergaderd wordt in afwisseling met het gemeentehuis. De noodzaak tot het stichten van magazijnruimte dient zich aan. In de vergadering van 7 mei 1920 wordt besloten aan de Bouwvereniging alhier te vragen een stukje grond bij de nieuw te bouwen woningen (Molenhoek) tegen matige prijs in huur te mogen ontvangen (als dat tenminste wettelijk mogelijk is), om daarop een houten gebouwtje te kunnen plaatsen. Het bestuur krijgt machtiging om ƒ 700,= te financieren uit de destijds ontvangen gift van mej. Palthe. Ook de aanschaf van een ligtent ten behoeve van TBC-patiënten en de woningtoestanden worden besproken, daar deze (ook van diegenen die wellicht niet onbemiddeld zijn) veel te wensen over laten.
Op 28 augustus 1920 komt een zangavond in de Hervormde kerk ten bate van Het Groene Kruis ter sprake. De heer











W.A. v.d. Berg wordt aangewezen om dit met de kerkautoriteiten te bespreken.
In de vergadering van 9 septernber 1920 volgt de verheugende mededeling dat van mej. G.J. Palthe te Oldenzaal, doch tijdelijk hier verblijvende, opnieuw een gift is ontvangen zodat nu niets de stichting van een wijkgebouwtje meer in de weg staat. Met algemene stemmen besluit men mej. Palthe dank te zeggen en dit te doen door haar een oorkonde, getekend door een bekende tekenaar, te doen aanbieden, alsmede haar tot erelid der vereniging te benoemen.
Een jaar later is het gebouwtje werkelijkheid. Mevrouw Brouwer-Goselink zal gevraagd worden het schoon te houden en voor uitlening van de artikelen zorg te dragen.
Omdat zich in november 1921 een geval van Typhus in de gemeente voordoet, komt het bestuur in bijzondere vergadering bijeen. De zuster mag in dergelijke gevallen geen hulp verlenen, dit om te voorkomen dat zij de besmetting overdraagt aan andere patiënten. Toch wil men deze patiënt niet in de steek laten. Een directe oplossing wordt echter niet gevonden. In de Algemene Ledenvergadering van maart 1923 wordt besloten dat de zuster ook patiënten met een besmettelijke ziekte (behalve roodvonk) moet verplegen op advies van de plaatselijke geneesheer. Wel moet zij zich na de behandeling behoorlijk reinigen en verkleden. Gevraagd wordt of niet alle 553 leden een persoonlijke oproep voor de Algemene Ledenvergadering kunnen krijgen. De voorzitter deelt mede dat dit minstens ƒ 11, = aan porto zou kosten en dat is toch wel erg veel. Daarom is de vergadering aangekondigd in de Dedemsvaartsche Courant en het Landbouwblad, terwijl de heer Kapinga aan de schoolkinderen uitnodigingen heelt meegegeven. Besloten wordt in den vervolge de afkondigingen te doen aan de bomen bij de kerken en op andere plaatsen in de gemeente en de hoofden van scholen te vragen briefjes voor de ouders aan de kinderen mee te geven. Alle bij die vergadering aanwezige 26 leden worden in het verslag met name genoemd.
Dat er in 1924 nog geen TV of ander vermaak is, blijkt uit het feit dat er op zaterdagavond 26 januari een bestuursvergadering wordt gehouden en wel ten gemeentehuize. Men spreekt dan over het voeren van propaganda. Aangezien er in de gemeente geen goede projectielantaarn is, zal de heer Vos, die binnenkort toch naar Amsterdam moet, trachten een goede lantaarn en voor propaganda geschikte lantaarnplaatjes te bemachtigen.
Dat zuster Van de Abeelen genoeg te doen had, blijkt uit de 2723 bezoeken aan patiënten, waarvan 456 bij TBC-patiënten, die zij in de loop van 1923 aan patiënten bracht. 103 gezinnen maakten gebruik van verpleegartikelen, terwijl er op dat moment één patiënt op kosten van de vereniging in het sanatorium werd verpleegd.
In 1924 is er in de notulen voor het eerst sprake van de plaatselijke jagersvereniging die de door haar vrijwillig verschuldigde pacht afdraagt aan Het Groene Kruis. De eerste bazaar wordt gehouden. Mej. Mansholt en de heer Oosterhof nemen zitting in het bazaarcomité. Ook de voorzitters en presidentes van de jongelings- en meisjesverenigingen zullen gevraagd worden. De plaatselijke middenstanders rnogen reclame maken op de te houden bazaar. Uiteindelijk wordt de moeite beloond met een netto opbrengst van ƒ 794,-, voor die tijd voorwaar geen gering bedrag.
Eén van de leden stelt de vraag waarom de vergaderingen steeds in Nieuwleusen worden gehouden en niet in Den Hulst.
De techniek schrijdt voort. In de vergadering van 20 april 1925 komt de aanschaf van een motorrijwiel ten behoeve van de zuster aan de orde. Prijs ƒ 565,-. Men besluit een "Neracan" aan te schaffen via de firma Boers.
Als in 1925 de verhouding tussen zuster Van de Abeelen en de plaatselijke geneesheer dokter Wagner verstoord raakt, neemt de zuster ontslag. Ook binnen het bestuur leidt een en ander tot meningsverschillen. In de daarop volgende ledenvergadering volgt een uitgebreide discussie over de signature van de nieuw te benoemen zuster. Bestuurlijk komt de vereniging in een impasse. Gelukkig zegeviert het gezonde verstand en komt de benoeming van zuster Van Buiten in zicht. Mej. Mansholt is dan voorzitter.
In 1926 blijken er 13 jagers te zijn die hun "pachtbijdrage" aan het Groene Kruis ten goede laten komen. Ook is er dan voor het eerst sprake van een Moedercursus. Vanuit het bestuur wordt opgemerkt "dat er wel eenige meisjes voor te vinden zullen zijn, speciaal bij het jonge geslacht".
Dat de gevaren in het dagelijks leven aandacht krijgen, blijkt uit het feit dat een cursus "Eerste Hulp Bij Ongelukken" ter sprake komt. In eerste. instantie alleen met toelating van heren, later ook van dames.
In 1927 dient de noodzaak van een consultatiebureau voor zuigelingen zich aan, temeer omdat dit in Staphorst al gerealiseerd is. In 1929 gaat het bureau van start. Dokter Wagner is dan vertrokken en dokter Van Ravenswaay wordt adviserend geneesheer. Ook nu weer na-ijver tussen beide dorpskernen. De heer Zonnenberg maakt er bezwaar tegen dat er ditmaal in Den Hulst (Café Nijmeijer) vergaderd is, terwijl Nieuwleusen aan de beurt was. De eerste ruilverkaveling komt in 1929 aan de orde in verband met uitbreiding van het werkgebied.
Wanneer in de vergadering van 20 april 1931 nieuwe bestuursleden zijn geïnstalleerd, bestaat het bestuur uit mevrouw V.d. Berg-Langenberg, mevrouw Kamm-Kniep en de heren Vos, Prins, Zonnenberg, v.d. Bos en Van den Berg. De heer Van Ravenswaay gaat de voorzittershamer hanteren.
Ook in de jaren dertig blijkt TB nog veel aandacht van de bestuursleden te vragen. Eén van de belangrijkste grote uitleenartikelen is dan nog steeds de houten ligtent. Gelukkig is deze ziekte thans goed te bestrijden en komt ze dan ook niet veel meer in ons land voor.
Met deze dertiger jaren besluit ik het oudste stuk historie van Het Groene Kruis Nieuwleusen. Wellicht is er later gelegenheid om wat over haar jongere historie te vertellen.

* * *

VERKEERSCONTROLE _________________________________________________________

H.J. Snijder

In de jaren rond de eerste wereldoorlog werd het verkeer op de wegen steeds drukker. Het was dan ook wel eens nodig dat er controle op het wegverkeer werd uitgeoefend. Zo werd er wel verteld dat politieagent Holties het verkeer op de Viersprong in de gaten hield.
Hij stond dan bij het bord dat een maximum snelheid van 25 km. aangaf. Dit bord stond tussen de bomen ongeveer tegenover de woning van K. Mijnheer, de plek waar later het gemeentehuis werd gebouwd.
Om in het donker te kunnen zien en gezien te worden, begon men in die dagen de fietsen van een carbidlantaarn te voorzien. Al spoedig werd dit een verplichting, maar niet iedereen voldeed daar direct aan. Een boer die eens naar "westert" was geweest om naar zijn vee en land te kijken, was daar wat later dan in de bedoeling lag vandaan gekomcn. Fietsend zonder verlichting hoorde hij plotseling het commando: "Halt, politie". De man was er niet erg van onder de indruk en antwoordde terwijl hij gewoon doorfietste: "Det is een mooi beroep, zie dej het holt". Of de boer ook een bekeuring heeft gekregen, is ons niet overgeleverd.

* * *

ONTMOETING _________________________________________________________

Mini A. Tuur










Mien Old huppelpeerd, och daor stun ie op zolder.
Wat stoffig, wat dof, veur de rest ongedeerd.
En ik was eëm weer kiend, 'kwame net boôm oen scholder,
maar ik vulen mi'j groot en ik numen oe Geert.

Nee, echt met oens beiden gunk nooit wat verkeerd.
Ie waren mien droomprins, en ik oen kabolter.
Dan meuke wi' j reizen, mien fier huppelpeerd.
De kuif in de lucht, en mien knie teeng oen scholder.

Nou beide deurleêft en ok vieftig jaor older....!
Der is in die jaoren zo heel wat passeerd.
En elk gunk zien gaank, ieë stille op zolder,
en ikke, ...och Geert, 'k heb veule ófeleerd!

Nog eëm fantaseren, want oh, det is 't weerd.
Nog eëm in galop weer. (De harfst kump, 't wurd kolder.)
Nog eëmpies, nog eëmpies mien knie teeng oen scholder!
Wat is der ...of bi' j soms het huppeln verleerd!

Mien prins, 't giet oe net as die olde kabolter,
de glaans is der of ...jank maar uut an mien scholder.




Jaargang 5 nummer 2 juni 1987

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

HET PALTHEHUIS _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

In het archief van de Nederlands Hervormde Gemeente in Nieuwleusen bevindt zich een brief van de hand van dominee J.A. Palthe. Hij was hier dominee van 1754 tot 1803. Uit de brief blijkt dat het Palthe-huis zijn privé eigendom was en dat het schoorsteengeld (een soort belasting) door de eigenaar of huurder betaald diende te worden. Het huis werd gebouwd in 1795; dit blijkt ook uit een aantekening in het doopboek van de Nederduits Gereformeerde Gemeente waarin staat: "Het huis staande op de pastorijbleike is gebouwt 1795". Niet duidelijk is waarom ds. Palthe niet in de pastorie woonde. Vermoedelijk woonde hij eerst nog ergens anders. In een koopakte, gedateerd 8 september 1763, van "het halve erve en goed met het halve huis" staat dat de wederhelft toebehoort aan ds. J.A. Palthe "naast de schole".
Het Palthehuis stond tussen de Grote Kerk en 't Witte Peerd en is in 1966 afgebroken. Bij de volkstelling van oktober 1795 is vermeld: "J.A. Palthe. Aantal mensen in huis: 2." In de brief, die hieronder volgt, is sprake van een stanketsel. Dit is een hekwerk. Wat de wisserie is, is niet duidelijk. Mogelijk de wasplaats.

Bekenne en verklare ik ondergeschrevene in en vermits desen aan de kerkenraad en kerkmeesters van Nieuwleuse; de mede ondergetekende versekering te geven, dat zoo het mogte gebeuren, dat er schoorsteengeld gelegd wierde op mijn eigendommelijke huis en daaraannexe schuire voor mijn eigen geld hebbende laten maken, benevens het stanketsel van de schuire na de wisserie, staande alle op de pastorij bleike, dat dan het schoorsteengeld van voorgemelde huis nooit tot laste van de Gemeente van Nieuwleuse sal komen, maar van gemelde huis door den huirder of eigenaar sal betaalt worden. En zoo de toekomende predicant niet mogte goedvinden voorschreven huis met de annexe schuire en stanketsel op de pastorij bleike te willen laten staan, de opzage een jaar en ses weken te voren gedaan zijnde, zoo als onder ons is goedgevonden, zal de ondergeschrevene domine J.A. Palthe, sijn erfgenamen of wie het na desen ook mogte toebehoren, gehouden zijn, binnen gemelden tijd van een jaar en ses weke te moeten afbreken en verplaatst worden, en het schoorsteen moeten



worden medegenomen en door de huirder of eigenaar betaalt worden. In oirconde der waarheid is deze door ons eigenhandig ondertekent, en twe alleens luidende daarvan gemaakt te Nieuwleuse den 1 juny 1795.

J.A. Palthe
Predicant.

* * *

GROTE MANS _________________________________________________________

Kabé

Grote Mans kwam aan de kost als timmerman. Bij de boeren knapte hij allerlei karweitjes op. Een specialiteit van hem was het plaatsen van een nieuwe roe in een hooiberg .
Harm Jan, een van zijn klanten, had de afgelopen winter een geschikte eikenboom gekocht en de timmerman werd er bij geroepen om het karwei te klaren. Grote Mans bekeek de boom met een kennersblik en zei "Het is een goeie, klaor körrel, en mooi recht". Een afspraak werd gemaakt en op de bewuste dag kwam Mans om de boom te bekanten. Dat verliep gladjes. Er werd een lijn langs de boom bevestigd, zodat Mans kon zien waar wat af moest om een mooie rechte bergroe te krijgen. Al spoedig was dit geklaard, waarna er met een speciale grote boor op ongeveer een voet afstand van elkaar gaten in werden geboord. Dat was zwaar werk en al spoedig gutste het zweet van Mans' gezicht. Maar Mans was oersterk en 's avonds lag de roe klaar om de volgende dag op zijn plaats gezet te worden.
Voor het opzetten had Harm Jan een paar buren gevraagd te komen helpen. Eerst moest de oude bergroe uitgegraven worden. Het gat werd een beetje dieper gemaakt met van binnen uit een schuine sleuf. Hierdoor moest de "kont" van de roe naar beneden zakken.
Gezamenlijk werd de nieuwe zware roe op het achterstel van een boerenwagen gelegd, waarna het geheel onder de kap gereden werd. Het bovenste deel van de roe werd opgetild en op de daarvoor bestemde plaats naar buiten geschoven. Daar werd de roe opgevangen door twee lange palen, de zogenaamde juffers, die met een stuk touw aan elkaar waren gebonden. Zo werd de nieuwe roe al verder via de schuin aflopende sleuf in het gat gewerkt. Na veel krachtsinspanning stond de roe eindelijk rechtop. Mans ging op een afstand staan om de laatste aanwijzingen te geven. Toen de roe goed stond, moest het gat weer met zand gevuld worden. Het zand werd aangeslempt met veel water om de paal goed stevig te laten staan. Tegen half elf kwam Janna, de vrouw van Harm Jan naar buiten met de mededeling dat de koffie klaar was. Dat was niet aan dovemansoren gezegd. Koffie hoorde er bij en er werd ruimschoots de tijd voor genomen. Het was toch immers de rustige periode voor de hooioogst. Grote Mans liep voorop en voor hij naar binnen ging, legde hij zijn tabakspruim in de vensterbank. Daar kon hij na de koffie nog wel even mee verder. Achter Mans liep klein Pietertien. Met hem moest je oppassen. Het was een gewiekst mannetje, die graag iemand te pakken nam. Met zijn pink wipte Pietertien de pruim van Mans van de vensterbank en legde de zijne er voor in de . plaats. Op de deel had Janna een tafel klaar gezet met de nodige stoelen er om heen. Op de tafel een grote kan met koffie en een schaal grote plakken zelfgebakken krentenstoet. De plakken waren dik besmeerd met "goeie botter"; Janna stond bekend als een gul mens. In elke kom koffie kwam ook een flinke suikerklont.
Alies ging er vlot in, want zwaar werken maakt hongerig. Onderwijl werden allerlei nieuwtjes uitgewisseld en sterke verhalen verteld. Toen Grote Mans vond dat de koffiepauze· lang genoeg had geduurd, kwam hij als eerste in de benen om weer aan de slag te gaan. Per slot van rekening werd hij er voor betaald en daarvoor moest ook wat gebeuren. Klein Pietertien liep achter hem aan. Bij de vensterbank gekomen, greep Mans de tabakspruim. Klein Pietertien stak een nieuwe pruim op.

* * *

TE KOOP _________________________________________________________

TE KOOP: een Gramophoon met 13 platen, dubbel bespeelbaar, zoo goed als nieuw. Aan het zelfde adres een trom met zes schroeven, koperen ketel en met extra vellen er op. Te bevragen bij G. Klein D.Jzn., Kerkenhoek, Nieuwleusen.
(Uit de Dedemsvaartsche Courant van woensdag 24 september 1919).

* * *

HAZEU EN DE HAZEUZANGERS _________________________________________________________

Een belangrijk deel van dit nummer is gewijd aan de Hazeuzangers en aan de man die de liederen dichtte die dit koor nog steeds zingt. Dat de Hazeuliederen vroeger een belangrijke plaats innamen bij de boerenbevolking, moge blijken uit onderstaand citaat uit de streekroman "Harm, de boer van 't Hoogelaand", geschreven door de Dedemsvaarter L. Jonker.

= "Die jonge meister, 't is toch zo'n sprinkhane, dan hef hi'j dit, en dan weer det, bi'j 't ende. He'j 't wel eheurd, now wil hi'j 't jonge volk zing'n leer'n op en Zangv'rienege, en hi'j kan zöls jao haoste niet zing'n.
Nee - dan mus ie de olde meister hebb'n. Zundus in de karke, - hi'j zunk baov'n alles uut, en as 't ies v'rkeerd gunk, skreeuwde hi'j zóó hard, de'j allemaol'nt weer op de goeije wieze kwamm'n."
Daor kunn'n ook aand'r'n van mit praot'n, die bi'j hum op skoele waar'n ewest, of hum goed ekend hadd'n.
Geeze ook. Zi'j v'rvolgde: "Toe hadd'n ze ook al 'n zangklasse, daor ze 's wint'rsaov'ns zing'n leerd' n. En mooi as 't gunk! De Azeurgezang'n hew' van hum eleerd en dan v'rskeid'n psalm'n op lieties wieze. Ik kenne ze nog wel."=

* * *

JOHANNES HAZEU Czn, SCHRIJVER EN DICHTER TOT NUT VAN 'T ALGEMEEN _________________________________________________________

M. den Admirant

Hier en daar in ons land - in Zwolle en omstreken, op Goeree Overvlakkee en in Zeeland - bestaan nog zanggroepen die de zogenaamde Hazeuse gezangen op hun repertoire hebben. Deze stichtelijke liederen zijn genoemd naar Johannes Hazeu Cz, een tijdgenoot van Willem Bilderdijk. Hazeu was boekhandelaar en boekdrukker, die in zijn vrije tijd gedichten en prozastukken schreef, vooral lectuur voor de jeugd.
Hij werd op 15 februari 1755 te Schoonhoven geboren als zoon van Cornelis Hazeu en Maria Zweris en overleed op 25 november 1834 te Haarlem.
In zijn geboorteplaats genoot Johannes Hazeu het eerste onderwijs, dat toen nog heel gebrekkig was en beperkt bleef tot lezen, schrijven en rekenen. Hij was bijzonder leergierig en vlug van begrip. Had hij de wens van zijn hart kunnen volgen, dan zou hij aan een studie voor predikant zijn begonnen; de middelen daartoe ontbraken echter. Hazeu koos toen voor de boekhandel. Aanvankelijk werkte hij in Schoonhoven, maar reeds als jongeman vertrok hij naar Edam, om zich daar in het boekverkopersvak te bekwamen. Door zelfstudie wist hij zijn kennis te vermeerderen.



Tijdens zijn verblijf in Edam werd op 16 november l784 in dit stadje het Genootschap van Kunsten en Wetenschappen (later genoemd: de Maatschappij) tot Nut van 't Algemeen gesticht. De oprichters - de doopsgezinde predikant Jan Nieuwenhuyzen, diens zoon Martinus en enkele anderen - waren vrienden van Hazeu en hij hielp hen bij de uitvoering van hun plan. Hoewel Hazeu niet als medeoprichter kon worden aangemerkt, droeg hij wel iets tot de stichting van het "Nut" bij. Gedurende zijn gehele leven bleef hij een ijverig voorstander van deze Maatschappij, die zich ten doel stelde, mede te werken aan de verbetering van de verstandelijke, zedelijke en maatschappelijke toestand van het volk, inzonderheid van de lagere volksklassen, o.a. door invloed uit te oefenen op de opvoeding en het onderwijs. De grondgedachte was de verbreiding van de ethische en maatschappelijke denkbeelden van de "Verlichting". Hierdoor kwam het Nut in botsing met het orthodoxe Christendom.

Hazeu verhuisde later naar Amsterdam, waar hij zich als boekhandelaar vestigde. Hij werd er in 1791 toegelaten tot het boekverkopersgilde. In hetzelfde jaar trouwde hij met de dochter van de uit Groningen afkomstige boekdrukker A. Bakker. Na Bakkers dood zette Hazeu diens boekdrukkerij voort, aanvankelijk samen met zijn schoonmoeder. Zijn vrije tijd besteedde hij aan velerlei nuttige werkzaamheden. Op het terrein van de armenzorg was Hazeu bij zonder actief, vooral in de moeilijke jaren van de Franse overheersing. Een deel van zijn tijd benutte hij voor het onderwijs aan behoeftigen in de Diaconieschol en.
Actief was Hazeu ook als schrijver en dichter, in het bijzonder van kinderlectuur. Ongeveer 40 dicht- en prozawerkjes van zijn hand zagen het licht. Sommige geschriften waren zo in trek dat ze meermalen moesten worden herdrukt.
Hazeu schreef en dichtte tot nut van 't algemeen; met andere woorden: hij wilde, overeenkomstig de doelstelling van de in 1784 opgerichte Maatschappij, zijn pennenvruchten dienstbaar maken aan de verhoging van het geestelijke en zedelijke peil van de volksklassen. Dit streven blijkt al uit de titels van een aantal geschriften, zoals:
- Leerzame Gesprekjens, of de vlijt der kinderen opgewekt;
- Reinharts raadgevingen aan Eduard en Louise, ter verkrijging van het ware genot des levens.

Gehoorzaamheid is vanzelfsprekend ook een grote deugd. Ze is, zegt Hazeu, "een der beste pligten, die niet alleen kinderen, maar alle Menschen te betrachten hebben; want de meeste onrust wordt uit ongehoorzaamheid geboren". Overigens schreef Hazeu niet uitsluitend voor kinderen en jonge lieden. Lectuur voor ouderen was bijvoorbeeld het door hem herschreven boek van N.S. van Leeuwarden "de Godvreezende Zeeman". Ook publiceerde hij "De Heidelbergsche Catechismus in LII Gezangen" en "Bijbelsche Geschiedenissen uit het N. Testament, voor Minvermogenden".

Hoewel Hazeu als dichter niet uitmuntte, werden zijn stichtelijke liederen gedurende tientallen jaren in vele gezinnen en zanggezelschappen gezongen. Er verschenen diverse bundels, waarvan de "Nieuwe Stichtelijke Liederen" het meest bekend waren. De eerste uitgave dateert uit 1806. Blijkens het titelblad waren deze liederen bestemd "voor de huisgezinnen en gezelschappen der Christenen" en op nieuwe zangwijzen gesteld door Dirk van der Reyden. Later bracht de schrijfschoolhouder en zangmeester B. Smit de stichtelijke liederen op vier stemmen.
Zijn laatste levens jaren bracht Hazeu in werkzame rust door, eerst buiten en vervolgens binnen de stad Haarlem, die hem lief was niet alleen wegens de heerlijke omstreken, maar ook omdat Laurens Jansz. Coster, de uitvinder van de boekdrukkunst, er gewerkt had.
Johannes Hazeu overleed zoals reeds vermeld op 25 november 1834, bijna 80 jaar oud zijnde. Na zijn dood verschenen nog zijn laatste pennenvruchten onder de titel "Mijn laatste werk op aarde". Voor de uitgave daarvan zorgde zijn zoon, Arend Hazeu - destijds predikant te Vlaardingen -, die het boekje van een voorrede en een naschrift voorzag.

* * *

DE HAZEUZANGERS _________________________________________________________

Radio Oost

Onder grote belangstelling traden op maandag 10 november 1986 de Hazeuzangers op in een partycentrum aan de Lichtmis. Een unieke gebeurtenis, want dit a capella koor zingt voornamelijk bij één van de leden thuis of een enkele keer in een bejaarden- of verpleegtehuis. De groep bestaat uit 20 mannen die allen rond een tafel zitten. Eén man, de voorzanger, heeft een hamertje en tikt daarmee de maat op de tafel om dit vierstemmig zingende koor te begeleiden. Het vierstemmig zingen komt oorspronkelijk uit Frankrijk, zo vertelde Dirk Duijzer, die al zes jaar Hazeuzanger is, aan Jan de Koning (verslaggever Radio Oost).
D- Toen ik voor het eerst bij deze groep kwam, was ik erg geïnteresseerd in de ontstaansgeschiedenis. Niemand wist me daar eigenlijk iets van te vertellen. Ik moest



........ die allen rond een tafel zitten.

zelf alle bronnen langs om de oorsprong te achterhalen. Ik ben in Frankrijk beland in het jaar 1560, toen de psalmwijzen zijn ontstaan onder Calvijn. Vlak daarop, in 1565, zijn er vierstemmige wijzen bijgemaakt door Claude Coudimelle, iemand die later in de Bartholomeusnacht omgebracht is als Hugenoot. Het is nooit de bedoeling geweest om deze psalmen vierstemmig te zingen in de diensten. Calvijn heeft dat destijds verboden. Wel heeft hij het erg aanbevolen voor de huisgezelschappen en de gezinnen en daar vinden we de oorsprong.
dK- De Hazeuzangers zijn uniek. Hoeveel groepen van deze zangwijzen zijn er nog in Nederland?
D- Ik vertelde net iets over de oorsprong; waarschijnlijk is het rond 1600 met de Hugenoten naar Nederland gekomen. In 1602 is hier de eerste bundel psalmen verschenen en als we dan verder kijken, dan zien we die bundel ook met de berijming van Dathenus en vervolgens ook met de berijming van 1673. Rond 1800 - 1820 ontstaat de bundel van Hazeu. Hazeu was boekdrukker en heeft zelf de bundel samengesteld. In die tijd worden ze eigenlijk tegelijkertijd gezongen, de liederen van Hazeu samen met de psalmen. Als verspreidingsgebieden vinden we Urk, Zeeland, Groningen en rondom Zwolle. In alle boerengebieden eigenlijk had iedere buurtschap wel zo'n zanggezelschap. Men zong de psalmen samen met de bundel van Hazeu. Later is men ook de Neerbos-zangen gaan zingen en allerlei andere liederen.
dK- Maar hoeveel zijn er nog?
D- Ik denk dat er nog vijf over zijn; een in Urk, deze en nog drie in Zeeland.
dK- Is het nooit in het zuiden geweest, in Brabant en Limburg?
D- Nee, ik denk dat de Hugenoten die streek overgeslagen hebben en dat met name de psalmen, waar de Hazeuliederen aan vast zaten, dat die duidelijk een protestantse neerslag hadden.
dK- Er is veel over de Hazeuzangers geschreven, o.a. ook een gedicht door de heer Sterken. Kende U dat gedicht?
D- Ja, ik had het al eens in een krant gelezen en het gedicht zegt wel iets over het karakter van de zang.


Voorzanger Willem Bovenhoff kreeg in 1962 ter gelegenheid van de verjaardag van de Koningin de eremedaille verbonden aan de orde van Oranje Nassau in brons opgespeld door burgemeester Mulder. Bovenhoff was toen 80 jaar.

Het is wat norsig, wat donkerbruin en door boeren gezongen. Het is ook niet gepolijst. Het is zoals de psalmen misschien wel de eeuwen door gezongen zijn; niet door culturele gezelschappen, maar door de zangers van huis uit en dat zijn de boeren. Daar zegt het gedicht eigenlijk iets van en het geeft de kenmerken daarvan weer.
De voorzanger zet in met het befaamde "ut re mi fa sol", wat later het "do re mi fa sol" is geworden en hij slaat met het hamertje de taxe, het ritme. Voor zover ik weet is dit één van de weinige groepen waar nog met zo'n hamertje geslagen wordt, ik ken het verhaal van een Franse componist die met een wandelstok de maat sloeg en ik heb begrepen dat hij daaraan overleden is. Hij sloeg op zijn teen en liep daarbij een wond op. Destijds hadden ze daar nog geen middelen tegen en zo is hij aan z'n eind gekomen. Zo zie je maar........ dat het een gevaarlijke sport kan zijn.
dK- Is dit hamertje nog van oorsprong het eerste dat aan de Hazeuzangers verbonden is geweest?
D- Dat durf ik niet te zeggen. Ik denk wel van deze groep, want ik schat het ontstaan zo rond 1850 - 1860. Ik heb begrepen dat een overgrootopa van de voorzanger dat hamertje vroeger al gehanteerd heeft en als je hem bekijkt, dan zie je dat de houtworm er diverse malen door gekropen is.
dK- Dus nog even slaan en het hamertje is in tweeën?
D- Ja, dat denk ik wel.
dK- En wat voor nieuw hamertje moet er dan komen, toch niet een gewoon uit een hobbywinkel?
D- Nee, ik denk dat we hem dan toch weer met alle moeite aan elkaar zullen plakken.
dK- Deze avond is wel uniek. Ik meen me te herinneren dat dit het eerste optreden is voor openbaar publiek?
D- We hebben één keer samen met de zangers van Urk (daar hebben we nog wel eens contact mee) gezongen in de Bovenkerk in Kampen. Dat is al een jaar of vier geleden. Het bevalt erg goed. Zo'n avond is best leuk, alleen zijn we er niet zo erg geschikt voor. Het is best aardig, maar men ziet ons dan als een stukje traditie, een museumstuk misschien wel, en dat stoort ons soms wel, want daar zingen we niet voor. Wij zijn eigenlijk geen folklore.
dK- U treedt vanavond wel op. Waarom doet U dat dan toch?
D- Je zou kunnen zeggen het is het begin van een rondreizende carrière. Zo moet het in ieder geval niet gezien worden. Het is een uitzondering en het zal een uitzondering blijven. Een aantal mensen hebben ons gevraagd en we dachten dat we hier wel een aandachtig gehoor zouden hebben van mensen die de achtergrond van onze liederen kennen, die misschien zelfs wel meezingen. Daarom hebben wij gehoor gegeven aan deze uitnodiging.

Bovengenoemd verhaal is een weergave van een uitzending van Radio Oost van 11 november 1986.

* * *

OP DE BOERDERIJ II _________________________________________________________

P. Kreule

De koeien bleven 's nachts niet in de wei, maar werden op stal gezet. Pinken liet men wel buiten lopen. Dat de koeien 's nachts in de zogenaamde platte stal kwamen, was om een voorraad mest te verkrijgen. De boeren moesten wel voor een partij stalmest zorgen, want voordat in de herfst de rogge gezaaid kon worden, moest het bouwland bemest worden. Kunstmest was nog schaars. Bijna iedere boer had wel bouwland.
In het voorjaar was er stalmest nodig om het land te bemesten voor de aardappel-, haver- of boekweitteelt. De benodigde mest werd 's winters verkregen in de grupstal. Deze stallen werden van palen en planken in de platte stal gemaakt. In het voorjaar werden ze afgebroken en nadat de mest er uit was, kon de boer weer met een schone stal beginnen.
's Zomers werd er een grote voorraad plaggen uit het heideveld gehaald om als strooisel onder het vee te dienen. Veel boeren hadden zelf een heideveldje of anders werd er wel een stukje gehuurd. Wanneer begin mei het vee in het land was, dan ging men dag op dag naar het heideveld om plaggen te steken voor het komende jaar. De heide werd afgestoken en soms ook wel afgebrand. Van de bovenste laag stak men de "zoden". Daaronder zat vaak wat turf; hier wat meer, daar wat minder. Ook deze brandstof werd zelf in het heideveld gestoken. Destijds werd meestal nog turf gestookt.
Kolen gebruikte men weinig. Alleen wanneer het erg koud was, werd er wel eens een half mud gekocht. Hout werd er wel veel gestookt, maar nu heeft dat ook praktisch afgedaan. De petroleumkachels waren er nog niet en het aardgas dat nu onze kamers verwarmt, is er nog maar enkele jaren.
Het dorsen van het graan gebeurde in die tijd met de dorsvlegel. Men ging dan 's morgens meestal twee "leggen" dorsen, dat is twee keer de deel vol garven. En dan maar slaan tot het zaad er af was. Meestal werd uit het stro "dak" geschud voor dakbedekking op huis. Zo ging dat de hele winter door, 's morgens eerst melken, dan dorsen en vaak ook nog het gedorste graan met de kafmolen schoon maken, haksel snijden voor de paarden en meestal ook nog karnen. U ziet dat er toen heel wat te doen was.
Voordat er stoomdorsmachines kwamen, waren er eerst nog handdorsmachines. Boeren die veel graan verbouwden, hadden zo'n machine met vier of vijf man samen. Deze machines waren ook te huur voor één gulden per dag. Zo'n machine moest je op de wagen zetten als je hem ophaalde. Om te dorsen werd hij op de deel gezet, een partij garven er achter en het dorsen kon beginnen.
Hiervoor waren zes personen nodig; twee die de machine draaiden, één om de garven op te gooien, één om ze op de bijbehorende tafel te leggen, één die het stro weg schudde (zaad en stro kwamen allebei vóór de machine te liggen) en dan nog een binder. De garven gingen in de lengte door de machine. Je hield ze net zo lang vast tot dat het zaad er af was en liet ze dan los. Per dag kon er ongeveer 1O vim (een vim is 100 garven) gedorst worden. De voorraad was na een dag al aardig ingekort. Toen de stoomdorsmachine kwam, ging het nog gemakkelijker en sneller. De dorsmachine ging van boer tot boer. Degene die aan de beurt was, moest de machine met de paarden ophalen van de vorige boer. De motor werd gebracht. Later kwam er een tractor met een aandrijfpoelie.
Zelfbinders waren er nog niet, zodat het stro met de hand moest worden gebonden. Om de dorsmachine te kunnen bijhouden, waren er hiervoor 6 a 7 man (of vrouw) nodig.
Begin 1900 werd het gras met de zeis gemaaid, doch al spoedig kwamen er maaimachines met vingerbalk. Ze waren meestal tweepaards, maar er waren ook wel éénpaardsmachines, die dan smaller waren.
De maaimachine was alweer een hele verbetering, het ging nu allemaal gemakkelijker en vlugger. Nu staan deze machines al weer in het museum. Iedereen heeft nu een tractor met maaibalk. Het nieuwste is nu (1969) de cirkelmaaier.
Het hooien gebeurde ook vrijwel geheel met handkracht. Als het gras gemaaid was, bleef het meestal een paar dagen liggen en werd dan met de vork uitgespreid of met de hark


Aan de Backxlaan staat het hooi in oppers. Op de achtergrond de boerderij van Willem De Weerd.

omgetrokken. Nu gaat men er bij goed weer elke dag even met de schudder door tot het droog is. Het hooi werd met een vork op de wagen gestoken. Daar stond iemand die het in lagen over de wagen legde. Wanneer het voer vol was, kwam er een zogenaamde wezeboom over, die aan de voor- en achterkant met een touw (de voor- en achterlijn) via een katrol werd vastgebonden. Bij de hooiberg moest het voer hooi weer met de vork worden afgeladen. Tegenwoordig gaat dat wel wat gemakkelijker. De opraapwagens nemen het op en duwen het in de wagen. Bij de hooiberg is er dan de hooiblazer of transporteur die het in de berg brengt.
De transporteur heeft echter ook al bijna weer afgedaan, omdat het hooikanon met verdeler in de hooiberg weer beter is. Er wordt ook wel veel hooi op het land in balen van ongeveer 50 pond geperst.

Wordt vervolgd

* * *

BOERDERIJ - MEIMERIJ _________________________________________________________

Mini A. Tuur

Het eerste jonge-hennenei
De houten ton met groene wei
De kelderplanken met gelei
De trap van eigen makelei
De dikke inmaakpottenkei
De botergele melk in mei
De romig zachte rijstebrij
Het drogen van de selderij
De glazen kast met pronkerij
Het bakhuis met de stokerij
De wiemel met het slachtgerei

De manke kat ... Haar kramerij
Nieuwjaarsvisite velerlei
De kalfjes in de voorjaarswei
't Vee knus op stal in 't herfstgetij

De roggeoogst, brandend karwei
Als gulle dank, een schilderij
van gouden garven, rij na rij

... De zondagmiddagdromerij!

Herinneringen, velerlei,
maar 't mooist van alles blijft voor mij
De zon op het blinkend melkgerei.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES VI _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma



Dat gold toen en nu nog: Een was en een leugen worden steeds groter.




Omslagfoto: hooiladen met vlnr: Peter Kreule, Roelof Hogenkamp,
Hilbert van Spijker Jzn., Arend Kreule en Hendrik Kreule.

Jaargang 5 nummer 3 september 1987

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OP DE BOERDERIJ III _________________________________________________________

Peter Kreule

Niet alleen het gras moest geheel met de zeis gemaaid worden, ook met het koren was dat het geval. Eén persoon maaide, één legde het graan aan garven (wellen) en één of twee man, al naar gelang men werkkrachten ter beschikking had, moesten de garven binden. Vervolgens werden de garven aan garsten gezet en die bleven dan staan tot ze droog waren.
In die tijd werden er nogal wat aardappelen verbouwd (naar Nieuwleusense begrippen dan), zo'n 0,25 tot 0,50 hectare per bedrijf. Deze werden in de maand september geoogst door middel van rooien of krabben.
Na 1940 kwamen de aardappelstomers in zwang. Men kon toen de aardappelen, die voor veevoeder bestemd waren, laten stomen en in een kuil opslaan, wat alweer een hele verbetering was vergeleken met de methode van het zelf moeten koken in de fornuispot. Nu in 1969 hebben deze stomers al weer geruime tijd afgedaan. Wie verbouwt er hier nog aardappelen van enige betekenis? Mensen die een paar are poten voor eigen gebruik komen er steeds minder; men koopt ze liever. In de polder worden er genoeg verbouwd.
De lonen waren in het begin van deze eeuw erg laag. Ter illustratie hiervan het volgende. Het was in 1911. Mijn oom Arend Bouwman liet een stuk land door de Heidemaatschappij ontginnen. Dat lag in de Maat bij Den Hulst. Het was geploegd en er moest een sloot rondom worden gegraven. Ook moest het nog geëgaliseerd worden. Dit gebeurde allemaal met handkracht. Daarom konden ze nog wel enige arbeiders gebruiken en ik er dus ook maar naar toe met onder andere vriend Gerrit Stokvis (later politieagent in Zwolle) en Klaas van Spijker, de latere varkenshandelaar, en nog enige anderen. Het werk nam een aanvang op een middag. Er werd gewerkt van een uur tot half zes. Toen wij om di e tijd naar huis wilden gaan, wendde de voorwerker zich tot één van ons en zei: "Ik heb morgen geen werk weer voor jou en je krijgt geen elf cent per uur (dat was het gangbare uurloon), maar acht cent." Hij voegde daar nog aan toe : "Poeren in de grond, dat kun je". De betrokken persoon, die volgens de voorwerker niet genoeg had gepresteerd, moest zich er wel bij neerleggen. Totaal had hij die middag maar 36 cent verdiend .
Het jaar 1911 was zeer droog . Het bouwland was als as. De aardappelen moest men met de schop rooien. Tot overmaat van ramp waren ze dat voorjaar ook nog afgevroren, zodat ze laat aan het groeien waren gekomen en ze dan ook pas tegen oktober geoogst konden worden. Dikke aardappelen ontbraken geheel; het waren allemaal poters en kleinen.
Voor het vee was het ook een slecht jaar. Er was weinig gras en er werd weinig hooi voor de volgende winter gewonnen.
In het jaar 1914 brak de eerste wereldoorlog uit. In augustus kwam Duitsland in oorlog met enkele omliggende landen. De oorlog duurde tot l918 . Hoewel Nederland er niet in betrokken werd en neutraal bleef, hebben wij de oorlogstoestand wel degelijk aan den lijve ondervonden. In ons land kwam alles op de bon en wij moesten geregeld naar het gemeentehuis om broodkaarten en kaarten voor de verdere levensmiddelen te halen.
Voor de broodbonnen kon men per week acht ons brood kopen. Ook kleding was niet meer vrij te koop. Wanne er een kledingstuk versleten was , kon men een aanvraag indienen voor een nieuw.
Alles werd duurder in die oorlogsjaren en clandestien werden er soms hoge prijzen betaald. De lonen waren echter niet veel hoger dan voor het uitbreken van de oorlog. Toen mijn vader (Hendrik Kreule, geboren in 1856) in 1916 overleden was, hadden we nadien vaak een arbeider die één gulden per dag verdiende.
Ook het vee werd duurder. Koeien brachten ongeveer vier- tot zeshonderd gulden per stuk op en biggen twintig tot vijfentwintig gulden. Na de oorlog daalden de prijzen weer sterk. Toen werd alles ook weer wat vrijer en ruimer verkrijgbaar.
Omstreeks 1920 werd in Nieuwleusen de eerste auto aangeschaft door drie personen gezamenlijk. Dat waren de heren L. Vos, de directeur van de Coöperatieve Zuivelfabriek, J. van Spijker Kzn, directeur van de levensmiddelencoöperatie Eendracht Maakt Macht, en G. Boers, de oprichter van busonderneming Gebo.


Vlnr: Hendrik Kreule, Roelof Hogenkamp en Peter Kreule aan het aardappels rooien. In de manden heeft een directe sortering plaats van dikken, poters en kleinen.
Omslagfoto: hooiladen met vlnr: Peter Kreule, Roelof Hogenkamp, Hilbert van Spijker Jzn., Arend Kreule en Hendrik Kreule.

In die tijd reden de vrachtrijders nog met paard en wagen naar de Zwolse markt. Wijlen de heer J. Westerman Sr. heb ik daar wel eens over horen vertellen. "Nu", zei hij, "zitten ze met de neus aan het glas. Wij moesten 's nachts om twee uur opstaan om de paarden te voederen, spanden ze dan om drie uur voor de, meestal twee aan één gekoppelde wagens, en reden stapvoets naar Zwolle." Voor 15 cent nam hij een mand met eieren mee.
Veel boeren reden ook zelf met de wagen naar de Zwolse markt om bijvoorbeeld biggen te verkopen. De biggenmand werd onder aan de wagen gebonden. In deze mand bleven de biggen ook op de markt. De nieuwe markt met biggenbakken was er toen nog niet. De overdekte markt werd enige j aren later gebouwd.
Nog goed in het geheugen ligt me de datum 10 augustus 1925. Tegen zes uur 's avonds kwam er een zware bui opzetten en werd het heel erg donker. In onze omgeving bleef het bij wat ontwortelde bomen, maar na de bui was Borculo vrijwel geheel verwoest. Er werd direct een actie op touw gezet om te helpen en in korte tijd was er drie miljoen gulden bij elkaar. Voor die tijd een groot bedrag. Met dit geld werd Borculo weer opgebouwd en toen bleek ook dat er zoveel was ingezameld dat er nog vijftig duizend gulden over was.

Wordt vervolgd

* * *

LEZERS SCHRIJVEN _________________________________________________________

W.

Van een van onze leden ontvingen wij een reactie op het eerste artikel uit de serie "Op de boerderij", geschreven door Peter Kreule. Hoewel we het schrijven ruimschoots voor juni ontvingen, kwam het te laat om nog in dat nummer op te nemen. We willen U deze reactie toch niet onthouden en nemen die hieronder op.

"Het verhaal van Peter Kreule; je ziet het voor je . Omstreeks de tijd waarin zijn verhaal speelt, of zo'n jaar of twintig daarvoor, sloeg het paard van m'n grootvader op hol. Grootvader en grootmoeder waren pas getrouwd en waren samen op weg naar het aardappelland. De jonge vrouw viel van de wagen en brak haar been. Dat is nooit weer goed gekomen en daardoor kon ze niet meer helpen op 't land.

Een ander verhaal: een bruiloft in mei 1931.
Een zus van mijn vriend ging trouwen. Alle grote jongens en meisjes uit de buurt werden op een avond uitgenodigd. De jongens kregen brandewijn met rozijnen, de meisjes met abrikozen. In kleine glaasjes! We zaten aan één lange tafel , de jongens apart van de meisjes. We wisten niet veel te praten. Het leek wel een gewone visite. Op een gegeven moment gingen we naar buiten en daar werd het voor de jongens en meisjes een uitbundig feest. 't Was een mooie heldere windstille avond; een goede avond voor de meikevers die bruiloft vierden in de eiken. We gingen hossen, "hossen maar": gewoon in cadans op en neer springen met de armen op elkaars schouder en jongens tegenover meisjes. We hadden maar heel weinig op en toch werden we heel blij, uitbundig en vrolijk: "hossen maar", "hossen maar". Even uitrusten en dan weer.
Op 't laatst hebben de jongens de meisjes heel voorzichtig gezoend. Het was voor mij voor het eerst. 't Was al niet zo vroeg meer toen we naar huis fietsten.
Zo'n bruiloft heb ik nooit meer beleefd.
Wie weet nog meer verhalen over bruiloften zo’n zestig jaar geleden?"


Deze laatste regel behelst een oproep aan onze leden. We hopen dat daaraan voldaan wordt zodat we een volgende keer zo'n verhaal kunnen opnemen.

De redactie

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO IV _________________________________________________________

Op 12 juni 1923 werd de Christelijke School in Den Hulst geopend. Ter gelegenheid daarvan werd er een foto gemaakt van alle leerlingen en het onderwijzend personeel. Het uit 98 personen bestaande gezelschap staat hieronder afgebeeld. Helaas zijn een aantal namen op dit moment niet bekend. Wanneer U één of meerdere aanvullingen kunt geven, horen wij dit graag van U.

De foto werd ons toegezonden door de heer Dirk Schuurman (nummer 50) uit Canada. Hij liet ons weten veel aan historie te doen en regelmatig oudheden naar de musea in zijn woonplaats Guelph in Ontario te zenden.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  

Meester W.W. Bouwhuis
Hendrik Huisman
Freek Jan de Boer
Willem Hekman
? Stolte
?
?
Jan Westrik
Derk Jan Klunder
?
Arend Tempelman
Sicco Oegema
Juffrouw J.W. Dingstee
Meester Postuma
?
Gerrit Jan Witpaard
Derkje Dijk
?
Stientje Scholten
Jentje Petter
Geertje Krale
Stientje van Ankum
Jan Scholten
Bernard Westrik
Henk Visscher
Juffrouw L.M. Harwig
Arend Jan Westrik
Hendrik Jan van Duren
Hendrik Klunder
Lubbert de Haan
Albert Huzen
Jansje Westrik
Grietje Nijboer

34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
41  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  
54  
55  
56  
57  
58  
59  
60  
61  
62  
63  
64  
65  
66  

Dina Scholten
Stientje Stolte
Klaasje Knol
Klaasje Groen
Janna Evenboer
Aaltje Dijk
?
Dina van Duren
?
Klaasje Portiek
?
Margje Trompetter
?
R.... Scholten
Arend Hekman
Aaltje Huzen
Dirk Schuurman
Albert de Haan
Jentje Knol
Evertje Nijboer
Derk Hendrik de Boer
Jantje Groen
Margje Spijker
?
Derk Schoemaker?
Willem de Boer
Hendrik Jan van der Kolk
Hendrik Grotenboer
Gerrit Jan Doren
Arend Groen
Lubbert Brinkman
Geert Doren
Asselina Visser

67  
68  
69  
70  
71  
72  
73  
74  
75  
76  
77  
78  
79  
80  
81  
82  
83  
84  
85  
86  
87  
88  
89  
90  
91  
92  
93  
94  
95  
96  
97  
98  
 

Hendrik Schuurman
?
?
Grietje Doren
Geertje Klunder
Hendrik Visscher
Fennigje Witpaard
? Witpaard
Klaziena Bouwman
Geesje Bouwman
Grietje de Haan
Geesje Mulder
Femmigje Schuurman
Grietje Wennemars
Aaltje Westerik
Koop de Weert
Hendrik Meijer
Jo Harwig
Derk Schuurman
Gerrit Meijer
Piet Wennemars
?
Roelof Visscher
Hendrik Potjes
Gerrit Willem Visscher
?
Hendrik Prins
???
Jan Hekman
Asje Beltman
Berend Jan Witpaard
Willem Kappert



* * *

VAN PLAATSELIJK- TOT GEMEENTEGENEESHEER _________________________________________________________

G. Hengeveld-van Berkum
J. W. de Weerd

Omdat in een der raadsvergaderingen zijn naam, ter sprake was gebracht, deed dokter M.L. Risselada. in de loop van 1918 het verzoek om de raadsvergaderingen als particulier te mogen bijwonen. Het voorval dat aan de orde was geweest, hield verband met de uitoefening van zijn functie als arts, of zoals geschreven staat "plaatselijk geneesheer belast met de vaccinatie en doodschouw". Of het geval van difterie, dat in dat jaar in de gemeente voorkwam, de aanleiding tot de bespreking over de dokter was, is niet bekend. Het is wel aan te nemen dat Risselada in een bepaald geval aan zijn verplichting als dokter niet geheel heeft voldaan.

Het verzoek van Risselada om de vergaderingen te mogen bijwonen, werd in de raad besproken en het antwoord was dat raadsvergaderingen openbaar zijn en er dus voor de dokter geen speciale toestemming nodig was. Over de functie van plaatselijk geneesheer hadden burgemeester en wethouders inmiddels hun gedachten laten gaan. Met het oog op het zich wijzigen van de toestanden in de gemeente in de laatste jaren, komt het hen wenselijk voor deze betrekking op te heffen. Daarvoor in de plaats stellen zij voor de betrekking van gemeente­geneesheer in te voeren. Het vertrouwen in Risselada blijkt nog aanwezig, want burgemeester en wethouders doen het voorstel hem als zodanig te benoemen en voor hem een instructie vast te stellen.
Met algemene stemmen besluit de raad in beginsel de voorstellen te aanvaarden. Tevens wordt besloten de arts Risselada met de zienswijze van de raad in kennis te stellen en hem te verzoeken de raad te willen meedelen of hij een eventuele benoeming tot gemeente-geneesheer zal aannemen. Dokter Risselada staat hier niet onwelwillend tegenover, doch hij vraagt voor de meerdere werkzaamheden een hogere beloning.
In de vergadering van 14 september 1918 neemt de raad het besluit om per l januari 1919 de functie van "plaatselijk geneesheer belast met de vaccinatie en doodschouw", op te heffen en die van gemeente-geneesheer in te stellen. Als zodanig wordt per dezelfde datum M.L. Risselada benoemd


Het doktershuis aan het Westeinde.

op een jaarwedde van vijfhonderd gulden, alsmede vrije woning met tuin en het gebruik van het koetshuis. In deze vergadering wordt ook een instructie voor de gemeente-geneesheer aangenomen. In de vergadering van 8 januari 1919 wordt deze evenwel weer ingetrokken en in gewijzigde vorm vastgesteld. De verplichtingen die toen aan de arts werden opgelegd, willen wij U niet onthouden. Daarom volgt hieronder de volledige tekst van de

Instructie voor den Gemeente Geneesheer.

Artikel 1.
De gemeente geneesheer in de gemeente Nieuwleusen is verplicht alle armen, zoowel bedeelden als minvermogenden , wonende of verblijvende in de gemeente, te bezoeken om te allen tijde en zoo spoedig mogelijk te voldoen aan alle aanvragen om genees-, heel- of verloskundige hulp, door hen gedaan.
Hij is verplicht de armen, bedeelden en minvermogenden geheel kosteloos te behandelen en zelf apotheek houdende, aan de behoeftigen de noodige geneesmiddelen te leveren, volgens het daarvoor geldende laagste tarief. Alle on- en minvermogenden die gratis behandeling wenschen, zijn verplicht zich tot den Burgemeester (Armbestuur) te wenden, dat na onderzoek den gemeente geneesheer op geeft of zij recht hebben op kostelooze behandeling. Hangende het onderzoek worden zij door den gemeente geneesheer behandeld, zoo zij dat vragen. Bij verschil van opvatting of iemand behoort tot den on- dan wel minvermogenden, heeft de geneesheer recht van beroep op den Gemeente Raad.
Artikel 2.
De gemeente geneesheer is verplicht:
a. daar, waar Burgemeester en Wethouders of de Burge meester redelijker wijze zijn hulp en bijstand inroept, dient hij daaraan gevolg te geven.
b. Burgemeester en Wethouders te dienen van bericht en raad, voorzooverre hij dit mag doen in verband van den eed, bedoeld in Artikel 21 der Wet van 25 December 1870 (Staatsblad nr. 222), laatstelijk gewijzigd bij de Wet van 21 Juni 1901 (Staatsblad nr. 157).
Bij verschil van opvatting omtrent het bepaalde in sub. a. van dit Artikel , heeft de gemeente geneesheer recht van beroep op den Gemeente Raad.
Artikel 3.
Bij aldien hij ingevolge Artikel 4, laatste alinea der Wet van 10 April 1869 (Staatsblad nr. 65) wordt aangewezen tot het verrichten van den doodschouw, zal hij zulks kosteloos moeten doen, tevens zal hij kosteloos moeten zitting houden tot het verrichten van inentingen en her­inentingen, bedoeld bij Artikel l8 der Wet van 4 December 1872 (Staatsblad nr. 134).
Artikel 4.
Hij zal zich niet langer dan vier en twintig uren uit de gemeente mogen begeven zonder verlof van den Burgemeester. Bij langer dan vier dagen afwezigheid zal hij verlof van Burgemeester en Wethouder s noodig hebben en een persoon ten genoege van Burgemeester en Wethouders ter vervanging aanwijzen, die alsdan verplicht is deze instructie na te leven, tenzij hem de Raad in bijzondere gevallen onder nader te bepalen voorwaarden van deze verplichting vrijstelt. Het jaarlijksch verlof voor den gemeente geneesheer duurt drie weken.
Artikel 5.
De gemeente geneesheer is verplicht tot kosteloos geneeskundige behandeling van den gemeente veldwachter , diens echtgenoote en inwonende kinderen.
Artikel 6.
Ontslag op eigen verzoek behoeft door den Raad niet verleend te worden, indien de geneesheer zijn verzoek niet minstens drie maanden voor de datum, waarop hij ontslag wenscht, heeft ingediend. Bij een vervroegd vertrek uit de gemeente zorgt hij, ten genoege van Burgemeester en Wethouders desgevorderd op eigen kosten, voor een plaatsvervanger.
Ontslag dan wel schorsing geschiedt door den Raad, na gehoord den betrokken Inspecteur van de Volksgezondheid en na den gemeente geneesheer in staat te hebben gesteld zich schriftelijk te kunnen verdedigen. Tijdens de schorsing, die niet langer duurt dan een maand, blijft hij in het genot van zijn inkomen. Bij ontslag wordt hem dit drie maanden van te voren medegedeeld.
Artikel 7.
Burgemeester en Wethouders zullen omtrent klachten of bezwaren tegen den geneesheer geen beslissing nemen, die niet in den Raad brengen en de Raad zal die niet behandelen, dan na een nauwgezet onderzoek en na den geneesheer te hebben gehoord.
Artikel 8.
De gemeente geneesheer houdt toezicht over de leerlingen der O.L. Scholen in de gemeente en bezoekt minstens één maal per maand de schoolvertrekken. Bij het heerschen van besmettelijke ziekten als roodvonk en diphteritus, bezoekt hij de scholen zoo dikwijls dit nodig is en onderzoekt aldaar de kinderen die hij vermoedt aan eene besmettelijke ziekte te lijden. In tijden gedurende welke veel besmettelijke ziekten voorkomen, onderzoekt hij de kinderen, die schoolverzuimen, om na te gaan of deze ook aan besmettelijke ziekten lijdende zijn, tenzij een verklaring overlegd wordt van een ander geneesheer, die verklaart het kind te hebben onderzocht en dat het aan geen besmettelijke ziekte lijdende is, dan doet hij daarvan mededeling aan den Burgemeester.
Artikel 9.
De gemeente geneesheer is verplicht om, zoo hij meent dat geneeskundige hulp noodig is, dit in gesloten omslag aan de ouders, den voogd of den verzorger mede te deelen. Hij doet aan het Hoofd der School die mededeelingen die hij uit een algemeen gezondheidsoogpunt wenschelijk acht omtrent vertrekken, leermiddelen, banken enz. en de leerlingen.
Zoo nodig doet hij een persoonlijk geneeskundig onderzoek. Hiervoor geldt het bepaalde in artikel 1O.
Ingeval een meisje wordt onderzocht, doet hij dat in tegenwoordigheid van de moeder of wanneer deze verhinderd is, in tegenwoordigheid van de onderwijzeres. Bij onderzoek van de jongens geschiedt dit in bijzijn van een der ouders of anders van de onderwijzer.
Artikel 10.
Wanneer hij die de ouderlijke macht of de voogdij over een kind uitoefent, verlangt dat het geneeskundig toezicht over een kind niet wordt gehouden, geeft hij daarvan schriftelijk kennis aan het Hoofd der School, waar het kind is geplaatst, doch legt dan een verklaring over van een geneesheer, dat het kind door hem onderzocht en geheel gezond bevonden is.

Gedaan ter Openbare vergadering van den Raad der Gemeente Nieuwleusen den Achtsten Januari 1900 en negentien.

* * *

DE JEUGDIGE TUINDERS VAN DE O.L. SCHOOL IN DE MEELE _________________________________________________________

Dedemsvaartse Courant

In de tuin van de openbare lagere school van De Meele, de school van meester W. van Rooselaar, was het zaterdagmorgen al voor achten een hele bedrijvigheid. Het was de dag dat de leerlingen door hen zelf gekweekte groente oogstten, om deze dan daarna op de huishoudschool toe te bereiden en dan nog op te eten ook. Drie keer per jaar wordt zo'n kookdag gehouden en het zijn echte hoogtijdagen in het schooljaar.
Een fijne nevel danste in het eerste licht van de morgen, waarin de herfst zijn grijsheid had geweven. Tussen de boswallen van elzenhout lag de tuin in een vredige beslotenheid. Verbloeide zonnebloemen negen de zware zaaddragende harten naar de aarde.

De leerlingen van de hoogste klassen hadden ondanks hun jeugdige leeftijd van 10 tot 14 jaar een mooi gewas gekweekt. Ze konden voor hun kookdag een keuze doen uit 800 fris-groene andijvieplanten en uit een paar rijen stevige oranje-kleurige winterpeen.
Zoals bij veel werk door de jeugd verricht, was het hier ook "het oog van de meester", dat het werk tot succes voerde. Meester Van Rooselaar is een schoolhoofd, dat met bijzondere toewijding zijn pedagogische taak vervult. Al sinds 1940, toen door de landbouwvoorlichtingsdienst het kweken van groente werd gepropageerd op de scholen, heeft hij vele dagen van vele weken na half vier zijn schooltijd met een uur verlengd om de kinderen, die daar voor voelden, leiding te geven bij hun tuinderswerk. Hij legde in een schrift het kweekprogramma van verschillende groenten vast. Dit schrift heeft in de oorlogsjaren door het land gecirculeerd om als leidraad te dienen voor andere scholen.
Maar er zijn niet veel scholen waar men dit mooie werk zolang heeft volgehouden als in De Meele. De gemeente verzorgt het graafwerk in de schooltuin en de ouders van de kinderen brengen mest. De kinderen zaaien de gewassen, houden de tuin schoon en oogsten ten slotte de groente, die eerlijk verdeeld wordt. Zo heeft menig gezin het gebruik


Foto: K . v.d. Kolk-Kuterman

Kinderen onder leiding van meester Van Rooselaar bezig in de schooltuin. Vlnr: Arend Klosse, J. Rumpf, Jan Bloemhof, Jentje Rozeboom, Jan ter Welle, Margje Huisman, Annie Dekker, Klaasje Kuterman, Margje Wink, Aaltje Bijker, Sientje Arts en Aaltje Belt.

geleerd van allerlei vitaminerijke groenten, die het eerder niet op tafel had gehad.
"Wie van jullie weet wat stimp-stamp is?" zo klonk een kwartier later de stem van juffrouw Wolbers in het kooklokaal van de landbouwhuishoudschool met zijn blauw­geruite gordijntjes.
Mej. S. Wolbers, directrice, en mej. E. van Neck, kooklerares, hadden deze dag - hun vrije zaterdag - wel een ongewone klas me t leerlingen. Behalve drie m eisjes telde het gezelschap acht jongens . En het is moeilijk uit te maken wie er met meer animo aan de les deelnamen, de toekomstige huismoeders of de huisvaders-in-de-dop, die behendig begonnen de andijviekroppen in fijne snippertjes te snijden voor de stimp-stamp. Deze kleine mannen zullen later wel weten of de aardappelen gaar zijn en of de groente niet te lang heeft gekookt!
De peen werd in dobbelsteentjes gesneden voor de hutspot. Voor aardappelen, spek, boter en melk hadden de ouders gezorgd. Het duurde een paar uur, maar toen was de tafel gedekt van het kooklokaal, - de school is ondergebracht in de O.L. School van Den Hulst, in afwachting van een nieuw eigen gebouw - en de schalen met smeuïge stamppot stonden dampend en wel te wachten.
We mochten mee proeven en we moeten zeggen: het was overheerlijk, die stimp-stamp van puree met rauwe andijvie en ook de hutspot. De vla met rozijnen, die de leraressen voor de kinderen als extra traktatie kookten, gold dan als bekroning van deze feestelijke morgen. De heer Van Rooselaar nam het woord toen de puddingschalen helemaal leeg waren, om namens burgemeester Hoekstra, die wegens uitstedigheid hier niet bij kon zijn, te zeggen hoezeer de burgemeester het werk op prijs stelt, dat de dames van de landbouwhuishoudschool in hun vrije tijd steeds weer voor de kinderen doen.
Namens de leerlingen dankte het schoolhoofd voor deze kookles. Hij sprak de hoop uit, dat in de nieuwe huishoudschool het volgend jaar een nog mooiere kookdag zou kunnen worden gehouden.

Uit de Dedemsvaartsche Courant van 28 september 1953.

* * *

SCHRAOPERS _________________________________________________________

B. van Duren

Harm-ome slit zien olde dag
bij Jan en Jannao Schraoperag.
Hij krig wat ongevallengeld,
det netties hum wordt uuteteld.
De eerste is 't ontvangsttermien,
Harm ondertekent dan de schien
en Jannao stapt naar 't postkantoor.
Veur disse maand is 't dan weer klaor.
Mar now hef Harm-ome 't eran,
't is niks meer met de aolde man
de leste dagen van november,
En aovermorgen is 't december!
Harm-ome löt een diepe zucht
en 't leven is uut hem evlucht.
Jan en Jannao, arg ontsteld:
"Krig hij now nog wel zien geld?"
Dartig november, een zwaore dag
veur Jan en Jannao Schraoperag.
De mensen leupen of en an,
Harm-ome is zo'n beste man.
Jan, an de deure, kon wel krieten,
zeg steeds: "Och jong, het kan mij spieten,
vandage is hij niet zo best,
daor bint der al zo veule west,
koomt morgen weer a'i hem wilt zien,
hij mos now al zo veule lien.
Ansprekers waar'n der now al zat,
hij is het praoten meer dan zat."
De eersten kwaamp, Jan worden drok:
"Gauw Jannao, ien de zundagsrok."
Um tien ure lag dan al het geld
op taofel veur heur uuteteld.
's Middags kwaamp Jan Henduk Snieder,
naobers Geese en zo wieder.
Zie vraogt hoe 't met Harm-ome is.
"Och," zeg Jan, "helemaol mis"
en wis naor 't bedde an de zied,
"oes Harm-ome, die is uut de tied ...."

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES V _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


"t Kassetuug" _'t Zondagse goed (uit de kast) is voor kerkgang, bruiloften en begrafenissen, in ‘t werk heb je ander "tuug'' (kleding) aan, dat tegen een stootje kan.


Jaargang 5 nummer 4 december 1987

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OP DE BOERDERIJ IV _________________________________________________________

P. Kreule

Het jaar 1927 was van grote betekenis voor de vliegerij. In dat jaar vloog de Amerikaan Lindberg als eerste over de Atlantische Oceaan van New York naar Parijs. Een andere belevenis met de vliegerij had in 1910 al plaats gehad. In dat jaar vloog Jan Olieslager (een Belg) in Zwolle rondom de Peperbus. Vele mensen uit ons dorp wilden dat zien en gingen er naar toe.
Een bekend lied in die dagen was:

Jan van Brussel, Jan van Brussel,
Jan van Brussel val maar dood.
Als Jan van Brussel dood is,
dan krijgen wij misschien
de helft van al zijn centen
en ook zijn vliegmachien!

Dit klinkt nogal hard, maar men moet dit nu ook weer niet al te letterlijk nemen.
Een gebeurtenis die in 1928 in Nieuwleusen plaats vond en die de mensen schokte, was het overlijden van onze buurman Hendrik Evertsen en zijn zoon Hendrik Jan. Ze hadden kunstmest (slakkenmeel) gestrooid en kwamen beiden door vergiftiging om het leven. Ze zijn tegelijkertijd begraven. Wij hebben toen die boerderij gekocht en in de zomer van het volgende jaar het voorhuis laten verbouwen. Voor een timmerman betaalden we twaalf en een halve gulden per week.
In 1929 brak de wereldcrisis uit. Er kwam een sterke prijsdaling en veel bedrijven gingen failliet. De werkloosheid was groot. Omstreeks 1936 was het dieptepunt bereikt en telde ons land zo'n 400.000 werklozen.
Ook voor het boerenbedrijf was het een slechte tijd. Een boerenknecht verdiende ongeveer ƒ 380,-- tot ƒ 400,-- per jaar. Eieren brachten anderhalve cent per stuk op. Een goede koe leverde hoogstens ƒ 100,-­ op, veelal echter minder. Biggen brachten maximaal ƒ 2,50 à ƒ 3,-- per stuk op.
Het is voorgekomen, hoewel ik dit niet zelf heb meegemaakt, dat boeren van ons dorp die met biggen naar de markt in Ommen waren geweest, ze niet konden verkopen en met een groter aantal in hun wagen weer naar huis terug reden dan ze 's morgens waren vertrokken. Wanneer de kleedwagen niet goed was afgesloten, werden er stiekem biggen bij in gedaan door mensen die ze niet kwijt konden. Ze hoefden deze biggen dan niet langer te voeren, want dat kostte ook geld!
Deze slechte tijd duurde zo ongeveer tot het uitbreken van de tweede wereldoorlog. Toen werd alles geleidelijk weer duurder.
In 1938 haalde ik mijn rijbewijs. Je kon bij garage Pinxsterhuis (nu garage Dokter) voor ƒ 15,-- leren autorijden tot je het rijbewijs had, ongeacht hoe lang je er over deed. Het examen kostte ƒ 3,50 per keer. Dus na eerst twee keer gezakt te zijn, kon je toch nog voor ongeveer ƒ 25,-- je rijbewijs halen.
Over de oorlog van 1940 tot 1945 zal ik niet uitwijden. Daar is al zo veel over geschreven. Voor Nieuwleusen verliep die tijd over het algemeen vrij rustig. Wel vonden er inkwartieringen plaats van Duitse troepen en er werd soms jacht gemaakt op onderduikers. Ook werden er wel paarden en wagens gevorderd. Onze nieuwe houten wagen, die we vlak voor de oorlog hadden laten maken, werd niet gevorderd. Dit dankzij de hulp van een buurman (een NSB-er), die bij de toenmalige burgemeester Van Arkel een goed woordje deed.
Wat me wel zeer goed bijgebleven is uit de laatste oorlogswinter, zijn de "trekkers". Dit waren mensen uit westelijk Nederland die zo weinig te eten hadden, dat ze naar de boeren in het oosten en noorden trokken om daar voedsel te halen. Ook Nieuwleusen werd overstroomd door hongerige mensen die met fietsen zonder banden, handkarren, kinderwagens, ja je kunt het zo gek niet bedenken met wat voor vervoersmiddelen ze hier kwamen om te proberen wat rogge, tarwe, boter, kaas en aardappelen bij elkaar te krijgen. Alles was bij hen welkom. Vóór in de middag vroegen ze dan soms al een nachtverblijfplaats om er zeker van te zijn dat ze een slaapplaats hadden. Als ze


Enige tijd nadat Peter Kreule zijn rijbewijs had gehaald, werd er bij garage Pinxsterhuis een auto gehuurd en gingen Jan Brinkman, Willem Brinkman, Peter Kreule , Hendrik Kreule en Roelof Hogenkamp (vlnr) een dagje naar het Openluchtmuseum in Arnhem.

daarin geslaagd waren, gingen ze weer een poosje weg om nog wat op te scharrelen. Tegen donker kwamen ze dan weer terug. Sommigen konden hele verhalen vertellen over zaken waar wij hier geen weet van hadden.
Toen de oorlog afgelopen was, kwam alles weer geleidelijk op gang. Mijn oude vriend Gerard Schaapman, die in 1911 met zijn vader naar Amerika (Ripon in Californie) was vertrokken, stuurde ons fietsbanden, kleding en tabak. Vele jaren heb ik met hem gecorrespondeerd, maar tot een bezoek over en weer is het nooit gekomen. Omstreeks 1950 is hier de ruilverkaveling op gang gekomen. Dat was voor Nieuwleusen, en vooral voor de boeren, een enorme verbetering. Moest men vroeger altijd over modderige wegen rijden, nu kon men veelal tot bij het land komen over een goede verharde weg. Ik meen dat zo ongeveer 70 kilometer verharde weg is aangelegd. En dan de afwatering. Vergelijk je die met de toestand voor de verkaveling, dan was dat een hele verbetering. Vroeger stonden de laatste stukken land vaak onder water. De sloten waren te klein, zodat het water niet weg kon. Maar dat leed behoort na de ruilverkaveling tot het verleden.
Het jaar 1959 kenmerkte zich, evenals 1911 , als een zeer droog jaar. De hoger gelegen percelen grasland waren helemaal door de zon rood verbrand. Nieuwleusen kwam er nog vrij redelijk af, maar in Dalfsen en op veel andere plaatsen was de toestand erg. In de meest getroffen gebieden werden bietenkoppen uit de Noord­Oostpolder aangevoerd voor het hongerige vee.
We hebben veel in de wereld zien veranderen. Wat een vooruitgang is er geweest in de tijd van een mensenleven! Ouders van emigranten kunnen nu spreken met hun kinderen aan het andere eind van de wereld. We hebben de Zeppelin gezien, de eerste pogingen om te vliegen en nu zijn er straalvliegtuigen. En we hebben de radio en de televisie zien komen.
De mens zelf is eigenlijk niet veel veranderd. De grote momenten van het leven, geboorte, liefde en dood, blijven toch altijd hetzelfde. Vele tijdgenoten sterven om ons heen en ook wel velen die jonger zijn. Mijn eerste echtgenote zei eens: "Ik heb toch in twee eeuwen geleefd." Ze was geboren op 30 december 1899, zodat ze ruim een dag in de vorige eeuw heeft meegemaakt. Een mens die ruim 100 jaar oud wordt, kan dus in drie eeuwen leven, mits hij dan in het laatst der vorige eeuw geboren is. Maar wie bereikt die hoge leeftijd? Dat is maar een enkeling.
Het jaar 1969 is ook een belangrijk jaar in de geschiedenis. Op 21 juli vond de eerste landing op de maan plaats. Wie had vroeger gedacht dat dat mogelijk zou zijn! En zal de mens het nu nog verder zoeken? Zullen ze proberen om nog verder in het heelal door te dringen naar verder gelegen planeten? Als we nog eens 30 jaar verder zijn, tegen het jaar 2000, hoe zal het er hier dan uit zien en wat zal er dan allemaal weer niet uitgevonden zijn? Maar Neil Armstrong en Edwin Aldrin maakten als eersten in de geschiedenis een vreugde­ dansje op de maanbodem. Tienduizenden kilometers onder hen hielden miljoenen mensen de adem in. Voorwaar een historisch ogenblik!
Soms denk je wel eens: ik ben te vroeg geboren, de mensen van nu en misschien van straks hebben het veel gemakkelijker dan wij vroeger. In zekere zin is dat ook wel zo, wij moesten in het begin van deze eeuw veel harder werken dan de mensen van nu. Maar of ze nu wel zo gelukkig zijn, is daarom nog niet gezegd. En als je teruggaat tot omstreeks het midden van de vorige eeuw toen de eerste straatweg aangelegd werd van Nieuwleusen naar Zwolle, hoe moeilijk hebben onze ouders en grootouders het niet gehad. Velen gingen te voet naar de Zwolse markt, vaak met een mandje met eieren op de rug, hopende op een lift van een boer die met paard en wagen naar Zwolle reed.
Als je jong bent, heb je geen notie van het leven en door schade en schande wordt je enigszins wijs. Achteraf ga je begrijpen hoe je leven toch werd bestuurd en dat alle vergissingen en tekortkomingen iets van waarde achter hebben gelaten. Ze hebben je gevormd. Misschien ook wel eens misvormd. Maar wie gaat ongeschonden door het leven? Ik ben te vroeg geboren, maar is dat wel zo?

september 1969

* * *
Naschrift van de redactie:
In het voorgaande verhaal is sprake van het door vergiftiging om het leven komen van Hendrik en Hendrik-Jan Evertsen. Over deze schokkende gebeurtenis vond de "Leesgroep Oude Kranten" in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van l0 maart 1928 onderstaand bericht:

Nieuwleusen, 9 Maart. Op de algemeene begraafplaats alhier werd ter aarde besteld het stoffelijk overschot van wijlen H. Evertsen HJzn. en H.J. Evertsen Hzn., welke beiden na een kortstondige ziekte van enkele dagen zijn overleden. Laatstgenoemde was gedurende enkele jaren lid der Chr. Jongel. Vereen. "Soli Deo Gloria", waarvan hij de laatste jaren het voorzitterschap vervulde. Voorts was hij bestuurslid van de Chr. Muziekvereen. "De Broederband". Van beide vereenigingen waren leden vertegenwoordigd, terwijl ook de oud-voorzitter, de heer D. Wiersma, van eerstgenoemde vereeniging, die in Friesland woont, aanwezig was.

* * *

DE EERSTE AUTO'S VAN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Kabé

Met belangstelling lees ik steeds de stukjes "Op de boerderij" van P. Kreule. Zeer juist schetst hij de sfeer van het boerenleven van voor de tweede wereldoorlog en kort daarna. Gaarne wil ik enkele kanttekeningen maken bij de eerste auto van Nieuwleusen.



Deze auto, een bus, werd door L. Vos, J. van Spijker en G. Boers gekocht. Gezamenlijk exploiteerden zij met deze bus een lijndienst op Zwolle onder de naam NADO (Nieuwleusener Autobus Dienst Oderneming). Een lang leven was deze dienst niet beschoren. Er werd onvoldoende gebruik van gemaakt. Chauffeur was J. Knol, die in dienst was bij de firma Boers.
Een van de eersten die een personenauto kocht, was caféhouder Borst aan de Ommerdijkerbrug. Het was een Spijker, een auto van Nederlands fabrikaat.
Verder had de Union fietsenfabriek al vroeg een auto, een Franse wagen van het merk Panhard. Het was een hoog koetsachtig geval, zwart van kleur, speciaal ontworpen voor één der directeuren. Deze had een arm- en beenprothese en moest hoog kunnen zitten. Chauffeur op deze auto was W. Hoes. Hij was de enige die deze auto mocht besturen. Daar was hij zeer trots op en hij verzorgde hem dan ook tot in de puntjes.
Ook notaris Visscher kocht al spoedig een auto, een grijze Chevrolet. Omdat de notaris zelf niet kon rijden, moest er steeds iemand komen van de fa. Boers, als de familie ergens naar toe wilde.
Zo geleidelijk aan kwamen er meer auto's, al was het aantal autobezitters voor de oorlog vrij beperkt vergeleken bij nu.

* * *

GIEN SCHRAOPERS _________________________________________________________

K. Schoenmaker-van Berkum

Zoas het met Harm-ome egaon is in het veurige boekien, zo gunk het gelukkug niet met iederiene op zien olde dag. Ik zal ies een verhaal vertellen over inwoning, det echt gebeurt is.
Mien Derk-ome en Henderkien-meuje woonden met zien beiden in een boerderi'jgien op Ni'jluusn. Kiender hebt ze nooit ekregen. In 1920 bint mien va en moe bij Derk-ome en Henderkien-meuje in gaon wonen. Det was toen Henderkien ziek eworden was en zi'j zich niet meer zo goed kunnen redden. Gezinshulpe zoas tegenwoordig was d'r vanzelf nog niet en aandere hulpe kunnen ze niet betalen, want veul geld was d'r niet. Ze hadden een paar koeien en een geite en die mossen vanzelf elke dag emölken worden. Mien moe deed alle wark in 't veurhuus, op de geute en ok op de deele. Mien va gonk op de daghure en later ok met de bakkerskarre venten.
Zo woonden wi'j met zien allen en één huus en det gonk merakel goed. Derk-ome was arg gek met mi'j. Mien breur is d'r wel wat an tekorte komen. As die hum veur de voeten leup, dan zee Derk-ome: "Veuruut, oprommelen." Det was niet zo mooi netuurluk.
Toen Henderkien-meuje op 4 september 1924 estörven was, gonk alles gewoon zo deur. Maor op een goeie dag gonk Derk-ome naor de notaris toe, want hi'j wol het boerderi'jgien op name van mien va en moe laoten zetten. De notaris raoden hum det stark of. "Doe det nooit", zee hi'j, "want dan kunt ze oe d'r uutzetten." Det was een tegenvaller veur Derk-ome. Lippend (huilend) is hi'j weer thuus ekomen. Hi'j had heur dit zo graag egeven.
Toen hef hi'j een testament laoten maken, zodat mien va en moe het spullegien kregen toen Derk-ome uut de tied was. Daor mossen ze vanzelf toen wel successie­rechten over betalen.
Mien ome is altied arg dankbaar ewest det wi'j bi'j hum inwoonden en det hi'j zo goed verzorgd werd. Tegen mien moe zee hi'j det eigen kiender niet beter veur hum hadden kunnen zorgen.
Wi'j hebt goed acht jaor bi'j Derk-ome inewoont. Op 27 oktober 1928 is Derk-ome estorven.

* * *

REACTIES OP "EEN OUDE SCHOOLFOTO IV" _________________________________________________________

Van de op bladzijde 38 in ons vorige nummer afgedrukte schoolfoto van de Christelijke School te Den Hulst waren van een aantal kinderen de namen niet bekend. Het aantal vraagtekens is inmiddels met twee terug gebracht. De heer Bouwman vertelde ons op de najaars­markt dat de nummers 74 en 75 twee zusters van hem waren, te weten respectieve lijke Klaziena en Geesje. Verder ontvingen wij van een zoon van juffrouw Harwig een brief, waarin hij zegt verrast te zijn een schoolfoto met zijn moeder en zijn broer Jo aan te treffen in ons blad. Overigens dient de naam met een g in plaats van een ch geschreven te worden.
De heer Frans Harwig verzamelt allerlei gegevens en foto's voor zijn familie-archief . Hij is dan ook zeer benieuwd of iemand nog meer foto's of andere informatie over zijn familie heeft.
De familie Harwig woonde in Den Hulst in het huis thans Oosterhulst 42, bewoond door Jan Petter. Onderstaande foto werd voor dit huis genomen. De drie kinderen zijn Diet, Tonnie en (met gebogen hoofd) Frans Harwig.



* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO V _________________________________________________________

Deze keer laten we u een oude foto zien van de Openbare Lagere School B aan het Ruitenveen. Hoofd van de school was meester Kamm. De foto dateert uit ongeveer 1936/37.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  

Arend Luten
Hendrik Sterken
Gerrit Dekker
Jan Krul Klzn.
Arend Mannen
Jan Krul
Arend Schoemaker
Hendrik Hekman
Eefje Groteboer
Aaltje Bijker
Sientje Kuterman
Janna Schoemaker
Klaasje Nijland
Klaasje Pessink
Meester Hardingsveld
Aaltje Bijker
Klaziena Schoemaker
Hendrikje Krul
Hendrikje Buitenhuis
Aaltje Nijland
Mina Boer
Margje Seine
Trijntje Huisman

24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
41  
43  
44  
45  
46  

Geesje Huisman
Jansje Boer
Dina Bijker
Mina Klompjan
Jan Buitenhuis
Juffrouw Visser
Aaltje Schoemaker
Jan Brouwer
Henk van Duren
Jan Bijker
Arend Jan Scholten
Meester Kamm
Jan Willem Seinen
Arend Jan de Boer
Jan Brouwer
Hendrik Jan Scholten
Gerrit Jan Krul
Egbert Boerman
Berend Jan Scholten
Jan Boerman
Gerrit Jan Pessink
Gezinus Mannen
Gerrit Jan Boerman



* * *

ARMENZORG ROND 1800 _________________________________________________________

In het archief van het ministerie van Binnenlandse Zaken 1795-1813 bevinden zich een tweetal stukken waarin iets te lezen valt over de armenzorg rond 1800. Onderstaand volgen beide stukken, respectievelijk inventarisnummers 199 en 207 in genoemd archief.
De heer Jan H. Kompagnie verzorgde de transcriptie. Inventarisnummer 207 is ondertekend met J.A. Palthe V:D:M: ibidem, hetgeen betekent: predikant (Verbi Divi Minister) aldaar.

*

ree 23 novb 98

Memorie
van den Armenstaat en Armenbestier van het
het Gereformeert Kerkengenootschap
Te Nieuwleuse
Ter voldoeninge van den last van het administratief Bestuir
van het voormalig Gewest van Overijssel
Den 1 Deser

Ingevolge aanschrijving van het Uitvoerend Bewind van den 26 September en Decreet van het Vertegenwoordigent Lichaam der Bataafse Republyk van den 2 September 1798
Zijnde het fons tot onderhoud van den Armen alhier ongeveer Jaarlijks 350 gulden
Hier van word onderhouden een huishoudinge van een oud man met een lamme vrouwe en een die de selve oppast waaraan na de omstandigheden veel moet gegeven worden, selfs ook een huisjen en gaarden voor gehuirt.
Twe menschen daar kostgeld toe betaalt moet worden
Tot onderhoud van twe weduwen en een kind
betalen.
Tot een man en vrouwe-huishuire betalen
Nog voor ee n man en vrouwe de gaarden huire betalen
Het onderhoud van twe huisjes door Armen bewoont
ook het geven aan arme passenten (?) die hier over
toekomen
Tot klederen voor Armen
Aan Predicanten van onsen gereformeerden Godsdienst die zoo ongelukkig haare tractementen in de afgestane Landen verloren hebben, gelijk ook van andere
Diaconien is geschied
Ook word alhier aan geringe menschen een pent (?)- of beest
verliesende, om se niet geheel aan de Diaconie te laten
vervallen daartoe ook geld na vermogen gegeven
als ook wel bij slegt verbouw Zaad om te Saijen en ook wel om te Eeten
Bestaande deze Gereformeerde Gemeente uit Boeren en kotters
Actum Nieuwleuse den 16 October 1798

Derk Jansen als Diaken

Hermen Jansen als Diaken

(inventarisnr. 199)

Berigt
van den Kerkenraad van Nieuwleuse op de Missive van de Heer Scholtus aan de Kerkenraad in dato den 29 September 1800 aangaande de Diaconie
van Nieuwleusen

De kerkenraad van Nieuwleuse heeft op de bekomene missive de Ledematen van Nieuwleuse bij Kerkensprake geconvoceert te compareren in de kerk alhier, en haar voorgestelt om de Diaconie alhier te behouden of niet. Is na deliberatie zoo van de Leden des Kerkenraads als van alle de Ledematen der gemeente eenparig goedgevonden om de Diaconie alhier te behouden en niet over te geven, om den Armen als voren daaruit te onderhouden. Nieuwleuse den 27 November 1800

Uit naam des Kerkenraads
van Nieuwleuse

J.A. Palthe
V:D:M:ibidem

(inventarisnr. 207)

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES VI _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


Hij gooit met een stukje worst naar een zij spek. Dat werd gezegd wanneer iemand voor weinig geld of goed véél terug wilde krijgen.

* * *

ONBEKENDE PERSONEN _________________________________________________________

G. Hengeveld-van Berkum



Wie zijn dit? Deze vraag stelden we in ons kwartaalblad van september 1985 bij deze foto. Er kwamen diverse reacties van mensen die dachten dat zij wisten wie het waren. Heel wat verschillende namen van echtparen werden genoemd. Daarbij doken meerdere keren de namen van Roelof Visscher en Asselina (Slientie) van der Vegt op. Sommige familieleden ontkennen evenwel dat zij het zijn, reden waarom wij hier opnieuw de vraag stellen: wie zijn dit?

Over het echtpaar Visscher-van der Vegt nog het volgende.
Roelof Visscher werd op 18 april 1844 te Rouveen geboren. Asselina van der Vegt aanschouwde op 19 september 1845 het levenslicht in Dalfsen en overleed te Nieuwleusen op 5 januari 1932. Op 19 maart 1868 trouwden zij te Dalfsen, waarna ze in Nieuwleusen, aan het Oosteinde, gingen wonen. Later verhuisden ze naar de buurtschap Welsum onder Dalfsen. Het huis dat ze daar bewoonden, draagt thans de naam "Brandhoeve", een naam die is afgeleid van de vroegere benaming van de Visschers.
Vanuit Welsum verhuisde de familie begin 1900 naar de Meele. Hier werden ze niet lang daarna dakloos door het afbranden van hun woning. Meester Meyer wist raad. Hij liet de schoolkinderen het kolenhok schoonmaken, zodat de familie Visscher daar zolang kon wonen tot hun boerderij herbouwd was. Het gezin Visscher telde negen kinderen. Hun dochter Geesje is nog in leven en is thans 98 jaar.
Toen Roelof Visscher en Asselina van der Vegt vijftig jaar waren getrouwd, maakte hun buurman meester Meyer, hoofd van de openbare lagere school op de Meele, onderstaand gedicht, dat in de advertentie in de krant werd opgenomen.

Vijftig jaar is het geleden
dat onze ouders op deze dag
in het huwelijk zijn getreden,
wat niet elk gebeuren mag.
En dit doet ons blijde wezen,
kinderen van dit ouderpaar,
dat wij dit aanschouwen mogen,
ons ouders zijn nog bij elkaar.
Mogen hunne verdere dagen
nog gelukkig vel en zijn,
niet te morren, niet te klagen,
mooi in 't midden van ons zijn.
Lieve ouders, met u beiden
hopen wij op deze dag,
dat de goede God en Vader
U hier lang nog sparen mag.

Ook in het nummer van september l986 plaatsen we een foto van een onbekend persoon. Dit probleem is nog evenmin opgelost. Eerst was men van mening dat het Aaltje Reuvers, de vrouw van Peter Kreule, moest zijn. Daarna kwam de naam van Jentje Visscher naar voren. Zij was gehuwd met Klaas Stolte.
Om zekerheid te krijgen hebben we een bezoek aan haar dochter gebracht. Zij heeft de foto goed bekeken en met name de sieraden die de dame droeg. Hieruit bleek echter dat de onbekende dame niet Jentje Visscher is. Vandaar opnieuw de vraag: is er iemand die de dame op bladzijde 47 (september 1986) kent? Inmiddels is wel min of meer vast komen te staan dat de foto gemaakt moet zijn in bioscoop "De Kroon" in Zwolle.

* * *

INHOUD VAN DE VIJFDE JAARGANG _________________________________________________________

blz.
1  
5  
8  
9  
10  
15  
16  
17  
19  
21  
21  
 
25  
29  
32  
32  
33  
36  
37  
40  
 
45  
 
47  
48  
49  
54  
55  
57  
58  
59  
61  
62  
64  

 
Willem Stolte, Predikant te Nieuwleusen
Op de boerderij
Zangvereniging Ruitenveen
Nieuwleusener gezegdes V
"Het Groene Kruis" te Nieuwleusen
Verkeerscontrole
Ontmoeting
Het Palthehuis
Grote Mans
Hazeu en de Hazeuzangers
Johannes Hazeu Cz, schrijver en dichter tot nut van 't algemeen
De Hazeuzangers
Op de boerderij II
Boerderij-meimerij
Nieuwleusener gezegdes IV
Op de boerderij III
Lezers schrijven
Een oude schoolfoto IV
Van plaatselijk- tot gemeentegeneesheer
 
De jeugdige tuinders van de O.L. School in de Meele
Schraopers
Nieuwleusener gezegdes V
Op de boerderij IV
De eerste auto's van Nieuwleusen
Gien schraopers
Reacties op "Een oude school foto IV"
Een oude schoolfoto V
Armenzorg rond 1800
Nieuwleusener gezegdes VI
Onbekende personen
Inhoud van de vijfde jaargang

 
K. Schoenmaker-van Berkum
P. Kreule

A. Schoemaker-Ytsma
F. Visscher
H.J. Snijder
Mini A. Tuur
A. Schoemaker-Ytsma
Kabé


M. den Admirant

P. Kreule
Mini A. Tuur
A. Schoemaker-Ytsma
P. Kreule


G. Hengeveld-van Berkum
J.W. de Weerd


B. van Duren
A. Schoemaker-Ytsma
P. Kreule
Kabé
K. Schoenmaker-van Berkum


Jan H. Kompagnie(transcriptie)
A. Schoemaker-Ytsma
G. Hengeveld-van Berkum




            Colofon uitgaven 1987


            Uitgaven van 1988


Jaargang 6 nummer 1 maart 1988

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

HET LANDGOED "ROLLECATE" _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Het voormalige landgoed Rollecate op de grens van de gemeenten Nieuwleusen en Staphorst is onverbrekelijk verbonden met de naam Van Dedem. Leden van dit geslacht bewoonden het huis, dat in 1820 vanuit Vollenhove naar een plaats nabij Den Hulst aan het kanaal de Dedemsvaart werd verplaatst, tot aan de openbare verkoop in 1923. Toch is er niet altijd een verband geweest tussen de namen Rollecate en Van Dedem. Toen het huis nog te Vollenhove stond, was het tot aan 1763 in het bezit van het geslacht Van Isselmuden. Vanaf het midden van de 15e eeuw heeft het goed tot de bezittingen van deze familie behoort.
Omstreeks 1750 is de Rollecate in het bezit van Johan Hendrik (ook wel Jan) van Isselmuden. Wanneer hij in 1760 rijdend te paard in Mastenbroek verdrinkt, is hij nog ongehuwd. Zijn zuster Theodora Judith Margriet van Isselmuden erft het landgoed en verklaart op 6 april 1763, als douairière van Gijsbert Willem van Dedem, voor het gericht van Vollenhove, dat zij het huis Rollecate met boomgaard en landerijen heeft verkocht aan haar zoon Coenraad Willem van Dedem, geboren te Dalfsen op 3 augustus 1738.
Een jaar nadat hij de Rollecate verkreeg, in 1764 dus, koopt Coenraad Willem het goed Den Berg bij Dalfsen van zijn broer Willem Jan. Vanwege Den Berg werd hij in 1768 in de Ridderschap van Overijssel verschreven, nadat hij dat in 1763 al was wegens de Rollecate. In 1787 is Coenraad Willem drost van Haaksbergen en van 1790 tot 1795 bekleedt hij dezelfde functie van Vollenhove. Na de Franse revolutie wordt hij in 1814 bij Souverein besluit benoemd in de Ridderschap van Overijssel.
Op 1 december 1772 trouwt Coenraad Willem in Dalfsen met Suzanna Leonora de Vos van Steenwijk, een volle nicht van hem. Uit dit huwelijk wordt op 18 maart 1776 een zoon geboren die de naam Willem Jan krijgt.
In 1816 sterft Coenraad Willem van Dedem. Nog juist voor zijn overlijden begint de verbrokkeling van het


"Plattegrond_ van het landgoed Rollecate, gelegen in de Provincie Overijssel en toebehorende aan den Hoog welgeb, Heer W.J. Baron van Dedem tot den Berg. Lid van de Ridderschap en Provinciale Staten enz.
Opgemeten en in kaart gebragt door (J.C.) Honig gew. Landmeter van 1ste klasse van het kadaster."
Aquarel-pentekening uit de 1e helft van de 19e eeuw. Collectie Gemeente Nieuwleusen.

landgoed Rollecate in Vollenhove. Samen met zijn vrouw verkoopt hij op 12 februari 1816 een boerenerf met landerijen dat tot dan toe tot het landgoed had behoort. In 1820 laat Douairière Van Dedem tot den Berg een herenhuis, genaamd de Rollencate en staande op het goed de Rollecate voor afbraak veilen. De inzet is op 29 maart en een dag later vindt de eindveiling plaats. Het huis wordt dan evenwel niet gegund.
Inmiddels is Willem Jan Baron van Dedem tot den Berg in 1809 begonnen met het graven van een kanaal vanuit Hasselt in oostelijke richting naar de veengebieden. We zagen al dat hij in 1776 geboren was. Op 12 september 1802 trouwt Willem Jan met Judith van Marle. Om elke dag van zijn levenswerk te genieten, besluit Van Dedem om het niet gegunde huis in Vollenhove te doen afbreken en het aan het kanaal weer te doen opbouwen. Dit gebeurt in 1820/21. Het puin dat na de afbraak overbleef, wordt in mei 1821 gekocht door het Heemraadschap Vollenhove, waarna het naar de Blokzijlerdijk wordt gebracht.
Tot zijn overlijden op 21 november 1851 bewoont Willem Jan het huis Rollecate. Na hem is zijn zoon Coenraad Willem, geboren op 30 juli 1811, eigenaar van het huis. Coenraad Willem trouwt met Johanna Catharina Engelkens, geboren te Veendam op 2 april 1816.
Van 8 december 1837 tot 1852 bekleedt Coenraad Willem van Dedem de functie van notaris en burgemeester van Nieuwleusen en Avereest. Voorts is hij lid geweest van Provinciale Staten van Overijssel. Wanneer hij op 3 september 1870 op het huis Rollecate overlijdt, laat hij een weduwe na, die daarna naar Zwolle vertrekt. Zij keert nog enkele keren voor korte tijd in Nieuwleusen terug en overlijdt ten slotte in Zwolle op 8 augustus 1880. Uit het huwelijk van Coenraad Willem van Dedem en Johanna Catharina Engelkens wordt op 31 augustus 1854 te Nieuwleusen een zoon geboren, Willem Jan. Bij het overlijden van zijn vader is hij nog minderjarig. Hij studeert dan in Deventer, waarheen hij op 4 november 1869 is vertrokken. Op 30 april 1879 komt hij na zijn studietijd vanuit Leiden terug in Nieuwleusen . Dat najaar vertrekt hij met zijn moeder naar Zwolle, om zich daarna op 30 april 1880 definitief op de Rollecate te vestigen.
Op 10 augustus 1881 huwt Willem Jan met Beerte Henriëtte Geertsema, geboren 4 oktober 1859 te Groningen. Zij komt op 26 oktober 1881 vanuit Zwolle naar Nieuwleusen om zich bij haar man op de Rollecate te vestigen.
Willem Jan Baron van Dedem van de Rollecate bekleedt diverse functies in het openbare leven. Hij is jarenlang lid geweest van Provinciale Staten, van het College van Gedeputeerde Staten en van de gemeenteraad van Nieuwleusen. Op 15 februari 1922 overlijdt Van Dedem, zonder kinderen na te laten, in het ziekenhuis te Groningen, alwaar hij sinds 2 februari verbleef na een ernstige keeloperatie. Hij werd in Groningen begraven. Zijn weduwe blijft nog tot 4 mei 1923 op het huis Rollecate wonen en vertrekt dan naar Den Haag.
In het najaar van dat zelfde jaar heeft ten overstaan van notaris J. Visscher te Nieuwleusen de veiling plaats van de Rollecate. De eerste veiling is op dinsdag 23 oktober en de eindveiling op dinsdag 6 november, telkens om 11 uur "in het Café Borst, bij de Ommerdijkerbrug, aan de Dedemsvaart, halte Dedemsvaartsche Stoomtram".

Het Veilingsboekje

Het landgoed Rollecate wordt geveild in 40 percelen. Het is volgens het veilingboekje "gelegen aan weerszijden van de Dedemsvaart, den grintweg en de stoomtram, nabij het station Dedemsvaart, in Den Hulst, gemeenten Nieuwleusen en Staphorst, bestaande uit Heerenhuis met Sier­ en Moestuinen, Park, Gracht en Bosch, Koetsiers- en Tuinmanswoningen, model ingerichte Stallingen, Bedrijfsgebouwen , Landbouwschuren, Weiland , Bouwland, Boerenplaatsjes en boschgronden, tezamen ter grootte van ruim 100 hectare."
Bij de veiling is de bijzondere bepaling van kracht dat de kopers het recht hebben om de op hun percelen staande bomen, voor zover die zijn vermeld in een taxatierapport van de Nederlandse Heidemaatschappij, hetzij allemaal, hetzij één of meer percelen daarvan, over te nemen voor de bedragen die daarvoor zijn vastgesteld in het taxatierapport. Dit rapport lag op het kantoor van de notaris voor de belangstellenden ter inzage. De bomen en al het verdere houtgewas zijn dus van alle percelen uitbedongen, evenwel met uitzondering van perceel 1, het huis, zoals we nog zullen zien. Verder is de mest van alle percelen uitbedongen, evenals van de verhuurde percelen datgene wat van de huurder is. Ook is de smalspoorbaan met bijbehorende werken van alle percelen uitbedongen en verder een aantal zaken bij diverse percelen. Ook moeten de kopers bij verschillende percelen een aantal zaken overnemen.
Onderstaand zullen we op de belangrijkste te veilen percelen nader ingaan.

Als perceel 1 wordt geveild het herenhuis met tuingrond, bos, laan en gracht, koetshuis, stalling, ijskelder, loods en schuren, ter grootte van 3.40.50 ha. Bij dit perceel wordt tevens het recht verkocht om de berm van de grintweg langs de Dedemsvaart, tegenover het huis, voor zover gelegen tussen de brug en de bocht in de weg, te bepoten. Er zit wel een beperking op dat recht, er mogen alleen bomen worden gepoot ter vervanging van en op de plaatsen van de aldaar staande bomen. De koper van deze kavel heeft het recht om de bestaande bomen over te nemen voor een bedrag volgens het rapport van de Heidemaatschappij.


Het buis Rollecate gezien vanaf Nieuwleusen.

Uitbedongen bij perceel 1 zijn de zonnewijzer in de tuin en een marmeren fontein met koperen kraan in het huis. Tot de zaken die verplicht moeten worden overgenomen behoren de rolgordijnen en de tule gordijnen, met uitzondering van die op het kantoor, voor ƒ 50,=; alle elektrische lampen met porseleinen kapjes, de ganglantaarn en de armaturen met kappen in de eet- en koepelkamer voor ƒ 25,=: op zolder voor ƒ 27,= het verplaatsbare vruchtenrek, de droogstokken, de vouwtafel en de vuilgoedkast; in de kleedkamer de badkuip met geiser en filter voor ƒ 20,=; in de provisiekamer de rekken en het klaptafeltje voor ƒ 25,=; in de serre het buitengordijn en de bij de serre behorende losse ramen voor ƒ 33,=; de akten kasten op het kantoor voor ƒ 20,=; in de keuken voor ƒ 75,= het fornuis met pijp, plaat en ringen en tenslotte in het souterrain de rekken, de muurvaste tafels en de vaste vliegenkast voor ƒ 25,=.
Ook buiten moet het nodige worden overgenomen, te weten een eikenboom, die ten zuiden van de koetsierswoning staat, een bruine beuk, twee essen en een plataan op de werf en op het plein de treurbeuk, de treurberk, drie bruine beuken, een tamme en tien wilde kastanjebomen, twee essen, een cypres, een abeel, een esdoorn, een tulpenboom , een bonte eik, een acer en twee acacia’s. Voor al deze bomen moet de koper ƒ 350,= op tafel leggen. Verder staat er in de tuin nog een draaibare koepel, die, zonder de losse ramen, moet worden overgenomen voor ƒ 100,=.
Als tweede perceel komt de tuinmanswoning met tuin, bosgrond en gracht onder de hamer. Dit perceel heeft uitweg over de buitenlaan van perceel 1. Het kettingbrugje, een bruine beuk, een esdoorn en een tulpenboom moeten voor ƒ 50,= worden bijgekocht.
Het derde perceel bestaat uit de moestuin, de druivenkas en de broeikas, de warme en koude bakken, stallen, loodsen en gracht ten oosten van het huis. De uitweg loopt over de percelen 1 en 5 en verder over de buitenlaan langs de gracht.
Het weiland "de Kalverkamp" met weg, bosgrond en houten stal wordt als vierde kavel geveild. Hierbij moeten de


houten stal, de betonpalen en het draad, het slaghek, de eiken- en beukebomen langs de algemene weg (zie kaart) en nog drie eiken worden overgenomen voor ƒ 230,=.
Op perceel vijf staan de koetsierswoning met stal en stenen hok, erf, tuin, weg en grasland. Ook hier horen een verplichte overname bij en wel van het stenen schot, de hooiberg, de rikking, 40 beukebomen en 10 eikenbomen voor de prijs van ƒ 270,=.
Tegenover het huis aan de overzijde van de Dedemsvaart ligt het zesde perceel, dat bestaat uit weiland en bosgrond. Daarnaast ligt perceel zeven, dat eveneens uit weide en bos bestaat. Deze beide percelen staan aangekondigd als "de kamp vóór het Spijker".
De percelen 8 en 9 zijn eveneens gelegen tussen het kanaal en de Koeweg (Meeleweg) en dragen de benaming "de Duivenslagkamp". Ze bestaan beide uit weide en houtsingel. Op perceel 8 staat een stal of schot, waarvan de balkenslieten zijn uitbedongen.
Het tiende perceel dat onder de hamer komt, is de nog bestaande en thans geheel vervallen "Nieuwe Stal" aan de Schapendrift en de openbare weg. Groenland, bos en weg behoren tot deze kavel. In de grote stenen stal zijn een kantoor, laboratorium, machinekamer, kelder, gierkelder, twee bergkamers, voederbergplaats, schaftlokaal en zolder. Uitbedongen zijn alle machinerieën en gereedschappen met drijfwerk en motor, de deur met het bijbehorende raam voor de brandkluis en de hooiberg. De aanwezige gierpomp moet verplicht worden overgenomen samen met de linde- en peppelboompjes voor ƒ 10,=.
Perceel 11 is de stenen schuur "het Torenschot", nog een stenen varkensstal, erf, weg en weiland. De hier ook staande turfschuur, het ossenschot en de hooiberg worden uitbedongen. Wel overgenomen, en wel voor ƒ 710,=, moeten worden de stenen varkensstal , het slaghek, het draad en de palen (wat trouwens bij de meeste andere percelen ook het geval is), de hekken op de varkensbrink en de niet genummerde eiken.
De percelen 12, 13 en 14 dragen alle de namen "de Schutskamp" en bestaan uit weiland en weg . Langs de weg bij de kavels 13 en 14 staan eiken, die verplicht moeten worden overgenomen. Perceel 14 is in gebruik bij de voetbalclub die Nieuwleusen toen rijk was (VIOS). Al hetgeen van hen is, gaat niet mee over op de nieuwe eigenaar van de grond.
Een zevental perceeltjes (de nummers 15 tot en met 21) worden als huisplaats met bosgrond verkocht. Hierop zullen in latere jaren woningen gebouwd worden.
Op de hoek met de tegenwoordige Schapendijk ligt perceel 22: gras-, tuin- en bosgrond met daarop een houten schuurtje, dat voor ƒ 30,= moet worden bijgekocht . Het witte zand dat langs de gracht ligt, is van de verkoop uitgesloten.
Achter de "Nieuwe Stal" en de algemene weg (nu de Dedemsweg) liggen nog een achttiental percelen, voornamelijk bestaande uit wei- en bouwland. Op enkele daarvan staat een boerenhuis of schuur. Het zou te ver voeren om hier elke kavel stuk voor stuk op te sommen. We beperken ons tot de vijf laatste en meest interessante percelen (althans op papier), die het verst van het huis af liggen. Deze percelen hebben namelijk allemaal een naam. Achteraan ligt (uiteraard) "de achterste Pijmanskamp". Daarvoor ligt het "plaatsje van Stoel", een huis met erf, grasland en bos. Daar weer voor ligt "de voorste Pijmanskamp", die in twee gedeelten wordt geveild. Op de grens tussen deze beide kavels staat een pomp met stenen drinkbak, die evenals de "dwarsrikking of het draad en de palen" gemeenschappelijk eigendom wordt van beide percelen. De kopers zijn verplicht één en ander gezamenlijk te gebruiken en te onderhouden, en wel ieder voor de helft.
Voor de "voorste Pijmanskamp" ligt "Pijmans dennenkamp", een perceel dat zijn naam niet volledig meer eer aandoet, omdat het ook uit grasland bestaat.

Tot zover de veiling van het oude landgoed Rollecate. dat daarna als versnipperd en behorend aan verschillende eigenaren blijft liggen. De opbrengst is ongeveer twee ton. Was dat in die tijd een groot bedrag, vandaag de dag zou het zeker enkele miljoenen waard zijn geweest. Na de veiling verdwijnt nagenoeg alle bos van het voormalige landgoed. Het hout wordt, voor zover het niet bij de geveilde kavels is inbegrepen, uit de hand verkocht tegen de door de Heidemaatschappij getaxeerde bedragen. Het huis zal nog een aantal jaren blijven staan, om tenslotte in de dertiger jaren te worden afgebroken. Er gaan geruchten dat toen bleek dat sommige binnenmuren van turf waren opgebouwd. Indien dat waar is, dan heeft Van Dedem op die manier zeker op de bouwkosten kunnen besparen . Veengebieden had hij genoeg en turf was dan ook ruimschoots voorhanden.
In de loop van de jaren is het landgoed geheel onherkenbaar geworden en er is niet zo heel veel meer dat aan het, naar mijn idee, eens zo prachtige landgoed herinnert. Merkwaardig is wel dat er in de weg, die aan de zuidzijde van het voormalige kanaal de Dedemsvaart ligt, nog steeds de bocht zit die er ook al zat toen het huis Rollecate precies op dat punt aan de noordkant van het kanaal stond. Het zou wenselijk zijn om bij de uitbreiding van het industrieterrein, op de voormalige Duivenslagkamp, deze bocht als herinnering aan de Rollecate te handhaven. De meeste oude namen zijn immers al in het vergeetboek geraakt. Helaas!

* * *

OUDE LIEDJES _________________________________________________________

J. de Lange-Van Dorsten

Koos Speenhof, velen van u zal deze naam niet onbekend in de oren klinken , schreef eens een liedje dat hij als titel gaf "Opoe". De werkgroep "Oude liedjes" kreeg de tekst van dit aangrijpende lied in handen en zou het graag willen zingen met begeleiding op de harmonica van onze beide muzikanten. De melodie is echter niet bekend. Wellicht is er iemand onder de lezers die het liedje kan zingen of de noten heeft. Wanneer dit het geval is, kunt u dit doorgeven aan mevrouw Vasse, tel. 05296 - 2632.

Hier volgt de tekst van het liedje:

OPOE

Opoe had d'r hele leven
                     voor d'r kinderen gesjouwd.
Al d'r jongens en d'r meisjes
                     waren na elkaar getrouwd.
Opoe was toen in gaan wonen
                     bij d'r jongste lieveling
en daar wachtte ze geduldig
                     tot ze naar het kerkhof ging.

In 't eerst was opoe alles,
                     ieder was haar aangenaam,
't warmste hoekje naast de kachel,
                     't mooiste plekje voor 't raam.
Maar toen opoe 's spaarbankboekje
                     helemaal was afgezet,
en toen opoe lam ging worden,
                     moest ze 's middags al naar bed.

Eerst moest opoe naar de keuken.
                     had d'r lieveling gezeid.
Toen moest opoe naar de zolder.
                     in de bedstee van de meid.
Maanden lag ze daar te suffen.
                     niemand had meer medelij,
tot de kleine meid kwam zeggen.
                     dat d'r opoe niks meer zei.

Nu we het toch over oude liedjes hebben, willen we u er nog een tweetal voorschotelen. Eerst het liedje dat Jan Snorrewind maakte op het refrein van Sari Marijs "naar die ou Transvaal".

0, breng mij terug naar die Ommerdijkerbrug,
daar waar Jan Nijmeier woont.
Daar onder die veranda met een heerlijk glaasje bier,
daar hebben wij zoveel plezier.


Jan Snorrewind was knecht bij D.J. Schoemaker, die een smederij had op de plek tegenover bakker Dunnink aan het Westeinde, waar nu A.J. de Boer woont. Dit liedje kregen we van mevrouw Vogelzang. Met haar zullen vast nog wel anderen zich dit wijsje herinneren.

Tot slot een dorpslied, waarvan de schrijver ons onbekend is.

DORPSLIED In Overijssels dreven
daar aan de Dedemsvaart,
daar is mijn dorpje gelegen,
't mooiste plekje op deez' aard.
Tussen de volgroene weiden
met daarop het grazende vee,
ja, dat is mijn dorpje Nieuwleusen
plaatsje van voorspoed en vree.

Op lange winteravonden
hoort men nog 't oud verhaal,
hoe arm deez' streken waren,
't heidelandschap leeg en kaal .
Daar staan nu de boerderijen
statig een toonbeeld van vlijt.
Ja, zo is mijn dorpje Nieuwleusen
't volkje verstaat er de tijd.

Wijze: Hoog op de gele wagen.

* * *

DE TIENDE PENNING _________________________________________________________

B. van Duren

Een gulden is in waarde gelijk aan twintig stuivers. In de tijd van de tiende penning is men daar blijkbaar van afgeweken, hetgeen blijkt uit het nu volgende, waar de verkoop van een schuur voor afbraak in het jaar 1817 is vastgelegd.

Nr. 343 - Bestuur der Registratie Zegel- en hypotheek Regten. Extract uyt het Register van voorlopige aangave tot verkoop van roerende Goederen.
"Op den vijf en twintigsten April 1817 compareerde Den Heer A.C. Bouwmeester, Notaris te Dalfsen, welke verklaarde, dat hij op Saturdag den 26 deser te Nieuwleusen, onder de Gemeente Dalfsen, een publieke verkoop zal houden van een Schuur tot afbraaken, ten verzoeke van Klaas Boer, wonende te Nieuwleusen , waarvan Acte is opgemaakt en heeft getekent: A.C. Bouwmeester.
De Ontvanger der Registratie, W.L. Hoorn."

"In den Jaare agtien hondert en zeventien, den zes en twintigsten April, heb ik A.C. Bouwmeester, Openbaar Notaris, residerende te Dalfsen, in tegenwoordigheid van de nagenoemde Getuigen, ten verzoeke van Klaas Boer, Landbouwer, wonende te Nieuwleusen, publiek verkogt een Schuur tot afbraaken volgens bekendmakingen op de volgende conditiën
1. De Verkoop zal geschieden voor guldens van twee en twintig stuyvers het stuk, waarvan de betaling zal moeten gedaan worden aan den Notaris voornoemd , binnen Dalfsen, voor of op den l November agtien hondert en zeventien op poena (boete) van een stuvver per gulden opgeld voor later betaling.
2. Desgevordert zal den koper moeten stellen twee voldoende Borgen, welke zig ieder in Solidum en ten Principalen verbinden en zig onthouden van alle Optiën en Beneficiën (gunsten) regtens in Speci die van order Divisie (verdeling) en zelfs ondertekening.
3. Den Schuur word verkogt tot afbraaken welke heeden over drie weeken geheel van den Plaats zal moeten vervoerd zijn, op verbeurte van drie gulden voor ieder dag dat er een stuk langer van blijft liggen.

En is deselven gekogt door Harmen Oosterveen voor vijftig guldens ƒ 50,--
tiende verhoging daarboven 5,--
makende te samen vijf- en vijftig guldens ƒ 55,--

Gedaan en gepasseerd in tegenwoordigheid van Jan Stolte, timmerman en Bartelt van Holten, herbergier, beide te Nieuwleusen woonagtig, getuigen ten desen verzogt, welke met mij Notaris, deze Minute, na gedane voorlezing hebben getekent.
J. Stolte B. van Holten
A.C. Bouwmeester, Notaris

Geregistreerd te Ommen den zesde Mey 1818 - Folio 171 nr. 3. Ontvangen met verhoging - Een gulden een en veertig en een halve cents. W.L. Hoorn."

* * *

KLAAS GAAT NAAR EEN ERFHUIS _________________________________________________________

Kabé

Klaas las in de Dedemsvaartse Courant dat er volgende week een "erfhuis" gehouden zou worden bij Hendrik Jan op de Meele. Hendrik Jan hield er mee op; hij werd ouder en opvolgers had bij niet.
Zo'n erfhuis, dat was wat voor Klaas. En het kwam mooi uit, want die dag hoefde hij niet naar school. Al bijtijds ging Klaas op zijn oude Duitse "Brennebor" naar het huis van Hendrik Jan. Overal lagen de spullen uitgestald en het was al een drukte van belang. Voor iedereen was er wel iets van zijn gading bij. Er waren heel goede dingen bij, want Hendrik Jan hield er niet van zich te moeten



behelpen en hij had zijn spullen dan ook prima voor elkaar.
Daar kwam de notaris aan, vergezeld van een klerk en van Willem, de afslager. Op de deel bij de baanderdeur werden een tafeltje en stoelen voor de notaris en zijn klerk neergezet. Die klerk was een pienter mannetje, die iedereen kende en precies op de hoogte was van de financiële mogelijkheden van de inwoners van Nieuwleusen. Voor Willem werd een kistje neergezet, waar hij op ging staan om een goed overzicht over het publiek te hebben.
De mensen dromden samen en de verkoop kon beginnen. De notaris las de verkoopcondities voor , maar niemand luisterde er naar. Voor de goede orde herhaalde Willem de voornaamste voorwaarden: betaling vóór 1 mei aanstaande; posten beneden de tien gulden contant en onbekende kopers moeten zorgen voor een solide borg. En toen begon de verkoop. Het eerste stuk werd door een helper omhoog gehouden. "Wie biedt er geld voor het eerste perceel". Met deze woorden begon Willem steevast een verkoping.
Eerst was er nog wat aarzeling, maar geleidelijk aan begonnen de mensen te bieden, daarbij aangemoedigd door Willem, die met een vlotte babbel en zo nu en dan een kwinkslag de spullen aan de man bracht.
De geboden bedragen werden uitgedrukt in stuivers. Kwam men boven een rijksdaalder, dan ging Willem met een kwartje omhoog en boven de vijf gulden met twee kwartjes. En als het bedrag nog hoger werd, dan met een gulden.
Het ging goed met de verkoop. De spullen gingen vlot van de hand en Hendrik Jan keek dan ook heel tevreden. Op een gegeven moment begon de belangstelling van Klaas voor de veiling te verflauwen. Hij liep wat rond en trof naast het huis een paar bekende jongens uit de buurt. Ze liepen naar de sloot, waarlangs een aantal hoge eikenbomen stonden met in één ervan een eksternest. "Jonges, ik gao det nûst uuthaal'n", riep Klaas en meteen klom hij de boom in. Hij was een geoefend klimmer en in een mum van tijd was hij bij het nest. Zes eieren lagen



er in. Klaas haalde ze er uit en deed ze behoedzaam in zijn pet. Zo ging hij er mee naar beneden. "Kiek ies jonges, zes eier!" "Wat doe'j d'r mee Klaas?", vroeg één van de jongens. "Det za'k oe laot'n zien. Kom mar met", was het antwoord.
Klaas ging tussen de mensen staan en zo hier en daar stopte hij een ei in een jaszak. Toen hij ze kwijt was, ging hij terug en deed dezelfde ronde opnieuw. Daarbij duwde hij met zijn arm tegen elke jaszak waarin een ei gedeponeerd was.
Toen hij terug was, ging Klaas op een veilige afstand staan en zei tegen de jongens: "Mu'j kiek'n hoe det oflöp". Het duurde niet lang of er kwam er al een tot de ontdekking dat er iets niet in orde was in zijn jaszak. Woest keek hij in het rond, maar Klaas en zijn kornuiten deden net als of ze niets in de gaten hadden en leken de onschuld zelve. De man trok zich terug en ging naar de sloot om met een natte zakdoek de viezigheid uit zijn jaszak te verwijderen. Even later kwam er nog iemand bij de sloot die hetzelfde probleem had . Ze praatten met elkaar en keken rond wie of toch wel de dader mocht zijn. Klaas vond het toen beter zijn biezen te pakken om een ongewenste confrontatie te voorkomen.

* * *

EEN BOEDELTAXATIE UIT 1887 _________________________________________________________

J. Prins

Onlangs kregen we een taxatierapport van een boedel onder ogen, dat was opgemaakt op 20 maart 1887 na het overlijden van een inwoner van Nieuwleusen. De overledene liet een vrouw en drie minderjarige kinderen na. Hij was zeker niet één van de armsten.
De taxatie van de voorwerpen en het vee was als volgt:

2 bedden met toebehoren
een partij linnen
mans - en vrouwenkleren en lijfsieraden
3 kerkboeken, tabaksdoos, cigarenkoker en horlogie
kabinet en kast
klok
lampen
trom(?)spiegel en wasbak
14 stoelen
tafels
koffijketel, kannen, presenteertrommeltjes, theeblad, glas en aardewerk
2 parapluis
1 karn, 3 roomtonnen, 16 vaten, 6 emmers, 2 zeijen en 2 tobben
potten, waterketel, koekpan, koffijketels en turfbak
tonnen, wateremmers en manden
3 bussen en stort(?)vat
wan, zeeften en zaaivat
2 ladders
schoppen, vorken en harken
kippen
paardetuig, touwwerk en paardedek
een partij stroo
meelzakken, meel en baktrog
koekmolen, een zaag, bijl en snoeimes
de zwijnen
de deelgereedschappen
3 wagens, een kar, ploeg en egge
een partij hooi
een beestekrib en kruiwagen
een partij stroijing en brandhout
ornamenten en haalketting, tang, asschop
een roodbonte, drie zwartbonte, 2 witbonte koejen, een blauwbonte en een zwartbonte vaars, twee roodbonte pinken, een roodbonte stier en drie roodbonte kalveren
een zwart ruin paard

ƒ 100,--
60,--
250,--

25,--
90,--
13,--
1,50
4,--
9,80
3,50

7,50
3,--

69,75

16,50
4,40
2,70
2,75
2,30
4,50
7,50
9,--
5,--
12,--
4,--
150,--
1,--
287,50
5,--
4,50
25,--
3,--



980,--
75,--

Het totaalbedrag waarvoor het huisraad, de deelgereedschappen en het vee werden getaxeerd
bedroeg ƒ 2338,70. Voorts behoorden een bedrag van ƒ 5500,- aan uitgeleende gelden tot de boedel.

* * *

REACTIE OMSLAGFOTO DECEMBER 1987 _________________________________________________________

In de verzameling dia's van de vereniging is er een aanwezig van een marktkiekje in Ommen. Deze is gebruikt als omslagfoto voor het kwartaalblad van december j.l. De op de foto afgebeelde personen waren bij ons onbekend en we dachten dat dit ook geen mensen uit de omgeving waren . Groot was dan ook de verrassing toen mevrouw H. Klein-Katoele uit de Van de Grondenstraat ons meedeelde dat de man en vrouw, met beiden een big op de arm, haar grootouders waren.
Het zijn Gerrit Hendrik Lubbers, geboren omstreeks 1870, ook wel bijgenaamd "Gerrit van de Bulder" en Hendrikje Krul, zijn tweede vrouw. Zelf was hij haar derde man.
Het echtpaar Lubbers-Krul woonde aan de Peezeweg in Oudleusen. Lubbers was landbouwer van beroep. Hij had ook schapen, die op de heide liepen en gehoed moesten worden. Ook hield hij bijen voor de productie van honing.
Verder verkocht hij heideborstels op de markt in Ommen. Deze borstels maakte hij zelf. Daarvoor maakte hij gebruik van heide uit Beerzerveld, omdat die beter was. Fietsen deed Lubbers vroeger op een vélocipède, een fiets met een groot wiel. Zijn vrouw heeft na hun trouwen het fietsen nog geleerd.

G. Kreule-Kok


Jaargang 6 nummer 2 juni 1988

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

l6E EEUWSE HUIZENBOUW IN DE RUTE _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

In 1434 is de marke De Rute zelfstandig geworden. Vanaf dat jaar ook behoort de marke niet meer tot het schoutambt Dalfsen maar tot het schoutambt Zwolle, waarmee de stad Zwolle wordt beloond voor zijn trouwe dienst aan de bisschop van Utrecht. In 1818 gaat het grondgebied van De Rute (of: De Route) met de buurtschappen Ruitenhuizen en Ruitenveen deel uitmaken van de nieuwe gemeente Nieuwleusen.
In 1434 wordt over De Rute bericht dat het nog 'woeste leecht ende onbewoent' is. Op een kaart van N. ten Have uit ca. 1648 wordt De Rute weergegeven door middel van vijf getekende vlekjes waaruit afgeleid zou kunnen worden dat er toen vijf hoeven waren, hetgeen wellicht het begin was van Ruitenhuizen. Tevens zijn op de kaart weergegeven een tolhuis en de herberg 'Het Pannehuys', voorloper van 'De Lichtmis'.
In het gemeentearchief van Zwolle bevindt zich het archief van de marke Hermelijn/De Rute over de jaren 1434-1761. In dit archief is aanwezig een bestek van twee huizen die rondom 1565 in de marke De Rute zijn gebouwd . Wellicht zijn dit twee van de vijf 'vlekjes' op de kaart van Ten Have. Teneinde een indruk te krijgen van de bouwstijl en -voorwaarden uit die tijd, volgt hieronder de getranscribeerde tekst. Wie weet inspireert dit vrij gedetailleerde bestek de vereniging om één of beide huizen nog eens na te bouwen, hetgeen dan, in navolging van wat ook ruim 400 jaar geleden gebeurde, met 'ene tonne byrs ' gevierd moet worden!

        Besteck van twie huseren in die Ruite
Item dat ene huis sall syn van vijr gebunden Ende
dat ander van vyff gebunden, Beyde xxii voet
wijt tusschen die stylen, Dat ene van vyr gebunt sall wesen
xxxviii voet lanck Ende dat ander huis L voet lanck
        Tho weten dat eerste gebunt
under den heert van xiiii voet, tusschen die stijle
Ende die ander gebunde xii voet tusschen die stijle, Item
die twie middelste balcken van die vyr gebunde
sollen dicke wesen een voet int vljrcant ende die
endell balcken van iiii vyrendeell voetz gemeten int middell,
Item die stijlen sollen wesen xiii voet lanck ende
die middelste stijlen 1 voet breet, Ende die ander
stylen iiii vyrdell breet, Ende die dickte van
die middelste stijlen iii vyrdell voets , ende die
endelsten iii vijrendell dicke
Item die plaeten sollen wesen iiii vyrendeell breet
Ende iii vijrendeell dijcke
Item alle kerbiels sollen soe dicke wesen, als die
stijlen ende balcken nae den eisch des wercks
Item an allen syden een affkibbinghe van viii voet
wijt tusschen die stijlen ende dat mit syn grunt
halter ende plaeten
Item die gruntholter sollen breet wesen drie vijren
deell (under die middelste sty?) Ende iii vyrendeell
voetz dijcke
Item upte einde van die banssdoeren salt affgesteken
wesen viii voet, als een bouhuis thobehoert
mit twie stijlen nae den eisch des wercks mit
die bannsdoeren ende doeren,
Item dat bavenste einde mit (een) syn posten gescheert
mit syn kruisvenster ende ene doere (oick) mit
enen katten balcken up die ene sydt iii vyrendeell
ende up die ander sydt i voet ende een oeversteeck
(dair) alst behoert
Item alle streckrien tot beiden huisen sall breet wesen
1 voet ende ii vyrendell dijcke
Item alle kubbeposten sollen dicke syn 1 voet int
vijrcant, Ende die cleine doerstylen in die kubbinge
ende int voereinde oick 1 voet int
vijrcant
Item desse vursseide huise sollen hebben ii voet diepinge
Item alle intangen(?) 1 voet breet ende ii vyrendell dicke
Item die sparen up beide die huiser yder ii voet vanden
anderen, Ende die spreybanden t leveren nae den eisch
des wercks
Item die ix spaeren uth v vyrendeell voetz gesneden
Ende alle upsetels die ix uth een voet
Item die haenenbalcken sallen Ianck wesen vii
voet, ende die dickte nae eisch (des) der sparen
Item desse beide vursseide huiser hefft, up vorwerden vursseid
angenaemen tho leveren Mr Berent Timmerman van Rijssen
sonder raterschell Rondolen ende unbehoirlick spint
Item offte ichtwes(?) an desse huseren te maicken ende
t leveren vergeten were, Sall men nochtantz
schuldich zyn t leveren nae eisch ende proportie
des werckes Ende voer desse beide huise te leveren
sal hie hebben hondert ende Lxx g(olt)g(ulden) ad xxviii
st(uvers) b(rabants)(?) den g(ulden)
Item dat ene huus van die vyr gebunde woe baeven
verhaelt hefft Mr Berent Timmerman van Ryssen vursseid
tot behoeff der Stadt Zwolle gelaisst tho leveren op


De oude boerderij "Het Spijker" aan het Westerveen is
helaas verdwenen. Deze boerderij bestond nog niet toen
de huizen in de Rute werden gebouwd.

Meij nestcoemende up syne coste acht daege (nae)
voer offte nae unverhaelt in die Broeckhuisen upt lant
Ende dat ander huis van die v gebunt up Joannis tho
mitsommer daer naest volgende up diezelve
plaetze, ditzelve allet tho leveren up vorwerden als
vursseid, Ende Mr Berent vursseid sall up syne eigen
costen beide desse vursseide huseren in die Rute ter
plaetzen dair hem gewesen sall worden uprichten
offte doen uprichten by luiden (luiden) des verstant hebbende,
Ende dat die leverancie des holtes tot die twie
vursseide huise gehoerende, mit t ghene dairan cleven
mach als baven verhailt by Mr Berent Vollenthaegen
sall worden, dairvoer soe hefft gelaisst ende is
Borge geworden die Erentfeste Johan van Voerst
Burg(meeste?)r der stadt Zwolle, des hefft Mr Berent
vursseid syn F.L. der lofftenisse halven costeloes
ende schaedeloes te holden, Ende wanneer die up
richtinge der huiser geschuit , willen Schepenen
ende Raidt hem tho stuir coemen ende schencken ene
tonne byrs, alle dinck sonder argl(ist) actum
up Saemdach voer Nije Jaers avent anno xvc
Lxv In presentie der vijr Cameners Burg(meeste?)r
Herman Ubbinck.

Opmerkingen:
-tussen haakjes geplaatste tekst is in de originele tekst of doorgestreept of niet voluit geschreven.
-indien een vraagteken is toegevoegd, is de tekst voor meerdere interpretaties vatbaar.
- i=1 v=5 x=l0 L=50 c=100

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

detail van een Italiaanse kaart (naar Ten Have uit ca 1648) van Antonio Martinelli. Mogelijk staan bij de Route de 2 huizen en 6 bomen afgebeeld.

* * *

't HUUSSIE _________________________________________________________

't Huussie was vrogger wat now de wc is. 't Was miestal 'n hôltn hôkkie van urn en noabi'j 'n meter breed en zo'n aanderhalve meter diepe, met 'n deure der veur die aj an de binn'nkaante met 'n krabbe of een hôôkkie dichte konn doen. In 't huussie was op zo'n zestig centimeter van de achterkaante 'n muurtie emesseld töt ziteugte . An de zied- en achterkaante wönn op dezelfde eugte 'n panlatte teeng de kaante espiekerd en doar kwaamp dan de brille op te lign. Zo'n brille was niks aans as een höltn bred met 'n rond gat der in. Toch zat det nog niet zo slecht. Niet veur niks det ze zèèn: "Hoev-ie nie, dan rus-ie toch".
De bodem onder de brille leup schief noa achtern of op zied weg, noa een in de grond uutegrääm gat, det 'n paar kear 's joars leug eschept wönn. De mest wönn op 't laand of op de gruuntetuun ebracht. Urn te veurkomm, det de kiender in de koele veuln, wönn der wat um hen ezet en veur 't oge ok nog wat vlierstruukn. In de achter- of ziedkaante van 't huussie was meestal 'n vearkaant gat en in de deure was een hättie uut ezaagd. Det dienn veur licht en lucht, al was det miestal noa verloop van joarn niet meer neudig, umdet der an alle kaantn volop noaden en gleumm kwaamm. Zo'n huussie kon dan ok best as uutkiekpost dienn. Bi'j de zommerdag köj der best zittn. mar bi'j de winterdag heul ie 't kort of deuj oe grote bösschop gewoon achter de biesten bòòm de gruppe, want doar was et wel zo warm.
Aj bi'j vostig weer 't huussie toch gebruukn, bevreur de hoop vääke al op de schune bòdem en dan mos det een päär keer in de weeke met de schuppe lös esteuken wönn. Stunn de eerste höltn huussies 'n endtie van de boerderi'je of, later wönn ze van stien emaakt en teegn de boerderi'je of 't huus anezet. 'n Gat in de grond was ok niet meer neudig, want met 'n gresbuis wönn 't huussie op de aalte kelder of op de beerputte an eslöttn. Toletpepier, of closetpepier zoas ze hier ok wel zekt, kenn ze vrogger niet. Meestal wönn der



een fussie heuj uut de barg etrokkn, of bi'j zommerdag gunk 't met een fussie grös ok best. Op sommige stëën zurgen de vrouwe söáters met 't schonemaakn van 't huussie ok wel veur pepier. Det was dan 'n kraante of 'n weekblad, mar det lääste was hoaste niet te gebruukn: veuls te glad!
Ie kunt oe veurstelln, det zo'n vri'jstoand huussie vrogger nog wel iens anleiding was urn 'n grappie uut te haaln. Wat dach ie van 't volgnde? 't Is winterdag en 's oamps ardstikke duuster. As de vrouwe of de meid teegn 't beddegoan nog éém noar 't huussie goat, hangt der 'n panne met hiet water in 't gat van de brille.
Of 's murns, as de nood soms zo griezulig hoge was, konn ze de deure van 't huussie niet lös kriêgn, umdet er jonges de hööke of de krabbe der op edoan haddn!

* * *

RUILVERKAVELING "NIEUWLEUSEN I" _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Oude gebruiken in de streek ten noordoosten van Zwolle brachten bij elke verdeling van gronden een versnippering met zich mee, die de eigenaren zelf op de duur noodlottig werd. Niet alleen werden hierdoor de landerijen steeds kleiner, ook ging er steeds meer grond aan grensafscheidingen verloren. Door een begrijpelijk verlangen om aan de grote weg te liggen, werden de verschillende eigendommen tot smalle stroken, die voor de exploitatie zeer ongunstig waren. Er kwamen percelen voor van 2 kilometer lengte en slechts enkele meters breed .
Telkens wanneer er werkzaamheden op de landerijen moesten worden verricht, had de verspreide ligging veel tijdverlies tot gevolg . Door de ongunstige vorm van de percelen was machinale bewerking van de grond vaak onuitvoerbaar. Grondverbeteringswerken konden daardoor niet worden uitgevoerd. Door het ontbreken van openbare wegen waren vele percelen belast met het recht van uit­ en overweg. Dit had tot gevolg dat procentsgewijze te veel gronden aan de cultuur werden onttrokken.



Op het westelijk grondgebied van de gemeente Nieuwleusen konden bovendien de ontwateringsbelangen niet worden behartigd. Dit omdat de nodige waterleidingen meestal door de gronden van derden moesten worden geleid. Weliswaar was door de voortdurende overlast van het water de waarde voor exploitatie niet overmatig, maar daarin kon door bemaling verandering komen. Om de cultuurwaarde van deze gronden te verhogen, besloot het waterschap "De Noorder Vechtdijken", waarin de gronden gelegen waren, tot bemaling. Er moest een gemaal komen. In april 1925 werd een begin gemaakt met de bouw hiervan bij Streukelerzijl. Hoewel de wateroverlast zou verminderen, werden de overige problemen daarmee niet opgelost. Het gevolg van deze toestand was, dat de boeren dringend verlegen zaten om ruilverkaveling.

Inmiddels was in 1923 een ontwerp van een ruilverkavelingswet bij de Staten Generaal ingediend. De wet werd in staatsblad nr 481 van 31 oktober 1924 gepubliceerd en trad op 1 december van dat jaar in werking.
De ruilverkavelingswet beoogde de gelegenheid open te stellen om voor verspreid en ongunstig liggende eigendommen een betere economische indeling te verkrijgen, waardoor de productiviteit zou worden verhoogd. Onder volledige waarborgen van ieders rechten moest volgens de wet een minderheid berusten in ruilverkaveling, wanneer de meerderheid deze zou wensen.
Toen de wet was aangenomen, besloten de bewoners de zaak flink aan te pakken, zodat door een betere indeling in percelen van grotere omvang en geschiktere vorm, cultivering beter mogelijk zou zijn. Door het samenvoegen van percelen, het scheppen van een betere perceelsvorm en de aanleg van wegen en waterleidingen kon de exploitatie gemakkelijker en vlugger geschieden en zouden de gronden intensiever bewerkt kunnen worden. Daardoor zouden de opbrengsten stijgen en werd de welvaart van de streek bevorderd.

De aanvraag om ruilverkaveling werd op 4 maart 1925 ingediend bij Gedeputeerde Staten van Overijssel en zij werd, na ontvangst door de Centrale Commissie voor de Ruilverkaveling, terstond in behandeling genomen. De gronden werden gewaterpast en er werden besprekingen en vergaderingen gehouden met de belanghebbenden, waarbij de gang van zaken bij een ruilverkaveling uitvoerig werd uiteengezet . Een voorlopig plan van wegen en waterlopen werd daarbij tevens op de vergaderingen besproken en de raming van de kosten medegedeeld.
Het blok van de ruilverkaveling was ongeveer 1217 ha groot, en lag onder de gemeente Nieuwleusen , ter weerszijden van het Lichtmiskanaal (nu autoweg) en de spoorweg Zwolle-Meppel. Beiden sneden op ongunstige wijze de vele percelen, waardoor de versnippering in sterke mate was bevorderd. Tevens was een goed stelsel van wegen en waterleidingen er steeds in hoge mate door bemoeilijkt.
Het gebied waarvoor de verkaveling was aangevraagd, was plaatselijk bekend onder de namen Ruiten en Veenekampen, Kleine Meele, Dwarsbroek, Polhoeven, Tolhuislanden,


Veel oude namen zijn na de ruilverkaveling verdwenen.

Emmerkampje, Doodkamp, Scholtenkamp, Regterkamp, Spijkerkamp, Spijkerbroek en Stelleng. Het geheel was verdeeld in ongeveer 2000 kadastrale percelen, toebehorende aan 767 rechthebbenden, voor het grootste deel wonende onder Nieuwleusen en Dalfsen.
De grond bestond uit zandgrond en moerasveengrond. Bijna zonder uitzondering werden de gronden als hooiland gebruikt, bemesting vond om zo te zeggen niet plaats , waardoor de natuurlijke graszode slechts hooi van minderwaardige grassoorten leverde. De opbrengsten waren dientengevolge gering, in sommige jaren zelfs zo, dat zij de kosten der grondbelasting niet konden dekken. Veel Nieuwleusener boeren trokken elke zomer naar de Rute voor het korte blauwgras hooi. Er waren toen nog geen moderne hooiwagens en het kostte dan ook nogal wat moeite om het korte spul onder de wezeboom te houden. Op weg naar huis verminderde de, toch al geringe, opbrengst nog meer doordat er regelmatig plukken hooi van de wagen vielen en langs de weg bleven liggen. Bewoners van Den Hulst die een paar geiten hadden, harkten langs de grintweg hun gratis wintervoorraad bij elkaar.

Nadat de Centrale Commissie haar advies had uitgebracht, legden Gedeputeerde Staten het voorlopig plan van wegen en waterlopen ter inzage voor belanghebbenden en tevens ontving iedere rechthebbende een aangetekend schrijven, waarin werd meegedeeld dat de stemming over het al of niet doorgaan van de ruilverkaveling zou plaats hebben op 7 oktober 1925 te Nieuwleusen. Deze goedkeuringsvergadering werd op die woensdag om drie uur gehouden in de Openbare Lagere School C in Den Hulst. Op het plein was een schoolbord geplaatst , waarop meester Meyer met forse hand had geschreven: "naar de ruilverkaveling". Van de stemming verscheen in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 8 oktober onderstaand verslag:
"Nieuwleusen, 7 Oct. Er was hier een plan tot ruilverkaveling van ongeveer 1231 H.A., verdeeld over 767 eigenaren, in bewerking, over welk plan heden gestemd werd.Een paar honderd eigenaren waren opgekomen om aan

de stemming deel te nemen. Negentien eigenaren met ongeveer 86 H.A. land stemden tegen, zoodat het plan tot ruilverkaveling zal worden uitgevoerd. De gronden, die van uitstekende kwaliteit zijn, liggen alle binnen de gemeente Nieuwleusen aan de Lichtmis. Voor de gemeente Nieuwleusen is het besluit van zeer groot belang".

. . . . blief thuus, jonge!

De Telegraaf van dezelfde dag voegde daar nog het volgende aan toe:"In de toekomst zal hier een dorp op zich zelf kunnen verrijzen met groote boerderijen."
Stemgerechtigd waren 767 personen en de oppervlakte van het blok bedroeg 1216.59.91 ha. Voor verkaveling stemden 748 personen, die een oppervlakte vertegenwoordigden van 1148.75.93 ha.
Het grondgebied van de 19 tegenstemmers bedroeg 67.83.98 ha. Zij konden de ruilverkaveling niet tegenhouden, zodat "Nieuwleusen" de eerste wettelijke ruilverkaveling van Overijssel en de derde van Nederland zou worden.

In het blok van de ruilverkaveling lagen een tweetal eendenkooien. Die tussen de spoorlijn en het Lichtmiskanaal was vermoedelijk al in onbruik geraakt. De andere lag meer in de richting van Streukel. Eigenaar van deze kooi was de heer H. Schaapman. Hij dacht kennelijk dat er direct na de goedkeuring met de werkzaamheden zou worden begonnen, want reeds in oktober 1925 schrijft hij: "Kund u mijn ook schrijven of u van den winter ook al aan het werk gaat. Ik zou dat wel willen weten. Om mijn eendekooi. Hij lig in de roede. (de Rute, red.)" Het antwoord dat de Centrale Commissie gaf, luidde ontkennend.


Kaart Oude Toestand Kaart Nieuwe Toestand

Om de belangen van de eigenaren zo goed mogelijk te verdedigen, werd er een commissie in het leven geroepen, die namens de belanghebbenden kon optreden. De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 19 november 1925 hierover:
"Tengevolge van de in werking zijnde ruilverkaveling zal er een heele verandering komen in de Westersche hooilanden onder Nieuwleusen. Zooals van algemeene bekendheid mag geacht worden, is het de bedoeling om van tallooze kleine stukjes land, die aan onderscheidene eigenaren toebehoren en over de geheele vlakte van ongeveer 1300 H.A. verspreid liggen. groote blokken te maken, die beter dan nu, geschikt zijn om te worden bearbeid en waarop kan worden "geboerd", zooals de gangbare term luidt.
Zooals gezegd, is het de bedoeling om al die kleine stukken zooveel mogelijk bij elkaar te brengen, doch dit doel zal bezwaarlijk kunnen worden bereikt, wanneer al die eigenaren afzonderlijk blijven staan en zich niet verenigen om gezamenlijk hunne rechten te laten gelden. Het is daarom dat zich enkele personen tot een commissie hebben gevormd, om te trachten al die kleine grondeigenaren te vereenigen, en te bewerken, dat de rechten van hen, die ieder voor zich te weinig land hebben om daarvan een goed geheel te maken, gezamenlijk uit te oefenen en een of meer aan elkander grenzende blokken te verkrijgen. Die commissie zal het land niet opkopen zooals sommigen meenen. De leden der commissie zullen eenvoudig de lasthebbers of vertegenwoordigers der grondeigenaren zijn. Winstbejag is totaal uitgesloten. Het ligt in de bedoeling der commissie om, nadat in plaats van al die verspreide stukken en stukjes land één aan elkander liggend geheel is verkregen, dit geheel in blokken in veiling te brengen.
(Dit gebeurde slechts gedeeltelijk. red.) Iedereen heeft dan de gelegenheid om zooveel en zoo weinig als hij hebben wil te koopen en de kooppenningen worden onder al de verkoopers verdeeld, naar gelang van de waarde, die aan ieders eigendom dat hij vóór de verkaveling bezat, is toegekend door de schatters genoemd in art. 32 der Ruilverkavelingswet.


De mensen van de Ruilverkaveling Nieuwleusen: achterste rij vlnr : Ten Oever, aspirant landmeter van het kadaster, J.J. Gorter, Landmeter van het kadaster, J.F.A. van Riessen, S.L. Louwes, beiden lid van de Centrale Commissie, Kraan, aspirant landmeter van het kadaster, Mr. A.J.M. van Heyst, rechter-commissaris, Mr. J.H.F. Bloemers, griffier en H.J. van Leussen, 2e secretaris van de Centrale Commissie.
Voorste rij vlnr: J. Kleen Scholten, H. Prins, beiden schatters, W. Nijboer, voorzitter, G. Hebinck, secretaris, E. Westerman, lid van de Plaatselijke Commissie en R. Snel, schatter.

De commissie bestaat uit de heren J.P. Backx, burgemeester, B.J. van den Berg BJzn. en G.J. Zonnenberg, beiden wethouder, L. Vos, directeur, A. Aarten, voorzitter en J. Kleen Scholten, bestuurslid der Coöp. Stoomzuivelfabriek "Onderling Belang", G. Snijder, directeur, G. Huzen. voorzitter en H. Bijker Klzn., bestuurslid der Coöp. Landbouwvereeniging, W. Nijboer Hzn., directeur en J. Visscher, notaris, voorzitter van den Raad van Toezicht der Coöp. Boerenleenbank. Zij heeft zich later nog geassummeerd den heer J. Oegema, gemeenteraadslid en bestuurslid van laatstgenoemde bank.
De commissie heeft zich de medewerking verzekerd van den heer H.J. van Leussen, inspecteur van de Nederlandsche Heidemaatschappij en 2e secretaris der in de Ruilverkavelingswet genoemde centrale commissie en in haar zaterdagavond ten gemeentehuize te Nieuwleusen gehouden vergadering benoemde zij den heer J.P. Backx tot haar voorzitter en den heer J. Visscher tot secretaris. Het is zeker onnoodig nogmaals te wijzen op het groote belang, dat de kleine landeigenaren bij deze vereeniging hunner belangen hebben."
Krachtens de Ruilverkavelingswet werd met de uitvoering van ruilverkavelingen een door Gedeputeerde Staten te benoemen Plaatselijke Commissie belast, die werd bijgestaan door een landmeter van het kadaster en zo nodig door andere deskundigen. Tot leden van deze commissie werden personen benoemd, die het volledige vertrouwen van de bevolking genoten en die ook op landbouwkundig gebied met de toestanden ter plaatse goed bekend waren. Als voorzitter van de Plaatselijke Commissie werd aangesteld W. Nijboer, wonende wijk C nr. 60 in de buurtschap Den Hulst. Plaatsvervangend voorzitter werd Egb. Westerman, wijk B nr. 11 te Ruitenveen en als secretaris werd benoemd G. Hebinck, notarisklerk, Coetsstraat 45 te Zwolle. Plaatsvervangende leden werden R. Sterken en J. Reuvers. Als landmeter voor deze verkaveling werd J.J. Gorter uit Rotterdam aangesteld. Terstond na haar benoeming werd door de plaatselijke commissie, bijgestaan door de landmeter van het kadaster, een begin gemaakt met het opmaken van de lijst van allen, die belang hadden bij de ruilverkaveling. Inmiddels vond op het terrein de schatting van de gronden plaats. De Plaatselijke Commissie had reeds bij de aanvang van haar functie drie schatters benoemd; personen die ter plaatse uitstekend bekend waren en geheel berekend voor de hun opgedragen taak. Het waren de landbouwers Jan Kleen Scholten te Ruitenveen, Hendrik Prins Arendszoon, Oosteinde en Rutger Snel te Den Hulst.

wordt vervolgd

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES VII _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


Dit oude gezegde geeft aan, dat in een groot gezin er geen extra versiering van de kleding af kan.

* * *

SAUZEN OVER EEN HOEN, DAT GEBRADEN IS _________________________________________________________

Neemt wat soep of gekookt waater, en laat daarin gaar kooken een look (ui) met 2 kruidnagels bestoken en wat gehakte sjalotten, doet daar in een stuk booter, wat zout, peper en notemuscaat, een bosjen Peterselij, en wat Timiaan samen gebonden, laat daarin het Hoen eenige minuten kooken, dat regt door warm zijn kan, dan den look en het bosjen peterselij en Timiaan der uitgenomen, en het opwillende geven, neemt men 3 dooyers van eijeren, het nat van een citroen, of wat wijnazijn wel door een geklopt, neemt men de pan van 't vuur en roert er drie eijeren in .

(een oud recept uit ± 1750)

* * *

DE VERKOOP GUNK NIET DEUR _________________________________________________________

B. van Duren

Olde Jans wol 't huus verkopen,
de priezen waren now nog goed.
Kiek, zei Jans toen tegen zien vrouwe,
weet ie oe asse wi 'j det doet?
An die kerel van de kraante
vraoge wi'j hoe of det giet,
een advertensie op zien name,
dan hebbe wi 'j die drokte niet!
Mar de mensen uut de buurte
wussen 't nog vrog genog,
det 't olde Jans zien huus was
en de kopers kwamen toch.
Zomar op een mooie morgen
kwamen der twee heren an
en zie waren ien gezelschap
van de advertensie-kraantenman.
Kerel, wat woon ie hier röstig,
zei de iene heer tegen Jans.
Ja meneer, det doet wi'j zeker;
de olde baos die reuk zien kans.
Jans zien vrouwe zetten koffie
en zi'j dacht daorbi'j heel wies:
as 't met de koop wel deur giet,
scheelt det vaste ien de pries.
Mar wat was det now toch jammer
det die regenbuie kwaamp.
Kom, zei Jans, wi'j drinkt eerst koffie,
en keek ies schieve naor de laamp.
De regen kletteren tegen de roeten.
Jans keek angstig naast de heerd,
want as det zo effen deur gunk,
dan was 't vaste wel verkeerd.
En jawel heur, nao een poossien,
precies in 't koppien van meneer,
völt een druppel van de zolder
en even later kwaamp der meer.
't Water spetteren op de taofel.
nee daar hölp gien wasseldoek.
Beter was de grote emmer.
die al klaar stund ien de hoek.
De heren keken naar mekare.
en dachten der 't hunne van:
Aw de koffie op hebt,
mow mar weer naar huus opan.

De koop is dus niet deur egaone,
Now lag 't an 't slechte weer.
Mar wie weet Jans, misschien lukt 't oe
vast wel een aandere keer.


* * *

OUDE REKENINGEN ZIJN OOK HISTORIE _________________________________________________________

Oude rekeningen en verwante papieren als kwitanties, prijslijsten, catalogi, verpakkingszakjes, enz. geven vaak een stuk informatie over vroeger. Ze brengen mensen die zich vroeger met velerlei takken van handel en ambacht bezig hielden nog eens in herinnering, ze laten iets zien van de artikelen die toen gangbaar waren en vertellen iets van de diensten die toen gevraagd en verleend werden. Het verschijnen van nieuwe artikelen wordt zichtbaar, evenals het verdwijnen van oude. Kortom: ze geven een massa inlichtingen over leven en werken van enkele generaties die aan de onze vooraf gingen; ook over onze eigen generatie trouwens.
Het is daarom dat we een verzameling van oude rekeningen en dergelijke willen aanleggen. We roepen uw aller hulp in. Misschien heeft u zelf iets dat u zou willen afstaan. Misschien ook kunt u een tip geven. Er is de laatste tijd veel materiaal verloren gegaan. Laten we er op attent zijn dat er niet nog meer verdwijnt. Met veel of met weinig, met een heel archief of met een enkel stuk, u kunt er altijd mee terecht bij "Ni'jluusn van vrogger".


H. WAANDERS - Ommerdijk - DEN HULST
Manufacturen - Confectie - Heeren - Modeartikelen
Bedden - Dekens - Matrassen enz.


Jaargang 6 nummer 3 september 1988

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

BOERDERIJEN FOTOGRAFEREN _________________________________________________________

A. Kreule

In 1985, op een mooie dag in mei, kwam ik voor het eerst in contact met de familie Van den Berg van de Union. De wijze waarop was nu niet bepaald de meest ideale om een eerste contact te leggen.
Ik was bezig met het fotograferen van boerderijen aan het Oosterveen. Wanneer dit zonder problemen vanaf de openbare weg kon, vroeg ik aan de bewoners niet om toestemming. Maar bij de boerderijen die met de achterzijde naar de weg staan, moest ik over het erf om aan de voorkant te komen. Daarvoor vroeg ik toestemming en in alle gevallen kreeg ik die ook. Bij de familie B.J. van den Berg echter werd mijn aanbellen niet beantwoord. Ik had toen beter weg kunnen gaan om het later nog eens te proberen. De weersomstandigheden waren op dat moment echter zo gunstig voor het maken van een foto dat ik dat niet deed, maar met de gedachte "ze vinden het vast wel goed" ben ik doorgelopen naar de voorzijde van het huis. Toen ik net een foto van de voorgevel had genomen, ging de voordeur open


Op de omslag de oude en hierboven de bewuste foto met de huidige situatie van het pand Oosterveen 42.

en kwam Mevrouw Van den Berg naar buiten. Ze keek mij enigszins verwonderd aan en vroeg wat ik in hun tuin te zoeken had.
Men zal begrijpen dat ik mij op dat moment niet erg prettig gevoelde. Ik bood mijn excuses aan en gaf een verklaring voor mijn aanwezigheid. De excuses werden min of meer aanvaard en we spraken af dat ik de foto's eerst aan hen zou laten zien, voordat ik ze voor een of andere publicatie zou gaan gebruiken.
Na enige tijd ben ik met een afdruk naar het Oosterveen getogen en ik kan u zeggen dat het bezoek me erg is meegevallen. Ik kreeg het groene licht voor verder gebruik van de foto en ging tenslotte de deur uit met een aantal oude foto's die voor de vereniging gereproduceerd mochten worden. En verder kon ik de familie Van den Berg ook nog op onze ledenlijst bijschrijven.
Nadien ben ik er met mijn vrouw nog weer op bezoek geweest en met de gegevens die we toen kregen, zal een aantal artikelen worden samengesteld over de achtergronden van de familie Van den Berg en de Union fabriek. Hoewel de eerste kennismaking geen succes leek, is er toch nog wat goeds uit voortgekomen!

* * *

DE FAMILIE VAN DEN BERG EN DE UNION _________________________________________________________

B.J. van den Berg

Als men poogt zich voor te stellen hoe de sociaal­ economische toestanden in Nederland zich in deze eeuw ontwikkeld hebben, dan staat men voor een wonderlijk probleem. Want alles is sinds het begin van deze eeuw op het terrein van de arbeid totaal veranderd. Stel u eens een maatschappelijk leven zonder elektriciteit voor en zonder de meeste van de machines en apparaten die we nu kennen en arbeid waarbij slechts in de fabrieken stoommachines ter beschikking stonden, zodat het dus, behalve gereedschappen en wat apparatuur die door hand- of voetkracht werd bediend, voornamelijk op handenarbeid aankwam. Of liever: op de lichamelijke arbeidskracht. Daarmee loste men de schepen. Daarmee bracht men op de bouwwerken de stenen, het hout en de kalk omhoog. Daarmee sjouwde men in de metaalbedrijven de zware stukken ijzer.
Als trekkracht stond het paard ter beschikking. Men had de paardentram en de omnibussen. Maar fietsen waren nog een rariteit! Te voet werden dagelijks de soms verre afstanden naar en van het werk afgelegd.
Het kunstlicht was schaars en slecht. Veelal moest men zich met een petroleumlamp behelpen, zelfs voor de straatverlichting, want gas was er nog lang niet overal. Ook de sociale toestanden in Nieuwleusen waren heel sober en vaak onhygiënisch. Slecht drinkwater, aardappelen (zonder groente) of bruine bonen met spekvet vormden het dagelijks menu. Zelfs een zakdoek was voor de plattelandskinderen een weelde.
De Kerkenhoek was het centrum van het dorp met slechts enkele burgerwoningen in Den Hulst, de streek langs de Dedemsvaart, waar het huis van de notaris domineerde. Bij de houten ophaalbrug stonden enkel een café annex bakkerij en het huis van de brugwachter. Langs de verbindingsweg de Ommerdijk (thans Backxlaan) stond een molen en er waren enkele boerderijtjes met grasland en heideveld dat nog niet in cultuur was gebracht.
De Zwolse markt en 's winters het schaatsenrijden waren het enige vertier, de Dedemsvaartse Stoomtram het snelste middel om zich te verplaatsen. Het was alles zo vredig en rustig ……
Vier molens draaiden lustig jaar in jaar uit om rogge, haver en boekweit te malen. Van de oudste molen aan de Dommelerdijk bij de Kerkenhoek (Anno 1798) was Berend Jan van den Berg eigenaar, die tevens handel dreef in hout en bouwmaterialen. De molen van 1855 stond in Den Hulst, waar broer Wilhelmus van den Berg molenaar was. Er bestond een prettige familierelatie en weinig concurrentie.
Berend Jan van den Berg was gehuwd met Hendrikje Blik.


Berend Jan van den Berg en Hendrikje Blik

Het echtpaar had drie kinderen, Berend Jan, Jan en Evert, allen harde werkers in het bedrijf van hun vader. De zaken gingen goed, maar toch niet zo dat er in de toekomst drie gezinnen van konden bestaan.
De molenaar trachtte daarom in Den Hulst uitbreiding te zoeken voor de bouwmaterialen- en veevoederhandel. Een perceel grond van ½ ha. werd gekocht van Arend Gans. Er werd een huisje op gezet en een eenvoudig pakhuis voor kalk (cement werd nog niet verwerkt) en een houtloods. De eerste kunstmest werd verhandeld samen met de neven gebroeders Blik. Veldwachter Oljans bewoonde het huisje en was gaarne genegen een oogje in het zeil te houden. Het beheer werd opgedragen aan Berend Jan, de 20-jarige oudste zoon, die 's middags bij Oljans zijn boterham kwam opeten.
De andere molenaar Wilhelmus van den Berg te Den Hulst had een groot gezin. De jongens moesten vroeg de deur uit. Zo kwam zoonlief Wilhelmus Jr.(W.A. genoemd) in Noord-Holland terecht, waar hij van zijn l3e tot 21e jaar molenaarsbediende was en een behoorlijke ontwikkeling opdeed en zelfs de Beurs te Amsterdam bezocht. De zaken van vader gingen helaas niet goed en verliepen. Wie weinig rekent, zelden schrijft, een wonder als hij koopman blijft. Wilhelm, de molenaar, moest vader komen helpen. Hij kwam thuis, "stads" gekleed (colbert en witte boord) en de nodige energie om de zaak weer op te werken, zo zelfs dat oom B.J. na korte tijd een bedenkelijk gezicht trok.
Er was nog een andere oorzaak waarom neef W.A. niet altijd welkom was in het molenaarshuis te Nieuwleusen.
De jongens Berend Jan en Jan droegen naar 's lands wijs'een pettien en een klepbroekien'. Ze hunkerden naar een pak als neef had. Moeder Hendrikje zei toen kort en bondig: "Wilhelm, ik hope dat ie niet weerkomt, ie maakt de jonges glad gek." Eindelijk mocht Berend Jan van vader en moeder een nieuw pak bestellen bij Bervoets maar .... met klepbroek en geen witte boord.
De relatie van de neven had nog verdere gevolgen. W.A. had een fiets en Berend Jan had geen rust voor hij een dergelijk modern vervoermiddel het zijne kon noemen. Toen ze samen bij neef Gerhard te Arnhem eens logeerden, kocht B.J. van zijn spaargeld zijn eerste rijwiel; een doortrapper zonder kettingkast. Met een paar knijpveren om de broekspijpen was hij op zijn stalen ros de koning te rijk; met aangeboren commerciële aanleg zag hij "toekomst" in de fietsenhandel en verkocht met winst zijn eerste exemplaar aan Hendrik Prins.
Zo begon het eerste handelskapitaal te groeien. B.J., W.A. en J. ieder een fiets. Evert was nog te klein. Samen er op uit als burgerjongens. Het verboden witte boordje werd achter het struikgewas aan het Lichtmiskanaal opgedaan en tochten ondernomen naar het Loo en Arnhem. B.J. en W.A. dreven als bijverdienste nu samen een fietsenhandeltje. Voor boerenjongens (kennissen) werden fietsen meegenomen uit Arnhem en als echte kooplieden wekten ze de animo op door het organiseren van fietstochten. In het dorp Nieuwleusen had het rijwiel zijn intree gedaan en de harten van de jongelui veroverd.

wordt vervolgd

* * *

HET KOPEN VAN EEN BOERDERIJ IN 1794 _________________________________________________________

B. van Duren

Omstreeks 1800 moest men bij koop en verkoop van een onroerend goed naar het Scholtengerecht of, zoals men het toen noemde, "Het Scholtengerigte". In ieder geval werd alles, evenals nu bij de notaris, op papier vastgelegd. Dat het allemaal toch wel wat anders gebeurde dan heden ten dage, blijkt uit de volgende overeenkomst. Op schrijffouten lette men in die dagen niet zo.
Afgaande op gegevens van de volkstelling van 1795 moet de bewuste boerderij westelijk van de Kerkenhoek gestaan hebben.

"Ik Gerrit Bloemendal wegens de hoogheid in der tijd verwalter Scholtus van Dalfsen doe cond en certificeren in en vermits deesen voor mij en Ceurnoten als waaren Gerrit Zilhuis en Jan Haselhorst Personelijk Erschenen zijn Hoog Gebooren Mevrouw M.J.G. Douairiere De Famars Geboren Vriezen en verklaarden bij desen zo ver nodig geassisteert met Haaren verkozen en toegelaten Momber Engbert Bloemendal, verklaarden om een welbetaalde Somma van penningen waar van den Eersten met den laatsten voldaan is te cederen en te Transporteren. Sulks doende kragt deeses aan en ten Erflijken profijte van Hendrik Jacobus en Mergien Jansen, Eheluiden en Erfgenamen Het Erve en Goet genaamt Peter koops plaatse met alle daar ondergehoorde landerijen en getimmertens en opgaande boomen en akkermaals houd, gelegen op Nieuweleusen des Schout ampts Dalfsen met een Waartal in de Roosegaarde Merkte en weijden in de hoeve en zes Roeden lands in de Stellinge met de geregtigheid gelijk de ander Eigenaars van Nieuweleusen een Stemme tot beroepinge van een Predicant en Coster, alles ingevolge Conditien van verkopinge in dato den 16de Julij 1793, Sijnde het Selve vrij alodiaal goed sonder bezwaar of Uitgaande Renten als Heeren Schattinge bestaande in een vuursteede alsmeede Predicants geld bedragende Jaarlijks vier gulden en seventien stuivers en agt penninge , Vorders met sijn lusten en lasten raad en onraad van ouds daar toe gehorende en heeft Mevrouw Comptes belooft het selve te zullen wagten en waaren voor Evectie of opspraake als na regten.
In Waarheijds oirkonde hebbe ik verwalter Scholus voornoemt deeses, benevens Mevrouw Comptes Eigenhandig getekent en geseegelt. Actum op den Huijse Aalshorst, den 21 Julij 1794.
Gerrit Bloemendal, ver. Scholtus
M.J.G. De Famers, Gebooren Vriezen"

Enkele verklaringen:
Verwalter = beheerder; Ceurnoten = getuigen of bijzitters; momber = voogd; Hendrik Jacobus en Mergien Jansen = Hendrik Katoele en Margje Jansen; akkermaalshout = eiken opslag ; de hoeve = De Hoeven ; de Stellinge = De Stelling ; allodiaal = eigengeërfd; evictie = verzonnen ; Actum = gedaan op die datum.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES VIII _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


“Die hef haaz’nhaar in de klompen.”
Dit zei men over iemand die zéér hard kon lopen.

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO VI _________________________________________________________

In de serie oude schoolfoto's plaatsen we dit keer een opname van de leerlingen en de onderwijzers van de Christelijke Nationale School "De Meele" uit ± 1931.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  

Geesje Lier
Jenny Bosch
Hendrik 8eltman
Gerrit Meijer
Willem van de Kolk
Hendrik Bouwman
Geert Evenboer
Jan Boerman
Cornelis Zieleman
Juffrouw D.Jonkman
Meester T. Dijkstra
Evert Bosch
Aaltje Bloemhof
Jentje Bloemhof
Wolter Bloemhof
Willem Meijer
Jo(han) Meijer
Klaas Boerman
Derk Jan van de Kolk
Christina Klein
Grietje Vos
Aaltje Haasjes
Jan Haasjes
Harm Haasjes
Jan Mulder
Aaltje Mulder

27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
41  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  

Herman Meijer
Koop Krale
Hendrik Dunnink
Lijsje Haasjes
Lijsje Kin
Aaltje Kin
Aaltje Boesenkool
Ida Oegema
Fennigje Witpaard
Aaltje Bloemhof
Janna Brinkman
Klaas Brinkman
Arend Dunnink
Klaasje Dijk
Hendrikje Visscher
Asse Visscher
Jantje Westrik
Geesje Huls
Hendrik Boesenkool
Grietje Boesenkool
Aaltje Witpaard
Jan van Veen
Klaas Evenboer
Gerrit Jan Boerman
Jan van Ankum
Asselina Deusien

* * *

RUILVERKAVELING "NIEUWLEUSEN I" vervolg _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Voor het begin van de schatting werd door een drietal leden van de Centrale Commissie, in tegenwoordigheid van de leden en plaatsvervangende leden van de Plaatselijke Commissie , van de schatters en van de landmeter, het gehele blok in alle onderdelen onderzocht. Daarbij werden op tal van plaatsen proefgaten gegraven, teneinde de samenstelling en aard van de grondsoorten te kunnen nagaan. Tot besluit werd met aller instemming een omschrijving gemaakt van de indeling in klassen. Die omschrijving had de vorm van een proces-verbaal, gedagtekend 21 april 1926, en werd door alle medewerkers ondertekend.
Uit het ingestelde onderzoek bleek dat het ge bied in twee kenmerkende delen kon worden ingedeeld. De beide delen werden gescheiden door het Lichtmiskanaal. In het gebied gelegen tussen Steenwetering, Lichtmiskanaal en de Dedemsvaart, werden vijf klassen vastgesteld:
Klasse 1: gunstig gelegen, bovengrond 0,30 - 0,80 m. moerasveen, geen smeerlaag, ondergrond goed zand.
Klasse II: als I, maar met meer veen en weinig smeerlaag. Klasse III: bovengrond tot 1,50 m. veen van gelijke samenstelling.
Klasse IV: laag gelegen veengrond met een bovengrond van 1 m. en meer licht veen.
Klasse V : zandige hoogten en zeer laag gelegen gronden.
Het geschatte bedrag per ha. in klasse I bedroeg ƒ 800,= en liep voor de volgende klassen telkens met ƒ 100,= terug.
Het overige deel van het blok werd in 7 klassen ingedeeld. Ook hier lag het geschatte bedrag per ha. telkens ƒ 100,= lager dan in de vorige klasse.
Klasse I werd geschat op ƒ 1000,= per ha.: gunstig gelegen grond, vlakke ligging, bovenlaag 0,30 - 0,80 m. moerasveen, ondergrond goed zand.
Klasse II: als 1, maar zandiger.
Klasse III: als II, maar iets minder gunstig gelegen.
Klasse IV: als II, maar met meer zand in de bovenlaag.
Klasse V: humeuse zandgrond.
Klasse VI: laaggelegen zandgrond.
Klasse VII: hogere zandkoppen.
Op 10 juni werd aan het proces-verbaal toegevoegd: "Wanneer op een geringe diepte dan van 1 meter onder maaiveld ijzerverbindingen in min of meer samenhangenden bankvorm worden aangetroffen, worden deze gronden één of meer klassen lager geschat dan zulks het geval zou zijn geweest, indien die ijzerverbindingen niet waren aangetroffen."
De enkele landwegen verkregen een waarde van ƒ 100,= per ha. en water werd geschat op ƒ l,= per ha.
Terstond na de vaststelling van de klassenomschrijving begonnen de schatters en de landmeter met hun werkzaamheden. De schatters, dat waren de heren Kleen Scholten, Prins en Snel, ontvingen voor elke dag dat zij als


De schatters, landmeters, leden van de Plaatselijke Commissie en enkele leden van de Centrale Commissie, vergezeld door enkele helpers. Deze foto werd gemaakt tijdens het onderzoek en de opmeting van het terrein. In het midden een lessenaar, waarop de kaarten werden ingetekend. De man rechts (Evert Nijboer) heeft een polsstok om over de sloten te kunnen springen.

zodanig werkzaam waren, een vergoeding van ƒ 10,=. Zij begonnen op 28 april 1926, waarna ze gedurende 21 dagen hun werkzaamheden uitoefenden, om die tenslotte op 3 juni te beëindigen. De taak van de schatters bestond daarin, dat zij aan de hand van de klassenomschrijving op het terrein de grenzen moesten aanduiden van de verschillende klassen. Daarvoor was uit de aard der zaak dikwijls onderzoek van de grondlagen nodig door het maken van proefsteken met de schop en overigens door gebruik te maken van een grondboor.
De aldus opgespoorde klassegrenzen werden door de schatters met stokjes zichtbaar aangegeven. De landmeter volgde de schatters op de voet voor het inmeten en in kaart brengen van deze grenzen. Het zal duidelijk zijn dat een bepaald perceel, op die wijze onderzocht, dikwijls in meer dan één klasse werd gerangschikt.
De oppervlakte van elk perceelsgedeelte, vermenigvuldigd met de toegekende waarde van de betreffende klasse, gaf de waarde voor dit deel. Door het samentellen van de waarden van de verschillende gedeelten, verkreeg men de waarde van elk kadastraal perceel.
Op deze wijze vond men dus van ieders bezit de totaalwaarde. Toen alles was berekend, werden de uitkomsten met de kaart waarop de schattingsgrenzen waren aangegeven, gedurende een maand ter inzage gelegd en ieder kreeg daarvan weer per aangetekend schrijven bericht van de Plaatselijke Commissie. Men had nu het recht om schriftelijk bezwaren tegen de schatting in te brengen. Geen der eigenaren maakte daar echter gebruik van en zo kon de schatting op 29 oktober 1926 definitief worden vastgesteld. Daarmede was de grondslag voor de ruilverkaveling gelegd.
Op 24 februari 1927 werd in gebouw Odeon aan de Blijmarkt in Zwolle de definitieve lijst van rechthebbenden, aangevuld met de aard en omvang van ieders recht, vastgesteld door de rechtercommissaris.
Het plan van wegen en waterlopen werd, nadat enkele verbeteringen in het voorlopig ontwerp waren aangebracht, op 27 september 1927 definitief door Gedeputeerde Staten van Overijssel vastgesteld. Eigendom, beheer en onderhoud van op één na alle wegen en van alle waterlopen werden daarbij, ingevolge art. 8 van de Ruilverkavelingswet, toegewezen aan het betrokken waterschap, terwijl de Gemeente Nieuwleusen een gedeelte van de Verlengde Meeleweg en een deel van de Hooidijk werd toegewezen. Reeds voordat het plan van ruilverkaveling definitief vaststond, werd begonnen met de uitvoering van deze grondwerken, echter voor zover de eigenaren daar geen bezwaren tegen maakten. Toen dan ook het ruilverkavelingsplan definitief vast stond, waren zo goed als alle wegen en waterlopen gereed. Deze hadden elk ongeveer een lengte van 35 km. De breedte van de hoofdwegen was vastgesteld op 8 meter tussen de sloten; die van de secundaire wegen op 7 meter. De wegen van minder betekenis werden 6 meter breed. De minimum afmeting van 6 meter was ingegeven door de overweging dat twee beladen hooiwagens elkaar moesten kunnen passeren.
Nabij de Steenwetering werd over het Lichtmiskanaal een ijzeren ophaalbrug gelegd, welke afkomstig was uit Ossenzijl. Gedeputeerde Staten stelden voor de aankoop van de bovenbouw van deze brug ƒ 50,= ter beschikking. De brug werd voor ƒ 5050,= gebouwd door het waterschap "De Noorder Vechtdijken".
Alvorens werd overgegaan tot het maken van het nieuwe indelingsplan, werden door de plaatselijke commissie de wensen van iedere eigenaar opgenomen en te boek gesteld. Daarbij werden de nodige toelichtingen en adviezen door de commissie en de landmeter aan de belanghebbende verstrekt. Steeds werd aanbevolen zoveel mogelijk op sterke samenvoeging aan te sturen. Het zal begrijpelijk zijn, dat het op deze wijze mogelijk was om een indelingsplan samen te stellen, dat zo nauwkeurig mogelijk tegemoet kwam aan de opvattingen van de eigenaren.

Toen het plan gereed was, werd het door de Centrale Commissie getoetst aan de hand van de gedane wensen en vervolgens goedgekeurd. De kavelgrenzen werden op het terrein aangeduid. Daarna werd het plan van 14 tot en met 19 november 1927 op de secretarie van het gemeentehuis en van 21 tot en met 23 november in de Openbare Lagere School te Den Hulst ter inzage gelegd. De ter inzagelegging werd bekend gemaakt in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, in de Zwolsche Post en in de Dedemsvaartsche Courant. Ook werd het op het gemeentehuis aangeplakt. Tevens kreeg iedere eigenaar per aangetekend schrijven bericht.
Tegen het plan werden vier schriftelijke bezwaren ingediend. Klaas Stolte Arendszoon te Den Hulst voerde in zijn bezwaar aan dat er geen rekening was gehouden met de wens om zijn kavel te leggen aan het kruispunt van beide hoofdwegen door "de Ruiten" en verzoekt dit alsnog te doen.
Klaas Klunder, eveneens uit Den Hulst, wenste met de hem toegewezen kavel geen genoegen te nemen.
Door Jan Dekker uit het Spijkerbroek werd het feit dat hij een hectare minder kreeg toegewezen dan hij inbracht, als onbillijk ervaren.
Het vierde bezwaarschrift was van Hendrik Katoele Berendszoon uit Nieuwleusen. Namens zichzelf, zijn zuster Annigje en zijn zoons Berend en Hendrik, zegt hij geen genoegen te nemen met de hun toegewezen percelen, maar te blijven bij de wens om hun eigendommen in één complex toegewezen te krijgen en wel in het "Dwarsbroek" ten oosten van het Lichtmiskanaal.
Op 16 december 1927 werd door de Plaatselijke Commissie een vergadering belegd op het Hypotheekkantoor te Zwolle. Daar werden de bezwaarschriften behandeld en één voor één met de betrokkenen besproken. Dit resulteerde in de terugname van de bezwaarschriften door de drie eerst vermelde personen. Alleen de pogingen om met Hendrik Katoele tot overeenstemming te komen, hadden geen succes. Wel bleek daar dat de oorzaak van het bezwaar de minder goede grond was van de hun toegewezen kavels in de "Tolhuislanden" (er waren daar zandkoppen aanwezig).
Naast het genoemde viertal bezwaarschriften kwamen er bij de Plaatselijke Commissie nog vier verzoeken binnen, waarvan er drie werden beschouwd als zijnde bezwaren


Op de plek waar de Meeleweg het Lichtmiskanaal kruiste, werd in later jaren deze vaste brug, de Hooibrug, gebouwd.

tegen het plan van ruilverkaveling. Als gevolg daarvan werden ze ook als zodanig behandeld en afgehandeld in overeenstemming met de wensen van de betrokkenen. Het betrof een grenscorrectie tussen de aan Wolter Nijboer Hendrikszoon te Den Hulst en Jan Prins Arendszoon te Nieuwleusen toegewezen percelen; een wijziging van de tenaamstelling van de aan Jan Alteveer Arendszoon en Arend Jan Schuurman, beiden te Nieuwleusen, gezamenlijk toegewezen kavels en een splitsing van het gezamenlijk toegewezen perceel aan Hendrik Hoes en Willem Hoes te Nieuwleusen, Jentje Hoes te Oudleusen (getrouwd met Willem Seinen) en Hendrikus Bloemers te Nieuwleusen. Het verzoek van Jochem Heetebrij te Balkbrug om een regeling voor de sloot welke midden door zijn perceel liep, werd door de commissie in overweging genomen.
Op 30 december werd op dezelfde plaats een nieuwe vergadering belegd om tot een oplossing te komen van het bezwaar van Hendrik Katoele c.s. Nadat zijn bezwaarschrift "nogmaals in den brede was besproken", zoals de commissie schrijft, verklaarde Katoele namens allen de bezwaren niet langer te handhaven.
Zo stond dan het nieuwe indelingsplan definitief vast op 30 december 1927. De inbezitneming van de nieuwe kavels vond plaats op 28 januari 1928. De ruilverkavelingsacte werd op 3 april bij notaris Visscher gepasseerd.
Het aantal kavels, voor de verkaveling nog bijna 2000, was teruggebracht tot 91, verdeeld over 400 kadastrale percelen met een totale oppervlakte van ± 1160 ha.
De ruilverkaveling kostte in totaal ƒ 102.801,59, ofwel gemiddeld ongeveer ƒ 89,= per ha. Ingevolge de wet werden de kosten naar evenredigheid van de waarde over de kavels omgeslagen.

Inmiddels had de Centrale Commissie een brief gekregen van H. Schaapman, de eigenaar van de "Roeten Eendekooi". Hij zegt door de ruilverkaveling en door de ontwatering schade te hebben. Desgevraagd is een vergoeding door "De Noorder Vechtdijken" afgewezen. Nu wil hij een vergoeding van de ruilverkaveling, temeer omdat er bij zijn kooi ook een weg wordt aangelegd. Van Leussen, die hem al mondeling had medegedeeld dat hij weinig succes zou hebben, stelt aan de commissie een schadevergoeding van ƒ 1500,= voor om Schaapman van zijn kooirecht afstand te laten doen.
Het kooirecht gaf de kooiker recht op rust (een vereiste bij een eendenkooi) binnen een bepaalde afstand vanaf het midden van zijn kooi. Over zijn voorstel zegt van Leussen: ".. met het oog op de billijkheid zowel als het voordeel van opheffing van het kooirecht (1100 m.) overwegen vergoeding te geven." Met ingang van 1 mei 1928 werd met Hendrik Schaapman Janszoon te Streukel, gemeente Zwollerkerspel, een overeenkomst gesloten, waarbij hij afstand deed van het recht van afpaling (kooirecht) ten behoeve van zijn eendenkooi, voor een bedrag van ƒ 1280,=. Dit bedrag werd voor ƒ 379,97 verrekend in grond boven zijn recht en voor de rest in contanten uitbetaald.

Van economische betekenis is nog het feit, dat een vrij groot aantal rechthebbenden (als mede-eigenaar) voorkwam met slechts een gering bezit. Deze verzochten in het nieuwe plan één of meer kavels aan hen gezamenlijk toe te wijzen, teneinde daarna die kavels publiek te verkopen en de opbrengst onder hen te verdelen naar evenredigheid van ieders "inbreng". Dit gebeurde en de plaatselijke commissie vormde daartoe drie kavels, ter gezamenlijke grootte van 24.42.60 ha en door haar zorg werden die kavels publiek verkocht en de opbrengst met de rechthebbenden verrekend.

wordt vervolgd

* * *

VLUCHTELINGEN IN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

J.W.de Weerd

Tegen het einde van de eerste wereldoorlog kwam er vanuit België en het noorden van Frankrijk een vluchtelingenstroom op gang die Nederland, en met name het zuiden van ons land, overspoelde. In de maand oktober, nog voor de grote volksverhuizing op gang kwam, was de verwachting dat er op zo'n 250.000 vluchtelingen gerekend moest worden. Naar schatting zijn dat er uiteindelijk veel meer geweest. De zuidelijke provincies zaten spoedig vol, zodat naar meer noordelijker streken moest worden uitgeweken.
Omstreeks dezelfde tijd werd ons land geteisterd door de Spaanse griep, een ernstige ziekte waaraan veel mensen overleden. De ziekte kon door contact met anderen worden overgebracht. Dat was de reden waarom besloten werd zo min mogelijk vergaderingen en andere bijeenkomsten te houden. Tevens werden de scholen voor enige tijd gesloten.
Deze "bijkomstigheid" kwam goed van pas bij de opvang


van de vluchtelingen. Zij konden nu in de leegstaande schoolgebouwen worden ondergebracht. In de plaatsen waar de vluchtelingen werden gehuisvest, werden comités opgericht om hen het verblijf zo aangenaam mogelijk te maken. Ook in Nieuwleusen kwamen vluchtelingen terecht. Vorenstaande foto, die ook reeds in ons kwartaalblad van juni 1983 werd geplaatst, laat ons een groep vluchtelingen zien die verbleven in de school aan het Westeinde.
Op de voorste rij treffen we vlnr enkele Nieuwleusener prominenten aan, te weten meester Valk, burgemeester Backx, mevrouw Backx en wethouder Zonnenberg. Uit de tekst op het bord blijkt dat deze groep voortvluchtigen uit het noorden van Frankrijk afkomstig was.

Een van de leden van de werkgroep "Oude kranten", trof in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van vrijdag 1 november 1918 een artikel aan dat betrekking had op het verblijf van vluchtelingen in Nieuwleusen. Nadere studie in de Dedemsvaartsche Courant leverde, naast hetzelfde bericht als in de Zwolsche Courant verscheen, een aantal andere berichten op. Om u een indruk te geven van het verblijf van de vluchtelingen in Nieuwleusen, nemen we de artikelen hieronder over.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 1 november 1918 (tevens opgenomen in de Dedemsvaartsche Courant van 6 november 1918):
Nieuwleusen, 31 October. Ook onze gemeente heeft reeds een gedeelte van de toegezegde Fransche vluchtelingen ontvangen. Zij zijn ondergebracht in school D.
De heer Kapinga en zijn echtgenoote, die 25 jaar in België hebben gewoond, maken zich zeer verdienstelijk. Het is een lust om te zien hoe zij met de vluchtelingen omspringen, zij gebruiken met hen den maaltijd en hebben hun eigen huishouding in de school bij de vluchtelingen ondergebracht. Geen wonder dan ook dat die menschen opperbest tevreden zijn.
Een kok onder hen zorgt voor smakelijk eten, vrouwen ziet men achter een naaimachine handdoeken zoomen enz.
Het geheel geeft een gezellig huishoudentje, dank zij de medewerking van het echtpaar Kapinga. Onder de vluchtelingen is o.a. een juffrouw van 78 jaar, die als bagage twee manden had meegedragen aan een lange stoffer (kamerbezem). Uit vreugde over haar in Holland zijn, maakte zij met den heer Kapinga een dansje.

Dedemsvaartsche Courant, woensdag 13 november 1918:
Donderdagmiddag zijn alhier van Dalfsen 61 vluchtelingen aangekomen, welke in de school te Den Hulst en in de bijzondere school te Nieuwleusen zijn ondergebracht. De menschen zijn over het algemeen best tevreden; het wordt hun door het Comité zoo gezellig mogelijk gemaakt.

Dedemsvaartsche Courant, zaterdag 16 november 1918:
Nauwelijks was het hier bekend, dat de wapenstilstand was ingetreden, of onze Fransche kolonie besloot feest te vieren. Een telegram aan den Fransche gezant noodigde dezen uit aan het feest deel te nemen. Het Comité, met eenige


Meester Kapinga met z'n 2e vrouw en haar dochter.

verdere genoodigden, was aanwezig. De burgemeester, de heer Backx, had voor muziek gezorgd. De avond was zeer gezellig en het schoollokaal was rijkelijk versierd met prachtige bloemen, door Barones van Dedem van de Rollecate den feestvierenden aangeboden. Nauwelijks had madem. Madeleine den burgemeester en het Comité uit naam der vluchtelingen bedankt voor de goede zorgen en het heerlijke feest, of een telegram van den minister, dat hij in gedachten tegenwoordig zou zijn op het feest, bracht het gezelschap in geestdriftige beroering. Het spreekt vanzelf, dat ook thans het echtpaar Kapinga zich niet onbetuigd heeft gelaten. De heer Kapinga was de ziel van den avond. In een keurige improvisatie sprak hij de vluchtelingen toe, terwijl tenslotte de burgemeester een slotwoord sprak.

Dedemsvaartsche Courant, woensdag 20 november 1918:
Woensdagmiddag passeerden hier langs den grintweg te Den Hulst drie Belgische woonwagens, waarvan de vrouwen een bezoek brachten bij den landbouwer J.M. te Den Hulst, die hun eenige aardappelen gaf. Later kwam hij tot de ontdekking, dat zij nog twee beste leggende kippen hadden medegenomen. Door J.M. met den Rijksveldwachter, die hun achtervolgden in de richting Zwolle, was van de kippen niets meer te vinden.

Dedemsvaartsche Courant, zaterdag 21 december 1918:
De vluchtelingen welke gedurende eenige weken alhier waren ondergebracht in drie scholen, zijn zaterdag j.l. naar Rotterdam vertrokken. Het onderwijs kan nu, na flinke reiniging der lokalen, spoedig beginnen.


Jaargang 6 nummer 4 december 1988

Omslagfoto: Eén van de boerderijen die als gevolg van de ruilverkaveling ontstond, was de boerderij van E. Nijboer. Deze werd gebouwd aan het kanaal de Dedemsvaart, even voorbij de Lichtmis.

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

RUILVERKAVELING "NIEUWLEUSEN I", slot _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Begrijpelijkerwijze heerste er vreugde in de streek, die een nieuwe toekomst tegemoet ging en als bekroning op het vele werk dat aan de totstandkoming voorafging, zou de minister van binnenlandse zaken, mr. J.B. Kan (de vader van Wim Kan), op 4 mei 1928 met een bezoek aan het gebied de ruilverkaveling officieel komen inwijden. Voordat het evenwel zover was, moest er nog wel het een en ander geregeld worden. De Centrale Commissie verzorgde het programma voor die dag. Er werd toestemming gevraagd om de kerk te mogen gebruiken. De kerkeraad, in de persoon van J. Kleen Scholten als voorzitter en B.J. van den Berg als secretaris, verleende daarvoor in een brief van 19 april haar toestemming. Uitnodigingen om op 4 mei aanwezig te zijn, werden verstuurd. De gemeente Nieuwleusen liet in een brief van 23 april aan de Centrale Commissie weten dat zij: ".... alhoewel niet sympathiseerende met het door u in elkaar gezette program - aan de excursie op 4 mei a.s. hopen deel te nemen." De reden van het schrijven van deze woorden is niet bekend.
Om iedereen ter bestemder plaatse te krijgen, moest er het nodige worden georganiseerd om voldoende auto's ter beschikking te hebben. Niet alleen voor vervoer van genodigden van buiten Nieuwleusen moest worden gezorgd, ook voor de meeste plaatselijke notabelen was dat het geval. B.J. van den Berg en notaris Visscher hadden wel een auto, burgemeester Backx bijvoorbeeld niet. Er vond dan ook de nodige correspondentie plaats over wie met wie in de auto moest zitten. Maar uiteindelijk kwam, dankzij garage Sietsma in Zwolle, het autovervoer in orde.
Maar daarmee was nog niet alles geregeld. Auto's mochten niet overal komen! Om toch op de plekken te kunnen komen waar men dat wenste, werd aan Gedeputeerde Staten ontheffing gevraagd. Deze vonden goed aan de Centrale Commissie het gevraagde te verlenen "om met motorrijtuigen te rijden op wegen, welke voor verkeer op meer dan 2 wielen gesloten zijn verklaard, onder voorwaarde dat met geen groter snelheid zal worden gereden dan van 20 K.M. per uur; dat bij het passeeren van voertuigen desverlangd wordt gestopt en dat bij dreigend gevaar de motor in rust wordt gebracht." En zo was alles op 4 mei 1928 in gereedheid om minister Kan te ontvangen.
Behalve de minister namen aan de tocht deel mr. A.E. Baron van Voorst tot Voorst, commissaris der koningin in de provincie Overijssel; Baron de Vos van Steenwijk, gedeputeerde; mr. W.M. Wyt, griffier van de Staten van Overijssel; mr. A. J.M. van Heijst, rechter-commissaris der ruilverkaveling, hoofdingenieur en ingenieur van de Provinciale Waterstaat; ir. Walland, hoofdingenieur van de Rijkswaterstaat; de ingenieurs Otten, Mesu en Swart, rijkslandbouwconsulenten; de landmeters Gorter en Ten Oever; leden van de Centrale Commissie voor de Ruilverkaveling; dijkgraaf en heemraden van het waterschap " De Noorder Vechtdijken" ; en de heren E. Bredewout, wethouder van Zwolle, en D. Knop, directeur van de arbeidsbeurs aldaar.
Per auto ging het gezelschap van het station Zwolle naar de Lichtmis, waar zich de leden en plaatsvervangende leden van de Plaatselijke Commissie, de schatters, burgemeester en wethouders van Nieuwleusen en notaris Visscher bij hen aansloten. Daar werd ook een korte bespreking gehouden van de uitgevoerde werken.
Na de koffiemaaltijd werd een wandeling gemaakt door het blok van de ruilverkaveling, waarna men per auto naar de Hervormde kerk te Nieuwleusen vertrok, waar het gezelschap werd ontvangen door de president­kerkvoogd en het kerkbestuur. In de kerk hield minister Kan de volgende rede:
"Voor de tweede maal valt mij het voorrecht te beurt aan een met groot succes volbrachte ruilverkaveling een enkel woord te mogen wijden. Hadden de elementen niet aan dit, steeds veldwinnende instituut,een minder goed hart toegedragen, dan zou deze verkaveling de derde zijn geweest, die ik in een tijdsbestek van ternauwernood zes maanden had mogen gedenken. Van Ameland is de Victorie begonnen en alleen de omstandigheid, dat men dit eiland nog niet per Pulmanntrein kan benaderen, was de oorzaak dat ik de daar gevestigden samenwerkenden eigenaars niet tijdig de gelukwensen heb kunnen aanbieden, die zij zo ten volle verdienden.
Nochthans voor de ruilverkaveling te Nieuwleusen kan dit slechts bate brengen. Iets wat te dikwerf de aandacht vraagt, zelfs al mag het op de benaming van klassiek aanspraak maken, is niet in staat blijvend de belangstelling der massa te prikkelen en al heeft een beroemd dichter zich eens uitgelaten, dat hij de massa haat en van zich afweert, zonder de publieke opinie achter ons, vermogen wij toch weinig.
Het zou trouwens in het geval dat tot deze feestelijke bijeenkomst aanleiding gaf, bijzonder spijtig zijn wanneer het onopgemerkt tot het stof der vergetelheid wederkeerde. Het blok Nieuwleusen, meer dan 1200 ha groot, is lange tijd de vergaderplaats geweest van water, dat de oostwaarts gelegen percelen moesten lozen. Na lange vergeefse pogingen is ten slotte een behoorlijke afwatering verkregen, maar evenmin als goede wetten niets betekenen zonder goede zeden, kan afwatering alleen een complex dat al te grillig is ingedeeld, tot bloei brengen. De ingelanden hebben dit destijds ook uitnemend begrepen, wat wel het treffendst blijkt uit een verzoekschrift aan de regering, door tal van belanghebbenden getekend, om een wetsontwerp op de ruilverkaveling in te dienen. Nu dit ontwerp inmiddels wet is geworden, was het wellicht toch voor deze streek onnodig. Immers in de wet wordt de gedwongen ruilverkaveling geregeld, de mogelijkheid derhalve geopend om ook als enkele eigenaars zich verzetten, desondanks de verkregen voortgang te doen hebben. Vrijwillige verkaveling, waarbij dus alle belanghebbenden meewerken, behoeft geen wettelijke ondergrond. En nu treft het dat, behoudens enkele kleine strubbelingen die gemakkelijk uit de weg werden geruimd, eigenlijk alle eigenaars deze



Deze "statiefoto" van de inwijding van Ruilverkaveling "Nieuwleusen I" werd gemaakt bij de Grote Kerk. Van links naar rechts zien we: Burgemeester J. Ph. Backx; landmeter J.J. Gorter; Ir. A.G. Swart; Ds. H. Smits; G. Hebinck, secretaris Plaatselijke Commissie; minister J.B. Kan; schatter R. Snel; E. Vesterman, lid Plaatselijke Commissie; schatter J. Kleen Scholten; V. Nijboer Hzn, voorzitter Plaatselijke Commissie; H. Prins, schatter en Commissaris der Koningin in Overijssel Baron Van Voorst tot Voorst.

ruilverkaveling hebben gewild. Een nieuw bewijs dat, mogen al sommige eigenaars wel eens despoten zijn genoemd, Nieuwleusen dan toch slechts verlichte despoten herbergt! Dit is te opmerkelijker, omdat deze gronden gelegen zijn in een streek, nauw grenzend aan een land waarvan de bevolking om hare bij uitstek behoudende aard vermaardheid heeft verworven. Het kan niet anders of dit uitnemende voorbeeld moet ook uwe buren prikkelen, wat de landbouwbelangen in deze streek slechts kan dienen.
Van ganser harte spreek ik dan ook de hoop en de verwachting uit, dat de ruilverkaveling te Nieuwleusen zal blijken te zijn, wat Horatius placht te noemen, een monument, hechter dan koper."

Met deze officiële gebeurtenis was de ruilverkaveling echter nog niet afgesloten. De afwikkeling van een en ander nam nog enige tijd in beslag.
In de zomer van 1928 overleed de heer E. Westerman, lid van de Plaatselijke Commissie. Tot zijn opvolger werd door Gedeputeerde Staten R. Sterken benoemd, tot dan plaatsvervangend lid.
Per 31 december 1928 namen de werkzaamheden van de Plaatselijke Commissie een einde. Hoewel hierdoor officieel het contact tussen de beide commissies werd opgelost, stelde de Centrale Commissie er hoge prijs op om in voorkomende gevallen een beroep te mogen doen op de gewaardeerde adviezen van de Plaatselijke Commissie. "De ruilverkaveling, welke onder het beheer der Plaatselijke Commissie op zoo uitmuntende wijze is tot stand gebracht, zal tot in het verre nageslacht getuigenis afleggen van haar goed inzicht en de belangelooze behartiging der belangen van anderen", aldus de lovende woorden van de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant.
Op 26 juni 1929 wordt de ruilverkaveling "Nieuwleusen" afgesloten met een bijeenkomst in café "De Lichtmis". De Zwolsche Courant schreef hierover: "Woensdag was het voor de Ruilverkaveling een enigszins grootsche dag. Dien dag werd de verkaveling als voltooid beschouwd en werd door de plaatselijke commissie afscheid genomen van de centrale commissie en den rechtercommissaris. Een excursie door het verkavelde gebied was als afscheidsfeest bedoeld. Twee auto's brachten de centrale commissie, met de heeren mr. A.J.M. van Heyst; rechtercommissaris der ruilverkaveling, en J.J. Gorter, landmeter, naar de Lichtmis, waar in het café Waanders een ontmoeting plaats had met de plaatselijke commissie en de schatters, alsmede de heeren Zwart en Huisman, beiden opzichters.
De heer Nahuys, vice-voorzitter der plaatselijke commissie sprak hier zeer waardeerende woorden over het ontstaan en verloop van de ruilverkaveling, van welke goede werking men nu reeds vruchten plukt. Daarop sprak de heer Hebinck, secretaris der plaatselijke commissie namens deze en de schatters enkele woorden over de prettige samenwerking, die er steeds tusschen de centrale commissie, den rechter-commissaris, den landmeter en de plaatselijke commissie heeft bestaan en roemde vooral het waardeerende werk van den heer Gorter. Namens de plaatselijke commissie nam hij hiermede afscheid van de centrale commissie c.s.
De heer Lonkhuizen, secretaris der centrale commissie sprak eveneens enkele woorden en merkte op, dat er in het verkavelingsgebied in korten tijd reeds vele boerderijen waren verrezen, en er binnen afzienbaren tijd zelfs een school zal worden gebouwd.
Na de lunch werd de excursie door het verkavelde gebied aangevangen, en werden door de heeren verschillende in cultuur gebrachte complexen grond in oogenschouw genomen. Het bleek hierbij. dat de grond van een uitstekende kwaliteit, en dat bij een goede cultiveering ervan het productie vermogen groot is. Ook werden nog ongecultiveerde stukken land bezichtigd, doch die zagen er troosteloos uit. Hieruit blijkt dus wel, dat. wil men de grond productief maken, ze ontgonnen moet worden."

Naar aanleiding van deze bijeenkomst schrijft de caféhouder, de heer H. Waanders, aan Van Leussen: "Ook de lof en dank, U en Uw Commissie, door andere heren toegezwaaid, op die dag, blijken nog alle dagen goed op hun plaats. Want als men de enorme hoeveelheden haver en andere producten ziet vervoeren uit het ruilverkavelingsgebied, zooals wij alle dagen maar door, dan pas beseft men het Groote werk. Men kan dan ook nu van iedere boer, ook van diegene die vroeger tegen de ruilverkaveling was, niets dan lof horen."

Met dank aan allen die op een of andere manier behulpzaam waren bij de tot standkoming van dit artikel, met name de heer Ketting Olivier van de Archiefbewaarplaats te Soesterberg.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES IX _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


"Hi'j hef d'r iene an bladhark'n."

Dit werd gezegd van iemand die niet z'n volle verstand had.

* * *

REACTIE OUDE SCHOOLFOTO VI _________________________________________________________

De namen welke vermeld waren bij de schoolfoto van de CNS "De Meele " in ons vorige kwartaalblad, blijken niet allemaal juist te zijn. Wij ontvingen hierop onderstaande correcties:

nr. 4 is Gerrit Meier in plaats van Hendrik
nr. 6 is niet Jo Meier, maar wie wel???
nr. 12 is ook geen Meier, maar Evert Bos
nr. 17 is Jo(han) Meier in plaats van Thijs
nr. 19 is Derk Jan van der Kolk en niet Jan Winkels
(dit is bij de foto gewijzigd.)

* * *

TOEN IK NOG EEN KLEIN MEISJE WAS _________________________________________________________

G. Klunder-Groothuismink

Met het verglijden der jaren herinner ik mij steeds dichter wordende beeltenissen uit mijn prille jeugd. We woonden in de Kerkenhoek aan het Schuurmanslaantje, achter de voormalige pastorie van de Gereformeerde kerk (nu expeditie Westerman). De herinneringen zijn alle uit de jaren vóór 1920. Zo bijvoorbeeld de frêle figuur van dominee Smits. In een zwart domineespak, groen verweerd zoals lakense pakken dat deden, stond hij met zijn paraplu onder de arm (hoewel hij nog geen honderd meter van huis was) onbeweeglijk als een reiger wachtend op zijn prooi, onder de fraaie eikenbomen aan de noordkant van de kerk. Zijn waarnemingen vormden geen beletsel voor de goede samenleving in het dorp. Keetje, zijn huishoudster, was een stille figuur die heel weinig op de voorgrond trad. Met haar witte mutsje, zoals toen algemeen werd gedragen, was ze een enkele keer in de tuin aan de achterkant van de pastorie, vanuit het Palthebos te zien.
De hoofdingang van de kerk, aan de Dommelerdijk, werd bij de zondagse kerkgang uitsluitend door de mannen gebruikt. Voor vrouwen was deze ingang hoogst ongebruikelijk. Zij die van de oostkant kwamen, gingen door de kleine zijingang aan de zuidzijde naar binnen en de vrouwen uit het westen betraden de kerk via de ingang aan de noordkant. De voorste banken in het middenblok waren speciaal voor de vrouwelijke kerkgangers. De preekstoel stond toen nog, dat is voor de grote verbouwing, tegen de westelijke muur.
Het is allemaal geleidelijk veranderd, zo geleidelijk eigenlijk dat het niemand is opgevallen. Nu is het heel gewoon dat mannen en vrouwen door elkaar zitten. Vroeger was dat alleen maar in de zijbanken het geval.
Wat ik ook nog weet, is dat de armenbank achter de bank van de ouderlingen was. Op één meisje na was die meestal leeg. Als de kerkdienst al begonnen was, kwam zij op haar klompen binnen en liep dan naar die bank om daar als enige plaats te nemen. Dieptreurig vond ik het. Wie ze was en waar ze is gebleven, ben ik nooit te weten gekomen.
Ik las eens een verhaal waarin een kind vroeg aan haar moeder: "Als pappa weer werkloos wordt, moet ik dan weer in de armenbank?" Kinderen die met geld naar de disco gingen, waren toen nog een visioen.

Ook een opvallend persoon was burgemeester Backx met zijn indrukwekkende figuur. Zijn mooie woning aan het Westeinde was voor ons een soort Paleis Soestdijk, waar we op Koninginnedag, met Crescendo voorop, aan de burgemeester een hulde brachten. We hadden dan een vlaggetje in de hand, een sjerp om en een muts op en werden gadegeslagen door dorpsgenoten die hun werk even onderbraken.
Naast de burgemeester woonde dorpstimmerman Schutte met Griet, zijn vrouw. Hij had een grijze ringbaard en was een bijzonder vriendelijk mens. Het Schuttenkerkje, waar nu nog gekerkt wordt, is naar hem genoemd. Hij was een van de oprichters ervan. Veel tijd heb ik doorgebracht in zijn als werkplaats ingerichte achterhuis. In de tijd van de Spaanse griep maakte hij daar de kisten voor de overledenen. Aan deze ziekte zijn in Nieuwleusen veel jonge mensen tussen de twintig en dertig jaar ten prooi gevallen. Er was niets tegen te doen. Zo zag je mensen en even later waren ze er niet meer. Dat was in 1918 en bijna nergens werd de kerkklok méér geluid.
Tegenover timmerman Schutte stond het café van Bertus Massier. Later was hier het postkantoor gevestigd en thans woont hier Rik van der Werf. Bij Massier ben ik veel geweest en ik mocht er ook vaak blijven slapen omdat ik graag bij de meisjes was. De nacht van donderdag op vrijdag was altijd een bijzondere. Die nacht trokken de vracht- en andere wagens al in donker naar de vrijdagse markt in Zwolle. De wagens hadden verlichting en het was een heel mooi verschijnsel om in het donker in je bed te liggen en het licht door de gordijnen te zien schijnen. Net levende beelden; een voorspooksel zoals men zei, voor de TV van later.
Naast het café woonde oom Arend Massier. Daar was toen het postkantoor (momenteel woont hier Hilligje Massier-Alteveer). Druk was het er niet, maar hij was bezig. Als peuters kwamen we er vaak.
Op een dag werd oom Arend niet goed, waarna hij op zijn fiets stapte om in het ziekenhuis in Zwolle te worden opgenomen. Spoedig bereikte ons de mare dat oom Arend Massier overleden was. Het was het tragische gevolg van een misgegane blindedarmoperatie. De kist werd met paard en wagen van Zwolle gehaald. We stonden allen te kijken toen de kist werd afgeladen. Door een piepklein luikje konden we oom Arend nog zien.
Op een mooie najaarsdag werd hij begraven. De rozen bloeiden en geurden volop op die dag.


De grafsteen van Arend Massier draagt een zeldzaam opschrift.

Naast het zogenaamde Spiker van juffrouw Palthe stonden prachtige beuken. Zowel het huis als de beuken zijn helaas verdwenen. Wanneer juffrouw Palthe van haar winterverblijf in Oldenzaal terugkeerde, was het feest in het dorp. Ze werd in de open landauwer van Harm Bakker van "'t Witte Peerd" van de tram gehaald. En met begeleiding van het muziekkorps Crescendo, dat dan zijn beste beentje voor zette, ging ze naar het Spiker. Alles en ieder een liep er achteraan.
Soms bracht juffrouw Palthe wel eens een bezoek aan de zondagsschool. Ze deelde dan plaatjes uit met een tekst er op. Ook als het 25 tot 30 graden was, kwam ze gekleed in mantel en met hoed.
De zondagsschoolleraar was Jan Reuvers. Hij was een rustige man die in keurig pak iedere zondag maar weer naar het lokaal kwam. Dit "leerhok" of "leerkamer", zoals men toen zei, was vastgebouwd aan de pastorie. De catechisatie werd er ook gegeven. Het was somber en kaal en het had weinig moois. Wanneer het er nu nog had gestaan, had men het met afgrijzen bekeken.
Wat wel mooi was, was het Palthebos met zijn dikke bomen. We liepen er vaak door wanneer we een boodschap moesten doen bij Lucas Schiphorst, de veelzijdige kruidenier. Daarnaast deed hij nog in textiel; onder andere linten, haarstrikken, sokken en kousen. Ook was hij gemeenteontvanger en had hij een boerderij. De melk verkocht hij aan de burgemeester, de dokter en de dominee. Eefje Schiphorst bezorgde in een melkkan de melk bij deze notabelen.
Voor ons was het lopen door het bos een prettige bezigheid. Je voelde je er geborgen om bijvoorbeeld verboden straatliedjes te schreeuwen: Laat de klok maar luiden en laat de klok maar slaan. En het opkomende socialisme van toen: Hadjememaar de Amsterdamse avonturier. De liedjes vielen helemaal niet in de smaak en waren dan ook streng verboden. Thuisgekomen met de boodschappen werden we steevast bestraft voor het zingen van deze liedjes.
Wanneer we in de winkel waren aangekomen, stond de knorrige winkelierster een half pond koffie te wegen. De schaal schommelde steeds maar heen en weer, net zolang tot de klant zei: "Kniep hum maor deur midden".

Aan de oostkant van de Dommelerdijk werd op zeker moment een nieuwe woning voor de veldwachter gebouwd (nu bewoond door Gerrit Klein). Veldwachter was Holthuis, een markante figuur, groot, breed en zwaar met een knap uiterlijk. Hij droeg meestal een maatpak vanwege zijn omvang en zag er in dat pak uit als een veldmaarschalk. De veldwachter was een man van gezag, vooral bij de jeugd.


Veldwachter Holthuis in vol ornaat.

Maar ook voor het gezin Holthuis waren er goede en kwade dagen. Zoon Herman kwam door een ongeluk om het leven. Wat er van dochter Hanna geworden is, weet ik niet. Ik heb haar later nooit weer teruggezien.

Een vrolijke noot werd destijds gebracht door harmonicaspeler De Keizer. Op gezette dagen ging hij bij de huizen langs om na ontvangst van een kleine fooi zijn weg te vervolgen.
Groenteboer Jan van Ommen had een enorm stemgeluid. Hij deed met zijn goederen de ronde langs de huizen en kondigde met "aardapppeleeee" aan dat er nieuwe oogst te koop was.
Het beeld in de Kerkenhoek werd verder bepaald door de vele melkrijders. Zodra ze bij de fabriek waren, gingen ze allerlei boodschappen doen: naar de tuigenmaker voor een reparatie; naar de (veelzijdige) kapper Rieks Veldhuizen om het haar te laten knippen; een pondje tabak halen; enzovoort.
Een gebeurtenis die in mijn vroege schooljaren nogal indruk maakte, was de volgende. Meester Valk, het hoofd der school, kwam de klas binnen, hield zijn hoofd scheef en deelde met zijn sombere stem mee: "Kinderen, jullie kunnen wel naar huis gaan. Zeg maar tegen jullie ouders dat de Belgen komen." Ik heb toen mijn griffel en sponsdoos meegenomen en ben bij het zien van die vreemde groep Belgische vluchtelingen, die de school al dicht genaderd waren, met een gedachte naar huis gegaan die ik niet kon thuisbrengen.

Hop, hop paardje, ga je mee naar Zwoll?
Nee, zei het paardje, ik heb mijn buikje vol!
Nee, ik sta nu liever stil,
daar ik nu niet draven wil.

* * *

DE FAMILIE VAN DEN BERG EN DE UNION, deel II _________________________________________________________

B.J. van den Berg

DE OORSPRONG VAN DE UNION RIJWIELFABRIEK

In 1902 stonden op het kantoortje van Berend Jan (B.J.) junior, naast monsters veevoederartikelen, hout en bouwstoffen, steeds een nieuwe fiets en een gebruikt exemplaar, "de leerfiets". In het molenaarsbedrijf was concurrentie ontstaan en daarom interesseerde de jonge Van den Berg zich steeds meer voor technische artikelen. Neef W.A. daarentegen "kreeg het te zeggen" in de verlopen zaak van zijn vader. Hij zag meer in het molenaarsvak en deed daarom graag zijn aandeel van de fietsenaffaire over voor ƒ 400,--. Nu had B.J. vrije armslag.
Er was echter nog iets belangrijks gebeurd op de fiets­ en logeertochten naar Arnhem bij "neef Gerhard", die getrouwd was met een zuster van de heer Hennink uit Brummen. De jongedames Hennink kwamen ook wel eens over de vloer bij hun zwager. De historie vertelt niet of B.J. daar lucht van had of dat hij bijgeval daar juist op bezoek was. Oorzaak en gevolg laten zich denken. B.J. kreeg verkering met Hermina Johanna Theodora Hennink en als man van initiatief en voortvarendheid zou de trouwdag niet lang uitblijven.
Vader B.J. Sr. was bereid een winkelpand met woning te zetten vooraan het huisje in Den Hulst, dat daardoor gedegradeerd werd tot achterhuis, om als magazijn dienst te doen. De veldwachter betrok een andere woning. De winkel werd geïnstalleerd met ijzerwaren, galanterieën, emaille huishoudelijke artikelen en rijwielonderdelen. Winkel en magazijn chef werd Jan Tempelman (cheffie). De bouwmaterialenzaak en de rijwielreparatie kwamen onder toezicht van Hendrik van Duren.
Achter in het pakhuis was het kantoortje met enkele nieuwe rijwielen van het merk Fongers, Burgers of Corona (import uit België van het z.g. nevenbedrijf van de Brennaborfabriek). Dat artikel hield baas B.J. onder zijn eigen vleugels. Elke klant die kwam betalen kreeg


De firmanten van den Berg met hun rijwielen. van links naar rechts: Berend Jan (B.J.), Wilhelmus (W.A.) en Jan.

een borrel en werd warm gemaakt voor een "fietsie".
Niets stond er meer in de weg om te trouwen en dus werd op 27 juli 1904 het huwelijk gesloten tussen Berend Jan van den Berg BJzn., geboren op 9 april 1877 en Hermina Johanna Theodora Hennink, geboren 26 maart 1871. En toen was de grondslag gelegd voor (wie had dat kunnen denken) de Union Rijwielfabriek.

Het begin was moeilijk. Fietsen verkopen vraagt ook service. Wie kon dit nieuwe product repareren, waar was de vakman met ervaring, waar het gereedschap? Zelfs een stalen bankschroef was iets bijzonders en nog schaars in Nederland. Maar iemand die een fiets kocht voor ƒ 80,-­ of ƒ 90,-- wenste die eventueel ook gerepareerd te zien. Ook gebruikte fietsen werden verhuurd en zo sneed het mes van alle kanten.
B.J. had eerst zelf de reparatie gedaan (soms vluchtig, als de man maar weg was en dan bleek de reparateur spoorloos voor de teleurgestelde eigenaar), maar dat kon zo niet doorgaan. Klaas Tempelman werd daardoor als zodanig aangesteld en de kalkloods (de deur links van het pakhuis) werd zijn werkplaats. Toen Klaas voor zijn nummer in dienst moest, kwamen Dirk Mulder en Derk Brinkman in betrekking.
De jonge koopman had echter grotere aspecten dan winkelier te blijven. Hij kocht met borgstelling van vader een wagon Duitse rijwielen van het merk Orion. Daarmee werd tevens zijn vrijheid van bewegen beperkt. Vader vond in de eerste plaats dat het uitgeven van loon voor een "pennelikker" weggegooid geld was, dus zou hij zelf wel schrijven (lees: controle houden) en ten andere kwam moeder Hendrikje steevast eens per week kijken of "ze allemaole wel aan 't werk waren". Ook cheffie werd gevraagd: "Jan, wat doe ie nou?"

De handel vlotte best en de jonge zakenman werd steeds vrijmoediger. Met een krediet van de bankiers A. van Deventer & Zn. werd, tegen onderpand, een grote koop gesloten. Toen de rijwielen met grove blokketting 1/2 * 3/16 en dikke tandwielen binnenrolden, werd de man met durf en ondernemingsgeest wat draaierig in de maag. Op een familieraad werd besloten dat broer Jan zou komen helpen om wederverkopers op te zoeken, terwijl de kantoorbediende Schutte, zoon van de timmerman uit de Kerkenhoek, de boeken zou bijhouden, dit in plaats van vader, die het boven het hoofd groeide.
Jan had nog niet veel van de wereld gezien. Hij kwam bij zijn schoonzuster in de kost en stak over "goede manieren" zijn licht op bij neef W.A. (die wel wist hoe het moest). Hij trok er op uit per fiets, met de trekschuit of per spoor.
Aktetassen bestonden nog niet, of waren te veel luxe. Wat onderdelen werden in de binnen- en zijzakken gestoken van de firmant-verkoper der Grossierderij Gebroeders Van den Berg.
Of het historisch is, laten we in het midden, maar baas Jan (met zin voor humor) vertelde zelf: "Voor het eerst moest ik overnachten in een hotel in Assen. Ik bestelde warm eten en een kamer. Moeder had me geleerd 'klieken mag niet'. Dus heb ik alles opgemaakt, ook een driekant dingetje dat naast mijn bord lag. Later hoorde ik dat het een papieren servetje was.
Toen ik naar bed wilde gaan, lag er iets over de dekens. Suf heb ik me geprakkiseerd waar dat voor gebruikt moest worden. Ik heb het tenslotte als gordijn voor de ramen gehangen. Nu weet ik wel beter, het was een sprei!"
De boerenklanten aan de zaak rekenden eens per jaar af in mei. Ze deden dit het liefst met zijn broer, want er werd gezegd : "Jan is secuur op de halve cent".
Op een van zijn dagreizen in de omgeving zag baas Jan een meisje tussen de gordijnen door naar buiten kijken. Met zijn impulsief karakter constateerde hij meteen: dàt is ze. Gevolg van deze liefde op het eerste gezicht is geweest, dat Mijnheer Jan van den Berg, geboren op 15 augustus 1879, in 1909 getrouwd is met Maria Johanna Langenberg, geboren op 2 juli 1878 en wonende te Heino.

Omdat de beschikbare gebouwen veel te klein bleken, werd een voor hun doen groot pand gezet naast het


Het nieuwe pand van de firmanten Van den Berg.

pakhuis, dat voorzag in een woonhuis, een onderdelenmagazijn en beneden de begane grond in een bandenkelder. De oudste broer hield de leiding bij de organisatie en inkoop. Hij en zijn vrouw fabriekten zelf de eerste onderdelenprijscourant, die werd samengesteld uit afbeeldingen die waren geleend uit prijscouranten van concurrenten. Deze werden ingeplakt, de onderdelen geprijsd en ingetypt.
Om een idee van de waarde van het geld uit het begin van deze eeuw te krijgen, diene dat de dames Van den Berg ƒ 8,-- huishoudgeld per week kregen. De getrouwde knechten verdienden ƒ 7,50 per week. Het loon werd niet prompt elke week uitbetaald, maar zo nu en dan als het gelegen kwam.
Eén stel wielen spaken leverde twintig cent op, maar wat was dat in het begin moeilijk! Afkijken maar van nieuwe fietsen en dan toch nog prutsen tot twaalf uur in de nacht.

wordt vervolgd

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Onder deze kop zult u in deze en de komende nummers een aantal korte berichten aantreffen, die in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, de Dedemsvaartsche Courant en de Dalfser Courant zijn verschenen. De berichten werden, naast andere, opgespoord door de deelnemers aan de werkgroep "Oude kranten". We zullen af en toe een willekeurige greep uit de verschillende kranten en diverse jaargangen doen. Mocht uw interesse voor het lezen van oude kranten met deze "krummels" gewekt zijn, dan kunt u als deelnemer aan de werkgroep meehelpen om nog meer artikelen te achterhalen.

Dalfser Courant van 18 september 1891:
Zondag namiddag a.s. hoopt onze beroepen predikant, de heer Smits, zijne intreêpreek te houden, na des voormiddags te zijn bevestigd door zijn vader, predikant te Nijmegen.

Dalfser Courant van 9 oktober 1891:
Dinsdag slaagde de heer A.F. Eshuis, onderwijzer te Den Hulst, voor het examen lager onderwijs gymnastiek.

Dalfser Courant van 25 augustus 1893:
De heer A.F. Eshuis, onderwijzer te Den Hulst, slaagde deze week voor het examen L.O. Fransch.

Dalfser Courant van 15 juli 1896:
Door den heer A.F. Eshuis, onderwijzer te Zwolle, is deze week met gunstig gevolg examen afgelegd voor de hoofdacte.

Dedemsvaartsche Courant van 30 april 1957:
Als een grote bijzonderheid in de dierenwereld vermelden wij dat een geit van de h eer H. Veerman op het Zandspeur dezer dagen vier levende jongen ter wereld bracht n.l. twee bokjes en twee geitjes.

Dedemsvaartsche Courant van 14 mei 1957:
Nieuwleusen. Teen gebroken.
Tijdens het spelen van een competitiewedstrijd voor de bedrijfsvoetbal te Zwolle had onze plaatsgenoot S.P. het ongeluk de grote teen van zijn rechter voet te breken.

Dedemsvaartsche Courant van 21 september 1957:
Den Hulst. Met ingang van 15 Sept. j.l. werden tot soldaat der eerste klasse bij het korps luchtwachtdienst K.L.D. bevorderd, de vrijwilligers L. Talen, G.J. Gerrits, J. Gerrits, J. Kappert, S. Gerkema, J. Dijk, A. Kouwen en D. Veldink.Wel een bewijs dat dit korps onder leiding van sergeant J.W. Klomp met ernst oefent.
Van genoemde sergeant vernamen we dat nog steeds vrijwilligers van harte welkom zijn.

* * *

INHOUD VAN DE ZESDE JAARGANG _________________________________________________________

blz.
1  
11  
14  
15  
18  
20  
21  
25  
27  
37  
37  
38  
39  
41  
42  
46  
47  
48  
49  
57  
61  
67  
67  
68  
74  
78  
80  

 
Het landgoed "Rollecate"
Oude liedjes
De tiende penning
Klaas gaat naar een erfhuis
Een boedeltaxatie uit 1887
Reactie omslagfoto december 1987
16e eeuwse huizenbouw in de Rute
't Huussie
Ruilverkaveling "Nieuwleusen I"
Nieuwleusener gezegdes VII
Sauzen over een hoen, dat gebraden is
De verkoop gunk niet deur
Oude rekeningen zijn ook historie
Boerderijen fotograferen
De familie Van den Berg en de Union
Het kopen van een boerderij in 1794
Nieuwleusener gezegdes VIII
Een oude schoolfoto VI (CNS de Meele)
Ruilverkaveling "Nieuwleusen I", vervolg
Vluchtelingen in Nieuwleusen
Ruilverkaveling "Nieuwleusen I", slot
Nieuwleusener gezegdes IX
Reactie oude schoolfoto VI
Toen ik nog een klein meisje was
De familie Van den Berg en de Union, deel II
Krummels
Inhoud van de zesde jaargang

 
J.W. de Weerd

B. van Duren
Kabé
J. Prins
G. Kreule-Kok
Jan H. Kompagnie

J.W. de Weerd
A. Schoemaker-Ytsma

B. van Duren

A. Kreule
B.J. van den Berg
B. van Duren
A. Schoemaker-Ytsma

J.W. de Weerd
J.W. de Weerd
J.W. de Weerd
A. Schoemaker-Ytsma

G. Klunder-Groothuismink






Het oude jaar ging henen:
Wat of het nieuwe brengen zal?
Wij weten 't niet. wij hopen slechts.
Dat het het beste zij van al.
Wij wenschen U veel vreugde.
Veel heil in 't nieuwe jaar.
Wij wenschen 't U persoonlijk
En Uw familieschaar.









Jaargang 7 nummer 1 maart 1989

OMSLAGFOTO: Het union hoofdgebouw in aanbouw(1914), onder de link de toestand in de jaren 60 na de uitbreiding aan de linkerzijde.

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

DE FAMILIE VAN DEN BERG EN DE UNION, deel III _________________________________________________________

B.J. van den Berg

DE FIRMA B.J. VAN DEN BERG

Het ging goed in zaken. In Den Hulst breidden de zaken zich snel uit. Willem de Bruin uit Hasselt, vakman­reparateur, bracht het personeel de nodige kennis bij. De verstandhouding tot het personeel was gemoedelijk, "het natje en droogje" kreeg ieder op tijd, daar zorgden de dames Van den Berg wel voor. Dit was overigens het enige contact dat zij met "de zaak" hadden; of de zaken goed of slecht gingen, was hun niet bekend.
Op het kantoor verschenen respectievelijk Jan Mijnheer (getrouwd met de dochter van de veldwachter), A. Huzen, A. de Boer en L. Hengeveld. Als eerste vertegenwoordiger trad Marinus Berendsen in dienst.
Het ideaal van de gebroeders bleef: zelf rijwielen maken. De eerste poging daartoe was de aankoop van een partij frames van E. Lehner te Amsterdam. "Cheffie" J. Tempelman constateerde dat het 'klongel-frames' waren. Baas B.J. wist echter ook niet hoe de cups in de brackets waren vast te zetten en zei tot Van Duren: "Moeten maar eens kieken". Van Duren wist raad: met stukjes jute van oude zakken werden de trapassen vastgezet. De onderconus van de vorken, die te ruim waren, werden met een blikje ertussen vastgemaakt. Het merk werd er met houten schoenpennen van Masselink voor gemaakt. Na deze dure ondervinding werden betere frames gekocht bij de Gazelle Rijwielfabriek v/h Arentsen & Kölling. Deze frames met Thompson bracketstel waren prima en met Gazelle ontstond een bloeiende relatie. Een dergelijke fabriek als Gazelle werd het ideaal, een schijnbare utopie, waarmee de gebroeders Van den Berg opstonden en naar bed gingen.
Toen klant Ter Horst uit Steenwijk, die veel zaken deed en een flink krediet genoot, op springen stond (krediet verlenen moest ook geleerd worden) werd diens werkplaats, een grote zinken loods, overgenomen en achter het pakhuis geplaatst. Ter Horst en zijn gezin werden te werk gesteld en de eerste stap tot framefabricage was gedaan. In 1911 werd deze loods "montage-afdeling" en begon Johannes van der Graaf, als framebouwer en soldeerder, zijn werkzaamheden in het algemeen bekend geworden pakhuis. Steenbeek werd zijn collega, later Egbert van der Sluis. Petroleumbranders met luchtdruk vormden de outillage voor de soldeerderij.
De eerste frames waren de zogenaamde B.S.A. modellen; het beginnummer was 20.000. Boormachines waren er niet, een handboor deed dienst voor het maken van gaten. Vierkante spijkers fungeerden als soldeerpennen. De eerste moffel, gestookt door de soldeerbrander, kon 4 frames bevatten, die met de kwast werden gelakt. Het richten gebeurde met een touwtje om het balhoofd naar de vorkeinden. Om de brackets te frezen werd als draaibank het wiel van een hakselmachine gebruikt. De eerste biezers waren Esmeijer en Marten Withaar. De productie bedroeg 12 stuks per week en dat was bij lange na niet voldoende. Naast de Gazelle frames werden uit Duitsland complete rijwielen geïmporteerd van het merk "Möwe", gelast, geen lugs en zonder banden, een goedkope fiets dus.

Het woord garantie was aan het begin van deze eeuw bij de Nederlandse bevolking eigenlijk een onbekend begrip. Een duidelijk voorbeeld hiervan blijkt uit onderstaande. Toen klant Lotterman uit Uffelte omstreeks 1912 de fabricage in ogenschouw kwam nemen en een bestelling wilde plaatsen, vroeg fabrikant B.J.: "Wat zal 't wezen Lotterman, fietsen met of zonder garantie?", antwoordde de man: "Zonder garantie, niks van die rommel d'r an". In 1911 werd er voor het eerst een gedrukte onderdelen­ en tevens rijwielenprijscourant uitgegeven.
De eerste werkmeester, Bomhof uit Zwolle, verscheen in 1913. Hij was een grapjas. Daarnaast had hij ook wel zijn goede kanten, maar toch werd het koffiedrinken meteen afgeschaft, dit tot ergernis van het personeel.
Eens gebeurde het, tot grote hilariteit van Van der Sluis en Bomhof, dat een klant die op zijn nieuwe fiets stapte, meteen op de grond zat. Dit kwam omdat Klaas Tempelman de spaken te ver had ingekort.

Hadden de oudste broers zich in Den Hulst helemaal gewijd aan de rijwielen, de jongste broer Evert voerde het beheer over de molen en bouwmaterialenhandel in Nieuwleusen.
Vader was op 20 november 1908 gestorven. Evert van den Berg, geboren op 30 oktober 1882 en op 17 mei 1906 getrouwd met een op 10 oktober 1884 geboren meisje uit de streek, Klaasje van Hulst, bewoonde samen met moeder Van den Berg het ouderlijk huis.
De molen had door de opkomst van de Coöperatieve Landbouwvereniging niet veel meer te betekenen. Baas Evert werkte er met de oude knecht Arend Gerritsen, terwijl Jan van Eldik de meelwagen reed.


Het ouderlijk huis aan de Dommelerdijk.

De samenwerking tussen de gebroeders was uitstekend. Toen zij eens aan de Rijnoever gezeten waren, wanneer is niet bekend, en daar een schip passeerde met de naam UNION fait force (Eendracht maakt macht), was meteen de naam geboren waaronder de burgerlijke maatschap "Firma B.J. van den Berg" handel zou drijven. Later zorgde de tekenaar van Gazelle, André Vlaanderen, voor het bekende handelsembleem, het UNION-merk, dat eerst groen was gekleurd.

SNELLE GROEI

Na een bezoek aan Dieren was het plan gerijpt tot de bouw van een fabriek, die met de omzet in overeenstemming en op groei berekend was. Architect Brugmans van Dalvoorde maakte een tamelijk getrouwe kopie van de Gazelle-fabriek en haalde zich daarmee de toorn op de hals van de heer Kölling, de direkteur van Gazelle.
Begin 1914 kon het grote gebouw worden betrokken. Berend van Voorst betrad als jongeling van 21 jaar de framebouwerij en maakte sedertdien duizenden frames. De heer Otten, chef-framebouwer bij Burgers, kwam in dienst als bedrijfsleider. In 1915 werd hij opgevolgd door de heer Kuyper die voordien chef bij Gazelle was.
In augustus 1914 werd P.N. Baltus aangesteld en belast met de algemene leiding van kantoor en fabriek.
Juist op dreef, brak plotseling de eerste wereldoorlog uit, met alle dreiging voor land en volk. In deze spannende dagen werd een geruststellende circulaire aan de klanten verzonden.
Het bleef voor Nederland bij een algemene mobilisatie. Personeel was moeilijk te krijgen , het leger eiste de jonge mannen op om paraat te zijn. Bijna honderd mensen, die uit de omliggende plaatsen moesten worden aangetrokken, waren nodig om het bedrijf te bevolken. Toen ook over gegaan werd tot het slijpen en vernikkelen, was machinekracht nodig. Van een failliete fabriek te Heerenveen werd een en ander overgenomen; een Deutz zuiggasmotor, slijpstoelen, een nikkelbad en twee vaklieden, de heren Mast en Pasveer. Na de oorlog werd de motor vervangen door een zwaardere Crossley ruw-olie motor.
In de donkere oorlogstijd met petroleum- en carbidlampen, was het een openbaring toen de eerste elektrische lampen op eigen elektrodynamo aanflitsten. De wentelende assen, het drijfwerk in het in 1916 nieuw verrezen schuingeplaatste bijgebouw, gaven een gezellig leven in de fabriek. De twee firmanten van de rijwielzaak zetelden in een keurig privékantoor en werkten aan eigen ontwikkeling door het nemen van lessen in de moderne talen.
Het boerderijtje met erf, dat nog steeds tussen de gebouwen lag, kon van Jan Bruggeman en zijn kinderen worden aangekocht. Daarmee werd het terrein tot ongeveer 2,5 hectare uitgebreid.
Per 1 januari 1917 werd de burgerlijke maatschap "Firma B.J. van den Berg" omgezet in een vennootschap onder firma met de titel: "UNION Rijwielfabriek, Firma B.J. van den Berg". Van deze omzetting werd aan de klanten mededeling gedaan middels een circulaire.


Het privékantoor van Jan(links) en Berend Jan v.d. Berg.

De procuratiehouder werd bijgestaan door meerdere kantoorbedienden, boekhouders en correspondenten. Firmant J. van den Berg zwaaide de scepter over negen vertegenwoordigers, waarvan in 1954 alleen de heer T.P. de Hoo nog in functie was en al sinds zijn indiensttreding in 1917 zijn sporen had verdiend.
Over het gehele land waren of werden agentschappen gevestigd. Het Union rijwiel raakte bekend als een prima product en er ontstond een klantenkring van de Dollard tot de Schelde. Tientallen ingezetenen van de dorpen Nieuwleusen en Den Hulst en omliggende gemeenten verdienden, dankzij de ondernemingsgeest van de gebroeders Van den Berg, een goede boterham. De jaarproductie was gestegen tot circa 5000 rijwielen.

NIET ALLES GOUD WAT ER BLINKT

Toen Jan Tempelman in 1916 na een verkoudheid terugkeerde, besloot bedrijfsleider Kuyper hem te degraderen tot wielenspanner. Tempelman nam ontslag. Later bleek dat Kuyper geen toezicht wenste van een oud-gediende.
Hendrik van Duren verdween van het toneel toen hij bemerkte dat er geroofd werd. Anderen aanbrengen wilde hij niet; immers mensen zonder routine konden bij het door Kuyper ingestelde stukwerk moeilijk aan hun loon komen. De groei was te snel voor de firmanten om alles na te gaan en te controleren.
In 1917 liet W. A. van den Berg, de meergenoemde neef en nu groot zakenman in veevoederartikelen, zijn fiets bij "de firma" nakijken en constateerde na enige dagen dat zijn nieuwe binnenband (in de oorlogsjaren schaars en op de bon) was verwisseld voor een oude.
Op 15 december werden ongeveer 60 freewheels vermist. De politie werd van een en ander op de hoogte gebracht. Bij een verwacht onderzoek en verhoor door de politie vluchtte een deel van het personeel; later bracht de een de ander aan en was de bedrijfsleider onder de verdachten. De chef van de biezerij had zijn meisje een gratis fiets bezorgd. Deze heren spoorden de rest van het personeel aan om zogenaamd als protest tegen het politie-onderzoek in staking te gaan. Deze ééndagsstaking is de eerste en enige geweest tijdens de eerste halve eeuw van het bestaan der fabriek.
Op zaterdag 22 december kwam bedrijfsleider C.W. Kuyper met de opzienbarende mededeling op het privékantoor dat de vermiste 64 freewheels op zijn kantoor in een der laden waren teruggevonden. De politie had de zaak nog steeds in onderzoek. In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant werd een advertentie geplaatst , waarin een beloning van ƒ 100,-- werd uitgeloofd voor degene die klaarheid kon brengen in deze geheimzinnige zaak.
Een paar weken later werd tegen Kuyper proces-verbaal opgemaakt omdat hij van de diefstal werd verdacht. Hij werd ontslagen, maar vond spoedig weer werk bij de rijwielfabriek Phoenix in Heerenveen. Wegens verduistering bij die fabriek werd hij al na een paar weken door de marechaussee aangehouden en overgebracht naar Heerenveen. In zijn huis werd een rijwiel van het merk Phoenix in beslag genomen. In april wees de rechtbank in Heerenveen vonnis: drie maanden gevangenisstraf wegens verduistering in dienstbetrekking.
Opvolger van de ontslagen bedrijfsleider werd de heer Folkerts, voorheen framebouwer en voorman bij de Gruno Rijwielfabriek in Winschoten. Zijn zwager Koekkoek werd enige jaren later magazijnchef grossierderij.

wordt vervolgd


Advertentie uit 1905.

* * *

LICHTMIS _________________________________________________________

Verzameld door Aartje Schoemaker-Ytsma

Nu het Lichtmisplan zo volop in de belangstelling staat, spreekt het wellicht aan om de betekenis van het woord Lichtmis eens op te zoeken.
Lichtmis is een heel oud licht-feest. Het is Lichtmis op 2 februari, ook wel Maria Lichtmis genoemd. Het lichtfeest werd al door de Romeinen gevierd ter ere van hun godin Ceres, de godin van de groei van de veldvruchten. Zij zocht haar dochter Proserpina in de nacht met brandende fakkels (licht!). De Germanen vierden in het begin van februari (februa=reiniging) feest ter ere van hun godin Freia.
In de Scandinavische streken werden op Maria Lichtmis de laatste kerstbomen opgeruimd en alle kaarsenresten op grote platte schalen met water opgebrand. Dat oude gebruik hebben we door de drijfkaarsjes weer in ere hersteld. Licht in de donkere dagen; zonder water en licht immers geen leven.
Het oude lichtfeest is gekerstend ter ere van Maria. Een feest ter herinnering aan Maria's eerste tempelgang (Lucas 2:20-30). Het wordt gevierd met een mis, waarbij de kaarsen voor het komende jaar gewijd worden.
Met een kleine letter geschreven heeft lichtmis een heel andere betekenis en wel ..... iemand die zich te buiten gaat aan drank, spel, enz.
Het weer op Maria-Lichtmis schijnt, gezien de volgende spreuken, ook van veel belang. Weet u nog hoe het weer was op 2 februari? Dan kunt u hieronder lezen of de oude Lichtmisgezegdes nog kloppen.

1. Lichtmis donker, dan wordt de boer een jonker.
Lichtmis licht, dan wordt de boer een knecht.
2. Lichtmis donker,maakt de boeren jonker;
Lichtmis kleir, maakt de boeren bedeleir.
3. Lichtmis klaar en hel, zo is de boer een arme gezel.
Lichtmis duister en donker, zo is de boer een jonker.
4. Lichtmis donker met regen en slijk,
maakt de boeren rijk.
5. Met Lichtmis triestig weer
is goed voor boer en heer.
6. Lichtmis helder, de boer in de kelder.
7. Lichtmis klaar, geeft een goed iemenjaar.
8. Lichtmis klaar, geeft een goed roggejaar.
9. Lichtmis helder en klaar, twee winters in het jaar.
10. Schijnt met Lichtmis de zonne heet,
dan komt er nog veel sneeuw en leed.
11. Brengt Lichtmis wolken en regen mee,
is de winter voorbij en komt niet weer.
12. Na Lichtmis valt de sneeuw op een warme steen.
13. Met Lichtmisdag is de winter voorbij of neemt in kracht toe.
14. Als de zon schijnt op Lichtmis, dan komen er late vorsten en weinig vruchten.
15. Zon op Lichtmis betekent een strengere vorst na dit feest dan er voor.
16. Opdat men zou kunnen zeggen dat de winter schreit, moet met Lichtmis de zon zonder ophouden gedurende de mis op het altaar schijnen.
17. Als met Lichtmis de zon op het altaar schijnt, komt er nog zes weken vorst.
18. Als op Maria Lichtmis de zon door de galmgaten van de toren schijnt, krijgen we nog eens zoveel winter als we tevoren hebben gehad.
19. Als met Lichtmis de zon door de boomgaard schijnt, zal het een goed appeljaar zijn.
20. Als er te Lichtmis druppeltjes aan de doornhagen hangen, is 't schoon vlas te wegen.
21. Drupt er met Lichtmis de hagedoorn,
dan is het een goed jaar voor het koren.
22. Is het met Lichtmis helder weer, dan zal de winter lang duren; sneeuwt of stormt het daarentegen, dan is de lente niet meer ver af. (Duitsland)
23. Is het met Lichtmis helder, dan begint de winter opnieuw, maar is het donker en triestig weer, dan is de winter voor een jaar heengegaan. (Gr.Br.)
24. Een heldere Lichtmis krijgt de winter achter zich, maar is Lichtmis donker, dan heeft de winter zijn plicht gedaan. (Frankrijk)

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO VII _________________________________________________________

Deze keer hebben we voor u een foto van de kinderen van een kleuterschool. Het is de kleuterklas uit 1956 van de eerste kleuterschool in Nieuwleusen. Leidster was mej. G. Huzen. De foto werd genomen achter het voormalige hervormde jeugdgebouw aan de Dommelerdijk, waar de school was ondergebracht.



Hoewel het nog geen vijfendertig jaar geleden is dat de foto werd gemaakt, leverde het toch moeite op om de namen van de kinderen te achterhalen. Dat is dan ook lang niet volledig gelukt. Wanneer u een of meerdere kinderen herkent, dan zouden wij het op prijs stellen dit van u te vernemen.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  

Mej. Geke Huzen
Gerrie de Weerd
Alie Borger
Henk Westerman
Margje Westerman
Willemien Huzen
Siem Brasjen
Gerrie Scholten
Sjoukje Wiersma
Jantje Bijker
Hannie Wink
Willie Wink
Dirk Kleen
Ate Vos
Hendrik Jan Borger

16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  

27  
28  
29  
30  

Arie van den Berg
Gerrit Kragt
Roel Wink
Jennie de Weerd
Gerrit Klein
Henk Brassien
Albert van 't Oever
Niek Tuten
Henk Kappert
Weelink
een logé bij Marijke Beekman
Marijke Beekman
Alie Witten
Hennie Borger
? Paasman?

* * *

SPAANSE GRIEP _________________________________________________________

Naar aanleiding van een passage uit het verhaal "Toen ik nog een klein meisje was" van mevrouw G. Klunder, nemen we onderstaand een artikel over uit de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 21 nov. 1918.

Nieuwleusen, 20 Nov. De Spaansche griep breidt zich hier nog steeds uit en neemt een zeer kwaadaardig karakter aan; er sterven veel menschen nog in de kracht van hun leven. Dr . Risselada is van 's morgens tot ' s nachts in de weer en op zijn verzoek is door bemiddeling van den burgemeester alhier een militair arts gedetacheerd. De zeer vele ziekte- en sterfgevallen maakten dit zeer wenschelijk. Aangezien het klokluiden bij overlijden en begrafenissen de laatste dagen bij de veel voorkomende sterfgevallen de zieken hindert, heeft de burgemeester tijdelijk dit klokluiden verboden.

* * *

VERZOEKSCHRIFT EENER AANNEMER _________________________________________________________

G. Hengeveld-van Berkum

Geschillen over de oplevering van een gebouw zijn niet van vandaag de dag. Zoals hierna blijkt kwam dit ook al in 1916 voor . Op 31 juli 1915 nam aannemer Gerrit Eikenaar op zich in Ruitenveen een onderwijzerswoning te bouwen. De oplevering zou plaats moeten vinden op 17 mei 1916. Architekt Fakkert was van mening dat Eikenaar hieraan niet had voldaan. De aannemer werd daarom een boete opgelegd, waartegen hij zich bij de gemeenteraad verweerde. Op zijn verzoek om alsnog ƒ 300,-- te betalen, werd afwijzend beschikt. Hij nam hier geen genoegen mee en ging te rade bij het advocatenkantoor J.F. van Haersolte te Zwolle. Onderstaand volgt de tekst van het verzoekschrift van Eikenaar met de daarbij behorende bijlagen van het advocatenkantoor. Voor zover ons is gebleken, heeft een en ander niet tot resultaat geleid.

Aan den Raad der Gemeente Nieuwleusen.

Geeft eerbiedig te kennen:
Gerrit Eikenaar, aannemer, wonende te Zwolle;
Dat uw College bij besluit van 14 Juni 1916 no . 142 hem een boete heeft opgelegd van ƒ 300, -- wegens te late oplevering van een door hem gebouwde onderwijzerswoning te Ruitenveen;
Dat Requestrant van oordeel is, dat deze boete hem ten onrechte is opgelegd, daar de oplevering op tijd heeft plaats gehad en wel op 17 mei overeenkomstig eene aanschrijving van de firma H.A. Fakkert, waarvan een afschrift hierbij gaat;
Dat hij nog meent recht te hebben op 1 /5 deel der aannemingssom ad. ƒ 1093,80, voorts op ƒ 224,78 voor bijwerk en ƒ 120,-- voor brandstoffen en stoken, tesamen ƒ 1438,58;
Dat hij bij een onderhoud met den Burgemeester in het bijzijn van den Wethouder Zonneberg en den heer Fakkert tengevolge van geldverlegenheid heeft verklaard met een bedrag van ƒ 1083,-- genoegen te nemen;
Dat hij hierdoor echter zoodanig schade zou lijden, dat hij meent Uw Raad dringend te moeten verzoeken, dat Uw College terugkomend op zijn hierboven vermeld besluit, hem uit zal keeren de volle som waarop hij recht heeft;
Dat mocht naar oordeel van Uw Raad dit bedrag niet voldoende vaststaan, hij voorstelt de zaak te laten beslissen door drie scheidsmannen, waarvan één te benoemen door Uw Raad, één door Requestrant en één door den Kantonrechter te Zwolle;
Dat Requestrant overigens de eer heeft te verwijzen naar een bij dit verzoek gaande toelichting.
't Welk doende, enz
G. Eikenaar

Dedemsvaart, mei 1916
Firma H.A. Fakkert
Bouwkundige
Dedemsvaart

Door dezen hebben we de eer U mede te deelen dat in een vergadering van Heeren Wethouders van de gemeente Nieuwleusen met de directie "Woningbouw Ruitenveen" besloten is U te berichten dat de werkzaamheden door U aangenomen, waarvan de aanbesteding heeft plaats gehad 31 Juli 1915 des namiddags 1 uur moeten zijn afgewerkt, zooals het behoort, voor 17 mei 1916 des middags 18 uur. Tevens verzoeken we U dus ook op Woensdag 17 Mei alsdan ca. acht uur aldaar aanwezig te zijn om met een der Heeren Wethouders en een onzer firma, de werkzaamheden op te nemen en zoo mogelijk over te dragen. Denkt U vooral dat alles netjes schoon is, alle sleutels in elke deur aanwezig, enz enz.
Hoogachtend,
H. A. Fakkert

Toelichting behoorende bij het verzoekschrift van G. Eikenaar, aannemer te Zwolle, ingediend bij den Raad der Gemeente Nieuwleusen.

Aan den Raad der Gemeente Nieuwleusen

Edel Achtbare Heeren,
Door Gerrit Eikenaar, aannemer te Zwolle, werd aan uw Raad een verzoekschrift ingediend, waarvan wij een afschrift hierbij insluiten, in welk verzoekschrift verzocht wordt te besluiten aan hem uit te keeren een bedrag van ƒ 1438,58, of zooveel als door scheidslieden zal worden vastgesteld op in dat verzoekschrift nader omschreven gronden.
Eerst zes weken na de aanbesteding en wel op 6 September 1915 ontving Eikenaar bericht van den toenmaligen Burgemeester uwer gemeente, dat de gunning van het bouwen der onderwijzerswoning te Ruitenveen door den Minister was goedgekeurd. In overleg met dien Burgemeester, die hem verzekerde, dat het met beboeting


School B In Ruitenveen met de onderwijzerswoning.

niet zoo'n vaart zou loopen, besloot hij het werk te aanvaarden. Al spoedig echter werd bij den aankoop van steenen door de schuld van de firma H.A. Fakkert oponthoud veroorzaakt in de werkzaamheden, welk oponthoud circa 5 weken duurde.
Zooals vanzelf spreekt werden hierdoor de werkzaamheden nog meer naar den winter verlegd en kon dientengevolge het werk niet op den oorspronkelijke vastgestelden tijd gereed zijn. Aan Eikenaar werd behalve door den toenmalige Burgemeester ook door den heer Fakkert verzekerd, dat hij hierdoor niet in boete zou vallen. Dat de in het bestek voorgeschreven opleveringstermijn verlengd is, blijkt voldoende uit het schrijven van de firma Fakkert aan Eikenaar, waarvan aan Uw Raad een afschrift is overlegd. Geheel overeenkomstig dit schrijven is het werk door Eikenaar op den bepaalden tijd afgeleverd, waarna het is opgenomen en goedgekeurd.
Hiermede was dus door Eikenaar geheel aan zijn verplichting voldaan. Hierbij komt, dat bij de uitbetalingen van den eersten en tweeden termijn geen sprake is geweest van inkorting wegens boete. Deze onverkorte uitbetalingen leveren eene erkenning op, dat de oplevering op tijd heeft plaats gehad en het gaat o.i. niet aan nu ineens een willekeurig bedrag wegens boete te willen inhouden.
Wat het bijwerk aangaat, dit zou volgens den tegenwoordige Burgemeester grootendeels verrekend zijn met een tegenrekening der firma Fakkert. Het is Eikenaar echter nooit mogen gelukken trots zijn herhaald verzoek, deze tegenrekening te zien te krijgen, iets waarop hij toch recht had. Voorlopig mag hij zijn rekening voor bijwerk dus ten volle handhaven.
Het stoken, dat hem door de firma Fakkert was opgedragen, was niet in het bestek inbegrepen, derhalve behoeft Eikenaar de kosten hiervan niet te dragen en heeft hij recht deze van de gemeente terug te vorderen.
Daar wij meenden, dat de geheele kwestie het best door deskundige arbiters ware uit te maken, hebben wij den Burgemeester voorgesteld, dat de Gemeente een scheidsman zou benoemen, Eikenaar één en de Kantonrechter te Zwolle een derde , om het geschil te beslissen.
Daarna heeft nog een conferentie plaats gehad ten gemeentehuize tusschen den heer Burgemeester, den heer wethouder Zonnenberg, den heer Fakkert en Eikenaar. Hierbij heeft na eenige discussie Eikenaar, die moeielijk langer op zijn geld kan wachten, verklaard de zaak te willen schikken voor ƒ 1083,-- in het geheel , terwijl den heer Burgemeester zich verbond aan Uw Raad te zullen voorstellen voor dit bedrag de zaak af te doen.
Wij hopen echter , dat Uw Raad niet zal willen dat de Gemeente voordeel trekt uit de tijdelijke geldverlegenheid van Eikenaar, doch zal kunnen besluiten om aan Eikenaar uit te keeren dat wat hem inderdaad naar recht en billijkheid toekomt, hetzij dan dat Uw Raad meent dit zelf te kunnen vast stellen, hetzij dat hij wil ingaan op ons voorstel tot benoeming van scheidsmannen in voege als voren omschreven.
Zwolle, 19 September 1916.
Van Mrs. J.F. baron van Haersolte,
L.R. van der Pot.

Advocaten en procureurs te Zwolle.

* * *

UIT DE RAADSNOTULEN _________________________________________________________

J.W.de Weerd

Hiermee beginnen we aan een serie artikelen over zaken die in de gemeenteraadsvergaderingen aan de orde zijn geweest. We stellen ons voor in de tijd terug te gaan vanaf 1945.
In dat jaar werd de enige vergadering van de raad gehouden op dinsdag 20 november om drie uur. Het was de eerste na die van 8 augustus 1941 . In de tussenliggende periode kwam de Raad niet in openbare vergadering bijeen.

1e deel: HET JAAR 1945

Ter vergadering zijn aanwezig J.Ph. Backx, burgemeester en secretaris, en de leden W. Nijboer, J. Reuvers. J.R. Kleen Scholten, Th. de Boer, K. van Dorsten, K. Brasjen, P. Alteveer, A. van Ankum, J. van der Graaf, H. Mulder en G. Oldeman.
Allereerst leggen de leden op één na de voorgeschreven eed af; de heer J. van der Graaf doet belofte. De voorzitter wenst de heren geluk met hun benoeming en spreekt daarna de raad als volgt toe:
"Ik moet eerlijk bekennen, dat ik mij de eerste vergadering van den raad dezer gemeente na de bevrijding wel eenigszins anders had voorgesteld, dat wil zeggen ik had gedacht hier de oude raadsleden terug te zien. Wel zijn er in dit College eenige oude bekenden teruggekeerd, maar ik mis toch ook oude vertrouwde gezichten.
Met weemoed denk ik aan het verscheiden van wethouder Prins, een man met wien ik bijna dertig jaren op de meest prettige wijze heb mogen samenwerken. Zoo gaarne had ik hem bij mijn terugkeer weer gezien! Het heeft echter niet zoo mogen zijn. Dankbaar gedenk ik het vele, dat hij in een reeks van jaren voor de gemeente als raadslid en wethouder heeft gedaan en voor de vriendschap, die ik van hem mocht ontvangen.
Verder mijne heeren, gedenken wij de jonge menschen uit onze gemeente,die door de wreede bezetters naar Duitschland werden weggevoerd en daar het leven lieten.
Mijne IHeeren, de wijze, waarop uw College tot stand gekomen is, is wel een bizondere en betwijfel ik of gij de wezenlijke vertegenwoordiging van de bevolking dezer gemeente uitmaakt.. Ware een verkiezing gehouden als voortaan, dan zou toch waarschijnlijk de samenstelling van Uw college eene andere zijn geweest. Toch mogen we constateeren, dat de voornaamste stroomingen in de gemeente in dezen raad zijn vertegenwoordigd. Uw taak zal verre van gemakkelijk zijn, moeilijkheden van allerlei aard staan ons te wachten.


Burgemeester J. Ph. Backx

De gemeente heeft door het oorlogsgeweld gelukkig weinig geleden, maar haar algemeene toestand is verre van fraai. De wegen verkeeren in slechten staat, de gemeentegebouwen moeten grondig onder handen worden genomen. Alles maakt een zeer verwaarloosde indruk. Met de gemeentefinanciën is de laatste jaren niet altijd even voorzichtig omgesprongen: ten behoeve van de Duitse bezetting zijn groote bedragen uitgegeven en is het de vraag of hier ooit nog een cent van terugkomt.
Zooals bekend zal zijn, zijn vele bevoegdheden van den raad overgegaan naar B & W, toch zal er voor U genoeg belangrijk werk overblijven. Ik denk aan het vaststellen van verordeningen, de gemeentebegrooting, de rekening en de benoeming van ambtenaren.
Ik spreek de wensch uit, mijne heeren, dat de samenwerking aangenaam moge zijn en dat ge eensgezind voor de belangen onzer gemeente zult opkomen."

Hierna komt de verkiezing van de wethouders aan de orde. Benoemd worden in de vacature W. Nijboer, de heer W. Nijboer en in de vacature H. Prins, de heer J. Reuvers. Beiden nemen de benoeming aan. De voorzitter wenst de beide wethouders geluk en hoopt op een even prettige samenwerking als met het vorige college.
De gemeenschappelijke regeling met de gemeente Avereest inzake de keuringsdienst voor vee en vlees, liep op 31 december 1943 af en was nog steeds niet verlengd. Men besluit met algemene stemmen een nieuwe regeling aan te gaan met ingang van 1 januari 1944 en wel voor de duur van vijf jaar.
De voorzitter brengt de vraag naar voren die gerezen is over de besluiten die door B & W genomen zijn na de tot standkoming van de raad. Hij zegt het zekerheidshalve gewenst te vinden dat de raad die besluiten alsnog zou bekrachtigen, wat werd goedgevonden. En zo worden nog besluiten van B & W vastgesteld inzake: de herbenoeming van leden van de commissie tot wering van schoolverzuim; de benoeming van mej. J. Meyling als onderwijzeres aan de O.L. school C in Den Hulst; de winkelsluiting op woensdagmiddag; de bezoldiging van de brandweer; toekenning van een subsidie van ƒ 150,= aan de vereniging "Kinderzorg" in Zwolle; het ontslag van G. Boers en de benoeming van D.J. Boers als monteur van het Gemeentelijk Elektriciteitsbedrijf en de distributie van woonruimte.
Bij de rondvraag wordt gewezen op de gevaarlijke toestand bij avond bij de Rollecaterbrug en de wens daar een lantaarn te plaatsen. Een onderzoek wordt toegezegd. Verder wordt gewezen op de slechte toestand waarin de Meeleweg verkeert. Tot herstel zal worden overgegaan zodra er stenen te krijgen zijn en er een straatmaker is die zich beschikbaar stelt.

wordt vervolgd

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 10 oktober 1957:
Uit Nieuwleusen en omgeving. Ernstige waarschuwing. Nieuwleusen. Men verzoekt ons de landbouwers er op attent te maken dat men verplicht is alvorens met paard en wagen de openbare weg op te rijden, de wielen van de wagen van modder en dergelijke te ontdoen. Dit ter voorkoming van het slipgevaar in het snelverkeer. Hierop wordt streng toegezien.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 10 juni 1947:
Den Hulst. Bestrating Zandspeur.
Naar wij vernemen bestaat er kans, dat het Zandspeur voor een gedeelte bestraat wordt, mits de bewoners voor zand kunnen zorgen. Daar zulks in velerlei opzichten, vooral voor de bewoners van die streek, een grote verbetering zou betekenen, geloven we wel dat men hieraan zoveel mogelijk zal medewerken.

Dedemsvaartsche Courant van 19 januari 1935:
Door de heer Van de Vegt te Station Dedemsvaart is in publieke veiling gekocht van den heer Koekoek alhier, diens woonhuis met winkel en werkplaats voor de som van ƒ 1650,--. De bedoeling is, dat de heer Bolhoven, schoenmaker alhier, zijn zaak naar dit pand zal verplaatsen.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 10 oktober 1929:
Bij het gehouden toelatingsexamen voor den nieuwen twee-jarigen cursus van de Rijkslandbouwhuishoudschool op de Rollecate te den Hulst zijn van de 48 deelneemsters er 20 toegelaten.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 29 januari 1929:
Handelsregister K.v. K. en Fabr. Noordel. Overijssel.
Nieuwe inschrijvingen:
E.G. ten Kate te Nieuwleusen, B 111.
Smederij en rijwielhandel.


Jaargang 7 nummer 2 juni 1989

Omslagfoto: Een tekening van het Union-complex.

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

DE FAMILIE VAN DEN BERG EN DE UNION, deel IV _________________________________________________________

B.J. van den Berg

GROTERE ZAKEN

In 1918 was alles duur en schaars. De Duitsers betaalden hoge prijzen voor koeien en paarden. Alle kaas en boter ging over de grens. Voor Nederland was het de tijd van de eenheidsworst. De prijzen van de rijwielen waren opgelopen tot twee- à driehonderd gulden. De eerste gekleurde fiets, beige met zwarte bies, deed ƒ 325,= en was de trots van de firma.
Duitsland leverde onder meer rijwieldelen en carbidlampen tegen onze landbouwproducten, maar geen artikelen waar leer aan was verwerkt. Leer was nodig voor de oorlogsvoering. Zadels waren derhalve moeilijk te krijgen; wel was aan onderstellen te komen, maar in Nederland was geen zadelfabriek van enige betekenis.
De omzet van de Union Rijwielfabriek, Firma B.J. van den Berg, beliep meerdere tonnen. Voor het nodige bedrijfskapitaal en de verdere financiering zorgde het oude bankiershuis A. van Deventer & Zn. te Zwolle, terwijl de zadelfabrikant de heer L. Sr. te Bielefeld een groot bedrag bij Union veilig had belegd als geheim vluchtkapitaal, een appeltje voor de dorst, voor het geval Duitsland mocht verliezen.
Firmant J. van den Berg kwam in contact met leerlooier 0. en technicus B. uit Meppel, die het initiatief hadden genomen om zadels te maken. Grote leveringen van zadelveren enz. waren voor de firma mogelijk, mits in het kapitaal van de N.V. 0 & B werd deelgenomen. Hiertoe werd besloten. Het leek een winstgevende affaire. Ook neef W.A. en de heer L. Sr. namen aandelen. Al spoedig bleek meer bedrijfskapitaal nodig te zijn. Om die reden tekenden de aandeelhouders ter wille van het bankkrediet een hogere borgstelling. Na enige jaren bleken de directeuren van de N.V. 0 & B niet capabel en in sommige gevallen zelfs lichtzinnig, met als gevolg dater grote verliezen ontstonden die uiteindelijk een gedwongen liquidatie tot gevolg hadden. De borgstelling was tenslotte alleen op Union te verhalen. De aandelen waren waardeloos. Het was een zwaar verteerbare strop! Nadien is dan ook nooit meer een borgstelling getekend.

November 1918: plotseling wapenstilstand en revolutie. De kronen van koningen en keizers rolden over straat. De staatsgreep van Troelstra mislukte. Aan Hare Majesteit Koningin Wilhelmina werd op het Malieveld in Den Haag aanhankelijkheid en hulde bewezen. In Nederland kwam dus geen revolutie en de gemoederen kalmeerden.
De nasleep van de strijd, de adembenemende Spaanse griep, vroeg meer slachtoffers dan de hele wereldoorlog, ook in ons land en naaste omgeving, ook onder het personeel van Union.
In zaken rezen zware zorgen om een verwachte prijsval, terwijl juist grote voorraden van inferieure kwaliteit aanwezig waren. De bankschuld was hoog en bovendien was er nog een schuld aan L.
De grossiers hielden echter het hoofd koel. Het niet verwachte gebeurde. Door het grote tekort aan onderdelen bij de handel, liepen zelfs de prijzen in de rijwielbranche op. Binnen drie jaar was de oude voorraad met een flinke winst opgeruimd, de bankschuld afgelost en L.'s vordering uitgekeerd. Juist toen werd bedrijfskapitaal gevormd; een pleister op de wonde van de Meppel-affaire. Niet alle branches kwamen de reactie van de oorlog evengoed te boven. Meerdere kredietinstellingen werden eveneens de dupe. Het oude bankiershuis A. van Deventer & Zn. incasseerde strop op strop en liquideerde. De N.V. kwam terecht bij Buisman & Gratema. Na een jaar was deze bank eveneens noodlijdend, onder meer door een tekort van meer dan twee ton bij de Fantasiefabriek te Dedemsvaart. De Twentsche Bank nam de zaken over. Zelfs de grote Rotterdamsche Bank raakte in moeilijkheden, zodat de regering moest ingrijpen.
Het voor en tegen van "grotere zaken" was duidelijk ervaren. In 1920 was de firma al omgezet in een familie-N.V., de directeuren en de "oude moeder" moesten tegenover de bank hun privékapitaal cederen. Het waren riskante tijden geweest toen niet alleen een prijsval van de goederen voor de deur stond, maar tevens de aansprakelijkheid der borgstelling slapeloze nachten veroorzaakte. Nadien was men wars van alle speculatie en toch ..... zaken doen is risico nemen, durf!
Na de nederlaag ervoeren de Duitsers wat het is een oorlog te verliezen. De Mark devalueerde, zodat ten leste voor einhundert millionen mark slechts een zakdoek te koop was. Duitse technici hadden naam gemaakt en waren gevierd in Holland. E. Sudhölter, voorheen werkzaam bij de rijwielfabriek Göricke te Bielefeld, trad op 1 december 1919 als bedrijfsleider in dienst.
In 1920 werden de statuten van de op te richten N.V. Union Rijwielfabriek, voorheen Firma B.J. van den Berg, in de Staatscourant gepubliceerd. Het aandelenkapitaal bedroeg ƒ 500.000,=, terwijl hiervan ƒ 301.000,= werd volgestort. Ieder van de broers kreeg 100 aandelen en de moeder 1 aandeel. Het gehele bezit der firma werd ingebracht. Vier directeuren en twee procuratiehouders werden benoemd. Bij afdeling rijwielen werd B.J. van den Berg als president-directeur belast met algemeen beheer, speciaal de hoofdboekhouding en de financiën. Directeur J. van den Berg werd hoofd van de vertegenwoordigers en klantenbezoek en directeur P. N. Baltus kreeg organisatie en inkoop en werd Chef de bureau.
De afdeling bouwmaterialen kwam onder leiding te staan van directeur E. van den Berg. Hij werd belast met de algehele leiding en kreeg daarbij assistentie van de boekhouder.



De periode 1924 - 1930 kenmerkte zich door rust en gestage ontwikkeling. Het 25-jarig best1aan van de zaak werd feestelijk herdacht op 27 juli 1929. Bij deze gelegenheid werd de oorspronkelijke oprichter geëerd door de aanbieding van zijn in koper gedreven portret. De statistiek van omzet en productie vanaf 1916 geeft een interessant beeld van de goede en kwade jaren van het bedrijf. De financiële positie werd in deze tijd bijzonder versterkt omdat geen winst werd uitgekeerd en er daardoor geen belasting was te betalen. De winst bleef in de zaak en werd aan de reserve toegevoegd.
In de vrije tijd was de kegelclub "Anti Poedel" het wekelijkse verzetje. Directeur B.J. van den Berg gaf zich tevens voor het algemeen belang als wethouder van de gemeente Nieuwleusen en onder andere als secretaris van de vereniging "Het Groene Kruis" en Ziekenfonds "De Voorziening".

De Prov. Ov. en Zwolsche Courant deed in haar editie van dinsdag 30 juli 1929 uitgebreid verslag van het zilveren jubileum van de N.V. Union Rijwielfabriek:
Vrolijk wapperde Zaterdag de Hollandsche driekleur van de gebouwen der N.V. Union Rijwielfabriek v/h firma B.J. van den Berg te Den Hulst. Dien dag werd het 25-jarig bestaan van de fabriek herdacht, en tevens het 25-jarig huwelijksfeest gevierd van den oudsten directeur en zijn echtgenoote, den heer en mevr. B.J. van den Berg. Eigenlijk was het doel dit feest ongemerkt te laten voorbijgaan. Dit heeft het personeel echter niet gewild. De fabriek heeft in de 25 jaar van haar bestaan een groote vlucht genomen. In het begin voerde de fabriek den naam Union Rijwielfabriek firma B. J. van den Berg, later werd ze omgedoopt in een N.V. Eerst was de fabriek gevestigd in een pakhuis waarin men bouwmaterialen had opgeslagen. Langzamerhand kwamen er rijwielen etc. bij. Later werd echter begonnen met de fabricage van rijwielen en deze fabricage heeft de fabriek langzamerhand enorm doen uitbreiden en aan haar een naam gegeven, waarop de directie met trotsch kan neerzien. Niet alleen de rijwielenbranche, doch ook de afdeeling bouwmaterialen, welke een zeer groot onderdeel vormt van de vennootschap en welke eigenlijk dit jaar 50 jaar heeft bestaan. Inbegrepen de eerst gevestigde zaak te Nieuwleusen, opgericht door wijlen den heer B.J. van den Berg, vader van de heeren Van den Berg, heeft zich zoodanig uitgebreid, dat deze afdeeling Den Hulst en een uitgebreide omgeving van bouwmaterialen voorziet. De gebouwen der N.V. welke eerst klein waren, werden in den loop der jaren eveneens aanmerkelijk uitgebreid.

Zaterdagmorgen om 11 uur kwamen de employe's bijeen in het feestelijk versierde kantoor der fabriek, waar de Jubilarissen met hun families hadden plaats genomen. De heer E. Sudhölter, bedrijfsleider der rijwielafdeling, voerde namens alle employe's het woord, die den groei van het bedrijf schetste, en hulde bracht aan het initiatief en het doorzettingsvermogen der heeren Van den Berg. Spreker wenschte mevr. Van den Berg geluk met haar herstel. feliciteerde bruid en bruidegom met hun zilveren huwelijksfeest en de oude mevrouw Van den Berg met dit feest, met de broederlijke eensgezindheid en de resultaten van het werk harer drie zonen.
Tenslotte huldigde spr. den heer B.J. van den Berg als oprichter en bood hem een album met handteekeningen aan en een gedenkplaat. Deze bestaat uit een goedgelijkend één meter hoog portret van den heer B.J. van den Berg geslagen in koper met onderschrift: "1904 Juli 1929 . Aangeboden door het personeel aan zijn directeur en oorspronkelijken oprichter B.J. van den Berg BJzn. ter gelegenheid van het 25 jarig bestaan der fabriek." De plaquette is een fraai stuk werk van de kunstbronsgieterij Prowaseck en Stoxem te Leiden. Allen waren verrast over de prachtige plaquette en de heeren Van den Berg waren zeer ontroerd. De heer B.J. van den Berg dankte den spreker voor zijn hartelijke en gevoelvolle woorden en de aangeboden keurige cadeaux en hoopte, dat de aangename samenwerking tusschen personeel en directie mocht blijven bestaan zooals die nu is. Hierna werd door een der reizigers een lied, betrekking hebbende op de Union fiets gezongen, waarna allen werden onthaald, en nog eenigen tijd gezellig bijeen waren.

Des middags was er een receptie voor het huwelijksjubileum. Velen kwamen het jubileerende echtpaar hun gelukwenschen aanbieden, terwijl er eveneens receptie was voor de jubileerende fabriek, zoodat ook de verschillende directeuren en hun families de gelukwenschen in ontvangst hadden te nemen. Van vele zijden ontvingen de heer en mevrouw Van den Berg, alsmede de directie der fabriek, cadeaux, w.o. vele bloemstukken, bloemmanden enzovoort.
Des avonds brachten verschillende vereenigingen en corporaties een bezoek aan de jubileerende. De muziekcorpsen Crescendo en de Broederband, de kegelclub Anti­poedel en de vereeniging Volksonderwijs deden van haar belangstelling blijken. Eerst werden de jubilarissen door den heer Ennik namens Volksonderwijs toegesproken, die hun een prachtige bloemenmand aanbood. Daarna werden door de directeuren van de beide muziekcorpsen, de heeren Meijer en Hiemstra, het woord gevoerd. De muziekcorpsen speelden enkele nummertjes, waarna zij op het groote kantoor tezamen kwamen en werden onthaald. Daar hebben de beide corpsen gezorgd voor opluistering van het feest. Tot ongeveer half twaalf werd het feest voortgezet, waarna men nog geruimen tijd in intiemen kring gezellig bijeen was.


wordt vervolgd

* * *

'T BLOK _________________________________________________________

Mini A. Tuur


- 1937 -

Wij stonden op het paadje, jij en ik:
een tenger meisje en een groot onhandig blok.
Jij bleef maar klein, maar groeien deed je wrok
tegen dat "slome stomme houten blok".

Je pa had, nood maakt vindingrijk,
een grote fiets voor jou op maat verbouwd;
twee blokken hout, verbonden door een bout.
Zo kwamen trappers binnen "voet bereik".

Die bout stak, -vond jij- méters ver naar buiten!
Dus borg je de creatie heel discreet
onder je rok .... Maar wie peilt kinderleed
als lange jongens dan nog pestend naar je fluiten!

Ik hielp je goeiïg, want ik had met jou beklag,
"in 't zadel", maar jij knarste
dat ik voor jouw part wel gelijk kon barsten.
Zo fietsten wij het dorp door .... dag na dag.

- 1989 -

Nu, liggend tussen mot en stof en rag,
vermolmd, gebarsten (inderdaad) en afgedaan
zie 'k je vergrijsd door 't oude woonhuis gaan.
Dan streel je mij vertederd .... 'k schrik .... ,jij lacht!


* * *

UIT DE RAADSNOTULEN _________________________________________________________

J.W. de Weerd

2e deel: HET JAAR 1941

De eerste jaarvergadering in dit jaar vond plaats op vrijdag 28 februari. Bij de ingekomen stukken is een verslag van de Commissie tot Wering van Schoolverzuim over 1940, waaruit blijkt dat er veertien gevallen van schoolverzuim waren geweest, te weten o.l.s. A 2; o.l.s. C ·2; o.l.s . D 3; bijz.school A 1; en bijz.school E 5. Het 14e geval betrof de ULO school te Dedemsvaart. De o.l.s. B en bijz.scholen B en C hadden geen verzuim te melden.
Een verzoek van de heer H. Krul, wonende E 4lc, om een tegemoetkoming in de kosten van vervoer van zijn twee kinderen over een afstand van meer dan vijf kilometer naar school B in Ruitenveen, wordt gehonoreerd met ƒ 10,=.
De Christelijke lagere landbouwschool in Dalfsen krijgt over 1940 ƒ 100,= subsidie voor zeventien leerlingen uit Nieuwleusen. Tot dusver werd de helft van dit bedrag gegeven.
Door de Secretaris-Generaal van Binnenlandse Zaken is een tijdelijke toelage op het salaris van rijkspersoneel verleend. Dienovereenkomstig doen B & W het voorstel tot een tijdelijke toelage van 6% op de bruto jaarwedde voorzover dat, inclusief de toelage, niet te boven gaat aan een bedrag van ƒ 1900,=. Na enige discussie, waarin de opmerking van een raadslid dat iemand met ƒ 3000,= zich beter kan redden dan iemand met ƒ 1900,=, gaat de raad met het voorstel akkoord.
Op 14 april 1941 zal de overeenkomst aflopen met de Nederlandsche Thermo Chemische Fabrieken in Amsterdam inzake de destructie van afgekeurd vee en vlees. Genoemde fabriek wil gezien de tijdsomstandigheden op korte termijn een nieuwe overeenkomst afsluiten tot 31 december 1942. De raad kan zich hierin vinden.
Er zijn verzoekschriften ingekomen van de Hulpvereniging van de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs te Nieuwleusen, de Vereniging voor Christelijk Onderwijs te Den Hulst en de Vereniging tot Stichting en Instandhouding van Scholen met de Bijbel te de Meele om gelden ter beschikking te stellen voor het inrichten van terreinen voor het onderwijs in lichamelijke oefening, aanschaffing van leermiddelen, enz. De raad neemt het voorstel van B & W over om de gevraagde medewerking voor o.a. het maken van een tegel- of klinkerverharding bij alle scholen te verlenen en tevens voor het huren van een stuk land in Ruitenveen ten dienste van de bijz. scholen A en B en de o.l.s. B. Tevens wordt goedgevonden om een zelfde bedrag, te weten ƒ 1250,=, voor dezelfde doelstellingen uit te trekken voor de openbare scholen.
Naar aanleiding van ingekomen verzoeken wordt goedgevonden de aanslagen schoolgeldbelasting 1940 te verlagen van: P. Grooteboer, A 264, van ƒ 39,90 tot ƒ 5,70
J.W. Potjes, B 60, van ƒ 8,10 tot ƒ 3,=
C. van Donkersgoed, C 105, van ƒ 40,50 tot ƒ 15,=
J. Bosch, C 211, van ƒ 3,90 tot ƒ 1,50
H. Prins, C 9, van ƒ 10,= tot ƒ 6,=
A. Paasman, A 51, van ƒ 28,50 tot ƒ 15,=
R. Compagner, D 82, van ƒ 9,50 tot ƒ 3,=
H.J. Meijerink, C 128, van ƒ 5,70 tot ƒ 3,=
H. Klein, C 217, van ƒ 8,10 tot ƒ 3,=
Wed. Kuterman-Nijboer, D 8a, van ƒ 6,= tot ƒ 4,=
J. Bijker, A 195, en H. Koekkoek, C 194 , krijgen algehele ontheffing van hun aanslag van resp. ƒ 12,= en ƒ 3,90.
R. Wink, D 40, is minder gelukkig, zijn verzoek wordt afgewezen.
Tot slot van de vergadering deelt de voorzitter nog mee dat de leider van de distributiedienst met hem voor een commissie in Zwolle is geroepen om de gebreken in de functionering van die diensten (vooral in Overijssel schijnt er nog al wat te haperen) en de begroting voor 1941 te bespreken. Daar is de heer Fleurke van het Nieuwleusense distributiebedrijf meegedeeld dat zijn kring tot de beste in de provincie behoort. Ook de burgemeester is tevreden over Fleurke. Hij zegt het voor het gemeentebestuur een rustig idee te vinden dat de leiding van het distributiekantoor in goede handen is.

Twee maanden na de eerste vergadering heeft op dinsdag 28 april de volgende plaats. Uit een ingekomen verslag over 1940 van het Agentschap der Arbeidsbemiddeling blijkt dat er in Nieuwleusen weinig werkloosheid voorkwam. Van 25 werkgevers werden aanvragen ontvangen, waarvan er 17 konden worden gehonoreerd. Naar Duitsland zijn vier arbeiders in de bouwvakken bemiddeld, waarvan er twee terugkeerden. In de landbouw waren dat er vijf en eveneens twee die spoedig terug kwamen. Het aantal georganiseerde arbeiders steeg van 79 tot 84. De arbeiders waren verdeeld over 12 werklozen­kassen. Door 5 bonden werden geen uitkeringen gedaan. Totaal werd er voor ƒ 1710,20 uitgekeerd.
In Ruitenveen is een terrein gevonden van ca. 40 x 60 meter voor het gymnastiekonderwijs. De heer H. Alteveer BJzn. te Staphorst wil dit perceel wel voor drie jaar verhuren à ƒ 50,=. Onder toezicht van de Heidemij zal de grond geëgaliseerd worden. De raad gaat akkoord.
Ook heeft men geen moeite met de voorgeschreven regeling van het departement van Sociale Zaken inzake hulp aan werklozen en B-boeren. Voor de 12 werklozen mag ƒ 6,50 per persoon worden uitgetrokken voor hulp in de vorm van kleding, dekking en schoeisel. Van dit bedrag kan ƒ 4,50 op het departement worden verhaald. Aan de 66 kleine boeren mag ƒ 3,25 per boer worden besteed, waarvan ƒ l,= voor rekening van de gemeente komt.
Het tweejarig contract met de gemeentegeneesheren zal op 1 juni aflopen. De doktoren G.R. Dekker en J.M. Schuringa wensen een vaste aanstelling met het oog op het aantal dienstjaren dat wel eens zou kunnen meetellen voor een eventueel pensioen. Hiertoe wordt besloten en G.R. Dekker, arts te Nieuwleusen, krijgt de gebieden Nieuwleusen, Ruitenveen en het gedeelte van het ruilverkavelingsgebied ten zuiden van de Meeleweg en Veenekampenweg. Het noordelijk gedeelte samen met Den Hulst en de Meele wordt toegewezen aan dokter Schuringa te Den Hulst.
Omdat de bouwopzichter, de heer M. Goselink, is overleden, moet in de vacature worden voorzien. Van hogerhand is de wens uitgesproken op dit gebied samen te werken met Avereest. De nieuwe technisch ambtenaar zal ƒ 2550,= per jaar verdienen met een tweejaarlijkse verhoging van ƒ 63,= tot een maximum van ƒ 2865,=. Verder zal hij een motortoelage van ƒ 240, = krijgen. De kosten moeten voor 1/3 deel door Nieuwleusen gedragen worden. De raad gaat akkoord na eerst nog gediscussieerd te hebben over de woonplaats van de man, de oppervlakte van het werkterrein en of er in eigen gemeente niet iemand te vinden is. In de vergadering van augustus zal een schrijven van Gedeputeerde Staten worden behandeld over een wijziging


Wethouder H. Prins.

van de regeling. De aan te stellen ambtenaar zal niet voor particulieren mogen werken, de wedde zal jaarlijks worden verhoogd en de motortoelage zal alleen worden uitgekeerd als hij ten behoeve van de dienst in het bezit van een motor is en er voor dat doel gebruik van maakt. Ook deze wijziging wordt dan aanvaard.
Aan Maria de Wit wordt op haar verzoek wegens huwelijk per 1 mei eervol ontslag verleend als onderwijzeres aan o.l.s. A. Ook aan de heer G.H. Krol, agent der arbeidsbemiddeling, wordt per dezelfde datum eervol ontslag verleend in verband met het instellen van gewestelijke arbeidsbeurzen.
Tot slot van de vergadering geeft de voorzitter aan de hand van een kaart nog inlichtingen over het rangeerterrein dat de Nederlandse Spoorwegen voor het grootste deel binnen de gemeentegrenzen wensen aan te leggen en het dientengevolge omleggen van de straatweg naar Zwolle, het vervallen van overwegen, enz.

Op zaterdag 28 juni om 10 uur 's morgens heeft de volgende vergadering plaats. Bij de ingekomen stukken is een anoniem schrijven, waarin verbetering van het rijwielpad langs de Steenwetering wordt gevraagd, maar dat niet in behandeling wordt genomen.
In verband met zijn benoeming aan een meisjes-ULO te Zwolle wordt aan de heer H.J. van Strien op zijn verzoek eervol ontslag verleend als hoofd van de o.l.s. A. Besloten wordt per 1 september op zijn verzoek de heer J.H. Katerberg over te plaatsen als hoofd van o.l.s. B te Ruitenveen naar o.l.s. A aan het Oosteinde. Verder krijgt de heer J. Ph. Ilmer, die al tijdelijk onderwijzer aan o.l.s. D in de Meele was, een vaste aanstelling per 1 juli. Juffrouw M. P. Hertel uit Vaassen wordt uit drie kandidaten gekozen als onderwijzeres aan o.l.s. A. Een van de drie kandidaten is ook mej. M.F. Leemans uit Amersfoort, die als zodanig de plaats van mej. A.H.K. Visser kan innemen op de dag waarop aan de laatste eervol ontslag zal worden verleend.
Het bestuur van Het Groene Kruis heeft een verzoek ingediend om subsidie. Over 1940 was er al een tekort van ƒ 470,= en voor het lopende jaar is dat geraamd op ƒ 895,=. De voorzitter wijst op het nut van de vereniging. De uitzending van patiënten naar sanatoria gebeurt steeds door Het Groene Kruis in samenwerking met de gemeente en vaak met steun van de kerkelijke Armbesturen. Het werk van de wijkzuster acht men van grote betekenis en onmisbaar. Reeds vele jaren was Het Groene Kruis subsidie verleend, maar deze vereniging werd ook getroffen door het besluit alle subsidies in te trekken in verband met de minder gunstige financiële omstandigheden van de gemeente. De raad besluit Het Groene Kruis in 1941 met ƒ 500,= tegemoet te komen.
Tenslotte wordt naar aanleiding van een ingekomen schrijven van de winkeliersvereniging "Steunt Elkander" besloten dat de winkels op zaterdag om 8 uur 's avonds gesloten moeten worden.

Vrijdag 8 augustus, 's avonds om 8 uur, komt de raad weer bijeen. Aan mevrouw A.K.H . Klinge-Visser te Nunspeet wordt op haar verzoek eervol ontslag verleend als lid-secretaresse van de plaatselijke commissie toezicht lager onderwijs.
Van de directeur-generaal van de voedselvoorziening is bericht ontvangen dat aan de gemeente geen ontheffing kan worden verleend van de verplichting tot het inzamelen van zogenaamde huishoudbeenderen. B & W hebben daarom een verordening opgemaakt die door de raad wordt vastgesteld.
Nu het hoofd is benoemd aan school A, moet er aan o.l.s. B een nieuwe worden aangesteld. Er blijken 14 sollicitanten te zijn waarvan de heer J. van Aarst uit Nieuwleusen als eerste op de voordracht is geplaatst. Hij wordt met 9 tegen 2 stemmen benoemd. Gelijktijdig krijgt hij eervol ontslag als onderwijzer aan o.l.s. A. Op 1 september zal de gemeenteveldwachter H. Holties zijn 25-jarig jubileum vieren. Voor een aan hem aan te bieden geschenk stelt de raad hoogstens ƒ 125,= beschikbaar. Er zal getracht worden aan de jubilaris een gouden horloge met ketting aan te bieden. De voorzitter zegt voor alle zekerheid eerst even bij Gedeputeerde Staten te zullen informeren of er geen bezwaren zijn tegen deze uitgave.
En dit is voor langere tijd het laatste besluit dat de gemeenteraad zal nemen. De omstandigheden laten een in september geplaatste vergadering niet meer toe. De raad krijgt geen gelegenheid de notulen van 8 augustus vast te stellen. Dit gebeurt nu door burgemeester Backx. Wethouder H. Prins ondertekent mede. Pas na de oorlog, op 20 november 1945, zal de volgende raadsvergadering worden gehouden.

wordt vervolgd

* * *

DE BEWONERS VAN HET SPIEKER OF ERVE KLAASSEN _________________________________________________________

A.J. van Spijker
G. Hengeveld

De oudst bekende bewoners van het Spieker, vroeger het erve Klaassen, zijn Peter Hendriks en Geertjen Egberts, die ook wel eens Grietje wordt genoemd. Peter Hendriks is al eerder getrouwd geweest en wel op 3 mei 1712 met (vermoedelijk) Aaltjen Berends. Van haar heeft hij al een zoon, die op 10 juni 1714 is geboren en de naam Hendrik kreeg.
Als weduwnaar trouwt Peter Hendriks op 2 mei 1717 met Geertje Egberts. Zij krijgen vijf kinderen, van wie de middelste, Klaas, op de boerderij blijft wonen.
Claes Peters trouwt op 9 mei 1762 met Aaltjen Claes, eveneens woonachtig op Ruitenveen. Hun oudste zoon, Claas Claassen, is de volgende bewoner van het erve Klaassen. Hij trouwt op 26 maart 1789 met Willemtjen Coobs, jongedochter te Nieuwleusen. Wanneer zij trouwen is de naam Van Spijker nog niet in gebruik, maar als men in 1812 verplicht wordt een achternaam te kiezen, vinden we in het register van naam-aanneming dat Klaas Klaassen te Nieuwleusen de naam Van Spijker aanneemt en wel voor zichzelf en zijn kinderen Willemijntje, oud 22 jaar; Aaltje, oud 18 jaar; Jentje, oud 14 jaar en Jan Thijs, oud 12 jaar.
Ten tijde van Klaas Klaassen behoort het Spieker tot de grotere erven van Nieuwleusen, de boerderij wordt althans er een boven het gemiddelde genoemd.
Willemtje Koops laat op 19 februari 1841, 's avonds om elf uur, notaris Mr. Coenraad Willem van Dedem bij haar thuis komen om haar laatste wilsbeschikking op te maken. Ten overstaan van de notaris en Berend Schutte, landbouwer, en Jan Timmerman, timmerman, beiden te Nieuwleusen, verklaart zij dat haar zoon Jan Thijs de enige erfgenaam van de na te laten goederen zal zijn. Haar drie dochters, van wie Aaltje al is overleden, zullen een bedrag in geld uitgekeerd krijgen.
Op 19 december 1820 treedt Jan Thijs van Spijker in het huwelijk met Femmigje Nijman. Zij krijgen twaalf kinderen van wie Willem op de ouderlijke boerderij komt.



De boerderij van de familie Van Spijker.

Hij trouwt op 27 maart 1869 met Hermina Schuurman, die hem een tweeling schenkt waarvan er een jong sterft. De andere, Jan Thijs, wordt de opvolger op de boerderij. Jan Thijs van Spijker trouwt op 28 april 1898 met Hendrikje Luten. Zij krijgen twee zoons, Willem en Lucas, die allebei ongehuwd overlijden. Daarnaast worden er nog vijf dochters geboren. Geen van hen blijft op de boerderij, zodat dit gezin de laatste familie Van Spijker is die de ouderlijke plaats bewonen.
De boerderij wordt daarna verkocht aan Gerrit Jan Kragt, die gehuwd is met Roelofje Bloemhof. Later, als zijn vrouw overleden is, woont hij er met zijn huishoudster, Jantje Bosma, die het altijd met hem eens is. Ze zei heel vaak: "'t Is krek zo Kragt seit."
In de periode Kragt woont het echtpaar Jan Brouwer en Mientje Dommerholt gedurende de tijd dat hun eigen woning verbouwd wordt als tweede gezin op de boerderij.
Meer bewoners heeft het huis niet gehad. Tijdens een zware storm, de Stichting Oud Nieuwleusen was toen al eigenaar, is de boerderij in elkaar gestort.
NB: Op de plek van de boerderij, Westerveen 39, is een nieuw huis gebouwd.

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO VIII _________________________________________________________

Leerlingen van de Meeleschool omstreeks 1915 of 1925?.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
 
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  

Klaasje Mijnheer
Lambertus Mijnheer

Arend Timmerman
Juffrouw Mulder
Meester Hendrik Jan Minkjan
Bennie Otterman

Gerrit Jan Meesters

Gerrit Kappert
Hendrik Brasjen
Arend Brasjen
Meester Reinders

15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  

Marinus Otterman
Klaas Jonkers
Jan Kijk in de Vegt
Eefje Kijk in de Vegt
Hendrik Meesters
Willem van de Kolk
Hilligje van de Kolk
Jentje Kijk in de Vegte
Klaas Brasjen
Jo van de Kolk
Roelof Brasjen

Luuks of Lucas Kin
Marie Ganzeboer
Klaas Rumpf

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES X _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma



No’u kump ’t schaope-
scheer’n
an.


Nú komt 't er op aan!
Nu komt ’t moeilijkste deel van
dit karwei.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 26 april 1928:
Burgerlijke stand van Zwollerkerspel.
Elders ondertrouwd: D. Kappert te Nieuwleusen en A. van Dijk, onlangs te Spoolde.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 1 juni 1923:
Kantongerecht Zwolle.
31 Mei. P.N.B., directeur eener rijwielfabriek te den Hulst (Nieuwleusen) terzake overtreding der arbeidswet tot ƒ 2,-- of 2 dagen.
W.D., metaaldraaijer te den Hulst (Nieuwleusen) terzake overtreding der visscherijwet, tot ƒ 3,-- of 3 dagen en met verbeurdverklaring van den hengel.


Jaargang 7 nummer 3 september 1989

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

DE FAMILIE VAN DEN BERG EN DE UNION, deel V _________________________________________________________

B.J. van den Berg

DONKERE TIJDEN

Einde 1929 luidde een economische wereldcrisis in. Een geweldige depressie vond haar oorsprong door een krach op de Effectenbeurs in New York. Het "gehuil" van de vertwijfelde zakenlieden was op grote afstand buiten het gebouw te horen. Menig koopman werd in één dag loopman. Hoewel allerwege de grondstoffen en aandelen kelderden, wist niemand hoe verstrekkend de gevolgen zouden zijn.
De directie van de Union bleef kalm afwachten. Waren er in 1919/1921 ook geen onnodige zorgen gemaakt? Op de balans stond een prachtige reserve, een aardige spaarpot en zelfs nog een begin voor een pensioenfonds, gereserveerd, zonder verplichting, voor het personeel ter gelegenheid van het zilveren jubileum.
Als bewijs van "zie de zonzijde" werd over het boekjaar


1929/30 2½ procent dividend uitgekeerd (de fiscus wilde wel eens wat zien) en ook het grote gebouw, voor magazijn en grossierderij, annex verbouwing woning van de heer J. van den Berg, aanbesteed. Ongeveer 35 mille werd daardoor geïnvesteerd.
Natuurlijk liep de omzet terug, dat was begrijpelijk. De prijzen konden ook lager, die van grond- en hulpstoffen waren aanmerkelijk gezakt! Maar ook de concurrentie plaatste advertenties: "Onze schoorstenen roken nog, de prijzen gedrukt!" Hele pagina's van Burgers in de dagbladen, met een grote duim op de prijs. Lager, lager, laaaaager!
Laag was ook de prijs van de gebouwen, bossen en terreinen van het landgoed van wijlen Baron van Dedem, De Rollecate, dat publiek geveild werd. Daar kon geen bloed uit vloeien. Union bleef hangen aan de "koeienstal met bosgrond". Wat een werk en zorg om er zonder kleerscheuren weer af te komen. Toch was ƒ 9000,= "geen geld" voor zo'n complex, maar wat moest men er mee? Renteloos! Het lang gerekte stuk grond met jonge eiken is eigendom gebleven.
Directeur Baltus kreeg de speculatiekoorts te pakken en werd bezeten door bomen en bosgrond. De slechte zaken aan de fabriek maakten een mens immers wanhopig. Een gevolg was dat de inkoper de voorraden niet meer beheerste, overbodige inkopen deed en daardoor door de aanhoudende waardevermindering voor nog grotere stroppen zorgde. De leveranciers moesten het bezuren, chicanes op chicanes (chicane = vitterij). Union was een lastige klant en die moest gemeden worden.
Tot overmaat van ramp kwamen tientallen rijwielen terug wegens roestend lakwerk en meer dan 1300 voorgemonteerde frames moesten over behandeld worden. Grondlak van 180° en aflak van 220° was fout gezien van de inkoop. Zeker, het buizenmateriaal werd er niet beter op, maar doodstoken van de grondlak, ondanks waarschuwingen, was erger dan eigenwijs.
Bezuiniging tot en met. Eén procuratiehouder kon gemist worden en werd vertegenwoordiger. Het kantoorwerk kwam er wel om klaar. Tientallen mensen werden "met bloedend hart" ontslagen ..... er was geen werk. Een noodzakelijke kern van het personeel moest aangehouden worden, dus maar om de andere week werken en .... 't was nog te veel. Loonsverlaging op loonsverlaging, de directie incluis, om de kosten te drukken.
De algemene werkloosheid was ongekend: stempelen, armoede! Een Union fiets compleet voor ƒ 34,75 particulier. En voor de handel 30 % korting plus omzetbonus plus l½ procent contant, uitgekiend tot op een halve cent. De rijwielhandel kon 4 Unions bemachtigen voor nog geen honderd gulden! Maar er was bijna geen verkoop en daardoor faillissementen voor en na. De jaarbalansen van 1932 tot 1934 van alle bedrijven gaven een droevig beeld, ook die van Union. De N.V. teerde alle reserves op, ook de ƒ 2500,= van het goedbedoelde pensioenfonds. De balans per 31 augustus 1934 toonde het dieptepunt: een ongedekt tekort.



De oorspronkelijke oprichter zag zijn levenswerk wankelen. Het kostte hem zijn zenuwen en de noodzakelijke ontslagen van oudgedienden, zijn nachtrust. Waar zou het eind zijn? Zijn gezondheid leed onder deze toestand, de oude maagkwaal kwelde als nooit tevoren. Gelukkig was zijn zoon Bernard inmiddels te Zürich afgestudeerd als ingenieur en kwam als assistent hem terzijde staan.
Op een privé-avondconferentie, die tot diep in de nacht duurde, werd een tot in de finesses uitgewerkt plan opgesteld. Om één punt te noemen: direkteur B.J. zou de inkoop zelf verzorgen! Dat had spoedig verstrekkende gevolgen.
Blunders kwamen te laat aan het licht. Directeur Baltus werd met ziekteverlof gezonden en op 30 juni 1934 ontslagen. Alle administratieve rompslomp werd overboord gegooid en er werd als het ware opnieuw begonnen. Kochten de mensen geen nieuwe rijwielen, de z.g. kopersstaking, toch moesten hun oude fietsen blijven rijden. De grossierderij werd de spil van de N.V. Langzaam maar zeker kwam het herstel. Op de balans van 31 augustus 1935 was de winst voldoende om het ongedekte verlies te doen verdwijnen. De bank werd minder lastig. Het ging al delvende opwaarts. Dag en nacht werd gewerkt aan de wederopbouw; gestreden­gebeden.
Na een radiopreek beaamde B.J. de woorden: "De mens is als een verdwaald vogeltje in de hand van zijn Redder. Het angstig hartje bonst nog als het in ongedachte vrijheid reeds in een heg is gezet."



EEN ZWAAR VERLIES

De klappen in de crisistijd werden zwaar gevoeld en niet alleen materieel. Op 25 augustus 1932 overleed de oude Mevrouw Hendrikje van den Berg, geboren Blik. Betreurd maar niet beklaagd, want ze had de gezegende leeftijd bereikt van 88 jaar.
Een zware verliespost voor afdeling Bouwmaterialen was het betrekkelijk plotseling overlijden op 1 februari 1934 in de kracht van zijn leven van Mijnheer Evert, de jongste broer. Hij was slechts 51 jaar geworden en werd diep bedroefd nagestaard door zijn weduwe, zijn kinderen en familie. Zijn jongste zoon Jan, de eventuele opvolger, was nog op studie.
De maagkwaal van de oudste broer Mijnheer B.J. van den Berg verergerde zodanig, dat in 1936 specialistenhulp moest worden ingeroepen. Het advies luidde: opereren!, waartoe ook werd besloten. Had Mijnheer B.J. het voorgevoel, dat hij niet gezond zou terugkomen uit het ziekenhuis toen hij als afscheid aan zijn zoon en schrijver dezes SAMENWERKING opdroeg? Door de emoties als gevolg van de wereldmalaise had het hart te veel geleden om de operatie te kunnen doorstaan. Een inzinking kwam na enige dagen op 30 maart 1936 .... en ook de oudste broer en oprichter was niet meer.
Op de indrukwekkende begrafenis dag bleek uit de grote belangstelling welk een eminent man hij voor de zaak en de samenleving was geweest. Aan het graf sprak de procuratiehouder namens het personeel woorden van dank en waardering.

De wereld herstelde zich van de grootste economische crisis die de historie heeft gekend. Na de orkaan, die meerdere bedrijven verwoestte, richtte de N.V. Union zich op en nam geleidelijk in de branche een steeds betere positie in. Bekende gezichten namen hun plaats weer in, nieuw personeel werd aangetrokken.
Ir. B.J. van den Berg, geboren op 24 november 1906, werd door de aandeelhoudersvergadering van 15 april 1936 in de vacante directeursfunctie benoemd om zijn vaders plaats in te nemen. Hij huwde op 12 augustus 1937 met mejuffrouw J.B. Hilgen, geboren op 17 oktober 1911.
Rijwielen, motorrijwielen, motordriewielers; de achterstand door de crisis ontstaan, moest worden ingehaald. De productie werd opgevoerd, de prijzen en de omzetten stegen en de fabrieksruimten bleken te klein. In het najaar van 1939 werd besloten tot de bouw van een


nieuwe lakkerij met twee verdiepingen voor montage, biezerij en opslagruimte.
Een nieuwe, geheel andere, depressie (fascisme en nationaal-socialisme) kwam onrustbarend opzetten en bedreigde de wereld. Mussolini en Hitler scherpten op moderne manier hun zwaarden. Het oorlogstuig verslond grondstoffen en deed de werkloosheid verdwijnen. Het Ministerie van Oorlog kocht rijwielen. In augustus 1939 kwam de oorlog: Duitsland viel Polen aan. Door mobilisatie was Nederland paraat.
Het eerste kalendervloeiblad per 1 januari 1940 droeg de tekst:

"De mens lijdt dikwijls 't meest
door 't lijden dat hij vreest
en dat nooit op komt dagen.
Dies heeft hij meer te dragen
dan God te dragen geeft."

Op 10 mei 1940 werd Nederland in de oorlog betrokken. De gevolgen zijn bekend: bloed en tranen. Ook voor Union betekende de oorlog zorg en strijd. Bedrijfsleider Sudhölter eiste salarisverhoging; Arbeitseinsatz; personeel naar de Heidemij; Ausweisen; distributie; prijs- en voorraadcontrole; grondstoffenschaarste en hulpstoffengebrek, maar toch produceren ; Wehrmachtopdrachten ; onderduiken van personeel en goederen; dolle dinsdag en het vertrek van de bedrijfsleider; een gevluchte bedrijfsleider die met legerwagens komt om 550 rijwielen voor Duitsland te vorderen zonder betaling; de ernstige ziekte van directeur Mijnheer J. van den Berg; Sudhölter die terugkeert in februari 1945; trekkers uit hongergebieden. En dan: de bevrijding op 13 april 1945; wel gebogen, maar niet gebroken!

IN MEMORIAM

Mevrouw K. van den Berg-van Hulst overleed, na een ernstige ziekte, op 17 september 1942. (Zij was geboren op 10 januari 1884 en niet zoals op blz. 3 vermeld op 10 oktober.) Mevrouw H.J.T. van den Berg-Hennink overleed op 72-jarige leeftijd op 25 februari 1944 te Leiden. Ook Mijnheer Jan van den Berg overviel een dodelijke ziekte in het laatste oorlogsjaar. Langzaam maar zeker werd zijn lichaam gesloopt.
Toen op 27 juni 1944 de zaak 40 jaar bestond, huldigde het personeel de medeoprichter in intieme kring. Zijn dankwoord getuigde nog van humor. Vlot, vriendelijk, een grapje - zo kende zijn personeel hem en zo kenden zijn klanten hem. Hij beleefde de bevrijding nog, maar kort daarop, op 19 juni 1945, ging hij heen.
Zo liggen op de begraafplaats te Nieuwleusen de drie gebroeders Van den Berg begraven. Zij waren de grondleggers van een grote onderneming die de vele problemen daaraan verbonden onder ogen wisten te zien en te overwinnen. Zij waren de oprichters van een bedrijf dat in Nederland meetelt, aan velen een bestaan verschaft en voor hun geboorteplaats van grote betekenis is geworden. Helaas zijn geen van drieën oud geworden. Op de dag van het gouden jubileum werden uit piëteit door het personeel drie kransen op de graven gelegd.

wordt vervolgd



* * *

UIT DE RAADSNOTULEN _________________________________________________________

J.W. de Weerd

3e deel: HET JAAR 1940

Op 21 februari komen de raadsleden voor de eerste keer bijeen. Bij de ingekomen stukken is een schrijven van de Christelijke Besturenbond en van de Nieuwleusener Besturenbond, waarin wordt verzocht het basis-uurloon in de werkverschaffing te verhogen. Omdat er in de laatste vergadering ook al over was gesproken, had burgemeester Backx informatie ingewonnen in Den Haag. Voorlopig zullen de lonen niet worden verhoogd. Wel is in afwachting van een algehele herziening een toeslag van 5 % verleend. Volgens de loonstaten van december lagen de verdiensten in werkverschaffing tussen ƒ 10,54 en ƒ 13,1O per week. Verhoogd met 5 % toeslag en emolumenten als goedkoop vlees, boter, groenten, B-steun, spaarregeling, feestdagentoeslag, enz., zijn de verdiensten zo slecht nog niet, "ja gelijk of reeds hoger dan de lonen in het vrije bedrijf in deze gemeente en dat geeft te denken"!, aldus de voorzitter. Raadslid Massier vindt het treurig dat de werklozen uit de steden voor hetzelfde werk zoveel meer verdienen dan op het platteland. De stukken worden uiteindelijk voor kennisgeving aangenomen.
Naar aanleiding van een brief van de burgemeester van Zwolle besluit de raad een overeenkomst aan te gaan voor het beschikbaar stellen van noodziekenhuizen in Raalte en Zwolle voor bij luchtaanvallen getroffen personen. Tevens besluit de raad aan B & W blanco krediet te verlenen voor de inrichting van de oude secretarie tot brandweergarage en tot aankoop van een tweedehands auto voor het vervoer van de brandspuit. De heer Massier vraagt of de brandkranen bij strenge vorst bereikbaar zijn. Backx zegt dat hierover reeds in de kranten is geschreven en dat het niet aangaat alle 150 brandkranen dagelijks na te kijken en los te maken. Het is gewoonte bij brand op de plaats van de brandkraan een walletje te maken, daarbinnen benzine te gieten en die aan te steken, waardoor de kraan spoedig ontdooid en te gebruiken is.
Nadat nog een aantal andere onderwerpen zijn behandeld, komt de rondvraag aan de orde, terwijl afgelopen jaar besloten was deze af te schaffen. Eén van de raadsleden kan zich daar niets meer van herinneren en merkt op dat hij dit onderwerp niet meer op de agenda aantreft. Hem wordt erop gewezen dat hij destijds als een der eersten voor het voorstel tot afschaffing van de rondvraag stemde.

In de vergadering van 29 april komt de verpachting van de boerderij A 55 met 2.73.75 HA bouw- en grasland aan de orde. B & W stellen een onbepaalde verlenging van de overeenkomst met A. Bouwman voor voor ƒ 180,= per jaar. Er komt een vraag van raadslid Massier of de grond niet nodig kan zijn voor uitbreiding van de begraafplaats. De voorzitter denkt van niet en bovendien ligt er nog een stuk in reserve dat in huur is bij De Weerd. De raad gaat akkoord.
Dat is ook het geval met het sluiten van een nieuwe overeenkomst met de N.V. Electriciteitsfabriek "IJselcentrale" voor de levering van stroom. Indertijd is, als opvolger van de heer Scheffer, tot tijdelijk administrateur van het gemeentelijk elektriciteitsbedrijf de heer Jansma benoemd tot 15 juni 1940. Bij zijn benoeming is bepaald dat zodra er op de secretarie weer een voldoende bekwaam ambtenaar aanwezig is om de administratie van het bedrijf te voeren, dat aan deze zal worden opgedragen. B & W krijgen instemming met hun voorstel per genoemde datum G.H. Krol, tweede ambtenaar ter secretarie, als zodanig te benoemen op een jaarwedde van vijfhonderd gulden.

Burgemeester Backx wijst in de vergadering van 26 juni 1940 op de nieuw ingetreden toestand sinds de laatste keer dat de raad bijeen was. Hij heeft geen behoefte daar verder over uit te weiden. Wel verzoekt hij de raadsleden een ogenblik van eerbiedige stilte in acht te nemen ter nagedachtenis van de gesneuvelde militairen en andere oorlogsslachtoffers.
De voorzitter deelt mede dat het niet mogelijk is het distributiebureau op het gemeentehuis te houden. De werkzaamheden nemen met de dag toe en de toeloop van het publiek is van dien aard dat op de secretarie niet rustig meer gewerkt kan worden. Het is dan ook nodig dat het bureau wordt verplaatst. De Nederlands Hervormde Kerkvoogdij heeft het Palthehuis beschikbaar gesteld voor ƒ 125, = per jaar en per 1 juli zal de dienst daar worden gevestigd.
Bij genoemde dienst zijn thans een leider op een jaarwedde van ƒ 1000, = en een ambtenaar met een jaarloon van ƒ 480,= werkzaam. Zeer waarschijnlijk zal nog meer personeel aangesteld moeten worden, want de beide ambtenaren kunnen het werk niet af en moeten reeds overwerken. De voorzitter vraagt de raad de benodigde gelden beschikbaar te stellen voor een goede functionering van de distributiedienst. Een en ander zal zo zuinig mogelijk geschieden, maar voor de bevolking is het van het grootste belang dat de dienst goed loopt. Goedgevonden wordt dat de burgemeester over de benodigde bedragen beschikt.
De heer Massier vraagt of er geen gratificatie aan het personeel verleend moet worden voor het vele extra werk dat in de afgelopen weken is verricht. De voorzitter vindt dit niet nodig aangezien het salaris de laatste tijd meer dan eens verhoogd werd. Daarbij komt dat al het secretariepersoneel in de spannende dagen heeft overgewerkt en dag en nacht klaar heeft gestaan. De heren Nijboer en Witpaard menen ook dat in deze bijzondere tijd gerust wat meer mag worden gevraagd.

Bij de ingekomen stukken voor de vergadering van 28 augustus is een schrijven van het bestuur van de Union sportvereniging, waarin verzocht wordt de huur van het sportterrein achter de o.l. school C in Den Hulst te willen verlagen. De inkomsten van de club zijn de laatste tijd teruggelopen en het wordt moeilijk de hoge huur te betalen. De voorzitter zegt dat bij raadsbesluit van 25 september 1936 het terrein aan de vereniging verhuurd is voor een periode van vijf jaar voor ƒ 60,= per jaar.

B & W stellen de raad voor om met ingang van 1 oktober 1940 genoemd besluit in te trekken en met ingang van die datum het terrein gratis beschikbaar te stellen. De beoefening van de sport wordt hierdoor bevorderd, aldus B & W, die tevens van mening zijn dat de vereniging reeds jaren een behoorlijke huur betaald heeft en dat de

Wethouder W. Nijboer

kosten van het in orde brengen van het terrein voor zover voor rekening van de gemeente komend, reeds betaald zijn. Zij achten het verder niet onmogelijk dat het terrein het volgende jaar gebruikt zal moeten worden voor het verbouwen van peulvruchten, zodat de U.S. V. erop zal moeten worden gewezen dat de gemeente ieder moment de beschikking over het terrein kan nemen om het als tuin in te richten. Uiteindelijk wordt overeenkomstig het voorstel besloten.
Van het bestuur van de vereniging "Kinderzorg" te Zwolle is een schrijven ontvangen waarin ook voor het jaar 1941 om een bijdrage wordt gevraagd. De voorzitter zegt dat het niet nodig is de raad al het goede van de vereniging op te sommen. "Kinderzorg" heeft vier minderjarigen uit Nieuwleusen onder haar voogdij en verder strekt zij haar beschermende hand uit over twee minderjarige meisjes en één zwakzinnige jongen, die allen bij de gemeente in zorg zijn. De financiële toestand van "Kinderzorg" is verre van rooskleurig zodat steun nodig is. Het voorstel om evenals vorige jaren een bedrag van ƒ 150,= ter beschikking te stellen, wordt aangenomen.
Voorts is van de heer Kl. Kouwen te Den Hulst een schrijven ontvangen waarin namens de vier Jonge Boeren- en Boerinnenorganisaties om een bijdrage in de kosten van een op 25 september te houden landbouwdag met jongveekeuring wordt gevraagd. B & W stellen de raad voor in principe te besluiten in een eventueel tekort bij te dragen. Te zijner tijd kan dan een rekening en verantwoording worden gevraagd, waarna de raad de definitieve bijdrage kan vaststellen.
De heer Alteveer verklaart zich in het algemeen tegen het verlenen van subsidies. Raadslid Van Ankum voelt er ook niet voor en hij verwacht van de jongveekeuring ook niet veel heil. De heer Huisman acht echter een landbouwdag van zeer groot nut en is dus voor. De burgemeester zegt in het algemeen niet voor het verlenen van subsidies te zijn, maar in dit geval meenden B & W toch hun medewerking te moeten verlenen. Een boerenstand die het goed gaat, acht men voor de gemeente met zijn overwegend landbouwende bevolking van groot belang. Wanneer het tot stemming komt, wordt het voorstel echter verworpen.
Bij de rondvraag informeert raadslid Alteveer naar de uitbreiding van het elektriciteitsnet te Ruitenveen. Backx zegt dat daar voorlopig vanwege het gebrek aan materialen, vooral palen, niets van kan komen. Wanneer er tot uitvoering zou kunnen worden overgegaan, dan zou per aangeslotene een stroomafname van 100 KWU. per jaar tegen een tarief van 23 cent per KWU. gegarandeerd moeten worden.

De burgemeester deelt in de vergadering van 27 september mee dat het gemiddelde aantal leerlingen aan de o.l. scholen A en D dermate is gedaald dat vermindering van personeel nodig is. Voor school A is de kans aanwezig dat per 1 mei 1941 het leerlingenaantal weer zodanig is dat een vierde kracht gewettigd is. De burgemeester heeft dit met het departement van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen besproken en het zal waarschijnlijk goedgevonden worden de vierde leerkracht te behouden tot 1 mei om dan de toestand opnieuw te bezien. Op de Meele is het anders, daar bestaat voorlopig geen kans op toename van het aantal leerlingen. Het voorstel om per 1 januari 1941 de heer J. Ph. Ilmer eervol te ontslaan en op wachtgeld te zetten wordt aanvaard. De heer Ilmer zal voorlopig als volontair aan de school blijven.

Op 12 november komt de verhuur van het sportterrein in Den Hulst weer aan de orde. Van Gedeputeerde Staten is bericht ontvangen waarbij de goedkeuring aan het raadsbesluit van 28 augustus wordt onthouden. Zij menen dat het in gebruik geven van gemeentelijke eigendommen om niet in het algemeen niet met een goede zorg voor het geldelijke belang van de gemeente te verenigen is. Bovendien was daartoe geen aanleiding omdat U.S .V. slechts verlaging van de huur had gevraagd. De kosten van de aanleg van het terrein, dat in de eerste plaats bedoeld was voor de "vrije- en orde oefeningen" van de leerlingen van de scholen in Den Hulst, bedroeg destijds ƒ 500,=. U.S.V. betaalde de eerste jaren ƒ 80,= en daarna ƒ 60,=. Door de financiële moeilijkheden van de club, vraagt zij nu verlaging tot ƒ 25,= . De leden moeten zelf nogal wat in 't laadje brengen om de zaak staande te houden en het scheelde maar weinig of de vereniging was opgeheven. Besloten wordt de Union sportvereniging jaarlijks ƒ 25,= huur te laten betalen.
Door de Rijksoverheid zijn regels vastgesteld voor het bezitten van afval van levensmiddelen en dergelijke. De raad moet regels treffen voor de wijze waarop de kadavers van honden en katten, de dierlijke afvallen en de afval van levensmiddelen ter beschikking moeten worden gesteld. Een dergelijke verordening moet voor 22 november worden vastgesteld en opgezonden. Gebeurt dit niet, dan kan de secretaris-generaal B & W uitnodigen binnen een bepaalde tijd de nodige maatregelen vast te stellen. Voldoen ook zij daaraan niet, dan stelt de secretaris-generaal zelf de regels vast. In een gemeente als Nieuwleusen worden de afvallen van levensmiddelen door de mensen zelf benut en heeft het geen zin die in te zamelen. B & W hebben van deze verplichting ontheffing gevraagd (zie 2e deel, blz 34). Voor het verzamelen van dierlijke afvallen en beenderen biedt het college de raad een ontwerp-verordening aan. Verschillende raadsleden uiten bezwaren en vrezen moeilijkheden. De voorzitter zegt dat de uitvoering bij B & W berust. Waarschijnlijk zullen in de buurtschappen gegalvaniseerde tonnen worden geplaatst, zoals bij de slagers en de noodslachtplaats, waarin dierlijke afvallen en honden en katten gedeponeerd kunnen worden. Na enige discussie wordt de verordening vastgesteld.
De voorzitter zegt dat de rijksveldwachter in Den Hulst heeft medegedeeld per 1 januari 1941 te zullen worden overgeplaatst. Een nieuwe rijksveldwachter zal hier niet meer komen en men acht het gewenst de woning zo spoedig mogelijk te verhuren teneinde de gemeente geen huurverlies te laten lijden. Gevraagd wordt of het zeker is dat er geen veldwachter meer komt. Backx kan geen zekerheid geven dat de 2e gemeenteveldwachter niet komt. Zou die komen, dan zou de man, wanneer hij gehuwd is, ook zelf voor een woning kunnen zorgen. De raad is wel van mening dat de tweede veldwachter in Den Hulst moet worden gestationeerd, maar acht het niet gewenst de woning leeg te laten staan. Daarop wordt besloten de woning voor ƒ 200,= per jaar te verhuren aan J. Klinge, onderwijzer te Den Hulst.
De raad gaat ook akkoord met een salaris van ƒ 50,= per maand voor de tijdelijk ambtenaar Brasz. Raadslid Huisman maakt bezwaar omdat Brasz als volontair ter secretarie werkzaam is geweest en hij als enige zoon van ouders die zich financieel kunnen redden, het bepaald niet nodig heeft. Backx zegt dat de heer Brasz een goede kracht is gebleken gedurende de anderhalf jaar dat hij als volontair in dienst was en niet gemist kan worden. Dat zijn ouders zich financieel kunnen redden, doet niets ter zake.

wordt vervolgd

* * *

RIJWIELVERBOD PALTHEBOS _________________________________________________________



In de Dedemsvaartsche Courant van 30 mei 1936 verscheen de volgende advertentie:

RIJWIELVERBOD PALTHE-BOSCH NIEUWLEUSEN

De Burgemeester van Nieuwleusen maakt mede
namens de N.H. Kerk bekend, dat het verboden is
zich op Zon- en Feestdagen
                                met rijwielen
in het Palthe-Bosch op te houden.

Verder is het verboden zich buiten de wandelpaden
te begeven.

Op overtredingen zal streng worden gelet.

Nieuwleusen, 28 Mei 1936.

                                De Burgemeester voornoemd,
                                                     J.P. Backx

* * *

DE TRAMWAY _________________________________________________________

Straks loopt hier 't rijtuig zonder paard,
De tramway langs de Dedemsvaart.
Uit is het met d'omnibusdraf,
Zoo wisselen hier alles af.
's Koetsiers zweepslag hoeft niet meer,
Ja, 't doet de arme diers te zeer.
Watt's stoomkracht zal nu probeeren,
Wat z'al niet kan doen, mijne heeren.
Passagiers brengen hier en daar,
Goed-kooper, buitenlui, niet waar?
d'Allarmfluit roept ons allen toe,
Weest welkom, welkom blij te moe!
Ik draag heen en weer meer zielen
Dan d'omnibus op zijn wielen.
Voorts: breng 'k U vlugger langs de vaart
Dan 't rijtuig achter viervoets staart.
Buitenlui, weest blij te moede,
Tramway komt uw beurs ten goede.
Der achterhoeks bewoners nu.
Wat zegt g'er van. 't is ook voor u!
Aanstalten worden nu gemaakt,
Des tramway's weg wordt reeds gebaakt.
Straks gaat g'over brug en vonder,
Zonder viervoet, o, wat wonder!
Wezenlijk, vrouwtje, 't is wel waar,
't Zit in d'omnibus toch zo naar.
Dan zult ge eens zien, moedertje-bep!
Reders gaan vlug in roer en rep.
't Kind zegt van den achterhoeksman,
'k Geloof daar heel en al niets van.
Zoo zegt hier nog menig wezen:
't Is lang niet meer als voor dezen.
Den vinger heft men dreigend op:
't Is Zonde, zonde in galop.

Laat mij zelf nu ook eens spreken
En mij voor die lui eens preken.
't Is niet modern, niet liberaal,
Wat verkonde ik hier voor taal!
't Is ook niet orthodox, zoo waar!
'k Maak 't U duidelijk in 't openbaar:
Vergemakk'lijken den handel,
Wegbekorting voor den wandel,
Verkeeringswegen aan te knopen,
Dat handel, welvaart saam moog loopen;
Brengen achterbuurts gemeenten
Meer bij ruimer bliksgebeenten,
Gedachten wiss'ling voort te zetten
Dat slechte wegen vaak beletten.
Aan U brengen nut en voorspoed
Door des tramway's vurigen gloed,
Is de leus der tramway's heeren,
Deez waarheid kan niet verkeeren.
Heer redacteur! plaats dit nu wel,
Heb daarvoor dank van B.J. Snel.
Onderwijzer te den Hulst gem. Nieuwleusen.
22 Maart 1886.

B.J. Snel

Bovenstaand gedicht met een enigszins moeilijk leesbare tekst, werd op 27 mei 1886 als ingezonden stuk in de Dedemsvaartsche Courant afgedrukt. Snel probeerde hiermee de inwoners van de achterbuurts gemeenten, Nieuwleusen en Avereest, te overtuigen van de voordelen die de tram zou bieden. Kennelijk waren er nogal wat bedenkingen tegen dit stomend monster dat zich over een ijzeren baan voortbewoog. De D.S.M. ging evenwel door met het leggen van rails en op 12 oktober 1886 reed de eerste tram van het dorp naar het station Dedemsvaart.

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO IX _________________________________________________________

Helaas is bij de oude schoolfoto in ons vorige kwartaalblad een verkeerd jaartal vermeld. De foto dateert van omstreeks 1925 in plaats van 1935.

Ditmaal hebben wij voor u een schoolfoto van ongeveer 1936 van de christelijke school van meester Meijer in Den Hulst.





1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  

Roelof Bloemhof
Jan Veldman
Berend Harke
Jan Benne
Jan Wobben
Jan Schoemaker ?
Karel Wobben
Meester Meijer
Stientje de Lange
Grietje Veldman
Margje Wobben
Aaltje Harke
Grietje Slager
Grietje Hengsteboer
Meester Kist
Meester v.d. Kamp
Jan Boers
Juffrouw Van Dijk

19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
 

Geesje Schuurman
Grietje Mussche
Mina Kappert
Lijsje Brand
Jentje Brand
Lubbigje Brand
Juffrouw v.d. Berg
Willem v.d. Hoek
Nelis Boers
Derk Timmerman
Jan Bloemhof
Willem v.d. Voorde
Hendrikus Bloemhof
Derk Jan de Lange
Gerard van Berkum
Berend van Berkum
Willem Schuurman

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES XI _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma



”Hij wus góed van oost!”
Dit werd gezegd over iemand die flink de waarheid te horen had gekregen.

* * *

DEDEMSVAARTSCHE COURANT 1905 _________________________________________________________




Jaargang 7 nummer 4 december 1989

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

DE FAMILIE VAN DEN BERG EN DE UNION, slot _________________________________________________________

B.J. van den Berg

BETERE TIJDEN

Bij alle zorg voor de verpleging van haar man, had mevrouw J. van den Berg de angst voor haar dochter, schoonzoon en twee kleinkinderen, de familie Hoogen­ doorn, die in Japanse gevangenschap verkeerden. Wat was het een pak van haar hart en wat een blijdschap toen zij behouden thuis kwamen. Als een moeder, alleen van de oude garde overgebleven en algemeen geacht, heeft zij nog lange tijd te midden van het bedrijf in de oorspronkelijk eerste woning gewoond.
Haar zoon Ir. H.G. van den Berg, Mijnheer Henk, geboren 15 oktober 1911, was in het voorjaar van 1944 gehuwd met mejuffrouw M.N.D. ten Holt, geboren 23 februari 1916. Hij volgde zijn vader op na diens overlijden.
Mijnheer Jan, B.J. van den Berg Ezn., geboren 29 december 1915 en op 3 mei 1941 gehuwd met mej. P.J. Schröder, geboren 19 april 1914, was in 1937 zijn vader al opgevolgd. Officieel werden beide neven op de aandeelhoudersvergadering van 18 juli 1945 tot directeur benoemd, terwijl de derde neef, B.J. van den Berg BJzn., Mijnheer Bernard, toen president-directeur werd. Het volgende geslacht had nu de leiding in handen. Door vererving was het aantal aandeelhouders van de familie­vennootschap tot negen uitgebreid.
Technisch goed onderlegd en goed ontwikkeld, mede dankzij het inzicht van de ouders, konden de drie jonge directeuren hun energie ontplooien. Gedurende de eerste naoorlogse jaren met grondstofgebrek waren de kansen gering. Door de grote schaarste liet de regering aanzienlijke zendingen Engelse en Franse rijwielen onder de bevolking distribueren.
Langzamerhand begon de fabriek op gang te komen en werden moderniseringen doorgevoerd. De Crossley motor werd vervangen door directe aandrijving met elektromotoren en nieuwe machines werden bijgeplaatst. De werkruimten naar de eisen des tijds ingericht en de gebouwen uitgebreid. Bracketassen en balhoofdfittingen, het zogenaamde lopende werk, werd met eigen draaibanken en automaten vervaardigd. De rijwielen werden van roestvrij lakwerk (zwart en in kleuren) volgens chemisch bonderprocedé voorzien, terwijl het meest moderne "glansnikkelen" werd toegepast om hoogglanzend roestvrij chroomwerk te verkrijgen.
Ook aan de sociale verzorging van het personeel werd alle aandacht besteed en met een bescheiden oudedags-verzorging werd een aanvang gemaakt. Een voorzichtig financieel beheer had tot resultaat dat, ondanks de enorm hoge belastingen, er praktisch geen vreemd geld nodig was. Dit niettegenstaande de grote eisen die aan het bedrijfskapitaal werden gesteld door hoge prijzen, een ongekende omzet, debiteurenkredieten en investeringen. Hoewel ze het helaas niet mochten beleven was het ideaal der gebroeders Van den Berg werkelijkheid geworden.
Gedurende deze periode werd ook de productie van eigen bromfietsen ter hand genomen. In de jaren vlak voor de oorlog was reeds op bescheiden schaal begonnen met het bouwen van lichte 98 c.c. motorrijwielen en later 125 c.c., voorzien van Engelse Villiers motoren. Na de oorlog werd de productie niet weer voortgezet omdat de bromfietsen deze lichte motoren volkomen verdrongen. Door de stijgende populariteit van het rijwiel nam het bedrijf in belangrijkheid toe. Verschillende uitbreidingen vonden plaats, zodat van de fabrieksterreinen en opslagplaatsen, in 1954 ca. 2½ ha. groot, 4600 m2 was bebouwd met een oppervlakte van ca. 6800 m2. De outillage hield met deze uitbreidingen gelijke tred, zodat de fabriek kon beschikken over een naar de eisen des tijds ingericht machinepark en moderne installaties. Hierdoor was het bedrijf in staat alles, wat aan essentiële delen voor de samenstelling van een rijwiel nodig was, zelf te vervaardigen, zodat aan de hoge eisen die aan een kwaliteitsproduct moesten worden gesteld, kon worden voldaan.


Een overzicht van bet gebouwencomplex omstreeks 1965. Uiterst rechts bet kantoor en de loodsen (het houtstek) van Union Bouwmaterialen.

Garantiekaart met deze foto


Goede personeelsverhoudingen hebben steeds in het bedrijf geheerst. Ten tijde van het gouden jubileum waren 24 personeelsleden al vijfentwintig jaar in dienst en 4 anderen konden hun veertigjarig dienstverband vieren.
Naast de gunstige ontwikkeling van de fabriek genoot de grossierderij in rijwieltoebehoren, banden en nevenartikelen, de volledige aandacht. De zelfstandige afdeling bouwmaterialen met een eigen leiding en administratie, vertegenwoordigde nog een belangrijk onderdeel van de vennootschap.
Door de vervaardiging van kwaliteitsartikelen was bereikt dat de Union Rijwielfabriek een uitstekende reputatie genoot. Op 27 juli 1954 hadden ca. 350.000 rijwielen de fabriek verlaten, terwijl er in de loop der jaren ook lichte motorrijwielen, trapdriewielers, motordriewielers en hulpmotorrijwielen waren gefabriceerd.
Het 50-jarig jubileum werd met groot enthousiasme gevierd. Aan het personeel werd een jubileumreis aangeboden naar Valkenburg. Op 29 juli bracht een extra trein hen naar het oude stadje in Limburg.

Mede dankzij de ijver en vakkennis van de medewerkers, het jarenlange vertrouwen dat de afnemers in stijgende lijn aan Union schonken en de vele tientallen jaren gehandhaafde prettige relaties, was een mijlpaal bereikt. De dag van het gouden jubileum was er een van dankbaar gedenken:
           Voorwaarts,..... en niet te
           veel den blik terug geslagen.
           Niet achter ons is 't doel,
           het heden spreekt ons aan.
           't Verleden mag ons niet
           doen talmen of versagen.
           Het heeft zijn rechten, maar …..
           wij moeten voorwaarts gaan!

BOUWMATERIALEN IN KORT BESTEK

Molenaar B.J. van den Berg was de zoon van Berend Jan van den Berg (Raalte 19 juli 1802 - Nieuwleusen 17 augustus 1868) en Femmigje Volbrink (geboren op 2 september 1807 te Nieuwleusen). In 1879 begon hij een bescheiden nevenhandeltje in wanlatten, schalen en dergelijk 2e soort hout. Langzamerhand breidde de verkoop zich uit tot timmerhout en bouwmaterialen. De jongste zoon, mijnheer Evert, werd in 1916 speciaal belast met deze afdeling die inmiddels van de oude molen te Nieuwleusen geheel was overgebracht naar de terreinen in Den Hulst. Door uitbreiding van de zaken werd een afzonderlijk kantoor nodig, dat, annex cementopslagplaats en houtloods, in 1925 werd gebouwd. In 1928 verhuisde ook de directeur zelf van het ouderlijk huis naar de nieuwgebouwde villa "De Overkant" in Den Hulst. De oostzijde werd speciaal ingericht voor de "oude moeder".
Een houtzagerij, met schaaf- en cirkelzaagmachines, werd in 1930 in gebruik genomen. Het verdienstelijk werk van de jongste broer (Evert) was af te lezen uit de omzetstatistieken. Na zijn plotseling overlijden in 1934 werd zijn zoon in 1937 opvolger.
B.J. van den Berg Ezn. doorliep in het voorjaar van 1936 de houtschool in Zweden en was voor zijn praktische ontwikkeling in de herfst van dat jaar als volontair werkzaam bij de N.V. Houthandel Alblas in Waddinxveen. Bij Union berustte de leiding van de afdeling bouwmaterialen in zijn vertrouwde handen, eerst als procuratiehouder en later als directeur.
Het handeltje in wanlatten werd in de loop der tijden opgewerkt tot een middelmatig grote zaak in hout en bouwmaterialen. Na de inzinking als gevolg van de oorlog 1940-'45 breidde de klantenkring zich uit tot noord Overijssel en zuidwest Drenthe.

DE LATERE JAREN IN VOGELVLUCHT


Een oude en de nieuwste fiets in 1966. Links mijnheer Henk (H.G.) en rechts meneer Bernard (B.J.) van den Berg.

Door de steeds toenemende belangstelling voor de fiets in het algemeen en de Union fiets in het bijzonder, stonden telkens grote uitbreidingen voor de deur. Ook kapitaaluitbreiding was nodig en in 1955 werd besloten over te gaan tot de openbare uitgifte van 500 nieuwe aandelen à ƒ 1000,=.
Tegelijkertijd werd de afdeling bouwmaterialen van de rijwielfabriek afgezonderd en in een zelfstandige N.V. ondergebracht. Door de uitgifte van aandelen en de notering op de beurs was N.V. Union Rijwielfabriek een open vennootschap geworden. De emissie op de beurs werd gunstig ontvangen en daaruit bleek vertrouwen in de toekomst van het bedrijf.
Tegen het einde van 1955 werden er contacten gelegd met een belangrijke Amerikaanse importeur van rijwielen. In 1956 kwam ook de export naar België en West-Duitsland op gang. De leveringen naar Amerika namen weldra een grote vlucht en juist door deze grote orders werd de productie steeds meer geautomatiseerd en gemoderniseerd. De prijzen van de Amerikaanse exportrijwielen waren in verhouding bijzonder laag, maar de indirecte winst bestond uit de omschakeling naar massaproductie. Omstreeks 1961 viel de export naar de Verenigde Staten weg, maar begin mei 1968 werd in een op Amerika gerichte uitzending van Radio Nederland Wereldomroep meegedeeld dat er dat jaar 30.000 fietsen naar Amerika zouden worden geëxporteerd.
Om aan de grote vraag te kunnen voldoen, moest de productie worden opgevoerd en dat had tot gevolg dat er meer vloeroppervlakte moest komen. In nauwelijks tien jaar werd de productie meer dan verdubbeld: 1956 ca. 28.000 en 1965 ruim 65.000 rijwielen. Ook de bromfietsproductie nam gestaag toe, hoewel Union zich daar nooit op specialiseerde. Hoofdzaak waren en bleven rijwielen. In september 1966 kwam de miljoenste fiets van de band. Met enig ceremonieel vertoon werd de 1.000.001-ste aangeboden aan Jhr. Van Nispen tot Pannerden, de Commissaris van de Koningin in Overijssel.
Inmiddels was in juni 1964 het zestigjarig jubileum gevierd. Het personeel kreeg weer een reis aangeboden, ditmaal naar Volendam. Een jaar eerder, per 1 januari 1963, had Union alle aandelen van N.V. Machinefabriek Roberine te Enschede opgekocht. Dat bedrijf zette als dochter de productie van motorgazonmaaiers voort. Eind augustus 1965 werd de fusie met de Motorrijwielenfabriek Kaptein N.V. te Utrecht en Willem Kaptein's Handelsonderneming te Amsterdam een feit. De nieuwe naam werd Samenwerkende Rijwiel- en Motorindustrie Unikap N.V. Bij deze fusie trad Ir. B.J. van den Berg af als directeur en werd benoemd tot commissaris. Ir. H.G. van den Berg zou, naast anderen, nog tot 1 september 1973 als directeur aanblijven.
Donderdag 10 juni 1976 werd een rampdag voor het bedrijf. 's Avonds even voor zes uur hoorde men een knal en even later stond het oude uit 1904 daterende hoofdgebouw in vlammen. Een enorme vuurzee en rookwolken die tot voorbij Meppel nog zichtbaar waren. De brandweer deed zijn uiterste best, maar er was geen redden meer aan. Honderden mensen keken vanaf de weg toe. Onder hen veel werknemers en oud-werknemers: met tranen in hun ogen. Nauwelijks een week later maakten slopers een einde aan datgene wat het vuur nog had laten staan. De oude Union was gestorven in een hel van vlammen.


De allesverwoestende brand op 10 Juni 1976.

* * *

VERHAAL'N VAN NI'JLUUSN _________________________________________________________

Derk Jan Priens

Gait Groot'nhuus woon'n op de Meele en was in zien tied een veuranstaond man. Hi'j was veurman bi'j 't spoor en boerde daornaost op een klein spullegien. Hi'j was lid van de gemienteraod, veurzitter van de Landbouwvereneging, zat in 't bestuur van Volksonderwies en had ok zitting in de Grondkamer.
Groot'nhuus kun machteg mooi vertell'n, soms bi'j 't griezelege of. Maor as hi'j now in mooiklinkend Nederlaans prachtege redevoering'n holl'n had en verder niks edaon had, dan was hi'j een slecht bestuurslid ewest.
Toch had hi'j ien gebrek, hi'j was arg slordeg in zien taalgebruuk. Zo zee hi'j vake: "Och mien goeie stumper". Nog vaker gebruuk'n Gait het woord 'doodgewoon'. Misschien was 't daorumme dat hi'j 't ok doodgewoon vund um zien plicht te doen tegenaover de gemienschop. Vrumde woord'n gebruuk'n Groot'nhuus ok vake, maor dan sprak hi'j ze wel verkeerd uut. Hi'j was ies een keer op een vergadering van de Oranjevereneging. Daor was hi'j lid van, maor um de ien of aandere reed'n was hi'j niet uuteneudigd. Hi’j dacht toen ten onrechte dat hi’j geroeïneerd (geroyeerd) was. De hele aomd hef hi'j toen de vergadering bezig holl'n, waorbi'j ieder keer weer de vraog kwam of hi'j soms geroeïneerd was.
In die tied was het gebruukeluk dat de kipp'n garnaal'n evoerd word'n. Gait vertell'n teeg'n zien buur'n dat zien kipp'n granaat'n kreeg'n. Gelukkug hebbe wi'j nooit eheurd dat 'r in zien kipp'nhokke iene ontploft is.
As hi'j 't had over prumjee Colijn, had hi'j 't altied over de premier. Iene die een keer een misstap begaon had, was bi'j Groot'nhuus gien delinkwent mar een delingent. Een boer was ok gien agrariër mar een agrarinier.
Met meens'n as Gait Groot'nhuus ku'j ok nog ies een keer lach'n.

Veur an de Schaopendiek woon'n een boer die Luuks Knol heet'n. Zie nuum'n hum ok wel Bakkers Luuks. Hi'j was een goeie keerl mar hi'j had ien gebrek, hi'j preut altied veul te veule.
As wi'j as jonges naor schoele gong'n, dan stund hi'j veur an de weg en huld oes an de praot. Ien keer kwamme wi'j te late op schoele umdat hi'j oes ies weer an de praot holl'n had. Wi'j dacht'n dat wi'j no wel straf zoll'n krieg'n, mar dat vul nog wel met. Meester De Jongste vreug oes toew binn'n kwaam'n: "Hoe komen jullie zo laat?"
Wi'j antwoord'n: "Bakkers Luuks hef oes an de praot holl'n." Toen zeed meester De Jongste: "O, dat is zeker die ouwe praatvaar?" Dat hebbe wi'j toen mar gauw bevestigd en wi'j kon'n zonder straf in de baanke gaon zitt'n.
As hi'j in de herfst in de eerappelrooitied met zien jachtvriend Hendek Priens op jacht gonk, dan was dit veur Hendek Priens een waore bezuuking. Luuks kenn'n alle Stapperse en Rooveense boer'n en drekt bi'j de eerste boer was hi'j al an de praot. Det gonk zo verder met de twiede en de derde boer en teeg'n de tied, dat ze echt begunn'n konn'n te jaag'n, was 't al melkaomd en dan moss'n ze weer n'uus toe. Hendek Priens zeed later: "As 't eerappeltied is, gao'k nooit weer met Bakkers Luuks op jacht!"
Op een zekere dag gonk Bakkers Luuks met een koe naor de bolle. Hi'j leup met de koe bi'j zien vriend Hendek Priens langes en de Priens die vreug: "Hoe giet 't er mee Luuks?" Luuks zeed: "Aans wel goed, mar die koe wil niet drachteg wor'n". "Dan mu'j Job leez'n, Luuks", zeed de Priens.
De koe was nog niet drachteg en de volgende keer gonk Luuks dur weer met naor de bolle. Hi'j leup weer bi'j Hendek Priens langes. "En Luuks", vreug de Priens, "hi'j ok in Job eleez'n?"
"Ja", zeed Bakkers Luuks, "ik heb 't hele boek Job deureleez'n, mar d'r stund niks in aover drachtege koe'n."

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO X _________________________________________________________

De foto die we ditmaal voor u hebben uitgezocht is van de Openbare School B te Ruitenveen. De foto dateert van omstreeks 1934/35.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  

Hendrik Jan Boer
Gerrit Dekker
Klaas Huisman
Jan Mannen
Hendrik sterken
Hendrik Hekman
Frits Kuterman
Klaziena Schoemaker
Margje Schoemaker
Gerrit Jan Boerman
Annigje Pessink
Arend Schoemaker
Annigje Runhard
Klaasje Pessink
Jansje Boer
Janna Schoemaker
Dina Luten
Aa1tje Bijker
Jentje Seine (?)
Jan Krul
Meester Kamm
Geesje Huisman

23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  

Klaasje Nijland
Margje Seine
Eefje Groteboer
Hendrikje Buitenhuis
Juffrouw Jansen
Hendrikje Krul
Mina Boer
Trijntje Huisman
Aaltje Bijker
Dina Bijker
Arend Luten
Jan Boerman
Klaas Evertsen
Hendrik Jan Scholten
Arend Jan de Boer
Gerard Evertsen
Jan Brouwer
Jan Krul
Gerrit Jan Krul
Egbert Boerman
Gezinus Mannen
Arend Mannen



* * *

BOER EN PEERD _________________________________________________________

J H Behrens

Zie zo, now sprek ik van geluk
en haol de deuze uut 'n tuk
en smook een piepe vol tabak
en gao naor huus op mien gemak.

           De blesse had et ok wel zwaor
           het schoem stiet hum op hoed en
           haor hij hangt de kop, hum sliet den hoog
           hij denkt misschien "'t is wel genoog".

                     Now jonge, laot de ploeg mar staon
                     die zal oe vast niet lopen gaon
                     die wacht oe wel tot morgen vroo
                     now ik naor 't wief en ie naor 't stroo.

(Uit de Overijsselsche Almanak van 1937)

* * *

DE EERSTE 25 JAAR VAN "ONDERLING BELANG" _________________________________________________________

Rond 1900 waren er in Nieuwleusen al enkele particuliere zuivelbedrijven, ontroominrichtingen zoals men ze toen noemde, in bedrijf. Op boerenvisites was er al eens gesproken over het nut van een eigen coöperatieve vereniging. Nadat er ook een paar keer door een klein comité vergaderd was, werd op 1O mei 1907 besloten een zelfstandige coöperatieve stoomzuivelfabriek op te richten. Als naam voor de fabriek werd "Onderling Belang" gekozen. Aanvankelijk traden 48 landbouwers als leden toe. Tot bestuursleden werden gekozen Jan Bijker Jac.zn. als voorzitter, L. Schiphorst als secretaris, Jan Schuurman als penningmeester, en G.W. Beltman, G. Huzen, H. Schoemaker Hzn. en H. Althaus Pzn. als leden. Als commissarissen werden H. Schoemaker Gzn., H. Prins Ad.zn., E. Westerman Ezn. aangesteld.
De oprichtingsvergadering werd gehouden op 26 juni 1907.
Daarna werd J.G. Greidanus op een salaris van twaalf gulden per week tot directeur benoemd.
In de zomer van 1907 werd onder architectuur van een zekere Brugmans een fabriek gebouwd aan de Ommerdijk door aannemer Santing uit Balkbrug. Men ging voortvarend te werk, want reeds op 4 oktober werden de eerste melkritten uitbesteed. Nauwelijks twee weken later, op 17 oktober, begon de fabriek te werken. Hoe gemoedelijk het in die tijd ging, blijkt wel uit het feit dat er tot 4 november zonder machinist werd gewerkt. Deze functie werd zolang waargenomen door de melkmeter Kl. Beltman. In januari 1908 werd Jan Hopster tot botermaker aangesteld. Tot die tijd was de directeur met de botermaking belast.
Ook in januari 1908 werd besloten een directeurswoning te bouwen. Tevens besloot men ook de melk uit de Vinkenbuurt op te halen. Door de uitbreiding van de melkaanvoer moest een tweede centrifuge worden aangeschaft. De zaak marcheerde direct dus al goed: het eerste halfjaar leverde een overschot op van ƒ 1323,79.


"Onderling Belang" omstreeks 1910.

Nauwelijks drie jaar na de oprichting, in november 1910, had het bestuur de moed om te pogen het plaatselijke ontroomstation over te nemen. Deze poging mislukte echter.
In januari van het volgende jaar werd directeur Greidanus opgevolgd door de heer T.G. Eltink. Het salaris werd nu verhoogd tot ƒ 800,=, met vrij vuur en licht en enige andere emolumenten. Aan de botermaker werd een premie toegekend voor het maken van goede boter. Ook de veeverbetering werd toen krachtig ter hand genomen. Het ontroomingsstation, waarover een jaar eerder al onderhandelingen hadden plaats gehad, werd in december 1911 aan de fabriek aangeboden. De voorzitter kon toen echter zeggen: "hou dat ding maar voor de ontevreden leden, dan hebben die ook een plaats" (het was een concurrent).
In mei 1913 vertrok directeur Eltink en werd de heer S. Visser in zijn plaats benoemd. In hetzelfde jaar werd besloten de fabriek belangrijk te vergroten. Deze uitbreiding werd onder architectuur van de gebroeders Hakkert aan aannemer P. Naarding te Balkbrug aanbesteed voor ƒ 13780,=.

Toen in 1914 de oorlog uitbrak, dacht men er ernstig over de werkzaamheden aan de bouw stop te zetten, maar op een ledenvergadering viel toch het besluit er mee door te gaan.
De secretaris van het bestuur, de heer L. Schiphorst, werd in 1917 opgevolgd door Jan Schuurman, die deze functie tot 1931 bleef houden.
Op 23 juni van 1917 werd de heer L. Vos tot directeur benoemd. Onder zijn leiding bleef de fabriek zich gestadig ontwikkelen. In 1919 werd besloten een begin te maken met het controleren van de melk op melkopbrengst en vetgehalte. Ten tijde van het zilveren jubileum hadden zeventig leden hun vee onder controle staan en werden er tien volbloed stamboekstieren tot dekking gehouden, alles tot verbetering van vee en melkgehalte. In 1920 werd een zogenaamde commissie van beheer ingesteld. Op voorstel van de Rijkszuivelconsulent werden in 1921 enige jongelui opgeleid tot voormelkers. Veel succes leverde dat echter niet op, maar de directeur was vol moed en meende dat ook deze instelling na verloop van enige tijd wel goed zou gaan werken. Een jaar later, in 1922, werd met algemene stemmen besloten lid te worden van de N.C.Z. (Nationale Coöperatieve Zuivelverkoopvereniging). Om bijzondere reden trad men daar later weer uit.
Door het bedanken van voorzitter Jan Bijker, die sinds de oprichting deze functie had vervuld, leed de vereniging in maart 1923 een gevoelig verlies.
Bij een nieuwe uitbreiding van de fabriek in augustus 1927, werd de ruimte belangrijk uitgebreid en de uur capaciteit verhoogd van 6 tot 10.000 kg. Tot aankoop van de hiervoor benodigde machines ging men enkele maanden later, in januari, over. Binnen enkele jaren volgden de uitbreidingen zich nu snel op. In augustus 1930 besloot men tot de aanbouw van een tanklokaal met een benedenruimte voor het verwerken van ondermelk. In maart 1932 viel het besluit tot het bouwen van een kaaspakhuis met pekellokaal. Door al deze uitbreidingen en verbouwingen werd de fabriek ingericht tot een melkinrichting die goede successen boekte.

Jan Bijker, voorzitter van 1907 tot 1923.

In de loop der jaren werden op tentoonstellingen drie gouden medailles gewonnen met negen bekroningen en sinds 1922 werden aan de fabriek acht diploma's van de Gelders-Overijsselse Zuivel bond uitgereikt wegens het 52 keer per jaar inzenden van boter met niet meer dan vier afwijkingen. Ondanks al deze goede resultaten werd het zilveren jubileum niet gevierd. Vanwege de slechte tijdsomstandigheden liet men deze gebeurtenis zonder enige feestelijkheid voorbijgaan.

* * *

ZO DOET MEN DAT! _________________________________________________________

Voor winterhanden en -voeten en springhanden gebruikt men de volgende zalf, op een lapje gestreken op de pijnlijke plek gelegd: 2 deelen ijzeroxyde, 12 deelen schapenvet en 12 deelen reuzel worden in een ijzeren pot zoolang gekookt tot het mengsel eene zwarte kleur heeft gekregen. Hierbij voegt men 1 deel armenische pijpaarde (die eerst met slaolie tot eene dunne brij is vermengd) en 2 deelen venetiaanschen terpentijn met 1 deel bergamotolie.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES XII _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma



”Die denkt zeker det e ’t zwarte gaor’n uut ‘evunn’n hef!”
Die denkt zeker dat hij het warte garen uitgevonden heeft.
Dit werd smalend gezegd over iemand die dacht iets bedacht te hebben; maar die vinding was allang bekend.

”Die kik uut of e ’t zwarte gaor’n uut ‘evunn’n hef.”
Die lijkt niet al te snugger.

* * *

EEN GEDENKSTEEN _________________________________________________________

J.W. de Weerd

In het depot van het Provinciaal Museum in Zwolle ligt een steen met een formaat van 71 x 133 cm. en een dikte van ongeveer 20 cm. De steen werd in 1937 aan het museum geschonken en heeft vermoedelijk sindsdien op de kop gelegen, waardoor de inscriptie niet zichtbaar is en beschadiging voorkomen wordt. Zelfs met een paar man is het niet mogelijk hem op te tillen om de tekst te zien. De steen is afkomstig uit de Lichtmis, waar hij in of nabij de sluis moet hebben gezeten. Bij de aanleg van een vaste oeververbinding over de Dedemsvaart, een viaduct in de autoweg Zwolle Meppel, werd hij van zijn plaats gelicht en overgebracht naar het museum. Zoals uit de inscriptie blijkt, is de gedenksteen geplaatst ter herinnering aan een verdedigingswerk, waarvan ook de Bisschopsschans deel zal hebben uitgemaakt. Hierover is tot dusver niet veel bekend. Mogelijk dat in het archief der genie in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag nog materiaal hieromtrent bewaard is gebleven.
De Latijnse inscriptie van de steen luidt:
Linearium inundandis agris munimentorum primum auspiciis ductuque: C. du Molin militaris architecturae apud Belgas prefecti generalis inchoatum et perfectum aere Christi anno 1786.
Vertaling: Verdedigingswerk om de landerijen te overstromen, begonnen en voltooid onder oppertoezicht en leiding van C. du Molin hoofdingenieur bij de Nederlandse genie in het jaar onzes Heren 1786.

Naschrift.
Inmiddels is gebleken dat er in het Algemeen Rijksarchief in Den Haag nog stukken over het verdedigingswerk aanwezig zijn. Ons lid de heer J.H. Kompagnie deed onderzoek naar dit archief, hetgeen resulteerde in een omvangrijk artikel. Het eerste deel zal in het volgende nummer worden gepubliceerd.

* * *

EPPENBOER - EVERSEN - HOF _________________________________________________________

B van Duren

Het is bekend dat er in de Napoleontische tijd, toen men in ons land verplicht werd een vaste achternaam te kiezen, vreemde dingen zijn gebeurd. Zo weten velen in Nieuwleusen wel dat de Bijkers en de Katoeles van dezelfde voorouders afstammen. Hendrik Jacob koos destijds de achternaam Katoele en zijn broer Koop liet zich omstreeks dezelfde tijd inschrijven als Koop Beijker.
In een soort wilsbeschikking uit 1841 verklaart een zekere Berend Eppenboer, landbouwer te Ruitenveen, ten kantore van notaris M. Isaac Antoni van Royen te Zwolle, zijn bezittingen als volgt te verdelen wanneer hij mocht komen te overlijden:
25 guldens aan de Gereformeerde Armenstaat van Nieuwleusen;
500 guldens aan de kinderen en verdere afkomelingen van zijn broeder Hendrik Eppenboer;
500 guldens aan de kinderen en verdere afkomelingen van zijn broeder Derk Eppenboer, ook wel genaamd Derk Eversen.
Tot enige en universele erfgenamen werden verder benoemd de kinderen en verdere afkomelingen van zijn broeder Willem Eppenboer, ook wel genaamd Willem Hof.
Ter verduidelijking moet nog vermeld worden dat in de Burgerlijke Stand de namen als Eppenboer, Ebbenboer en ook soms Ebben geschreven zijn, waarmee steeds dezelfde familie is bedoeld. Dit geldt ook voor Evers, Everts, Eversen en Evertsen.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dalfser Courant van 20 oktober 1893:
Nu de cholera zich meer en meer verplaatst naar de Benedenvaart, zij een ieder op zijne hoede, om zich, door inachtneming zooveel mogelijk tegen deze zoo gevreesde ziekte te wapenen. Men drinke vooral geen ongekookt water en het Vaartwater, dat door professor Spronk uit Utrecht besmet werd verklaart, moet men in 't geheel niet gebruiken.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 15 januari 1914:
Rechtbank Zwolle. Heden gewezen vonnis: H.M. te Nieuwleusen, koopman, 43 jaar, beklaagd van feitelijke aanranding der eerbaarheid in of omstreeks Aug. 1913 aldaar, is vrijgesproken.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 7 september 1918:
Nieuwleusen, 5 Sept. Op de heden gehouden bestuursvergadering der vereeniging "Woningbouw" alhier is besloten aan de algemeene vergadering dier vereeniging in September a.s. te houden, voor te stellen over te gaan tot den bouw van acht arbeiderswoningen op een terrein voor dit doel door de firma B.J. van den Berg aan de vereniging geschonken, groot ongeveer 2200 Are en gelegen aan de Ommerdijk.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 15 mei 1924:
Nieuwleusen, 14 Mei. Gisterenavond is door een tot nog toe onbekende oorzaak geheel afgebrand de groote landbouwschuur, staande in den Duivenslagkamp, afkomstig van de Rollecate. Deze schuur was met zeer veel moeite en inspanning door den heer E. Bulder van Dalvoorde in zijn geheel een eind naar den grintweg toegebracht. Het daarbij staande in aanbouw zijnde huis met beschoten kap is ongedeerd gebleven.

Dedemsvaartsche Courant van 19 februari 1936:
Nieuwleusen In de maand Januari 1936 hebben zich 23 personen ter secretarie dezer gemeente aangemeld om te worden ingeschreven voor den dienstplicht, lichting 1937, waarvan 12 vrijstelling hebben aangevraagd wegens broederdienst.

Dedemsvaartsche Courant van 24 december 1948:
In zaal Visser te Sluis 3 werd door het Noord Nederlands Toneelgezelschap opgevoerd het toneelstuk "Zwarte Griet" van Rosier Faasen. Dit gezelschap dat hier geen onbekende is, heeft de aanwezigen weer een mooie avond bezorgd. Vooral de hoofdrolspeelster vertolkte haar rol prachtig. De aanwezigen kwamen sterk onder de indruk en menige traan werd in stilte weggepinkt. Ook een blijspelletje "De Wondersteen" werd met grote aandacht gevolgd.

* * *

INHOUD VAN DE ZEVENDE JAARGANG _________________________________________________________

blz.
1  
8  
10  
11  
12  
16  
20  
21  
27  
28  
35  
 
38  
40  
40  
41  
48  
55  
56  
58  
59  
60  
61  
68  
70  
71  
72  
75  
76  
77  
78  
78  
80  

 
De familie Van den Berg en de Union, deel lII
Lichtmis
Een oude schoolfoto VII (kleuterschool)
Spaanse griep
Verzoekschrift eener aannemer
Uit de raadsnotulen (1946)
Krummels
De familie Van den Berg en de Unlon, deel IV
't Blok
Uit de raadsnotulen (1941)
De bewoners van het Spieker of
           erve Klaassen
Een oude schoolfoto VIII (Meeleschool)
Nieuwleusener gezegdes X
Krummels
De familie Van den Berg en de Unlon, deel V
Uit de raadsnotulen (1940)
Rijwielverbod Palthebos
De tramway
Een oude schoolfoto IX (Chr. School Den Hulst)
Nieuwleusener gezegdes XI
Krummels
De familie Van den Berg en de Union, slot
Verhaal'n van Ni'jluusn
Een oude schoolfoto X (School B)
Boer en peerd
De eerste 25 Jaar van "Onderling Belang"
Zo doet men dat!
Nieuwleusener gezegdes XII
Een gedenksteen
Eppenboer - Eversen - Hof
Krummels
Inhoud van de zevende Jaargang

 
B.J. van den Berg
A. Schoemaker-Ytsma


G. Hengeveld-van Berkum
J.W. de Weerd

B.J. van den Berg
Mini A. Tuur
J.W. de Weerd
A.J. van Spijker
G. Hengeveld

A. Schoemaker-Ytsma

B.J. van den Berg
J.W. de Weerd

B.J. Snel

A. Schoemaker-Ytsma

B.J. van den Berg
Derk Jan Priens

J.H. Behrens


A. Schoemaker-Ytsma
J.W. de Weerd
B. van Duren







Jaargang 8 nummer 1 maart 1990

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

HET FORT BIJ DE LICHTMIS NABIJ NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

Inleiding
Op oude kaarten van Overijssel van omstreeks 1650 ziet men ten noordwesten van Nieuwleusen bij een viersprong een grof geschetst huisje ingetekend staan met de aanduiding "t Pannehuys'. Dit 'pannenhuis ' of 'roodpannenhuis ' was een herberg die gebouwd was bij een pas, een begaanbaar stuk weg door het veen, de grondsoort die in deze contreien zo rijkelijk aanwezig was. Wanneer precies dit 'pannenhuis' daar is gebouwd is niet bekend maar vermoedelijk is dat in het midden van de l7e eeuw geweest. Later kreeg het de naam van de Lichtmis. Vlak bij deze herberg 't Pannenhuis of de Lichtmis werd in de l7e eeuw de bouw aangevangen van een fort ter vervanging van de al aanwezige schans, teneinde de pas die toegang tot het noorden gaf beter te kunnen beschermen tegen mogelijke vijanden. Het belang van de pas was reeds in 1591 onderkend door prins Maurits, die er gebruik van maakte toen hij in het kader van zijn heroveringscampagne op weg was naar Groningen en Friesland om deze provinciën aan de Spanjaarden te ontnemen. Pogingen in ondermeer 1628 om de begaanbaarheid van de pas te verbeteren, mislukten.
Het streven om bij de Lichtmis een fort te bouwen is een moeizaam proces geweest dat dan ook niet geheel is geslaagd. Wel werden later, in de 18e eeuw, de Beentjesgraven en de Grift en andere wateren nabij de Lichtmis opgenomen in een veelomvattend verdedigingswerk, waarbij het onder water zetten van gehele delen van onder anderen Overijssel bij een vijandelijke dreiging centraal stond. Toen dit waterbouwkundig werk gereed was, werd ter gelegenheid hiervan een steen bij de Lichtmis geplaatst waarop melding van de voltooiing werd gemaakt (zie 'Een gedenksteen' in "Ni'jluusn van vrogger" van december 1989). In de l9e eeuw zijn de laatste resten van het fort verdwenen zodat alleen de huidige naam van de Lichtmis nog aan zijn bestaan herinnert.

Aan de hand van archief- en literatuuronderzoek zal hierna aandacht worden besteed aan de vraag waarom het fort er moest komen en of het inderdaad als vestingwerk functioneel is geweest. Ook wordt gekeken naar de organisatie van de verdediging van Overijssel in de l8e eeuw met behulp van het water. Het fort of de schans heet de ene keer 'schans bij het Pannenhuis', dan weer 'schans bij de Lichtmis', maar meestal 'schans bij Rouveen' of 'fort bij Rouveen'. Een enkele keer staat hij ook nog te boek onder de naam Bisschopsschans of schans Vriesekaai. Wellicht is het juister om tot 1672 van schans te spreken en daarna van fort (een fort is een iets groter zelfstandig verdedigingswerk bij de bouw waarvan naast aarde, zoals bij een schans, ook van steen gebruik wordt gemaakt). Een door elkaar gebruiken van de termen schans en fort is overigens niet echt bezwaarlijk daar ze beide voor nagenoeg hetzelfde begrip staan. Naast eigen archiefonderzoek wordt vooral gesteund op schrijvers die zich baseren op bronnenpublicaties als die van L. van Aitzema en L. Silvius of op eigen bronnenonderzoek.
Voor een verklaring van een aantal technische benamingen wordt verwezen naar de als bijlage opgenomen lijst van termen betreffende vestingbouw.

De bisschoppelijke inval in 1665
In 1665, vier-en-dertig jaar na de stichting van Nieuwleusen, werd de landelijke politiek in Nederland bepaald door de Hollandse raadpensionaris Johan de Witt. Deze stond in principe een vredelievende buitenlandse politiek voor, maar kwam wel in actie zodra de handelsbelangen van de Republiek der Verenigde Nederlanden werden bedreigd. Een daaruit voortvloeiend handelsconflict, bekend geworden als de Tweede Engelse oorlog, brak in 1665 uit met het Engeland van koning Karel II. Deze Karel II nu, trachtte op het Europese vasteland bondgenoten te krijgen en benaderde daartoe de oorlogszuchtige bisschop van Munster, Christoph Bernhard von Galen die hij met behulp van geldelijke subsidies tot legervorming aanzette.
In reactie daarop werd de organisatie van het Nederlandse leger toevertrouwd aan graaf Johan Maurits van Nassau (niet te verwarren met prins Maurits, zoon van Willem van Oranje; naar Johan Maurits is het Mauritshuis in Den Haag genoemd); tot onderbevelhebber in Zwolle werd kolonel Kirkpatrik aangesteld. Ondertussen dirigeerde de Munsterse bisschop in het kader van zijn samenspanning met Karel II tegen Nederland een omvangrijk leger naar de Lipperheide, hetgeen grote nervositeit in de grensprovincies veroorzaakte daar de verdere krijgsplannen van de bisschop nog volstrekt onbekend waren. Toen de leiding van de Republiek der Verenigde Nederlanden de Munsterse bisschop geen genoegdoening verschafte ten aanzien van enkele voorwaarden waaronder hij van oorlog wilde afzien, viel de prelaat de provincie Overijssel op 19 september 1665 binnen, gevolgd door invallen elders in het grensgebied. Toch lukte het de bisschop niet om de steden te veroveren, waarna hij zich in de nabijheid van de passen van Rouveen en Ommerschans nestelde, teneinde de noordelijke provincies te kunnen binnendringen. Op 9 oktober kwam legeraanvoerder Johan Maurits naar Zwolle. In overleg met kolonel Kirkpatrik liet de prins de reeds aangelegde 'tranchee' (= loopgraaf) bij de 'Lichtmis ofte het Pannenhuys', die reeds door 280 muskettiers en twee kanonnen was bezet, versterken met vier compagnieën soldaten. Eerst trachtten de Munstersen bij de Ommerschans door te breken maar toen dat mislukte viel men op 12 oktober, na enige misleidende trucs, met 8000 man onder leiding van d'Ossery de nu weer uit 280 man bestaande versterking bij het Pannenhuis aan. Weliswaar vuurden de verdedigers onder leiding van de kapiteins Willem Dimmer en Justinus van Rijswijk nog hun kanonnen af, maar daarna zagen ze in voortzetting van het gevecht kennelijk geen heil en sloegen op de vlucht met achterlating van twee doden en één gewonde. Nu konden de bisschoppelijke troepen, die de post bij Rouveen zonder militaire bezetting achterlieten, dan ook doorstoten naar Drenthe en Groningen. De onbemande pas bij Rouveen



werd hierna weer door drie Nederlandsecompagnieën onder leiding van Ernst van Aylva bezet. Later in datzelfde jaar 1665 werd de pas door nieuwe dreiging van Munsterse kant opnieuw door kolonel Kirkpatrik in staat van verdediging gebracht. Geholpen door een spion wist de vijand evenwel toch elders een begaanbare weg door het moeras te vinden en in de buurt van Lutten opnieuw Drenthe binnen te vallen. De oorlog werd beëindigd bij de Vrede van Kleef, die op 18 april 1666 werd gesloten. Blijvende winst had de bisschop van Munster niet kunnen boeken. Later, in 1672, probeerde de bisschop het nog eens, bij welke gelegenheid hij de bijnaam van 'Bommen-Berend' kreeg.

Plannen tot versterking in 1666
Dat de haastig opgeworpen schans bij het Pannenhuis of de Lichtmis geen afdoend afweermiddel tegen vijandelijke troepen was, werd maar al te duidelijk bij de bisschoppelijke inval in 1665. Daarom besloot de Raad van State, de instantie die met 's lands verdediging was belast, om hier wat aan te gaan doen. Bij de Raad was een verzoekschrift van de bedreigde provincies Overijssel, Groningen en Friesland binnengekomen, dat was opgesteld na overleg dat zij reeds in februari en maart hadden gevoerd. In dit rekest werd gevraagd om een betere verdediging van de pas ten zuiden van Rouveen. 'Ontrent het Pannenhuijs ofte by t Schaepschot' ('t Schaepschot lag tussen Pannenhuis en leidijk) zou nu het verlangde 'considerabel fort' worden gebouwd, alsmede een 'redoute' (dat is een vooruitgeschoven vestingwerk om het hoofdwerk te beschermen) bij Rouveen 'aen den Hasselerwech'. In augustus 1666 werden twee leden van de Raad van State naar Overijssel gezonden om ter plekke 'oculaire inspectie (te nemen) van het leggen van een fort . . . ende van een redoute'. De twee inspecteurs waren Wolf (van) Haersolte, heer tot Yerst en Volckier Sloet tot Olthuijs. Bovendien zou de Raad van State ook nog mondelinge verslagen krijgen van de controleur Roemers en de ingenieur Cools. Bovendien moest er een ' caerte figuratif' van het gebied worden vervaardigd.
Op vrijdag 3 augustus kwamen Van Haersolte en Sloet uit Den Haag in Zwolle aan alwaar zij Roemers en Cool aantroffen die reeds eerder waren gearriveerd, teneinde de genoemde kaart van de omgeving van het Pannenhuis te maken. Nog was het gezelschap niet compleet. Namens het gewest Overijssel namen Lambert Berent van Oer, heer te Zalk alsmede burgemeester Pieter van Putten aan de inspectie deel die de volgende dag, 4 augustus moest plaatsgrijpen. Bovendien waren er als 'kenners van de streek' ook nog bij aanwezig de plaatsvervangend stadhouder Van Haersolte en de hoogschout van Hasselt, ook alweer Van Haersolte geheten. De griffier Roelinck completeerde het gezelschap, dat op zaterdag 4 augustus 's morgens via de Berkummerbrug over de Vecht, de Grote Hermelen (nu de weg tussen Berkum en Nieuwleusen) noordwaarts via de Nieuwe Zwolse weg tot aan het Pannenhuis reed. Daar werd men opgewacht door commandeur Broeckhuijsen met wie men op de weg langs de grift naar de venen ging tot aan een

Caerte van de landen en passagien met de waeteringen omtrent Rooveen. A° 1666 .
(Kaartencollectie R.A. Overijssel inv . nr. 316)


Op deze 'Caerte figuratiff' (?) ligt Nieuwleusen aan de bovenkant.

weg, genaamd de Leidijk, welke weg dwars door de met boekweit en koren bebouwde akkers leidde. Ter oriëntatie: de genoemde grift liep oostwaarts van het Pannenhuis of de Lichtmis naar de Ommerschans, van welke versterking hij door het moeras zo'n 1200 roeden verwijderd bleef. De Leidijk was uit defensie-overwegingen haaks op de grift aangelegd teneinde de moerassen nat en zodoende onbegaanbaar te houden. Deze dijk voerde naar het noorden en boog af naar het noordwesten om uit te komen bij de molen van Rouveen. Dicht daarbij was nog de 'Friesse kaai'.
Weliswaar was de weg langs de grift nu droog maar de streek-deskundigen wisten te vertellen dat die doorgang anders 'met geen Canon, peerden off andere bagagie te passeren is'. Ook de andere wegen in de buurt moesten 'bij alle de werelt voor inpassabel' worden gehouden, een situatie die nog versterkt kon worden door gebruikmaking van de 'sluijskens die in den Roveensen wech leggen'.

Door het maken van een 'roijael fort' bij het Pannenhuis kon de toegang naar Friesland en Groningen dermate goed worden verdedigd en beschermd dat 'de vianden aldaer geen inbreucke offte invasie in gemelte provintien soude connen doen'. De kosten van aanleg van grondwerk en metsel- en timmerwerk werden begroot op zeventigduizend gulden. Dit bedrag werd met twintigduizend gulden door de Raad van State verhoogd.
In 1667 werd weinig gedaan aan de uitvoering van de plannen. De drie provincies moesten hun bijdragen op de begrotingen zetten en goedkeuren, wat zeer moeizaam verliep. In juli 1667 bijvoorbeeld konden de aanbestedingen niet worden gedaan omdat men 'niet verseekert is van contante penningen'. En ook in maart 1668 werd nog bij de Raad van State geïnformeerd hoe het er 'met het bouwen van een roijael fort' voor stond.

Indeling van het fort
Op 13 april 1668 werd tot majoor-commies van het te bouwen fort aangesteld Jan Blancken. Op 21 april 1668 werd het werk publiekelijk 'naer trommelslach' aanbesteed. De heren Van Haersolte en Sloet waren daartoe op het stadhuis van Zwolle bijeengekomen, in gezelschap van 'Gedeputeerde Van Rechteren' en burgemeester Putten, die als vertegenwoordigers van de Staten van Overijssel daarbij aanwezig waren. Maar het lukte niet aannemers te vinden die daarin 'contentement' konden vinden, hetgeen 'naderhandt' wel lukte.
Uit de omschrijvingen in het bestek van de 'nieuwe viercante roijale fortresse met vier bolwercken bij rootpannenhuijs, ofte grooten Lichtmis genaemt' met een omtrek van 252 roeden, kan een redelijk afgerond idee over opzet en omvang van het geplande verdedigingswerk verkregen worden. Het is niet mogelijk om op deze plaats alle details te vermelden, daarom wordt hier volstaan met vermelding van de meest in het oog lopende onderdelen van het bouwplan.
De aannemer moet de rooilijnen volgen van de 'palen en kielspittingen' die aldaar geslagen en gegraven zijn en die de grondlijnen aangeven van de omtrek van het fort. Daarbuiten moet een berm worden gelaten van acht voet breed, dat net als het plein van het fort twee voet moet worden verhoogd, lopende parallel met de 'facen, flancquen ende gordijnen'. De berm moet worden omgeven door een hoofdgracht van twaalf roeden breed. Met de aarde die hiermee gewonnen wordt, zullen wallen met een hoogte van 72 voet aangelegd dienen te worden met uitsparing van een ruimte voor het maken van een stenen poort. Op de wallen moeten borstweringen en banketten komen (een banket is een verhoging achter een borstwering, standplaats voor de schutter). In de vier punten van de bolwerken worden batterijen aangebracht. Het geschut kan via 'aprillen ' (een opril is een oplopend pad) naar de bolwerkpunten worden getransporteerd. Buiten de gracht wordt een 'bedekte weg' (dekkingswal rondom een vestingwerk) aangelegd, waarop ook een banket wordt aangemaakt. Er moet ook een 'contrescarp' komen, waarmee wellicht de buitenoever van de vestinggracht wordt bedoeld, die met hooizaad bezaaid zal worden 'op datse groen bewassen mach'. Ook moet er een contrescarp-gracht gegraven worden. Door die gracht dient de bestaande grift te lopen. De aannemer zal gedurende de aanleg van de grachten met paarden en handmolens de grachten moeten uitmalen en drooghouden totdat ze de gewenste diepte hebben bereikt. De aanneemprijs is 220 gulden. De betalingen zullen, en dat geldt ook voor de andere aannemers, in vier termijnen geschieden op het kantoor van de ontvanger-generaal Volbergen. De aannemer die dit grondwerk mag uitvoeren is Hendrik Treurniet, die direct hierna aan de slag zal moeten. In een kladbriefje met aantekeningen over dit 'aarde-werk' staat o.a. het volgende detail over één van de 'medewerkers' aan het uitvoeren van het plan, namelijk het paard, waarover wordt gezegd: 'een peerd eet 25 pond hoy daags'.

Overige aannemers
Een ander bestek heeft betrekking op de bouw van twee rijen barakken op het plein van het fort die elk uit twaalf 'hutten' bestaan. Nauwkeurig worden grootte en dikte van muren, balken, deur- _ en vensterkozijnen, kapgebinten, schoorstenen, trappen, bedsteden, de inrichting van officiershutten en andere details vastgelegd. Dit werk wordt aangenomen door Andries Gerritsen Mol uit Vollenhove voor de som van 8000 gulden. De borgen van Mol zijn: Lucas Berents en Jan Willemsen, beiden timmerlieden uit Vollenhove.
Een kruitmagazijn in één van de bolwerken, waarvan de muren een dikte van zes ijsselstenen dienen te hebben, wordt gebouwd door Abraham Cock voor 2500 gulden; zijn borgen zijn Jan van Rijssel en Berent Laegeman. Abraham Cock bouwt tevens een poort en drie bruggen inclusief wachthuisje ( ƒ 7500,=), een stenen wachthuis (met 'sweetbancken' en een 'luijff met geweerhouten, om pieken en musquetten op te leggen') voor ƒ 1000,= en een toilet voor ƒ 600,=. Voor die laatste voorziening, in het bestek 'een nieuw secreet, buyten van de wal' geheten, dient geheid te worden. In het toilet moet komen een 'bequaem sitsel, boven voorsien met een schuynse planck vast genagelt'. Aardig is om te zien dat er ook andere personen dan mannelijke soldaten op het fort worden verwacht, daar voorgeschreven wordt dat op de toiletten 'aen de eene sijde een mans ende (aen) d'ander een vrouwe tronije' geschilderd moet worden alsmede 'recht uit midden van 't secreethuys twee cleijne brillen voor de kinders'. Zoals in verschillende andere bestekken wordt ook hier bepaald dat 'den steen sal wesen goeden wel gebacken moppen ijsselsteen' en dat "t hout sal wesen goet gaeff eyckenhout sonder met quade quasten, roden off witten olm besmet te sijn'. Wanneer er geschilderd moet worden gebeurt dat met 'een grauwe olij verwe'.
Op 23 april 1668 vertrokken Van Haersolte en Sloet weer uit Zwolle en gingen terug naar Den Haag en maakten rapport van hun bevindingen op, dankzij welk rapport wij nu nog enig idee hebben van de inrichting van het fort dat hen voor ogen stond.

De plannen voor de bouw van een fort bij het Pannenhuis maken een weldoordachte indruk. Over een redoute 'aen den Hasselerwech' wordt overigens niet meer gesproken. Maar de uitvoering van die plannen laat voorlopig op zich wachten. In juni 1668 reeds schrijft aannemer Hendrik Treurniet een verzoekschrift aan de Raad van State, waarin hij aandringt op het nemen van een spoedige beslissing door de Raad inzake de bouw van het fort. Hij heeft haast, omdat "t zaysoen van t jaer nu daer is, ende sich alle dagen presentiert om goet ende spoedich werck te maecken'.
Arme Hendrik Treurniet. De jaren 1668, 1669, 1670 en 1671 gaan voorbij zonder dat er gebouwd wordt. Wel vragen de Staten-Generaal aan de Raad van State in 1669 'hoe het staet ende gelegen is met het maken van ’t fort by Rooveen'. Ook Overijssel wil er zijn best voor doen dat de 'schantse' op Roeveen ... werde opgemaeckt en in perfectie gebracht'. Maar steeds opnieuw stond het niet 'paraferen van gepetitioneerde bedragen' de realisering der bouwplannen in de weg. Totdat het weer spannend werd in de internationale politiek en een bolwerk bij de Lichtmis misschien wel van groot belang zou kunnen zijn om een oude bekende uit Munster te weren.

wordt vervolgd

Bijlage

Lijst met enkele termen betreffende vestingbouw:

banket

bedekte weg
berm


bolwerk
borstwering


contrescarp
facen

fort

gordijn
inundatie

palissade

redoute
reduit


schans

walgang


 


 
 


 
 


 

 


 

 


 
 

 

 

verhoging achter een borstwering:
standplaats voor de schutter
dekkingswal rondom een vestingwerk
smalle strook grond aan de buitenvoet van een vestingwal, doorgaans beplant met een doornhaag (ook sluipwal geheten)
bastion
verhoging op een muur of wal ter bescherming van de verdediger en zijn geschut
van de vesting afgekeerde grachtboord
de naar buiten gerichte delen van een bastion
klein zelfstandig vestingwerk, iets groter dan een schans
wal tussen twee bastions
kunstmatige onderwaterzetting ter verdediging van het land
hindernis bestaande uit een rij aangepunte palen
eenvoudig rechthoekig gesloten veldwerk
versterkte post binnen een vestingwerk, bestemd voor de laatste verdedigingswerk te kunnen flankeren
zelfstandig aarden werk van uiteenlopende vorm
plaats achter de borstwering waar men zich gedekt kan bewegen

* * *

't VERAANDER'NDE NI'JLUUSN _________________________________________________________

M Prins- Praas

Veul is hier veraandert ien de loop der tied
en daoroaver wille ik graag ies wat kwiet:
't Karkbruggien was un begrip in vrogger daag'n
net as de melkfabriek'n die der toen nog waar'n
. Met peerd en waag'n gung'n de boer'n der naor toe
en ' t is gien flauwe kul,
kwaam'n ze 'n bekende teeg'n:
touw urn de asse en stille stund spul .
De Dedernsvaort deur de Baron met meuite egraam'n ,
is now snelweg, waordeur wi'j gauwer in Zwolle kwaam'n .
De Union is nog altied de trots van jong en old,
meens'n zorgt der veur da'j det zo behold.
't Café van Marchien van de Schoe
en de meule van Massier lacht oens nog steeds toe.
De ruilverkaveling waor iederiene teeg'n was
veraanderde oens Ni'jluusn al ras:
Harde weeg'n wör'n beloofd en het laand an ien stuk ,
't kwaamp tot ieders verbaaz'n en tot ieders geluk .
Een zwembad det kwaamp, mar ik vraoge mi 'j of
of un duuk in det water niet goedkoper kan,
want veur veer guld'n koop ie ok un krentestoete
en daor ete wi'j dan allemaole van.
Dan 't fietspad det hoog neudig is,
mar de t ied zal leer'n of 't een verbètering is ;
alle uutweeg'n koomt daor dan op uut
en daor mut dan wel un börd bi'j van "meens'n kiek uut!"



Veule gunk weg en ni'js kwaamp der veur weer,
an de Meele daor bouwt ze mar deur, keer op keer.
Was alles ebleem'n zo as det vrogger was,
dan hadd'n wi'j gien Zuud en gien Noord met zien plas,
dan was 't ben Hulst en Ni'jluusn ebleem'n
en waar'n wi'j vaste ok niet tevree'n.
't Is allemaol koom'n met veule hinderniss'n;
ok 't bejaordenhuus, maor wie zol 't will'n miss'n?
Mar stort'n 't plafon van de karke ien mekaar,
d'haand'n ien een en 't kump veur menaar.
Tot slot hoopt wi'j det iederiene hier goed kan huuz'n
en methelpt an de uutbouw van oens dorpien Ni'jluusn.

* * *

SURSUM CORDA _________________________________________________________

De zangvereniging Sursum Corda maakte in 1946 een reisje naar Wapenveld,
alwaar de leden poseerden voor onderstaande foto.



Foto: C. Vogelzang


1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  

Roelof Hoogenkamp
Hendrik Mussche
Gerrit van Spijker
Gerrit Knol
Jan Jans
Arend Mannen
Willem Geerts
Hendrik Beltman
Gerrit Groen
Jacobus Bolhoven
Dina Frederiks
Klasina Schoemaker
Jaantje Pessink
Grietje Mussche
Jentje Boer

16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  

Aaltje Katoele
Arend van Spijker
Klaas Hekman
Hendrik Bovenhoff
Koop Hekman
Jan Brasjen
Margje Timmerman Ldr.
Hennie Hoogenkamp
Jennigje Masselink
Klaasje Brinkman
Hennie Schoemaker
Hendrik Kreule
K. Smit, dirigent
Gerda Hengeveld
Derk Jan de Weerd

31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  

Willy Veldhuizen
Geesje Schuurman
Stijntje Beltman
Grietje van Hulst
Hennie Brasjen
Aaltje Brasjen
Geesje Huisman
Margje Timmerman Kdr.
Trijntje Huisman
Truus Hoekman
Jentje Prins
Janna Meulenbelt
Gerda van Duren
Aaltje Reuvers
Jennigje Beumer

* * *

FLUITIESHOLT _________________________________________________________

G. Smit

IJ sniedt 'n tak, ij vlakt hum of,
IJ karft 'n mooi scharp ringien,
IJ klopt wat op het dingien
En bromt er een aold versien bij:
Van "Sappe, sappe, siepien,
Wanner bis sto riepien".
Dan, veur daj 't wit, hej in de haand
'n Huppien of 'n fluitien
En blaost met kracht en bliede zin
De eerste veurjaorslocht erin.

Hoe hèt het stroekien dat zo glad,
Zien schel zo fien döt lössen,
Zo vrog zien blad ontrolt?
De iene zeg van liesterkrallen,
De aner fluitiesholt.

* * *

IEPE SAPPE SIEPE _________________________________________________________

J.W. de Weerd

In het vorenstaande gedicht, dat in het Drentse blad "Oeze volk" van april 1966 werd gepubliceerd, wordt een oud versje aangehaald dat bij het maken van fluitjes werd opgezegd. Het maken van "fluities" en "obb'n" gebeurde ook wel in Nieuwleusen en omgeving. Ook hier was het bijbehorende liedje bekend. Dat ging als volgt:
lepe sappe siepe
Wanneer bin iej riepie
Achter ien de meimaond
As de veugelties eigies legt
Wat legt ze dan, wat legt ze dan

Niks as leuge doppen
Zo dik as kienderkoppen
Wil iej der dan nog niet of
Sniet urn dan de kop mar of.

Voor de laatste twee regels werd ook wel
gezegd: Rood kriet, wit kriet
Alle jaren dit geschiedt.

Het fluitjes maken schijnt een onderdeel te zijn geweest van de meifeesten. Jan ter Gouw verhaalt in zijn "De volksvermaken" dat voor de wagen waarop de meiboom naar het dorp werd gebracht, een aantal jongens liepen die op zogenaamde meifluitjes, ook wel waldhorens, hoppen of pijpen, bliezen. Bij het maken hiervan zong men in Drenthe (Drentsche Volksalmanak 1844):
Siip, sap siipien,
Wanneer worst dou riipe?
Te Meije, te Meije
Als de veugelties legt eijer;
Wat legt ze dan?
Lége, lége doppen,
Kale, kale koppen
Toen 't kattien op 't diikien zat,
Zeuite melk met tweeibak (beschuit) at,
Kwam 'n beuze hekse,
De wol 't kattien 't oor of biiten;
Heel of, half of,
Too (trok) het kattien 't oor of.

Dit versje leert ons dat de eigenlijke betekenis van het blazen op de fluitjes het verjagen van heksen was. Zij immers konden de mooie meimaand bederven, de vogels lege doppen laten leggen in plaats van volle, dieren de kop kaalplukken en de oren afbijten.
Ter Gouw schrijft dat o.a. in Deventer de heksen veranderd zijn in Hessen, dit naar aanleiding van een veldslag in 1498:
Doe kwam de voele Hessen
Al met de scharpe messe
De voele Hessen ging lopen
Heel of, half of,
Houwe diin den kop of,
So dood as een piere.
Kump siin leven dage neet weer hiere.

Hoewel zij in de Doornspijkse (Veluwe) versie niet wordt genoemd, is hier toch ook duidelijk sprake van een heks:
Sip, sap höltjen,
Ik slao oe met en böltjen,
Ik slao oe met en mes of dree
Dat ie vliegen aover de zee,
En kommie dan weer an het laaend,
Dan smiet ik oe in 't zwarte zaaend,
En kommie dan weer baoven,
Dan smiet ik oe in den aoven.

In het volgende zuidwest Drentse versje is de oorspronkelijke heks terug te vinden in "de olde wieven".
Ap , sap, siepien
Wanneer wor ie riepien
As de veugels eier legt
Legt ze dan gien eier
Dan mor doppen
Gooi de olde wieven
Vlak veur de koppen
Kop an blooden
Bloo, bloo meitied
Meitied komp mor eens in 't jaor
En now is mien fluitien klaor.
Een andere versie, eveneens uit zuidwest Drenthe, spreekt van de heer van Essen, die ook wel voorkomt als van Echten. Dit is dus een zelfde vervorming als terug te vinden is in het Deventer liedje.
Hup, sap, siepie
Wanneer wor ie riepe
Ankomd meitied
As de veugelties eier leggen
Kattie op een diekien zat
Melk en beschuuten at
Kwam een heer van Essen
Mit zeuven lange messen
Die wol kattien 't oor of snien
Kop an 't bloeden
Net as een varken
Gaot er mit naor Marken
Gaot er mit naor Engelaand
Engelaand stiet in de braand
Wie hef dat edaone
Drie kleine kinderties
Wil der mien siepien nog niet of
Sniet hum dan de kop maor of.

Het bloedende varken en de brand komen ook in een ander kinderversje voor (J. van Vloten, Nederlandse baker- en kinderrijmen, blz 133). Daar zijn dus twee liedjes samengesmolten tot één.

Dan willen we nu eens kijken hoe het maken van fluitjes in zijn werk ging. Een fluitje en een hoppe (Nieuwleusen: obbe) was niet hetzelfde, zoals hierna zal blijken.
In de meimaand sneden de jongens een tak ter dikte van een potlood. van de lijsterbes, ook wel "obb'nholt" genoemd. De bast zat dan vol vocht en niet zo vast om het jonge hout.
Voor het maken van "obb'n" werd in het ongeveer 10 à 15 cm. lange stokje op ca. 5 cm. van het eind met een scherp mes tot op het hout een ring in de bast gesneden. Dit eind van het stokje werd dan tot aan de ring in de mond genomen, zodat de bast met speeksel goed werd bevochtigd. Daarna werd het op de knie gelegd en werd de bast met het heft van het zakmes beklopt. Tegelijker tijd werd het versje opgezegd. Wanneer dit uit was, kon het hout uit de bast worden getrokken. Van het kokertje werd nu aan één kant ongeveer een halve centimeter van de donkere bast afgeschrapt, zodat alleen het binnenste overbleef en de "obbe" was klaar.
Door de "obbe" met het afgeschrapte deel in de mond te nemen en er op te blazen, ontstaat door een bepaalde trilling een doordringend geluid dat te vergelijken is met het geluid dat ontstaat door te blazen op een kam die omwikkelt is door een dun stukje plastic.
Nog meer geluid was te maken met een "brulobbe" (zie ook J. de Vries, Volk van Nederland, blz. 235). Daarvoor werd een 6 à 7 cm. dikke tak (ook wel wilgenhout) gebruikt, welke spiraalvormig van de bast werd ontdaan. Deze bast werd dan opgerold in de vorm van een toeter en aan het eind met een spijkertje vastgezet. Aan het dunne eind werd de "obbe" in de toeter aangebracht. Het geheel kon soms wel een meter lang worden en had als zodanig iets weg van een midwinterhoorn.

Het maken van fluitjes ging als volgt. In het ongeveer 15 cm. lange stokje werd in het midden een ring gekerfd. Het eind werd schuin gebogen afgesneden, zodat een mondstuk ontstond. Een eindje daarvandaan werd een inkeping in de bast gemaakt. Vervolgens kon het bekloppen onder het opzeggen van iepe sappe siepe beginnen op dezelfde manier als boven omschreven.



Was het gelukt, dan werd het kokertje aan het eind afgesloten met een stukje van het blanke overgebleven hout. In het mondstuk werd hier eveneens een stukje van aangebracht, dat evenwel aan de bovenzijde werd afgeplat. Het fluitje was dan klaar en er kon naar hartelust op worden geblazen totdat het snerpende geluid de andere huisgenoten begon te vervelen.
De "obb'n" en de "fluities" waren geen lang leven beschoren. Wanneer het sap in de bast begon op te drogen, was het gedaan met de pret.

Tot slot hieronder nog een aardige passage uit het boek "Nelly Degenstein, een Giethoornsche geschiedenis" (schrijfster A. Maat). ….. "En 'oe giet 't toch mit die Jo'an de Vries?" vroeg hij tenslotte. "Is die nog notaris 'eworden?" "Nee, hij is burgemeester geworden," antwoordde Nelly. Haar stem klonk wat onvast en zij verschoot van kleur, maar Geert, die even van te voren een esschentakje had geplukt en al pratende bezig was er een fluitje van te snijden, keek niet op en vervolgde: "zoo, börgemeister! is die börgemeister 'eworden!" Hij stak het takje in den mond en toen het vochtig genoeg was, begon hij met zijn mes er van alle kanten op te kloppen. "'t Is de goeie tied niet," zei hij, "de baaste wil niet losloaten." Annigje, die het kloppen gehoord had, keek eens om en liep vlug naar haar vader. "Hè, vaeder, mag ik 'n poossien kloppen?" Geert gaf het half voltooide fluitje met het mes aan het kind. Terstond begon Annigje ijverig te kloppen en zong op eentonige wijs:
Uit'olt, duit'olt, fluit'olt!
Sip, sap siepien
Wanneer word ie riepien?
Ankoemende Meie?
As de voegelties eier leggen,
Leggen z'in de dauwe
Man en vrouwe.
Toen oons kattien op de diek zat,
Zeute melk en beschuut vrat,
Kwam de looze 'ekse an
Beet oons kattien 't koppien of
'Eel of! 'alf of!
Hier begon Annigje hoe langer hoe harder te slaan en haar vader zei: "schei moar uut mit joew 'sip, sap, siepien,' d'er zit gien sap genoeg in; de baaste is te old en te dreuge," maar het kind vervolgde met ijver:
Diep onder d'eerde!
Wil 't er dan niet ofgoan,
Dan zal 'k 'om op den kop sloan !
Annigje sloeg nu uit alle macht. Het kritieke oogenblik naderde. Als 't versje uit was, moest de bast er in zijn geheel kunnen worden afgeschoven.
Robbe, dobbe, dob!
Zoo goan wij de Gietersche diek weer op!"

* * *

BRAND OP DE PUNT _________________________________________________________

Op maandag 20 februari 1928 ontstond er in de buurtschap De Punt brand in de boerderij van H. Trompetter. Deze brand trok nog al wat belangstelling, maar in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant werd daarvan geen verslag gedaan. Wel bracht de Dedemsvaartsche Courant van 25 februari een kort verslag. In de Dalfser Courant van vrijdag 24 februari werd onderstaand uitgebreid verslag opgenomen.

Maandagavond omstreeks 8 uur brak door onbekende oorzaak brand uit in de boerderij van H. Trompetter Jzn, op de Punt, alhier. Het vuur greep zoo snel om zich heen, dat in een minimum van tijd het huis in vlammen was gehuld. Spoedig waren er veel menschen aanwezig en wist men de levende have, benevens eenigen inboedel, uit het brandende huis te redden. Een gedeelte van den inboedel, w.o. twee bedstellen, en voorts een vijftal rijwielen, kwamen in de vlammen om.


Bij de restanten van de boerderij poseerden voor de fotograaf (vlnr) Wolter Nijboer, Hendrik Prins, Margje Trompetter, Albert Dekker en Jentje Trompetter.

Tengevolge van den gunstigen wind, deze woei uit het Oosten, bleven de dicht bij het huis staande gebouwen, als: schuren, hooiberg en stookhok, deze laatste stond direct aan het brandende huis, gespaard en beperkte zich de brand uitsluitend bij het huis en de niet geredde roerende goederen, welke daarin aanwezig waren. Slechts de muren van het huis bleven over.
De brandspuit van Nieuwleusen, welke spoedig ter plaatse verscheen, kon weinig uitrichten, en bepaalde zich er toe om het stookhok nat te houden, waarvan evenwel het houtwerk nog eenigszins geschroeid was.
Voor Trompetter is deze brand een belangrijke schadepost, wijl hij de gebouwen en den inboedel laag verzekerd had bij de Onderlinge Brandassurantie te Nieuwleusen.
Zoo spoedig mogelijk zal echter begonnen worden met den bouw van een nieuwe boerderij, hetwelk zal geschieden door den aannemer B. Timmerman H.Jzn., alhier.


* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 23 maart 1957:
Toen de landbouwer B. uit het Oosteinde dinsdagmorgen een landrol haalde van de Landbouwvereniging, sloeg op een gegeven moment het paard met de landrol achter zich op hol en rende de Kerkenhoek door, de Dommelerdijk op, achtervolgd door bromfietsers en wielrijders. Het gelukte A. van Spijker nabij de Middeldijk het paard te grijpen en tot staan te brengen.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 28 mei 1918:
De heer K. van Munster, hoofd van school D en zijn echtgenoote zijn uit ruim 170 sollicitanten benoemd tot directeur en directrice van het Algemeen Weeshuis te Den Helder. Door deze benoeming verliest het onderwijs in onze gemeente weer een eerste kracht, die moeilijk gemist kan worden.

Dedemsvaartsche Courant van 2 maart 1935:
Vanaf 1 maart is een Bureau van onze editie
"Nieuwleusener Courant"
gevestigd te Nieuwleusen, Wijk A 79, ten huize van den heer J. Mensink.
Aan dit Bureau worden dagelijks nieuwe abonnees aangenomen en kunnen ook proefnummers worden aangevraagd.
Alle particuliere advertenties uit de gemeente Nieuwleusen worden door bemiddeling van dit Bureau geplaatst en ook verrekend.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES XIII _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma



”’t Arf veur de pacht laot’n ling’n.”
Dit werd gezegd als een boer z'n
erf onbeheerd achterliet voor een
visite of uitstapje.


Jaargang 8 nummer 2 juni 1990

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

HET FORT BIJ DE LICHTMIS NABIJ NIEUWLEUSEN II _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

Korte samenvatting van de eerste aflevering
Van militair-strategisch belang voor de verdediging van noordoost-Nederland was een pas die gelegen was in de moerassen rondom Nieuwleusen nabij de herberg het 'Pannenhuis' of de Lichtmis. Toen in 1665 de bisschop van Munster met ons land in oorlog kwam, overmeesterde hij vrijwel moeiteloos de versterkte pas bij de Lichtmis tijdens zijn inval in Overijssel. Daar het afschrikkingseffect van het provisorische verdedigingswerk nagenoeg nihil was, werden plannen gemaakt om op deze plek een fort te bouwen. Er werden tekeningen en bestekken ontworpen maar tot een werkelijke bouw van het fort kwam het niet. Hoofdreden hiervan was het feit dat de benodigde gelden maar niet loskwamen. In 1672 evenwel ontstond er zodoende enige paniek omdat weer krijgsrumoer vanuit Münster werd vernomen.

Hernieuwde aanbesteding in het zicht van de vijand
Het jaar 1672 is te boek komen te staan als rampjaar. Nederland werd niet alleen vanuit het oosten bedreigd door de bisschoppen van Keulen en Munster maar ook vanuit het zuiden door de Franse koning Lodewijk XIV en vanuit zee door de Engelse koning Karel II. Toen de nood hoog werd, ging men weer roepen om een Oranje. In februari van dat jaar 1672 werd de door Johan de Witt zo gesmade prins Willem III benoemd tot kapitein­generaal voor één veldtocht. Vijf maanden later werd hij stadhouder en onvoorwaardelijk kapitein-generaal. Begin februari 1672 kon daarom opeens wel wat verschillende jaren daarvoor tevergeefs was geprobeerd. Het geld voor de bouw van een fort (begroot op honderdduizend gulden, tienduizend meer dan eerst) werd nu wel vrijgemaakt. Nu pas hadden de Staten van de drie provincies 'geconsenteerd ende bewillicht in den opbouw van het voorsseide fort, mitsgaders in de voorsseide petitie van hondertduysent gulden'. De Raad van State werd door de Staten-Generaal opgedragen om 'ten spoedichtste ende sonder eenich langer uytstel de noodige ordres te stellen ende die voorsieninge te doen ten eynde het voorsseide fort soo haest doenlyck aldaer besteet, gemaeckt ende voltrocken mach worden'. Het fort moest komen 'ter plaetse genaemt den grooten Lichtmis'. De heren Staten-Generaal wilden op de hoogte blijven van 'oft iets ende wat den voortgangh van de opbouw van het voorschreven fort retardeert(vertraagt) ende wederhout'. Ook werd legeraanvoerder Aylva naar Overijssel gezonden om in samenwerking met de Staten van die provincie 'het voorszeide fort te doen afsteeken, om vervolgens aanbesteet te worden'. Kennelijk was de aanbesteding die reeds in 1668 had plaatsgevonden, niet meer geldig.


Schets van het aan te leggen fort (1668).

De nieuwe aanbesteding vond op 11 april plaats op grond van twaalf bestekken, die waarschijnlijk dezelfde waren als die vier jaar voordien werden gebruikt. Van de aannemers die er in 1668 waren komen we alleen Abraham Cock nog tegen. De toewijzingen gebeurden aan de volgende aannemers:
-fort met vier bolwerken: Gaspar la Grosse(?), elke roede voor ƒ 160,-.
-twee rijen palissaden in de gracht: Sipke Pieters, elke roede voor ƒ 7 ,-.
-aarden redoute met een stenen reduit: Sipke Pieters voor ƒ 3400,- die ook stormpalen voor het reduit maakt (elke roede ƒ 10,-).
-put op het fort: Sipke Pieters voor ƒ 80,-.
-vier rijen dubbele barakken (elke barak twaalf hutten bevattende): Sipke Pieters voor ƒ 11400,-.
-bruggen over de gracht en over de contrescarp-gracht: Harmen (of: Herman) Oltholff voor ƒ 870, -.
-poort binnen het fort: Abraham de Cock voor ƒ 950,-.
-kruittoren: Harmen Oltholff voor ƒ 1690,-.
-wachthuis: Abraham de Cock voor ƒ 970 ,-.
- toilet en zes schildershuizen: Harmen Oltholff voor ƒ 300,-.

Eindelijk dan kan in 1672, met de vijand voor de deur, het 'afsteken ende kielspitten' beginnen. Maar op 30 april beseffen de Staten van Overijssel, overwegende 'den nood in welcke den staet van ons Vaderlandt' is, dat het fort bij Rouveen 'vooreerst nog niet in staat van defensie zal kunnen zijn' en denkt men erover 'den weg van en naar Rouveen ten spoedigste onbruikbaar te maken', onder meer door het kappen van het 'holtgewas tusschen de Route en Beentjesgraeven'.

Een inspectieverslag
De helaas ongedateerde 'memorie van de visitatien van de nieuwe schans in t Rooveen' bevat een verslag van de toestand van het fort, een verslag dat nà 1668 en vóór 1682 is opgemaakt. Het is waarschijnlijk dat de memorie dateert uit 1672. In dat jaar werden op bevel van de nieuwe opperbevelhebber, prins Willem III, de latere stadhouder van Nederland en koning van Engeland, vele inspecties van verdedigingswerken uitgevoerd in verband met de dreigende inval van buitenlandse mogendheden. Doorgaans werden de bolwerken, schansen en forten in deplorabele toestand aangetroffen, een situatie waarvan het fort bij de Lichtmis zich niet onderscheidde. Daar in de memorie sprake is van 'syn vorstelijke genade' wordt het vermoeden versterkt dat zij uit 1672 stamt. Enkele punten uit het verslag: de contrescarp met de gracht zijn 'voor t merendeel volmaeckt' (dat wil zeggen: nog niet voltooid). De contrescarp was niet goed met zoden afgedekt waardoor hij was 'affgewaeyt'. De 'bedekte weg' waaruit zoden waren gestoken was niet weer opgehoogd. Ook de gracht was maar 'ten deele' op diepte gegraven en er waren grondverzakkingen. Er wordt geklaagd over 'sandige gronden' die 'zeer verstuyven ende wech waeyen' , hetgeen afdekken met zoden nodig maakt. Ook is sprake van een niet eerder genoemde en ook niet nader gesitueerde 'swarte schans' waarvan de walgang heel smal en lang is. Banketten en borstweringen zijn hier zeer vervallen en moeten zonder vertraging in orde worden gemaakt zodat 'alles tegens de comste van de naeste heeren gedeputeerden' (de gedeputeerden te velde) gereed zou zijn. Vervolgens valt regelmatig het woord 'defect' ten aanzien van voorzieningen als bijvoorbeeld het magazijn. Dat de situatie aan de Lichtmisschans en de 'swarte schans' niet afwijkend was van overige situaties blijkt uit het vervolg van de memorie waarin de verdedigingsvoorzieningen van Hasselt worden beschreven. De wallen en borstweringen hier worden 'zeer defect' genoemd. Bovendien is de walgang zo laag dat geen kanon van het ene bolwerk naar een andere kan worden gebracht. Ook zijn de palissaden aan de grond vergaan en hebben de borstweringen niet de vereiste hoogten en 'int groot bolwerck was een batrije zeer defect'.

Op 23 juni 1672 stonden echter al vijandelijke Duitse troepen voor het op dat moment zeer waarschijnlijk niet voltooide fort. En weer werd het militaire steunpunt, ondanks reeds uitgevoerde inundaties, spoorslags door haar bezetting van zo'n 200 man verlaten. In juli 1672 capituleerde het weinig heldhaftige Overijssel volledig. 'De vyandt quam aenstonts possessie nemen van.. (de) Schans te Rouveen', zo wordt gemeld.
Omdat de oorlogsdreiging na 1674, het jaar waarin op 22 april vrede werd gesloten met Engeland, Munster en Keulen (Frankrijk volgde in 1678) verdween, is het ook zeer de vraag of het fort geheel is afgebouwd. Wel werd aan Groningen en Friesland het recht toegekend om het fort te versterken maar in de onderzochte archieven is over het gebruik maken van dit recht niets teruggevonden. Na 1678 zou de bezetting uit niet meer dan tien man hebben bestaan en ruim tien jaar later zou het fort geheel verlaten zijn geworden. De eigenaar van de herberg de Lichtmis kon door het gul onthalen van de leden der inspectiecommissie uit de Raad van State de gronden van de schans, samen met ingezetenen van Rouveen, huren, een recht dat ten langen leste alleen hem ging toebehoren. In 1795 liet die huurder, die dus niet de eigenaar was, de restanten van het fort slechten en de grachten dempen en verkocht de grond aan baron Willem Jan van Dedem die met het oog op de te graven Dedemsvaart hiervoor grote belangstelling had.

1681: moerassen in de omgeving van Nieuwleusen
In een land als Nederland waarin het water zo'n belangrijke rol speelde, werd ook water aangewend in de verdediging van datzelfde land. Voor wat betreft de bescherming van voornamelijk Holland werd op initiatief van stadhouder Frederik Hendrik en later raadpensionaris Johan de Witt de Hollandse Waterlinie ontworpen. Ook in het denken over de verdediging van andere delen van Nederland werd een belangrijke rol aan het water toebedacht. Door zijn vele moerasgebieden en het water van IJssel en Zuiderzee vormde noord-west-Overijssel een voor de vijand bijna ondoordringbaar gebied. Het hoogveengebied in zuid-Drenthe kende slechts een smalle toegang bij Coevorden. Het Drentse veen strekte zich uit tot de Ommerschans. Dit bolwerk diende voor de verdediging van de weg van Overijssel naar Drenthe die over Avereest liep. Deze weg scheidde het Drentse hoogveengebied van de laagveengebieden in noord­westelijk Overijssel.
Hoe het nu met deze moerassen en de daarin aangelegde wegen ervoor stond werd in 1681 door een mede uit leden van de Raad van State samenstelde commissie uitgeplozen. Opdracht was het 'inspecteren der moeren (moerassen) ontrent Roveen, Ommerschans, Coevorden, Ter Apel, Boertangh en de Langackerschans' teneinde de mogelijkheden na te gaan om deze gebieden bij oorlogsdreiging onder water te kunnen zetten.


Uit het verslag van de commissie kan een aardig beeld verkregen worden van de situatie rondom Nieuwleusen in 1681, waarvan, ook al heeft dat slechts zijdelings met de schans bij het Pannenhuis te maken, hier toch enkele opvallende punten worden genoemd. Gesproken wordt eerst van de weg van Staphorst naar Rouveen, 'en soo voorts nae de Lichtmis ofte 't Pannenhuijs', in welke weg vele pompen liggen voor de ontwatering van de moerassen. Hierdoor en door middel van verschillende sluizen kan een gebied van zo'n 1200 roeden geschikt worden gemaakt als weiland en om boekweit op te verbouwen. Verwezen zij naar het kaartje van J. van Alberdingh (zie vorige bladzijde) van dit gebied waarop het betreffende moerasgebied is aangeduid met de letter A. Door het gebied zijn twee leidijken aangelegd (zie de letters M en F). Het beboekweite moeras (A) wordt aan de zuidzijde begrensd door een nog niet zo lang daarvoor gegraven grift die vooral bedoeld is om de moerassen in de buurt van Oosterveen 'droogh te maeken'. Via de Beentjesgraven en het Strokeler Zijl stroomt het griftwater dan in het Zwarte Water. Aan de noordzijde loopt naast de grift een weg die met name bij de leidijken zo laag is, dat ze regelmatig onderloopt met moeraswater. Ten zuiden van de moerassen van Oosterveen 'heeft men... den Groot Hermel , zynde een wegh beginnende van 't Huys de Ordelen tot voorby 't Tolhuys, en soo in een rechte lynie langs de Kerck van Nieuw Leussen, tot diep in 't moer'. Bovendien zijn langs de Grote Hermelen kanalen gegraven alsmede vele sloten (zie de letters C, H en I). Het water uit de griften of kanalen H en I stroomt uit in twee grotere kanalen bij Leusen (zie op de kaart de letters D en E), vanwaar het water in de Vecht uitkomt. Ook is er in de Grote Hermelen een brug gebouwd. Bovendien zijn er wegen aangelegd (zie de letters G en F). Tevens is er ten westen van de Nieuwe Zwolse weg een extra weg gekomen van het Tolhuis tot aan de Beentjesgraven , die een zijarm heeft naar het Pannenhuis of de Lichtmis (letter L) en dient voor een betere afvoer van het hooi uit deze streken en dan ook 'Hoywegh' heet. Andere wegen zijn: de reeds genoemde Nieuwe Zwolse weg, een weg langs de Grote Hermelen en een weg van Leusen naar Nieuwleusen die dwars door het moeras loopt.
Door al deze waterbouwkundige voorzieningen is het nu mogelijk dat men probleemloos van Leusen naar Nieuwleusen kan gaan en van daaruit naar Den Hulst, waar men linksaf kan slaan en via de leidijk door het moeras kan komen tot bij de Rouveense molen (letter N). Ook zijn via de leidijk dorpen als De Wijk en Ter Horst bereikbaar. Vele boeren maken hier met hun wagens dan ook gebruik van.
Vermeldenswaard is nog wat over de doorgang bij Rouveen wordt opgemerkt. Voor de beveiling van deze doortocht 'heeft men in April 1672 op de Lichtmis gelegt een Vierhoekige Fortresse, met een Contrescherpe, alreede ten deele gemaeckt' (het fort was dus in 1681 nog steeds niet afgebouwd!). Men wil zich niet uitlaten over de doelmatigheid van deze schans. Toch kan men niet nalaten op te merken 'dat men aen sodanigen fortresse de toegangh tot een Lant niet en behoorde te vertrouwen, aengesien dese niet machtigh soude syn des viants gewelt tegen te staen, wanneer die sterck en de met force deselve quaeme te attacqueren'. Voorgesteld wordt dan ook om de gehele toegang tot de Lichtmis weg te nemen, dat wil zeggen de weg vanaf de Grote Herrnelen tot aan de Hasselerweg. Ook nadien wordt nog gesproken over de 'begonnen schans', waarvan men betwijfelt of hij er echt komen moet en die ook nog aan de verkeerde kant van het inundatiegebied (namelijk aan de buitenkant in plaats van aan de binnenkant) ligt. Bij onderwaterzettting (inundatie) van de weilanden, gemerkt met letter Z, zal de vijand, zo veronderstelt men, kunnen worden weerstaan.

Het plan van Nuijs aan het eind der 17e eeuw
Tussen 1682 en 1686 heeft ook de rechtsgeleerde Hendrik Jasper Nuijs nog eens zijn licht laten schijnen over de inundatiemogelijkheden van het gebied ten oosten van Zwolle. Eerst was overwogen om de stad Zwolle zelf te versterken. Daarna werd gedacht over een dam en sluis in het Zwarte Water, maar ook dit plan ging niet door daar het succes van een inundatie te veel zee- en windafhankelijk was. Ook een voorstel tot het leggen van een dam in de Vecht werd niet uitvoerbaar geacht. Bovendien bleef de kans aanwezig dat de vijand door zou breken 'gelijk in 't jaar 1665 is geschied'. Wel werd ernu gepleit voor het aanbrengen van sluizen bij Hasselt en in het Zwarte Water teneinde het water in de Vecht te kunnen laten opstuwen op eenzelfde wijze als waarop schippers dat deden. Deze 'schutten' het water 'op' door middel van zijlen (soort sluisjes) waarna er bij het vrijkomen van het water zoveel kracht in zit dat zij probleemloos verder kunnen varen.
Of het plan of iets dat erop leek werkelijk ooit is uitgevoerd is zeer de vraag.

wordt vervolgd

* * *

DE MORGEN VAN 10 MEI 1940 _________________________________________________________

J. Prins

Hoe zou het gaan, zou ons land in de oorlog betrokken worden? Het had er al lang om gespannen. Veel ouderen dachten dat het wel mee zou vallen. In '14-18 was het toch ook goed gegaan. En bovendien was de waterlinie onneembaar, althans dat meende men.
Maar in de vroege morgen van 10 mei 1940 werden we gewekt door het gebrom van vliegtuigen en het zware gedreun van explosies. Was het dan toch waar, was het neutrale Nederland aangevallen? De radio maakte melding van het over de grens trekken van de Duitse Wehrmacht. Het Nederlandse leger verdedigde ons land dapper. Men liet bruggen springen en wierp wegversperringen op om het de aanvallers zo moeilijk mogelijk te maken het westen te bereiken.
Na enig beraad besloten we om maar gauw te gaan melken. Wie wist wat er nog ging gebeuren. Tijdens het melken zagen we enkele vrachtauto's met soldaten langs rijden. Een postauto van de EDS ging nog richting Zwolle. Even later ging Brug 6 de lucht in, waarna de soldaten die daar gelegerd waren en versterkingen hadden gebouwd eveneens per auto in de richting Zwolle vertrokken.
Regelmatig werd de oorlogsberichtgeving op de radio gevolgd. Deze meldde dat de verdediging volgens plan verliep; het was nog erg wennen aan dat soort berichten. De gehele morgen waren er Duitse vliegtuigen in de lucht. Omstreeks het middaguur werden hier de eerste Duitse militairen gesignaleerd. Eén ruiter voorop, daar een eindje achter twee ruiters en daarna nog een stuk of tien. Ze hadden een machinegeweer bij zich dat op een paard was gebonden.
We hadden de hele morgen met de buren aan de weg staan praten. Toen we de Duitsers zagen aankomen, ging ieder naar huis en zodra ze uit het gezicht waren, kwamen alle buren weer bijeen. De situatie werd opnieuw besproken en één van de vrouwen merkte op dat de doodstraf nu wel weer zou worden ingevoerd. Een ander maakte zich zorgen over het kippenvoer dat bijna op was en nog iemand anders uit de buurt verwonderde zich er over dat zo'n klein groepje Duitsers zo maar ons dorp kon veroveren. Wat ons na deze ochtend nog werkelijk te wachten stond, konden we geen van allen vermoeden.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 17 augustus 1912:
Nieuwleusen, 16 Aug. Heden arriveerde in onze gemeente (ligplaats Ommerdijkerbrug) het schip van het Leger des Heils, tot het houden van godsdienstige bijeenkomsten. Naar wij vernemen zal reeds hedenavond de eerste godsdienstoefening plaats hebben.

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO XI _________________________________________________________

Ditmaal hebben wij voor u een foto van school A aan het Oosteinde. De foto werd in 1927 gemaakt.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  

Meester Sikko Kapinga
Meester Gerrits
Frits Kouwen
Hendrik Kreule
?
A. Hendriks
Jan Lefers
Hendrik Jan Brouwer
Arend Jan de Boer
Femmigje Schiphorst
Harm Jan Mijnheer
Geertje Schaap
Jo Mijnheer
Roelof Kouwen

15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  

Hendrik Huzen
Hendrikje Katoele
Klaasje Hekman
?
Hilligje Massier
Hermina Blik
Hendrikje Huzen
Juf Johanna Westerbeek
Juffrouw Spoon
?
Geertje Mijnheer
Femmigje Klein
Hilligje de Boer
Jansje Hekman

29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
   

Hendrikje de Graaf
Hendrikje Stroink
Mientje Schoemaker
?
Hendrikje Frielink
J. Vrielink
J. v.d. Berg Ezn

Aaltje Pessink
Klaasje Pessink
Aaltje Kragt
H.J. Kreule


* * *

UIT DE RAADSNOTULEN _________________________________________________________

J W de Weerd

4e deel: HET JAAR 1939

Bij de ingekomen stukken voor de vergadering van 22 februari is een vers lag van de Commissie tot wering van schoolverzuim, waaruit blijkt dat schoolverzuim in 1938 42 maal is voorgekomen. Als redenen worden gemeld: Ommer-Bissing, visite, dorsmachinefeest, marktbezoek en thuis helpen.
Van de gemeentegeneesheer en zijne "gade" zijn brieven ontvangen, waarin wordt gewezen op de slechte toestand van het dak van de garage en op de ondoelmatige inrichting van de ruimte achter die garage, die als bergplaats wordt benut. Zij verzoeken om verbetering van de toestand. De gemeente-opzichter heeft een en ander bekeken en acht het gewenst dat het bestaande dak wordt verwijderd en dat er een nieuw plat dak met mastiekbedekking voor in de plaats komt. Verder zal de bergruimte achter de garage veranderd moeten worden. De kosten worden begroot op zeshonderd gulden. Op verzoek van de dokter heeft het raadslid Massier zich van de toestand op de hoogte gesteld. Hij heeft geconstateerd, dat er verschillende lekkages waren, terwijl het boven erg tochtig was. De dokter beweerde doorlopend verkouden te zijn en 's nachts zelfs een slaapmuts en wollen doek te moeten benutten tegen de koude. Hoewel er een kachel brandde, was het boven erg koud. Er zou verbetering zijn te krijgen door boven de garage een verdieping aan te brengen, waar een slaapvertrek kan worden gemaakt.
De voorzitter vraagt zich af of de onderbouw voldoende solide is voor het aanbrengen van een verdieping en vreest dat ook het aanzicht van het gebouw er niet mooier op zal worden. Hij weet niet of het gewenst is nog zoveel geld voor de woning uit te geven. Gaat de dokter weg, dan zou een opvolger wel eens zelf een huis kunnen bouwen en dan zit de gemeente met het huis, waarvoor grote bedragen zijn uitgegeven.
Raadslid de Boer merkt op dat de commissie, die indertijd een onderzoek instelde en waarvan de heer Massier lid was, eenparig oordeelde dat er aan de woning niet zoveel meer ten koste moest worden gelegd. Massier zegt dat het huis netjes bewoond wordt en dus ook goed moet worden onderhouden. De dokter kan ook wel om centrale verwarming vragen als hij het koud heeft.
De voorzitter acht het beter dat de raad toestemming verleent om de woning te verlaten en dat de gemeente de woning dan verkoopt. Het is de voordeligste weg en men is van het gezeur af. Voorgesteld wordt de dokter te berichten dat de raad genegen is hem toe te staan de woning te verlaten. Gaat de dokter hier niet op in, dan zullen B & W met een begroting van kosten komen voor het maken van een verdieping op de garage, wanneer tenminste de bestaande onderbouw dat toelaat. Het voorstel wordt aanvaard.
De gemeente-opzichter heeft een begroting opgemaakt Voor de kosten van het oprichten van rijwielbewaarplaatsen bij de scholen in de gemeente. In een vorige vergadering werd op een dergelijk verzoek van het schoolbestuur te De Meele afwijzend beschikt, omdat bleek dat de kosten te hoog waren. Wel werd toegezegd dat bij aanvrage van een eenvoudige bergplaats de raad bereid zou zijn medewerking te verlenen. Inmiddels heeft ook het schoolbestuur te Den Hulst om een rijwielbergplaats gevraagd. Bij de andere scholen bestaat eveneens behoefte aan een dergelijke bergplaats, reden waarom B & W met een voorstel komen om de knoop maar door te hakken en bij alle scholen deze fietsenhokken te laten maken. Na een opmerking dat kinderen, die niet verder dan een half uur gaans van de school wonen, wel kunnen lopen, zegt de voorzitter het moeilijk te vinden een grens te trekken. De hoofden van de scholen zullen hiervoor hun medewerking moeten verlenen. De kosten voor de acht scholen zullen ongeveer een ƒ 1200,= bedragen, waarvoor uiteindelijk een krediet wordt verleend.



Bij de rondvraag merkt het raadslid De Boer op dat er mensen bij hem zijn gekomen, die verklaren verbolgen te zijn over het hardhandig optreden van de burgemeester tegenover hun kinderen, die jonge boompjes hebben vernield op De Meele. De voorzitter antwoordt dat bedoelde ouders beter verbolgen konden zijn over de wandaden van hun kinderen. Inderdaad heeft hij de jongens flink aangepakt.
De heer De Boer zegt dit wel erg te vinden, waarop de voorzitter zegt dat dergelijke opmerkingen niet in de raad thuishoren. Hij accepteert dan ook geen aanmerkingen op zijn politioneel beleid en wenst van de heer De Boer geen lesje te ontvangen.
De voorzitter deelt voorts nog mee dat er van de zijde van de politie bezwaren zijn geopperd tegen de plaatsing van een muziektent in het Palthebos. Er zou niet behoorlijk gesurveilleerd kunnen worden bij eventuele uitvoeringen. Ter bevordering van de moraliteit zou het beter zijn een andere plaats te zoeken. Massier had er reeds iets van gehoord en zegt de plek bij de Viersprong op het terrein van de N.H. Kerk een geschikte plaats te vinden.

Een verzoek van de vereniging Schoolmuseum te Zwolle behoort tot de ingekomen stukken voor de vergadering van 24 mei. In verband met de moeilijke financiële positie van het museum wordt er om een jaarlijkse subsidie van ƒ 5,= verzocht. Voor het onderwijzend personeel is het museum van belang, men vindt er de nieuw verschenen uitgaven van leerboeken, enz. en men kan er ook voorlichting ontvangen. Er zijn in de gemeente 8 lagere scholen, die ervan kunnen profiteren en het gevraagde bedrag is zeer bescheiden, zodat dit voorstel geen problemen oplevert.
Van de heer A.J. van Ravenswaay is een verzoek ingekomen om hem ontslag te willen verlenen als gemeentegeneesheer. Raadslid Massier vraagt of het wel gewenst is het ontslag met ingang van 1 juni te verlenen, aangezien de gemeentegeneesheer reeds is vertrokken.
De voorzitter zegt dat Van Ravenswaay niet meer in de gemeente is, maar nog terugkomt. Hij heeft bericht dat dokter Dekker hem als gemeente-geneesheer zal vervangen.
Nu er in de vacature van gemeentegeneesheer moet worden voorzien, menen B & W, aangezien er in de gemeente twee artsen gevestigd zijn, dat het gewenst is beiden te belasten met de genees-, heel- en verloskundige en pharmaceutische armenverzorging, de doodschouw en de vaccinatie. In overeenstemming met de mening van de geneeskundig inspecteur en ook met die van de beide artsen, wordt voorgesteld om met ingang van 1 juni 1939 voor de tijd van twee achtereenvolgende jaren tot gemeentegeneesheer ter standplaats kom Nieuwleusen de heer G.R. Dekker te benoemen en ter standplaats Den Hulst de heer J.M. Schuringa.
Van de N. V. Waterleidingmij. Overijssel te Zwolle is een schrijven ontvangen waarin wordt medegedeeld dat van enkele personen die aan het Zandspeur wonen, een verzoek is ontvangen om aansluiting bij de drinkwaterleiding. De maatschappij heeft een begroting laten opmaken, waaruit blijkt dat de kosten voor uitbreiding van het buizennet ƒ 750,= bedragen, waartegenover een opbrengst aan watergeld is geraamd van ƒ 97,44 per jaar. Men acht de rentabiliteit verzekerd. Wanneer de raad aan de totstandkoming van deze uitbreiding wil meewerken, moet worden besloten tot verhoging van de leninggarantie van ƒ 111.800,= tot ƒ 112.500,=, waartoe na enige discussie ook wordt overgegaan.
Bij een bespreking van de steun aan werklozen en kleine boeren blijkt dat er sedert enige maanden een matrassen-cursus wordt gehouden, waarvoor zich honderd gezinnen hebben opgegeven. Hiervan bezoeken er 81 de cursus, die eind juni afloopt. Er werden 74 tweepersoons matrassen, zeven eenpersoons- en twee kindermatrassen gemaakt en verder nog 69 dekens. Het departement van Economische Zaken stelde de nodige goederen beschikbaar.

In de vergadering van 3 augustus deelt Burgemeester Backx mee dat B & W het gewenst achten een tweede motorbrandspuit aan te schaffen, die als standplaats Nieuwleusen heeft. In Den Hulst is er al één gestationeerd. Voor de aanschaf draagt de Onderlinge Brandwaarborg Maatschappij voor een belangrijk deel bij. Het voorstel brengt een behoorlijke discussie met zich mee. Massier vraagt naar de hoogte van de O.B.M. bijdrage, welke evenwel nog niet is bepaald. Raadslid Prins vindt een tweede spuit voorbarig, waarna de voorzitter zegt dat het in onze uitgestrekte gemeente niet langer verantwoord is er één brandspuit op na te houden. De Boer zegt dat een tweede brandspuit hem niets waard is. Het vervoer stuit op grote bezwaren en bovendien zijn er brandkranen. Het raadslid De Graaf is voor de aanschaf, maar vindt wel dat er meer druk op de waterleiding behoort te zijn. Backx zegt hierop dat in geval van brand het pompstation Witharen zal worden opgebeld, waarna de druk onmiddellijk wordt verhoogd. Tenslotte wordt, met drie van de twaalf stemmen tegen, besloten een tweede motorbrandspuit van het fabricaat Bikkers te kopen voor ƒ 2195,=.


G.H. Krol (foto 1964)

Op 5 september verleent de raad aan B & W een blanco krediet voor de uit voering van de distributiewet 1939. Backx deelt mee dat er twee tijdelijke ambtenaren zijn aangenomen voor de distributiewerkzaamheden voor respectievelijk ƒ 50,= en ƒ 25,= per maand.
Tevens wordt in deze vergadering de heer G.H. Krol tot waarnemend gemeente-ontvanger benoemd voor de tijd dat de heer H. van Spijker ziek is. Het salaris bedraagt ƒ 125,= per maand. Krol zal tot het einde van het jaar in functie blijven en ontvangt dan nog ƒ 100,= gratificatie.

Een schrijven van de Onderlinge Brandwaarborg Mij. behoort tot de ingekomen stukken voor de vergadering van 30 oktober. Zij delen mee in verband met het vijftigjarig bestaan een bijdrage van ƒ 500,= te verlenen in de kosten voor de aanschaf van een tweede motorbrandspuit. De brandspuit blijkt reeds te zijn gearriveerd. Burgemeester Backx zegt namens de raad te spreken wanneer hij de O.B.M. hartelijk dankt voor deze mooie bijdrage en spreekt de wens uit dat de maatschappij mag blijven groeien en bloeien tot heil van Nieuwleusen en naaste omgeving. De O.B.M. is in deze streek een der grootste en krachtigste op haar gebied en voorziet in een grote behoefte.
Verder is er een schrijven van mej. E.M. Luykx ontvangen, de landbouwhuishoudkundige voor Overijssel , waarin gevraagd wordt een bedrag van ƒ 20,= beschikbaar te stellen voor het aanleggen van schooltuinen, voorlopig bij de o.l.school A aan het Oosteinde en D te De Meele. De voorzitter vindt het zeer gewenst dat het verbouwen van groenten wordt aangemoedigd. De kinderen uit de hogere klassen leren dan op jeugdige leeftijd het tuinieren en dat komt later van pas. Het gevraagde bedrag wordt voor deze proef beschikbaar gesteld.

Daags na kerst komt de raad voor het laatst bijeen in 1939. Naar aanleiding van een verzoek van vier van de vijf hier gevestigde barbiers en kappers om een verordening met betrekking tot de winkelsluiting in te voeren, adviseren B & W tot het volgende. De betreffende zaken in de gemeente zullen op maandag na 1 uur gesloten moeten zijn, met uitzondering van de maandag voor Pasen, Pinksteren , Hemelvaartsdag, Sinterklaas en Kerst. De voorzitter merkt op dat het adres onder meer getekend is door kappers die ternauwernood in het onderhoud van hun gezin kunnen voorzien, ja zelfs bij de gemeente om ondersteuning aankloppen. Spreker zegt er met zijn hersens niet meer bij te kunnen. Eén van de ondertekenaars, hiernaar gevraagd, deelt mee dat zij door de Bond gedwongen worden en zij bij weigering geen hulp kunnen krijgen in geval van ziekte. Met algemene stemmen besluit de raad de verordening vast te stellen.

Aan het slot van de vergadering brengt de voorzitter nog eens de slechte afwatering van de landerijen tussen Nieuwleusen en Den Hulst ter sprake. In het najaar hebben deze gronden weer grote overlast van het water gehad, waardoor het roggezaad in de grond verrot is en het zaad dat nog in de grond moest, te laat kon worden gezaaid. Backx heeft met vooraanstaande landbouwers gesproken, waarvan een gedeelte belanghebbenden zijn. Men was algemeen van mening dat het jammer is dat de indertijd geprojecteerde waterleiding niet tot stand is gekomen. Aangezien de gemeente zich niet met ontwateringsplannen kan bezighouden, wordt gewezen op de cultuurtechnische dienst in Zwolle. Deze dienst zegt de oplossing in ruilverkaveling te zien. De boeren blijken wel voor het maken van een plan te vinden te zijn. De raad zal hiertoe een verzoek aan Gedeputeerde Staten doen. Er komt dan een plan van indeling met een kostenbegroting. De belanghebbenden worden dan later in de gelegenheid gesteld er over te stemmen.
De gehele raad blijkt in ruilverkaveling de oplossing te zien, ofschoon men er van overtuigd is dat er onder de belanghebbenden een aantal tegenstemmers zullen zijn. Dat eindelijk aan de overlast van het water paal en perk gesteld wordt, is van algemeen belang. De raad is het er mee eens dat een ruilverkaveling aan belanghebbenden slechts voordeel kan brengen en besluit dan ook met algemene stemmen een verzoek te richten aan G.S. om ruilverkaveling toe te passen op de landerijen gelegen tussen Ruitenveen en De Meele, ten oosten begrensd door de Stouwe en ten westen door de bestaande ruilverkaveling.

wordt vervolgd

* * *

ONTLADING _________________________________________________________

Mini A. Tuur

De bliksem is vannacht goed uitgeslapen;
een lucht zwaar zwanger na een zwoele kleffe dag
jaagt ons het bed uit, rommelt, kolkt en knettert;
wij tellen trillend tussen flits en slag.

Het vee, spookachtig in het flitsend lichten,
klit bang opeengedrongen dicht aan 't draad;
's nachts hebben dingen andere gezichten,
alleen de klok tikt nog met starre regelmaat.

Zwaar ligt beklemming naast de sieraden op tafel,
twee-drie-vier-vijf.... "Toe kiend, gao weg bi'j 't raam";
een felle tik, opeens is alles donker,
"waor bint de keersen nou in vredesnaam?"

Maar dan, opeens bevrijdend domineert de regen,
opluchting, "hè voorbij" neemt over ons bezit,
't gerommel leutert langzaam af naar 't oosten
en veilig achter 't slot kan weer ons "kunstbezit".


* * *

SIMEN DE KLEERMAKER _________________________________________________________

Kabé

Simen was kleermaker. Dat beroep had hij niet gekozen omdat hij het zo'n fijn vak vond. De omstandigheden waren er de oorzaak van deze keuze geweest. Simen had namelijk een hoge rug, een bochel zoals men vroeger zei. En iemand met een lichamelijke handicap kon geen zwaar werk doen en moest maar kleermaker worden, een beroep dat zittende kon worden uitgeoefend.

Simen had de meeste klanten onder de boeren. Die waren niet zo erg veeleisend en bovendien was Simen niet duur.
Af en toe moesten mijn broer en ik ook een nieuw pak hebben. Bij de manufacturier werd dan een lap sterke stof gekocht (het pak moest lang mee) en Simen werd besproken. Op de bewuste dag werden de kleermaker en zijn zware naaimachine met de boerenwagen gehaald. Wij waren niet zo erg gesteld op een door hem gemaakt pak. Zijn snit stond ons niet aan. Nauwe broekspijpen en afhangende schouders, het was altijd hetzelfde model. Maar wij als kinderen hadden niet zoveel in te brengen.
Op zijn oude dag kreeg Simen steeds meer tijd om van het leven te genieten. Hij was weduwnaar en woonde in bij zijn zoon in een huis aan de grintweg langs de Dedemsvaart met aan de overkant de zandweg en de tramlijn van de DSM. Het aantal klanten minderde gestadig en zo kon het gebeuren dat hij op een mooie zomerdag heerlijk in de zon zat. Een paar huizen verder was timmerman Berend bezig om een nieuw kozijn te maken voor de smederij van Harm. Simen stond op, pakte zijn wandelstok en kuierde richting smederij, waar hij bleef staan om te kijken naar het werk van Berend. Deze had het niet zo erg begrepen op Simen want voor je het wist, had hij je er tussen genomen.
Simen bekeek het werk een tijdje en vroeg toen: "Wat mut det worr'n Berend?"
"Det ku'j toch wel zien," was het antwoord, "det mut een ni'j kozien worr'n", waarop Berend terugkreeg: "Man det liekt toch nargens op, daor kan ik nog niet recht onderdeur".
"Wat blikstiense bochel, kun ie daor niet recht onder deur? Ikke wel en ie niet?" en de daad bij het woord voegend stapte Berend kaarsrecht onder het kozijn door. Simen vertrok geen spier en kuierde verder. Een glimlach speelde om zijn mond terwijl Berend, verbaasd over zoveel domheid, hoofdschuddend achterbleef.

* * *

DEDEMSVAARTSCHE COURANT 1905 _________________________________________________________



Jaargang 8 nummer 3 september 1990

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

HET FORT BIJ DE LICHTMIS NABIJ NIEUWLEUSEN III _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

Korte samenvatting van de beide vorige afleveringen:
Zowel in 1665 als in 1672 was de Munsterse bisschop Bernhard van Galen met zijn troepen door Overijssel getrokken in het kader van veroveringsplannen die de oorlogszuchtige prelaat tegen ons land had ontworpen. Hij werd beide keren bij zijn opmars niet in 't minst gehinderd door het 'fort dat in 1672 nabij Nieuwleusen was gebouwd en strategisch was gelegen bij een doorgang in de moerassen die paalde aan de herberg het 'Pannenhuis' of de Lichtmis.
Na 1672 verdween de oorlogsdreiging en werd het fort meer en meer verwaarloosd. Nadien werd het verdedigingswerk met zijn waterrijke omgeving opgenomen in een waterstaatkundig plan voor de defensie van het noordoostelijke deel van Nederland.

18e eeuw: het fort buitenspel
Een werkelijke functie heeft het fort bij de Lichtmis nimmer gehad. Daarvoor was ze te weinig sterk, hetgeen weer voortvloeide uit de voortdurende twijfel bij de militaire top aan het nut van een krachtig fort op deze plaats.
Wèl ging het gebied rondom de Lichtmis in de 18e eeuw een functie vervullen in de verdediging van Noord­Nederland door middel van het water. De man die dit werk aanvatte heette Carel Dumoulin. Carel Diederik Dumoulin (1727-1793) was van adellijke Franse familie. Deze familie had Frankrijk verlaten vanwege de herroeping van de godsdienstvrijheid door Lodewijk XIV in 1685. In 1774 wordt Dumoulin directeur-generaal van de fortificatiën van de Republiek. In deze functie vraagt hij stadhouder prins Willem V toestemming teneinde de waterstaat der rivier de Vecht' te kunnen inspecteren. In april van dat jaar 1777 bericht hij erover aan de Staten van Overijssel. Hij meldt dat hij de Vecht alleen heeft kunnen gadeslaan bij 'middelbaar' water en dus niet bij extreem hoog of laag water. Ook was onderzoek moeilijk door gebrek aan goede kaarten.
In augustus 1778 verschijnt er een rapport van Dumoulin dat gaat over een waterlinie 'tot dekking van Zwol, aanvang nemende voor het Nieuwe Werk aan den IJssel, en zich uitstrekkende tot in de Moerassen van de Ommerschans'. Opsteller verwijst naar de oorlogen door de Munstersen ontketend in 1665 en 1672 en merkt op dat er in 1672 ook al plannen voor inundatiewerken bestonden die nimmer zijn uitgevoerd. Wel heeft Menno van Coehoorn enkele werken bij het Zwarte Water gemaakt. Onderdeel van dit plan was naast het opstuwen van veel water het aanleggen van een verhoogde weg of dijk van Hasselt naar Rouveen, welke dijk of weg van veen werd gemaakt (de Hasseltse Veendijk). Enige jaren na gereedkomen van de dijk raakte deze in brand en werd 'meerendeels door de vlam verteerd'. Een nadeel van de inundatieplannen was dat, behalve het land ook een deel van Zwolle alsmede enkele buurtschappen onder water zouden komen te staan. Problematisch was tevens de moeilijkheid om nadien van de enorme watermassa's af te komen. En ook zou Zwolle zo haar scheepvaart kwijt zijn waardoor haar handel zou kwijnen. Wel zou het plan eventueel nog door een zoon van Menno van Coehoorn zijn uitgevoerd, maar na het tekenen van de Vrede van Aken in 1748, aan het einde van de Oostenrijkse Successieoorlog, was het er niet meer van gekomen. Oorzaak van het feit dat al deze plannen nooit waren uitgevoerd was vooral gelegen in het ontbreken van oorlogsdreiging aan de landzijde van de Republiek.
Daarom dringt Dumoulin er op aan dat er nu wel defensievoorzieningen worden getroffen waarbij Zwolle en omliggende buurtschappen zoveel mogelijk worden ontzien door middel van 'manipulatie' van het water van weteringen en van de rivier de Vecht alsmede door het opnieuw opmaken van de Veenweg van Hasselt naar Rouveen, die ook wel de Oude Dijk wordt genoemd.


“Caerte van de te innunderen Moere tusschen Hassel en Coevorden”

Deze kaart dateert uit de 18e eeuw en is aanwezig in de collectie van
het Algemeen Rijksarchief in Den Haag, inventarisnummer VTH 3063.

De inundatieplannen van 1785
In de jaren rondom 1785 is Dumoulin aldus druk in de weer geweest om een plan op te stellen voor een inundatie van de omgeving van Zwolle bij een mogelijke vijandelijke inval. Er is sprake van opstuwing van het water met behulp van zgn 'penanten'(pijlers) en door middel van het aanbrengen van 'rijsdammen'. Medewerkers van Dumoulin zijn kapitein- ingenieur Frank en luitenant-ingenieur Hottinger. De werken voor het leggen van penanten en rijsdammen worden aangenomen door Arie Hollewijn en Arie Koelewijn.
In een uitvoerige verantwoording van 5 september 1785 aan de Raad van State betreffende de werken die door Dumoulin zijn ontwikkeld wordt door hem verhaald hoe het één en ander in zijn werk is gegaan. Hij memoreert hoe hij reeds in 1777 en 1778 bezig is geweest met het ontwerpen van een inundatieplan voor Overijssel, Gelderland, Friesland, Groningen en Drenthe. Een beslissing over de plannen was blijven liggen omdat eerst diverse verschillen van inzicht opgelost moesten worden. Wel werden aan de staf van Dumoulin vele ingenieurs toegevoegd.
Alle waterpassingen waren nu, in 1785, gedaan. Maar er waren nog steeds discussies met de Staten van Overijssel en het stadsbestuur van Zwolle die de uitvoering van de plannen belemmerden. Ook Friesland en Groningen hadden enige twijfels omtrent de effectiviteit van Dumoulins plan. Dumoulin had daarop twee ingenieurs, kaptein­ingenieur Frank en luitenant-ingenieur Hottinger ontboden die kaarten van het betreffende gebied hadden vervaardigd zodat de besluitvorming bespoedigd moest kunnen worden. Over Frank en Hottinger is Dumoulin dusdanig te spreken dat hij hen voordraagt voor 'eene blijk van... hooge goedkeuring'. Hij hoopt nog in het jaar l785 de aanbesteding te kunnen doen zodat de aannemers hun materialen tijdig kunnen verwerven en ze vroeg in 1786 met het werk kunnen beginnen. De directeur-generaal van 's lands fortificatiën is blij dat nu toch eindelijk zijn plannen schijnen te worden aangenomen. Immers, niet alleen iedere provincie en iedere stad maar zelfs alle inwoners vonden dat zij in de opzet van het gehele werk hadden moeten worden gekend, zodat het onmogelijk was 'een sodanig project te voorschijn te brengen hetgeen in geenen deele teegen het bijsonder belang van den een of anderen van 's Lands ingeseetenen aanloopende, met dat van allen even zeer zoude strooken'.
Aan dit overzicht voegde Dumoulin toe een 'memorie' over de uit te voeren werken. Hierin wordt onder anderen opneming van vier verlaten in de Nieuwe Dijk tussen het Tolhuis aan de Groten Hermelen en de Lichtmis vermeld. Ook dient een stuk dijk van het Tolhuis tot aan de Meelebrug verlegd te worden. Door het beboekweiten worden de moerassen ook droger, wat in tijden van vrede aantrekkelijk was met het oog op de toegankelijkheid ervan. Blijkens de steen met Latijnse inscriptie is het werk inderdaad in 1786 uitgevoerd en voltooid.

De kaart van 1785
De kaart waarover Dumoulin in zijn overzicht spreekt, is door Hottinger vervaardigd. Er is op 'ontworpen eene, door den Directeur Generaal Du Moulin geprojecteerde permanente Waaterlinie, beginnende by Zwolle aen het Nieuwe Werck, en zich uytstrekkende tot aen de Moerassen'. Daar de omvang van de kaart niet toestaat om hem te gemakkelijk te reproduceren zal hier een korte beschrijving ervan volgen. Halverwege het Tolhuis en de Lichtmis bevindt zich de Meelebrug. Het stuk dijk tussen Tolhuis en Lichtmis moet vernieuwd, c.q. verlegd worden. Op die Meelebrug komt ook uit een dijk vanaf de Grote Hermelen ten oosten van het Tolhuis, welke verbindingsweg heet de Nieuwe Dijk. Het fort bij de Lichtmis bevindt zich zoals we reeds eerder zagen aan de noord-oostelijke kant van de viersprong Beentjesgraven­ Grift-(voormalige) Nieuwe Zwolse weg-Weg naar Rouveen. Er staat bijgeschreven: 'oude vervallen schans'. Hier is ook een letter E getekend teneinde aan te geven dat op deze plek een houten brug ligt waarvoor in de plaats een verlaat (een ontwaterings-sluisje) moet komen. Bij de Lichtmis aan de zuid-westzijde staan twee huisjes ingetekend (wellicht de herberg 't Pannenhuis met een ander pand). Rechts van de Lichtmis, naar het oosten lopend, bevindt zich de weg langs de grift die ombuigt in de leidijk, die grenst aan 'geboekwyte moerassen'. Een andere dijk hier heet 'Friesse dijk'. Langs de Beentjesgraven, naar het westen toe dus, staat op een ander deel van de kaart getekend "t Poepenpad'. Een 'poep' of 'mof' was (toen al!) een wat misprijzend woord voor 'Duitser'. Met deze Duitser kan de bisschop van Munster zijn bedoeld die in 1665 door de schans bij de Lichtmis drong, waarschijnlijker evenwel heeft de benaming alleen te maken met de grote aantallen Duitsers die jaarlijks vanuit Duitsland via Overijssel naar vele delen van ons land trokken om daar (seizoens)arbeid te verrichten. Wanneer elk rood stipje op de kaart inderdaad een huis is dan kan hieruit worden afgelezen dat in 1785 er 80 woonhuizen en/of boerderijen in Nieuwleusen (inclusief de Route en Routeveen) plus één kerk waren.

Tot besluit
Eerst nog even iets over de gehanteerde benamingen. Als eerste bebouwing bij de pas door het moeras ten zuiden van Rouveen kan wellicht het Pannenhuis gelden. Dit ‘rootpannehuys' was een herberg die later de Lichtmis ging heten. Deze naam 'Lichtmis' bestond overigens zeker al in de dertiger jaren der 17e eeuw. Door de activiteiten van de bisschop van Munster wordt wellicht de naam 'bisschopsschans' verklaard. De Lichtmis onder Rouveen heette ook wel de Grote Lichtmis. Ter westerzijde daarvan, bij de Hasselter Stouwe, was een woning die wel werd aangeduid als Kleine Lichtmis. Lichtmis kan in relatie staan tot Maria Lichtmis, een kerkelijk feest dat op 2 februari werd gevierd en waarbij alle kaarsen voor de kerkdiensten van het gehele jaar werden gewijd.

Op deze luchtfoto van omstreeks 1950 zijn de contouren van de voormalige schans nog te zien. Tegenwoordig is er nauwelijks meer iets van te herkennen. Het Noorden is links op de foto.
Herkomst: Archief Gemeente Nieuwleusen.
Iets oudere luchtfoto Iets oudere luchtfoto

Daar in vroeger tijden dit Lichtmisfeest nog weleens aanleiding gaf tot losbandige vreugde kwam het begrip lichtmis in zekere zin te staan voor losbol, hetgeen een relatie kan suggereren tussen de herberg en haar bezoekers. Misschien ook heeft in voorreformatorische tijden hier een kapel of iets dergelijks gestaan.
Bedacht moet worden dat het fort op Rouveens grondgebied lag. Rouveen behoorde tot het hoogschoutambt Hasselt. Voor onderzoek naar het ontstaan van de naam 'Lichtmis' en andere zaken omtrent het directe gebied ten noorden van de Lichtmis moet wellicht het onderzoek geconcentreerd worden op Hasseltse archieven.

Samenvattend kunnen we stellen dat de pas door het veen bij de herberg het Pannenhuis of de Lichtmis tot 1665 onverdedigd was. In het zicht van de komst van vijandelijke Munsterse troepen worden in 1665 bij de pas enkele verdedigingswerken opgeworpen zoals een loopgraaf en wellicht wat wallen, waardoor er sprake is van ‘een schans bij de Lichtmis'. De Munsterse troepen ondervinden echter geen enkele hinder van dit provisorische verdedigingswerk bij hun opmars naar Groningen en Friesland. Na 1666 worden er plannen ontwikkeld om er een groot fort neer te leggen. De uitvoering ervan wordt zeer vertraagd. In april 1672 begint de aanleg, maar men is er nog niet mee klaar wanneer er opnieuw oorlog uitbreekt, zodat het in deze oorlog nauwelijks een functie heeft gehad. Daar er telkens wordt getwijfeld aan het nut van een sterk fort op deze plaats naast het ontbreken van een oorlogsdreiging vanuit het oosten raakt het verdedigingswerk nadien steeds meer verwaarloosd.
De ideeën in de l8e eeuw over de verdediging van de noordoostelijke provincies gaan steeds meer de richting uit van het onder water zetten van land. In die zin vervult ook het water van de moerassen, griften en weteringen een rol, waaraan door de waterbouwkundige ideeën van Dumoulin een extra dimensie wordt toegevoegd door middel van het plaatsen van penanten, verlaten, sluizen, enz. in 1785 en 1786.
De overblijfselen van het fort bij de Lichtmis worden in de loop van de tijd verwijderd. Zoals gezegd was in 1795 het fort al grotendeels door de huurder van de Lichtmis gesloopt. In 1845 heette de plek waarop het fort had gestaan 'grasland, omsloten door de oude vestinggracht'. Negen jaar later verdwenen ook de laatste resten toen de grond werd geëgaliseerd, hoewel nog op een topografische kaart uit 1934 de 'Vervallen Bisschopsschans' werd ingetekend. Daarmee kwam een roemloos einde aan een defensiewerk dat er niet was toen het nodig was en dat daarna, omdat het toch wel niet nodig zou zijn, er ook nooit echt gekomen is.

Archiefbronnen:

Algemeen Rijksarchief Den Haag:
1e afdeling:
archief Raad van State inventarisnummers 87-93, 488,
1917-III, 2016 (verbaal 5 september 1785) en 2322
archief Van Hees, inventarisnummers 183 en 186, aanwinsten 1978, inventarisnummer IV

Afdeling Kaarten en Tekeningen: VTH 3059, 3060, 3062, 3063, 3772 en OSK Z10

Rijksarchief in Overijssel:
archief Ridderschap en Steden, inventarisnummers 17, 19 en 132
Kaartencollectie, inventarisnummer 316

Literatuur:

Aa, A.J. van der, Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden. 9e deel (Gorinchem 1847) 455-456, 733
Brouwer, Hanneke. Nieuwleusen: een nederzettingsmorfologische studie. ( 1971)
Bruijn, C.A. de en H.R. Reinders, Nederlandse vestingen. (Bussum 1967)
Depping, G.B. Geschiedenis van den oorlog der Munsterschen en Keulschen. (Arnhem 1841)
Ebbinge Wubben, F.A., Plaatsbeschrijving der gemeente Staphorst. (Groningen 1835)
Ebbinge Wubben, F.A., De pas te Rouveen en de later daarbij aangelegde schans, of het fort, bekend onder den naam van Friesche kaa, Bisschops schans, of Schansbeentjesgraven, in: Overijsselsche Almanak voor Oudheid en Letteren. l9e jrg (Deventer 1854) 158-162
'd'Ontroerde Leeuw of Historisch Verhaal'. (Amsterdam 1676)
Pereboom, Marian en Freek. Nieuwleusen in de kaart gekeken. (Kampen 1982)
Raa, F.J.G. ten en F. de Bas, Het Staatsche Leger 1568-1795. Deel V (Breda 1921)
Roorda, D.J., Het rampjaar 1672 (Bussum 1971)
Scholten, F.W.J., Militaire topografische kaarten en stadsplattegronden van Nederland 1579-1795. Proefschrift. (Alphen aan den Rijn 1989)
Stegeman, B. en A. de Roos, Uit het verleden van Staphorst. (Meppel 1897)
Sypesteyn, J.W. en J.P. de Bordes, De verdediging van Nederland in 1672 en 1673. 2 dln (Den Haag 1850)
Teixeira de Mattos, L. F., De Dedemsvaart (Zwolle 1903)

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES XIV _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma



Wi’j striekt ’t vuur in.

’s Avonds bij het naar bed gaan werd het vuur onder de as gestreken om het de volgende morgen weer te kunnen gebruiken.

Hi’j strik zien vuur in.

Hij trekt de hakken in de Wal. Hij bindt in.

* * *

"DE ROLLECATE", RIJKSOPLEIDING TOT LANDBOUW-HUISHOUDLERARES, 1913-1930 _________________________________________________________

Margreet van der Burg

In Den Hulst kwamen in 1913 de eerste leerlingen aan voor de eerste opleiding voor landbouwhuishoudlerares die door het rijk op het landgoed "De Rollecate" was ingesteld:

"Wat en wie was de eerste lichting? Dat zijn acht Rollecaters die 20 September 1913 aan het station Dedemsvaart arriveerden en vandaar uit langs de Dedemsvaart en over de Staphorster akkers de wijde wereld inkeken naar een oprijlaan met statig geboomte waarin de Rijkslandbouwhuishoudschool "De Rollecate", verscholen lag."

De opleiding stond onder leiding van de huishoudlerares Theda Mansholt (1879-1956). Zij had reeds pionierswerk voor het landbouwhuishoudonderwijs verricht. Baron van Dedem, die lid was van het comité voor landbouwonderwijs in Overijssel, had voor dit doel een deel van zijn land goed aangeboden:

"Toen heeft Baron van Dedem gezegd, dan sta ik mijn rentmeestershuis voor internaat af en wij bouwen er een school bij. En het huis van zijn tuinman, daar kwam later onze tuinman in te wonen. Daar waren nog twee kamers boven en één beneden en die hebben wij toen ook erbij gehad, dat was zo'n l00 meter van het huis af."

Opleiding tot landbouwhulshoudlerares
In anderhalf jaar leerden de aanstaande leraressen aldaar hoe zij later vrouwen op het platteland kennis bij moesten brengen voor de verbetering van de huiselijke hygiëne op het gebied van voeding, kleding, woning en de leefwijze in het algemeen. Zij werden aangemoedigd de goede zijden van het wonen buiten voor hen te benadrukken en hen te leren zoveel mogelijk gebruik te maken van de producten van eigen bedrijf en tuin.



"De eerste lichting" in het leslokaal (1913).
Herkomst: Museum MCalibriust, Apeldoorn.

Zij leerden tevens hoe zij vanuit begrip voor de betekenis van het landbouwbedrijf de land- en tuinbouwlessen konden ondersteunen. Bovendien werd hen onderwezen hoe zij liefde voor de huishoudelijke arbeid konden bevorderen: met begrip leren werken door het "waarom" van handelingen uit te leggen. Zo kon een dam tegen sleurwerk worden opgeworpen.
De bedoeling was dat de leerlingen zouden gaan werken in het landbouwhuishoudonderwijs. Dit onderwijs was een specifieke combinatie van huishoudonderwijs en landbouwonderwijs, afgestemd op de situatie van met name boerinnen, maar ook van andere plattelandsvrouwen. Naast lesgeven werd van hen verwacht dat zij via andere activiteiten als huisbezoek, voorlichting en voordrachten zoveel mogelijk vrouwen bereikten:

"We moesten niet alleen aan de jeugd denken, maar ook aan de vrouwen van het platteland, die het heel hard nodig hadden."

Uitdrukkelijk werd dan ook in het schoolprogramma aangegeven dat op "De Rollecate" zoveel mogelijk rekening werd gehouden met plattelandsomstandigheden en ­gewoonten. Hoe dit werd waargemaakt, blijkt bijvoorbeeld uit de manier waarop de was moest worden gevouwen:

"Dat vond ik nou het verschil tussen de opleiding van de huishoudschool en De Rollecate. Op de huishoudschool moest je er een half uur over doen om één laken op te vouwen. In Groningen maakte je kleine kartonnetjes en dat moest dan heel precies: dit was de eerste vouw, dat de tweede. Stel je voor, een huisvrouw met vijf kleine kinderen, die moest dat dan zo vouwen, op die manier is dat toch niet te doen! Op Rollecate, daar was het zo handig doen, dat het in vijf minuten gedaan was."

Behalve de huishoudelijke vakken waarin de leerlingen later zelf les moesten geven, kregen zij zogenaamde ondersteunende vakken. Dat waren schei- en natuurkunde, maar ook plant- en dierkunde. Deze legden de grondslag voor lessen als vlekkenverwijdering en verantwoord elektriciteitsgebruik. Gezondheidsleer en algemene onderwerpen als de staatsmaatregelen voor de volksgezondheid, de landbouw als bestaansmiddel en de plaats van de vrouw in het landbouwbedrijf in de verschillende streken van het land stonden eveneens in het leerplan. Tenslotte ontbraken ook methodiek en onderwijsleer niet. Naaldvakken hoorden niet in het lessenpakket.
Pas in de jaren twintig werkten de meisjes zelf mee in de tuin. Toen werd het bovendien gebruikelijk, dat meisjes die niet op de boerderij waren opgegroeid een halfjaar in een boerenhuishouding gingen werken als practicant.

"Ik hoefde niet. Ik was helemaal in een boerenomgeving opgegroeid. Mijn broer had het misschien meer nodig als ik als hij die op1eiding..., want ik wist precies, wanneer of die koe moest kalven, wanneer dat veulen kwam, waar de haver gezaaid werd, wat ze allemaal eten..."


De thans nog bestaande villa diende als internaat.
Herkomst: Particuliere collectie.

Later werd dit evenals een onderwijspracticumtijd in de opleiding voor ieder verplicht opgenomen.
Waren de leraressen van school af, dan werd wel van hen verwacht dat ze minstens twee, drie jaar bleven werken:

"S. is maar even gebleven, een half jaar. Zij was eigenlijk al zo'n beetje verloofd. Eerst zeiden ze dat ze geen examen kon doen, want zeiden ze, juffrouw Mansholt vindt het vervelend als je al binnen twee jaar van je werk afgaat en gaat trouwen. Dan heb je die hele opleiding eigenlijk voor niets gehad, want dan had niemand er wat aan."

De bewoonsters van "De Rollecate"
De aanstaande leraressen moesten, uitzonderingen daargelaten, minstens ulo en de tweejarige opleiding tot huishoudkundige met succes hebben afgerond. Meisjes van het platteland verdienden de voorkeur, omdat men lange tijd aangewezen was op de stadse vooropleidingen voor huishoudkundige. Per leergang konden hooguit twaalf leerlingen intern worden geplaatst. Toch waren de leerlingen van zeer verschillende achtergrond, zoals in het eerste jaar:

"Uit zes verschillende provincies waren we hiernaar toe gekomen. De meesten hadden reeds een huishoudschool achter de rug, anderen hadden daarvan nooit iets meegemaakt. Het vooraf genoten onderwijs varieerde van de Lagere tot de Middelbare school. De leeftijden liepen uiteen van 18-32 jaar. Onze leraar in kippenteelt noemde in zoo'n geval, wanneer hij over kippen sprak "een rommelzoodje door elkaar"."

Zeker in het begin waren het met name dochters van welvarende boerenfamilies die voor deze opleiding in aanmerking kwamen. Voor hen was het reeds gewoon dat zij in de stad of een pensionaat verder leerden. De ouders konden het schoolgeld betalen en de werkkracht van hun dochters missen. Om juist hen voor de beoogde plattelandsontwikkeling te winnen, werd hen de taak van voortreksters toebedacht. Zo werd de opleiding, evenals voor meisjes uit de dorpsburgerij, een gepast alternatief. De motivaties van de meisjes konden echter zeer uiteenlopen:

"Ik was klaar met de meisjes-HBS. Mijn moeder wilde liever niet dat ik ging doorstuderen. Ik had niet zo beste ogen. Maar eigenlijk had ik naar het gymnasium moeten gaan. Ik was veel meer het type geweest om die kant uit door te gaan. Maar ik kwam op de HBS, heb een heel aardige opleiding daar gehad en toen ben ik naar Groningen gegaan naar de huishoudschool. Dat was een heel aardige school. Ik was geen huishoudfanaat hoor. Ik was altijd beter in theorie dan praktijk. Toen ik daar klaar was, toen zei mijn moeder, nu kun je kiezen. Je kunt thuis komen, maar dan laat ik het dienstmeisje gaan, want ik wil niet dat jij helemaal niets te doen hebt, óf je kunt doorleren. Toen dacht ik, laat mij maar doorleren en toen ben ik dus naar de Rollecate gegaan. En ik heb de Rollecate erg leuk gevonden."

Hiertegenover het verhaal van een oud-lerares die eigenlijk zelf graag was gaan boeren:

"Op de meisjes-HBS had ik al het idee om Rollecate te gaan doen. Dat kwam zo, mijn nicht van moeder, die had dat ook gevolgd. Het was ook altijd mijn idee iets in de landbouw te gaan doen. Mijn broer die heeft de MTS gehad en die heeft toen in Amsterdam gewerkt. Die wou geen boeren..., pertinent niet en of dat ook nog iets voor mij was, zo van nou jij wil het wel, dus doe jij het dan maar, dat ging niet! Die nicht zei, nou, dan moet jij naar de Rollecate. Dat is vanaf die tijd, toen was ik een jaar of tien, twaalf, bij mij blijven hangen. Ik dacht, dat lijkt me net nou wat voor mij."

Het schoolleven
Vrijwel alle leerlingen woonden in het internaat met de directrice, de tweede lerares en de huishoudster. De leerlingen hadden met hun tweeën of drieën een slaapkamer, de leraressen hadden een kamertje voor zich. Zij vormden als het ware één gezin, zoals Theda Mansholt in het verslag over het schooljaar 1915 schreef:

"Het gezinsleven in het internaat kenmerkte zich door een opgewekten, prettige geest."

Een typisch huiselijke sfeer werd ook beschreven in de herinneringen voor gedenkuitgaven. Greet Smit, oud-leerlinge en later inspectrice, gaf bovendien aan dat er nauw contact was tussen de leerkrachten en leerlingen. Ook gasten waren erg welkom
. De huishouding werd coöperatief geregeld. De leerlingen deden veel in "groepenwerk", een soort corveedienst. Omdat het te veel tijd zou kosten als ze al het werk moesten doen, was er hulp van een huishoudster en een tuinman/klussenman. Een oud-lerares vertelde:

"Dan had je je taken en die wisselden dan. De ene maand moest je alle petroleumstellen schoonmaken, de andere keer moest je koken en weer een andere keer had je een andere taak. de eenden en de kippen voeren, dat hoorde er allemaal bij. En water pompen, we hadden wel waterleiding, maar je moest het zelf oppompen eerst. Dat deed de tuinman ook wel. Maar als je in bad ging, moest je eerst water pompen, want anders mocht je niet in bad. Het was primitief, maar het lag mij wel hoor."

De omstandigheden waarin de jonge vrouwen leefden en werkten bleven hen goed bij, getuige de herinneringen:

"Bij gebrek aan electrischen stroom waren wij aangewezen op kaarslicht, petroleum of gas. Het laatste was alleen bestemd voor de verlichting van de zitkamers en werd per cylinder aangevoerd uit Dedemsvaart. Wij beschikten niet over een stofzuiger. We hanteerden dus stoffer en blik en bij een groote beurt klopten we het karpet in de tuin. Aan centrale verwarming werd niet gedacht. Gedurende de lessen werd in de lokalen gestookt, maar bij 't groepenwerk b.v. niet. Dan was het dus geraden hard te werken om geen kippenvel te krijgen. Meteen denk ik aan de inmaakpotten in de kelder, die eens per week werden schoongemaakt. Brrr, wat was die pekel koud, 't was of je armen zouden bevriezen, als ze druipend eruit kwamen. Daar stonden geen twee of drie potten, maar rijtjes, want de Rollecate had een groote groentetuin."


Een praktijkles plantkunde in de tuin van Rollecate omstreeks 1920. Rechts een deel van de schoollokalen.
Herkomst: Museum MCalibriust, Apeldoorn.

Het gebrek aan moderne voorzieningen was te wijten aan de afgelegen ligging. Niet ieder was daar even blij mee. Dit weerhield de directrice er in het geheel niet van om de school zoveel mogelijk een voorbeeldfunctie te geven. In de praktijk zouden de leerlingen in de landbouwhuishoudcursussen ook niet meer gewend zijn! Dat Theda Mansholt ook daarin respect afdwong, lijdt geen twijfel:

"Juffrouw Mansholt was een flinke vrouw, ik mocht haar altijd wel graag, een beetje streng, maar ach... We hadden respect voor haar en wat zij zei dat gebeurde wel. Er was er geen één bij die een hekel aan juffrouw Mansholt had. Ze was iets afstandelijk, een vrouw waar je een beetje tegenop zag. Haar hele persoonlijkheid, haar uitstraling. Niet dat we helemaal nederig waren, maar ze had echt iets, ze had echt overwicht."

Vrije tijd
De opleiding was zwaar, het lesprogramma vol. In het weekend werd werk ingehaald, want alleen de meisjes uit Zwolle en omgeving gingen in het weekend naar huis. Toch was er ook tijd voor de nodige afwisseling en ontspanning. Het programma speelde zich bijvoorbeeld ook buiten de school af. Soms ging een leerling met juffrouw Mansholt mee op huisbezoek, af en toe werd een excursie georganiseerd. Zo bezochten zij fabrieken om meer over de samenstelling van producten te weten te komen. Of ze gingen naar landbouwtentoonstellingen, tot zelfs in het buitenland toe:

"Stephan Louwes, die was toen voorzitter van OLM in Zwolle. We zijn toen ook met een heleboel boeren onder leiding van Stephan Louwes en juffrouw Mansholt naar de landbouwtentoonstelling in Dortmund geweest. Dat was prachtig, daar heb ik heel veel foto's van."


Kantoorhouder Arend Huzen voor zijn postkantoor. In het huis ernaast hadden de gezusters Klosse een winkel.
Herkomst: Particuliere collectie.

Ook namen de baron en barones nu en dan enkele leerlingen mee naar de schouwburg van Zwolle. En gasten namen "de wereld mee".
Daarnaast was voor ontspanning nog tijd te vinden. Vlak bij huis werd gezwommen. De leerlingen gingen graag op pad of even het dorp in:

"Vijf uur des namiddags was ook een mijlpaal in ons dagelijksch bestaan. Dan waren de lessen afgeloopen en gingen we op stap. Soms vingen we op de Staphorster akkers zelfs een flits van het groot verkeer op, als er een sneltrein voorbij vlood. Een andere keer richtten we onze schreden naar Den Hulst "het dorp" op 15 minuten afstand. Wij bezochten daar o.a. Waanders de slager, in wiens woning ons ook de eerste beginselen van de slacht werden bijgebracht. Verder hadden we connecties met het postkantoortje, waar onze vriend Huzen de scepter zwaaide bij een klein petroleumlampje. We hadden hem noodig voor onze correspondentie en zijn telefoon was voor ons meermalen een redder in den nood. In 't bijzonder in de eerste mobilisatiedagen van Augustus 1914 was het Huzen, die ons met het wereldgebeuren op de hoogte hield. In de derde plaats was het Klosse, die ons belang inboezemde. Klosse was voor ons de Bijenkorf van den Hulst. Daar kon men kruidenierswaren, brood, klompen, touw, steengoed en nog veel meer koopen. Nadat de inkoopen waren gedaan, stonden we gewoonlijk nog lang tegen de toonbank geleund om het plaatselijk nieuws te verhandelen."

In 1919 was reeds de proefperiode van de school definitief afgerond. De toenemende belangstelling voor het beroep en de vraag naar leraressen leidde tot het besluit dat "Rollecate" moest worden uitgebreid met een eigen tweejarige vooropleiding. Bovendien zou elk jaar een nieuwe groep moeten beginnen. De opleiding moest daarnaast worden uitgerust met moderne voorzieningen en op een minder afgelegen plaats worden gehuisvest. Pas in 1930 werd dit besluit gerealiseerd. Toen vertrok de opleiding naar Deventer en veranderde haar naam in "Nieuw Rollecate".

Margreet van der Burg,
historicus en docent vrouwen geschiedenis, KU Nijmegen

Dit verhaal is gebaseerd op het archief van "De Rollecate", een klein aantal interviews en gesprekken met oud­leerlingen en het gedenkboek "25jaar landbouwhuishoudonderwijs" uit 1938.
Verdere literatuur:
M. van der Burg, De (t)huis-houding voor plattelandsvrouwen. Een historisch onderzoek naar "goed-doordacht-huishouden" op "De Rollecate / Nieuw Rollecate", rijksopleiding voor landbouwhuishoud(N XIX)lerares 1913-1964. Doct. scriptie ec. en soc. gesch. KU Nijmegen 1985
M. van der Burg, Een half miljoen boerinnen in de klas, Landbouwhuishoudonderwijs vanaf 1909, Heerlen 1988
M. van der Burg, 'Landbouwhuishoudleraressen van dorp tot dorp, 1909-1940'. in: F. Backerra e.a. (red), Vrouwen van het land. Anderhalve eeuw plattelandsvrouwen in Nederland. Zutphen 1989, pp 129-152
G. Smit, Het landbouwhuishoudonderwijs in Nederland. Ontstaan, ontwikkeling en betekenis 1908-1965, 'sGravenhage 1966

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 16 oktober 1928:
De heer P.G. van Ingen, hoofd der Chr. School te Ruitenveen, Nieuwleusen, slaagde dezer dagen te Hengelo voor onderwijzer in de pluimveeteelt.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 24 oktober 1928:
Nieuwleusen. De heer H.C.C. Wagner, sedert 1923 arts in deze gemeente gaat zich elders vestigen. Zijn opvolger is Dr. A.J. van Ravenswaay uit Haarlem. Algemeen wordt het vertrek van dr. Wagner, die bij zijn patiënten in hoog aanzien stond, betreurd.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 31 maart 1919:
Nieuwleusen. 30 maart. Onze vroegere plaatsgenoot, de heer Jacob Bosch, indertijd ambtenaar ter secretarie alhier, is benoemd tot ambtenaar ter secretarie te Zwollerkerspel.

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO XII _________________________________________________________

Onderstaande schoolfoto is van de Openbare School Den Hulst. Een al wat oudere foto ditmaal en wel uit omstreeks 1912.





1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  

Albert Bos
Janna Tempelman
Geert Westrik
Dina Bouwhuis
Bernhard van den Berg
Aly van den Berg
Berend Zandbergen
? Slot, onderwijzer
Aaltje Bouwman

Roelof Hoogenkamp
Josina Schiphorst
Janna Brinkman
Hendrik Vonder

15  
16  
17  
 
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  

Margje Haasjes
Asselina Grit
Hendrik August Meijer, onderwijzer
Jacob Grit
? Krul
Evert Jan Bos
Jan Veijer
Geertje Jansen
?
Derk Jan Tempelman
Albert Grit
Berend van de Voorde
Bertus van den Berg

28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
 

Gerrit Grit
Hendriek van den Berg
Dineke van den Berg
Jantien Vonder
Jo Bos
Eefje Krul
Klaas Bonen
Toon van de Voorde
Hendrik Bouwman
Jan Tempelman
Jan Bouwman
Willem de Lange Jzn.
Willem de Lange Wzn.

* * *

UIT: "VAN EIGEN ERF" _________________________________________________________

Van onze zustervereniging uit Heino ontvingen wij een knipsel uit het tijdschrift "Van eigen erf" van april 1936. Met dank aan mevrouw J.K. Pruim-Reinders nemen we hieronder de foto met de bijbehorende tekst over.



Na een kortstondige ziekte overleed op 58-jarigen leeftijd de heer B.J. van den Berg B.J.zn., in leven directeur en mede-oprichter der N. V. Union Rijwielfabriek v.h. B.J. v.d. Berg te Den Hulst. Het verscheiden van deze algemeen geachte en nobele persoonlijkheid werd in wijden kring als een groot verlies gevoeld, welke tot uiting kwam bij de ter aarde bestelling van het stoffelijk overschot op de algemeene begraafplaats te Nieuwleusen.


Jaargang 8 nummer 4 december 1990

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

DE OCULAIRE INSPECTIE BIJ HET PANNENHUIS IN 1666 _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

In de vorige drie afleveringen van het verenigingsblad is een artikel verschenen waarin aandacht werd besteed aan het fort bij de Lichtmis. In aansluiting daarop volgt hier de letterlijke tekst van het rapport dat een onderzoekscommissie in augustus 1666 aan de Raad van State zond, de instelling die met 's lands verdediging was belast.
_______________________________________________

Edele Mogende heeren,

De heeren Raeden van State der Vereenichde Nederlanden in 's-Gravenhage.


Edele mogende heeren,

Wij hebben ingevolge van U:Ed:Mo: resolutie commissoriael de dato den 3en Augustij 1666 aen ons verleent, met eenige heeren Gedeputeerden uijt de Staten vande Provintie van Overijssel, oculaire inspectie genomen van het leggen van een fort omtrent het Pannenhuijs, ende van een redoute ontrent Roveen, aenden Hasselerwech, waer van verbael gehouden hebben, t'welcke wij U.Ed : Mo: mits desen op 't spoedichste toesenden, om 't selve gelesen sijnde, daer op soodanich te disponeren, als ten dienste vanden Lande sullen bevinden te behooren; Ons voorts refererende tot de mondelinge rapporten die de Contrerolleur Roemers ende den Ingenieur Cool sullen doen. Vermits wij tot verrichtinge onser perticuliere affairen noch eenige daegen in dese provintie sullen moeten verblijven, hebben daerom desen voor affgesonden, verblijven

Ed:Mo: heeren

U Ed.Mo: onderdanige dienaers ende mede broeders

W. van Haersolte           Volkier Sloet

Zwolle den 5e/15e Augustij
1666

@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@

Toelichting:
het bovenstaande is een briefje dat het verslag begeleidt. In dit verslag, dat hierna volgt, worden de mogelijkheden bekeken om in de buurt van Rouveen een verdedigingswerk te bouwen naar aanleiding van het oorlogszuchtig optreden van de bisschop van Munster in 1665. Weliswaar was de vrede in april 1666 in Kleef getekend maar men is bang voor herhaling, hetgeen men graag wil voorkomen. Daar de commissie, die zelf ter plekke de mogelijkheden tot fortenbouw in ogenschouw heeft genomen (vandaar 'oculaire inspectie'), nog enige dagen in Zwolle verblijft wordt het verslag alvast vooruit gezonden. De afkorting Ed: Mo: staat voor: Edel Mogende. De datering duidt erop dat het op het moment van verzenden in Overijssel 5 augustus, en in Den Haag, waar de Raad van State zetelde, 15 augustus was. In een door een lid van de Raad van State aangebrachte marginale aantekening van 18 augustus blijkt dat de Raad kolonel Kirkpatrick over deze zaak wil horen.
@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@@

Verbael gehouden bij de Ed. Heeren W. Haersolte Heer tot Yrst ende Volckier Sloet tot Olthuijs over het visiteeren van de passagie omtrent Rooveen inde Provintie van Overijssel Gedaen in Augusty 1666

Verbael gehouden bij de Ed: heeren Wolff Haersolte heer van IJerst, ende Volkier Sloet tot Olthuijs, Gecommitteerde uijt den Raedt van State der Vereenichde Nederlanden, in voldoeninge van de resolutie-commissoriael in dato den 3en Augustij 1666; bij haer Ed: Mo : aen ons verleent om oculaire inspectie te nemen van het leggen van een fort ontrent het Pannenhuijs boven het dorp Roveen, ende redoute ontrent t'selve dorp, in de Provintie van Overijssel.

Soo hebben wij omme in loco te gaen nemen oculaire inspectie, rakende t'voorsseide subject, bij missive geschreven aende Ed:Mo: heeren Gedeputeerde Staten vande Provintie van Overijssel, en versocht dat ijmant uijt haer Ed: mochte gedeputeert werden, omme met ons in conferentie dien aengaende te treeden;
Wij uijt den Haege vertrocken sijnde, sijn op den 3en/l3en Augustij tot Zwolle bij malcanderen gecomen, daer vindende den Contrerolleur Roemers, ende den Ingenieur Cool, die wij gelast hadden haer dien dach daer te laten vinden, sijnde eenige daegen te vooren uijt den Haege vertrocken, om een Chaerte van de gelegentheijt ontrent t'Pannenhuijs te maken;

Dito des namiddachs sijn bij ons gecomen de Ed: heeren, Lambert Berent van Oer heer tot Zallick ende de Ed: heer Burgemeester Pieter van Putten, Gedeputeerden uijt de Ed:Mo: heeren Staten vande Provintie van Overijssel, met de welcke in conferentie getreeden sijnde, ende gesien de Chaerten ende gelegentheden ontrent dat werck, hebben geconcludeert des anderen daechs met gemelte Ingenieurs ter plaetse te gaen, om van alles oculaire inspectie te nemen.

Den selfden dito, hebben wij goet gevonden te beschrijven, d'Ed: heere Lieutenant Stadhouder Haersolte, ende de Ed: heer Haersolte hoochscholtus van Hasselt, neffens de heer Griffier Roelick, als sijnde heeren die de gelegentheijt van die plaetsen seer wel bekent sijn.



Den 4en/14en des smorgens sijn wij met gemelte heeren Gedeputeerden uijt de Staten van Overijssel, van Zwolle gereden over de Berckemer brugge, en van daer voorts naeden nieuwen Zwolsen wech, aen het Pannenhuijs ontrent het dorp Roveen, alwaer bij ons gecomen sijn de gemelte heeren Lieutenant Stadtholder, de heer hoochscholtus, ende d'heer griffier, alsmede d'heer Broeckhuijsen, Commandeur, met de welcke wij gegaen sijn, op den wech langs de grift naede veenen tot aenden wech genaemt den Leijdijck, welcken wech opgaende, dwars door de ackers, sijnde coorn- en boeckweijtlanden, bevonden den selven wech nu drooch, maer verclaerden gemelte heeren gesaementlijck dat dien wech met geen Canon, peerden, off andere bagagie te passeren is.

De selve heeren hebben ons mede verclaert, gelijck wij oock bij oculaire inspectie ondervonden hebben, dat de coornackers, boven den voornoemde Leijdijck tegen het mouras aenstreckende naede Ommerschanse, als oock tusschen dien wech en den grooten wech gaende van het Pannenhuijs door het dorp Roveen nae het dorp Staphorst, met geen canon, ruijters te peerde, gelaeden waegens met eenige bagagie te passeren is, sulcx dat het gantsche velt tusschen het mouras ende den Staphorst, ende Roveensen wech bij alle de werelt voor inpassabel wert gehouden, oock met het toehouden vande sluijskens die inden Roveensen wech leggen, noch meerder onbruijckbaer gemaeckt connen werden.

Waeromme wij de gemelte heeren Gedeputeerde, de Ingenieurs ende andere officieren, daer ontrent oirdeelen, dat met het leggen van een roijael fort ontrent het Pannenhuijs, niet alleen en can belet werden, dat vande andere Landen aen d'oversijde vande grift off Beentjensgraeve eenige passagie can voorgenomen werden, maer dat oock de gantsche passagie comende uijt Westphalen in Overijssel gaende naer Vrieslandt en Groeningen, soodanich can gedefendeert ende beschermt werden dat de vianden aldaer geen inbreucke offte invasie in gemelte Provintien soude connen doen, waer aen den dienst van t Landt te hoochsten gelegen is, dat aldaer ter plaetse een soodanigen fortresse gemaeckt wierde, gelijck sulcx bij oculaire inspectie bij ons ondervonden is, ende op de Chaerte figurative can aengewesen, ende gedemonstreert werden.

Welcke consideratien wij hebben goetgevonden U: Ed:Mo: op het spoedichste bekent te maecken, ons voort refererende tot onse overcomste om mondelinge rapport vandie saecke en gelegentheijt ontrent dat werck en verder openinge te doen.

Wij hebben den Contrerolleur Roemers, ende Ingenieur Cool gelast te saemen een overslach te maken van het leggen van sodanigen fort met sijn appendentien ende depententien soude comen te costen, soo van aerdenwerck, bestaende in wallen, ende Contrescherpe, metsel en Timmerwercken, bestaende in Baracken, Commandeur, Maijoor ende Commijs logementen, magasijnen, poort en bruggen, Batterijen, secreeten, ende santinelhuijsen, put, en pompen, beschoeijen, planckwercken, de welcke nae gedaene overslach en calculatie bevonden hebben het selve in het geheel sal comen te costen inde seventich duijsent guldens.

Na verrichtinge vande besoingjes in desen, hebben wij dit verbael overgesonden aen haer Ed:Mo: den Raedt van State der Vereenichde Nederlanden, nae den Haege uijt Zwolle den 5en/l5en Augustij 1666.

W. van Haersolte           Volkier Sloet

Jan H. Kompagnie
september 1990

* * *

RIJDEN DOOR EEN ROOKWOLK _________________________________________________________

J.W. de Weerd

In de optocht op 5 mei j.l. reed een oude auto mee die door enkele jongelui tot "tank" was omgebouwd. Regelmatig hulde de bestuurder zijn "tank" in een rookgordijn, wat voor het publiek minder aangenaam was. Dit voorval deed me denken aan een krantenknipsel (Meppeler Courant 17 april 1936) dat mij enkele maanden eerder onder ogen was gekomen. Dit knipsel handelde over een zaak bij het kantongerecht te Zwolle en ging over het rijden door de rook van een stoomtram. De krant schreef dat de rook die door de locomotief van een stoomtram wordt veroorzaakt, al heel wat ongelukken op haar geweten heeft en dat veel autobestuurders er de schadelijke gevolgen van hebben ondervonden.
"Het behoeft wel geen betoog," aldus de krant, "dat het door een rookwolk heenrijden buitengewoon gevaarlijk is." Men vindt het dan ook verklaarbaar dat een zekere Cornelis Jozephus Martinus V. uit Groningen hiervoor is verbaliseerd. Verdachte zou namelijk de stoomtram van de D.S.M. gepasseerd zijn terwijl er naast de tram een zware rookwolk hing. Voor de rechtbank ontkent V. echter ten stelligste langs de tram te zijn gereden. Hij stelt daarentegen dat hij door signalen de machinist op het gevaar opmerkzaam heeft gemaakt.
Als getuige is gedagvaard A.H. Brasz, opperwachtmeester van de marechaussee te Lichtmis, die wellicht ook het proces-verbaal tegen V. heeft opgemaakt. Brasz verklaart dat de verdachte wel degelijk door de rook reed en dat dit voor het verkeer groot gevaar opleverde.
De eis van de rechtbank was ƒ 7,= of 7 dagen. V. kwam er echter nog genadig af; het vonnis luidde ƒ 5,= of 5 dagen.

* * *

NATIONALE MILITIE _________________________________________________________



Certificaat van finale vrijstelling voor de Nationale Militie in 1818

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO XIII _________________________________________________________

Op onderstaande foto ziet u een aantal leerlingen van een zondagschool, tevens leerlingen van de Openbare School aan het Oosteinde te Nieuwleusen. De foto dateert van 1941 en is aan meester Katerberg geschonken bij het verlaten van de school.


Bovenste rij vlnr.:

Hendrik Jan Gerritsen
Hendrik Massier
Berend Jan Scholten
Jan Bovenhoff
Jan Bijker
Berend van Dijk
Jan Pruntel

onderste rij vlnr.:

Hermien Bouwman
Jentje Schoemaker
Klaasje Kreule
Gerrigje Toersen
Gerritje Bouwman

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES XIII _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma



De bien’n bi’j ’n ander onder de taofel steek’n.
Bij ’n ander in de kost gaan.
Tegen mokkende jongelui wordt gezegd:”’t Wordt tied da’j de bien’n es bi’j ’n ander onder de taofel steekt.”

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 3 mei 1929:
Door de gemeente Nieuwleusen is een wegverbetering tot stand gebracht, door het Zandspeur rechtdoor te trekken naar den Ommerdijk. Voorheen was het oude gedeelte van het Zandspeur meestal een modderpoel. Deze toestand is door het nieuwe weggedeelte geheel verbeterd.

* * *

DE BACKXLAAN TOEN _________________________________________________________

Nu de reconstructie van het noordelijk deel van de Backxlaan aanstaande is, hier nog eens de situatie




omstreeks 1948 (bovenste foto's) en 1960. Op de foto's hierboven kijkt u vanaf de brug over de Dedemsvaart de, toen nog, Ommerdijk in. De andere foto's hieronder geven het beeld van Den Hulst komende vanaf Nieuwleusen.



* * *

UIT DE RAADSNOTULEN VAN 1938 _________________________________________________________

J.W. de Weerd

In het begin van het jaar 1938 is de geboorte van een jonge Oranjetelg een belangrijke gebeurtenis. Ook in de raadsvergaderingen komt dit onderwerp aan de orde. Op 28 januari maakt de voorzitter melding van een schrijven van de Nederlandse bond van Hotel-, Koffiehuis- en Restauranthouders en Slijters met het verzoek om tijdens de feesten in verband met de blijde gebeurtenis in het Prinselijk gezin alle belemmeringen als tapverboden, sluitingsuren, en dergelijke op te heffen. Aangezien de burgemeester in deze bevoegd is, deelt hij mede te hebben besloten aan het verzoek gevolg te geven.
Betreffende de Openbare Lagere School B te Ruitenveen deelt burgemeester Backx mee dat het aantal leerlingen is gedaald tot beneden vijftig en de school derhalve zou moeten worden opgeheven. Er bestaat een mogelijkheid om instandhouding te vorderen, waarover wordt gediscussieerd. Verwacht wordt dat het aantal leerlingen in de toekomst zal toenemen, omdat er in de omgeving, het ruilverkavelingsgebied, de Hooislagen, enz. meer en meer gebouwd wordt. Van de 42 leerlingen blijken er 29 verder dan vier kilometer van een andere openbare school te wonen. Drie kinderen komen vanuit de gemeente Dalfsen. Bij opheffing van de school zal de gemeente opdraaien voor het busvervoer van de 29 kinderen. Daarnaast blijft men zitten met een schoolgebouw en onderwijzerswoning. Tevens is men van mening dat er gezorgd moet worden voor "voldoende openbaar onderwijs in een genoegzaam aantal scholen". Uiteindelijk wordt het voorstel van B&W aangenomen om instandhouding te vorderen en de minister van Onderwijs, Kunsten en Wetenschappen ontheffing te vragen van het betreffende wetsartikel.
Bij de rondvraag merkt raadslid Reuvers op dat er in Ruitenveen straatlantaarns zijn die niet branden. De voorzitter zegt dit reeds gezien te hebben en de monteur opdracht gegeven te hebben de zaak in orde te maken. De heer Witpaard komt nog eens terug op het plaatsen van een lantaarn in de bocht van de Koeweg bij Sluis 3. Hij zegt dat plaatsing niet veel behoeft te kosten; een stroomkabel is niet nodig en de sluiswachter kan de lantaarn wel bedienen. De voorzitter zegt dat de monteur de zaak nog eens in ogenschouw zal nemen.
Tevens zou Witpaard graag zien dat de bochten uit de Koeweg genomen zouden worden. Backx zegt te vrezen dat een dergelijk werk nogal wat zal kosten en dat hij niet inziet dat het verkeer ter plaatse van dien aard is dat dat nodig is.
Raadslid Van der Graaf wijst op de gevaarlijke toestand bij het café "De oranjeboom" te Den Hulst. Het gebouw staat bijna midden op de drukke verkeersweg. Al enkele malen is hij hier op attent gemaakt door chauffeurs. Backx zegt dat het een provinciale weg betreft en dat B&W er nog eens over zullen schrijven aan Gedeputeerde Staten.


Café "De oranjeboom" (foto 1934) midden op de weg langs de Dedemsvaart in Den Hulst.

Na de sloop

Op maandag 31 januari om zes uur 's avonds wordt er een buitengewone openbare raadsvergadering gehouden. Daarvan zijn onderstaande notulen gemaakt:
Nadat alle heeren zich van hunne zetels verheven hadden, spreekt de voorzitter ongeveer als volgt:
Mijne heeren!
Het is de eerste keer tijdens mijn 22-jarig burgemeesterschap, dat ik u in buitengewone vergadering bijeenroep. Dat moet natuurlijk een bijzondere oorzaak hebben en inderdaad is dat ook zoo. De Oranje-kleurige oproepingsbrief meldde het U en ik wil het nog even herhalen, dat wij hedenavond in het kort en in allen eenvoud de gelukkige geboorte van eene Prinses van Oranje zullen herdenken en -naar ik hoop- ter herinnering aan deze vreugdevolle gebeurtenis zullen besluiten tot stichting van een blijvend aandenken en de noodige gelden daarvoor uit de gemeentekas beschikbaar te stellen.
Er is een Prinses geboren!
Klokgelui, sirenengeloei, herauten te paard, hebben in heel den lande en ook in onze gemeente hiervan kennisgegeven. Er is alle reden uiting te geven aan onze groote vreugde; na weken van lang, ja zelfs angstig, wachten, is immers de blijde tijding gekomen en alle verdere berichten, die uit Soestdijk komen, lijken gunstig. Er heerst alom in den lande vreugde over de geboorte van het Vorstenkind en terecht, want het voortbestaan van de Oranje-dynastie is hierdoor -menselijkerwijze gesproken en als God geve, dat het Oranjekind voorspoedig moge groeien- verzekerd.
Reeds meer dan 400 jaren, mijne heren, zijn wij met Oranje verbonden en hebben wij aan ons Vorstenhuis veel te danken. Niet altijd hebben wij dat getoond en het is ook wel eens anders geweest, maar niettegenstaande dat heeft Oranje ons in moeilijke tijden nooit in den steek gelaten. Wij denken aan den Grooten Zwijger Willem I, den Vader des vaderlands, die ons heeft bevrijd van den dwang op godsdienstig en maatschappelijk gebied. Altijd stond hij onwrikbaar als een rots temidden der gevaren. Wij denken aan zijn broers Lodewijk en Hendrik van Nassau, die het leven voor ons land en volk op de Mookerheide lieten. Lodewijk was een der beminnelijkste en edelste Oranjeprinsen, van ganscher harte Calvinist met een heilig ontzag voor de eere Gods. Onverzettelijk was zijn wilskracht, zwaar zijn plichtsbesef. Wij denken aan Engeland's grootste koning, Willem III, hartstochtelijk vechter voor de vrede. Ik zou zoo verder kunnen gaan, mijne heeren, meer het heeft geen doel; we behoeven heusch niet zo ver terug te gaan in de geschiedenis en kunnen blijven bij onze thans regeerende Vorstin en Hare dochter.
Er bestaat een nauwe band tusschen Oranje en Nederland. De onafhankelijkheid van ons land, de vrijheid van ons volk, welke ons meer dan vierhonderd jaren door Oranje werden gewaarborgd, worden ons benijd door alle landen ter wereld. We gaan gelukkig de laatste jaren meer en meer beseffen, dat wij zonder ons Oranjehuis moeilijk zullen kunnen bestaan, dat wij gevaar zouden loopen ten onder te gaan.
Groote gezinnen treft men in den laatsten tijd bij de Oranjes niet meer aan; onze Koningin bracht haare dochter, Prinses Juliana, eerst na negen jaren getrouwd te zijn geweest, ter wereld en meer kinderen zijn er niet geboren. Het is wel interessant even te memoreeren, dat een der voorouders van onze Koningin, Juliana van Stolberg, de moeder van den Grooten Zwijger, uit twee huwelijken drie en twintig kinderen ter wereld heeft gebracht, terwijl de Zwijger zelf uit zijn vier huwelijken vijftien kinderen had. Die tijden schijnen voorbij en zijn we nu reeds blij, als er één Prinsenkind geboren wordt.
Mijne heeren, ik zal U niet langer ophouden; mede namens de wethouders stel ik U voor te besluiten:
1°. Telegrammen van gelukwensch te zenden aan het gelukkige ouderpaar en aan H.M. de Koningin.
2°. Tot aandenken van dezen dag een muziektent te stichten in het Paltheboschje en daarvoor een bedrag van driehonderd gulden beschikbaar te stellen.


De Dommelerdijk in 1956 met rechts het oude jeugdgebouw en daarachter het Palthebos waar de muziektent gedacht was.

3°. Aan de in de maand Januari 1938 geboren kinderen een spaarbankboekje op de Coöp. Boerenleenbank te schenken van vijf gulden met de bepaling, dat het geld eerst bij het bereiken van het 21ste levensjaar opvorderbaar zal zijn.
Met algemene stemmen wordt tot bovenstaande besloten. De voorzitter stelt nog voor dat de Raad thans met hem ter kerke gaat om den te houden dankdienst bij te wonen en daarna ten gemeentehuize terugkomt voor een gezellig samenzijn. Dit wordt goedgevonden.


In de raadsvergadering van 30 maart wordt mededeling gedaan van een ingekomen schrijven van de particulier secretaris van Prinses Juliana en Prins Bernhard, inhoudende een dankbetuiging voor de gelukwensen bij de geboorte van Prinses Beatrix. Tevens is een brief ingekomen van het Kabinet van H.M. de Koningin waarin ook zij haar dank betuigt voor de gezonden gelukwens. Bij het door de voorzitter op 31 januari gedane voorstel om een krediet te verlenen voor een blijvend aandenken aan de geboorte van prinses Beatrix, dacht hij aan een open muziektent zonder kap, waarvan de kosten geraamd werden op ƒ 300,=. Later sprak de raad de wens uit de tent te voorzien van een kap. Een dergelijke muziektent van gewapend beton en met rieten dak moet ongeveer vijfhonderd gulden kosten. Voorgesteld wordt het bedrag beschikbaar te stellen gezien het feit dat de tent onverslijtbaar zal zijn en bovendien in een behoefte zal voorzien. Van de Nederlands Hervormde Kerkvoogdij werd inmiddels bericht ontvangen dat zij het raadsbesluit waardeert en bovendien de benodigde grond in het Palthebosje graag beschikbaar zal stellen.
Raadslid De Boer voelt niet voor de verhoging van het krediet en merkt op dat er nog altijd 150 opcenten op de hoofdsom personele belasting zitten en een verdubbeling van de grondslag voor motorrijtuigen. Backx zegt dat de personele belasting voor deze rijtuigen verlaagd zal worden. De Boer gelooft er echter niet in, temeer daar dat reeds eerder beloofd was.
Ook raadslid Prins is niet voor de verhoging en zegt dat er nog veel kleine boeren armoede lijden en het geld beter voor steun aan hen kan worden gebruikt.
De voorzitter gelooft dat Prins enigszins overdrijft; er zullen veel kleine boeren zijn die in grote zorgen zitten, maar of zij bepaald armoede lijden betwijfelt hij.
De heer Witpaard stelt voor een open tent te bouwen en er bij de geboorte van een prins een kap op te zetten, hetgeen Backx niet aanvaardbaar acht.
Tenslotte wordt, met genoemde raadsleden tegen, goedgevonden ƒ 500,= beschikbaar te stellen. Op voorstel van De Boer zegt de voorzitter nog te zullen trachten een bijdrage van de bevolking te krijgen. De muziekverenigingen zouden bijvoorbeeld een collecte kunnen houden. Bij de rondvraag informeert De Boer of er voor gezorgd is dat de brandspuit achter gewone auto's vervoerd kan worden; hij acht het niet voldoende dat alleen de vrachtauto van Boers van een koppeling is voorzien. De raad stemt er mee in om de heren A. Mensink en A. Pinxsterhuis eveneens te vragen een koppeling, voor rekening van de gemeente, aan te brengen.
Op 7 juni 1938 benoemt de raad de heer J.H. Katerberg, tot dan hoofd der school te Beerzerveld, hem als zodanig uit 42 sollicitanten aan school B te Ruitenveen. Eveneens wordt goedgevonden de verordening tot bepaling van de maximumsnelheid voor motorrijtuigen in de gemeente Nieuwleusen te wijzigen en wel door het cijfer 20 te vervangen door 30.
Bij de rondvraag zegt Massier het gewenst te vinden dat er bij het in aanbouw zijnde viaduct aan de Lichtmis een behoorlijke straatverlichting komt. Aangezien de toestand nog moeilijk te beoordelen is, zegt Backx dat er te zijner tijd een onderzoek zal worden ingesteld.
Naar aanleiding van een vraag naar rijwielbergplaatsen bij de scholen merkt wethouder Nijboer op dat alles tegenwoordig per fiets naar de school trekt en dat daar schijnbaar wel geld voor is, terwijl als er schoolgeld betaald moet worden, men met bezwaren komt. Van Ankum vindt deze bergplaatsen niet gewenst; zij hebben volgens hem voors en tegens. Wanneer er geen toezicht is, zouden ze wel eens aanleiding kunnen zijn tot ongeregeldheden. Een eensgezind standpunt komt er niet.

De vergadering van 9 augustus vermeldt een ingekomen stuk van de Nederlandse bond van Hotel-, Koffiehuis-, Restauranthouders en Slijters waarin verzocht wordt op ruime wijze mee te werken aan bevordering van de feestelijkheden van het 40-jarig regeringsjubileum van H.M. de Koningin, door aan de caféhouders alle mogelijke faciliteiten te verlenen. De voorzitter zegt ook een dergelijk schrijven te hebben ontvangen en daar, aangezien de raad in deze niet competent is, zoveel mogelijk zijn medewerking aan te verlenen.
Van het bestuur van de Vereniging voor Christelijk Onderwijs te Den Hulst is een verzoek ingekomen om de gelden die voor de viering van het regeringsjubileum aan de Oranjevereniging worden gegeven, zelf te mogen ontvangen. De vereniging sympathiseert niet met de Oranjevereniging en vindt het niet juist dat gelden van de gemeentelijke overheid aan haar worden verstrekt. Backx stelt voor het adres af te wijzen. De Oranjevereniging is indertijd opgericht om meer eenheid in de feestviering te krijgen, waarom de gemeente haar gedurende de eerste jaren zou steunen. Wordt het verzoek van het schoolbestuur ingewilligd, dan ziet de voorzitter meer dergelijke verzoeken komen en kan de Oranjevereniging haar biezen wel pakken.
De heren Witpaard en de Boer wensen het verzoek te steunen. Witpaard zegt dat de schoolvereniging niet samenwerkt met een Oranjevereniging die laat dansen en een Jan Klaassen poppenkast laat vertonen. De Boer meent dat wanneer een schoolbestuur zelf een feest wenst te organiseren zij daartoe in staat gesteld dient te worden. De heer Reuvers merkt op dat er tijdens de kinderfeesten niet gedanst wordt. Daarentegen zegt raadslid Kooiker dat men toch dansen wil en wanneer dit in de gemeente niet gaat, men een gelegenheid buiten de gemeentegrenzen zoekt.
Er is een verzoek ingekomen van de vereniging van winkeliers en neringdoenden "Steunt elkander" om medewerking voor de oprichting van een eiermarkt. Het college meent dat het verzoek van de direct belanghebbenden, de kippenhouders, had moeten komen. De winkeliers zijn van mening dat nu de eieren naar Zwolle gaan, de mensen ook hun inkopen daar doen en er voor de plaatselijke winkeliers veel verloren gaat. De winkeliersvereniging blijkt bereid in de kosten bij te dragen. In de vergadering van 8 september vraagt de heer de Boer naar de post straatverlichting van ƒ 2000,=, die hem nogal hoog voorkomt. Geantwoord wordt dat de verplaatsing van lampen langs de Ommerdijk van 80 meter naar 120 meter nogal wat kosten mee heeft gebracht.
Naar aanleiding van een schrijven komt op 19 oktober een rijwielbergplaats bij de Christelijke School te de Meele weer aan de orde. Het schoolbestuur blijkt geen gevolg te hebben gegeven aan een uitnodiging van B&W om in een vergadering te verschijnen. Tevens is een lijst gevraagd van de kinderen die per fiets naar school komen, zodat kan worden nagegaan of het wel noodzakelijk is dat er van een fiets gebruik gemaakt wordt. Op dat lijstje prijken een twintigtal namen waaronder van kinderen die dicht bij school wonen en dus geen fiets behoeven te gebruiken.
B&W zijn bang dat bij honorering van het verzoek er ook van andere scholen dergelijke aanvragen zullen komen. Bij de school van de heer Siefers blijkt inmiddels een fietsenhok geplaatst te zijn dat uit eigen middelen is betaald. Aan het slot van de levendige discussie zegt de voorzitter dat het het beste is dat het schoolbestuur eens met het college komt praten.
Inzake de eiermarkt is een schrijven ingekomen van de secretaris van "Steunt Elkander" waarin hij meedeelt dat de heer J. Nijmeijer gratis een terrein ter beschikking stelt en, bij slecht weer, een lokaliteit. Het college ziet echter een eiermarkt niet zitten en ook de heer Massier, de enige voorstander in een vorige vergadering, blijkt van mening veranderd. Een gevraagd advies van de Kamer van Koophandel zal worden afgewacht alvorens besluiten te nemen.
Tijdens de rondvraag stelt het raadslid Prins de door B&W verzonden circulaire inzake verzekering tegen de kosten van ziekenhuisverpleging, operaties, enz. aan de orde. De burgemeester zegt dat de gemeente dergelijke kosten niet meer voor haar rekening neemt nu het mogelijk is om zich tegen een geringe premie voor deze zaken te verzekeren bij "De Voorzorg" te Nieuwleusen. Nijboer reageert door op te merken het jammer te vinden dat de meer gegoeden het nut van zo'n verzekering nog niet voldoende inzien. De Boer acht het voeren van propaganda voor deze zaak zeer gewenst.
De voorzitter deelt nog mee dat de zogenaamde speelautomaten die hier in sommige inrichtingen staan veel kwaad doen en het gewenst is die te verbieden. Ook door de justitie is hier reeds op gewezen. Op voorstel van de voorzitter wordt met algemene stemmen goedgevonden het betreffende artikel van de Algemene Politie­verordening als volgt te wijzigen: Het is verboden zogenaamde speelautomaten, speeltafels en soortgelijke toestellen op of aan den openbaren weg, of op of in voor het publiek toegankelijke plaatsen, café's, winkels daaronder begrepen, aanwezig te hebben. Op de vraag of biljarten er buiten vallen, antwoordt de voorzitter bevestigend.

* * *

WELVAART _________________________________________________________

Mini A. Tuur

De welvaartszakken staan in groepen op de stoepen:
een mengeling van lief- en overdadigheid
van "krijg de klere" en "ha, dat geeft ruimte".
Wat "heil" dat er een "leger" is in deze tijd.

Dag jas van klasse, mooi maar uit de mode,
dag dikke trui, blauw als vergeetmijniet!
'k Zal jullie missen, saaie brave schoenen,
de groetjes ribbel bloes, uw kraagje zint mij niet!

Ik zie nog mijn moeder zorgelijk peilend tornen
aan de oude jas, hoe is de binnenkant?
Ze meet, ze keert en tovert, al is 't krapjes,
een kinderjas. linker wordt rechterkant.
"Als nieuw", zegt ze.... maar ik voel me wat opgelaten;
.... de knopen zitten op hun dichtgenaaide gaten.

* * *

INHOUD VAN DE ACHTSTE JAARGANG _________________________________________________________

blz.
1  
12  
14  
16  
16  
22  
23  
24  
25  
34  
35  
36  
38  
46  
46  
48  
49  
58  
59  
 
69  
70  
72  
73  
79  
80  
82  
83  
83  
84  
86  
95  
96  
96  

 
Het fort bij de Lichtmis nabij Nieuwleusen
't Veraander'nde Ni 'jluusn
Sursum Corda (groepsfoto)
Fluitiesholt
Iepe Sappe Siepe
Brand op de Punt
Krummels
Nleuwleusener gezegdes XIII
Het fort bij de Lichtmis nabij Nieuwleusen II
De morgen van 10 mei 1940
Krummels
Een oude schoolfoto XI (School A)
Uit de raadsnotulen (1939 )
Ontlading
Simen de kleermaker
Krummels
Het fort bij de Lichtmis nabij Nieuwleusen III
Nieuwleusener gezegdes XII
"De Rollecate", rijksopleiding tot Jandbouw- huishoudlerares, 1913-1930
Krummels
Een oude schoolfoto XII (OLS Den Hulst)
Uit: "Van eigen erf"
De oculaire inspectie bij het Pannenhuis in 1666
Rijden door een rookwolk
Nationale militie
Een oude schoolfoto XIII (school A)
Nieuwleusener gezegdes XIII
Krummels
De Backxlaan toen
Uit de raadsnotulen van 1938
Welvaart
Inhoud van de achtste jaargang
Krummels

 
Jan H. Kompagnie
M. Prins-Praas
 
G. Smit
J.W. de Weerd
 
 
A. Schoemaker-Ytsma
Jan H. Kompagnie
J. Prins
 
 
J.W. de Weerd
Mini A. Tuur
Kabé
 
Jan H. Kompagnie
A. Schoemaker-Ytsma
 
Margreet van der Burg
 
 
 
Jan H. Kompagnie
J.W. de Weerd
 
 
A. Schoemaker-Ytsma
 
 
J.W. de Weerd
Mini A. Tuur
 
 

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 7 december 1948:
Op de Donderdagavond gehouden vergadering der zangvereniging "Zanglust" in hotel Nijmeijer werden in plaats van mevr. Visser en de heren J. Brouwer en H. Veerman, tot bestuursleden benoemd mevr. Schuurman en de heren B. v.d. Voort en G. ten Kate.




Jaargang 9 nummer 1 maart 1991

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

AFSCHEID VAN HET RIJWIELPLAATJE _________________________________________________________

Henk van Heeswijk

Jij klein, blank, blinkend blikken ding,
dat aan mijn fiets nauw was verbonden,
jouw afscheid wordt thans graag gezien;
je werd verloren en gevonden,
je werd gestolen en verkocht
voor minder dan de handelswaarde;
je was zo vaak een winstobject
voor vele zwakken op deez aarde.
Zij die het met het mijn en dijn
zoo nauw niet namen, profiteerden
van 't feit, dat velen altijd weer
de fietsen onbeheerd parkeerden.
Jij klein, blank, blinkend blikken ding,
waar 'k mijn rijksdaalder voor moest geven,
jij ligt er nu finaal dus uit,
er kwam een einde aan je leven.
Jouw rijk behoort nu tot 't verleên,
je zult wel spoedig zijn vergeten,
je glorietijd is thans voorbij,
je zult de fietsen niet meer sieren
en in dit simpele plaatjeslied
gaan wij verheugd je afscheid vieren!
Je gaf veel last en narigheid
en menigeen zo dikwijls zorgen,
nu ga je van de fietsen af
en - als herinnering - opgeborgen.

Toch bracht je niet alleen maar leed,
je komst kon ook wel vreugde geven;
zo dikwijls schonk jouw waarde toch,
in massa, menig mensch het leven;
want de verenigingen, die
bij ons de t.b.c. bestrijden,
brachten van de metaalopbrengst
zoo vaak verlichting in het lijden;
want als je een jaar had dienst gedaan
als rijwielplaatje hield je waarde
voor hen, die jouw in groot getal,
in zakken vol, tezamen spaarde.

Maar desondanks zijn wij toch blij,
dat je voorgoed nu bent verdwenen;
straks rijdt heel Nederland verheugd
zonder een rijwielplaatje henen!
Jij klein, blank, blinkend blikken ding,
wie had dit ooit wel durven droomen!
Wij hopen dat er in jouw plaats
nooit weer zooiets terug zal komen!

Bovenstaand gedicht verscheen in de Dedemsvaartsche Courant van dinsdag 29 april 1941 en werd gemaakt ter gelegenheid van de afschaffing van de rijwielbelasting per 1 mei van dat jaar, in 1991 dus precies 50 jaar geleden. De rijwielbelasting hield in dat men jaarlijks een belastingplaatje diende te kopen dat op de fiets bevestigd moest worden. De mensen die deze plaatjes niet konden betalen kregen kosteloos een plaatje dat echter wel van een gat was voorzien. Het kon daardoor ten allen tijde herkend worden en gaf zo een blijk van het geldelijk onvermogen van de bezitter.
De heer K. van Duren spoorde "Afscheid van het rijwielplaatje" op in genoemde krant.


* * *

DE BESTEKKEN VOOR DE BOUW VAN HET FORT BIJ DE LICHTMIS I _________________________________________________________

Jan H Kompagnie

Inleiding
In een viertal afleveringen van 'Ni'jluusn van vrogger' is aandacht besteed aan de plannen voor de bouw van een fort bij de Lichtmis, niet ver van Rouveen en van Nieuwleusen. In deze en volgende afleveringen worden de teksten weergegeven van de bestekken die in 1668 en 1672 werden vervaardigd, benodigd voor de bouw van een goed verdedigingswerk, hetgeen in werkelijkheid nauwelijks van de grond is gekomen.
Lezing van de authentieke bestekken doet ons dichter komen bij de 17e eeuw, in welke periode deze bouwplannen werden ontworpen. Maar door het lezen van de bestekteksten stuiten we ook nu en dan op begrippen als oude lengtematen en nu niet meer bekende facetten van en materialen voor de bouw. In een aantal gevallen is de betekenis weergegeven van enkele nu minder ingeburgerde begrippen (zie de 'verklarende lijst').
Over die oude lengtematen wat nadere informatie.
Krachtens de 'Wet op het Metrieke Stelsel' van 21 augustus 1816 werd per 1 januari 1820 in Nederland het metrieke stelsel, gebaseerd op de meter als lengtemaat, ingevoerd. Vóór die tijd was er een grote verscheidenheid aan maten en gewichten in ons land. Het gebruik van de benamingen van deze oude maten en gewichten werd pas in 1933 verboden. Het voorkomen van zovele verschillende maten en gewichten was een gevolg van de grote autonomie die de gewesten hadden en het ontbreken van een centraal gezag dat dwingend uniforme regelingen kon opleggen.
Bij de herleiding van oude lengtematen naar hedendaagse, is het moeilijk om precies vast te stellen welke de waarden van die oude lengtematen waren. Grote voorzichtigheid zij geboden bij het zonder meer 'vertalen' van die oude maten en gewichten naar onze huidige. De afwijkingen zijn talrijk, de interpretatie moet dan ook telkens onder voorbehoud worden gedaan. Zo wordt de lengtemaat 'duim' in de onderstaande teksten ook als gewichtsbepaling gehanteerd. Om toch een idee te geven van de mogelijke waarde van oude lengtematen volgt hierna een overzichtje van de meest voorkomende maten.

el


span


duim
palm
vadem











afstand van de top van de duim tot aan de elleboog van een volwassene van middelbare bouw.
afstand tussen de toppen van de duim en de middelste vinger, die men zo ver mogelijk van elkaar verwijdert.
de breedte van de duim.
afstand die men met de handpalm kan beleggen.
afstand tussen de verste vingertoppen van de zijwaarts gespreide armen.

Door de verschillen in bouw tussen de mensen onderling werd het noodzakelijk om nadere afspraken over deze lengtematen te maken. Men rekende daartoe in roeden, voeten (gebaseerd op de grootte van de menselijke voet) en ellen.

Stichtse of Utrechtse roede
Gelderse roede
Rijnlandse voet
Gelderse voet
Stichtse voet
Friese koningsvoet
Amsterdamse el
Brabander el
Haagse el

 









 
14 voeten - 140 duimen -3,76 m
14 voeten - 140 duimen - 3,8 m
31,4 cm
27,2 cm
26,8 cm
32,6 cm
68,8 cm
69,2 cm
69,4 cm

Waarschijnlijk werd bij de bouw uitgegaan van Rijnlandse voeten.
Een vadem was 6 Rijnlandse voet= 1,88 m.
'Een uur gaans' betekende 1500 Rijnlandse roeden=5651 m (na 1803 werd dat 1327 Rijnlandse roeden=5000 m, maar in de 19e eeuw rekende men hiervoor óók: 1/20 graad van de evenaar= 5555,5 m).

Tot slot: de afkorting 'RvS', die aan het begin van elk bestek staat, betekent: Raad van State. De originele bestekken berusten dan ook in het archief van de Raad van State dat zich bevindt op de Eerste afdeling van het Algemeen Rijksarchief in Den Haag.

(Bron: J. Hofman, Syllabus over maten en gewichten in de Nederlanden voor de invoering van het metrieke stelsel in 1820. (Den Haag 1981). In deze syllabus wordt ook andere literatuur genoemd op het gebied van oude maten en gewichten).

Verklarende lijst van enkele termen in de bestek-teksten:

Tabel maken verklarende lijst pag 5 en 6 (Is al in een eerder artikel gemaakt, gebruiken en controleren)

actum
banket

bedekte weg
berm


bolwerk
borstwering


carbeel


contrescarp
corps du garde
facen

fort

gordijn
hameij

inundatie

palissade

redoute
reduit

retranchement

schans

scheije
sloof
walgang



 


 
 


 
 

 
 



 

 


 

 

 


 

 

 



 

gedaan, opgemaakt
verhoging achter een borstwering: standplaats voor de schutter
dekkingswal rondom een vestingwerk
smalle strook grond aan de buitenvoet van een vestingwal, doorgaans beplant met een doornhaag (ook sluipwal geheten)
bastion
verhoging op een muur of wal ter bescherming van de verdediger en zijn geschut
ook: corbeel; ingekeepte balk ter ondersteuning van een andere schoorbalk; console
van de vesting afgekeerde grachtboord
wachthuis(je)
de naar buiten gerichte delen van een bastion
klein zelfstandig vestingwerk, iets groter dan een schans
wal tussen twee bastions
boom, slagboom, grendel; afgesloten ruimte; gehucht
kunstmatige onderwaterzetting ter verdediging van het land
hindernis bestaande uit een rij aangepunte palen
eenvoudig rechthoekig gesloten veldwerk
versterkte post binnen een vestingwerk, bestemd voor de laatste verdediging
afsnijding, aangelegd om een bepaald verdedigingswerk te kunnen flankeren
zelfstandig aarden werk van uiteenlopende vorm
plaats waar voorwerp zich in tweeën deelt
dekplaat, dekplank
plaats achter de borstwering waar men zich gedekt kan bewegen

Totaal overzicht van de aanbestede werken, april 1668 (RvS inv.nr 2322 p 33/17 e.v.)

Verbael gehouden bij de Ed: Heeren van Yerst ende Sloet over het besteeden van een Royael fort omtrent Rooveen. Gedaen in April 1668.

Verbael gehouden by de Ed: Heeren van Yerst ende Sloet, Gecommitteerde uijt de Ed: Mo: heeren Raeden van State der Vereenighde Nederlanden, in voldoeninge van de resolutie Commissariael de dato den l0en April 1668 omme inde Provintie van Overijssel omtrent Roveen te besteden het maecken van een Royaele forteresse.

Nae dat wij uijt den Haege gereyst sijn, sijn wij den 19en dito buytten Rooveen by den anderen gecomen, Ende hebben aldaer oculair Inspectie genomen van het affsteecken en kylspittingen, by den Contrerolleur Roemers laeten doen over het te leggen fort.

Den 21en hebben wij met de Ed: Heeren van Rechteren ende Putten, Gedeputeerde van de Ed Mo Heeren Staeten van Overijssel op het Stathuijs getracht publijcke besteedinge vant fort te doen, maer geen aenneemers connen vinden, daer in contentement hadden.


Het molenbastion van de vesting Bourtange.

Soo hebben naderhandt met Hendrick Truyrniet geaccordeert op aprobatie van haer Ed: Mo: het fort te maecken en te leggen yder roede voor de somme van tweehondert en twintich gulden, volgents de bestecken die wij haer Ed: Mo: hierbij overleveren sub No 1.

Hebben mede op Aprobatie van haer Ed: Mo: besteet het maecken van twee rijen Baracken, ende syn aengenomen by Andries Gerritsen Mol woont tot Vollenhove, voor de somme van acht duysent gulden, ende heeft tot borge gestelt Lucas Berents en Jan Wilmsen, timmerluyden tot Vollenhove. T besteck is hierby sub No. 2.

Hebben noch besteet het maecken van een polver maegesyn ende is aengenomen by Abraham Cock voor de somme van tweeduysent vijffhondert gulden, heeft tot borge gestelt Jan van Ryssel ende Berents Lagem(an) volgents t besteek dat hier nevens gaet sub No. 3.

Heben mede besteet het maecken van een poort en drie bruggen ende syn aengenomen by Abraham Cock voor de somme van sevenduysent vyff hondert gulden ende heeft tot borge gestelt Jan van Ryssel en Berent Laegeman volgents t'besteck dat hier by is sub No 4.

Noch besteet het maecken van een Corps du garde binnen de poort, een Secreet buytten van de Wal, ende is angenomen by Abraham Cock voor de somme van tien hondert gulden volgents de bestecken die hier by sijn sub No 5. den selven het maecken van een secreet voor ses hondert gu(l)den sub No. 6.

Nae dat wy de bestedinge gedaen hebben syn by ons gecomen de Ed:: Heeren Gedeputeerden uyt de Provintie van Vrieslande de heer Steens (?) ende Andringa de welcke ons seer eernstich gerecommandeert hebben, dat de besteedinge van het fort by haer Ed Mo: machte werden geaprobeert ende t werck syn voortganckt hebben, als synde daer toe expresselyck gecommitteert, t'welck aengenomen hebben haer Ed Mo: opt favorabelste te recommanderen.

Na verrichtinge van de besoigne es in desen syn wy den 23en des avonts van Zwolle wederomn vertrocken ende dit verbael aen d' Ed Mo: Heeren Raeden van Staete der Vereenighde Nederlanden overgelevert op den

W. v Haersolte            Volkier Sloet

Het eerste bestek (RvS inv.nr 2322, p. 12/9 e.v.)

Conditie ende Besteek waer naer de Ed: heeren Gecommitteerde uijt de Ed: Mo: Heeren Raeden van State der Vereenichde Nederlanden, op derselven approbatie besteden willen het maecken van een nieuwe viercante roijale fortresse, met vier Bolwercken omtrent Staphorst Roveen bij rootpannenhuijs, ofte groeten Lichtmis genaemt, buijten Hasselt in manieren als volght.

Roijenge
Eerstelijcken sal den Aennemer gehouden sijn te volgen de roijenge van de palen en kilspittingen die aldaer geslaegen ende gegraven sijn, beduijdende de grontlinien vande voorsseide op te maeckene fortresse, soo vande facen, flancquen ende gordijnen, daer buiten hij laeten sal een barm van acht voet breet, d' selve ende het geheele pleijn van 't fort te hoogen twee voeten, in syn waterpas, boven het Meij landt, lopende parallel mette voorsseide facen, flancquen ende gordijnen.

Principale gracht
Buijten desen Berm sal hij gelijcx het Meijlandt graeven een gracht ter breete van twaelff roeden, dosserende op ijder voet hoochte, soo binnen als buijten een voet, diep tien voeten, eenpaerich even diep uijtgegraven, sulcx datse in den bodem sal behouden de breete van hondert vierentwintich voeten, en sal lopen parallel met de facen vande Bolwercken, ende sal verdacht sijn in de punten voorde Bolwercken twee roeden wijder uijt te graeven, om de ronten(?) te konnen becomen, sonder eenige triangels, hoochtens off ondieptens inde grachten, off inde hoecken te laeten staen.

T aenleggen ende Hoochte vande Wal
Met d'aerde de gracht uijtcomende, sal hij maecken sijn wallen, rontsomme d'selve, facen, flancken, en gordijnen onder aenleggen ter dickte van t'sestich voeten, dewelcke hij ophaelen sal ter hoochte van veerthien voeten, boven den berm, dosserende van buijten op ijder voet hoochte negen duijm, ende van binnen storten der aerde, sulcx, datse op de cruijne sal behouden de breete van ses ende dertich voeten, ende sal verdacht wesen, een inganck te laeten inde gordijn, dienende voor een poort.

T Aenleggens ende Hoochte vande Borstweeren
Op dese wallen te setten ende maecken sijn Borstweeren van sestien voeten aenleggens, van binnen hooch boven de cruijne vande wal ses, ende van buijten vijff voeten, dosserende van buyten als voeren, van binnen daer voor te maecken een bancquet, breet vier, en hooch anderhalff voet, ende geven de borstweeren van binnen op de vijfftehalve voet hoochte boven het bancquet maer een voet dosseerens, sulcx dat de Borstweeren op de cruijne de breete moeten behouden van acht voeten.

Wallen ende Borstweeren
De wallen van buijten, sal hij .met laegen opsetten, brengende elcke ganck aerde niet hooger over als op ses duijmen, stampende die neder ter leechte van drie duijmen, acht voeten achterwaerts in de selve, daer op hij leggen sal een laege goede levende queeck, cloppende d'selve wel pertinent onder haer rechte linien aen op het dosseerens hier vooren verhaelt, de borstweeren, ende bancquetten van binnen sal hij met sooden opsetten, in 't verbant, de sooden lanck twaelff, breet acht ende dick vier duijm vast opeen gestampt, ende onder een rechte linie affgestoocken.

Batterijen ende opprillen
Inde punten vande Bolwercken te maecken Batterijen, van vierentwintich voeten viercant ijder sijde, soo hooch dat de stucken bequaemelijcken over de borstweeren connen speelen, mede met sooden opgeset, in manieren als vande borstweeren verhaelt is, versien met haer Oprillen, om met Canon bequaemelijck op en aff te connen comen, ende sal aen wedersijden vande poort maecken, een opril van ses roeden lanck, ende acht voet breet, om het Canon op en aff de wallen te connen brengen.

Bedeikte wech ende Contrescherp
Buijten dese gracht te maecken in si j n waterpas, een bedecten wech van eenentwintich voeten breet, daer op een bancquet van anderhalff voet hooch, en vier voet breet, daer buijten noch te maecken een Contrescherp van vijfftehalve voet hoochte boven het bancquet, d'selve op de cruijne breet twaelff voet, ende dan voorts dosserende op de breete van sestich voeten, sat van aerde onder een rechte linie, het geheele afdaeckens, sal hij een half voet dick met swarte aerde becleeden, ende met hooijsaet besaeijen, op datse groen bewassen mach, de borstweer vande Contrescherp van binnen, sal hij met sooden opsetten, met het bancquet als vooren.

Contrescherps grachte
Buijten dese Contrescherp noch te graeven een gracht van vier roeden, off acht en veertich voeten wijt diep ses voeten, dosserende op ijder voet hoochte aen weder sijden, niet meer als een voet, sulcx datse inden bodem sal behouden de breete van ses en dertich voeten, ende sal verdacht sijn dat de grifte door de contrescherps grachte sal loopen.

Materialen
Alle Materialen tot het voltrecken van dit voorsseide werck noodich, sal den aennemer sich selven beschicken ende daer toe leveren.

Metinge
De Metinge vande hoochte, lengte en breete van dit werck sal geschieden op de buijtencant vande borstweeren, met de Ordinaris Veltmate, sijnde Rijnlantse Maete.

Meulens
Den Aennemer sal geduijrende sijn werck de grachten met Peerden, ofte hant Meulens moeten uijtmaelen en drooch houden, tot hij den bodem, of de diepte voorseid van de gracht sal uijtgehaelt hebben, onder een esgael waterpas.

De betaelinge sal geschieden met contant gelt op 't Comptoir vanden Ontfanger Generael Volbergen in vier termijnen, den eersten als de Matrialen bij het werck leggen, ende den Aennemer in 't werck sal sijn getreeden, blijckende bij Attestatie van die geene die haer Ed: Mo: daer toe sullen gelieven te Authoriseeren, den tweeden termijn, als 't werck halff sal sijn gemaeckt, den derden termijn als 't werck voor volmaeckt opgenomen ende gepresen sal sijn, blijckende bij Attestatie vande Heeren Gecommitteerde uijt den Raedt van Staete, den lesten drie maenden naer de opneminge, als 't werck volgens den bestecke noch sal wesen onderhouden ende sonder defecten bevonden.

Aldus gedaen ende naer Trommelslach Publijck besteet, is dat voorsseide werck aengenomen bij Hendrick Treurniet ijder roede voor de somme van tweehondert en twintich gulden ende sal gehouden sijn anstonts naede Approbatie van haer Ed: Mo: in't werck te treeden, Actum Zwolle den 21en April 1668

W. v Haersolte            Volkier Sloet

Reactie van Hendrik Treurniet op de aanbesteding, juni 1668 (RvS 2322, p 61/28 e.v.)

Aende Ed: Mo: Heeren Raden van State der Vereenichde Nederlanden.

Vertoont met onderdaenige reverentie Hendrick Treurniet aennemer van t maecken van het bestede nieuwe fort bij t 'Rouweveen, Dat hij nu over de maent aen malcanderen alhier gewacht ende aen U. Ed: Mo: gesolliciteert heeft, omme te verstaen ende becomen, der selver resolutie ende ordre, over den voortgank off niet voortganck des voorsseide wercx, sonder dienaengaende voor alsnoch eens, off anders, te hebben connen obtineren, t'sijnen megcke(?) ende ongelegentheijt en schaede Ende alsoo t' Zaijsoen vant Jaer nu daer is, Ende zich alle dagen presenteert, om goet ende spoedich werck te maecken, Soo versoeckt hij derhalven mits desen gansch dienstelijk dat U. Ed: Mo: believen over het voorsseide subjeckt alsnoch eens off anders te resolveren omme hem daerover te reguleren. Dit doende etc.

Hendrick Truerniet

wordt vervolgd

* * *

AOREND·OME EN JINNE·MEUJE _________________________________________________________

H. van Duren

Toen ikke en mien breur nog zukke joggies waar'n, woon' n wi' j vlak naast Aorend-ome en Jinne-meuje. Wi'j mogg'n daar graag wez'n. Ze hadd'n een hond en det dier speul' n graag met oes. Ikke en Jan hebt der heel wat uur'n met hen esolt.
Aorend-ome mog oes graag plaog'n. Ik wete nog det hi'j ies een keer naar 't laand wol. Hi'j knipoogde teeg 'n Jinne-meuje en zee: "Ik neme de hond maar niet met, de jonges mut hum mar goed vaste holl'n aanders löp hi'j mi'j achternao." Naw, det zoll'n ikke en Jan doen! De hond lag ien 't grös. Wi'j


Mest laden. (1969, particuliere verzameling)

höll'n um goed vaste toen as Aorend-ome met de vörke op de scholders naar 't laand stapp'n. Het dier worr'n wel onröstug, mar zo'n hond zal oes starke joggies niet de baas worr'n. Ik hölle de achterpoot'n vaste en mien breur lag der bovenop.
't Was best allemaole goed egaone as Aorend-ome mar niet zachies was begunn'n te fluit'n toen hi'j zo'n honderd meter van huus was. Der was gien holl'n an. De hond rukk'n hum lös en ikke en Jan duukel’n ien 't grös. Aorend-ome en Jinne-meuje muss'n arg um oes lach'n. Wi'j waar'n wel een beettien kwaad, mar det duur'n niet lange.
Veur mi'j en mien breur Jan bint Aorend-ome en Jinne-meuje altied heel goed ewest en wi'j denkt met dankbaarheid graag t erugge an de tied toen as wi'j zukke joggies waar'n en bi'j die meensen speuld'n.

* * *

IN HET LAND VAN ALIBABA _________________________________________________________

Onze vraag om een exemplaar van het destijds door de Union rijwielfabriek uitgegeven beeldverhaal "De wonderbaarlijke avonturen van Baron Bonton op z'n stalen ros" heeft helaas geen resultaat gehad. Toch kregen we een tweetal reacties op deze oproep. De een kwam van de heer H. van Zomeren uit Onna die ons kopieën van het boekje "Reclame-Uitgave: Serie 1918 van Union Rijwielfabriek" deed toekomen. Het is een boekje met 46 prentjes, de meeste getekend door de bekende tekenaar Daan Hoeksema. De titel doet vermoeden dat er meerdere van deze boekjes zouden kunnen worden uitgegeven. Niet bekend is of dit ook is gebeurd.
Het boekje uit 1918 werd in januari van dat jaar door Union aan "onze geachte Afnemers!" toegezonden. In het voorwoord schreef men: "Het heeft ons steeds aangenaam getroffen met onze "Serie" Reclameplaatjes in het afgelopen jaar een aanhoudend succes te mogen boeken en was dit resultaat voor ons eene aansporing om de plaatjes nog geruimen tijd in Uwe gedachte te doen voortleven.
Wij hebben gemeend dit te kunnen bereiken door de uitgave van een boekje, waarin de besproken afbeeldingen voorkomen en dat zich uitsluitend zal leenen voor eene doeltreffende verspreiding onder Uwe clientèle, met het onvermijdelijk gevolg, dat U vele practische resultaten zult kunnen boeken."


De andere reactie kwam van een ander lid van de vereniging en wel van de heer A. Kleen uit Amsterdam, die meedeelde helaas niet in het bezit te zijn van een exemplaar van de avonturen van Baron Bonton. Wel zegt hij indertijd, toen hij als jongste bediende bij Union Rijwielfabriek belast was met het correspondentie-archief, een exemplaar in handen gehad te hebben en zich daaruit het volgende rijmpje nog te herinneren:
            In het land van Alibaba
            werd ik door rovers nagezet,
            zij dachten op hun snelle paarden
            "Wij hebben hem", maar: Opgelet!
            Ik zette mijn Union even aan
            en zij konden wel naar huis toe gaan!

Hierbij was een afbeelding geplaatst met vijf te paard gezeten Arabische rovers in volle draf.
Ook een afbeelding van een Afrikaanse negerin met haar baby voor op de fiets kan de heer Kleen zich herinneren. Dit plaatje staat ook afgebeeld in eerdergenoemd boekje en ziet er zo uit:


* * *

HOE DE BOERENLEENBANK WERD OPGERICHT _________________________________________________________

Op 22 oktober 1907 werd er op verzoek van de Coöperatieve Landbouwvereniging in de school te Nieuwleusen een lezing gehouden voor de oprichting van een Boerenleenbank. Voor deze lezing was de Rijkslandbouwleraar de heer H. Wibbens uit Deventer uitgenodigd.
In zijn betoog zette de heer Wibbens het nut van een zodanige bank zeer duidelijk uiteen. Hij begon met er op te wijzen dat het landbouwbedrijf van vroeger en van nu (1907) een groot verschil te zien geeft. Waar vroeger de boer het door hem verbouwde graan direct aan de markt bracht en er daar terstond geld voor ontving, daar wordt dit nu gevoerd aan vee en varkens, zodat er een langere tijd over heen gaat vóór hij geld uit zijn bedrijf ontvangt. Daarbij komt, dat, wil de boer met zijn tijd meegaan en werkelijk uit de grond halen wat er uit te halen is, hij kunstmeststoffen moet aankopen en gebruiken. Deze meststoffen moeten contant betaald worden, terwijl er ruim een jaar over heen gaat voordat hij de uitgaven ervoor in zijn zak terug krijgt. Daarboven moet hij, om in zijn bedrijf vooruit te gaan met de verbetering van zijn grond, meer vee houden, waarvoor hij al weer geld nodig heeft.
Een en ander is dan ook de reden, dat hoewel er in Nieuwleusen al veel kunstmest wordt gebruikt, het gebruik nog lang niet zo groot is als wenselijk zou zijn. Wanneer er de landbouwers op gewezen wordt dat ze meer kunstmest moeten gebruiken, krijgt men dan ook vaak als antwoord: Dat is allemaal goed, maar dan moet je het ook maar kunnen voorschieten. En inderdaad is er tegen dit bezwaar niets in te brengen. Om nu in dat euvel te voorzien is het wenselijk dat er een Boerenleenbank wordt opgericht . Dit toch is de weg voor de boer om op goedkope wijze voor kortere of langere tijd geld te krijgen. Ook is zo'n leenbank geschikt voor degene, die tijdelijk in zijn bedrijf geld over heeft, om dit daar te beleggen. Het is immers een veilige belegging omdat de commissarissen, die uit het midden van de leden van de Boerenleenbank worden gekozen, beslissen omtrent de uit te lenen gelden, die niet worden verstrekt zonder een tweetal borgen.


Het eerste echte kantoor van de bank aan de Backxlaan.
(Hier is nu Slijterij d'Ommerdieck gevestigd)

De inbrenger ontvangt 31/2 procent per jaar voor zijn inleg, terwijl de lener 41/2 procent moet betalen. De Boerenleenbank wordt aangesloten bij de onder rijks toezicht staande Centrale Boerenleenbank in Utrecht. Daar worden ook de ingebrachte gelden belegd, voor zover deze niet weer in de gemeente zelf worden uitgeleend. Bovendien kan elke Boerenleenbank een bedrag van twintigduizend gulden bij de Centrale Bank in Utrecht krijgen, wanneer ze die nodig heeft voor uit te lenen gelden. Uit de winst die de bank maakt, wordt een reservekapitaal gevormd en tevens kan daaruit het aandeel van vijfhonderd gulden betaald worden dat iedere leenbank moet hebben in de Centrale Bank, welk bedrag niet ineens behoeft te worden gestort.
De gezamenlijke leden zijn aansprakelijk voor de verliezen van de plaatselijke Boerenleenbank. Die aansprakelijkheid is echter niet groot, aangezien de kans klein is dat er gelden worden uitgeleend aan personen die niet te goeder naam bekend staan. Voor de kosten van oprichting wordt door het Rijk honderdvijfenzeventig gulden geschonken. Op de plaatselijke leenbanken wordt door inspecteurs controle gehouden. Zij kunnen te allen tijde ongewaarschuwd de kas en de boeken komen opnemen.
Het lidmaatschap kost eenmalig slechts vijftig cent, terwijl het elk jaar kan worden opgezegd, met dien verstande dat degene die als lid bedankt heeft nog een jaar mede aansprakelijk blijft. Hoe gering het gevaar van die aansprakelijkheid is, kan blijken uit het feit dat van de 423 plaatselijke Boerenleenbanken die nu al in het land bestaan, er bij nog niet één fraude is gepleegd en er ook geen verliezen van enige betekenis zijn geleden.
En nu nog dit: er zullen onder de boeren nog wel enkelen worden aangetroffen die het een schande vinden om geld uit de bank te halen. Dit is een dwaasheid. Het kan immers zelfs voorkomen bij zeer welgestelde boeren, die in de regel geld aan de bank lenen, dat ze tijdelijk geld nodig hebben.
De op de vergadering aanwezige personen waren, op slechts enkelen na, in beginsel voor de oprichting van een Boerenleenbank. Zonder twijfel zal het hierdoor niet lang meer duren of onze gemeente zal een nuttige instelling rijker zijn. Er heeft zich reeds een voorlopig bestuur gevormd.

Een week later, op 29 oktober, werd er weer een vergadering gehouden, waarop definitief besloten is tot oprichting van een Boerenleenbank in Nieuwleusen over te gaan. Aanvankelijk traden 27 leden toe.
Bij de stemming werden tot bestuursleden benoemd de heren R. Sterken, H. Prins, K. van Hulst, G.J. Pessink, W. Nijboer, A. Hekman en W. Stolte, terwijl tot leden van de Raad van toezicht werden benoemd de heren J. Bosch Bruist, A. van Scherpenzeel en H.J. Bijker. Door het bestuur zal nog een kassier worden benoemd. Er is dus in onze gemeente alweer een werkelijk nuttige en noodzakelijke instelling tot stand gekomen. (Dit artikel is ontleend aan de Dedemsvaartsche Courant.)

* * *

KLEIN KNECHIEN _________________________________________________________

B. van Duren

Handuk zien olde luu waren uut de tied. Hi'j verdiende now bi'j een boer de kost as klein knechien. Arg etröffen had hi'j het niet, teminsten det vund hi'j zelf. Het was veurjaor, mar de kolde noordoosten wiend maakte het buuten varre van plezierig. Hi'j had nog zo ehaopt det de boer zol zeggen "Jonge, blieft vandaage mar ien de stal of de schuure, det wark daor op 't laand löp niet weg". Mar nee heur, helemaole achter op det kale stuk mossen de uutgedreugde koeflatten en molsbulten uut mekare eslagen worden. En dan te denken det de baos zelf met de voeten op de plate bi'j de heerd zat te kleumen!
Niets sleug Handuk de flatten met de vörke kapot. Hi'j was zo drok met zien wark doende det hi'j der helemaole gien arg ien had det Beernd Paander al kört bi'j hum was. Beernd had een voer mest naor 't laand ebracht en was now met de leuge wagen weer op weg naor huus.
"Handuk jonge, ie mut naor huus, kiek mar, de baos röp oe". Handuk keek verbaasd op en begunde een beetien te lachen. Hi'j zag ien de varte zien boer achter 't huus op de plaanke staan die op de mestbulte lag. "Det dut hi'j wel vaker um te kieken ak wel wat uutvoere," zee hi'j tegen Beernd.
"Nou," was 't antwoord van Beernd en hi'j legde veur Handuk al wat roegte op de wagenplaanke, "ik zol 't hum wel ofleren. Gaot mar met mi'j mee. "
Handuk twiefelde.
"Weest mar niet bange," zee Beernd, "as hi'j begunt te foeteren dan koom ie strakkies met meie mar bi'j mi'j. Ik heb ok wel wark veur oe."
't Was Handuk of de zunne opgunk. As det ies zo mog wezen! Hi'j gooide de vörke op de wagen en even later zat hi'j naast Beernd.
-De boer keek arg op toen hi'j Handuk zag en zien eerste woorden waren: "Wat now, 't is toch nog gien middag. As ie flink deur ewarkt hadden dan was ie tegen die tied misschien klaar ewest!"
"Ja mar," stotteren Handuk,- "ik keeke op en miende det ie mi'j reupen um naor huus te komen."
De boer trök een raar gezichte. Wat mos hi'j daor nou op antwoorden?
"Nou, gaot dan mar ien de stal de koebeesten ofbörstelen. Met det hen- en weer geloop schiete wi'j toch niks op."
Handuk gunk naor de stal. Hi'j zag Beernd Paander nog net met de wagen de hoek umme gaon en die stak hum de haand op.
En zo is 't egaone. De beide voogden, ooms van va's en moe's kaante vunden het goed. De eersten mei begun'n Handuk bi'j Beernd Paander en hi'j hef daor een bes te stee ehad. 't Gunk hum as Jacob uut de Biebel. Hi'j trouwde later met Jannao, ien van de dochters van Beernd Paander en zien vrouwe Aaltien Ies.
Handuk en Jannao hebt der ien heur körte mar gelukkige jaoren van samen wezen veur ezorgd det er now iene achter de schriefmachiene zit om dit allemaole op papier vaste te leggen.

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO XIV _________________________________________________________



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  

8  
9  
10  
11  
12  
13  

Klaasje Vonder
Margje Tuin
Roelof Hagting
Paulien Schröder
Sina Withaar
Arend Vonder
Meester Hendrik
August Meijer
Berend Vonder
Berend van Duren
Arend van Duren
Truus Hoekman
Jozina Prins
Hendrik Tuin

14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  

Gerrit ter Horst
Janna Vonder
Meester Jan Schröder
Janna van Duren
Klaasje Katoele
Bouwina Jansen
Arend Katoele
Willem v.d. Voort
Harm Kappert
Hendrik Hoekman
Evert Vonder
Jantje van Leusen
Janna Voorhorst
Willem Hagting

28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  

Willempje Katoele
Grietje Beelen
Jentje Beelen
Hendrikje Timmerman
Hilligje Prins
Herman Kappert
Hendrik Vonder
Bart van Duren
Jacob Kappert
Hendrik van Duren
Albertus Voorhorst
Willem Withaar
Klaas Tuin

* * *

DE DOOTCAMP _________________________________________________________

G Hengeveld-van Berkum

In de stukken van Zwollerkerspel is in de Volontaire Rechtspraak 1711 de verkoop van van een perceel grond genaamd de Dootcamp te vinden. Dit stuk lag nabij de huidige Nieuwe Dijk. Onderstaand volgt de betreffende tekst.

Op den zevenentwintigsten April Zeventienhonderd en elf hebben Gerrit Kraght en Koop Beulen tot Nieuwleusen gekocht vier morgen lants in deze Carspel van Zwolle gelegen, de Dootcamp genaemt, aan de Westkant van de Spijkercamp, aan de Zuidkant van de Dwarsbroecke. Dit is met volmacht verkocht voor Frans Roscamp en zijn vrouwe Reintien Snel en voor Margarieta Herms, wed. van Arnoldus Jansen, voorts Reint Harms Mulder en Juttien Jansen eheluiden, Gerrit Warner als momber over Warner en Evert Harms en dan nog Jan Snel en voor zijn beide zusters Ida en Webbechien Snels, voorts Everdina van Uitreght en Elisabeth Snel, weduwe van Henricus Sonnius en Gerrit Berghman en Jannegien Evers, eheluiden.



Jaargang 9 nummer 2 juni 1991

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

DE VEILING VAN HET JAGTLUST IN 1833 _________________________________________________________

G. Hengeveld-van Berkum

Tot de bezittingen van de familie Van Dedem behoorde het landgoed Jagtlust dat zich ten westen van de tegenwoordige Jagtlusterallee bevond. In 1833 bood Willem Jan Baron van Dedem het ongeveer 40 hectare grote landgoed te koop aan. Notaris I.A. van Royen te Zwolle was met de openbare verkoop belast. De inzet vond plaats op 12 augustus 1833 's morgens om 10 uur ten huize van D.J. Neurink op het landgoed. In de aankondiging van de verkoop werd Jagtlust genoemd "zeer aangenaam op een uur afstand van Zwolle gelegen, bestaande uit Heerenhuis, Bouwmanswoning, schuur, hooiberg, opgaande boomen, houtgewassen en onderhorige weide, hooi- en bouwlanden". Tot het goed behoorden een tweetal boerenerven, te weten het Binnenveld erve en de Meele, welke met "derzelver getimmerten met hooge en lage landerijen" ook werden verkocht.
Op 26 augustus 1833 vond de finale veiling plaats van "een buitenplaats genaamd Jagtlust met deszelfs getimmerten en daar op staande boomen en houtgewassen en daar onder horige erven en gebruikt bij Derk Jan Neurink, Gerrit Gerner, Teunis Meelenboer, Berend Schutte en Jan Peters, tesamen p.m. 40 bunders, gelegen in de buurtschap Ruitenveen, sectie C nr. 541-562, belend ten Zuiden door de algemene weg naar Nieuwleusen, ten Westen de wijk of Jan Dijk, ten Noorden de zoo genaamde Meeleweg, ten Oosten de weg of allee die hierbij behoord". Van de verkoop werd een akte opgemaakt waarin een en ander zodanig is omschreven dat het een inzicht geeft in de situatie zoals die destijds was. Onderstaand nemen we een deel van deze akte over. Eerst een viertal artikelen uit de voorwaarden, gevolgd door de beschrijving van de percelen. De inzetpremie bedroeg voor de percelen 8, 9, 19 en 20 ƒ 1,50 en voor de overige ƒ 1,--. Voor aanwijzing en wijnkoop waren de kosten ƒ 0,50 per perceel (bij perceel 22 is vermeld wijnkoop en bediening ƒ 0,50).

Artikel zestien.
De weg en de allee zal door ieder daaraan belend perceel moeten worden onderhouden.
Artikel zeventien.
De wijk behoort bij ieder perceel voor zo verre daartegen gelegen en zal eenmaal door ieders het zijne in het jaar moeten worden gesneden, terwijl men zal moeten gedogen dat ieder belanghebbende dezelve verdiepe en de aarde moeten ontvangen. Zullende voorts het gebruik voor allen moeten vrij zijn en daartoe ook de nodige vrijheid voor een Jaagpad langs de wijk moeten vrijblijven.
Artikel achttien.
De verkopers reserveren zich het regt van Jagt en visserij op het verkogte, hetwelk wel expresselijk wordt uitbedongen.
Artikel negentien.
De telgen staande op het eerste en tweede perceel worden niet mede verkogt, doch zullen voor de eersten January 1834 moeten weggenomen zijn.

Eerste perceel.
De oostkant van het Sterrebosch belend oost de sloot van de allee, zuid de Dijk (de dijk erbij), west het tweede perceel, noord de weidekamp of derde perceel, scheidende met het tweede perceel op de helft gemeten uit de sloot van de allee en de sloot aan de westkant van het vijfde perceel, bezwaard met de dijk en deszelfs beide sloten, scheidende ten noorden met het derde perceel door de heg, die bij dat derde perceel behoort.
Aanvaarding den eersten November 1834.
Tweede perceel.
De westkant van voorschreven perceel, grenzende noord en zuid als voren, oost het eerste perceel, west het vijfde perceel, daarmede scheidende door de sloot, bezwaard als voren.
Aanvaarding den eersten November 1833.
Derde perceel.
De oostkant van het weidekampje, belend zuid het eerste perceel, oost de sloot van de allee, west het vierde perceel, scheidende daarmede op de helft gemeten uit de sloot aan de allee en de sloot aan het vijfde perceel, behorende de allee hierbij, noord aan het achtste perceel, daarmede scheidende door de sloot langs de heg, hebbende zijn uitweg op de grote allee ten oosten.
Aanvaarding den eersten Mei 1834.
Vierde perceel.
De westkant van voorschreven perceel, belend noord als voren, oost het vorige, zuid het tweede perceel, west de westelijke sloot langs de Middelallee, hebbende zijn uitweg over het vorige naar de Oosterallee, ter plaatse door de eigenaar van het derde perceel aan te wijzen. In geval echter het tweede en vierde perceel bij elkander worden verkocht, zal de uitweg van het vierde perceel over het tweede zijn.
Aanvaarding den eersten Mei 1834.
Vijfde perceel.
De oostkant van de Graskamp, belend zuid de Dijk, die daarbij behoord met de last der beide sloten, oost het tweede en vierde perceel, daarmede scheidende als voorschreven, noord het zevende perceel, daarmede scheidende door de wal die hierbij behoort, west het volgende perceel, daarmede scheidende op de helft gemeten uit de sloot ten oosten tot aan de wijk.
Aanvaarding den eersten November 1833.
Zesde perceel.
De westkant van voorschreven perceel, belend zuid en noord als vooren, oost het vorige perceel, west de wijk, met uitzondering van eene lengte van vijf en tachtig ellen, gemeten van de dijksloot noordwaarts, ter breedte van zeven ellen bij de wijk voor eene losplaats, bezwaard met de dijksloten en de dijk tot aan het erve van Jan Dijk.
Aanvaarding den eersten November eerstkomende.
Zevende perceel.
De weidekamp, belend zuid het vijfde en zesde perceel, west de wijk, noord het negende perceel, scheidende daarmede door de rikkinge, oost het achtste perceel, daarmede scheidende met de Middelallee die bij het achtste perceel behoort. Hebbende zijn uitweg naar de dijk langs de wijk en over de losplaats.
Aanvaarding den eersten November 1833.
Achtste perceel.
Het erve bij Derk Jan Neurink gebruikt, bestaande in het huis, hooiberg, varkensschot en grond, belend zuid het derde en vierde perceel, daarmede scheidende door de heg die hierbij behoort, oost de allee en het elfde perceel, daarmede scheidende door eene lijn in de richting van de oostelijke muur van het varkensschoten zo noordwaarts door de agterste hof ter zelfde breedte uit de sloot der allee gemeten, noord het twaalfde perceel, daarmede scheidende door de sloot, west het zevende perceel, daarmede scheidende als voorschreven, voorts west het negende perceel, daarmede scheidende door eene lijn gemeten uit de lindenboom tusschen het Heeren­ en boerenhuis, evenswijdig met de westsloot langs de allee tot aan het twaalfde perceel, bezwaard met de westelijke helft van een eindje onraad der Hermelijn tusschen de lege brug en de hoge dijk bij dit goed behorende.
Aanvaarding den eersten Mei 1834, doch is de koper verpligt aan den tegenwoordige bewoner Derk Jan Neurink een half jaar huur gestand te doen tegen genot van huurpenningen.
Negende perceel.
Het oude Spijker met een gedeelte van de voor en achtertuin, belend oost het achtste perceel, daar mede scheidende als voorschreven, zuid het zevende en achtste perceel, daarmede scheidende als voorschreven, west de wijk, noord het twaalfde en dertiende perceel, daarmede scheidende door de sloot, uitwegende voorlangs het boerenhuis naar de Oosterallee, bezwaard met de oostelijke helft van voorschreven onraad.
Aanvaarding den eersten November eerstkomende, uitgezonderd hetgeen verhuurd is aan Gerrit Gerner, hetwelk niet voor den eersten Mei 1834 kan worden aanvaard.
Tiende perceel.
Het nieuwe Spijker voor afbraak met de planketten om de agtertuin zoo als aangewezen word.
Zullende alles voor den eersten April achttienhonderd vier en dertig van de plaats moeten zijn vervoerd, op verbeurte van het niet vervoerde, zullende de koper het vervoer mogen doen zoo wel voorlangs het boerenhuis over de allee, als door de wijk.
Aanvaarding dadelijk na de slag.
Elfde perceel.
De schuur met de grond langs de allee noordwaarts, belend west de lijn bij het achtste perceel omschreven en voortgaande bij langs het twaalfde perceel tot aan het veertiende perceel, oost de sloot van de allee, zullende de grond ten zuiden tot aan de berg tot algemeen gebruik zijn voor het elfde en achtste perceel, noord daarmee scheidende over de rikkinge.
Aanvaarding den eersten November eerstkomende van de schuur, doch het land evenals het achtste perceel.
Twaalfde perceel.
Een perceel bouwland, belend zuid de sloot aan het negende perceel, oost het elfde perceel, noord het veertiende perceel, daarmede scheidende door de rikkingen, west het dertiende perceel, daarmede scheidende op de helft gemeten uit de westelijke sloot van de allee en de wijk, uitwegende over het elfde perceel naar de allee, waar nu de uitweg is. Wanneer het twaalfde perceel bij het achtste perceel mocht worden getrokken, zal de uitweg naar voren zijn.
Aanvaarding als het achtste perceel.
Dertiende perceel.
Een perceel bouwland, belend zuid de sloot tusschen dit en het negende perceel, noord het vijftiende perceel, daarmede scheidende door de rikkinge, west de wijk, oost het twaalfde perceel, daarmede scheidende als voren.
Aanvaarding als het achtste perceel.
Veertiende perceel.
Een oosterhelft van een weidekamp, belend noord de sloot langs het zestiende perceel, oost de allee, zuid het elfde en twaalfde perceel, west het vijftiende perceel, daarmede scheidende op de helft gemeten uit de westeralleesloot en de wijk, uitwegende over de allee.
Aanvaarding den eersten November 1833.
Vijftiende perceel.
De westerhelft van voorschreven perceel, belend zuid, noord en west als voren en oost het vorige perceel, uitwegende over het veertiende perceel langs de rikkinge naar de allee.
Aanvaarding den eersten November 1833.
Zestiende perceel.
Een boschje eiken akkermaalshout, belend zuid het veertiende perceel en het vijftiende perceel, west de wijk, oost de allee, noord het zeventiende en negentiende perceel, daarmede scheidende door de sloot langs het boschje, uitwegende over de allee.
Aanvaarding den eersten November 1833.
Zeventiende perceel.
Een zaaikamp, belend noord het achttiende perceel, scheidende daarmede door de wending die te zamen blijft, oost de allee sloot, zuid het vorige perceel, moetende echter langs het bosch hiervan naar de allee eene weg blijven liggen ter breedte van vijf ellen, gemeten uit de sloot, west de weg bij het volgende perceel onderschreven, welke voor zo verre hiertegen half moet worden gemaakt en onderhouden, ui twegende naar de allee en naar de Meeleweg.
Aanvaarding den eersten November 1833.

Detail van de "Kaart voorstellende de ligging der Eigendommen van de Maatschappij van weldadigheid", waarop het Sterrebos van het landgoed Jagtlust is aangegegeven. De kaart dateert uit ca. 1820 en bevindt zich in de collectie van de Stichting Atlas van Stolk te Rotterdam.

Achttiende perceel.
Het erve bemeijerd bij Teunis Meeleboer, waarvan de getimmertens aan den huurder toebehoren, belend oost de allee, zuid het zeventiende perceel, noord de Meeleweg, west de weg tusschen dit perceel en het negentiende en twintigste perceel, welke weg tot aan het eiken boschje in een regte lijn moet worden doorgetrokken, dienende voor uitweg voor het zeventiende, achttiende, negentiende en twintigste perceel, bezwaard met de Meeleweg en de sloot langs dezelve hiertegen gelegen, alsmede de onderhoud van een perceel in de Hermelijn bij Jagtlust behorende, gelegen digt bij het Tolhuis.
Aanvaarding Sint Peter (= 29 juni) 1834, doch zal aan de tegenwoordige huurder de huur moeten worden gestand gedaan tot Sint Peter 1835 tegen genot der huurpenningen.
Negentiende perceel.
Het erve bemeijerd bij Berend Schutte, bestaande uit huis, schuur en hooiberg en grond, belend oost de weg bij het vorige perceel beschreven, zuid het zestiende perceel, west de wijk, noord het twintigste perceel, daarmede scheidende door de sloot, zoo als nu bij het erve in gebruik, bezwaard met de oostelijke helft van een eindje onraad in de Hermelijn, het naaste aan het Grashekke gelegen en bij dit goed behorende.
Aanvaarding Sint Peter 1834, doch zal de koper verpligt zijn aan de tegenwoordige bewoner een jaar huur gestand te doen tot Sint Peter 1835 tegen genot der huurpenningen.
Twintigste perceel.
Het erve bemeijerd bij Jan Peters, bestaande in huis, berg en varkensschot en grond, belend oost de weg bij het achttiende perceel omschreven, zuid het negentiende perceel, west de wijk, noord de Meeleweg waarvan het onderhoud en de sloot hier bij behoort, bezwaard met de westelijke helft van een eindje onraad in de Hermelijn, waarvan de andere helft bij het negentiende perceel is gelegen.
Aanvaarding den eersten Mei 1834, doch zal de koper verpligt zijn aan de tegenwoordige bewoner een jaar huur gestand te doen tot den eersten Mei 1835 tegen genot der huurpenningen.
Een en twintigste perceel.
Eenige eikenbomen bij de Meelenerve staande op het achttiende perceel, zijnde negen en veertig in getal, die voor den eersten Juny 1834 moeten vervoerd zijn, terwijl de koper van het erve tegen eene premie van drie procent der koopschat dezelve kan overnemen, mits zulks bij de toewijzing dadelijk declarerende.
Twee en twintigste perceel.
De allee langs het gehele goed vanaf de Meeleweg tot aan de dijk van Nieuwleusen, waarover de tijdelijke eigenaar van de Rollecate de vrije weg heeft. Aanvaarding den eersten November eerstkomende.

De Heer comparant verklaarde van voormelde goederen geene bewijzen van eigendom of koopbrieven te bezitten.
Vorenstaande conditieën en verschrijving der goederen aldus door de Heer comparant zijnde opgegeven en gearresteerd, hebben wij daar hij verklaarde dat van deze verkoping zoo door middel der courant, kerkenspraken, roepen als verder op de gebruikelijke wijze de nodige bekendmakingen waren gedaan, dezelve aan de present zijnde personen voorgelezen, waarvan de veiling heeft plaats gehad als volgt:

Eerste perceel ingezet door Koop van der Woude, veldwachter, wonende te Nieuwleusen, voor ƒ 70,--, gehoogd door Harm Borger, landbouwer, en Gerrit Jansen Pater, kastelein, beiden wonende te Nieuwleusen, ƒ 25,--, biedende ƒ 95,-­.

Tweede perceel ingezet door Koop van der Woude op ƒ 80,--, gehoogd door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 25,--, biedende ƒ 105,-­.

Derde perceel ingezet door Gerrit Jan Schoemaker, landbouwer te Nieuwleusen, op ƒ 65,--, gehoogd door Berend Boertjes, landbouwer te Nieuwleusen, ƒ 35,--, gehoogd door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 60,--, biedende ƒ 160,-­.

Vierde perceel is ingezet door Willem van Duren, landbouwer te Nieuwleusen, op ƒ 60,--, gehoogd door Berend Boertjes ƒ 20,-- en door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 60,--, biedende ƒ 140,-­.

Vijfde perceel ingezet door Gerrit Jan Schoemaker op ƒ 80,--, gehoogd door Derk Nijentap, landbouwer te Welsum gemeente Dalfsen, ƒ 20,--, door Gerrit Jan Schoemaker ƒ 25,--, door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 100, --, biedende ƒ 225,--.

Zesde perceel ingezet door Gerrit Jan Schoemaker op ƒ 75,--, gehoogd door Derk Nijentap ƒ 25,--, door Gerrit Jan Schoemaker ƒ 25,--, door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 100,--, biedende ƒ 225,-­.

Zevende perceel ingezet door Harm Borger op ƒ 100,--, die gehoogd heeft ƒ 20,--, gehoogd door Derk Jan Neurink, schoolmeester te Nieuwleusen, ƒ 10,--,door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 170,--, biedende ƒ 300,-­.

Achtste perceel is ingezet door Willem van Duren op ƒ 400,--, die gehoogd heeft ƒ 25,--, door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 375,--, door Derk Jan Neurink ƒ 25,--, biedende ƒ 825,-­.

Negende perceel ingezet door den Heer Hartog Meijer Vos, koopman te Dalfsen op ƒ 200,--, die gehoogd heeft ƒ 75,--, gehoogd door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 425,--, biedende ƒ 700,-­.

Tiende perceel is ingezet door Hartog Meijer Vos op ƒ 120,--, die gehoogd heeft ƒ 30,--, door Willem van Duren ƒ 50,--, biedende ƒ 200,-­.

Elfde perceel ingezet door Willem van Duren op ƒ 65,--, gehoogd door Jacob Katoele, landbouwer te Nieuwleusen, ƒ 5,--, gehoogd door Gerrit Jan Schoemaker ƒ 10,--, door Jacob Katoele ƒ 10,--, door Harm Borger ƒ 20,--, door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 90,--, biedende ƒ 200,-­.

Twaalfde perceel ingezet door Willem van Duren op ƒ 110,--, gehoogd door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 190,--, biedende ƒ 300,-­.

Dertiende perceel is ingezet door Willem van Duren op ƒ 100,--, die gehoogd heeft ƒ 10,--, gehoogd door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 190,--, biedende ƒ 300,-­.

Veertiende perceel ingezet door Harm Borger op ƒ 100, - -, gehoogd door Gerrit Jan Schoemaker ƒ 20,--, door dezelve nog ƒ 30,--, door Derk Jan Neurink ƒ 100,--, biedende ƒ 250,-­.

Vijftiende perceel is ingezet door Barteld Stolte, landbouwer te Nieuwleusen op ƒ 120,--, gehoogd door Willem van Duren ƒ 30,--, door Derk Jan Neurink ƒ 110,--, biedende ƒ 260,--.

Zestiende perceel ingezet door Wilhelmus Snel, landbouwer in Den Hulst gemeente Staphorst, op ƒ 130,-- en gehoogd heeft ƒ 45,--, door Willem van Duren ƒ 20,--, biedende ƒ 195,-­.

Zeventiende perceel ingezet door Willem van Duren op ƒ 140,--, die gehoogd heeft ƒ 10,--, gehoogd door Derk Jan Neurink ƒ 5, --, door Willem van Duren ƒ 40,--, biedende ƒ 195,--.

Achttiende perceel ingezet door Willem van Duren op ƒ 420,--, gehoogd door Derk Jan Neurink ƒ 15,--, door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 565,--, biedende ƒ 1000,-­.

Negentiende perceel ingezet door Willem van Duren op ƒ 330,--, gehoogd door Derk van Duren, landbouwer te Nieuwleusen, ƒ 20, --, door Derk Jan Neurink ƒ 10, --, door Gerrit Jan Schoemaker ƒ 40,--, gehoogd door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 300,--, door Derk Jan Neurink ƒ 25,--, biedende ƒ 725,-­.

Twintigste perceel is ingezet door Jan Peters, landbouwer wonende te Nieuwleusen, op ƒ 410,--, waar op gehoogd is door Willem van Duren ƒ 10,--, door Derk Jan Neurink ƒ 5,--, door Jan Peters ƒ 100,--, door Harm Borger en Gerrit Jansen Pater ƒ 125,--, biedende ƒ 650,-­.

Een en twintigste perceel ingezet door Harm Borger op ƒ 40,--, gehoogd door Hartog Meijer Vos ƒ 5,--, gehoogd door Hendrik Katoele, landbouwer te Nieuwleusen ƒ 5,--, door Willem van Duren ƒ 10,--, biedende ƒ 60,-­.

Twee en twintigste perceel ingezet door Harm Borger ƒ 100, --, gehoogd door Willem van Duren ƒ 50,--, door Harm Borger ƒ 20,--, door den Heer Pijke Bloemendaal, zaakwaarnemer te Zwolle ƒ 80, --, biedende ƒ 250,--.


Geene verdere hogingen geschied zijnde, hebben wij den slag bepaald op heden over veertien dagen ter zelfder uur en plaatse. Van al hetwelk wij dit proces-verbaal hebben opgemaakt op tijd en plaatse voorschreven in presentie van den Heer Johannes Voetelink, deurwaarder te Zwolle en van Wilhelmus Snel, landbouwer onder Hulst gemeente Staphorst, als te dezen verzogte en bevoegde getuigen, dewelke met den Heer comparant benevens ons notaris na voorlezing hebben getekend.

Op heden den zes en twintigsten Augustus achttien honderd drie en dertig, des morgens om tien uur ten huize van Derk Jan Neurink te Nieuwleusen, compareerde voor ons Meester I. A. van Royen, openbaar notaris residerende te Zwolle, hoofdplaats der provincie Overijssel, en voor de na te noemen en mede ondergetekende getuigen, de Hoogwelgeboren Heer Meester Willem Jan Baron van Dedem, lid der Ridderschap en der Staten van Overijssel, wonende te Zwolle zoo voor zich als in qualiteit van gemagtigde van deszelfs echtgenote vrouwe Judith van Marle, zonder beroep, mede wonende te Zwolle. De vrouw handelende onder adsistentie en met authorisatie van haren echtgenoot krachtens procuratie op den twaalfden Augustus jongstleden, voor ons curators en getuigen gepasseerd en behoorlijk geregistreerd onder nummero twee duizend drie honderd en negen en twintig ervintelijk. Dewelke verklaarde overeenkomstig het bepaalde in ons vorenstaand geregistreerde proces verbaal van inzate van den twaalfden Augustus jongstleden door het ministerie van ons notaris, en na dat daarvan de nodige bekendmakingen waren gedaan, te willen overgaan tot de finale verkoop der ingemelde goederen en zulks op alle zoo danige voorwaarden als daarbij zijn gearresteerd, met verandering echter van artikel vijftien der conditien inzoo verre dat verkopers tot den derden September eerstkomende beraad houden om te delibereren of de verkoop door zal gaan dan niet, en de hoogste bieders zich als dan ten twaalf ure ten kantore van vorenstaande zullen moeten acteren om hunne decissie aan te horen. Zijnde er verder nog bepaald dat ingeval van perceelsgewijze verkoop de kopers gezamentlijk de brug voor de allee moeten onderhouden en dat indien de goederen gezamentlijk worden verkogt de koper het regt zal hebben van de Jagt en visserij, welke verkopers zich hebben gereserveerd, over te nemen tegen betaling van een half procent der koop som mits zich dadelijk declarerende, welke conditien wij mitsdien weder aan de precent zijnde personen hebben voorgelezen, waarna ter voldoening aan het requisitora der comparant de veiling wederom heeft plaats gehad en geboden werd als volgt:

Op de percelen is niet gehoogd behalve:

Het tiende perceel is gehoogd door Bloemendaal Wubbenhorst ƒ 10,--, door Michiel Salomon van Essen, koopman te Dalfsen, ƒ 10,--, door Wubbenhorst ƒ 5,--, door Hartog Meijer Vos ƒ 5,--, door Van Essen ƒ 15,--, door Vos ƒ 5,--, door Wubbenhorst ƒ 5,--, biedende ƒ 255,-­.

Het zestiende perceel is gehoogd door Hartog Meijer Vos ƒ 75,-- en door Jan Polman, schipper te Zwolle ƒ 125,--, biedende ƒ 395,-­.

Het zeventiende perceel is gehoogd door Jan Polman ƒ 5,--, door Willem van Duren ƒ 15,--, door Berend Boertjes ƒ 10,--, biedende ƒ 225,-­.

Het een en twintigste perceel is gehoogd door Jan Polman met ƒ 5,--, biedende ƒ 65,-­.
Het twee en twintigste perceel is gehoogd door Wilhelmus Snel ƒ 50,--, door Jan Polman ƒ 125,--, door Harm Borger ƒ 5,--, biedende ƒ 430,--.


Niet meer op de afzonderlijke perceelen gehoogd zijnde, heeft de heer comparant volgens het regt de navolgende perceelen tesamen gevoegd en geveild als volgt.

Perceel een, twee, drie en vier staande op ƒ 500,-­ is niet gehoogd.

Perceel zestien staande bij Jan Polman op ƒ 395,-­ is gehoogd door Harm Borger, biedende ƒ 400,--.

Voorts alle percelen tesamen staande op zevenduizend achthonderd en vijf en dertig guldens, waarop niet is gehoogd.

Geene verdere verhogingen geschied zijnde, heeft de heer comparant in zijne voormelde qualiteit verklaard ingevolge het bepaalde in het hoofd dezer, dat de hoogste bieders zich moeten acteren op den derden September eerstkomende des morgens om twaalf uur teneinde zijne decisie aan te horen of de verkoop door zal gaan dan niet, waarvan acte.

Op heden den derden September achttienhonderd drie en dertig des voormiddags om twaalf uur compareerde de Hoogwelgeboren Heer Willem Jan Baron van Dedem, lid van de Ridderschap en Staten van Overijssel ook in qualiteit als gevolmachtigde van zijn vrouw Judith van Marle, dewelke verklaarde tengevolge het bepaalde bij vorenstaande toe te kennen aan de hoogste bieders der bij dat procesverbaal geveilde goederen, dat hij die goederen voor de geboden sommen toewijst en transporteert. Welke hoogste bieders allen hierbij tegenwoordig met uitzondering van Jan Polman, hierbij verklaard hebben zulks te accepteren met verklaring het regt van Jagt en visserij ingevolge de conditiën, hierbij over te nemen en heeft voorts de comparant Derk Jan Neurink verklaard de voorschreven perceelen, waarvan hij de hoogste bieder is gebleven voor zich zelve te hebben gekocht, reserverende de overige zich allen hunne kopers te zullen noemen en speciaal de hoogste bieders van het achttiende perceel ingevolge conditiën de bomen, voorkomende onder het een en twintigste perceel van voornoemde Jan Polman over te nemen, vanal het welke wij deze acte hebben opgemaakt op tijd en plaatse voorschreven.

* * *

DE KLEUTERS VAN 1956 _________________________________________________________

Onderstaande foto, die we ook in het maart-nummer van 1989 plaatsten, is van de kinderen van de eerste kleuterschool in Nieuwleusen. Omdat we destijds niet alle namen wisten maar die inmiddels achterhaald hebben, drukken we de foto nogmaals af.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  

Mej. Geke Huzen
Gerrie de Weerd
Alie Borger
Henk Westerman
Margje Westerman
Willemien Huzen
Siem Brasjen
Gerrie Scholten
Sjoukje Wiersma
Jantje Bijker
Hannie Wink
Willie Wink
Dirk Kleen
Ate Vos
Hendrik Jan Borger

16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  

Arie v.d. Berg
Gerrit Kragt
Roel Wink
Jennie de Weerd
Gerrit Klein
Henk Brassien
Albert van 't Oever
Niek Tuten
Henk Kappert
... Weelink
logé Marijke Beekman
Marijke Beekman
Alie Witten
Hennie Borger
... Paasman?

* * *

PROATIES VAN JAN BERENDS _________________________________________________________

Mien groffa kun vrogger altied mit zoveule plezier vertellen, hoe Roelef Harrems noar Zwolle west was um doar 't peerdespul van Carré te kieken.
Roelef gaf niet geern een dubbeltien uut, mar as hi'j ies vurt gunk, dan was hi'j zuneg ewest. En det was nog wel gebeurd midden in de heuiïng, al wast dan zundag. Umdat hi'j te vrog was, gunk hi'j noar de Diezerstroate en doar duurdet niet heel lange of hi'j had een glassien mit olde kloare veur hum.
Hè jong, doar bekwamp hi'j hielendal van. 't Speet hum, det nog gien hallef zeum was en nog meer, det hi'j gien metwörst meteneumen had, zo as aans 't gebruuk was, a'j een lange reize deen. Hi'j had nog iene plakke stoete in de binnentasse, veur de giwhonger, mar die was now al zo hard as een spieker.
As hi'j mar bi'j een bakker terechte kund had um een hanepote te kopen of zo, dan wast nog egoane. Mar 't was zundag en dan wollen de lu der gien gedoe mit hebben.
Zo scharrelde hi'j wat henenweerden. En te late kwampt hum in de zin det hi'j in "de Pauw", de stalholderi'je van Tenthof vaste wat achter de knopen kon kriegen, want doar was hi'j kunneg.
Roelef was helendal onbereisd: Zwolle was zien wiedste reize west en zodoende ontgunk hum det hi'j naast wat drinken ook wel wat eten kriegen kon, tot een paar hereboeren een stoetien mit vleis bestelden.
"Mi'j vant zelde", zee hi'j tegen de kelner en zo duurdet niet lange of hi'j had alles veur hum staan: pèper, zolt, èèk, mosterd, alles waster bi'j. Roelef pruufde van alles wat en friste mooi op. Toen as hi'j betaald had, gunk hi'j naar 't Asiesplein, waar as Carré zien tenten had. Roelef keek naw niet op een dubbeltien en umdaj 't op de eerste range veule bèter zien konnen, namp hi'j de mooiste plase die te kriegen was.
Now 't was merakel mooi; veral twi'j dames waren oarig smeu ewest, mar Roelef dachte det zuks wel oavergoan zal as ze mar ies achter de zende an 't rogge bienen mossen, net as de boerenvrouwluu. Ofwisseling was ter genog en Roelef had 't mieste mutten lachen toe een piejas een glas bier opdrunk det niet veur hum was. Naw ze wussen raad: August de Domme wörde hen boam ebeurd en toe tapten ze 't glas uut zien broek weer vol. Det was zo mooi ewest, dat Roelef mit haannen en voeten schupte en sleug. 't Aldermooiste was de hengstenverteuning. As Carré zien zwepe mar èèm op hölt steigerden ze, stunnen stille of renden de aandere kaante op.
't Noastuk völt hum niks toe. D'r was een verteuneng met leeuwen en umdet Roelef veuran zat en oarig bange was veur zien eierkörref, gunk hi'j mit verscheiden aandern de deure uut naar de tram en was al gauw op weg naar huus, best voldoane oaver zien eerste grote reize met hindernissen.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES XIV _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

Je kunt beter Boer'n mèt geld as umme geld!
Men kan makkelijker ondernemer zijn mèt geld dan óm het geld.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 11 februari 1913:
In de plaats van den heer Bange is tot subontvanger der directe belastingen van deze gemeente aangesteld de brievengaarder A. Huzen in Den Hulst.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 8 augustus 1929:
Dinsdag behaalde het muziekkorps "Crescendo", directeur de heer H.A. Meijer, op het muziekconcours te Hardenberg, in den marschwedstrijd een eersten prijs met 35 punten en in den concertwedstrijd een tweeden prijs met 40 punten. Des avonds maakte "Crescendo" een muzikale rondgang door het dorp, welke veel belangstelling had. Velen verheugden zich in het succes van het corps en feliciteerden het.

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO XV _________________________________________________________

Een wat jongere schoolfoto dit maal en wel uit omstreeks 1966. De leerlingen van de Openbare School A poseerden samen met meester Katerberg vermoedelijk in Hellendoorn voor de fotograaf.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  

Henny Huzen
Hilly Schuurman
Greta Kuipers
Marjo Schoemaker
Marietje Vossebelt
Roelie van Dijk
Meester Katerberg
Dicky Kappert
Joke Blik
Jopie de Weerd
Janny Knol
Marja Schuurman
Bea Stolte

14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  

Janny Steenbergen
Hendrik Jan Huzen
Henk Huzen
Henny van Berkum
Tineke van 't Zand
Fenny Kragt
Janny Bovenhoff
Geertje Kappert
Ali Blik
Hilly Vossebelt
Annie van Zomeren
Hendrik Jan Boer
Roelof Witten

27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
 
 

Berend Jan Mannes
Marty Kragt
Johan Kuiper
Jan Bovenhoff
Jan Brouwer
Aalt Kreule
Klaas Mijnheer
Henk Wink
Dju Bosch
Ari Blankens
Henk Meulenbelt


* * *

WOLTER NIJBOER, STEUNPUNT VAN HET OPENBARE LEVEN _________________________________________________________

De naam van Wolter Nijboer is vele malen opgetekend in de analen van Nieuwleusens geschiedenis. Ook de krant wist hem te vinden. De Dedemsvaartsche Courant bezocht Nijboer in december 1953 ter gelegenheid van zijn tachtigste verjaardag en gaf daarvan onderstaand verslag.

Omdat het nu eenmaal gebruikelijk is dat de krant bij tijd en wijle bijzondere aandacht schenkt aan op de voorgrond tredende streekfiguren, hebben wij de krasse oude baas deze week eens opgezocht. Wolter Nijboer zou er zeker niet om hebben gevraagd en er was dan ook enige overredingskracht nodig om hem aan de praat te krijgen. We hadden trouwens al gehoord, dat Nijboer niet van ophef houdt, maar al mag dat zo zijn, niemand zal het ons kwalijk nemen dat we deze bijna tachtigjarige Nieuwleusenaar eens in het zonnetje zetten. Wij zijn ervan overtuigd dat als Walter Nijboer de acht kruisjes vol heeft, ook anderen dit zullen doen.

Het begon in Rouveen.
Walter Nijboer is van geboorte een Staphorster en toen hij op 15 december 1873 te Rouveen het levenslicht aanschouwde, werd hij dan ook geheel omgeven door de sfeer van het land dat zo stevig aan zijn gebruiken en tradities vasthoudt. Toen de kleine Wolter, wiens ouders in Rouveen het boerenbedrijf uitoefenden, dan ook naar school ging, waar meester Westelaar hem de eerst nodige kennis bijbracht, droeg hij nog de klederdracht van zijn geboortestreek. Ook nu nog kenmerkt de stoerheid van de Rouvener zijn gehele persoonlijkheid. Toen Wolter twaalf jaar was, lag de schooltijd achter hem en ging hij bij vader in het bedrijf. Lang zou zijn verblijf in Rouveen niet meer duren want zijn ouders gingen een boerderijtje huren bij het station Dedemsvaart, zodat hij al jong Nieuwleusenaar werd. Een jaar of vijf later kocht vader Nijboer een boerderij in Den Hulst, waar Wolter op 23-jarige leeftijd zijn levensgezellin Annigje van Hulst vond, met wie hij op 6 mei 1897 in de echt werd verbonden. Het jonge paar kwam te wonen in een boerderij in de kom van Nieuwleusen. Wolter Nijboer kwam al gauw tot de conclusie dat er aan de omstandigheden waaronder het bedrijf in Nieuwleusen moest worden gedreven nog wel het een en ander mankeerde. Vooral het hooiland naar de kant van de Lichtmis op was verre van ideaal te bewerken. In de winter lieten de boeren dit land onder water lopen bij wijze van bemesting en ook 's zomers stond het wel eens onder water en dan was het moeilijk om het hooi er goed af te krijgen. Met paard en wagen kon men dan weinig beginnen en geen wonder dat de jonge Nijboer, die een jaar of vijf later zijn tegenwoordige boerderij in Den Hulst betrok, al dadelijk een voorstander werd van de verbeteringsplannen welke nu alweer enkele tientallen jaren geleden ter sprake kwamen.

Wat er in een mensenleeftijd veranderde.
De ruilverkaveling werd een levend begrip in Nieuwleusen en toen blok I in zijn verbeterde toestand werd opgeleverd, had Wolter Nijboer er heel wat mee te doen gehad. Hij was voorzitter van de plaatselijke commissie geworden en, ofschoon de tegenstand niet zo groot was, moest er toch heel wat bedisseld worden om tot de uiteindelijke overeenstemming te geraken. Daarna volgde blok II, waar men nu nog dagelijks bezig is met het uitvoeren van de verkavelingswerken. Ook in deze verkavelingsgeschiedenis speelde Nijboer een belangrijke rol, want hij bleef voorzitter en tot dusverre is hij voortdurend in 't veld geweest om ervoor te zorgen dat ieder het zijne kreeg.
Nu is het dan bijna zover en Wolter Nijboer, die er oud bij is geworden, zal zonder twijfel nog wel eens een vergelijking trekken tussen de toestand van vroeger en die van nu. Enorm zijn de veranderingen geweest welke zich in zijn levensgebied voltrokken en niet minder groot is het verschil in kostprijs dat in al die jaren is ontstaan. Toen hij trouwde kostte de duurste koe ƒ 95,--, voor een liter melk werd 2 à 2½ cent betaald en een ei kostte anderhalve cent. Daar moet je nu ook in Nieuwleusen niet meer om komen....

Man van het verenigingsleven.
De ruilverkaveling was echter niet het enige waarvoor Nijboer zich interesseerde. Al langer dan veertig jaar behartigt hij de belangen van de Coöp. boerenleenbank, waarvoor hij indertijd reeds koninklijk onderscheiden is en nu nog is hij directeur van deze instelling. Hij richtte indertijd de coöperatieve landbouwvereniging "Nieuwleusen en omstreken" mee op, in welk bestuur hij ook een twintig jaar heeft gezeten. Verder was hij lange jaren bestuurslid van de coöp. dorsvereniging, voorzitter van het bestuur der zuivelfabriek, voorzitter van de onderlinge brandwaarborgvereniging, enz. Ook de gemeentelijke belangen heeft hij vele jaren gediend. Zeven en twintig jaar was hij raadslid, waarvan ongeveer twintig jaar wethouder, kortom het is een opsomming welke voor zichzelf spreekt.
Wolter Nijboer is echter allerminst een baantjesgast geworden, want als iemand zichzelf is gebleven, dan is hij het wel. Bij het rustige gesprek dat we met hem mochten voeren in de betegelde keuken van het huis aan de Dedemsvaart zijn natuurlijk ook zijn familieomstandigheden ter sprake gekomen en helaas hangen hierover zware schaduwen. Elf jaar geleden ging Annigje heen, de bij hem inwonende zoon is ook al weduwnaar en een week of vijf geleden, terwijl Wolter in een commissievergadering was, verongelukte vóór zijn huis zijn enige overgebleven broer. Gelukkig zijn er ook lichtpunten. Drie van de zestien kleinkinderen zijn behoorlijk aan de slag gekomen in Canada en een hunner schijnt een uitstapje naar Nederland te willen maken. Het kon dus voor de tachtigjarige nog wel eens een blijde Kerstmis worden.

* * *

WIE WEET..... _________________________________________________________

Onderstaand treft u een foto aan welke is gemaakt van een glasplaat. De persoon die er op staat is ons helaas niet bekend. Wellicht kunt u ons aan de naam van deze Charlie Chaplin helpen. De foto is gemaakt tijdens een optocht voor de smederij op de hoek van Backxlaan en Westeinde.

Jo Meijer als Charlie Chaplin ca. 1938


Jaargang 9 nummer 3 september 1991

Omslagfoto: Melkrijder Willem Schuurman

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

DE KIDDE _________________________________________________________

G. van der Meulen

Voor veel lezers zal het bovenstaande wel iets wezen waar men geen raad mee weet en dat is in de jaren negentig ook beslist niet te verwonderen. Men moet zeker veertig tot vijftig jaar terug gaan om bij de boeren deze benaming veelvuldig te horen noemen. Kidde betekent klein paard, doorgaans hadden ze een schofthoogte van 1.20 - 1.30 meter, verschillende waren nog wel wat kleiner.
Het werd in de tweede wereldoorlog steeds minder met de import van dit raspaardje, dat voor 1940 bij honderdtallen gekocht werd in Rusland, Polen en de andere oost-landen. De oorzaak was voornamelijk dat de boeren meer en meer gemechaniseerd gingen werken en het paard een luxe werd. Vroeger, en nu nog, werden in ons land verschillende rassen gefokt, zoals het Gelderse en Groninger type en niet te vergeten het zwarte Friese paard. Er werd steeds minder met paarden gewerkt en het werk werd hoe langer hoe meer overgenomen door tractoren.
Maar we zullen het hebben over de kidde. Zij werden het meest gekocht door de kleinere boeren. Met een zwaargebouwde kidde kon men ploegen en hooien en de veldgewassen binnen halen. Al deze arbeid kon door één kidde gedaan worden. Maar bijvoorbeeld diepploegen zoals aardappelland, daar moest je twee kidden voor hebben. Dat werd meestal onderling geregeld met de buurman, die er ook maar één had. Twee voor de ploeg, dat konden de kidden makkelijk aan, want het waren taaie paardjes.
De eigenschappen van de kidden waren nogal uiteenlopend. Als je in Zwolle op de paardenmarkt een kidde gekocht had, dan wist je beslist niet of het mak was, of het trekken wilde, enz. Er waren er ook die trachten te bijten als ze niet konden doen wat ze zelf in hun hoofd hadden. De verkoper op de markt wist er meestal ook niets van omdat de meeste ingevoerde kidden nog nooit een zeel of hoofdstel hadden aangehad. Velen kwamen rechtstreeks van de steppen van Rusland en Polen. Men zei vroeger dan ook "Kun je met een paard rijden, dan nog lang niet altijd met een kidde".
De beste kidden liepen voor de melkwagen, waar dan ook veelvuldig gebruik van werd gemaakt. Dat was vaak het ongewenste leven van een kidde. Bij het egale werk waren ze de beste en goedkoopste werkers. Maar er waren vaak verkeerden onder. Jan van Riemsdijk heeft in een van zijn gedichten onder meer gezegd: "Kijk uit, want 't is net als in de paardenhandel, heb je wat goeds dan is 't bof". Het was een waarschuwing voor jonge mensen om goed uit de ogen te kijken voordat men tot trouwen overging. Men kon dit inderdaad toepassen op de vele kidden die rechtstreeks van de toendra's kwamen, ver weg uit de oostelijke landen.
De kidden die al wat gewend waren aan de mensen, kon men tot stilstand brengen door te zeggen "rrrrrr", dit betekende "hou", stilstaan. Zei men "tjèe, tjèe", dan moest het beest zich in beweging zetten. Meestal duurde het niet lang, want "hou" en "vort" konden ze snel begrijpen.
Wij willen u nog eens een paardenmarkt van vroeger, zo begin jaren dertig, laten meemaken. Bij ons thuis hadden wij altijd een kidde en dat was in de crisisjaren toch wel een soort weelde. Rond de jaren 1900 hadden alle boeren beslist geen paard of kidde. Mijn vader heeft vaak verteld dat er aan de weg waaraan hij woonde maar twee paarden aanwezig waren. Maar in de jaren dertig waren het er veel en veel meer. Bij mij thuis hadden ze al een paar kidden gehad die niet bevielen. Vaak werden de kidden uitgeprobeerd en mankeerde er wat aan, dan gingen ze terug naar de handelaren, want men moest voor honderd procent kunnen vertrouwen op een kidde of paard.

H. Brinkman met paard en wagen, waarin zijn vrouw Annigje Heetebrij.

Onze buurman was paardenkoopman, hij had een goede kijk op kidden en zijn naam was een waarborg voor uitermate goede paardenkennis. Mijn vader vroeg hem om eens met mij naar de paardenmarkt te gaan om te proberen een betrouwbare kidde te kopen. Op een donderdagmorgen, want op donderdag was altijd de Zwolse paardenmarkt, gingen wij vol goede moed op de fiets op reis. Op de markt aangekomen stonden daar rijen kidden van allerlei kleur, modellen en maten.
Na enig gescharrel langs de rijen was ons oog gevallen op een nog jonge vosbles, mooi getekend, breed in borst en kruis, maar erg mager. Daar was echter wat aan te doen. Wij waren al een paar maal door de koopman aangeklampt, die ons verschillende exemplaren aanprees. De vosbles moest het toch worden en nadat de koopman het dier had laten stappen en draven kon de handel beginnen. De einduitslag was dat wijƒ 135,-- betaalden en het vosje ging mee naar huis.
Het lopen met de vos was voor mij, de buurman kwam achteraan met de beide fietsen. Het was een reis van bijna drie uur lopen, maar dat had ik er graag voor over. Je verdiende er de paar gulden mee die anders aan een vrachtrijder betaald moesten worden. Op deze wijze leerde je de nieuwkoop ook al wat kennen, bijvoorbeeld of het schrikkerig was, wat voor karakter het had, of het graag aangehaald en toegesproken wilde worden, enz. Of het werken wilde moest je thuis ondervinden voor de wagen of boomkar.
Toen we 's avonds aankwamen, waren de buren al aanwezig om hun goed- of afkeuring te uiten, en er kwamen verscheidene maartjes.... Het spreekwoord zegt "Als de bruid aan de man is, dan wil eenieder haar wel hebben".
Ook achteraf bezien was er niets bij dat we konden zeggen dat of dat kon beter. Het was een groot succes voor de buurman, want de kidde was mak in tuig en het werken kon niet beter. We hebben er een zestal jaren met plezier mee gewerkt. Door omstandigheden is het dier in 1941 verkocht aan een melkrijder. Deze gebruikte hem in span en wij beurden er ƒ 535,-- voor. Of de melkrijder er later nog wat aan verdiend heeft, weet ik niet, vermoedelijk wel, daar in die jaren alles duurder werd.
Maar waarom een verhaal schrijven over kidden. Ik kan er maar één antwoord op geven, bij het nadenken over vroeger komen al deze dingen weer helder voor de geest. Vanzelfsprekend is er ook de liefhebberij voor het paard.
Om eens te schrijven over dat kleine paardje, de kidde, dat leefde al jaren bij mij. Het is begonnen in mijn jeugd, toen grootvader vertelde over de kozakken. Kleine figuren op kleine paardjes, die de steppen in Rusland over denderden om, waar mensen met elkaar in oorlog waren, de zwaksten te helpen. Ik zie ze zo voor mij, zoals opa het allemaal vertelde. Het moet in het begin van de vorige eeuw geweest zijn.

(eerder gepubliceerd in april 1991 in "De Broeklanden" orgaan van de Oudheidkundige Vereniging in Oldebroek.)

* * *

DE BESTEKKEN VOOR DE BOUW VAN HET FORT BIJ DE LICHTMIS II _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

(deel 1 werd in maart 1991 gepubliceerd.)

Het tweede bestek (RvS inv.nr 2322, p. 40/19 e.v.)

Conditie ende Besteek waer naer de Ed. Heeren Gecommitteerde uijt de Ed: Mo: Heer-en Raeden van State der Vereenichde Nederlanden op der selver approbatie besteden willen het maecken van twee rijen Baracken ijder rije van twaelff hutten, inde Schans bij Staphorst Roveen, aen t'rootpannenhuijs buijten de Stadt Hasselt, in manieren als volgt.

Muijren ende Balcken
Eerstelijcken sal den Aennemer ter lengte ende breete van dese Baracken de fondamenten twee voeten diep onder t'pleijn leggen, ende daer onder brengen santplaeten, van eijcke schaelen, dick twee, en breet sestien duijm, de sijtmuijren, ende gevels aen te leggen ter dickte van twee ende een halven IJselsteen, de scheijtmuijren twee steen, snijden d'selve ten weder sijden met cleijne clesooren in, datse gelijcx t'pleijn blijven twee ende anderhalve steen ende sal dan de sijdtmuijren opmetselen met de gevels ter dickte van anderhalve steen, ende de scheijtmuijren van een steen, ter hoochte van acht voet, ses duijm, boven den bovencant vanden onder dorpel van t'deurcasijn, Maeckende dat ijder hutte binnen wercx breet is twaelff, en lanck veertien voeten. Dan sal hij op de Muijren in ijder hutte leggen vijff greijne balcken, swaer ses en acht duijm, lanck datse aen weder eijnde, op een clesoor nae door de Muijren connen, dese balcken te oversolderen met goede drooge greijne deelen, de balcken en deelen gladt te schaeven, ende dicht aenden anderen te strijcken, ende met veeren inleggen ijder planck op ijder balck wel vast te naegelen, met goede solder naegels.

Steene Borstweer
Dan sal hij sijn sijdtmuijren noch vier voet hooger optrecken dienende voor een bors tweer, dick anderhalven steen, ende de scheijdtmuijren een steen, tot onder de spannagie vant dack, de gevels dick anderhalven steen, met haere behoorlijcke vlechtinge naer t'lopen van t'dack geslooten, en gedect met hertsteene dechstucken naden eijs van t'werck.

Deurcasijnen
Den aennemer sal in ijder hutte neffens malcanderen stellen twee deurcasijnen, hooch ses, wijt twee, ende een halven voet binnenwercx van eijckenhout, de stijlen, en dorpels swaer vijff en seven duijm, boven met haer oversteecken, en latteijen versien ter dickte vande Muijren, en maecken in ijder Casijn een deur van goede geschaefde greyne deelen, d'eene deur dienende tot de onderste Baracke, int midden doorgesaegt, versien met clampen wel gespijckert, ende versorght met hengen, duijmen, neusen, clincken, en crammen, ende tot elcke deur een goet slodt met haer sleutels, en grendels, ende ander ijserwerck datter niet aen mancqueert.

Venstercasijnen
In ijder hutte sal hij maecken een tweelicht, wijt twintich duijm, hooch drie en een halven voet binnenwercx, de stijlen en dorpels swaer als vooren, de bovendorpels met haer oversteecken en latteijen ter dickte vande Muijren, d’selve gladt te schaeven, ende werckelijck inden anderen te wercken naer behooren, en maecken daerin glaesen van goet frans glas, welgeloot, ende met wintijsers versorght, boven op de borstweer in ijder hutte een diergelijcke tweelicht te stellen, t'eene gadt te stoppen met een venster, ende t'ander met een glas, t'venster van greijnenhout op eijcke clampen gespijckert, wel gladt te schaeven, en versien met hengsels, aen ijder venster twee grendels, met haer oogen, soo dat behoort, en sal de deuren en vensters doen verwen met een grauwe olij verwe alsmede de casijnen.

Muijrplaeten ende Capgebinten
Op de borstweeren sal hij leggen sijn Muijrplaeten swaer vier en ses duijm, ende in ijder hutte een Capgebint, soo hooch dat de Cappe drie voet onderspannen is, de stijlen, balcken, ende carbeels, swaer ses en seven duijm. de flieringen vier en ses, de gordingen vier en vijff, de nocken vier duijm viercant, versorght met haer wintbanden, spruijten, ende Jachtschooren, naden eijsch, ende hangen in ijder hutte, in ijsere haelen off beugels, vijff balcken swaer gelijcke de onderste sijn, ende d'selve mede te oversolderen, gladt te schaeven, ende spijckeren als vooren vande andere solder is verhaelt, ende maecken daer in een luijck, alsmede inde onderste solder, dese Cappe aff te spannen met wel getapte revelaers wijt vanden anderen tien duijm, ende die te belatten met greijne latten, wijt vanden anderen tien duijm op t'midden, ende te behangen met goede uijtgecloncken pannen, van binnen gestreecken, ende van buij ten gesoomt, alsmede tegens de gevels en gevorste, de revelaers ende latten wel te naegelen.

Schoorsteenen
In ijder Baracke te maecken net sijn schoorsteenmantel een schoorsteen, breet en wijt naer behooren, de schoorsteen dick een halven steen, hooch twee voet boven den nock vant dack, met een hertsteene lijst gedeckt.

Trappen ende Bedsteden
In ijder hutte te maecken een versteecken trap, ende boven een leer om op de fliersolder te comen, de trappen van achteren, ende ter sijden dicht beschooten, met heele geschaefde deelen, inde onderste hutte een bedtsteede, ende boven twee bedtsteeden, tot aen de salder toe beschooten, ende tegens de Muijren twee deelen hooch, gladt te schaeven, te spijckeren tegens de Muijren, ende regels, onder ingelegt goede onderlaegen, wel vast te naegelen, ende daer op noch een regel geslaegen, om t'uijtbreecken te beletten ende voor elcke bedsteede een suffisanten sitbanck.

Officiers Hutten
Inde wijtterste Officiers hutten te maecken onder de Bedtsteden een kelderken, de Muijren gemetselt een steen dick in tras, dan een Secreet lanck, wijt ende diep ses voeten, rontom bemetselt met een huijsken, ende sitsel daerboven op, met sijn deur ende casijn, naden eijsch, versien met ijserwerck, ende noch in ijder hutte leveren drie eetens caskens(?) met haer middelschot ende middelbordt, met tweed dinkens(?), aen elck een slodt, sleutel met haer hengsels, ringen en wervels versien, alles gladt geschaeft, en wel gespijckert.

Pleysteren ende bestraeten
Alle de hutten soo onder als boven sal hij van binnen gladt pleysteren, en met witquasten afslechten, en van buijten heel schoon wercken, ende alle de voegen met een dagge strijcken, ende d‘selve bevloeren met clinckert op sijn cant, in sant vastgeset de vloeren, en straeten sullen sijn, een voet hoocher als het pleijn, ende de Officiers hutten met plavuijsen in calck, Langs de hutten ter breete van acht voeten bestraeten mede met clinckert op sijn cant in sant, op t‘eynde met stootborden van eijckenhout, ses duijm breet beset, ende met eijcke Paeltjens versorght, den clinckert sal wesen goeden oprechten harden clinckert, sonder eenige weecke steenen daer in te verwercken, ende wercken alles naer loot, rije, draet ende waterpas.

Wangen Cruijsraemen ende neusplancken
Inde Officiers hutten sal hij beneeden maecken een Cruijscasijn met sijn vensters, glaesen ende glasraemen, versien met hengels, grendels ende wintijsers, datter niet aen mancqueert, ende langs heen onder de pannen van alle de Baracken breede neusplancken leggen, en aen weder sijden van alle de staende lichten een eijcken ribbe leggen, swaer vier duijm viercant, waer op hij sijn wangen metselen sal, dicht onder de Spannagie vant dack geslooten, dick een halven steen.


Zo schreef men in 1668 de paragrafen "Officiers Hutten" en "Pleysteren ende bestraeten".

Anckers
Ider hutte te anckeren met twee schietanckers boven aende Muijrplaeten, ende onder aenden balck, daer t'Capgebint op staet, wel vast te naegelen, ende dan noch met vier anckers aende balcken, wegende ten minsten ijder vijftien pont, ende aen elcke gevel vijff anckers wegende ijder tien pont, ende aen ijder schoorsteen twee suffisante houvasten wel vast gemaeckt, sterck en suffisant.

Materialen
Alle materialen geene uijtgesondert tot het voltrecken van t'werck noodich, sal den aennemer sich selven beschicken, ende daer toe leveren, alles leverbaer, ende Coopmans goet.

Steen en kalck
Den steen sal wesen goeden wel gebacken moppen IJsselsteen, ende goeden calck, ende die niet magerder mogen verwercken als tegens twee duijsent steen een hoet calck.

Hout
T'Hout sal wesen goet, gaeff eijcken hout, sonder met quade quasten, rooden off witten olm besmet te sijn, niet vuijrich, noch waencantich maer viercant gesaecht.

Meetinge
De metinge van dit geheele werck sal geschieden met de ordinaris veltmate.

De betaelinge sal geschieden met contant gelt, op het Comptoir vanden Ontfanger Generael Volbergen, in vier termijnen, den eersten als de materialen bij het werck leggen, ende den aennemer int werck sal sijn getreden, blijckende bij attestatie van die geene die haer Ed: Mo: daer toe sullen gelieven te authoriseeren, den tweeden als t'werck halff sal sijn gemaeckt, den derden als t'werck voor volmaeckt opgenomen ende gepresen sal sijn, blijckende bij attestatie vande Heeren Gecommitteerde uijt den Raedt van State, den lesten termijn drie maenden naerde opneminge, als het werck conform den bestecke, sonder defecten noch sal werden bevonden.

Aldus gedaen ende naer Trommelslach publijck besteet, ende sijn dese Baracken volgents t'besteck te maecken aengenomen bij Andries Gerritsen Mol inden hoop voorde somme van achtduijsent guldens, ende heeft tot borge gestelt, Lucas Berents ende Jan Willemsen Timmerluijden tot Vollenhoven, Actum Zwolle den 21en April 1668.

W. v Haersolte            Volkier Sloet

Het derde bestek (RvS inv.nr 2322, p. 44/20 e.v.)

Conditie ende Besteek waer naer de Ed. Heeren Gecommitteerde uijt de Ed: Mo: Heeren Raeden van State der Vereenichde Nederlanden op der selver approbatie besteeden willen het maecken van een polver magasijn in een vande Bolwercken in het nieuwe fort bij Roveen buijten de Stadt Hasselt, in manieren als volgcht.

T'Fondament
Eerstelijcken sal den aennemer gehouden sijn de fondamenten op te graeven twee voeten diep onder het pleijn van t'fort, soo breet, dat hij daer bequaemelijck in can wercken, ende sijn muijren aenleggen op den gront, sal hij van drie voet tot drie voet op t'midden te meeten leggen eijcke ribben, swaer vijff en seven duijm, lanck ses voet, gelijcx ingelaeten, ende dese ribben rontom t' fondament te becleeden met eijcke plancken van vijff uijt de voet, dicht aen een gestreecken, en ijder planck, op ijder ribbe met drie vijff duijm naegels vast te naegelen, ter breete van drie voeten, op de hoecken over den anderen gelast ende wel genaegelt.

Muijren
Op desen grontslach sal hij sijn sijdtmuijren en gevels aenleggen ter dickte van ses yselsteenen, en snijden d'selve met clesooren in, dat die gelijcx de vloeren can behouden de dickte van vier steenen, welcke vloer sal comen een voet hooger, als het voornoemde pleijn en sal wijt sijn twaelff, en lanck achtien voeten binnen wercx.

Hoochte van de Muijren
Op t' selve fondament sal hij de Muijren rontomme opmetselen acht voeten hooch vier steen dick ende daer over slaen een wulfsel van anderhalven steen op een ronden teuch van vier voet hooch, boven het rechtstaende werck vande sijdtmuijren, aen beijde de sijden tusschen de borstweeren aengemetselt ter hoochte van den ondercant vant wulfsel.

Borstweeren
Boven de sijdtmuijren sal hij maecken een borstweer van drie voet hooch, anderhalff steen dick.

Balcken ende Anckers
Over het gewulfsel sal hij leggen twee eijcke balcken swaer tien en twaelff duijm, en noch twee strijckbalcken swaer acht en tien duijm, onder het gewulfsel, recht onder dese balcken, sal hij leggen vier doorgaende ijsere anckers van vijff quartier duijm dick, int midden met veeren in malcanderen gewerckt, en buijten met schieters door de oogen, soa lanck datse boven tegens de Muijrplaete connen vastgemaeckt werden, ende onder anderhalff voet door de oogen comen.

Muijrplaete
Op de Borstweer sal hij leggen doorgaende Muijrplaeten van eijcken hout, swaer vijff en seven duijm aen malcanderen gelast.

Capgebinten
Op de twee middelste balcken sal hij stellen twee Capgebinten, hooch ses voet, boven het gewulfsel, de stijlen, bovenbalcken, en carbeels swaer ses en acht duijm, daer op haensbalcken, de stijlen en balcken swaer vier en ses duijm werckelijck in malcanderen te wercken, met houte naegels na den eijsch geslooten.

Gordingen
Op de Ooren vande Capgebinten sal hij leggen gordingen swaer vijff en seven duijm, ende de nocke vier duijm viercant.

Dack
Het dack aen beijde sijden sal hij affspannen met goede wel getopte revelaers, de basten afgeschelt, en gestelt een voet wijt op t'midden van malcanderen, op de Muijrplaeten gordingen, en nocke wel genaegelt, en dan te belatten met greijne latten tien duijm vanden anderen op t'midden, op ijder revelaer vast genaegelt, ende te behangen met goede uijtgecloncken pannen en vorsten van binnen en buijten, als mede tegens de gevels en vorsten dicht gestreccken en weer strijcken.

Gevels
De gevels aen beijde eijnden sal hij opmetselen een steen dick met sijn behoorlijcke vlechtingen, naer t'lopen vant dack geslooten, en op elcke gevel een hertsteene dackstuck.

Deurcasijnen
Voor in de eene gevel sal hij stellen een eijcken deurcasijn, wijt drie en hooch ses voet binnen wercx, de stijlen swaer acht en sestien duijm, de onder en bovendorpels swaer acht en twintich duijm, met pennen en gaeten in malcanderen gewerckt, en met houte naegels geslooten de stijlen, en boven, met de onderdorpels drie duijm gespont daer in te maecken twee deuren van eijcke plancken van vijff uijt de voet, dubbelt op malcanderen cruijswijs genaegelt, gehangen aen stercke duijm gehengen, elcke deur met een swaer grendel slodt en sleutel, en boven op een deurcasijn, de stijlen en dorpels swaer vijff en seven duijm, met een eijcken deur, slodt, sleutel, ende verder yserwerck datter toe vereijst.

Venstercasijnen
Inde twee sijdtmuijren ijder te stellen twee venster Casijnen het raemwerck swaer ses en twaelff duijm, wijt sestien duijm, hooch twee voet binnen wercx, van buijten en binnen met dubbelde vensters gemaeckt, en gewerckt als vande deur gesproocken is, in ijder casijn een ijseren spijl van vijff quartier duijm dick, ingelaten met grendels en oogen versien, naden eijsch.

Trap
Om op de solder te comen sal hij stellen eene versteecken trappe van eijckenhout, vier voet breet, de boomen swaer vier en acht duijm, de treeden van plancken van vijff uijt de voet, daer boven een luijck en raem, met hengsels, slodt ende yserwerck.

Vloer
In dit magazijn sal hij van drie voet tot drie voet op het midden leggen doorgaende eijcke ribben, swaer vijff en seven duijm, en die becleden met eijcke plancken van vijff uijt de voet, dicht aen een gestreecken, ende met houte naegels op de ribben vast genaegelt.

Beddingen
Aen beijde sijden sal hij maecken beddingen anderhalff voet boven de vloer, de stijlen, overleggers en ribben swaer vijff en seven duijm, op de onderste ribben gelijck gestelt, ende de ribben te becleeden met eijcke plancken als vooren, ijder beddingen sal breet sijn drie voeten.

Pallesaeden
Rontom dit magasijn, acht voet uijt de muijren te meeten, binnen wercx, sal hij van acht voet tot acht voet op het midden te meeten, in den gront stellen eijcke paelen, lanck sestien voet, diep in den gront ses voet, hooch daer boven tien voet, swaer twaelff duijm viercant, boven gescherpt, twee voet van boven, en twee voet boven den gront, sal hij met pennen en gaeten en houte naegels geslooten wercken regels swaer ses en acht duijm, dese regels te becleeden met eijcke scheijen off pallesaeden, lanck tien voet boven spits affgescherpt, swaer drie en vier duijm, wijt van malcanderen twee en een halven duijm onder en boven op de regels, ijder scheije met twee ses duijm naegels vast te naegelen, ende (..) van buijten tegens dese paelesaeden onder en boven tegens de regels sal hij brengen overhoeckse regels, uijt ribben van vijff duijm viercant gesaecht, ende alle voet vanden anderen met seven duijm naegels, vast te naegelen ende met ijsere gespen aende paelen vast naegelen alle de pallesaeden, paelen en regels sal hij gladt doen schaeven, recht voorde deur, sal hij maecken een deur van drie voet wijt, ses voet hooch, gehangen aen swaere gehengen, een grendel slodt, met sijn crammen en sleutel naden eijsch.

Materialen Alle materialen hier toe van nooden geen uijtgesondert, sal den aennemer sich selven beschicken ende daer toe leveren.

Hout
Het hout sal wesen goet, gaeff, viercant gesaecht eijckenhout, sonder met quade quasten, roden off witten olm besmet te sijn.

Den steen sal wesen goeden moppen yselsteen ende goeden Calck.

De metinge sal geschieden met de ordinaris veltmate.

De betaelinge sal geschieden met contant gelt op t'Comptoir vanden Ontfanger Generael Volbergen in vier termijnen, den eersten als de materialen bij het werck leggen, ende den aennemer int werck sal sijn getreeden, blijckende bij attestatie vandie geene die haer Ed: Mo: daer toe sullen gelieven te authoriseeren, den tweeden termijn, als t'werck halff sal sijn gemaeckt, den derden termijn, als t'werck voor volmaeckt opgenomen ende gepresen sal sijn, blijckende bij attestatie van de Heeren Gecommitteerde uijt den Raedt van State, den lesten drie maenden naer de opneminge, als t'werck volgents den bestecke noch sal wesen onderhouden, ende sonder defecten bevonden.

Aldus gedaen ende naer Trommelslach publijck besteet ende is desen polver toorn te maecken aengenomen bij Abraham Cock, inden hoop voorde somme van twee duijsent vijffhondert gulden, ende heeft tot Borge gestelt Jan van Rijsel ende Berent Laegeman, ende sullen aenstonts naede approbatie van Haer Ed: Mo: int werck treeden, Actum Zwolle den 21en April 1668.

W. v Haersolte            Volkier Sloet

wordt vervolgd

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES XIV _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

Als je iets lukte, waar meer geluk dan wijsheid bij kwam kijken, zei men:
”De domste boer’n verbouwt de dikste eerpels.”

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 9 oktober 1937:
EEN VERGISSING. In verband met de verandering van den tijd heeft Zondagmorgen de kerkeraad van de Geref. Kerk alhier met een groot aantal leden een lelijke vergissing begaan. Verreweg het grootste aantal leden was op den gewonen zomertijd naar de kerk gegaan en kwamen toen pas tot de minder aangename ontdekking dat de tijd verzet was en zij zodoende nog een uur zouden moeten wachten vóór de kerk zou aanvangen. Daar dit hen wel wat te lang duurde, hebben zij den predikant en den organist verzocht om toch de kerk maar te doen aanvangen. Dit verzoek werd ingewilligd, zoodat de dienst een uur te vroeg aanving; de kerk was ongeveer half gevuld.
Het andere deel der gemeenteleden, die wel gedacht hadden aan de verzetting van den tijd, kwam zoodoende een uur te laat, wat zeer te betreuren valt. Het is jammer dat dit is voorgevallen, daar het zeer zeker had kunnen voorkomen worden.

BRAND IN GEREF. KERK. Donderdagmorgen omstreeks half acht werd in de consistoriekamer van de Geref. Kerk alhier een begin van brand ontdekt door den naast de kerk wonende predikant, ds van Diemen. De vermoedelijke oorzaak is, volgens de Z.C., waarschijnlijk, dat woensdagavond tijdens de vergadering van de jongelingsvereeniging een brandende sigaret naast de turfbak is geworpen. De vloer was ter plaatse reeds geheel doorgebrand terwijl een daarbij staande bank gedeeltelijk was verkoold. Verzekering dekt de schade.

* * *

EEN OUDE FOTO VAN DE TONEELCLUB ADVENDO _________________________________________________________

De foto van dit kwartaal is er een van de toneelvereniging Advendo en dateert uit omstreeks 1925. Het is niet duidelijk naar aanleiding waarvan de foto gemaakt is. Het kan zijn dat een toneelstuk de reden was, daar bijna alle personen een sigaret in de mond hebben, dan wel in de hand houden.
Naar wij vernamen zou deze toneelclub zijn gevormd uit de leden van de zangvereniging "Euterpe". Helaas weten wij niets van de geschiedenis van de club. Wie weet er wat van en wil dit aan het papier toevertrouwen, zodat we in een volgend kwartaalblad er aandacht aan kunnen schenken.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  

Hendrik Klosse
Berend Jan Schiphorst
Harm van den Berg
Margje Massier
Heintje Westerveen
Aaltje Schiphorst
Gerrit Bruggeman

8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  

Hendrikje Brinkman
Johannes de Groot
Jennigje Masselink
Aaltje Vossebeld
Hendrik Jan Muller
Eefje Schiphorst
Klaasje de Groot

* * *

EEN VERHAAL OVER EEN EVANGELIST _________________________________________________________

J. C. Rulman

Willem de Jong werd geboren op 26 augustus 1826. Hij was leergierig van aard en spaarde, timmermansknecht geworden, zijn geringe zakgeld op om boeken over Gereformeerde dogmatiek en schriftuitleg te kopen. Sinds 1865 was hij evangelist en zwalkte en zwierf hij heel het land door om mee te arbeiden aan de wederoplegging van zijn kerk. Spreekplaats en logies lieten daarbij veel te wensen over. Dikwijls sprak hij op een zolder, in een stal of in een schuur. Evangelist De Jong was met zijn hoge hoed, die nu juist niet naar de laatste smaak was, met zijn grote witte stropdas enige malen om de hals gewonden, en met zijn jas die in brede panden uitliep, een man van de nachtschool.
Gewoonlijk bleef De Jong drie weken op reis. Hij sprak dan 's zondags drie maal en van maandag tot en met vrijdag steeds in een andere gemeente. En al die reizen moest hij te voet afleggen. Eens kreeg hij van zijn bestuur de aanwijzing om 's zondags voor te gaan in Hoogeveen en de daaropvolgende maandagavond in Nieuwleusen. Hij meldde zijn voorgenomen komst met het verzoek hem te willen berichten hoe hij het gemakkelijkst van Hoogeveen naar Nieuwleusen kon reizen. Als antwoord kreeg hij dat hij in Hoogeveen de weg moest vragen naar "De stenen Pijp", de grensscheiding tussen Drenthe en Overijssel. Daar vandaan zou iemand hem dan met een wagen komen halen. Hij vernam dat de weg meest over de heide liep en zo'n zes uur lang was. Er was geen andere gelegenheid om er te komen.
Om zeven uur op de bewuste maandagmorgen in de maand juli begon De Jong te voet zijn reis. In het dorp Zuidwolde rustte hij even uit. Vervolgens aanvaarde hij in de brandende zon de grote voetmars over het hete zand. De gehele weg ontmoette hij niemand om te vragen of hij in de juiste richting liep. Eindelijk zag hij een huisje van plaggen. En zie, daar stond hij voor "De stenen Pijp". Het was al twee uur geweest. Hij ging het huisje binnen, vroeg om een glas melk, informeerde naar de man die hem zou afhalen en vernam dat er nog niemand was geweest en dat er in geen geval een rijtuig door het mulle zand kon komen. De Jong wachtte tot drie uur, maar er kwam niemand. Toen vroeg hij hoever hij nog van Nieuwleusen was en kreeg als antwoord: nog drie uur. Maar zo lang zou hij niet meer kunnen lopen. En dus bleef hij maar geduldig wachten.
Eindelijk tegen vier uur kwam er iemand hem halen, maar te voet. De man vertelde dat het zo laat was geworden omdat hij aan de Dedemsvaart bomen had gekocht en op zijn wagen had geladen. Daar had hij de wagen dan ook laten staan. Om daar te komen, moesten ze nu nog een uur door het hete zand lopen. Eindelijk bereikten ze de wagen. De Jong zag nu dat die zo vol geladen was met bomen dat er voor hem geen andere plaats overbleef dan op die bomen. Het was een hele toer om er bovenop te klimmen. Met behulp van de voerman klauterde hij tegen de hooggeladen wagen op en nam schrijlings over de bomen plaats. Nu ging het zo snel mogelijk langs de Dedemsvaart en om half zeven bereikte de spreker met een scheur in zijn broek het spreeklokaal, waar het volk al vanaf zes uur had zitten wachten. Aanstonds trad De Jong op en hij sprak met opgewektheid.
Het laat zich toch wel verstaan dat hij na zo'n vermoeiende dag een goede nachtrust nodig had. Maar ook hierin werd hij teleurgesteld; zijn kamer was een klein hokje met een natte stenen vloer, een bedstee van steen en geen stoel. De Jong troostte zich echter met de gedachte dat zijn Heiland hier op aarde geen rustplaats had om het hoofd op neer te leggen.

Uit: J. C. Rulman, De Doleantie.
Bewerking: K. Schoenmaker-van Berkum



* * *

VERSCHILLENDE NAMEN EN TOCH VERWANT _________________________________________________________

B. van Duren

Met de invoering van de Burgerlijke stand in 1811 en van een vaste achternaam (tot 1825) is het allemaal niet zo eenvoudig gegaan. Er zijn, ook in Nieuwleusen, kinderen uit eenzelfde gezin die een verschillende achternaam hebben aangenomen. Zoals bijvoorbeeld de gebroeders Hendrik en Coop Jacobs. Hendrik ging verder door het leven als Hendrik Katoele en Coop nam Beijker als achternaam. En zo zijn er meer gevallen.
Onderstaand een weergave van het testament van Berend Eppenboer (Ebbenweg), waaruit blijkt dat de familie's Evertsen en Hof ook aan elkaar zijn verwant. Voor alle duidelijkheid, de namen Evers, Eversen, Everts en Evertsen hebben allen dezelfde oorsprong.

Op heden, den elfden Juny achttienhonderd een en veertig, compareerde ten onzen kantore te Zwolle, voor ons Mr. Isaac Antoni van Royen, openbaar notaris, residerende te Zwolle, hoofdplaats der provincie Overijssel, in tegenwoordigheid van nagenoemde en mede-onderteekende getuigen -
Berend Eppenboer, landbouwer van beroep, wonende te Ruitenveen in de gemeente Nieuwleusen, bij ons notaris wel bekend, dewelke verklaarde op heden bij testament te willen beschikken en daartoe dan ook dadelijk overgaande, zoo heeft hij comparant, in het volle bezit van zijne verstandelijke vermogens en gezondheid van lichaam, aan mij notaris, in tegenwoordigheid der getuigen; zijne uiterste wille zakelijk opgegeven, welke ik dienovereenkomstig in tegenwoordigheid der getuigen heb doen schrijven als volgt:
Ik herroep alle mijne vorige wilsbeschikkingen.
Ik legateer vijf en twintig guldens aan de Gereformeerde Armstaat van Nieuwleusen, welke binnen een jaar na mijn overlijden zullen worden uitbetaald.
Ik legateer eene somma van vijf honderd guldens aan de kinderen en verdere afkomelingen van wijlen mijn broeder Hendrik Eppenboer, te verdelen tusschen dezelven naar de berekening der representatie, zooals de wet die heeft geregeld.
Ik legateer eene somma van vijf honderd guldens aan de kinderen en verdere afkomelingen van wijlen mijn broeder Derk Eppenboer, ook wel genaamd Derk Eversen, te verdelen tusschen dezelven naar de berekening der representatie, zooals de wet die heeft geregeld.
Ik begeer dat de beide laatstgenoemde legaten zullen kunnen worden voldaan, door mijne ingestelde erfgenamen, met obligatiën tot dat bedrag welke bij mijn overlijden in mijnen boedel zullen worden gevonden, in welke tot de genoemde som alsdan zullen geacht worden aan dezelven te zijn gelegateerd.
Overigens stelle ik tot mijne eenige en universele erfgenamen de kinderen en verdere afkomelingen van wijlen mijn broeder Willem Eppenboer, ook wel genaamd Willem Hof, en zulks mede in dier voege dat tusschen hun het regt van representatie zal plaats hebben en zij naar die berekening daarin zullen deelen.
Dit testament is door den comparant-testateur aldus aan mij notaris gedeclareerd, hetwelk ik dienovereenkomstig heb doen schrijven, waarna ik het hem duidelijk heb voorgelezen en hem daarop afgevraagd of het voorgelezene zijne uiterste wil was bevattende, hetwelk hij met "Ja" heeft beantwoord, alles in tegenwoordigheid der getuigen.
Waarvan acte. Aldus gedaan en gepasseerd op tijd en plaatse voorschreven, in tegenwoordigheid van Jan Lohman, van beroep smid, en Derk Lohman, smid, beide wonende te Zwolle, als te dezen verzochte en bevoegde getuigen, die nadat den comparant­testateur verklaard had de kunst van schrijven niet te verstaan en daarom niet te kunnen teekenen, met ons notaris deze acte na voorlezing, hebben getekend.
Was getekend: J. Lohman, D. Lohman, I.A. van Royen.
Voor expeditie conform. Afgegeven aan den testateur.
I.A. van Royen, notaris.

* * *

MET MANUFACTUREN OP PAD _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 9 maart 1935:

De heer H. Willems nam Dinsdagmiddag, toen hij met zijn rijwiel (waarop manufacturen) den weg naar de Wed. K. de Boer wilde inrijden, de bocht allicht te krap, zoodat hij met rijwiel en al in de diepe sloot terechtkwam. Met een flink nat pak wist hij zich uit zijn onvoordelige positie te bevrijden. Het rijwiel alsmede de lapjes leden nagenoeg geen schade.
Op de foto: Hendrik Willems


Jaargang 9 nummer 4 december 1991

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

UIT DE RAADSNOTULEN VAN 1937 _________________________________________________________

J.W. de Weerd

In de vergadering van 22 februari wordt een ingekomen schrijven aan de orde gesteld van het bestuur van de Vereniging voor Christelijk Middelbaar en Voorbereidend Hoger Onderwijs te Zwolle met een verzoek om subsidie over het jaar 1933 van ƒ 45.12 per leerling, voor de drie leerlingen uit Nieuwleusen samen ƒ 135,36. B & W adviseren de raad, in verband met het in juni 1932 genomen besluit om alle subsidies in te trekken, om dit verzoek af te wijzen.
Raadslid De Boer kan zich met dat advies niet verenigen; aan de Rijks HBS moet de gemeente een bedrag van drie tot vierhonderd gulden per leerling betalen en hij vindt het niet meer dan billijk dat de Christelijke HBS ook iets krijgt. Hij stelt voor het besluit van 1932 in te trekken. Zijn voorstel wordt aangenomen met twee stemmen, die van M. Massier en D.J. Prins tegen. Prins begrijpt niet waarom het besluit wordt ingetrokken; de algemene toestand is niet beter geworden. De voorzitter zegt dat men algemeen hoort dat de toestand verbetert en dat is in de gemeente ook merkbaar. De financiële toestand is beter dan in 1932 en de voorzitter heeft weer moed in de toekomst. Prins merkt op dat de kinderen van de beter gesitueerden die scholen bezoeken en dat die het dus zelf wel kunnen betalen. Verder is hij van mening dat men niet te royaal met subsidies moet zijn zolang er in de gemeente nog armoede wordt geleden. Backx zegt daarop dat hij het op prijs zal stellen daarover te worden ingelicht omdat hem daarvan niets bekend is. Na nog enige discussie wordt tenslotte toch aangenomen om de gevraagde subsidie te verlenen.
Bij de rondvraag komt raadslid Witpaard terug op hetgeen er in vorige vergaderingen is gezegd over het verbieden van het voetbalspel op zondag. Spreker heeft eens geïnformeerd en hem is gebleken dat er de laatste tijd meerdere gemeenten tot een voetbalverbod op zondag hebben besloten. De voorzitter zegt dat hij een dergelijk verbod niet juist vindt, het zou de jongelui in de richting van de cafés drijven. Voetballen is dan nog beter en niemand behoeft er aanstoot aan te nemen. De heer Massier merkt op dat er hier in de gemeente weinig te doen is. Wanneer er nog meer verboden wordt, dan trekken de jongelui de gemeente uit. Voor de caféhouders, die op zware lasten zitten, is dat niet prettig.
Backx zegt dat wanneer de meerderheid voor een verbod is, B & W met een concept-verordening tot wijziging van de Politieverordening zullen komen. Hij wil de mening van de heren wel eens horen.
Wethouder H. Prins ziet er niet veel kwaad in wanneer de jongens tegen een bal aan schoppen.
De heer Reuvers vindt het ook niet zo erg nu het voetbalterrein van de Ommerdijk naar achter de OL school C verplaatst is. Eerder hoorde men wel klachten, nu niet meer. Raadslid Van Ankum deelt de mening van Reuvers en ook wethouder Nijboer voelt niet voor een verbod.
Raadslid D.J. Prins is niet tegen het voetballen maar vindt dat de sport wel zeer overdreven wordt en er veel geld voor wordt uitgegeven. Gezien de meningen van de raad zegt Backx dat er geen voorstel tot een voetbalverbod zal komen.

Voetbalclub USV in 1943.
De USV-leden op de foto zijn op dit moment bij ons niet bekend. Wanneer u een of meerdere personen herkent, laat u ons dat dan even weten?
In het volgende nummer wordt deze vraag beantwoord

In de raadsvergadering van 29 april wordt naar aanleiding van een schrijven van de Minister van Binnenlandse Zaken goedgevonden een kalk- en plak­verbod uit te vaardigen en de Algemene Politieverordening te wijzigen. De heer Massier zou van gemeentewege borden beschikbaar willen stellen om verkiezingsbiljetten aan te plakken. Hoewel de heer Van der Graaf dit steunt, zegt de voorzitter er niets voor te voelen. Het oprichten van borden kost een boel geld en de mensen hebben niets aan de verkiezingsplakkaten. Zij weten zelf wel hoe ze zullen stemmen, aldus Backx. De meerderheid van de raad steunt het voorstel van Massier en Van der Graaf niet.

Op 30 juni komt een schrijven van het bestuur van de Oranjevereniging aan de orde waarin een subsidie gevraagd wordt voor een op 31 augustus te houden kinderfeest. Er is een begroting bijgevoegd waarin een tekort geraamd wordt van ƒ 201,07½. Het college is van menig dat de jonge Oranjevereniging gesteund moet worden omdat het van belang is dat er in de gemeente meer eenheid in de feestviering wordt gebracht. Op het feest dat de vereniging organiseert kan eenieder terecht, ongeacht welke politieke en/of godsdienstige richting hij is toegedaan. Voorgesteld wordt dan ook de gevraagde subsidie te verlenen.
Raadslid D.J. Prins is geen voorstander, er wordt feest op feest gevierd en de kosten moeten maar uit vrijwillige bijdragen worden betaald. De belasting is hoog en bijna onmogelijk te betalen.
Raadslid De Boer kan zich wel met het voorstel verenigen mits er met het geld zuinig wordt omgesprongen en het niet wordt weggegooid.
De voorzitter merkt nog op, dat het de bedoeling is de vereniging door de moeilijke jaren heen te helpen, er moet eens een eind aan komen. Hierna wordt het voorstel aangenomen met alleen de stem van de heer D.J. Prins tegen.

In de rondvraag van de vergadering van 27 augustus vraagt Massier of de brandkranen wel worden nagezien. Hij heeft nog nooit gemerkt dat er iemand bij kwam. De voorzitter zegt dat het onderhoud bij de waterleidingmaatschappij berust en de kranen geregeld worden nagezien. Massier vindt het gewenst dat de kranen geregeld worden beproefd. Ook moet er op gelet worden dat de slangen goed bewaard worden. Verder vraagt hij naar de handbrandspuit. Volgens Backx is die spuit niet veel meer waard en kan die alleen dienst doen om de belendende percelen nat te houden. Er is een motorspuit nodig. Massier acht het belangrijker eerst de brandblusmiddelen goed in orde hebben, voordat er eventueel van belastingverlaging sprake kan zijn.
De voorzitter zegt dat er over de honderd brandkranen in de gemeente zijn, de motorspuit zal in hoofdzaak nodig zijn voor het verkrijgen van meer druk bij de branden die op grote afstand van een brandkraan voorkomen. De kosten van een motorspuit op twee wielen en achter een auto te bevestigen, worden op ƒ 1600,-- geschat.


De handbrandspuit doet nu dienst als museumstuk.
De Heiligerlee bedrijfsklaar

In de volgende raadsvergadering (27 september) deelt de burgemeester mee dat het college de wens van de raad om de brandblusmiddelen te verbeteren onder ogen heeft gezien. Zij komen nu met een voorstel tot aanschaf van een motorbrandspuit. Er is een aanbieding binnen van de N.V. Brandspuitenfabriek voorheen fa. A. Bikkers te Rotterdam, die voor een bedrag van ƒ 1825,-- een dergelijke spuit kan leveren. De motor is een 4 cilinder Ford, 52 PK en geheel elektrisch met zelfstarter, accu, dynamo, accu-ontsteking, enz. De dynamo kan zorgdragen voor terreinverlichting. Motor en pomp zijn gebouwd op een tweewielig rijwerk. De spuit is gemakkelijk door twee personen te vervoeren, zowel als achter een auto. Het college heeft in tegenwoordigheid van monteur Boers een demonstratie bijgewoond met het gevolg dat zij de raad adviseren tot aankoop. De totale aanschafkosten bedragen ƒ 2000,-- inclusief de benodigde slangen en koppelingen. De raad gaat akkoord.
In deze vergadering wordt ook een verzoek van de burgemeester behandeld om in zijn ambtswoning centrale verwarming aan te leggen. De woning is zeer vochtig en is met kachelwarmte niet behoorlijk droog te houden. De meeste vertrekken liggen op het noorden en zowel bewoners als meubilair hebben ervan te lijden. De kosten van zo'n installatie bedragen ƒ 1025,-- tot ƒ 1200,-- en de burgervader is bereid een jaarlijkse vergoeding van ƒ 75,-- te betalen. B & W stellen de raad voor aan dit verzoek te voldoen.
Raadslid De Boer vindt de vergoeding van 6 procent te laag en vindt dat dit minstens 8½ procent moet zijn, terwijl Massier het huis te oud vindt en het teveel gebreken vertoont om er nog centrale verwarming in te maken. Hij vreest dat wanneer de burgemeester eens zal vertrekken, zijn opvolger de woning niet meer zal willen bewonen. Ook Witpaard vindt de 6 procent vergoeding te laag en Reuvers zou de vergoeding een procent hoger willen stellen, waarbij Van Ankum zich aansluit.
De burgemeester verklaart echter niet meer dan 6 procent te willen betalen, waarna het voorstel in stemming komt en wordt verworpen.

De heer De Boer vraagt in de vergadering van 8 december of het waar is dat aan de Openbare Lagere School C te Den Hulst een tijdelijke onderwijzeres is benoemd vóór dat de oproepingstermijn verstreken was. Backx antwoord dat aan de school enkele dagen een vacature was wegens ziekte van de onderwijzeres. Het hoofd van de school, die een week zonder onderwijzeres had gewerkt, drong aan op spoedige benoeming. De voorzitter zegt dat hij enige dagen afwezig was en er daardoor vertraging is ontstaan met de benoeming. In de zaterdaguitgave van de Prov. Ov. en Zwolsche Courant werd een oproep geplaatst. Sollicitanten konden zich 's maandagsmorgens bij de burgemeester melden. Op de zaterdagmiddag belde het schoolhoofd met de mededeling dat hij een goede onderwijzeres wist. De persoon in kwestie solliciteerde zelf diezelfde dag, ook per telefoon. Onmiddellijk werd de inspecteur gevraagd om goedkeuring en de onderwijzeres trad 's maandags in functie.
Hier is de gewone weg bewandeld, aldus de voorzitter, het was niet gewenst om te wachten aangezien school C al een week zonder onderwijzeres was geweest. Het was jammer voor de dames die 's maandags zich nog kwamen aanmelden. Een termijn waar binnen sollicitatiestukken kunnen worden ingezonden, wordt bij tijdelijke benoemingen nooit gesteld. Biedt zich een goede kracht aan, dan wordt die genomen. De keuze was trouwens de laatste jaren in verband met het benoemen van wachtgelders, niet groot.
Verder informeert de heer De Boer nog naar de benoeming van een tijdelijk onderwijzer aan de O.L. School B in Ruitenveen en vraagt hij of er in de gemeente geen geschikte persoon was. Het antwoord luidt ontkennend, waarop de Boer zegt dat er aan school C in Den Hulst toch wel iemand was?
De burgemeester antwoordt dat daar wel een kwekeling uit de gemeente Staphorst werkt. Deze persoon heeft verzocht als volontair of kwekeling aan school C te mogen werken. Dat is hem toegestaan hoewel hij er geheel overbodig is. Het is dus een gunst en daaraan kan de man geen rechten ontlenen. De Boer informeert voorts of de brandspuit alleen achter een vrachtauto gekoppeld kan worden. Backx zegt dat dat achter iedere auto kan. Verder deelt hij mee dat er een regeling is getroffen met de gemeenten Dalfsen en Staphorst voor het gebruik van de motorspuit bij brand. De vergoeding bedraagt ƒ 10, -- per uur. De gemeente Dalfsen heeft als voorwaarde gesteld dat er alleen hulp mag worden verleend nadat het gemeentebestuur die heeft gevraagd. De burgemeester is bang dat de hulp dan wel eens te laat kan komen.

* * *

UIT OFFICIELE REGISTERS _________________________________________________________

B. van Duren

In het doopregister komen een enkele keer aantekeningen voor van de geboorte van onechte of buitenechtelijke kinderen, zoals deze:


 
 
 
 

 
 
 
 

Den 1 November 1696 is gedoopt het onegte Zoontjen van Aaltjen Egbertz, welke van de armengelden wordt onderhouden en tot vader van haar kind genoemd heeft Geert Simonz, welk kind dan ook daarom heeft ontvangen de naam van Geert.
Den 10 December 1769. Het onegte Dogtertjen van Willemtjen Asjes op het Ruitenveen, genoemd "Gaje", zijnde als de vader daar van geweest Jan Fredrichs, soldaat onder het Regiment van Malperde.

Uit het overlijdensregister nemen we het volgende over:


 

 

 
 

 
 

Den 30 December 1698 is alhier op het kerkhof begraven de schapehoeder van Geert Wolters.
Den 12 January 1700 is op het kerkhof begraven Klaas, zijnde knegt geweest van Egbert Klaassen Kragt.
Den 15 January 1701 is alhier op het kerkhof begraven het kind van Willem Klaassen, toegenaamd Troost en deszelfs huisvrouw.
Den 30 January 1703 is alhier op het kerkhof begraven Klaas Berendz, toegenaamd Kleyn Klaas van het Ruitenveen.

In de registers van naamsaanneming, die in de jaren 1811 tot 1825 zijn bijgehouden, komen onderstaande oude en nieuwe namen voor:

OUDE NAAM:
Hendrik Willems
Klaas Willems
Jan Nijs
Klaas Klaassen

NIEUWE NAAM:
Hendrik van Duren
Klaas Boer
Jan IJs
Klaas van Spijker

De akte waarin Klaas Klaassen verklaart voor zichzelf en zijn vier kinderen de naam Van Spijker aan te nemen.

OUDE NAAM:
Harm Klaas
Hendrik Jacobs
Coob Jacobs
Jannes in de grooten boeren
Jasper Jans
Hermen Hendrik Klaas

NIEUWE NAAM:
Harm Kragt
Hendrik Katoele
Coop Beyker
Jannes Beltman
Jasper Bouwmeester
Hermen Hendrik Alteveer

Tot slot hieronder een bijlage bij het huwelijksregister van 1818. Het betreft het huwelijk van Berend Kiekebelt, zoon van Jan Kiekebelt en Zwaantje Everts, wonende te Gerner en Marrigje Klaas van Duren, dochter van Claas Willems van Duren en Jutjen Hendriks, wonende in de Ruite.

Voor mij, Mr. Lucas Hendrik Coenraad Nilant, openbaar notaris, residerende te Zwolle, hoofdplaats van de provincie Overijssel, in tegenwoordigheid van nagenoemde getuigen, compareerden Hendrik Snijder, Gerrit Jans, Jan Blankvoort en Willem Jans Bouwmeester, alle vier landbouwers, woonachtig in de gemeente Dalfsen, dewelke ter instantie van Marrigje Klaas, boerin, wonende in de Ruite, gemeente Zwolle, verklaarden zeer wel te hebben gekend deszelfs ouders Claas Willems en Jutjen Hendriks en wel te weten dat Jutjen Hendriks voor ongeveer twintig jaren overleden en begraven is te Nieuwleusen en dat aldaar te dien tijd geene aantekening van overlijden en begraven lijken gehouden is, alsmede dat haar grootouders, zo van vaders kant als moeders zijde lange jaren zijn overleden en mede te Nieuwleusen begraven en daar geene aantekening geschied is, voor reden van wetenschap dat zij aldaar lange jaren verkeerd hebben. Waarvan acte, gedaan en gepasseerd te Zwolle te mijne kantore en Brevet den 23 April 1818 in tegenwoordigheid van Abraham Voetelink, deurwaarder, Teunis Jansen, veldwachter, beide woonachtig te Zwolle en hiertoe twee verzogte getuigen, dewelke den, na gedane voorlezing, benevens comparante en mij notaris, hebben ondertekend.

* * *

KARSTOAMD ANNO 1930 IN NI'JLUUSN _________________________________________________________

H. Schoemaker

Geleuve en ongeleuve giet soms hand in hand, ok toendertied um de jongelui in huus te holn. Op kärstoamd wurden heur wies emaakt det dan Därk met de hunties rond gonk. Dit veurof, dan begriep ie het volgende beter.
Op 'n kärstmiddag in de därtiger joaren gonk bode Lubbers noar het postkantoortien um de oamdpost te bezurgen. Hi'j is doar goed en wel bezig 't spul bi'j mekaäre te zuuken, toen de burgemeister der an kwam umdette het licht zag braan. Hi'j kwam binnen en zee: "Lubbers, wat moet jij hier nog? 't Is kerstavond."
"Ja, det weet ik wel, mar de post mut bezurgd wurden."
"Maar je weet toch dat Dirk met zijn hondje rondgaat."
"Ja, ja, det kump wel goed . . .", en met det gezegde hunk Lubbers zien bodentasse umme en gonk zien gaank.
De burgemeister had ok een paar hunties, ie weet wel, een paar van die uutgerekten, laank lief, kurte peuties, en doar maakte hi'j hele wandelingen met. Toen Lubbers van zien bodeloopen trugge kwamp, zagge in 't licht van een lanteernpoal de burgemeister an koomen. Hi'j bedachen zich niks, sprunk van de fietse en leut zich op de knienn valn en schreeuwen zien beste. "O Därk, spaar mi'j, spaar mi'j." De burgemeister wus niet hoe of 't had en hi'j zee: "Lubbers, wat mankeert jou? Sta op kerel, wat moet dat?"
"Wat?, zee Lubbers, "bin ie det burgemeister, wat 'n geluk, ik dachte det ie Därk met de hunties waarn." De man vuuln wel det Lubbers um de gek an stak en hi'j brieste: "Maak dat je weg komt, kerel!" en hi'j vervolgde zien weg.

* * *

DE BESTEKKEN VOOR DE BOUW VAN HET FORT BIJ DE LICHTMIS III _________________________________________________________

Het vierde bestek (RvS inv.nr 2322, p. 48/21 e.v.)

Conditie ende Besteek waer naer de Ed: Heeren Gecomitteerde uijt de Ed: Moo: Heeren Raeden van Staete der Vereenichde Nederlanden, op approbatie van haer Ed: Mo: besteden willen het maecken van drie bruggen, d'een over de Principaele ende d'andere over de Contrescherps gracht van 't fort omtrent Rooveen bij 't Rootpannenhuijs buijten Hasselt in Manieren als met het maecken van een steene poorte voor de selve Schans.

Santplaaten
Eerstelijcken sal den Aennemer gehouden sijn de sijtmuijren te fonderen, ende aen te leggen, op doorgaende santplaaten, soo lanck datse vier voeten binnen en buijten door de muijren coomen te schieten, de santplaten swaer acht en thien duijm, wijt van malcanderen genaegelt en geleght twee voet diep onder het pleijn van 't fort.

Slyckhouten
Op de Santplaeten te leggen alle drie voet vanden anderen slijckhouten, met vorsten ingelaeten en wel genagelt.

Plankcen
Dese slijckhouten sal hij becleeden met drooge eijcke plancken van ses uijt de voet, soo breet, dat hij sijn sijdtmuijren daer op kan fonderen en wel vast nagelen, ende soo lanck aks het buijtenste ende binnenste dosseerens vande wal sal wesen.

Ryoole
Onder de slijckhouten sal hij metselen een doorgaende steene rijoole van een voet wijt, en anderhalff voet hooch, met een verwulfsel, en daer in vier eijcke raemen met haer plancken, ’t raemwerck swaer vier en ses duijm, eijckenhout, ijder lanck ses voeten.

Muijren
De Muijren ten beijden sijden, sal hij aenleggen ses Moppensteenen breet, en snijden die met clesooren in datse blijven op vijff steen, gelijcx de vloer vande poort, en dan voorts opwercken vijff steen dick vier voet hooch, en dan weder vier voet hooch, vier steen dick opmetselen, waer over hij het wulfsel slaen sal van anderhalff steen dick, aen beijden sijden aengestopt tot den bovencant van't wulfsel ter voller lengte, ende sal wijt sijn binnen wercx vier voeten.

Balcken
Op twee plaetsen in dese poorte sal hij leggen eijcke balcken swaer tien en twaelff duijm, aende eijnden een voet diep inde Muijren ingelaeten, en tot boven onder 't gewulfsel volgemetselt, de bovencant vande balcken, hooch acht voet uijt de vloer vande poort.

Vleugels
Aen beijde eijnden vande poort nae dat het afdackens buijten en binnen vande wallen loopt, sal hij metselen sijn vleugels, met een rollage van twee steen in clinckert ende tras geslooten.

Bruggen
Voor dese poorte sal hij maecken een brugge van eijckenhout ijder gebint van drie paelen, lanck dat als die ses voet diep in den gront geheijt sijnde, boven gelijcx de vloer vande poorte komen swaer in't midden acht, en thien duijm de gebinten wijt van den anderen op't midden twaelff voet.

Slooven
Daer op te wercken met pennen en gaten en houte naegels geslooten, slooven lanck negen voet ende op de landtgebinten swaer vijfthien voeten, swaer ach en thien duijm.
Ribben
Over dese slooven te leggen vijff ribben, even wijt van een verdeelt lanck datse drie gebinten cannen bereijcken, swaer vijf en seven duijm, viercant gesaecht hout, met goede ijsere scherpelingen vast genaegelt.

Plancken
Dese ribben sal hij becleeden met eijcke plancken van vijff uijt de voet, dicht aen een gestreecken, met vijff duijm naegels vast te naegelen, de bruggen breet binnen sijn Leuningen vier voeten.

Leuningen
Aen wedersijden vande brugge sal hij maecken sijn Leuningen, hooch vier voet boven de brugge, de stijlen en Leunbalcken swaer ses en acht duijm, met een middelregel swaer vier en vijff duijm, en tegens ijder stijl een carbeel swaer als de stijlen, alles met houte ende ijsere nagels in malcanderen te sluijten ende gladt te schaven, de leunbalcken af te baljouren(?).

Wipgebinten
Op de bruggen te stellen twee wip en twee hameij gebinten wijt vier, en hooch tien voet binnen wercx, de stijlen boven dorpels met haer carbeels swaer acht en tien duijm, de balansboomen lanck eenentwintich voet, achter swaer tien en twaelff en 't vooreijnde vijff en seven duijm, den achterbalck, cruijswerck en carbeels, swaer tien en twaelff duijm, alles met pennen en gaeten in malcanderen te wercken, ende met houte nagels te sluijten, versien met haer valbruggen, met voor, ter sijts ende achterkettingen, haelen, stoelen, beugels, bouten, slooten, sleutels, crammen haecken en ander ijserwerck, sterck en suffusant, datter niet aen mancqueert, ende op de hameij gebinten maecker cappen, met leijen en loot gedeckt de hoecken met Pijramiden versien, ende sal diergelijcke wipgebint met sijn valbrugge maecken op de brugge vande contrescherps gracht, daer de grift door sal loopen.

Poorten off deuren
Onder de Poort sal hij maecken twee deuren ende twee deuren in ijder hameij gebint, het raemwerck swaer vier en ses duijm, de plancken van vijff uijt de voet met vijff duijm naegels, in sponden genaegelt, in elcke deur een clincket versien met swaere ijsere stroppen, en onder een pan, draeijende met een ijseren spij 1, versien met slooten, sleutels, haecken en crammen, ende t clincket met ijsere hengen, ende aende eene deur een sluijtboom sterck ende suffisant.

Corps du guarde
Neffens de brugge sal hij op paelen stellen een Corps du garde van achtien voet wijt, en twaelf voet lanck het raemwerck swaer vier en ses duijm, alsmede het raemwerck van 't dack, alles met pennen en gaeten in malcanderen te wercken en met houte naegels te sluijten, dese stijlen en raemwerck te becleeden met eijcke plancken van ses uijt de voet dicht aen een gestreecken, gladt geschaeft ende wel genaegelt, en boven met leijen decken en de hoecken met loot becleeden, ende op ijder hoek een Piramijde, versien met twee halve deuren, een slachvenster, ende sweetbanck, de schoorsteen met een halven steen dick opmetselen twee voeten boven 't dack, alles tweemael overwerwen, versien met ijserwerck nae den eijsch, ende tegens over de Corps du garde te maecken een luijff met geweerhouten, om Piecken ende Musquetten op te leggen, de luijff hooch ses voet boven de brugge, van achteren beschooten met plancken gladt geschaeft ende wel op de ribben genaegelt, de vloer inde Corps du garde sal hij met een clinckert op sijn cant in sant vastgeset bevloeren, alsmede de heertstede, ende maecken inde selve Corps du garde twee suffisante sitbancken naeden eijsch.

Vleugels
Aen beijde sijden van de Hameij gebinten sal maecken vleugels van vier voet breet, hooch tegens de stijlen negen voet aende eijnden seven voet, op drie ribben, in de stijlen gewerckt en becleedt met eijcke plancken van ses uijt de voet dicht aen een gestreecken, gladt geschaeft ende wel genagelt.

Bruggen over de Contrescherps grachte
Sal van gelijcken maecken twee bruggen over de Contrescherps gracht, te plaetse daermen hem aenwijsen sal, en op ijder een hameij gebint als vooren, met haer Leuningen en vleugels als vande andere gesproocken is, met acht voet binnen de leuningen.

Vleugels inde gracht
Aen wedersijden vande drie bruggen sal hij in de gracht maecken vleugels, de paelen swaer vijff en seven duijm de vleugels lanck ses voet, ende die becleeden met eijcke plancken van ses uijt de voet, wel op de paelen vastgenagelt, en van achteren met aerde Massijff aen vollen, ende vast nederstampen ter voller hoochte.

Hout
Alle het hout in desen bestecke verhaelt sal wesen goet gaeff, viercant gesaecht eijckenhout, niet vuijrich, spindich, off waencantich wit off rot olmich.

Materialen
Alle materialen hier toe van nooden geene uijtgesondert tot dit werck noodich, sal den aennemer sich selven beschicken ende daer toe leveren.

Verwen
Alle het bovenwerck van dese bruggen, 't sij Leuningen, wip, en hameij gebinten, met haer deuren balancen, met de deuren in de Poort, alsmede de Corps du garde, ende luijff sal hij tweemael ses weecken achter den anderen met een grauwe olij verwer vet doen verwen, niet voor en aleer 't hout sal gevisiteert sijn, off 't goet en gaeff is.

Metinge
De Metinge van 't hout sal geschieden met de ordinaris veltmaete.

De betalinge sal geschieden met contant gelt, op 't Comptoir vanden Ontfanger Generael Volbergen, in vier termijnen, den eersten termijn als de Materialen bij het werck leggen, ende den Aennemer in't werck sal sijn getreeden, blijckende bij Attestatie van die gene die haer Ed: Mo: daer toe sullen gelieven te authoriseeren, den tweeden termijn als t werck halff sal sijn gemaeckt, den derden termijn als 't werck voor volmaeckt opgenomen ende gepresen sal sijn, blijckende bij Attestatie vande Heeren Gecommitteerde uijt den Raedt van State, den lesten termijn drie maenden naer de opneminge als 't werck conform den bestecke noch sal werden bevonden onderhouden te sijn.

Aldus gedaen ende naer Trommelslach publijck besteet is dit voorsseide werck volgens den bestecke te maecken aengenomen bij Abraham Cock Inden hoop voor de somme van seven duijsent vijffhondert gulden ende heeft tot borge gestelt, Jan van Rijsel, Berent Laegeman ende sal aenstonts naer de approbatie van haer Ed: Mo: int werck treden, Actum Zwolle den 21en April 1668.

Abraham de Cock als aennemer
Jan van Rissen
Berent Laegeman

wordt vervolgd

* * *

UIT DE OUDE APOTHEEK _________________________________________________________

Nu de winter weer voor de deur staat een recept voor winterhanden die in 14 dagen weg zijn met:
Salieijlzuur 500 milligram; Lanoline 25 gram en Vaseline 25 gram.
Voor wintervoeten:
De schillen van de rijpe augurk af doen, het zaad uit de augurk verwijderen, dan drogen in de zon, voor gebruik in warm water weeken, dan de weeke deelen op de plaats doen waar de voeten dik zijn en iedereen dag twee keer vernieuwen.

* * *

CHARLY CHAPLIN _________________________________________________________

De Charly Chaplin in het kwartaalblad van juni was Jo Meijer, zoon van meester Meijer van de Openbare School. Hij was indertijd een goed voetballer van USV en speelde in latere jaren ook nog bij de Zwolse club ZAC. Jo Meyer woonde in Zwolle en Meppel en overleed op 63-jarige leeftijd.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES XV _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

”Brij, brood en proem’n
kunt de Zwols’n niet
noem’n”

De Zwollenaren spreken de “r" niet
goed uit. Met "brijbekk’n”
werden dan ook de Zwollenaren
bedoeld.

Deze nieuwjaarswens werd verzonden op 1 januari 1915.
We sluiten ons er graag bij aan.

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO XVI _________________________________________________________

De foto hieronder is van de Christelijke School van meester Siefers aan het Westeinde en dateert uit ongeveer 1928.


Foto: G.H. Visscher


1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

Meester Siefers
Willem Meulenbelt
Jan de Graaf
Lammert Visscher
Harm Kragt
Hendrik de Weerd
Gerrit Hendrik Visscher
Lammert Jan Velthuis
Juffrouw Jansen
Grietje Kleen
Hendrik Jan Visscher

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  

Margje van de Kolk
Jentje de Weerd
Annigje Visscher
Meester Belt
Dina Brinkhuis
Fennigje Borger
Gerrit Jan Klein
Willem Borger
Rinke Siefers
Trijntje de Graaf

22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  

Margje de Graaf
Fennigje Kragt
Jentje Visscher
Margje Tempelman
Dina Hekman
Bertha Siefers
Dirkje Hogers
Berend Visscher
Bertus Meulenbelt
Arend Boerman

* * *

IETS OVER MEESTER SIEFERS _________________________________________________________

In januari 1956 vierden enthousiaste leerlingen uitbundig feest ter ere van meester Siefers, die tevoren reeds officieel was gehuldigd als de man die veertig jaar lang zijn beste krachten aan het onderwijs in de gemeente Nieuwleusen heeft gegeven. Dat feest van de opgroeiende jeugd om de kalme zestiger, die ook de ouders en grootouders van zijn jonge discipelen nog in de klas heeft gehad, leverde een hartverwarmend schouwspel op en was wel het beste bewijs dat het een jubileum met wezenlijke inhoud betrof. Veertig jaren dienst kan op zichzelf niet anders dan veertig jaren meelopen betekenen, maar de waarde van de opvoeder lag voor een niet gering deel in zijn tact en in zijn toewijding. Dat meester Siefers deze beide kwaliteiten in hoge mate bezat, daarvan was men ten volle overtuigd.
Hij werd in 1895 geboren in Kampen, waar hij de lagere school bezocht en later de MULO-school. In de MULO-school werden 's avonds normaallessen gegeven en ook deze werden door de jeugdige sigarenmakerszoon gevolgd met als resultaat dat hij in 1915 de onderwijzersakte behaalde. Hij werd daarop kwekeling aan de Wilhelminaschool in zijn woonplaats en leerde met een beloning van een rijksdaalder in de week de zegeningen van het instituut "kwekeling met akte" kennen. Na ongeveer een half jaar volgde zijn benoeming aan de christelijke nationale school te Nieuwleusen, die toen nog de enige bijzondere school ter plaatse was, naast vier openbare scholen.
In de meer dan veertig jaar dat meester Siefers voor de klas gestaan heeft, is het aantal bijzondere scholen gestegen tot vier en ook aan zijn school is het aantal leerlingen voortdurend omhoog gegaan. Toen hij in 1916 kwam, waren het er ongeveer zestig en in 1955 was het aantal al opgelopen tot gemiddeld honderdvijfenzestig. Een belangrijke groei dus waar ook het werk van meester Siefers aan heeft bijgedragen. Het spreekt vanzelf dat zijn hart naar het bijzonder onderwijs uitging, maar hij heeft geen strijd gezocht en daarmee de oprechte waardering van de andersdenkenden verworven.
De strijd van het leven zelf is hem in Nieuwleusen niet bespaard gebleven. In 1939 verloor hij zijn eerste vrouw, die negentien jaar aan zijn zijde had gestaan. Ook zijn tweede vrouw, mevrouw Siefers ­ Hornstra, is helemaal Nieuwleusense geworden en terecht deelde zij in de hulde die haar man in januari 1956 werd gebracht ter gelegenheid van zijn veertigjarig jubileum.
Meester Siefers kon hele mooie dingen maken. In zijn huiskamer waren de vruchten van zijn vrijetijdsbesteding te bewonderen (o.a. lampen). Daar kon hij ook vertellen over de vele veranderingen die zich in zijn diensttijd in de gemeente hebben voltrokken. Zo heeft hij de totstandkoming van de beide ruilverkavelingen meegemaakt. Daarbij kon niet iedereen tevreden worden gesteld, maar in zijn algemeenheid hebben deze werken grote verbetering gebracht. Niet alleen ten opzichte van de afwatering en de wegen, maar ook van de bedrijfsvoering die veel economischer werd.
Hoewel meester Siefers de streekklederdracht zo goed als helemaal heeft zien verdwijnen, is Nieuwleusen voor hem Nieuwleusen gebleven, dat wil zeggen de streek waar hij gedurende meer dan veertig jaar in vreugde heeft gewerkt. En niet alleen binnen de school, maar ook in functies daar buiten.

* * *

INHOUD VAN DE NEGENDE JAARGANG _________________________________________________________

blz.
1  
3  
 
13  
15  
17  
20  
22  
24  
25  
38  
39  
41  
41  
42  
44  
48  
49  
53  
 
65  
65  
66  
68  
 
70  
72  
73  
80  
83  
84  
 
90  
90  
91  
92  
94  
96  
96  

 
Afscheid van het rijwielplaatje
De bestekken voor de bouw van het fort bij
de Lichtmis I
Aorend-ome en Jinne-meuje
In het land van Alibaba
Hoe de Boerenleenbank werd opgericht
Klein knechien
Een oude schoolfoto XIV (OLS Den Hulst)
De Dootcamp
De veiling van het Jagtlust in 1833
De kleuters van' 1956
Proaties van Jan Berends
Nieuwleusener gezegdes XIV
Krummels
Een oude schoolfoto XV (School A)
Wolter Nijboer, steunpunt van het openbare leven
Wie weet •.•..
De kidde
De bestekken voor de bouw van het fort bij
de Lichtmis II
Nieuwleusener gezegdes XIV
Krummels
Een oude foto van de toneelclub Advendo
Een verhaal over een evangelist
 
Verschillende namen en toch verwant
Met manufacturen op pad
Uit de raadsnotulen van 1937
Uit officiële registers
Karstoamd anno 1930 in Ni'jluusn
De bestekken voor de bouw van het fort bij
de Lichtmis III
Uit de oude apotheek
Charly Chaplin
Nieuwleusener gezegdes XV
Een oude schoolfoto XVI (CLS Westeinde)
Iets over meester Siefers
Inhoud van de negende jaargang
Krummels


Henk van Heeswijk

Jan H. Kompagnie
H van Duren


B. van Duren

G. Hengeveld-van Berkum
G. Hengeveld-van Berkum


A. Schoemaker-Ytsma




G. van der Meulen

Jan H. Kompagnie
A. Schoemaker-Ytsma


Bewerking: K. Schoenmaker-van Berkum
B. van Duren

J. W. de Weerd
B. van Duren
H. Schoemaker

Jan H. Kompagnie


A Schoemaker-Ytsma




* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 3 september 1946:
Tot wijkverpleegster is door het Bestuur van de Vereniging "Het Groene Kruis" alhier in de plaats van zuster van Buiten, die met pensioen gaat, benoemd zuster Bakker uit Alkmaar.




Jaargang 10 nummer 1 maart 1992

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

BIJ HET 100-JARIG BESTAAN VAN DE N.H. KERK _________________________________________________________

Op 20 juli 1930 werd er in de Nederlands Hervormde Kerk in Nieuwleusen een gedenkdienst gehouden ter gelegenheid van het feit dat het honderd jaar geleden was dat de kerk werd verbouwd. Dominee Van den Berg sprak een herdenkingsrede uit die in de Dedemsvaartsche Courant van 23 juli werd opgenomen. Uit deze rede werd onderstaand verhaal samengesteld.

Het kerkgebouw staat op een plaats in het midden van de gemeente, op een punt van samenkomst van vier wegen die leiden naar vier verschillende delen van de gemeente en daarbuiten. Het is alsof het daarmee tot uitdrukking brengt dat hier het heil gepredikt wordt dat allen zoeken. Ons kerkgebouw bestaat thans een eeuw. U heeft er de lieflijkste, misschien ook weemoedigste herinneringen aan. Het is de kerk waar uw ouders en grootouders op zondagmorgen plachten te komen, waar zij hun gebeden uitstortten, hun liederen lieten klinken en waar zij in stille vrome eerbied zaten te luisteren naar de verkondiging van dat woord dat vast is in leven en sterven. In deze kerk bent u gedoopt, heeft u uw belijdenis afgelegd, misschien zelfs dat u hier voor God en zijn gemeente uw echtverbintenis heeft laten inzegenen.

We zullen de geschiedenis van de kerk eens nagaan, waarbij we ons vooral moeten bepalen tot die van de laatste eeuw. Ik wil echter toch ook iets mededelen over de vorige eeuwen.
Leusen is al vanaf oude tijden bekend als een nederzetting op de noordelijke Vechtoever. Ten noorden daarvan, tot aan de Reest toe, strekten zich dorre wildernissen uit. Hiervan maakten de bewoners van de aangrenzende nederzettingen naar behoefte gebruik, zonder dat ieders gebruikerskring daarin was afgepaald. In de 12e en 13e eeuw begonnen de bisschoppen echter grote stukken van die wildernis aan verschillende families toe te wijzen, waardoor grensregeling noodzakelijk werd en de marken Rozengaarde en Leusen aanzienlijk werden uitgebreid.
Belangrijke verandering in deze toestand werd gebracht doordat in het jaar 1630 een vijftal erfgenamen, waaronder de erfgenaam van de Hof te Leusen, het plan opvatten om deze wildernissen te ontginnen. Zij richtten daartoe (in 1631, red.) een Compagnie op en zonden een verzoek aan de Staten om vrijdom van belastingen voor 20 jaar, welk verzoek bij resolutie van Ridderschap en Staten van 20 maart 1635 werd ingewilligd. In deze ontginning nu ontstond de nederzetting Nieuw Leusen, terwijl volgens een kaart van het jaar 1811, berustende in het Rijksarchief te Zwolle, de Kringsloot de grens vormde tussen Oud en Nieuw Leusen.
Kerkelijk behoorde Leusen, dus ook Nieuw Leusen, onder de zeer uitgestrekte gemeente Dalfsen. Maar door de grote vlucht, die de ontginningen namen door de grote aanwas van de bevolking, werd al spoedig de behoefte gevoeld om te komen tot stichting van een eigen gemeente en een eigen kerk. In het jaar 1662 waren deze pogingen al zover met succes bekroond, dat de gemeente Nieuw Leusen in Arnoldus van Bercum haar eerste predikant bezat, die de gemeente gediend heeft tot 1681. Maar de kerk ontbrak blijkbaar nog. In het Rijksarchief in Assen bevindt zich een request van Arnoldus van Bercum, predikant te Oosterveen in Overijssel, aan de Staten-Generaal om subsidie voor het te stichten kerkje, welk request om advies in handen is gesteld van Elbert Anthony baron van Pallant, Heer van Batinge. Dit advies zal wel gunstig geluid hebben, althans drie jaar later vernemen we uit een resolutie van Ridderschap en Staten, dat deze driehonderd gulden toegestaan hebben voor de bouw van het kerkje te Oosterveen.


De kerk vanaf het Westeinde gezien met rechts het Palthehuis. (foto ca. 1965).

Op het ogenblik bestaat er geen kerk meer te Oosterveen. Wat vroeger kerk was, is sinds 1830 een boerenhofstede geworden, thans bewoond door de familie Boverhoff op het Oosterveen. Stenen van ongewone mensuur(= grootte) herinneren nog wel aan de oudheid van dit huis. Van de bestemming als kerk heb ik echter niets kunnen vinden. (Op die plaats heeft ook nooit een kerk gestaan, deze is altijd op de huidige plek geweest. Mogelijk is er in de jaren voordat er een gebouw was in de Havezate Oosterveen gekerkt. Red.) Uit deze kerk is echter een ding in onze nieuwe kerk bewaard gebleven, namelijk de kerkklok. Daarop staat toch dit opschrift te lezen: "Machtelt Bueker gent. Roelinck gaff dit de kerk op 't Oosterveen Ao. 1670." Verder staan er nog de wapens van Roelinck en Bueker op, bestaande uit een dwarsbalk, vergezeld van drie ringen. Op de preekstoel treffen we nog het alliantiewapen Roelinck en Ripperda aan, bestaande uit een rode dwarsbalk vergezeld van drie zwarte schaapsscheerdersscharen en daarnaast een ruiter met zwaard gewapend. Dit zou er dus op wijzen dat ook de preekstoel, die geschilderd is als de overige banken maar inderdaad van prachtig eikenhout is, afkomstig is uit de oude kerk te Oosterveen.
Waarschijnlijk is het beter te spreken van het kerkje te Oosterveen. Want wanneer we nu dicht naderen tot de jaren van 1830, treffen we in de notulenboeken van de kerkeraad herhaaldelijk klachten aan over de te kleine kerk, zodat een grotere kerk begeerd werd. De noodtoestand was groot, zodat de Kerkvisitatoren de wens hadden te kennen gegeven dat in deze grote gemeente de Kerkeraad van 5 op 7 leden zou worden gebracht. Aan dit verzoek kon geen gehoor worden gegeven op grond van het feit dat aan nieuwe geen plaats in de kerk kon worden aangewezen.
En dan de doopbeurten. Wat vormden die al niet een bron van moeilijkheden. Als we lezen van een Kerkeraadsbesluit van de 21ste december 1819, waarbij werd bepaald dat niet meer dan vier ouderparen zouden worden toegelaten, opdat ouders en getuigen dan altijd een geschikte plaats van zitten en staan zouden hebben, dan blijkt daaruit toch wel hoe hoog de nood geklommen was.
In 1818 passeerde Z.M. de Koning Nieuwleusen, bij welke gelegenheid de predikant Wolterink in eigen persoon een suppliek (=verzoekschrift) overhandigde om een toelage tot reparatie en vergroting van de vervallen kerk. Ook aan de Schout werd om steun verzocht, doch we lezen niet van geldelijke steun door de gemeentenaren, hoewel er wel geofferd schijnt te zijn, want in stukken van 1880 wordt een zekere L. Heetebrij genoemd, die woonde in een huis waar vroeger een familie had gewoond die honderd gulden had toegekend voor de bouw van de nieuwe kerk. De geldelijke steun van de gemeente is dus niet in de boeken van de kerkeraad vastgelegd, doch opvallender is het dat van de opening van het nieuwe kerkgebouw niets in de boeken vermeld staat. De steen boven de grote hoofdingang aan de Ommerdijk (lees Dommelerdijk, red.) vermeldt 27 juni 1829 als de dag waarop door Mr. R.S. van der Gronden, burgemeester van deze gemeente, de eerste steen werd gelegd. Die is dan ook door het comité beschouwd als de dag der herdenking.


1829
DEN 27 JUNIJ IS DE EERSTE
STEEN GELEGD DOOR
Mr R:S: van der GRONDEN
BURGEMEESTER DEZER GEMEENTE

Het is dan ook louter toeval dat uw tegenwoordige predikant, dankzij de nauwkeurige onderzoekingen van de heer K. D. Hartmans in de archieven, dag en tekst van de inwijding der kerk ontdekte, waardoor wij in de gelegenheid werden gesteld om als gemeente het geschenk te aanvaarden op een zondag vlak voorafgaande aan de eigenlijke inwijdingsdag 25 juli 1830.
In het aardrijkskundig woordenboek van Van der Aa staat aangetekend dat voor deze kerk ƒ 1.100,-- uit de gemeente kwam en ƒ 800,-- uit het fonds voor noodlijdende kerken. Het doorlezen van de notulenboeken van de Kerkeraad in 1830, toen Ds. Wolterink voorganger was, lijkt op het trekken door een dorre woestijn; de aantekeningen missen alle verheffing, er blijkt niets van enige blijdschap. Hangt dit misschien samen met het feit dat hij gedurende niet minder dan 49 jaren in deze gemeente gestaan heeft? Nieuwleusen schijnt een goed land te zijn! De predikanten blijven er lang. J.A. Palthe, aan wiens beroeping zulk een geweldig geharrewar in de gemeente is voorafgegaan, zodat we, na dat gelezen


Het interieur van de kerk omstreeks 1968.

te hebben, voorgoed genezen zijn van de zo gretig verspreide en aangehoorde leuze dat het tegenwoordig zo'n strijd is, stond hier 51 jaar, H.J. Wolterink 49 jaar en H. Smits 38 jaar. Het tekent wel sterk af, dat in de laatste honderd jaar de notulen van de predikanten, die hier kort hebben gestaan, als Mulder, Boers, Hoogklimmer, Quast en Steenbeek, steeds fris zijn en origineel, getuigende van werklust en energie, sprekende van een aanpakken van iets nieuws en een doorzetten van iets dat bestreden wordt. Door dat eigenaardige verschijnsel, dat Nieuwleusen zulk een goed land is dat verschillende predikanten er omtrent een halve eeuw hebben gestaan, zult u kunnen begrijpen dat uw tegenwoordige (1930) dominee pas de 16e in de rij is vanaf de stichting van de gemeente in 1662. Ik zeg er nu direct bij: ik geloof dat het voor de gemeente beter is en voor mij gemakkelijker was geweest wanneer ik niet de 16e maar de 26e predikant was geweest.

Wat deed men in die tijd, zult u vragen. Natuurlijk, daar is gepreekt, gecatechiseerd, daar is huis- en ziekenbezoek gedaan. Een eeuw geleden, misschien nog wel een halve eeuw geleden, kon men nog zeggen: daarmee is alles gedaan. Toen was men er af met praten. Maar de tijden zijn anders geworden. Thans is men er, wanneer de kerk niet geheel ten gronde zal gaan, niet af met praten; nodig, dubbel nodig is nu  d o e n.
Als punt een noem ik hier de schoolkwestie. Oudtijds was er geen verdeeldheid op schoolterrein. Er was één school, dat was de Staatsschool. En de Staatsschool was de school voor een Christelijk volk, dus een school met de bijbel. Opvoeden werd algemeen gezien niet alleen als het bijbrengen van intellectuele kennis, maar ook als het bijbrengen van het Christelijk karakter. En daarom had de Bijbel een plaats op de school onder de jeugd. En omdat het volksgeheel nog kerkelijk was, waren ook de meesters kerkelijke mensen. Dit werd later anders. Bij missive van de plaatselijke hoofden van 4 december 1862 werd medegedeeld dat de schoolopziener van het district kennis had gegeven dat voortaan geen Godsdienstonderwijs meer op de scholen mocht worden gegeven. De meesters verklaarden zich echter terstond bereid om dit onderwijs toch voort te zetten, doch in buitengewone uren, met salaris uit de Kerkekas. Hierop werd door de Kerkeraad gunstig beschikt. De waardering laat ik aan mijn hoorder over, ik heb slechts de feiten genoemd.
Dan de catechisatiekamer. In het jaar 1915 is door het Classicaal Bestuur aan de Kerkeraad een schrijven gezonden met de opmerking dat het lokaal niet meer in de gewenste toestand verkeerde. Er werd op aangedrongen, dat de Kerkeraad bij de Kerkvoogdij pogingen zou aanwenden om te komen tot grondige verbetering. Het Christelijke verenigingsleven bloeit thans en vraagt om plaats. We hebben sindsdien onze Jongelings- en Meisjesvereniging gekregen, onze Knapenvereniging, onze zondagsscholen. Dit verenigingsleven zoekt het voortbestaan van onze kerk, in die verenigingen wacht de kerk haar toekomst. De vreugde van Ds. Wolterink was groot toen hij het catechiseerlokaal kreeg, doch hoe groot zal mijn vreugde zijn, wanneer ik met de zondagsschool en Knapenvereniging zal zijn verlost uit dat sinistere lokaal dat aan onze mooie pastorie is aangebouwd en dat mijns inziens veel overeenkomst moet vertonen met de onderaardse begraafplaatsen te Rome.

Ik zal al heel onvoorzichtig zijn wanneer ik mijn overzicht over deze laatste honderd jaar niet iets had gezegd over de doleantie in 1886, hier voltrokken in de jaren 1887 en 1888. Er was hier echter een voorgeschiedenis.
In december 1882 werd immers een zekere L. Heetebrij verkozen tot diaken van de gemeente. Enkele dagen na zijn benoeming werd er een protest ingediend door de heren Snel, Bijker en Alteveer, op grond van het feit dat Heetebrij buiten de gemeente woonde. Het Classicaal Bestuur gaf de protesterenden gelijk. Het betrof hier echter iets anders dan een reglementaire kwestie. Immers in het huis van Heetebrij hadden voorheen ook ouderlingen en diakenen van de gemeente Nieuwleusen gewoond, die nog wel honderd gulden voor de nieuwe kerk hadden gegeven. Zelfs familieleden van de protesterenden hadden in dat huis gewoond en hier hun kerkelijke betrekkingen bekleed. Maar Heetebrij behoorde tot de "preciesen" en toen de "preciese" broeder Heetebrij tot diaken was verkozen, moest de Leisloot plotseling nadrukkelijk tot grens worden verheven en Heetebrij kon wel naar de kerk gaan, maar werd geen diaken.
De eerste samenkomst van de dolerende gemeente werd gehouden ten huize van Heetebrij en stond onder leiding van de consulent Dr. C.C. Schot van Hardenberg. Daar een 17-tal hun revolutionair drijven doorzetten, werden deze ontzet en een scheiding tussen de grote en kleine kerk was een voldongen feit.

Deze kerk bestaat vrijdag aanstaande een eeuw. Dat feit mag niet zo zonder meer voorbijgaan. Vooral omdat het de gemeente zelf is geweest, die actief van haar belangstelling heeft blijk gegeven.
Reeds aan het einde van het jaar 1928 heeft zich al een comité gevormd van een vijftiental lidmaten, dat het initiatief genomen heeft tot een plan, waarvan het gevolg een kostbaar zilveren avondmaalsstel is, dat thans aan de gemeente kan worden getoond en geschonken en door haar aanvaard. De namen van de leden van het comité staan in een zilveren plaat van het avondmaalsstel gegrift en worden zodoende aan de vergetelheid ontrukt. Daarnaast zijn er twee personen wiens namen ook aan


Een foto gemaakt ter gelegenheid van de aanbieding van het avondmaalsstel. Van links naar rechts: Kerkvoogd J. Kleen Scholten, Burgemeester J. Ph. Backx en wethouder H. Prins.

dit gemeenteoffer zijn verbonden. Allereerst die van de inmiddels overleden juwelier en zilversmid Steltman te Zwolle, en de naam van de eveneens overleden voorganger Ds. H. Smits. Naar ons is medegedeeld is deze laatste de man geweest die het eerst de gedachte aan een avondmaalsstel op de voorgrond heeft gebracht, waardoor een ander plan, namelijk het aanschaffen van royale kerkbijbels, naar achteren werd gedrongen. Hij is ook de man geweest die de ontwerpen van de heer Steltman beoordeeld heeft en tenslotte zijn keuze heeft laten vallen op dit massieve stel, dat ongetwijfeld uitmunt door zijn edel gehalte en kunstzinnige afwerking. Een inscriptie in de rand van de broodschaal vermeldt het volgende:
"Namens het Comité uit de leden van de Ned. Herv. Kerk aangeboden door den Edelachtbaren Heer Joh. Ph. Backx, Burgemeester der gemeente Nieuwleusen aan den Weleerw. Heer Ds. Hendrik Smits, predikant, optredende namens Kerkeraad en Kerkvoogdij der Ned. Herv. gemeente te Nieuwleusen, Anno 1929."

* * *

HOE KLAASIEN HET BREIEN LEERDE _________________________________________________________

B. van Duren

Wat jong is, det speult graag. Zo is 't naw, zo was 't vrogger en zo zal 'tok altied wel blieven. As kiend mu'j niet allent speulen mar ok leren. Want as ie dan groter bint mut de mensen niet kunnen zeggen "kiek, det was vrogger een verwend kiend, det hef niks eleerd".
Het volgende verhaaltien is uut de tied toen mien moe nog zo'n deerntien was. Eigenluk is 't gebeurde niet zoveule biezunders. Mar bint 't niet vake die gewone en eenvoldige dingen die een meense gelukkig maakt as ie der oaver naodenkt?
v Klaasien was zo um en bi'j acht jaar en de beide gropmoes, die vake an 't spinnen waren, meenden det het maagien neudig mos leren breien. De iene gropmoe was gien echte gropmoe van Klaasien. Ze was een buurvrouw, mar veur de kiender was 't ok een gropmoe. Beide olde mensen waren een boel bi'j mekare.
En zo kreeg het wicht de breipennen ien de haanden. Eerst was 't wat ni'js, dus det wol wel. Det rechtuut, rechtan was ok niet zo muuiluk. Mar zo laankzamerhand worden 't wat iengewikkelder. Klaasien kun 't wel, daar niet van, mar de aandere kiender waren buuten op Spiekersweggie zo mooi an ‘t speulen! En lawaai det ze maakten, ie konnen ien de kamer alles heuren.
En zo gunk 't mar al te vake. 't Breiwark worden an de kaante egooid en vut was Klaasien, naar de aandere kiender.
Gropmoes bint leep, ok dizzen. Zie mossen der wel umme lachen de aandere aovend toen Klaasien zo ieverug an 't breien was. Ze had der een kleur van en 't puntien van de tonge tussen de taanden.
De reden van det alles was 't volgende. Toen de beide olde mensen an 't gaoren opwienden waren, had gropmoe Katoele een dubbeltien uut heur knippe pakt en det geldstukkien zat naw helemaole binnen in de kluwwen.
Iedere keer vuulen oens breistertien mit heur vingers of ze 'tal pakken kun. Mar 't lukte nog niet en daorumme breide ze mar vlietug voort. Buuten speulden de aandere kiender en zie maakten nog meer lawaai as aanders. "Det wordt vaste en zeker regen of aander slecht weer", meende ien van de gropmoes, "an de kiender is det vake te marken." Det alles deerde oes ieverige breistertien niet. Ze bleef vlietig deur gaan want ze wus det de beloning al mar dichter bi'j kwaamp.

* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO XVII _________________________________________________________

Uit de verzameling hebben we ditmaal een schoolfoto gekozen van de Meeleschool gedateerd 15 juli 1918.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  

Bertha Stegeman
Annigje van Ankum
Reintje Rumpf
Jenne Potjes
Ida Rumpf
Dina Kragt
Jentje Dijk
Meester Sikko Kapinga
Meester A. Brand
Berend Brasjen
Aaltje Dijk
Jan Willem Potjes
Thijs Meulenbelt

14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  

Arendina Kappert
Aaltje Stegeman
Hendrik Potjes
Jentje Deusies
Geesje Kuiers
Hitte Gerrits
Janna Brinkman
Arend van Ankum
Jan Kuiers
Jantje Brasjen
Rika Stoel
Jentje Brinkman

26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  

Bertus Stegeman
Juf Grietje Mulder
Klaas Kragt
Hendrik Brinkman
Willem Brinkman
Hendrik Rumpf
Roelof Visscher
Klaas Rumpf
Dirkje Dijk
Gerrit Jan van Ankum
Frits Brinkman
Gerrit Rumpf

Hoewel deze foto gedateerd is op 15 juli 1918, levert ze toch een paar vraagtekens op. Volgens het boekje dat werd uitgegeven bij het 80-jarig bestaan van de Meeleschool was meester Gemmink schoolhoofd van 22 januari 1919 tot 1 februari 1924, stond meester Brand tussen 1918 en oktober 1920 aan de school en juffrouw Klaver van juni 1920 tot november 1921. Afgaande op deze data moet de foto gemaakt zijn tussen juni en oktober 1920. Wie kan helpen dit probleem op te lossen?
(Volgens de namenlijst in de beeldbank waren de namen van de leerkrachten onjuist, ze zijn nu aangepast naar de gegevens die op de beeldbank staan. De datum van 1918 is vast wel juist, want die staat duidelijk op de lei op de foto geschreven.)

* * *

HET OOSTERVEEN _________________________________________________________

Bij de oprichting van de Leussener Compagnie in 1631 waren twee leden uit het geslacht Van Haersolte, Sweder en zijn zoon Rutger, betrokken. Sweder van Haersolte (1582 - 1643) werd in 1639 benoemd tot drost van Salland en had als zodanig een belangrijke stem in het kapittel. Het verkrijgen van macht en aanzien was de familie Van Haersolte niet vreemd. Een jaar na zijn aantreden als drost probeert Sweder zijn zoon naar voren te schuiven door hem een stem in de landsvergadering te bezorgen. Daarvoor was het nodig dat zoon Rutger (1606 - 1674) beschikte over een havezate. Dat was een huis wat in de meeste gevallen aanzienlijker was dan de meeste anderen en waarop het recht van havezate rustte, het recht om zitting te nemen in het bestuursorgaan van de provincie. Sweder verkreeg op 7 september 1640 bij resolutie van Ridderschap en Steden verlof om dit recht van het huis Dieze, gelegen in de buurtschap Emmen, kerspel Dalfsen, op een andere plaats over te brengen. Hij verkoos daarvoor het goed Oosterveen van zijn zoon Rutger.
In datzelfde jaar {1640) trouwt Rutger, zoon van Sweder van Haersolte en Johanna van Doorninck, met Elisabeth Margaretha van Pallandt. Zij was een dochter van Johan van Pallandt, heer van Keppel, en Elisabeth van Raesfelt. Het huwelijk bleef kinderloos en wellicht daardoor schenken Rutger en Elisabeth het goed Oosterveen in 1663 aan een zoon van een broer van Elisabeth, Elbert Anthony van Pallandt. Van deze schenking is de volgende akte opgemaakt.

Ick Albertus Nuijs wegens die Staten van Overijssel Schoute tot Dalfsen, certificeere mits desen, dat voor mij ende nabenoemde Ceurnoten gecompareert zijn die Hoog Ed. gebooren Gestrenge Heer Rutger van Haersolte toe Haerst en Oosterveen, heer van Staveren, landdrost van Zalland en 't Graafschap Lingen, ende vrouwe Elisabeth Margaretha van Palland eeheluiden, sijnde die voornoemde Vrouwe geassisteerd met haar man de hooggeachte Heer Landdrost, en verklaarden gecedeert en getransporteert te hebben, cederende en transporteerende mits desen Erflijck en onwederroepelijk aen haren neef de Hoog. Edelgeboren Gestrenge Heer Elbert Anthonij van Pallandt, Heer tot Voorst ende 't Ham, haar Hoog Ed. Adelijke huys en Havesate gelegen in 't Oostervheen en 't Oostervheen genaamt. Met zijn getimmerten, hof, boomgaerden en weijdelanden soo tegenwoordigh bij de Schutte gebruijkt worden, ende met plantages van opgaende als lage holt en andere op de voorz. Havesathe ende de onderbenoemde goederen staende. Voorts het vierde part van de griffte van de Verlaeten van 't Pannehuis ende om(dat) die landerijen tusschen die Participanten van Leusen nogh gemeen zijnde.
Item haar Hoog Ed. Erven op het Oostervheen daar Coop Wolters, Jan Staepel, Claas Jansen doodt, Thijmen Reints en Albert Hendriks, als meyeren op woonen, met die daertoe ende bij gehoorende en geleegen weilanden ende met nog drie volle waeren in de Roeten huyssen, gelegen in de Rosengaerder marcke, tesaem daertoe fracteerende, delende de rechten en de gerechtigheden, tesamen vrij van uitgaende tiensen.
Beloovende de Heer en de Vrouwe Transportanten alle dieselve goederen te wachten en te waeren nae behooren van regte. Ende gingen hare Hooch Ed. Gebooren deselve Haevesathe en de goederen voorzeid alsoo uyt, verthiende daervan voor haer ende haeren Erfgenaemen gelijck recht was. Daer dit aldus geschiede waeren met mij Ceurnoten aen ende over als Ceurnoten Jacobus Vriesen, advocaat fiscaell provincie Overijssel ende Secretaris der Stad Zwolle, ende Engbert . . . . zonder archlist. Oirkonde deses bij mij Schoute voornoemt ende de Heer transportant bezegelt en geteikent. Actum binnen Zwolle op gegunde voorwaerden den 14 maert 1663.

Elbert Anthony van Pallandt trouwt in 1663, het jaar waarin hij ook het Oosterveen verkreeg, met Johanna van Haersolte. Zij was een nicht van de eerdergenoemde Rutger van Haersolte; haar vader Anthonie was een broer van deze Rutger. Johanna schenkt Elbert Anthony een dochter die de naam Ernestine krijgt. Zij zal overlijden zonder nakomelingen na te laten.
Johanna komt echter al in 1669 te overlijden. Van Pallandt bleef weduwnaar tot 1680, in welk jaar hij hertrouwde met Walburga van Heeckeren, dochter van Evert van Heeckeren, heer van Nettelhorst, Enghuizen en Barkham, en Maria Torck. In 1685 kocht het echtpaar Van Pallandt-Van Heeckeren de havezate Batinge bij Dwingeloo. Even later wordt de Heer van Batinge benoemd tot kastelein van Coevorden en drost van Drenthe. Wanneer hij in 1701 overlijdt, vererft het Oosterveen op zijn echtgenote.


Elbert Anthony van  Pallandt             Walburga van Heeckeren
foto's: Iconografisch Bureau, Den Haag

Na haar overlijden in 1711 komt het goed bij testamentaire beschikking aan een Carel Willem van Pallandt. In 1728 schenkt hij het Oosterveen aan een neef van hem, Frederik Wilhelm Floris van Pallandt. Naast de havezate ontvangt de begunstigde nog goederen zoals in het volgende werd beschreven:

Anno 1728 den 15 Meert erschenen in den Gerichte de H. Welgeb. Heer Adolf Hendrik Baron van Palland, Heer van Eerde, luitenant Colonel in het regiment van den Heer Generaal Baron van Pallandt, als volmagtiger van de Hoog Welgeboren Heer Carel Willem Baron van Pallandt, Banderheer van Voorst Heer van Keppel en Oosterveen, Generaal Majoor van de Cavallerie Zuid, volmagt van den 4 januarij 1728 voor Hermen Hendriks van Lansveerde, Richter der Stad en Heerlijkheid Keppel, en Schepen Evert Coupelaar en Gijsbert van Laar gepasseert en door de Hoog Welgeboren Heer van Pallandt mede betekent en besegelt, alhier in den Gerichte gelesen en van waarden gehouden, en heeft uit een bijsondere genegenheit als een pure donatie inter vivos eeuwiglijk en erfelijk overgedragen aan den Hoog Welgeboren Heer Frederik Willem Floris Baron van Pallandt dese navolgende goederen in desen carspele van Zwolle gelegen, als twaalf roeden in de Spijkerbroeken, agtien roeden in de Venekampen, twaalf Roeden in de Roveense Route, ses roeden in de stellingh, Twee morgen in de moelertshoeven, alle behorende tot de Havesate Oosterveen in den carspele van Dalfsen gelegen en is daarop mede gecompareert de Hoog Welgeboren Heer Frederik Willem Floris Baron van Pallandt welke voorschreven genereuse donatie in alle dankbaarheid geaccepteert en aangenomen heeft. Sonder arglist.

Twee jaar later, in 1730, doet Frederik Wilhelm Floris van Pallandt de havezate c.a. over aan zijn broer August Leopold. Hun beider moeder Agnes Ermina Douarière van Pallandt zorgt voor de overdracht van de een naar de ander:

Ick Wilhelm Vriezen, in der tijd van wegens de Hoogheijd Scholtus van Zwolle en over Zwollercarspel, doe kond en certificeer dat voor mij en Keurnoten Pauwel Kevinck en Willem Varen personelijk inden Gerichte is verschenen de Hoogh Welgeboren Vrouw Agnes Ermina baronesse Douarière van Pallandt, Vrouwe tot Zuthem, met Ernst Meijer als haren hier toe versochte momber geassisteert, en heeft in de beste en bestendigste somme van regten geconstitueerd en volmagt gemaakt, doende sulcks in en vermits desen, haar soon de Hoog WelEd. geb. Heere Elbert Anthony Baron van Palland, Heer van Zuthem, om uit Vrouw Comparantes name te erschijnen in de Gerichte van Dalfsen en Heino, en de voor het eerste handcedelijk en in vollen eygendom en erflijk te cederen ende transporteren aan en ten behoeve van haren jongsten soon de Heere Augustus Leopold Baron van Pallandt, de Havesate Oosterveen met het regt van verschrijvinge en die daar ondergehorende twee Erven, het eene door Coop Cornelissen en het andere door Harmen Derks wordende bemeijert, voorts de Catersteede soo Jan Peters, alsmeede het land soo den Bouwman op de Havesate gebruikt, alle op Nieuwleusen geleegen soo en in dien voegen als haar vrouw constituente deselve goederen bij maagscheijd met haaren soon de Hoog Welgeboren Heere Frederik Willem Floris Baron van Pallandt en Heer van Keppel en Bannes Heer tot Voorst in dato den 13 February zeventien honderd en dertig zijn toegedeelt en afgestaan, om voor het laatst genoemde gerichte alsoo aan welgemelte haren zoon Augustus Leopoldus meede te cedeeren en over te dragen, het Erve Kraijenschott met zijn holtgewasch, opgaande bomen en Akkermaal, soo als het selve in sijne bekende bepalinge aldaar is geleegen, met verklaringe uit vrouw sonstituentes name dat sij daaraan geen het minste regt van eijgendom is behoudende. Belovende vrouw Comparante van kragt en waarde te zullen houden alle het geene door Heer Geconstitueerde kragt deses zal komen te verrichten sub clausules indemnitatis en verder verband als naar rechten. Des ten waren oirkonde hebbe ik Scholtus voornoemt deese getekent en gesegelt, gelijk meede ten overvloed gedaan hebben de Vrouw Comparante selve neffens hare mombers voorn.
Actum Zwolle den 21 Meert 1730.

wordt vervolgd

* * *

BEZUINIGING _________________________________________________________

Dat er niet alleen tegenwoordig over bezuiniging wordt gesproken, maar dat dat ook al in 1926 het geval was, blijkt uit onderstaand bericht in de Prov. Ov. en Zwolsche Courant. Er is dus niets nieuws onder de zon.

De gevaarlijke overwegen.

De baanwachteressen zijn afgeschaft, de overwegen zijn niet meer afgesloten. Dat heet bezuiniging. Gistermorgen reed de sneltrein uit Leeuwarden bijna boven op een paard en wagen uit Nieuwleusen.
Het is al meer gebeurd hier bij Zwolle dat een trein een wagen overreed. Zelfs dat menschenlevens te betreuren waren. Het liep voor de trein telkens goed af. Hoeveel materieële en schade en misschien schade aan menschenlevens die niet in geld is om te zetten had het gevolg kunnen zijn als een paard wat heel ongelukkig er voorkomt en de locomotief derailleert? Hoeveel baanwachters vergoedingen zouden te betalen zijn uit de schade door één spoorwegongeluk als bij Leiden, veroorzaakt?

* * *

WIE WAS WIE OP DE FOTO VAN USV _________________________________________________________

De vraag naar de namen van de personen die op de foto staan welke op bladzijde 74 van het december 1991 nummer is afgedrukt, heeft diverse reacties opgeleverd. Alle namen zijn inmiddels bekend. De foto is niet gemaakt in 1943 zoals er op staat geschreven, maar ongeveer 10 jaar later, vermoedelijk in het voetbalseizoen 1952/53 ter gelegenheid van een duel van het tweede elftal tegen de club van Pesse. USV ging in deze wedstrijd, die in Hoogeveen of Pesse werd gespeeld, met de eer strijken.


bovenste rij vlnr. Berend van Voorst, Willem Mannen, Arend Jan van Duren, Jan van den Berg, Willie Katoele, Evert Vonder, Reinie Blok, Jan Jansma, Andries Mijnheer
middelste rij vlnr. Gezinus Mannen, Gerard Krul, Gerrit Hendrik Lubbers
voorste rij vlnr. Arend Massier, Derk Jan Bosch, Gerrit van Duren.

Een ander exemplaar van dezelfde opname
De namenlijst bij deze opname

* * *

DE BESTEKKEN VOOR DE BOUW VAN HET FORT BIJ DE LICHTMIS IV _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

Het vijfde bestek (RvS inv.nr 2322, p. 52/22 e.v.)

Conditie ende Besteek, waer naer de Ed: Heeren Gecommitteerde uijt de Ed: Mo: Heeren Raeden van State der Vereenichde Nederlanden op der selver approbatie besteden willen het maecken van een nieuwe steene Corpsdugarde, beneffens de poorte vant fort ontrent Roveen buijten de Stadt Hasselt, in manieren als volght.

Fondament en Muijren
Den aennemer sal gehouden sijn de Corpsdugarde te stellen ter plaetse daermen hem aenwijsen sal, en graeven sijn fondamenten op ter diepte van twee voet, beneden de straet en leggen die aen twee moppen steendick, snijden die in met clesooren tot op een steen ter hoochte van een voet boven de steenstraet, en trecken die voorts op ter hoochte van acht voet boven den bovencant vanden onderdorpel van t'deurcasijn de gevels driecant opgemetselt met haer behoorlijcke vlechtinge naer het loopen van t dack geslooten op de hoecken en bovenop met hertsteene deckstucken gedect, de Corpsduguarde sal lanck wesen vierentwintich en breet sestien voet binnen wercx, ende sal verdacht sijn t'fondament op eijcke santplaeten te leggen.

Deur, ende venstercasijnen
Inde voorhoofd muijr sal hij stellen een deurcasijn, met twee slachvensters, het deurcasijn wijt drie en hooch ses voet binnen wercx, de vensters wijt drie ende halff en hooch drie voet, de stijlen en dorpels swaer vijff en seven duijm, met pennen en gaeten in malcanderen gewerckt, ende met haute naegels geslooten, met haer sponden, en gestopt met twee halve deuren en twee vensters op haer clampen wel vastgenaegelt, glat geschaeft, gehangen aen duijm gehengen, versien met grendels, ringen, clincken, slot, sleutel ende ander ijserwerck, datter niet aen mancqueert.

Balcken
Op de Muijren te leggen ses eijcke balcken, de twee middelste swaer tien en twaelff, de twee andere seven en negen duijm, ende de strijckbalcken ses en acht duijm op de middelste te wercken twee reveelhouten, swaer als de middelste balcken, omde schoorsteen op te metselen, en daer onder rontom aen ijsere houvasten schuijnse breede plancken naegelen, ende de schoorsteen ophaelen een steendick, boven den nock twee voet, ende met een hertsteene lijst decken.

Muijrplaeten ende Capgebinten
Op dese balcken te leggen sijn Muijrplaeten, swaer vier en ses duijm, op de balcken wel vast genaegelt, ende op de balcken te stellen twee Capgebinten, de stijlen, balcken en carbeels swaer vijff en seven duijm, met pennen en gaeten in malcanderen te wercken, ende met houte naegels te sluijten. Op de bovenbalcken te stellen schaer gebinten, swaer vier en ses duijm, met haer haensbalcken, de gordingen swaer vier, en vijff duijm, Op de haensbalcken ende de nocke vierduijm viercant, alles van eijcken hout, versien met spruijten, windtbanden en Jachtschooren, wel genaegelt naden eijsch.

Cappe
De Cappe sal hij aen beijde sijden affspannen met wel getapte revelaers de basten afgeschelt, en gestelt het midden op een voet van malcanderen, op de Muijrplaeten, gordingen en nocke wel genaegelt, ende die belatten met goede pannen latten, niet wijder als tien duijm op t'midden vanden anderen, d'selve te behangen met goede inst(?) gecloncken pannen, en met vorsten decken, van binnen gestreecken, alsmede tegens de gevels en schoorsteen, oock de vorsten in Calck vast setten, en onder de pannen ten wedersijden stijve neusplancken leggen op de revelaers en muijrplaeten vastnaegelen.

Luijff
Boven de deur en vensters sal hij maecken een luijff van vier voet breet, op eijcke Jucken, de stijlen swaer ses duijm viercant, de ribben vier duijm viercant, de plancken een duijm breet, over malcanderen genaegelt, ende onder de slachvensters eijcke baeljen, sterck en suffisant, ende sal de luijff boven op betarren, ende met smits hamerslach bestrooijen.

Sweetbancken
Inde Corpsdugarde sal hij maecken langs de gevels twee sweetbancken, ijder breet ses voet den voorbalck en stijlen swaer vijff en seven duijm, den achterbalck en ribben vier duijm viercant met greijne deelen oversolderen, aen t'hoofden eijnde een schuijnse planck en aen t'voeten eijnde een stijven revelaer genaegelt, aen de muijren geweerhouten, om de Musquetten op te leggen en wapens aen te hangen en van buijten tegens d'eene gevel een luijfken omde Piecken onder op te connen leggen.

Sitbancken
Noch te leveren vier eijcke sitbancken, breet acht dick drie duijm, lanck acht voet met stercke poten en clampen versien.

Straet
De geheele vloer en ses voet breet buijten langs de Corpsdugarde bestraeten met clinckert op sijn cant in sant vast geset, ende sal dese vloer comen een voet hooger als de steenstraet, ende ter sijden de Corpsdugarde de straet met plancken en paeltjens vastsetten.

Anckers
Aende Balcken te leveren, en vast naegelen alsmede aende Muijrplaeten gordingen ende nocke twee en twintich ijsere anckers, wegende ijder ten minsten vijfftien pont.

Hout
T'Hout sal wesen goet, gaeff, viercant gesaecht eijckenhout, sonder met quade quasten, rooden off witten olm besmet te sijn.

Steen
Den Steen goeden Moppen ijselsteen ende goeden Calck.

De metinge sal geschieden met de ordinaris veltmate.

De betaelinge sal geschieden met contant gelt, in drie termijnen, op t'Comptoir vanden Ontfanger Generael Volbergen, den eersten als de materialen bij het werck leggen, ende den aennemer int werck sal sijn getreeden, blijckende bij attestatie van die geene, die haer Ed: Mo: daer toe sullen gelieven te authoriseeren, den tweeden termijn als t'werck volmaeckt opgenomen ende gepresen sal sijn, blijckende bij attestatie vande Heeren Gecommitteerde uijt den Raedt van State, den lesten termijn drie maenden naerde opneminge, als t'werck volgens de bestecke, sonder eenige defecten noch sal werden bevonden.

Aldus gedaen ende naer Trommelslach publijck besteet, ende is dit voorsseide werck aengenomen bij Abraham Cock in den hoop voor de somme van duijsent guldens, ende heeft tot borge gestelt Jan van Rijsel, ende Berent Laegeman, ende sal aenstonts naerde approbatie van haer Ed: Mo: int werck treeden, Actum Zwolle den 21en april 1668.

W v Haersolte Volkier Sloet

wordt vervolgd


Jaargang 10 nummer 2 juni 1992

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

Omslagfoto: Hendrik Meulenbelt bij zijn boerderij in de Stadhoek.

* * *

DE PILLEN VAN DE OOKTER _________________________________________________________

Ome Geert was lange niet vlugge,
hi'j had 't vreesluk in de rugge.
Tot verdrieven van de piene
smeerde hi'j hum in met terpentiene.
Det is zo probaat, zee de olde,
veur de hitte en de kolde.
Ik denke, zee moe toen op 't lest,
det e wat onder de leden hef,
wol e maor ies naor de dokter hen.
Maor hi'j leut zich toch bepraoten,
zi'j zol de dokter komen laoten.
Stien, zee de vrouw, gao ie iens hen
of de dokter komen ken.
Toen kwam een tiedtien laoter
dokter an, een aardige praoter.
Dag, zee hi'j, hoe gaat het hier?
Nou, zee de vrouw, niet best meneer,
Geert hef al een dag of wat
vreesluke piene in de leden had.
De mieste tied hef hi'j op bedde legen,
hi'j kan zich haoste niet bewegen,
't zal wel kolde wezen, vast,
maor 't is een zwaore last.
Dokter gung an 't ondervragen,
keek naor de tonge, die was beslagen,
vuulde de rugge, de pols en de zied
en zee: het wordt nodig tied.
Maor gij hoeft niets te vrezen,
ik zal je straks wat pillen sturen.
Daarvan moet je alle uren
er vier nemen, elke keer
en dan kom ik morgenvroeg wel weer.
Moeder knikte wel tevree,
maor Geert schudde 't heufd en zee:
ziezo now heb ie oen zin,
maor ik neme gien medisienen in.
Ie weet niet iens wat of 't is
smiet ze um mi'j mar op de ....
.....
Viemtwintig pillen namen ze in met warme melk,
maor 't duurde niet zo arrig lange
of daor hadden ze et an de gange.
Moe die jammerde en klaagde
over pien in 't lief en vreug um .....
Stiene was ok glad verlegen,
moe die sprak gien woord meer tegen.
Geert oom kwam van bedde en reup
det komp now van oe gesneup.
Ik zee toch al, det lilluke goed
is net as vergif in oe bloed.
Toen kwam tegen de morgentied
de dokter an, half verblied
det hi'j Geert van bedde of zag
en hi'j reup dadeluk: goedendag.
Ik hoef oe niet te vraogen hoe 't giet,
de piene is zeker over, niet?
Ja, die pillen die zijn best
dat is altied al zo ewest,
ie hebt ze zeker nog niet op.
Waorop Geert zee met hiete kop:
wol ie er misschien nog wat sturen?
Hol maor op met al die kuren,
kiek maor iens et bedden ien,
daor lig mien vrouw en daor lig Stien.
Beiden ligt ze veur mirakel,
ja, maak now maor gien spektakel,
det kump van die pillen, man,
ik zelf, ik nam er gien iene van.
't Grappie kost oens veertien stuver,
now mi'j dunkt det is toch ....
maor now gien iene cent meer heur,
zoo reup Geert, en weg was meneer.
En ze zagen hum niet weer!

Bovenstaand dichtwerk werd door een inwoner van het bejaardenhuis "De Hulstkampen" regelmatig opgezegd.

Mevrouw M. Kooyman-Hengeveld kende op het laatst de tekst ook redelijk. Op een gegeven moment besloot ze een en ander aan het papier toe te vertrouwen. Ze moest daarvoor uit haar herinnering putten en daardoor ontbreken er hier en daar één of meerdere woorden. Wanneer er iemand is die dit gedicht ook kent, dan zouden wij dat graag vernemen, zodat we de ontbrekende stukken kunnen invullen.

* * *

AOVERGROVA _________________________________________________________

B. van Duren

Deur de roodbroene heide giet een oldere man. Hi'j wil nog wat plaggen stikken want die kunt ze ien de kalver- en varkenshokken best gebruken. Der is weinig stro en as de zode goed kepot etrapt wordt, dan is 't hiele beste mest.
Hi'j is allennig en kan zo zien gedachten mooi laoten gaon. Hoe vake was hi'j hier al niet langs ekomen! Haost iedere struke kwaamp hum bekend veur. Hi'j wus precies waor of die grote mieghommelbulte was en waor links van de weg die olde haze zien leger haar. Miestal leup het dier mit grote sprongen weg as Handuk der an kwaamp. Hi'j zul hum beslist gien kwaod doen, mar det kun de haze niet weten.
Wat zul die jonge denne wel denken van 't leven? Det dink is nog klein, een jaor of vieftiene, dacht Handuk. De takken rekt naor boaven as wollen zie naor de wolken. Het boompien stun daor ook zo mooi beschut achter die aanderen.
Die grote, een eindtien verder, die wus beter wat 't leven was. De kolde noordoosten wiend en de sni'j hadden de takken krom ebeugen. De schaopen hadden an de onderste takken evreten en de bliksem was der al ies in eslaone en naw was 't ok van boaven een struppig ding.
Mit de meensen was 't net zo. Ze gruuit op mit de gedachte det ze alles kunt. Al gauw bliekt det 't allemaole aanders giet as ze deenkt en zo langzamerhaand wordt 't schrompele wezens.
Hoe lange was 't naw al weer elene det hi'j mit Jannao, zien eerste vrouwe, over de heide leup? As deerntien van dartiene was ze mit schaatsenlopen ies een keer evallen en sinds die tied was ze een beetien kreupel. Handuk was toen knecht bi'j heur va en moe en hi'j had Jannao naar huus edragen. Onderweg mossen ze zo naw en dan ies uutrusten en toen was 't gebeurd, toen had hi'j det maagien det in zien arms lag ekust. En vanaf die dag wussen ze beiden det ze veur mekare bestemd waren. Het had nog muuite genog ekost um alles geheim te hollen, veural umdet Jannao nog zo jong ewest was.
Ien 1844 waren ze etrouwt en samen hadden ze mooie jaoren beleefd. Flinke jonges waren der geboren. Maor helaas, veul te gauw mus hi'j zien jonge Jannao naar 't karkhof brengen. Dartig jaor was ze nog maor. Handuk was allennig ebleven mit vief jonge kiender, waarvan de jongste nog maar net veertien dagen was. Gelukkig hadden ze op de boerderi'je een dienstmaagien, Aoltien Brinkman, en die had zich 't lot van heur baas en van de kleine kiender arg anetrökken. Ien de zomer van 1857 was ze mit Handuk etrouwd en zo hadden de kiender een tweede moeder ekregen. De liefde veur zien overleden vrouw was wel arg groot ewest, want 't eerste kiend van heur beiden werd naar heur vernuumd. De kleine Jannao had maor elf dagen eleefd. Ze hadden nog meer kiender ekregen, eerst een Aorend-Jan en toen weer een Jannao, die ze toen ze vief jaar old was ok naor 't karkhof hadden mutten brengen. Nao Jannao was der een Garriet-Jan ekomen en daornao nog ies een keer een Jannao.
Zo overdeenkt Handuk zien jaoren. De kiender bint al groot eworden. Allent de aoldste kan zich zien eigen moe nog goed herinneren. Wat was Handuk gelukkeg ewest met zien Jannao. En al komp det niet terugge, het was toch van hun beiden . . . .
Het giet al naar de aovund. Hi'j mut maar ies op huus an. Van 't plaggen stikken is niet veule ekomen.
Ien de varte heurt Handuk de stemmen van zien jonste kiender. Aoltien zal we ezegt hebben: "Haalt va maar ies op." Zi'j hef altied goed veur alle kiender ezorgd, ok al hebt ze der dan een paar mutten missen. Vergeleken bi'j veule aandern was het hun toch goed egaone.
Met de kiender an de haand, Aorend-Jan draagt de schuppe, loopt ze met zien allen langs de boekweite. De kiender praat honderd uut en Handuk is tevreden. Zo is 't leemm goed.

Naschrift:
Ien 1878 overleed Handuk van Duren. Zien dochter Jannao overleed acht jaar later en lig op de olde begraafplaatse achter de vroggere burgemeesterwoning begraven. Vlak bi'j een lindeboom stiet een eenvoldige stien, waarop stiet: Janna van Duren 25-1-1866 16-2-1886. De kiender uut Handuk zien eerste huweluk, Berend, Willem, Jan en Aorend, bint etrouwd. Klaas overleed toen hi'j 27 jaar was. Moeder Aoltien en heur twee jonges, Aorend-Jan en Garriet-Jan, bleven aover; olde bessien en de beide compies zoals ze later in de femilie nog wel enuumd worden. Ok van Aorend-Jan is een stien over ebleven en wel op het oldste gedeelte van de ni'je begraafplaatse. Daarop stiet: Arend-Jan van Duren 19-2-1859 8-12-1909. Van de aandern is tot naw toe gien gedenkstien evunden.

* * *

HET OOSTERVEEN (vervolg) _________________________________________________________

K. Schoenmaker-van Berkum
G. Hengeveld-van Berkum

In 1642 werd August Leopold tot de landdag toegelaten vanwege de havezate Eerde bij Ommen, een goed dat hij had verworven uit de erfenis van luitenant-generaal Johan Warner van Pallandt. Bij de veel kleinere havezate Oosterveen had August Leopold dan ook niet veel belang meer. Hij slaagde er in het goed te verkopen aan Wolf Bentinck, zoals in onderstaande akte werd beschreven.

lck Jan Fabius, wegens Hoger Ovrigheijd in der tijd Scholtus van Dalfsen, doe cond en certificere in en vermits desen dat voor mij ende ceurnoten als waren B.J. Kranenburg en Peter Vonke, persoonlijk is verschenen Gerrit Nagel in qualiteit als gevolmachtigde van de Hoog Welgebooren Gestrenge Heer Baron van Palland, Heer tot Eerde etc., etc., etc. en de Hoog


De door de heer H. Schoemaker op schaal gebouwde havezathe zoals deze er uit gezien zou kunnen hebben.

Welgebooren vrouwe Anna Elisabeth van Haersolte, eheluiden, in gevolge speciale volmagt voor Burgemeester en Schepenen en raden der stad Deventer gepasseerd in dato 15 Meert 1747 door sijn Hoog Welgebooren en volgens een speciale volmagt door desselfs Ed. gemalinne gepasseerd voor het Schouten gerigte van Ommen in dato 10 Meert 1747, door haar Hoog Welgebooren gequalificeert, om de Havesate Oosterveen te mogen verkopen, in vollen eigendom te cederen en te transporteren aan de Hoog Wel Geb. Heer Wolf Bentink, sijnde opgemelte volmagten alhier in de gerigte vertoont en gelesen en van waarden erkend en heeft den comparant voornoemd in sijn opgemelte qualiteit opgemelte Havesate met de onderhoorde erven bij desen gecedeert en getransporteert aan en ten Erfelijke Profijte van de Hoog Wel Geb. Heer Baron Wolf Bentink en de daar bijin sijn opgemelte qualiteit beloofd het getransporteerde te zullen wagten en waren voor alle evictie of opsprake als na regte. In waarheids oorkonde hebbe ik voorn. Scholtus desen getekent en gesegelt benevens de comparant.
Actum Dalfsen 17 Meert 1747.

Nadat Wolf Bentink het Oosterveen een jaar in bezit heeft gehad, komt hij te overlijden. Hierdoor komt het goed terug aan August Leopold. Op zijn verzoek om het recht van havezate over te schrijven naar een huis te Junne (onder Ommen), wordt in 1759 door Ridderschap en Steden gunstig beschikt. Hierdoor daalt het kleine Oosterveen nog meer in aanzien en er wordt dan ook besloten deze bezitting te verkopen. Nieuwe eigenaars worden de schout van Hellendoorn, J.C. Bouwmeester, en G. ten Cate.

Ick Jan Fabius wegens haar Ed. Mag. Ridderschap en Steden de Staten van Overijssel als in desen Exercerende de Hoge Voogdij etc, in der tijd Scholtus van Dalfsen, doe cond en certificere in en vermits desen dat voor mij en Ceurnoten als waren Jan Schipper en Gerrit Wesselink, persoonlijk erschenen is Den Hoog Welgeb Gestr. Heer Augustus Leopold Baron van Palland, Heer tot Eerde etc. etc. etc., en mede als volmagtiger van sijn H.W. Geb. Gemalinne de H.W. Geb. Vrouwe Anna Elisabeth, Baronnesse van Haarsholte, voor de Verw: Scholtus van Ommen Gerrit Nagel gepasseert in dato 10 Feb. 1762, alhier vertoont en gelesen en van waarden erkent, en verklaarden om een wel betaalde som van penningen, waarvan de eersten met de laatsten voldaan is, te cederen en te transporteren, sulks doende kragt deses, aan den Weledelen Heer J.C. Bouwmeester, Scholtus van Hellendoorn, en de Heer G. ten Cate, alle de erven en goederen so als onder Oosterveen gehoren en gelegen sijn op Nieuwleusen, Carspel Dalfsen. Sijnde vrij alodeaal goed sonder beswaar of uitgaande renten, benevens alle de daar onder gehorende hoge en lage landerijen, opstaande getimmerten en houdgewassen, alles in gevolge condietien van verkopinge in dato den 26 Feb. 1761. Verders met sijn lasten en lusten, raad en onraad, vanouds daar toe gehorende. En heeft den Heer Comp. en mede in sijn gemelte qualiteit belooft hetselve te zullen wagten en waren voor alle evictie of opsprake als nae regte. In waarheids oirkonde hebben ik Scholtus desen getekent en gesegelt benevens den Heer Comparant.
Actum Dalfsen den 6 Meij 1762.

De nieuwe eigenaren doen hun verworven bezit spoedig van de hand, nog in het zelfde jaar als waarin ze het kochten. Burgemeester Golts van Zwolle en Gerrit Cuper verwerven in november 1762 de goederen die tot het Oosterveen behoren.

lck Jan Fabius wegens haar Ed. Mog. Ridd: en Steden der Staten van Overijssel als in desen exercerende de hoge voogdij etc. in der tijd Scholtus van Dalfsen, doe hier mede te weten cond en vertificere in en vermits desen dat voor mij en ceurnoten, als waren de Heer Jan Juriens en Hendrik Croes, persoonlijk erschenen sijn den Weledelen Heer J.C. Bouwmeester en desselfs ehe vrouwe Wilhelmina Hovius, en de Heer Gerrit ten Cate en ehe vrouwe Johanna Lowisa Schuilenburg tutore marito, en verklaarden om een welbetaalde somma van penningen, waar van den eersten met den laatsten voldaan is, te cederen en te transporteren sulks doende kragt deses aan den Weledelen Gestr. Heer P. T. Golts, burgemeester etc. etc. der Stad Zwolle en de Heer Gerrit Cuper en haare erfgenamen, de erven en goederen Oosterveen genaamt, gelegen te Nieuwleusen, Carspel Dalfsen, met derselver getimmertens voor so verre die aan de respectieve meijeren niet sijn toebehorende, verders met alle het saaij, hooij, weijde, plaggen en schapelanden, mitsgaders opstaande houdgewassen in hun bekende bepalinge gelegen aller gestalte als het transportanten van den H.W. Geb. Heer Baron van Palland toe Eerde hebben angekocht in gevolge coopbrief


De boerderij op de plaats waar de havezate stond.

daar van opgrigt, verders met sijn lusten en lasten, raad en onraad van ouds daar toe gehorende, sijnde hetselve vrij alodiaal goed sonder beswaar of uit gaande renten. En hebben de comparanten belooft het selve te zullen wagten en waeren voor alle evictie of opsprake als na regten.
In waarheid oirkonde hebbe ik Scholtus deses benevens de comparanten getekent en gesegelt.
Actum Dalfsen den Eersten November 1762.

Beide eigenaren steken geld in de ontginning van deze omgeving. Mogelijk omdat er op zeker moment financiële middelen nodig waren, verkopen zij het Teunis Herms erve in mei 1764. Deze plaats is waarschijnlijk één van de twee erven die in de akte van 1730 worden genoemd en die toen werd bemeijerd door Hermen Derks.

Wanneer burgemeester Golts in 1778 overlijdt, vererft zijn deel in het goed Oosterveen op zijn zuster Helena Eva. Zij is de moeder van Gerrit Willem van Marle. Het oostelijk deel van het landgoed zal via hem vererven naar Willem Jan Baron van Dedem. Namens zijn moeder, zijn vader Berend was al overleden, draagt Gerrit Willem van Marle in 1791 de voormalige huisplaats met bouwhuis en land over aan Arend Geerts, die het in 1789 al op een publieke veiling had gekocht. Het huis is dan dus al verdwenen. Een onopvallende boerderij zal de volgende twee eeuwen niet meer verraden dat er ooit een min of meer aanzienlijk gebouw heeft gestaan dat "adelijk" betimmerd was.


* * *

EEN OUDE SCHOOLFOTO XVIII _________________________________________________________

De kinderen en het onderwijzend personeel van de Christelijke school te Den Hulst ziet u op onderstaande foto, die dateert van ca. 1920, volgens namenlijst:Jaar: ca 1926 (in elk geval uit periode 1925-27)



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  

Klaas Mijnheer
Klaas Borgers
Willemina Borgers
Grietje Wennemers
Dina Bouwhuis
Sikko Oegema
Henk Visscher
Juffrouw Mandemaker
Meester Nettinga
Jan Mijnheer
Johan Willems
Hendrik Willems
Aaltje Huizen
Geesje Wennemers
Willemien Wennemers
Jan Harm Pot
Klaasje Portiek
Margje Spijker

19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  

Geert Jan Doren
G. Schuurman
Berend Schuurman
Jentje Schuurman
Geesje Doren
Derk Schuurman
Grietje Doren
Rika Willems
Marietje Huizen
Piet Wennemers
Arend Jan Westrik
Jansje Westrik
Meester Postuma, hoofd
Marietje Postuma
Jan Berend Schuurman
Lies Boers
Jo Boers
Klaas? Schuurman

37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  
54  

Jantje Willems
Femmigje Willems
Albert Huzen
Klaas Hekman
Lubbert Brinkman
Klaasje Pot
Jantje Groen
Gerrigje Groen
Hendrik Jan van Duren
Klaasje Mulder
Evertje Nijboer
Jo Katoele
Jan Hekman
Derk Schuurman
Klaasje Bisschop
Aaltje Dunnink
Gerard Gerrits
Arend Groen

* * *

DE BESTEKKEN VOOR DE BOUW VAN HET FORT BIJ DE LICHTMIS V _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

Het zesde bestek (RvS inv.nr 2322, p. 55/24 e.v.)

Conditie ende Besteck waer naer de Ed: Mo: Heeren Raeden van Staete der Vereenichde Nederlanden besteden willen, het maecken van een nieuw Secreet buijten van de Wal van't fort bij 't Stappers Roveen buijten Hasselt, in Manieren als volcht.

Paalen
Eerstelijcken sal de aennemer in de gracht in de gront heijen vier palen ter plaetse daer hem sal aengewesen worden, ijder soa lanck dat alsse acht voet diep inden gront geheijt sijn boven gelijcx comen, met de cruijne vande Wal, wijt van een twaelff voet, swaer tien en twaelff duijm, tusschen dese paelen te wercken cruijsen, de ribben lanck sestien voet swaer vijff en seven duijm, alles met pennen en gaeten in malcanderen te wercken, ende met houte naegels te sluijten.

Slooven
Over dese paelen te leggen twee sloven ijder lanck vijftien voet swaer tien en twaelff duijm met pennen en gaeten in malcanderen te wercken ende met houte naegels sluyten.

Lant-gebinten
Noch sal hij heijen in't afdeckens(?) vande wal ses paelen lanck nae den eijs, wijt van( .. ), swaer als vooren, ijder vack vanden anderen twaelff voet, ende daerop met pennen en gaeten wercken slooven lanck acht voet, swaer als de paelen, ende maecken dat de paelen met de boven eijnde gelijcx comen, met de cruijne vande Wall.

Ribben
Op de twee voorste gebinten te leggen ses ribben ende op de andere drie ribben, de buijtenste swaer ses en acht ende de middelste weren(?) ses duijm, Wel op de slooven en paelen met goede acht duijm naegels vast nagelen.

Eycke plancken
Dese ribben te overcleeden met eijcke plancken van vijff uijt de voet, dicht aen malcandren gestreecken 't voorste vack ter breete van twaelff voet viercant, ende d'ander vacken ter breete van vier voet, ijder planck op ijder ribbe met drie goede taeije vijff duijm naegelen vast genagelt.

Secreet huys
Op t voorste gebint sal hij maecken een Secreethuijs lanck twaelff, en breet ses voet voor hooch acht en achter ses voet de stijlen swaer vijff, en seven duijm, de regels vier en ses duijm met pennen en gaeten in malcanderen te wercken, en met houte naegels te sluijten, ende daer in te maecken een bequam sitsel, boven versien met een schuijnse planck vast genagelt.

Becleedinge
Dit Secreethuijs rontomme en boven op te becleeden met eijcke plancken van seven uijt de voet, wel op de stijlen, en regels vast te naegelen, en dicht aen een te strijcken, in't midden van dit Secreethuijs aff te schieten met plancken, op regels en ribben als vooren ende met een grauwe olij verwe rontom doen verwen, ende boven op met peck en tar beswarten, ende met smits hamerslach bestroijen, aende eene sijde een mans, ende d'ander een vrouwe tronije doen schilderen, ende twee schuijnse plancken stellen voor de ingangen van't Secreethuijs ende recht in't midden van't Secreethuijs twee cleijne brillen voor de kinders maecken.

Leuningen
Aen weder sijde vande brugge van't Secreet te maecken een Leuninge, hooch vier voet, de Stijlen, bovenbalck en carbeels, swaer vier en ses duijm de Middelregels vier duijm, viercant met pennen en gaeten en houte nagels geslooten, de Leunbalcken, stijlen en carbeels gladt te schaeven, den boven balck ront afgebaljoent, ende deselve met een grauwe olij verwe vet doen verwen.

Schilderhuysens
Sal noch maecken ses nieuwe schilderhuijsen, ende die te stellen ter plaetse daer hem sal worden aengewesen, de Stijlen hooch ses voet swaer drie en vier duijm, alsmede de Middelregels ende 't raemwerck vande Cappe, alles met pennen en gaten in malcanderen te wercken ende met houte nagels te sluyten, dese stijlen en regels, boven ter sijden en achter te becleeden, met eijcke plancken van ses uijt de voet, alsmede de bodem dicht aen een gestreecken, de plancken gladt geschaefft ende voor twee plancken wel genaegelt, ende drie gater in de plancken om door te sien, ende 't selve schilderhuijs als vooren wel vet doen verwen.

Hout

Alle het hout sal wesen goet gaeff viercant eijckenhout sonder gebreck, maer leverbaer en Coopmans goet.

Alle Materialen hier toe van nooden, geen uijtgesondert, sal den aennemer sich selven beschicken ende daer toe leveren.

De Metinge vande swaerte en lengte van't hout sal geschieden mette ordinaris veltmate.

De betaelinge sal geschieden met contant gelt op't Comptoir vanden Ontfanger Generael Volbergen, in drie termijnen, den eersten als de Materialen bij het werck leggen, ende den aennemer in 't werck sal sijn getreeden, blijckende bij Attestatie van die gene die haer Ed: Mo: daertoe sullen gelieven te Authoriseeren, den tweeden als 't werck volmaeckt opgenomen ende gepresen sal sijn, blijckende bij Attestatie vande Heeren Gecommitteerde uijt den Raedt van State, den lesten termijn drie maenden naer de opneminge, als 't werck volgens den besteck sonder defecten noch sal werden bevonden.

Aldus gedaen ende naer Trommelslach Publijck besteet is dit voorsseide werck op Approbatie van haer Ed: Mo: aengenomen bij Abraham Cock, inden hoop voor de somme seshondert gulden ende heeft tot borge gestelt Jan van Rijsel, ende Berent Laegeman, ende sal aenstonts naer de Approbatie van Ed: Mo: in' t werck treeden, Actum Zwolle den 21en April 1668.

W v Haersolte Volckier Sloet


* * *

VIER JAAR LATER, MET DE VIJAND IN ZICHT _________________________________________________________

Jan H. Kompagnie

Raad van State, inv.nr 93 (vrijdag 29 april 1672)

Bestecken van Rooveen geapprobeert.

Is naer voorgaende deliberatie, goettgevondn ende verstaen mitsdesen te approberen de bestecken hiernaer volgende gespecificeert.

Van het maecken van vier ryen dubbelde baracken yder rye van twaelff hutten in de schans van Roveen, Aengenomen bij Sipke Pieters tesamen voor elffduijsent vier hondert gulden.
Van het maecken van de Brughen over de Gracht ende Contrescherps gracht opt fort Roveen voornoemd. Aengenomen bij Harmen 01thoff voor de somme van achthonderd seventich gulden.
Van t maecken van een poorte binnen de schans opt fort Roveen voornoemd. Aengenomen bij Abraham de Cocqz voor de somme van negen hondert vijftigh gulden.
Van het maecken van een Polvertoorn binnen t'fort op Roveen voornoemd, Aengenomen bij Harmen Olthoff voor de somme van sesthien hondert negentigh gulden.
Van t maecken van een Corps du guarde binnen het fort op Roveen voornoemd. Aengenomen bij Abraham de Cocqz voor de somme van negen hondertt seventigh gulden.
Van t maecken van een secreet ende ses schilderhuijsen binnen t'fort op Roveen voornoemd. Aengenomen bij Herman Olthoff voor de somme van drie hondert gulden.

Raad van State, inv. nr 93 (zaterdag 30 april 1672)

Bestedinghen van t fordt Rooveen Etc. geapprobeert.

Sijn naer deliberatie goettgevonden mitsdesen te approberen de volghende bestedinghen.
Het maken van een niuw fordt mett vier bolwercken op Roveen bijt Pannenhuijs aengenomen bij Gaspar La Grosse ijder roede voor een hondert t'sestigh gulden.
Het maken van twee rijen palissade inde Gracht rontomme t'voorsseide fort aengenomen bij Sipke Pijters yder roede voor seven gulden.
Het maken van een aerde redoutt met eem steene reduijt daerbinnen aengenomen bij Sipke Pitters voor de somme van drie duijsent vier hondert gulden.
Het maken van stormpaelen in de borstweer van de Reduijtt aengenomen bij den voorseide Sipke Pijtters ijder roede voor thien gulden.
Het maecken van een putt opt fordt van Rooveen aengenomen bij Sipke Peters voornoemd voor tachtigh Caroli gulden.
>

* * *

EEN VERHAALTIEN AOVER DERK KLOMP _________________________________________________________

J.K.T.

Mien gropmoe is in 1893 esturven toen mien moe veer jaor old was. Der kwaamp toe een huusholdster en ok een knecht en die knecht det was Derk Klomp. Hoe old of hi'j toe was, det weet ik niet mar ik denke van een jaor of achttiene. De olderen onder oens hebt allemaole Derk Klomp nog wel ekend. Mar zie hebt hum niet ekend toe hi'j nog jonk was en daor vertellen mien moe wel ies oaver:

- Op een keer was de huusholdster verschrikkeluk kwaod. Woarumme det wee'k niet, daor was ik nog te klein veur. Later he'k wel ies eheurd det ze trouwen wol met mien va.
In die tied stoakten wi'j nog een vuur en de maande met törf en holt stund achter de deure op de delle en een takkebos laag der bi'j veur as der ies wat gauw mos koaken. Dan gooien ze wat takken op 't vuur en vlammen det goed. Toe de huusholdster zo verschrikkeluk kwaad was, had ze vuur in de törfmaande edaone en een takkebos met dreug blad der an der boaven op elegd. Ie kunt begriepen det det al gauw begunnen te braanen. Toe 't ontdekt werd, pakken mien va mi'j op en zetten mi'j op de drumpel van de buutendeure. Ik dachte det hi'j kwaad op mi'j was want hi'j zee heel hard: "Daar bief ie zitten en waagt 't niet da'j wegloopt!" Toen begreep ik det niet, maar later wel. As ze 't vuur niet uut kannen kriegen, dan hoefden hi'j niet naar mi'j te zuuken.
Mien va en Derk haalden water met ummers tegelieke.
't Stro boaven op de balken braanen ok al en det konden ze van onderen niet uut kriegen. Mien va durm niet naar boaven op 't braanende stro, maar Derk kreup der wel hen en gooien daar 't water det mien va hum angaf op 't vuur. En zo kreegn ze 't uut. Later zee mien va nog vake: "As Derk niet zo goed ehölpen had en naar boaven ekreupen was, dan was alles ofebraand". Ie kunt begriepen det de huusholdster weg mos en een pozie later kwaamp der een aander veur weer.-

Mien elders wonen niet zo wied van de schoele of, een entie wieder 't Westeinde in. Ik weet nog det later toen ak naar de schoele mosse en 't arg glad was of der een dikke laoge sni'j lag, det Derk mi'j dan vake naar de schoele dragen.
In die tied gongen de mieste meensen lopend naar de karke. Olderen namen ok wel de kleedwagen, maar die goed lopen kon die gonk lopende. As de karke uut gonk leupen ze in groepen naar huus toe. De ongetrouwde jonges veurop, die konden 't hardste.

Derk Klomp

Daor een eintien achter de ongetrouwde maagies en daor weer een eintien achter kwamen de getrouwden. De jonges zungen onderweg Psalmen en Hazeu varsies. Derk leup altied een paar meter veur de aandern uut en sleug de maote met een stok.
't Was toe zundagsmorgens nog arg stille en as ze bi'j de meule van Massier waren, ku'j ze al heuren zingen. As ik dan buuten was, dan gong ik gauw ien huus en dan zee ik altied: "De karke is uut, ik kan ze al heuren zingen." Der werd dan koffie ezet en ik gong gauw weer naor buuten um te luusteren want det vun ik zo mooi. As ze bi'j oens huus waren en Derk gonk de dam binnen, dan heult 't zingen op. De groep worren dan ok steeds kleiner.
Bi'j mien grofva vandaan is Derk naor Duutslaand egaone um te warken. Doar koj meer verdienen as hier. Later is hi'j terug ekoomm en venten nog wel ies met lappies veur een ni'je jurk of zo. Ien mien oogn was hi'j toen al old. As hi'j langs de weg fietsen en wi'j zeeden "Hoi Derk", dan zei e "Hoi kuukens". En umdat Derk veule kiender kennen zee hi'j vake "ie bint der iene van die en ieje iene van die."
As ik teegn mien moe zee det Derk Klomp ok nog oaver de straote fietsen, den zee ze altied: Jullie plaogen hum toch niet hè, det mag ie nooit doen!" Det deden wi'j ok niet, al mossen ie wel ies um hum lachen. En a'j 't bovenstaonde weet, dan ku'j begriepen waorumme mien moe gien kwaod woord wol heuren oaver Derk Klomp.

* * *

REACTIE OUDE SCHOOLFOTO XVII _________________________________________________________

Bij de namen van de foto van de Meeleschool op bladzijde 12/13 van ons vorige kwartaalblad stond bij nummer 27 vermeld juffrouw Stegeman. Uit de er onderstaande tekst heeft u wellicht begrepen dat deze naam fout was en er had moeten staan juffrouw Klaver.
Mevrouw Bolhoven kwam met de oplossing voor het probleem dat wij aan de orde stelden. Om nog even bij nummer 27 te blijven, dit is juffrouw G. Mulder. Zij was van juni 1916 tot juni 1920 aan de school verbonden. De man met nummer 8, aangeduid als meester Gemmink, is meester S. Kapinga, die van juli 1918 tot februari 1919 hier heeft gestaan en daarna naar de school aan het Oosteinde vertrok. Hij was dus nog maar net in dienst toen op 15 juli 1918 de betreffende foto werd gemaakt. Zijn opvolger aan de Meeleschool was meester Gemmink, die afkomstig was uit Ruurlo.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 10 september 1921:
Maandag had door den heer notaris Visscher alhier de eindveiling plaats van het café "de Oranjeboom" te Den Hulst, thans bewoond door van Gulik. Kooper werd de heer Kl. Nijboer voor ƒ 3305,--.

Dedemsvaartsche Courant van 10 september 1921:
Dinsdagmiddag had de eindveiling plaats van het winkelhuis en bakkerij bewoond door A. Klosse te Sluis 3, een woonhuis met tuingrond daarnaast en een kamp groenland, groot bijna 3 H.A., alles afkomstig van den heer W.J. Baron van Dedem. Kooper werd van perceel 1 en 2 (winkel en bakkerij en huisplaats) J. Visscher te Hoorn voor ƒ 11800,-­ woonhuis met tuin J. de Boer van Staphorst voor ƒ 2385,--, de kamp grasland H. Schoemaker te Nieuwleusen voor ƒ 7450,--.


De winkel en het verlof van J. Visser.

Dedemsvaartsche Courant van 3 juli 1894:
Een allertreurigst ongeval heeft hier gisteren plaats gehad. Het achtjarig meisje van den landbouwer W. had zich naar den karnmolen begeven om het paard wat aan te drijven. Toen ze niet spoedig terug kwam, ging men eens kijken waar ze bleef en vond haar met een bloedende wonde aan 't hoofd, tengevolge waarvan het kind weldra overleed. Men denkt dat ze gestruikeld is en het paard, dat geblinddoekt was, haar toen de noodlottige wonde toebracht.

Dedemsvaartsche Courant van 15 oktober 1919:
De toeloop van Duitschers langs den Hollandse grenzen is weer groot. Ze komen soms drie uren spoors. Hun bedoeling is aardappelen machtig te worden, waaraan men verderop in Duitschland weer gebrek blijkt te hebben. Met koffers en zakken worden de aardappelen meegesjouwd en ze betalen slechts 20 pfenning per pond.

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES XVI _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


”Zien gepraot en vief
cent’n, dan hêj net
’n stuuver.”

Hij kletst maar wat


Jaargang 10 nummer 3 september 1992

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

VOLKSONDERWIJS NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Op 12 januari 1916 richtte de afdeling Nieuwleusen van de Vereniging voor Volksonderwijs een schrijven aan de gemeenteraad waarin zij een kritische noot liet horen over de situatie met betrekking tot het onderwijs. De raad nam de brief in haar vergadering van 19 januari voor kennisgeving aan. Dit was niet tot tevredenheid van Volksonderwijs en daarom werd de brief als ingezonden stuk aan de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant aangeboden. Deze plaatste hem op de 24ste en dat had tot gevolg dat er in de krant een openbare discussie ontstond door middel van ingezonden brieven. Onder dankzegging aan de heer K. Borgers plaatsen we hier de eerste ingezonden stukken.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 24 januari 1916:
Aan de Gemeenteraad van Nieuwleusen.

Mijne heeren,
Geeft met verschuldigden eerbied te kennen de Vereeniging Volksonderwijs afdeeling Nieuwleusen, dat op haar algemeene vergadering, gehouden den 17 December 1915, is ter sprake gebracht, dat de openbare lagere scholen in deze gemeente, in een zoodanigen betreurenswaardigen toestand verkeeren dat de gezondheid der leerlingen daardoor wordt bedreigd, en het onderwijs in geenen deele voldoende geacht kan worden, een en ander bij memorie van toelichting nader omschreven.
Zij spreekt haar afkeuring uit over de wijze van beheer en over hem of hen, die hiervoor verantwoording dragen, noodigen uwen raad uit, met spoed, die middelen te beramen, opdat de bestendiging van den onhoudbaren toestand niet langer dure als hoogst noodzakelijk is.

Aldus doende,

W.A. van den Berg, voorzitter.
J. Westerbeek, secretaresse.

Nieuwleusen, 12 Jan. 1916.

Memorie van toelichting.
1. Op de school te Ruitenveen is vanwege de gemeente geen gelegenheid geboden tot het geven van herhalingsonderwijs. Een gevolg daarvan is, dat dagleerlingen van de openbare school op de bijzondere school herhalingsonderwijs ontvangen. Verder verkeeren daar de privaten in een treurige toestand.
2. Op de school in het Oosteinde is, zoolang de mobilisatie duurt, steeds met het personeel gesukkeld voor de klassen 2 en 3. De kachels zijn daar veel te klein om de grote lokalen behoorlijk te verwarmen, bovendien tocht het door vloer, raam en deuren.
3. Op de school te Den Hulst is 't al niet veel beter. Eveneens zijn de privaten ook hier niet in orde; voor de aangrenzende lokalen een onduldbare toestand, welke met weinig kosten opgeheven kan worden.
Kapstokken zijn er niet voldoende en die er zijn, zijn niet doelmatig, terwijl de speelplaats in denzelfden toestand verandert en de kinderen natte en koude voeten doet krijgen, wat zeer nadeelig is voor hun gezondheid.
Het handwerkonderwijs levert zulke resultaten op, dat eenige ouders beweerd hebben, dat, indien de toestand zo blijft, zij haar kinderen van school zullen nemen. Eén onderwijzeres voor een 70-tal kinderen is dan ook zeer onvoldoende en niet geoorloofd.
Wat de lokaliteit betreft is het daar verre van rooskleurig. Hoewel de wet er vijf lokalen eischt en ook een 5e leerkracht, blijven beide steeds uit. Zooals de toestand nu is, zitten er ongeveer 60 à 70 kinderen, waar slechts plaats is voor 48.
4. De school op de Meele verkeert wel in de ongunstigste positie, vooral wat het personeel betreft. Indien met Februari a.s. nog geen nieuw hoofd in functie treedt, staat men daar voor het geval: geen hoofd, geen onderwijzer, slechts één tijdelijke onderwijzeres.
Het volgende geldt voor alle scholen te zamen.
De schoonmaak, die nu in handen der gemeente ligt, is in één woord slecht. Er wordt niet de minste toezicht op uitgeoefend, zoodat de scholen thans haast nog vuiler zijn dan vroeger. Met de drinkwatervoorziening staat het hier ook treurig, op geen der scholen is een goede pomp aanwezig.
Aldoor staan in onze gemeente vacatures, waardoor het onderwijs veel lijdt en waarin vaak na veel moeite wordt voorzien. Dit is mede het gevolg van de lage tractementen van het onderwijzend personeel, dat het in de meeste gemeenten beter kan krijgen en dus direct vertrekt, zoodra zich iets anders voordoet.
Vanzelf komt de vraag naar voren: is Nieuwleusen zo arm dat het tenachter moet staan bij nog kleinere gemeenten en heeft het zo weinig gevoel voor het openbaar onderwijs?

-----------------

Mijnheer de Redacteur.
Door het bestuur van de afdeeling Nieuwleusen van Volksonderwijs is bovenstaand adres aan den raad onzer gemeente gericht. De feiten, daarin genoemd, berusten alle op waarheid, eigenlijk zijn die nog slechter als daarin aangegeven. Wij vragen ons hier af: wanneer zal aan een dergelijke wantoestand een einde komen? Meer publiciteit zal zeker onze zaak, neen de zaak onzer gemeentenaren, ten goede komen, redenen waarom ik U verzoek een en ander in uw blad op te nemen.
U bij voorbaat beleefd dankend, teekent,

Hoogachtend - Een abonnee.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 11 februari 1916:

Volksonderwijs, Nieuwleusen.
Wie met de toestanden in Nieuwleusen goed op de hoogte is, zal weten, dat er in het adres aan den raad en de daarbij overlegde memorie van toelichting van de afdeeling Nieuwleusen van "Volksonderwijs", heel wat overdreven of onjuist voorgesteld wordt, maar wie buiten woont zal denken, dat er in onze gemeente niet het minste voor het onderwijs wordt gedaan. En het is dan ook hoofdzakelijk om te voorkomen, dat Nieuwleusen en des zelfs bestuur in zoo kwaden reuk komen te staan, dat ik het volgende in het midden wens te brengen.
De verschillende punten der memorie volgende, begin ik.


De stuurvrouwen zijn vlnr. Harmke Schippers, Tabina Schippers, Aaltje Brinkman en Pauline Schröder.

1. "Op de school te Ruitenveen is geen herhalingsonderwijs gegeven." Waarom niet! Reeds onder het vorige hoofd der school moesten er met kunst en vliegwerk eenige leerlingen bij elkaar getrommeld worden om dat onderwijs te kunnen geven; de ouders zagen er blijkbaar het nut niet van in. Nu is er sedert 1 October 1914 een hoofd der school, die tot hiertoe wegens ongesteldheid zijn betrekking niet heeft kunnen waarnemen, die maand in maand uit zijn salaris genoot en een tijdelijk onderwijzer noodig maakt. Zijn vrouw is onderwijzeres geweest. Nu had de gemeente mogen verwachten dat die menschen blij zouden zijn, althans iets van het drukkend gevoel dat het geeft, wanneer men geld ontvangt zonder er voor te werken, van zich af te kunnen wentelen door althans voor een gedeelte in elkanders plaats te treden in school; de tijdelijke onderwijzer ware dan overbodig geweest. Niets van dit alles. Is het nu van het gemeentebestuur te verwachten, dat het een drijfjacht ging houden op leerlingen voor herhalingsonderwijs?
Hadden er zich uit eigener beweging leerlingen aangemeld, dan ware het onderwijs gegeven, ofschoon nieuwe moeilijkheden zich zouden hebben voorgedaan, daar volgens de verordening op het herhalingsonderwijs het hoofd der school de leiding heeft en deze niet in staat was het onderwijs te geven.
De privatenkwestie is een oude bekende. Deze zijn gebouwd overeenkomstig de door de regering goedgekeurde bestekken; op aanwijzing van B & W en den districtsopziener zijn er voor een paar jaar verbeteringen bij aangebracht. Bij bezoek aan de scholen is echter gebleken, dat de deksels niet behoorlijk worden gebruikt; het ligt toch, dunkt mij, op den weg van het onderwijzend personeel dit de kinderen te leeren; gebeurde het geregeld, het kwaad ware voor een goed deel, zoo niet geheel, verholpen.
2. "In de school in het Oosteinde gesukkeld met klassen 2 en 3 tengevolge der mobilisatie."
De mobilisatie heeft zooveel te doen gemaakt, dat het heel gewoon is, dat Nieuwleusen er ook iets van meekrijgt. Toch mogen we ons nog gelukkig rekenen, dat er bijna onafgebroken met voltallig personeel in de school in 't Oosteinde is gewerkt kunnen worden. De herhaalde veranderingen in het tijdelijk personeel zijn voor een goed deel hieraan te wijten, dat bij de tegenwoordige onderwijzers eergevoel en verantwoordelijkheidsgevoel klanken dreigen te worden. 50 gulden meer salaris, een mooier plaatsje, wip, weg zijn ze weer! Een dienstbode zou er zich voor schamen! En zoo klein in vergelijking met andere plattelandsgemeenten zijn de salarissen hier toch werkelijk niet. Het gemeentebestuur heeft telkens in de leemten voorzien; aan de onderwijzers de taak om het onderwijs in de gegeven omstandigheden zoo vruchtbaar mogelijk te maken.
Grappig doet de klacht over de te kleine kachels aan in dezen zachten winter, waar er in koude jaren niets over gehoord werd.
Op de tochtkwestie zal ik niet ingaan, wie weten wil wat tocht is, ga naar een ziekenhuis, waar toch zeker wel voor de hygiëne wordt gezorgd.
3. "Bij de school te Den Hulst is het met het schoolplein niet in orde.“ Het zal er heel zeker wel eens vuil zijn en de kinderen zullen wel eens koude voeten krijgen ook; de zorg voor den gezondheidstoestand is te prijzen, maar de onderwijzers gelieven te bedenken dat, zoodra er nieuw grint op het schoolplein is, de gebroken ruiten in de schoollokalen weer vele zullen zijn. De voorzitter van "Volksonderwijs", die, op datzelfde schoolplein in slechteren toestand, heeft gespeeld en in weerwil van de koude voetjes daar opgedaan, een stevige baas is geworden, keere bij zich zelfers, zorge maar steeds, dat hij op de veilingen geen beschadigde mais of andere minderwaardige voedingsartikelen koope en die hier uitvente, waarvan het gebruik voor mensch en dier wel eens kwadere gevolgen zou kunnen hebben dan af en toe een paar koude voeten.
Het gebrekkig handwerkonderwijs en het gebrek aan ruimte is een zaak van tijdelijke aard; zoodra het gemeentebestuur de zekerheid heeft dat er geen bijzondere school wordt gebouwd, wordt er een lokaal bijgebouwd; meer personeel, betere verdeling der kinderen over de lokalen, ook betere toestanden in het handwerkonderwijs. Komt een bijzondere school, dan zou er misschien al gauw één lokaal, zo niet twee, leeg staan; het gemeentebestuur heeft niet den minsten lust om met deze kans voor oogen den hoofdelijken omslag, die nu reeds 5½% van het inkomen bedraagt, noodeloos verhoogd te zien.
Op de klachten over de school te De Meele is niets te zeggen dan "men moet niet schreeuwen voor men geslagen wordt". Er waren, hoewel een hoofd thans ontbreekt, steeds twee leerkrachten; die zijn er nu en zullen er met 1 Februari ook zijn.
De klachten over het schoonmaken der scholen zijn sterk overdreven, maar men wil klagen. Vroeger was het slecht, nu nog slechter. Het hoofd der school te Den Hulst echter verzekerde mij nog dezer dagen, dat de school uitstekend werd schoongemaakt.
Tenslotte dit: Minister Modderman heeft gezegd: "herzie uzelf"; dit zou ik ook die onderwijzers en onderwijzeressen op het hart willen drukken die, steeds aanmerkingen makende, hun kostelijken tijd laten voorbijgaan en jaar in jaar uit dezelfde positie behouden. Doet in de eerste plaats uw werk goed; gebruikt uw vrijen tijd voor studie. Ziet op uw collega's Koopmans, Zevenbergen, Zoete, Bitter en zooveel anderen; zij hebben hier ook gewerkt onder omstandigheden die niet beter waren dan de tegenwoordige, en nu denken ze in goede betrekkingen op goed gelegen plaatsen terug aan Nieuwleusen, waar het toch zo kwaad nog niet was. Met de oogen steeds open voor de tekortkomingen van anderen, eigen grieven breed uitmetend, ziet men eigen tekortkomingen niet. Doet uw werk goed! Dat wil zeggen: handelt overeenkomstig art. 35 op het l.o.: tracht bij uw leerlingen maatschappelijke en christelijke deugden aan te kweken. Gij zijt voorstanders van het openbaar onderwijs, zorgt dan ook dat uw onderwijs uitblinke; zorgt ervoor, dat althans van U niet kan worden gezegd, wat zoo dikwijls wordt beweerd, dat de Bond van Onderwijzers de grootste vijand van het openbaar onderwijs is. Doet het uwe om te voorkomen, dat de kinderen ruiten ingooien en pompen onbruikbaar maken en zich verder bij de school onordelijk gedragen. In deze dingen kan U de bijzondere school tot voorbeeld strekken. Jammert niet altijd over salarissen, die U toch zeer goed in staat stellen behoorlijk te leven. Nog eens: herzie u zelf. Gij zult er uw leven gelukkiger door maken, uwe leerlingen en het openbaar onderwijs zullen er wel bij varen.
Nog dit: als bewijs, zoo zulks nog noodig is, dat het gemeentebestuur wel degelijk een open oog heeft voor volksonderwijs, diene, dat Nieuwleusen een van de eerste gemeenten in Overijssel is geweest, waar gelegenheid is geboden tot het genieten van landbouwonderwijs, eerst met behulp van leerkrachten uit de naburige gemeente Avereest, later met leerkrachten uit eigen gemeente, verkregen door op initiatief van den Voorzitter genomen raadsbesluit, om de jaarwedde van den onderwijzer, het eerst in bezit komende der landbouwacte, met ƒ 100,--, die van de volgende met ƒ 25,-- te verhoogen, waardoor al spoedig twee hoofden in het bezit van genoemde acten kwamen. Doch de raad bedankt er voor om het geld der gemeente te verspillen aan verhoogingen van jaarwedden van onderwijzers en onderwijzeressen, die hun kostbaren studietijd voorbij laten gaan met lanterfanten en daardoor zelf hun vooruitkomen in den weg staan. Dat soort onderwijzers heeft nu reeds eer te hooge dan te lage jaarwedden.
U Mijnheer de Redacteur, bij voorbaat dankzeggend voor de plaatsing van bovenstaande, teeken ik mij met hoogachting,

De Burgemeester van Nieuwleusen
J. Bosch Bruist.

wordt vervolgd

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES XVII _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


”A^j’ ding’n koopt die a^j’
niet neudig bint, mu^j’
ding’n laot’n staon waor
a^j’ niet umme kunt.”


Koop je onnodige dingen, dan kun je niet
kopen wat je echt nodig hebt.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 28 februari 1928:
Door mej. G.J. Palthe te Oldenzaal, die des zomers alhier verblijf houdt, is aan de vereeniging "Het Groene Kruis" alhier voor de te houden bazar een bedrag geschonken van ƒ 500. Moge dit navolging verdienen.

Dalfser Courant van 18 augustus 1892:
Nu hooi en rogge binnen zijn, verlangen onze landbouwers zeer naar een regenbui. Het gras verdort met dit droge weer en men vreest dat de tweede snede alzoo niet veel zal opleveren. De aardappelziekte begint zich ook weer te vertonen.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XIX _________________________________________________________

Deze keer hebben we uit de verzameling een foto gekozen van een reis van de landbouwvoorlichting naar Schiphol, welke omstreeks 1956 plaats had.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  

Dhr Visser(voorlichting)
Mevr Visser
Jantina Broek-Prins
Tinus Broek
Jan Thijs van Hulst
Lubbert Talen
Aaltje van Hulst-Kreule
Roelof Prins
Harm Krul
Lefert van de Berg
Jan Thijs Huzen
Jantje Huzen-Schoemaker
Willem Krul
Jan Bijker
Jan Stolte

16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  

Hendrik Bijker
Annigje Stolte-Evers
Roelof Hekman
Janna Hekman-Kragt
Arend Luten
Mevr Post
Thijs Bijker
Margje Pierik-Meulenbelt
Hilligje Upper-Alteveer
Hendrika Kok-Timmerman
Jentje Bijker-van Hulst
Jantje vd Berg-Ekkelenkamp
Aaltje Bijker-Evertsen
Janna Mulder-Sterken
Klaasje Prins-Nijboer

31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
 

Albert Slager
Mevr Teunissen
Mevr Slager-Dominee
Hendrik Ganzeboer
Luuks Kok
Hendrik Upper
Klaas Bijker
Roelof Teunissen
Jan Pierik
Herman Post
Frits Bijker
Koop Schoenmaker
Arend Mulder
Albert Prins

* * *

DE ROGGEHAZE _________________________________________________________

B. van Duren

Wat oes vrogger as kiender oaverkomen is, det mut de kleinties van heel varre terugge in de tied ok al mee emaakt hebben. Het gunk van geslacht op geslacht as de boerenbevolking an 't roggemeien was.
Va was met de zende op het roggelaand drok an 't meien. Hi'j meide veur de wiend. Mien oldste breur Klaos maken met de welhaoke bossen waor dan later een paar stroobaanden um hen kwamen. De garven worden later op de dag an schoven ezet um te dreugen. Nao de middag kwaamp moe ok een poosien helpen bienden. Zi'j had koffie en brood met eneumen en wi'j as kiender mochten ok mee. Een dikke appel in de voeste en zo gungen wi'j naor 't laand.
Moe vund dat ze best op escheuten waren. De hoek rogge die nog oaverende stund, worden al aorig klein. Eerst maor ies wat eten en drinken, van 't warken ien de zunne krieg ie honger en dörst.
Va knipoogde ies tegen moe en zee toen: "Daor zit mi'j ien de rogge toch een dikke haze! Ieder keer kröp hi'j maor verder ien det huukien det nog niet emeid is. Wi'j mussen proberen um det dier te vangen. As Beernd en de maagies nou ies bi'j de gröppel gaot staon, dan kan hi'j gien kaante meer op."


Wi'j glunderen. Ik had al direkt een flinke stok te pakken. Mien beide zussies konden niks vienden en keken wel een beetien sip. "Gef niks," zee moe, "elk an een kaante ien de gröppel en de schölk ophaolen, dan vange wi'j hum levend."
Toen 't meien weer begunnen, worden 't steeds spannender. Wi'j stunden bi'j de gröppel te wachten tot de haze uut de rogge zol komen. 't Stuk det nog emeid mos worden, worden hoe langer hoe kleiner. Waorumme de groten zo'n schik hadden, det begrepe wi'j niet. Nog iene meter ien 't veerkaant! Va deut een paar fikse slagen met de zende en de rogge was dale. Maar waar was de haze?
"Nou is hi'j verduld toch nog vut elopen," zee va. "Wat is det nou toch jammer." Wi'j hebt nog lange hier en daar ekeken, maar de haze kwaamp niet terugge. Gelukkig had moe veur de onfortuunluke hazenvangers een dikke plakke koeke.

zende = zeis; gröppel = greppel; schölk = schort

* * *

IETS ANDERS _________________________________________________________

Drie jongens gingen samen
In een drogistenzaak,
Ze wilden wat gaan kopen,
Een ieder naar zijn smaak.
Daar kwam de baas naar voren,
"Wat blieft U," vroeg hij Klaas.
"Ik wil een duppie dropjes
Graag van u hebben baas."
De baas haalde een ladder,
De dropdoos stond zo hoog:
Dat was er goed voor zie je,
Dan bleef ze lekker droog.
Met moeite en gescharrel
Had hij eindlijk de doos,
Hielp Klaas, zette de ladder
Weer op zijn plaats. "En Koos,
Wat wou jij hebben, jongen?"
"Een duppie drop, mijnheer."
"Kon je dat niet eerder zeggen?
Nu moet ik nog een keer
Die ladder gaan versjouwen.
Enfin, vooruit dan maar."
En nogmaals op den ladder
Stond hij met 't doosje klaar
En riep toen naar beneden
(Een beetje kwaad) tot Jan:
"Moet j' ook een duppie dropjes?
Zeg het meteen maar dan,
Want anders moet ik daad'lijk
Alweer naar boven gaan
En dan is 't, zou ik denken
Met mijn geduld gedaan."
"Welnee, mijnheer!" was 't antwoord.
De baas was al weer klaar,
Zei met een herwonnen lachje:
"Hier heb je 'tal, ziedaar."
En toen tot Jan zich wendend:
"En u dan jongeheer?"
En ijskoud zei het ventje:
"Een stuiver drop, mijnheer!"

* * *

EEN WANDELING LANGS DE DEDEMSVAART _________________________________________________________

W.G.A.J. Röring

Van Staphorst kunnen wij in 1 ½ uur de Dedemsvaart weer bereiken. Den weg te nemen, dien wij vroeger reeds passeerden, lacht ons niet bijzonder aan. Wij nemen daarom te Staphorst een kaartje en sporen van hier naar station Dedemsvaart, dat we in enkele minuten bereiken. Gingen wij nu het kanaal over, dan kwamen we in de gemeente Nieuwleusen. De dorpskom, die ongeveer een uur z.o. van 't station ligt, bezoeken wij niet: 't zou ons te ver van den weg afleiden. Al voortwandelende kan ik u vertellen, dat de gem. Nieuwleusen niet zeer groot is en in 1818 werd gevormd uit deelen van Dalfsen, Staphorst en Zwollerkerspel. Het dorp zelf schijnt in de tweede helft der 17e eeuw ontstaan te zijn, want de dorpskerk, die in 1829 vernieuwd is, dagteekent van 1660. De landbouw, het hoofdbedrijf der bewoners, brengt de gemeente welvaart, en ook het wijd uiteen gebouwde dorp ziet er net en welvarend uit.
Sedert wij het station Dedemsvaart hebben bereikt, merkten wij op, dat het landschap geheel van gedaante is veranderd. De zandgronden hebben de veengronden vervangen. Krachtig houtgewas - eiken, beuken en dennen - vormt bosschen en omzoomt akkers en wegen. Rogge, boekweit- en aardappelvelden wisselen af met weiden en bosschen. Hier rijst de bodem, daar ligt eene vlakte. Het eentonige van 't landschap is verdwenen, er is meer afwisseling, wat onze wandelingen te aangenamer maakt. Bij 't station Dedemsvaart hebben wij de grenzen van 't Laagveengebied van n.w. Overijssel bereikt.


Steeds houden wij 't kanaal aan onze rechterzijde. Daar links ligt het fraaie buitenverblijf de Rollecate, waar de ontwerper der Dedemsvaart, Mr. W.A. Baron van Dedem tot den Berg, zijne laatste levensjaren doorbracht. Hebben wij de buurschap Den Hulst bereikt, dan wendt zich het kanaal, en ook onze weg, iets zuidelijk en doorsnijdt ongeveer een half uur de gem. Nieuwleusen, wier grens wij nu spoedig overschrijden, om in de vrij uitgestrekte gemeente Avereest te komen.
Nog steeds houden wij den weg langs het kanaal en voortwandelende merken wij op, dat het aantal woningen hier steeds grooter wordt. De brug daar is de Balkbrug en van de beide wegen, die er samenkomen, gaat deze, aan onze linkerzijde, naar 't dorp Avereest, die, aan de overzijde der vaart, naar Ommen. Steeds loopt het kanaal en dus ook onze weg, lijnrecht, tot we de Pol -een groep huizen­ bereikt hebben. Van hier loopt een zijkanaal of wijk, de Sponturfwijk, in n.o. richting, uit de hoofdvaart naar de Reest. Bij de Pol wendt zich de Dedemsvaart naar 't zuiden, om dan bijna ¾ uur oostelijk te loopen, vervolgens zich weer iets naar 't n. te wenden om de richting, die zij bij de Pol verliet, weer aan te nemen. Tusschen de beide ombuigingspunten is eene wijk gegraven, de Kruisinga's-wijk, die ge daar voor u ziet. Voorloopig houden wij echter den weg, die langs de hoofdvaart loopt. Steeds grooter wordt het aantal woningen, steeds dichter staan ze naast elkaar. Wij hebben het aanzienlijke dorp Dedemsvaart bereikt. Ik zie, dat het u niet tegen valt; zulke nette burger- en heerenhuizen, zulke fraaie winkels, zulke deftige gebouwen hadt ge waarschijnlijk hier niet verwacht. Het langwerpig vierkante plein hier is de markt. Aan de palen, die daar staan, wordt het vee vast gezet, als hier veemarkt gehouden wordt. Hier staat het kerkgebouw der Protestantsche, ginds dat der Israëlitische gemeente; de kerken der R.K. en der Chr. Geref. staan aan de Kruisinga's-wijk. Nog meer dan door het nieuwe post- en telegraafkantoor, dat aan de markt staat, wordt uwe opmerkzaamheid getrokken, door 't gedenkteeken, dat een dankbaar nageslacht hier plaatste voor den ontwerper der Dedemsvaart. Op een ijzeren voetstuk staat een gevleugeld ijzeren beeld, de Faam, die met eene bazuin den lof schijnt te verkondigen van Mr. W.A. Baron van Dedem tot den Berg. Hoe geheel anders was het hier voor 70 à 80 jaren. Toen eene woestenij, zoo goed als onbewoond, thans vruchtbare akkers, tuinen en weiden en sierlijke woningen langs het breede kanaal, met veel scheepvaart en veel leven en bedrijvigheid langs zijne oevers.

Bovenstaande is overgenomen uit het in 1890 verschenen boek "Beschrijving van Overijssel en wandelingen door die provincie. Een leesboek voor dag- en herhalingschool, door W.G.A.J. Röring, hoofd eener school te Tubbergen".

* * *

GENEALOGIE VAN HOLTEN _________________________________________________________

A. van Holten

Deze genealogie begint in het jaar 1735 met de doop van Hendrik Everts die zich in 1763 vestigt in Nieuwleusen. Hij komt dan uit Zwolle waar hij minder dan 1 jaar heeft gewoond. Bij de volkstelling van 1795, Hendrik is dan al overleden, wordt Janna Gerrits de weduwe van Hendrik van Holten genoemd.

I.

Hendrik Everts van Holten, geb. Dijkershoek ged. Holten 30-1-1735, eig. Timmerij, overl. Nieuwleusen voor 1795, zn. van Evert Willems en Aelbertien Knoperts, tr. Nieuwleusen 4-2-1763 Janna Gerrits (weduwe van Bartelt Stolte), ged. Nieuwleusen 6-4-1722, eig. Timmerij, overl. na 1795, dr. van Gerrit Jans en Jennigjen (Jenne) Berends.
Uit dit huwelijk:

1.

Bartelt Hendriks van Holten, ged. Nieuwleusen 14-9-1766, volgt Ila.

IIa.

Bartelt Hendriks van Holten, ged. Nieuwleusen 14-9-1766, kastelein, herbergier (van 't Witte Peerd), overl. Nieuwleusen 17-5-1837, tr.(1) Nieuwleusen 18-4-1795 Janna Nijland, geb. Noesele onder Helderen, overl. voor 2-2-1805.
Uit dit huwelijk:

1.




2.

3.


Hendrina van Holten, ged. Nieuwleusen 8-6-1796, overl. Nieuwleusen 5-3-1868, tr. Nieuwleusen 27-5-1823 Frederik Pasman, geb. Dalfsen ca. 1801, landbouwer, overl. Nieuwleusen 4-11-1859.
Janna van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 4/8-4-1798, overl. voor 1802.
Janna van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 16/19-12-1802, overl. Nieuwleusen 27-6-1840, tr. Nieuwleusen 16-4-1836 Jochem Bruggeman, geb. ca. 1807, timmerman.


Het Witte Peerd (rechts) naast het Palthehuis omstreeks 1935.

IIb.

Bartelt Hendriks van Holten, ondertr./tr. (2) Nieuwleusen 2/17-2-1805 Grietje Alberts Schoemaker, geb. en ged. Nieuwleusen 1-4-1781, overl. Nieuwleusen 13-6-1866, dr. van Albert Geerts Schoemaker en Marrigje Klaas.
Uit dit huwelijk:

1.

2.

3.





4.

5.




Jan van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 20/21-12-1806, overl. Zwolle(?) ca. 1817.
Albert van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 10/11-11-1810, volgt Illa.
Hendrikje van Holten, geb. Nieuwleusen 1-4-1813, overl. Nieuwleusen 9-2-1889, tr. Nieuwleusen 30-6-1837 Jan Gerritsen, geb. Nieuwleusen 1818, ged. Nieuwleusen 1-3-1818, kleermaker, zn. van Jan Gerritsen en Femmigje Klein.
Willem van Holten, geb. Nieuwleusen 22-6-1817, volgt Illb.
Marrigje van Holten, geb. Nieuwleusen ca. 1-1822, ged. Nieuwleusen 1-1822, over1. Nieuwleusen 23-2-1885, tr. Nieuwleusen 6-5-1848 Jan Lap, geb. ca. 1823, ged. Nieuwleusen 6-1825, Landbouwer.

Fragment A.

IIIa.

Albert van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 10/11-11-1810, arbeider, landbouwer, timmerman, overl. Deventer 4-7-1859, tr. Nieuwleusen 25-5-1839 Stijntje van Spijker, geb. en ged. Nieuwleusen 14-2-1821, overl. Nieuwleusen 16-3-1887, dr. van Klaas van Spijker, landbouwer, boerenknecht, en Willemina Evenboer.
Uit dit huwelijk:

1.


2.

3.


4.


5.


6.


7.

Janna van Holten, geb./ged. Ruitenveen/ Nieuwleusen 2-11/1-12-1839, overl. Nieuwleusen 7-8-1840.
Jan van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 22-6/4-7-1841, overl. Nieuwleusen 12-9-1841.
Jan van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 3-10-1842/1-1-1843, overl. Nieuwleusen 2-3-1845.
Willemina van Holten, geb./ged. Ruitenveen/Nieuwleusen 26-8/7-9-1845, overl. Avereest(?) ca. 1901.
Barteld van Holten, geb./ged. Ruitenveen/Nieuwleusen 3-10/7-11-1847, overl. Nieuwleusen 24-10-1870.
Klaas van Holten, geb./ged. Ruitenveen/Nieuwleusen 12-10/3-11-1850, volgt IVa.
Grietje van Holten, geb./ged. Den Hulst/ Nieuwleusen 10-11/4-12-1853, volgt IVb.

IVa.

Klaas van Holten, geb./ged. Ruitenveen/Nieuwleusen 12-10/3-11-1850, landbouwer, arbeider, overl. Nieuwleusen 5-11-1920, tr. Nieuwleusen 21-4-1881 Aaltje Gerritsen, geb./ged. Dalfsen 5-12-1859/10-3-1860, melkster, overl. Nieuwleusen 15-10-1934, dr. van Klaas Gerritsen, boerenknecht, landbouwer, en Aaltje Huisman, dienstmeid, arbeidster.
Uit dit huwelijk:

1.

2.


3.

4.

Albert van Holten, geb./ged. Dalfsen 26-9/10-10-1881 volgt Va.
Klaas van Holten, geb./ged. de Meele/Nieuwleusen 16-10/2-12-1883, over1. Den Hulst ca. 1949.
Arend van Holten, geb. de Meele 25-12-1887, overl. Nieuwleusen 16-6-1888.
Arend van Holten, geb. de Meele 11-7-1889, volgt Vb.

Va.

Albert van Holten, geb./ged. Dalfsen 26-9/10-10-1881, overl. Avereest ca. 1-11-1952, tr. Nieuwleusen 15-3-1905 Jentje Steens, geb. Avereest ca. 1885, overl. Oostzaan 22-9-1959, begr. Oostzaan.
Uit dit huwelijk:

1.

2.

3.




4.

Klaas van Holten, geb. Nieuwleusen 2-8-1905, volgt Vla.
Roelof van Holten, geb. Balkbrug 20-3-1907, volgt Vlb.
Aaltje van Holten, geb. Nieuwleusen ca. 1-7-1908, over1. 13-7-1968, tr. (1) voor 1931 Gerrit Vossebeld, overl. ca. 1931, tr. (2) na 1931 Harm Driesen, geb.Zuidwolde, overl. Raalte 29-5-1990.
Annigje van Holten, geb. Nieuwleusen 26-11-1910, overl. Hasselt 9-4-1988, tr. Derk $poeder, overl. 19-7-1956.

Vla.

Klaas van Holten, geb. Nieuwleusen 2-8-1905, overl./begr. Amsterdam 15/20-4-1976, tr. Dedemsvaart 25-4-1930 Jantje Bos, geb. Dedemsvaart 16-9-1906.
Uit dit huwelijk:

1.



2.
3.


4.

Albert van Holten, geb. Oostzaan 13-3-1931, overl. Amsterdam 17-1-1975, begr. Amsterdam, tr. Alkmaar 11-7-1961 Elisabeth Koolen, geb. Rotterdam 18-9-1933.
Jan van Holten, geb. Oostzaan 9-11-1932.
Jenny van Holten, geb. Oostzaan 8-5-1936, tr. Oostzaan 17-12-1958 Jan Paardekoper, geb. Amsterdam
Trijntje van Holten, geb. Oostzaan 3-4-1941, tr. Oostzaan 20-5-1965 Jaap van Hoogwaarden, geb. Oostzaan 2-1-1941

Vlb.

Roelof van Holten, geb. Balkbrug 20-3-1907, overl. Dedemsvaart 22-12-1979, tr. Jacoba Lamberta van der Velde, geb. Dedemsvaart 2-8-1910, overl. Dedemsvaart 8-12-1989.
Uit dit huwelijk:

1.

Albert van Holten, geb. Dedemsvaart 11-2-1935, volgt Vlla.

Vlla.

Albert van Holten, geb. Dedemsvaart 11-2-1935, tr. Nieuwleusen 6-11-1959 Gerritdina Jantina Runhart, geb. Nieuwleusen 10-10-1936.
Uit dit huwelijk:

1.

Roelof van Holten, geb. Nieuwleusen 13-5-1962, tr. Nieuwleusen 1-11-1991 Albertje Kleene, geb. Avereest 17-7-1966.

Vb.

Arend van Holten, geb. de Meele 11-7-1889, landbouwer, grondwerker, overl. Staphorst 16-10-1949, tr. Nieuwleusen 15-5-1912 Jantje Bloemhof, geb. Staphorst 6-9-1893, overl. Deventer 20-12-1962, begr. Holten, dr. van Hilbert Bloemhof, spoorwegarbeider, en Jantje Kuiers.
Uit dit huwelijk:

1.


2.

3.

4.

5.

Aaltje van Holten, geb. Nieuwleusen 19-10-1912, tr. Arend Schoemaker, geb. Nieuwleusen 4-11-1906.
Hilbert van Holten, geb. Nieuwleusen 15-12-1914, volgt Vlc.
Klaas van Holten, geb. Nieuwleusen 26-2-1917, volgt VId.
Jan van Holten, geb. Nieuwleusen 1-6-1922, overl. Nieuwleusen 5-6-1923.
Jantje van Holten, geb. Staphorst 18-10-1925, tr. Staphorst 16-4-1948 Frederik van den Burg, Politieambtenaar.

VIc.

Hilbert van Holten, geb. Nieuwleusen 15-12-1914, overl. Meppel 28-10-1979, tr. Staphorst 6-8-1938 Jantje Pothof, geb. Meppel 28-6-1917.
Uit dit huwelijk:

1.

2.


3.

4.

5.

Arend van Holten, geb. Staphorst 9-5-1940, volgt VIIb.
Jentje van Holten, geb. Staphorst 10-10-1942, tr. Meppel 6-5-1963 Walter Tigelaar, geb. Oosterhessel 3-1-1937.
Jan van Holten, geb. Staphorst 19-11-1944, volgt VIIc.
Albert van Holten, geb. Meppel 21-1-1949, volgt VIId.
Hilbert van Holten, geb. Meppel 28-12-1952, ind. medewerker.

wordt vervolgd

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 5 september 1891:
Aangelopen schapen.
De Burgemeester van Nieuwleusen maakt bekend, dat op Donderdag den 20n Aug. j.l. bij de schapen van Jan Kreulen alhier, komende van de Ommermarkt, zijn komen aanloopen, 2 Drentsche schapen. De eigenaar kan dezelve na omschrijving en het betalen van een matig stalgeld terug bekomen ter Secretarie der Gemeente.
Nieuwleusen, Augustus 1891.

De Burgemeester voornoemd,
J. Bosch Bruist

Dedemsvaartsche Courant van 15 oktober 1919:
Het Koninklijk Nederlandsch Landbouw Comité deelt mede dat de Regering de landbouwers voor consumptieaardappelen een prijs heeft gegarandeerd van ƒ 7,50 per 100 kilogram of ƒ 5,25 per H.L. zonder daarbij te bepalen wanneer deze zullen worden afgenomen.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 23 januari 1919:
Alhier is opgericht een gewapende burgerwacht. Het bestuur bestaat uit de heeren: W.A. van den Berg, voorzitter; J.W.P. Valk, secretaris en als leden G. Huzen en L. Vos.

Dedemsvaartsche Courant van 9 mei 1941:
Straatstenen Koeweg. (Advertentie)
Notaris D.L. Uyt den Bogaard te Nieuwleusen zal

woensdag 14 Mei 1941,

des voormiddags 10 uur, bij het huis van J.H. Meesters aan den Koeweg te Den Hulst, publiek verkoopen:

100 perc. straatsteenen
en puin,

liggende langs den Koeweg en 2 perc. bij het huis van A. van Ankum op de Meele.

Dalfser Courant van 29 september 1892:
Onze predikant, de weleerw. Heer H. Smits, is beroepen te Avereest.
Zondag j.l. nam de heer Waterink, voorganger bij de Ned. Ger. Kerk alhier afscheid van zijne gemeente. Naar we vernemen zal er vooreerst geen opvolger benoemd worden.


Jaargang 10 nummer 4 december 1992

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

VOLKSONDERWIJS NIEUWLEUSEN II _________________________________________________________

Prov. Overijsselsche en Zwolsche Courant 14-2-1916:

Een burgemeester, die zijn eigen ambtenaren op wiens werkzaamheden hij verplicht is toe te zien, in het publiek afkamt, die zelfs niet schroomt een zwaar zieke te verwijten dat hij niet zijn volle werk verricht, het is wel schoon!!
Maar heer Burgemeester, waar is uw vooruitstrevendheid, die gij in anderen eischt? Want gij zijt toch zelf de oorzaak van de door u persoonlijk aangewezen rotte toestanden. Gij hadt de macht en den plicht te zeggen: "Tot hiertoe en niet verder!" Gij kondt de bandeloosheid van jeugd en volwassenen breidelen want die macht is u gegeven en gij kondt plichtverzakers daar brengen, waar ze gevonnist konden worden, niet voor Jan Publiek maar voor de aangewezen autoriteiten.
Gij naar vooruitgang strevende geest, gij hebt die toestanden veertig jaren lang kunnen bestrijden, die toestanden dateren niet van de laatste twee of drie jaren, maar reeds van tientallen jaren her en vaak is gewezen op dingen die verkeerd waren, ook aan het hoogste adres. Waarom roept ge het schooltoezicht niet te hulp, om zeker te zijn van de bereiking van datgene wat moest wezen?
Waarom niet?
De autoriteiten zouden de tekortkomingen van de gemeente ontdekken en de gemeente verzoeken eerst de hand in eigen boezem te steken. Het rijk diende te vragen: Waar hebt gij mijn tienduizenden gelaten en toon mij de honderden, die gij moest uitgeven om mijn reuzenbedragen tot hun bestemming te brengen. De oorsprong der tuchtloosheid moet men zoeken in de eerste plaats in huisgezin en gemeente en dan in de school. Waar de eerste twee geen voorbeeld zijn, kan de laatste niet tot haar volle recht komen. Dat de toestanden rot worden, is evenals bij een wonde, het gevolg van verwaarlozing, van het "laisser faire, laisser allez" en de man, die op zijn wrakken arbeid wijst, beschuldigt meteen zichzelf, daar hem, en hem alleen in eerste instantie den plicht en de macht zijn toebedeeld een invloed ten goede te hebben. Dat de onderwijskrachten weinig bereiken, moet iedereen dadelijk toegeven, die uw artikel las. Dat zelfs hun persoon en eigendom niet volmaakt veilig zijn, wijst op een zeer zwakke houding van het gemeentebestuur.
Een gezonde toestand schroomt geen gezonde kritiek, maar roeren in een rotten stilstaanden poel doet de minder aangename eigenschappen van deze dadelijk te voorschijn treden.
Bij dezen mijn hartelijken dank voor de opname van dit voorlopig verweer, de direct aangevallenen zullen naar ik hoop, een plaatsje krijgen in uw veelgelezen blad om met feiten voor de dag te komen.

Hoogachtend teeken ik mij M.d.R.

uw dw. dr.,
A. Broekhuizen
Oud secretarie "Volksonderwijs"
Nieuwleusen

- - - - - - - - - -

Nieuwleusen, 12 Febr. 1916

Geachte Redactie!
Beleefd verzoek ik u opname van onderstaande in uw blad. Met de meeste hoogachting,

Uw dw. dn.
H. Kuilman
h.d.s. te Ruitenveen

Volksonderwijs Nieuwleusen.
………. "Nu is er sedert 1 October 1914 een hoofd der school die tot hiertoe wegens ongesteldheid zijn betrekking niet heeft kunnen waarnemen, die maand in maand uit zijn salaris genoot en die een tijdelijk onderwijzer noodig maakt. Zijn vrouw is onderwijzeres geweest. Nu had de gemeente mogen verwachten, dat die menschen blij zouden zijn, althans iets van het drukkende gevoel dat het geeft, wanneer men geld ontvangt zonder er voor te werken, van zich af te kunnen wentelen, door althans voor een gedeelte in elkanders plaats te treden in school; de tijdelijk onderwijzer ware dan overtollig geweest. Niets van dit alles!..... "
Het verdere gedeelte van bovenbedoeld ingezonden stuk van den heer Burgemeester dezer gemeente - zie het nummer van 11 Febr. - is tegen de afdeeling "Volksonderwijs" alhier gericht, maar bovengenoemde aanhaling noodzaakt me er met kracht tegen te protesteren en wel:
1. om het weinige medegevoel dat er uit spreekt en
2. omdat het niet juist is.
Daar ik echter niet van krantenschrijverij houd, kan ik er direct aan toevoegen, dat dit mijn eerste en laatste verweer zal zijn, daar het me te min is over deze zaak meer woorden vuil te maken. Het oordeel laat ik dan ook verder bij voorbaat aan den welwillenden lezer over.
De zaak is zoo: 11 Sept. 1914 werd ik ziek - typhus - ; van het met 1 Oct. d.a.v. in functie treden als h.d.s. alhier was natuurlijk geen sprake. En nu nog - 12 Febr. '16 - ben ik onder behandeling van een specialiteit voor inwendige ziekten te Utrecht. Dat al dit gesukkel - we hebben nu de 6e en, hoop ik, de laatste geneesheer - geld heeft gekost, wil ik maar eens niet rekenen. Het treft niet half zoo erg, als de inhoud van bovengenoemde aanhaling. Van "genieters" van salaris is natuurlijk geen sprake meer! En daarvoor is niets gewerkt! "Niets van dit alles". Ik wil hier echter even in het midden laten dat mijn vrouw - die onderwijzeres is geweest! - van 1 Maart 1915 af voor mij de klassen heeft waargenomen. Dat de huishouding, die geheel voor haar alleen is, daarbij in den steek werd gelaten werd niet overwogen. Wat dat leven toen voor haar geweest is, zal iedere burgerhuisvrouw - die geen meid kan houden - best beseffen.
Langzaamaan heb ik haar echter vervangen, maar toen ik eindelijk weer zo goed als alleen voor de klassen stond was het weer mis. Net daags vóór de zomervacantie moest ik weer te bed en eerst na 3 weken mocht ik dit van den dokter weer even verlaten. Wat nu? Mijn vrouw weer de school in?
Toen zei ik: "Neen dat kan en mag en wil ik niet!"


Een drietal 'meesters', in het midden Frowijn.
Hendrik August Meijer, Jan Frowijn(hoofd) en Jacobus Zoete in 1897

Er kwam 23 Aug. '15 - dus gelukkig heel gauw - een tijdelijke leerkracht en deze is tot 1 Febr. j.l. hier werkzaam gebleven.
Sedert 1 Febr. lossen mijn vrouw - die, gelukkig onderwijzeres is geweest! - en ik elkaar weer trouw af. Ik hoop dat ik eindelijk eens voorgoed zelf mijn werk af mag kunnen.
En nu de feiten:
1. De gemeente Nieuwleusen heeft het niet met mij getroffen, dat is waar. Is dat echter onze schuld?
2. Met alle gerustheid beweer ik, dat we steeds gedaan hebben wat we konden, om het openbaar onderwijs in deze gemeente te dienen en dat zullen we steeds blijven doen omdat openbaar onderwijs dierbaar is!
Vragen:
1. In welke gemeente zal men van een zieken, zwakken ambtenaar meer verlangen dan mijn vrouw en ik hebben gedaan?
2. In welke gemeente zal men op gelijke wijze als hier aan hen het salaris betalen? - "Doen genieten?"
3. Hoe ongelukkig een hoofd der school of gehuwde onderwijzer die geen gewezen onderwijzeres heeft kunnen huwen! En als hij ziek wordt en zijn salaris blijft ontvangen?
Lezers van dit blad, oordeelt!
Met dank voor de plaatsruimte

H. Kuilman
h.d.s. te Ruitenveen

- - - - - - - - - -

Prov. Overijsselsche en Zwolsche Courant 17-2-1916:

Naar aanleiding van het ingezonden stuk van het hoofd der school te Ruitenveen tot slot het volgende: Het mij door al wat er voor en er na gepasseerd is, ontgane feit, dat zijn vrouw hem een poosje heeft vervangen breed uitmetende, tracht hij te poseeren als de verdrukte onschuld en wil hij het doen voorkomen of de voorzitter en de raad een troepje barbaren zijn, wier gelijken in Nederland niet te vinden zijn. Hoe onaangenaam ook, nu moeten de andere feiten, er zou nooit over de zaak zijn gerept als Volksonderwijs zijn grieven niet aan de groote klok had gehangen, ook genoemd, worden:
1. Met ingang van 1 October 1914 benoemd, kon hij wegens ziekte niet in functie treden, verzocht mij ult. December om een mandaat voor zijn jaarwedde over het 4e kwartaal 1914. Hoewel hij volgens mijn meening geen aanspraak kon maken op salaris, wijl hij het ook buiten zijn schuld, niet kon nakomen, stelde ik den raad voor het uit medelijden uit te betalen, waartoe de raad dan ook besloot. Begin Februari trad hij in functie, na korten tijd hier geweest te zijn begon hij er over te spreken, dat het beloofde nieuwe huis, waarvan de bouw geheel buiten de schuld van de raad vertraging ondervond, niet verscheen, verzocht hij mij om een bewijs van goed gedrag bestemd voor een sollicitatie.
Toen wethouder Zonnenberg en het raadslid Van Hulst, daartoe door den raad uitgenoodigd er met hem over kwamen spreken dat zijn vrouw in zijn plaats les zou geven, waartoe de vrouw wel genegen was, stoof hij op en sprak van "een slaadje, dat de gemeente uit hem wou slaan", enz. terwijl zelfs des noods eenige vergoeding werd aangeboden voor hulp in de huishouding.
Spreekt uit een en ander veel van de liefde voor het openbaar onderwijs waarvan Kuilman met eenigen pathos gewaagt; ik vrees dat die liefde wel enigszins met eigen liefde wordt verward. Gunstig bij deze handelwijze steekt die van mej. Kingma af, die voor een operatie die zij had te ondergaan gedwongen was tijdelijk haar werk te staken, ongevraagd een plaatsvervangster stelde.
Wij willen voor school en onderwijzer hopen, dat de ellende nu een einde heeft, maar deze laatste moge wel bedenken dat er een art. 26 in de L.O.wet is, waaruit het volgende.
"De gemeenteraad ontleent aan art. 26 niet alleen om, onder goedkeuring van Gedeputeerde Staten een algemeene regeling vast te stellen omtrent geheelen of gedeeltelijken stilstand der jaarwedden van onderwijzers in geval van verhindering wegens ongesteldheid, maar ook om, waar zodanige algemeene regeling niet bestaat, voor een bepaald zich voordoend geval een tijdelijke regeling op dit punt te treffen. (Besluit van 18 Februari 1904, C.V.) Zie ook het besluit van 23 Maart 1905 S 114".
Had de raad van deze bevoegdheid gebruik gemaakt, de gevolgen zouden voor de betrokkene minder aangenaam zijn geweest; de antecedenten waren wel zoo, dat de raad er zich niet bezwaard over had behoeven te voelen.
Tenslotte dit, meer in het algemeen gesproken. Het wordt meer dan tijd, dat er op het stuk van solliciteeren eens orde wordt gesteld. Het is broodnodig, dat er in de L.O.wet een artikel wordt opgenomen, waarin bepaald wordt, dat de onderwijzers minstens 2 jaar in een betrekking moeten blijven. Nu toch worden er bij zestallen bewijzen van zedelijk gedrag aangevraagd en solliciteert men rechts en links.
Wordt men opgeroepen voor een proefles en wordt er vergoeding voor reis- en verblijfkosten gegeven, dan trekt men op, zeker ook al uit liefde voor het openbaar onderwijs en niet om een plezierige dag te hebben ten koste van geregeld onderwijs. Het zou bovendien de jonge, wispelturige onderwijzers zelf ten goede komen die dan vanzelf hun vrijen tijd beter zouden gebruiken, dan met heen en weer trekken.
Bij voorbaat dank voor de plaatsing, hoogachtend.

De Burgemeester van Nieuwleusen.
J. Bosch Bruist.

wordt vervolgd

* * *

GENEALOGIE VAN HOLTEN II _________________________________________________________

A. van Holten

VIIb.

Arend van Holten, geb. Staphorst 9-5-1940, Ploegbaas, tr. Wolvega 23-8-1964 Christina Ida Sikkinga, geb. Wolvega 19-11-1944.
Uit dit huwelijk:

1.
2.


3.

Hilbertus van Holten, geb. Meppel 17-4-1965.
Tineke van Holten, geb. Meppel 25-4-1967, tr. Meppel 23-8-1991 Alex Nauta, geb. Meppel 24-1-1968.
Jannie van Holten, geb. Meppel 23-11-1968.

VIIc.

Jan van Holten, geb. Staphorst 19-11-1944, Ind. medewerker, tr. de Wijk 19-5-1967 Jentina van Veen, geb. de Wijk 19-2-1948.
Uit dit huwelijk:

1.

2.

3.

Hilbert Hendrik Jan van Holten, geb. de Wijk 11-2-1969.
Harmke Jantje van Holten, geb. de Wijk 1-7-1972.
Jentje van Holten, geb. de Wijk 7-2-1975.

VIId.

Albert van Holten, geb. Meppel 21-1-1949, Ind. medewerker, tr. Beilen 7-6-1974 Anneke Daling.
Uit dit huwelijk:

1.

2.

3.

4.

Hilbert Wouter van Holten, geb. Hoogeveen 22-2-1976.
Patrik Alfred van Holten, geb. Hoogeveen 11-8-1980.
Therese Janet Ingrid van Holten, geb. Hoogeveen 9-12-1982.
Dennis Richard van Holten, geb. Hoogeveen 28-9-1985.

VId.

Klaas van Holten, geb. Nieuwleusen 26-2-1917, bakker, metaalbewerker, overl./begr. Apeldoorn/Dieren 10/15-10-1984 (De as van Klaas van Holten is uitgestrooid bij het crematorium te Dieren) ondertr./tr. Staphorst 2/18-11-1939 Arendina Uiterwijk, geb./ged. Staphorst/Meppel 3-10-1919/16-5-1920, dienstbode, dr. van Harm Uiterwijk, koetzier, groentekweker, en Hendrikje Coelingh.
Uit dit huwelijk:

1.


2.



3.


4.

5.

6.


Jantje van Holten, geb. Staphorst 8-9-1940, tr. Apeldoorn 12-10-1961 Jan Berend Schaake, geb. Apeldoorn 23-6-1935, metaalbewerker.
Hendrikje van Holten, geb. Staphorst 13-1-1942, tr. Apeldoorn 6-5-1964 Antonius Hermanus van Beek, geb./ged. Salatiga (Indonesia) 3/4-6-1938, steward, ondernemer.
Aaltje van Holten, geb. Staphorst 21-4-1943, tr. Apeldoorn 8-5-1963 Willem Reier Schut, geb. Apeldoorn 26-6-1941, Verzekeringsagent.
Harm van Holten, geb. den Hulst 6-9-1947, volgt VIIe.
Arend van Holten, geb./ged. Apeldoorn 15-11-1951/27-1-1952, volgt Vllf.
Johannes van Holten, geb. Apeldoorn 16-4-1955, Adm. med. ter secretarie, tr. Apeldoorn 25-8-1978 Mia Batterman, geb. Hoenderloo 26-10-1958, Secretaresse.


Vlle.

Harm van Holten, geb. den Hulst 6-9-1947, machinevoerder, tr. Apeldoorn 10-9-1971 Maria van Engeland, geb. en ged. Apeldoorn 22-7-1948.
Uit dit huwelijk:

1.

2.

Angelique van Holten, geb. Apeldoorn 5-9-1972.
Erwin van Holten, Holten, geb. Apeldoorn 19-7-1979.

Vllf.

Arend van Holten, geb./ged. Apeldoorn 15-11-1951/27-1-1952, Militair, Intern Controleur, tr. Apeldoorn 12-4-1988 Johanna Maria Stephina Gezina ter Horst, geb. en ged. Apeldoorn 30-10-1946, Med.analist, docent, dr. van Arnoldus Herman Johan ter Horst, boomkweker, bankwerker, en Gerarda Hendrika Geurts, dienstbode.
Uit dit huwelijk:

1.

Elunde Grada Arendina van Holten, geb./ged. Apeldoorn 10-4/13-8-1989.

IVb.

Grietje van Holten, geb./ged. Den Hulst/Nieuwleusen 10-11/4-12-1853, overl. Avereest 17-10-1921, Ongehuwd.
Schenkt het leven aan:

1.


Hendrik van Holten, geb./ged. de Meele/Nieuwleusen 13-11-1877/7-1-1878, volgt Vc.

Vc.

Hendrik van Holten, geb./ged. de Meele/Nieuwleusen 13-11-1877/7-1-1878, overl. Stad Delden 27-2-1964, tr. Nieuwleusen 5-5-1900 Hendrika Vredeveld, geb. Dalfsen 27-06-1868, overl. Hengelo(O) 4-1-1952.
Uit dit huwelijk:

1.




2.

3.

4.

1. Elisabeth van Holten, geb. Hengelo(0) 15-3-1903, overl. Hengelo(O) 9-12-1973, tr. Hengelo(O) 8-7-1922 Willem Gerrit Wevers, geb. Emsburen 7-8-1894, overl. Hengelo(O) 15-7-1985.
2. Hendrik van Holten, geb. Hengelo(O) 30-3-1904, overl. Hengelo(O) 28-8-1904.
3. Hendrik van Holten, geb. Hengelo(O) 27-4-1907, overl. Hengelo(O) 26-6-1907.
4. Hendrik Lammert van Holten, geb. Hengelo (O) 24-4-1911, overl. Hengelo (O) 5-4-1916.

wordt vervolgd

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 25 juli 1941:
Uit de rubriek "Vraag en aanbod":
Loopjongen gevraagd, goed kunnende fietsen, bij G. Brink, in aardappelen en groenten, Den Hulst c.71.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 27 oktober 1913:
Nieuwleusen, 26 Oct. Hedenmorgen 6 uur werd hier een schok waargenomen, waardoor op 3 verschillende plaatsen ruiten sprongen, die totaal werden versplinterd.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XX _________________________________________________________

Onderstaande foto van de Openbare Lagere School B (O.L.S. B.) te Ruitenveen dateert uit 1928.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  

mevr Kamm-Knijp
meester J.L.F. Kamm
Frits Hekman
Annigje Visser
Berend Jan Scholten
Margje Scholten
Koop Schoemaker
Jan Seinen
Hendrik Grooteboer
Arend van Veen
Jentje Krul
Mina van Tolie
Janna Schoemaker
Hendrikje Meulenbelt
Dina Visscher

16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  

Roelof Grooteboer
Jan Visscher
Willem Kijk i/d Vegte
Hendrik Kijk i/d Vegte
Jan Kijk i/d Vegte
Gerrigje van Veen
Frits Bijker
Gerrit Jan Schoemaker
Berend Katoele
Trijntje Bruggeman
Rika van Tolie
Albertje den Hertog
Aaltje Runhart
Frederik Jan Runhart
juffrouw E. Jansen

31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  

Willem Kuiterman
Derk Kuiterman
Frido Kamm
Stientje Mannen
Jan Mannen
Margje Schoemaker
Fennie Ester
Annigje Runhart
Arend Jan Runhart
Jan Kamm
Truus Kamm
Gerrigje van Echten
Aaltje Schoemaker
Annigje Pessink
Jentje van Hulst

* * *

NIEUWLEUSENER GEZEGDES XVIII _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


”’n Pronker kan niet zoveule verpronk’n
as ’n slonter verslont’n.”

Als je zuinig op je spullen bent doe
je er wél langer mee.

* * *

AAN DEN HEER _________________________________________________________

G.J. Gerritzen J.z.
Provinzie overeizel
       te Niewlunsen
                Nederland
Juropa

aldus is een brief geadresseerd, welke op 14 juli 1889 in Hamilton (Michigan, Noord-Amerika) door enkele emigranten werd geschreven aan de achtergebleven "ooms en tanten". Op de volgende bladzijden is deze, enigszins moeilijk leesbare, brief integraal afgedrukt. Het origineel is particulier bezit.




Hamilton 14 Julie 1889


ge hagte ooms en tanten

en a le vameillie ik zet mij

neder om ie eenige letteren

te schrijfen en laat u weet-
ten dat wij alen door

's heeren zegen nog goed

gesond zijn. wij hoopen

het gelijk van u te hooren

Was het anders, dat zouw

ons van harten leet zijn

wij hebben de brief van
Gerrit Jan Gerritzen

on vangen en daar uit

gezien dat bij uw alen

nog in goeden wel stand
waard de vrugten die

staan hier goed het leek

van voor jaar niet best

maar het licht nu alens
mooi



ik ben nog bij mijne suster

in kos Fenna die heeft

nauw wel druk werk want

zij hebben 4 kostgangers

die werken alen aan de

tigel werk G Klein

Waarde oom en tante en verders

al de vamiellie, wij laten u weten

alsdat wij uwen brief in ge-

zond hijt hebben ontvangen

en uit dezelfde gelezen dat

gij allen ook door 's heere zegen

in een redelijke welstant
verkeert, hetwelk ons doet

verblijden , wij hebben wel lang

gewagt met schrijfen, maar ik

hoop dat gij het ons niet kwalijk

zult nemen want wij zijn opheeden
zoo druk, en mijn vrou ook die

heeft het veel te druk, wij hebben

vier kostgangers, dan kund

ge wel be grijpen dat we het druk hebben


Maar als wij maar ge zont

maggen blijfen en de heeren

geeft ons Zijn Zegen en voorspoet

dan hebben wij een goed jaar

Als gij zoms iets van Jan Klijn hebt

Ge hoort dan moet gij ons tog

es iets over se schrijfen. mijn

vrou zou hem graag zien of iets
van hem horen. Hoe het met

de tarwe af zal lopen weten

wij nog niet er is veel ongedier

te in, al van die klijne luizen

Koren komt er niet veel maar
het lijkt tog beter als voor een poos

Aardappels staant goet.

onze meizje groeit goed
Zij loopt al langs de stoelle

en als er een in huis komt knik ze

het hoofjen. wij wonen hier mooi

bij den steen oven, en de trijn

rijt vlak langs de deur, wij zijn

tien me nute van de statzjon
hier rijden elken dag zes trijnne langs




Als gij Zoms naar Amirieka

Komt dan moet gij hier maar

stoppen. nu weet ik niets veel

Nieuws. Jan Klijn heeft een paart

ge hat dat is hem afgestorven

Nu heeft hij een paar oszen

Die kosten hem hondert dollars

hij woont nog alleen tot oktober

en dan gaat hij verhuizen naar

een groot stuk lant, en

kort bij woont een vrou die

Moet eten en drinken klaar

Maken, en hij moet het lant be-

werken. Dirk klijn met zijn gezin

gaat goet vooruit en allen goet

gezond. Zij zullen het wel geschre

ven hebben dat Willem Huizin

ga over leden is. weest verders

gegroet van al en en doet de groete

aan al len. J v Mourik en vrou

* * *

WATERSCHAPPEN TEN OOSTEN VAN HET LICHTMISKANAAL _________________________________________________________

J. W. de Weerd

In oktober 1891 richtten een aantal grondeigenaren in de zogenaamde voorste hooilanden aan de oostzijde van het Lichtmiskanaal een verzoekschrift aan Gedeputeerde Staten om dit gebied in een waterschap te verenigen. De wens werd uitgesproken dat een en ander spoedig zou worden gerealiseerd zodat de landbouwers er in het vervolg zeker van kunnen zijn dat ze hun hooi binnen krijgen.
Het kostte veel moeite de waterschappen "De Ruiten en Veenekampen" en "Beoosten het Lichtmiskanaal" tot stand te krijgen. Dank zij de onvermoeide pogingen van burgemeester J. Bosch Bruist lukte het pas in 1894 om de twee waterschappen in werking te doen treden. Toen de zaak eenmaal beklonken was, lieten de besturen van beide waterschappen de werken met prijzenswaardige spoed uitvoeren. Daardoor waren begin mei 1895 de buitenwerken, de kaden langs de Steenwetering en het ophogen van de Nieuwe Dijk, geheel gereed. Men kon met voldoening constateren dat door deze ijver was voorkomen dat in dat jaar de hooioogst voor een groot deel verloren ging. Bij de zware regens en de storm uit het noordoosten was het water in de Dedemsvaart tot 61 cm boven A.P. gestegen. Wanneer de waterkerende werken niet gereed waren geweest, dan zouden de hooilanden ongeveer 20 centimeter onder water hebben gestaan, waardoor de hoop op een goede hooioogst de bodem zou zijn ingeslagen.
De waterlossende werken in het waterschap "Beoosten het Lichtmiskanaal" waren in mei 1895 voor een groot deel gereed. Volgens de Dedemsvaartsche Courant zouden die in het waterschap "De Ruiten en Veenekampen" na de hooioogst van dat jaar worden uitgevoerd. Zij sprak tevens de hoop uit dat de besturen van de schappen, die hun best deden in het algemeen belang, bij de uitvoering daarvan niet



zouden worden bemoeilijkt door het verkeerd begrepen eigenbelang van sommige ingelanden.
Uit het reglement van het waterschap "Beoosten het Lichtmiskanaal", dat op 4 november 1892 door de Staten werd vastgesteld en de negentiende daaraanvolgend bij Koninklijk besluit werd goedgekeurd, blijkt dat dit waterschap ongeveer 535 hectaren groot was en gelegen in de gemeenten Nieuwleusen en Dalfsen. De grens en het doel worden als volgt omschreven: "Aanvangende bij de Steenwetering het westelijk boord der bermsloot langs den Rijksstraatweg tot de vaste brug in dien weg bij de Lichtmis; het zuidelijk boord der waterleiding, lopende van genoemde brug tot de Penantenbrug; de oostzijde van den Nieuwendijk tot de Grashekkenbrug; het zuidoostelijk boord der noordelijke bermsloot van den straatweg door Nieuwleusen tot de brug, genaamd de Lage brug onder Zwollerkerspel, en het noordoostelijk boord der Steenwetering tot het punt van aanvang.
Het doel van het waterschap is om de daarin gelegen gronden in den zomer te beveiligen tegen overstrooming door het water uit de Steenwetering en uit de waterleiding, loopende van de Grashekkenbrug langs den Nieuwendijk tot in het Lichtmiskanaal, en om den afvoer van het binnenwater te bevorderen en te regelen; voorts om de hooiwegen, waarvan het onderhoud niet ten laste is van anderen, te verbeteren en te onderhouden."

Het zou te ver voeren hier het hele reglement samen te vatten. Toch willen we uit het artikel inzake algemene bepalingen het volgende, in onze tijd niet meer voorkomende verschijnsel aanhalen. Daarin is namelijk te lezen dat alle bekendmakingen, kennisgevingen, aan- en afkondigingen zullen geschieden in één of meer door het bestuur aan te wijzen nieuwsbladen en door middel van kerkespraak en aanplakking in Nieuwleusen.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 5 mei 1928:
Zitplaatsverhuring. De zitplaatsenverhuring in het Evang. gebouw "Rehoboth" aan den Koeweg te Nieuwleusen heeft opgebracht ƒ 942,25 of ongeveer ƒ 400 minder dan vorig jaar.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 15 mei 1928:
Nieuwleusen. De alhier gehouden collecte voor het aan de Koningin-Moeder aan te bieden huldeblijk heeft opgebracht ƒ 67,93.

* * *

DE JODENBAARD _________________________________________________________

Kabé

Jantien en Sjoerd waren een echtpaar zonder kinderen. Ze konden zich de weelde veroorloven "stil" te leven; ja ze zaten er warmpjes bij. Van oorsprong kwamen ze niet uit het dorp, maar uit Twente. Ze hadden niet ver van de grens gewoond en het gerucht ging dat Sjoerd in de mobilisatietijd (1e wereldoorlog) veel geld verdiend had met smokkelen naar Duitsland. Als er eens door een nieuwsgierig iemand voorzichtig geïnformeerd werd naar de herkomst van hun welstand, dan hield Sjoerd zich op de vlakte. Per slot van rekening had niemand daar iets mee te maken.
In de buurt waren ze erg gezien en beslist niet karig. Menig arm gezin kreeg in stilte wat toegestopt met de mededeling: "Niet oaver praoten". Sjoerd had een grote moestuin waarin hij veel aardappelen en allerlei groente verbouwde. Ze konden in eigen behoeften voorzien en ook vele anderen, meestal minder bedeelden, profiteerden er van. In het najaar werd een lekker varkentje geslacht.
Jantien hield in huis de boel pront in orde. Alles blonk en glom. Haar grote liefde waren planten. Daar besteedde ze veel tijd aan en het resultaat was er dan ook naar. De geraniums bloeiden dat het een lieve lust was en de clivia was een pronkstuk. Maar haar grote trots waren twee azalea's. Een witte en een vuurrode. Ieder jaar bloeiden ze in volle pracht. Zo mooi zag je ze nergens. En als het dan zo ver was, werd iedereen die langs kwam uitgenodigd om ze te bekijken. Johan, de buurjongen, komt op zekere dag aan met in zijn handen een grote bloempot. "Tante Jantien, hier heb ik wat veur oe." "Wat is det veur een ding?, vroeg Jantien een beetje wantrouwend. Johan laat het zien. De pot is tot boven toe gevuld met aarde en daar boven uit steekt een zwart behaard puntje van een paar centimeter lang.
"Det is een jodenbaard", legt Johan uit.
"Die ken ik niet", zegt Jantien.
"Det zal ok wel", is het wederwoord, "want ome Gait hef hum met ebracht uut Frankriek."
Oom Gerrit was schipper en hij voer veel op het buitenland. Jantien was gerustgesteld, als het van ome Gerrit kwam, dan zat het wel goed.
"Ie mut veule lauw water geven. 't Duurt wel een paar weken veurdaet e begunt te gruuj'n, mar as e 't an de gang hef, dan giet 't hard."
Johan krijgt een handvol snoepjes en de jodenbaard vindt een goed plaatsje op de vensterbank. Jantien houdt zich goed aan de voorschriften. Elke dag een flinke scheut lauw water. Iedere keer kijkt ze of er al schot komt in de nieuwe plant; ze is erg nieuwsgierig wat het worden zal. Maar veel schot zit er niet in.
Enkele dagen later komt Sjoerd de kamer in en zegt: "Jantien, 't stinkt hier." Jantien is verontwaardigd en zegt: "Och man, klets toch niet, stinken in mien huus, det bestiet niet!"
Maar de volgende dag begint Jantien ook wat te ruiken. Ja, Sjoerd heeft toch wel gelijk. Het is niet fris in de kamer. Jantien zoekt de hele kamer af en ze kijkt onder het kabinet of de kat daar iets heeft neergelegd. Maar niets. De volgende dag wordt de stank ondraaglijk. Wat is dat toch?
Sjoerd krijgt een idee. Hij bekijkt de jodenbaard en ja hoor, uit de pot komt een vreselijke stank. "Jantien, ik wete 't al. 't Is die smerige plaante die ie van Johan ekregen hebt."
Jantien komt er bij en ze ruikt het ook. "Der uut met det kreng", schreeuwt ze woest, want ze begreep dat Johan weer een streek had uitgehaald. Sjoerd grijpt de pot en gooit hem naar buiten. Op de straat achter het huis valt de pot aan scherven en tussen de aarde ligt een mol, die in verregaande staat van ontbinding verkeert.

* * *

INHOUD VAN DE TIENDE JAARGANG _________________________________________________________

blz.
1  
10  
12  
14  
19  
20  
21  
 
25  
27  
30  
 
35  
36  
 
38  
 
43  
47  
48  
49  
57  
57  
58  
 
60  
61  
63  
66  
71  
73  
80  
83  
84  
86  
86  
91  
 
93  
94  
96  

 
Bij het 100-jarig bestaan van de N.H. kerk
Hoe Klaasien het breien leerde
Een oude schoolfoto XVII (de Meele, 1918)
Het Oosterveen
Bezuiniging
Wie was wie op de foto van USV
De bestekken voor de bouw van het fort bij de Lichtmis IV
De pillen van de dokter
Aovergrova
Het Oosterveen (vervolg)
 
Advertentie verkoop boerenerven (1905)
Een oude schoolfoto XVII (CLS Den Hulst, ca 1920)
De bestekken voor de bouw van het fort bij de Lichtmis V
Een verhaaltien aover Derk Klomp
Krummels
Nieuwleusener gezegdes XVI
Volksonderwijs Nieuwleusen
Nieuwleusener gezegdes XVII
Krummels
Een oude groepsfoto XIX (landbouwvoorlichting)
De roggehaze
Iets anders
Een wandeling langs de Dedemsvaart
Genealogie Van Holten
Krummels
Volksonderwijs Nieuwleusen II
Genealogie Van Holten II
Krummels
Een oude groepsfoto XX OLS B Ruitenveen)
Nieuwleusener gezegdes XVIII
Aan den heer
Waterschappen ten oosten v/h Lichtmiskanaal
Krummels
De jodenbaard
Inhoud van de tiende jaargang

 
 
B. van Duren
 
 
 
 
 
Jan H. Kompagnie
 
B. van Duren
K. Schoenmaker-van Berkum
G. Hengeveld-van Berkum
 
 
 
 
Jan H. Kompagnie
J.K.T.
 
A. Schoemaker-Ytsma
 
A. Schoemaker-Ytsma
 
 
 
B. van Duren
 
W.G.A.J. Röring
A. van Holten
 
 
A. van Holten
 
 
A. Schoemaker-Ytsma
 
 
J.W. de Weerd
 
Kabé
 

* * *

RECTIFICATIE _________________________________________________________

* * *

Op de oude groepsfoto XIX (september) is nr. 19 Janna Hekman-Kragt, nr 31. Albert Slager en nr. 33 mevr. Slager-Dominee.
Dit is in de tabel bij de foto aangepast





Jaargang 11 nummer 1 maart 1993

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Deze boerderij, die aanvankelijk als onbekend te boek stond, werd via de rubriek "Wie weet het?" in het plaatselijk blad "De Marskramer" thuisgebracht als zijnde de "Broekfarm".

* * *

EEN AMERIKAAN OP BEZOEK IN NIEUWLEUSEN IN 1913 _________________________________________________________

John Jonker Broek
vert:Kl. Borgers

In 1913 bracht een jonge Amerikaan genaamd John Jonker Broek een bezoek aan Nieuwleusen. Hij was geboren in Coopersville, Michigan op 13 september 1880. Zijn voorouders kwamen uit Nieuwleusen en hij wilde wel eens zien waar zij vandaan kwamen en wat er van de "Broek-farm", de boerderij van waaruit de familie Broek in 1847 vertrok, nog over was. Van zijn bezoek maakte hij een verslag, dat we onderstaand, in de vertaling van de heer Kl. Borgers, overnemen.

Nieuwleusen is een dorp met ongeveer 1300 inwoners. Het is een gemeenschap van boeren. De huizen zijn aan de hoofdweg gebouwd. Sommige van de erven zijn netjes bijgehouden en op andere groeit het onkruid en het gras hoog op.
Door de hoofdweg van het dorp te volgen tot ongeveer een halve mijl
(Deze aanduiding bracht ons bij het zoeken naar de boerderij op een dwaalspoor. Achteraf bleek dat hier een geografische mijl (7400 m) bedoeld is. De boerderij ligt ca. 3.5 kilometer voorbij de Gereformeerde Kerk, in 1913 nog aan het Westeinde, in oostelijke richting, even voorbij de Bijkersweg aan het Oosterveen.)

na de Gereformeerde Kerk en dan de steeg aan de linkerhand ingaande, bereikt men de oude Broek hofstede. De bouwdatum en de naam van de bouwer van het huis werden gevonden op een balk, toen een gedeelte van het huis werd afgebroken. Het is een oud Nederlands huis, gebouwd van rode baksteen en verkeert nu nog (1913) in een opmerkelijk goede staat van onderhoud.
Wanneer men het huis binnengaat wordt men ontvangen in een grote kamer. Het heeft een stenen vloer en een grote open haard, drie kasten en een tafel. Links van de haard is een Nederlandse bedstee, niet meer dan een gat in de muur. De kamer rechts is de "melkkamer" en links is nog een kamer met een bedstee en een haard. Als men de grote kamer aan de achterkant verlaat, komt men op de "deele" en de stallen.
Het huis werd in 1913 overgenomen door een zekere mevrouw Schuurman-Bouwman, weduwe van Klaas Bouwman, geboren op 17 juni 1845, en was een nicht van Janna Kracht, een zuster van Klaasje Kracht­Broek, de vrouw van Harm Broek. Zij bewoonde het huis met haar getrouwde zoon Hendrik Bouwman.
De Gereformeerde Kerk van Nieuwleusen in 1869 was het eerste kerkgebouw gebouwd door de gereformeerde congregatie. Het gebouw is opgetrokken van baksteen. De pastorie is naast de kerk gelegen. De kerk is vrij klein en heeft eenvoudige houten stoelen met rugleuning. Deze stoelen zijn langs de muren van de kerk geplaatst en in het midden van de kerk staan stoelen, waarschijnlijk voor de vrouwen. De kerk heeft een oude Nederlandse preekstoel met een klankbord en de ouderlingen en de diakenen hebben zitplaatsen aan weerszijden van de preekstoel. Voor de bouw van de huidige kerk in 1869, kwam de gemeente samen in verschillende woningen en zeer vaak in het huis van Harm Broek. Een lange tijd was de Broek hofstede de school en de kerk van het dorp Nieuwleusen.
Op de begraafplaats zijn geen belangrijke graven en slechts enkele graven hebben een grafsteen.
Er is ook een Hervormde Kerk, gewoonlijk de grote Kerk genoemd. Deze kerk is natuurlijk de oudste organisatie. Harm Broek was één van de leiders van de afscheiding van de kerk omdat de kerk de z.g. vrije leer toestond.
Op Nieuwleusen woont ene Jan Broek Brinkman. Hij is een zoon van Hendrikje Broek en William Brinkman en is daardoor een volle neef van onze vader (Derk Broek). Hij werd geboren op 3 juli 1828 (overleden 12 december 1917). Zijn eigenlijke naam is Jan Brinkman, en met deze naam ondertekent hij papieren, maar zijn zoons zijn in het dorp bekend onder de naam Broek, hun moeders naam. Hij is nog goed gezond. Hij kan nog goed zien, maar hij is een beetje doof.
Hij is driemaal getrouwd. De naam van zijn eerste vrouw was Annigje Schoemaker. De naam van zijn tweede vrouw was Stientje Schoemaker. Hij is nu getrouwd met Hendrikje Kleen.
Hij heeft zeven kinderen. Uit het eerste huwelijk werden twee kinderen geboren, Wiegerdje Broek en William Broek. Uit het tweede huwelijk, dat met Stientje Schoemaker, werden vijf kinderen geboren, Hendrikje, Aaltje, Annigje, Hermina en Hilligje.
Jan Broek Brinkman had vier broers en één zuster, te weten: Derk Broek Brinkman, overleden; Hendrik Broek Brinkman, overleden; Willem Broek Brinkman, overleden in 1905 en Jannes Broek Brinkman, die in Oud Leusen woont.
Zijn zuster Jentje Broek Brinkman is de weduwe van Jan Grooteboer en woont in Nieuwleusen. Jan Broek Brinkman bevestigde de gegevens van de Broek familie. Hij kende grootvader Harm Broek zeer goed en herinnerde zich de dag dat hij en zijn familie Nieuwleusen verlieten. Hij kon zich ook Derk (vader), Jantje (mevrouw Boone) en (Jan) John herinneren. Hij vertelde hoe vurig Harm Broek kon bidden en wat een krachtig leider hij was in de gemeente en welk een respect iedereen voor hem had, ook de jonge mensen en vrouwen.
Het huis van Jan Broek kan gemakkelijk worden gelokaliseerd aan een steeg vanaf de hoofdweg. De steeg kan gemakkelijk worden gevonden, want bij de kruising van deze steeg en hoofdweg staat een smederij. Dit huis is bescheiden van omvang.

* * *

ONDERLING BELANG _________________________________________________________

M. Prins-Praas

waar is toch de tied ebleven
dat een paar boeren kwamen bi'jmekaar
want um al heur melk te karnen
die take worden heur toch te zwaor

een melkfebriek die mos der komen
de ritten worden uutbesteed
met peerd en wagen worden de bussen opehaald
't bint dinge die a'j niet gauw vergeet

't melkgeld bracht de melkboer
bi'j de vrouwe vake in huus
hi'j kon zich dan even warmen
en drunk een komme koffie bi'j 't fenuus

maar naw is de tied veurbi'j
dat de melk in de bussen giet
een melktank mus der komen
daarmee blef de boer bi'j de tied



de tankauto raost naw langs de wegen
het mut allemaole gauw en snel
det 't niet bi'j 't olde kon blieven
det weten wi'j allemaole wel

maor kiekt nog ies achterumme
in disse tied van veuruutgang
hoe ze vrogger samen warkten
det was Onderling Belang

* * *

GENEALOGIE VAN HOLTEN III _________________________________________________________

A. van Holten

Fragment B.

IIIb

Willem van Holten, geb. Nieuwleusen 22-6-1817, landbouwer, tapper, overl. Nieuwleusen 26-4-1902, tr. Nieuwleusen 3-4-1841 Geertje Boer, ged. Nieuwleusen 9-1823, overl. Nieuwleusen 13-2-1876, dr. van Klaas Boer en Jantje van Spijker.
Uit dit huwelijk:

1.

2.


3.




4.







5.









6.

7.



Barteld van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 29-3/1-5-1842, volgt IVc.
Klaas van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 30-7/1-9-1844, overl. Nieuwleusen 31-10-1920.
Gerrigje van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 21-11/6-12-1846, overl. Nieuwleusen 11-5-1919, tr. Nieuwleusen 9-4-1874 Hendrik Jan Timmerman, geb./ged. Nieuwleusen 5-12-1845/4-1-1846, Timmerman.
Jan van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 1-1/4-2-1849, landbouwer, overl. na 31-12-1938, tr.(1) Nieuwleusen 26-3-1885 Aaltje Evertsen, geb./ged. Nieuwleusen 20-1/9-2-1834, overl. voor 28-4-1904, tr.(2) Nieuwleusen 28-4-1904 Hendrikje Boerman, geb./ged. Nieuwleusen 17-6/4-8-1861, overl. Nieuwleusen 11-6-1918.
Jentje van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 4-4-1853/1-5-1855, overl. Nieuwleusen 13-1-1919, tr.(1) Nieuwleusen 21-11-1871 Klaas Boer, geb. en ged. Nieuwleusen 28-11-1831, landbouwer, overl. voor 30-3-1887, tr.(2) Nieuwleusen 30-3-1887 Barteld Gerritsen, geb. Nieuwleusen ca. 1845, zn. van Jan Gerritsen, Kleermaker, en Hendrikje van Holten. (het tweede huwelijk is op 30 mei 1890 ontbonden.)
Willemina van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 28-7/2-9-1855, overl. Nieuwleusen 5-6-1919.
Aaltje van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 14-9/1 - 10-1860, overl. Nieuwleusen 7-11-1920.


8.

9.


Janna van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 22-2/5-4-1863, overl. Nieuwleusen 3-3-1914.
Grietje van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 23-9/5-11-1865, overl. Nieuwleusen 26-10-1920.

IVc

Barteld van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 29-3/1-5-1842, akkerarbeider, dienstknecht, overl. Nieuwleusen 14-3-1920, tr. Nieuwleusen 11-2-1875 Evertje Grooteboer, geb./ged. Nieuwleusen l0-8/3-9-1854, overl. Nieuwleusen 2-10-1899.
Uit dit huwelijk:

1.


2.


Willem van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 21-8/3-10-1875, overl. Nieuwleusen 10-10-1875.
Geertje van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 2-2/4-3-1877, overl. Nieuwleusen 15-5-1968, tr. Dirk v.d. Steege.

3.


4.




5.

Peter van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 20-12-1879/1-2-1880, overl. Nieuwleusen 25-10-1895.
Hendrikje van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 11-11-1882/7-1-1883, overl. na 31-12-1938, tr. Nieuwleusen 4-4-1907 Anthony Roddenhof, geb. Dalfsen 30-1-1882, landbouwer, overl. na 31-12-1938.
Willem van Holten, geb./ged. Nieuwleusen 24-7/5-9-1886, volgt Vd.

Vd

Willem van Holten, geb. /ged. Nieuwleusen 24-7/5-9-1886, herbergier, molenaar, landbouwer, overl. Nieuwleusen 1-1-1935, tr. Nieuwleusen 6-8-1915 Trijntje Kleen, geb./ged. Nieuwleusen 13-1/1-3-1891, overl./begr. Nieuwleusen 13/16-2-1974.
Uit dit huwelijk:

1.

2.


3.

Barteld van Holten, geb. Nieuwleusen 24-10-1916, boerenknecht, wegenbouwer.
Hendrikje van Holten, geb. Nieuwleusen 7-4-1918, tr. Hendrik ten Klooster, geb. ca. 1905, overl. ca 1979.
Evert van Holten, geb. Nieuwleusen 10-5-1919, volgt VIe.

VIe

Evert van Holten, geb. Nieuwleusen 10-5-1919, boerenknecht, tuinman tr. Nieuwleusen 18-3-1943 Klaasje Stegeman, geb. Nieuwleusen 1-5-1918.
Uit dit huwelijk:

1.

2.

3.

Willem van Holten, geb. Nieuwleusen 6-9-1943, volgt VIIg.
Jan van Holten, geb. Nieuwleusen 17-9-1946, volgt VIIh.
Trijntje van Holten, geb. Nieuwleusen 6-8-1953, activiteitenbegeleidster.

VIIg

Willem van Holten, geb. Nieuwleusen 6-9-1943, chauffeur wegtransport tr. Beilen 17-12-1971 Aaltje Mijnheer, geb. Ommen 10-8-1945.
Uit dit huwelijk:

1.

2.

Aaltje Klazientje van Holten, geb. Staphorst 31-1-1973.
Evelien Jeanette van Holten, geb. Staphorst 27-10-1974.

VIIh

Jan van Holten, geb. Nieuwleusen 17-9-1946, chauffeur wegtransport, tr. Dedemsvaart 4-1969 Berendina Stoeten, geb. Dalfsen 13-2-1948.
Uit dit huwelijk:

1.

2.

3.

Chantal van Holten, geb. Dedemsvaart 1-10-1970.
Mariska van Holten, geb. Dedemsvaart 25-1-1975.
Jordie van Holten, geb. Dedemsvaart 25-1-1990, overl. Dedemsvaart 22-12-1990.

* * *

BLADVULLING _________________________________________________________

De kiender op de schoele mussen een varssien lezen over de twaalf maanden van 't jaor. Bi'j de regel: "september komt, nu plukt men ‘t ooft ..." anekomen, vreugde juffrouw: "Wat gebeurt er dan?"
't Antwoord was: "Dan kriege wi' j 't aor of."

* * *

DE PETTE _________________________________________________________

B. van Duren

Harm-Jan lag inbedde. Hi'j had 't arg te pakken. Proesten en snoeven, det gunk an iene deur. Stiene, zien vrouwe, had hum flink onder de dekens estopt en toen Harm-Jan meende det argens nog tocht vandaan kwamp, had Stiene hum de zundagse pette opezet. De baos had nogal dun haor en mos wat op zien heufd hebben.
Veurige weke, toen was 't al mis egaone toen hi'j hen melken wol naor de oaverkaante van de vaart. Daor hadden ze nog een paar kaampies liggen. Hi'j had op de hondekarre ezeten en toen, precies midden op de brugge, was 't gebeurd. Deur de harde wiend was hum de pette ofeweid en die was in 't water terechte ekomen. Harm-Jan had nog wel probeerd zien heufddeksel terugge te kriegen, maor det was hum niet elukt. En toen was 't ok nog begunnen te regen!
’s Aovens vuulde hi'j hum wat rilderig. Was hi'j toen maor direkt ien bedde kreupen, maor nee heur, hi'j was deurelopen. Later op de dag had hi'j nog ies ekenen of zien pette nog terugge te vienden was. Maor 't ding was nargens meer te zien.
Toch zunde, 't was nog zo'n beste pette. Ze hadden hum nog ekocht van Jochem Immell, een Duutse kramer. Een beste kerel, maor die kwaamp al lange niet meer. Ien de harfst van 't veurig jaor (1844) hadden ze Jochem an de Lichtmis uut de schutkolke ehaald. Hi'j had al een paar dagen in 't water elegen; de vaart was niet veur iederiene een zegen.
Um 't verhaal niet te lange te maken, kan ezegt worden det Harm-Jan der, deur de goeie verpleging van Siene, gauw weer boavenop kwaamp. Een paar dagen later kreup hi'j 't bedde al uut. Zien vrouwe had graag eziene det hi' j eerst wat störegies an deud, maor det was Harm-Jan zien nature niet. Det klungelen ien huus was niks veur hum.
De volgende morgen laden hi'j de bussen al weer op de karre. Oppassen Harm-Jan! Der was weer een harde wiend, of beter ezegd, ’t stormde.
Disse keer gien nood! Stiene mus der arg umme lachen. De zundagse pette zol Harm-Jan zeker niet ofweien, die zat goed vaste. De slimme man had een maaltouwgien epakt en det onder de kinne deur um zien heufd eknupt.
Laot Stiene maor lachen! Harm-Jan gaf heur nog gauw een smok en effen later reed hi'j de dam aover op het bruggie an.

vaort= vaart (de Dedemsvaart)
ofeweid = afgewaaid
störegies = kalm aan, langzaam
maaltouwgien = touwtje dat voor het sluiten van een meelzak werd gebruikt.
eknupt = geknoopt
smok= kus

* * *

REKENSOM _________________________________________________________

Now 't weer tied is um 't angiftebiljet in te vullen, geve wi'j oe hier een klein rekensommigien op, waoran ai'j meer plezier kunt beleven as an 't invullen van det belastingformelier.
Ie zet 't volgende op papier onder mekaar en dan mut der nul uutkomen:
4 soldaten, 5 closetrollen, 3 communisten, 1 tandarts en 3 knienen.
Ai'j 't weet, laot 't ons dan eem weten.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXI _________________________________________________________

Ditmaal een foto uit omstreeks 1931 van de Openbare Lagere School aan het Oosteinde



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  

meester Kapinga
Aaltje Winkels
Geesje Winkels
Aaltje Veldhuis
Margje Scholten
Femmigje Klein
Mina Vekdhuis
Anna Klein
Geesje Mijnheer
Mina Kragt
meester Gerrits
meester van Haarst
Geertje Huzen
Marinus Brouwer Hermannus Katoele
J. Winkels

17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  

D.J. de Weerd
Willem Veldhuis
Jan Brouwer
J. Schoemaker

Jentje Boer
Jan Winkels
Klaas Bonen
Klaziena Prins
Jan Klein
Hendrikje Bijker
Aaltje Bonen
Stientje Brouwer
Fennigje Huzen
Femmigje Pessink
Antje Hekman

33  
34  
35  
36  
37  
 
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
 

Janna Huzen Jentje Katoele
Arend Schoemaker
Hendrik Schoemaker
juffrouw Spoon (gedeeltelijk zichtbaar) Willy Veldhuis
Marie Brouwer
Aaltje Huzen
Harm Brouwer
Klaas Hekman
Berend Witten
Harm Katoele
Willem de Weerd
Jan Willem Huzen
 

* * *

VOLKSONDERWIJS NIEUWLEUSEN, DEEL III _________________________________________________________

Prov. Overijsselsche en Zwolsche Courant 21-2-1916:

Luctor et Emergo.

Zoo dacht de burgemeester, maar wij denken evenals het Zeeuwsche boertje, die gevraagd werd wat beteekent Luctor et Emergo en antwoordde: lukt vandaag niet dan lukt merge. Want eenmaal moet er verandering komen in den ergelijken wantoestand waarin het lager onderwijs en de scholen verkeeren. Wie het ingezonden stuk van den Burgemeester geleezen heeft zal met ons en met hem moeten erkennen, dat er niet is overdreven, dat zelfs de maat der berusting meer dan vol is en het op den weg van de afdeeling Volksonderwijs ligt te protesteeren tegen dergelijk wanbeheer, onverschillig wien daarvan de schuld is. Wij meenen, dat in deze de Burgemeester de eerste persoon is wie beschuldigd kan worden. Hij heeft toch het recht en de macht en de plicht te zorgen, dat aan het onderwijs de beste zorgen worden besteed, en wij verklaren dat dit niet is geschied en dat door een groote mate van laksheid, onverschilligheid, verkeerde zuinigheid, enz. door wanbeheer de scholen, het onderwijs en alles wat daarmede in verband staat, in een ordelooze, tuchtelooze, onhygiënische toestand zijn gebracht welke zoo ernstig is, dat zelfs voor de gezondheid der leerlingen en onderwijzend personeel gevreesd moet worden.
Het zoogenaamde verweer van den Burgemeester kan dan ook niet anders gekwalificeerd worden als een brutaal, ontactisch tegenspreken, tegen beter weten in. Wat heeft toch Z. Ed. Achtbare gemeend toen hij met bedoeld stuk aan het pennen was? Zou hij werkelijk zoo optimistisch zijn te meenen: "Nu zullen ze zich wel stil houden"? De storm van verontwaardiging die is losgebroken op zijn verweer bewijst het tegendeel en de verschillende sympathiebetuigingen, die wij ontvingen van juist diegenen, die volgens Z. Ed. Achtbare met genoegen terugdenken aan Nieuwleusen, bewijzen, dat deze toestand reeds van langen duur is. De onkiesche woorden en het onverkwikkelijk relaas dat de Burgemeester bezigt over het hoofd der school te Ruitenveen, bewijzen alleen dat Z. Ed. Achtbare met den werkelijken toestand in het geheel niet op de hoogte is, waar de Burgemeester volgens zijn zeggen, tevergeefs had gehoopt, dat de vrouw van het hoofd der school althans voor een gedeelte in diens plaats trad, is het een feit; dat die vrouw van 1 Maart 1915 af voor de klassen heeft gestaan en haar man heeft vervangen tot deze weder enigszins zijn werk kon hervatten. Weet de Burgemeester dit niet, of verzwijgt hij dat opzettelijk? In beider gevallen is dit niet prijzenswaardig van hem.
Op de vraag of van het gemeentebestuur van Nieuwleusen te verwachten was een drijfjacht te gaan houden op leerlingen van het herhalingsonderwijs, antwoorden wij met beslistheid, dat dit niet alleen te verwachten was, maar zelfs de plicht was van het gemeentebestuur. Als dit bestuur niet op de hoogte is met wat zij te doen of te laten heeft, neemt dan uw voorschriften ter hand (als dit niet al te veel gevergd is) en u zult zien wat u volgens art. 17 der Wet op het lager onderwijs verplicht bent. Niettegenstaande is er geen personeel benoemd voor herhalingsonderwijs (plichtverzaking), terwijl er wel degelijk leerlingen van gebruik wenschten te maken, daar deze althans genoodzaakt worden naar de bijzondere school te gaan.
Typeerend is de uitdrukking "De privatenkwestie is een oude bekende". Eerstens is dit een bekentenis, dat deze zaak niet in orde is, maar wat wordt er bedoeld met een oude bekende? Wil dit zeggen, dat wanneer een gebrek of fout of wantoestand oud geworden is, dit dan niet meer verbeterd behoeft te worden? Als dat zoo is, maken we ons werkelijk bezorgd, we hebben bijna 40 jaar een en dezelfde Burgemeester. Dat de privaten volgens goedgekeurde bestekken zijn gebouwd, is geen bewijs dat ze in orde zijn, controle welke volgens art. 93 L.O.wet voor B & W verplicht is, ontbreekt toch geheel en al, ze zouden zich anders kunnen overtuigen, dat er jammerlijk veel aan mankeert. En dat deze kwestie reeds lang bestaat mag blijken uit het volgende: Begin April 1914 stuurde de schoolopziener aan een der hoofden alhier een vragenlijst, waarin geïnformeerd werd welke veranderingen er aan de lokalen waren aangebracht, om die in overeenstemming te brengen met de eischen van het Kon. besluit van 25 Juni 1912 inzake verbouwing der schoollokalen. Als we naar waarheid zijn ingelicht, dan luidde 't antwoord als volgt: "de privaatputten buiten de school zijn afgebroken, en op dezelfde plaats bijna gelijk aan de vorige, weder opgebouwd". Alles is echter stuk gevroren en ligt weer open en bloot als voorheen (wenscht Z.Ed. Achtbare daar ook een deksel op te doen? Dan mag dat wel een heele groote zijn.) Verder is er niets gedaan, geen stankafsluiter aan de privaten, geen olie-syphons bij de waterplaatsen, geen pomp voor drinkwater bij de school. Ook is er niets gedaan aan de privaten en waterplaatsen binnen de school en de houten schotten tusschen de lokalen zijn niet vervangen door muren. Doch genoeg over deze kwestie, want daar is werkelijk een luchtje aan.
Verder lezen wij: "Toch mogen wij ons gelukkig rekenen, dat er bijna onafgebroken met voltallig personeel in de school in 't Oosteinde is gewerkt kunnen worden.” Dat "gelukkig" daar heeft Z. Ed. Achtbare weinig begrip van, want wij vinden het ongelukkig gekozen woorden, die daar worden gebezigd, daar het tegendeel van de feiten bewezen kan worden. Zou Z. Ed. Achtbare ook met deze zaak niet goed op de hoogte zijn, of verstaat Z. Ed. Achtbare onder "bijna", dat het personeel zeer dikwijls onvoltallig was? Zou hij werkelijk niet weten, dat 't personeel zeer dikwijls voor meerdere klassen stond? Het oud-hoofd dezer school, van wien gezegd wordt, dat dit nu eens een ouderwetsche goeie meester was, zei nog dezer dagen tot een onderwijzer, die over 't gesukkel op de school sprak: "Je bent gek dat je al die klassen voor je rekening neemt!" In plaats dat het onderwijzend personeel wordt aangevallen, verdienden zij beloond te worden voor hun bereidwilligheid en ijver in dezen betoond.
Wat Z.Ed. Achtbare verder schrijft over eergevoel en verantwoordelijkheidsgevoel, geven we hem zijn eigen woorden terug: "Herzie uzelf".
Dat het schoolplein te Den Hulst een modderpoel moet blijven, omdat de mogelijkheid bestaat dat wanneer er grind opgebracht wordt de ruiten zullen breken kunnen wij niet aannemen. Op het schoolplein te De Meele ligt wel grind en de gebroken ruiten waren daar gedurende 1 jaar slechts 2. Overigens dient Z. Ed. Achtbare die maatregelen te treffen, als hoofd der gemeentepolitie, dat aan baldadigheid paal en perk wordt gesteld.
Op de laffe insinuatie tegen de voorzitter van Volksonderwijs wenschen wij alleen dit te zeggen, dat wij ons verheven achten boven dergelijk laag bij de grondsche schrijverij.
Het gebrekkig handwerkonderwijs is van tijdelijken aard, zegt Z. Ed. Achtbare, en wij hopen dat deze "tijdelijkheid" niet verlengd zal worden tot in lengte van dagen als hier gebruikelijk is en dat het dan tevens beter geregeld worde als thans, daar er veel te weinig tijd aan besteed wordt. Tevens diene de kwestie opgelost, dat dit handwerkonderwijs gegeven wordt door onbevoegden, die daar ƒ 75 voor krijgen terwijl de bevoegden daar slechts ƒ 50 voor ontvangen.
Wat de schoolruimte betreft, welke volgens Z. Ed. Achtbare ook van tijdelijken aard is, verlangen wij, dat deze kwaal, welke reeds van jaren her is en al lang diende opgelost te zijn, ten spoedigste tot uitvoering komt, door een lokaal bij te bouwen. Wij begrijpen niet hoe het gemeentebestuur het durft, met art. 192 der L.O. wet voor oogen door bedrog der hoogere autoriteiten, deze kwestie nog langer op de lange baan te schuiven. Is het geen schande, dat een onderwijzer staat voor 70 leerlingen gedurende 11 maanden van het jaar, en deze 70 leerlingen zijn ondergebracht op de plaats waar volgens de wet het maximum veel minder is. Deze toestand is weer als het vorige jaar, thans met 67 leerlingen. Wij herhalen hoe durft U, waar U geboden wordt: "dat het openbaar onderwijs een voorwerp van aanhoudende zorg zij". Uitvluchten dat de hoofdelijken omslag niet noodeloos verhoogd mag worden, gaan niet op, daar het rijk in deze het leeuwenaandeel daartoe bijdraagt. Maar wij begrijpen nu wel wat de bedoeling is, de goegemeente voor oogen te houden, dat u de belasting laag houdt en komen te gelegener tijd daar eens op terug.
De klachten over het schoonmaken der scholen zijn sterk overdreven, durft Z. Ed. Achtbare beweren terwijl het hoofd der school te Den Hulst verzekerd zou hebben, dat de school uitstekend wordt schoongemaakt. Ons is gebleken, dat die woorden zijn verdraaid en moeten luiden: "dat de school aldaar uitstekend werd schoongemaakt". Dit kan deze naar waarheid verklaren, als hij ermee wil zeggen, dat de schoonmaakster haar verplichtingen ten volle nakomt. Wat anders is het echter of die verplichtingen, door het dagelijksch bestuur gegeven, voldoende zijn. Bij een schoolplein (modderpoel) als daar gevonden wordt, is éénmaal per week aanvegen en driemaal per jaar schrobben veel te gering. Laat de Burgemeester eens onderzoek doen hoe het in de omliggende gemeenten, b.v. Staphorst en Avereest geschiedt en hij zal wat anders vernemen.

(w.g.) H.A. Meijer


Wij herinneren nog eens aan de vergelijking met onze scholen en ziekenhuizen. Over deze grenzelooze zorgeloosheid zegt de Burgemeester "men wil klagen". Zeker willen wij dat en wij willen nog meer. We vragen of hier niet de oorzaak is te vinden, dat de gemeente Nieuwleusen boven aan de lijst staat met het hoogste percentage tuberculoselijders in deze provincie. Ouders en voogden begrijpt gij het ontzettende van deze poel van verwaarloozing? Durft gij nog langer met een gerust geweten uw kinderen naar deze broeinesten van alle ziekten en kwalen zenden, zonder met ons te protesteeren tegen dergelijke middeleeuwse toestanden? Schoolopzieners, schoolartsen, vereeniging tegen tuberculose en allen die het op hun weg ligt daarvoor te waken, waar blijft gij? Durft ook gij dezen toestand doen bestendigen? De gemeente Nieuwleusen is wel achterlijk. Herzie uzelf wordt ons gezegd, maar wij weten op wien dit het best is toe te passen. Doet uw werk goed, ook dit gezegde kunnen wij met gerustheid terugkaatsen en wij zijn overtuigd dan niets teveel te hebben gezegd. Laat de Burgemeester aantoonen, waar het onderwijzend personeel zijn plicht niet doet en hij heeft het recht ze te doen straffen. In artikel 35 L.O.wet staat, dat de leerlingen moeten opgeleid worden tot christelijke en maatschappelijke deugden. Houden de onderwijzers zich daaraan niet? Daarom mocht Z. Ed. Achtbare hen anders wat beter voorgaan en ze niet uitvloeken, als ze bij hem komen, om over het een en ander te spreken, want hierdoor gaat veel van het achtbare verloren.
Over de salariskwestie, enz zij de volgende becijfering voldoende. Jaarwedde ƒ 550. Storting pensioen ƒ 38,50, belasting ƒ 7,70, studie ƒ 30, boeken enz. ƒ 25, kostgeld per dag ƒ 1,05, per jaar ƒ 383,25, totaal ƒ 484,45. Voor kleeding, enz. blijft over ƒ 65,55. Belieft u dit nog wat nader uit te werken? Zeker dan het resultaat: een pak kleeren voor den dag ƒ 25, een dito voor den Zondag ƒ 25, een overjas ƒ 15, twee paar schoenen ƒ 10, tweemaal schoenenreparatie ƒ 4, onderkleeding ƒ 20, een hoed ƒ 4. Een onderwijzer zal waarschijnlijk nog wel meer noodig hebben, maar het kan niet zoo dunkt ons. Trekt deze ƒ 103 van bovenstaande af en u zult de schitterende positie voor oogen hebben van een onderwijzer te Nieuwleusen.
Commentaar overbodig.
En nu wij toch aan het cijferen zijn, willen wij ook nog even de reuzenbedragen noemen die hier uitgegeven worden aan de onderwijzers. Voor school A een hoofd ƒ 100, twee onderwijzers elk ƒ 50, voor school B een hoofd ƒ 100, een onderwijzer ƒ 50 voor school C een hoofd ƒ 100, twee onderwijzers elk ƒ 50, voor school D een hoofd ƒ 100 en een onderwijzer ƒ 50, De gemeente betaald aan het onderwijzend personeel ƒ 700, de rest betaalt het rijk. Breed uitgemeten wordt het landbouwonderwijs en de belooningen van ƒ 100 en van ƒ 25. Nadat echter die eerste gelukkige deze gemeente heeft verlaten (wip, weg zijn ze weer), bedraagt deze extra toelage, bonificatie of verhooging de somma van ƒ 25.
Thans moge het publiek, het gemeentebestuur en de hoogere autoriteiten oordeelen en deze zaak onderzoeken. Dat een onderzoek van hooger hand dringend noodzakelijk is, mag veilig worden aangenomen. De Burgemeester heeft intusschen het recht en de plicht; een onderzoek in te stellen naar lanterfanterende onderwijzers en deze tot hun plicht te brengen. Kan hij dat niet dan kan hij de autoriteiten in kennis stellen van zijn opinie en om voorlichting en hulp verzoeken. Van dien kant zal men echter wel niet op hulp gesteld zijn, want die zullen de gemeente wel wijzen op hun tekortkomingen, die het onderwijs in het moeras gebracht hebben. Betreurenswaardig is, dat de man die in deze alles vermag en wiens plicht 't was het onderwijs in goede banen te leiden, en wiens geheele doen en laten van een opbouwende geest moest getuigen, een halsstarrige afbrekende politiek voert.
Met hartelijken dank aan de Redactie voor de plaatsing van bovenstaande, verblijven wij,

Hoogachtend,
W.A. van den Berg, voorzitter
C.W. Kuiper, secretaris
-- -- --


Nieuwleusen, 19 Februari 1915

Mijnheer de Redacteur!

Verleen mij nog eenmaal een weinig plaatsruimte naar aanleiding van het laatste schrijven - van 17 Febr. j.l. - van den heer Burgemeester.
Slechts op één ding wil ik nog even wijzen, nl dat ons bij monde van de Edelachtbare Heeren Zonnenberg en Van Hulst "zelfs desnoods eenige vergoeding was aangeboden in de huishouding" als mijn vrouw weer voor de klassen zou gaan.
Dit is een pertinente leugen! Dezer dagen hierover met de Edelachtbare Afgevaardigden sprekend, zei de eerste: "Ik zeg niets meer; ik zal dan maar de zondebok zijn." Van Hulst antwoordde, dat hij er zich niet in wilde mengen. Alsof ze dat nu reeds niet hadden gedaan! 'k Geloof, dat de lezers nu voldoende door mij zijn ingelicht. Het verder geschrijf van den heer Burgemeester laat ik geheel voor wat het is.
Bij voorbaat dankend voor de plaatsing,

H. Kuilman,
H.d.s. te Ruitenveen
- - -

wordt vervolgd

* * *

WANNEER EEN VREEMDELING UIT VRIJEN GAAT _________________________________________________________

Meppeler Courant

Het was onzen veldwachter Holties bekend, dat eenige jongelui van hier, welke in de buurtschap de Meele verkeering hadden, aldaar door een groot aantal jongelui werden lastig gevallen en hun een zwaar pak slaag toegediend zou worden, ja erger, met den dood werd gedreigd. Teneinde erger te voorkomen, trok Holties een dezer dagen, toen de Nieuwleusener jongens weer de meisjes van de Meisjesvereen. naar huis brachten, er op uit. Hij stelde zich nabij het huis van Alb. Bouwman aan het station Dedemsvaart verdekt op en wachtte op de dingen die komen zouden; het duurde niet zoo heel lang of in de nabijheid van Holties posteerden eveneeens eenige helden uit de buurtschap de Meele, terwijl er vrij zeker ook een contingent uit de Maat aanwezig was. De jongelui van hier waren echter nog niet te zien en moesten zeker in elk geval nog passeeren; verschrikkelijke taal aan het adres van deze twee heren werd er uitgebraakt als: zij zullen het kanaal in, af moeten ze worden gemaakt en daar de koppel nu toch inmiddels reeds tot een klein legerkorps was aangegroeid, meende Holties dat het maar beter was om in te grijpen, vóórdat de Nieuwleusener jongelui, die hij wilde beschermen, er bij waren en deze eerst eenige klappen waren toegediend. Voorzichtig trok hij op de eigenlijk nog niets vermoedende vechtlustigen af, die zich daar tusschen de tramrails bevonden, dus ook nog op terrein waar ze niets te maken hadden. Hij heeft hen daar met den stok eens geducht geleerd wat het zeggen wil als men niet gerust en onbedreigd uit vrijen kan gaan in onze gemeente. Holties deelde geweldige klappen uit met tot gevolg, dat het geheele legerkorps in een minimum van tijd uit elkaar was geslagen en in de vlucht hun heil moest zoeken, en hun rijwielen in den steek lieten.


Veldwachter Holties

De kloppartij had plaats te ongeveer tien uur en de vluchtende helden was zoo den schrik in de beenen en.... op den rug en andere plaatsen ook gevoelig geslagen, dat ze eerst tegen den morgenstond den moed hadden, hun rijwielen, welke ze tegen en nabij het huis van Bouwman hadden geplaatst, durfden op te halen. Het is te wenschen dat de les die aan deze heeren is toegediend, er bij de andere heeren de schrik zóó heeft ingejaagd, dat men nu ook hier eens rustig en zonder last zijn meisje kan gaan bezoeken. Het strekt de buurtschap niet tot eer, dat een vreemdeling hier nog door den sterken arm moet worden beschermd en niet alleen niet tot eer, maar ook is het voor hen zelf gevaarlijk, want zijn wij goed ingelicht, dan waren den morgen volgende op den veldslag, meerdere jongelui tengevolge van kennismaking met Holties niet in staat hun werkzaamheden, in casu het melken, te verrichten.

(Uit de Meppeler Courant van 28 mei 1937.)

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Prov. Ov. en Zwolsche Courant 2 februari 1923:
Rechtbank Zwolle.
Arend S., 20 jaar, smidsknecht te Nieuwleusen, heeft op 20 December zijn zwager Arend Boenen geslagen. Bekl. ontkent.
President: Je hebt toch bij de politie verklaard dat je 't wel gedaan had?
Beklaagde: Ja meneer, die vent viel me zo lastig.
President: Heb je 't nu gedaan of niet?
Beklaagde: Ja meneer.
Boonen beweert zoo goed als niets gevoeld te hebben, waarop de president vraagt waarom hij de zaak dan vervolgd heeft. Dat had hij niet willen doen, antwoord getuige, maar de politie wou niet anders.
De Officier: Je probeert beklaagde vrij te praten, jullie loopen daar allemaal aan zijn leiband. Spr. leest dan voor wat getuige omtrent de slagen verklaard heeft aan de politie. Hij verzoekt getuige, die een zwager is van beklaagde en daarom buiten eede gehoord wordt, onder eede te hooren. Bekl. heeft daartegen echter bezwaar. Gerrit Stolte is al even vaag in zijn verklaringen. Hij heeft gezien, dat bekl. den eersten getuige sloeg. Na lang aarzelen bevestigt hij zijn verklaring aan de politie, dat Boonen na den slag een rood beloopen oog had en dat Boonen tegen hem gezegd had, dat hij er pijn van had. Boonen nogmaals gehoord, kan zich niet voorstellen, dat hij dat gezegd heeft.
De Officier: Als jou weer eens iets overkomt, zullen we er maar niet teveel notitie van nemen; jij vindt toch alles goed. Spr. merkt op, dat beklaagde buitengewoon ongunstig bekend staat en de schrik van de buurt is, waarom het hem niet verwondert, dat men probeert de zaak te sussen.
Eisch 3 weken gev.straf.


Jaargang 11 nummer 2 juni 1993

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

De spoor- en trambrug bij Station Dedemsvaart. We kijken in de richting Lichtmis. Links van het kanaal is Nieuwleusener grondgebied, rechts dat van Staphorst.

* * *

GRENSBEPALING GEMEENTE NIEUWLEUSEN IN 1820 _________________________________________________________

Al in de Napoleontische tijd werden plannen gemaakt voor een gemeentelijke indeling. In de beginjaren van de regering van Koning Willem I hebben de schoutambten Avereest en Nieuwleusen een gecombineerde gemeente gevormd. Nadat per 1 juli 1818 beide gemeenten waren verzelfstandigd, werd in 1820 de gemeentegrens van Nieuwleusen vastgesteld. Onderstaand volgt het proces-verbaal dat hiervan is opgemaakt.

Proces-Verbaal der Grensbepaling van het Grondgebied der Gemeente Nieuwleusen.

In de jare agttienhonderd en Twintig den Vier en Twintigsten dag der maand Mey hebben wij, Landmeter der eerste klasse, benoemd door den Minister van Financiën, ten einde overeenkomstig de bepalingen vervat in het eerste hoofdstuk, eerste afdeeling, van de vierde titul der Methodique verzameling der Wetten, Decreten, Reglementen, Instructiën en Decissiën, betrekkelijk het kadaster, de opneming te verrigten van de omtrekslijnen der Gemeenten, welke tot de Kadastrering voor den dienst van agttienhonderd en Twintig in de Provincie Overijssel zijn gedesigneerd, ons begeven naar de hoofdplaats der Gemeente van Nieuwleusen alwaar wij, verzeld van den Controleur der Directe belastingen, ons op het Raadhuis der Gemeente vervoegende, gevonden hebben de Heeren
Mr. R. S. van de Gronden, schout
alsmede Barteld Stolte en Cornelis Spijker door hem benoemde aanwijzers, gelijk mede de Heeren Schouten en aanwijzers der hier onder genoemde Gemeenten, te zamen geroepen en bijeengekomen, ten einde in derzelver wederzijdsch bijzijn, de grensscheiding op te nemen van het grondgebied van Nieuwleusen.
Op het terrein gekomen, hebben wij onze werking begonnen van het punt in den omtrek der opgemelde Gemeente, hetwelk meest ten Noorder liggende, tevens tot scheiding dient tusschen de beide Gemeenten van Avereest en Nieuwleusen en wij zijn voorts de lijn van omschrijving gevolgd van het Noorden naar het Oosten, en vervolgens naar het Zuiden en Westen, geduidelijk aan onze regterhand houdende het grondgebied van Nieuwleusen en aan onze linkerhand achtereenvolgens die van Avereest, Schoutambt Ommen, Dalfsen, Zwollerkerspel en Staphorst in voege als volgt.

Grensscheiding ten aanzien der Gemeente van Avereest.

Beginnende op of aan het Noordelijkste punt der Gemeenten hetwelk tot scheiding diend der Gemeenten Staphorst, Avereest en Nieuwleusen, en op hetwelk ingevolge in den Jare 1819 opgemaakt Proces Verbaal een paal, genaamd de Princepaal op de punt of hoek van de Beentjes graven geplaatst en alhier met no. 1 genummerd is, hebben wij naar aanwijzing der Heeren Schouten en Aanwijzers erkend dat de scheiding verder Oost ten Noorden loopt en bepaald word door een Slootje in bovengenoemde rigting tot dat dezelve een bogt krijgt bij het Eigendom van Herman Hendrik Alteveer en op welk punt een paal zal geplaatst met de Letters der Gemeente gemerkt en no. 2 gegeven zal worden, voorts rigt zig de scheiding van hier door een Sloot Zuidwaarts tot tegen de Nieuwe Vaart en van daar dwars over dezelve tot tegen de Sloot langs de Versener Stouw vervolgens door deze Sloot tot op het punt alwaar de zogenaamde Versener Scheid, separerende de Markte Versen en den Huizen in dezelve loopt of koomt te snijden en op welk punt dan ook de Gemeente Schoutambt Ommen een aanvang neemt, en door


ons bepaald is een Driekante paal te plaatsen en met de Letters der Gemeente en no. 3 te merken. Op dit punt nu gekomen zijnde hebben wij hetzelve voor het grenspunt der Gemeente erkend hebbende de Gemeente Avereest ten Noordoosten en de Gemeente Schoutambt Ommen ten Zuidoosten en hiermede dit gedeelte van ons proces Verbaal gesloten en getekend.

De Schout van Avereest
R S van der Gronden

De Schout van Schoutambt Ommen
J Amana Chevallerau

De Schout van Nieuwleusen
R S van der Gronden

Grensscheiding ten aanzien der Gemeente van Schoutambt Ommen.

Van het punt hierboven omschreven voortgaande hebben wij naar aanwijzing der Heren Schouten en Aanwijzers erkend dat de Grenslinie verder Zuid­Zuidoostwaards loopt en bepaald word door de Sloot ten Oosten de Versener Stouw voorbij de grote weg door het Dorp tot aan de zogenaamde Middeldijk en wel tegen de Noordelijke sloot, op het punt alwaar de gemeente Dalfsen een aanvang neemd en bij het welke een driekante paal geplaatst met no. 4 en de Letters der Gemeente gemerkt zal worden.
Op dit punt nu gekomen zijnde hebben wij het zelve voor het ware grenspunt erkend hebbende de gemeente Schoutambt Ommen ten Noordoosten en de gemeente Dalfsen ten Zuid en Zuidwesten en hiermede dit gedeelte van ons proces Verbaal gesloten en getekend.

De Schout van Schoutambt Ommen
J Amana Chevallerau

De Schout van Dalfsen
F C Mulert

De Schout van Nieuwleusen
R S van der Gronden

Grensscheiding ten aanzien der Gemeente van Dalfsen.


De Veldbrug met de molen van Massier

Van het punt" hierboven omschreven vervolgende hebben wij naar aanwijzing der Heren Schouten en Aanwijzers verder erkend, dat de Grenslijn west ten Zuiden loopt door de Sloot langs genoemde Middeldijk tot aan op of wel onder door de Middeldijks Brug gelegenover de Dommeler Dijk ten Zuiden de Molen van Barteld Stolte, voorts rigt zij de Scheiding verder tot aan De Hoek van het Weiland van W. Schuurman en daarna Noordwaarts tot aan de Veld Brug leggende in de Wittendam, vervolgens worde de Grenslijn bepaald door de Zuidelijke Sloot der groote weg door het Dorp langs het Tolhuis en wel tot dat dezelve het allignement van de Sloot aan de Noordzijde de Weg voorbij opgemelde Tolhuis scheidende de Zogenaamde Polhoeven van het gezworens Land of Kortehooyslagen, rencontraceerd (?), welke Sloot dan verder zijn rigting westwaarts nemende, de Grenslinie bepaald en wel tot aan dezelve zig in de Steenwetering ontlast, op welk punt de Gemeente Zwollerkerspel een aanvang neemt en alwaar is besloten een driekante paal te plaatsen met de Letters der Gemeente en no 5 te merken.
Op dit punt nu gekomen zijnde hebben wij hetzelve voor het Grenspunt der Gemeente erkend hebbende de Gemeente Dalfsen ten Zuiden en de Gemeente Zwollerkerspel ten Westen en hiermede dit gedeelte van ons proces Verbaal gesloten en getekend.

De Schout van Dalfsen
F C Mulert

De Schout van Zwollerkerspel
L H C Nilant

De Schout van Nieuwleusen
R S van der Gronden

Grensscheiding ten aanzien der Gemeente van Zwollerkerspel.

Het punt hiervoren omschreven aan de Steenwetering bij de paal no. 5 vervolgende hebben wij bepaald dat de Grenslinie verder door genoemde Wetering zig noordwaarts rigt en wel tot op of aan de Zogenaamde Poepen Stouw ter plaatse alwaar bij proces Verbaal van Grensbepaling der Gemeente Staphorst in den Jare 1819 opgemaakt, is bepaald een paal te plaatsen, op het punt alwaar de laatstgenoemde gemeente een aanvang neemt en welke paal door ons met de Letters der gemeente gemerkt en alhier no 6 genummerd zal worden.
Op dit punt nu gekomen zijnde hebben wij het zelve voor het ware grenspunt der Gemeente erkend hebbende de Gemeente Zwollerkerspel ten westen en Zuidwesten, de Gemeente Staphorst ten Noorden en hiermede dit gedeelte van ons Proces Verbaal gesloten en getekend.

De Schout van Zwollerkerspel
L H C Nilant

De Schout van Staphorst
J ter Haar de Jonge
Assessor

De Schout van Nieuwleusen
R S van der Gronden

Grensscheiding ten aanzien der Gemeente van Staphorst.

Van het punt hiervoren bij de Paal no 6 aan de Steenwetering en de Zogenaamde Poepen Stouw voortgaande is bevonden dat zo van ouds heen als wel nader ingevolge Besluit van Heren Gedeputeerde Staten van deze provincie dd: 6 July 1819 2° Divisie no 2 in Proces Verbaal van grensbepaling van de Gemeente Staphorst in genoemd Jaar opgemaakt speciaal onder art. 4 en in het daar agter gevoegde appendix ampel omschreven de Limiet of Grensscheiding in dezer voegen zal lopen "Van voormeld punt noordwaarts tot in de nieuwe vaart vervolgens door en langs deze vaart zijn Kromten vervolgende door de Sluis aan de Ligtmis tot voorbij de Leidijk bij het Land of Huisplaats van Hendrik Brasjen en dus uitsluiting van dezelve" en alwaar een paal geplaatst is of zal worden gemerkt no 7 voorts van deze paal noordwaarts tot aan de markte gronden van Staphorst en Rouveen tot het punt gemerkt op de Schets met letter C. Vervolgens van hier Oostwaarts langs genoemde Marktegronden en het Erven van J. Nijboer genaamd het Wilde door de sloot tot bij de Herberg de Hulst, toebehorende aan Den Heer van Dedem van den Berg cumsius en wel tot het punt op de Schets gemerkt Letter B wanneer verder de Limiet weder Zuidwaarts loopt tot aan de Beentjes Graven gemerkt op de Schets Letter A welke Graven oostwaarts loopt en de Grenslinie der Gemeente uitmaakt hebbende ten Noorden de Markt van IJhorst en ten Zuiden de Hulstlanden tot op of aan het punt waar de paal voor deze Gemeente gemerkt no 1, genaamd.Prinsepaal het punt van vereeniging met de Gemeente Avereest uitmaakt.
Op dit punt nu gekomen zijnde hebben wij de grenzen der Gemeente rond geweest en dit ons Proces Verbaal gesloten en getekend.

De Schout van Staphorst
J ter Haar de Jonge
Assessor

De Schout van Avereest
R S van der Gronden

De Schout van Nieuwleusen
R S van der Gronden, onder reserve
der bij hierbijgevoegde memorie vermelde
bezwaar ten opzicht van de uitsluiting van
het huis van Hendrik Brasjen.

De Controleur
R van Bommel

De Landmeter Delimitateur
J Noordhoek Hegt

- - - -

De ondergetekende Schout van Nieuwleusen acht zich verpligt het opgemaakt Proces verbaal van delimitatie zijner gemeente met die van Staphorst te tekenen onder reserve als daarbij vermeld, vermits hetzelve zich reserverende tot het bepaalde bij het van deze limiet in het jaar 1819 opgemaakt procesverbaal, inhoud, dat de limiet uit "de vaart langs het wilde naar de beentjes graven zal lopen, met uitsluiting van de huisplaats van Hendrik Brasjes" zo als zulks ook op de figurative kaart van delimitatie is geschetst, en tengevolge waarvan de huisplaats van Hendrik Brasjen zoude behoren tot de gemeente Staphorst, het welke nimmer de intentie der weerszijdsche besturen is geweest, en strijdig zoude zijn met zijn majesteits besluit den 28 November 1815 no 80 waarbij de circumscriptie der Gemeenten is bepaald, en onder anderen de huisstede van Hermen Weekhorst / thans aan Hendrik Brasjen toebehorende/ is gevoegd bij de Gemeente Nieuwleusen in welk besluit wel met onderling overleg der Schouten van Staphorst en Nieuwleusen, uit hoofde van het ongerieflijke bij den delimitatie ondervonden, enige verandering is gemaakt bij overeenkomst, geapprobeerd bij besluit van heren Gedeputeerde staten van den 6 july 1819 2e div. no 2, doch bij welke overeenkomst de huisplaats van Hendrik Brasjen is gebleken bij de gemeente Nieuwleusen, als wordende daarbij bepaald "dat de limiet loopt bewesten het huis van Brasjen in de vaart hebbende bestendig ten eener de gronden van het Wilde en de huisplaats van Hendrik Brasjen / terwijl dezelven zo als thans in het procesverbaal voorkomt beoosten dat huis in de vaart zouden lopen, en hetzelve ten anderen zijde zoude hebben/. Dien ten gevolge is dan ook de bewoner Hendrik Brasjen betrokken in de personele aanslag van Nieuwleusen over 1819 en is ook zijn huis vermeld op het door de Schout van Staphorst afgegeven extract der gebouwde eigendommen, en van het personeel en mobilair, houdende die posten welke van Staphorst tot Nieuwleusen zijn overgegaan.
De misstelling in het procesverbaal van 1819 is alleen daaraan toeteschrijven dat het woord uitsluiting in hetzelve op voordragt van ondergetekende toemaals is verandert in insluiting, als daarmede in het oog hebbende de gemeente Nieuwleusen, betrekkelijk welke limiet lopende bewesten het huis van Brasjen eene insluiting en met betrekking tot Staphorst a contrarie eene uitsluiting daarsteld; thans echter nu de limiet beoosten zelve huisplaats in de vaart zoude lopen zoude dezelve inderdaad tot de Gemeente Staphorst komen, strijdig als gezegd 1e met Z.M. opgedagt besluit 2e met de overige inhoud van meer gemelde overeenkomst, en 3e strijdig met het procesverbaal zelve als waarin dezelve bewesten die huisstede bepaald is.
De ondergetekende versoekt derhalven dat deze misstelling zo in het procesverbaal van 1819 als in het tegenswoordige en in de figuratieve kaarten moge verandert worden en daarmee zo gelaten als primitief is bepaald geweest dat namentlijk de Scheiding bewesten het huis van Brasjen en met insluiting van die huisplaats in de Gemeente Nieuwleusen, in de vaart lopen.

De Schout Voornoemd
R S van der Gronden

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 9 januari 1935:
Te koop: Een partij beste eiken takkebossen, berglatten en boonestokken bij R. Lier en G.J. Witpaard, Koeweg, Den Hulst.

* * *

UIT HET MILITAIR ZAKBOEKJE VAN GEERT SCHOEMAKER _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Op 24 mei 1883 werd door de kapitein van de 2e compagnie van het 2e bataljon regiment infanterie te Breda aan Geert Schoemaker een militair zakboekje verstrekt. Hierin werden allerlei gegevens van hem geschreven. Dit boekje is bewaard gebleven en enige tijd geleden mocht "Ni'jluusn van vrogger" daar een kopie van maken. Voor onderstaand verhaal zijn de gegevens uit het zakboekje gebruikt.
Op 9 mei was Geert Schoemaker uit Nieuwleusen onder nummer 6 ingedeeld als loteling van de lichting 1883. Hij was een zoon van Hendrik Schoemaker en Jennigje Bosman en werd op 30 november 1863 geboren. Zijn signalement luidde: lang 1 meter, 6 decimeter en 2 millimeter; ovaal aangezicht, hoog voorhoofd, blauwe ogen, gewone neus en mond, ronde kin en blond haar en wenkbrauwen. Hij was van gereformeerde huize en arbeider van beroep.
Bij zijn opkomst in dienst kreeg soldaat Schoemaker een vergoeding voor eerste uitrusting van ƒ 20,--. Dit bedrag werd tegoed geschreven op zijn lopende rekening, die aan de andere kant werd belast voor een uitrusting ten bedrage van ƒ 34,55.
Wat kreeg Geert zoal en wat werd daarvoor berekend? Hieronder nemen we een staat op met de bedragen die daarvoor aan hem in rekening werden gebracht.

1 laken pantalon
1 mouwvest
1 kwartiermuts
2 paar schoenen
1 paar schoenzakjes
3 hemden
2 onderbroeken
4 paar sokken
1 paar wollen handschoenen
1 halsdas
1 werkbroek
2 handdoeken
1 rokzakje
1 naaizakje
1 kleederborstel
1 schoenborstel
1 vet- of wasdoos
1 haarkam
1 zakboekje
1 kleerklopper
1 knopenschaar
1 paar broekdraagbanden
1 eetketeltje
1 spijslepel
1 knipmes
1 poetszak

Op 31 mei 1883 kwamen daar nog bij:
4 paar sokken "nummeren"
1 paar wollen handschoenen "nummeren"

en op 25 juni van dat zelfde jaar:
1 schako (hoge stijve pet met klep)
1 schako "nommer"
2 grote leeuwekoppen
1 kleine leeuwekop
1 stormketting met bekleding
1 plaat
1 bal

ƒ 
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-


ƒ 
-


ƒ 
-
-
-
-
-
-

5,84
6,13
1,54
9,30
0,14
2,64
1,96
2,56
0,50
0,33
0,97
0,40
0,23
0,10
0,15
0,15
0,05
0,08
0,17
0,25
0,04
0,25
0,42
0,06
0,19
0,10


0,20
0,05


2,38
0,03
0,06
0,03
0,28
0,05
0,25

Hierdoor kwam het totaal dat Schoemaker schuldig was op ƒ 37,88. Naast de vergoeding van ƒ 20,-­ werd in de maanden mei en juni tegoedgeschreven 53 dagen à 11 cent en tevens ƒ 1,56 met als omschrijving "Ingehouden van de soldij". Dit zou betekenen dat een deel der soldij in contanten aan de soldaten werd uitbetaald en dat een ander deel werd tegoedgeschreven. Per 1 juli 1883 was de schuld getotaliseerd op een bedrag van ƒ 10,49.


Aan wapens en leren goederen werden soldaat Schoemaker uitgereikt een geweer uit 1873, een nieuwe patroontas met riem, een koppel (leren draagband) met slot uit 1880, een bajonetdrager uit 1879, een geweerriem uit 1868, een bajonetschede uit 1878 en een ransel (rugzak) uit 1876.
Het is 24 juli wanneer Geert de beschikking krijgt over een korte jas en een kapotjas (lange jas). Deze kosten respectievelijk ƒ 10,09 en ƒ 12,25.
In het zakboekje is een driemaandelijkse staat van de waarde van de kleding opgenomen, die er als volgt uitziet:

 
 
Korte jas
Laken pantalon
Mouwvest
Kwartiermuts
Kapotjas
Schako
Werkbroek
Paar schoenen
Halssnoer

        
 mei 1
10,09

6,13
1,54
12,25
2,38
0,97
4,15

 1883 
 juli 

3,--
3,50
1,25

2,50
0,50
5,--

         
  okt 
8,--
2,--
2,--
1,--
2,--
1,50
0,25
4,50
0,60

       
  jan 
5,--
1,50
1,--
0,80
2,--
1,25
0,20
3,50
0,50

 1884 
  april 
4,--
3,50
0,50
0,40
1,50
1,--
0,50
4,00
0,40

         
  juli 
3,50
3,--
5,--
1,30
1,--
0,75
0,40
3,50
0,25

1) verkregen bij in dienst treding of later.
Wanneer de waarde in een kolom hoger is dan de voorgaande, betekent dit dat er in de tussenliggende periode een nieuw is aangeschaft, danwel een reparatie heeft plaats gehad.

Naast alle voren genoemde uitgaven werd Schoemaker in de loop van zijn diensttijd nog belast voor diverse kleine en grotere artikelen. Ook reparaties aan een en ander staan geregeld genoteerd. Op 31 augustus 1884 bijvoorbeeld werd de kapotjas voor ƒ 1,20 gekeerd en voorzien van een nieuwe buitenkraag voor ƒ O,33 en van nieuwe oplagen (omslagen) voor ƒ 0,42. Zijn korte jas levert hij op 25 augustus 1884 in en krijgt daarvoor een tegoed geschreven van ƒ 2,50, terwijl het ingeleverde halssnoer met kwasten geen waarde meer blijkt te bezitten.
Geert Schoemaker deed 490 dagen, ongeveer zestien en een halve maand, dienst. Dat leverde hem ƒ 53,90 op. ƒ 13,53 werd tegoedgeschreven wegens ingehouden soldij, hetgeen het totaal aan inkomsten op ƒ 89,93 bracht. De totale uitgaven waren ƒ 101,18, zodat hij bij het verlaten van de dienst een schuld had van ƒ 11,25. Gelukkig had Geert nog 73 cent op zak, waardoor de schuld daalde tot ƒ 10,52. Dit saldo bleef staan tot 11 augustus 1886 toen Schoemaker voor herhaling op moest komen. In deze 34 dagen durende periode maakte hij voor ƒ 3,88 schulden (waarvan ƒ 2,-- voor een gedragen laken pantalon) en ontving hij ƒ 4,73. Op 14 september 1886, toen Geert met groot verlof naar Nieuwleusen terugkeerde, was hij nog ƒ 9,67 schuldig. Een dag later toonde Geert zijn verlofpas aan burgemeester Bosch Bruist, die er zijn handtekening onder plaatste, net zoals twee jaar eerder ook was gebeurd.
Op 30 april 1889 werd aan Geert Schoemaker een paspoort uitgereikt, waarop staat dat hij de dienst met een schuld van ƒ 9,65 heeft verlaten en dat hij verplicht is zich voor deze schuld te doen inschrijven. Waar zou het Departement van Oorlog de twee cent hebben verantwoord?

* * *

OPLOSSING REKENSOM _________________________________________________________

Wi'j hoopt dat a'j een betien plezier ehad hebt an de rekensomme in 't veurige bladtien. Goeie oplossings bint der niet binnen ekomen, daorum geve wi'j die hier maor.
4 soldaoten geeft acht, det is dus 32; 5 closetrollen trek ie of, maakt 27; 3 communisten wilt alles delen, blieft nog 9; 1 tandarts trekt de wortel, dan bint der nog driee over; de 3 knienen eet elk een wortel op en dan is der niks meer.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXII _________________________________________________________

Onderstaande foto is van de Christelijke Lagere School te de Meele en dateert van omstreeks 1935.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  

Jan Meesters
Henk Bouwman
Gerrit Jan Boerman
Arend Zielman
Hendrik Kuiers
Klaas Evenboer
Gerrit Bouwman
Harm Bouwman
Jan Winkels
Hendrik Jan Zieleman
Klaas Kooiker
Asse Visscher
Gerrit Westerman
meester Withaar

15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  

Hendrik Winkels
juffrouw Wouda
Betsy Katgert
Dientje Veltman
Hendrikje Timmerman
Aaltje Kin
Johanna Stroeve
Aaltje Kuiers
Riekje Evertsen
meester Oldebeuving
Aaltje Harke
Janna Bruggeman
Hendrikje Harke
Trijntje Meesters

29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
 

Dina Bruggeman
Aaltje Bruggeman
Bertha Kooiker
Margje Winkels
Jo Schuurman
Jan Schuurman
Willem Zieleman
Gerrit Stroeve
Gerrit Jan Stroeve
Roelof Kuiers
Jan Harke
Klaas Harke
Lucas Kin
 

* * *

DE EMIGRATIE VAN DE FAMILIE BROEK NAAR AMERIKA _________________________________________________________

Harm Broek
Vertaling: K. Borgers

Op 3 april 1847 vertrokken Harm Broek met zijn vrouw en vijf kinderen naar Amerika. De kinderen waren Dirk, Hendrik, Jantje, Jan en Albert. Na een hartelijk afscheid van vrienden en familie werden ze in gebed Gode aanbevolen en zongen daarna psalm 68:17 en 72:11. Per schip gingen zij naar Rotterdam en vandaar naar Hellevoetsluis, waar zij zich inscheepten op een groot zeilschip, de Hugo Grotius, op 15 april.
Behalve de familie Broek gingen mee:
H. van Duren en vrouw en kinderen (vijf), A. de Weerd en zijn vrouw, A. van Duren met vrouw en kind, H.J. Schoemaker en zijn vrouw; deze kwamen allen uit Nieuwleusen. Verder: G.J. Hekhuis met vrouw en kinderen en Cornelis Voorhorst uit Ommen. De families Rychal, Regenmorter, Broekema en Kaseander kwamen van het eiland Flakkee.
Na een reis van 42 dagen, waarbij enkele stormen het hoofd moesten worden geboden, kwamen zij op 27 mei 1847 te New York aan. Na een kort oponthoud in New York scheepten zij zich in op een stoomboot naar Troy. Vandaar gingen zij met een rivierboot door het Eriekanaal naar Buffalo. De reis vanuit Troy duurde negen dagen.
Vanuit Buffalo sloten ze een contract af voor de reis naar de monding van Black Lake, thans (1913) Macatawa Bay. Daar gingen ze aan boord van een stoomboot en staken de meren Erie, St. Clair, Huron en Michigan over. Na een kort oponthoud in Milwaukee vervolgden zij hun reis naar Chicago. Daar kregen ze een grote tegenslag te verwerken; de kapitein weigerde hen verder mee te nemen. Zij vonden het nutteloos hierover ruzie te maken en scheepten zich in op een zeilschip. Op dit schip waren zij het slachtoffer van vele ontberingen, want dit schip had geen passagiers accommodaties.


De Van Raalte-Trek (Naar P.J. Risseeuw, Om vrijheid en brood),

Temidden van deze omstandigheden bracht mevrouw Broek een zoon ter wereld. Hij leefde maar een uur en werd begraven op de kust van Black Lake toen zij daar op 27 juni 1847 aankwamen. Door middel van platte boten werden zij vanaf het zeilschip aan land gebracht. Aan de oever troffen zij veel emigranten aan. Na enige dagen in een pakhuis te hebben doorgebracht, gingen ze met een platte boot naar de plaats waar nu de stad Holland is gelegen. Hier vonden ze alleen dichte bossen en een paar half afgewerkte blokhutten. Veel mensen hadden huizen van takken en Canadese dennen.
In een verslag van Harm Broek zegt hij: "Daar stonden wij te kijken met verwondering (verbijstering)". Dit drukt wellicht beter de gevoelens uit van de pioniers dan elke andere uiting. Enkele dagen woonden zij met vijf andere families in een half afgewerkte blokhut. "Wat een ontbering", schreef Harm Broek in zijn bovenvermeld verslag.
Na enkele dagen ontvingen zij bericht van E. Visscher dat zij naar zijn woning konden komen als ze dat wilden. Dat was voor hen een gelukkig bericht. De gezondheid van mevrouw Harm Broek ging vooruit. Voor de kinderen werden ligbedden genomen, daar de ouders voor hen erg bezorgd waren.
Spoedig ging Harm Broek er op uit om land te verkrijgen en daarvoor bezocht hij Ds. A.C. van Raalte, die hem hielp. Stukken grond werden toegewezen en Harm Broek verkreeg 40 acres (= plm 16 hectare, vert.) in sectie 27. Ds. van Raalte droeg hem eveneens 40 acres in sectie 26 over. Zodoende verkreeg hij 80 acres.
Intussen werden stukken grond bouwrijp gemaakt en werden aardappelen en bonen gepoot en boekweit gezaaid. Het gepote en gezaaide kwam spoedig op in de vruchtbare grond, maar werd jammerlijk vernietigd door een zware vorst.


Het echtpaar Jan Broek te Nieuwleusen in 1913.

Planken werden gekocht bij de Kalamazorivier, waarbij Hein van der Haar voor het vervoer een span ossen aanbood. Hout werd gekapt, waarvan een blokhut werd gebouwd. In het najaar van 1847, kort nadat zij verhuisd waren naar hun pioniershuis, overkwam hen, na de tijd dat zij met zovele moeilijkheden geworsteld hadden gedurende zo lange tijd en deze overwonnen hadden, een nieuwe beproeving. Harm Broek en zijn zoon Albert kregen koorts. Hevige bloedingen verzwakten beiden. Het leven van de vader werd gespaard, maar Albert Broek stierf op 15 september 1847.

(Uit een verslag van Harm Broek, geboren te Nieuwleusen op 3 juli 1809, overleden in Holland, Michigan op 4 juni 1902.)

* * *

VOLKSONDERWIJS NIEUWLEUSEN, DEEL IV _________________________________________________________

Prov. Overijsselsche en Zwolsche Courant 23-2-1916:
Naar aanleiding van de bloemlezing van onwaardig geschrijf van de bestuursleden W.A. van den Berg en W.C. Kuyper van de afdeling Nieuwleusen van Volksonderwijs, en de hoofden der scholen H.A. Meyer te den Hulst en H. Kuilman te Ruitenveen, zie ik mij genoopt, hierbij openlijk te bedanken voor het lidmaatschap van Volksonderwijs, onder mededeling dat hun geschrijf aan het openbaar onderwijs een onherstelbaar nadeel heeft toegebracht, door het moedwillig tweedracht zaaien in de gemeente.
U bij voorbaat dank zeggende voor de plaatsing van dit slotwoord,

hoogachtend,
De Burgemeester van Nieuwleusen
J. Bosch Bruist

Prov. Overijsselsche en Zwolsche Courant 4-3-1916:
Een ieder die het slotwoord van den heer J. Bosch Bruist gelezen heeft, zal moeten erkennen, dat de feiten waar het om ging niet door den burgemeester zijn weerlegd. Wanneer de burgemeester op al hetgeen het bestuur van Volksonderwijs aanvoerde niets anders weet te zeggen als "onwaardig geschrijf", beschouwen wij dit als een zekere overwinning, die wij op hem behaald hebben. Verplicht was hij niet de feiten in het openbaar te weerleggen, maar aangezien de burgemeester de eerste was die in het openbaar de zaken ging behandelen, moest hij ook zich in het openbaar weten te rechtvaardigen en wanneer hij op onze beschuldigingen, die wij hem hebben ten laste gelegd, niets anders weet te zeggen als onwaardig


J. Bosch-Bruist burgemeester van 25 april 1876 tot 1 mei 1916.












geschrijf, beschouwen wij zijn optreden en de manier waarop het lager onderwijs door hem behandeld wordt een burgemeester onwaardig. Doch hoe zou hij ook kunnen tegenspreken, wat wij aanvoerden waren toch waarheden als koeien. De burgemeester heeft alleen getracht de boerenbevolking voor zich te winnen, doch zoo dom zijn de boeren niet meer, dat zij ook wel weten dat goed onderwijs, dus kennis, ook voor de boeren macht is.
Dat de burgemeester voor het lidmaatschap van Volksonderwijs bedankt heeft, is het eenige goede wat hij in deze zaak gedaan heeft, want ook hij zal moeten erkennen, dat de leden van Volksonderwijs voor goed onderwijs behooren te zijn. Overigens zal hij gedacht hebben: het is beter tijdig te bedanken als een royement af te wachten.
Nog even willen wij er op wijzen, dat ook de heer Meyer zich zou hebben bezondigd aan onwaardig geschrijf, maar als de burgemeester maar eens goed naleest zal hij tot de overtuiging komen, dat deze heer er part noch deel aan heeft. Maar waarom heeft hij den heer Broekhuizen niet genoemd? Of was dit schrijven van dien aard, dat daarop geen antwoord gegeven kon worden.
Dat wij het openbaar onderwijs een onherstelbaar nadeel zouden hebben toegebracht is klinkklare onzin. Dat de burgemeester door zijn beheer dat gedaan heeft is begrijpelijk. Zoo dus de burgemeester zoo optimistisch is te meenen, dat door zijn slotwoord de zaak afgedaan is, dan vergist hij zich deerlijk. Weest verzekerd burgemeester, dat al zou dit schrijven ons slotwoord zijn in het openbaar, wij niet zullen rusten voor dat het openbaar lager onderwijs en de scholen in deze gemeente belangrijk verbeterd zijn.
Wat betreft het moedwillig tweedracht zaaien, ook dat geven wij de burgemeester terug, want was hij niet begonnen met in het openbaar de zaak te behandelen, dan hadden wij hem niet van antwoord hoeven te dienen.
Het lezend publiek geven wij in overweging te oordelen of het slotwoord van den burgemeester voldoende was, op de tekortkomingen, die wij hem hebben ten laste gelegd, en zoo de burgemeester deze tenlastelegging niet anders weet te weerleggen als in het slotwoord, en de heerschende wantoestand wenscht te bestendigen, dan vinden wij het voor de vereeniging Volksonderwijs niets meer als plicht dezen ambtenaar aan de kaak te stellen.
De Redactie voor de genoten gastvrijheid vriendelijk dank zeggende teekent,

Hoogachtend,
W.A. van den Berg, Voorz.
C.W. Kuyper, waarn. secr.


Jaargang 11 nummer 3 september 1993

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Een overzichtsfoto van de oude begraafplaats aan het Westeinde. De foto is gemaakt in 1989 toen de ingang nog niet verplaatst was.

* * *

DE OUDE BEGRAAFPLAATS _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Wat is er zekerder in het leven dan de dood. Eens overkomt het ons allemaal. Het afscheid nemen van een overledene is jaren een tamelijk kille zakelijke aangelegenheid geweest, De laatste tijd echter wordt er weer meer aandacht aan dit afscheid gegeven. In het algemeen is men van mening dat het rouwproces daardoor beter kan worden verwerkt.
Voor de uitvaart als zodanig komt een historische belangstelling. Er worden tentoonstellingen over gehouden zoals bijvoorbeeld enkele jaren geleden "De laatste gang" in Enschede. Dit seizoen is in Leek "De dodenkoets" te zien, een tentoonstelling over lijkwagens en rouwstoeten. Ook de zorg voor de laatste rustplaats neemt toe. Velen vinden het vanzelfsprekend hun voorgeslacht te eren met een verzorgde rustplaats.
Tot 1829 was het mogelijk in kerken te begraven. Per 1 januari van dat jaar werd dat verboden en was men op begraafplaatsen aangewezen. Soms was dit rondom de kerk, maar in veel gevallen werd elders een dodenakker aangelegd.
Niet bekend is of in Nieuwleusen ook in de kerk begraven is. Wanneer dat het geval was, was dat niet in de huidige kerk want die werd pas in 1829 gebouwd. Wel werd er rondom de kerk begraven. Tot hoe lang dat is gebeurd, zal nog nadere studie vergen. Het lijkt waarschijnlijk dat daar niet meer werd begraven nadat de kerk gebouwd was. Aannemelijk is dat al vanaf de Franse tijd (ca. 1810) toen het verboden werd om binnen de bebouwde kom te begraven, een daartoe aangelegde begraafplaats in gebruik is genomen. Dit is de thans nog bestaande en in oktober 1943 gesloten begraafplaats achter de voormalige burgemeesterswoning aan het Westeinde. Hier werden een aantal voor Nieuwleusen belangrijke personen ter ruste gelegd. Zo vinden wij hier o.a. de graven van burgemeester/notaris Van Dedem, de voorouders van de oprichter van de Union B.J. van den Berg, twee wethouders, een geneeskundige met de fraaie naam Hodenpijl en een tweetal onderwijzers. Maar ook "gewone" inwoners vonden hier hun laatste rustplaats. Ook zij waren belangrijk voor Nieuwleusen. Zij hielpen mee aan de uitbouw van het dorp en zorgden er voor dat hun kinderen het beter kregen dan zij. Zij zorgden er voor dat wij er zijn!
Veel van de voorouders rusten naamloos op deze begraafplaats. Misschien droeg hun graf oorspronkelijk een houten gedenkteken dat de tand des tijds niet heeft doorstaan. Een honderdtal graven draagt een steen, de oudste met de datering 1864, de jongste met 1932 (onlangs heeft een inventarisatie plaats gevonden; naamlijst in bijlage).


Detail toegangshek, nog op de oude plaats.

De toestand waarin deze graftekens verkeren is slecht. De onderhoudstoestand van de begraafplaats kan eenvoudig treurig genoemd worden. Eénmaal per jaar gras maaien acht de verantwoordelijk beheerder tegenwoordig voldoende. Jonge bomen overwoekeren een deel der graven. Zerken staan scheef, zijn verzakt of ondergegroeid. Veel opschriften zijn moeilijk leesbaar geworden. In een tijd waarin mensen meer zorg aan de laatste rustplaats van hun voorgeslacht besteden, is dit een droevige zaak.
Al in 1972 had een klacht tot gevolg dat er een grote onderhoudsbeurt plaats vond, maar dat was kennelijk eenmalig. Verplaatsing in 1989 van de toegang van het Westeinde naar het Schuurmanslaantje heeft geen goed gedaan aan de bereikbaarheid en daarmee aan het onderhoud. Geconcludeerd moet worden dat de huidige toestand onacceptabel is.

BIJLAGE:
NAAMLIJST STENEN OUDE BEGRAAFPLAATS
Het nummer voor de naam verwijst naar het steennummer van de inventarisatie, het jaartal naar dat van overlijden.

49 Hendrik Aarten 1881
16 Wichertje Aarten 1890
51 Hendrik Alteveer 1878
40 Klaas Alteveer 1884
73 Hilligje Alteveer 1903
92 Hilligje Alteveer 1912
95 Harm Alteveer 1912
6o Harm Hendriks Alteveer 1906
5 Hendrik Arendneven 1891
1 Johanna Henriëtte Backx 1928
12 Hermina v.d. Berg 1883
66 Antoon van den Berg 1895
67 Hendrik v.d. Berg 1895
65 Jennigje v.d. Berg 1898
63 Hm. van den Berg 1905
14 Wilhelmus v.d. Berg 1906
68 Berend Jan v.d. Berg 1908
19 BIVDB=Berend Jan van den Berg 1868
99 Wilhelmina C.C.J. van Beuningen 1882
52 Jacob Bijker 1882
15 Arend Jan Bijker 1884
10 Jan Bijker 1885
56 Hendrik Bijker 1895
58 Lammigje Bijker 1904
54 Koop Bijker 1910
17 Jacob Bijker 1919
93 Klaas Bijker 1920
94 Beegje Bijker 1920
91 Jan Bijker 1928
68 Hendrikje Blik 1932
28 Koop Blik 1916
62 J. Boterman 1894
57 Evertje Boterman 1901
96 Klaasje Bouwman 1864
83 Geertje Bovenhof 1916
42 W. Brinkman 1873
37 C.W. van Dedem 1870
38 Joh. Cath. van Dedem 188o
21 Sarah Cath. Delfos 1890
43 T. Dijk 1874
33 Koop Dijk 1883
6 Margje Dijk 1884
53 Klaasje Dijk 1884
18 Klaas Dijk 1886
64 Hendrikje Dijk 1896
89 Evertje Dijk 1901
29 Evertje Dijk 1916
69 Engbertus Gerhardus Dommerholt 1914
101 Janna van Duren 1886
72 Maria van Esch 1879
71 Hendrik J. v. Esch 1880
81 Jannes Eshuis 1877
83 Hendrik Eshuis 1896
45 P. Evenboer 1871

41 Henderiekje Evenboer 1878
23 Anna Margaretha Frowijn 1898
98 Cath. Lucr. Geijs 1888
97 C. de Graaf 1881
82 Maria Grooten 1882
36 Jean Gijsberti Hodenpijl 1875
39 Derkje Hof 1875
75 Aaltje Hof 1877
26 Aaltje Hof 1882
76 Gerrit van Hulst 1889
86 Janna van Hulst 1893
88 Gerrit van Hulst 1894
6o Aaltje van Hulst 1918
49 Jentje IJs 1910
77 Margje Katoele 1925
35 J. Kleenscholten 1875
59 Klaas Klein 1874
61 J.T. Klein 1889
79 Femmigje Kluin 1912
2 K. Klunder 1876
1o4 Kunnigje Kooiker 1882
103 Harm Kragt 1883
102 Klaas Kragt 1883
103 Lammigje Kragt 1883
84 Albert Kragt 1917
85 Heintje Kragt 1930
20 Niesje Massier
80 Jan Massier 1875
78 Gerrit Massier 1901
44 G.B. t. M. 1875?
32 Annigje Neurink 1876
55 Janna Neurink 1912
87 K. Prins 1878
4 Aaltje Prins 1883
9 Aaltje Prins 1886
7 Gerrit Prins 1897
8 Hendrik Prins 1900
90 Evertje Prins 1922
27 Gijsberta Ouast 1882
22 Harm Schiphorst 1887
24 Marten Schiphorst 1887
50 Hendrikje Schoemaker 1918
31 Klaas Scholten 1889
74 Jentje Scholten 1893
30 Jan Scholten 1901
25 Aaltje van Spijker 1890
100 Hilligje Timmerman 1888
11 Fennigje Volbrink 1884
13 Aaltje Voogd 1916
70 Gerritdina Westrik 1909
3 Gerritdina Zeeman 1874
48 Hermannus Zwijze 1869
46 Hermannus Marinus Zwijze 1871
47 Maria Catharina Zwijze­Schuman 1868

* * *

EEN TBC LIGHUISJE _________________________________________________________

B. Ockers

Onderstaand artikel is een verkorte versie van een artikel dat in 1982 verscheen in het tijdschrift "Bijdragen en Mededelingen van het Nederlands Openluchtmuseum". Auteur B. Ockers.

Tot ver in de vorige eeuw werd de bevolking van ons land geteisterd door ziekten, waartegen men machteloos stond. Dit had veelal fatale gevolgen: nog in de periode tussen 1870 en 1895 ging gemiddeld een op de tien inwoners aan de een of andere ziekte dood. Epidemieën, vooral cholera en pokken, maar ook van roodvonk, tyfus, difterie, mazelen en kinkhoest konden per keer duizenden slachtoffers eisen. Andere besmettelijke ziekten heersten min of meer constant, zodat zij met recht als "volksziekten" werden aangemerkt. Berucht was, tot in onze eeuw, de "tering" of tuberculose, die in verschillende vormen overal voorkwam. Vooral kinderen werden hiervan het slachtoffer: voor 1900 was gemiddeld de helft van alle sterfgevallen van de 14- tot 20-jarigen hieraan te wijten. In 1901 bedroeg het totale aantal slachtoffers in ons land bijna 20.000, en in 1920 nog 15.000.

Besmetting met tuberkelbacillen gebeurde door het drinken van ongepasteuriseerde melk van koeien die de ziekte hadden, en via de lucht - als er een zieke in de buurt lag te hoesten bijvoorbeeld.
Hoewel er nog geen geneesmiddelen voor waren, wist men wel dat patiënten door goede voeding, rust en zuivere lucht weer beter konden worden, en dat verdere besmetting kon worden tegengegaan door hen te isoleren van hun omgeving. Bij grotere delen van de bevolking was dit echter zeer moeilijk te realiseren. Niet alleen woonden in de grote steden vele families in bedompte krot- en kelderwoningen, maar ook de dorpen op het platteland bestonden in de 20-er jaren van onze eeuw soms voor meer dan een kwart uit eenkamerwoningen. Door de vochtdoorslaande steens- of halfsteensmuren en de, in de regel slechte, staat van onderhoud konden regen en sneeuw daar gemakkelijk naar binnen lekken. De enige woon-, kook- en bedstedenruimte, waarin 5 à 6 personen konden huizen, werd dan met een turfkacheltje warm gestookt, waarbij de ramen potdicht bleven. Meestal konden die trouwens niet, of niet meer, open. Besmetting onder deze omstandigheden, gecombineerd met het geringe weerstandsvermogen van de bewoners als gevolg van onvoldoende voeding, leidde dan al gauw tot complete tuberculeuze families.
Hierom ging een nationaal comité zich, naar het voorbeeld van eerdere particuliere instellingen, inzetten voor het oprichten van volkssanatoria voor borstlijders. De eerste, Oranje-Nassau-oord, werd in 1901 gebouwd met behulp van een schenking van Koningin Emma; daarna volgden er nog enige, o.a. in Hellendoorn, Hoog-Laren en Putten. Niet iedereen kon daar echter heen, en voordat het zover was dat een patiënt kon worden opgenomen, was de ziekte vaak al in een vergevorderd stadium - niet zelden te ver. Daardoor kwam de nadruk toch meer op de bestrijding en verpleging thuis te liggen - dus op het werk van de huisartsen, de consultatiebureaus en, gezien de omstandigheden van de overige familie, vooral van de wijkverpleegsters. Deze konden dan bijvoorbeeld proberen om een tuimelraam te laten aanbrengen, zodat er tenminste een raam open kon. Een probleem was dat zij door de kleine lokale kruisverenigingen met hun goedkope lidmaatschappen nauwelijks konden worden betaald. Hierom ging de Nederlandse Centrale Vereniging uit de opbrengsten van collectes en uit subsidies die de staat vanaf 1905 voor de bestrijding voor de tuberculose verstrekte onder meer bijdragen in hun salariskosten.
Dikwijls was door de omstandigheden, zoals ruimtegebrek en de onmogelijkheid om goed te ventileren, verpleging thuis toch niet mogelijk. In dat geval kon de patiënt worden ondergebracht in een lighuisje of lighal van de vereniging. Dit waren eenvoudige houten keetjes, zoveel mogelijk open om de gezonde buitenlucht toe te laten.


TBC-lighuisje in het Openluchtmuseum in Arnhem.
(foto uit particuliere verzameling, gemaakt in 1982)

Erin stond, eveneens door de vereniging verstrekt, een rustbed, en verder een tafeltje voor wat lectuur, bord en drinkbeker, een thermometer en een sputumflacon of -pot, en een stoel voor de arts, de verpleegster en andere bezoekers. Vaak werd een aantal van deze huisjes bij elkaar gezet achter een kruisgebouwtje of op een weiland vlak bij het dorp; op afgelegen plaatsen (zoals bij boerderijen) stonden zij meestal op het erf. Zij kwamen vanaf het begin van deze eeuw overal voor (ook in het buitenland), en tot aan de 2e wereldoorlog hebben zoals gezegd tienduizenden mensen hierin een bepaalde tijd (variërend van een half tot een paar jaar) gekuurd. De organisatie en het beheer gebeurde echter op lokaal of regionaal niveau, zodat er allerlei verschillende uitvoeringen in gebruik waren. Sommige werden kant en klaar door timmerbedrijven op voorraad gemaakt en middels advertenties te koop aangeboden. Veelal lieten de verenigingen er een aantal door de plaatselijke timmerman maken naar specificaties van de arts of een bevriende bouwkundige, waarbij de prijs een belangrijke rol speelde. De goedkoopste uitvoering, die in 1907 in Hallum(Fr.) kon worden aangetroffen, bestond uit een houten vloer van 2,50 x 1,25 met daarop een latten raamwerk dat geheel met blauwe keperstof was bespannen. Onder het dak was kippengaas aangebracht om doorzakken bij regen tegen te gaan. Van een der wanden konden voor de frisse lucht en het uitzicht twee stukken, die aan de bovenkant scharnierden, worden opengezet, zodat zij meteen als afdakje tegen de regen fungeerden. Dit geheel kon betrekkelijk eenvoudig uit elkaar worden genomen en op een andere plek weer opgebouwd worden en kostte toen ƒ 27,--, . Aan dit model kleefden wel enige bezwaren: als de zon erop scheen werd het in de tent ondraaglijk warm en als er een stevig briesje op de voorkant stond moesten de kleppen weer dicht. Om deze redenen waren de meeste ontwerpen wel demontabel, maar dan in hout uitgevoerd met asfaltpapier op het dak, en voorzien van een onderstel waarop zij konden draaien. Vaak was de voorkant geheel of grotendeels open en waren in zij- en achterwanden openslaande of uitneembare ramen aangebracht. Zulke versies waren voor dagverblijf; de meeste mensen konden er niet toe worden overgehaald om 's nachts ook buiten te slapen. Was dit wel het geval, dan kon de voorkant worden afgesloten met dubbele of scharnierende deuren. Bij de meer doordachte ontwerpen was daarbij vanwege de luchttoetreding de beglazing voor een deel door gaas vervangen. Tot de inventaris behoorde dan ook nog een kastje (voor de ondersteek), een kamerscherm waarachter men zich kon verschonen, gordijntjes en een petroleumlamp. Vanwege de walmen van de laatste waren er soms openingen boven in de zijwanden gemaakt en in een enkel geval zelfs een luchtkokertje met een zuigkapje op het dak.
Een probleem bij de meeste lighuisjes vormde het draaien. Dit was niet alleen nodig om de open kant uit de wind te houden, maar ook vanwege de zon. Patiënten met bot-tbc konden rustig op de zon worden gericht, maar longlijders moesten vanwege de kans op verhoging van lichaamstemperatuur juist in de schaduw blijven.


Voormalig lighuisje aan het Oosterveen.

Terwille van dit alles moest de tent dagelijks kunnen worden bijgesteld. Een oplossing hiervoor bestond uit een kruis van houten balken op de grond, met in het midden een pot voor de spil die onder aan de vloer van het huisje was bevestigd. Nadeel van dit systeem was dat het draaien al gauw moeilijk werd omdat het huisje scheef ging hangen (bij stilstand moesten er blokken onder de hoeken worden gezet). De ook wel toegepaste tussenliggende houten draaischijven maakten de zaak er wat dit betreft nauwelijks beter op. Om dit te ondervangen was er onder andere een kogellager systeem bedacht van 4 à 5 cm dikke kogels of rond gedraaide ballen tussen twee uitgeholde houten cirkelbanen ter grootte van het huisje. Onder invloed van vochtig weer draaide dit echter nogal stroef. De beste uitvoeringen hadden daarom een rondgaand grondraam waarop het huisje middels ijzeren rollen kon rondrijden. Van de 7 verschillende ligtenten die op een verregende jubileumtentoonstelling van het Groene Kruis in 1911 te Utrecht in de openlucht stonden opgesteld, bleek alleen het huisje op rollen nog redelijk gemakkelijk draaibaar te zijn. Met dit alles varieerde de prijs voor een eenpersoons lighuisje van zo'n 55 (voor een eenvoudige open versie) tot 140 gulden. Daarnaast waren er duurdere lighallen voor twee tot tien personen, die een min of meer vaste standplaats hadden achter een kruisgebouw of bij een sanatorium. Deze waren meestal niet demontabel en in een enkel geval van een goed isolerende zware rieten dakbedekking voorzien. De grootste konden middels een soort tramwielen op een ijzeren rail worden rondgedraaid. Zoals in het voorgaande al werd aangegeven, werden de eenpersoonslighuisjes vaak op het erf nabij huis of boerderij geplaatst. In Nieuwleusen is thans nog zo'n huisje te vinden en wel aan het Oosterveen. Nu bij museum Palthehof

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 13 juni 1925:
De commissaris der Koningin onzer provincie heeft aan den heer B.J. van den Berg Jzn. alhier (Den Hulst) op zijn verzoek met ingang van 15 juni a.s. eervol ontslag verleend als lid der Gezondheidscommissie, waarvan de zetel is gevestigd te Stad Hardenberg.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 13 januari 1923:
Nieuwleusen, 11 Jan. Door onbekende oorzaak is Dinsdagavond brand ontstaan in de brugwachterswoning aan brug 6 te den Oosterhulst. Het huis bewoond door den brugwachter Kl. Vonder, en eigendom der provincie, brandde geheel af. Ook de inboedel ging verloren.

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 27 maart 1928:
Ten bate van de afdeling Nieuwleusen van de vereeniging Het Groene Kruis werd te Den Hulst een bazar gehouden. Vele inzendingen van verschillende zijden waren ingekomen, zoodat een verscheidenheid van artikelen aanwezig was. Iedereen bleek ook belangstelling voor deze bazar te gevoelen, dit kon men reeds uit de inzendingen bemerken. De opening van de bazar geschiedde door Mej. Mansholt, directrice der landbouwhuishoudschool op de Rollecate en voorzitster van Het Groene Kruis. Door spr. werd dank gebracht voor een gift groot ƒ 500, de eerste belangrijke bijdrage, die het bazarcomité van Mej. G.J. Palthe te Oldenzaal mocht ontvangen. Door een ernstige ziekte was Mej. Palthe verhinderd zelf op de bazar te komen. Haar werd een telegram gezonden waarin de dank werd geuit voor de gift en de hoop uitgesproken, dat zij spoedig herstellen mocht. De bazar mocht zich in een druk bezoek verheugen.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXIII _________________________________________________________

De groepsfoto van dit kwartaal is van de Christelijke Lagere School te Nieuwleusen en moet gedateerd worden omstreeks 1929.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

Jan Lammertsen
Hendriekus Lammertsen
Anton Kleen
Willem Kleen
Gerard Lammertsen
Gerrit Haikema
Gerrit Visscher
Jan Mijnheer
Klaas Mijnheer
Aaltje Massier
Jo Boerman

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
 
20  
21  

Margje de Boer
Klaasje van Spijker
Grietje Haikema
Albert Haikema
Evert Geuchies ten Kate
Mina Kleen
Dina Kleen
juffrouw Jansen-
Schoonhoven
Hilligje Bouwman
Geesje Kappert

22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  

Bertha Siefers
Klaasje Smit
Mientje Kreule
Meester Siefers
Johanna Reurink
Meester Belt
Klaasje van Berkum
Hendrik van Berkum
Arend Jan van Spijker
Rinke Siefers
Jan Thijs Massier

* * *

EEN RECHTSZAAK OM HONDERD GULDEN _________________________________________________________

Onderstaand verhaal is een weergave van een artikel in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 23 maart 1928.

Op 22 maart 1928 staat W.Z. uit Nieuwleusen terecht bij de rechtbank te Zwolle. Hij wordt verdacht van verduistering van ƒ 100,-- ten nadele van G. Mijnheer te Nieuwleusen.
Verdachte zegt op 22 augustus 's avonds op het kantoor te zijn geweest bij de Coöp. Productie en Verbruiksvereniging, waar hij in dienst was. G. Mijnheer kwam afrekenen. Deze was nog wat schuldig en had nog werkloon e.d. tegoed. Bij de berekening heeft verdachte zich ƒ 100 verrekend. Later, toen hij het merkte, heeft hij de fout op het "blauwtje", dat op het bureau bleef, verbeterd voordat hij het geld telde. Mijnheer kwam ƒ 30 tekort en dat heeft verdachte op het briefje van deze veranderd. Het geld heeft hij in de brandkast gelegd.
De verdachte heeft weinig onderricht gehad in boekhouden. Getuige J. van Spijker, directeur van de Coöperatie, is er niet bij geweest. De verdachte heeft 's avonds het geld van Mijnheer met het briefje aan Van Spijker afgedragen. De getuige kan zich niet veel meer herinneren.
Van de venter weet hij niets slecht te zeggen, maar op vragen van de verdediger, Mr Dr. Stenfert Kroese, weet Van Spijker zich te herinneren dat Mijnheer sommige goederen duurder verkocht dan hij in rekening mocht brengen, en ook in rekening bracht. Buiten de Coöperatie om heeft Mijnheer getracht van sommige firma's gratificaties en cadeaus los te krijgen omdat hij zoveel verkocht. Met de eierbriefjes was het ook vaak niet in orde en verschillende afrekeningen waren te hoog. Toen Mijnheer bij de Coöperatie wegging kwam hij ongeveer ƒ 200 à ƒ 300 tekort.
Getuige J. Schaap, veldwachter te Nieuwleusen, heeft verdachte gehoord over de zaak en proces­verbaal opgemaakt. De verdachte wist toen het bedrag niet te noemen dat Mijnheer ontvangen had.
Getuige G. Mijnheer zegt dat de afrekening 's morgens heeft plaats gehad. Verdachte ontkent dit. Volgens hem was het 's avonds. De getuige geeft verder een relaas van het gebeurde bij het afrekenen. Mijnheer kwam ƒ 30 tekort, die hij de volgende dag beloofde te brengen. Hij kreeg een briefje mee waarop een schuld van ƒ 396 stond, met daaronder de mededeling dat ƒ 366 ontvangen was. Mijnheer had gedurende 8 dagen koopmanswaren verkocht en dat geld moest hij nog afdragen. Behalve dat, had hij ongeveer ƒ 70 van oude schulden in zijn zak.
De verdediger vraagt hoe het mogelijk is dat Mijnheer er niets van gezegd heeft dat hij nog tekort kwam. Dat terwijl hij er nog ander geld bij betaald had. Hierop antwoord de getuige: "Misschien had ik wel geborgd."


De winkel van Coöperatie "Eendracht Maakt Macht" aan het Westeinde, nu is hier Plus Luuk Thijs gevestigd.

Als getuige à décharge wordt de directeur van de Coöp Boterfabriek te Nieuwleusen en commissaris aan de Coöperatie, de heer L. Vos gehoord. Deze verklaart dat verdachte goed bij hem bekend staat. Volgens hem is de verdachte ijverig en zeer gesloten. Over al die jaren dat hij in dienst is, heeft Vos de indruk dat verdachte volkomen eerlijk is. Mijnheer daarentegen staat minder goed bekend en was slordig in het afrekenen.
De Officier van Justitie zegt in zijn requisitoir (eis), dat verdachte een lezing van het geval heeft gegeven, die spreker niet geheel aannemelijk lijkt. Het is zeer wel mogelijk dat verdachte, die boekhouden heeft geleerd, de fout in die zin verbeterd heeft, dat hij niet opschreef hoeveel Mijnheer tekort kwam, maar opschreef hoeveel betaald was. De getuigenissen zijn bovendien niet sterk, zodat spreker vrijspraak requireert.
Mr. Dr. J.G. Stenfert Kroese, de verdediger, maakt er de rechtbank opmerkzaam op dat Mijnheer verklaard heeft dat het cijfer ƒ 366 op zijn briefje stond vóór het geld geteld was. Daarmee vervalt de aanwijzing dat verdachte wist dat hij teveel ontving. De lezing zoals de Officier van Justitie gegeven heeft acht spreker eveneens juist. De verdediger acht de gedragingen van getuige Mijnheer in het algemeen zeer laakbaar en hij gelooft dat de fout bij deze ligt, wegens het bezit van de oude schuld van ƒ 70. Bovendien kan de verdachte niet zeker zeggen of hij ƒ 366 of ƒ 266 heeft ontvangen. Iemand die eerlijk is, had kunnen volhouden dat er niet ƒ 100 meer had gelegen. Stenfert Kroese zegt verder dat de verdachte eenvoudig leeft en niet zou weten wat hij met de ƒ 100 moest doen. In Nieuwleusen heeft men de ƒ 100 bijeengebracht, maar verdachte heeft dit niet willen aanvaarden. De verdediger sluit zich aan bij het requisitoir en vraagt eveneens vrijspraak. De Officier van Justitie antwoordt dat juist het feit dat verdachte de ƒ 100 weigerde te aanvaarden, bij hem een verkeerde uitwerking had en hij geneigd was aan de schuld van verdachte te geloven. Dat is dan ook de reden dat deze zaak voor de rechtbank is behandeld.

De uitspraak van 4 april is niet in de krant gepubliceerd. Wat zou uw vonnis zijn als u rechter was?

* * *

ENKELE BIOGRAFISCHE SCHETSEN OVER DE BROEK-FAMILIE _________________________________________________________

ds. Dirk Broek
Vertaling: K. Borgers

Derk Broek. Dit was de naam van onze grootvader van vaderszijde. Hij was boer in Nieuwleusen en in goede doen. Het moet een man geweest zijn met een energiek en soms wat impulsief karakter. Tevens was hij een oprecht Christen die op latere leeftijd niet tevreden was met de leerstellingen en praktijken van de Staatskerk. Hij hechtte sterk aan een Christelijke verkondiging van het woord.
Hij overwerkte zich, werd zwaar bezweet, en liep een zware verkoudheid op, waardoor hij wegteerde. Hieraan leed hij ongeveer drie jaar, waarna hij stierf in juli 1835 op de leeftijd van 53 jaar. Zijn overlijden moet voor hem gelukkig en een overwinning geweest zijn. Mijn vader (Harm Broek) vertelde vaak over dit gebeuren:
Toen hij op zekere avond terugkwam van zijn werk, ging hij kijken hoe het met zijn vader was. Die zei toen dat hij na het eten terug moest komen omdat hij die nacht zou sterven. Dit gebeurde en vader en andere familieleden schaarden zich rondom zijn bed. In de voornacht kon nauwelijks enige verandering in zijn toestand bespeurd worden, maar even na middernacht verzocht hij hen om de lofzang van Simeon (de Nederlandse berijmde versie) te zingen. Dit gebeurde en hij zong duidelijk mee. Hierna nam hij hartelijk afscheid van iedereen en daarna draaide hij zijn gezicht naar de muur, schijnbaar bezig met hemelse dingen. Toen het dag begon te worden, verliet de geest zijn lichaam en nam zijn vlucht naar het Rijk van het licht. Hij werd begraven op het kerkhof te Nieuwleusen.

Jantje Jans was de naam van grootmoeder van vaderszijde. Zij moet een rustige en vrome vrouw geweest zijn. Er werd vaak vermeld dat zij zich afzonderde om te bidden. Haar eerste man was Harm Broek, naar wie onze vader werd genoemd. Het moet een vredelievende man geweest zijn. Uit het huwelijk met onze grootmoeder werden zes kinderen geboren, vier dochters en twee zoons. Een zoon, genaamd Jan, nam deel aan de oorlog met België in 1830. Deze Jan werd getroffen door de Zeeuwsche koorts en stierf korte tijd later. De dochters en de andere zoon (Hendrik} werden behoorlijk oud. Zij bleven in Nederland wonen en waren ten tijde dat dit geschreven werd (1891) allen overleden.
Uit het tweede huwelijk van grootmoeder met Derk Broek werden twee kinderen geboren. Een zoon (mijn vader) en een dochter, genaamd Hendrikje. Zij trouwde met Willem Brinkman en bleef in Nederland waar ze in 1876 overleed.
Onze grootmoeder overleed in april 1838 op de leeftijd van 67 jaar. Ze werd begraven op het kerkhof in Nieuwleusen.

Hendrik Kragt was onze grootvader van moederszijde. Ook hij was boer in Nieuwleusen en was een man die zijn geloof beleed, een goed karakter en goede principes had. Hij stierf op 53 jarige leeftijd in augustus 1823, toen mijn moeder nog maar 9 of 10 jaar was. Hij is tweemaal getrouwd geweest. Uit het eerste huwelijk werden vier zoons geboren die in Nederland woonden en overleden. De oudste van de vier was Klaas Kragt. Twee van diens zoons, Hendrik en Harm, emigreerden naar Amerika en vestigden zich in de buurt van Holland, Michigan.

Jantje Stolte was de naam van grootmoeder van moederszijde. Op 19 juni 1788 werd zij in Nieuwleusen geboren. Zij was een vrouw met standvastige principes en bezat een sterk karakter. Zij was Christen en stierf op hoge leeftijd met het vooruitzicht op een beter leven. Zij werd de tweede vrouw van Hendrik Kragt en uit dit huwelijk werden drie kinderen geboren, twee dochters en een zoon. De zoon, Albert, stierf toen hij nog klein was. Er wordt van hem verteld dat op de eerste schooldag, toen de meester hem dingen vroeg, hij tot de meester zei: "Ik moet u niet wat vertellen, maar u moet mij wat vertellen!" De dochters heetten Klaasje (onze moeder) en Janna.
Onze grootmoeder emigreerde in het voorjaar van 1847 met haar tweede echtgenoot en andere verwanten naar Amerika en zij voegden zich bij de pioniers van de Holland kolonie in Michigan. Zij woonde eerst met haar man en kinderen op een boerderij in de buurt van Holland en later in de stad Holland. Toen ze oud was, werd ze zwak en dement. Zij leefde tot de dag van de grote brand, toen de stad Holland City afbrandde (9 oktober 1871). Vanwege het gevaar moest zij met haar zwakke gezondheid naar een veilige plaats gebracht worden (naar het huis van haar dochter en schoonzoon, de heer en mevrouw W. v.d. Haar), alwaar zij de volgende dag stierf. Haar stoffelijk overschot rust op het Pilgrim Home kerkhof nabij Holland. Ds. A.C. van Raalte leidde haar begrafenis. Zij stierf op 9 oktober 1871 in de hoge leeftijd van 83 jaar.

Over onze overgrootmoeder zei moeder dat ze iemand was met een actief en energiek karakter, vrolijk en een oprecht Christen. Ongeveer 6 jaar voor haar overlijden brak zij haar heup en was voor de rest van haar leven kreupel. Zij droeg dit kruis geduldig en zelfs opgewekt. Ze zei vaak: "Ik ben nu kreupel, maar eens zal ik springen rondom Gods troon." Zij stierf in de winter van 1838 op de leeftijd van ongeveer 74 jaar.

Jantje Kragt, een zuster van moeder, was eerst getrouwd met Hendrik Schuurman. Na zijn dood trouwde zij met Hendrik Arendneven en zij woonde in Nieuwleusen. Zij stierf daar op 25 februari 1894 op de leeftijd van 78 jaar en 23 dagen.

Albert de Weerd, geboren te Kolderveen in Drenthe, Nederland, op 12 oktober 1800 was getrouwd met Jantje Stolte. Zij trouwde enige tijd na de dood van haar eerste echtgenoot met hem. Uit dit huwelijk werden twee dochters geboren, Christina in 1826 en Hendrikje in 1827.
Albert de Weerd was een van de eersten die zich aansloot bij de religieuze beweging die resulteerde in de oprichting van de Christelijk Gereformeerde Kerk in Nederland. Hij was een actief Christen en diende als diaken in de Christelijk Gereformeerde Kerk in Nieuwleusen. In 1849 vertrok hij naar Amerika en nam daar actief deel aan het pionierswerk van de kolonie. Als diaken diende hij een aantal jaren de Eerste Gereformeerde Kerk van Holland, Michigan. Bij de grote brand van 1871 verloor hij aanzienlijke bezittingen. Na de dood van zijn vrouw woonde hij bij zijn kleindochter mevrouw H.J. Doesburg in Grand Haven, Michigan, waar hij op 25 januari 1874 stierf in de ouderdom van 73 jaar en enkele maanden. De begrafenis vond plaats vanuit de woonplaats van zijn schoonzoon, de heer W. van der Haar, nabij Holland, Michigan. Hij werd begraven naast zijn vrouw op het Pilgrim Home kerkhof nabij Holland.

Christina de Weerd, geboren in 1826, was de oudste dochter van Albert de Weerden Jantje Stolte. Zij was een goedaardige dame, bezat een beminnelijk karakter en leefde als een vroom Christen.
Begin 1847 trouwde zij met Arend van Duren, een weduwnaar met één kind, een meisje met de naam Femmigjen, uit een eerder huwelijk. In het voorjaar van 1847 emigreerden zij naar Amerika en gingen wonen in de buurt van Holland, Michigan. Arend van Duren was een sober en gewiekst zakenman.
Zij kregen drie kinderen, Gerrit Jan op 2 juli 1853, Jantje op 30 oktober 1854 (na haar huwelijk op 31 oktober 1872 mevrouw H.J. Doesburg) en Albertus, geboren in januari 1857. Gerrit Jan van Duren ging in Holland in zaken en was vier jaar postdirecteur. Hij stierf aldaar op 11 juni 1912.
Christina van Duren stierf op 4 januari 1857 op de jeugdige leeftijd van 31 jaar, kort na de geboorte van haar jongste zoon. Zij ligt begraven op het Pilgrim Home kerkhof nabij Holland. Enige tijd later trouwde Arend van Duren met Hendrika Boone, de weduwe van Egbert Boone. Zij stierf in Holland op 28 maart 1895 op de leeftijd van 93 jaar. Arend van Duren stierf op 19 april 1863, oud 58 jaar. Hij is eveneens begraven op de Pilgrim Home begraafplaats bij Holland, Michigan.

Hendrikje de Weerd, geboren in 1827, was de tweede dochter van Albert de Weerden Jantje Stolte. Zij trouwde begin 1847 met Hendrik Jan Schoemaker, waarna ze in het voorjaar van hetzelfde jaar naar Amerika gingen. Ze woonden met haar ouders op de boerderij bij Holland,Michigan. Haar echtgenoot stierf in de loop van 1847 aan pokken en hun dochter, geboren ongeveer terzelfder tijd, stierf kort daarna.
Wouter van der Haar werd haar tweede man. Uit dit huwelijk werden zes kinderen geboren, drie zoons Albertus, John en William, en drie dochters, Mary, Jantje en Christina.
Wouter van der Haar, ofschoon een Christen, was zeer betrokken met de dingen van deze wereld. Hij stierf in december 1874 op de leeftijd van 56 jaar. Ook hij werd begraven op het Pilgrim Home kerkhof nabij Holland, Michigan.

Deze biografische schets werd geschreven door ds. Dirk Broek, geboren te Nieuwleusen op 5 februari 1835, overleden in Grandville, Michigan op 11 nóvember 1903.
Vertaling: K. Borgers

* * *

SARA CATHARINA DELFOS _________________________________________________________

Op de oude begraafplaats aan het Westeinde ligt een ovale steen met daarop de tekst: Sara Catharina Delfos overl. 7 jan. 1890. Wie was zij? Uit de naam is af te leiden dat zij oorspronkelijk niet van Nieuwleusen kwam. Maar waar vandaan dan wel en waarom werd zij hier begraven?
Aangezien er op de betreffende datum in Nieuwleusen niemand met deze naam overleed en er tot op heden over de oude begraafplaats geen archiefstukken zijn gevonden, leek het er op dat deze vraag onopgelost zou blijven. Het toeval wil echter dat we nu toch weten wie deze vrouw was.
Bij de verwerking van gegevens over de inwoners van Nieuwleusen kwam men bij de familie Bosch Bruist de naam Sara Catharina tegen. Zij werd op 19 juli 1889 in Nieuwleusen geboren als dochter van Jan Bosch Bruist en Jacoba Rica Steenbeek. Deze Jan Bosch Bruist was van 1876 tot 1916 burgemeester van onze gemeente.
Dat de familie Bosch Bruist hun dochter de naam Sara Catharina gaf, zou kunnen betekenen dat deze naam of in de familie Bosch Bruist of in de familie Steenbeek voorkwam. Verder zoeken naar hun voorouders dus maar.


De grafsteen op de oude begraafplaats.

Jan Bosch Bruist en Jacoba Rica Steenbeek werden op 21 september 1878 in Staphorst in de echt verbonden door ambtenaar van de burgerlijke stand Jacob Ubak. De vader van Jan Bosch Bruist was Willem Lubertus Bruist, zijn moeder Janna Berendina Bosch. Hier komt tegelijk aan het licht dat Jan de eerste was die in deze familie de dubbele achternaam gebruikte. Bosch van moederszijde en Bruist van vaderszijde. Jan werd op 12 januari 1847 in Wierden geboren en woonde ten tijde van zijn huwelijk, evenals zijn bruid, in Staphorst. Zijn vader was oud-Rijksontvanger van de Stad Almelo, zijn moeder was al overleden. Getuigen bij het huwelijk waren Willem Lubertus Bruist Junior, oud 33 jaar, notaris te Vriezenveen, Hendrik Maarten Hoogklimmer, 68 jaar, predikant te Nieuwleusen, Meester Petrus Slot, 47 jaar en Hendrik Albertus ten Raa, 30 jaar, beiden klerk.

Jacoba Rica Steenbeek was de dochter van Jan Steenbeek en Sara Catharina Delfos, onze onbekende die in Nieuwleusen werd begraven. Jan Steenbeek overleed op 12 januari 1867 te Muntendam in Groningen.
Sara Catharina Delfos werd op 27 april 1820 geboren in Amsterdam. Op 19 november 1887 werd zij als afkomstig van Avereest ingeschreven in de registers van Nieuwleusen. Op 7 januari 1890 overleed zij in Leiden als weduwe van Jacob Schutterop, eerder van Jan Steenbeek, en gewoond hebbende te Nieuwleusen. Sara Catharina was een dochter van Jan Abraham Delfos en Jacoba Rica Götz.

* * *

ERRATA _________________________________________________________

In het artikel "Een Amerikaan op bezoek in Nieuwleusen in 1913" in het kwartaalblad van maart 1993 is onderaan bladzijde twee helaas een foutieve datum vermeld. Wij werden hierop attent gemaakt door de heer G.W. Beltman, die ook nog enige aanvullende informatie verstrekte. Zijn overgrootvader van moederszijde was Jan Broek Brinkman. De geboortedatum van Jan Brinkman is 3 juli 1828. Hij overleed op 12 december 1917 op 89-jarige leeftijd en werd begraven op de begraafplaats aan de Ds. Smitslaan, in het 7e graf vanaf de heg-noordzijde van de 2e rij vanaf de heg-westzijde.

Bij de namen van de foto van de Christelijke Lagere School te de Meele in het kwartaalblad van juni 1993 is bij nummer 4 vermeld Cornelis Zieleman. Dit moet echter zijn Arend Zielman.
Beide gegevens aangepast in de tekst


Jaargang 11 nummer 4 december 1993

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

OMSLAGFOTO

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Locomotief 18, de Klazienaveen. Bouwjaar 1903. Buiten bedrijf gesteld in 1947. Machinist is F. van 't Zand en de naam van de conducteur is Spijker.
Deze foto uit de verzameling van G. Schoemaker werd gemaakt door G. Varwijk.

* * *

OPKOMST, BLOEI EN ONDERGANG VAN DE STOOMTRAM _________________________________________________________

G. Schoemaker

Met het oog op het ongeregelde verkeer tussen het station Dedemsvaart en het gelijknamige dorp werd in 1880 een comité tot oprichting van een tramwegmaatschappij in het leven geroepen. Dit bestond uit: Burgemeester J. Bosch Bruist van Nieuwleusen, B. Berends Azn., landeigenaar en vervener te Avereest en Jhr. Mr. G.C. Junius van Hemert, landeigenaar te Avereest. Zij vroegen concessie aan voor de aanleg van een stoomtramlijn van het station naar de markt in Dedemsvaart. De heren kregen echter met elkaar geen tram op de rails.
Op 20 september 1884 werd het bericht in de krant geplaatst dat J. D. Ruys te Avereest een aanvraag had gedaan voor een concessie tot aanleg van een tramweg op hetzelfde traject. De toezegging kwam op 8 oktober met de voorwaarde dat de onderneming voor 1 januari 1886 tot stand moest komen.
Op 17 november 1884 konden allen die belangstelling hadden in de aanleg van de tram naar een vergadering komen in hotel Steenbergen te Dedemsvaart, die belegd was door de heren J.D. Ruys, Jhr. Mr. G.C.J. van Hemert, C. Piek en Mr W.J. Baron van Dedem. De akte van oprichting passeerde op 15 juni 1885. Op papier bestond nu de N.V. Dedemsvaartsche Stoomtramweg Maatschappij en op 25 juli werd concessie verleend tot de aanleg langs provinciale wegen en eigendommen en een subsidie van f 150,= per kilometer per jaar gedurende 20 jaar. De begroting kwam uit op een totaal van f 23.600,=. De directeur kreeg f 2.000,= per jaar en de machinist f 700,=. Het gehele bedrag moest wel in centen, stuivers en dubbeltjes bij elkaar gescharreld worden.
Het nieuws- en advertentieblad voor Dedemsvaart meldt op 8 mei 1886 dat de eerste lading rails is gearriveerd. De dwarsliggers (biels) kwamen een week later. Van machinefabriek "Breda", voorheen Backer en Rueb, kwamen vier stoomlocomotieven van 8,6 ton dienstgewicht. (Deze fabriek leverde het merendeel aan tramlocomotieven in Nederland). Beijnes, ook een bekende fabriek, leverde de eerste wagens: drie personenrijtuigen en een gesloten goederenwagen van 6 ton, één goederenwagen van 10 ton op draaistellen, één veewagen en twee open bakwagens. In 1887 volgde nog een open bakwagen.
De tramweg werd aangelegd tussen Dedemsvaart-dorp en Dedemsvaart-station Staats Spoor. De lengte was ± 16 kilometer en de spoorbreedte was 106,7 cm. De tram stopte ook bij de Ommerdijkerbrug (nu het einde van Backxlaan-noord). Ondanks tegenwerking van de Zwolse Raad werd de lijn in 1895 toch doorgetrokken naar Zwolle en eindigde op de Vlasakkers en later op de Brink. Het materieel werd in 1894 met één en in 1895 met twee rijtuigen uitgebreid. Ook kwamen er drie nieuwe locomotieven, nu van 10,7 ton. en diverse goederenwagens bij. In 1897 werd Coevorden bereikt en met stukjes en beetjes werd in 1907 Ter Apel bereikt. Ook waren er zijlijnen: van Balkbrug via De Wijk naar Meppel, van Lutten naar Heemse bij Hardenberg en van Slagharen naar Hoogeveen. De lijnlengte bedroeg totaal 119 kilometer. De lijn Meppel-Balkbrug, de M.B., was een aparte maatschappij, maar de exploitatie lag bij de D.S.M. Dat bracht de totale lijnlengte op 140 kilometer.


Halte Station Dedemsvaart met links het trein- en rechts het tramstation en daartussen de tramrails.

De grootste bloei was in de jaren 1900 - 1915. Na deze jaren ging het slechter. Van een zeer bescheiden winst kwam men in de rode cijfers. Men vroeg zich af of er nog personentrams moesten rijden. Een uitkomst zou zijn om in de daluren een bus te laten rijden. Eerst werden in 1923 drie bussen gehuurd en in 1924 kocht men zelf drie. Deze bussen reden niet over de Lichtmis, maar gingen via de Ommerdijk (Backxlaan) en via het Westeinde naar Zwolle.
Ook het goederenvervoer liep terug. Het turfstrooisel dat eerst op station Dedemsvaart-SS werd overgeladen op spoorwagens, werd nu in Coevorden overgeladen. Alleen het vervoer vanuit Zwolle ging nog goed. Met ingang van de winterdienst van 8 oktober 1933 werd het personenvervoer met bussen gereden, maar op vrijdag bleef de markttram! Ook werd de tram in het tijdvak november 1937 tot oktober 1938 ingeschakeld bij het zandvervoer voor de opritten van het viaduct bij de Lichtmis.
Bij een groot vervoer van hoogovenslakken voor wegverbetering in Drenthe waren in Zwolle veel lege platte wagens en/of bakwagens nodig. Onderweg werd alles verzameld wat daarvoor kon dienen en zo vormde zich een tram met 72 wagens! Misschien wel de langste tram die ooit in ons land gereden heeft. Inmiddels was per 1 januari 1936 een fusie tot stand gekomen met de E. D. S., de Eerste Drentsche Stoomtram-Maatschappij. De busdienst tussen Dedemsvaart en Zwolle omvatte op werkdagen negen bussen per dag en zondags drie bussen. Eind dertiger jaren reed er nog één enkele goederentram per dag. De markttram was toen opgeheven.
Nadat op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak, werden benzine en olie snel schaars. Met de grootste spoed werd het nog aanwezige trammateriaal hersteld. Dit reed op kolen. Locomotieven en wagens kregen een technische- en een schilderbeurt en zo reed, eerst in Drenthe, de tram weer. Op 6 juni 1941 keert de vrijdagse markttram van Dedemsvaart naar Zwolle terug op de baan. Vanaf 19 januari 1942 reed er weer elke dag een personentram. Dat de maatschappij op haar lijnen (zowel in Drenthe als in Overijssel) nog maar twaalf rijtuigen had, was al erg krap, maar het werd nog lastiger. Een goederenwagen ontspoorde en ramde de lierketting van de brug bij het NS station. Die ketting brak en de balans stortte op het juist passerende rijtuig. Dit werd zo ernstig beschadigd dat er geen herstel meer mogelijk was. Gelukkig vielen er geen slachtoffers. Op 22 februari 1945 werd station Dedemsvaart tijdens een bombardement volledig verwoest. Dit station stond ongeveer waar nu de weg (N377) over de spoorlijn gaat aan de oostzijde van de lijn.


De bovenbouw van een rijtuig als vergane glorie van de tram. (foto: G. Schoemaker)

De bus reed zo goed en zo kwaad als dat ging met een gasgenerator (inde volksmond gaspot).
Na de oorlog duurde het maar even of de personentram reed niet meer. Op 31 maart 1947 reed de laatste. Enkele maanden later was het met de goederentram ook gedaan. Het kolenvuur ging voorgoed uit. Alles werd verkocht aan metaalhandel Simons te Hoogezand voor het bedrag van 1,1 miljoen. Simons bood alles te koop aan, maar van de rijtuigen en goederenwagens kon alleen de bovenbouw gekocht worden. De locomotieven werden voor het grootste deel gesloopt, maar de D.S.M. locomotieven 101, 103, 104 en de E.D.S. 15 werden verkocht aan de R.T.M., die ze op Goeree-Overvlakkee onder een ander nummer liet rijden. De 101 werd nummer 44, de 103 werd nummer 45 en de 104 werd onderdelenleverancier. Nummer 15 bleef daar ook nummer 15. Deze locomotief hield het vol tot 1949 en werd in 1959 gesloopt. Loc 44 (ex D.S.M. 101) bleef tot 1950 in dienst en werd uiteindelijk gesloopt in 1952. Loc 45 (ex D.S.M. 103) bleef tot 1951 in dienst en is in 1955 gesloopt. Twee E.D.S.-locs gingen door naar Bruynzeel, die ze nodig had op Borneo.
Wie nu denkt dat er niets meer over is, heeft het mis.
- Bij de Rollecaterbrug/Jagtlusterallee staat tussen een schuurtje en een garage een tramwagenbak (bovenbouw van een rijtuig) ingemetseld.
- Naar de R.T.M. werden ook nog 4-assige goederenwagens verkocht en daar is er één van bewaard gebleven, namelijk de 883 uit de D.S.M.-serie 280-290. Deze wagen rijdt af en toe mee in een goederentram, speciaal voor belangstellenden.

* * *

SIEMEN EN HET "PIEPIEN" _________________________________________________________

Kabé

Buurman Steven Mannen bracht de Dedemsvaartsche Courant terug die samen werd gelezen om de abonnementsprijs te drukken. Tweemaal in de week kwam de krant: 's woensdags en zaterdags. Het ene nummer hielden de buren en het volgend nummer werd teruggebracht.
"Ik mut effen naar 't postkantoor, mag Klaas met?"
Nou dat mocht wel. Gauw nog even met een vochtige doek over het gezicht, de neus een flinke beurt gegeven en daar gingen ze, Klaas aan de hand van Steven.
Het beloofde een fijne tocht te worden. De "vaortdiek" (de weg langs de Dedemsvaart) op, die 's winters meestal modderig en zomers droog en mul was.
Vlak langs het water lagen de rails van de D.S.M. die van Zwolle naar Ter Apel liep.
Daar gingen ze via "het schut" (Sluis 3), naar de andere kant de grintweg op. Het was erg rustig. Een scheepsjager had een schip dat naar "boven" moest worden gebracht, richting Dedemsvaart dus. Hij porde zijn paard tot wat grotere spoed aan, want hij moest de schipper een beetje te vriend houden.
Opeens zag Klaas wat op de grond liggen. Het was een kalken pijpje. Klaas was erg gelukkig met zijn vondst want het pijpje was nog heel. Wat hij er mee moest doen wist hij niet, maar dat was van minder belang. Hij had iets wat een ander niet had. Daarmee kon hij zijn oudere broer mooi de ogen uitsteken.
Ze gingen voor het huis van Siemen de kleermaker langs. Die zat te zonnen op zijn geliefde plekje, op de vensterbank voor het huis. Siemen had gezien dat Klaas het pijpje gevonden had.
Klaas haalde het pijpje nog eens uit zijn zak. Een fijn pijpje! Thuis werd het nog eens goed schoon gemaakt en Klaas stapte trots met zijn aanwinst in de mond naar buiten. Maar ach, de vreugde was van korte duur. Hij liet het pijpje vallen. Kapot, wat een ramp! Zijn uitstapje was totaal bedorven. Maar het zou nog erger worden.
De volgende dag kwam Siemen de dam binnen stappen. Hij liep nog wel eens als hulppostbode en bracht de krant. Hij kwam op Klaas af: "Ie hebt gisteren een piepe evunnen hè? Nou, det was mien piepe en die mut ik weer hebben."
De schrik sloeg Klaas om het hart. "Ik heb 'm niet meer, 't is kapot evallen", stotterde hij.
"Det kan mi'j niet schelen. Ie zorgt mar det ik een ni'je piepe kriege.”
"Oh, oh, dat is wat," dacht Klaas, "ik wol det ik die rotpiepe nooit eziene had."
De volgende week kwam Siemen weer met de krant. Bijtijds zag Klaas hem en hij wipte door de "middeldeure" naar de deel, in angstige spanning luisterend.
"Is Klaas ok thuus?" vroeg Siemen, wel begrijpend dat Klaas op de deel stond te luisteren.
"Nee, hi'j is met zien vaar naar 't laand", zei zijn moeder.
"Ja, hi'j hef mien piepe kapot laoten vallen en ik mut een ni'je van hum hebben."
Klaas had een heilige angst voor Siemen gekregen. Hij haatte hem!
De volgende week weer hetzelfde. Het gezeur begon zijn moeder te vervelen. "Heur ies Siemen, ie mut niet meer zeuren over die piepe. Die jonge is net zo bange veur oe. Hier hi'j een borrel en dan mu'j der niet meer over praoten."
Nou daar was Siemen het wel mee eens. Hij sloeg behendig de borrel achterover en vervolgde zijn weg. Het was een pak van Klaas' hart. Vergeten was hij het echter nog lang niet en hij vond Siemen geen aardige man meer.

* * *

UIT DE RAADSNOTULEN VAN 1936 _________________________________________________________

J.W. de Weerd

De eerste gemeenteraadsvergadering van 1936 wordt op 28 februari gehouden. Er wordt een ingekomen schrijven behandeld van de heer J.L.F. Kamm, hoofd van de openbare lagere school te Ruitenveen, waarin deze verzoekt om verlaging van de huur van de door hem bewoonde ambtswoning. De huur blijkt in overeenstemming met artikel 6 van het Bezoldigingsbesluit Burgerlijke Rijksambtenaren 1934. B&W zien geen kans om Kamm te helpen tenzij het cachet ambtswoning vervalt.
Eenzelfde verzoek is ingekomen van gemeente-arts A.J. van Ravenswaay. Hij zou de huur per 1 april 1936 van f 582, = naar f 368, = verminderd willen zien. Voorzitter Backx merkt op dat geen definitief besluit kan worden genomen. Omdat het hier een wijziging van de instructie van de gemeentegeneesheer gaat, zullen eerst de betreffende ambtenarenorganisaties moeten worden gehoord.
Het komt B&W gewenst voor over deze zaken een ogenblik achter gesloten deuren te vergaderen. Na heropening van de deuren wordt besloten om over het eerste verzoek afwijzend te beschikken en over het tweede eveneens, maar met de mededeling dat de gemeente bereid is om tegen nader overeen te komen prijs de woning aan Van Ravenswaay te verkopen.
Van de heer H. Petter en 17 anderen werd een verzoek ontvangen om langs de Meeleweg straatverlichting te willen aanbrengen. De begroting die B&W hebben laten maken, laat voor het plaatsen van 16 lantaarns van Sluis 3 naar de openbare lagere school D een bedrag van ƒ 469,55 zien, met aan jaarlijkse kosten ongeveer ƒ 300,=. Het college adviseert de Raad afwijzend te beschikken, aangezien de tijdsomstandigheden een dergelijke uitgave eigenlijk niet toelaten. Wanneer anders wordt beslist, dan moet ook een straatverlichtingsbelasting worden geaccepteerd. Backx merkt op dat de belasting niet hoog is.
Raadslid De Boer blijkt enkele personen gesproken te hebben die ook tekenden, waarbij hem gebleken is dat straatverlichting nu niet direct nodig werd geacht. Men tekende omdat ook een ander had getekend. Als motief gold ook dat langs de Dommelerdijk straatverlichting zal komen en de Meeleweg nu niet achter mag blijven. Wanneer de uitbreiding gepaard gaat met de invoering van een dergelijke belasting, heeft De Boer daar geen bezwaar tegen.
Op de vraag van de heer Massier of alle percelen onder die belasting zullen vallen, zegt de voorzitter dat zij die van de straatverlichting profiteren, zowel van de reeds bestaande als van de eventuele uitbreidingen, in die belasting zullen vallen. De heer Witpaard is wel voor lantaarns aan de Meeleweg, vooral bij de bochten. Ook raadslid Prins is voor inwilliging van het verzoek wanneer de belasting niet te zwaar drukt.
Er wordt besloten de beslissing op de aanvraag aan te houden aangezien eventuele straatverlichting aan de Meele pas in het najaar van 1936 ingevoerd zal worden. Het college zal dan tevens met een ontwerpverordening straatverlichtingsbelasting komen. De vraag van de heer Westerman of dan ook gewacht wordt met de verlichting aan de Dommelerdijk, antwoord Backx bevestigend.
Op een verzoek van het bestuur van de 'Hulpvereeniging der Vereeniging voor Christelijk Nationaal Onderwijs' te Nieuwleusen om een bedrag van ƒ 53,= uit de gemeentekas voor het aanschaffen van nieuwe gordijnen, wordt met algemene stemmen goedgunstig beschikt.

Alvorens een begin te maken met de vergadering van 29 april zegt Backx behoefte te gevoelen met een enkel woord het overleden raadslid B.J. van den Berg te gedenken. Hij spreekt als volgt:

Op 3 april j. L. hebben wij een van onze beste burgers, B.J. van den Berg BJzn, naar zijn Laatste rustpiaats gebracht. Klein begonnen, wist hij zijn zaken tot grote hoogte op te bouwen. Hij bleef daarbij de eenvoudige man, vriendelijk en behulpzaam voor een ieder, toegankelijk voor allen, en velen heeft hij dan ook met raad en daad mogen bijstaan.
Niettegenstaande zijne drukke werkzaamheden, hij was een harde werker, wist hij zich in de gemeente nog op velerlei gebied verdienstelijk te maken. Ik denk aan de vele jaren, waarin hij de gemeente als wethouder heeft gediend. Hij heeft toen voor de gemeente zeer veel gedaan, meer dan iemand ooit heeft begrepen en hij was voor mij menigmaal een hartelijk raadgever. Ook nadat hij ais wethouder was afgetreden en zich op herhaald verzoek ais lid van den Raad beschikbaar bleef stellen, heeft hij de gemeente nog veie diensten bewezen en hebben wij van zijne degelijke wel overwogen adviezen nog vaak mogen profiteren. De gemeente is B.J. van den Berg grote dank verschuldigd.
Mij persoonlijk was het steeds een eer en genoegen in zijne gastvrije omgeving te worden ontvangen. Dankbaar ben ik, dat ik hem in mijn Leven heb mogen ontmoeten en met hem meer dan twintig jaren op velerlei gebied en op de meest prettige wijze heb mogen samenwerken. Dankbaar ben ik voor de hartelijkheid en de vriendschap, die hij mij heeft gegeven. Hij ruste in vrede!


Van Gedeputeerde Staten is goedkeuring ontvangen van de gemeentebegroting voor 1936. Zij wijzen er voorts op dat in verband met de wet van 29 november 1935 tot verlaging van de openbare uitgaven, wijziging van de begroting moet plaats vinden.
Bij Koninklijk Besluit van 9 april 1936 blijkt voorts dat de jaarwedden van burgemeester en wethouders met ingang van 1 mei 1936 met 5 % zullen worden verlaagd.
Van het bestuur van de plaatselijke vereniging voor ziekenhuisverpleging en -vervoer "De Voorzorg" is een verzoek ontvangen. Hierin wordt verzocht goed te vinden dat de voorwaarde, welke indertijd door de raad is ingesteld in verband met een verleende subsidie, te weten het betalen van de eerste f 10,= door verzekerden bij iedere opname, komt te vervallen. De financiële positie van "De Voorzorg" laat thans toe dat de bepaling komt te vervallen. Goedkeuring door de algemene ledenvergadering heeft inmiddels plaats gevonden. Ook de raad besluit zonder hoofdelijke stemming deze bepaling in te trekken.
Hierna leest de voorzitter een brief voor van Gedeputeerde Staten waaruit blijkt dat er bezwaren zijn tegen de verplaatsing van het woonwagenkamp naar de Hooibrug en Rollecate. Zij verzoeken dit besluit in te trekken. B&W doen een overeenkomstig voorstel en stellen eveneens voor het raadsbesluit in te trekken waarbij van A. Bosch een stuk grond bij de Hooibrug wordt gehuurd. Het komt het college gewenst voor de standplaats aan de Rollecaterbrug te doen verdwijnen en aangezien er geen geschikt terrein voorhanden is, zal de gemeente het zonder standplaats moeten doen.
Artikel 15 in de Politieverordening betreffende de staanplaats wordt eveneens vervallen verklaard en daarvoor in de plaats komt een nieuw artikel 17a waardoor het mogelijk wordt een woonwagen die in de gemeente moet vertoeven, toch een bepaalde plaats aan te wijzen. B&W stellen voor een dergelijke bepaling ook voor schepen in te voeren, waardoor de politie de macht zal krijgen om schepen naar een bepaalde plaats te dirigeren.
Bij de rondvraag wijst raadslid Nijboer er op dat er acht autobussen van de Dedemsvaartsche Stoomtramwegmaatschappij door het dorp rijden, maar dat er geen verbinding is met het station Dedemsvaart NS en de Lichtmis. Nu er in Meppel een Diaconessenhuis zal komen en er ongetwijfeld daar ook patiënten uit Nieuwleusen zullen worden opgenomen, komt Nijboer een busverbinding over Den Hulst naar Lichtmis gewenst voor. Hij denkt aan dagelijks twee diensten in beide richtingen. Backx zegt toe dat hij hierover een schrijven aan de Tramweg Mij zal richten.

In de raadsvergadering van 12 juni 1936 blijkt een brief te zijn binnengekomen van W. Dekker c.a. inzake de werkverschaffing. Dit schrijven kan echter niet in behandeling worden genomen omdat het niet op gezegeld papier is gesteld.
Na de vorige raadsvergadering bleek dat er voor een straatverlichtingsbelasting niets wordt gevoeld. Burgemeester Backx stelt daarom het aangehouden schrijven van enkele inwoners van de Meele inzake straatverlichting weer aan de orde. Het advies van B&W is afwijzend. De heer Witpaard wil wel een paar lantaarns in de bochten zien. Raadslid Westerman wil de verlichting van de Meeleweg aan die van de Dommelerdijk verbinden. Hij is niet voor uitbreiding van de straatverlichting, maar dan moeten wel alle verzoeken gelijk behandeld worden. De voorzitter zegt dat de Raad indertijd besloot tot verlichting van de Dommelerdijk, maar dat Westerman een voorstel tot intrekking van dit besluit kan doen. Hij stelt voor eerst te stemmen over het adres van de inwoners van de Meele. Bij deze stemming blijkt het advies van B&W door de meerderheid te worden opgevolgd. Hierna dient de heer Westerman zijn voorstel, dat ondersteund wordt door de heren De Boer en Van Ankum, in. Het wordt aangenomen met de stemmen van de raadsleden Massier, Witpaard en Prins tegen. Massier vindt het kinderachtig het eens genomen besluit in te trekken, terwijl Witpaard vindt dat er zeer goed enkele lantaarns van de Ommerdijk hadden kunnen worden verplaatst. Volgens hem komt het vaak voor dat lantaarns niet branden. Volgens de voorzitter worden de lantaarns die stuk zijn direct vervangen. Nadat dit door diverse personen wordt tegengesproken, zegt Backx een onderzoek toe.

Het is 28 augustus als de raad weer bijeenkomt. Dan komt een schrijven van het bestuur van de Vereeniging tot Stichting en instandhouding van scholen met den Bijbel te de Meele aan de orde, waarin gevraagd wordt om een bijdrage van ƒ 63,65 uit de gemeentekas. Hiervan denkt men ƒ 30,-- aan verbetering van het schoolplein te besteden. De rest is voor het aanbrengen van een bliksemafleider. Aanvankelijk hadden B&W hier wel wat bezwaren tegen. Geen enkele school in de gemeente had zoiets. Na een onderhoud met de afgevaardigden van het schoolbestuur is hun echter gebleken dat het schoolhoofd zich zeer bezorgd maakt over een eventuele blikseminslag en zonder een afleider de verantwoording niet durft te nemen. Ook het schoolbestuur is door de verklaring van de onderwijzer enigszins bang geworden. Het college is tenslotte tot de conclusie gekomen in dit speciale geval, te meer omdat de school in het open veld ligt, de raad voor te stellen het gevraagde bedrag te verlenen. Massier vindt ƒ 33,65 nogal veel, terwijl het Backx voorkomt dat het weinig is. Wethouder Nijboer merkt op dat het schoolbestuur ook een offerte had van honderd gulden. De gevraagde bedragen worden door de raad ter beschikking gesteld.


namenlijst De ploeg van USV op 28 augustus 1949. VLnr. achter: M. de Graaf, H. Wicherson, A. Douma en G. ten Kate; midden: H.J. Brinkman, J. Bijker en H. Mensink.: voor: H. Bouwman, G. Toersen, H.J. Toersen en H. Riezeweide.

Witpaard vraagt naar een voetbalverbod op zon- en feestdagen. De voorzitter blijkt niet voor een absoluut verbod op zondag te gevoelen. Hij is voor zondagsrust, maar ziet er geen kwaad in als jongelui de sport beoefenen. Dat is naar zijn oordeel beter dan dat de jongens in een café hangen. De heer Witpaard zou ook de cafés willen sluiten. Backx deelt mee dat daarmee al eens een proef is genomen en dat die op niets is uitgedraaid. Als Witpaard vindt dat er hinderlijk lawaai wordt gemaakt, zegt de voorzitter toe bij wanordelijkheden te zullen optreden. Massier heeft nog nooit gehoord van wanordelijkheden en is van mening dat het hier nog wel gaat, vergeleken met andere gemeenten. Backx wil de wensen van Witpaard nog eens in de wethoudersvergadering aan de orde stellen, maar zegt tevens dat hij niet beloven kan met een voorstel tot een zondagsvoetbalverbod te zullen komen.
Raadslid De Boer zou graag zien dat de personele belasting voor motorrijtuigen, die in Nieuwleusen erg hoog is, verlaagd zou worden. De burgemeester acht het bezit van een motorrijtuig een 'schiere' luxe. Zakenmensen die een auto of motor voor hun bedrijf gebruiken, krijgen reductie. Hij zegt voorts niet precies te weten hoe het met de personele belasting op motorrijtuigen zit. Nadat hij dit heeft nagezien, zal hij De Boer verder inlichten.

Middels een schrijven van 9 september bericht de minister van Binnenlandse Zaken de verloving van Prinses Juliana en Prins Bernhard von Lippe Biesterfeld. Deze brief zit bij de ingekomen stukken van de vergadering van 25 september.


De burgemeester zegt dat deze heugelijke tijding Nieuwleusen reeds op 8 september door de radio en door bulletins heeft bereikt. De bevolking heeft door o.a. het uitsteken van vlaggen en het houden van een optocht op ondubbelzinnige wijze uiting gegeven aan haar blijdschap. Het gemeentebestuur heeft telegrammen met gelukwensen gezonden aan het verloofde paar en aan H.M. de Koningin. Hij spreekt de wens uit dat op deze verloving spoedig een gezegend huwelijk mag volgen.
Naar aanleiding van een brief van het bestuur van de Union Sport Vereniging stellen zowel B&W als een commissie van onderzoek voor om de huur van het sportveld achter OLS C te Den Hulst te verlagen met f 20,= tot f 60,= per jaar. Deze huurprijs wordt nog behoorlijk geacht, temeer omdat de gemeente bij het gymnastiekonderwijs voor school C en de bijzondere school te Den Hulst over het terrein kan beschikken. Raadslid Witpaard voelt er niet veel voor. Door het voetballen op zondag ontheiligt men die dag. Met zijn stem tegen wordt het voorstel aangenomen.
In de rondvraag wil Witpaard graag weten hoe B&W over een voetbalverbod op zon- en feestdagen denken. Backx zegt dat hij inlichtingen heeft ingewonnen en daarvan een dossier heeft aangelegd. Hij verzoekt de heer Witpaard daar eens inzage in te willen nemen. Veel hoop kan hij hem echter niet geven.

Op 30 november wordt een verzoek van de heer W. van Roozelaar, hoofd van school D te de Meele, om overplaatsing naar school C te Den Hulst behandeld. Met alleen Massier tegen wordt dit verzoek op voorstel van B&W afgewezen. De inspecteur van het lager onderwijs adviseerde dit verzoek niet in te willigen. Massier acht het gewenst dat er in Den Hulst een hoofd komt met landbouwakte. Nadat hij zijn teleurstelling heeft uitgesproken dat er op de voordracht niemand met die akte voorkomt, zegt Backx dat alle moeite gedaan is maar dat er geen liefhebbers waren. De twee met de akte die er waren vielen af, één omdat hij katholiek was. Een herhaalde oproep zag Massier graag geplaatst, maar daartoe is het college niet bereid.
Van D. Klein en anderen te Dalfsen is een verzoek ingekomen om de begraafrechten voor niet inwoners van Nieuwleusen te verlagen. Zij behoren sedert 1935 kerkelijk tot deze gemeente en menen nu ook dezelfde rechten te kunnen doen gelden als de Nieuwleusenaren. Zij moeten ook zand voor het ophogen van de begraafplaats aanvoeren. Backx is van mening dat de kerkelijke indeling van inwoners van Dalfsen niets te maken heeft met de rechten die door de burgerlijke gemeente worden geheven. Het zand rijden staat evenmin in verband met de rechten die geheven worden. Tientallen jaren brengen inwoners, en de laatste jaren ook niet-inwoners, gratis zand voor de begraafplaats en dat gebeurt geheel vrijwillig. Wie geen zand wil rijden, blijft thuis, aldus de burgemeester.
Het is Massier die de inwoners van Dalfsen met rust wil laten. Zij menen aan het zand rijden zekere rechten te ontlenen. Volgens Backx bestaat er geen enkele verplichting. Er zijn mensen die men voor het hoofd zou stoten wanneer men geen verzoek tot hen zou richten. Nijboer bekijkt het praktisch en zegt dat wanneer er geen zand gereden zou worden, de gemeente er voor zou moeten zorgen en de kosten van ophoging dan op het belastingbiljet te vinden zouden zijn. Het advies van B&W om afwijzend op het verzoek te beschikken, wordt met algemene stemmen aangenomen.
Aan de heer H.A. Meijer, hoofd van school C te Den Hulst, wordt op zijn verzoek eervol ontslag verleend en wel onder dankbetuiging voor de bewezen diensten. Hij blijkt ontslag gevraagd te hebben wegens het bereiken van de zestigjarige leeftijd. Meester H. de Jongste uit Ommen wordt benoemd tot zijn opvolger.
Per 1 mei 1937 wordt aan Arend Bouwman, A55 te Nieuwleusen, voor de tijd van drie jaar opnieuw een boerenwoonhuis met erf en schuur, hooiberg, gras­ en bouwland op Katoeleplaats (ongeveer op de plaats waar nu de aula staat) verhuurd voor ƒ 180,-- per jaar. De totale oppervlakte van de percelen is 2 hectare, 73 are en 75 centiare.
Voor de bestrating van de verlengde Meeleweg en vernieuwing van andere straten heeft de gemeente 130.000 groot formaat straatklinkers aangeschaft. Raadslid Van der Graaf vraagt of het straatwerk niet door mensen uit de gemeente kan worden uitgevoerd. Hij meent dat er mensen zijn die al zo lang bij straatmakers werken en het zo zoetjes aan wel zullen kunnen. Backx antwoordt dat bedoelde mensen nooit straatwerk hebben gemaakt. Het is een moeilijk vak en hij acht het gewenst een prima vakman te nemen.

* * *

DE KNIEPERT _________________________________________________________

B. van Duren

Niet alle mensen bint geliek, ok niet as ze wat kopen mut. Sommigen doet royaal en kiekt niet op een stuver; aanderen hebt de neiging um zunig te wezen. Heel vake bint det arg degeluke mensen. Mar ie hebt ok paartie luu die meent det zie oaveral goedkoper terechte kunt. Det soort is der wel ies op uut um een aander bi'j de bienen te nemen. Mar het löp ok wel ies aanders!
Der was iens een man die veule van tuinieren hölt. Hi'j had veur det doel een mooi lappien grond en miestal stunden de bonen, de kool en wat al niet meer, der heel mooi bi'j. En oenze tuunman was trots. De boel had hi'j wel niet laoten gruuien, mar deur zien schoffelen en harken was det allemaole groot eworden.
Van 't jaar had de man een bulte eerpels. Det was niet zo slim want der waren afnemers genog. De buren hölpen hem der wel of en vertellen het weer deur an anderen. Tien gulden veur een flinke maande vol en dan nog wel met een kop der op. De kopers stunden in de reie! As det zo deur gung, dan was hi'j der zo deur hen.
Een al wat oldere man, die een stuk of wat huzen varder woonde, worden ok ni'jsgierig. Toen hi'j wus wat daar te doen was, ja, toen wol hi'j ok best een maande vol hebben. Mar um daar now tien gulden veur te betalen! Wacht mar ies even, hi'j wus der wel wat op.
"As ie zomitiene nog wat oaver hebt buurman", ze hi'j, "dan mag ie mi'j veur negen gulden wel een maande vol brengen."
Onze tuunman keek veraldereerd, mar zien vrouwe knipogen naar hum en zee tegen de olde baas: "Det is goed heur, ie kriegt ze veur negen gulden."
Zo, det heb ik toch mar weer verdient, dacht de olde man. "Hier heb ie oen geld vaste, dan wee' k zeker det a'k wat kriege."
En half uurtien later kwaamp de tuunder met de eerpels anzetten. Naw keek de olde man veraldereerd. "Ik meende da'k eziene hadde det der een kop op de maande zat", was zien bescheid, "dit klopt zeker niet helemaole."
"Ja, det klopt wel", zee de tuunbaos, "ie wollen jao veur negen gulden hebben en daar hebbe wi'j rekening met eheulen. Zodoende hebt wi'j de kop der mar niet op edaone."
De olde man zetten een zoer gezichte. Hi'j had 't gevuul det hi'j toch beter een gulden meer had kunnen betalen. Mar daar hoefde hi'j naw niet meer met an te komen.
Toen de tuunder weer thuus was, hebt ze der samen met de buren arg umme mutten lachen. Ze wussen mar al te goed det die olde kerel een arge kniepert was.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 3 april 1937:
Den Hulst. Door Js. en B. Brasjen werden Paaschmaandag niet minder dan 20 kievitseieren gevonden; de prijs was 20 cent per stuk.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXIV _________________________________________________________



Deze keer hebben wij voor u een foto uitgezocht van het zangkoor


“De Zonnestraaltjes” zoals dat omstreeks 1950 werd gefotografeerd.
Gerda Bosgraaf-Luten (nr.3) vierde onlangs haar 40-jarig jubileum bij het koor Sursum Corda.


1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

Mina Luten
Aaltje Bruggeman
Gerda Luten
Hennie van Spijker
Jannie Mijnheer
Grietje van de Kolk
Roelie Pruntel
Dinie Klein
Klaasje Bruggeman
Hennie Bruggeman
Dina Krul

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  

Jennie Beltman
Jennie Brinkman
Femmie Klein
Sinie Kragt
Hillie Katoele
Willie Huisman
Aaltje Bruggeman
Aaltje Klein
Aaltje Stegerman
Hendrikje Bonen
de heer Bodewes

23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
 
 

Aaltje Brouwer
Hennie Ganzeboer
Gé Kooistra
Geesje Bijker
Geesje Stegerman
Geesje Huzen
Jannie Brouwer
Klaasje Bijker
Tina Jans


* * *

EEN VREEMDE SCHENKING? _________________________________________________________

J.W. de Weerd

In Drenthe in de plaats Borger staat een kerk met een rijke historie. Op zich interessant, maar daarover zullen we het niet hebben. Tot de inventaris van de kerk behoren evenwel een aantal voorwerpen die zijdelings een verbinding hebben met Nieuwleusen. Deze voorwerpen zijn een doopvont op staander met twee collecteschalen en een zilveren avondmaal servies, bestaande uit twee presenteerbladen, een broodschaal, twee uitdeelschalen, een schenkkan en tweehonderd bekertjes. Een en ander werd in 1928 door juffrouw Guillemette Jeanette Palthe te Oldenzaal aan genoemde kerk geschonken. Hoe kwam zij, die in Nieuwleusen toch ook belangrijke bezittingen had, tot deze schenking?

Notaris J. Visscher te Nieuwleusen behartigde bepaalde zaken voor juffrouw Palthe. Op het kantoor van haar notaris H. van Opstall in Enschede werkte een zekere H. Hoeksema Jr. als notarisklerk. Hoeksema en Visscher kenden elkaar. Waarschijnlijk is het contact tussen beiden gelegd door juffrouw Palthe. Ze werden beiden aangezocht om na haar overlijden op te treden als executeur-testamentair.
De vader van Hoeksemawas eveneens klerk en wel bij notaris Hendrik Rudolf Trip. Deze vestigde zich op 17 september 1900 vanuit Middelstum te Borger en nam zijn klerk mee.
Door gesprekken met Hoeksema Jr. zal juffrouw Palthe op een gegeven moment op het idee zijn gekomen om de kerk in Borger een keurig avondmaalsstel te schenken. Mogelijk voelde zij haar einde naderen en was zij al bezig haar bezittingen en middelen te verdelen. De schenking, waarvan in de archieven niets is terug te vinden, moet voor haar overlijden op 26 maart 1928 hebben plaatsgevonden.

* * *

ERRATA _________________________________________________________

Helaas zijn er in het kwartaalblad van September 1993 enkele onjuistheden geslopen. Onze excuses hiervoor.
In het artikel over de oude begraafplaats is bovenaan bladzijde 50 vermeld "de oprichter van de Union B.J. van den Berg", hier is echter bedoeld "de voorouders van de oprichter van de Union B.J. van den Berg". De drie onderstreepte woorden zijn uit de tekst weggevallen.
Bij steennr. 11 is vermeld Jan Volbrink. Dit moet echter zijn Fennigje Volbrink, 1884.
Het zetduiveltje speelde ons parten bij steennummer 62. De naam op deze steen is J. Boterman, 1894. Voorts blijkt de automatische sortering op alfabetische volgorde niet vlekkeloos te zijn verlopen. Van de stenen waarop een tweetal namen voorkomt, is het overlijdensjaar verwisseld.
Onderstaand zijn de juiste jaartallen vermeld:
Harm Hendriks Alteveer 1906, steennr. 60
Berend Jan van den Berg 1908, steennr. 68
Hendrikje Blik 1932, steennr. 68
Geertje Bovenhof 1916, steennr. 83
Hendrik Eshuis 1896 steennr. 83
Aaltje van Hulst 1918, steennr. 60
Jentje IJs 1910, steennr 49.

De schoolfoto op blz. 60 blijkt een aantal jaren ouder te zijn dan aldaar is vermeld en moet nader gedateerd worden in het jaar 1929.
Deze gegevens zijn in de tekst aangepast

* * *

INHOUD VAN DE ELFDE JAARGANG _________________________________________________________

blz.
1  
4  
5  
9  
10  
11  
12  
14  
22  
24  
25  
33  
34  
39  
40  
42  
46  
49  
53  
59  
60  
62  
65  
70  
72  
73  
78  
80  
90  
91  
92  
94  
95  
96  

 
Een Amerikaan op bezoek in Nieuwleusen in 1913
Onderling Belang
Genealogie Van Holten III
Bladvulling
De pette
Rekensom
Een oude groepsfoto XXI (OLS Oosteinde)
Volksonderwijs Nieuwleusen, deel III
Wanneer een vreemdeling uit vrijen gaat
Krummels
Grensbepaling gemeente Nieuwleusen in 1820
Krummels
Uit het militair zakboekje van Geert Schoemaker
Oplossing rekensom
Een oude groepsfoto XXII (CLS De Meele)
De emigratie van de familie Broek naar Amerika
Volksonderwijs Nieuwleusen, deel IV
De oude begraafplaats
Een TBC-lighuisje
Krummels
Een oude groepsfoto XXIII (CLS Nieuwleusen)
Een rechtzaak om honderd gulden
Enkele biografische schetsen over de Broek-familie
Sara Catharina Delfos
Errata
Opkomst, bloei en ondergang van de stoomtram
Siemen en het "piepien"
Uit de raadsnotulen van 1936
De kniepert
Krummels
Een oude groepsfoto XXIV (de Zonnestraaltjes)
Een vreemde schenking?
Errata
Inhoud van de elfde jaargang

 
 
M. Prins-Praas
A. van Holten
 
 
 
 
 
 
 
 
 
J.W. de Weerd
 
 
 
 
J.W. de Weerd
B. Ockers
 
 
 
 
 
 
G. Schoemaker
Kabé
J.W. de Weerd
B. van Duren
 
 
J.W. de Weerd
 
 





Jaargang 12 nummer 1 maart 1994

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

De in het laatste kwart van de vorige eeuw gebouwde dokterswoning aan het Westeinde 4.

* * *

ARTSEN IN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Onderstaand verhaal is samengesteld uit de aantekeningen van burgemeester Mulder voor een toespraak ter gelegenheid van de 25-jarige uitoefening van de dokterspraktijk van dokter G.R. Dekker in 1964. Het zal duidelijk zijn dat dit geen uitputtende studie is over het reilen en zeilen van de Nieuwleusener artsen. Nader onderzoek zal zeker aanvullende informatie opleveren.

Gedurende de eerste twee eeuwen van het bestaan van Nieuwleusen was de bevolking verstoken van plaatselijke medische hulp. In die tijd moest de nood wel heel erg hoog gestegen zijn wanneer men de dokter in Staphorst of Dalfsen om hulp vroeg. Pas omstreeks het midden van de vorige eeuw was de bevolking zodanig uitgebreid dat men begon na te denken over een plaatselijke dokter. De heer W.C. van Werkhoven was geneesheer en verloskundige in Blokzijl. In 1867 gaf hij te kennen zich hier wel te willen vestigen. De ingezetenen verzochten de gemeenteraad dit te bevorderen. Daarom reisden de raadsleden P. Bouwman en W. de Weerd naar Blokzijl om informatie in te winnen.
In die tijd hadden de artsen een grote zogenaamde armenpraktijk waarvan de behoeftigen gratis gebruik konden maken. Het gemeentebestuur betaalde hiervoor een bedrag aan de dokter. De beide uitgezonden heren boden de arts een gratificatie van f 75,= aan, waarvan de helft als voorschot zou worden betaald. In september vroeg Van Werkhoven echter ook om het resterende deel van de gratificatie vooruit te kunnen ontvangen. Dit ging de raad echter te ver en dus was het resultaat dat de beoogde dokter niet kwam.
In 1868 bereikt men overeenstemming over vestiging in Nieuwleusen met dokter B. ten Raa uit Staphorst. De gemeentelijke beloning zal f 100,= per jaar bedragen plus drie gulden per bevalling van een armlastige en een gulden meer indien de betrokkene niet armlastig is. Daarbij spreekt men wel de hoop uit dat de dokter in overweging zal nemen dat onder de niet-armlastigen ook personen zijn die de vier gulden voor een bevalling moeilijk kunnen betalen. In het voorjaar van 1871 vertrekt dokter Ten Raa naar Meppel om daar op een salaris van f 550,= per jaar zijn beroep uit te oefenen. De gemeenteraad doet nog een poging om hem voor Nieuwleusen te behouden door een jaarsalaris van f 250,= te bieden, maar het beoogde resultaat blijft uit.
In mei van dat jaar wordt er een advertentie geplaatst om een nieuwe dokter te krijgen op een salaris van f 200,= met gratis doodschouw en vaccinatie. Kennelijk heeft dit niet veel resultaat want in juni 1871 plaatst men een nieuwe advertentie. Hierin wordt onder dezelfde voorwaarden een jaarsalaris van f 300,= geboden.
Hierop komt een reactie uit Moordrecht van dokter Den Dooren van Rooyen. Hij wil komen kijken in Nieuwleusen onder de voorwaarde dat de raad de reiskosten betaalt. Dat wil de gemeenteraad echter alleen indien hij niet benoemd zou worden. Hierop laat de dokter weten dat hij niet meer voor benoeming in aanmerking wenst te komen.
Een nieuwe advertentie wordt in augustus geplaatst, ditmaal met een jaarsalaris van f 350,=. Hoewel dit tot resultaat heeft dat dokter De Wilde uit Reewijk wordt benoemd, gaat het toch niet door.
In oktober volgt weer een nieuwe advertentie en daarna in januari 1872 nog eens. In de laatste advertentie wordt naast vrij wonen een jaarsalaris van f 200,= geboden. Als in maart blijkt dat dokter L. Daams uit Beusichem wil komen, wordt besloten een geschikte woning met stal te bouwen in de nabijheid van de kerk in Nieuwleusen. Er wordt 15 are grond van de heer Palthe gekocht voor f 450,=.


Doktersgezin met personeel omstreeks 1910. Vlnr Klaasje Krikke­Koezen, werkster; A. Westerman, koetsier; mevr Risselada; twee dochters Risselada; de kindermeid; H. Westerman en in de wagen dokter Risselada.

Bij de bevolking wordt een lening geplaatst voor een bedrag van f 5000,=, onderverdeeld in aandelen van elk f 250,= met een rente van 5 % per jaar. Wanneer alles zo'n beetje geregeld lijkt, constateert de raad dat dokter Daams te hoge eisen stelt en zij gaat dan ook niet met de benoeming akkoord. Er zit dan ook niets anders op dan weer een advertentie te plaatsen. Dat gebeurt in april 1872. De volgende maand is het plan van aanbesteding voor de dokterswoning klaar.
De sollicitatie van dokter Van Fooren uit Nieuw­Beijerland resulteert in juni 1872 in een bedankje. De reden hiervan is dat hij vindt dat de woning te ver van Station Dedemsvaart-Spoor komt te liggen. In dezelfde maand wordt de bouw van de dokterswoning gegund aan H. Timmer uit Meppel voor een bedrag van f 4444,44, precies f 5,56 beneden de begroting.
Het is november 1872 wanneer dokter G. van Nouhuijs uit Lobith wordt benoemd. Hij bedankt echter voor de eer omdat hij in Lobith f 600,= gaat verdienen. Bovendien zegt hij dat zijn beslissing daar te blijven mede is ingegeven door de vele sympathie die hij van zijn patiënten ondervindt.
Zo is men dus weer terug bij af en wordt besloten weer een advertentie te plaatsen. Hierop solliciteert dokter G. Drost uit Renswoude. Een raadscommissie, bestaande uit de heren J. Bijker en A. Stolte, brengt op zondag 16 maart een bezoek aan de dokter en hoort zijn voorwaarden aan. De raad acht deze echter te bezwaarlijk en besluit tot plaatsing van de achtste advertentie. Als salaris wordt een bedrag van f 250,= genoemd plus vrij wonen.
In juni 1873 blijkt dat dokter Jean Gijsberti Hodenpijl, oud onderofficier van gezondheid te Zegveld, wil komen. Hij werd geboren op 2 mei 1805 en is dus al 68 jaar oud! De voorwaarden die hij stelt zijn een vrije overtocht per schuit van de meubels en vrijstelling van de tweede en derde grondslag voor de personele belasting. Verder moet de nieuwe woning enigszins worden aangepast. De voorwaarden worden door de raad akkoord verklaard en dus heeft men eindelijk een nieuwe dokter.
Bijna een jaar later, in maart 1874, stelt Hodenpijl nog een aanvullende eis: een gemetselde mestbak in de tuin. Maar ook dat blijkt geen probleem. Kennelijk was men toch wel blij een dokter te hebben.
Wanneer in de loop van dat jaar blijkt dat de voor de verloskundige praktijk benodigde krachten van de dokter beginnen te kort te schieten, stelt Hodenpijl voor om voor eigen rekening een vroedvrouw aan te stellen. De raad gaat hiermee in december 1874 akkoord.
Op 11 maart 1875 overlijdt dokter Jean Gijsberti Hodenpijl. Hij wordt begraven op de begraafplaats aan het Westeinde. Zijn vrouw mag blijven wonen in de dokterswoning wanneer zij voor haar rekening de vaccinatie en doodschouw door een andere arts, dokter Schouten uit Dalfsen, laat uitvoeren. Op 30 maart wordt besloten om per advertentie een nieuwe dokter te vragen. Het gebodene is hetzelfde als ten tijde van de aanstelling van dokter Hodenpijl in 1873.
Met het oog op een nieuwe dokter wordt in juni 1875 besloten enige verbetering aan de woning uit te stellen. Men had een gedeelte van het dak boven de slaapkamer van de dienstbode met platen willen afschieten.

Dokter R. Brouwer

Mevrouw Brouwer-Steenbeek

Een sollicitatie in juli van dokter F. Smeets, gepensioneerd officier van gezondheid te Vlieland, heeft geen resultaat aangezien hij niet bevoegd is op het gebied van de verloskunde. Derhalve volgt een nieuwe advertentie waarin het geboden jaarsalaris wordt verhoogd tot f 300,=. Dit levert
niets op en er volgt er nog een in november. Inmiddels heeft dokter Hodenpijl Jr. in oktober 1875 de apotheek aan de raad te koop aangeboden, maar "de raad kan hierin niet treden".
In december 1875 zegt mevrouw Hodenpijl in de onmogelijkheid te zijn om langer de geneeskundige diensten te doen waarnemen. Dokter Schouten wordt dan aangesteld voor de doodschouw.
Er gaat enige tijd voorbij maar op 14 maart 1876 wordt er een nieuwe dokter aangesteld op een jaarsalaris van f 400,=. Het is de heer R. Brouwer uit Hollandscheveld. Op 11 januari 1877 wordt besloten de dokter een gratificatie van ƒ 16,= te geven als vergoeding voor de aanslag hoofdelijke omslag.
In maart van dat jaar weigert Brouwer in de drie openbare scholen de vaccinatie uit te voeren. Hij wil dit bij hem thuis doen. De raad verplicht hem toch dat op de scholen te doen. Een maand later vraagt de dokter een salarisverhoging van honderd gulden vanwege de vaccinatie op de scholen.


Evenwel wordt zijn verzoek niet ingewilligd en zal hij de komende jaren met hetzelfde geld moeten zien rond te komen.
Vanuit de bevolking vindt hij in februari 1883 bijval voor zijn verzoek. Een verzoekschrift van H.J. Snel en anderen om de dokter meer salaris te betalen heeft evenwel ook geen resultaat.
Op 27 april 1895 wordt aan dokter Brouwer eervol ontslag verleend onder dankzegging voor de bewezen diensten. Al op 29 mei 1895 wordt zijn opvolger benoemd in de persoon van dokter M.L. Risselada uit Berlicum. Het jaarsalaris van de op 26 februari 1864 geboren Risselada bedraagt f 400,= met vrij wonen en gratis vaccinatie en doodschouw.
Na een verblijf van 28 jaar in Nieuwleusen vertrekt hij in april 1923 naar Ameland. In maart van dat jaar wordt zijn opvolger al aangesteld. Het is dokter H.C.C. Wagner uit Groningen, geboren op 20 mei 1892. Ruim vijf jaar later, in november 1928 vertrekt deze naar Aalsmeer. Maar ook dan is er al een opvolger benoemd in de persoon van dokter A.J. van Ravenswaay, geboren op 15 juni 1896 in Rotterdam.

Het gezin van dokter G. R. Dekker in 1947.

n is er al een opvolger benoemd in de persoon van dokter A.J. van Ravenswaay, geboren op 15 juni 1896 in Rotterdam.
Van Ravenswaay zal blijven tot 24 mei 1939 (zie "Ni'jluusn van vrogger" juni 1990, blz. 41). Hem wordt dan eervol ontslag verleend, terwijl met ingang van 1 juni voor een tijdsperiode van twee jaar dokter G.R. Dekker wordt aangesteld voor Nieuwleusen. Inmiddels heeft zich in Den Hulst een tweede arts gevestigd in de persoon van J. M. Schuringa. Deze zal worden opgevolgd door dokter P.J.J. Versluys.

* * *

HERINNERINGEN _________________________________________________________

H.G. van den Berg

Stelt u zich het volgende eens voor: Het is in de winter van 1941/42. U zit in de zaal en kijkt naar het toneel waarop een karretje met een potkachel er op. De potkachel moet een gasgenerator voorstellen die het karretje van brandstof voorziet. Het karretje stelt een bus voor van de EDS (Eerste Dedemsvaartsche Stoomtramwegmaatschappij). De chauffeur pookt in de kachel om hem op te stoken. Er om heen een aantal toeschouwers met het eindeloze gezeur: "of wil e weer niet?" En dan wordt het volgende liedje gezongen:

EDS, EDS
Zwolle in een uur of zes
Hi'j wil niet gaon
Hi'j blef weer staon
En al porkt de chauffeur
De heele tied mar deur
Hi'j wil niet gaon
Hi'j blef weer staon.

Tegenover café De Unie was de halteplaats van de EDS-bus.

Het hiervoor geschetste tafereeltje en liedje komen uit een door mij geschreven USV-revue. Ik schreef er twee in de jaren 1941 en 1942 met als titels "Bonnenperikelen" en "Hendrik Jan en Garrechien gaan naar Amsterdam" met als spelers Evert Vonder en Trijn Niemeijer.

Een ander liedje was:
Ginds in Overijssel
Daar aan de Dedemsvaart
Ligt een heel klein dorpje
Zoo maar op de kaart
Waar ik ook werk
Of waar ik ook bouw
Ik blijf je trouw
Den Hulst, waar ik van hou. (bis)

* * *

VERORDENING HONDENBELASTING _________________________________________________________

De Raad der gemeente Nieuwleusen;
Overwegende, dat het wenschelijk is de Verordening regelende de Heffing der belasting op de honden in deze gemeente te herzien;
Besluit:
Vast te stellen de volgende Verordening, regelende de Heffing der belasting op de honden in de gemeente Nieuwleusen.
Artikel-1.
Er wordt binnen de gemeente Nieuwleusen, met ingang van 1 Januari 1918 eene belasting geheven op het houden van honden.
Artikel-2.
De belasting bedraagt Twee Gulden en Vijftig Cent per Kalenderjaar voor elken hond.
Artikel-3.
De belasting is verschuldigd door hen, die in de gemeente hun hoofdverblijf hebben of er drie maanden van het jaar verblijven, schippers op hunne schepen uitgezonderd, voor zoover zij in de gemeente een hond of honden houden.
Het hoofd van het gezin is aansprakelijk voor de belasting der honden aan een der leden van het gezin toebehoorende.
Artikel-4.
Het belastingbedrag in Artikel 2 genoemd, wordt tot Een Gulden en Vijftig Cent teruggebracht voor honden, gehouden uitsluitend ten dienste van den Landbouw, eenig bedrijf met Nijverheid of ter Bewaking van Gebouwen of Erven.
Artikel-5.
Teruggave of afschrijving van belasting uit hoofde dezer Verordening verschuldigd, is uitgesloten.
Artikel-6.
Voor een hond, waarvoor de belasting, blijkens aanteekening in het register van den gemeente-ontvanger, door den vorigen houder reeds is betaald, is in hetzelfde belastingjaar niet opnieuw belasting door den nieuwen houder verschuldigd.
Artikel-7.
Met het in werking treden dezer Verordening vervallen alle bestaande Verordeningen op de heffing eener belasting op honden in deze gemeente.

Aldus vastgesteld door den Raad der gemeente Nieuwleusen in zijne vergadering van den zesden Februari 1900-en Zeventien.

                                                De Voorzitter,
                                                   J. P.  B A C K X.

                                                De Wethouder,
                                                   H.  B O U W M A N.

Behoort bij Koninklijk besluit van 4 April 1917, No. 53.
       Mij bekend, De Minister van Staat,
       Minister van Binnenlandsche Zaken,

Voor den Minister, De Secretaris-Generaal,
                                                   (get.) J.B.Kan.
       Overeenkomstig het oorspronkelijke,

       De Secretaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken,
                                                   (get.)J.B.Kan.
       Voor eensluidend afschrift,

       De Secretaris-Generaal van Binnenlandsche Zaken,
                                                   (get.) J.B.Kan.

       Voor copie conform
       De Griffier der Staten van Overijssel,
            (get.)Henri van Groenendael.

       Voor eensluidend afschrift,
            De secretaris, J.P.Backx.

* * *

KLEINE GEDICHTEN _________________________________________________________

Mr. Hieronymus van Alphen

Onder de titel "Kleine gedichten voor kinderen" verscheen in 1778 een bundeltje dat geschreven was door Mr. Hieronymus van Alphen.

Uit dit beroemd geworden boekje kennen hele generaties gedichtjes uit het hoofd. In de loop der tijd verschenen er regelmatig herdrukken. "Ni'jluusn van vrogger" is in het bezit van een druk die in 1850 bij J. G. van Terveen en Zoon te Utrecht verscheen.
Uit het boekje nemen we een aantal korte dichtwerkjes over, onder andere "De Pruimenboom", waarvan bijna iedereen de eerste regels wel kent. De versjes zijn stuk voor stuk erg opvoedend en moeten in hun tijd geplaatst worden.
Tegenwoordig doen ze erg ouderwets aan, alhoewel de inhoud van alle tijden is.
De spelling is aangepast aan de huidige eisen.

De pruimenboom.

Jantje zag eens pruimen hangen,
    o! als eieren zo groot.
't Scheen dat Jantje wou gaan plukken,
    schoon zijn vader 't hem verbood.
Hier is, zei hij, noch mijn vader,
    noch de tuinman, die het ziet;
Aan een boom, zo vol geladen,
    mist men vijf zes pruimen niet.
Maar ik wil gehoorzaam wezen,
    en niet plukken; ik loop heen.
Zou ik om een handvol pruimen,
    ongehoorzaam wezen? Neen.
Voort ging Jantje: maar zijn vader,
    die hem stil beluisterd had,
Kwam hem in het lopen tegen,
    vooraan op het middenpad.
Kom mijn Jantje! zei de vader,
    kom mijn kleine hartedief!
Nu zal ik u pruimen plukken;
    nu heeft vader Jantje lief.
Daarop ging papa aan 't schudden,
    Jantje raapte schielijk op;
Jantje kreeg zijn hoed vol pruimen,
    en liep heen op een galop.

De onbedachtzaamheid.

Zie Keesje! deze dode mug
Vloog nog zo even blij en vlug;
Maar 't is door onbedachtzaamheid,
Dat zij nu dood op tafel leit.

Zij had in 't kaarslicht zulk een zin,
En vloog er onvoorzichtig in.
Nu ligt zij daar; maar 't is te laat;
Er is voor 't mugje nu geen raad.
Zij werd bedrogen door de schijn.
O! laat ons dit tot lering zijn,
Dat, eer men iets gewichtigs doet,
Men zich wat lang bedenken moet.
Eén uur van onbedachtzaamheid,
Kan maken dat men weken schreit.

De gezondheid.

Gezondheid is een grote schat,
    Om vergenoegd te leven.
Ofschoon ik grote rijkdom had,
    Wat voordeel zou het geven,
Zo ik, doorknaagd van angst en pijn,
    Mij zelf tot een last moest zijn?

Maar zou ik dan mijns vaders raad
    Niet ijverig betrachten?
En gulzigheid en overdaad
    Niet mijden en verachten?
Die nooit genoeg heeft voor zijn' mond,
    Leeft zelden vrolijk en gezond.

De perzik.

Die perzik gaf mijn vader mij,
        Omdat ik vlijtig leer.
Nu eet ik vergenoegd en blij.
        Die perzik smaakt naar meer.
De vrolijkheid past aan de jeugd
        Die leerzaam zich betoont.
De naarstigheid, die kinderdeugd,
        Wordt altoos wel beloond.

Het geduld.

Geduld is zulk een schoone zaak
Om in een moeielijke taak
        Zijn oogwit uittevoeren;
Dit zag ik laatst in onze kat,
Die uren lang gedoken zat,
        Om op een rat te loeren.
Zij ging niet heen voor zij de rat,
Gevangen, in haar klauwen had.

* * *

GRONDAANKOOP BEGRAAFPLAATS _________________________________________________________

Hoe Nieuwleusen stukje bij beetje is veranderd tot hoe het er nu uit ziet, kunnen we terug vinden door oude notulen, akten en verslagen door te lezen, te ontcijferen en te combineren met informatie die we op andere plaatsen tegen komen.
Zo blijkt uit de notulen van de kerkeraadsvergaderingen van de Nederlands Hervormde Kerk (no. 180) dat de gemeente in 1866 de grond heeft gekocht waar zich nu "de oude begraafplaats" bevindt en in 1867 de grond voor een dokterswoning.
Op de plaats van de dokterswoning is in 1878 een burgemeesterswoning met gemeentehuis gebouwd. De dokterswoning kwam aan de overkant van de straat. Toen daar in 1931 ook het nieuwe gemeentehuis kwam bleef alleen de burgemeesterswoning over. Dat is ondertussen ook alweer verleden tijd, dat wil zeggen de woning bestaat nog maar doet geen dienst meer als woonstede voor de eerste burger van de gemeente.

UIT DE NOTULEN:

17 augustus 1865.
De voorzitter deelt de vergadering mee dat er een mondeling verzoek - dat als officieel dient te worden beschouwd - van de raad dezer gemeente is gedaan. Dit verzoek hield in het stuk land waarop het zogenaamd Armenhuis staat te mogen kopen, teneinde dit in te richten voor de begraafplaats van de gemeente. (Het Armenhuis was eigendom van de diaconie van de Hervormde Kerk.) In deze vergadering stemden 3 tegen verkoop en 3 stemden voor. Besloten wordt er nogmaals over te vergaderen.
8 oktober 1865.
Er wordt besloten het verzoek van de gemeente voor onbepaalde tijd uit te stellen.
13 december 1865.
Met algemene stemmen wordt besloten de gemeenteraad aan te bieden niet het hele stuk, maar de helft te (ver)kopen. Het er op staande huis wil men verkleinen en opknappen. De predikant zal deze boodschap naar de raad brengen.
17 januari 1866.
De vergadering wordt meegedeeld dat de raad dezer gemeente er "genoegen in neemt" om de helft van een stuk grond - aan de diaconie toebehorende - over te nemen. H. Eshuis krijgt opdracht de prijs te bepalen.
2 april 1866.
Iedereen is akkoord met de taxatie van f 1200.= per bunder. (Een "bunder" is de oude benaming voor een hectare.)
5 juni 1866.
Er wordt nog met algemene stemmen besloten om daarbij ook af te staan: twee wegen, één aan de westkant en één aan de oostkant van genoemd stuk land. Op verzoek van de gemeenteraad wordt tevens afgestaan de brug over de dijksloot (daarmee wordt de zuidelijke sloot langs het huidige Westeinde bedoeld, ook bekend als de Buitendijksloot), onder voorwaarde dat die op kosten van de gemeente verlegd zal worden.
29 januari 1867.
Ingekomen een verzoek om de voorste helft van dat stuk land, waarop op het achterste gedeelte de begraafplaats is, en hetwelk aan de diaconie alhier toebehoort, te mogen kopen, om aldaar een woning voor een "doctor" te bouwen.
Er blijkt een huis op te staan dat bewoond is. Men is niet erg "happig", maar wil ook wel graag een "doctor" hebben.

Tot en met de notulen van 8 december 1868 is bij het verder doorlezen niets meer over dit onderwerp gevonden, dus geen besluit over koop of verkoop. Of de grond voor de dokterswoning inderdaad in 1867 is verworven moeten we dus nog ergens anders uit zien op te maken.

Nog even een toelichting op de notulen van 5 juni 1866.
Omdat de achterste helft van het perceel verkocht werd, was het nodig een weg naar dat stuk grond te krijgen. Men kon kiezen voor "het recht op overpad", dat wil zeggen de bezoekers voor de begraafplaats over het voorste perceel te laten gaan, of zoveel grond van dat perceel te verkopen dat een weg naar het achterste perceel door die nieuwe eigenaar kon worden aangelegd. Voor dat laatste werd gekozen.
Er werd bovendien voor twee wegen gekozen omdat met paard en wagen(s) werd begraven en de stoet via de ene kant naar de begraafplaats reed en (zonder draaien en opstoppingen) over de andere kant weer weg kon rijden.

* * *

DE SCHAOPEN VAN DE OLDE SCHEPER _________________________________________________________

Net zoas alle dagen leup de olde scheper ok now met zien schaopies in 't grote heideveld. In de verte zag hi'j der opiens iene ankomen lopen. Toen de kerel vlak bi'j hum was, zee hi'j: "Dag scheper mit oen honderd schaopen."
De olde scheper, die arg loos was, zee toen: "Ik heb der gien honderd. As ik iens zoveule schaopen had en nog half zoveule en nog een kwart zoveule en dan nog iene, dan heb ik der op de kop of honderd."
Hoeveule schaopen had de olde scheper?

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXV _________________________________________________________

De groepsfoto van deze keer is in 1936 genomen van de Christelijke school Den Hulst. Weet u één van de ontbrekende namen, laat het dan even weten.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  

Wibo Meijer
Frits Meijer
Piet Weenink
Bennie Weenink
Jan Jonker
Willem Mijnheer
Henk Knol
Jan Schoemaker
meester Van de Kamp
Alie Weenink
Hennie Mijnheer
Hennie de Jonge
Margje Talen
Aaltje Belt
Tinie Meijer
Klaasje Mulder
juffrouw Van Dijk

18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  

juffrouw Van de Berg
meester Kist
Lubbigje Talen
Gerda Weenink
Mina Hekman
Greta van Marle
Mina Wennemers
Aaltje Krale
Lydia Jonkers
Titia Meijer
Chris Meijer
Hendrik Mulder
Hoofdmeester Meijer
Hennie Burger
Geesje Kappert
Roelof Belt
Nelis Boers

35  
36  
37  
 
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  

Roelof Bloemhof
Harrie Meijer
Margje Timmerman (Koopdochter)
Jantje Visscher
Margje Timmerman
Grietje Pierik
Annie de Jonge
Iemke Bangma
Gerrit Jan Pierik
Klaas van Duren
Gerrit Regterschot
Hendrikus Bloemhof
Johan Geerts
Jans Meijerink
Pier Bangma
Ulke Bangma

* * *

EEN SFEERVOL BOERENERF _________________________________________________________

Vorig jaar ontvingen we een aantal tekeningen gemaakt op het erf van een oud boerderijtje. Op deze bladzijden nemen we er een drietal van op. De sfeer van serene rust straalt er van af en je zou bijna willen dat het overal weer zo was.




* * *

DOMINEES IN EEN NIEUWE AMERIKAANSE NEDERZETTING _________________________________________________________

Adrian van Koevering
Vertaling K. Borgers

(Uit: The Life and Character of the Dutch Generation that settled in Western Michigan, door Adrian van Koevering.)
Dominee Seine Bolks werd geboren in Den Ham, provincie Overijssel in Nederland, op 30 april 1814. Hij was al vroeg wees. Op zestienjarige leeftijd werkte hij als schaapherder. Zijn belangstelling ging uit naar de godsdienst. Toen hij twintig was, werd hij hulpprediker bij de gemeente van Hellendoorn. Hij studeerde toen theologie in Ommen onder toezicht van Dominee Albertus van Raalte. Achttien maanden later werd hij gewijd als predikant van de afgescheiden kerk. Op 11 juli 1838 trouwde hij met Geertje Brouwer en op 16 juni 1894 stierf hij op de leeftijd van tachtig jaar als Emeritus predikant.
Dominee Bolks diende zijn gemeente van kolonisten in Michigan maar twee jaar, toen hij om destijds voor de hand liggende redenen zijn ambt neerlegde. Na 30 oktober 1850 verdween zijn naam uit de notulen van de classis. In de notulen van 1 september 1852 werd hij genoemd als predikant van de kerk te Grand Haven, een onderbreking van twee jaar dus. Het is duidelijk dat de zondige dienaar berouw had over zijn misstappen, biechtte en daarna opnieuw werd bevestigd als dienaar van het Woord in de Gereformeerde Kerk.

De gemeente Drenthe werd in de zomer van 1847 in het leven geroepen door de kolonisten van Drenthe, Michigan, maar was tot 1849 niet aangesloten bij de classis van Holland. Dominee Roelof Smit, gereformeerd predikant te Nieuwleusen van 1847 tot 1851, werd in 1851 aangesteld als hun predikant. In die tijd begonnen de moeilijkheden pas goed. Vanaf het begin was er wrijving maar die werd erger bij het vaststellen van een naam voor de gemeente. Er waren twee stromingen uit verschillende regio's in Nederland. Eén vanuit Staphorst in de provincie Overijssel en één uit de provincie Drenthe. De eersten die zich hier vestigden kwamen van Staphorst en noemden de plaats naar de gemeente van herkomst. Weinig later kwamen die uit Drenthe en stonden op de naam Drenthe, naar hun provincie. Tenslotte werd na hevige debatten op een gemeentevergadering door de gemeente gestemd en werd met een kleine meerderheid de naam Drenthe aangenomen. Hiermede werd de naam vastgesteld, doch het was niet het einde van de moeilijkheden.
Voorganger Roelof Smit, een man met weinig opleiding en geen diploma's, eigenzinnig en egoïstisch, kwam uit Rouveen provincie Overijssel. Het scheen dat hij behagen had in de moeilijkheden waardoor de gemeente werd verdeeld in twee elkaar bestrijdende partijen. Dit leidde tot een berisping voor hem door de classis van de Hervormde Kerk van Holland (Michigan). Hij scheidde zich af van de Hervormde Kerk en stichtte een onafhankelijke gemeente, bestaande uit gelijkgezinde volgelingen. Hiervan bleef hij voorganger tot zijn overlijden op 27 mei 1886. Daarna ging het aantal leden achteruit, waarna enkele onverdraagzame personen overbleven.
Op een gemeentevergadering, bijeengeroepen door de classis met het doel de eensgezindheid tussen de partijen te herstellen, werd de toestand nog verergerd. Toen dominee Smit volhield dat de geschilpunten een aangelegenheid vormden die in de gemeente moest worden bijgelegd en dat het classicale comité niet nodig en ongewenst was, werd hij door de voorzitter buiten de orde gesteld, daar het comité aanwezig was op verzoek van de gemeente. Hierop werd hij kwaad en beledigd, waarna, door zijn gebrek aan logica en waardigheid, zijn positie spoedig onhoudbaar werd. Zijn volgelingen werden woeste, zichzelf niet meer in de hand hebbende, op de kerkbanken trappelende, fluitende en joelende mensen, die de vergadering verstoorden. Dominee Smit stelde toen vast dat er voor hem geen plaats meer was in de Hervormde Kerk en schreef een kwetsende ontslagbrief, waarin hij alle relaties met het Kerkgenootschap verbrak. De vijandschap bleef vele jaren bestaan, tot lang nadat de eerste generatie die de taferelen had meegemaakt, was overleden.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 9 april 1918:
Zaterdag was in onze gemeente een beer met zijn geleider, tot groot vermaak der jeugd. De berenleider belde aan bij den burgemeester en wilde een broodkaart voor zijn beer, want zeide hij, de beer heeft in twee dagen drie broodkaarten noodig. De burgemeester vond het te dwaas dat een beer in twee dagen het brood opat, waarover de menschen tegenwoordig zes weken moeten doen en weigerde een kaart te verstrekken. De berenleider mopperde, met het gevolg, dat de burgemeester den man door de politie naar de gemeente Avereest liet brengen, waar men misschien berenbroodkaarten disponibel heeft.

Dedemsvaartsche Courant 29 november 1922:
Ged. Staten hebben ongegrond verklaard het beroep ingevolge art. 13 der O. L. Wet van den heer P. L. Baltus alhier om een vergoeding van f 200,= voor een tegemoetkoming in de kosten van het onderwijs van zijn dochtertje wegens het bezoeken van een R.K. school te Slagharen.


Jaargang 12 nummer 2 juni 1994

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

In 1956 werd de huidige Backxlaan in Zuid helemaal op de schop genomen. Voor die tijd zag het er op dezelfde plaats uit zoals op de bladzijde hiernaast is te zien.

* * *

DE GEMEENTE GAAT VOORUIT _________________________________________________________

In de Dedemsvaartsche Courant uit 1956 staan een aantal artikelen over de vooruitgang van Nieuwleusen. In dat jaar moet er heel wat bedrijvigheid zijn geweest. Onderstaand laten wij deze artikelen volgen.

15 maart.
Verbetering Ommerdijk enz.
Bij de door de hoofdingenieur-directeur van de Prov. Waterstaat in Overijssel gehouden aanbesteding van het verbeteren van de aardebaan, het opbreken van de bestaande verharding, het aanbrengen van een nieuwe fundering met een deklaag van asfaltbeton en het maken van rioleringen, over een ongeveer 1,7 km. lang gedeelte van de Ommerdijk (gedeelte van de Kerkenhoek tot aan de grens van de Gemeenteweg in den Hulst), een en ander met het uitvoeren van daarbij behorende werken, was laagste inschrijver de firma C. Schagen te Zwolle met 237.735 gulden.


26 mei.
Opgeruimd.
Nu de nieuwe brugwachterswoning aan de Ommerdijk gereed is gekomen, is het oude huis afgebroken en een groot verkeersobstakel opgeruimd. Het uitzicht bij de brug is thans goed en een hele verbetering op dit punt.

16 juni.
Onderhands aanbesteed.
Door de heer E. Vonder werd onderhands aanbesteed het verbouwen van zijn café aan de aannemer A. Tempelman, alhier. Met deze verbouwing zal het hotel weer een belangrijke vergroting en verbetering ondergaan.

20 oktober.
Nieuwleusen (nu Nieuwleusen-zuid).
Onze plaats mag zich verheugen in een gestadige groei op velerlei gebied. Niet alleen zijn vrijwel alle zandwegen verhard, doch er wordt ook flink gebouwd, wat de woonruimte betreft.
Deze uitbreiding heeft tot gevolg dat er een opgewekt zakenleven bestaat. Een geheel nieuwe winkelbuurt is in aanbouw en belooft heel wat te worden. Zo is momenteel aan de Wolter Nijboerstraat in aanbouw (bijna gereed) een mooie slagerswinkel, de eerste in onze plaats. Verder bestaan er plannen om een galanteriewinkel te bouwen en opent de heer H. Willems zaterdagmorgen een geheel hypermodern ingerichte zaak in manufacturen, dames- en herenkleding, waaraan ook een z.g. kousenautomaat wordt verbonden.
Deze automaat is naar wij vernamen de eerste en enige in verre omgeving en zal straks voor onze dames een groot gemak zijn.
Wij komen op de opening van deze zaak, die door burgemeester Hoekstra zal geschieden nog nader terug.

15 november.
Melden wij enige tijd geleden dat Nieuwleusen vooruitging, thans kunnen wij mededelen dat ook Den Hulst niet achter blijft.
Ook hier wordt door zakenmensen aangevoeld dat uitbreiding en modernisering in de tegenwoordige tijd niet achterwege mag blijven, wil men meekomen. Zo zal binnenkort de zaak van de heer A. Mijnheer (Sparwinkel) welke een grote verandering heeft ondergaan, worden geopend. Ook de heer Klosse is bezig zijn zaak te vergroten, terwijl in het nieuwe gedeelte aan de Baron van Dedemstraat voor rekening van de heer H. Bijker een geheel nieuwe winkel en woonhuis in aanbouw is.
Verder vernamen wij dat wat woningbouw betreft, grote plannen bestaan, terwijl ook in 't uitbreidingsplan t.z.t. een nieuwe openbare school, een kleuterschool en vrij zeker hier ook de nieuwe Hervormde Kerk zal verrijzen en moeten er plannen zijn voor een dorpshuis.


De Baron Van Dedemstraat met rechts de winkel van H. Bijker.


Slagerij Massier in de Wolter Nijboerstraat.

20 november.
Een eigen slagerij in het dorp (Nieuwleusen).
Donderdagmiddag had hier het historische feit plaats dat onze plaats een eigen slagerij heeft gekregen en wel aan de Wolter Nijboerstraat, waar voor rekening van de heer A. Massier een geheel naar de eisen des tijds ingericht bedrijf is verrezen. Burgemeester Hoekstra verrichtte de openingsplechtigheid, nadat het zoontje Gerrit de sleutel had overhandigd. De heer Hoekstra roemde het initiatief van de heer Massier en was blij met de vooruitgang van Nieuwleusen, die door vestiging van zaken tot uitdrukking komt en wenste de familie Massier succes toe. Het was gezellig druk en bloemen en geschenken werden aangeboden.
Vrijdagmorgen werd door burgemeester Hoekstra, die ook thans in gezelschap was van de wethouders, de gemeentesecretaris, de heer G. H. Krol en de heer R.J. Klijn, de geheel gemoderniseerde winkel voor de heer Alb. Mijnheer (Sparwinkel) aan de Ommerdijk te Den Hulst heropend.
Nadat de kleinzoon Bertij de sleutel had overhandigd, hield de heer Hoekstra een korte rede, waarna de zaak werd bezichtigd. Ook deze zaak mag gezien worden en is een grote aanwinst voor deze streek.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 9 januari 1935:
Naar we vernemen is door B en W onzer gemeente thans aan de bewoners der aansluitbare perceelen een schrijven gezonden met de waarschuwing voor 15 dezer tot aansluiting aan het waterleidingnet te besluiten, daar anders onherroepelijk proces-verbaal zal worden opgemaakt. Naar we vernemen staat een en ander in verband met een verzoek van de Waterleidingmaatschappij. De tarieven zijn inmiddels verlaagd, en er wordt verwacht, zoo allen zich aansluiten, dat zeer binnenkort een verdere verlaging der tarieven niet is uitgesloten.

Dedemsvaartsche Courant van 15 augustus 1936:
Waar blijft het zwembad?
Voor een paar jaar bestonden te Den Hulst ernstige plannen een zwembad te maken achter de Zuivelfabriek aldaar. Deze plannen zijn toen niet tot uitvoering gebracht. Vorig jaar werd de zaak ernstig in den Raad onzer gemeente besproken en nu is de zomer al weer bijna voorbij en nog steeds moeten de zwemmers zich behelpen met zwemmen in het Staphorstergat of in de Dedemsvaart. Vooral het Staphorstergat is niet geheel van gevaar van besmetting ontbloot.
Wie pakt de oprichting van een deugdelijke zweminrichting nu eens ernstig op? Hij zal hiermede een zeer goed werk verrichten, dat voor de werkloozen uit onze gemeente een productief werkobject zou zijn.

* * *

BENOEMINGSPROCEDURE VAN EEN ONDERWIJZER IN 1771 _________________________________________________________

Het is 223 jaar geleden dat een benoemingsprocedure rond een nieuwe onderwijzer in Nieuwleusen plaats vond. Opmerkelijk is het hoe goed de zaken toen al geregeld werden. We kunnen lezen op welke manier er voor de "oudedagsvoorziening" van de vertrekkende onderwijzer werd gezorgd, hoe de rechten van de nieuwe onderwijzer werden vastgelegd en hoe de "werkgevers" de mogelijkheid voor ontslag bij slecht gedrag vastlegden.
Verder is het opvallend hoe democratisch de benoeming tot stand kwam, te oordelen naar het aantal handtekeningen onder de benoemingsbrief, en hoe de bekwaamheid ook toen al door examens getoetst werd. Tenslotte is de verhouding tussen gemeente en provincie in betaling en benoeming terug te lezen.

Eerst wordt de oorspronkelijke tekst weergegeven zodat u mee kunt genieten van de taal uit die tijd, en daarna is een "vertaling" gegeven, omdat veel woorden niet meer, of niet meer in dezelfde betekenis worden gebruikt.

Links boven op de brief die Berend Roelofs aan de drost van Salland stuurde, teneinde zijn benoeming als schoolmeester bevestigd te krijgen, staat de volgende aantekening:

't Verzoek ter Requeste gedaan, werd geaccordeerd en evenvolgens de beroepinge door mij LandDrost geapprobeert.
Zwol. d. 14 Dec. 1771..,., SLOOT. (handtekening)

't Verzoekschrift werd ingewilligd en daarmee werd de benoeming door mij, de Landdrost goedgekeurd.

Hieronder volgt de brief.

Hoog welgebr. Gestr. Heer
Baron Sloot
Heer van twee Nijenhuizen
Drost van Salland enz., enz., enz.

Berent Roelofs vertoont aan UW Hoog Welgebr. Gestr. met alle vereischte Eerbied hoe hij als adjunct schoolmeester en voorzanger op Nieuwleussen aangesteld sijnde, als uit de beroepinge hier anex te sijn is.
Ook hoe hij op den 22 Augustus laatstleden door de deputaties van de Classis van Zwol geexamineerd en bevonden is wel onderligt te sijn, in de gronden van onzen hervormden Godsdienst als uit bijgevoegde attestatie kan blijken.
So is 't dat suppliant agtereenvolgens resolutie van hun Edele Mog. Gedeputeerde Staten der provincie sig tot UW Hoog Welgebr. Gestr. wendt ootmoedigst versoekende UW Hoog Welgebr. Gestr. sijne aanstellinge tot voorgemelde ampten met desselfs goedkeuringe gunstiglijk believen te bevestigen.
't welk doende
Beerend Roelofs.

Berend Roelofs Laat hierbij, met alle vereiste eerbied aan u, hoog welgeboren heer, zien hoe hij als adjunct schoolmeester en voorzanger op Nieuwleusen is aangesteld, zoals uit de hier bijgevoegde benoeming blijkt.
Ook hoe hij op 22 augustus jongstleden door een deputatie van de classis Zwolle is overhoord, waarbij men vond dat hij voldoende was opgeleid in de beginselen van de Hervormde godsdienst, zoals uit bijgevoegd getuigschrift blijkt.
Overeenkomstig de door uw college van Gedeputeerde Staten voorgeschreven resolutie wendt de plaatsvervanger zich met de meeste ootmoed tot u, met het verzoek, zijn aanstelling tot beide bovengenoemde ambten goed te keuren en gunstig te bevestigen.
Hoogachtend,
Berend Roelofs.


De tekst van het bijgevoegde getuigschrift en de benoeming luidt als volgt:

HET GETUIGSCHRIFT.

L.S.
Dat Berent Roelofs, aangestelde Adjunct-Schoolmeester te Nieuwleusen, van mij ondergeschreve Deputatus van de Classis van Zwoll geexamineerd en bevonden is wel onderlegt te zijn in de gronden van onzen hervormden godsdienst.
Attestatie mits dezes
          G. Bruinier
          V:D:M.
Yhorst Den 22 Augustus
          1771.

Hierbij verklaar ik dat Berend Roelofs, benoemd als adjunct schoolmeester te Nieuwleusen, door mij ondergetekende, als afgevaardigde van de classis Zwolle is geëxamineerd en voldoende bevonden in de kennis van onze Hervormde godsdienst.

DE AKTE VAN DE BENOEMING.

Also de E. Kerkenraad, en verdere Leden des Gemeinte van Nieuwleusen, allene geregtigden tot 't verkiesen en aanstellen van een Custor en Schoolmeester van opgemelte Gemeinte, getuigen,
na genoegsame genomen informatie, versekert geworden sijn van 't goed gedrag en de volle bequaamheid tot 't waarnemen van dien dienst, van de Persoon van Berent Roelofs, en daar benevens geconsidereert hebbende de opgaande Jaren van den tegenswoordigen Custor en Schoolmeester van Nieuwleusen Anthonius Stolte, betuigen om die redenen en om in tijds te sorgen dat de so noodsakelijke bedieninge allesins van een bequaam Persoon verszorgt worde, en op 't Versoek van bovengemelte Custor en Schoolmeester Anthonius Stolte, geresolveert te sijn, om tot derselves adjunct Custor en Schoolmeester van Nieuwleusen te verkiesen, beroepen en aan te stellen, sulks doende kracht en bij desen den opgemelte Persoon Berent Roelofs geboortig Van de Sluis, so en met dien verstande dat den selven geduirende het leven van welgemte. Anthonius Stolte, als sijn adjunct Custor, Voorsanger en Schoolmeester van Nieuwleusen sal fungeren en na de dode van de laatstgemelde die plaats als effective Custor en Schoolmeester sal bekleden en genieten.
Ontfangende als dan sodanen tractament als door Haar Ed. Mogende daartoe ingewilligt is, mitsgaders alsulken Schoolgeld als door dese gemeinte van Nieuwleusen daar toe vastgesteld sij: mits sig in desen dienst als anderszins gedragende volgens de ingestelde ordeningen en so als 't behoort.
Hebbende meergemelte Custor en Schoolmeester Anthonius Stolte aangenomen, sulks doende alnog door sijne ondertekeninge deses, om aan voorgemelde adjunct Berent Roelofs af te rekenen van dat desen geseiden adjunct dienst bekleet en waarneemt, Jaarlijks te willen uijtkeren ene somma van Vijftigh Car. Guldens, so egter dat als de laetst gemelde onverhooptelijk voor hem, Custor Stolte kwame te overlijden, sulks an niemant anders verpligt sij, maar sijn tractament en Schoolgeld als tot nu toe ten vollen voor sig behoud mits dat dan ook gemelte Cosster Stolte sijn ampt of door sig selfs of door een ander behoorlijk doet waarnemen.
Des 't oorkonde en ter bekragtiging van 't vorenstaande is desen door de Beroepers, als mede door meergemelte Custor A. Stolte en voor so veel nodig door de beroepene adjunct getekent.

Actum (Gedaan) - Nieuwleusen den 12 Augustus 1771.
Jan Arent Palthe, Predicant
Klaas Hermens, Ouderlyng
Peter Coobs,
Jan Engberts, Dijaken
Albert Jans
Klaas Hendriks
Peter Hendriks
Dit is het handmerk X van Evert Harms
Dit is het handmerk X van Hendrik Hendriks
Dit is het handmerk X van Arent Jans
Dit is het handmerk X van Berent Arents



Dit is het handmerk C van Gerrit Jans
Dit is het handmerk J van Jan Jacobs
Dit is het handmerk III van Gerrit Hendriks
Dit is het handmerk X van Hilbert Harms
Dit is het handmerk X van Hermen Geerts
Dit is het handmerk X van Hendrik Derks
Dit is het handmerk X van Jacob Coobs
Dit is het handmerk X van Willem Hendriks
Peeter Geers
Klaas Evers
Koop Thijs
Hendrik Gerrits
Jan Theunijs
Berent Derks
Berent Jans
Peeter Peters
Gosen Derks
Jan Thijs
Willem Gerres
Dit is het handmerk X van Jan Willems
Klaas Hendriks
Anthonij Stolte, Coster
Beerend Roelofs, Adjonkt Coster

De kerkeraad en verdere Leden der gemeente Nieuwleusen, die allen zijn gerechtigd tot het kiezen en aanstellen van een koster en schoolmeester, getuigen, na voldoende informatie te hebben gekregen, dat ze overtuigd zijn van het goede gedrag en de vollediqe geschiktheid voor het uitoefenen van de baan door de persoon van Berend Roelofs en daarbij het ouder worden van de tegenwoordige koster en schoolmeester van Nieuwleusen Antonius Stolte welwillend hebben betrokken en daarom en om op tijd te zorgen dat zo'n belangrijke vacature in alle opzichten door een bekwaam persoon wordt opgevuld, ontstaan na het verzoek van bovengenoemde koster en schoolmeester Anthonius Stolte ontheven te worden uit zijn functie, om een nieuwe koster en schoolmeester van Nieuwleusen te kiezen, te benoemen en aan te stellen en wel door benoeming van bovengenoemde Berend Roelofs uit Zwartsluis, met dien verstande dat deze gedurende het leven van Anthonius Stolte als diens adjunct koster, voorzanger en schoolmeester zal fungeren en na de dood van laatstgenoemde daadwerkelijk de plaats van koster en schoolmeester zal bekleden.
Dan zal hij een salaris ontvangen zoals door de Hoogmogende Heren is vastgesteld, evenals het schoolgeld dat is vastgesteld door de gemeente van Nieuwleusen, tenzij zijn gedrag in deze betrekking afwijkt van de vastgestelde regels en anders is dan het behoort.
Anthonius Stolte heeft zich bereid verklaard, door ondertekening van dit stuk, om Berend Roelofs jaarlijks een bedrag van ƒ 50.-- te betalen voor de dienst die genoemde adjunct bekleedt en waarneemt.
Mocht laatstgenoemde onverhoopt eerder komen te overlijden dan koster Stolte, dan is deze laatste aan niemand anders iets verplicht en kan hij zijn salaris en schoolgeld zoals tot nu toe volledig behouden, mits hij zijn ambt zelf waarneemt of door iemand anders naar behoren laat waarnemen.
Ter getuigenverklaring en ter bekrachtiging van 't voorgaande is deze akte door de benoemers, evenals door de koster en, voor zover nodig, door de benoemde adjunct getekend.


Voor de lezer van nu is het nog wel aardig te weten dat Berend Roelofs de schoonzoon was van Anthonie Stol te.
Bovendien lazen we in de doopboeken dat de kinderen van Bartha Stolte en Berend Roelofs de naam Stolte kregen. "Den 17 Mey 1772: Het Soontje van Berent Roelofs, Schoolmeester alhier, en Barta Stolte, gen. Jan Willem Stolte. Den 21 Nov. 1773: Het dogtertjen van Berent Roelofs en Bartjen Stolte, gen. Janna. Den 11 Oct 1775: Het soontjen van Berent Roelofs, Coster en Schoolmeester, en Bartjen Stolte gen. Bartelt Willem."
Dus toen gebeurde al, wat de wet nu ook toestaat; nl. dat de ouders zelf bepalen of ze de familienaam van vaders- of moederskant aan hun kinderen geven.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXVI _________________________________________________________

Op 8 september 1931 werd deze groepsfoto gemaakt van de Openbare Lagere School D op de Meele.



1  
2  
3  
 
4  
 
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  

Janna Jonkers
Stijntje Vonder
Hendrik Jan van der Kolk
Jan Willem van der Kolk
Jansje Ekkelenkamp
meester Van Rooselaar
meester Ilmer
Jennigje Jonkers
Siem Vonder
Gerrit Ekkelenkamp
Mans Rozeboom
Dinie Kappert
Derkje Mulder

14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
 

juffrouw Banda
Geertje Kleen
Klaasje Kleen
Karel Hilma
Nico Verwer
Hendrik Kappert
Dinie Verwer
Jentje Paasman
Sybe Kleen
Lammigje Dekker
Geertje Dekker
Jantje van Holten
? Verwer
August Verwer

28  
29  
30  
31  
32  
33  
 
34  
 
35  
 
36  
37  
38  
 

Janna Luttels
Hendrik Luttels
Hendrina ter Horst
Harm van Lenthe
Hendrik Prins
Berend Jan van der Vegte
Hendrik Jan van der Vegte
Hendrik Kijk in de Vegte
Jan Luttels
Klaas Wink
Klaas Kuterman

* * *

WAAR EEN KLEINE GRAFSTEEN TOE KAN LEIDEN.... _________________________________________________________

J. Goorden
A. Schoemaker-Ytsma

Bij de inventarisatie van de Oude Begraafplaats kwamen we de grafsteen van een dertienjarig meisje tegen. Allerlei vragen rezen bij ons. De steen vermeldt alleen haar naam en leeftijd en de namen van haar ouders. In het archief vonden we haar geboorte- en overlijdensdatum. De namen van haar twee broers en haar zusje waren toen ook snel bij ons bekend. De stenen van haar ouders en oudste broer staan aan de andere kant van het middenpad. Van haar andere broer en haar zusje is geen tastbare herinnering op de Oude Begraafplaats aanwezig.
Van dit meisje, genaamd Niesje Massier, en haar familie kunnen wij u het nu volgende overzicht laten zien:

Jan Massier
geb 02-04-1821 te Meppel
ovl 25-03-1875 te Nieuwleusen
        Femmigje Kluin
        geb. 25-10-1822 te Meppel
        ovl 08-10-1912 te Nieuwleusen
                - Gerrit
                 geb 21-07-1845 te Meppel
                 ovl 15-07-1901 te Nieuwleusen
                - Hendrikje
                 geb 20-08-1847 te Meppel
                 ovl 13-02-1869 te Nieuwleusen
                - Lucas
                geb 25-01-1850
                ovl 15-06-1852
                - Niesje
                geb 09-07-1855
                ovl 10-10-1868


Jan Massier was molenaar in Meppel en verhuisde tussen tussen 1847 en 1850 met zijn vrouw Femmigje en hun twee kinderen naar Nieuwleusen. Hier zet hij zijn beroep als molenaar voort.
De molen met woonhuis en boerderij stonden op de hoek Backxlaan/Molenpad (dat destijds noordelijker lag). Daar wordt in 1850 Lucas geboren. Op tweejarige leeftijd wordt hij door een molenwiek geraakt en overlijdt aan de gevolgen er van.
Drie jaar later wordt Niesje geboren, die Jan en Femmigje als 13-jarige al weer moeten missen. Hendrikje overlijdt, ongehuwd, als zij 21 jaar is. De oudste zoon Gerrit is bijna 56 jaar geworden. Over zijn leven vertellen wij u graag in een volgend kwartaalblad.
Vader Jan werkt tot zijn dood - een week voor zijn 54 verjaardag - op de molen. Na zijn overlijden zet Femmigje, samen met haar oudste zoon en zijn vrouw, de zaak voort. Zij was een hele goede zakenvrouw, die op twee weken na 90 jaar is geworden. Een respectabele leeftijd!

* * *

NEURINK _________________________________________________________

B. van Duren

De Neurinkweg is bij de meeste Nieuwleusenaren wel bekend. Deze weg heeft zijn naam te danken aan schoolmeester Derk Jan Neurink. Er wordt wel eens verteld dat Derk Jan Neurink de veldtocht van Napoleon heeft meegemaakt. Tijdens de terugtocht zijn velen door koude en ontbering in de sneeuw omgekomen. Dierbare bezittingen werden toen vaak aan kameraden meegegeven, met het verzoek die aan familie of bekenden over te dragen. Wat hier allemaal van waar is, ik zou u het antwoord niet kunnen geven.
Het nu volgende, gevonden in archiefstukken uit het Rijksarchief van Overijssel te Zwolle, berust wel op waarheid. Voor meerdere inwoners van Nieuwleusen en omgeving en ook van elders is het zeker interessant, omdat ze afstammen van Derk Jan Neurink.
Toen Derk Jan Neurink in 1818 huwde was Ruitenveen nog een deel van het toenmalige Zwollerkerspel. Nog in datzelfde jaar werd Nieuwleusen een zelfstandige gemeente en Ruitenveen ging ook hiertoe behoren.

In het trouwboek van Zwollerkerspel lezen we dat op 11 september 1818 Derk Jan Neurink, schoolonderwijzer, gedoopt 16-3-1788 te Hellendoorn, huwt met Marrigje Evenboer, gedoopt 2-12-1787 te Nieuwleusen, doende boerwerk.
Derk Jan werd door aanwijzing van het lot vrijgesteld van de militaire dienst. Wel is een soort signalement van hem opgemaakt:

lengte


aangezicht
voorhoofd
ogen
neus
mond
kin
haar
wenkbrauwen
merkbare tekenen

- 5 voet en 5 duim
(een Rijnlandse voet is 31,3 cm. en een duim is 2,6 cm.)
- langwerpig
- smal
- blauw
- lang
- ordinair (betekent: gewoon)
- rond
- bruin
- idem
- geen

Uit het huwelijk van Derk Jan en Marrigje werden de volgende kinderen geboren:
Zwollerkerspel:
2-12-1818 akte 122: Annigje; overleden 26-1-1876
Nieuwleusen:
11-4-1821 akte 17: Aaltjen, overleden 16-6-1857
26-3-1823 akte 11: Hendrik, overleden 5-6-1823
10-4-1824 akte 19: Hendrik, overleden 4-11-1865
27-9-1826 akte 35: Janna, overleden 12-7-1828
21-3-1829 akte 15: Jan, overleden 13-7-1859
20-10-1831 akte 25: Janna, overleden 29-1-1912.
Derk Jan overleed op 25 mei 1849 en Marrigje op 19 januari 1853. Van de kinderen huwde Annigje op 3 april 1841 met Koop Dijk; Aaltje op 4 mei 1843 met Hendrik Prins en Janna op 8 mei 1852 met Koop Bijker.

Uit het nu volgende zal blijken dat de naam Neurink nogal aan verandering onderhevig is en ook dat in vroeger dagen de achternaam van de moeder wel eens werd aangehouden.
De naam Neurdinck komt in de kerkboeken al voor in 1685, wanneer op 12 juni Jan Neurdinck, weduwnaar, huwt met Maria Berends, weduwe te Marle.
Verder staat nog vermeld: Gerrit Neurdinck, ouder van Jan Gerrits.

Op 11 mei 1771 trouwt Jan Hendrik jongeman van Wierden met Hendrika Wilmsen van Neurding te Marle.
Op 16 maart 1788 is gedoopt Derk Jan, zoontje van Jan Hendrik Jansen en Hendrika Wilmsen van Neurding te Marle.
De grootouders van moeders kant van Derk Jan waren Willem Egberts Neurding en Everdina Jansen, wonende te Marle en getrouwd op 27 september 1750.
Uit dit huwelijk werden geboren:
- op 19 augustus 1751 Hendrina, dochter van Willem Egberts en Everdina Jansen, wonende op ' t Noordink (de geboorte van Hendrina is vermeld in het doopboek van Den Ham. Deze plaats was in die dagen nog geen zelfstandige gemeente maar hoorde deels bij Hellendoorn)
- op 8 juni 1753 Maria;
- op 6 april 1755 Egberdina
- op 5 februari 1758 Janna
- op 22 februari 1760 Aaltje
- op 24 juli 1763 Egbert.

Op 24 juni 1801 is onderstaande memorie opgemaakt van Jan ten Caten, overleden op 9 mei 1801.
- Geven ondergetekenden, erfgenamen bij testamentaire sepositie benoemd, zijnde alle broeders en zusters kinderen bij dezer aanwezig teneinde aangave te doen
1. Het erve Smeenk, hieronder begrepen het land dat den Kemper in huur heeft.
2. Het erve Noordink.
3. Het erve Ulsens met de tienden uit dat erve.
4. De katerstede Bosbooms en een stuk hooiland bij Bosboom in huur bij Ulsens.

Almelo, 24 Juny 1801

Egbert Costers, voor mijn vrouw en voor mijn zuster Maria ten Cate, Johannes Costers, E. Stoffels voor J.J. ten Cate, Hendrik ten Cate.

De naam Neurdink stamt dus af van een boerderij uit Marle in de gemeente Hellendoorn. Vroeger was de naam erve Noordink. Neurink - Noordink, het klinkt nog helemaal niet zo vreemd!

Bij hun overlijden lieten Derk Jan Neurink en Margje Evenboer nogal wat goederen na aan hun erfgenamen. Onderstaand volgt de memorie van successie waarin een opsomming van de onroerende goederen wordt gegeven.
- Memorie van aangifte voor het recht van successie der nalatenschap van Margje Evenboer, weduwe van Derk Jan Neurink, overleden te Nieuwleusen den 19 September 1853.
De ondergetekenden;
1. Hendrik Neurink, zonder speciaal beroep,
2. Jan Neurink, onderwijzer der jeugd,
3. Annigje Neurink, echtgenote van Koop Dijk,
4. Aaltje Neurink, echtgenote van Hendrik Prins,
5. Janna Neurink, echtgenote van Koop Bijker,
deze laatsten van beroep landbouwers, wonende allen te Nieuwleusen en zijn de vrouwen ten dezen door hare respectievelijke ehemannen geassiteerd;
verklaren dat Margje Evenboer, weduwe van Derk Jan Neurink en moeder van hen, ondergetekenden, in leven zonder beroep, gewoond hebbende te Nieuwleusen, aldaar op de 19 September 1853 abintestato (zonder testament) is overleden, tot haar enige en algehele erfgenamen de ondergetekende achterlatende;
dat zij heeft nagelaten de onverdeelde helft in de navolgende onroerende goederen, alle gelegen onder de gemeente Nieuwleusen en op den kadastralen perceelsgewijze legger dier gemeente bekend onder sectie B, nummer
146 - hooiland, groot 9 bunder, 6 roeden, 50 ellen
751 - hooiland, groot 6 roeden, 8 ellen
669 - hooiland, groot 1 bunder, 20 roeden, 30 ellen
537 - heide, groot 92 roeden, 50 ellen
537a - bouwland, groot 51 roeden, 20 ellen
537b - bouwland, groot 91 roeden, 60 ellen
537c - tuin, groot 15 roeden
537d - huis en erf, groot 15 roeden, 30 ellen
538 - grasgrond, groot 28 roeden, 13 ellen
539 - huis en erf, groot 13 roeden, 60 ellen
540 - tuin, groot 7 roeden, 40 ellen
541 - heide, groot 49 roeden, 40 ellen
541a - weiland, groot 59 roeden, 70 ellen
542 - hakhout, groot 1 bunder, 52 roeden, 10 ellen
543 - weiland, groot 3 bunder, 43 roeden, 10 ellen
544 - bouwland, groot 2 bunder, 85 roeden
545 - bouwland, groot 43 roeden
546 - weiland, groot 15 roeden, 20 ellen
547 - huis en erf, groot 3 roeden, 40 ellen
548 - huis en erf, groot 2 roeden, 40 ellen
549 - tuin, groot 57 roeden, 80 ellen
550 - bos, groot 1 bunder, 75 roeden, 30 ellen>
551 - hakhout, groot 17 roeden, 20 ellen
552 - weiland, groot 1 bunder, 6 roeden, 90 ellen
553 - hakhout, groot 32 roeden, 20 ellen
554 - weiland, groot 87 roeden, 30 ellen
555 - hakhout, groot 41 roeden, 10 ellen
556 - hakhout, groot 79 roeden, 50 ellen
557 - bos, groot 5 roeden, 50 ellen
558 - weiland, groot 1 bunder, 87 roeden, 80 ellen
559 - hakhout, groot 4 roeden, 20 ellen
560 - weiland, groot 1 bunder, 16 roeden
561 - grasland, groot 35 roeden, 60 ellen
562 - vaart, groot 2 bunder, 38 roeden, 10 ellen
563 - bouwland, groot 5 bunder, 27 roeden, 10 ellen
564 - hakhout, groot 47 roeden, 6 ellen
Sectie A nummer
424 - plaggengrond, groot 1 bunder, 9 roeden, 60 ellen;
en verklaren ondergetekenden verders, dat door dit overlijden geen fidet-commis (erfstelling over de hand) is gedevolveerd (door versterf overgaan), noch vruchtgebruik vervallen.
Ter executie (uitvoering) dezes verklaren de ondergetekenden domicilie te kiezen ten sterfhuize van den overledene in de buurtschap Ruitenveen te Nieuwleusen.
Nieuwleusen, den 27 November 1853
H. Neurink, J. Neurink, Hendrik Prins, Aaltjen Neurink, Koop Bijker, J. Neurink, K. Dijk, Annegien Neurink.

In vorenstaande akte is sprake van bunders, roeden en ellen. Een bunder is een hectare, een roede is een are en een el is gelijk aan een centiare. Alles bij elkaar hadden de percelen een oppervlakte van 41 hectare, 69 are en 17 centiare.

* * *

GRONDAANKOOP _________________________________________________________

J. Goorden
A. Schoemaker-Ytsma

Als aanvulling op het artikel "Grondaankoop begraafplaats" in het vorige kwartaalblad, volgt hier nog een uittreksel uit de kerkeraadsnotulen van 28 augustus 1877, waarbij het perceel grond liggende voor de begraafplaats aan het Westeinde verkocht wordt aan de burgerlijke gemeente. Op deze plaats zal later de woning van de burgemeester worden gebouwd waarin tevens het gemeentehuis wordt gevestigd.

.. Nadat het burgerlijke gemeentebestuur alhier bij den kerkeraad alhier een verzoek ingediend had, om aan de burgerlijke gemeente te willen verkopen het huis en erf, toebehorende aan de Diaconie en gelegen voor de algemeene begraafplaats alhier en kadas (traal) bekend onder Sectie L N° 627, huis en erf groot O.22.80 en bouwland Sectie E N° 1900, groot 0.24.30 ellen, en wel voor de som van negenhonderd gulden en nadat het clas(sikaal) bestuur daartoe magtiging verleend had, is door den kerkeraad met het gemeentebestuur de verkoop afgesloten en bepaalt dat het kapitaal ten laste der burgerlijke gemeente zou blijven staan tegen eene rente van 4 % jaarlijks.

* * *

DE SCHAOPEN VAN DE OLDE SCHEPER _________________________________________________________

We zijn u nog de oplossing van dit puzzeltje in ons vorige kwartaalblad verschuldigd. Hopelijk heeft u er enig plezier aan beleefd.
De olde scheper zee: "Ik heb der gien honderd. As ik iens zoveule schaopen had en nog half zoveule en nog een kwart zoveule en dan nog iene, dan heb ik der op de kop of honderd."
Honderd minus één is 99. De grootste gemene deler is een kwart. Een half is twee keer een kwart en een heel dus vier keer. Met nog eens zoveel bedoelde de scheper twee keer een heel. Twee keer vier kwart plus twee kwart plus een kwart is totaal 11 kwart. Eén kwart is 99 gedeeld door 11 is 9. De koppel schapen is vier keer een kwart, dus vier keer 9 is 36.

* * *

AANVULLING NAMEN GROEPSFOTO XXV _________________________________________________________

Bij de groepsfoto van de Christelijke School te Den Hulst uit 1936, die in het kwartaalblad van maart 1994 werd gepubliceerd, ontbraken een aantal namen terwijl er ook enkele niet juist zijn. Wij kunnen u de volgende aanvulling geven.

Nummer 5 is Jan Jonker, een zoon van postbode Jonker; nummer 10 is Alie Weenink; nummer 15 is Tinie Meyer; nummer 21 is Gerda Weenink; nummer 27 is Tietie Meyer; nummer 28 is Chris Meyer; nummer 31 is Hennie Burger; nummer 32 is Geesje Kappert; nummer 36 is Harry Meyer; nummer 41 is Annie de Jonge; nummer 45 is Derk Regterschot en nummer 48 is Jans Jans Meyerink.
(Dit is gewijzigd bij de foto)


Jaargang 12 nummer 3 september 1994

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

Titelafbeelding uit het boek "Beschrijving van Overijssels watersnood in Februarij 1825".

* * *

DEN GEDUCHTEN WATERVLOED VAN 1825 _________________________________________________________

Hoewel Overijssel hoger gelegen was dan sommige andere provincies, had het van ouds her al verschillende keren van het water te lijden gehad. De vele kolken achter de dijken langs de rivieren en de Zuiderzee vormen daarvan het bewijs. Nadat de watermassa in 1776 voor het laatst voor grote overstromingen had gezorgd, bleef een nieuwe vloed uit tot 1825.
De maand oktober van het jaar 1824 volgde met aanhoudende stormen en regenbuien het mooie weer van de maanden daarvoor p. In heel Europa was zulks het geval. De waterstand in de Rijn rees tot grote hoogte en daardoor ook die van andere rivieren als IJssel en Zwartewater. De aanhoudend hoge waterstand doorweekte en verzwakte de dijken. Reeds op 14 oktober stak er een geweldige storm op, die veel bomen ontwortelde en schade toebracht aan daken en schoorstenen. Wellicht dankzij de geringe duur van de storm werd ernstige schade aan de dijken voorkomen.
Op 14 en 15 november teisterde een zware storm wederom ons land. In Zwolle steeg het water hoger dan tijdens de storm van 1776, toen ook al hele delen van de stad onder water stonden. De dijken van Vollenhove en Mastenbroek bleven gelukkig behouden, maar bij Kampen was een zware doorbraak. Ook de linker oeverdijk van de Vecht in de buurtschap Langenholte en die van de Nieuwe Wetering bij de Wipstrik in Zwolle bezweken, waardoor de buurtschappen Diese, Salné, Herfte, Berkum en Langenholte geheel of gedeeltelijk werden overstroomd. De hoge waterstand in Vecht en Wetering was er oorzaak van dat het land de hele winter onder water bleef. De volgende stormen in de tweede helft van november en in december waren minder gewelddadig. De hoge waterstand in de rivieren bleef echter aanhouden en in de genoemde buurtschappen zorgde het ondergelopen land voor veel ongemak.
De maand januari 1825 was boven verwachting gunstig. Er viel niet veel regen, het waterpeil daalde behoorlijk en de gevreesde vorst bleef uit, hetgeen gunstig was voor de rivierdijken. Eind januari was de waterstand behoorlijk gezakt. In Deventer stond het water op de eerste februari nog slechts een halve meter boven het normale peil. De gevaren leken geweken. Maar toen voltrok zich op vrijdag 4 februari een enorme ramp. Storm, regen en almaar stijgend water zorgden voor talloze doorbraken van de dijken langs de Zuiderzee en de rivieren. Tussen Zwartsluis en het Haarsterveer telde men naderhand alleen al niet minder dan veertien doorbraken. In totaal raakte een oppervlakte van 93.000 hectare land, ruim 25 procent van de totale oppervlakte van de provincie Overijssel, onder water.
Nadat de wind de volgende dag, zaterdag 5 februari, was gaan liggen, zakte het water in de daarop volgende dagen vrij spoedig. De laagst gelegen gebieden bleven voor een groot deel de hele maand en zelfs een groot deel van maart onder water staan.
De ramp bracht veel leed met zich mee. Er verdronken 305 mensen, 13.073 runderen, 525 paarden, 1.571 schapen, 1.058 varkens en 1.482 korven met bijen verdwenen in de watermassa. Het aantal weggespoelde gebouwen bedroeg 574 en daarnaast waren er nog 2.284 ernstig beschadigd. Deze aantallen zijn te lezen in een "Tafel van het getal verdronkene MENSCHEN, het omgekomene VEE en de weggespoelde, onbewoonbaar geworden en beschadigde GEBOUWEN, in de provincie OVERIJSSEL, door den geduchten WATERVLOED van den 4den en 5den Februarij 1825."
Deze tafel is opgenomen in een boek met de titel "Beschrijving van Overijssels watersnood in Februarij 1825", geschreven door J. ter Pelkwijk, lid van Gedeputeerde Staten van Overijssel. Hij liet zich daartoe overhalen nadat enkele dagen na de ramp werd besloten het voorgevallene op schrift te stellen en ten voordele van de "behoeftig gewordene inwoners" uit te geven. In het voorwoord schrijft Ter Pelkwijk onder andere: ".. Wiens hart krimpt niet van weemoed als hij leest, dat een zoon, die zijnen vader, zijne moeder en zes broeders en zusters had zien verdrinken, 19 uren op een klein hoopje hooi, op den buik en met de handen en voeten in het water liggende, op de onstuimige golven werd rondgevoerd, terwijl twee echtgenooten, na het verliezen van moeder en zuster, gedurende 48 uren op een dergelijk vlot aan dezelve waren overgegeven?"
Op de lijst van intekenaren die voorin het boek is opgenomen, komen we naast namen uit plaatsen in het gehele land, ook die tegen van A. Nijlant, notaris te Nieuwleusen.
Na bijna 170 jaar is het boek vrij zeldzaam geworden. Na de lijst van intekenaren, het voorwoord en een algemene beschrijving, wordt per plaats de situatie ten tijde van de ramp beschreven. Het gedeelte betrekking hebbend op Nieuwleusen nemen wij hieronder over.

In de gemeente Nieuwleusen hadden de landerijen, gedurende de drie laatste maanden van 1824 en Januarij 1825, wel onder water gestaan, uit hoofde der, door den hoogen stand der rivier de Vecht, belemmerende waterloozing; doch men had toen, door water noch stormen, iets geleden. Op Vrijdag den 4den Februarij 1825, des avonds te 8 uren, zagen de inwoners van het westelijke en laagste deel dezer gemeente hunne woningen door het water omringen, terwijl, het met zulk een geweld kwam aanstroomen en in de huizen dringen, dat zij terstond op redding van hun vee bedacht moesten zijn. Dit wilde velen niet gelukken, doordien het binnen een kwartier uurs zoodanig rees, dat er geen middel, was, de beesten, uit de meestal lage stallen, te redden, en de bewoners de vlugt naar de zolders en balken moesten nemen. De stroom kwam uit het noordwesten, van den kant van Rouveen en Zwartsluis, zoo als men terstond meende op te merken en naderhand bevestigd werd, dewijl de meeste aangespoelde goederen van die plaatsen waren gekomen. Het water bleef rijzen tot des nachts te 2 uren, wanneer het eenigszins begon te vallen; doch tegen den morgenstond van den 5den Februarij rees het weder iets. Daarna bleef het steeds vallende, zoo dat men des morgens van den 6den, langs den gewonen weg weder communicatie tusschen de huizen en met het overige der gemeente konde hebben. De landerijen bleven echter geïnundeerd, en werden eerst in het midden van maart geheel van water bevrijd.
Toen dezelve op het hoogste was, strekte zich de overstrooming uit over het gansche westelijke deel der gemeente, tot aan het erve van Berend de Boer, een klein kwartier uurs ten westen der Kerk van Nieuwleusen liggende. Op de laagste landerijen stond het water ter hoogte van 2.20 tot 2.50 en in de laagste huizen van 1.26 tot 1.41 el; waarbij men in het oog moet houden, dat de huizen zeer ongelijk van hoogte zijn, zoo dat sommige inwoners hun vee en alles behielden, terwijl hunne wederzijdsche buren al derzelver beesten in hunne woningen moesten zien verdrinken.
Menschen zijn in deze gemeente niet verongelukt.
Een huis is bijna geheel vernield en 9 andere zijn zeer beschadigd, terwijl het verdronkene vee bestaat in 249 runderen, 5 paarden, 494 schapen en 75 varkens. Hierdoor zijn onderscheidene ingezetenen in armoede gedompeld, welke, geen bouwland bezittende, geheel van de veefokkerij moeten bestaan, waarvan die der zwijnen een voornaam gedeelte uitmaakt; weshalve het verdrinken van zoo vele, waaronder wel 30 dragtige, eene zeer gevoelige schade heeft veroorzaakt.
Zeer aanzienlijk was de hoeveelheid van aangespoelde meubelen, turf, brand- en timmerhout, riet, enz. welke bij het afloopen des waters op de landerijen bleef liggen.

* * *

ADVERTENTIES UIT DE DEDEMSVAARTSCHE COURANT VAN 4 MAART 1939 _________________________________________________________


* * *

OVER DE BEWONERS VAN NIEUWLEUSEN IN DE LOOP DER TIJD _________________________________________________________

Er zijn nog steeds heel wat vragen over de beginjaren van Nieuwleusen, niet alleen over de eigenaren van de gronden, maar ook over de mensen die er woonden. Wie waren zij en waar kwamen zij vandaan? Wie zijn hun nakomelingen en vinden wij ze met hun naam terug? Inmiddels is er al heel wat boven tafel gekomen en daarom zal getracht worden op deze plaats enig licht op de geschiedenis te doen schijnen.
Dominee Van Bercum (Bercumensis) maakte een lijst van de huizen met hun bewoners, beginnende aan de oostkant van de gemeente. Het eerste huis waar we bij stil willen blijven staan, is nummer 8. Het lag ten oosten van de havezate Het Oosterveen, dat nummer 10 had.
Eigenaren van huis nummer 8 zijn in 1675 de erfgenamen van de Van Haersolte's. Niet duidelijk is hoelang zij dit huis in hun bezit hebben gehad. Maar in 1691 wordt de "drostinne" nog als eigenaresse vermeld.
Het huis heeft een bakoven en twee vuursteden, waarover vuurstedengeld betaald moest worden. De bewoners zijn Boele Coops en Femmechien Claasen. Niet bekend is waar zij vandaan kwamen. In 1675 werd geschreven dat Femmechien weduwe was. Boele en Femmechien hadden kinderen, hoeveel is niet duidelijk, maar in elk geval is een aantal van hen bekend.

1a 
 
 
1b 
 
 
1c 
 
1d 
 

 
 
 
 
 
2a 
 
 
 
 
2b 
 
2c 
 
 
 
 
 
 
 
 
2d 
2e 
 
 
 
 
 
 
 
 
 

 
 
 
3a 
3b 
3c 
3d 
 
3e 
 
3f 
3g 
3h 
3i 
 

 
4a 
 
 
4b 
4c 
 
4d 
 

 
 
 
5a 
 
 
5b 
 
5c 
5d 
5e 
 

Op 18 december 1664 wordt hun dochter Claessien gedoopt. Over haar vinden we in Nieuwleusen verder niets.
Geertien Boele huwt als jongedochter op 7 november 1669 met Claes Berends, jongeman op Nieuwleusen. Zij wonen eerst bij huis nummer 8 in.
Jantie Boele huwt op 27 februari 1670 met Pouwel Lubberts, jongeman van Genemuiden.
In elk geval is er één, die de naam Coop draagt. (volgt 2)

Coop Boele trouwt omstreeks 1685 met Geesien of Geeszjen Tijs. Zij werd gedoopt op 6 augustus 1665 als dochter van Thijs Jansen en Stijntien Alberts. Coop en Geesien kregen in elk geval vijf kinderen, maar omdat de doopboeken in die tijd slecht zijn bijgehouden, kunnen er wel meer kinderen zijn.
Stientien, gedoopt op 21 maart 1686. Zij trouwt op 12 oktober 1704 met Willem Jansen. Dit huwelijk heeft niet lang geduurd, want op 6 april 1711 hertrouwt zij als weduwe met Gerrit Jaspers, weduwnaar van Aeltien Herms in Den Hulst. Zij krijgen zes kinderen.
Negen jaar later wordt Mathias, ook wel Thijs, gedoopt op 31 maart 1695. (volgt 3)
2c Femmechien, gedoopt op 25 juli 1697. Op 17 april 1718 trouwt er een Femma Coobs, als jongedochter, met Klaas Jansen, jongeman. Als we naar de namen van hun kinderen kijken, lijkt zij niet tot deze familie te behoren. Een andere Femmechien Coops is evenwel niet te vinden.
Femma en Klaas krijgen twee kinderen, Evert in 1719 en Geertjen in 1720. Op 8 mei 1723 hertrouwt Klaas Jansen als weduwnaar met Hendrikjen Roelofs.
Hermen, gedoopt op 11 februari 1700;
Aeltjen, gedoopt op 29 oktober 1702. In 1739 treffen we twee keer een Aaltje Coobs aan die in dat jaar trouwen. Dat zou betekenen dat Aaltje al 41 jaar is als zij trouwt. De ene Aaltje Coobs komt uit Zwolle en heeft meerdere kinderen gekregen, zij zal onze Aaltje wel niet zijn. De andere Aaltje Coobs is jongedochter uit Den Hulst als zij op 9 mei 1739 huwt met Derk Harmsen, jongeman uit Nieuwleusen. Zij kregen één kind, namelijk Harmen op 10 november 1740.

Mathias of Thijs Coobsen, gedoopt op 31 maart 1695, trouwt als jongeman op 7 maart 1722 met Hilligjen Egberts, jongedochter. Uit dit huwelijk worden negen kinderen geboren.
Beule 2 september 1725.
Femma 17 november 1726.
Jan 21 december 1727.
Femma 22 november 1730. Als Femmigje Coobs trouwt zij met Jan Willems.
Jantjen 4 maart 1733. Vermoedelijk trouwt zij op 4 juli 1756 met Geert Wolters, jongeman uit Den Hulst.
Geesjen 2 november 1735.
Geesjen 14 september 1738.
Coob 2 oktober 1740. (volgt 4)
Egbert 11 augustus 1743.

Coob Thijs trouwt op 16 april 1762 met Aaltje Claas, jongedochter. Kinderen uit dit huwelijk zijn:
Femmigjen, geboren op 2 maart 1763. Op 7 februari 1789 trouwt zij als jongedochter met Claas Claassen, jongeman.
Thijs, geboren op 23 augustus 1767. (volgt 5)
Hendrikje, geboren op 3 december 1773. Zij trouwt op 21 maart 1799 met Jan Peters (Bouwman).
Claes, geboren op 19 december 1773??

Thijs Coobs trouwt als jongeman op 16 augustus 1794 met Geesjen Claas (Aarten), jongedochter van Claas Evertsen en Trijntje Jans. Uit hun huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
Coob op 20 januari 1795. Als Coob Thijs Klein trouwt hij op 9 september 1819 met Jantje (Jacobje} Vossebelt, jongedochter.
Trijntje op 30 oktober 1796. Op 6 mei 1814 trouwt zij met Jan Gerrits Boone.
Claas op 7 november 1802.
Hendrik op 30 mei 1805.
Aaltjen op 20 januari 1808. Zij trouwt op 5 januari 1826 met Jan Willems Hof.

Doordat Coob Thijs de naam Klein aannam, is het geslacht met zijn familienaam te herleiden als bewoners van huis nummer 8.

wordt vervolgd

* * *

DE KNIKKERS OP DE VARKENSBRINK _________________________________________________________

B. van Duren

Toen as ik nog zo'n schoeljonge was, heb ik ies een keer wat uut evunden en daor een heleboel knikkers mee ekregen. Eigenlijk was het mien uutviending niet want ik zagge mien buurjonge Gait Regterschot der thuus met speulen. Mar zo'n plaankie met een paar gaten der ien was gauw emaakt en ie hadden het de volgende morgen op het schoelplein ies mutten zien! Zie stunden ien de rij um de knikkers deur de gaaties proberen te mikken. Tegen de middag toen as ik naor huus gonge was mien knikkerbuul al aorig vol. Allemaole winst. Ik gunde mi'j haoste gien tied um fatsoenlijk te eten en moe bromde aover mien ongedurigheid.
De bule kwaamp meer dan vol en daor waren jongens die meenden dat de gaaties veuls te klein waren. Mien beide zusters, die jonger waren as ikke, wollen graag wat van mien veurraod mee hebben, mar die deerns verspeulden ze toch zo weer en dus zocht ik naar een plekke um ze goed te verstoppen. Ten langen leste meende ik een goeie plaatse te hebben evunden. Ien de hoek op de varkensbrink onder een olde emmer. Daar zollen Rika en Klaziena vaste niet kieken!
Mar jammer genog waren der wel aandern die belangstelling hadden veur de bulte knikkers. Det kwaamp zo. Va deut tegen de aovond vake de deure van het schot een poosien lös en dan konden de varkens op de brink lopen. De volgende morgen wol ik mien veurraod ies inspecteren. De emmer lag onderstebaoven en de knikkers lagen aoveral verspreid. De meesten waren kapot ebeten. Hier en daar vund ik nog een hele.
Op schoele was de lol der ok of. Een heleboel jongens hadden ok zo'n plaankie bij zich en nao een dag of wat vunden wi'j gewoon pottien gooien toch veule mooier.
Zo gewonnen, zo geronnen. Ik gunde mien zusters de knikkers niet, mar ik was der naw nog veule meer kwiet!

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Prov. Ov. en Zwolsche Courant van 29 januari 1918:
Molenaar H.S. heeft het ongeluk gehad, terwijl hij tusschen de wieken van de in gang zijnde molen wilde loopen, een slag van een wiek te ontvangen, zoodat hij bewusteloos met een gapende hoofdwonde neer viel. Na veel moeite werd hij weer bijgebracht.



* * *

NIEUWLEUSENAREN IN CANADA _________________________________________________________

".. Er wordt natuurlijk veel over Nieuwleusen gepraat en het gemiddeld drinken is meestal hoger dan dat van het biljarten. Maar het is altijd reuze gezellig!.. "
Dit bijschrift samen met onderstaande foto ontvingen we via de heer B. van Duren van zijn neef de heer H. van Duren uit Waterloo, Canada. In november 1993 waren de heren van de foto eens weer bij elkaar, zoals regelmatig gebeurt. Dit keer was men te gast bij de familie Jo Krul. Daar werd in de biljartkamer de foto gemaakt. De zes gasten hebben allen een biljartkeu in de hand; de heer des huizes gebruikt kennelijk de golfstick.
De oud-Nieuwleusenaren zijn van links naar rechts: Jo Krul, Gerard Krul, Klaas Krale, Jan Krul, Gerard Krale, Johan Nijboer en Henk van Duren.


* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXVII _________________________________________________________

Deze groepsfoto werd omstreeks 1965 gemaakt van de O.L. school (A) te Nieuwleusen.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

meester Katerberg
Gerrit meulenbelt
Joop Schoemaker
Klaas Kok
Wim Schiphorst
Gert Meesters
Jan Kragt
Alie van Echten
Elly Bosch
Mirjam Bouwman
Jeanet Vasse

12 
13 
14 
15 
16 
17 
18 
19 
20 
21 
 

Marga Tuin
Jan van Echten
Klaas Bosch
Martin Massier
Klaas Kisteman
Berend Katoele
Klaasje Prins
Hennie Katoele
Jennie Huzen
Evert Schipper

22 
23 
24 
25 
26 
27 
28 
29 
30 
31 
 

Bé van Berkum
Hennie Huzen
Hennie de Jonge
Arend Bijker
Harrie Blik
Jan Kok
Arie Kin
Henk van Zomeren
Joop Krul
Hans Wink

* * *

SCHOOLREISJE _________________________________________________________

Kabé

In het decembernummer van 1993 werd op de leden een beroep gedaan een bijdrage te leveren aan ons kwartaalblad. In mijn gedachten kwam een schoolreisje met de tram naar Zwolle.
Ter gelegenheid van het 25-jarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina op 31 augustus 1923 werd door de O.L. School in Den Hulst (school C) en de O.L. School op de Meele (school D) een reisje met de tram naar Zwolle georganiseerd. Nou, dat was wat! Allang voordat de tram zou komen, stonden we te wachten aan 't Schut (Sluis 3). Opgewonden en luidruchtig. Mijn zusje was er niet bij want die was nog te klein en waarom mijn oudere broer niet meeging, weet ik niet meer.
Eindelijk kwam de tram er aan. De locomotief kreunend en zuchtend met een lange sliert rijtuigen erachter. Ik wist me een plaatsje te veroveren in de lste klasse; een appartement met rode kussens. Trof ik dat even.
Aan de Rollecate werd gestopt om de kinderen van de Meele op te nemen en aan het station Dedemsvaart nog eens. De reis stond onder leiding van het onderwijzend personeel, aangevuld met mannen van de oudercommissie. En daar ging het zonder verder oponthoud naar Zwolle. 's Jonge, jonge, wat een belevenis!
Nadat we uitgestapt waren aan het begin van de Thomas à Kempisstraat (de Vlasakkers) werden we in twee groepen verdeeld. Eén groep ging naar bioscoop "De Kroon" in de Diezerstraat en de andere groep, waar ik ook bij was, marcheerde dwars door de stad naar het eind van de Veerallee naar speeltuin Tijssen. Het was een “gloepens” einde, maar daar gaven we niet om. We hadden schik. In de tuin konden we naar hartenlust spelen; schommels, draaimolens enzovoort. En we werden rijkelijk getrakteerd op eten, drinken en snoep.
Na de middag kwam de andere groep naar de speeltuin en ging onze groep naar de bioscoop. Wat een weelde daar. Prachtige lampen en stoelen, bekleed met pluche. De zittingen moest je neerklappen en als je op ging staan, dan gingen deze vanzelf weer omhoog. Nooit eerder meegemaakt.
We kregen verschillende films te zien. "Levendige lichtbeelden" noemden wij ze. Onder andere zagen we een film over Sneeuwwitje. Ik vond het wel een zielig verhaal, maar gelukkig kwam alles weer goed. En dan de film over "Tafeltje dek je, ezeltje strek je" en "Knuppel uit de zak". Dat was wel het hoogtepunt. Vooral de scene waarin de herbergier de ezel verwisselen wilde voor zijn eigen ezel, zodat hij in het bezit zou komen van een ezel die geld scheet. Maar wat kwam hij slecht weg. Wat werd hij afgeranseld door de knuppel. We hadden een razende schik.
Maar aan alles komt een eind, ook aan deze dag. Moe maar voldaan gingen we weer naar de tram. Gelukkig stond die nu aan de Brink, dat scheelde een heel eind lopen. Daar stond ook de ijscoman. We hadden wat zakgeld meegekregen en kochten een paar ijsjes. Je kon kiezen tussen ijsjes van twee, drie en vijf cent. Die van vijf cent kochten we niet want dan waren we veel te gauw door onze centen heen.
Tenslotte dan nog de terugreis naar huis met de tram. Wat een dag, wat een dag. Om nooit meer te vergeten.

* * *

DE ZEISENKOOPMAN _________________________________________________________

Toen ik nog een kleine jonge was
zag ik heel vaak een olde man
bij oes de zaandweg aover komen
en stappen naor oes huus op an.
De man, die had al grieze haoren
mar leup nog kregel, flink en recht,
was tegen iederiene vriend'lijk,
mar met hun praoten, det gunk slecht.

Steeds had hij zeisen op de rugge
daor gunk hij dan het laand mee deur.
En het waren goeie zeisen,
hij vreug der ok niet veule veur.
Geregeld ien het veurjaor kwaamp hij
gekleed ien een lange grieze jas,
pette, met riem vlak veur de flappe,
zo keek hij dan bij oes deur 't glas.

Het was een koopman, ginds uut Duutslaand,
die gunk bij oes met zeisen rond
urn an de boeren te verkopen,
hij wus, dat ze die gebruuken kont.
En as hij dan begon te praoten,
dan luuster'n wij met open mond,
want vast was er zowat gien iene
die oese koopman goed verstond.

"Soo baos, hier koom 'k wier ann-ke-laufen
mit Zainen, kenst doe mien dan nich?
'k Bin Zainenkaufman, 'n Zaine kaufen?
Ain gantsen koete hab ich fuur dich!
Was iest het toch ain sjeun, sjeun wetter,
gants sjeun oem 's Gras te meeien 'k een.
Noen boer, Sie weerden ach nich fetter,
bist krank 'ewees, hest pien 'eleen?"

Ja, wat mossen wij daor op zeggen,
gien iene, die alles goed verstund.
Hij marken 't wel, begon te lachen
as hij met 't praoten wieder gunk.
"Was steets doe mich toch an toe koeken,
kanst doe kants kein Duutsch versteen?
Viel Ollands kan 'k nich - oend dooroeme
zal ich gleich mar weer weiter gehen!"

"Kom praot nog effen, drinkt eerst koffie,
de vrouwe hef ze haoste gaar
En misschien hebben wij een zeise neudig,
ik zal ies heuren bij mien vaar"
"Ach ja, kants richtig 'n zaine kaufen,
hoolt daadlich daine Vater hier,
oend keerne wiel ich Kaffee trienke
O, bitte, miet kants viel plezier.•

Hij kump dan binnen, ien de kamer
en legt de zeisen op de grond.
Hij drinkt met smaak zien bakkien koffie
en kik metiene ies ien 't rond.
"Kants niedlich hier, 'n sjeun boeren-hausjen,
deez tasse Kaffee smekt mien koet.
lch saag dich, dat so'n tasse Kaffee
'n alt mensje vieles koetes toet."
v En vaar kwaamp nou ok ien de kamer.
"Dag koopman, bin ie der ok weer?"
"A, ja, jawool, oend bist kezond doe,
ach so, das, das freut mich seer.
Wolst doe noen 'n koete Zaine kaufen?
Potstausend, ze zient kants koetkoop,
ich hab er nog ain kantschen hoop."

"Wat kost die zeise", zegt mien vaar noe
en zag der iene naar zien zin.
"Drei Koelden, baas en 'n beste Zaine,
so fast wie ich ain Duutser bin.
Heurts doe das faine staal doch klienken,
kewies, kewies, die Zain ist koet.
Baos, kauf altsait ain koete zaine
sonst meeit gie oe nog kants kapoet.

Mit diese Zaine konst doe meeien,
geen hoiren, straiken, niechts van das.
As een aander steet mit stain toe zweeien
dain haar is nog van zwais (zweet) nicht nas.
Steet 'n aander dan die Zain toe straichen,
karwiets, karwats, karwiets, karwats!,
dan kan doe door doen, ohne rusten,
oend iest dat dan kaìn kroosen spats?"

Afijn, mien vaar die kocht de zeise,
hij kreg der ok garantie op.
As de zeise iets mankeren
"dan keef et mich mar auf den kop".
En vast, de man was goed solide,
hij was zo eerlijk steeds as goud.
Ja, ja, de koopman hef ien oese buurte
al heel wat ien de ronde sjouwt.

De zeisen waren prima, prima,
en waren ok beslist niet duur.
Een goeie zeise spaart de botten;
een slechte zeise meijt zo zuur.
------------------------
De koopman is noe overleden,
toch wordt er aover hum 'epraot.
De man is vast nog niet vergeten
en kump nog veule veur den draad!

Het was een trouw en eerlijk mense,
behand'len nooit een mens verkeerd.
En zulk een koopman, lieve mensen
is honderd duuzend gulden weerd.
Veur zo'n mens een standbeeld bouwen,
bestand veur alle weer en wiend
en schrief er op met goeden letters:
Hij was een "Eerlich mensjen-kiend!"

(overgenomen uit Wessinger boerenleven.)

* * *

VASTE BRUG BIJ DE LICHTMIS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant 29 april 1936:
De Minister van Waterstaat heeft op vragen van het Tweede Kamerlid Duymaer van Twist in verband met een voornemen tot vervanging van den ophaalbrug over de Dedemsvaart bij de Lichtmis door een vaste brug, het volgende geantwoord:
"Na zorgvuldige overweging ligt het thans in de bedoeling over de Dedemsvaart bij de Lichtmis een vaste brug te bouwen. De onderkant van de nieuwe brug zal op 5,36 m. boven kanaalpeil komen te liggen, zoodat alle schepen welke de Dedemsvaart bevaren, gemakkelijk met gestreken mast onder de brug zullen doorvaren.
De landbouwers, die met paard en wagen hun producten vervoeren, zullen desgewenst van de bestaande ophaalbrug, welke in stand gehouden wordt, kunnen blijven gebruik maken.
Er is thans overeenstemming bereikt met de provincie Overijssel, welke de Dedemsvaart beheert, met dien verstande dat ook de brug, die over de Hoogeveensche Vaart in den nieuwen Rijksweg beoosten Meppel zal worden gebouwd, vast zal worden. De N.V. Drentsche Kanaal Maatschappij, welke de Hoogeveensche Vaart beheert, heeft zich hiermede verenigd.



Dedemsvaartsche Courant 13 mei 1936:
Het Tweede Kamerlid de heer Duymaer van Twist, heeft aan den minister van Waterstaat de volgende vragen gesteld:
Kan de minister de overwegingen mededeelen, die er toe geleid hebben om over de Dedemsvaart bij de Lichtmis en over de Hoogeveensche Vaart in den nieuwen Rijksweg beoosten Meppel vaste bruggen te bouwen?
Heeft de minister in zijn overwegingen ook betrokken de omstandigheid, dat schepen, die b.v. met turf, stroo, enz. bevracht zijn en een grooten deklast hebben, niet in staat zijn den mast te strijken?
Is het den minister bekend, dat de bovenlast van schepen op de plaats van afvaart, zoodanig verankerd wordt, dat de vracht, zelfs zoo op het IJsselmeer gevaren wordt, veilig op de plaats van bestemming kan gebracht worden, doch dat, wanneer de schepen aan den vaste brug moeten worden afgeladen, ten einde den mast te kunnen strijken de vracht bij het verder vervoer gevaar loopt?
Heeft de minister, alvorens tot het bouwen van vaste bruggen besloten werd, de schippersorganisatie gehoord en zoo neen, waarom niet?
Wil de minister nader overwegen om voor het definitief tot het bouwen van vaste bruggen besloten wordt, deze zoo hoog boven het kanaalpeil te leggen, dat schepen zonder gestreken mast de bruggen kunnen passeren?

* * *

BOER'S- EN SPIEKERSWEGGIE _________________________________________________________

B. van Duren

Voor de verkaveling hadden mijn ouders, die in Den Hulst woonden, in de richting Nieuwleusen hier en daar een paar akkers land in eigendom. Zo ook achter het voormalige Groene Kruis-gebouw aan de Ommerdijk (thans Backxlaan 75). Het weggetje langs die akker liep richting Kerkenhoek langs de boerderij van Jan Fredriks. Het stond in die tijd bekend als Boer'sweggie. Wat verder westelijk was ook zo'n weggetje met als naam Spieker'sweggie.
In gedachten heb ik mijn grootouders Klaas Boer en Jentje van Spijker, getrouwd op 5 juni 1886, daar op het Boer'sweggie zien lopen. Dit heeft geresulteerd in onderstaand gedicht:

't Was vrogger op Ni'jluusn zo
dat elke boerenstee een pad
en meestal achteruut naor 't laand
een eigen weggie had.

Niet varre van de Karkenhoek
wat naor de westerkaant
en dan richting naor Den Hulst
daor hadden ze hun laand.

Twee van die weggies löpen daor
van Spieker en van Boer,
twee weggies met wat kreupelholt
en kniepgaten waor de wagen deur voer.

Meer dan honderd jaor eleen
het was bi'j heldere maon
bint Klaos en Jintien haand in haand
Boer'sweggie op egaon.

Klaos vertelde van zien dienst
hi'j was vief jaor soldaat;
dat is een hele lange tied
ai'j daar bi'j stille staot!

Jintien was der stille van
Klaos was zo'n beste vent.
as kiender speulden ze met mekaar
ze waren an mekaar ewend.

Een mooi plekkien was der wel
en op de dreuge grond
zaten beiden haand in haand
en vunden elkaanders mond...

Naost 't weggie, vlak bi'j 't kreupelholt
daor is 't gräs verdrukt;
een paar bloempies ligt der nog
die Jintien hef eplukt.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 31 augustus 1923:
Op Dinsdag 4 Sept. a.s. zal aan de openbare en bijzondere scholen feest worden gevierd ter herdenking van het 25-jarig regeeringsjubileum van de Koningin. Er is voor dit doel, buiten de bijdragen der gemeente, plm. ƒ 800 gecollecteerd. Het is te hoopen, dat de kinderen mooi weer zullen treffen en dat de inwoners van Nieuwleusen niet zullen vergeten de vlaggen uit te steken. Van vlaggen heeft men bij ons nog geen goed begrip!


Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 6 september 1923:
Heden, 4 september, werd hier, begunstigd door mooi weer, het regeeringsjubileum van H.M. de Koningin op de scholen feestelijk herdacht. De openbare school A en de Christelijke scholen te Nieuwleusen, Ruitenveen en den Hulst vierden feest in de gemeente, terwijl de kinderen der o.l.scholen C en D een reisje naar Zwolle maakten en die van de o.l. school B naar Hattem gingen.
Vooral de o.l. school A was prachtig versierd en was door de regeling als altijd onder den ijverigen kindervriend, den heer Kapenga, weer buitengewoon. Eerst werd, muziek voorop, een wandeling door het dorp gemaakt en bracht men een bezoek bij den burgemeester en bij mej. Palthe, die hier tijdelijk vertoeft. Daarna werden op een terrein bij de school verschillende spelletjes gedaan.
Ook te Ruitenveen en den Hulst had men een terrein ingericht en met vlaggen versierd.
Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 30 oktober 1923:
Hedenmorgen omstreeks half zeven is te Lichtmis, tusschen de brug over de Dedemsvaart en den stroom­duiker, waar de weg een vrij gevaarlijke bocht maakt, een voor de markt te Steenwijk bestemde auto-omnibus van den dienst Zwolle-Meppel omgeslagen. De inzittenden, 12 Zwolsche marktbezoekers, bleken er, na uit hun benarde positie bevrijd te zijn, naar omstandigheden vrij goed af gekomen te zijn. De verwondingen aan hoofd en ledematen, veroorzaakt door de glasscherven der gebroken ruiten, werden in café Waanders verbonden, waarop de reis met de juist gearriveerde auto der Nieuwl. auto-onderneming door tien der reizigers werd voortgezet. De beide anderen voelden zich niet in staat hun tocht te vervolgen en keerden per tram terug naar Zwolle, waar bleek dat de heer L.R. zijn pols had gebroken. De patiënt stelde zich dadelijk onder behandeling van dokter E.A. Spanjaard. Omtrent de oorzaak van het ongeval vernamen wij, dat de linker voorband van de auto is gesprongen, waardoor de plaatsvervangende chauffeur zijn stuur niet meer meester was. Van andere zijde werd ons medegedeeld, dat de bestuurder voor dat gevaarlijke punt met een veel te grote snelheid reed.


Jaargang 12 nummer 4 december 1994

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

Tegeltableau Landmans Welvaart.

* * *

DE OVERNAME VAN EEN MUSEUMCOLLECTIE _________________________________________________________

Op 29 september 1994 stond de overname van de museumcollectie van de heer H. Schoemaker op de agenda van een extra algemene ledenvergadering. Met algemene stemmen werd een voorstel daartoe aangenomen. Onderstaand een kort verslag van datgene wat er aan deze beslissing vooraf ging.
De heer Schoemaker verzamelde in de loop der jaren veel voorwerpen afkomstig uit Nieuwleusen en omgeving. Hij had oog voor dergelijke historische dingen. Was hij er niet geweest om zich er over te ontfermen, dan was menig voorwerp in het niets verdwenen. De verzameling was ondergebracht in een museum op de bovenverdieping van zijn meubelzaak.
In de loop van 1993 werd duidelijk dat het museum niet op genoemde plaats aan de Backxlaan gehandhaafd kon worden. Schoemaker moest een keuze maken: of een nieuw onderkomen zoeken en daar de verzameling in onder brengen; of de collectie van de hand doen. Dat laatste was de uiteindelijke keuze. Hij zocht contact met de Historische Vereniging en bood de collectie ter overname aan.
Veel bestuursvergaderingen werden over dit aanbod gehouden. Allerlei zaken op de lange weg naar overname passeerden de revue. Veel vragen moesten beantwoord worden. Het was niet gemakkelijk, maar uiteindelijk werd besloten een weg in te slaan die zal moeten leiden tot behoud van de museumcollectie in Nieuwleusen. De collectie is daartoe interessant genoeg. Het eventueel opnieuw vergaren van een dergelijke verzameling, zou met veel moeite en tijd gepaard gaan, voor zover het althans zou lukken om zo'n verzameling weer op te bouwen. Historisch gezien bevinden er zich in de collectie veel voor Nieuwleusen belangrijke voorwerpen. Een aantal van die voorwerpen is uniek, en daardoor zeer waardevol voor Nieuwleusens historie.
Begin 1994 werd het College van Burgemeester en Wethouders gevraagd of de gemeente in deze ook iets kon doen. Naar aanleiding daarvan volgden een serie besprekingen. Daarbij werd niet alleen van gedachten gewisseld over de collectie, maar ook over de financiering en het onderbrengen in een gebouw. De besprekingen duren nog voort. De gemeente ziet het belang van het behoud van de verzameling in Nieuwleusen in en men is bereid er aan mee te werken dit te realiseren.
Er waren een aantal mogelijkheden voor het onderbrengen van de collectie. Allereerst natuurlijk het plaatsen van een gebouw op onze eigen grond aan het Westerveen. Het bestuur achtte dit evenwel financieel niet haalbaar, terwijl bovendien de plaats niet optimaal is voor een museum. In combinatie met dit perceel grond werd voorts gesproken over andere plaatsen. Daarbij moet men denken aan inruil van ons perceel van ca 40 are tegen een kleiner perceel, waarbij dan van de meerwaarde van onze grond een gebouw kan worden gesticht. Tevens werd de optie van koop of huur voor een langere periode van een bestaand gebouw besproken, ook met een aantal eigenaren.
Met de heer Schoemaker werden nadere gesprekken gevoerd. Hij pleegde met het bestuur overleg over een plaats waar een en ander kon worden opgeslagen aangezien zijn onderkomen inmiddels was verkocht. De collectie werd door een onpartijdig, beëdigd en kundig taxateur beoordeeld en gewaardeerd. Daarbij kwam vast te staan dat er zich zeldzame voorwerpen in de collectie bevinden die men wellicht niet meer kan bemachtigen, eenvoudigweg omdat men ze bij particulieren niet meer zal aantreffen.
De taxatie vond plaats tegen liquidatie-waarde, dat wil zeggen tegen een waarde die de voorwerpen bij een eventuele verkoop via een veiling zullen opbrengen. De taxateur was zeer enthousiast over de


Klompenmakersgereedschap.

verzameling die hij aantrof. Hij schrijft voorts in zijn rapport dat het overgrote deel van de collectie zich in een staat bevind die zeer goed is te noemen. Het bedrag van de taxatie werd door hem bepaald op ƒ 127.860,--.
De vraagprijs bedroeg aanvankelijk ƒ 150.000,--. In het gesprek waarin het resultaat van de taxatie aan Schoemaker ter kennis werd gebracht werd duidelijk dat hem er veel aan gelegen was de verzameling in zijn totaliteit en voor Nieuwleusen te behouden. Hij bracht dit onder meer tot uitdrukking door de vraagprijs te verlagen tot het taxatiebedrag van ƒ 127.860,--.
Als keus van het bestuur voor het onderbrengen van de collectie kwam uiteindelijk een boerderijtje aan het Westerveen uit de bus. Het woongedeelte van dit boerderijtje bevindt zich nog nagenoeg in de authentieke staat. Deel, stallen en schuur behoeven echter aanpassing en verbetering voor museumdoeleinden. Daarvoor en voor de inrichting zou naar schatting ƒ 125.000,= nodig zijn. De kort voor de vergadering gevraagde huurprijs is evenwel zodanig dat het bestuur in een spoedvergadering moest besluiten van het beoogde onderkomen af te zien.
Aangezien nog geen nieuwe plek is gevonden, gaan we er van uit dat we in totaal ca. ƒ 250.000,== nodig hebben. Dit bedrag zal moeten komen van de Historische Vereniging en van bevolking, bedrijfsleven, middenstand en gemeente. In deze kan een inmiddels gevormde commissie van aanbeveling, bestaande uit mevrouw E.J. v.d. Berg-Floor en de heren A. ten Oever, burgemeester; F. Visscher, oud-directeur Rabobank; J. Mulder, inspecteur bij het onderwijs en B. Reehorst, oud wethouder, nuttige diensten verrichten.
Het zal duidelijk zijn dat de vereniging het perceel grond aan het Westerveen te gelde moet maken om het beoogde resultaat te bereiken. De algemene ledenvergadering machtigde het bestuur daartoe de nodige voorbereidingen te treffen.

* * *

OVER EEN UITVOERING EN EEN ZAKDOEK _________________________________________________________

In de jaren vijftig werden in het jeugdhuis¹ bij Sluis III, dat toen beheerd werd door de familie Geerts, verscheidene uitvoeringen gegeven. Onlangs sprak ik daar nog eens met mijn broer over. Van al de opgevoerde stukken is bij ons alleen deze titel blijven hangen: "Derk Jan gaat naar Canada". Waarschijnlijk was het een uitvoering van "De Broederband", waarin Barteld Borger als acteur fungeerde. Het stuk ging ongeveer zo: Derk Jan, een gelovig man maar ook een mens, emigreerde na de oorlog naar Canada om daar als boer zijn geluk te beproeven. Dat gebeurde echter met de nodige tegenslagen en verleidingen. Even dachten wij dat hij er met al dat zwoegen en ploeteren onderdoor zou gaan, maar niks hoor, in de loop van het derde bedrijf voelde


Café annex kruidenierswinkel van J. Visscher ca. 1946.

je dat het met Derk Jan weer de goede kant op ging. En net toen we onze ontroering zachtjes zaten weg te snuffen in de "zakdoek met een kantje" - tommee nog de loties - klonken deze onvergetelijke woorden door het zaaltje: "en naast de boer een biddende ploeg". De zakdoek bleef nog even nodig, maar nu voor de tranen van de lach.

K. Bijker-van Hulst

1. Het jeugdhuis was, voordat het die functie kreeg, café annex kruidenierswinkel van J. Visscher, later van Beltman. Eind jaren vijftig werd het perceel door de Nederlands Hervormde Kerk gekocht en kreeg het de bijnaam café Van Hoogevest; omdat deze predikant zich ingezet had voor de aankoop. Later werd het pand weer verkocht en is het als disco bekend geworden onder de naam "De Karre" en thans "De Oldtimer". In de tijd van de kerk werd er o.a. een grote bazar gehouden voor de bouw van de huidige Maranathakerk. Hieraan bewaren veel mensen nog aangename herinneringen.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant 14 januari 1920:
Vrijdag ontstond er brand in de kooikerij van J. Potjes te de Meele, terwijl J.P. naar Zwolle was en de vrouw en de kinderen alleen tehuis. Gelukkig dat de schuur door de toegesnelde buren behouden kon blijven. Oorzaak onbekend.
Het hooi was verzekerd; de berg niet, zoodat het voor J.P. een heele schadepost is.

* * *

OVER DE BEWONERS VAN NIEUWLEUSEN IN DE LOOP DER TIJD Il _________________________________________________________

In het kwartaalblad van september is duidelijk geworden dat de afstammelingen uit huis nummer 8 op zeker moment de naam Klein gingen gebruiken. Thijs Coobs en Geesjen Claas (aangeduid onder nummer 5) hadden vijf kinderen waarvan de oudste is:


 
 
 
 
 
 
 
 
6a 
 
6b 
 
6c 
 
6d 
 
6e 
 
6f 
 
 

Coop Thijs Klein, geboren op 20 januari 1795 en overleden op 1 augustus 1848. Hij trouwt op 9 september 1819 in Nieuwleusen met Jacobje Gerrits Vossebelt. Zij is een dochter van Gerrit Alberts en Hendrikje Gerrits en is geboren op 18 maart 1796. Vermoedelijk is zij als Jantje gedoopt, aangezien er van dit echtpaar geen Jacobje in de doopboeken staat vermeld. Op 20 februari 1837 overlijdt Jacobje Gerrits Vossebelt. Het echtpaar Koop Klein en Jacobje Vossebelt krijgt zes kinderen:
Hendrikje op 8 februari 1820. Zij trouwt op 22 juli 1843 met Willem de Weerd.
Geesje op 7 april 1822. Op 28 augustus 1852 trouwt zij met Klaas Brouwer.
Gerritdina op 25 december 1825. Zij trouwt op 3 mei 1851 met Hendrik Hoes.
Op 13 november 1829 wordt hun eerste zoon geboren die de naam Thijs krijgt. (volgt 7)
Klaasje wordt op 20 januari 1833 geboren en huwt op 5 september 1859 met Hendrik Schoemaker.
Dan volgt op 13 februari 1837 weer een zoon, Jan. (volgt 8) Een week na zijn geboorte, op 20 februari 1837, overlijdt Jantje Vossebelt op veertig jarige leeftijd.



 
 
7a 
7b 
 
7c 
 
7d 
7e 
 

 
 
 
 
 
8a 
8b 
8c 
 
 

 
 
 
9a 
9b 
9c 
 
10 
 
 
 
 
 
10a 
10 
 
 
 
 
10b 
10c 
 
 
11 
 
 
 
11a 
11b 
11c 
 
 
12 
 
 
12a 
12b 
 
13 
 
13a 
 
13b 
 
 
14 
 

Thijs Klein, geboren op 13 november 1829, trouwt op 16 oktober 1858 met Janna Snijder, oud 26 jaar en geboren te Staphorst. Zij krijgen vijf kinderen, te weten:
Koop, geboren op 11 april 1859,
Op 30 januari 1861 Jentje. Zij trouwt op 15 april 1886 met Hendrikje Brasjen en overlijdt op 19 maart 1936.
Op 3 maart 1867 Stientje, die op 2 mei 1895 trouwt met Klaas Tempelman.
Op 13 oktober 1863 Gosen.
Op 19 april 1871 Klaasje.

Jan Klein, geboren op 12 februari 1837 en overleden in Groningen op 29 maart 1884, trouwt op 31 juli 1863 met Hendrikje Bouwman. Zij is op 10 maart 1843 geboren en overleed op 13 augustus 1881. Zij krijgen tenminste drie kinderen. Of er meer zijn is niet bekend. De drie bekende kinderen zijn:
Jennigje, geboren op 1 september 1863 te Nieuwleusen.
Koop, geboren omstreeks 1869. (volgt 9)
Hendrik, geboren op 10 oktober 1874 te Avereest. (volgt 10)

Koop Klein, geboren omstreeks 1869. Hij trouwt 1 mei 1902 op 33 jarige leeftijd met Aaltje Frielink. Zij is dan 26 jaar en geboren in Dalfsen. Uit hun huwelijk zijn de volgende kinderen geboren:
Hendrikje op 30 april 1903.
Gerrit Jan op 15 juli 1907.
Hendrik op 2 februari 1909.

Hendrik Klein, geboren op 10 oktober 1874 trouwt voor de eerste keer op 5 februari 1903 in Dalfsen met Hermina Antonia van der Kolk. Zij is geboren op 23 januari 1870 en overlijdt op 24 november 1911. Hendrik Klein overlijdt in Heino in 1939. Het echtpaar Klein-Van der Kolk krijgt een zoon:
Jan, geboren te Heino in 1906. (volgt 11)
Hendrik Klein trouwt voor de tweede keer op 1 februari 1912 te Heino met Janna Meulink, geboren in 1886 te Zwollerkerspel en overleden op 9 april 1948. Uit dit huwelijk worden twee dochters geboren, beiden te Heino:
Janna op 19 januari 1913. Zij trouwt met G. Volkerink.
Hendrikje op 11 september 1914. Zij trouwt met W. van der Wal.

Jan Klein, geboren op 14 februari 1906 en overleden op 2 april 1940, trouwt op 8 mei 1930 met Hendrika Christina Eilander, geboren op 5 juni 1907 te Heino. Uit dit huwelijk worden geboren:
Hendrik, geboren 24 april 1931 te Raalte. (volgt 12)
Theunis, geboren 4 september 1932 te Raalte. (volgt 13)
Herman Anton, geboren 5 januari 1935 te Dalfsen. (volgt 14)

Hendrik Klein, geboren 24 april 1931, trouwt op 24 april 1959 met Femmigje Dijk, geboren 17 oktober 1928. Zij krijgen de volgende te Zwollerkerspel geboren kinderen:
Op 14 april 1964 een zoon Jan.
Op 19 juli 1967 een zoon Erik.

Theunis Klein, geboren 4 september 1932, trouwt op 9 mei 1957 te Dalfsen met Aaltjen Visscher. Kinderen:
Jan, geboren 18 februari 1958. Hij trouwt op 7 december 1983 te Hengelo met Janke Abbink.
Helma, geboren 28 september 1961. Zij trouwt op 8 september 1988 te Dronten met Tiddo Groen.

Herman Anton Klein, geboren 5 januari 1935, trouwt in 1965 met Geesje Veldink.

Met vorenstaande stamboom hebben we een tijdvak van 300 jaar overbrugd. In die periode zagen we dat de nakomelingen van de bewoners van huis nummer 8 voornamelijk in Nieuwleusen bleven wonen. Pas in latere jaren zwerven ze uit naar omliggende plaatsen. Deze stamboom kon met medewerking van de heer Hendrik Klein tot in onze tijd worden doorgetrokken, waarvoor hartelijke dank. Voor aanvullingen houden wij ons steeds aanbevolen.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXVIII _________________________________________________________

Een grote groep deze keer. Maar liefst 122 leerlingen en het onderwijzend personeel van de Christelijke School te Nieuwleusen staan op deze foto uit 1936.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
 
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  

Arend Jan van Spijker
Klaas Huzen
Hendrik Prins
Hendrik Kreule
Albertus Lammertsen
Gerard Stolte
Hendrik Jan Klomp
Geertje Stolte
Antje Hekman
Roelina Snijder
Aaltje Kragt
Annigje Huzen
Mientje Kleen
Femmigje van Dorsten
Dina Visscher
Jansje van de Kolk
Arend Kreule
Albert Visscher
Arend Hekman
Roelof Hekman
Willem van Dijk
Hendrik Jan van de Kolk
Arend Huzen
Jan Visscher
Harm Jan van den Berg
Hendrik Snijder
Klaas Klein
Hendrik van Dorsten
Hendrikus Kamphuis
Jan Klein

31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  
54  
55  
56  
57  
58  
59  
60  
61  

Aalt van Blanken
Hilbert van Spijker
Egbert Gerritsen
Gerrit Alteveer
meester Siefers
meester Wester
meester Belt
Gerrit Klein
Klaas Schoemaker
Hendrik Schuurman Arend Jan Bouwman
Johan van Dorsten
Evert Jan Stolte
Gerrit Jan Visscher
Albert van Dorsten
Johan Hekman
Hendrik Jan Stolte
Jan van Blanken
Jan Willem Visscher
Derk Schoemaker
Gerrit Huzen
Arend Jan Kragt
Jan Thijs Bonen
Klaas Schuurman
Gerrigje Alteveer
Janna Geerts
Janna Schoemaker
Dina Visscher
Margje van den Berg
Frederika van Dorsten
Femmigje van Dorsten

62  
63  
64  
65  
66  
67  
68  
69  
70  
71  
72  
73  
74  
75  
76  
77  
78  
79  
80  
81  
82  
83  
84  
85  
86  
87  
88  
89  
90  
91  
92  

Femmie van Dorsten
Gerrigje Huzen
Hendrika Willems
Anton Stoel
Derk Jan Kleen
Klaas Groteboer
Derk Alteveer
Albert Jan Weelink
Jan Nijkamp
Hendrik Jan Stolte
juffrouw Visscher
Jacob de Graaf
Gerrit Jan van Dorsten
Johan Klein
Albertus Kleen
Dirkje van Dorsten
Annigje Visscher
Gerda Paasman
Roelina Deuzeman
Hilligje Prins
Eefje van den Berg
Annie van Dorsten
Hennie Katoele
Dina Emmink
Jan van de Kolk
Gerrit Hekman
Harm de Graaf
Klaas Visscher
Gerrigje Smit
Geertje Bonen
Koba Nijkamp

93  
94  
95  
96  
97  
98  
99  
100  
101  
102  
103  
104  
105  
106  
107  
108  
109  
110  
111  
112  
113  
114  
115  
116  
117  
118  
119  
120  
121  
122  

Petronella van Blanken
Gerrie Gerritsen
Jentje Boesenkool
Jennie Massier
Gerrie Willems
Mientje Hogenkamp
Zwaantje Hogenkamp
Sina Lammertsen
Geertje Boesenkool
Hendrikje van den Berg
Jentje Oosterveen
Klaasje Huzen
Janna van Dorsten
Aaltje Bouwman
Albertus Goudbeek
Hendrik Bouwman
Berend van Dijk
Derk Jan Geerts
Albert van den Berg
Roelof Huzen
Arie Rechtop
Sina Nijkamp
Hennie van Dorsten
Aaltje van Dijk
Dina Boesenkool
Coby van den Berg
Tiny Willems
Hilligje Bouwman
Jantina Prins
Niesje Kamphuis

* * *

DE VARKENSZIEKTE _________________________________________________________

Kabé

Rieke is voor het huis aan het werk, ramen lappen enzovoort, wanneer daar haar broer Jan van Marten aan komt fietsen. Hij stapt af bij zijn zuster.
"Nou Jan, waar wil ie hen?"
"Naar de veearts", antwoordt Jan.
"Of he'j ongemak onder "t vee?" vraagt Rieke bezorgd.
"Nee det niet, maar ik wil de varkens laoten inenten. De varkensziekte is er zo hier en daar en ik heb heurt det 't dichterbi'j komp. 't Is besmettelijk."
Rieke kijkt bedenkelijk. Het is te zien dat zij het niet eens is met haar broer.
"Maar Jan, zo'j det now wel doen? Ik weet niet of det wel goed is. Ie moet ok wat vertrouwen hebben", zegt ze met een vroom gezicht.
Jan denkt na. Hij zit in tweestrijd over het laten inenten of niet. Tegen Rieke kan hij eigenlijk niet op. Hij keert de fiets en zonder te groeten gaat hij ontevreden naar huis.

Het is zondag. Rieke staat in de kamer zich op te maken om naar de kerk te gaan. Zij behangt zich zwaar met goud en ook het kerkboek heeft een zwaar gouden slot. Zo kunnen de mensen zien dat ze welgestelde boeren zijn.
Daar komt haar broer Jan aangefietst. Hij springt van de fiets, bonkt met geweld tegen de ramen en schreewt woest: "Ie vrome..., ze hebt 't al te pakken. En now kan ik op zundag naor de veearts."
Dan springt hij weer op zijn fiets om zo snel mogelijk bij de veearts te komen. Misschien heeft die een middel om zijn varkens in leven te houden.
Rieke blijft onthutst in de kamer staan. Haar zondag is grondig bedorven.

* * *

UIT VAN DER AA'S AARDRIJKSKUNDIG WOORDENBOEK _________________________________________________________

A.J. van der Aa

Ongeveer 150 jaar geleden verscheen het Aardrijkskundig woordenboek der Nederlanden in 14 delen. Het wordt algemeen beschouwd als het standaardwerk op het gebied van lokale en regionale geschiedenis. Men treft er beschrijvingen in aan van alle steden, dorpen, gehuchten, buurtschappen, kastelen, landhuizen enz. Het werk werd samengesteld door A.J. van der Aa. Hij werd in 1792 in Amsterdam geboren als telg uit een geslacht van geleerden. In 1810 ging hij medicijnen studeren in Leiden. Door loting voor de militaire dienst kon hij zijn studie niet afmaken. Na een loopbaan als boekhandelaar, onderwijzer en militair ging hij in Gorinchem wonen, waar hij in 1857 overleed. In de jaren 1839 - 1851 verschenen de delen van zijn Aardrijkskundig woordenboek. Het gedeelte over Nieuwleusen nemen we hieronder over.

LEUSEN (NIEUW-), Nieuw-Leusen of Nieuw-Leuzen, gem(eente) in Zalland, prov(incie) Overijssel, arr(ondisement) en kant(on) Zwolle ( 3k.d., 4m.k., 5s.d.); palende N.W. aan de gem. Staphorst en Avereest, 0. aan Avereest en Ambt-Ommen, Z. aan Dalfsen, W. aan Zwollerkerspel.
Deze gem. behoorde vroeger tot de gem. Zwollerkerspel en Dalfsen, maar werd, in het jaar 1818, met het d(orp) Avereest en de daaronder behoorende geh(uchten) tot eene afzonderlijke gem. verklaard, zoodat thans de gem. Nieuw-Leusen bestaat uit het d. Nieuw-Leusen, benevens de geh. Ruitenhuizen, Ruitenveen en den Hulst. Zij beslaat, volgens het kadaster, eene oppervlakte van 3919 bund(ers), 97 v(ierkante?) r(oeden), 54 v. ell(en), waaronder 3919 bund., 17 v.r. 88 v.ell. belastbaar land. Men telt er 270 h(uizen), bewoond door 320 huisgez(innen), uitmakende eene bevolking van 1800 inw(oners), die meest hun bestaan vinden in den landbouw en de veenderij.
De inw., die hier op 5 na allen Herv(ormd) zijn, onder welke 800 Ledematen, maken eene gem. uit, welke tot de klass(is) van Zwolle, ring van Hasselt, behoort. Voorheen was Nieuw-Leusen kerkelijk onder Dalfsen, doch, nadat het getal inw. genoegzaam aangegroeid was, om eene eigene afzonderlijke gem. te kunnen uitmaken, is er, omstreeks het jaar 1660, eene kerk gesticht en die van eenen Predikant voorzien. De eerste, die in deze gem. het leeraarambt heeft waargenomen, is geweest Arnoldus van Berkum, die in het jaar 1663 herwaarts kwam en in het jaar 1680 overleed.
De 5 R(ooms) K(atholieken), die men er aantreft, worden tot de stat(ie) van Dalfsen gerekend. - Men telt in deze gem. twee scholen, als: ééne te Nieuw­Leusen en ééne te Ruitenveen, welke gezamenlijk gemiddeld door een getal van 250 leerlingen bezocht worden.
Het d. Nieuw-Leuzen of Nieuw-Leusen, ligt 3 u(ren) N.O. van Zwolle, 71/2 u. N. van Deventer, 21/2 u.N.W. van Ommen. De plaats, waar het thans ligt, was vóór het jaar 1635 nog eene onbebouwde streek. Deze plaats is hare opkomst aan de nabij gelegene veenen verschuldigd; thans is het een aangenaam dorp, in welks kom men 30 h. en 450 inw. telt.
De kerk is een langwerpig vierkant gebouw, met eenen spitsen toren, doch zonder orgel. Dit gebouw is in het jaar 1830 vernieuwd, waartoe door de gemeente voor eene som van elf honderd gulden is ingeschreven, terwijl uit het fonds voor noodlijdende kerken daartoe acht honderd gulden is bijgedragen.
- De dorpsschool wordt gemiddeld door een getal van 150 leerlingen bezocht. - Nabij dit dorp vindt men de havez(ate) Oosterveen. - De kermis valt in de maand Mei.
Bij de overstrooming van februarij 1825 rees het water 21/2 ell. boven de laagste landen dezer gemeente. Er verdronken destijds 249 runderen, 5 paarden, 494 schapen en 75 varkens.

* * *

RAMPEN _________________________________________________________

G.J. Lammertsen

In de loop der eeuwen moest de bevolking vele rampen doorstaan. Welke rampen er overleefd dienden te worden, is hieronder, zonder volledig te zijn, opgesomd.

1714-1721
 
 
1745-1746
 
 
 
1768-1776
1785
1825
1828-1829
1831-1832
 
1832-1833
1835
 
1845-1850
 
 
 
 
 
 
1846
 
1847
 
 
 
 
1848-1849
1848-1850
 
1852-1853
1855-1859
 
1866-1867
1870-1873
1897
1899
 
 
1911
1914-1918
1919
 
1920
1929-1935
 
1937-1938
1940-1945
tot 1953

Runderpest of veepest. Er was grote vee sterfte en in 1714 ging bijna de gehele veestapel verloren.
Veepest met wederom grote sterfte onder het vee. Door de drosten, zowel in Salland als Drenthe, werden de predikanten opgeroepen tot het voeren van zeer krachtige gebeden.
Voor de derde maal veepest.
De kinderziekte pokken eist vele slachtoffers.
Watersnoodramp.
Leverbotziekte.
Een muizenplaag brengt veel schade aan de oogst.
Cholera-epidemie.
Wederom een muizenplaag die veel schade brengt aan de winterrogge en haver.
Deze jaren werden de donkere jaren genoemd. De oorzaken waren:
Aardappelziekte: Phytoftora Infestans.
Deze schimmelziekte werd omstreeks 1830 vanuit Amerika overgebracht. De sporen van de schimmel dragen trilharen en verspreiden zich met name tijdens warm en regenachtig weer.
Roest, een roggeziekte die de oogst heeft doen mislukken.
Geen aardappelen, geen rogge, dus geen geld. Enkel armoede, verdriet en pure ellende!
En alsof dat nog niet genoeg is, brengt de longziekte onder het vee een massale slachting teweeg.
Een tweede cholera-epidemie: cholera morbus!
Longziekte onder het vee met in 1849 enige opleving.
Longziekte.
In deze jaren eist een malariagolf vele slachtoffers.
Een derde cholera-epidemie treft de bevolking.
De pokken eisen vele slachtoffers.
Mond- en klauwzeer.
Miltvuur of bodemziekte. Kadavers werden ter plaatse ingegraven, overgoten met petroleum en verbrand.
Mond- en klauwzeer.
Wereldoorlog I.
De Spaanse griep eist meer slachtoffers dan er in W.O. I zijn gevallen.
Wederom mond- en klauwzeer.
Wereldcrisis met enkel in ons land al 400.000 werklozen.
Nogmaals mond- en klauwzeer.
Wereldoorlog II
komt mond- en klauwzeer voor, zij het in steeds afnemende mate.

* * *

KOPEN EN BETALEN, LENEN EN AFLOSSEN _________________________________________________________

Koop en verkoop heeft de jaren door plaats gevonden en zal ook altijd wel blijven plaatsvinden. De ene keer gebeurt dat onderhands, een andere keer in een openbare verkoop. Zo kocht Jan Zondervan in het najaar van 1886 bepaalde onroerende goederen van de erven Geert Kleen. Zij hadden bedongen dat betaling van de koopsom op 1 mei 1887 moest gebeuren. Zondervan bezat echter op dat moment niet voldoende middelen om aan zijn verplichtingen te kunnen voldoen. Gelukkig woonde op Huize Rollecate Baron van Dedem die genegen was om Zondervan een lening te verstrekken. De aflossing verloopt een beetje stroef, maar in 1915 is de hele schuld aan Van Dedem voldaan.

Van deze transacties zijn enige papieren bewaard gebleven, interessant genoeg om hier letterlijk over te nemen.

Nota van Kosten

gevallen op het door Jan Zondervan te Nieuwleusen
aangekochte van de Erven Geert Kleen aldaar.

- - - - - -

Koopsom
12 % is
Geert Schoemaker inzet-
pr(emie) en hoogg(eld)
D. Schuurman id.
Jan Witpeerd id
H. Brinkman id
Jan Seinen id
Arend Seinen id
Jacob Withaar id
GtJzn. Ruinemans id
Kamerhuur
Afslager
Aanwijzen
dispositie Arr.Regtbank
Koopacte

8 Dec 1886 op reken.
ontvangen

Koopsom boomen enz
10 %



Restant kosten en Koop
som boomen Saamen
honderdelfgulden en
achten twintig Cents ontvangen
                     Nieboer
f 111,28              den 10 mei 1887


ƒ 

-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
ƒ 

-

ƒ 
-

Totaal


184,20

13,50
4,50
6,50
7,50
4,50
2,50
4,00
4,00
2,50
2,50
2,50
13,68
    11,00
263,38

  250,00

89,00
      8,90

ƒ 






















ƒ 
= =

1535,00


















13,38


      97,90
1646,28
= = = =

(Deze cursieve tekst is later tussengevoegd. Onder de nota schreef Nieboer het volgende:)

Zondervan,

Omdat de erven Kleen bij mij op afrekening aandringen verzoek ik u beleefdelijk mij door betaling van het bovenstaande daartoe in staat te stellen. Zoo als u bekend is, de betaling is gesteld op primo Mei 1887.

Dalfsen, 6 mei 1887
W. Nieboer

- - -

Zondervan zag de bui al hangen en daarom begaf hij zich naar Baron van Dedem, waar onderstaande akte werd opgemaakt. De gedane aflossingen zijn in later jaren op de akte bijgeschreven.

De ondergetekende Jan Zondervan, wonende aan den Koeweg te Nieuwleusen, verklaart schuldig te zijn, wegens ter leen ontvangen gelden, aan den heer Mr. Willem Jan Baron van Dedem wonende op de Rollecate te Nieuwleusen, de som van negentien honderd gulden ƒ 1900,--, welke hij belooft te zullen verrenten met vier ten honderd in het jaar, verschijnende de eerste rente den eersten Mei 1800 acht & tachtig. De terugbetaling moet geschieden wanneer drie maanden te voren daartoe is aangemaand, terwijl de schuldenaar telkens kan aflossen zooveel hij verkiest.
Tot hoofdelijke borgen stellen zich de landbouwers Hendrik Westerman te Nieuwleusen, Derk Zondervan te Staphorst.
Rollecate, Nieuwleusen 1 mei 1800 zeven en tachtig.
Goed voor negentien honderd Gulden en rente.
                                                                          J. Zondervan.

Goed voor negentien honderd, Gulden, en rente.
                                                                          H. Westerman.

Goed voor negentien honderd Gulden en rente.
                                                                          D. Zondervan.


Hierop afgelost vijf en zeventig gulden op 1 Juni 1800 drie en negentig.

Rollecate, 1 Juni 93
W.J. v. Dedem

Afgelost 1 mei 97 ƒ 25,==

Afgelost 1 Mei 1898 één honderd en vijftig gulden.


Rest nog ƒ 1650,==

Rollecate 1 Mei 98
W.J. v. Dedem

Afgelost op 1 Mei 1907 vijftig gulden.
Rest nog ƒ 1600,==


W.J. v.Dedem

Nog op obligaties ontvangen 1 Juni 1914 één honderd gulden.

Dit afgelost 1915

v.Dedem

* * *

INHOUD VAN DE TWAALFDE JAARGANG _________________________________________________________

blz.
1  
8  
10  
12  
15  
18  
20  
22  
 
24  
25  
29  
30  
 
38  
40  
 
42  
47  
 
48  
48  
49  
53  
 
54  
 
57  
58  
59  
60  
 
62  
64  
67  
69  
71  
73  
77  
78  
79  
 
83  
 
87  
88  
 
90  
92  
96  

 
Doktoren in Nieuwleusen
Herinneringen
Verordening hondenbelasting
Kleine gedichten
Grondaankoop begraafplaats
Een oude groepsfoto XXV (CLS Den Hulst)
Een sfeervol boerenerf
Dominees in een nieuwe Amerikaanse nederzetting
Krummels
De gemeente gaat vooruit
Krummels
Benoemingsprocedure van een onderwijzer in 1771
Een oude groepsfoto XXVI(OLS De Meele)
Waar een kleine grafsteen toe kan leiden
 
Neurink
Grondaankoop
 
De schaopen van de olde scheper
Aanvulling namen groepsfoto XXV
Den geduchten watervloed van 1825
Advertenties uit de Dedemsvaartsche Courant van 4 maart 1939
Over de bewoners van Nieuwleusen in de loop der tijd
De knikkers op de varkensbrink
Krummels
Nieuwleusenaren in Canada
Een oude groepsfoto XXVII (OLS Nieuwleusen)
Schoolreisje
De zeisenkoopman
Vaste brug bij de Lichtmis
Boer's- en Spiekersweggie
Krummels
De overname van een museumcollectie
Over een uitvoering en een zakdoek
Krummels
Over de bewoners van Nieuwleusen in de loop der tijd II
Een oude groepsfoto XXVIII (CLS Nieuwleusen)
De varkensziekte
Uit Van der Aa's aardrijkskundig woordenboek
Rampen
Kopen en betalen, lenen en aflossen
Inhoud van de twaalfde jaargang

 
J.W. de Weerd
H.G. van den Berg
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
 
J. Goorden/
A. Schoemaker-Ytsma
B. van Duren
J. Goorden/
A. Schoemaker-Ytsma
 
 
J. ter Pelkwijk
 
 
 
 
 
 
 
 
 
Kabé
 
 
B. van Duren
 
 
K. Bijker-van Hulst
 
 
 
 
 
Kabé
 
 
G.J. Lammertsen
 
 





Jaargang 13 nummer 1-2 mei 1995

* * *


DE JAREN 1940 – 1945 IN NIEUWLEUSEN ______________________________________________________

"hou moed ons land
zal nooit een duitse provincie worden"

Inhoud:

blz.
3  
5  
19  
21  
23  

27  
31  
33  
41  
53  
59  
60  

62  
65  
67  
69  

77  
77  
79  
80  


Oorlogsmonument Nieuwleusen
Nieuwleusen in de oorlog
Jeugdherinnering uit de oorlogsjaren
De periode van 6 tot 14 april 1945
Het leven van een onderduiker in Nieuwleusen van 1943 tot 1945
Een neergestorte bommenwerper
De bemanning van de bommenwerper
Brieven Bart van der Graaf
Herinneringen aan de oorlog 1940-1945
Een Utrechtse evacuée in Nieuwleusen
Etenhalers en geschaad vertrouwen
Wie zag de schepen op 5 april 1945 door de Dedemsvaart voorbij komen?
De Nieuwleusener N.B.S. bij de bevrijding
Met bevrijders op de foto
Een mislukte overval
De verzetsgroep van "Het Schot" de boswachterij Staphorst en de bevrijding
De bevrijding in deze regio
Uit de Meppeler Courant
Voorwoord burgemeester Backx Oranjefeesten 1945
Colofon

* * *


OORLOGSMONUMENT NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Het oorlogsmonument van Nieuwleusen bestaat uit een zwart plateau met daarop een staande witte steen waarop een kruis en de tekst 'Ter gedachtenis aan de gevallenen 1940 - 1945". Voorin het plateau zijn acht zwarte stenen aangebracht waarop de namen vermeld zijn van evenzoveel Nieuwleusenaren die de bezetting niet hebben overleefd. Tot blijvende herinnering aan hen die in de oorlogsjaren hun leven lieten voor een vrij Nederland werd dit monument opgericht.

In 1994 is het monument "uitgebreid" ter herinnering aan de inwoners die in de periode tussen 1945 en 1950 in Nederlands-Indië het leven lieten. Ook hun namen werden op zwarte stenen aangebracht onder een eveneens staande witte steen.

De namen op het monument voor de gevallenen 1940-45 zijn:
1. Jan van Ankum, geboren 15 februari 1923 en afkomstig van de Meele. Hij werd als "onderduiker" gepakt en naar kamp Erika bij Ommen gebracht. Daar is hij bij een beschieting van het kamp door Engelse vliegtuigen om het leven gekomen.
2. Willem Beldman, geboren 7 april 1924. Zijn ouders woonden aan het Westeinde. Beldman diende bij een boer op het Kampereiland. Een landwachter die op een melkauto reed die geregeld de melk bij de boeren ophaalde, werd door een groep jongelui, waaronder Beldman, uitgejouwd. De man nam wraak en verschillende jongens van de groep werden later opgehaald door de Grünen; Willem Beldman toen hij een keer op bezoek was bij zijn ouders in Nieuwleusen. Hij kwam in een kamp in Duitsland terecht en is later in Zweden overleden. Bij het einde van de oorlog hadden de Zweden zich namelijk over de mensen in de Duitse kampen ontfermd. Voor Beldman kwam dat echter te laat!
3. Hendrik Brasjen Jzn. van de Visscherweg, geboren op 25 juli 1924. Hij wist geen vrijstelling te krijgen voor tewerkstelling in Duitsland. In de buurt van Hamburg kwam hij om het leven.
4. Lucas Gijsen, geboren 16 april 1924 en zoon van kapper Gijsen, werd verplicht in Duitsland werkzaamheden te verrichten, alwaar hij om het leven kwam.
5. Bart van der Graaf, geboren op 27 februari 1922, woonde aan de Ommerdijk, maar was ondergedoken in Apeldoorn. Voor een verjaardag bezocht hij zijn ouders. De terugreis naar zijn onderduikadres maakte hij per bus. Tijdens deze rit werd hij opgepakt. Van der Graaf heeft o.a. in kamp Amersfoort gezeten en werd later naar Duitsland overgebracht. Daar is hij omgekomen.
6. Gerrit Jan Luten, geboren op 1 april 1912. Tijdens een huiszoeking bij hem aan het Ruitenveen vond men een radio. Hij werd opgepakt en naar Duitsland vervoerd, alwaar hij overleed.
7. Hendrik Schoemaker Gzn., geboren op 4 september 1890, woonde in één van de boerderijen aan het Westeinde die bij de bevrijding van Nieuwleusen in brand werden geschoten. De Canadese bevrijders dachten dat daar nog Duitsers verscholen zaten, hetgeen niet het geval was. Hierbij kwam Schoemaker om het leven.
8. Hendrik van der Sluis, geboren op 22 september 1915 en afkomstig van de Dommelerdijk, was vóór de oorlog al als militair naar Nederlands-Indië gegaan. Hij diende op een schip dat onder commando stond van Karel Doorman. In de Javazee brachten de Japanners het schip tot zinken, waarbij Van der Sluis het leven liet.

Op het monument voor de gevallenen in Nederlands-Indië staan de volgende namen:
1. Jan Bijker Jzn., geboren op 3 juni 1926 en afkomstig van het Oosteinde nabij de Stouwe. Hij kwam om het leven door een ongeluk met een geweer. Bijker werd in Nederlands-Indië begraven.
2. Hendrikus Bloemhof, geboren op 3 maart 1927, afkomstig van de Meele, kwam in Nederlands-Indië om het leven bij een auto-ongeluk Ook hij werd daar begraven.
3. Hendrikus Mensink Janszn., geboren op 25 augustus 1925, kwam uit Den Hulst. Tijdens een gevecht sneuvelde hij en werd eveneens in Nederlands-Indië begraven.
4. Jan van der Sluis, geboren op 20 maart 1920, was een jongere broer van de eerder genoemde Hendrik van der Sluis van de Dommelerdijk. Jan ging naar Nederlands-Indië om zijn broer te zoeken, maar keerde ziek terug. In Davos, Zwitserland, overleed hij. Zijn graf bevindt zich op het kerkhof in Nieuwleusen.

* * *


NIEUWLEUSEN IN DE OORLOG _________________________________________________________

"10 mei 1940 ging Brug 6 de lucht in." Waarom die brug en wat gebeurde er met de andere bruggen?
Voor de inwoners van Nieuwleusen die het allemaal meemaakten is veel zo vanzelfsprekend, dat de verhalen voor anderen vaak onduidelijk en onvolledig zijn. Dat komt omdat er intussen zoveel veranderd is dat we de gebeurtenissen niet meer kunnen plaatsen in hun tijd.

Toen Duitsland in september 1939 Polen binnen viel, werd in Nederland de mobilisatie afgekondigd. Tijdens de mobilisatie werden verkeerspunten die van belang waren voor het doorgaande verkeer in ons land, versterkt en verdedigd. Langs de Dedemsvaart waren dat: Brug 6 (omdat daarover de provinciale straatweg van de zuidzijde over de brug naar de noordzijde van de vaart ging), de Baanbreker bij De Krim (samenkomst van wegen) en bij Gramsbergen. Wonderlijk genoeg werd het Lichtmisviaduct niet bewaakt. Pas aan het einde van de oorlog hielden de Duitsers het bezet. Men was tijdens de mobilisatie blijkbaar alleen beducht voor de oost-west verbindingen. Tijdens de bouw waren nissen in de betonnen palen ingebouwd, waar in geval van nood dynamiet ingestopt kon worden, maar ook dat is niet gebeurd.
Op vrijdag 10 mei om ongeveer 4 uur 's morgens vernietigden de militairen het draaiwerk van Brug 6, waarna ze zich terug trokken richting IJsselbrug.
Tegen half zes kwamen de vliegtuigen terug uit het westen. Ze werden daarbij achtervolgd door Nederlandse vliegtuigen. 's Middags trokken 23 Duitse cavaleristen langs de Dedemsvaart. Ze hadden mitrailleurs bij zich, die in kisten aan weerszijden van de paardenruggen hingen. Ze trokken langs het kanaal en over de Leidijk naar Staphorst richting Friesland, waar bij de Afsluitdijk hevig is gevochten.
Op 12 mei, eerste Pinksterdag, ging in omgekeerde richting een wagen met gesneuvelde en gewonde Duitse soldaten terug naar Duitsland. In de buurt van de Rollecaterbrug werd enige tijd rust gehouden, waarbij muziek moest voorkomen dat de omgeving het kreunen en kermen van de zwaargewonden zou kunnen horen.
Tweede Pinksterdag reden 2 of 3 Duitse tanks langs de zandkant van de Dedemsvaart.
De gemeente ontving, zoals overal, een verordeningenblad waarin de bezetter alle maatregelen aankondigde die moesten worden uitgevoerd, gecontroleerd en nageleefd.

Na de capitulatie in 1940 kwamen de militairen weer naar huis. Grietje Kreule vertelt dat ze nog heel goed weet wat een angstige dagen dat voor haar moeder waren, omdat haar vader niet terug kwam. Als haar moeder op een bepaalde plek bij de boerderij ging staan kon ze zien en horen of de bus van Zwolle bij het station Dedemsvaart stopte. Ze liet zich daar niet vanaf brengen door een ongeduldig, vragend kind. Telkens kwam er niemand en begon een volgende periode van onzekerheid. Tot de dag dat haar moeder weer voor het huis stond te kijken en te luisteren en haar vader het achterhuis binnenstapte. Oma kwam aanrennen, roepend dat hij weer thuis was.
Waarom zoveel dagen later? Hij was bij de cavalerie en de paarden zo aan hun lot over laten, dat konden de mannen niet over hun hart verkrijgen. Pas toen de zorg over de paarden was geregeld, kon de terugkeer naar huis beginnen.
Hij vertelde nog hoe ze op hun paarden van Brabant naar de Grebbelinie voortdurend beschoten waren.

In de eerste jaren van de oorlog kwam slechts een enkele keer een Duitse bezetter de gemeente controleren en kwamen Duitse officieren de piloot van het in de omgeving van Brug 6 neergeschoten vliegtuig ophalen. Toen vroegen neergeschoten vliegeniers nog waar ze zich moesten overgeven en burgers wezen hen de weg naar het gemeentehuis!
Een neergeschoten vliegtuig betekende "jacht" voor de bevolking. Al vlug waren verrekijker, kaarten, parachutes en andere waardevolle zaken verdwenen.

Hoe was de situatie vlak voor de oorlog? Er waren geen werklozen maar wel veel dagloners en er was armoede. De gemeente kende B-steun, die bestond uit aanvullende bonnen waarmee je bijvoorbeeld vlees kon kopen.
De diaconie van de kerk hield jaarlijks extra collectes bij de mensen thuis en gaf aan de postbode enveloppen met geld mee voor de mensen die zonder die bijstand niet konden leven. Het ging allemaal in stille beslotenheid en onzichtbaar voor buitenstaanders.

De directeur van de zuivelfabriek in Den Hulst was een groot voorstander van de nieuwe orde en ging veel bij mensen op bezoek om hen te overtuigen van de noodzaak van politieke veranderingen. Hij kreeg veel medestanders en hierbij waren, zoals overal, mensen die de Nationaal Socialistische ideeën overnamen maar daarbij de gemeenschap niet nodeloos in gevaar brachten. Er waren anderen die actief afdwongen dat regels van de bezetters werden uitgevoerd en die er op uit waren mensen aan te geven wanneer ze meenden dat die het "grote belang" achterstelden en de bevelen van de bezetters tegenwerkten.
Naïef, omdat niet vermoed werd dat daarmee mensen in gevaar gebracht werden, werd zo 's zondags getrouw de kerk bezocht en gecontroleerd wat de dominee zei en gerapporteerd aan de partij wat gehoord was.
Er was stil verzet. Mensen wisten wat er gebeurde en praatten daar alleen over met wie ze kenden en vertrouwden. Daarbij probeerde iedereen die niet goed op de hoogte was, natuurlijk achter de waarheid te komen. Gepraat wordt er altijd, ook in de oorlog.
Het verzet was een puur persoonlijke zaak, waarin mensen van verschillende godsdiensten en maatschappelijke functies zaten.

Meester Oldenbeuving, hoofd van de christelijke school op De Meele speelde een sleutelrol in het verzet. Zo vertelde Grietje Kreule: "Ik heb nog met Ed van Thijn gespeeld." Die kwam bij hen thuis logeren, waarbij de kinderen geacht werden niet te weten dat het om een onderduikerskind ging. Ze was toen ongeveer 6 jaar oud en zei tegen haar moeder zoiets als: "Oh, maar ik weet wel wie dat is, want op school mag hij in de pauze met ons spelen." "Oh, die meester Oldenbeuving is soms toch ook zo roekeloos." hoorde ze haar moeder toen mompelen. Kort daarop kwamen er Duitse soldaten om een inkwartiering te regelen, die de kinderen ook het een en ander vroegen en daarbij Edje, omdat ze wel zagen dat het geen gewoon boerenkind uit de streek was, extra veel aandacht gaven. "Wat een aardige mensen waren dat," zei hij na afloop tegen haar moeder, maar die wist wel beter en nog dezelfde middag werd hij naar een vertrouwd adres gebracht. Gelukkig liep dit alles goed af.

De christelijke school op de Meele lag dicht bij de spoorlijn en regelmatig vlogen vliegtuigen laag over om treinen te beschieten. De eerste keer dachten de kinderen dat de wereld verging, maar later wenden ze eraan. Meester floot en dat betekende: snel allemaal op de grond gaan liggen. Eén keer was de schrik weer enorm, toen vlakbij een bom ontplofte. Er is weinig geraakt en vernield als je nagaat hoe vaak er beschietingen plaats vonden. Toen de bombardementen toenamen werd de school gesloten omdat het een te gevaarlijke plek werd en bleven de kinderen thuis.

Betrekkelijk in het begin van de oorlog kwam een verdwaalde bom in het Westerveen terecht en ontplofte vlak bij het huis van Egbert Steenbergen en Jansje Gerrits. De ruiten sprongen en Jansje kreeg daarbij een glassplinter in het oog dat ze later moest missen.



Vanaf 1943 verscheen een ondergronds blaadje LUCTOR ET EMERGO. Het werd uitgegeven met de bedoeling de mensen beter voor te lichten, aangezien de berichten in de Zwolse Courant "getint" werden weergegeven. Op een eenvoudige schrijfmachine werd de tekst uitgetikt en daarna op een eveneens eenvoudige stencilmachine afgedrukt. Dat gebeurde op papier dat afkomstig was van de melkfabriek. In het begin besloeg de tekst niet meer dan één velletje. Het blaadje werd verspreid door koeriersters, die het in hun directoire verborgen. Zij brachten het onder andere naar Meppel, Ommen, Zwolle, Balkbrug en Dedemsvaart. Later werd het ook in Drenthe verspreid, waarbij het ook daar op enkele adressen werd vermenigvuldigd.

Op 31 augustus 1944 verscheen nummer drie van de tweede jaargang en op 5 mei 1945 no. 28. In dit nummer wordt zonder angst voor oppakken vermeld: Oprichter: H. Brassien. Hoofdredacteur H. Oldenbeuving. Redacteuren: F. van Westen en J. van Westenbrugge. Medewerkers waren: J. van Aarst, J. Snorrewind en Alb. Klein. Administratie: Brederostraat 43, Zwolle. (Dat was het woonhuis van Frans van Westen, voor de oorlog en tot 1942 hoofd van de Koningin Emmaschool in Zwolle en daarna betrokken bij de Noord-Oost­Polder). Er waren plaatselijke uitgaven.
In het nummer van 25 april 1945 staat: "Verschijnt voor Nieuwleusen dagelijks. Vertegenwoordiger voor Nieuwleusen: J. van Giessel te Den Hulst." Er wordt bericht over de voedseldroppingen in West Nederland, en "NIEUWLEUSEN: De jongens van de N.B.S. zijn na de bevrijding van Nieuwleusen gedetacheerd naar de IJssellinie. Ze mochten daar op 14 april 1945 Wilsum binnentrekken als de eersten van de Geallieerde strijdmacht. Ze worden in Wilsum gezien als de bevrijders van die plaats. Daarna trokken ze vóór de Canadezen uit Kampen binnen en kwamen daar als eersten die plaats binnen".
"VLAGGEN IN. De Plaatselijke Commandant maakt bekend, dat het vlaggen met ingang van heden is geëindigd. De vlaggen moeten ingenomen worden en kunnen op 30 April 1945, verjaardag van H.K.H. Prinses Juliana weer worden uitgehangen."

Van belang voor nu is het ook te weten dat er in 1939 een grote mond- en klauwzeer epidemie onder het melkvee uitbrak, waaraan veel koeien bezweken. In deze noodsituatie moesten de boeren zich in september 1939 laten registreren om bonnen voor veevoer te kunnen krijgen. Later werd men via deze weg verplicht melk te leveren, die zoals alles op bon kwam.
Voor dit systeem was in elke gemeente een Bureauhouder aangesteld, die ressorteerde onder het Ministerie van Voedselvoorziening. In Zwolle zat de Provinciale Voedselcommissaris. In Nieuwleusen was Schiphorst bureauhouder, eerst met kantoor aan huis, later met kantoor aan de Ommerdijk(Backxlaan) bij de Molenhoek.
Bij de mei-staking in 1943 kwam ook een landelijke actie waarbij de boeren weigerden nog langer aan dit systeem mee te werken. Burgemeester Backx stond achter de boeren en weigerde de maatregelen uit te voeren.
Eens werd een dorsmachine in brand gestoken. De gedachte achter die daad was, dat men dan geen koren voor de bezetter kon dorsen. Maar daarmee werd ook de eigen bevolking getroffen.
Vanwege zijn weigering de verordeningen uit te voeren, werd burgemeester Backx uit zijn functie ontheven. Hij dook op 14 mei veiligheidshalve, samen met zijn vrouw, onder in Hemmen bij Arnhem, de gemeente waar hij voordien ambtenaar was geweest. Hij zou daar later als gevolg van oorlogshandelingen tijdens de Slag om Arnhem al zijn bezittingen verliezen, waaronder kostbare fotoalbums.
Vanaf 14 mei tot 22 september 1943 was wethouder H. Prins loco­burgemeester. Per die datum werd J. D. van Arkel benoemd tot burgemeester. Nieuwleusen had het geluk door de benoeming van Van Arkel niet iemand te krijgen die een actief onderdrukkingssysteem instelde maar die meer dom was dan echt slecht voor de bevolking. Op een dag kreeg hij toevalligerwijze post in handen, in een dienstenveloppe verstuurd, waarin tekst voor een blaadje van de ondergrondse zat die bestemd was voor meester Oldenbeuving, die toen al weg was naar Drenthe. Die post heeft hij teruggestuurd naar de anonieme afzender (die hij meteen herkende als het handschrift van Van Aarst, hoofd van de school te Ruitenveen, die beroepshalve over dienstenveloppen beschikte) met het verzoek dergelijke post in het vervolg niet meer in overheidsenveloppen te versturen.
Post in enveloppen van een steenkoolhandel uit Den Haag bevatte blaadjes voor de ondergrondse. Dat wisten de mensen die met de post omgingen, maar ze bezorgden die gewoon, wetend bij wie ze verder terecht kwamen.

"Veldwachter" Holties was al vanaf 1920 gemeente-veldwachter in Nieuwleusen. Hij was opgegroeid in de omgeving van Emmen, had zijn opleiding in Duitsland gehad en was Duitsgezind maar was geen voorstander van de ideeën van de bezetters. De publieke opinie was echter wel tegen hem en pesterijtjes, ook al waren ze niet persoonlijk bedoeld, raakten hem.
Op verschillende plaatsen in de gemeente stonden bordjes "Zum Bürgermeister" en op de gemeentegrens bij Avereest werd dat bordje wel eens de verkeerde kant opgezet en het viel op een dag in de sloot. Wel wetend wie dat gedaan had, hield Holties de volgende dag een man aan toen hij met een vracht hooi over het Westeinde op huis aan reed. "Heb je daarvoor vergunning?" "Nee, dan ga je mooi op de bon, want jouw vrouw heeft... " Moest je voor hooivervoer dan vergunning hebben, vragen wij ons nu af of was het alleen terugpesten?

In de oorlog was alles wat de boeren aanging geregistreerd. Controleurs van de CCD (crisis controle dienst) moesten dat doen; de hoeveelheid koeien, de melkproductie, de aardappelen, rogge, haver enz. die geoogst werd. Er waren regels hoeveel procent de boer zelf mocht houden en hoeveel verplicht en tegen vastgestelde prijzen verkocht moest worden aan de overheid.
Deze controleurs waren mensen uit het dorp, die door de oorlog geen ander werk meer konden vinden of geen klanten meer hadden voor het beroep dat ze uitoefenden. Ze gaven wel de goede raad vóór de registratie meer weg te zetten dan toegestaan was. "Meer is er niet afgekomen dan wij bij de controle zien", was hun houding.
De van buiten het dorp aangestelde controleur was juist heel fel in het precies registreren van waar de overheid meende recht op te hebben. Boeren verkochten, net als iedereen die de kans kreeg, buiten die verplichting om, omdat de prijzen slecht waren en de nood hoog. Ook was er veel ruilhandel.
Terug naar veldwachter Holties: Er werd in de oorlog veel clandestien geslacht en als hij dacht dat een boer daar weer aan toe was, controleerde hij dat niet om ze aan te geven, maar liep tegen die tijd eens langs met een opmerking als: "De pot moet eens weer gevuld worden". Die boer wist dan dat hij voor Holties niet meer bang hoefde te zijn en ook wel wat hij bij hem binnen de deur moest zetten.
Toen Holties 25 jaar veldwachter was, kwamen NSB-superieuren om dat met hem te vieren. Die wees hij de deur: "Als je daarvoor komt, kun je wel weer gaan, dat vier ik met de mensen uit de gemeente", of woorden van die strekking, heeft hij gezegd.

In 1941 werden de persoonsbewijzen ingevoerd voor alle inwoners van 15 jaar en ouder. Op vertoon van dat bewijs kon je bonkaarten krijgen.
Hoewel in Nieuwleusen geen Duitse militairen of ambtenaren aanwezig waren, kon door die persoonsbewijzen de bezetter toch wel bepalen wat ze van de mensen wilde en in 1943 moesten mannen ouder dan 16 jaar zich melden om te werken voor de overheid. Veel jonge mannen doken onder en de mannen van de Landwacht, Nederlanders in Duitse uniformen, hadden de taak hen op te sporen.
Later werden ook de hoofden van scholen aan de tand gevoeld over de verblijfplaats van "zoekgeraakte" personen.
Zo trok meester Siefers altijd "het veld in" als er wat gebeurde of als er razzia's waren. Hij had dan niets gezien en kon ook niets vertellen. Op een dag was hij bij de familie Van Berkum aan de Kringsloot, waar ze "in de geute" rond de tafel zaten, het oog op het Westeinde omdat de razzia's altijd vanuit Zwolle werden georganiseerd. Er waren verder nog een oom, een zoon en een neef aanwezig. Opeens gerammel aan de achterdeur en paniek. De zoon er toch maar naar toe. Bleken het Duitsers te zijn die uit de richting van Oudleusen waren gekomen en eieren wilden. Hij ging met ze mee naar het kippenhok en zo liep alles goed af.


Persoonsbewijs van Hendrik Jan Sterken, afgegeven op 22 oktober 1941.

Grietje Kreule vertelde hoe haar vader en moeder eens 's morgens op weg naar het weiland om de koeien te melken een groep Duitse soldaten tegenkwamen. Persoonsbewijzen werden gecontroleerd en ze mochten verder gaan. Met hen was het goed afgelopen, maar thuis sliepen de grootouders, de kinderen en de "gasten" nog en dit kon razzia betekenen. Wat te doen? Bij het weiland aangekomen ging de moeder dwars door de weilanden en over de sloten naar huis om te waarschuwen en daarna weer dezelfde weg terug. Na het melken gingen ze samen weer de gewone weg naar huis. Er waren geen Duitsers meer te zien en thuis was niets gebeurd. Zo kon op de meest onverwachte momenten de schrik toeslaan.
De heer Meijerink, die in mei 1943 vanwege de Arbeitseinsatz in zijn ouderlijk huis aan de Rollecate onderdook, vertelde dat hij 's morgens bij het leeggooien van de aslade regelmatig mensen van de Sicherheids Dienst vanuit kamp Erika bij Ommen langs het kanaal richting Friesland zag rijden om opgepakte onderduikers op te halen. In juni 1944 werd het thuis te gevaarlijk en daarom vertrok hij naar een oom in Ankum.
Daar liep hij de NSB-burgemeester van Dalfsen, op inspectie naar een goede plaats voor een lanceerinrichting voor de V2's, tegen het lijf. "'t Liekt me dat ze hier niet zo beschermd staat", zei hij heel gewiekst. "Nee, dat lijkt mij ook niet", was het antwoord. "Wist je wel wie je daar tegen kwam", werd hem naderhand gevraagd. "Nee, maar 't leken me wel belangrijke, dus gevaarlijke, mensen en zo heb ik het maar gedaan."
Ook kwam hij een keer een koerierster tegen die op weg was naar een huis in het Sterrebos aan de andere kant van de Vecht, waar burgemeester Winia van Alkmaar was ondergedoken en daar een illegale drukkerij voor de ondergrondse had. Ze vroeg of het veilig was in Dalfsen. Dat was afhankelijk van de situatie en of er Wehrmachtmensen op de brug stonden. Met adressen voor een veilige schuilplaats is ze verder gegaan.

Op 6 maart 1943 werden twee Engelse vliegeniers, Sergant A.C. Loveland en sergant David Leyson krijgsgevangen gemaakt.
In het Palthebosje was in de oorlog nog een moddergat een klein eindje achter de kerk. Op een dag ontdekte de ondergrondse Duitse verkenners of spionnen. Bij de achtervolging vluchtte een van hen in die modderpoel en bleef daar lange tijd, door een rietstengel ademhalend. Later is hij toch gevonden. Ook is een Duitser eens gepakt die door het inslikken van een pil zelf een einde aan zijn leven maakte.
De verzetsgroep uit het Staatsbos kwam eens binnen bij een N.S.B.-boer bij Brug 6 om een fiets op te eisen. Een van de zoons die juist de aslade in de handen had, raakte in paniek en smeet de nog hete inhoud richting verzetsgroep. Geschrokken werd er geschoten en daarbij werd de zoon zodanig geraakt dat hij overleed. De Duitsers kondigden op aanplakbiljetten represaillemaatregelen aan als de daders zich niet meldden.
Toen op de Dommelerdijk eens een semi-militaire vrachtauto door een Amerikaans vliegtuig werd beschoten, kroop een van de twee inzittenden onder de auto en werd daardoor doodgeschoten.

In de winter van 1944 is een boerderij aan het Lichtmiskanaal door mensen van het verzet in brand gestoken om de bewoners te straffen. Daar zijn voor de bevolking geen represaillemaatregelen uit voortgekomen. Wel is aan de gemeente de opdracht gegeven ƒ 40.000,- te betalen voor de bouw van een nieuwe boerderij. Dat geld is nooit betaald, maar de boerderij is wel weer opgebouwd. De verzekering betaalde na de oorlog als er bewijzen waren dat een brand gesticht was door een georganiseerde verzetsbeweging.

In mei 1943 kwamen 36 evacués uit Den Haag naar Nieuwleusen. De bezetters wilden daar een bredere onbewoonde kuststrook hebben en ontruimden huizen. Het waren meest vrouwen met kinderen en oude mensen. De gemeente moest maar zien een onderkomen voor hen te vinden. Burgemeester Backx, die als "spek en vuur" met de notaris was, vond dat in het grote huis van de notaris ook wel mensen ondergebracht konden worden en was ongevoelig voor de mening van de notaris dat hij ze dan zelf ook in huis kon nemen. De notaris wist met een wethouder te regelen dat er toch geen mensen in zijn huis kwamen "omdat hij dat voor zijn kantoor nodig had".
De evacués kregen geld van de gemeente, die dat weer declareerde bij het rijk. Evacués werkten ook wel en moesten dan hun inkomen opgeven bij de gemeente zodat dit op de uitkering kon worden ingehouden. Dit moest gecontroleerd worden, want dat gebeurde niet vanzelf.
Na de opmars van de geallieerden in Limburg kwamen daar vandaan ook evacués, die werden ondergebracht in school C in Den Hulst. De laatste oorlogswinter werden honderden kinderen uit de grote steden van het westen hier bij boeren ondergebracht. Bijna huis aan huis was wel een kind en soms twee als er sprake was van een jonger broertje of zusje.
Na de oorlog zijn er contacten gebleven met evacués. Hoeveel is ons niet bekend, maar voor iedere eerste zondag van het nieuwe jaar ontving de familie L. Kok een brief van een evacuée. Toen die opeens een keer niet kwam was de moeder heel ontdaan en ongerust. Wat een verrassing toen die zondagmorgen de briefschrijfster zelf met haar kinderen op bezoek kwam! En zo is het gebleven. Nog ieder jaar komt ze de eerste zondag van het jaar op bezoek.

Al voor de oorlog verstrekte de regering een distributie-stamkaart aan de bevolking. Deze kaart zou voor het verkrijgen van bonkaarten gebruikt moeten worden. Zwangere vrouwen kregen op vertoon van een "Bewijs van voorrang" extra bonkaarten.



Extra verklaringen Distributiekaarten

In 1943 brak ook een dysenterie-epidemie uit in Nieuwleusen. Binnen een uur was het eerste slachtoffer overleden. Op een dag waren er zes doden te betreuren. Bij de toegangswegen van het dorp werden borden geplaatst met de waarschuwing dat het ging om besmet gebied waar dysenterie heerste.
Rond de bevrijding werd het dorp ook nog getroffen door een difterie-epidemie.

Ook in 1943 kwam er een door Duitse militairen bemande "lucht­wachtpost" nabij de Ommerdijk. Pas toen kwamen er in het dorp vier Duitse militairen. Ze werden ingekwartierd in de huizen aan de overkant. Vanuit deze post, een houten barak die streng werd bewaakt, werden de vluchten van de geallieerde luchteskaders doorgegeven.
Deze post hebben de verzetsmensen uit het dorp nog willen bezetten, maar onder druk van anderen hebben ze hiervan afgezien. De motieven waren dat de represaillemaatregelen andere leden van de plaatselijke bevolking zouden treffen en niet de verzetsmensen.

Vlak voor de bevrijding kwamen twee mannen van de verzetsgroep uit het Staatsbos, gekleed in Duits uniform naar de burgemeesterswoning de auto van de brandweer vorderen.
Na de oorlog heeft burgemeester Backx een brief naar het Ministerie van Binnenlandse zaken gestuurd om geld te krijgen voor vervanging van de "gevorderde en kapot geschoten brandweertrekker".

W. ten Kate uit Balkbrug vertelt in de Zwolse Courant van 10 april 1985 hoe hij op 7 april 1945, nadat drie Canadese tanks vanuit Dedemsvaart richting Balkbrug waren gepasseerd, voor de Canadezen naar Dedemsvaart moest.
Op de terugweg, toen hij van de Zuidwoldigerstraat bij de Langewijk aankwam, reed daar juist een tank langs waarop onder andere de NSB-burgemeester Van Arkel van Nieuwleusen en de boerenleider uit Balkbrug zaten, die gevangengenomen waren.

Toen 9 april 1945 het gerucht ging dat de Canadezen al in Balkbrug waren en verder trokken richting Den Hulst en de Meele waren er mensen die uit nieuwsgierigheid hen tegemoet gingen. Zo ontstond er een samenscholing bij de boerderij van de familie Visscher op de Meele, ongeveer 100 meter ten westen van de Jachtlusterallee. Dit groepje werd door de inmiddels in hun gevechtswagens gearriveerde Canadezen voor Duitsers aangezien en het vuur werd op hen geopend. L. Kok werd door de fiets geschoten die hij aan de kant had gesmeten toen hij zelf in de sloot was gesprongen. Men kon het later bij thuiskomst nog goed zien. Hij zat helemaal onder het kroos. Een kogel had de velg van de fiets doorboord en de band was lek.
De dochter van Hogezand is daarbij gewond geraakt en naar het ziekenhuis in Coevorden gebracht. Ze heeft het goed overleefd.
De kogels vlogen ook dwars door het dak van de boerderij van Visscher en daarbij raakte op de deel een hoopje stro in brand. De oude mevrouw Petter, die daar ook in huis was, had gelukkig de tegenwoordigheid van geest om dat meteen te blussen. Op de boerderij werd gauw een witte vlag geplaatst.
Hoewel de Canadezen langs de Dedemsvaart al tot de Rollecaterbrug waren gekomen, trokken ze zich 's avonds weer terug omdat de Duitsers de Lichtmis en de spoorlijn met tankgeschut bezet hielden, waarvan ze wisten dat hun gevechtswagens daar niet tegen opgewassen waren. De Duitsers onderzochten dan 's avonds de zandsporen en vroegen waar de "Tommies" waren gebleven.
De Canadezen schoten een keer richting De Meele toen ze daar vijandelijke beweging meenden waar te nemen. De granaten, die je langs hoorde vliegen, kwamen bij de twee boerderijen van Koop en Luuks Timmerman, aan de zandkant van de Dedemsvaart tussen de Rollecaterbrug en het staatsspoor.
Aan het Westeinde, tegenover waar vroeger bakker Dunnink woonde, stonden in een bosje (dat er toen nog was) twee Duitse tanks verdekt opgesteld. Toen ze vluchtten voor de geallieerden hebben de Duitsers er een meegenomen en de ander in brand gestoken.
Daar vlakbij, iets verder het veld in, is ook een vliegtuig neergekomen dat niet ontploft is, maar helemaal de grond ingeboord werd. Hoe dat ontmanteld is weten we niet, maar veel mensen hadden nadien een stuk rubber als buitenmat voor de deur liggen.

Gevechtscommando's die op 10 april via Oosteinde en Westeinde in westelijke richting trokken, stootten in de nabijheid van de Hoevenbrug op een groep bezetters. Geen nood, de commando's schoten vanuit hun gevechtswagen met lichte granaten dwars door de boerderijen heen. De bewoners moesten maken dat ze wegkwamen. Men weet zich te herinneren dat ze door een sloot kropen. Anderen weten nog dat ze een nacht ergens anders hebben geslapen en dat de dag daarop alles weer rustig was. Eén bewoner, H. Schoemaker, kwam bij de beschieting om het leven.
Grietje Kreule herinnert zich dat haar moeder 's avonds toen ze hoorde dat er aan het Westeinde boerderijen in brand geschoten waren, geen rust meer had en er op de fiets naar toe ging omdat haar broer met zijn familie daar woonde. Bij de Koedijk kwam ze hen tegen, op weg naar de familie Van Leusen voor onderdak, omdat de boerderij inderdaad was afgebrand. Gerustgesteld dat het met de mensen goed was afgelopen ging ze weer naar huis.


* * *


JEUGDHERINNERING UIT DE OORLOGSJAREN _________________________________________________________

A. Kreule

In de bezettingsjaren waren er in Nieuwleusen kinderen uit het westen van het land die hier logeerden omdat daar niet genoeg te eten was voor iedereen. In 1943, ik was toen 14 jaar, hadden we met een tiental jongens, waaronder ook westerlingen, een luchtvaartclub opgericht met het doel het bouwen van modelzweefvliegtuigen en er mee vliegen. Dit vliegen hield in het toestel (lengte ca. 75 cm., vleugelbreedte 100 tot 150 cm.) met een touw, waaraan een ring bevestigd was, tegen de wind in omhoogtrekken. De ring zat achter een haak onder aan het vliegtuigje en wanneer dit ongeveer recht boven je was, gleed de ring vanzelf van de haak en vervolgde het vliegtuig windafwaarts zelf zijn weg.



Op ongeveer 200 tot 300 m. westwaarts vanaf de plek waar zich nu de tennisbanen van Nieuwleusen bevinden, hadden de Duitsers een zgn. luchtwachtpost gebouwd. Dit was een houten gebouw waar grote kijkers en andere apparatuur waren opgesteld om het luchtruim af te zoeken op vliegtuigen. Als er vijandelijke bommenwerpers vanuit Engeland richting Duitsland koersten, werden allerlei gegevens zo snel mogelijk doorgegeven aan het overal opgestelde afweergeschut, zodat die paraat waren om de vliegtuigen neer te schieten.
Op een mooie zomeravond in juli 1943 hadden we weer gevlogen op een stuk schoon hooiland ongeveer 1 kilometer ten westen van de luchtwachtpost. Het lukte vrij aardig maar de balans liet wat te wensen over omdat de neus te licht was, zodat het toestelletje een wat golvende vlucht maakte.
's Avonds gingen we op tijd naar bed. In de zomertijd was er genoeg te doen op de boerderij en zoals mijn vader altijd zei: "Het is morgen weer vroeg dag". Omstreeks een uur of elf hoorde ik gerammel aan de buitendeur en een mannenstem die in het Duits vroeg de deur open te maken. Mijn vader kwam op het geluid af en opende de deur voor een drietal Duitsers. Ik sliep in een bedstee voor op de deel en hield de deurtjes op een kier zodat ze mij niet konden zien, maar ik wel kon volgen wat er gebeurde. Het kwam er op neer dat ze het zweefvliegtuig wilden zien wat in de afgelopen avond op de achterliggende landerijen was geland. Mijn vader begreep het eerst niet goed maar Roelof Hogenkamp, die toen bij ons werkte, kwam er bij en vertelde dat het om mijn zweefvliegtuigje ging. Mijn vader vond toen dat ik er ook maar bij moest komen. Ik ging het gezelschap voor naar de stal waar het toestel lag. Ze namen het in de hand en barstten toen in lachen uit!
Wat was er gebeurd? De persoon die 's avonds dienst had op de luchtwachtpost had het zweefvliegtuigje in de kijker gekregen en gedacht dat het een Engels vliegtuig was, dat door zijn golvende vlucht door een onervaren piloot bestuurd werd en dat het in de buurt geland was. Hij heeft toen onmiddellijk naar Zwolle gebeld om versterking. Er kwam een motor met zijspan, waarna ze op de landerijen aan het zoeken zijn gegaan. Vanzelfsprekend vonden ze niets, maar tenslotte stootten ze wel op Roelof die naar zijn ouders was geweest, ongeveer 1 kilometer achter ons. Ze vroegen hem of hij een vliegtuig had zien landen. Nee, dat had hij niet, maar toen ze er nog wat over door praatten, vertelde hij de Duitsers dat de jongens wel met zo'n klein vliegtuigje bezig waren geweest. Nu dit wilden ze dan wel eens zien en Roelof moest hun de weg wijzen. Toen ze het modelzweefvliegtuigje zagen hadden ze in de gaten dat dit het bewuste vliegtuig moest wezen. Het gevolg was wel dat ik niet weer mocht vliegen en dat het voor mijn vader nog een hele toer was om de Duitsers zonder een al te groot stuk spek de deur weer uit te krijgen!

* * *


DE PERIODE VAN 6 TOT 14 APRIL 1945 _________________________________________________________

Hoe zit dat nu? Hoe kan de NSB-burgemeester Van Arkel nu al op 7 april afgezet en afgevoerd zijn als Nieuwleusen op 13 april pas bevrijd is?
Jan Dirk van Arkel was naast burgemeester van Nieuwleusen sinds 13 juni 1944 ook waarnemend burgemeester van Avereest. Hij verbleef dus niet uitsluitend in Nieuwleusen, waar hij bij café "De Viersprong" in pension was.
Nieuwleusen is bevrijd door het 1Oe peloton van het Toronto Scottish Regiment en die behoorden tot de grote legereenheden die opereerden in het Duits-Nederlandse grensgebied.


Er waren twee grote legereenheden die naar het noorden optrokken; de 2e en de 3e Canadese Divisie (Zie kaartje). Omdat de 3e Divisie niet zo'n snelle voortgang maakte is Overijssel vooral door compagnies van de 2e Divisie bevrijd.
Verkenningseenheden werden vooruitgestuurd om af te tasten wat de sterkte van de Duitse garnizoenen was. Ze trokken daarbij ver vooruit en ook ver opzij, om te kijken of er nog flankaanvallen van Duitse troepen te verwachten waren.
Dit gebeurde uitsluitend overdag. 's Avonds trokken ze zich terug achter de eigen hoofdlinie. Dat was hier helemaal in Lutten en Hardenberg, want ook Dedemsvaart en Balkbrug hadden 's nachts dezelfde "niemandsland"-situatie als Nieuwleusen.
Uit een gevechtsverslag van het Toronto Scottish Regiment blijkt dat ze op 13 april enorm hebben rondgezworven en dat de brencarriers op deze dag enorm ver van elkaar hebben geopereerd.
Ze waren in Assen en Vries, zowel als in de omgeving van Meppel. "De C-compagnie verlaat in konvooi het hoofdkwartier; het 9e peloton gaat naar Vilsteren, het 8e peloton gaat naar Den Hulst en het 10e peloton naar Nieuwleusen, waar de commandant omstreeks 6 uur 's avonds Nieuwleusen tot bevrijd gebied verklaart. Er zijn veel mensen voor de kerk. De klokken van de Hervormde Kerk worden geluid en op het gemeentehuis wordt de vlag gehesen. De bevolking stroomt toe, dol van vreugde."
De A-compagnie veroverde die dag Meppel.

* * *


HET LEVEN VAN EEN ONDERDUIKER IN NIEUWLEUSEN VAN 1943 TOT 1945 _________________________________________________________

Chris Vreugdenhil

Het was 1943 en ik was tuinarbeider in het Westland, in Honselersdijk. Ik ben in 1923 geboren en iedereen van mijn leeftijd moest naar Duitsland. Bij de Gereformeerde kerk waren de namen bekend van iedereen die naar Duitsland moest en een ouderling kwam met mij praten over wat ik zou gaan doen.
Al snel bleek dat de ouderling er voor was dat ik zou onderduiken en dat heb ik toen ook besloten te doen.
Ik heb me nog wel laten keuren voor Duitsland en ik heb het geld aangenomen dat je kreeg als je naar Duitsland ging.
Op zondagmiddag moesten we na de kerkdienst bij de kerkeraad komen en toen werden we toegesproken door de dominee.
We moesten op maandag 12 juli om 7 uur bij de bus staan die ons naar Den Haag zou brengen. We waren met z'n drieën en de schilder van het dorp, Rien Honselaar. Hij bracht ons weg, maar we moesten doen alsof hij niet bij ons hoorde. In Den Haag moesten we een treinkaartje naar Zwolle nemen. We wisten helemaal niet waar we naar toe gingen en mijn meisje (nu mijn vrouw) en ook mijn ouders wisten het niet.
We zijn in Zwolle aangekomen en van daaruit met de bus naar Nieuwleusen gegaan. We kwamen aan in de Kerkenhoek en hebben daar iets gedronken. Wij vroegen daar waar Albert Kleen woonde en nadat het ons was uitgelegd, zijn we naar hem toegegaan.
Wij zagen daar bij aankomst een bus karnemelk staan en hij vertelde ons dat die melk voor het vee was. Daar snapten we niets van want bij ons in het westen was karnemelk op de bon. Albert Kleen nam de deksel van de bus en goot hem vol en wij maar drinken. David Aalbrecht bleef bij Kleen, Cor van der Hout ging naar weduwe Westerman aan het Oosteinde en ik ging naar Gerrit Jan Visscher aan de Veldweg. Gerrit woonde bij zijn ouders in en ik ben daar heel hartelijk ontvangen.
Hij was die dag jarig en 's avonds was het feest op de deel. Het was voor mij allemaal nieuw. Arend Jan Bouwman was ondergedoken bij Derk Jan Schoemaker en wij trokken veel met elkaar op. Het is jammer genoeg erg kort geweest, want in Honselersdijk hadden ze onze stamkaarten gevonden met de adressen waar we verbleven. Cor van der Hout werd opgepakt. Mevrouw Westerman was ze net te snel af en wist gelukkig te ontkomen. Daarna gingen ze naar Albert Kleen. Albert Kleen en David Aalbrecht werden opgepakt en ingeladen. Willem Kleen was ook thuis maar hem namen ze niet mee. Hij werd opgesloten in zijn kamer, maar hij had wel gehoord naar welk adres ze verder gingen. Hij heeft de deur van zijn kamer ingetrapt en is door het veld naar ons toegekomen om ons te waarschuwen. De dekens werden van mijn bed gehaald en op hun bed gelegd. Arend Jan en ik zijn als de weerga naar het bos gegaan en daarna in de haver gekropen. We waren er nog maar net toen we hoorden dat ze er waren. We bleven in de haver en daar werd ons het eten gebracht en 's middags kwam dominee Wassink ons een stichtelijk woord toespreken. Toen hoorden we ook dat Gerrit Visscher was meegenomen. Ja, dat was een spannende dag. Mevrouw Visscher heeft wel ik weet niet hoeveel keer gezegd dat ze niet gelogen had, want op dat moment was ik er niet. Voor de naam Visscher hadden ze andere voorletters dan G.J., dus ze waren op het verkeerde adres.
Later ontdekte de familie Visscher dat op de eerste bladzijde van mijn bijbeltje mijn naam en adres geschreven stonden. Die bladzijde is er meteen uitgescheurd. 's Avonds kwam Jan Kleen me ophalen want ik moest naar een andere plaats. Ik kwam terecht bij Derk Jan Veldman in Oudleusen, waar ik ongeveer een week in het kalverhok heb gebivakkeerd. Daarna ben ik naar Hekman achter de christelijke school in Den Hulst gegaan. Ik werd er heen gebracht door Jan Kleen. Mijn kamer was in de hooiberg. Om in deze kamer te komen moest ik door het hondenhok kruipen. Ik nam het schot weg en als ik dan in de kamer was, zette ik het schot terug. Geen mens kon me dan vinden. Ik dacht lekker te kunnen slapen, want er stond ook een bed, maar ik kreeg toch een jeuk! Die was op het laatst niet meer te harden en ik dacht: ik moet eruit, want hier word ik gek van. De hond deed erg vervelend. Hij kende mij niet en ik kende hem niet. Ik heb hem toen een schop gegeven en gelukkig kon ik naar buiten kruipen. Ik ben op de boerenwagen gaan liggen en 's morgens mocht ik in het bed van de boer en de boerin slapen. (Die jeuk kwam door hooimijt.)
Ik heb daar gewoon op het land gewerkt en het beviel me goed. Na ongeveer 10 weken had de boer geen werk meer. Toen kwam ik terecht bij Wolter Zomer aan de Ommerdijk. Daar kreeg ik zoveel boeken te lezen dat ik dacht: ik wou dat ik maar bij een boer was. Ook ben ik nog bij dominee Wassink geweest, waar ik op de vliering tabaksbladeren heb zitten rijgen.
Gelukkig kwam er weer uitkomst en kwam ik bij Jente Visscher aan de Kringsloot. Na mijn verblijf aan de Kringsloot kwam ik bij Derk Jan Massier aan het Oosteinde. Na een poosje daar doorgebracht te hebben kwam ik bij Albert Kruithof aan de Meele. Daar waren nog meer onderduikers. Dat was wel fijn.
We kregen catechisatie bij Petter aan de spoorlijn. Samen met Sjoerd Kok, die bij Willem Westerman was, en Anton Bisschop hebben we genoten van de shag van vader Bisschop. Die was bij de spoorwegen en hij kreeg daar de shag. We werden wel eens 's nachts uit ons bed gehaald en dan liepen we heen en weer. Koud dat je het kreeg en ook slaap. Ook hebben we op een sloot geslapen waar een hek op lag. Met veel stro en zakken probeerden we nog een beetje warm te blijven. We hebben zelfs, ook in zakken, onder de roggegarven geslapen. Later ben ik naar Asse Visscher gegaan en daar heb ik ook een goede tijd gehad, totdat we op een morgen gewaarschuwd werden voor razzia's. De hele dag hadden we niets gezien. Samen met de jonge Asse ging ik met paard en wagen het veld in om knollen te plukken. Toen we terugkwamen stond de landwacht op het erf van Willem Westerman. Wij hielden het paard stil en wilden weglopen, maar de kogels vlogen ons al om de oren. Toen zijn we maar teruggelopen. Daar kregen we een flinke draai om de oren. Ik begrijp nog niet wat Asse Visscher toen tegen de landwacht heeft gezegd, maar hem hebben ze niet meegenomen. Jan van Ankum was al opgepakt en nog een paar onderduikers van de Meele. We gingen naar het café tegenover de Union en daar lagen we in het stro. We moesten zoveel mogelijk kleren meenemen, want we zouden naar vliegveld Eelde gaan. Na een dag of wat werden we in een auto geladen en ging het richting Meppel. Daar werden we met z'n vijven in een cel gestopt die eigenlijk voor één persoon bedoeld was. Bij ons in de cel was ook de godsdienstleraar Boelens uit Nieuwleusen en hij heeft ons geholpen en gesterkt. Na ongeveer 10 dagen werden we in een vrachtwagen gejaagd en gingen we richting Ommen, naar kamp Erika. Dat kamp zal ik verder maar laten rusten.
Op zondag 14 januari hadden we bezoek in het kamp. Asse Visscher had het geluk om dat weekeinde naar huis te mogen en was er dus niet bij. We hadden appèl en werden in twee groepen gescheiden. Voor de ene groep was er bezoek en voor de andere niet. Toen kwamen er ineens vliegtuigen over die begonnen te schieten. Wij mochten niet weglopen, maar opeens rende iedereen toch. Ik dook weg achter een strobaal en riep Jan van Ankum nog toe: "Joh, ga liggen. " Ik weet niet wat er toen met hem gebeurd is, maar later hoorde ik dat hij overleden was.
Ik was door mijn arm geschoten en lag met mijn hoofd op mijn armen. Mijn ene arm hing erbij. Dit gebeurde om 1 uur 's middags en 's avonds om 7 uur zijn we met een vrachtauto van de Wehrmacht naar Zwolle gebracht. Ik heb daar tot één week voor de bevrijding gelegen. De lopende patiënten werden ondergebracht bij mensen in Zwolle. Ik kwam terecht bij Dirk Pierik over de spoorlijn. De schuren waren daar allemaal gevorderd door de Duitsers. Op vrijdag at ik nog biscuitjes van de Duitsers en zaterdags rookte ik sigaretten van de Canadezen.
Met de bevrijding wilde ik weg uit Zwolle omdat er gezegd werd dat de stad beschoten zou worden. Dat is gelukkig niet gebeurd omdat een Canadese verkenner de nacht voor de aanval ontdekte dat de Duitsers in alle stilte vertrokken waren.
Ik zou weggaan uit Zwolle maar omdat ik helemaal geen weg wist, bracht Dirk Pierik me weg. We kwamen opeens bij een spoorlijn en ik was zo blij, want ik dacht: als we die volgen, dan kom ik vanzelf wel bij de Meele. Dat was ook zo, maar ik had niet gedacht dat het zo ver was. Maar we waren vrij en het was een vriendelijk weerzien. Ik kon nog niet naar huis, want het westen was nog niet bevrijd. Ik ben nog een weekje hier en een weekje daar geweest, totdat ik de IJssellinie over mocht.
Nadat ik was weggegaan ben ik na twee dagen reizen veilig en wel aangekomen bij mijn ouders en mijn meisje.

Dit is mijn verhaal over de belangrijkste momenten uit een bange maar ook gezellige tijd die ik mijn hele leven niet zal vergeten, want daarvoor heb ik teveel meegemaakt.
Ik heb heel veel te danken aan veel mensen uit Nieuwleusen en ik kom er nog graag. Ik heb er ook van alles meegemaakt, zowel trouwerijen als begrafenissen. Ieder jaar kom ik wel even naar Nieuwleusen en ik hoop dat, zolang als het gaat, vol te houden. Je kunt wel zeggen dat ik in twee dorpen leef.

* * *


EEN NEERGESTORTE BOMMENWERPER _________________________________________________________

H. Schoemaker

Op 15 maart 1944 stortte er een Amerikaanse bommenwerper neer aan de Stouwe. Dat gebeurde omstreeks half één in de middag. We zaten aan tafel te eten toen we ineens een vreselijk lawaai hoorden. Buiten gekomen zagen we dat er een vliegtuig in brand stond. Er vielen stukken af. Het staartstuk kwam bij Snel aan de Stouwe terecht en de motor viel bij De Weerd tussen het huis en de hooiberg. Toen wij zo stonden te kijken, zagen we ook nog iemand aan een parachute naar beneden komen. Die vertelde later dat hij op dat moment niet bij kennis was. Wonder boven wonder ging de parachute toch open en het bemanningslid kwam neer op zo'n 100 meter achter Gerrit Jan Prins. Daar moest hij zo snel mogelijk weg. Timmerman Arend Jan Schuurman woonde in het Oosteinde aan de straat. Hij had een en ander ook gezien en liep de richting van de piloot op. Ondertussen wenkte hij de neergekomen parachutist dat hij zo snel mogelijk in zijn richting moest lopen.


David Talbott in burgerkleding temidden van Sybe Post (links) en Arend Jan Schuurman. Foto van maart 1944 gemaakt in Nieuwleusen.
Onder de link Sybe Post en David Talbott in 1986

De man deed dat gelukkig. Het bleek te gaan om de Amerikaanse piloot David Talbott. Na de kennismaking bracht Schuurman hem naar de afgebrande woning van Brouwer aan de Middeldijk en verborg hem daar onder de heg. De Engelse taal vormde echter een barrière tussen beiden en daarom werd Sybe Post er bij gehaald. Hij was onderduiker bij Meuleman aan het Oosterveen en had kennis van de Engelse taal. Besloten werd dat Talbott 's avonds zou worden opgehaald en de nacht bij Meuleman zou doorbrengen.

David Talbott kwam in november 1943 naar Engeland waar zich de bases bevonden vanwaar bombardementsvluchten op Duitsland werden uitgevoerd. Hij ontving zijn opleiding tot piloot in Amerika. Met een toestel van het type B-24 werden de missies naar nazi-Duitsland ondernomen. Aan boord waren tien bemanningsleden. Negen vluchten had men al gemaakt en de bemanning was er van overtuigd dat ook na de tiende vlucht het toestel weer veilig op de Engelse basis aan de grond kon worden gezet. Het zou echter anders uitpakken. Nadat de bemanning bommen had laten vallen op Hamburg en Hannover, werd de machine op de retourvlucht plotseling aangevallen door Duitse jagers. Waarschijnlijk nog boven Duitsland werd de B-24 geraakt.
De vlammen sloegen uit het toestel en de piloot kon zijn toestel niet meer onder controle houden. Talbott beval de overige bemanningsleden het toestel te verlaten. Twee van hen, de 25-jarige tweede luitenant Artur Goldman en de evenoude ook tweede luitenant Clifford Moriarty, overleefden dat niet. Talbott werd uit het exploderende toestel geslingerd en kwam in een weiland terecht.

Een paar dagen bracht Talbott door bij Meuleman. Daarna is hij opgehaald en naar Meppel gebracht, gekleed in kleren van Post. Daar werd hij van valse papieren voorzien. Na twee weken werd hij op de trein naar Amsterdam gezet. Het was bekend dat er op die dag weinig controle was in de trein. Iemand van het verzet vergezelde Talbott. De afspraak was dat als er gevaar dreigde deze man op zou staan, waarna Talbott zijn maatregelen kon nemen. Na aankomst in de hoofdstad werd Talbott op de trein richting Deventer gezet. Ook die rit verliep zonder problemen. In Deventer kreeg Talbott een adres waar hij moest wachten op bericht om verder te kunnen reizen.
Op een gegeven moment kwam dat bericht en kon hij, weer per trein, doorreizen naar Heerlen. Dat was een spannende reis. Er zaten Duitse soldaten in de trein en zelfs in dezelfde coupé als Talbott. Deze besloot te doen alsof hij sliep, maar ze tegelijkertijd goed in de gaten te houden. In Heerlen aangekomen werd Talbott opgewacht door iemand die hem naar een onderduikadres bracht. Daar verbleef hij drie weken, waarna hij via Maastricht naar de Belgische Ardennen kon ontsnappen.
Daar aangekomen ontmoette hij een andere Amerikaan die ook probeerde om weer naar Engeland te komen. Samen zijn ze een heel eind door België gelopen. Op een gegeven moment kwam zijn maat te vallen en brak een been. Toen moesten ze natuurlijk hulp hebben. Er kwam een gezin aanlopen, man, vrouw en een paar kinderen, hond bij zich, en men waagde het er op hulp te vragen. De man bleek een onderwijzer te zijn. Hij sprak ook Engels en door zijn bemiddeling is toen hulp vanuit een klooster geregeld. Daar is de patiënt ondergebracht en heeft hij de bevrijding van België afgewacht. Via een pad, dwars door de Duitse linies heen, dat door Fransen gebruikt werd om drank naar België te smokkelen, kwam Talbott in Frankrijk. Daar werd hij twee dagen verhoord om te zien of zijn verhaal juist was en hij geen spion was. Nadat zijn verhaal in Engeland was gecontroleerd, waar hij als vermist stond vermeld, kon hij zijn tocht naar Engeland vervolgen.


Een toestel van dit type stortte neer aan de Stouwe.

Toen die vliegmachine daar aan de Stouwe lag, zijn wij er op een zondagmiddag naar wezen kijken. Er zaten toen een paar jonge Duitsers van een jaar of 16 à 17 achter een mitrailleur. Omdat ik zelf bij de mitrailleurs was geweest in militaire dienst zag ik wel dat het nog een goede was. We besloten die op te halen. Op een avond zijn mijn broer en ik ernaar toegegaan, maar helaas die goede mitrailleur was weg. Ik heb toen net zolang gezocht tot ik er een vond die nog een beetje redelijk was en waar nog een deksel op zat.
Overal op het land lagen hele ritsen patronen voor die mitrailleurs. We hebben ze aan gordels om ons lijf gewonden om zoveel mogelijk mee te krijgen naar huis. Toen we daar kwamen, hoorden we dat de kust niet al te veilig was en werd de buit zo snel mogelijk in het hol onder het hooi gestopt.
Het van de mitrailleur ontbrekende deel hebben wij een tijdje later bij Pinxterhuis bij laten maken. Die vroeg of het een onderdeel voor een dorsmachine was, waarop bevestigend werd geantwoord. "Ja, dat dacht ik al," zei Pinxterhuis.

De mitrailleur is later opgehaald door de groep van Jos Bonvanie en door hen op een auto gemonteerd. Zij wilden een overval plegen op een Duitse post. Ik zou de mitrailleur moeten bedienen, maar gelukkig is dat niet doorgegaan. Later werd de mitrailleur bij "Het Wiede Gat" in de grond gestopt, maar vrouwen hadden dat gezien en Duitsers hebben hem daarna gevonden.

* * *


DE BEMANNING VAN DE BOMMENWERPER _________________________________________________________

Op 15 maart 1944 werd om ongeveer 12.20 uur de viermotorige Dragoon B-24 bommenwerper aangevallen door een viertal Duitse jagers. Het toestel begon te branden en om 12.24 werden een zevental parachutes waargenomen evenals een tweetal dat zich niet opende. Om 12.25 explodeerde het toestel.

De bemanningsleden van de B-24 waren:
1e luitenant David E. Talbott, kapitein bij de 8ste Airforce, 44ste bombardementsgroep, gezagvoerder.
2e luitenant Lemaine E. Clausen, co-piloot.
Sergeant Ernaxt W. Arhon, boordwerktuigkundige.
Sergeant Raymond E. Swick, marconist.
2e luitenant Arthur Goldman, navigator.†
2e luitenant Clifford T. Moriarty, bombardeur.†
Sergeant Jack L. Williamson, borstvensterschutter.
Sergeant Herman C. Carver, borstvensterschutter.
Sergeant Sammy W. Haddock, buikschutter.
Sergeant Cecil R. Symson, staartschutter.

De beide omgekomen vliegers werden op 17 maart op het nieuwe gedeelte van de Algemene Begraafplaats begraven. Zij kregen een rustplaats op het in de noordoost hoek gelegen gedeelte algemene graven. Op hun graven werd een houten kruis geplaatst voorzien van hun naam en herkenningsteken. Op 20 februari 1946 werden hun stoffelijke overschotten overgebracht naar de Militaire begraafplaats te Margraten.

Het officieel opgestelde rapport van de crash luidt:
At appromately 1220 at 52°35' N. 06°40' E, A/C No. 332 was hit by the first attack from four FW 190's who came in from 10:00 o'clock out of the sun and from out of contrails and in a steep dive, firing on A/C No. 332 which was in the low left element. Number 3 engine burst into flames which soon spread over the aircraft. Seven (7) chutes were seen to open at 12:24 and two more were seen going through the clouds whitout chutes open, presumably making a delayed jump. The aircraft was then seen to go info a thigt spin and exploded at approximately 12:25.


Deze tekening werd in 1946 gemaakt van het grafteken dat op het graf van de omgekomen vlieger Arthur Goldman stond op de begraafplaats te Nieuwleusen. Of de datum 14 maart 1944 ook op het kruis stond of dat dit een vergissing is, is niet meer te achterhalen.

De bijgeschreven tekst luidt:
"Hier rust de trouwe vlieger en bevrijder ARTHUR GOLDMAN ver van zijn ouders, ver van zijn land weggerukt uit hun midden. Lang heeft deze vlieger evenals anderen om de vrijheid gevlogen. Hij gaf zijn leven voor de VRIJHEID."

* * *


BRIEVEN BART VAN DER GRAAF _________________________________________________________

Bart van der Graaf, geboren op 27 februari 1922, was knecht bij bakker Wind in Ommen. Hij moest onder andere brood naar kamp Erika brengen. Daarom beschikte hij over een door dit kamp uitgegeven Ausweis.
Toen Bart van der Graaf moest onderduiken vond hij een schuilplaats bij een bakker in Apeldoorn. In 1944 bracht hij ter gelegenheid van een verjaardag een bezoek aan zijn ouders aan de Ommerdijk in Nieuwleusen. Op de terugreis naar Apeldoorn is hij bij een controle in Epe uit de bus gehaald en gevangen genomen.
Hij werd overgebracht naar de strafgevangenis in Arnhem, waar strenge regels waren ingesteld.



Vanuit Arnhem, waar hij niet zo lang is geweest, werd hij overgebracht naar kamp Amersfoort. Daar verbleef hij ongeveer vijf maanden en omstreeks augustus 1944 werd hij op transport gesteld naar Duitsland.
Bart van der Graaf schreef enkele brieven naar zijn ouders. Deze correspondentie is bewaard gebleven, evenals enkele brieven die zijn kameraden na de oorlog aan zijn ouders schreven. In zijn brieven liet Van der Graaf zich hoegenaamd niet uit over de toestanden in de kampen, dit om zijn ouders niet te verontrusten. Nu weten we hoe verschrikkelijk het daar geweest moet zijn.

De familie verleende ons toestemming de brieven op te nemen. De eerste brief draagt het poststempel 29 juni 1944:
_______

Amersfoort.

       Beste Vader en Moeder,
       Broers en Zusters.

B.v.d. Graaf.
Block 107 nr. 10729.

Hierbij laat ik jullie weten dat ik nog goed gezond ben en hoop van jullie hetzelfde. Het is alweer een hele tijd geleden dat ik voor het laatst thuis ben geweest. Ik heb de brief die jullie geschreven hebben in Arnhem ontvangen maar het geld nog niet. En hoe is het thuis, heeft vader nog altijd werk. En hoe is het in Apeldoorn, zijn ze daar nog allemaal gezond? Nou ik heb hier niks te klagen in het kamp hoor. En jullie mogen ook geld sturen, maar niet meer als twintig gulden per maand. En dan mag jullie ook weer terug schrijven. Dus ik verwacht zo spoedig mogelijk een brief. Het weer is nog niet zo mooi naar de tijd van het jaar. En gaat Johan nog altijd naar de ambachtsschool? Nou verder heb ik ook al niet veel nieuws, dus maar weer tot de volgende brief. Allemaal de groeten van Bart.

_______

Beste Ouders en Br. en Zuster.

Hierbij wil ik jullie nog een briefje schrijven, dat ik nog steeds dezelfde ben en hoop van jullie hetzelfde. Ik heb gehoord van wachtmeester Van Soest dat Mienie er geweest is met nog één meer, dat was Klaasje zeker. Nou ik kom niet weer op Soesterberg, dat is voorgoed afgelopen want er is bij ons een gevangene weggelopen en nu mogen wij niet meer uitrukken. Maar ik zit op het ogenblik bij de Luftwaffe, nou dat is lang niet best hoor, wij krijgen haast geen eten. Ik zit bij het munitiedepot. Wij met ons vijven en wij doen niets anders dan bommen laden in de vliegmachines, nou dat is een gevaarlijk werk. Verleden week is er bij ons een ernstig ongeluk gebeurd. Er is een bom ontploft en dat is iets vreeselijks.
Ik ben niet gewond maar wel geschrokken, ik kan er nu nog haast niet van schrijven. Er waren vijf doden en wel mijn beste kameraden. Ja jullie mogen mij niet bezoeken want daar mag geen mens komen waar wij werken, dus spaar de moeite. Ik vond het heel mooi dat jullie mij opgezocht hebben. En dat Mienie en Klaasje voor niets gekomen zijn dat is erg jammer. En ik heb mijn schoenen ook gekregen en mijn scheergerei, dus daar ben ik ook weer mee onder de kap. En nu nog iets anders, als jij nog een roggebrood of wat anders hebt, moeder, nou dan is dat hartelijk welkom want ik krijg hier niet veel en het is hard werken. Dus als je nog wat bij elkaar kunt trommelen dan heel graag. Misschien heeft Wind ook nog wel wat voor mij, want met die man werk ik hier op het werk, dus dan komt het wel bij mij terecht. En doe ook de groeten in Apeldoorn en bedank ze voor die shag enz. Nu ik moet eindigen want er is onraad.



Nu allemaal de hartelijke groeten van

Bart en
hou moed ons land
zal nooit een duitse provincie worden.

Doe ook de groeten aan de verdere
familie en kennissen en ook aan Wind.
Stuur het pakje naar
J. Smeuding
Schimmelpenningstraat 43
Amersfoort.

_______

Onderstaande brief is omstreeks augustus 1944 geschreven en door iemand uit de trein gegooid. Langs de spoorlijn werd deze laatste brief van Bart van der Graaf gevonden.

Aan den Heer Joh. v.d. Graaf
Ommerdijk 69
Nieuwleusen (Overijssel)

Beste ouders.

Hierbij wil ik nog een paar woordjes schrijven, ik ben goed gezond en hoop van jullie hetzelfde. Wij zijn op het ogenblik onderweg naar Berlijn en waar wij verder naar toe gaan dat weet ik nog niet maar dat schrijf ik later wel als ik op de plaats van bestemming ben. Wij mogen geen koffers ontvangen, dus wij weten nog niet waar wij heen gaan. Maar ik moet weer eindigen want die mijnheer moet de brief meenemen. Nu de groeten van Bart en hoop tot spoedig weerziens


daaaag.

_______

Na de oorlog verzocht de familie aan enkele personen die met hem gevangen zaten om informatie over de omstandigheden waaronder Bart was overleden. Uit de ontvangen brieven wordt de ware toedracht duidelijk.

Weledele Heer.

Amsterdam 17 Juli '45.

Daar mevrouw v/d Berg gisteravond bij mij thuis geweest is, en ik helaas niet thuis was, zal ik U persoonlijk maar even een briefje schrijven.
Verleden jaar September heb ik Uw zoon leren kennen in Spremberg, waar wij in een bekledingslager moesten werken. Uw zoon heeft mij toen zijn belevenissen verteld. Zo hij vertelde werd hij gegrepen toen hij van huis naar Apeldoorn terugkeerde, waar hij bij een bakker was ondergedoken. Na in Arnhem in de strafgevangenis te hebben gezeten werd hij overgeplaatst naar Amersfoort. Of U van zijn verblijf in het concentratiekamp op de hoogte bent, weet ik niet, mocht u echter daar iets van willen weten dan schrijft u maar, dan zoek ik de kampgenoten van hem wel op. Van Amersfoort werd Bertus naar Berlijn gestuurd. Daar ik goed met hem bevriend was, weet ik dat hij wel naar huis heeft geschreven, doch nooit een antwoord terug heeft ontvangen. Bertus was toen geen gevangene meer en mocht gaan en staan waar hij wou. In Januari werden wij plotseling teruggeroepen naar Berlijn, vanwaar wij naar Dachau bij München werden getransporteerd. Wij werden van Dachau uit in troepen naar andere plaatsen gestuurd. Bertus kwam toen in München terecht, waar hij puin moest ruimen in een kazerne. Op een stormachtige dag is toen een schoorsteen omgevallen, met het U bekende treurige gevolg. Volgens de jongens die daar bij hem werkten, heeft Bertus niet geleden, daar hij op slag dood was. Ook was hij niet verminkt, zodat het wel leek of hij van schrik was overleden.
Mocht U nog verdere inlichtingen willen hebben, dan schrijft U maar even terug, daar ik, indien mogelijk, U gaarne alle gewenste inlichtingen zal geven.
Hoogachtend,
J. ten Hoorn Boer.
J. ten Hoorn Boer
Warmondstraat 44h.
Amsterdam (W).


_______

Amsterdam 22 Aug. 1945.

Weled. Heer.

Daar ik enige tijd niet thuis ben geweest, heb ik uw brief niet kunnen beantwoorden. Ik zal dat nu nog even doen.
U vraagt of wij na Sept. nog post ontvingen. Jazeker, alhoewel niet veel. Er zijn zelfs nog brieven aangekomen, die in Jan. '45 geschreven waren. Ik echter heb mijn laatste brief van October ontvangen. Over zijn familie had Bertus het vaak, vooral als we samen luchtbeschermingsdienst hadden en we brieven hadden zitten schrijven. Hij had ook nog enige foto's bij zich. U vraagt verder of ik ook weet waar Bertus begraven is. Op die vraag zal niemand U antwoord kunnen geven. Bertus zou op een Woensdag begraven worden en enige vrienden mochten mee gaan. Hij zou vanuit de kazerne begraven worden, dus wij daar heen. Daar lag hij echter niet en men stuurde ons naar het ziekenhuis. Daar was hij wel geweest, doch reeds naar het kerkhof gebracht. Toen wij daar kwamen en naar hem vroegen, wisten ze echter van niets, doch ze dachten dat zijn rustplaats in een massagraf zou zijn, daar er dagelijks enige honderden werden begraven. Ik heb nog gevraagd hoe die werden begraven en ze vertelden mij toen, dat het met veel plechtigheid ging en met veel bloemen. Over de eigendommen van Bertus hoop ik u nog eens iets te kunnen schrijven. Ik weet wie ze heeft, doch ik kan niet op de naam van die man komen. Die man was een fascist, dus ik denk wel dat hij hier of daar in een kamp zal zitten, zodat hij niet weg kan lopen. Mocht ik die naam te weten komen, dan schrijf ik wel weer even. Mocht u nog iets willen weten, schrijft u dan maar gerust. Zover ik kan zal ik u dan antwoorden. Verders vele hartelijke groeten,

J. ten Hoorn Boer
Warmondstraat 44h.
Amsterdam (W).

_______

Spanbeek, 10 Sept. 1946.

Geachte familie.

Naar aanleiding van uw schrijven over uw zoon Bertus wil ik u gaarne enige inlichtingen verstrekken. Ik ben in April 1944 in het kamp Amersfoort terecht gekomen. Daar heb ik Bertus leren kennen. Daar hebben we samen gewerkt in het buitencommando en zo hebben we daar 5 lange maanden doorgebracht totdat we naar Duitsland gebracht werden, waar ze ons te werk stelden, eerst naar Berlijn.
Daar hebben we gewerkt in een bekledingslager. Het was er wel hard werken, maar ja, we waren 's avonds vrij, we konden de stad in en 's avonds om 10 uur moesten we weer in het Lager zijn. Het eten wat we kregen was wel goed maar veel te weinig, maar ja, we deden het er mee. Daar zijn we geweest tot omstreeks Januari 1945. Toen zijn we naar München gebracht en daar hebben we gewerkt aan de afbraak van huizen en daar is Bertus gebleven. Ja beste mensen, het valt mij zwaar u te schrijven hoe hij is overleden, maar omdat u gaarne inlichtingen over hem had, zal ik dit ook proberen te schrijven.
We gingen op een morgen met een groep jongens weg om een school af te breken die gebombardeerd was. We waren naast elkaar aan het werk op ongeveer 5 meter afstand en er was die dag nogal een beetje wind en er stond nog een schoorsteen op dat huis en die stond helemaal vrij en die schoorsteen is omgewaaid en Bertus is er onder geraakt. Ik was het eerst bij hem, maar helaas hij was al dood. We hebben hem naar binnen gedragen en de dokter kwam, maar er was niets meer te doen.
Ja beste mensen u neemt het me toch niet kwalijk dat ik dit niet eerder geschreven heb, maar heus ik had er de moed niet toe u dit te schrijven, totdat er een vrouw uit Apeldoorn bij ons kwam. Die heb ik gevraagd of ze die mensen kende. Ze zei toen "Nee, maar ik kan wel navragen waar ze wonen". Toen heb ik die foto meegegeven en haar gezegd dat hij in Duitsland is overleden. Ik heb daar toen alles van Bertus moeten inleveren, alles wat hij bezat en toen hebben ze gezegd "Dit alles sturen we naar zijn huis", maar ik vertrouwde het niet en heb me deze foto van Bertus eigen gemaakt en zijn vulpenhouder, die heb ik nog altijd in mijn bezit. Ik wil u deze gaarne teruggeven, maar ik wist nog steeds geen goed adres. Als u zo goed wilt zijn schrijft u me dan nog een brief. Hierbij sluit ik die foto maar weer in de brief. Als u nog een foto van Bertus hebt, stuurt u mij s.v.p. een.

gegroet
P. Franssen
Hoeve A 19 Spanbeek. (L).

Na de oorlog werd het Ausweis van Bart van der Graaf aangetroffen in het Sophia-ziekenhuis in Zwolle. Hoe het daar terecht is gekomen, is niet duidelijk. De familie kreeg het teruggestuurd met het volgende aangehecht briefje.

Mijnheer v.d. Graaf,

Ingesloten een ausweis, gevonden in onze
administratie, als een "zoete herinnering" aan
de voorbije oorlogsjaren.
De Lagerführer Diepgrond zal thans wel met
z'n handen in het haar zitten.

Gem. Sophia-Ziekenhuis
Zwolle


* * *


HERINNERINGEN AAN DE OORLOG 1940-1945 _________________________________________________________

Kabé

10 mei 1940, 's morgens tegen 4 uur hoorde ik vliegtuigen overkomen. Ik ben vlug uit mijn bed gestapt, naar buiten gerend en zag eskaders Duitse oorlogsvliegtuigen vanuit het oosten westwaarts overvliegen. Al spoedig kwamen er meer mensen naar buiten. Sommigen meenden dat ze naar Engeland vlogen om daar de boel plat te gooien.
Thuis werd vlug de radio aangezet en uit de berichten bleek dat de vliegtuigen wel degelijk tegen Nederland werden ingezet. Zo overviel Duitsland ons verraderlijk, ondanks regelmatige verzekeringen dat onze neutraliteit geëerbiedigd zou worden.
Onze gedachten gingen allereerst uit naar mijn broer die als soldaat gelegerd was in de Grebbelinie. Hoe zou dat aflopen? We hadden er nog geen idee van dat de oorlog vijf lange jaren zou duren.
Behalve dat Brug 6 werd opgeblazen en 23 Duitse militairen te paard richting Lichtmis trokken (de volgende dag deed het gerucht de ronde dat ze allemaal waren doodgeschoten vanuit de Hasselter toren, hetgeen sommigen ook nog geloofden), merkten we de eerste dagen niet veel van de oorlog. Alleen de radio gaf weinig opwekkende berichten door.
Ook op de Pinksterdagen 12 en 13 mei was het stralend weer, maar de oorlog verliep steeds ongunstiger. Toen het bericht kwam dat koningin Wilhelmina naar Londen was vertrokken, waren we verbijsterd en begrepen dat onze jongens voor een verloren zaak vochten.
Toch ondervonden de Duitsers meer tegenstand dan waarop ze hadden gerekend en omdat de capitulatie van Nederland niet snel genoeg ging, bombardeerden ze Rotterdam.
De regering begreep dat verder bloedvergieten zinloos was en het Nederlandse leger onder generaal Winkelman capituleerde. Daarna was het een angstig afwachten hoe onze jongens het er hadden afgebracht. Na enkele weken kwamen ze terug uit krijgsgevangenschap en het leven nam weer zijn normale loop.

De pakhuizen in het westen zaten boordevol waardevolle importgoederen. Grote hoeveelheden van deze goederen werden door de Duitsers gevorderd en naar de "Heimat" gesleept. Zo werd bijvoorbeeld twee derde van de aanwezige tabak naar Duitsland uitgevoerd. Geleidelijk kwamen steeds meer goederen op de bon. Vooral fietsbanden werden schaars. Banden waren zeer belangrijk voor de mensen, want praktisch iedereen was afhankelijk van de fiets.
Ook benzine werd schaars en je zag steeds minder auto's. De paardentractie kwam daarvoor in de plaats. Op gezette tijden werden door de Wehrmacht paarden gevorderd. De boeren kregen er wel een goede prijs voor, maar dat geld kwam wel uit de Nederlandse schatkist.
Steeds meer auto's werden uitgerust met zogenaamde gasgeneratoren, achterop de auto gebouwd of op een karretje gekoppeld aan de auto. De generatoren werden gestookt met hout, turf of antraciet. De druk van de Duitsers, bijgestaan door Duitsgezinde personen zoals N.S.B.-ers, werd steeds groter. De militaire successen van het Duitse leger waren zeer groot en sommige mensen dachten dat Duitsland de oorlog zou winnen, maar het overgrote deel van de bevolking was ervan overtuigd dat Duitsland het op de duur zou verliezen.
Op 22 juni 1941 viel de Duitse Wehrmacht de Sovjet Unie binnen. Ook hier grote successen. Tot aan Stalingrad. Daar werden de Duitse troepen definitief tot stilstand gebracht en tot de terugtocht gedwongen. We dachten dat de oorlog nu wel niet zo lang meer zou duren, maar wisten niet dat het Duitse oorlogspotentieel zo groot was en de tegenstand zo taai zou zijn.
In december 1941 viel Japan bij Pearl Harbour de Amerikaanse vloot aan. Ook Nederlands Oost-Indië werd door de Japanners bezet en enkele jongens uit Nieuwleusen raakten in krijgsgevangenschap en moesten werken aan de Birmaspoorlijn. Met hen in contact komen was vrijwel onmogelijk. Alleen lukte het soms via het Internationale Rode Kruis, en de familie en verloofden verkeerden gedurende de hele oorlog in grote onzekerheid.
Geleidelijk werd de weerstand tegen de bezetter groter en kwam de ondergrondse tot stand. De bezetter kreeg gebrek aan arbeidskrachten en riep jongens van 16 jaar en oudere werknemers op. Velen voelden er niets voor om als dwangarbeider naar Duitsland te gaan en doken onder. De ondergrondse was hierbij ook zeer actief en onderduikers uit Nieuwleusen en van elders werden hier ondergebracht.
Het grote aantal onderduikers bracht een nieuw probleem met zich mee; ze ontvingen geen distributiekaarten maar moesten wel eten. Overal in het land werden distributiekantoren overvallen. Ook op het distributiekantoor van Nieuwleusen werd een overval gepleegd, die helaas mislukte.
Geleidelijk aan kwam de geallieerde oorlogsmachine op gang en begonnen Engelse bommenwerpers 's nachts Duitse steden te bombarderen. Eerst zeer bescheiden, maar na verloop van tijd in grote aantallen. Later kwam ook de Amerikaanse luchtmacht in actie en begon overdag Duitse steden te bombarderen. Op de terugweg werden de vliegtuigen bestookt door Duitse Messerschmidt- en Focke-Wulf jagers. Veel bommenwerpers, zowel Engelse 's nachts als Amerikaanse overdag, werden neergeschoten. Soms vonden luchtgevechten plaats tussen Duitse en geallieerde jagers. Aanvankelijk waren ze tegen elkaar opgewassen, maar na verloop van tijd werden de Engelse Spitfires en Amerikaanse Thunderbolts sneller en beter bewapend en kregen de overhand in de lucht en werden tenslotte heer en meester boven West-Europa. Bij een luchtgevecht boven Nieuwleusen werd een Amerikaans vliegtuig getroffen door een Duitse jager en stortte neer vlak bij de boerderij van de familie Klunder-de Weerd. Gelukkig vloog het toestel niet in brand en bleef de schade beperkt.
De bezettende macht kwam steeds meer in het nauw en nam steeds strengere maatregelen. De druk op de bevolking werd steeds groter en de jacht op onderduikers intensiever, daarbij vlijtig geholpen door de Landwacht.
In mei 1943 kwam het bevel dat alle voormalige militairen terug moesten in Duitse krijgsgevangenschap. Grote onrust was hiervan het gevolg. Begrijpelijk. Uitgezonderd werden diegenen die in het bezit waren van een zogenaamde Ausweis.



Deze "Ausweise" werden uitgereikt aan personen die onmisbaar waren voor de voedselvoorziening en nog enkele categorieën. De uitgifte ervan werd verzorgd door de plaatselijke bureauhouder van de voedselcommissaris. In Nieuwleusen was dat F.A. Schiphorst, die zijn kantoor had aan de Ommerdijk. Drukke tijden braken aan voor hem en zijn assistenten want plotseling was iedereen betrokken bij de voedselvoorziening. Die beperking werd zeer ruim genomen en ik geloof niet dat iemand teleurgesteld werd. De bezetter had wel bepaald dat een functionaris van de "Landstand" met zijn handtekening zijn fiat moest geven. Die heeft daar, voor zover ik weet, nooit moeilijk over gedaan.
De "Landstand" was een door de bezetter in het leven geroepen organisatie waar iedere boer automatisch lid van was. Naar zijn mening werd niet gevraagd. Ongevraagd werd ook elk "lid" een weekblad toegestuurd.
De kranten werden steeds kleiner en het papier voor andere doeleinden schaarser, maar het blad van de Landstand werd ruim van papier voorzien. Het was allemaal propaganda. In het begin stuurden veel boeren de krant terug, vaak met het verzoek van toezending verschoond te blijven. Tevergeefs, en op den duur stopten ze met het terugzenden. Het was ook nog wel gemakkelijk een beetje papier in huis.
Onze buurman, Jan de Lange, heeft consequent tot het laatst toe de krant teruggezonden. Zodra de krant bezorgd was, klom hij op zijn fiets en bracht het blad terug naar het postkantoor.
Voor de Landstand moest betaald worden en iedere "abonnee" kreeg een aanslag toegestuurd. Velen weigerden te betalen. Diverse aanmaningen werden verstuurd en toen dat onvoldoende hielp, werd gedreigd met de deurwaarder. Maar de toestand werd steeds penibeler en van de dreigementen kwam niets terecht.





Het was niet zo dat de mensen in zak en as verkeerden, zelfs niet in het begin toen Duitsland nog onoverwinnelijk scheen. Er waren wel mensen die het niet meer zagen zitten, maar verreweg de meesten waren er van overtuigd dat Duitsland zou worden verslagen, vooral toen Amerika bij de oorlog werd betrokken. Er werd ook gelachen en ontelbaar was het aantal moppen dat de ronde deed. Vooral Hitler moest het ontgelden.
Eén mop vond ik goed gevonden: "Weet je hoe Hitler in Friesland genoemd wordt?" "Jelle Gapstra." "En in Rusland?" "Slarotdiemof." "En in China?" "Hang Kreng Hang." "En in Spanje?" "Donderop." "En in Portugal?" 'Lopez de zee in. " En zo waren er nog wel enkele namen.

Toen de geallieerde luchtmacht de heerschappij in de lucht had veroverd, werden veel strategisch belangrijke doelen onder handen genomen. Vooral het spoorwegverkeer moest het ontgelden. De locomotieven werden kapot geschoten en opeens was machinist en stoker een levensgevaarlijk beroep geworden. De stations werden gewaarschuwd als Amerikaanse jagers boven ons land werden gesignaleerd. Ze staken dan een geel-blauwe vlag uit als waarschuwing voor de reizigers, die dan zoveel mogelijk achter in de trein gingen zitten.
Op een keer moest ik met de trein van Heino naar Zwolle. Hoewel de waarschuwingsvlag uithing, dacht ik: "Ik ga maar in het voorste rijtuig zitten. Op zo'n klein eindje zal er wel niets gebeuren." Ik wilde net in de trein stappen toen er een oorverdovend geknetter weerklonk: een vliegtuig nam de locomotief onder handen. Ik zocht zo snel mogelijk dekking" maar je voelt je niet lekker als aan weerskanten de kogels in de grond inslaan. Gelukkig liep bijna alles goed af. Een paard, dat voor het station stond, werd getroffen en moest worden afgemaakt. Ik nam me voor niet meer per trein te reizen, maar daar is niet veel van gekomen.
Ook het verkeer over de weg werd beschoten. Er werden putten naast de weg gegraven waarin zonodig geschuild kon worden. Kon je in geval van beschieting achter een dikke boom schuilen, dan zat je goed. Wel moest je er voor zorgen aan de schaduwkant van de boom te gaan staan wamt de vliegtuigen vielen altijd aan met de zon in de rug.

In mei 1943 brandde de molen in Den Hulst af ten gevolge van vonken uit een gasgenerator. Er woei een strakke noordoostenwind en alles was kurkdroog en de brandspuit kon weinig tegen de vlammenzee beginnen. De brandweer van Staphorst werd nog te hulp geroepen, maar het was al te laat. Wel bluste deze brandspuit de brand van het huis van Arend Mannen aan de overzijde van de Dedemsvaart. Het huis was door overvliegende vonken en stukken gloeiend zink van de molen in brand geraakt. Alleen een gedeelte van het dak ging in vlammen op en zo had de Staphorster brandweer toch nuttig werk gedaan.

Het oorlogsgeweld kwam steeds nader. Reikhalzend keken we uit naar de invasie vanuit het westen. De Engelse zenders stelden die steeds maar weer in het vooruitzicht. Het duurde allemaal zo lang meenden wij, niet wetend welk een gigantische voorbereiding zo'n invasie vergde. Het moest allemaal tot in de perfectie georganiseerd worden, want als de invasie mislukken zou, dan was de ellende niet te overzien.
Op 6 juni 1944 was het dan eindelijk zover. De geallieerde troepen kwamen in Frankrijk aan wal. De invasie werd door de bevolking met groot enthousiasme ontvangen, behalve door degenen die met de Duitsers samenspanden. Maar Hitler beloofde door middel van een geheim wapen de krijgskansen te doen keren. Vooral de V2 was een geducht wapen, dat in en rond de havens van Antwerpen en Londen grote schade aanrichtte. Ze werden vanaf een betrekkelijk kleine lanceerinrichting afgevuurd.
Zo'n lanceerinrichting was er in de bossen van Hessum, in de buurt van speeltuin Madrid ten zuiden van de Vecht tussen Dalfsen en Vilsteren. Ook werden V2's afgevuurd vanaf het landgoed Mataram bij Dalfsen. Ongeveer 10% van de lanceringen mislukte en dan kwam zo'n V2 met donderend geweld weer naar beneden.
Nadat er zo'n honderd raketten waren afgevuurd werd de lanceerplaats ontmanteld en ergens anders weer geformeerd. Zo heb ik de verlaten lanceerplaats in Hessum eens bezocht. Het stelde niet veel voor. Een plek van misschien 25 meter in het vierkant. Het stonk er enorm naar spiritus. Ik neem aan dat de raketten aangedreven werden door alcohol. In de grond zaten wat schuilplaatsen, vanwege de kans op ongelukken. De eigenlijke lanceerinrichting was vanzelfsprekend al verdwenen.
Op 17 september 1944 landde een grote troepenmacht bij Arnhem met het doel de brug over de Rijn onbeschadigd in handen te krijg en. De Duitsers en degenen die met hen samen werkten, raakten in paniek en velen vluchtten naar het noorden om het vege lijf te redden. Maar de Duitse Wehrmacht herstelde zich en de hele operatie, genaamd Market Garden, mislukte. De verliezen aan mensen en materiaal waren enorm.
De teleurstelling onder de bevolking was zeer groot. Wat nu?
Door de regering in Londen was opgeroepen tot een spoorwegstaking. Deze werd algemeen opgevolgd en de treinenloop lag stil. Door Duits personeel op de treinen te zetten bleef het militaire verkeer gedeeltelijk mogelijk. Maar burgerlijk verkeer en vervoer van goederen was taboe. Dit had verschrikkelijke gevolgen voor de burgerbevolking in het westen, want die bleef van aanvoer en distributie van goederen uit het noorden en oosten van het land verstoken. De rantsoenen werden steeds kleiner en al spoedig was er in het westen niets meer op de bonnen te verkrijgen. Alleen wie over heel veel geld of ruilmiddelen beschikte, kon via de zwarte handel nog aan eten komen. Een grote hongersnood was het gevolg.
Vanuit het westen trokken duizenden de IJssel over om bij de boeren eten op te scharrelen. Alles wat wielen had werd hiervoor gebruikt: bakfietsen, handkarren, kinderwagens, fietsen enz. Gewone luchtbanden waren zeer schaars en door haast niemand te betalen. Maar de mens is vindingrijk en uit oude autobanden werden smalle repen gesneden en om de velgen gelegd. De uiteinden werden door middel van ijzerdraad aan elkaar verbonden. Het trapte wel zwaar, maar men was gered.
De "trekkers", zoals de etenhalers werden genoemd, troffen ook nog een strenge winter. Het vroor behoorlijk en er lag veel sneeuw. Ongelooflijk wat door die mensen werd gepresteerd. Per dag werden grote afstanden afgelegd.
Een probleem was ook het slapen. Iedere avond kwamen mensen om onderdak vragen. Hieraan werd wel voldaan, maar de meesten moesten op de deel in het hooi slapen, zo goed mogelijk toegedekt. Ze waren overal tevreden mee.
Het werd steeds moeilijker om aan de vraag naar eten te voldoen. De voorraden tarwe en rogge raakten op, maar gelukkig hadden we nog voldoende aardappelen. Een bord aardappelen, wat groente en een stukje spek was voor de trekkers een feestmaaltijd, maar ze moesten alsmaar verder naar het oosten en het noorden om nog wat eten te bemachtigen.
Vaak werden de fietsen te zwaar beladen, waardoor het achterwiel het begaf. Dat was een ramp. De fietsenmakers deden, meestal belangeloos, hun uiterste best om de fietsen weer gangbaar te maken.
De beschietingen vanuit de lucht werden steeds intensiever. Op alles wat bewoog werd geschoten. Niets en niemand werd ontzien. Het heeft ook trekkers het leven gekost.
De Duitsers dreigden de IJsselbrug bij Zwolle voor burgerverkeer af te sluiten, wat op 1 maart 1945 toch gebeurde, en controleurs namen uit wraak vergaarde levensmiddelen in beslag. Toen was het praktisch afgelopen met het eten halen en in het westen werd de hongersnood steeds nijpender.
Na de oorlog maakten sommige mensen de boeren in Oost- en Noord-Nederland uit voor uitbuiters en zwarthandelaren. Altijd en overal zijn mensen die misbruik maken van de nood van de medemens, maar ik kan rustig zeggen dat dit uitzonderingen waren. Ook het overgrote deel van de inwoners van Nieuwleusen heeft haar burgerplicht naar vermogen vervuld.

In het najaar van 1944 kwam het bevel om bij Hasselt langs de oostelijke oever van het Zwartewater versterkingen aan te leggen. De uitvoering hiervan was in handen van de organisatie Todt. Iedere morgen trokken koppels arbeiders, zelfs vanuit Dedemsvaart, per fiets naar Hasselt. Men kon ze al op grote afstand horen aankomen, want de meesten reden op "antiplofbanden". 's Avonds was de optocht in omgekeerde richting. Naast een behoorlijke betaling kregen de "dwangarbeiders" een warme maaltijd, een welkome aanvulling op de zeer karige rantsoenen.
De loopgraven en versterkingen zijn nooit gebruikt, want de bevrijders kwamen niet uit het westen, zoals de Duitsers verwachtten, maar vanuit het oosten.
In de late avond van 7 april werden in deze omgeving groepen parachutisten afgeworpen om strategische punten te bezetten en de opmars van de bevrijdingstroepen te bespoedigen. Een aantal kwam onbedoeld aan de zuidzijde van de Dedemsvaart terecht. De afgedwaalde parachutisten verzamelden zich bij de boerderij van Gerrit Schoemaker aan het Zandspeur. Deze kon hen de gevraagde informatie niet verschaffen. De taal was een barrière. Daarom bracht de zoon Derk Jan een paar naar ons toe, denkend dat ik wel met ze kon praten. Het bleken Franse parachutisten te zijn die helaas alleen Frans spraken en mijn kennis van het Frans was maar zeer beperkt. Later kwamen de anderen van de groep ook naar ons toe en daarvan sprak een wat Engels. Toen verliep de conversatie wat beter.
Intussen waren Hendrik Heite en Jan de Lange gewaarschuwd, want de afspraak was, dat wanneer er iets bijzonders aan de hand was, we elkaar zouden waarschuwen.
De opdracht voor de parachutisten was optrekken naar IJhorst om de weg Balkbrug-Meppel vrij te maken. De stafkaarten die ze bij zich hadden stamden van ver voor de oorlog. De (Staphorster) Staatsbossen stonden nog niet op de kaart. Dat gebied was nog aangegeven als woeste grond en heidevelden en de Reest was aangegeven als een vrij brede rivier. De jongens waren moe. Daarom werden snel eieren gekookt, die er met smaak ingingen. Wij kregen een flesje whisky en een paar stukken chocolade.

We overlegden wat te doen en stelden voor de jongens naar de verzetsgroep in de Staatsbossen te brengen. Daar konden de para's wel mee instemmen. De moeilijkheid was om over de Dedemsvaart te komen, want de Ommerdijkerbrug en de brug bij Sluis 3 waren door de Duitsers opgeblazen. Gelukkig lag in de nabijheid het schip van De Vries aan de wal. Het gezin had het schip verlaten omdat ook schepen regelmatig vanuit de lucht werden beschoten. Hiermee werd de overtocht gemaakt en toen ging de groep, bestaande uit ongeveer 12 personen met als gidsen Willem Borgers, Hendrik Heite en Jan de Lange, via de Spijkersweg en de Kanlaan naar de schuur in het Staatsbos. Tot hun grote vreugde troffen de para's hier een viertal kameraden aan die nog vermist waren. Groot was de vreugde van het weerzien.
's Morgens vroeg lagen op de weilanden parachutes en munitie verspreid en de mensen gisten wat er die afgelopen nacht gebeurd was. Ze hadden wel wat gehoord, maar het rechte wisten ze er niet van. Wij hielden ons wijselijk stil, want het gevaar bestond, dat als bekend werd wat er gebeurd was, collaborateurs dit zouden verraden aan de Duitsers en die waren heel radicaal. Wij zouden de kogel krijgen, want de Duitsers waren nog steeds de baas. In Drenthe waren al enkele mensen doodgeschoten die parachutisten hadden geholpen.
In de staatsbossen vond ook een groep van de ondergrondse, waarvan twee broers die Loichot heetten, elkaar weer. Die vier waren door veearts Loman en zijn assistent naar de Staatsbossen gebracht. 's Zondags is een van de broers Loichot, tezamen met de verzetsstrijder Kees de Roos, doodgeschoten toen ze op een motor op weg waren naar een afwerpterrein om achtergelaten spullen op te halen.
Een week van onzekerheid brak aan. Via Balkbrug trokken de Canadezen in noordwestelijke richting tot Meppel en niet verder naar het westen. Zo nu en dan kwamen een paar bren-carriers hier om de boel te verkennen, maar daarna gingen ze ook weer terug. En dan zag je weer een paar Duitsers. Nee, erg safe voelden wij ons niet, want als de Duitsers je pakten, kwam je voor het vuurpeloton.
In de Kerkenhoek stuitte een Canadese patrouille, die vanuit Balkbrug naar het zuidwesten trok, op een aantal achtergebleven Duitsers, waardoor een vuurgevecht ontstond. Een bruidspaar, dat zich per rijtuig naar het gemeentehuis begaf, kwam tussen de strijdende partijen terecht en moest in allerijl dekking zoeken achter de bomen. Gelukkig liep alles goed af. Ook in Ruitenveen vond een vuurgevecht plaats en daarbij werden 6 boerderijen een prooi der vlammen.
Op 13 april was Nieuwleusen helemaal vrij van Duitsers en de bevrijding werd uitbundig gevierd.


* * *


EEN UTRECHTSE EVACUÉE IN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Tiny Weyers

Het hierna volgende verhaal is geschreven door mevrouw Tiny Scharrenburg-Weyers uit Bunnik, die de laatste oorlogsmaanden als 21-jarige in Nieuwleusen doorbracht. Nog iedere eerste zondag in het nieuwe jaar komt het echtpaar Scharrenburg bij Tiny's vroegere "kostbaas" op bezoek, waarbij nog menige herinnering wordt opgehaald.

In januari 1945 kwamen mijn oom en tante tijdens een voedseltocht in Nieuwleusen terecht. Toen ze op de Meele waren, kregen ze pech met de handkar en aangezien die eerst gerepareerd moest worden, moesten ze daar noodgedwongen overnachten. Dat gebeurde bij de familie L. Kok. Tijdens dat bezoek werd de overkomst van mij en mijn nichtje Riek geregeld.
We vertrokken op 12 februari, begeleid door oom Jo. De koffers werden op zijn fiets geladen en zo gingen we lopend vanuit Utrecht in de richting Zwolle. De eerste dag kwamen we tot Nijkerk, waar we bij familie de nacht doorbrachten.
Daarna begon de ellende. Onze voeten waren al kapot gelopen en in de regen en natte sneeuw werd dat er niet beter op. Regenkleding hadden we niet en goede schoenen evenmin. We sjokten door tot Nunspeet waar we de volgende nacht verbleven in een klaslokaal van een school. We zaten daar met z'n allen, mannen, vrouwen en kinderen, in het op de grond uitgespreide losse stro. De kinderen krijsten van de honger. Gelukkig kregen ze laat in de avond nog een boterham van het Rode Kruis. De school was afgesloten om te voorkomen dat de een er met de spullen van de ander vandoor zou gaan. Sommigen waren al op de terugweg naar huis en zij hadden al wat etenswaren bij elkaar gehaald.
Midden in de nacht hoorden we de vliegtuigen overkomen. Ze wierpen lichtkogels af die het lokaal in een spookachtig licht zetten. We waren erg bang dat we gebombardeerd zouden worden, want dan zouden we als ratten in de val zitten.
Onder de aanwezigen was er een die op een gegeven moment een kaars aanstak temidden van het kurkdroge stro. Ik zal maar niet zeggen wat voor woorden hij naar zijn hoofd geslingerd kreeg, maar het was niet veel moois. Hij wist dan ook niet hoe snel hij de kaars weer moest doven.
Zo ging de nacht voorbij zonder dat we al te veel konden slapen. De volgende ochtend togen we verder richting Zwolle. Onderweg zagen we veel ellende; moeders al maar sjokkend achter de kinderwagen met daarin hun huilende kinderen, mensen met kapotte fietsen en karretjes waarvan een wiel was afgelopen. En het regende maar door!
Toen we eindelijk in Zwolle aankwamen, werden we ondergebracht in een tabaksfabriek. We kregen daar iets te eten en sliepen er op de vliering, dit keer op strozakken. Bij een post van het Rode Kruis kon je je blaren laten doorprikken. Daar kreeg ik later spijt van want de wonden raakten flink ontstoken. Ik heb er veel last van gehad want door de hongeroedeem wilde het niet goed genezen.
Die nacht was er een inval van de Duitsers die de mannen weghaalden voor de Arbeitseinsatz. Hun vrouwen raakten in paniek; zij stonden er vanaf nu alleen voor!
Of we de volgende morgen nog iets te eten kregen, weet ik niet meer, maar wel kan ik mij nog herinneren dat die laatste dag de zwaarste was van de hele reis. Tegenwoordig stelt de afstand Zwolle Nieuwleusen met de auto niets meer voor, maar als je uitgehongerd bent en kapotte voeten hebt, lijkt er geen eind aan te komen. Toen we op de Meeleweg aangekomen waren, was ik zo vermoeid dat ik tegen elke boom eventjes moest rusten.

Eindelijk kwamen we zo 's middags tegen etenstijd aan bij de familie Kok (later zou ik ze Rika en Luuks noemen), totaal uitgeput. Het was 15 februari. Hun zoon Johannes vierde die dag zijn zesde verjaardag. Besloten werd dat mijn nichtje Riek op de boerderij zou blijven en dat ik de volgende dag met de melkrijder naar Griet en Gerrit Klein in Nieuwleusen (Zuid) zou gaan.
Na ongeveer een week bleek dat ik beter op de boerderij bij de familie Kok zou kunnen zijn omdat ze daar meer, vooral naaiwerk, voor mij te doen hadden. Ik vond het best. Op de boerderij waren vier kinderen en dat leek mij wel wat. Dus zo kwam ik bij Rika en Luuks en ging mijn nichtje Riek naar Griet en Gerrit. We kwamen elk weekend bij elkaar, de ene week ging ik naar Nieuwleusen, de andere week kwam Riek naar de Meele.

Tiny Weyers omstreeks 1942.

Zoals in die tijd wel vaker gebeurde, woonden de ouders van Rika ook op de boerderij. Opoe was een kwieke oude vrouw die de hele dag bezig was en opa, die een hartkwaal had, zat meestal bij de kachel. Bij de familie Kok hebben we veel gelachen. Luuks had er lol in om je onverwachts op een koe te zetten. Als stadse vond je dat doodeng. Ook heeft hij me eens het land ingestuurd met een kalfje dat aan een lang touw geweid moest worden. Dat beestje begon daar te springen en te rukken!

En de hele familie maar roepen: "Hou vast, hou vast!" Maar toen de koeien, nieuwsgierig als ze zijn, aan kwamen hollen, liet ik het kalfje voor wat het was en rende het land uit. Later hebben we er nog menigmaal smakelijk om kunnen lachen.
De eerste weken bleef ik maar eten. 's Morgens acht boterhammen en twee borden pap en als we dan om tien uur melk dronken (koffie was er natuurlijk niet meer), was ik blij als Rika koek gebakken had. Ik rammelde dan alweer van de honger. Waar ik het allemaal gelaten heb, is nu onbegrijpelijk. Pas na een week of zes was ik verzadigd en was het afgelopen met het vele eten.
Van al dat eten groeide ik helemaal dicht. De kleren scheurden me letterlijk van het lijf. Als ik op zaterdag brood moest halen bij bakker Klosse, zei hij: "Deern, deern, wat bi'j alweer egroeid". Dat klopte ook wel want vier maanden later bleek dat ik van 55 kilogram, die ik woog toen ik op de Meele kwam, was gegroeid tot 70 kilogram.

Zo gingen de weken voorbij met naai- en verstelwerk voor de kinderen en 's avonds breien, babbelen en melk drinken en om negen uur naar bed. Ik sliep met Grietje in de bedstee in het kleine kamertje, waar Thijs ook in zijn ledikantje lag.
's Zaterdags was het mijn taak om de schoenen te poetsen en de kinderen te wassen. Eens per maand kwam Jantie, de wasvrouw, om de grote was te doen. Die was daar dan de hele dag mee bezig. Er werd gebleekt op het veldje achter de moestuin en wanneer de was droog was, was er altijd wel wat te herstellen. Ik moest ook de was strijken met een bout die van binnen hol was. Daarin moest je een stuk ijzer doen dat in de kachel heet gemaakt was. Met een tang moest je dat ijzer uit het vuur halen en in de bout schuiven. Dat strijken vond ik een beroerd karwei. Het strijkwerk werd nooit echt mooi omdat de bout snel afkoelde.

Omdat voor Rika niet meer zoveel herstel- en naaiwerk te doen was, ging ik ook naar anderen om daarmee te helpen. 's Morgens vroeg trok ik er dan al op uit. Heerlijk in de vroege ochtendzon door het land lopen!
Op zondag was het altijd rustig. We gingen 's morgens naar de kerk en als we terug kwamen had opoe de melk met een stuk koek erbij klaar staan. Het was dan altijd heel gezellig en er werd over een en ander nog wat nagepraat. Als mijn nichtje Riek er was, gingen we 's middags een eind wandelen. Bij slecht weer zaten we vaak in de hooiberg te zingen.
We hadden het goed, meer dan goed zelfs. In het westen werd de toestand steeds slechter en al gauw werd de brug over de IJssel gesloten en konden er geen voedseltochten meer plaatsvinden. Vanaf dat moment hadden we geen enkel contact meer met onze familie. Daarvoor kon je nog wel eens een brief meegeven aan mensen die eten kwamen halen. Het was heel erg te weten dat je familie bijna niets te eten had en dat jij daaraan geen gebrek had. Wat had ik graag wat overgestuurd, maar helaas, dat kon niet.
Zo tegen Pasen had ik een doos vol met levensmiddelen verzameld die ik met naai- en verstelwerk had verdiend. Er zat van alles in: boter, eieren, brood enzovoort. Een vrachtrijder zou de doos meenemen, maar helaas, de rit ging niet door. Toen ik weer thuis was hoorde ik van mijn moeder dat ze juist met Pasen helemaal niets te eten hadden gehad!

Het was ook hier niet alleen maar pret. We hebben wel eens angstige momenten gehad als ze de spoorlijn bombardeerden. Ik herinner me de keer dat ik bij Arend van Ankum, die vlak bij de spoorlijn woonde, met naaiwerk bezig was toen er weer gebombardeerd werd. Het was zo erg dat de schilderijen van de muur vielen.
Bij een ander bombardement waren er bij ons twee vrouwen uit Den Haag met paard en rijtuigje Het was echt angstig. De beide vrouwen stonden hardop te bidden en opoe lag op haar knieën in de hooiberg.

Voordat de IJsselbrug gesloten werd, was het een komen en gaan van mensen die om eten kwamen vragen. We hadden vaak eters aan tafel want Rika stuurde niet gauw iemand zonder eten weg. Luuks werkte van de vroege ochtend tot de late avond en vaak moest Rika hem wel drie keer roepen om te komen eten. Dan dacht ik: "Man, kom nou toch eens, ik verga van de honger".
Er was ook een onderduiker bij ons op de boerderij. Hij noemde zich Piet, maar dat was niet zijn echte naam. Later hoorde ik dat hij uit Beilen kwam. 's Nachts sliep hij in de hooiberg op het erf.

Langzaam maar zeker naderde de bevrijding. Onze bevrijders kwamen steeds dichterbij, waardoor de spanning met de dag steeg. Soms kwamen de granaten gierend over. De koeien loeiden alsof ze in doodsnood verkeerden.
Op een avond zagen we dat er in de verte in zuidelijke richting boerderijen in brand stonden. Toen brandde ook de boerderij af van de broer van Rika in het Westeinde.
De geruchten gingen dat de Canadezen al aan de Dedemsvaart waren en Luuks, nieuwsgierig geworden, moest er zo snel mogelijk naar toe. Hij wilde de Canadezen met eigen ogen zien. Bijna zou hij nooit weer iets gezien hebben, want toen hij dichtbij was, werd er geschoten. Door met een snoeksprong in de sloot te springen, wist hij het vege lijf te redden. Na een tijdje kwam hij weer thuis, danig geschrokken en van top tot teen onder het eendenkroos. Natuurlijk konden Rika en ik het lachen niet laten. Het was ook geen gezicht, die stoere boer bleek van schrik en onder het kroos. Luuks was genezen van zijn nieuwsgierigheid.
Eindelijk op 14 april, een prachtige voorjaarsdag, ratelden de tanks over de Meeleweg. Wat een heerlijk gevoel! De weg werd totaal kapot gereden, maar dat hinderde niets. We waren vrij! Ik weet nog dat ik met krulspelden in het haar en tranen in de ogen op het erf stond te kijken naar de gezichten van de mannen, die vermoeid door hun verrekijkers de omgeving afspeurden naar eventueel achtergebleven Duitsers.
De radio werd weer tevoorschijn gehaald. Die was verstopt geweest onder de keldertrap bij opoe in de kamer. Ik hoorde toen pas dat de familie elke avond naar de Engelse zender had geluisterd. De radio en het luisteren ernaar was zo goed geheim gehouden dat ik er nooit iets van gemerkt heb.
Nu wij bevrijd waren konden we weer vrijelijk luisteren. We hoorden dat de nood in het westen erg hoog was en dat veel mensen van de honger omgekomen waren. En dan ben je bang om je familie waar je al een hele tijd geen contact meer mee hebt gehad. Hoe zou het met ze zijn? Zouden ze het goed overleefd hebben? Al dat soort vragen komen dan bij je op.
Na de vreugde hernam het leven zijn gewone loop. N.S.B.-ers werden onder het oog van een stilzwijgende menigte opgebracht naar het gemeentehuis in Nieuwleusen. Grote groepen Nederlandse arbeiders die in Duitsland te werk gesteld waren, kwamen op eigen gelegenheid uit Duitsland terug. Ze werden tegengehouden en ondergebracht in de school in Den Hulst. We gingen daar vaak heen om te vragen of ze misschien mijn broer kenden die ook in Duitsland had gewerkt. Dat was natuurlijk zoeken naar een speld in een hooiberg.
Op datzelfde schoolplein kon je ook naar nieuws uit het westen gaan luisteren. Op een avond hoorden we van de voedseldroppings en we waren blij dat ook voor onze familie de redding nabij was. En eindelijk, eindelijk op de vijfde mei, hoorden we klokgelui. Ik was binnen bezig toen opoe in de deuropening verscheen, de handen in de zij en riep: "Deern, 't is vrede. De oorlog is afgelopen!" Dat moment vergeet ik nooit. Wat een vreugde, eindelijk, v r e d e!
Ondanks het feit dat we het hier goed hadden, wilden we daarna zo snel mogelijk naar huis, naar onze familie. Maar helaas, daar was voorlopig geen sprake van. In verband met besmettingsgevaar voor de sterk ondervoede bevolking daar mocht er niemand naar het westen. Maar eindelijk, op 15 juni 1945, konden we met de melkauto van de fabriek naar huis. Ik zal die periode in mijn leven nooit vergeten!

* * *


ETEN HALERS EN GESCHAAD VERTROUWEN _________________________________________________________

Dat de goeden altijd onder de slechten moeten lijden, blijkt uit het volgende verhaal.
In september 1944 kwamen hier de eerste etenhalers. Volkomen verbijsterd keken de tafelgenoten naar de hoeveelheid roggepap die de etenhalers "naar binnen werkten". Konden mensen zoveel honger hebben? Dagelijks herhaalde zich dat patroon.
's Nachts mochten ze op de "hilde" (dat is de zolder boven de koeien) slapen, maar met één strenge voorwaarde; ze mochten er 's nachts niet meer af omdat de boer zelf ook rustig wilde slapen. Ze moesten dus naar de wc voor ze gingen slapen en daar 's morgens mee wachten tot de bewoners wakker waren. Dat ging lang goed, tot op een nacht toch iemand naar beneden sloop en de konijnen doodsloeg, meenam en wegliep. De boer was in het diepst van zijn ziel getroffen en liet geen etenhalers meer op zijn erf. “Weg van mien erf, of ik steek oe aan de greepe" was vanaf die dag het dreigende parool.


* * *


WIE ZAG DE SCHEPEN OP 5 APRIL 1945 DOOR DE DEDEMSVAART VOORBIJ KOMEN? _________________________________________________________

H.W. Poortman

Karel Overijssel, de schuilnaam van Hendrik Willem Groot Enzerink, was een van de verzetsmensen van de Trouw-groep. Op 16 maart 1945 werd hij bij de Sassenpoort in Zwolle opgepakt en naar het Huis van Bewaring gebracht. Op 5 april wilden de Duitsers de gevangenen nog wegvoeren naar Duitsland.
"We werden naar de haven gebracht en in twee daar liggende schepen geduwd. We voeren de Dedemsvaart in. In de richting Den Hulst. Ik zag de Union Rijwielfabriek, een bekende naam voor mij als zoon van een fietsenmaker. We voeren Dedemsvaart voorbij, richting Lutten. Wat was me die omgeving bekend. Maar plotseling konden we niet verder. Leden van het verzet hadden er een brug opgeblazen."
Ze werden in een school ondergebracht en de volgende dag wist Karel te ontsnappen. Een andere gevangene was gevlucht in de richting van Gramsbergen, waar juist 6 Canadese tanks waren aangekomen. Toen deze vertelde dat er ruim 260 gevangenen in de school in Lutten zaten, zonden de Canadezen onmiddellijk twee tanks richting Lutten.
Dat verklaart waarom Lutten zo vroeg bevrijd was en de Canadezen van daaruit overdag deze omgeving verkenden.
Na de bevrijding van Lutten wilde Karel door de weilanden en velden naar Heemse lopen. Jo Sinkler ging met hem mee.
"Toen we er waren, zei Jo tegen me: "Ik kan geen stap meer lopen, ik ben totaal op. Ik blijf hier tegen de muur zitten tot jij terugkomt met fietsen"
Het was in de kromming van de Ommerweg. Jo kon de weg aan beide kanten goed overzien. Maar wat gebeurde er? Een bus met Duitse soldaten erin naderde en stopte vlak voor hem. Enige Duitsers stapten er uit met hun revolvers reeds op hem gericht. Hij moest opstaan en toen zagen ze een klein stukje oranje op z'n jas zitten.
"Aha", zeiden ze, "Een terrorist, ga tegen de muur staan, dan schieten we je dood".
Wezenloos en doodsbleek stond Jo tegen de muur. Hij dacht: nu is mijn laatste uur geslagen. Toen keek hij naar rechts en wat zag hij? Er naderde een Canadese tank. Terwijl de Duitsers hem neer wilden schieten, kon hij nog net uitbrengen: "de Canadezen!" De Duitsers keken ook in de richting van Heemse en staarden in de vuurmond van de vijandelijke tank. Als door de bliksem getroffen veerden ze op, renden naar de bus, maar het was al te laat."
Zo bepaalde in de oorlog het toeval tot de laatste minuut het verschil tussen leven en dood.

(Deze tekst is ontleend aan: H.W. Poortman - Karel Overijssel, een Christenrebel. Het boek is aanwezig in de openbare bibliotheek van Nieuwleusen.)


* * *


DE NIEUWLEUSENER N.B.S. BIJ DE BEVIJDING _________________________________________________________

H. Schoemaker

Meester Oldebeuving was de man achter het verzet in Nieuwleusen. Ook Jan Snorrewind, werkzaam op het distributiekantoor, maakte deel uit van de groep. Hij woonde aan de Jan Hereweg en omdat het daar nogal wat afgelegen lag, werden daar altijd onze samenkomsten gehouden.
Toen het dan zover was dat de Canadezen bij Coevorden kwamen, werden de mensen van het verzet 's middags opgeroepen naar Jan Snorrewind te komen. Daar werd besloten dat Brug 6 veilig gesteld moest worden. De brug aan Balkbrug was al gesprongen. Daar konden de Canadezen dus niet over om naar IJhorst en De Wijk te komen. Ze zouden eerst naar Brug 6 moeten om het kanaal over te komen en dan weer aan de zandkant terug naar Balkbrug.
De wapens werden bij elkaar gezocht en Sybe Post en ik zijn als eersten op pad gegaan. Wij naderden de maalderij van de gebroeders Muller vanuit richting Oosterveen. Vanuit de kelder van het maalderijgebouw konden wij de Duitsers in de mitrailleurpost aan de andere kant van de brug zien liggen.
De bedoeling was om de Duitsers uit te schakelen als de Canadezen er aan kwamen. Maar een paar dagen voor het zover was, trokken de Duitsers zich terug naar Zwolle. Ze hebben wel de brug laten springen, dat wil zeggen de beide ophaalbomen van de brug. Het tegengewicht klapte daardoor naar beneden. Omwonenden hebben met touwen de balans van de brug opgetrokken en daar een paar omgezaagde eikenbomen onder gezet. Omdat het brugdek onbeschadigd was, zouden de Canadezen daar toch over kunnen.
Voordat het zover was zijn wij naar Talen gegaan in de Oosterhulst, waar we een paar dagen gezeten hebben voor het geval dat de Duitsers terug zouden komen. Op 12 april moesten we ons terug trekken op Balkbrug. Dat vonden de mensen in de buurt eigenlijk niet zo mooi want stel dat de Duitsers nog eens terug kwamen.

Die nacht sliepen we in de oude drukkerij van Veldzicht. De andere morgen vertrokken we op de fiets richting Nieuwleusen, tegelijk met de Canadezen. Toen we in de Kerkenhoek aankwamen, waren daar een heleboel mensen op de been. Ik had een blauw pak aan. Het was eigenlijk een oud soldatenpak dat geverfd was. Het was een beetje uitgelegd en er zaten wat strepen over de rug. Een van de omstanders zei: "Moe'j kieken, hi'j hef de braandstrepen al over de rugge".
Om de arm hadden we een band met de letters N.B.S., Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Dat leek allemaal wel mooi maar van diezelfde letters kun je ook N.S.B. maken. Diezelfde man van de brandstrepen maakte ook de nog minder mooie opmerking: "Moe'j kieken, nog beroerder soort."
Bij oom Hendrik in café "De Viersprong" werd ons hoofdkwartier ingericht. Dat klinkt heel groot voor zo'n koppeltje. Nu de bevrijding er eenmaal was, waren er jongens zat die zich aanmelden. Zij wilden ook wel met een geweer rond lopen, maar daar had je weinig aan, er moest wat gedaan worden.

Na de bevrijding van Nieuwleusen kreeg de N.B.S. de opdracht een aantal N.S.B.-ers op te halen. We hebben dat ook gedaan, maar over de manier waarop heb ik achteraf mijn twijfel.


In 1990 kwam de groep die bij Wilsum aan de IJssel lag nog eens weer bij elkaar. Bij die gelegenheid werd deze foto gemaakt waarop vlnr. Hendrik Schoemaker, Gerrit Groen, Albert Klein, Jan Mannen, Jannes Groen, Sybe Kleen, Jan Sikkema en Sybe Post. Vooraan vlnr. Jan Klein, Hendrik Brassien en Hendrik Klein.

Op een avond kwam er een man van de knokploeg uit Zwolle voor de Canadezen om vrijwilligers te vragen die aan de IJssel wilden liggen. We zijn toen met de groep op weg gegaan. In Zwolle zagen we een hele club N.S.B.-ers die met hun handen in de nek werden opgebracht. Ze moesten het "Oranje boven" luidkeels zingen.
's Avonds om elf uur kwamen wij aan in Wilsum. We werden daar opgewacht door mensen die ons beschouwden als hun bevrijders. Later trokken we voor de Canadezen Kampen binnen.
In Wilsum hadden wij de taak een deel van de IJsseldijk in de gaten te houden De Duitsers zaten nog aan de overkant van de IJssel. 's Nachts om één uur kregen Hendrik Klein en ik de eerste wacht in dit voor ons onbekende terrein. Wij moesten aan de binnenkant langs de IJsseldijk lopen richting Kampen tot Uiterwijk, waar de jongens van Staphorst zaten. Omdat we niet meer zulke beste schoenen hadden en het nogal dauwde, hadden we binnen een kwartier natte voeten. Toen we een eindje op weg waren, hoorden we opeens gesuis en een doffe plof. Vanaf de Veluwe werd nog een kanon afgeschoten. De granaat gierde over ons heen en kwam in het riet aan de andere kant van de dijk terecht. Wij lagen natuurlijk direct op de grond en toen waren wij helemaal nat.
We hadden gehoord dat er Duitsers met een bootje over de IJssel kwamen en een eind verder zag ik in het donker opeens twee figuren staan met naast hen in het water een bootje. Wij dachten: "'t Is raak" en beduiden elkaar dat we er plat op de buik naar toe moesten Toen wij dichtbij waren gaf ik een schreeuw en we vlogen overeind met de stengun klaar om te schieten. De figuren bleven stokstijf staan. Dat klopte ook wel want ze waren van hout; het waren twee grote meerpalen.
Op de terugweg hoorden wij over de dijk iemand aan komen lopen. Wat zou dat wezen? Na het "sta of ik schiet" stak de man meteen de handen in de lucht. Het bleek iemand van de B.V.L.(Bijzondere Vrijwillige Landstorm) te zijn die op weg was naar hun hoofdkwartier in de school.
De volgende dag hebben wij daar kennis met hen gemaakt. Ze hadden samen nog een geweer overgehouden, een Nederlands infanteriegeweer, waarin een kogel vast zat. Jannes Groen dacht hem er uit te krijgen, stopte en een nieuwe patroon in en knalde door de bomen de lucht in. Een spreeuw viel dood naar beneden.

Op een keer werden twee Duitsers gesignaleerd in de richting Zalk. We zijn daar toen achteraan gegaan en hebben nog op hen geschoten. Ze waren al dicht bij de IJsseldijk en toen wij daar waren, zwommen ze al midden in de rivier richting 's Heerenbroek. Daar zijn ze gevangen genomen.
Naast nare dingen is er ook nog wel een aardige gebeurtenis te melden. Jannes Groen was bij mensen ingekwartierd waarvan een dochter zou trouwen. Mij werd gevraagd het paard op te vlechten en op te kammen. Als beloning mochten wij met z'n beiden de andere avond het bruiloftsfeest op de deel meevieren.

* * *


MET BEVRIJDERS OP DE FOTO _________________________________________________________

Hoewel er waarschijnlijk niet veel foto's gemaakt zullen zijn van de intocht van de Canadezen in Nieuwleusen, het archief laat ons wat dat betreft in de steek, kunnen we hier toch enkele foto's plaatsen. Ze zijn gemaakt in de Kerkenhoek.

namen

Op de foto hierboven herkennen we links Arend van Spijker met naast hem Jan Willems en zittend achter op de fiets Jan Brouwer.

namen

* * *


EEN MISLUKTE OVERVAL _________________________________________________________

Omdat goederen als voedsel, kleding en andere zaken steeds schaarser werden, werd een distributiesysteem ingevoerd dat met bonnen werkte. Het distributiekantoor zorgde voor de verspreiding van de bonnen. Dat kantoor was in het Palthehuis ondergebracht.


Het personeel van het distributiekantoor kwam in 1943 op de foto. Achteraan vlnr. Anton Kleen, Evert Boesenkool, Lammy Kok, Johan Bouwman, Geertje Mijnheer, Henk Schoemaker, Geesje de Groot, Dirk Witten en Jan Waanders. Vooraan vlnr. Albert Klein, leider K.D. Fleurke en Jan Katoele.

Van enig verzet was tot halverwege de oorlog weinig te merken. Dat veranderde toen in het midden van 1943 degenen die in 1940 krijgsgevangen waren geweest, zich opnieuw moesten melden. Tot de medewerkers van het distributiekantoor behoorde ook Van de Vegt. Hij was beroepsmilitair geweest en weigerde zich te melden. Daardoor was hij genoodzaakt onder te duiken. Zijn collega's verzocht hij om voor zijn vrouw te zorgen, dat wil zeggen te zorgen dat zij over voldoende bonkaarten kon beschikken.
De bonnen werden in steeds grotere getale achterover gedrukt. Op een gegeven moment waren dat er wel 100 in één distributieperiode. Er moest wat gebeuren want anders liep het spaak. Henk Brassien reisde samen met meester Van Aarst naar een knokploeg in Meppel, waar een plan tot overval op het distributiekantoor werd uitgewerkt. De overval, die op 25 januari 1944 plaats had, mislukte echter.
De sleutel van de kluis waarin de bonnen bewaard werden, werd 's avonds aan agent Holties gegeven, die hem in een linnen zakje deed en van een lakzegel voorzag. Hij nam daarop de sleutel mee naar huis en bracht hem 's morgens terug.
Holties was Nederlander, maar fel Duits gezind. Van de N.S.B. moest hij echter niets hebben. Hij leefde gescheiden van zijn vrouw, die hem een paar dagen voor de overval zou plaats vinden, nog bezocht. Tijdens dat bezoek kregen ze ruzie en Holties gooide zijn vrouw van de trap, waarbij zij een been brak.
Op de dag van de overval werd Holties op het distributiekantoor aan de praat gehouden tot het donker was geworden. Bij zijn huis werd hij opgewacht, waar hij zou worden overvallen en gekneveld. Het toeval wilde dat hij op weg naar huis zijn dochter ontmoette. Samen liepen ze naar huis en daar aangekomen borg zijn dochter haar fiets in de schuur. Daar zag ze één van de overvallers met een revolver staan en sloeg alarm. Holties kwam er op af en de overvaller schoot op hem. Na enkele dagen overleed Holties in het ziekenhuis in Zwolle.
De dag na de mislukte overval deed het gerucht de ronde dat Holties te pakken was genomen door de familie van zijn vrouw. Er is nooit een onderzoek naar het voorval ingesteld.

* * *


DE VERZETSGROEP VAN "HET SCHOT", DE BOSWACHTERIJ STAPHORST EN DE BEVRIJDING _________________________________________________________

Meppeler Courant
Wim Bakker

De uit Almelo afkomstige politieman H.(Jos) Bonvanie was in Brabant wachtmeester bij de politie geweest en overgeplaatst naar Staphorst. Daar kwam hij in augustus 1944 in contact met de verzetsbeweging. Op 19 augustus 1944 zag hij kans in zijn eentje de bonnenvoorraad en het bevolkingsregister uit Staphorst weg te nemen. Hij bracht de buit naar de grasdrogerij in het Staphorsterveld, een toen nog heel dunbevolkt ontginningsgebied. Hij werd daarna naar de knokploeg van Steenwijk gebracht. Daar werd het te gevaarlijk en de Steenwijker KP-ers(KnokPloeg) besloten, met goedvinden van de kampbeheerder, onder te duiken in het kamp "Het Wiede Gat" aan de Kanlaan vlak bij de Staatsbossen aan de spoorlijn Zwolle-Meppel.
Omdat alles er nog op wees dat de geallieerden na de landing in Normandië op 6 juni fors zouden doorstoten naar ons land, begonnen mensen van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten zich overal voor te bereiden op hun taak in het slotoffensief tegen de gehate vijand en waar mogelijk werden de krachten gebundeld. Zo ook hier.
In het kamp "Het Wiede Gat" kwamen eind augustus een aantal leidinggevende verzetsfiguren bijeen om dit te bespreken. De Staphorster- en Steenwijker groep sloten zich aaneen, waardoor een gevechtsgroep van circa 30 man sterk ontstond.
De groep nam haar intrek in dit kamp. Dag en nacht werd er wacht gelopen en op 5 september 1944, Dolle Dinsdag, bracht men zelfs een zware mitrailleur voor het kamp in stelling. Alles wat "fout" was raakte die dag in paniek en velen vluchtten hier via Staphorst en Meppel in de richting van Noord-Duitsland.
Op 6 september kreeg een personenauto pech, vlak bij het kamp en een inzittende vroeg om hulp. De twee inzittenden waren, zo bleek achteraf, SD-officieren en er ontstond een vuurgevecht waarbij één sneuvelde en de ander wist te ontkomen. De 15 KP-ers vluchtten naar het Westerhuizingerveld. In de boerderij van Johannes Kist kregen ze onderdak.
Inderdaad kwam kort daarop een grote groep Duitsers het kamp binnenstormen. De kampbewoners werden duchtig aan de tand gevoeld en omwonende boeren kregen rake klappen, maar de Duitsers keerden onverrichter zake terug.
Koerierster Nel herstelde het contact met de ondergrondse buitenwereld, waarvan "De Groene" (Beernink) in Zwolle een centrumfunctie innam. De Steenwijker groep besloot terug te gaan naar Steenwijk en de Staphorster groep besefte dat, na de mislukte landing bij Arnhem op 17 september, de bezetter genadelozer dan ooit op zoek was naar gezinnen die illegale werkers onderdak boden. Eerst dacht men dat Berkum een goede schuilplaats zou bieden, maar door de grote concentratie Duitsers in die buurt viel dat meteen weer af.
Begin oktober werd contact gezocht met boswachter Van Veenen van het Staatsbos. Deze wees in het bos een geschikte, redelijk verscholen plek aan waar een tent voor ongeveer 20 personen opgezet zou kunnen worden. Hout voor het geraamte was in het bos aanwezig, stro werd bij bevriende boeren opgehaald, dekkleden "leende" men op het stationsemplacement van station Dedemsvaart van de Duitse spoorwegen en dekens kreeg men van "Het Wiede Gat". Het onderkomen werd gecamoufleerd met dennentakken en sporen werden steeds weggewerkt.
Elke avond begaf men zich na "spertijd" per fiets, voorafgegaan door Nel, naar de boerderij van Kist om de door en door verkleumde lichamen op temperatuur te brengen. Overdag moesten de KP-ers, om niet gezien te worden, in de hut blijven. Het regende veel, maar hoewel het koud was, mocht er niet gestookt worden omdat de rook hen zou verraden. De Duitsers hadden twee bemande uitkijktorens op "'t Schot", zoals het Staatsbos werd genoemd. In de spertijd waren de Landwachters veel op pad om slachtoffers te vinden voor de Duitse SD (Sicherheits Dienst).
Omstreeks die tijd stopte een Duitse legertrein die door geallieerde jagers onder vuur werd genomen, vlakbij 't Schot. Drie Luftwaffe-militairen namen de benen en hielden zich enkele weken in leven met wat op het land groeide. Ze schuilden en sliepen onder hun camouflagezeiltjes. Een werknemer van "Het Wiede Gat" ontdekte ze en bracht hen naar de KP-ers.
Het bleken drie Poolse jongens van 18 tot 19 jaar oud te zijn. Tijdens een razzia in Potzdam waren ze van straat geplukt en ingelijfd in het Duitse leger. Dokter Van der Sterre in Balkbrug heeft hen weer opgeknapt. Ze werden bij boeren aan de rand van het bos ondergebracht en hebben daar de bevrijding meegemaakt. Hun uniformen werden aan de KP gegeven.


Omstreeks 1990 bezochten twee Polen, vergezeld van enkele oud-verzetsstrijders, nog eens weer de schuur waar ze enige tijd in ondergedoken hadden gezeten. Bij die gelegenheid werd deze foto gemaakt.
Vlnr.: Nel ter Heide, Stefan Pierzyclï, George Woicik, Roel ter Heide, Jan de Weerd (eigenaar) en Hennie Mulder.

Van de illegaliteit uit Zwolle kwam de opdracht een lid van de Landwacht in de buurt van het Staatsbos te liquideren omdat hij levensgevaarlijk was voor het verzet. Gestoken in Duits uniform voerden KP-ers hun opdracht uit.
Eind oktober hoorden de 12 KP-ers dat het bos door de vijand uitgekamd zou worden. Meteen werd overlegd wie naar welk adres zou gaan en ze vertrokken.
Op 1 november werd het hele bos afgegrendeld en onder leiding van de Sicherheits Dienst uit Meppel uitgekamd. iedereen die er in of uit wilde, werd naar de schuur van de boswachterij gebracht en ondervraagd. Ook boswachter Van Veenen werd er van verdacht onder één hoedje te spelen met de "terroristen" en danig aan de tand gevoeld. Op een haartje na werd hij niet overgebracht naar de SD-gevangenis te Meppel. In de boerderijen aan de rand van het bos werd alles overhoop gehaald; ook de drie boerderijen waar de Polen ondergedoken zaten. Eén Pool werd opgepakt, maar wist in de schuur weer te ontsnappen.
De KP-ers wisten dat het bos niet meer veilig was en ze mochten zich in een onbewoonde schuur in het veld schuil houden. 's Avonds gingen ze weer naar de boerderij van Kist omdat het ook hier weer veel te koud was. Overdag werd de schuur alleen verlaten om sabotagedaden uit te voeren, in opdracht van "Zwolle". Daarbij gingen ze zo weinig mogelijk door het gevaarlijke bos.
Toen dat op een dag toch moest, vroegen twee "boeren" hen te helpen de boerenwagen te herstellen. Dichterbij gekomen moesten ze de handen omhoog steken. Een van de twee KP-ers had een hand met daarin een pistool in de zak en schoot dwars door de jas heen op één van de twee "boeren". Door de ontstane paniek konden ze vluchten.
De strenge winter van 1944 dwong de KP-ers in de eerste helft van december een ander onderkomen te zoeken. Ze kregen dat bij drie boeren in De Stapel en later bij boeren in Staphorst.
De KP-ers hielden zich, tot de bezetters rond de jaarwisseling de IJsselbrug afsloten, bezig met de etenhalers. Ze probeerden op woekerwinsten beluste boeren zo weinig mogelijk voet aan de grond te laten krijgen, door bij bevriende boeren rogge, aardappelen en erwten op te halen. De mensen van de CCD (Crisis Controle Dienst) werkten mee. Het voedsel werd naar boeren gebracht die het tegen normale prijzen verkochten. Toen de voorraden opraakten moesten de etenhalers verder naar het noorden trekken.
Ook gingen de KP-ers regelmatig op de fiets naar Zwolle om daar opdrachten voor sabotagedaden te halen.
Op 8 februari werd "De Groene" in Zwolle doodgeschoten. Benno Smit, een ondergronds contact uit Meppel, werd op 8 maart gearresteerd. De KP-ers wisten niet hoever het netwerk verraden was. Om geen gastfamilies in gevaar te brengen, werd opnieuw boswachter Van Veenen opgezocht. Hoewel verdacht door de Duitsers werkte hij toch weer mee een zo goed mogelijke plek te vinden. Deze keer was er ook een wel met schoon water. Er werd weer een hut en ook een kookhut gebouwd en gecamoufleerd met dennentakken.
Het was in 1945 een mild voorjaar, waardoor alles beter uitpakte.
Nu hadden de KP-ers ook een op een accu werkende radio, waarmee de Engelse zender beluisterd kon worden. De groep werd gepromoveerd tot een mobiele gevechtsgroep waaronder de gemeenten Hasselt, Zwartsluis, Nieuwleusen en Staphorst ressorteerden. In Balkbrug kon men de hand leggen op een aantal stenguns.
Halverwege maart kwam uit Zwolle het bericht dat ze vanuit de lucht bevoorraad zouden worden met wapens en dergelijke. Er werd, niet ver van het kampement, een heideveld uitgezocht waar in het nachtelijk duister de parachutes met containers gedropt konden worden. Instructies en inspecties van leidinggevende verzetsmensen volgden en uit Twente kwam op 25 maart de wapendroppingspecialist Koos, met achterop zijn fiets een seintoestel. Zou hij aangehouden zijn door Duitsers, dan was het mis geweest.
Op 27 maart leek alles te gaan gebeuren, maar twee laag overvliegende Lancasters deden niets. In de vroege morgen werden de KP­ers gewekt door het schieten met mitrailleurs. Toen bleek dat Duitse troepen op het droppingsveld oefenden hoe de aanwalsende geallieerde overmacht te keren.
Drie dagen later, 30 maart en Goede Vrijdag, hoorden ze opnieuw hun code-zin op de radio. Omstreeks 11 uur 's avonds liet op ongeveer 700 meter hoogte een Lancaster bommenwerper zijn lading vallen en begon de herrie van klapperende parachutes en neervallende kisten. Een tweede toestel kwam verkeerd op het doel af en de parachutes dreven uit de richting. Het heeft de mannen uren werk gekost om alles terug te vinden; eerst de felgekleurde parachutes wegwerken, de containers halen en verzamelen en met paard en wagen naar de gegraven kuilen brengen en verstoppen.
Ook de spullen van de kapotgevallen containers moesten verzameld worden. 57 containers waren gedropt met wapens, waarbij handleidingen in vele talen, rookartikelen, voedsel en zelfs paaseieren. In één keer hadden de KP-ers de beschikking over 10 mitrailleurs, 200 stenguns, een flinke portie geweren, houders met patronen, springstoffen, antitankwapens, handgranaten, revolvers, brandbommen enz.
De nu uit 10 man bestaande groep besloot een beroep te doen op de reserve krachten uit Staphorst en gebruiksklaar gemaakte wapens werden naar verzetsgroepen gebracht; een uitermate riskante onderneming. De groep zelf heeft op het droppingsveld een oefening gehouden met antitankgeschut.
De KP uit Hasselt voegde zich bij de groep in het Staatsbos, die daarmee op 25 man kwam. Omdat de groep "mobiel" moest zijn, besloot men dat de fiets te langzaam was om snel te kunnen opereren. Eén van de KP-ers trok een Duits uniform aan en ging, vergezeld door één van zijn makkers, richting Nieuwleusen. Volgens een reeds van te voren gemaakte afspraak werd de in de garage van het gemeentehuis staande brandweerauto (zonder de daarachter te koppelen spuitwagen) geruisloos ingelijfd in de gelederen van de Staphorster Binnenlandse Strijdkrachten.
Op de terugweg werden de KP-ers bij de brug over de Dedemsvaart aangehouden door Duitse militairen. Die waarschuwden hen dat de brug op het punt stond om opgeblazen te worden. Ze werden naar de verderop gelegen brug verwezen die nog niet aan de beurt was. De hier postende schildwacht hield zijn vermeende collega's staande en gaf na enig heen en weer praten toestemming om door te rijden. Snel ging het richting het kampement, waar de auto gebruiksklaar werd gemaakt. Enkele dagen later werd de auto hier door een Engels jachtvliegtuig onherstelbaar vernietigd omdat het niet met de goede schutkleur was afgedekt. Om mobiel te blijven heeft één van de mannen toen direct de brandweerauto van Staphorst "in naam der koningin" gevorderd. (Deze is op de laatste oorlogsdag in Staphorst bij een gevecht op het kruispunt bij Waanders in brand gevlogen, evenals het hotel en achttien boerderijen.)
Op 7 April was het kanongebulder duidelijk te horen. De nu 30 KP­ers deden armbanden om, om herkend te worden als burgers met militaire bevoegdheden. De antitankwapens kregen een plaats op de brandweerauto.
Kort na middernacht vlogen Lancaster-bommenwerpers laag over. De vliegtuigen behoorden tot de No.38 Group van de RAF die in de driehoek Groningen-Coevorden-Zwolle diverse groepjes Franse parachutisten dropten, behorende tot de 2e en 3e Regiments de Chasseur Parachutistes. Het was hun taak om achter de Duitse linies bruggen ongeschonden in handen te krijgen, om de snelle opmars van de Canadezen en Polen zo ongestoord mogelijk te laten verlopen. Verder moesten ze verwarring zaaien onder de Duitse troepen, die zo niet meer zouden weten welke kant ze op moesten vechten, en ze moesten informatie zien te krijgen voor de voorop gaande eenheden van de bevrijdingstroepen.
Jan Mannen klopte even later bij Van Veenen aan omdat hij de KP­ers wilde waarschuwen over de gelande parachutisten. Koerierster Nel ging met hem naar het kamp en onderweg praatten ze volop met elkaar. Deze vrouwenstem heeft voorkomen dat de in het bos gelande parachutisten op hen schoten.
Was Van Veenen meegegaan, zoals hij van plan was, dan was het anders afgelopen. De KP-ers besloten uiterst voorzichtig te werk te gaan om eerst te weten te komen of het geen Duitse valstrik was. Jos Bonvanie ging met Mannen en Nel terug naar het boswachtershuis. Even later kwam hier ook dierenarts Loman uit Den Hulst met de parachutist Henri la Garde en de uit Meppel afkomstige, in Den Hulst ondergedoken Wieb van Werven.
Twee KP-ers gingen, zoals afgesproken, wat later op weg naar het boswachtershuis en werden toen beschoten door Franse parachutisten, die niet wisten dat er een verzetsgroep in het bos zat. Een van de gewonden riep "maquis Hollandais" (Nederlandse verzetsstrijders) en toen viel er geen schot meer. De Fransen verleenden eerste hulp bij een knieschot en een geraakte voet en toen werden de twee weer naar het kamp gebracht, waar ze eerst beter door Loman en daarna nog weer door de huisarts uit Staphorst werden verzorgd.
Ook uit Nieuwleusen werden Franse parachutisten gebracht en 8 april was de groep op één na compleet. Kees de Roos en Yves Loichot zouden op een motor nog gedropte spullen gaan halen en stopten aan de Dekkersweg voor de boerderij van de familie Santing. Ze waren hier onbekend en wisten niet dat daar een NSB-familie woonde die de avond daarvoor een verjaardag had gevierd. Juist op dat moment wilden zoon Harm en de landwachter die meegekomen was, weer terug gaan naar Zwolle. Daar stond opeens iemand in een vijandelijk uniform in de baanderdeur. Een vuurgevecht ontstond waarbij Kees en Yves omkwamen. De landwachter ontsnapte naar Zwolle.
De KP-ers in het bos stonden op het punt met enkele Canadese gevechtswagens een aanval te doen op de brug bij de Dedemsvaart die nog door Duitsers werd verdedigd, toen een dochter van de familie Spijkerman kwam vertellen wat er gebeurd was. Onder commando van de Fransen werd naar de boerderij getrokken, waar ze met geweervuur werden begroet. Het gevecht ging door tot in de boerderij, waarbij de vader en de drie zonen het leven lieten. De aanval op de brug daarna mislukte omdat de vijandelijke overmacht te groot was. Een parachutist werd geraakt.
De Canadese verkenningswagens beheersten overdag de omgeving, maar trokken zich 's avond ver terug. (Lutten was definitief in handen van de Canadezen maar Ommen zat nog bomvol SS-ers. Hardenberg en Gramsbergen waren 6 april al bevrijd, maar de grote legermacht kwam pas 11 april via Ommen in Balkbrug.)
De Franse para's beseften dat ze 's avonds een gewild doelwit voor wraakacties konden worden. Ze besloten daarom de vijand-welgezinde lieden, waarvan verwacht kon worden dat ze ook nog wel bij het scheiden van de markt levensbedreigende informatie aan de vijand wilden verschaffen, op te pakken. Na het oppakken van zeven personen besloot men, na verhoor, vijf vast te houden en toen ging één er vandoor en wist te ontsnappen. Welke contacten had hij, wat zou hij gaan doen? Men besloot een veiliger onderkomen te zoeken en de vier overgebleven gevangenen zouden daarbij zo'n risico betekenen dat tot een vuurpeloton werd besloten. Een zwarte bladzijde aan de goede kant van de oorlog. De volgende dag kwamen de orders om Balkbrug te bezetten, op dat moment een belangrijk punt in de as waarlangs de 2e Canadese divisie wilde oprukken en waar op zondag 8 april al een Poolse afdeling was gearriveerd. Tevens was het één van de weinige punten waarlangs het SS-garnizoen uit Ommen nog zou kunnen ontsnappen. Twee volle dagen en nachten liepen de KP-ers patrouille bij de tactische punten en wegen, met de dreiging aan de SS-overmacht het hoofd te moeten bieden.
Op dinsdag 10 april werd er tussen de Poolse voorhoede uit Balkbrug en de Duitse bezetting in Ommen bij Witharen gevochten. Drie boerderijen brandden af.
Vanuit Den Ham kwamen de Canadezen die de Duitsers uit Ommen verdreven. In de nacht was het oorlogsrumoer dichtbij, maar de SS trok zich langs een andere weg terug.
Woensdag 11 april werd Balkbrug definitief bevrijd. Onafgebroken kwamen vanuit Ommen jeeps, tanks en zwaar geschut die via Balkbrug naar Hoogeveen gingen en 12 april werden Beilen en Kamp Westerbork bevrijd. De Franse para's gingen terug naar hun onderdeel en de KP-ers moesten naar De Wijk.

(Samenvatting van een viertal artikelen "De partisanen van 't Schot" door Wim Bakker in de Meppeler Courant; april 1983. Overgenomen met toestemming van de auteur.)

* * *


DE BEVRIJDING IN DEZE REGIO _________________________________________________________

Op 6 april werden Gramsbergen en Hardenberg door de eerste Poolse divisie bevrijd. De Wijk volgde 8 april, Lutten en Slagharen 9 april en Dedemsvaart 10 april.
Ommen, Witharen, Balkbrug en Heemse bij Hardenberg werden op 11 april door de Canadese Tweede Infanterie Divisie bevrijd.
12 april: Steenwijk met 2 vliegvelden bij Havelterberg, Vledder en Heino.
Een dag later, op 13 april, waren Havelte, Ruinerwold, Meppel, Nijeveen, Dalfsen, Wijhe, Olst en Nieuwleusen aan de beurt.
Toen de KP-ers na het vuurgevecht bij Staphorst versterking gingen zoeken bij de Canadese brigades, waren er bij Bloemberg, De Wijk, Balkbrug, Ommen en Den Hulst geen of niet voldoende Canadezen om mee te gaan. Teneinde raad reden ze naar Nieuwleusen waar de Canadezen toezegden met enkele gevechtswagens te zullen uitrukken. Het gevecht was echter al ten einde toen ze kwamen.
Zwolle werd bevrijd op 14 april door de zevende Canadese brigade die via Raalte van Heino kwam. Daarna kwam de derde tankdivisie die langs de IJssel van Zutphen, Deventer, en na enig oponthoud, via Zwolle op 15 april door Staphorst trok richting Friesland en de Afsluitdijk.
De bevrijding van Genemuiden en Hasselt gebeurde op 14 april.
Staphorst volgde 15 april. Hier vonden de KP-ers van het Staatsbos elkaar weer en ze bleven daar een week.
De bevrijding van Zwartsluis was eveneens op 15 april.

* * *


UIT DE MEPPELER COURANT _________________________________________________________

Na sinds juni 1942 niet meer uitgegeven te zijn, verscheen op dinsdag 17 april 1945 de eerste editie van de Meppeler Courant na de bevrijding. In de krant van vrijdag 27 april werd verslag gedaan van de bevrijding van Nieuwleusen en de terugkeer van burgemeester Backx.


* * *


Voorwoord burgemeester Backx Oranjefeesten 1945 _________________________________________________________

J.Ph. Backx


Voorwoord van burgemeester Backx in een boekje dat aan de schoolkinderen werd uitgereikt bij de Oranjefeesten in augustus 1945.

* * *

                                Nieuwleusen, 31 Augustus 1945


                     Aan

de schoolkinderen van

                      NIEUWLEUSEN



                     HOLLAND IS WEER VRIJ!

Ons Vorstenhuis is weer teruggekeerd.
Vandaag de vlaggen weer uit en Oranje boven!
Geen vrees voor den bezetter meer.
Ootmoedig buigen wij het hoofd en zeggen de regelen van
het zesde vers van het aloude schoone "Christelick liet",
het Wilhelmus:
                     ..Mijn schilt ende Betrouwen
                     ..Zijt Ghij, 0 Godt, mijn Heer!
                     ..Op U zoo wil ick bouwen.
                     ..Verlaet mij nimmermeer.
                     ..Dat ick doch vroom mag blijven
                     ..U dienaer t'aller stond,
                     ..De tyranny verdrijven,
                     ..Die mij mijn hert doorwondt.

                          Het bestuur van de Oranje-vereeniging,
                               De Eere-voorzitter,

                                J.Ph. BACKX, Burgemeester.

* * *


COLOFON _________________________________________________________

Uitgave: Historische Vereniging "Ni'jluusn van vrogger"
Postbus 38
7710 AA Nieuwleusen


Samenstelling:
Redactie "Ni'jluusn van vrogger"
G. Bartels-Martens, M.C. Dirksen,
G. Hengeveld-van Berkum, R.J. Klijn,
J.W. de Weerd (eindredactie).


Met dank aan:
W. Bakker, K. Borgers, K. Brassien,
H.J. Bijker, R. Folkerts, A. Klein,
A. Kreule, G. Kreule-Kok, H.J. Meijerink,
T. Scharrenburg-Weyers, H. Schoemaker,
W. van Spijker-Kreule, H.J. Sterken,
J. Sterken-Kouwen, M. Vogelzang-van der Graaf,
C. Vreugdenhil.


"De jaren 1940 - 1945 in Nieuwleusen" verschijnt tevens als de nummers 1 en 2 van het kwartaal blad 1995 van de Historische Vereniging "Ni'jluusn van vrogger" te Nieuwleusen.


© Copyright: "Ni'jluusn van vrogger" - 1995.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.




Jaargang 13 nummer 3 september 1995

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

Juffrouw Gulia Palthe met haar stiefmoeder, Maria Emerentia Michgorius, aan de thee voor het Palthehuis.

* * *

DALFSEN EN NIEUWLEUSEN VAN VOOR 140 JAAR (IN 1899) _________________________________________________________

Dr. J. de Hullu

Onder deze titel werd in 1899 in de Zwolsche Courant een artikel afgedrukt. Van de conservator van het Palthehuis in Oldenzaal kregen we een kopie van dit door Gulia Palthe in een mooi regelmatig handschrift overgeschreven verhaal, dat we hieronder over nemen.

De hieronder volgende beschrijving van het kerspel en dorp Dalfsen is van de hand van Ds. Wilhelm Dekker, die er omstreeks de helft van de vorige eeuw het predikambt bekleedde. Zij dagteekent van 1759 blijkens een bijgevoegd schrijven aan een ongenoemd correspondent van den 23 April van genoemd jaar. Na te hebben medegedeeld, dat de drost van Salland "alle de criminele gerigtoeffeningen, die onder dit aanzienelijk deel der provincie (Salland) voorvallen, daar ter plaatse laat verrigten, te weten lijffstraffen binnen het dorp en de levensstraffe op 't galgeveld buiten hetzelven", alsmede hoeveel uur het Kerspel van de drie groote steden der provincie is verwijderd, gaat de schrijver aldus voort:
In 't midden van 't carspel legt 't kerkdorp Dalfsen aan de rivier de Vecht, die 't carspel als in twee deelen verdeelt. Aan de zuidzijde der rivier loopt de groote Twentsche en Munstersche en aan de noordzijde de groote Hessen en Hamburger postweg door 't carspel henen. Hier is de groote passagie van de zwaare en doorgaans met 12 tot 20 paerden bespannen Hessenwagen na Hannover, Brunswijk, Leipzig en andere steden in Duitschland. Ook is hier de doortrek van de Munstersche, Hannoversche en andere werklieden, die ten getale van meer dan 30000 's jaarlijksch na Holland trekken, om daar zomers te werken. Ook loopt de Postweg van Groningen op Zwoll, van 't tolhuis af tot aan de Ligtmis, voorbij de van ouds bekende Rouveensche schans door de Rozegarener markt van Dalfsen henen, tot welken weg het carspel aan Zwoll 't land afgestaan heeft onder zeker conditiën, waaronder ook, dat de ingezetenen van de Dalfser en Rozegarener markt vrij zijn van de tol op die weg gelegt. Men telt in 't carspel Dalfsen 750 huizen: het kerkdorp bestaat omtrent uit 130 meest vrij wel getimmerde huizen, generende de inwoonders zig met Koopmanschappen en allerley ambagten en de gemeendere lieden met de vaart en weverijen. Het dorp is omringt met 12 buurschappen, welkers inwoonders zig voornamelijk met den vee- en landbouw ophouden en welke ook goed en veel eikenhout uitleveren.


Handschrift Juffrouw Palthe.

Van deze 12 buurschappen leggen er 7 aan de noord en 5 aan de zuidzijde der rivier. Die aan de noordzijde zijn: 1. Ancum (onder 't welke ook de Broekhuijsen, Vos en Rosegaren gerekent worden,) 2 Garner, 3 Ooster-Dalfsen, 4 Welsum, 5 Oud­leusen, 6 Nieuw-leusen, en 7 de Hulst. Aan deze zijde vindt men de Rosegaarder markt zijnde een zeer groote vlakte van wei en hooiland, strekkende zich uit tot aan de grensscheidinge van Zwoll, Hasselt en Rouveen. De hooilanden zijn verdeelt en worden afzonderlijk van de eigenaren bezeten, maar 't weiland is een gemeente en wordt in 't gemeen gebruikt van ieder, die onder de markt behoort. Het is in twee deelen verdeelt: het eene heet de groote of kleine Meele en wordt 's jaarlijks beweidt door 1000 à 1100 guste of jonge beesten; het andere heet 't Veldt en wordt beweidt gelijk de hooilanden nadat er 't hooi afgewonnen is, door alle de paerden en melkbeesten van de inwoonders van Dalfsen en van de buurschappen Ancum, Garner, Ooster-dalfsen en Welsum, die er allen en ook alleen eenen vrijen en onbepaalden uitdrift hebben, terwijl 't buurtschap Oud-leusen zijnen eigen markt heeft, strekkende zich uit tot de Nieuwleusener kerke en tot aan de Ommerschans. Het markerigter-ambt over de Rosegarener marke is erfelijk aan 't huis den Ruitenburg, doch over de markte van Oud-leusen wordt om de drie jaren een uit de eigenaren tot markerigter verkozen.
De buurschappen aan de zuidzijde der rivier zijn 5, namelijk: 1. Emmen, waaronder ook de Marshoek behoort, hebbende zijn eigen markt en markerigter, die verkozen wordt uit de eigenaren: 2. Lenthe, dat zeer groot is en uit vier bijzondere rotten bestaat, zooals er 25 het carspel uitmaken; 3. Millingen , 4. Rechteren, waaronder ook de Venneberg en 5. Hessum. Deze 4 laatste buurschappen hebben hier de grootte en wijd uitgestrekte markt Dalmshout, daar zij mitsgaders drie buurschappen uit het Ommer carspel, te weten Vilsteren, Lemelen en Archum in bijzonder districten vrij heiden en weiden en turf steken mogen. Schoon nu over deze 7 buurschappen, die in Dalmshout den vrijen uitdrift hebben, verscheiden markerigters gesteld zijn, echter behoort 't overmarktrigterschap over die allen erfelijk aan den huize Rechteren.
Wat 't kerkelijke betreft, verre de meeste ingezetenen (mogelijk 3/4 deel) zijn den hervormden godsdienst toegedaan, terwijl die van de roomsche religie wel kerkhuizen, maar geen eigen priesster in 't carspel hebben mogen, moetende zich bedienen van een naast bijwonend priester uit Witthem onder Zwolle.De gereformeerde gemeente word bediend, maar van eenen leeraar en bestaat uit ruim 1000 ledematen; zij heeft haar kerk midden in 't kerkdorp, zijnde een van de schoonste en grootste, zo niet de allergrootste van alle godshuizen ten plattenlande dezer provincie, bestaande uit 3 gemetselde verwulften, rustende op 12 zwaare gemetselde pilaren, lang 165 en breed 66 voeten en is nog onlangs (AO 1758) met 3 groote koperen kronen en verscheiden armblakers uit de vrijwillige liefdegaven der gemeente ter verrigtinge van eenen vrijwillig opgenomen avonddienst versiert geworden. Ook pronkt dit gebouw met een zwáaren en vrij hoogen toren, zijnde vierkant en 36 voeten breed, ook zoo diep en met de spits circa 180 voeten hoog, voorzien met twee zware klokken, zijnde de derde door Barentje van Galen bij zijn inval in Overijssel naar Munster vervoerd geworden.
Buiten dit dorp vindt men in de naastgelegen buurschappen 6 hoogadelijke huizen of havezathen, die den riddermatigen en eigenaren 't recht van verschrijving in de Staten van Overijssel verschaffen, mits dat zij volgens te blijkene taxatiën de waardij van ƒ 25000 te boven gaan, gelijk ze ook doen.
Zij allen liggen rondom in hunne grachten, waaruit zij opgehaald zijn, zij zijn:
1. Rechteren, zijnde 't aloude stamhuis van de in ons land welbekende familie van de graven van Rechteren , het is een groot, zwaar en prachtig gebouw, voorzien met een zwaren en hoogen toren, hebbende 't huis en torenmuren van 6 à 7 voet dik, het is een van de alleroudste huizen der provincie en is bij de opkomst van Zwolle al bekend en in de oude geschiedenissen en binnenlandsche oorlogen beroemt geweest. Echter is deszelfs eerste grondlegging onbekend, doch van oude tijden zeer versterkt geweest. De oude gedenkstukken zeggen, dat het eertijds met 6 zoodanige torens gemuniceert is geweest, hoedanig er nu nog een staat.
Onder dit huis behoort (één erve uitgezondert) 't geheele buurschap Rechteren en Vennenberg;
2° Ruijtenburq, insgelijks een sterk en zwaar gebouw, voorzien met een toren en zijnde ook van een zeer ouden oorsprong en met 't voormelde huis Rechteren in de oude kronijken meermalen aangehaald;
3° den Berg, een modern huis, voorzien met schoone hoven, fraaie grachten en uitgestrekte plantagien;
4° de Leemkuijl, een zeer vermakelijke en welgelegene havezathe, niet verre van 't kerkdorp en aan de rivier de Vecht;
5° de Garner, ook een groot en zwaar huis, niet verre van 't dorp en
6° Alerdinck gelegen in Lenthe nabij Heino.
Behalve deze 6 zijn er te voren nog eenige andere havezathen bekend geweest, welke thans of afgebroken of van welke 't recht der verschrijving in de ridderschap en andere privilegiën afgedreven en op andere huizen over gedragen zijn.
In 't buurtschap Nieuw-leusen heeft gelegen de havezathe Oosterveen, welkers regt van verschrijving nog heden gebruikt wordt, doch 't huis zelfs is gedemolieert. Van deze 6 havezathen worden doorgaans bij verwisseling 4 heeren, zijnde leden der gemeente tot ouderlingen en leden des kerkeraads verkozen.
Deze 6 huizen hebben met de overige leden des kerkeraads het regt van aanstelling van predikant, coster en schoolmeester en geven met andere huizen hier een aanzienlijk gehoor, want behalve deze havezathen telt men in dit carspel nog 25 buitenplaatsen (hier spijkers genaamd), onder welke de Vegterwaard, de Aalshorst, het Moer, Beeze, Hoffwijk, Sandwijk en de groote Hoff ten Velde, boven de anderen uitmunten.
Het carspel heeft zijn eigen schout of richter, die van de Staten der provincie aangesteld wordt, voor wiens rechtbank, die 's Donderdags morgens gespannen wordt, alle civile zaken behandeld en afgedaan worden, blijvende 't crimineele aan den heer droste van Salland gedemandeert, terwijl van die beide zoo laage als hooge rigtbank appel is tot de klaring, die 's jaarlijks te Deventer gehouden wordt. Onder dit carspel en schoutamt behoort ook de gemeente van Nieuw-leusen, zijnde eene nieuwe colonie, welker inwoners om de verre afgelegentheid van 't kerkdorp Dalfsen, met permissie van de Staten dezer provincie aldaar Anno 1674 een nieuwe kerk gesticht hebben, die door een eigen predikant bedient wordt. De predikant wordt gedeeltelijk van de provincie en gedeeltelijk van de gemeente met 't ordinair tractement betaalt, waarentegen deze nieuwe colonie van de meeste lasten bij de provincie ontslagen is, betalende alleen in 't hoofd-, vuur-, stede- en dienstboden-geld.
Nieuwleusen is nu een aangename streek omtrent 1 uur gaans lang van omtrent 50 huizen; zijnde alle de inwoonders van den gereformeerden godsdienst.


Het Palthehuis gezien vanachter de bomenrij langs de buitendijkssloot langs het Westeinde. Op de voorgrond de tuin van de pastorie. Achter het hek staat juffrouw Palthe. Achter het Palthehuis is nog juist "Het Witte Peerd" te zien.

De gemeente bestaat uit de Route en Routenveen, dat onder 't carspel van Zwolle en uit Nieuw-leusen en den Hulst, dat onder 't carspel van Dalfsen behoort. In 't carspel Dalfsen telt men, behalven 't dorpsschool en dat van Nieuw-leusen, die door de kosters waargenomen worden, nog vijf ordinaire publieke scholen, die uit gezag en op eenig tractement van de Staten der provincie betaalt wordende, aangesteld worden.
De onderhoud van kerk en pastorie en 't geen daar aan annex is geschiedt uit de kerken opkomsten, zoo verre die strekken, de welke plagen geadministreert te worden, door een kerkmeester bij de Eerwaarde kerkeraad aangestelt, en zoverre die te kort schieten, worden ze gesuppleert bij wijze van uitzetting over het geheele carspel, uitgezonderd Nieuw-leusen, dat zijn eigen kerk en pastorie onderhoudt door middel van gecollecteerde penningen.

Dit bovenstaande overgeschreven uit de Zwolsche Courant van Maandag 5 Juni 1899.

* * *

UIT "POEZY" VAN ARNOLD MOONEN _________________________________________________________

"Poëzy" is de titel van een boek van ongeveer 1200 bladzijden met werk van A. Moonen dat werd uitgegeven 'Te Amsterdam en 't Utrecht, By Francois Halma en Willem vande Water, Boekverkoopers, 1700".
Arnold Moonen werd in 1644 te Zwolle geboren en woonde van 1669 tot 1711 in Deventer. Hij was predikant te Hardenberg van 1674 - 1679. Tijdgenoten zwaaiden hem grote lof toe en hij publiceerde in 1706 de Nederduitse spraakkunst, die gedurende de 18e eeuw van groot gezag is gebleven.
Het boek "Poëzy" bevat het verzamelde dichtwerk van Moonen, waaronder veel gelegenheidsgedichten zoals bruiloft- en lykdichten, lofdichten, vriendschapsgedichten en mengelwerk.
Op bladzijde 522 treffen we het hierna vermelde gedicht aan, geschreven ter gelegenheid van het beroepen van Arnoldus van Berkum tot dominee te Oosterveen (Nieuwleusen).
De tekst is letterlijk overgenomen, met dien verstande dat in de oorspronkelijke tekst aan 't eind van een werkwoord vaak een t is geschreven waar wij nu een d schrijven. Dit kan echter zo'n verwarring teweeg brengen, dat hier die t's door d's zijn vervangen.
De letters tussen (haakjes) zijn door ons toegevoegd.

OP HET BEROEP
van den Heere
ARNOLDUS van BERKUM,
tot eersten leeraer der gemeente
VAN OOSTERVEEN.


Nu de maen der Ottomannen,
    Tegens 't Christen kruis gekant,
Haere horens heeft gespannen,
    Om Godts volk, haest overmand,
Te verbassen en te stooten
    Uit zyn sober errefgoed.
Ziet Godts kruiskerk elk vergrooten,
    Groeiende onder tegenspoed,
Als een palmboom, in de paelen
    Van 't Vereende Nederland,
Dat een vryen a(d)êm kan haelen,
    Nu geloofsdwang is van kant,
En Godts kandlaer opgericht staet
    In de dikke duisternis,
Die veel duizenden tot licht staet
    Na 't verdryven van de mis.
Christus leere en kruisgezindheid
    Blinkt in 't Christensche Oosterveen,
Dat d'onchristelyke blindheid
    En de bygelovighe(d)ên
Van de woesteny laet vaeren,
    Vol van yver en geloof;
Zaligh , zoo geen ry van jaeren
    Dit geluk den volke ontroof.
Gy dan, dien de zorg der Kerke
    Van Godts Zoone is toebetrou(w)d,
Sla uw hand ten metselwerke,
    Dat gy hem een vesting bou(w)t,
Die met diamante muuren
    Al den storm van 't ketterdom
Eeu(w) en jaeren magh verduuren,
    Dat de bitse Nyd verstomm'?
Stry(d) met moed aen alle zy(d)en
    Voor den luister van uw' Heer,
Ondermijnd door ketteryen;
    Schop den afgodt uit zyne eer.
Volg uw' Meesters kruisbanieren,
    Onder zyne kruislievrei,
Naer het hof, daer d'englen zwieren;
    Om met Godts gewyden rei
't Eenigh vier, drie vlammetongen
    Toe te juichen met uw stem,
't Heiligh lied nooit moê gezongen
    In Godts nieu(w) Jerusalem.

1662.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant 28 maart 1892:
Bij de nieuwe postwet, die 1 April a.s. in werking treedt, is een nieuw goedkoper tarief aangenomen voor brieven die moeten worden besteld in de gemeente zelf waar zij ter post zijn bezorgd, of binnen een zekere kring van het postkantoor. Voor die brieven kan men volstaan met een postzegel van 3 cent. Een brief beneden 15 gram, waarop men nu een blauw postzegeltje van 5 cent moet plakken, zal men dan kunnen frankeren met een geel van drie cent. Bij meer gewicht wordt het port hooger, maar terwijl een brief van 15-200 gram thans een postzegeltje van 10 cent eischt, zal dan - altijd voor het beperkte verkeer - voor zulk een brief 5 ct voldoende zijn.
Wij laten hieronder, voor zover deze provincie betreft, een opgaaf volgen van de post- en hulpkantoren, met de buurtschappen en localiteiten waarop bedoelde port van toepassing is……
Hulpkantoor te Nieuwleusen: Den Hulst, Nieuwleusen, Oosterhulst, Rollecate, Ruitenhuizen, Ruitenveen …..

* * *

NOGMAALS AANVULLING GROEPSFOTO _________________________________________________________

Helaas is er door een misverstand in Hulstblaadje 42 een verkeerde naam gegeven voor de vermelde nummer 31 bij de foto van de Christelijke school Den Hulst in het nummer van maart 1994. We werden hier terecht op gewezen door Minie de Lange, die tevens wist te vermelden dat de betreffende foto er één was van de sessie foto's welke genomen werden in 1936 ter gelegenheid van het afscheid van juffrouw Van Dijk (nummer 17).
De juiste naam van nummer 31 is Hennie Burger. Voorts zijn de overige ontbrekende namen inmiddels achterhaald. Tevens moeten enkele namen gecorrigeerd worden. Onderstaand de aanvullingen/wijzigingen: nummer 5 is Jan Jonker, nummer 10 is Aly Weenink, nummer 15 is Tinie Meijer, nummer 21 is Gera Weenink , nummer 27 is Titia Meijer, nummer 28 is Chris Meijer, nummer 31 is dus Hennie Burger, nummer 32 is Geesje Kappert, nummer 36 is Harry Meijer en nummer 45 is Gerrit Rechterschot.
(Dit is gewijzigd bij de foto)

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXIX _________________________________________________________

Op de foto (bladzijde 12 en 13) uit 1939 staan de kinderen en het onderwijzend personeel van de Christelijke School te Ruitenveen.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  

Jan Willem Potjes
Jan Seine
Jan Hoek
Gerrit Jan Hoes
Hendrik Jan Schuurman
Arend Reuvers Dzn
Jan Meulenbelt
Hendrik Prins HJzn
Herman Seine
Aaltje Prins Wdr
Dina Visscher
Jentje Brouwer
Annie Hoek
Gerda van Duren
Aaltje Reuvers
Jennigje Beumer
Janna Ruinemans
Aaltje Brasjen
Meester Hoek
Aart Steenbergen
Hendrik Beltman

22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
 
41  

Jans Beltman
Arend Jan Huzen
Bertus Hoes
Klaas Schuurman
Jan Hof
Arend Jan Jans
Jan Potjes
Arend Kijk i/d Vegte
Teunis Hoek
Hendrik Huzen Hzn
Dievertje Potjes
Aaltje Hof
Marietje Hof
Francien Masselink
Willem Pasman
Janna Meulenbelt
Gerard Hersevoort
Sjanie Hoek
Hendrikje Kleen Scholten
Aaltje Prins HJdr

42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  
54  
55  
56  
57  
58  
59  
60  
61  

Wim Hoek
Jentje Kleen Scholten
Harm Jan Vrielink
Bart Ruinemans
Hendrikje Brasjen
... Jans
Derkje Hersevoort
Roelof Jans
Hilligje Prins Kdr
... Jans
Hendrikje van Duren
Janna Bonen
Mina Schoemaker
Jantje Alteveer
Martha Schoemaker
Klaasje Kijk i/d Vegte
Bep Hoek
Corrie Hoek
Coba Alteveer
Aaltje Kijk i/d Vegte

62  
63  
64  
65  
66  
67  
68  
69  
70  
71  
72  
73  
74  
75  
76  
77  
78  
79  
80  
81  

Juf Wegman
Hendrik Schuurman
Jan Meulenbelt Wzn
Jan Willem Upper
Willem Reuvers
Albert Prins
Evert Meulenbelt
Harm Dunnink
Jan Visscher
Marten Hoes
Gerrit Jan Huzen
Sinie Post
Neeltje Hoek
Annigje Prins
Geesje Steenbergen
Janna van Duren
Johanna Luten
Hendrikje Prins
Hilligje Schuurman
Mina Post

* * *

BURGEMEESTERS MET EEN INDRUKWEKKENDE FAMILIEGESCHIEDENIS I _________________________________________________________

Op de lijst van burgemeesters van Nieuwleusen treffen we een viertal "baronnen" aan. Het zijn Mr. C.W. baron van Dedem (1838-1851), W.J.G. baron Bentinck (1852-1869), C.W.A. baron van Haersolte van Zuthem (1869-1872) en Mr. R.J.W.F. baron van Höevell tot Nijenhuis (1872-1876).
Een overzicht van hun familiegeschiedenissen laat zien hoe het besturen bij hun families hoorde. Als eerste in een serie volgt hier:

Genealogie Van Dedem, voor zover van toepassing op Nieuwleusen en omgeving.

Willem Jan baron van Dedem is als stichter van de Dedemsvaart van groot belang geweest voor de ontwikkeling van Nieuwleusen. Een kleinzoon van hem werd burgemeester van Nieuwleusen. Ook in de gemeenten om ons heen, Avereest, Hasselt, Staphorst en Dalfsen komen we Van Dedems tegen. Nu nog wonen er Van Dedems in Dalfsen en Wijhe. Veel mensen vragen zich af hoe dat in elkaar steekt.
Het Nederlands Adelsboek geeft een overzicht van de families Van Dedem en volgt daarbij, zoals gebruikelijk is, de mannelijke lijn.


Vanuit Bentheim trokken Van Dedems naar Zwolle (Gijsbert van Dedem, burger van Zwolle 1578, trouwt 16 januari 1574 met Christina van Haersolte) en Harderwijk (Coenraad van Dedem , geboren 17 oktober 1574, schepen, raadslid, gedeputeerde ter Staten Generaal enz., trouwt de eerste keer met een dochter van Gesine van Haersolte en de tweede keer met een dochter van Aleid van Haersolte).
In Harderwijk pakken we de draad op.
Gijsbert van Dedem, gedoopt te Harderwijk 1 oktober 1612, gestorven te Zwolle 15 september 1672 , hoogschout van Hasselt, burgemeester van Zwolle, gedeputeerde naar de Landdag van Overijssel 1650, gecommitteerde ter Generaliteitsrekenkamer 1657, lid Gedeputeerde Staten van Overijssel 1661.
getrouwd te Hasselt 26 november 1643 met:
Anna Catharina Coppier van Cuylenburg, geboren te Hasselt 26 juni 1622, gestorven te Zwolle 31 mei 1698.
KINDEREN:
-   Coenraad Willem, 1644-1714. Hij wordt stamhouder van de Tak van de Gelder en die worden steeds hoogschout van Hasselt.
-   Willem Jan, 1656-1738. Zie Tak Driesberg, de Berg en de Rollecate.
-   Alexander, 1658-1741. Hij wordt stamhouder van de Tak Vosbergen, een tak die naar de Veluwe gaat.

TAK DRIESBERG, DE BERG EN DE ROLLECATE.

Willem Jan van Dedem, heer van de Berg (1703-1738), Maurik, Oldenaller en Hoevelaken, geboren te Zwolle 30 juni 1656, gestorven te Arnhem 3 december 1738, lid van de Ridderschap van Overijssel, gedeputeerde naar de Landdag van Overijssel, stadhouder van de provinciale lenen van Overijssel, dingwaarder van de Hoge Bank enz.
getrouwd te Genemuiden 22 april 1696 met:
Gerbregt van Delen, vrouwe van Maurik en Oldenaller, geboren te Arnhem 18 november 1660, aldaar gestorven 6 december 1733.

Gijsbert Willem van Dedem, heer van de Berg en Driesberg (1753-1762), geboren te Zwolle 7 maart 1697, gestorven op kasteel Driesberg te Kessel aan de Niers 18 juni 1762, lid van de Ridderschap van Overijssel, vluchtte wegens manslag (doodslag) in 1752.
getrouwd te Vollenhove 27 augustus 1727 met:
Theodora Judith Margriet van lsselmuden, vrouwe van de Rollecate, gedoopt te Vollenhove 8 september 1706, gestorven te Zwolle, begraven te Vollenhove 9 november 1776. Zij was de dochter van Jan van lsselmuden, heer van de Rollecate en Theodora Margriet van Essen.
KINDEREN:
-   Willem Jan, 1728-1806. Hij wordt de stamhouder van de Tak Driesberg die naar Gelderland gaat.
-   Coenraad Willem, 1738-1806 (volg Tak de Berg en de Rollecate).

TAK DE BERG EN DE ROLLECATE.

Jonkheer Coenraad Willem van Dedem tot de Rollecate en de Berg (1764-1816), geboren te Dalfsen 26 juli 1738, aldaar gestorven 29 november 1816, in de Ridderschap van Overijssel, lid Gedeputeerde Staten van Overijssel, drost van Haaksbergen, drost van Vollenhove enz.
getrouwd te IJhorst op 1 december 1772 met:
Susanna Leonarda de Vos van Steenwijk, geboren op de Rollecate te Vollenhove 27 juli 1752, gestorven 14 januari 1823.
Zij was de dochter van Jan Arend Godert, heer van Havixhorst en Nijerwal, Noord en Zuid Welle, Nederhorst den Berg en Overmeer, en Geertruid van lsselmuden.
KINDEREN :
-   Geertruida Agnes, 1774-1858.
-   Willem Jan, 1776-1851. (Zie vervolg na broers en zussen).
-   Theodora Judith Margriet, 1779-1838.
-   Jan Arend Godert, 1780-1824.
-   Carolina, 1788-1865.
-   Joanna Theodora, 1790-1845.
-   Godert Willem, 1791-1866.

Geertruida Agnes woonde na haar huwelijk te Dwingeloo. Dit verklaart waarom informatie uit het familiearchief in Dwingeloo of Assen, Drenthe wordt gevonden.
Theodora Judith Margriet heeft na haar huwelijk gewoond te Rhaen bij Hellendoorn en te Laren (Gelderland).
Jan Arend Godert baron van Dedem, geboren op huize Den Berg te Dalfsen 18 mei 1780, gestorven te Arnhem 12 juni 1824.
Joanna Theodora trouwt met Louis Rhijnvis Feith, wonend op de Aalshorst te Dalfsen 1790-1845.
Mr. Godert Willem baron van Dedem, heer van de Berg, geboren te Zwolle 23 april 1791, gestorven huize Den Berg te Dalfsen 28 mei 1866, lid van de Ridderschap van Overijssel, lid van Provinciale Staten van Overijssel 1825-1862, controleur kadaster.
getrouwd te Dalfsen 13 oktober 1830 met:
Grietje Boxem, geboren te Zwartsluis 23 juni 1809, gestorven huize Den Berg te Dalfsen 2 februari 1843.
KINDEREN:
-   Susanna Leonora barones van Dedem, 1831-1902.
-   Coenraad Willem, 1832-1916. Zie vervolg hieronder I.
-   Johanna Theodora barones van Dedem, 1835-1911.
-   Alexander, 1838-1931. Zie vervolg hieronder ll.
-   Godert Willem, 1840-1911.

I. Ir. Coenraad Willem baron van Dedem, geboren huize Den Berg 28 juli 1832, gestorven huize Den Alerdinck, Heino 10 maart 1916.
getrouwd te Zwolle 11 oktober 1865 met:
Sophie Henriëtte Wilhelmina Westenberg, geboren te Kampen 10 maart 1837, gestorven huize Den Alerdinck, Heino 5 maart 1906.
KINDEREN:
-   Godert Willem Theodoor baron van Dedem, geboren te Zwolle 21 augustus 1866, gestorven te Velp 27 maart 1949, ambtenaar, burgemeester te Dalfsen 1912-1919.
-   Sophie Henriëtte Wilhelmine 1870- Laag Zuthem 1947.
-   Frederik Karel 1873- De Colckhof te Laag Zuthem 1959. Hij was directeur van het postkantoor in Olst en heemraad van het waterschap Salland.

ll. Alexander baron van Dedem (R.N.L., C.O.N.), geboren huize Den Berg 7 februari 1838 , gestorven te Brummen 1 maart 1931, lid Tweede Kamer der Staten Generaal, lid van Provinciale en Gedeputeerde Staten van Overijssel.
getrouwd 1e keer te Deventer 10 maart 1864 met:
Christina Catharina Roessingh Ubink.
getrouwd 2e keer te Brummen 8 mei 1907 met:
Antoinette barones de Vos van Steenwijk, vrouwe van Voorstonden.
KINDEREN uit het eerste huwelijk:
-   Godert Willem baron van Dedem, 1865-1866.
-   Mr Alexander baron van Dedem, geboren op huize Den Berg te Dalfsen 7 oktober 1867, gestorven op huize Den Berg te Dalfsen 12 juli 1912, burgemeester van Staphorst 1900-1912.

Mr. Willem Jan baron van Dedem, heer van de Rollecate, geboren te Zwolle 18 maart 1776, gestorven op huize Rollecate te Nieuwleusen 21 november 1851, president van de rechtbank van eerste aanleg te Zwolle 1811-1851, directeur belastingen in Overijssel, stichter van de Dedemsvaart.
getrouwd te Dalfsen op 13 december 1802 met:
Judith van Marle, geboren te Zwolle 18 september 1782, gestorven op huize Rollecate te Nieuwleusen 27 maart 1840. Zij was de dochter van Gerrit Willem van Marle en Catharina Wicherlink.
KINDEREN:
-   Catharina Susanna Leonarda, 1806-1876.
-   Susanna Leonore, 1809-1845.
-   Coenraad Willem, 1811-1870.(Zie vervolg na Gerritdina).
-   Gerritdina Wilhelmina , 1812-1882.

Catharina Susanna Leonarda barones van Dedem, geboren te Deventer 21 sept 1806, gestorven te Zwolle 2 juli 1876.
getrouwd te Nieuwleusen 20 december 1833 met:
Mr. Onno Zwier van Sandick, burgemeester van Nieuwleusen en Avereest, notaris te Nieuwleusen 1833-1837, subst.-officier van justitie 1839-1883, rechter arrondissementsrechtbank te Zwolle 1843-1846, griffier gerechtshof aldaar 1859-1876, gestorven te Arnhem 30 november 1883. Hij was de zoon van Onno Zwier en Henriëtte Engelsma Feith.

Susanna Leonore barones van Dedem, geboren te Deventer 3 augustus 1809, gestorven te Terborg 27 januari 1845.
getrouwd te Nieuwleusen 3 september 1840 met:
Ds. Johan Christiaan Frederik van Sandick, geboren te Naaldwijk 8 april 1808, hervormd predikant te Terborg 1835-1869 en te Etten 1835-1857, gestorven te Deventer 20 februari 1886. Hertrouwd in Rotterdam 27 juli 1853 met: Maria Cornelia Anna Mees.

Gerritdina Wilhelmina barones van Dedem, geboren te Zwolle 23 september 1812, gestorven te Zwolle 18 april 1882.
getrouwd te Zwolle 22 april 1856 met:
Jhr. Mr. Hendrik Jacob Pieter van der Wijck tot de Klencke, geboren op huize de Klencke te Oosterhesselen 15 mei 1796, aldaar gestorven 8 maart 1884, lid van Provinciale Staten van Drenthe.

Mr. Coenraad Willem baron van Dedem tot de Rollecate, geboren te Zwolle 30 juli 1811, gestorven huize Rollecate, Nieuwleusen 7 september 1870, burgemeester en notaris te Nieuwleusen en Avereest 1838-1870 (hij volgde dus zijn zwager Onno Zwier van Sandick op), lid van Provinciale Staten 1865-1870.
getrouwd 1e keer te Ommen 15 maart 1849 met:
Nicola Johanna van der Wijck, geboren te Zwolle 24 september 1816, gestorven huize Moerheim te Dedemsvaart 3 februari 1850 , vlak na de geboorte van een levenloos zoontje. Zij was de dochter van Mr. Hendrik, heer van Archem, en Woltera Geertruid barones van Pallandt tot Eerde en Beerse.
getrouwd 2e keer te Veendam 2 april 1852 met:
Johanna Catharina Engelkens, gedoopt te Veendam 2 april 1816, gestorven te Zwolle 8 april 1880. Zij was de dochter van Edzard Harmannus Engelkens en Geertruida Geerhardina Lichtenvoorde.
KINDEREN uit het tweede huwelijk:
Mr. Willem Jan baron van Dedem, heer van de Rollecate (R.N.L.) geboren huize Rollecate te Nieuwleusen 31 augustus 1853, gestorven te Groningen 15 februari 1922, lid Provinciale Staten 1892-1919 en Gedeputeerde Staten 1895-1907 van Overijssel.
getrouwd te Zwolle 10 augustus 1881 met:
Beerta Henriëtte Geertsema, geboren te Groningen 4 oktober 1859, gestorven te Utrecht 2 november 1932. Zij was de dochter van Mr. Johan Herman Geertsema en Arendina Wichers.


De heer en mevrouw Van Dedem-Geertsema.

* * *

Nl'JLUUSENER WOORDEN I _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

Onder het culturele erfgoed van Nieuwleusen valt ook ons dialect. Ook dat willen we als vereniging graag bewaren voor het nageslacht. Omdat het steeds minder mondeling wordt doorgegeven, beginnen we in dit nummer aan een opsomming van Ni'jluusener woorden. Aangezien nog lang niet alle woorden op papier staan, willen we de lezers oproepen om dialectwoorden en -gezegdes aan ons door te geven. Ook aanvullingen en verbeteringen zijn welkom.
Hoewel woorden die in het Nederlands op -en eindigen in het dialect als -n worden uitgesproken, is het bij het schrijven in dialect thans, ter wille van de leesbaarheid, algemeen gebruikelijk ook de uitgang -en te hanteren. Bijv. geschreven aalten; in dialect uitgesproken als aaltn.

aalte
aalten
aam
aambustig
aanderweegs
aandersweegs
aanderweggens
aans
aarmpien
achtereers
achterliende
 
aggelen
agosie
ait vedan
akkedeeren
aldebassend
alliens
ammet
an ween
anbliem
andrieten
anetrukken
angaon
ankeeren
ankomers
ankoomde
ankoomen
ankremmen
anmaaken
annissen
anspannen
anspreeken
antodden
anvarngen
aofbleuten
aofgelopen zundag
aofkeren
aofknoeven
aosem
aossen
askolke/assekolke
assien
assies

mest, gier
mest uitrijden
nageboorte paard
benauwd
elders
elders
elders
anders
hermelijn
achterstevoren
touw achter aan een boerenwagen om bijvoorbeeld hooi vast te zetten
zitten klieren
koopwaar
steeds maar doorgaan
bij elkaar passen
ontzettend
hetzelfde
voor het geval dat
zeer vermoeid zijn
in gelijk tempo meewerken
bangig aan komen lopen
aangekleed
te keer gaan
aanvegen
adolescenten (aankomend jongeling)
aanstaande
inhalen (met werken bv.)
slordig her-/verstellen
opschieten
ophitsen
inspannen (van een paard)
opbeurend toespreken
met iets zwaars sjouwen
mee lastig vallen
bovenste zoden afsteken
verleden week zondag
aanvegen
afkluiven
adem
gebreide kousen
vierkant gat onder het vuurrooster
plak (koek of spek)
pinda's

baandrèkel
 
babbelegoegies
bak
bakhuus
balie
balkenscheer
 
baristebien
barrels
batse
bazelen
bedreten
bedrieten
beergelte
begaaps
begosiebikker
begroten
bekonkelefoezen
belken
benaamd
berig
berappen
betuun
beune
beunte
beuntien
bevertien
bezik
biester
biesterbos
biesteren
biestevleis
bissekiste
bissen
 
bissen
blaobaander
blaorenbieter
blatties
blauwe bloemen
bleeroppe
blèkens
blekken
bleute
blieken
blinders
bluisteren
bluisterzak
bod doen
boekslaagen
boezelig
boezelt
boezeroen
bokaomd
bokse
bolderen
bolderig
bolkalf

bolle
bollig
bongel
bonke
bonkien
bosschap
bossum
bouwen
bouwmeistertien
braandezel
brei'jen
breijbek
 
brij
briloren
bró
broes
broesbekken
broezen
brooddogge
bruds
brugge
brulhoppe
brulobbe
brummels
brut
bruttien
buije
buissie
buizen, buzelen
bulderbalg
bulderkore
buldern
 
bullegie
bulte
bultien
bunne
bunnegien
burg
buul(tien)
buus/buuze
buutenbiender
buuzekeeze
buuzemelk

een ondeugend kind, geen gemakkelijk mens
opschepperige praat
gevangenis
bijgebouwtje om brood te bakken
te volle kop koffie
nepartikel waar je iemand op uit stuurt om hem voor schut te zetten
barrevoets
scherven
platte schep
gejaagd werken
sip, bang
bevuilen, bang zijn
geslachtsrijp varken
nieuwsgierig
rare snuiter
jammer vinden
roddelen
loeien van een koe
vooral, met name
onvruchtbaar vrouwelijk varken
klaar spelen
schaars, armoedig
looppad achter de koeien
pijpestrootje (grassoort in veengebied)
plank in de kast
dikke stof
apart
guur, boos
zuurpruim, persoon met wild haar
warrig praten
koeievlees
kist voor boerenknechtenkleding
van koeien: hollen door het land met de staart omhoog
van mensen: de hort op gaan
bleu persoon, droge tinus
kluns
knappertjes in geweer
korenbloemen
schreeuwlelijk
mazelen
blaffen
kaft van een boek
blaffen
verdikkeme
opscheppen
opschepper
bericht geven
nahijgen van hard lopen
winderig weer zonder regen
winderig weer
daags overhemd
woensdagavond (voor jongelui)
broek
het lawaaierig doen van kinderen
winderig weer
schreeuwerd,
lawaaierig dom jong mens
stier
koe die gedekt wil worden
balk, dikke knuppel, tienerknaap
veel, groot stuk
duffels jasje
boodschap
ouderwetse schoorsteenmantel
ploegen
kwikstaart
lompe werker
brouwen van de r
iemand die de r brouwt, scheldnaam voor Zwollenaar
pap
woelen
bureau
schuim
schuimbekken
schuimen
grote onbesuisde vent
parmantig, broeds (van een kip)
snee brood
schreeuwend, blèrend kind
fluitje van een wilgetak
bramen
planken schot
bordje
hoge hoed
jas
hard waaien
norse of brommerige man
brommend of tierend mens
rommelen van onweer, met lawaai inzakken van een huis
stiertje
schreeuwerd, lawaaierig dom jong mens
veel
boutje
plek waar de koeien op de deel staan
verhoging waar het kabinet op staat
gesneden mannetjesvarken
zakïje)
broekzak
buitenbeentje
kaas van de eerste melk van een kalfkoe
eerste melk van een kalfkoe


Jaargang 13 nummer 4 december 1995

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Wachten tot iedereen gereed is voor de opvoering van "De haanden uut de buuse" in mei 1959.
Achter vlnr: Trijntje Schaapman, Jannie Sterken, Arend Mannen, Hennie Levers, Lammie Brouwer;
voor: Klaas Katoele en Minie de Boer.


* * *

MET HET PALTHEBOS ALS MIDDELPUNT _________________________________________________________

Zoals bekend zal "Ni'jluusn van vrogger" een museumruimte bouwen in het Palthebos. Plannen daarvoor worden uitgewerkt en een maquette van museum "Palthehof" is gereed. Het gebouw in de vorm van een schaapskooi zal verrijzen op het meest noordelijke weilandje van het Palthebos. Daarmee voegt het Palthebos een nieuw element toe aan haar rijke historie.

Het Palthebos is ongeveer tweehonderd jaar oud. In het midden van de 18e eeuw werd J.A. Palthe, geboren te Denekamp, in Nieuwleusen tot dominee benoemd. Waarschijnlijk woonde de dominee in het huis dat in later jaren als Palthehuis of Spiker bekend werd. Achter dit huis werd tijdens zijn ambtsperiode het Palthebos aangelegd.
Op een kaart van eind 18e eeuw zijn de contouren aangegeven van wat nu nog het Palthebos is. Daaruit valt op te maken dat er toen evenmin sprake was van een echt bos, maar van weiden omgeven door een lanenstelsel, eigenlijk net zo als we het nu nog kennen. Het Palthebos zou tot in onze eeuw in eigendom van de familie Palthe blijven. De laatste eigenares, mejuffrouw Gulia Palthe, overleed in 1928 en vermaakte bij testament het Palthebos aan de Nederlands Hervormde Kerk, die nog steeds eigenaar is van deze groene plek op de Nieuwleusense kaart.

Enkele jaren geleden verkeerde het Palthebos in een desolate staat. De natuur was aan zijn lot overgelaten en dat had tot gevolg dat de eens zo fraaie rododendrons langs de paden werden verdrongen door andere struiken. Omdat er geen tot weinig onderhoud werd gepleegd, was het geheel verwilderd. Dank zij de Natuur- en milieuwerkgroep Nieuwleusen werd het achterstallige onderhoud weggewerkt. In die jaren werd er ook een hertenkamp aangelegd op een tweetal weiden in het bos. De bewoners daarvan maken een wandeling over de lanen van het bos nu extra aantrekkelijk.
Ook in vroegere jaren is er geprobeerd het Palthebos meer aantrekkingskracht te geven. De restanten daarvan zijn nog aanwezig. We denken dan met name aan de "Bult van Derk­Jan", die dateert uit de tweede helft van de vijftiger jaren. In het zuidelijk deel van het Palthebos werd toen een openluchttheater aangelegd, waarin gedurende een aantal jaren voorstellingen werden gegeven. Velen van ons zullen daar nog herinneringen aan hebben.
In ons archief is een verslag van 12 februari 1959 aanwezig van een bespreking tussen de burgemeester van Nieuwleusen, het bestuur van de stichting in oprichting "Palthebos" en de heer Bomhof, publicist te Apeldoorn. Hieruit putten we het volgende:
Nadat burgemeester Mulder de bespreking heeft geopend, geeft hij een overzicht van de gang van zaken van het openluchttheater. Hij spreekt er zijn voldoening over uit dat er in het voorgaande jaar (1958) enkele geslaagde opvoeringen in het Palthebos hebben plaats gevonden. Hij beschouwt echter het geheel als een gemeenschappelijke aangelegenheid, maar wil toch graag met de zaken op de hoogte blijven, gezien de vele


Fraaie laan in het Palthebos. Rechts is nog net een deel van de vroegere pastorie te zien.

middelen die de gemeente in het geheel heeft gestoken. In dat verband vraagt hij dan ook naar de uitkomsten over 1958.
Het bestuur deelt daarop mee dat "het zo'n beetje uit kan". Als gevolg van de strop door de regen bij het optreden van de Boerenkapel uit Glanerbrug en de vele voorzieningen die eerst nog aan het terrein moesten worden aangebracht, is er niet veel overgebleven. De schadepost werd gedeeltelijk weer goedgemaakt door het optreden van het Gezelschap Bomhof.
De burgemeester zegt vervolgens dat er tussen de gemeente, enkele leden van het bestuur "Stichting Agrarisch Welzijn Nieuwleusen" en de heer Bomhof een bespreking heeft plaats gevonden over een op te voeren revue. Deze zal zo mogelijk door de heer Bomhof worden geschreven. De opvoering zal moeten plaatsvinden tijdens de op 25, 26 en 27 mei 1959 in het Palthebos te houden velddagen van de "Stichting Agrarisch Welzijn Nieuwleusen". Hij zegt dat de Commissaris der Koningin vermoedelijk wel bereid zal zijn de dagen te openen.


Openluchttheater in het Palthebos.

Naar aanleiding van de bespreking over de gang van zaken zegt Bomhof dat het hem is opgevallen dat de geluidsinstallatie op het laatst afzwakte. Hij vraagt zich af of dit een gevolg is van de stroomvoorziening in de gemeente. Daarop zegt de burgemeester de IJsselcentrale te zullen vragen of er met voorrang voor een goede stroomvoorziening in de gemeente kan worden gezorgd, mede met het oog op een goede verlichting van het toegangspad naar het theater.


Pad in Palthebos met betonnen banken.

Het bestuur van "Palthebos" brengt de controle rond het terrein ter sprake. Er zijn altijd nog veel mensen in de gemeente die het een sport vinden om kosteloos op een feestterrein te komen. Omdat de afrastering alleen niet voldoende blijkt, vraagt men zich af of er geen uitvoeriger politietoezicht kan komen. De burgemeester zal dit eens bespreken, maar zegt voorts de afrastering niet bepaald een sieraad te vinden. Bovendien is het theater gesloten, waardoor er nooit iemand eens met gasten kan gaan kijken.
Het bestuur voelt er veel voor om de afrastering te handhaven, al onderkent men het bezwaar van het gesloten zijn. Aan de andere kant is men bang dat bij vrije toegang de jongelui de zaak gaan vernielen. Ze willen wel bekijken of er op bevredigende wijze wat veranderd kan worden.



















Doopstoet met Arend Mannen, Jannie Sterken en Lammie Brouwer.

De burgemeester heeft het ontwerp van de stichtingsakte ter inzage ontvangen, maar is het daar niet geheel mee eens. Hem is gebleken dat er geen vertegenwoordiger van het dagelijks bestuur van de gemeente in het stichtingsbestuur zal plaats nemen of de vergaderingen kan bijwonen. Omdat de gemeente ook subsidie toekent, zegt de burgemeester wel graag een vinger in de pap te willen houden. Naar aanleiding van het antwoord dat er toch een tweetal raadsleden zitting hebben in de stichting, zegt de burgemeester dat niet te bedoelen; hij bedoelt een vertegenwoordiging door een wethouder of een burgemeester.
De toegang tot het terrein van het openluchttheater wordt door de burgemeester sober gevonden en het is ook moeilijk te zien waar die is. Hoewel het bestuur wel voor verandering is, zegt het dat iedere oprichting van wat nieuws geld kost en zo ook dit. Ook zeggen zij onder andere veel te voelen voor een eigen geluidsinstallatie en een betere verlichting. Dit zal in de toekomst worden bekeken met de middelen die er dan zullen zijn. Aan de andere kant zegt de burgemeester dat, wanneer het geheel aantrekkelijk wordt gemaakt, met bijvoorbeeld ook kampeercentra (waarover eerstdaags een bespreking zal volgen), er toch wel wat veranderd moet worden. Hij is bereid van gemeentewege alle nodige medewerking te verlenen, net zoals dit in het verleden ook is gebeurd. Pedagogisch gezien is het nodig alles te doen om de eigen bevolking op te wekken iets in het Palthebos te doen, dan komen de mensen vanzelf wel. Vooral in de zomer willen de mensen er wel uit. En ook hier geldt dat wanneer er iets goeds geboden wordt de mensen terug komen. Dat geldt met name in het hoogseizoen voor de vreemdelingen, die men zal trachten van omliggende plaatsen hier naar toe te trekken. Vandaar ook dat hij contact heeft gezocht met de heer Bomhof uit Apeldoorn, wiens optreden vorig jaar goed is bevallen, om eens te zien of hij een paar goede programma's in elkaar kan zetten voor de komende zomer. Met de provinciale VVV is de afspraak gemaakt dat wanneer bijtijds wordt doorgegeven wat er te doen zal zijn, er in andere gemeenten op die avond niet wat te doen zal zijn, zodat men elkaar niet in de wielen rijdt. Na enige discussie gaat men voorlopig akkoord met het volgende plan:
zaterdag 11 juli optreden Gezelschap Bomhof voor ƒ 250,--;
zaterdag 25 juli Gezelschap Apeldoorn met Hilde voor ƒ 400,--;
zaterdag 1 augustus Acrobatiekgezelschap Apeldoorn ƒ 240,--;
zaterdag 8 augustus Drusia Gilde Doesburg voor ƒ 375,-- en
woensdag 19 augustus nogmaals een optreden van Gezelschap Bomhof voor ƒ 250,--.

Van het openluchtspel van de "Stichting Agrarisch Welzijn Nieuwleusen" op 25, 26 en 17 mei 1959 zijn een aantal foto's en de voorlopige rolverdeling in ons archief aanwezig. De lijst van medewerkers laat 43 namen zien, waarvan er kennelijk een aantal niet deelgenomen hebben aan het spel, terwijl in de rolverdeling een aantal namen voorkomen die er niet op staan. Het spel zal beginnen met zang; een groep zingt drie coupletten, een tweede groep het laatste couplet. De eerste groep bestaat uit de dames H. van Spijker, K. Wienen, G. Knol, H. Blik, M. de Boer, E. Bijker, A. Bonen en T. Bijker en de heren E. Kouwen, Joh. Upper, J. Luten, J. Blik, H. Kappert, J. Schaapman, E.J. Koezen en A. Broek.
De tweede groep kent de dames G. van de Kolk, A. Stegeman, R. Pruntel en A. Smit en de heren J. Dijk, B. Ruinemans en H. van Duren.
Na het zangstuk volgt er een gesprek met mej. D. Wienen en de heer R. Kouwen als voorstander en de heer G. van Ankum als tegenspreker (wellicht over agrarisch welzijn?).


Scene uit het spel met vlnr. Hennie van Spijker, Klaasje Wienen, Grietje Knol en Rut Mulder.

Het spel kent een viertal aktes. De eerste laat een doopstoet zien met als vader A. Mannen, als moeder J. Sterken, als draagster L. Brouwer en als koster Js. Beute. Kerkgangers zijn mej. F. Brouwer en de heren R. Mulder en W. Stolte, terwijl de rest nog nader ingevuld moest worden. Als oude boer fungeert de heer A. Mannen terwijl de heer H. Oldeman zich als microfoonstem zal laten horen.
De tweede akte is een buurpraatje met de dames Jannie Sterken als moeder en Marie Vonder, Trijntje Schaapman, Ge Kooistra en Minie de Boer.
De derde akte is de zogenaamde Hokjeskermis. Kraamhouders zijn de heren W. Stolte en R. Mulder, terwijl de volgende heren gaan koekslaan: Henk Prins, Albert Deuzeman, Thijs van Duren, Klaas Dijk, J. Reuvers en Harm Prins. Op de kermis zijn verder de 24 dames en heren aanwezig die in de proloog zingen. Van hen gaan "aan de scharrel" H. van Spijker met J. Blik, E. Bijker met H. Kappert, H. Blik met J. Luten en Margje de Boer met Joh. Upper. Op deze kermisavond krijgt de heer G. van Ankum een meisje en wel mej. D. Wienen, die later zijn vrouw zal worden.
De laatste akte toont de trouwstoet met als jonge boer G. van Ankum als bruidegom en zijn bruid mej. D. Wienen. Voorts A. Mannen en J. Sterken als vader en moeder en als overige familie en kerkgangers Marie Vonder, J. Schaapman, de kerkgangers van de doopstoet, de dames van het buurpraatje en de heren van het koekslaan.

Ongetwijfeld zal het openluchttheater een mooi decor geweest zijn voor dit spel en de andere stukken die er gespeeld zijn. Maar helaas, het theater heeft geen stand kunnen houden. Hoe lang het nog dienst heeft gedaan en wat er van de stichting "Palthebos" geworden is, zal nader onderzoek vergen. Feit is evenwel dat de "Bult van Derk-Jan" en de met water gevulde kuil tussen bult en tribune vandaag de dag nog herinneren aan dit verleden. Of het nog eens zal herleven? De geschiedenis herhaalt zich immers. Was er enkele jaren geleden ook niet opnieuw sprake van kampeerplaatsen in het Palthebos?

* * *

UIT DE OUDSTE GESCHIEDENIS VAN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

In dit artikel nemen we een tweetal oude akten op uit 1637 en 1641 die ons een en ander vertellen over de oudste geschiedenis van deze streek. Onderstaande teksten zijn aan de huidige spelling aangepast.

Op heden den 13e juli anno 1637 zijn de ondergeschrevenen als gemachtigden tot scheiding en deling van de Leusse marke, te samen geweest tot Leussen. En is na gehouden overleg tot het volgende besloten:
Eerstelijk is goed gevonden, dat de markenrichter van de erfgenamen van de Rosengaerde meegedeeld zal worden, het bewijs dat er is aangaande de grens tussen de marke van de Rosengaerde en Leussen. De landmeter Mr. Gijsbert Sas zal het achterste veen meten, naar de zijde van de Rosengaerden, uit de sloot van de Leussener hooilanden met de meting gaan tot de kuil of baken die aldaar voor de grens onlangs gesteld is, tot op de Nieuwe sloot of de Grift. In voegen dat van het stadsveen tot aan de voorschreven grens van Leussen daar blijven 470 roeden, zijnde de rechte breedte die bij de perkamenten markenrol van de Rosengaerde van ouds bevonden wordt, voor de 19 blokken en Heeren slag, te samen gelegen boven het Stads uitgegraven veen.
Voorts zal Mr. Gijsbert Sas voorschreven, meten de lengte die daar is bij de Plompenkolk tot aan het baken die gesteld is tussen Leussen en Verssen tegen Avereest en IJhorst. En vandaar bij langs Verssen tot naar de Leussener hooilanden of 't Broek. En langs hetzelfde Broeck tot aan de Groeten Hermelen, mits deze grens recht door genomen wordt zonder rekening te houden met de krommingen van de sloot van de hooilanden of het Broek voorschreven. Van deze meting zal Mr. Gijsbert voorschreven een perfecte kaart maken, en in de zelfde kaart op zijn rechte maten tekenen de nieuwe sloot, alsmede de uitgegraven kampen bij de Plompenkolk, met het overschot tussen die kampen en de Rosengaerder marke. En zal daarbij meten en in kaart brengen de grootte van het gehele veen in zijn vierkant. Idem van de grootte van het veen aan de ene en de andere zijde van de Grifte of de Nieuwe sloot elk apart. Alsmede van de nieuwe kampen en het overschot voorschreven te roeden? doorgaans genomen van het Zuiden naar het Noorden.
Welke kaart gemaakt zijnde, zal de Heer van Almelo als markenrichter, de gewone erfgenamen uitnodigen om ze aan te wijzen, waar ter plaatse die participanten haar 240 roeden in 't voorschreven veen zullen hebben en voorts vast te stellen de echte scheiding van het zelfde veen. Alsmede om nader goede order te geven tot het scheiden van uitgegraven hooi- en weilanden en tot verdere deling van de marke.
Getekend in aanwezigheid van de rentmeester in plaats van de heer markenrichter.

- - - -

Anno 1641 zijn overeengekomen de gewone erfgenamen met den Markenrichter des maandags na mei:
Ten eerste als van dat veen te graven, is de markenrichter met de gewone erfgenamen overeengekomen dat die van buiten in het veen gewaart zijn, zullen dat zelve niet verdoen, dat zij dat zelf graven zullen en desgelijks die buren zullen daar ook geen veen in verdoen, dan zullen zij zelf toe maken de venen en zullen niet meer graven als de merken cedule vermeld, te weten 8 roede als bij een boete van 2 oude schilden die dat zelve overtreden.
Item als van Reijmers schapen heeft die markenrichter met de gewone erfgenamen dat zelve in der buren handen gegeven. Hoe zij dat dan met de anderen maken zijn de erfgenamen mede tevreden. Ook de gezworenen.
Item als van dat hout te rooien is de markenrichter met de gewone erfgenamen overdragen dat die markenrichter twee daghuurders winnen zal omdat zelve hout te rooien en dat afgezaagd wordt zullen de buren elk na grootheid van hun waartallen verdelen met de daghuurders en dat de buren de onkosten zullen betalen naar de grootheid van hun waartallen.
Item als van den kotters is overeengekomen dat zij niet met meer dan zes schapen houden zullen en is het zaak omdat er sommigen zijn die geen schapen hebben, die zelve zullen geen schapen aannemen.
Item als van venneken bij de Ruite als van die wetering te bezichtigen zijn daar toe geschikt (gestuurd, red.) jonker Johan van Rechteren als markenrichter, Wulf van Ittersum, Johan Rengers, Proost van het Zwartewater Wilbert Luykens en die onkosten die de geschikte erfgenamen dan zullen doen zullen de gewone erfgenamen gelijk helpen dragen en des gelijks ook dit veen. Item die markenrichter van Lusen met de vier geschikte erfgenamen is overeengekomen dat zij bij de anderen wezen zullen om te bezichtigen dat veen den eersten dag juni, namelijk des woensdags voor pinksteren 's morgens te acht uren te Lusen op den hof daar men die houtsprake pleegt te houden en niemand zal zich als dan absenteren(afwezig zijn, red.) tenzij hij kennelijke noodzaak te doen heeft bij verlos(boete, red) van een tonne Honborger bier.
Item ten eerste begeren die gewone buren van den markenrichter en de gewone erfgenamen dat hij hen weer gunnen wil dat zij hun koeien weder in den hout mogen laten hoeden voor een huur gelijk zij in vroegere tijden plegen te doen.
Item ten anderen begeren de buren van de erfgenamen dat hij hun gunnen wil want zij die schapen bekeuren dat die eerste bekeuring op elk schaap 1 stuiver zetten, terwijl die andere bekeuringen op 1 stuiver op 2 schapen en al ze te verdubbelen met de schapen die zij boven hun waartal houden. Want de schapen zijn geteld.
Item begeren die buren dat hij hun gunnen wil dat niemand van hun buren van buiten waartallen winnen zal en belasten hun marken daarmede dat welke alzo in vroeger tijd niet placht te wezen dat hij het hun bepaalde land niet buiten waren placht te beslaan.


Item geven die buren te kennen dat die keuters in hun waren 1 vierdeel schapen houden, begeren de buren van de gewone erfgenamen.... (onleesbaar, red.).
Item nog begeren de buren van de markenrichter en de gewone erfgenamen dat hij hen vergunnen wil dat de Welsumer schapen net zo zal tellen, gelijk men doet met de schapen van degene die in de marke gewaart zijn.
Item nog begeren die buren van de erfgenamen dat men hen vergunnen wil dat niemand in hun marke veen verdoen zal en dat van buiten waren, dan zullen zij dat zelf graven want dat veen daar door gans toegetakeld en verdorven wordt.
Item nog beklagen zich die buren dat Reimer ter Arendshorst een grote drop schapen in onze marke houdt, daar die marke daardoor te niet gaat, daarom begeren de buren dat Reijmer niet meer schapen op zijn waartal houdt dan dat die buren doen.
Item nog geven die gezworenen te kennen dat er veel te veel hout gevoert is uit het Broek en is bij de molen gezaagd daar die huizen van gemaakt zijn.
Item die nieuwe gezworenen zullen zijn: Johan Roloffsen, Johan Heijnck, Berent Henriks, Werner van Luesen.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXX _________________________________________________________


De Hervormde Meisjesvereniging uit Nieuwleusen olv. mevrouw Ybema werd omstreeks 1953 gefotografeerd.
Namenlijst uit de beeldbank

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  

Aaltje Katoele
Hendrikje Katoele
Klaasje Katoele
Rika Katoele
Mina Tempelman
Janny Schoemaker
Annigje Prins
Hendrikje Fokkert

9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  

Gerrigje Alteveer
Geertje Bonen
Aaltje Knol
Aaltje Huzen
Gerda Paasman
Aaltje Schoemaker
Grietje Feitsma
Aaltje Schoemaker

17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  

Margje Grit
Aaltje van Dijk
Jentje de Weerd
Hendrikje van de Berg
Hennie Luten
Annigje Katoele
Francien Masselink
Mevr. Ybema

25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
 

Janna Meulenbelt
Aaltje de Boer
Geertje Huzen
Aaltje Westerman
Hermina Prins
Aaltje Broek
Jantje Groen
 

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Prov Ov en Zw Courant 20 januari 1916:
Nieuwleusen, 19 Jan. In den hedenmiddag gehouden vergadering van den raad is tot secretaris dezer gemeente benoemd de heer J.P. Backx te Borculo met 6 stemmen, tegen 1 stem op den heer J. Jansen te Almelo.

Prov Ov en Zw Courant 28 maart 1928:
Nieuwleusen, 27 Maart. Naar wij vernemen hebben ingezetenen van Den Hulst, Ruitenveen en het Westeinde ook adressen gezonden aan H.M. de Koningin, met het verzoek den heer J.P. Backx, secretaris dezer gemeente, tot burgemeester te willen benoemen.

* * *

BURGEMEESTERS MET EEN INDRUKWEKKENDE FAMILIEGESCHIEDENIS Il _________________________________________________________

Tot de burgemeesters van Nieuwleusen behoren een viertal "baronnen". In het vorige kwartaalblad gaven wij u een overzicht van de familie van burgemeester Mr. C.W. baron van Dedem (1838-1851). Als tweede in deze serie volgt hier de familie van burgemeester W.J.G. baron Bentinck (1852-1869).

Genealogie Bentinck, voor zover betrekking hebbend op deze familie te Nieuwleusen.

Wolter Jan Gerrit baron Bentinck, geboren 29 januari 1820 op huize Schoonheeten, sterft te Dalfsen 28 juni 1869.

Burgemeester van Zalk en Veecaten van 20 mei 1843 tot 1852, burgemeester van Nieuwleusen van 18 januari 1852 tot juli 1869.
Hij blijft ongehuwd.














Rudolph Floris Carel baron Bentinck, Heer van Schoonheeten 1820, Buckhorst, Zalk en Veecaten (door koop) 1840 en Yrst, geboren 8 oktober 1785 te Diepenheim, sterft 26 mei 1857 te Schoonheeten;
trouwt de eerste keer te Dalfsen met Wilhelmina Henriëtte van Marle (dochter van Mr. Gerrit Willem van Marle en Catharina Wicherlink en zuster van Judith van Marle, echtgenote van Mr. C.W. baron van Dedem, burgemeester van Nieuwleusen);
trouwt de tweede keer met Henriëtta Elisabeth Arntzenius.
Hij is rentmeester domeinen van Salland en Twente, lid Ridderschap van Overijssel, lid Gedeputeerde Staten van Overijssel en kamerheer van de Koning.
Hij krijgt 13 kinderen, waarvan 10 uit het eerste huwelijk en 3 uit het tweede huwelijk.
Volkier Rudolf sterft 10 jaar oud;
Mr. Gerrit Willem (later Derk genoemd) trouwt en heeft geen kinderen;
Gerrit Willem sterft 15 jaar oud;
Catharina;
Hendrik geboren 1817 erft de titel Bentinck van Schoonheeten (en krijgt 5 kinderen, waarvan de derde, Willem, burgemeester wordt van Den Ham-1868, Steenwijk-1904 en Olst-1909);
Mr. Carel sterft ongehuwd;
Wolter Jan Gerrit;
Berend Willem trouwt (en krijgt 5 kinderen, waarvan de 1e de vader wordt van Anne Gerard Wolter burgemeester van Ambt Ommen van 1906 tot 1916);
9e zusje; 10e zusje; 11e zusje; 12e zusje; 13e broer die 3 kinderen krijgt.

Derk Bentinck, Heer van Diepenheim, geboren te Schoonheeten 8 okt. 1741, sterft 4 januari 1813 te Zwolle;
trouwt met Elisabeth Sloet.
Hij heeft zitting in de Ridderschap van Overijssel, is drost van Vollenhove, drost van Twente en van Salland, Gedeputeerde ter Staten-Generaal, staatsraad, lid departementaal bestuur van Overijssel en landdrost van Overijssel.
Er zijn 4 kinderen, eerst twee zonen;
de 1e Berend Hendrik Wolter Jan treedt in Britse dienst (volg de Britse baronale tak),
de 2e Rudolph Floris Carel, en 2 dochters.

Berend Hendrik Bentinck, Heer van Diepenheim en Schoonheeten ; geboren 2 september 1702 te Diepenheim, sterft 19 februari 1773 te Schoonheeten;
trouwt Bonne Elisabeth du Tertre.
Zit in de Ridderschap van Overijssel, is drost van Twente en van het land van Valkenburg, schout van Raalte, dingwaarder Hoge Bank van Justitie en luitenant-stadhouder der lenen van Overijssel.
Kinderen:
Volkier Rudolph; huwt en krijgt een kind dat jong is overleden.
Derk.
Carel; blijft ongehuwd.
Berend Hendrik; huwt en krijgt een kind dat jong is overleden en een zoon die ongehuwd is gebleven.

Willem Bentinck, Heer van Diepenheim 1699 en Schoonheeten 1712; geboren te Schoonheeten 1673, sterft 4 juni 1747 te Schoonheeten;
trouwt de eerste keer in 1699 met Anna Agnes Bentinck, vrouwe van Diepenheim,
trouwt voor de tweede keer in 1722 met Wilhelmina Judith Agnes Bentinck, vrouwe van Werkeren.
Hij is drost van Haaksbergen, drost van Twente en van het land van Valkenburg en zit in de Ridderschap van Overijssel.
Kinderen uit het eerste huwelijk:
Berend Hendrik.

Eusebius Borchart Bentinck, Heer van Schoonheeten 1699; gedoopt 14 mei 1643 te Deventer, sterft 25 oktober 1710 te Schoonheeten;
trouwt voor de eerste keer in 1670 met Elisabeth van Brakel
en voor de tweede keer met Hendrina Schimmelpenninck van der Oye te Hasselt op 12 januari 1687.
Hij is hoogschout van Hasselt, van Maastricht, zit in de Ridderschap van Overijssel en is gecommitteerde ter Admiraliteit van Amsterdam.
Kinderen uit het eerste huwelijk:
Willem.
Hendrik Adolf(tak Bevervoorde).

Berent Bentinck, Heer Van Diepenheim 1639 ; geboren 13 september 1597, sterft 29 juli 1669 te Diepenheim ; trouwt met Anna van Bloemendaal.
Hij is proost te Deventer en zit in de Ridderschap van Overijssel.
Kinderen:
Eusebius Borchart.
Hans Willem (grafelijke tak. Bij diploma van Koning Willem III van Engeland op 9 april 1689 werd hij verheven tot Baron Cirencester, Viscount Woodstock en Earl of Portland. Van zijn eerste zoon Henry stammen de Cavendish Bentincks in Groot­Brittanië af, van zijn tweede zoon Willem de graven van Aldenburg Bentinck).

Hendrik Bentinck, Heer van Werkeren 1624, Diepenheim 1637 en Schoonheeten; geboren 1563, sterft 11 september 1639;
trouwt eerst met Elisabé van Ittersum en voor de tweede keer met Anna Beninga.
Hij bouwde in 1638 Schoonheeten, is drost van IJsselmuiden, lid Raad van State, landdrost van Salland en zit in de Ridderschap van Overijssel.

Eusebius Bentinck, Heer van 't Velde 1577 ; sterft in 1584 ;
trouwt met Sophia van Ittersum.
Hij is drost van IJsselmuiden en heeft zitting in de Ridderschap van Overijssel.

Willem Bentinck, Heer van 't Velde bij transport van zijn vader in 1535; sterft in 1577;
trouwt met Geertruyd de Groeft van Erkelens.

Hendrick Bentinck, vermeld in 1501, sterft in 1538.
Hij is rentmeester van Veluwe, afgevaardigde van Arnhem naar Karel V in 1505, vermeld met zijn vrouw te Arnhem 1515.

* * *

CORRECTIES Nl'JLUUSENER WOORDEN I _________________________________________________________

Als gevolg van het besluit van de redactie om woorden die als -n worden uitgesproken ter wille van de leesbaarheid ook in deze serie met de uitgang -en te schrijven, zijn bij de letters A en B in het vorige kwartaalblad enkele onvolkomenheden geslopen. Tevens moeten enkele correcties worden aangebracht.
Hieronder volgen de betreffende woorden:

aandersweegs
anspannen
anvarngen
aofgelopen zundag
aofkeren
bedreten
biesteren
briloren
begroten
berig (ipv beng)
bolkalf

elders
inspannen (van een paard)
mee lastig vallen
verleden week zondag
aanvegen
sip, bang
warrig praten
woelen
jammer vinden
vrouwelijk varken dat vruchtbaar is
schreeuwerd, lawaaierig dom jong mens

Deze correcties zijn verwerkt in de lijst.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant 14 januari 1920:
Vrijdag ontstond er brand in de kooikerij van J. Potjes te de Meele, terwijl J.P. naar Zwolle was en de vrouw en de kinderen alleen tehuis. Gelukkig dat de schuur door de toegesnelde buren behouden kon blijven. Oorzaak onbekend.
Het hooi was verzekerd; de berg niet, zoodat het voor J.P. een heele schadepost is.

* * *

Nl'JLUUSENER WOORDEN Il _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

daalders
dagmaote
dale
daoken
dauwelen
deerntien
deijs
delle
dèmp(er)ig
dennefobel
deurkrabbe
diek
diesels
dikke (tie) (verkollen)
doare
doemelink
doenoor
dogge
domvedan

doorndrieter

dop ies
dreutel
driepape
drieten
drietien
drinkenskolk
drukspiekertien
druus, peerd in
dummelig
dwarsbongel

dwarsbongelen

mooi
lengtemaat van landerijen - 80 are
neer
rieten dak van een boerderij
gekheid maken
meisje
zat, genoeg
kuil, gat in het land, deuk in autodak
kortademig
sparappel
houten deurvergrendeling
weg
distels
grote (teen) ( erg verkouden)
eierdooier
verbandbeschermer
druiloor
hond
dom doorgaan zonder je af te vragen of het zin heeft
iemand die uit angst iets doet waarvan hij beter denkt te worden
bom ijs
treuzelaar
koe met 3 spenen
poepen
treefje
drenkplaats voor vee
punaise
ziek paard
wat dommig
iemand die het steeds beter denkt te weten
beter willen weten

eemolders
eerbezen
eerdaonig

eerpel
eerpellozie
eerpelpoten
eerpels krabben
eers
èk(e)
ennig
erften
euliekrabben
évertas(se)
ezelen

leeftijdgenoten
aardbeien
op zijn eer gesteld; opkomen voor het recht van een medemens
aardappel
aardappelschuur
een kinderspel
aardappels rooien
anus
azijn
handig, handzaam
erwten
oliebollen
salamander
hard werken

falderappe
feile
feilen
feitel
fetuten
fidderen
fien
fitteren
flodderbokse
flot
fodden
foeke

foezel
foezelen
foggelen
fokke
fosse (wiend)
fossen
frabbe
frabberig
frommes
frosselen
frummes
fusselen

wonderlijk persoon
dweil
dweilen
dweil
vreemde voorstellingen, ideeën
rillen
tenger; streng in godsdienstige leer
rillen
iemand die slordig op zijn kleren is
bedorven (bv een ei)
paal heen en weer wroeten; schudden
valse vouw in broek; raar geval; moeilijkheid
vermolmd hout; slechte turf
wegfrommelen
prutsen
bril
handvol (veel wind)
in de war maken (bv van touw)
eigenwijs persoon
eigenwijs
vrouw
wauwelen; uit gekheid stoeien
vrouw
frutselen

gaffel
gaffeltange
gaonde
gaste
gasterd
gasterig
geiselen
gele gauw
gerak
geute

gewunnen
gier
giespelen
gieteling
gifte
gladiezelen
glie(r)bane
glieren
glieve
gloepens (kolt)(hiete)
gloeperd
gloepertien
glunig
goezen
goorn
graoperig
grienderig (weer)
gril
grommen
grupe
guste

tweetands vork
oorwurm
druk, onrustig
tien garven
smeerlap
vies, smerig
behoorlijk snel hard lopen
wielewaal
gerief
voorste deel waar melkgerei schoongemaakt wordt
geworden, mee overweg kunnen
uier van koe
behoorlijk snel hard lopen
merel
maat voor melk (aarden nap met 1 oor)
ijzelen
glijbaan
glijden
kier
venijnig (koud); erg (heet)
guitig, ondeugend kind
guitig, ondeugend kind
gloeiend
giechelen; duvelen van kinderen
singel in het land van hakhout; hof; tuin
inhalig
waterkoud
boos, woest
kleine korreltjes sneeuwen
greppel; mestgoot in de stal
niet drachtig

* * *

INHOUD VAN DE DERTIENDE JAARGANG _________________________________________________________

blz.



10 
10 
14 
 
21 
25 
33 
36 
39 
40 
 
44 
44 
45 
48 


Dalfsen en Nieuwleusen van voor 140 jaar (in 1899)
Uit "Poezy" van Arnold Moonen
Krummels
Nogmaals aanvulling groepsfoto (Chr. School Den Hulst)
Een oude groepsfoto XXIX (Chr. School Ruitenveen)
Burgemeesters met een indrukwekkende familiegeschiedenis I (Van Dedem)
Ni'jluusener woorden I
Met het Palthebos als middelpunt
Uit de oudste geschiedenis van Nieuwleusen
Een oude groepsfoto XXX (Herv. meisjes­ver. Nieuwleusen)
Krummels
Burgemeesters met­ een indrukwekkende familie geschiedenis II (Bentinck)
Correcties Ni'jluusener woorden I
Krummels
Ni'jluusener woorden II
Inhoud van de dertiende jaargang

In mei verscheen het gecombineerde nummer 1/2 van deze jaargang onder de titel
"De jaren 1940-1945 in Nieuwleusen".





Jaargang 14 nummer 1 maart 1996

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

ISSN 1384-0940

* * *

MELKERSCURSUS _________________________________________________________

Ten huize van den heer M. Schiphorst te Nieuwleusen werd aan de dames H. Alteveer, H. Bijker, J. Kouwen, R. Pessink, B. Prins, J. Kleen Scholten en de heeren K. Bijker Jzn, H. J. Brasjen, H. J. Brouwer, W. Pessink, B. Potjes, Alb. Prins, A. Schoemaker en K. Kleen Scholten een diploma voor goed melken uitgereikt. Nadat de heer Alb. Aarten* de aanwezigen welkom had geheten, hield de heer Vos*, alvorens tot uitreiking over te gaan, een inleiding en schetste de belangrijkheid van goed melken, in het algemeen het groote nut van een goed landbouwonderwijs en zeide zeer verheugd te zijn aan 6 boerendochters een einddiploma te kunnen uitreiken. Pas later zal blij-


Vlnr. Geertje Post, Jentje Kleen Scholten en Janna Timmerman.

ken van hoeveel belang het voor Nieuwleusen is dat zij een cursus in melken volgden. Aan allen die medewerking verleenden tot het welslagen van deze melkerscursus, in het bijzonder aan de fam. van Keulen, werd een hartelijk woord van dank gebracht. Tot 10 uur bleven allen gezellig samen. Na er eerst nog op gewezen te hebben, dat de boer het zelf in de hand heeft zijn bestaan te verbeteren en aan zijn bedrijf meer bekoring te geven en het vormen van krachtige landbouworganisaties, sloot de heer Vos de samenkomst.

(Overgenomen uit de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 16 oktober 1928)
* Alb. Aarten was voorzitter van het bestuur en L. Vos directeur van de zuivelfabriek Onderling Belang.

* * *

DE JAREN 1940 -1945 IN NIEUWLEUSEN, EEN AANVULLING _________________________________________________________

In het eerste hoofdstuk van het in mei 1995 verschenen boekje met de titel "De jaren 1940-1945 in Nieuwleusen, " hebben we korte stukjes herinneringen van verschillende mensen gebundeld tot een artikel. Op bladzijde 13 staat dat op 6 maart 1943 twee Engelse vliegeniers krijgsgevangen werden gemaakt. Hierover wilden lezers graag meer informatie. Van de heer P.C. Meijer in Den Ham, die een documentatiebestand over de Tweede Wereldoorlog in Overijssel heeft opgebouwd, ontvingen we onderstaande gegevens.

De op genoemde bladzijde vermelde naam Leyson blijkt te moeten zijn Leysman.
De serganten A.C. Loveland en David Leysman maakten deel uit van de bemanning van een Engelse Halifax II bommenwerper. Het toestel behoorde tot het 78e squadron van de RAF en had als thuisbasis Linton on Ouse (Yorkshire). Het nam op 5 maart 1943 deel aan een aanval op Essen.
Er vertrokken 442 toestellen, waarvan er 56 door technische gebreken vroegtijdig terugkeerden naar hun bases. De aanval werd in 3 fasen uitgevoerd en de 94 Halifaxes waren aangewezen voor de eerste fase. In de rapporten staat dat de operatie succesvol was. De Kruppfabriek werd zwaar beschadigd maar ook vielen er slachtoffers onder de burgerbevolking en werden honderden woningen vernield.
14 toestellen keerden niet terug, waaronder 3 Halifaxes. Daarvan is het toestel met serienummer HR-687 en EY-? (EY is de lettercode van het squadron, daarachter moet nog een letter staan voor de code van het toestel, maar die is niet bekend) om 21. 35 uur neergestort nabij de Leidijk en de Dekkersweg in Rouveen. Van de achtkoppige bemanning zijn er 3 omgekomen (Killed in Action) en 5 gevangen genomen (Prisoner of War).
In "The Halifax File" staat achter het nummer van het toestel:
"failed to return, March 6, 1943". Die datum klopt wel, omdat het hier om een nachtaanval ging, waarbij de toestellen op 5 maart vertrokken en op de ochtend van 6 maart terug verwacht werden.
De Halifax was een zware viermotorige bommenwerper, normaal met een zevenkoppige bemanning. Het meest waarschijnlijk is dat de achtste man (Leysman) als extra (neus?)­schutter meeging. Opmerkelijk is dat in één van de geraadpleegde bronnen de naam Leysman niet op de lijst voorkomt. Ook is zijn nummer als krijgsgevangene niet bekend.
De samenstelling van de bemanning was als volgt:
Thompson, J.R. pilot/officer, 141457, KIA.
21 jaar; graf: 4, Rouveen.
Mercer, K.W. navigator/flight sergeant, 1128120, POW.
in Staphorst gearresteerd? krijgsgevangen nr. 27727.
Loveland, A.C. bomb-aimer/flying officer, 143493, POW.
bij Dalfsen gearresteerd, krijgsgevangen nr. 27725 (Sagan).
Blackwell, A.E. WOP/flight sergeant, 13773328, KIA.
graf: 3, Rouveen.
Proctor, O.V. flying engineer/flight sergeant, 1060706, POW.
in Staphorst gearresteerd? krijgsgevangen nr. 1060706.
Williams, E.C.B. mid upper gunner/sergeant, 13337753, KIA.
23 jaar, graf: 2, Rouveen.
Chiswell, D.R. rear gunner/warrant officer, R/12280, POW.
gearresteerd bij Nijeveen, krijgsgevangen nr. 27702.
Leysman, D. ?/sergeant, 1128555, POW.
bij Dalfsen gearresteerd, krijgsgevangen nr. ?

* * *

ZUIDZEEROMANTIEK EN JODELVERTIER BIJ "TANTE MARREGIEN" _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant

Nieuwleusen op een grijze winteravond is geen de fantasie prikkelende verrassing: een smalle weg met hoge bomen en sloten als begrenzing is de levensader voor de boerderijen, welke als logge beesten terzijde liggen. En daarachter de eentonige wijdte van weidegronden, paaltjes en prikkeldraad, waar de toch al verflenste februari-kleuren weggedoezeld worden door een opkomende avondmist. Weinig mensen, weinig vertier, zo op het eerste gezicht, zelfs niet bij de Kerkenhoek waar 'n andere weg de weg met de bomen kruist, waar kerk en gemeentehuis zijn, burgemeesters-, dokters- en domineeswoning staan en een smederij en twee café's verder het belang van dit centrum duidelijk maken.


Tante Marregien in haar jonge jaren.

Achter de ramen van het grootste café heerste bij onze komst tijdens het avondlijk etensuur niettemin een bedrijvigheid, welke goede dingen voorspelde. In de lage zaal met als economische warmtebron een kachel plus vijftien meter pijp, werd het biljart radicaal opzij geschoven en met los stoelmateriaal een theater gevormd, dat met hulp van vensterbanken, tafels en veel goede wil, wel 250 gasten zou kunnen ontvangen. En we begrepen dat "Hidoep Moedah", de in deze contreien reeds befaamde krontjongclub van het vriendelijke plattelandsdorp, in deze entourage haar grote uitvoering ging geven.
Nieuwleusen en het twee kilometer noordelijker gelegen kanaaldorp Den Hulst, tezaam gesmeed in één gemeentelijk verband, bieden weinig schoonheid in landschap en behuizingen en zo is het begrijpelijk, dat de 5000 naar gezelligheid, ontspanning en kennis dorstende zielen zich met volle animo op de attracties van het verenigingsleven geworpen hebben. Volbloed Nieuwleusenaren hebben me voorgeteld hoeveel verenigingen de gemeente heeft. Ze spraken van zeven zanggemeenschappen, twee voor muziek, over toneel, jonge boeren- en oranjefestijnen en ze werden het samen wel ongeveer eens over het getal twintig! In dit zeer zeker ruime kader van verenigingsleven neemt "Hidoep Moedah" toch wel een bijzondere plaats in. Dat in deze samenleving van in hoofdzaak plattelanders veertien jonge mensen gevonden werden, bereid hun krachten te gaan wijden aan krontjong-, jodel- en Zuidzee-muziek, is toch wel heel opmerkelijk en dat de streekgenoten er ook zo over denken, wordt bewezen door het feit, dat deze week twee voorstellingen "besproken uitverkocht" waren (500 dorpelingen!) en dat er wellicht nog een derde optreden gemotiveerd zal blijken.

Tiroler en wachtmeester.
Voorzitter Henk Hogenboom, die we deze avond leerden kennen als stevige Tiroler, maar die overdag wachtmeester bij de rijkspolitie is, heeft op ons verzoek een duik gemaakt in zijn geheugen om de gang van zaken bij de geboorte van "Hidoep Moedah" te verklaren. Hoewel dit blijde feit nog geen drie jaar geleden geschiedde, heeft hij ons eigenlijk niet het hoe en waarom voor ogen kunnen stellen. Als ik het goed begrepen heb, was er in 1949 niemand in Nieuwleusen of Den Hulst, die een gitaar of mandoline kon hanteren, maar toen de Berkummer Hendrik Jan Spijkerman, via genoeglijke jachtdagen met dit dorp verbonden, wel eens in 't café per gitaar 'n liedje speelde, bezweken er harten voor dit snaarinstrument. De wachtmeester en enige jongens en meisjes kregen de smaak te pakken en leerden zichzelve met veel animo tokkelen en zo geleidelijk aan kreeg het clubje gestalte en de Maleise naam "Hidoep Moedah" oftewel "Jong Leven". Negen meisjes en vijf jonge mannen zijn er nu de actieve leden van en Woensdag gaf de club de tweede uitvoering in haar nog zo jeugdig bestaan.

Van half acht tot één.
Het gebeurde bij "Tante Marregien", de onder deze benaming bij dorpsgenoten en vertegenwoordigers bekende "bazin" van het hierboven reeds gesignaleerde café-met-de-lichte-ramen. Officieel heet deze Nieuwleusense schouwburg "Zaal Schoemakers". Om half acht was ze afgeladen vol, met op de eerste rij burgemeester en dokter, en tegen één uur was een machtige krentenmik, hoofdprijs in de verloting, aan de jeugdige winnares overhandigd. In dit tijdsbestek van vijf en een half uur beleefden we altegader dan achttien nummers muziek en schetsen van "Jong Leven", menig babbeltje van de bejaarde Kamper conferencier Hein van der Kamp, een verloting, een slotwoord en drie hoogst royale pauzes ten genoege van de kastelein.
De Nieuwleusenaren hebben zich met dit geheel uitermate tevreden betoond en dat was dan uiteraard bovenal te danken aan de prestaties van de jonge muzikanten. Natuurlijk kon een critisch toehoorder vaststellen, dat deze bezetting van vijf mandolines, vier guitaren, drie banjo's en een accordeon nog weinig geroutineerd speelde - hoe kan het ook anders twee jaar na het begin? - en mede als gevolg daarvan namen de artiesten een wat al te bedeesde houding aan. Zij vergaten het "show­element", het dij-geklets en de joechee-kreten bij de jodelwijsjes, de lieve lachjes en het gedein tijdens het Zuidzee-gefluister, maar hun ongekunsteld enthousiasme en vooral niet te vergeten de prettige "aankleding" van het geheel, veroverden de toeschouwers. De vijf aardige achterdoeken, de kleurige Tiroler pakjes, de blauwe gewaden voor de "Ochtendnimfendans", de Gieterse punter en wat dies meer zij, het was allemaal keurig, kleurig en eigen maaksel.


Leve het jodelen!

We noemden al het begrip jodelen. De Hidoep Moedah-ers begrepen wel, dat ze niet alleen met Indische krontjongliedjes een programma konden vullen en zo verwisselden zij enige malen hun wit-grijze krontjong-kledij voor het rood en groen en de hoedjes met veer van Tirol. En gezien de populariteit van het genre en van zekere Boekelose Olga Lowina in het bijzonder, was het geen wonder, dat de veertienjarige Greetje Garretsen uit Den Hulst wel zo ongeveer de ster van de avond werd. Ze beluisterde haar favorieten vorige jaren vele malen door de radio en kwam tot de conclusie, dat ze zelf ook wel zo ongeveer met haar stembanden kon manoeuvreren. Een enkele hoge toon bezorgde haar nog wel technische moeilijkheden, maar dan lachte Greetje zo prettig haar zwakke momenten weg, dat het publiek er dubbel plezier in had.

Terug naar de rust.
Na afloop van het openbare gedeelte, dus zoals gezegd om één uur 's nachts, ontstond er in de huiskamer en keuken van "Tante Marregien" (officieel Margje geheten) een hoogst gemoedelijke chaos. In deze vertrekken, welke de ganse avond als kleed- en schminkruimten hadden gediend, deelde Tante nu zelf koffie, nog wat anders en broodjes uit aan de artiesten en andere binnenlopers; de grimeur, sterk op de Franse acteur Pierre Blanchar gelijkend, bracht de spelers weer terug in hun normale, Nieuwleusense staat; tekenaar Teun trachtte temidden van het gewoel vele gelaatstrekken vast te leggen en op de divan lag onder een dekentje Tante's kleinzoon, 'n kereltje van een jaar of acht even uit zijn bed gehaald om met verbazing het ganse spektakel te kunnen aanschouwen.
Toen we om half twee Nieuwleusen verlieten was de rust om en bij de Kerkenhoek teruggekeerd. En bij het wegrijden zagen we hoe achter de ramen van "Zaal Schoemakers" rappe handen de stoelen naar een hoek schoven, het biljart en de stamtafeltjes hun oude plaatsen hergaven en zodoende een streep zetten onder de schouwburgsfeer. Rustig Nieuwleusen had weer eens een verzetje gehad.

(Overgenomen uit de Dedemsvaartsche Courant van 23 februari 1952.)

Noot van de redaktie: De in dit artikel genoemde Greetje Garretsen zou later landelijke bekendheid krijgen als zangeres onder de naam Anita Berry. Samen met het koor en orkest onder leiding van Bert Paige maakte ze een single met het liedje "Middellandse zee", (auteur Van Wageningen) waarmee ze hoog op de hitlijsten belandde. Het vijfenveertig toeren plaatje werd uitgebracht door Fontana als nummer 266 317 TF. Op de B-kant werd "Als ik wist dat ik je terug zou zien" opgenomen, een vertaling (Haag) van "Une fois dans la rue" van Hadjidakis.

* * *

MEESTERSHUIS OF KOSTERSHUIS?* _________________________________________________________

Nota over het huis, waarin de oude Mr. Eshuis woont, of hetzelve eene Meesters huis of een Kosters huis is, met andere woorden, of hetzelve aan de Kerkelijke of aan de Burgerlijke gemeente behoort. Indien de oude Mr. Eshuis eens aftreedt, komt de nieuwe Meester er dan in te wonen, al wordt deze niet tot Koster en Voorzanger benoemd? of indien dezelve geen Koster zijn wil, of indien dezelve geen voorzanger zijn wil of niet zijn kan, omdat hij geene goede stem heeft, of omdat hij misschien Luthersch of Roomsch is, wat gebeuren kan.
In vroeger tijden waren er in zeer vele gemeenten wel Kosters­woningen, maar niet altoos Meesters-woningen.
Dat het huis, waarin Mr. Eshuis.... woont, eene Kosterswoning is, blijkt
1) daaruit, dat de oude menschen altijd zeggen, dat hetzelve altoos eene Kostershuis genaamd werd, wat ook te zien is uit een bijliggend huurcontract van den Coster J. Dijkstra van 1797, waar die woning Kosterij genoemd wordt.
2) hetzelve is gelijk de school ook, gebouwd op grond, die vroeger aan de Kerkel. gemeente resp. aan de Diaconie alhier toebehoorde, gelijk het stuk land tegenover Eshuis, en meesterskamp genaamd, ook aan de Diaconie behoort.
3) dat Eshuis als Koster en voorzanger geen ander tractement geniet, dan dat hij in dat huis met eenen hof erbij, gratis woont. Behoorde dat huis aan de burgerl. gemeente, dan zou hij als voorzanger en Koster (wat toch geen burgerl., maar een Kerkelijk ambt is) in 't geheel geen tractement genieten.
y ad3. En uit oude rekeningen blijkt, dat en het woonhuis en het schoolgebouw een eigendom zijn der Kerkel. gemeente, terwijl noch uit de notulen van het Kerkeraads protocol, noch anderszins blijkt, dat de Kerkel. gemeente, van haar eigendomsregt afstand gedaan of die gebouwen zou verkocht hebben. Daardoor, dat het Burgerl. gemeentebestuur in de laatste jaren in het onderhoud dier gebouwen voorzien heeft, kan toch niet volgen, dat het eigendom op dit Bestuur is overgegaan. (Hoe is dit in andere gemeenten gegaan?)
In vroegere jaren werden de onderwijzers der jeugd door den Kerken benoemd en waar mogelijk hier, de onderwijzer ook Koster en voorzanger was, kwam dezelve in het z.g. Kosters­huis te wonen, daar de gemeenten in die dagen niet verpligt waren om voor eene woning van den Meester te zorgen.

P.M
Uit oude afrekeningen, wat ze de toenmalige Kerkmeesters (als leden des Kerkeraads) voor dit collegie aflegden blijkt onmiddellijk, dat Derk Jans, Hendrik Arends en Jan Klaas in de jaren 1795 tot 1799 kerkmeesters waren en deze de bijliggende rekeningen voor geleverd hout en ijzerwerk, hetwelk aan de school en de Kosterswoning gebruikt zijn, uit de Kerkekas betaald zijn.

* Dit stuk bevindt zich in het N.H. kerkelijk archief en stamt uit de periode 1875 - 1877.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXXI _________________________________________________________

De groepsfoto van dit kwartaal is ongeveer 60 jaar oud. In 1936 werden de leerlingen en het onderwijzend personeel van de Christelijke School te De Meele op "portret" gezet.



1  
2  
 
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  

Henk Boesekool
Hendrik Jan Timmerman
Cornelis Zieleman
Jan van Ankum
Albert Timmerman
Hendrik Jan Petter
Egbert van Veen
Fenna Vasse
Geesje Petter Ld.
Hilligje Witpaard

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  

Derkje Witpaard
Derkje Timmerman
Tjitske Linde
Geertje van Ankum
Klaasje Konterman
Harm Linde
Meester Oldebeuving
Asselina Deusien
Hilligje van Ankum
Jennigje Petter Ld.
Meester Withaar

22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  

Klaasje Dijk
Christina Klein
Janna Brinkman
Tinie Linde
Juffrouw Wouda
Hendrik Brasjen
Hendrik Jan Zieleman
Albert Mulder
Jan Brinkman
Koop Witpaard

32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  

Mina Kuterman
Aaltje Witpaard
Gerrit Talen
Piet Linde
Klaas van Veen
Derk Jan Bos
Jan Thijs Klein
Jan Compagner
Jan Hendrik Vasse
Klaas Deusien

* * *

STAPHORST, POASMOANDAG 1417 _________________________________________________________

K. Bijker-van Hulst

(Historisch)

Staphorst, verdrûnken in de schemering,
met rondum overal de rooie gloed van vuren;
de boze geesten kriegt 't weer te verduren.
Het volk der umme toe in donkere kring.

Gepork, geknetter in de felle gloed,
wat zuut gesnap, wat ni'jgies van verlopen weke,
over de geestelijkheid, het leergezag, de preke.
De jongens maakt de magies zwart met roet!

Gegiechel en gejoel, geknap van dreuge takken;
"Haanek schei uut, toe gekkert, loa mi'j lûs;
                                     (Haanek kom hier)
Zo'n paasvuur zûrgt veur eeuwenold vertier.
Haanek en Lubbert weet heur kaans te pakken.

Altied het zelde spel
tut as de vonken dooft.

Is 's mûrgens vrog de pannekoeke nog 'beslag',
geklepper en lawaai op 't dak van 't olde karkien.
't Is een onrustig en rumoerig warkien;
d' eileuvers prutst al an de ni'je dag.

Kiek hoe ze iev'rig sleept en bouwt en vlecht;
voortmaken, zie bint druk op 'teerste jonkien.
..... Maar ach... det takkien met det leste poasvuur-vonkien
hef 't nûst en 't karkien in de asse' elegd.

Eileuver = heilbelover (heilleuver) = ooievaar.
Bron: B Stegeman en A de Roos, Uit het verleden van Staphorst.

* * *

BURGEMEESTERS MET EEN INDRUKWEKKENDE FAMILIEGESCHIEDENIS III _________________________________________________________

Als derde in de rij van de Nieuwleusener "baron" burgemeesterfamilies volgt hier die van burgemeester Van Haersolte.

Genealogie van het geslacht Van Haersolte voor zover dat betrekking heeft op C.W.A. baron van Haersolte van Zuthem, burgemeester te Nieuwleusen.

Deze genealogie is ontleend aan: Genealogie van het geslacht Van Haersolte in 30 tabellen. Zwolle, Tijl. De nummers zijn van de tabellen zoals die uit dat boek werden overgenomen.

234. Coenraad Willem Antoni van Haersolte van Zuthem, 1842- ; getrouwd in 1874 met Hélena Débora van Reede, 1854-.


Hij is de 3e van 3 kinderen, de beide
andere waren zijn zusjes.
Burgemeester van Nieuwleusen van
2 augustus 1869 tot
1 juli 1872, burgemeester van Zwollerkerspel van
2 oktober 1880 tot
24 maart 1891.
Ze krijgen 3 kinderen, alle drie geboren te Zwolle:
Rutger Goert Antoni Zwier, 1875. Hij erft Zuthem, dat hij in 1916 verkoopt en dat in 1978 helemaal is verkaveld.
Catharina Elisabeth, 1879.
Johan Frederik, 1880.

213. Honoré Antoon Dorus ldserd van Haersolte van Zuthem, 1811-1887 ; getrouwd in 1838 met Sara Sophia Hermanna Sichterman, 1816-1891.
Hij is de 4e van 13 kinderen, waarvan 7 zusjes. 2 broers sterven kinderloos. Hij krijgt het landgoed Zuthem en is lid van Provinciale Staten van Overijssel.

200. Coenraad Willem Antoni van Haersolte van den Doorn, Haerst en Zuthem, 1783-1862 ; getrouwd met Louise Christine Egbertine Francoise Hora Siccama, 1788-1862.
Hij is enig kind en erft Den Doorn en, na de dood van zijn moeder, Zuthem. Hij was lid van de rechtbank te Zwolle.

166. Anthony Coenraad Willem van Haersolte tot de Doorn, 1760-1820 ; getrouwd in 1782 met Juliana Dorothea Hisk Maria d'Arnaud, 1761-1827.
Hij is de 3e van 11 kinderen; 7 zusjes, 1 broer sterft kinderloos. Hij erft Zuthem van de in 1803 op 75-jarige leeftijd overleden laatste heer van Zuthem, Adolf Werner van Pallandt.
In 1677 is Zuthem overgegaan op Elisabeth Margaretha van Pallandt, weduwe van de Sallandse drost Rutger van Haersolte tot Haerst. Zij draagt in 1682 de havezathe over aan haar neef Adolf Werner. In 1807 wordt de havezathe afgebroken, maar het landgoed blijft in de familie.

146. Coenraad Willem van Haersolte tot Swaluenborch, Staverden, Elsen en Breedenhorst, 1727-1799 ;
1e keer getrouwd in 1755 met Luthera Anna Agatha van der Capellen tot Boedelhof, -1770. 10 kinderen.
2e keer getrouwd in 1782 met Maria Josephina Hannotieau, 1759-1799. 1 kind.
Hij is de 4e van 7 kinderen, waarvan het eerste kind, een broer sterft na 2 jaar en voorts heeft hij 5 zusjes.

130. Antonij Swier van Haersolte tot Swaluenborch, Bredenhorst en Elsen, heer tot Staverden, 1690-1733 ; getrouwd in 1724 met Willemine van Dedem tot de Gelder 1701-1751.
Hij is de 7e van 8 kinderen; 2 broers sterven kinderloos, 5 zusjes. Het echtpaar woont niet op Zuthem, maar in een huis in de Koestraat te Zwolle.
Zuthem wordt bewoond door Van Pallandts.

93. Antony van Haersolte tot Elsen, drost van Vollenhove en kastelein der heerlijkheid Kuinre; trouwt met (139) Joanna van Haersolte tot Swaluenborch en Bredenhorst, -1720.
Ze is de 3e van 3 kinderen, de eerste 2 zijn broers; ze zijn de kinderen van (97) Simon van Haersolte tot Swaluenborch tot Bredenhorst en S. Ur. 1651 Adriana Josina Bentinck.

De havezathe Elsen is door coöp van Laer op Haersolte en naderhand Raesfelt, die het nog bezit, gekomen.
Bredenhorst (Heino) is van de familie Van Rechteren op Haersolte gekomen door coöp. (zie 93)

67. Willem van Haersolte tot Elsen, getrouwd met Catharina van Brakel.
Hij is in 1646 met zijn vrouw en 7 kinderen, na blikseminslag, van de toren van 't kasteel van Bredevoort gesprongen en omgekomen. Een zoon overleeft het ongeluk.
Hij is de 6e van 6 kinderen; 3 broers sterven zonder kinderen, 1 zusje. 1 broer krijgt 1 zoon en 1 dochter.

42. Harmen van Haersolte, -1623, burgemeester van Zwol; getrouwd in 1584 met Anna van Hoeclum.
Hij is de 5e van 7 kinderen, 3 broers krijgen kinderen.

21. Harmen van Haersolte, is in 1525 dijkgraaf van Salland; getrouwd met Fenne ten Brink, uit Westphalen.
Hij is de 1e van 4 kinderen, 1 broer ( die stamvader van de tak Haersolte tot IJrst wordt) en 2 zusjes.

14. Bartholt van Haersolte, ob. 1498 ; getrouwd met S. Ur. Geertruit Selle, -1498.
Hij heeft 1 oudere broer zonder kinderen.

10. Goert van Haersolte, 1450, heeft 1452 de moetsoensbrief, tussen de heren van Essen opgericht, getekend; getrouwd met S. Ur. Alijt van Heest, genaamd Van Laer.
Hij is de 4e van 4 kinderen, alle 4 jongens.

* * *

NOGMAALS HET PALTHEBOS _________________________________________________________

In het kwartaalblad van december j.l. heeft u een en ander kunnen lezen over het Palthebos als middelpunt in voorbije jaren. Maar ook nu en in de toekomst staat het Palthebos volop in de belangstelling. Hoe de situatie nu is op de plaats waar het Palthehof zal worden gebouwd ziet u op de foto. Weiland dus, maar niet zolang meer, gelegen naast de oude begraafplaats.


Hier komt de inrit tot de plek waar Palthehof zal verrijzen.

Het Palthebos is en wordt steeds onderhouden door een aantal vrijwilligers die er onder andere voor zorgen dat planten en struiken de paden niet weer overwoekeren. Dit wordt zeer gewaardeerd door de Nieuwleusener bevolking. We hopen dat de vrijwilligers nog lang voor het Palthebos kunnen blijven zorgen. De toegang tot het Palthehof zal gerealiseerd worden over het pad tussen de kerk en café "Het Witte Peerd". Het eerste deel van deze fraai gelegen dubbele laan zal een opener aanzien krijgen en tot aan de inrit van het Palthehof worden verhard.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant 22 december 1956:
Nieuwleusen. Zij hielden woord.
Geruime tijd geleden maakte een drietal jongelui, n.l. Jan van den Berg, M.J. Hekman en A. Bonen, de afspraak dat degene van hen die het eerst in het huwelijksbootje stapte, op deze dag een geitebok (sanenbok) cadeau kreeg. Hierover werd niet meer gesproken en toen Jan deze week de belangrijke stap waagde en in het huwelijk trad met Mej. Gerrie van Enk uit Wezep, zal hij zeker niet vermoed hebben dat de afspraak nog van kracht was, maar dit werd hem woensdagavond duidelijk gemaakt in zaal Schoemaker, waar hij zijn bruiloft vierde.
Toen de feeststemming er goed in zat, verschenen zijn beide vrienden met een versierde sanenbok op het toneel en boden onder grote hilariteit de bok aan het jonge paar aan.

Dedemsvaartsche Courant 7 januari 1922:
Een gehouden collecte voor een hulpbehoevende weduwe nabij Zwolle in het gebouw "Rehoboth" te de Meele bracht ƒ 80,54 op.

* * *

Nl'JLUUSENER WOORDEN III _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

gaogel
gaorenklupper
garm
geèl as 'n padde
geèlhaor
geesum (d'r uut zien)
gelp
gèlte
gengelen

gespinnegie
geuren

geutegat
gniezebieter

gniezen - hi'j gnees
gniezerd
goed gaon!
goezen

graansen
grammieterig
graoperd
greuts(igheid)
grit(ten)
groeve
groevenbao

groevenmaol
grofvâ
grommegies
gropmoe
grusnekke
gruun

gehemelte
niet al te snugger persoon
garven
bruin van de zon
pees
er slecht uit zien
harde kleur
jong vrouwlijk varken
slenteren; lantefanteren (met je ziel onder je arm lopen)
meisjesvisite
afvallen van dennenaalden, vallen van roet uit de schoorsteen
afvoergat naar buiten
iemand die er plezier aan beleeft als een ander op z'n kop krijgt
schamper lachen
iemand die wat gemeen lacht
groet, het ga je goed
snel stromen (hard regenen, water over een sluisdeur)
brommend mompelen
brommerig
inhalig persoon
verwaand(heid)
grutto('s)
begrafenis
overleg wie er van de buren de familie moet aanzeggen
broodmaaltijd bij begrafenis
opa
gruis
oma
scheldwoord zoals stomme sukkel
gezegd over een jong paard dat wild doet

haâns (van een paard)
haansen
hal in de grond
hardbasten
haren (van een zende)
hassebassen
d’ heerd
in d’ hoek van ‘n heerd
op ‘n heerd
hekkespringer
hellig
hemdekneupie
hemmel
hemmelijk
hemperig
hen en weerdèn
hennig/hendig dink
heuj!
heujmot

hilbillerig
hilde
hoet
hoge praoten
hokke
hokkieskarmse

hondefoeke
hooghaarlemmerdieks
hoppe
huisterig
hülpenbuis
hulpzeel
huussien

hanteerbaar
handschoenen
vorst in de grond
bonen met harde schil
scherpen van een zeis
grootspreken
de kamer
bij 't vuur
in de kamer
pink die uitbreekt
boos
soort bloem
opgeruimd; schoon; netjes
er weer netjes bij liggend
gaande/disselend
retour
klein aardig kwiek meisje
groet
zaad dat uit het hooi komt (in je klompen, aan je sokken)
zenuwachtig
ruimte boven de koeienstal
lijf
ABN spreken
afgesloten zitbank in de kerk
verhuur voor 1 jaar van de kerkelijke zitplaatsen
paardebloem
ABN
fluitje
winderig, guur weer
domoor
bretel
wc

ie(n)gaol
ielegat
iemen
iemenschoer
iemoed wêen
iemskelle
iep
iestappen
indóf
'n inschrieven
inteengkomen

constant/steeds weer
opening in bijenkorf
bijen
bijenstal
van plan zijn
bijenhuis
hakmes
ijspegels
in de boerderijtuin
apart bakje in klerenkist
tegemoetkomen

jaangen
jaaps
'n Jeute
joegteren

jokken

onverschillig rijden
flinke snee
iemand van Joodse afkomst
als kinderen druk lawaaerig achter elkaar aan lopen te rennen
jeuken

kabaai
kakije
kammenetswark
kammezooltien
karbies
karrevêen
keenholt

keldermotte
keren
keu(gien)
keügies
keumotte
kiesien
kin
klabaats!
klabak
klabatse
klabiender
klauwer
kleppermeule
klepzeiker

kleverklasse
klupper
kneuren

kneuters
knie(h)alsteren

knief
knieftig
kniewaangen
knup
knuppelduukien
komvàt
konkelefoesies
kortbi'j
'n olde kouwe
kouwgien
blauwe krallegies
kribben
kriebeezen
kroeper
krubbe
'n krukke
krulen
krulewagen
krummelen
kulen
kundig(volk)
küsteren

kwalsteren
kwèle
kwieskwaans

jas
stroopsnoepje
goed werkstuk
zondagse jas
boodschappentas
bezig zijn
hout dat lang in de grond heeft gezeten en heel hard is geworden
pissebed
vegen
big(getje)
kaantjes
moedervarken
kalf
gat in strozolder
uitroep als iets valt
minne vent
zweep; knuppel om mee te slaan
een jongen die ondeugd uithaalt
klaver
windmolentje tegen ratten in de schuur
iemand die niets voor een ander overheeft
klittebol, klis; iemand die blijft plakken
plankje van rietdekkersgereedschap
ontevreden mopperen; kreunen, zuchten van pijn; kreunen van een koe
kreukels
touw van horens naar voorpoot van een koe vastzittend, omdat die wil uitbreken
knipmes/zakmes
technisch-handig, praktisch
knieholte
vloek
halsdoek van dames
envelop
smoesjes, praatjes
dichtbij
oud, verwaarloosd huis
kooitje
blauwe druifjes
kibbelen
kruisbessen
schaap dat onder de draad door wil
voerbak
inkerving in hout, IIII (turven)
kruien
kruiwagen
wat aanrommelen bij huis
rollen
bekenden
wat rond huis rondlummelen ; over kinderen die nét lopen
opschraapsel uitspugen
onderkin
iemand die via een omweggetje ergens achter probeert te komen

* * *

IN HET STAMBOEK VAN WILHELM STOLTE _________________________________________________________

A. Moonens

Dit gedicht is overgenomen uit A. MOONENS - "PoëZY". Te Amsterdam ent' Utrecht, (uitgegeven) By Francois Halma en Willem vande Water, Boekverkoopers, 1700. (Ongeveer 1200 bladzijden) op bladzijde 647.

 Een Engel in het vleesch, een aerdsche Sefaryn,
Vol viers, vol hemelgloeds, aen Godts altaer ontsteeken,
 Een Dokter van de ziel, wiens hemelmedecyn
Het kranke menschdom heelt van zondige gebreken,
 Godts Afgezand tot ons, der Kerken tolk by Godt
En Christus kruisgetuige aen's werelds uiterste enden,
 Zyn schoone titels; maer vervolging, smaet en spot,
Een duurzaeme Ilias van ysselyke ellenden.
 De nasleep deezer eer, zoo lieflyk elk in 't oog,
Behalve zooveel ramps, als Godt ons quam te dreigen,
 Zoo ooit ons leven de genadeleer beloog.
Ook geldt geen omzien hier, of achterwaert te neigen.
 Hebt gy 'er lust toe, Vriend? Godt sterke u in dien lust,
En Christus onderschoore uw schouders onder 't draegen.
 Wel hem, die stout van moed, en in zyn' Godt gerust,
Godt en Godts Kerken dient standvastigh, zonder klaegen.

1674.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant 29 december 1923:
Binnenkort zal het streeknet alhier klaar zijn, en kunnen de telefoonhouders van Nieuwleusen en Den Hulst kosteloos telefoneren. 't Is een hele verbetering, maar een die heel wat drukte met zich meebrengt, want er zal wel een gretig gebruik van gemaakt worden.


Jaargang 14 nummer 2 juni 1996

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

ISSN 1384-0940

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

De Ommerdijkerbrug in Den Hulst met daarachter de zaak van de heer A. Mensink. Links van het kanaal liggen de tramrails.
Deze brug werd gebouwd in 1921.

* * *

DE KOFFIE WORDT STEEDS DUURDER _________________________________________________________

B. van Duren

Mijn buurman was voorman afdeling telefoonaansluitingen bij de PTT en een serieuze man. Toch kon hij wel lachen om het grapje: putje graven, tentje bouwen, tukje doen. Eens vertelde hij mij onderstaand verhaal dat waar gebeurd moet zijn ergens in Nieuwleusen. De namen zijn fictief.

Ze hadden het dan toch eindelijk besloten, Harm en Geesien, ze zouden zelf telefoon nemen. De leeftijd sprak bij hun al danig mee en het was toch ook wel gemakkelijk. De kinderen woonden nogal ver uit de buurt en om steeds maar naar de buren, nee. Niet dat die het erg vonden, maar ze zeiden wel eens: "Neem zelf toch telefoon, als je het een keer hebt, wil je het nooit meer missen."
Zo kon het dan gebeuren dat op zekere morgen een vijftal mannen van de telefoondienst druk aan het graven waren in de tuin van Harm en Geesien om de kabel onder de grond te krijgen. Ze waren al flink opgeschoten en zo nu en dan werd de rug eens gestrekt. Een bakje koffie, daar zouden ze wel zin in hebben. En ja hoor, daar kwam Harm de deur uit, de koffie was blijkbaar gereed. Maar dat viel tegen!
"Jongens, mien vrouwe en ikke hebt het er aover ehad, mar wi'j hebt besloten um gien koffie te schinken. Die wordt zo langzamerhaand veuls te duur en ie bint ok nog met vief man!"
Dat was een teleurstelling.
"Nou ja," zei de voorman, "wij hebben er begrip voor, we zullen voortmaken en dan zetten we straks in de wagen wel koffie." Even later stapte Harm op de fiets en ging richting het dorp. De ijverige gravers mopperden wat over die zuunige boeren.
En zo was dan om half twaalf het werk zo goed als klaar. Of ze dan toch maar even binnen wilden komen. Daar stond het vijftal wel erg verbaasd van te kijken. Op de tafel stonden geen koffiemokken, maar wel kleine glaasjes. En die olijke Harm kwam aandragen met drie flessen. Geesien schonk in en werd geprezen omdat haar zelfgebakken koek zo lekker smaakte.
Het werd een gezellig uurtje, totdat de voorman zich herinnerde dat ze 's middags ergens in de buurt ook nog telefoon moesten aanleggen.

* * *

IDIOOT OF GEWOON ZIEK _________________________________________________________

A. van Holten

Gemeentearchief Nieuwleusen: In- en uitgaande poststukken in de periode 3 juni 1858 tot en met 7 juli 1859 met betrekking tot Albert van Holten.

Albert van Holten woont met zijn gezin in de buurtschap Ruitenveen en leidt een rustig bestaan als timmerman. Naast dit werk zal hij ook wel iets in de vorm van landbouw hebben gedaan, omdat hij ook regelmatig als landbouwer genoemd wordt. Maar het rustige bestaan slaat om als Albert ziek wordt. Zo rond 1858 begint de tegenslag het gezin te teisteren. Albert wordt op 5 mei 1858 betrapt op het stelen van plaggen op de Meele. Voor die tijd zal dat best een grote diefstal zijn geweest, want nadat de Rijksveldwachter proces-verbaal heeft opgemaakt wordt Albert voor de kantonrechter in Zwolle gedaagd. Op de dag van de zitting verschijnt Albert niet voor de rechter, maar er wordt een medische verklaring overhandigd waaruit moet blijken dat hij ten tijde van de misdaad aan verstandsverbijstering leed. Deze verklaring is opgesteld door de dokter in het dorp, dokter Ten Bosch. Indien echt vast staat dat hij hieraan lijdt, kan de misdaad hem niet aangerekend worden. De rechter neemt echter geen genoegen met deze verklaring en schrijft een brief aan de burgemeester van Nieuwleusen. Hij heeft in deze brief "de eer te verzoeken gemelden geneesheer en zoo mogelijk nog twee getuigen eenen dergelijke verklaring te doen ondertekenen met aanwijzing van de juiste datum". Dit verzoek laat de burgemeester overbrengen aan de dorpsdokter.

Kennelijk acht de rechter de nieuwe verklaring van de dokter onvoldoende om hem vrij te spreken, want op 5 augustus 1858 wordt Albert veroordeeld tot een gevangenisstraf van drie dagen. Het Openbaar Ministerie te Zwolle verzoekt op de 20ste van dezelfde maand aan de burgemeester om "aan de persoon van Albert van Holten te willen aanzeggen dat hij zich tot het ondergaan van die straf naar of uiterlijk op maandag 23 dezer maand des morgens tusschen 10 en 12 uur ten mijnen bureau moet vervoegen". In de brief wordt nog uitdrukkelijk vermeld dat dit vooral niet later mag plaats vinden. Indien hij zich niet zal melden, moet de nalatige onmiddellijk worden gearresteerd. Albert legt de aanzegging naast zich neer en wordt uiteindelijk gearresteerd en overgebracht naar Zwolle om alsnog zijn straf te ondergaan.

Hiermee is de ellende voor dit gezin nog niet voorbij, het ergste wat hen kan overkomen moet nog gebeuren. Op 21 mei 1859 wordt de burgemeester weer aangeschreven, maar nu door de Officier van Justitie te Zwolle. Het was deze laatste ter ore gekomen dat "sedert geruime tijd in de buurtschap Ruitenveen een krankzinnige persoon, Albert van Holten genaamd, in eenen gebonden toestand in zijne woning wordt gehouden". Volgens de opsteller van de brief is het vasthouden van die persoon als een strafbare handeling te beschouwen. Uit de brief blijkt verder dat Albert is vastgebonden om ongelukken te voorkomen "welke die krankzinnige zich zelven ligtelijk konde bereiden". De Officier van Justitie verzoekt de burgemeester om hem met spoed hierover te berichten door het inzenden van een geneeskundige verklaring waaruit de krankzinnigheid zou moeten blijken en van de noodzakelijkheid om de lijder vast te binden.

De burgemeester doet per brief verslag aan de Officier van Justitie op 23 mei 1859, maar uit een brief van de Commissaris des Konings gedateerd 26 mei 1859, blijkt dat het verslag de Commissaris onvoldoende inzicht heeft gegeven. De burgemeester mag het nog eens overdoen. Op 29 mei 1859 wordt de Commissaris opnieuw, maar nu uitgebreid, op de hoogte gesteld van de toestand van Albert. In deze brief wordt Albert beschreven als een idioot die een halfzijdige verlamming heeft, als een kind wordt gevoerd en zich geheel onbewust is van hetgeen om hem heen gebeurd. De werkelijkheid was dat het vastbinden op de stoel op eigen verzoek gebeurde en dat er van geen enkele dwang sprake was. Hij was dus allerminst agressief.

Op het moment dat de burgemeester verpleging in het provinciaal gesticht voor krankzinnigen ter sprake brengt, verzet de familie zich hier tegen. Zij wensen Albert zelf thuis te verplegen en vragen de burgemeester om alles in het werk te stellen om hem thuis te behouden. In zijn brief aan de Commissaris neemt de burgemeester dit verzoek mee. Ook is door de Commissaris des Konings de vraag gesteld waarom de burgemeester niet eerder over deze krankzinnige heeft bericht. De burgemeester geeft hierop als antwoord dat Albert door de rechtbank, "als met kennis van onderscheid te hebben gehandeld", veroordeeld is tot een gevangenisstraf van drie dagen en deze straf ook heeft ondergaan.

De smeekbede van de familie mag echter niet baten, op 4 juni 1859 neemt de Officier van Justitie de beslissing dat Albert, vóór 16 juni, in de verpleeginrichting moet worden opgenomen. Vanaf dat moment is er voor de familie geen hoop meer hem thuis te kunnen houden. De 'deskundigen' zijn het met elkaar eens dat Albert naar een gesticht moet, en aan dat besluit kan niet meer getornd worden. De gemeente Nieuwleusen zal dit besluit niet alleen moeten uitvoeren, ook moet de gemeente bijdragen in de kosten van de verpleging. Op de 14e juni 1859 wordt aan de directie van het gesticht medegedeeld dat de gemeente Nieuwleusen een bedrag van 26 gulden zal overleggen "tot kosten van verpleging over de eerst volgende drie maanden". De overige verpleegkosten zijn voor rekening van het Rijk en de Provincie Overijssel. De dag na deze mededeling wordt Albert overgebracht naar Deventer waar hij, amper 19 dagen later en geheel verstoken van zijn familie, op 4 juli 1859 komt te overlijden. Albert laat een vrouw na met vier kinderen, in de leeftijd van 6 tot 14 jaar.

De vraag blijft of Albert echt idioot was of dat hij misschien aan een, voor die tijd, niet herkenbare ziekte leed. Gezien de beschrijving in de brieven aan de Officier van Justitie en aan de Commissaris des Konings, denk ik dat wij wel van dit laatste mogen uitgaan.

* * *

EEN NIEUW HEK VOOR EEN OUDE BEGRAAFPLAATS _________________________________________________________

De oude begraafplaats ziet er de laatste tijd beter uit dan enkele jaren geleden. In het kwartaalblad van september 1993 moesten we nog concluderen dat de toestand onacceptabel was. Er was veel opslag van jonge boompjes te vinden, welke nadien gelukkig verwijderd zijn. Door de leden van de werkgroep "Oude begraafplaats" en door de gemeente, dan wel door samenwerking van beide, vindt weer regelmatig onderhoud plaats.

De verplaatsing van het toegangshek naar de hoek bij het Schuurmanslaantje is "Ni'jluusn van vrogger" altijd een doorn in het oog geweest. Niet dat het toch wel mooie hek weer geplaatst werd, maar wel de plek waar dat gebeurd is. Bij het betreden van de begraafplaats werd men daardoor altijd genoodzaakt om over graven te lopen.
Er diende daarom een andere oplossing gezocht te worden. Inmiddels is die gevonden. De gemeente heeft aan de zuidzijde van de begraafplaats de haag in het verlengde van het middenpad doorbroken en er een hek geplaatst. Naast het graf van het jong overleden dochtertje van burgemeester Backx werd net genoeg ruimte gevonden om er langs te kunnen lopen. In de sloot werd een dammetje gelegd zodat de oude begraafplaats nu hierover te bereiken is.


Het nieuwe hek naar de oude begraafplaats met op de achtergrond de voormalige burgemeesterswoning.

Bijna was alles nog mis gegaan en had het oude kerkhof het hekje moeten missen. Wat was namelijk het geval. Het bestelde hek diende geplaatst te worden bij de toegang tot de oude begraafplaats, maar de uitvoerders dachten dat het ging om het oude deel van de huidige begraafplaats aan de Ds. Smitslaan. Het kwam het daar dan ook tot vervanging van het aanwezige hekje. Dat was weliswaar nog niet versleten, maar dit nieuwe hek paste toch beter bij de begraafplaats en daarom keek men niet vreemd op van de opdracht.
Toen aan het licht kwam dat het nieuwe hek op de verkeerde begraafplaats was geplaatst, was het te laat om dat nog te herstellen. De gemeente toonde haar goede wil, bestelde nog een zelfde hekje en liet dit plaatsen op de oorspronkelijk bedoelde plaats. Daar staat het nu mooi te zijn en toegang te geven tot een oude, maar mooie begraafplaats.

* * *

BURGEMEESTERS MET EEN INDRUKWEKKENDE FAMILIEGESCHIEDENIS IV _________________________________________________________

Als laatste in deze serie volgt hier de genealogie met betrekking tot Mr. R.J.W.F. van Höevell tot Nijenhuis.
Van 1872 tot 1876 was mr. R.J.W.F. baron van Höevell tot Nijenhuis burgemeester van Nieuwleusen.
Meestal wordt alleen het deel Höevell van zijn familienaam genoemd. Toen ik in het boek "De lakens uitdelen in Overijssel" las dat daar nog de toevoeging "tot Nijenhuis" bij hoorde werd ik nieuwsgierig en ben de genealogie van de familie gaan nalezen. Toen bleek dat hij in de voetsporen trad van een familie met een lange bestuurstraditie.

Hier volgt een overzicht van de genealogie van Van Höevell, waarbij voor de overzichtelijkheid alleen de rechte afstammingslijn is overgenomen. De informatie is gevonden in enkele jaargangen van het "Nederland's Adelsboek" uitgever W.P. van Stockum & Zoon, 1942.


Mr. R.J.W.F. van Höevell tot Nijenhuis.


Roelof van Hoevell de jonge leefde 17 februari 1395 en bezat het kasteel de Hoevele te Goor. Vanaf 1456 behoorde de heer van de Hoevele tot de Ridderschap van Overijssel.
In 1574 huwde Roeloff van Hoevell met Swane Swaefken die kasteel het Nijenhuis (bij Diepenheim) in levenslang vruchtgebruik had.
Roeloff heeft van 1583 tot 1584 de Staten van Overijssel gediend. Het waren roerige tijden maar in 1610 is Roeloff te Deventer geadmitteerd en heeft zo de eed van trouw aan de zaak der Staten afgelegd.

Opnieuw wordt een Swane Swaefken, vrouwe van Ketelhaven en Nijenhuis met beide goederen beleend op 5 januari 1604. Zij sterft januari 1628.
Gerrit van Hoevell tot Nijenhuis wordt beleend met o.a. de havezathe het Nijenhuis en geadmitteerd te landdage 10 september 1635.

Gerrit Willem Wolf van Hoevell tot Nijenhuis wordt o.a. opnieuw beleend op 21 mei 1710 met het Nijenhuis.

Roelof van Hoevell tot Nijenhuis beleend met het Nijenhuis op 12 maart 1726, kanunnik van het klooster te Oldenzaal, lid van de Ridderschap van Overijssel.

Jan Adriaan van Hoevell tot Nijenhuis, beleend met het Nijenhuis 6 december 1766, lid van de Ridderschap van Overijssel.
Diederik van Hoevell tot Nijenhuis, beleend met het Nijenhuis 3 juni 1766, lid van de Ridderschap en Staten van Overijssel, kanunnik van het kapittel te Oldenzaal, verkozen in 1785.
Wolter Herman van Hoevell tot Nijenhuis, kanunnik van het klooster te Oldenzaal, verkozen in 1753, lid van de regering van Deventer, later burgemeester en 's lands ontvanger.

Rudolph van Höevell tot Nijenhuis, geboren 18 febr. 1771, lid der Ridderschap en Staten van Overijssel, burgemeester van Deventer en 's lands ontvanger aldaar, ridder der orde van de Nederlandse Leeuw, sterft 14 aug. 1848 te Deventer.

Mr. Rudolph Anne van Höevell tot Nijenhuis, geboren 29 juli 1810 te Deventer, kamerheer des konings, voorzitter van de Hoge Raad van Adel, meester in beide rechten, lid der Ridderschap van Overijssel, ridder der orde van de Nederlandse Leeuw, sterft 13 november 1888 op huize Wijhezicht te Wijhe.
Getrouwd 5 april 1843 te 's Gravenhage met jonkvrouw Marguérite Petronelle Jeanne de Mey van Streefkerk, geboren te Brussel 1 februari 1819, sterft 12 december 1899 te Wijhe.
Uit dit huwelijk wordt 1 zoon geboren:
Mr. Rudolph Jan Wolfgang Frans baron van Höevell tot Nijenhuis, geboren 30 jan. 1844 te 's Gravenhage, meester in de beide rechten, burgemeester van Nieuwleusen van 6 augustus 1872 tot 24 maart 1876, burgemeester van Zwartsluis van 24 maart 1876 tot 1 april 1893, sterft 28 februari 1913 op huize Spijkerbosch te Olst. Hij is niet getrouwd en sterft kinderloos.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant 21 september 1938:
Den Hulst. Een krentebrood van 1.60 M.
Het personeel van de Union-fabrieken alhier heeft, naar de Z.C. meldt, aan 't einde der week zijn directeur, de heer B.J. van den Berg, verrijkt met een krentebrood van 1.60 M. lengte, dit ter eere van de geboorte van een dochtertje. Daar dit alles alleen moeilijk te verorberen zou zijn en te zwaar zou liggen, heeft de heer v.d. Berg het geheele personeel zijn medewerking laten verleenen. Aldus heeft men gezamenlijk den strijd tegen dit abnormale broodje aangebonden, dat eervol sneuvelde.

Dedemsvaartsche Courant 10 februari 1936:
Den Hulst. Onderh. verkoop.
Door de heer H. van Spijker is onderhands verkocht een perceel gras- en bouwland aan den Ommerdijk aan de heer H. Hagting alhier, bestemd voor bouwterrein.
Koopprijs onbekend.


* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXXII _________________________________________________________

De oude groepsfoto van dit kwartaal dateert uit omstreeks 1936 en is van de (Christelijk Lagere) school van meester Siefers aan het Westeinde.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

Gerrit Jan van Dorsten
Gerrit Alteveer
Henk Snijder
Jentje Oosterveen
Arend Kreule
Dina Boesenkool
Hendrik Schoemaker
Jantina Prins
Egbert Gerritsen

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  

Aaltje Bouwman
Niesje Kamphuis
Aaltje van Dijk
Coby van de Berg
Jacob de Graaf
Hilligje Bouwman
Tiny Willems
Sina Nijkamp
Janna van Dorsten

* * *

DE FAMILIE PALTHE _________________________________________________________

De naam Gulia Palthe is een begrip in Nieuwleusen. Ze was de laatste van een familie die al sinds 1754 een band had met Nieuwleusen omdat Ds. Jan Arend Palthe toen als predikant naar Nieuwleusen kwam.
Nu nog is de naam Palthe verbonden aan een bekende chemische wasserij. Is die firma door de familie van Gulia opgericht en hoe nauw waren dan die familiebanden?
Op deze vragen geeft onderstaande informatie een antwoord.

Ds. Jan Arend Palthe (1727-1803) was van 1754 tot 1803 predikant in Nieuwleusen en daarna in Oldenzaal. Hij liet in 1795 een huis (pastorie) bouwen naast de Hervormde Kerk. In 1966 is dat huis afgebroken.
Zijn zoon Johannes Palthe (1764-1854) was eerst predikant in ltershem en Schardam bij Hoorn en werd in 1802 in Oldenzaal als predikant beroepen.
Hij huwde in 1799 Carolina Bernhardina Racer. Ze was een dochter van de bekende advocaat en geschiedkundige Mr. Jan Willem Racer, die ook in Oldenzaal woonde, in het huis (nu) Markstraat 15. Johannes en Carolina Bernhardina kregen drie dochters en vijf zonen.
De familie Palthe had veel boerderijen en land in eigendom.
Johannes bezat veel grond bij Oldenzaal, in De Lutte en bij Denekamp. Er werd van hem gezegd: Deze man kan over eigen grond van Oldenzaal naar Denekamp lopen.
De vijf zonen waren:
Jan Willem Palthe (1800-1825), die als inspecteur der tinmijnen op Banka in Nederlands Oost-Indië werkzaam is geweest.
Jan Arend Palthe (1802-1862), was conrector aan de Latijnse School te Oldenzaal.
Johannes Frederik Racer Palthe (1804-1862) kreeg de achternaam van zijn moeder als voornaam. Daarna voegde deze familietak de naam toe aan de achternaam en noemde zich voortaan Racer Palthe.
Mr. Arnold Albert Willem Van Wulfften Palthe (1816-1900). Ook hier is een achternaam als voornaam toegevoegd, die daarna door deze familietak aan de achternaam toegevoegd is overgenomen. Arnold is genoemd naar een op jeugdige leeftijd overleden zoontje van Ds. A. van Wulfften en A.J. Palthe. Hij werd kantonrechter te Oldenzaal. "Richter" Palthe was een gezien man. Hij was gehuwd met de ook uit Oldenzaal afkomstige Johanna Henriëtta Stork. Ze kregen vier dochters en vijf zonen. Drie zonen richtten in 1873 de Ververij en Chemische Wasserij Gebr. Palthe in Almelo op. In 1923 waren er al 800 mensen werkzaam en kon men overal in het land een filiaal van Palthe vinden.
Carel Hendrik Bernhard Palthe (1820-1897) was kandidaat voor een predikantsplaats, maar heeft maar één keer de kansel beklommen en is zich verder aan het beheer van zijn landgoederen en boerderijen gaan wijden.

"Proponent" C.H.B. Palthe had twee dochters:
Carolina Bernhardina (1862-1923), die in het huis aan de Marktstraat 15 woonde dat ook aan haar grootvader Johannes Palthe had toebehoord. Later werd het huis als bankgebouw in gebruik genomen.


Het Palthehuis met daarnaast "Het Witte Peerd".

Guillemette (Gulia) Joanette (1863-1928) is blijven wonen in het ouderlijk huis, Marktstraat 13 te Oldenzaal. Haar laatste wens was van dit fraaie huis een museum te maken en ze heeft het huis nagelaten aan de vereniging Oldenzaalse Oudheidkamer met de opdracht: "Maak er een museum van."
In 1966 heeft de vereniging het huis ingrijpend gerestaureerd en nu is het een museum met stijlkamers en historische informatie over de vestingstad Oldenzaal.

Gulia Palthe werd ook wel "Landsvrouwe van Nieuwleusen" genoemd. Ze verbleef zomers meestal in Nieuwleusen en woonde dan in het huis van haar overgrootvader. In 1926 kwam ze voor het laatst naar Nieuwleusen. Daarvoor was ze ernstig ziek geweest. Op 26 maart 1928 overleed ze als laatste bewoonster van het Palthe-Huis te Oldenzaal. Haar bezittingen in Nieuwleusen heeft ze nagelaten aan de Nederlands Hervormde gemeente. Deze heeft op haar beurt een deel van het Palthebos aan de historische vereniging beschikbaar gesteld om een museum te kunnen realiseren. In de naam van het museum "Palthehof" gedenken wij deze bijzondere vrouw en haar overgrootvader die zoveel voor Nieuwleusen hebben betekend. (Zie ook: Ni'jluusn van vrogger; jrg. 5, nr. 2, juni 1987.)

Over het huis in Oldenzaal en haar laatste bewoonster heeft mevrouw De Kempenaar-Van Wulfften Palthe een boekje geschreven, waaruit hier enkele hoofdstukken.
"De laatste jaren van haar leven moet nicht Gulia gewijd hebben aan haar testament, dat bijna een boekwerk is. De vele legaten en schenkingen, enz., die daarin genoemd worden, zijn legio. Alles is precies omschreven, haar huis was tot de nok toe gevuld met oude dingen. Niemand heeft bij haar leven ooit een blik kunnen en waarschijnlijk mogen slaan in haar bovenverdieping. Het was een ware chaos van familiestukken. Haar kasten, kamertjes en hokken waren niet te beschrijven vanwege de rommel, spinnewebben en stof.

Gulia Palthe op een laan in het Palthebos. Op de achtergrond recht achter het pad is nog vaag een raam van het Palthehuis te zien.















Misschien is haar slechte gezondheid de reden geweest dat ze haar huis niet meer aan kon, en misschien hebben de vele erfenissen van familie haar vrijwel willoos gemaakt om orde te scheppen in al de nalatenschappen van ongeveer twee eeuwen her. Dat Gulia nooit in de chaos schoon maakte is misschien ook enigszins een eigenschap die ze van haar moeder's kant erfde. Toen n.l. Dr. Michgorius gestorven was, werden zijn particuliere huisapotheek en een kamertje daarnaast gesloten. Eerst veertig jaar daarna, na de dood van de laatst overgebleven dochter, werden die kamers ontsloten. Hierdoor kreeg de Oudheidkamer de beschikking over een bijzonder interessant, goed en volledig apotheekje.
In Gulia's huis waren ook kamertjes en kasten, die er op wezen, dat ze in lange tijd niet ontsloten waren geweest. Nicht Gulia had een eigenaardige mengeling van bewondering voor het heel oude en voor het prullige nieuwe. Toch had de voorkamer iets gezelligs, omdat het antiek domineerde.
Door de smalle deur (vanuit de voorkamer) kwam men in de eetkamer. Door de gang kwam men langs een hoge staande klok aan de keukendeur. Hier waant men zich werkelijk 100 jaar terug. Daar staan de planken vol met oud tin en koper, oude blauwe borden ertussen, een koperen beddepan aan de muur. De grote keukenkast bevat een witgeschulpt Wedgewood eetservies, benevens enkele grappige oude dingen, die vroeger in een keukenkast aanwezig behoorden te zijn. Blauwe borden ook hier. Naast de keuken bevond zich een opkamertje, dat allerlei rommel bevatte en daarachter was een kleine kamer met twee bedsteden. Hier sliepen waarschijnlijk vroeger de dienstboden. In de bedsteden en er bovenop lagen oude boeken op elkaar gestapeld, oude bijbels, boeken in leren en perkamenten banden; vele waren zeer verouderde godsdienstige geschriften. Er lag een bijbel van Ds. Johannes Palthe, waarin hij op het voorblad de geboorten van zijn kinderen geschreven had.
Gaan we door de keuken verder, dan komen we aan het eind van de lange gang aan de "zaal" met monumentale schouw en deuromlijsting. Hier had nicht Gulia haar particulier museum ingericht. Verlaten we deze zaal, dan zien we links eerst de badkamer, een rommelig hokje, waar dozen in stonden, bevattende verschillende oude kledingstukken, o.a. japonnen van de vrouw van Ds. Johannes Palthe. Nicht Gulia's slaapkamer was naast de badkamer. Dit was een akelig klein kamertje, donker en haast geen uitzicht. Wat had ze toch een aardige kamer kunnen hebben, maar ze was te conservatief en bleef in haar hokje slapen. Een groot bed met hemel stond tegen de muur en besloeg de helft van de kamer; verder stonden er nog een paar kastjes, aan de muur hingen pastelportretten van haar vader en van haar oom, de richter, beide als jongelingen, een olieverf van Anna Beatrice van Wulfften als kind van drie jaar, een tweede als volwassen vrouw. Op de grote zolder stonden een ontelbaar aantal kisten en koffers, die bijna alle boeken bevatten. Overal in dit oude huis vond men boeken, juridische als theologische: in 't geheel 3100 stuks, welke alle aan de Oudheidkamer vermaakt zijn en dus in het huis zullen blijven."

Tekst ontleend aan: "In en om het Palthe-huis te Oldenzaal" uitgave van de vereniging Vrienden van het historisch museum "Het Palthe-huis" enz., 1980.

* * *

HET OUD PORTRET _________________________________________________________

     In mijn groote achterkamer
Hangt een oud, vergeeld portret.
     'k Heb het onlangs nog zorgvuldig
In een nieuwe lijst gezet.
     Als soms levenszorgen plagen
Welvaart op zich wachten laat,
     Vind ik bij die oude photo
Ongevraagd vaak troost en raad.

     Als ik steun zocht in m'n leven,
Als ik hopend had gewacht
     Als de moed me ging ontvallen,
Vond ik bij die photo kracht.
     Twee paar ogen zag ik daad'lijk
Waarschuwend op me gericht
     Als er soms verleiding dreigde
En ik bijna was gezwicht!

     Als er door mijn kleine kind'ren
Wat luidruchtig werd gespeeld,
     Als die echte kindervreugde
Me dan op het laatst verveeld'
     Als ik driftig uit wou varen,
Is het dat portret geweest,
     Dat me dadelijk vertelde:
Gij zijt toch ook jong geweest!

     En bij alle slechte dingen,
Zelfs bij leugen en bedrog,
     Was een blik uit beide oogen
Oorzaak dat ik niets vermocht.
     Waar ik in m'n leven toefde,
Waar ik ooit ben aangeland,
     Steeds zag ik die oude photo,
In mijn kamer aan den wand.

     In mijn groote achterkamer,
Hangt een oud vergeeld portret,
     'k Heb het onlangs nog zorgvuldig
In een nieuwe lijst gezet.
- - - - - - - - - - - - - - - - - - - -
     Van die photo, oud, versleten,
Spreken duidelijk en klaar,
     De oprechte trouwe oogen,
Van mijn brave ouderpaar.


(foto: Willem Bovenhoff en Annigje Bovenhoff-Blik)

* * *

Nl'JLUUSENER WOORDEN IV _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

karhengst

kassetuug
káts
kauwe
kermejakken
keu
keuchies
keuchies
keujn
kidde
kies
kistentuug
kladde
kladde(gien)
kladdegien
klavieren
kleisteren

kleppen

kleppen
klepziek

kleufholties
klokhuus

klübhengst
kluutte
knasterd
kneupsgaten
knieperig
kniepkeutel
kniepstuver
knip
knipgat
knooien
koezenzeerte
kopzeerte
kraamp
kraànselig
krabbe
krampan
krange
krange
krangoor
krànselen
krek
kremmen
kremmerig
kreuze
krik ènten
krodde
krubbenbieter

'n zoere kruise
'n dom kuken
kummelik
kuppel
kuum
kuzenzeerte
kwiedam

niet zo makkelijk persoon, hard werkend persoon
zondags pak
helemaal
kooi
zeuren
varken
kaantjes
biggen
biggen
hit
roep naar een kalf voor zijn voer
zondags pak
veel
papieren (punt)zak
een beetje
handen
baggerend, moeizaam door iets heen komen
iemand die steeds naar anderen loopt voor een praatje
bij de weg lopen
dat ben je als je veel naar buren loopt om te kletsen
brandhout
hart, long, lever uit een geslacht dier voor de leverworst
hengst met 1 bal
brok turf, werd door kolen gemengd
een groot ding
gesneden snijbonen
gierig
gierigaard
gierigaard
knijper
kuil in de weg
knutselen
kiespijn
hoofdpijn
nauwelijks, nog maar net
zeurderig, vervelend
houtje om de deur mee te vergrendelen
ternauwernood
binnenste buiten
vervelend zijn, dwars
dwarsliggend persoon
zeuren
precies
varkens van een kram voorzien
scherp, bijv. in de maag
rabarber
klein soort eendjes
varkensgras
zenuwachtig paard dat bijt in het hout
van de voerbak en daarbij steeds steunt
kruisbes
een dom kind
vreemd
menigte
tam, (s)loom
kiespijn
rare pierlala, iemand die rare streken uithaalt

laandpikkertie
lappieskeerl
leertiesklompe
legge
leite
lempe
lepelbluumpie
leutie
lichdag
lichte maone
lieder
liefzeerte
liek
liekhangen
liekmaken
liekstee
liên
liende
liendepaole
lippen
lobbegien
loek
Londensvarken
longeren
luie wieven knopen
lukke
lulmeier
lus
lus weer
lusse naad
lussen
luttien
luttik koffie
luttik
luuzemáál
luzebos

land veroveren (kinderspel)
marskramer
klomp met een leren riem over de wreef
laag rogge die gedorst moet worden
luwte
slungelige vent
herderstasje (plant)
oude koffiemaat
overdag
volle maan
iemand die gemeen is
buikpijn
vlak, egaal
recht hangen
egaliseren
litteken
lijden
waslijn
waslijnpaal
huilen
oorlelletje
slim
varken van 200 pond
ergens op vlassen
knoop die in de stof geklemd werd
domme gans van een meid
kletserd waar je niet van op aan kunt
open
veranderlijk weer
kapotte naad, torn
abortus bij koeien
een beetje
beetje koffie
klein
onkruid, melde
scheldwoord tegen slordige, onverzorgde kinderen

maalmuppie
maangewurtels
maankeliek
machien
makstèrm

malen
mangs
marklover
meertie
meerts
megoggel
meibluumpies
meizoenties
mekare
melkrover
menander
menare
mennigsten
merakel
mere
dun op de mest
meuje
meulenpeerd
miegen
miegert
mieghommel
mierekerd
miegempel
mierkerd
mierkern
miers
miggel
mikke
minlijk
moelbaand


moi
mollebulte
mollenstappe
mot
moterbolle
motkees
motte
motten
mulder

muppie
muppiestromme
muzestarties

biscuitje
voederbieten
mank persoon; wankele tafel
klein meisje
uitroep om een bewering kracht bij te zetten
tobben in bed
meestal
Vlaamse gaai
merrieveulen
krols van katten
demente vrouw; vrouwtje met boggel
madeliefjes
madeliefjes
elkaar
Vlaamse gaai
elkaar
elkaar
datum
raar mens
merrie
diarree bij dieren
tante
grote, krachtige vrouw
plassen
zeurpiet
mier
vervelende vent
mier
zeurpiet
verklungelen van iets; zaniken
héél zoet
dom of vervelend persoon
rond brood
mager, klein, schriel
muilband die bij varkens werd omgedaan opdat ze de biggetjes niet dood zouden kunnen bijten
groet
molshoop
mollenklem
stof; fijn afval
gemotoriseerde inseminator
knoeierd
vrouwelijk varken, zeug
morsen
meikever met laagje wit stof op zijn schilden
koekje
koekjestrommel
Oost Indische kers


Jaargang 14 nummer 3 september 1996

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

ISSN 1384-0940

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

De stoomboot vaart uit; de emigranten laten het vaderland achter zich om een nieuwe toekomst op te bouwen in Amerika

* * *

BRIEVEN VAN OVERZEE _________________________________________________________

Begin 1911 emigreerde het gezin Johannes en Johanna Schaapman naar Amerika. Hun bestemming was Salida, Californië waar een nicht van de heer Schaapman, Gertie van Konijnenburg, woonde. In 1910 had haar echtgenoot Derk haar familie in Holland bezocht en hen verteld wat een schitterende plaats Stanislaus County was en welke mogelijkheden daar waren om voorspoedig te boeren als men bereid was en in staat was te werken. Hij bood aan hen te helpen en zou direct werk gaan zoeken voor twee van de oudste zoons. Zo gingen Albert en Johannes een jaar eerder dan de rest van de familie. Albert werkte bij Van Konijnenburg en Johannes voor bosbouwer John Zweep.
De beste vriendin van dochter Lubbigje Schaapman was Willemientje Beltman. Het lag dan ook voor de hand dat de twee elkaar regelmatig zouden schrijven. Van de brieven die Lubbigje (ze noemde zich in Amerika Lucy) stuurde, zijn er een aantal bewaard gebleven.
De reis naar Amerika wordt er uitvoerig in beschreven. Verder is te lezen dat hun leven niet over rozen ging. In 1918 trouwde Lucy met Barend (Ben) Meulink.
Klaziena, de dochter van Willemientje Beltman, trouwde met Antonie Schroten, een neef van Ben. Zij was het die de brieven bewaarde. Ze werden in mei 1983 naar Amerika overgebracht door Willem Schroten, een jongere broer van Ben en overhandigd aan de dochter van Lucy, mevrouw Wilfred (Ann) McCoy. Met haar toestemming zijn de brieven in Amerika gepubliceerd na te zijn vertaald door Bertha Schaapman-de Jong, Ann Meulink-Schuiling en Berdene Meulink-Schaapman uit Ripon. Wij kwamen via de heer A.J. van Spijker in bezit van de teksten van de gepubliceerde brieven, welke door de heer K Borgers weer in het Nederlands zijn vertaald. Omdat wij niet over de oorspronkelijke Nederlandse tekst beschikken, kan door de vertalingen hier en daar een modernere stijl van schrijven zijn ontstaan. Alvorens de brieven hierna te laten volgen, geven we eerst de stamboom in rechte lijn van Johannes Schaapman.

I  
II  
 
III  
 
IV  
 
 
V  
 
 
 
 
 

Jan Alberts trouwt in 1727 met Janna Arents
Albert Jans 1747-1818 trouwt in 1775 Aaltien Everts Dijkslag.
Jan Evert Alberts 1778-1855 trouwt in 1807 met Janna Pannevis en neemt in 1811 de naam Schaapman aan.
Albert Schaapman 1811-1860 trouwt in 1838 met Geertje ter Wee. Zij krijgen 7 kinderen, waarvan de jongste is
Johannes 2-4-1856 - 6-4-1926 trouwt 18-2-1886 met Johanna Bongers (of borgers?) 10-3-1860 - 16-11-1920. Uit dit huwelijk 10 kinderen:
  1 Albert 28-5-1887 - 9-8-1942
  2 Lubbigje 28-7-1888 - 3-5-1889
  3 Gerrit Hendrik 6-9-1889 - 14-1-1963
  4 Hendrik26-10-1890 - 13-7-1913
  5 Lubbigje 22-12-1891 - 3-3-1937 (Lucy)
  6 Johannes 6-1-1893 - 20-11-1981 (Joe)
  7 Geertje 6-2-1894 - 5-3-1894
  8 Gerard 18-10-1895 - 17-9-1969
  9 Jan Willem 17-3-1899 - 16-12-1949 (Bill)
10 Jan 26-12-1903 - 29-10-1969 (John)


In deze boerderij aan het Oosteinde woonde de familie Schaapman.

Aan boord van de S.S. Rijndam
31 januari 1911

Lieve vriendin,
Ik schrijf je een paar woorden om je te laten weten dat wij allen goed gezond zijn. Veel mensen zijn zeeziek, ongeveer 50. Ik voel mezelf heel goed. Er is hier veel vermaak - dingen die je op een dwaalspoor kunnen brengen. We hebben tweemaal per dag muziek; 's morgens en 's avonds om 9 uur. Er zijn 3 violen; 2 fluiten ; een hoorn en een piano. Het eten is fantastisch. We kunnen alles krijgen wat we willen; er zijn eieren, kaas en vlees. 's Morgens en 's middags allerlei soorten gerechten. We weten nauwelijks wat we allemaal eten. Er gaat geen dag voorbij zonder een sinaasappel of een appel.
Er zijn allerlei soorten van mensen op de boot. Ik heb hier drie vriendinnen gevonden. Een ervan is mijn kamergenote. Twee zijn er al zeeziek geweest. Het is niet gevaarlijk zeeziek zijn, maar je voelt je niet erg lekker als je zeeziek bent.
We zijn al 8 dagen op zee, maar het kunnen er 12 worden omdat we niet zo erg ver weg gaan.

-----

3 febr. '11

Ik zit in de lounge maar mijn 2 vriendinnen zitten in de muziekzaal. Ik wilde niet met ze mee gaan omdat ik het lawaai niet leuk vind. Eerst zat ik in de damessalon, maar iedereen ging naar de muziekzaal. Toen ben ik ook weggegaan, omdat de chef steeds in en uit wandelt. Het zijn allemaal nieuwsgierigen en moppenvertellers.
Elke tafel heeft een bediende. Om 8 uur 's morgens neemt een der kelners een bel en gaat hiermee de hele boot over om de mensen naar de eetzaal te roepen. Velen eten niet omdat ze zich niet goed voelen. Ik denk dat mijn broers het erg fijn zullen vinden dat wij naar Amerika komen.
Ik zou willen Mientje, dat jij hier ook was. We zouden vast veel schik hebben samen. 's Morgens staan we snel op, kleden ons aan en gaan naar het dek. Als je te lang blijft liggen wordt je zeker zeeziek. Ik slaap in de bovenste kooi. Iedereen heeft een eigen bed. Als je eruit valt ben je meteen wakker. Ik moest eigenlijk een ladder hebben om in bed te klimmen.
Op het ogenblik schommelt de boot. We kunnen nog net aan tafel eten. Soms hebben we dingen op tafel om de borden stevig te houden. Als we ze niet hadden zou het een knoeibende op tafel worden.
De bedienden hebben veel werk. 's Morgens moeten ze voor 1O uur 48 bedden hebben opgemaakt. Er zijn ook vrouwelijke hulpen, maar die zijn er om de zieken te helpen. Moeder is ook ziek, maar het gaat al beter.
We zijn al 11 dagen op zee en we zijn er nog niet. De boot gaat niet zo erg snel. Gisteren hebben we 124 mijl afgelegd. Bij goed weer kan de boot 360 mijl afleggen. De hele reis is 3330 mijl. De kapitein zei gisteren dat als we niet sneller varen we 6 dagen langer op zee zouden zijn. En dan moeten we nog 5 dagen met de trein. Dus we zijn er niet zo snel.
Je vriendin
Lubbigje Schaapman.

-----

19 maart 1911
Salida Calif.

Lieve vriendin,
Het is rustig nu en ik wil je nu een paar woorden schrijven. We zijn goed gezond behalve Albert, die heeft een zere voet. We weten niet precies wat er aan de hand is. Hij is naar de dokter in Modesto. Hij durfde niet langer te wachten. Hij is bang dat de dokter er in zal snijden, omdat hij een keer een bloedvergiftiging aan een vinger had en te lang wachtte, zodat de dokter de vinger moest amputeren.
Nu over onze reis. Het was een mooie reis, het eten was prima en er was zo veel van alles. Bij ieder gerecht kregen we een schotel. Soms zeven schotels, één voor iedere gang. De maaltijden werden in twee ploegen geserveerd.
Er waren 8 lange tafels en een nog langere tafel in de eetzaal. Alle passagiers konden er niet gelijktijdig in. Iedere tafel had twee bedienden. De lange tafels hadden vier bedienden. Zodra de tafel gedekt was, belde de bediende. Onze Jan was gewoonlijk als eerste aan tafel. De stoelen hadden één poot, die vast zat aan de vloer. Je kon met de stoel ronddraaien.
Er was veel muziek, zoals ik je al verteld heb, twee maal daags in de eetzaal en op het dek werd harmoniemuziek gespeeld. En er werd gedanst. Er was een klein Jodinnetje, ongeveer 5 jaar oud, wat kon die dansen. Het was prachtig om te zien.
Op het laatst waren 30 mensen ziek. Ze wilden op het koude dek liggen, omdat ze het beneden niet konden uithouden. Wij hebben de reis goed doorstaan. Hendrik, Gerard en Jan Willem zijn niet zeeziek geweest. Enkelen van ons hebben een aantal maaltijden overgeslagen.
We zijn 13 dagen op zee geweest en we hebben ons geen minuut verveeld. Ik vond een vriendin Jacoba Reurink, een werkelijk leuke meid. Ze had twee zusters en één broer; haar vader had een halfbroer. Zij gingen naar lowa, een andere plaats dan waar wij naar toe gingen. Het is daar erg koud. We waren altijd bij elkaar, net zo als jij en ik waren.
Na de maaltijd konden we naar de damessalon gaan omdat je dan een eind kon wandelen. Op een keer stonden we op de voorplecht van de boot en een golf spoelde over ons heen. Het kon ons niet nog eens overkomen omdat de matrozen de toegang afsloten, zodat we niet door een golf overboord geslagen konden worden.


In deze school aan het Oosteinde leerden Lubbigje Schaapman en Willemientje Beltman onder andere het schrijven, net als zoveel andere kinderen in de loop der jaren.

Er kwam veel zout op het dek door het zeewater. Als het zout droog was, werd het bijeen geschoven en weer in zee gegooid. Maar het was prachtig om te zien hoe de boot op en neer ging. Lekker weer op zee. Als je rondwandelde kon je van de ene kant naar de andere geslingerd worden. Een bediende brak zijn arm toen hij een tafel wilde verplaatsen en een andere werd ontslagen omdat hij een fooi wilde hebben en ook nog bier.
Je kon bier en limonade krijgen. Ook waren er een aantal Friezen aan boord, zware drinkers. Ze vertelden dat één van hen de eerste dag 10 gulden had uitgegeven aan drank. Me dunkt dat was veel geld voor alleen maar drank. Limonade kostte een kwartje. De Friezen gaven daar niet om. Op een keer pestte een kleine jongen hem en die kreeg toen een gulden.
Toen kwamen wij in New York aan. Daar stond een prachtig groot standbeeld. De ene hand hield het hoog in de lucht net alsof ze de baas was van alle landen in de wereld. Prachtig! De Nederlandse vlag werd gehesen en we gingen met muziek van boord en toen moesten we naar een grote ruimte waar de koffers door de douane moesten. Je weet nooit wat ze zullen controleren. Ze moesten zoeken naar tabak, sigaren enzovoort. Maar ze keken helemaal niet in onze koffers. We hadden sommige dingen, zoals sigaren meegenomen, 48 sigaren mag je meenemen. Toen dit achter de rug was, werden we naar het Amstel Hotel gebracht. Mijn vriendin wachtte mij daar al op. Sommige mensen verlieten al dezelfde dag het hotel. Wij moesten wachten tot de volgende dag, maar we hoorden dat we met dezelfde trein hadden kunnen gaan.
Die Friezen waren er al. Ze waren al aangeschoten maar nog niet dronken. We gingen naar de stad en keken wat rond. Toen kwam er iemand naar ons toe. Een zekere meneer van Straten. Hij vroeg ons om een kopje koffie te komen drinken. Later namen vader en moeder en de jongens een jongen uit Zwolle mee naar de trein. De volgende dag maakten we ons gereed om te vertrekken. We gingen met de ondergrondse en namen daarna de trein naar het eindpunt. De treinen zijn hier mooier en groter dan in Holland. De banken waren met fluweel bekleed en hadden armleuningen die je op en neer kon doen, zodat je kon slapen. Er was een wasruimte met een porseleinen wastafel en zeep, een schone handdoek en een toilet. Er was fijn fris ijswater in een grote tank, met een kraan en een drinkglas. Alles zag er mooi en schoon uit. Maar 's nachts kon het heet zijn. Als we door een tunnel gingen, sloot de conducteur de ramen omdat de rook anders naar binnen zou komen. We gingen door 7 tunnels. We gingen ook over verschrikkelijk hoge bergen met machtig grote stenen. Je moest dat kunnen zien Mientje. We gingen over enkele bergen en vanaf de top konden we in de ravijnen kijken. Wat een hoogte. Wij moesten 3 of 4 maal van trein verwisselen.
Toen we in Chicago aankwamen, gingen we in een omnibus. Er konden er 14 in. De man duwde ons met de ene hand naar binnen en met de andere hand sloot hij de deur. Er stonden twee paarden voor. Geloof me, het was zwaar. Er lag veel sneeuw. Op een keer zaten we in een wachtkamer en we konden er niet meer uit. Er lag teveel sneeuw. We moesten door de sneeuw naar het station en daar een hele poos wachten. Toen moesten we weer terug door de sneeuw. We waren daar om 8 uur en konden niet weer weg voor 4 uur de volgende morgen. We moesten de hele nacht op harde banken zitten. De mensen waren erg druk met sneeuwruimen. Toen we in de trein zaten kwam er een joodse man bij ons. Hij had een tas met sandwiches en appels. Hij gaf de kleinen appels en begon daarna te zingen en te schreeuwen.
Hij had heel veel sigaren bij zich en wilde zijn lucifer aan de achterkant van zijn broek aansteken, waardoor hij bijna in brand raakte. Op een keer kwam een lucifer in zijn snor terecht. We moesten lachen. Toen maakte hij zijn sigaar uit en gooide hem weg. 's Morgens toen ik mijn haar opmaakte, wilde hij de haren van mijn kleren halen en ze bewaren. Hij had veel te vertellen maar ik kon hem niet verstaan. Er werkten ook veel negers in de trein.
We zagen veel in lowa. Enkele koeien en paarden liepen in de dikke sneeuw. Ze waren zo mager dat de botten haast rammelden.
In Sacramento werd er een foto van ons gemaakt. De mensen keken ons aan alsof we iets aparts waren. Ze keken ook naar de muts van moeder. De foto komt in de krant. Er was een dame die duits sprak en ze zei dat ze de foto uit de krant zou knippen en naar ons toesturen.
We moesten verschillende keren overstappen en eindelijk kwamen we op de plaats van bestemming aan. In Salida stapten we uit en daar waren Albert en Joe met een vier persoons rijtuig. Vader, moeder, Albert en Jan stapten in het rijtuig en reden naar huis. De andere jongens wachtten totdat Joe hen zou ophalen.
Joe vroeg een neef met een platte wagen de koffers mee te nemen. Ze werden op de wagen gezet en wat voor een wagen! Die was langer dan die welke we in Holland gebruikten. Toen we thuis kwamen, was de koffie al klaar en alles voor ons in gereedheid gebracht. Nicht Gertie (van Konijnenburg) had voor brood, koek en taartjes gezorgd.
Alles stond in de provisiekast. Bloem, rijst, havermout, spek, bonen, gist, kaneel, peper, suiker, borden, potten en pannen, vorken, van alles. Te veel om op te noemen. De volgende morgen konden wij ons eigen ontbijt klaar maken, iets wat we in lange tijd niet meer hadden gedaan.
De beide jongens die met ons meekwamen, sliepen de eerste nacht bij ons en gingen de volgende dag naar de boer waar Joe had gewerkt. Ik noem hem Joe omdat boer Zweep (waar hij werkte) hem zo noemde. De ene jongen is daar nog en de andere werkt bij een katholieke Amerikaan. Hendrik is daar ook. (Hendrik was niet helemaal gezond toen ze aankwamen. Hij stierf in juli 1913 op 23 jarige leeftijd aan tuberculose en was de derde die op de begraafplaats in Wood Colony, twee mijl ten zuiden van Salida, werd begraven. Toevoeging bij Amerikaanse vertaling.) Het zijn echt goede mensen. Als het regent roepen ze Hendrik naar binnen: "Of wil je ziek worden!" Hij krijgt 6 of 7 eieren en wat hij aan vlees nodig heeft. Er wordt weinig vet op de aardappelen gedaan, alleen boter. Hij kan net zoveel sinaasappelen eten als hij wil, want die zijn hier in overvloed. Die boer heeft maar één koe en 23 paarden.


Deze foto van de familie Schaapman werd door de plaatselijke
krant gemaakt bij aankomst in Saceamento.
Vlnr: Gerard, Johanna en Johannes Schaapman met voor hem Jan,
Jan Willem met daarachter Bas van Elderen, Willem Borger (reisden
beiden met de familie mee), Lubbigje, Hendrik en Gerrit.

Het regende hier 14 dagen lang. Het was werkelijk een eenzaamheid. Anders regent het hier nooit. Het land wordt bevloeid met water uit de bergen. Het is nu weer goed weer. In Holland zouden we zeggen: Goed weer voor de paardenmarkt. Kinderen lopen blootsvoets zonder schoenen. Ook naar school. De meisjes gaan zo mooi gekleed naar school. Velen dragen witte kleren en de jongens dragen gewoonlijk een blauwe broek. Iedereen, groot en klein, gaat hier naar school. Sommigen zijn nog groter dan je broer Klaas. Ze gaan in een rijtuigje naar school of op een ezel of fiets. Kleine kinderen gaan gewoonlijk mee omdat de paarden erg mak zijn.
De kinderen van nicht Konijnenburg tuigen de paarden zelf op en niemand van hen is ouder dan 12 jaar. 's Zondags en soms ook in de week gaan ze met het rijtuig of in de auto rijden. Dagelijks rijden veel auto's op straat. Verharde wegen zoals bij ons hebben ze hier niet. De zandwegen zijn hier gewoonlijk redelijk hard. Gerrit gaat bij onze buurman werken tot Albert weer beter is. Hij, de buurman, is ook een Amerikaan.
Nu wil ik je schrijven hoe het me hier bevalt. Eerst nog niet zo erg, maar nu ben ik blij dat ik hier ben omdat er hier flink geld te verdienen is, meer dan in Nederland. Je hebt hier ook meer kansen dan in Nederland. Hendrik, Gerrit en de andere 2 jongens verdienen 30 dollar in de maand. Dat is nog maar het begin. Enkelen verdienen 38 à 40 dollar en soms meer per maand. Het werk is niet zo zwaar als in Holland. Alles gebeurt met een machine. Ik hoop lieve vriendin, dat je hier spoedig naar toekomt. Dan gaan we beiden in een rijtuig rijden met een paard ervoor en dan kunnen we ook gaan fietsen.
Vorige week kwam hier een meisje uit Friesland. Zij verdiende 15 à 20 tot 25 dollar per maand. Ze moest leren brood en koek bakken enzovoort. Ze maken al hun brood, taarten en koekjes zelf. Het zijn goede bakkers net als in Holland. Nicht Gertie leerde het mij ook. Eerst waren die van mij half gaar, daarna verbrand, maar nu durf ik het alleen te doen en durf ik ze te vragen voor het avondeten.
Zo spoedig als je kunt wachten moet je hier eens op bezoek komen. Ik zou het fijn vinden je hier te hebben. Zeker is het hier heel anders dan in Nederland. Een warme maaltijd 's morgens, 's middags en 's avonds. Hier is geen roggebrood. Maar hier is fruit, perziken, abrikozen, peren en bessen in blik. Alles wordt eerst gekookt, daarna in flessen of potten gedaan en dan moeten de deksels er zodanig opgemaakt worden, dat er geen lucht meer in kan.
Sinaasappelen, stroop, boter, eieren, vlees en koffie is er iedere dag op tafel en altijd een mes, vork en lepel. Zelfs al zou je het niet nodig hebben, het moet er zijn.
Nu zal ik je iets vertellen over onze boerderij. Ons huis is nog niet helemaal klaar. Het heeft 4 kamers, 2 beneden en 2 boven. Boven zijn voor ons 4 bedden neergezet, twee jongens slapen beneden en vader en moeder ook. De kachel kost 40 dollar. Het was duur, maar de kachel is mooi en groot. Aan de zijkant zit een watertank. Als ik 's morgens opsta, doe ik de tank vol water. Dan is er genoeg water om ook de melkbussen enz. schoon te maken. De room wordt van de melk gehaald en de ondermelk, zo noemen ze die hier, gaat naar de biggen en de kalveren.
Wij hebben 25 koeien en 6 of 7 kalveren en 6 paarden. Er is veel werk. 4 paarden worden elke dag gebruikt om te egaliseren. Dat is een machine om het land glad te maken. Wij hebben 6 zeugen, 6 kuikens en 1 haan. Die waren een cadeau toen vader en moeder 25 jaar getrouwd waren. Zeven gezinnen waren op bezoek. leder bracht een klein geschenk mee. Nicht Gertie vermaakte een rok voor mij omdat ik steeds andere kleren moet dragen. De mensen hier zijn in het wit gekleed, van ondergoed tot bovenkleding. Maar ik denk niet dat ik dat zo nog maar doe. Dat komt geleidelijk aan. De mannen behoren hier voor meisjes de hoed af te nemen. Gewoonlijk dragen ze een hoed. Hendrik, Albert en Joe hebben er ook één. Voor je het weet doe je mee aan de gewoontes hier.
Wij hebben een windmolen die water oppompt. Het water loopt via pijpen naar de schuur en naar huis. Je hebt alleen maar een kraan open te draaien. Het is zo gemakkelijk. Maar wanneer er geen wind is moeten we met de hand pompen en dat is zwaar werk. Gerard, Jan Willem en John gaan naar school om Engels te leren. Ze kunnen het al aardig lezen maar je moet ook weten wat het betekent.
Zondag kwam hier een buurman met nog twee anderen. Ze waren op jacht geweest. We konden ze moeilijk verstaan en zij konden ons niet verstaan, alleen Joe verstond hen.
Amerikanen geven niet veel om de zondag. Zelfs al zijn het nog zulke gelovige mensen, ze bidden niet voor het eten. Ze gaan zo aan tafel en stappen ook zo weer op. Jammer. We doen het niet anders dan wij het in Holland deden. Sommigen zijn anders.
Er is een man die gescheiden is. Hij bidt nooit aan tafel. Ze wassen zich en kammen het haar voordat ze aan tafel gaan maar dat is niet het belangrijkste.
Hoe gaat het bij jullie met het hooien. Onze buren beginnen volgende week. Ongeveer 3 weken geleden hebben we aardappels gepoot. Ze zijn niet klein, ongeveer een voet lang, de maat van klompen. En ze smaken ook goed. Ook hebben we perziken, abrikozen, druiven, bessen en meloenen geplant. Het is lekker fruit. Ik zou willen dat ik je een fijn groot pakket zou kunnen sturen, maar dat gaat niet. Het is beter dat je wacht tot je hier bent.
Nu moet ik eindigen. Het is een lange brief geworden. Je moet me gauw terug schrijven en vertellen over ons dorp. Je mag deze brief aan je vriendinnen laten lezen. Ik wil graag iets uit Holland horen en hoe het met iedereen gaat. Ik kan niet iedereen schrijven.
Ons adres is
Box 125
Salida, Calif. U. S. A.
Het allerbeste gewenst door je vriendin
Lubbigje Schaapman.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXXIII _________________________________________________________

In de winter van 1953/54 werd door de Plattelandsjongeren in Nieuwleusen, gevormd door leden van de Bond van oud-leerlingen van landbouwscholen in Overijssel en van de Plattelandsmeisjes het toneelstuk "Leentje" opgevoerd. Het werd geschreven door J W Gossink en was een "Landelijk spel van lief en leed" in vier bedrijven. Van de opvoering werd deze groepsfoto gemaakt.



1  
 
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  

Arend Jan van Spijker (Albert Zuringa, schoonzoon van de weduwe Groters)
Hennie Sterken (Bertha, dochter van de weduwe Groters)
Klaas Groteboer (Harry Voleur, gelegenheidskoopman)
Derk Jan Massier (souffleur)
Hendrik Jan Bijker (Toontje Knast, zwervend koopman)
Jan Schaapman (Bloemers, voorzitter Boerenleenbank)
Hennie Hekman (Hetty Schola, huishoudster)
meester Katerberg (regisseur)
Janna Sterken (weduwe Groters)
Arend Kreule (Jan, zoon van de weduwe Groters)
Jannes Beute (Lambert Burink, buurman)
Grietje Kok (Leentje, dochter van Lambert Burink)

-----

8 juli 1923

Lieve oude schoolvriendin.
Vele jaren zijn voorbijgegaan sinds ik je de laatste maal schreef en ik geloof dat ik de laatste brief van jou kreeg want ik hoorde niets meer van je. In ieder geval denk ik dat jij het laatst schreef. Het is nu even rustig. Ben, mijn man, en de kleine Anne doen beiden een tukje. Ik dacht laat ik mijn lieve vriendin eens een brief schrijven, die hopelijk goed bij je aankomt omdat een brief gewoonlijk welkom is, tenminste als het goed nieuws bevat.
Wel Mientje, ik kan je vertellen dat we allen goed gezond zijn, hoewel 3 maand geleden was ik tamelijk ziek en een maand geleden nog weer. De laatste keer vertelde de dokter mij dat ik longontsteking had en een begin van pleuritis, maar ik voel me nu weer goed wat een groot geschenk is dat men het beste begrijpt als men ziek is. Dokters zijn vrij duur hier. De eerste keer kostte de dokter alleen al 40 dollar. En daarbij komen nog de medicijnen en de vrouw die mij verzorgde en het huishouden deed, dat was 30 dollar. Het is beter een rekening van de bakker te krijgen dan van de dokter. Een rekening van de bakker is altijd een goed teken.
Zoals je weet hebben wij één kind, een lief bijdehand ding.
Voor meer kinderen zijn we niet erg gelukkig, we hebben er al twee terug moeten geven aan onze hemelse Vader. Dat is erg hard voor een ouderhart, maar wie weet wat onze baby's bespaard is gebleven. De oudste werd maar 1 dag oud en de derde, een dikke baby werd dood geboren. Maar buiten dat hebben we een goed leven en we hebben niet te klagen.
Wij zijn 5 jaar geleden getrouwd en bijna een jaar later onze Johannes. Toen was Gerard aan de beurt, verleden jaar mei Gerrit en in april Jan Willem. Dat is een jaar geleden, zodat nu de oudste en de jongste nog vrijgezel zijn. Maar menselijk gesproken zal Albert wel ongetrouwd blijven want hij is erg doof en je moet alles voor hem opschrijven. Hij heeft ook een kunstbeen, maar daar heeft hij niet zoveel hinder van want hij kan bijna evengoed lopen als iedereen. Gerard is de laatste twee jaar ook doof geworden, maar niet zo erg als Albert. Gelukkig is Gerard getrouwd, hij heeft een dochter. Johannes heeft ook een dochter en Gerrit ook. Dus vader moet nog vernoemd worden.
Wij hooien nu voor de derde keer en het is weer een goede oogst. Deze keer duurt het langer, want Ben huurde en kocht er tweemaal zoveel bij. Wij hadden zelf niet genoeg omdat we 35 stuks vee hebben, klein en groot. Het hooi wordt hier schaars omdat veel mensen het land gebruiken voor de teelt van fruitbomen, zoals druiven, abrikozen, perziken en amandelen. Er zijn grote boomgaarden hier. Mensen voorspellen dat veeboeren op de lange duur goed af zullen zijn omdat er maar weinig vee wordt gehouden. Men kan niet van fruit alleen leven ook al is het leuk. Wij hebben ook onze eigen abrikozen, perziken en amandelen. Vorige week was ik druk met het inmaken en ik moet morgen weer aan de gang. Als we konden zouden we vader Meulink een grote mand vol willen sturen maar de afstand is te groot. Vorige week vrijdag is de man van mijn nicht Gertie, dat is een dochter van vaders broer Gerrit, met zijn oudste dochter Bertha, die verpleegster is, vertrokken voor een bezoek aan Nederland.
Wij hebben nu een vrij groot huis met 4 grote kamers en een badkamer, verder een klein hokje dat we de provisiekast noemen en waar we de potten en pannen opbergen. Er zijn kleine kopjeskasten en van de 4 kamers zijn er 2 slaapkamers en van de andere kamers gebruiken we één als woonkamer en één als conversatiekamer. Aan de achterzijde en de voorkant van het huis zijn veranda's. Het is een mooi en gerieflijk ingericht huis. In mei hebben we een auto gekocht. Je kunt zien dat we het materieel goed hebben maar dat is geen voorbereiding op de eeuwigheid. Zoals we weten moet ons dit geen volledige voldoening geven, dat zou niet goed zijn.
Lieve vriendin, het is dunkt me een leuke brief met allerlei nieuws. Ik wil nu eindigen, een spoedig antwoord van jou verwachtende.
De beste wensen van Lucy, Ben en Anne Meulink.

-----


De boerderij aan het Oosterveen waar vriendin Willemientje woonde.

Ripon Californië,
augustus 1932

Mijn liefste vriendin,
Mijn hartelijke dank voor je prachtige brief. Het is zo fijn iets te horen uit je vroegere vaderland. Ja er is veel gebeurd sinds we samen waren. Toen konden we nog luchtkastelen bouwen maar nu is het werkelijkheid. Ik heb veel complicaties gehad. Ik heb niet minder dan 10 keer in het ziekenhuis gelegen buiten de keren dat ik thuis ziek was. Twee jaren geleden kreeg ik een dubbele longontsteking. iedereen dacht toen dat ik zou sterven maar ik ben er doorheen gekomen en nadien kreeg ik zelfs nog een fijne dochter. We hebben haar Johanna genoemd.
Op het ogenblik lijdt ik aan een zeer ernstige ziekte. Of dit mijn laatste ziekte zal zijn of dat God mijn leven nog eens wil sparen, wij weten het niet. Wat betreft mijn ziekte voel ik me een beetje beter dan afgelopen week. Gewoonlijk lig ik gekleed op bed omdat ik dan nog eens een beetje rond kan wandelen, maar zitten kan ik niet. De dokter begrijpt niet dat ik niet kan zitten maar de andere dokter zegt dat ik weer kan zitten als het kankergezwel verdwijnt. Op het ogenblik werken 2 dokters samen. Om de twee weken ga ik naar Stockton en gewoonlijk krijg ik elke zes weken een radiumbehandeling.
Tot nu toe heb ik niet veel pijn gehad, hoewel de behandeling niet zonder pijn is. Zij gebruiken korte naalden, 8 naalden worden samengevoegd met een draad en dan maken ze 2 bundeltjes van elk 4 naalden, die daarna op 2 plaatsen in mijn lichaam worden gestoken. Ze blijven daar 28 uur zitten. Dat is het ergste niet, het doet me niet zo zeer behalve de eerste keer, toen was het aardig pijnlijk. Weet je, die naalden worden eenvoudig in mijn lichaam gestoken bij vier tegelijk. Als God het wil zou ik graag weer beter worden vooral met het oog op mijn huishouding, maar Mientje als iemand zich de meeste tijd niet goed voelt, steeds op bed moet liggen en er altijd vreemden in je huis zijn, dan is het leven moeilijk te leven. Soms verlies je de moed. Ik heb wel eens verlangd naar het einde maar dat zijn zondige gedachten. God heeft ons het leven gegeven en we moeten geduldig wachten tot Hij je tot zich neemt. Maar het lijkt hard als iemand denkt alles achter zich te willen laten. Echter we hopen en we bidden dat het weer beter zal gaan. Nicht Gertie van Konijnenburg had 12 jaar geleden de slechtst denkbare kanker en ze leeft nog. Ze bezocht me zelfs gisteren. Daarom als het Gods wil is zal hij mijn leven sparen en zo niet Hij zal mij zeker niet verlaten.
Wat mijn gezin betreft, die zijn allemaal in orde, ook onze kleine baby die nu al bijna 9 maanden is. In het laatst van de maand moeten de kinderen weer naar school. Ze hebben in de zomer altijd 3 maanden vakantie. Onze Johannes wordt 5 november 6 jaar en moet ook naar school. Onze Annie is 12 en zit in de zevende klas. Ze doet het goed op school, vooral tekenen. We hooien nu voor de vierde keer dit jaar. Het is een goede oogst.
Voor zover ik het weet, maken mijn broers het goed. Albert woont naast ons en is nog vrijgezel. De anderen wonen ook vrij dichtbij. Gerrit heeft 5 meisjes net als Joe, Gerard heeft 1 jongen en 1 meisje, Jan Willem heeft 4 jongens en onze Jan is bijna 2 jaar geleden getrouwd met Berendje van Albert Meulink. Ze verwachten hun eerste nakomeling deze maand. Wij brengen onze baby's avonds naar Gerard. Zijn vrouw zorgt 's nachts voor haar en 's morgens halen wij haar weer op.
Zo ik ga nu eindigen en ik hoop dat je deze brief in goede gezondheid zult ontvangen. De beste wensen van je vriendin Lucy. Ik hoop dat je het kunt lezen. Het is niet gemakkelijk in bed te schrijven.

Liefs, L.

-----

sept. 1934

Mijn lieve vriendin,
Het is hoog tijd om je te schrijven. Het wordt geen lange brief want ik vindt schrijven moeilijk. Hoe is het met jou en met je familie? Het spijt me zo dat je je man hebt verloren en ik hoop dat jij en wij hem terug zullen zien in totale volmaaktheid waar niets ons zal hinderen wat hier op aarde ons veel leed en pijn bracht. Dat je ook een van je kinderen moest missen, je mooie dochter Hendrika, is moeilijk te begrijpen. Moge God je helpen en troosten.
Zoals je weet heb ik vorig jaar begin september een hersenbloeding gehad. Het schrijven gaat nog, maar werken kan ik bijna niet meer. Dat is ook niet nodig omdat ik een prima dienstmeid heb die heel goed in alles is en ook voor de kinderen. Morgen gaat onze John naar school. 5 november a.s. wordt hij 8. Eerst moet hij morgen naar het ziekenhuis om zijn amandelen te laten verwijderen. Annie gaat volgende week naar de middelbare school. Kleine Johanna wordt 17 november 3. Het is een forse meid die bij de geboorte maar 4 pond was. Ik zou je graag een foto sturen maar op het ogenblik heb ik er geen maar als ik er een heb, stuur ik je die.
Het is zendingsdag vandaag en ik ben alleen thuis. De anderen zijn naar een picknick bij de kerk. Die dag wordt altijd gehouden op 2 of 3 september als het Laborday is. Dat betekent dag van de arbeid en het grappige is dat niemand op die dag werkt, iedereen is vrij.
Lieve vriendin ik moet eindigen, want de dokter zou kwaad zijn als hij hoorde of zag dat ik me te druk maak. Enige tijd geleden woog ik maar 100 pond. Doe de groeten aan de familie Schroten. Ik zal ze spoedig schrijven.
Veel liefs van je vriendin, Lucy.

-----

3 februari 1936

Liefste vriendin,
Je moet me vergeven, dat ik je nu pas schrijf. De meeste tijd voel ik me niet goed. Zoals je weet heb ik een hersenbloeding gehad en mijn bloeddruk is veel te hoog. Moge God voor mij en mijn familie zorgen in de komende jaren en ik wens jou hetzelfde.
Ik heb dezelfde dienstmeid al bijna 1 1/2 jaar. Ze is erg goed, maar 21 maart wordt Annie 16 jaar en mag ze de school verlaten. Ik wil graag mijn eigen gezin om me heen hebben. Als alles goed gaat, geef ik er de voorkeur aan dat zij in mei van school gaat. Zijzelf wil er eerder af. Ze heeft geleerd te naaien en te herstellen en andere dingen te doen, maar ik voel me de laatste dagen niet goed. Mijn tijd komt, vroeger of later. Een maand geleden woog ik maar 90 pond. Mijn broer Albert is ook niet in orde. Met de anderen gaat het goed voor zover ik weet. Johannes heeft 7 meisjes, Gerard 1 jongen en 1 meisje, Jan Willem 5 jongens, Gerrit 5 meisjes, John 1 jongen. Albert heeft geen kinderen en wij hebben 2 meisjes en 1 jongen. Onze jongste is in november 4 geworden. Zij is een klein bijdehand ding en groeit voorspoedig.
Ik zou graag wat nieuws uit het vaderland horen als je dat kunt krijgen Mientje. Ik weet dat mevrouw Massier overleden is evenals Geesje Kragt en Jansina Stolte en Tonia Schuurman. Zo overlijdt de een na de ander. Onze schoolmeester is ook overleden en Mientje kun je je meneer Borger herinneren die indertijd bij ons in de kost was, of weet je dat niet meer? Hij was zielig, al 32 en niet in staat voor zichzelf te zorgen.
Lieve Mientje, ik ga nu eindigen. Onze beste wensen en aan allen. Vaarwel!
Je vriendin voor altijd, Lucy.

----- -----

Dit was Lucy's laatste brief aan haar geliefde vriendin. Haar gezondheid verslechterde steeds meer. Ze stierf 3 maart 1937 op de leeftijd van 45 jaar.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant 1 juli 1939:
Nieuwleusen. Nieuwe voorloper. In de plaats van den heer K. van Duren, die heeft bedankt, is door het bestuur der Begrafenisvereeniging "Nieuwleusen en Omstreken" tot voorloper benoemd de heer G. van Blanken, zulks met ingang van Dinsdag j.l.

Dedemsvaartsche Courant 8 juli 1939:
Den Hulst. Het R.W.B.plaatje. Maandagmiddag werd wederom controle gehouden betreffende het belastingplaatje. Het bleek dat zich vooral onder de schooljeugd nogal overtreders bevonden, zoodat menig ouder tot een boete van 50 cent werd veroordeeld.

* * *

Nl'JLUUSENER WOORDEN V _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

nagelholten
naober
naoberplichten
naoberschop
naossek
naossek
nerig
neug
neugen
neugers
neute
ni'jgie
ni'jmelks
ni'jmelkte koe
ni'jmoeds
ni'js
nieds
noesterig
noestern
noesterpot
nulken
nuver

achterham van koe/varken
buur
plicht om buren te helpen
burenplicht
zak onder de rok bij klederdracht
broekzak
met smaak eten van een kind
nodig
uitnodigen
opdringers
noot
nieuwtje
opgewonden (bv voor schoolreisje)
pas gekalfd hebbende koe, volop melk
modern
nieuws
fel, nijdig
brommerig
brommen
brombeer
zeuren
mooi

obbenholt
oelekoppen
ofbleuten
ofrikken
ofschuttelen
ofsnaoren
oftokkern
oftreên
ofwinnen
onderdoems
onderschoer
onkant
onverdaggens
oongenbekükkelerije
opbluuten
opdussen
opgaren
ophemmelen
oplappen
opmuuten

oppen/obben
opscharrelebonken
opschieten
opschoaten

opsniên
opstikken

opstikken
opstuken
optuugen
opzolten
överlangs

lijsterbeshout
gotische letters
boom ontbasten
afpalen
afzetten van iemand
stoppen met spinnen
aftroggelen
lengte meten dmv (grote) stappen
iemand voor zijn
stiekem
baanderdeur met oversteek
ongelijk
onverwacht
iemand verlakken; gezichtsbedrog
vuur opstoken
er op los slaan, aftuigen
oprapen
opruimen, redderen
(tijdelijk) herstellen van iets
iemand opwachten, meestal met
hardhandige bedoeling
fluitjes van lijsterbeshout
iets slim voor elkaar krijgen
garven in de berg gooien
hooi/koren met de vork op de wagen
steken
opscheppen (figuurlijk)
onderweg iets drinken bij bv een
restaurant
rogge met de garvenvork opsteken
opstoken van mens of dier
omkleden
weggestuurd worden
in de lengte

paàmpen
paddenpister
paddenschieter
pakkiesdrager
pallegaste
pape(n)
papier plakken
partie
partiesins
peerdebonen
peerdespul
peerdiezer
permetaosie
petansie
pienekeutel
pienhond
pietse
plaatntonte
plássie(n)
pliewerd
pliewern
plukhaoren
plukhaoren
poate

poeren
poeste
poesterd
poesterig
poete, poeties
poetzak
poetzak
pokkel
polderen
pompestraote
pongel

potnat
potschipper
potsen
potsig
preekvà

prengel
prente
pront
pruttel
puntdraad
puntebedek



puppel
purregien

luid musiceren van een muziekkorps
bultje op ontstoken ooglid
bultje op ontstoken ooglid
bagagedrager (op fiets ed)
gepelde gerst
tepel(s) van een koe/paard/geit
behangen
veel
vaak
tuinbonen
circus
hoefijzer
in de gunst staan van de ouders
betekenis
gierigaard
iemand die op de penning is
zweep (bij paard); veerkrachtige twijg
doek om de vuurplaat te poetsen
krentebol of luxe koek
friemelaar
friemelen
kinderspel met een tol
vechten
tak van bv bessenstruik of populier die
zo in de grond gezet kan worden
fundamenten van stenen gebouw
bult op je hoofd
viezerik
groezelig
klein visje; kikkervisje
scheldwoord
iemand die steeds poetst en boent
lichaam, lijf, huis, ribbekast
graaf- en spitwerkzaamheden
ruimte in boerderij waar de pomp staat
een zwaar kind; zwaarlijvig mens; zwaar ding
kooknat
varende marskramer met steengoed
grappen, grollen
lachwekkend
betweterig persoon; langdradige
verteller
eigenwijs persoon
eigenwijs persoon
net
rommel
prikkeldraad
bij het uitlenen van je zakmes moest je
de punt bedekt terug krijgen, bv voor 't
schillen van een appel krijg je er een
stukje voor terug
populier
puistje


Jaargang 14 nummer 4 december 1996

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

ISSN 1384-0940

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

"Den Hulst aan de Dedemsvaart" zoals dat toen nog heette. Links zien we de winkel van de gezusters Klos. Op het terrein daarnaast zetelt thans Gebo-tours.

* * *

OPGROEIEN IN EEN DORP AAN DE VAART OMSTREEKS 1935 _________________________________________________________

Bertus Mulder

Bertus Mulder schreef in "Jeugd en Samenleving" juni/juli 1978, over de betekenis van ruimte om te spelen voor kinderen. Hij beschreef daarvoor de beleving van zijn kinderjaren in Dedemsvaart. Het verhaal geeft een beeld van een kinderleven in de eerste helft van deze eeuw, zoals zich dat in deze omgeving afspeelde. Het verhaal zou ook in Nieuwleusen kunnen spelen en lezers zullen veel ervan herkennen en gelijksoortige herinneringen hebben.
We zijn dan ook heel blij dat de schrijver ons toestemming gaf het (voor ons relevante deel van het) artikel te mogen opnemen in ons tijdschrift
.

DE BRON
Ik ben opgegroeid in het dorp Dedemsvaart. Ons gezin bestond uit onze ouders en zes kinderen, twee meisjes en vier jongens. Ik ben de oudste. Vader en moeder zijn van boerenafkomst.
Wij woonden in een vrijstaand huis op een groot stuk grond direct aan de straat. Aan de overkant van de straat lag een kanaal. Straat en kanaal waren lang en recht en heetten dan ook Langewijk. Het grote stuk grond was geen luxe. Het werd voor een groot deel gebruikt om voor het eigen gezin aardappels en groenten te verbouwen. Vader tuinierde 's morgens voor het ontbijt en 's avonds na het avondeten. Overdag werkte hij als eigen baas mee in het kleine aannemersbedrijfje. Soms had hij hulp nodig in de tuin, dan moesten we 's avonds of zaterdagsmiddags helpen. Dat deden we met grote tegenzin, omdat we dan niet konden spelen. Naast de tuin was een stuk grasland waar wat vruchtbomen stonden en waar ik zelf een krentenboom had geplant. Verder was er nog een stukje gras dat altijd kort gehouden werd omdat hier het wasgoed werd gebleekt, de "bleek".
Hier stonden ook twee pruimenbomen, Reine Claude. Wanneer ik bij de groenteboer deze pruimen zie, zie ik ook meteen de hagelwitte lakens voor me.
De rest van de grond werd gebruikt als erf voor het huis en de werkplaats.

VERANDERENDE RUIMTEN
De zolder van de werkplaats werd gebruikt als houtopslagplaats. Een prachtige ruimte om te spelen. De speelruimte veranderde voortdurend omdat er steeds hout werd verwerkt en werd bijgeleverd. Wanneer er weer zo'n lange vrachtauto van de Drents-Overijsselse Houthandel was geweest, lag de zolder vol met balken, planken en latten. Je moest dan klauteren om nog een plekje te vinden. Zo begon je steeds weer opnieuw met die ruimte. Dit gaf even zovele aanleidingen tot nieuw gebruik, tot andere spelletjes. De herinneringen hieraan zweven in de geur van vers naaldhout.
Tegen de achterkant van de werkplaats was een schuur aangebouwd. In het voorste deel van de schuur stonden konijnenhokken, het achterste deel werd gebruikt als stal voor de geit of het schaap. Met zo'n huisdier trokken we een zomer lang op, tot het in de herfst werd geslacht. Dan konden wij de vrijgekomen ruimte weer in gebruik nemen en dan was het binnen de kortste keren geen stal meer. Wij veegden en dweilden en haalden de spinnewebben weg en maakten er een "huis" van.
We hadden daar ook een tijdlang het hoofdkwartier van onze club van de blauwe driehoek. Daarvoor was de ruimte ook zeer geschikt. Het was er aardedonker want er waren geen ramen en door het hooi, dat op de een eindje van elkaar liggende balken van de vliering boven de stal lag, werd het geluid geabsorbeerd. Daardoor was het een echt hol. De vliering was ook een veranderende ruimte. In de zomer, na het hooien, was de ruimte er niet meer. Dan was er vers geurend hooi. Naarmate het hooi werd opgegeten kwam de ruimte weer voor de dag. In het voorjaar, wanneer de dagen weer langer werden en er in de schemering verstoppertje (wegkruipertje heette dat) werd gespeeld, had je dan weer een zoldertje met een zacht hooitapijt waar je geruisloos kon verdwijnen.


Het turfschip van Albert Krul op de thuisbasis tegenover het toenmalige notariskantoor aan de Hoofdvaart.

Het woonhuis, dat losstond van de werkplaats, had een voordeur die nooit werd gebruikt. iedereen schrok wanneer er gebeld werd. Dat moest dan iets bijzonders zijn, een marskramer met een koffer met interessante spullen, de deurwaarder of een ander officieel persoon. Normaal kwam iedereen achterom, door het "achterhuis", zo heette dat, waar de klompen stonden, de overalls hingen en waar gewassen werd.
Hierachter lag weer een schuurtje voor alle spullen die met de huishouding te maken hadden. Hier werd ook de turf opgeslagen waarmee het fornuis in de keuken werd gestookt. De turf werd gekocht per hele of halve "bok", een platte ijzeren schuit die door één man met een houten boom werd voortgeduwd. De turf kwam via het kanaal regelrecht uit Drenthe. Wanneer de bok met turf voor ons huis werd vastgelegd, werd de turf uitgeladen, met een platte kruiwagen in het schuurtje gebracht en daar keurig opgestapeld. Ik herinner me dat als een spannend moment. Het schuurtje werd dan opnieuw ingedeeld. In plaats van één ruimte kwamen er gangen, de wanden van de gangen waren van turf, mooi in een patroon gestapeld, iets achteroverhellend vanwege de stabiliteit, vakwerk, dat zag je zo.
Er werden altijd twee soorten turf gebracht, grote lichtbruine zachte, die waren voor de aanmaak en kleinere donkere harde, die langer lagen in het vuur. Bij de zachte kon je nog heel duidelijk zien dat turf is ontstaan uit resten van bomen en planten. Je vond nog duidelijke sporen van vergane bladeren en takken. Wanneer de bok leeg was gingen we daarin spelen, we probeerden dan met een heel stel de bok heen en weer te wippen en grote golven te maken.
Het schuurtje was dan vol en helemaal veranderd. Het licht was schemerig en het rook er heel indringend naar veen en moeras, wat herinneringen opriep aan verhalen over mensen die het veengebied zijn ingegaan en nooit meer zijn teruggekomen.
De muizen voelden zich veilig om onderin de stapel hun nesten te maken, daar kon niemand bij, ook de kat niet. De nesten kwamen pas voor de dag wanneer een groot deel van de turf verstookt was. Het was griezelig om 's avonds turf te halen. Wanneer je een paar turven uit de stapel trok kon het gebeuren dat plotseling de muizen langs je benen wegstoven.
De steeds veranderende ruimten boden ons voortdurend aanleiding tot ander gebruik en nieuwe waarnemingen. Ik heb daarin veel beleefd dat mij mijn hele leven bij zal blijven.

ONS ERVARINGSERF
Op het erf rond woonhuis en werkplaats was nog veel meer te beleven, te veel om op te noemen. Zo was er nog weer een afdak tegen de schuur achter de werkplaats aangebouwd. Hier stond de "kar". Aannemers hadden vroeger platte karren met hoge wielen waarop bouwmaterialen werden vervoerd. Zo'n kar werd door één of soms twee mensen geduwd. Door de hoge wielen ging dat nog betrekkelijk licht. Wanneer de kar niet werd gebruikt, gingen wij er mee wippen. Er zaten dan kinderen op de buitenste balken en soms stonden er ook nog enkele in de bak in het midden om te helpen balanceren of er voor te zorgen dat de ene balk met een klap op de grond terecht kwam, waardoor de kinderen op de andere balk werden opgewipt. Het was een mooi spel waarbij je goed moest uitkijken. Zat je boven dan moest je oppassen dat je er niet afgeklapt werd, terwijl wie op de onderste zat moest zorgen dat zijn benen of voeten niet onder de balk zaten wanneer deze op de grond terecht kwam.
Er was ook een regenwaterput waarboven wij de echo opriepen. Moeder hield vanuit de keuken altijd in de gaten wat wij deden. Wanneer zij hoorde dat wij het ijzeren deksel oplichtten, waarschuwde zij ons onmiddellijk.
Verder stonden er op het erf altijd bouwmaterialen, stenen, dakpannen, zand, enzovoort. De zandvoorraad van het metselbedrijfje was onze zandbak. De bak was groot, zeker 2 x 2 meter en het zand dat werd gebruikt om specie en beton te maken werd regelmatig aangevuld. We vonden het altijd prachtig wanneer er nieuw zand werd gebracht en gingen dan zoeken of we er schelpen in konden vinden. Het was rivierzand, scherp zand, dit had het nadeel dat je er moeilijk taartjes mee kon maken. Daarvoor had je bergzand nodig, dat heeft meer samenhang, maar dat werd weinig gebruikt in de bouw en het was ook niet zo dat daarvan dan een grote hoeveelheid tegelijk werd gekocht en in voorraad bleef.


De Ommerdijkerbrug met een turfschip voor de loswal.

Naarmate we ouder werden, werd ook het gebied dat wij door eigen ervaring tot onze wereld maakten steeds groter.
Dit begon bij de buren, waar weer andere dingen te beleven waren dan bij ons. De ene buurman was fietsenmaker, daar heb ik spelenderwijs geleerd hoe een fiets in elkaar zit, iets waar ik nu nog alle dagen plezier van heb bij het onderhoud van het uitgebreide fietsenpark van ons gezin. Hier heb ik ook gereedschappen voor metaalbewerking leren kennen. In onze eigen werkplaats zagen wij hoe er gewerkt werd met timmermansgereedschap. We leerden daar ook zelf mee om te gaan toen we dingen gingen maken die we nodig hadden, zoals houten geweren voor de club van de blauwe driehoek. De fietsenmaker had ijzerboren, ijzerzagen, sleutels en tangen, dat was techniek, terwijl thuis een oud ambacht werd bedreven.
Bij deze buurman mochten we ook elk jaar het paasvuur maken. Wanneer de vruchtbomen gesnoeid werden, sleepten wij de takken naar de paasvuurplek en zagen dan in onze verbeelding al hoe op de tweede paasdag de vlammen weer huizenhoog zouden oplaaien. We probeerden elk jaar de stapel nog weer hoger te maken. Het geluid en de hitte van het ontembare vuur voelde je met het hele lijf.
Met het begin van de schooltijd werd de wereld plotseling een heel stuk groter. De school stond in de buurt van de kerk, ongeveer één kilometer van ons huis vandaan. We gingen te voet met een groep die groter werd naarmate we dichter bij de school kwamen. Het verkeer was toen, omstreeks 1935, nog niet zo druk als het later is geworden. Er waren nog veel wagens met paarden. Elke morgen zagen wij de melkwagen waarmee de melkbussen van de boerderijen opgehaald werden in onze richting naderbij komen. Als die ons passeerde, probeerden we daar achterop te klimmen om een eindje mee te kunnen rijden. Soms liet de voerman dat toe, het kon echter ook gebeuren dat je een tik met de zweep kreeg.
Langs de schoolweg lagen verschillende interessante punten. Onder andere een beurtvaarders bedrijf dat een schip had waarmee vrachten van en naar Zwolle getransporteerd werden.
Wanneer het schip voor de wal lag en in- en uitgeladen werd, was het moeilijk om door te lopen om voor het eten op tijd thuis te zijn.
Wanneer het winter werd probeerde de schipper het schip thuis te krijgen voordat het kanaal zo was dichtgevroren dat het schip er niet meer door kon. Vaak gebeurde het dat het schip zich dan een weg baande door een dun laagje spiegelglad ijs waarop wij na nog een paar nachtjes vriezen wilden schaatsen. Wij gooiden dan vanaf de wal stenen op het schip en scholden de schipper uit.
In het voorjaar gingen we 's morgens heel vroeg de weilanden in die direct achter ons huis begonnen, om eieren te zoeken. Ik heb nooit een ei gevonden, maar het dwalen in de dauwige morgen over hekken en sloten, met om je heen alleen de ontwakende natuur, was een geweldige belevenis.
In de herfst gingen wij buiten de kom van het dorp langs de landwegen eikels zoeken die je soms voor een paar centen per kilo kon verkopen als varkensvoer. Wanneer de eikels niets waard waren gingen we toch zoeken. Nog een lange tijd stonden dan overal zakken met verschimmelde eikels, schijnbaar zinloos.

DEZELFDE DINGEN, VERSCHILLENDE WERELDEN
In de wereld van eigen erf en buurt was nauwelijks iets aanwezig dat speciaal was gemaakt om te spelen. Wij hadden bij hoge uitzondering een schommel, omdat vader timmerman was, maar een bezoek aan een echte speeltuin bij een uitspanning, dat was net zoiets als een kermis op latere leeftijd. Dit waren uitzonderingen op de regel.
Het dagelijkse leven speelde zich af in een wereld die door volwassenen en kinderen op verschillende manieren werd gebruikt. Dezelfde dingen kregen in de wereld van de volwassenen en van de kinderen verschillende betekenissen.
Wanneer er geen wasgoed op de bleek lag, was dit de plek om met oude kleden een tent te bouwen. Het hout dat te drogen werd opgeslagen, vormde de wanden van huis, hut of schuilplaats. Het zand om te metselen was ook het bouwmateriaal voor forten en het deeg voor koekjes en gebakjes. Hooi was voer, bed en tapijt. De geitestal kon huis, winkel en hoofdkwartier van een geheim genootschap zijn. De kar was ook wip. De voorraad hout vormde heldere ruimten met een frisse geur, de stapels turf donkere holen met een geur van vergaan. Het kanaal, de transportweg voor de beurtvaarder, was onze visplaats, ijsbaan en zwemgelegenheid. In eikels zagen wij handelswaar, een middel om zelf geld te verdienen en daarmee een grote sprong naar de volwassenenwereld te maken.

Achteraf ben ik mij bewust geworden dat ik heb leren leven in een volwassenenwereld die ons kinderen vertrouwd was omdat wij aan de dingen die wij in deze wereld aantroffen een eigen zin, een eigen betekenis konden geven, waarmee wij deze wereld ook tot de onze konden maken. Deze wereld was verder zo compleet dat we er goed konden leren leven. Er was voor ons wat te zien en te horen, te voelen en te ruiken. Er waren aanleidingen om te fluisteren en te schreeuwen, om je kracht en handigheid te ontdekken en te oefenen, om de grenzen van kunnen en durven af te tasten. Aarde, water, vuur en lucht, dieren en planten, leven en dood waren dichtbij. Er waren aanleidingen om met anderen wat te organiseren waarbij je ruzie maakte wanneer je het niet eens kon worden en het weer goed ging maken om verder te kunnen. Je kon er ontdekken hoe de wereld ruimtelijk in elkaar zit. De dimensies van de ruimte kon je ervaren voordat je de abstracte begrippen lang, hoog, diep, dichtbij, veraf, op, onder, tussen enzovoort in de taal leerde kennen. Er waren veel verschillende plekken met verschillende sferen, waarin je het verband tussen jezelf en de ruimte om je heen kon ervaren, waar uitgebreid geoefend kon worden met de relatie tussen handelingen en activiteiten en de hoedanigheid van de ruimte waarin deze "plaats vinden".
We zijn er nog niet, wanneer de volwassenenwereld van dien aard is dat kinderen deze ook tot hun wereld kunnen maken.
Dit moet ook nog "mogen". Dit is lang niet altijd het geval omdat het vaak lastig is.
Wij konden vroeger de volwassenenwereld tot de onze maken omdat onze ouders en buren dit toegestaan hebben, ondanks het feit dat dit hun eigen leven vaak in de war bracht.
Omdat wij het metselzand ook gebruikten, ging er zand verloren en moest het vaak extra gezeefd worden om er specie van te maken. Wanneer wij in de werkplaats waren geweest om te timmeren, was het gereedschap stomp geworden en lagen de spullen die wij gebruikt hadden niet meer op hun plaats.
De plek waar het paasvuur werd gebrand was na Pasen echt een stuk verschroeide aarde, daar groeide jarenlang zelfs geen onkruid meer. Het gesleep met de takken en andere brandstof over het erf liet ook de nodige sporen achter. We werden vuil, scheurden onze kleren, kregen natte voeten of soms een heel nat pak. Dat kon echter allemaal. Wanneer het te gek werd kreeg je straf, maar je kon wel doorgaan met het ontdekken van de wereld om je heen en je eigen mogelijkheden en grenzen daarin.


Nog een kijkje langs de Dedemsvaart in Den Hulst, waar het verkeer nog niet overdadig aanwezig is. Links de molen van de heer W.A. van den Berg, later van de Coöperatieve Landbouwvereniging Nieuwleusen en Omstreken.

Er waren ook een paar merkwaardige uitzonderingen die wij niet konden begrijpen en accepteren. Zo konden wij niet zwemmen.
Je kon leren zwemmen in het plaatselijk zwembad, maar dit was, toen we nog jong waren, voor ons verboden terrein omdat het een gemengd bad was. We mochten ook niet in het kanaal om het zelf te leren, omdat we niet konden zwemmen. Hierin is pas verandering gekomen toen het schoolzwemmen werd ingevoerd.
Ik mag werkelijk van geluk spreken dat ik dat nog heb mogen meemaken omdat ik, voor het zover was, op een haar na ben verdronken toen ik bij het nemen van een te grote bocht op de fiets in het kanaal terecht kwam.
Op zon- en feestdagen waren er ook vaak problemen, dan mochten we niet graven, timmeren, hutten bouwen, kortom niet werken. We zaten ons dan met de zondagse kleren aan rot te vervelen. Dit waren echter uitzonderingen, die we hebben ervaren als een onnatuurlijke inbreuk op ons dagelijks bestaan door onbegrijpelijke en merkwaardige bepalingen uit een andere gedachtewereld.

WAT WAS HIERVAN HET BIJZONDERE?
Wat kun je nou met zo'n jeugddroom in de praktijk van alle dag? Nou, allereerst vaststellen dat hier geen sprake is van romantiek van de goeie ouwe tijd. Het dorp Dedemsvaart is een goeie honderd jaar geleden gesticht op de dalgrond die voor de dag kwam toen het hoogveen werd afgegraven. De hele structuur van het dorp werd bepaald door de kanalen en wijken, die daar werden gegraven waar ze voor de afvoer van de turf nodig waren. Binnen datgene wat vastlag bleef voldoende over waarmee iedereen die daar woonde, dus ook de kinderen, nog alle kanten op kon. Daar kon dus ook vanzelfsprekend goed gespeeld worden, daar hoefde niets apart voor gemaakt te worden.
Dat is het verschil met de nieuwe wijken die tegenwoordig worden aangelegd en daarentegen vaak totaal zijn gepland en waarin alles vastgeprikt wordt op een van te voren bedacht gebruik. Daar ontbreken de marges waar nog van alles kan en die daarom geen goede speelplaatsen zijn.
Een goede omgeving voor kinderen moet complex zijn, lijkt mij.
Dat wil zeggen dat er veel dingen die bij het gewone dagelijkse leven horen aanwezig moeten zijn, die zo zijn gemaakt, dat ze op verschillende manieren gebruikt en benoemd kunnen worden. Dan zullen de kinderen in verschillende ontwikkelingsfasen zich naar eigen aard en vermogen ontplooien, zoals dat vroeger onbewust mogelijk werd gemaakt.

* * *

RECTIFICATIE BRIEVEN VAN OVERZEE _________________________________________________________

Naar aanleiding van de foto op bladzijde 57 van ons vorige kwartaalblad zocht de heer H.J. Borger uit Nieuwleusen contact met de redactie in verband met Willem Bonger. Hij deelde mee dat de betreffende persoon Willem Borger was, zijn vader. Deze ging in 1911 met de familie Schaapman mee naar Amerika, maar keerde al in 1913 terug omdat zijn aanstaande vrouw niet te bewegen was ook naar dit "land van de toekomst" te emigreren. Over de tijd dat hij in Amerika verbleef sprak Willem Borger niet vaak. Wellicht vond dit zijn oorzaak in de moeilijke tijd die hij daar doormaakte.
Dit is in de tekst aangepast.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXXIV _________________________________________________________

Op de volgende bladzijde staat een iets jongere groepsfoto dan u gewend bent, namelijk uit 1962 van de Openbare Lagere School aan het Oosteinde.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  

Ben Katerberg
Herman Kuiper
Joke Bonen
Willemien Huzen
Meester Katerberg
Wim Bovenhof
Gerrit Massier
Alie Kleen
Tinie Schoemaker
Jan na Kappert
Elsje Dijk
Roelie Schipper
Annie Wink
Andrina Takken

15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  

Lammie Kok
Sientje Vossebelt
Gerrit van Spijker
Henk Kappert
Johan Schaapman
Gerrit Klein
Arie Stegeman
Henk Kragt
Henk Schuurman
Harm Katoele
Roel Wink
Ate Vos
Frits de Boer


* * *

OPROEP WATERSCHAP IN 1949 _________________________________________________________

Geld en algemeen belang; een spanningsveld, ook al in 1949, gezien de oproep van het Waterschap aan haar ingelanden om verhoging van de heffingen te voorkomen.

WATERSCHAP
DE NOORDER VECHTDIJKEN.

Zwolle, 6 augustus 1949.

Aan de ingelanden van het ruilverkavelingsgebied Nieuwleusen.

Het bestuur van het Waterschap De Noorder Vechtdijken acht het gewenscht het navolgende onder Uwe aandacht te brengen.
     Toen in 1927 de werkzaamheden van de ruilverkaveling in Uw gebied voltooid waren, moesten ingevolge de Ruilverkavelingswet, zoals deze toen luidde, de eigendom, het beheer en het onderhoud van de wegen en waterloopen in het verkavelde gebied door het Provinciaal Bestuur opgedragen worden aan een openbaar lichaam, waarvoor in aanmerking kwam de Gemeente of het Waterschap.
     Voordat het besluit door Gedeputeerde Staten werd genomen, heeft ons bestuur er met drang op gewezen, dat het zeer ongewenscht zou zijn om het onderhoud van de waterleidingen op te dragen aan het Waterschap omdat de kosten van dat onderhoud dan veel hooger zouden worden dan wanneer de aangelande eigenaren zelf voor dat onderhoud hadden te zorgen, terwijl de kosten door de betrokken eigenaren zouden moeten worden opgebracht.
     Niettemin heeft het Provinciaal Bestuur het onderhoud van de waterleidingen opgedragen aan het Waterschap, tengevolge waarvan op den ligger der waterleidingen het Waterschap werd vermeld als onderhoudsplichtige van die slooten.
     De kosten van het beheer en het onderhoud van de wegen en de waterleidingen worden overeenkomstig de bepalingen van het Regelement gebracht ten laste van de eigenaren der gronden in het Ruilverkavelingsgebied door het heffen van een omslag, die aanvankelijk ƒ 2,50 per ha. bedroeg en later op ƒ 3,50 per ha. is gesteld.
     De loonen der arbeiders en de daarmede verbonden kosten van sociale lasten zijn evenwel tot een zoodanige hoogte gestegen, gelijk U allen wel bekend zal zijn, dat ook de omslag van ƒ 3,50 per ha. geheel onvoldoende is om de kosten van het onderhoud daaruit te bestrijden.
     Tengevolge daarvan is er in de latere jaren niet meer voldoende zorg besteed kunnen worden aan de bermslooten, zoodat deze in een verwaarloosden staat waren geraakt.
     Teneinde daarin te voorzien stond ons bestuur voor de keuze: óf aan het Vereenigd College voor te stellen om den omslag van ƒ 3.50 per ha. belangrijk te verhoogen, óf een beroep te doen op de aanliggende eigenaren om zelf de hand aan de ploeg te slaan.
     Daar wij niet dan in uiterste noodzaak een voorstel tot verhooging van den omslag zouden willen doen, wendde ons bestuur zich in 1948 schriftelijk tot de betrokken eigenaren met het voorstel, dat zij vrijwillig de bermslooten in schouwbaren toestand zouden brengen, ieder voor zooveel het langs zijn land gelegen gedeelte betreft.
     Wij hebben met voldoening kunnen constateeren, dat door de betrokkenen in groote meerderheid daaraan is voldaan. Slechts weinigen hebben aan het verzoek van het bestuur geen gevolg gegeven.
     Wij zijn van oordeel dat er thans verder gegaan moet worden op den ingeslagen weg, hetgeen beteekent dat thans ook op den ligger der waterleidingen de onderhoudsplicht van de bermslooten ten laste van de aanliggende eigenaren moet worden gebracht. Dit is noodzakelijk omdat alleen daardoor het bestuur de bevoegdheid krijgt om zoo noodig op te treden tegen degenen, die met het schoonhouden van de slooten nalatig mochten blijven.
     Om een dergelijke wijziging van den ligger te bewerkstelligen is het noodig, dat alle betrokken eigenaren hun handteekening plaatsen op een verzoekschrift, waaruit blijkt, dat zij bereid zijn de onderhoudsplicht van de bermsloot, voor zooverre deze langs hun land loopt, op zich te nemen.
     Wij weten wel, dat die onderhoudsplicht door toevallige omstandigheden voor den een zwaarder is dan voor den ander, hetgeen bij schouwplicht veelal voorkomt.
     Hoewel het niet mogelijk is alle ongelijkheid weg te nemen, is ons bestuur bereid in die gevallen, waarin een onevenredig zware last op den betrokkenen zou worden gelegd, een billijke regeling te treffen. Wij hebben hier speciaal op het oog de zoogenaamde hoekperceelen, die met twee zijden aan een bermsloot gelegen zijn. In die gevallen behoeft de zijde tusschen de hoofdwaterleiding en de weg niet schouwbaar gemaakt te worden.
     Wij zullen verzoekschriften als vorenbedoeld thans neerleggen op verschillende plaatsen in het Ruilverkavelingsgebied, te weten ten huize van:
     Derk Jan Massier, Oosteinde, Nieuwleusen.
     Barteld Hekman, Nieuwleusen.
     Evert Nijboer, Lichtmis.
     H. Prins, Lichtmiskanaal.
     Jan Reuvers, Westeinde, Nieuwleusen.
     Wij verzoeken U met aandrang op het voor U dichtsbijzijnde adres Uw handteekening te plaatsen op een dier verzoekschriften.
     Het gaat er om op deze wijze verhooging van lasten te voorkomen, derhalve om Uw eigen belang.
     Het gaat tevens om een algemeen belang, waarvoor de medewerking van allen zonder uitzondering noodig is.
     Wij spreken het vertrouwen uit, dat U dit algemeen belang zult inzien en ten spoedigste Uw handteekening op een der verzoekschriften zult plaatsen.
     Inmiddels deelen wij U thans reeds mede, dat dit jaar over de bermslooten wederom een schouw zal worden gehouden op 14 september aanstaande.

Het Bestuur van het Waterschap
"De Noorder Vechtdijken",
J.F. van Haersolte, Dijkgraaf.
P. Kapteijn, Secretaris.

* * *

DAGVAARDING _________________________________________________________


De terzake dienende tekst hieronder:
D A G VA A R D I N G.        Dossierno. Z 2980
Ter kennis van den aan ommezijde vermelde personen wordt gebracht, dat hun zoon
Gerrit van Spijker, geboren 28 Mei 1923,
wordt gedagvaard om te verschijnen op
Donderdag 11 JULI 1940 des voorrniddags te 10 uur, voor
het Kantongerecht te Zwolle zitting houdende in het gewone lokaal der terechtzittingen, teneinde aldaar terecht te staan ter zake dat hij
op 25 April 1940, des namiddags
circa l½ uur, onder de gemeente Nieuwleusen

eene koe heeft geleid
over den voor het openbaar verkeer openstaanden rijweg
de Nieuwleusenerstraatweg


en daarbij niet behoorlijk immers niet voldoende is uitgeweken naar rechts bij het
tegenkomen van een motorrijtuig,

wordende gij als ouders bij deze opgeroepen tot bijwoning van de
bedoelde· terechtzitting. tegen genoemden. minderjarige. ZWOLLE, den 8 Mei 1940
De Ambtenaar van het Openbaar Ministerie bij het Kantongerecht voornoemd,


de achterzijde is het verzendadres en tevens de kwitantie voor de betaling van de boete

Gerechtelijk schrijven       N°. Z 2980
Port betaald

AAN

l. GERRIT VAN SPIJKER
2. JANNA POT,
echtgenooten, wonende te

Nieuwleusen

A 220

De Ambtenaar van het Openbaar Ministerie
bij de Kantongerechten in het Arrondissement
       ZWOLLE.
______________________________________________________
              No.187

Zwolle ,den 11 Juli 1940
ONTVANGEN van Gerrit van Spijker te Nieuwleusen

de somma van ƒ 5,= wegens door hem betaalde boete ingevolge vonnis
van den Kantonrechter te Zwolle
van
11 juli 1940

Voor den Griffier bij het Kantongerecht

* * *

Nl'JLUUSENER WOORDEN VI _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

rabbelement
rad
raggelen
rammènten
raomen
rappeklomp

rappen
rappigheid
rebulie
reren
'n regel koên
reidekamme
repe
répe
répel
répelen
koe répelt
reupen

reuven
richtiger
riezebessem
riezemiete
rijkamme
rikken
rikkepaol
risselig
risselig

risselig

ritnaolde
roef
roene
roepe / roepen
roet
roezelig

roezen / roezelen
rok
rondsel
roppen
russen
rulen
ruûm
rüzelig
rüzig

uitbrander; terechtwijzing
fiets
schelden
wild stoeien
druk, lawaaierig bezig zijn
klomp met een ijzeren bandje er om
heen, vanwege een barst
rammelen
gauwigheid
veel lawaai bij een feest
huilen
veel koeien
luizenkam
(paarde )ruif
koetouw
ongedurig persoon
donderjagen
tochtige koe bespringt andere koe
onder het draad door reiken van vee
naar ander gras
knollen
de kortste weg; meer recht toe, recht aan
bezem van rijshout
berg (mijt) van rijshout (takkebossen)
haarkam
afrasteren
afrasteringspaal
zijn duiven met het voorjaar in het hoofd
wordt je bij een superhoog bod op iets
van jezelf, bv. huis of koe
ongedurig worden bij het zien van
iemand van het andere geslacht. Waw!
iemand die niet stil kan zitten
bovenstuk van de klomp
ruin
rups / rupsen
onkruid
weer: winderig zonder regen
wind: door de bladeren ritselend
schatten (werkwoord), gissen, raden
gammel (bv van een stoel)
houten draadspanner
trekken
soort biezen
omrollen
bieten
gerommel
geroezemoes; kinderen die druk zijn

sam
sam
schaatsenies
schaopekoppen
schaopeschot
schaoregoed
scharrelebonken
scharrewever
scheffen
scheffertie
scheitlappe
scheitluus
schel
schepummer

scheuken


scheuken


scheurties
scheuvelen
scheuvels
schier
schieren

schierlingen
schin
schinken
schippersmuzze
schiw
schobben

scheer
schof(fie)
schol
schommelen
schoren

schoren
schoren


schorremot
schraomen
schraomerig
schraoperig
schraopert
schraphakken
schremmen
schrenkelt
schriewaangs
schriwakster
schuddekoppen
schuffien
schulk
schutteldoek
schumen
siepel
siepeltriene
siepoge

sikke
sins
sjoeken
sjoekse

skrippier / skrepier
slateren
sleiferen
slegge

sliere
slieren
slim
slingerscheit
sloeken
sloeken
slof
slok

slomp
slont
slop
sluutspelde
smakken
smakkerd
smeerkraome
smeertonte
smeigelaar
smeigelen

smeigelig
smetties

morrig
smeuïg, zacht
ijs dat houdt om op te schaatsen
soort hortensia
schaapskooi
breekbaar gerei
rondscharrelen
meikever
blaffen
klein waaks hondje
bangerd
bangerik
scheluw
emmer met een lange stok
eraan om aalt te scheppen
onrustig steeds gaan verzitten omdat je
op iemand wacht met een onprettige mededeling
het met de rug heen en weer schuren
tegen een paal of muur door een koe of varken
scherven
schaatsen
schaatsen
mooi, goed
iemand zien zonder zelf gezien te
worden; iemand doorhebben
fluitekruid
haarroos
ham
monnikskap (plant)
erg mager mens; vogelverschrikker
het met de rug heen en weer schuren
tegen een paal of muur door een dier
donkere bui
tijdje ), poos(je)
ondiep (water) (ploegen)
zoeken, scharrelen
ondersteunen (werkwoord);
steunen (zelfst. naamwoord)
scherven
heen en weer gaan op het zadel
wanneer men niet goed bij de trappers kan
slechte kwaliteit
manier van hoesten
verkouden
inhalig
inhalig persoon
iemand die leert schaatsen
uitbakken, schroeien
gekronkeld, gedraaid
schrijlings
Vlaamse Gaai
bewegen met hoofd: ja, nee
poosje
schort van fijner materiaal
vaatdoek
rond loeren
ui
pierig iemand
ontstoken, dik oog;
dicht oog van verkoudheid, tranend
kattig meisje
soms
plumpen
koffie of thee dat er in de verte
ook nog naar smaakt
eigenwijs eindje mens
morsen van bv mest
smeren, morsen
weer ingezakte voormalige geul in
een weiland
slungel; rij
glijden; laten vallen
heel erg (ziek); slecht (kwaliteit)
erge diarree
schransen
doorslikken
niet vers, vochtig
gammel, van een hek;
slap, na een ziekte
grote kop koffie of thee
schort
ruimte in de hooiberg
veiligheidsspeld
met lompe stappen lopen
kus; klap; val
vuile rommel; vieze boel
smeerpoets
iemand die met iedereen meepraat
iemand naar de mond praten;
heulen met....
huichelachtig
vlekken

* * *

INHOUD VAN DE VEERTIENDE JAARGANG _________________________________________________________

blz.




11 
14 
15 
 
18 
19 
20 
24 
24 
25 
26 
29 
31 
 
33 
34 
35 
38 
43 
45 
49 
59 
69 
70 
73 
83 
83 
87 
90 
92 
96 


Melkerscursus
De jaren 1940-1945 in Nieuwleusen, een aanvulling
Zuidzeeromantiek en jodelvertier bij "tante Marregien"
Meestershuis of kostershuis?
Een oude groepsfoto XXXI (Chr. School De Meele)
Staphorst, poasmoandag 1417
Burgemeesters met een indrukwekkende
familiegeschiedenis III (Van Haersolte)
Nogmaals het Palthebos
Krummels
Ni'jluusener woorden III
In het stamboek van Wilhelm Stolte
Krummels
De koffie wordt steeds duurder
Idioot of gewoon ziek
Een nieuw hek voor een oude begraafplaats
Burgemeesters met een indrukwekkende
familiegeschiedenis IV (Van Höevell)
Krummels
Nota A. Mensink - Den Hulst
Een oude groepsfoto XXXII (CLS Westeinde)
De familie Palthe
Het oud portret
Ni'jluusener woorden IV
Brieven van overzee
Een oude groepsfoto XXXIII (Plattelandsjongeren)
Krummels
Ni'jluusener woorden V
Opgroeien in een dorp aan de vaart omstreeks 1935
Rectificatie brieven van overzee
Een oude groepsfoto XXXIV (OLS Oosteinde)
Oproep waterschap in 1949
Dagvaarding G. van Spijker
Ni'jluusener woorden VI
Inhoud van de veertiende jaargang




Jaargang 15 nummer 1 maart 1997

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

ISSN 1384-0940

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

De watertoren aan de Lichtmis gezien over de waterplas waaruit zand gewonnen werd voor de aanleg van het viaduct in rijksweg A 28.

* * *

DE WATERTOREN AAN DE LICHTMIS _________________________________________________________

G. Bartels-Martens

Inleiding
De geschiedenis van de watervoorziening is al heel oud. In de prehistorie werd het oppervlaktewater gebruikt. Vanaf ongeveer 3000 jaar voor Christus zijn in het Midden-Oosten leidingnetten in gebruik voor de distributie van water. De Grieken gingen vanuit bronnen in hooggelegen gebieden watervoorzieningen aanleggen. De Romeinen vervolmaakten deze systemen, maar door de ondergang van het Romeinse Rijk in 537 raakten deze systemen in de vergetelheid.
Ook putten welke soms van boomstammen waren gemaakt worden wel aangetroffen, maar het meeste water komt dan uit rivieren waarin ook afval wordt geloosd. In de middeleeuwen komt waterleiding voor, waarbij houten leidingen worden gebruikt. In 1581 wordt in Londen waterleiding aangelegd door de Hollander Pieter Morrees. Ook Frankrijk bouwt waterleidingen, maar een grote pompinstallatie doet dienst als voeding voor de fonteinen van Versailles, terwijl in het paleis geen sanitair te vinden is.
Dankzij de industriële revolutie krijgt men betere waterleidingen. In ons land wil het echter nog niet zo vlotten. In 1854 wordt de Amsterdamse Duinwaterleiding met Engels kapitaal aangelegd. Pas na een cholera-epidemie in 1866 durft men geld in het waterleidingsysteem te steken, waarna er in heel Nederland watertorens worden gebouwd.
In de loop der jaren verandert de constructie van de torens door het beschikbaar komen van nieuwe materialen. De eerste Nederlandse watertoren, rond 1680 in de tuin van paleis Soestdijk gebouwd, had een houten waterreservoir dat aan de binnenkant met lood bekleed was. Daarna kwamen ijzeren reservoirs in gebruik en nadat in 1855 in Parijs op de wereldtentoonstelling het gewapend beton wordt geïntroduceerd, worden er betonnen bassins in watertorens gebouwd.

De toren aan de Lichtmis
Waterleidingmaatschappijen hadden watertorens nodig om een constante druk op het water in de leidingen te krijgen. Er is sprake van een verticale pijp op het leidingnet. De bovenkant van die pijp komt uit in een waterreservoir. Door de watervoorraad in het reservoir valt de druk niet weg als de waterafname groter is dan de watertoevoer en het is tevens een reserve voor het geval er problemen ontstaan met de wateraanvoer.
Rond 1960 zijn de technische ontwikkelingen zover gevorderd dat de druk op de waterleiding op peil gehouden kan worden zonder waterreservoir hoog boven de grond en als reservewateropslag worden ze ook overbodig. (De watertoren in Emmeloord werd nog in 1958 en in Olst zelfs nog in 1962 gebouwd.) Daarmee hebben watertorens, en dus ook de toren bij de Lichtmis, hun nuttige functie verloren.
Het is in dat licht, dat op 9 oktober 1985 door de afdeling algemene zaken van de gemeente Nieuwleusen een advies is samengesteld over de watertoren van de Waterleiding Maatschappij Overijssel aan de Lichtmis, ter behandeling door B & W op 15 oktober 1985.

Rond die tijd was al enige tijd bekend dat de WMO de watertoren wilde afstaan. Bedrijfseconomisch zou men het liefst de toren tegen een symbolisch bedrag van bijvoorbeeld ƒ 1,-- of zelfs tegen een vergoeding van de hand doen. Afbraak van de toren zou meer dan ƒ 100.000,-­ kosten, terwijl herstel naar een goede toestand ongeveer ƒ 8.000,-- à ƒ 9.000,-- zou gaan kosten.
(Deze bedragen zijn onwaarschijnlijk, op 19 juli 1983 wordt al gesproken over zo'n f 400.000,--.)
Omdat het om een markant herkenningspunt in de gemeente ging, is men gaan zoeken naar oplossingen die een nieuwe bestemming aan de toren zouden kunnen geven. Men had het voornemen voor het einde van dat jaar tot beslissingen te komen.
Nu weten we dat het nog 10 jaar, tot 1995, heeft geduurd voor er door de nieuwe eigenaar, een BV van H.J.M. van der Most uit Rheezerveen, is begonnen met de werkzaamheden die de watertoren een nieuwe vorm en functie zullen geven.
Veel mensen hebben ontdaan gereageerd op de ontmanteling van de toren en vroegen zich af wat er nog aan markants van de toren overblijft, want daar ging het bij het plannen maken toch om. Nu lijkt het alsof ons iets wordt ontnomen wat er altijd al was en onlosmakelijk met Nieuwleusen en de Lichtmis was verbonden. Toch is de toren pas in 1932 gebouwd.
Veel wordt daarbij de gemeente aangerekend, maar die is geen eigenaar van de watertoren en alleen vanuit het oogpunt van ruimtelijke ordening betrokken bij alles wat zich rond de toren afspeelt
Bij het doornemen van de historie van de watertoren kwamen we foto's tegen die gemaakt zijn toen de toren nog in aanbouw was. Die foto's van toen zijn bijna niet te onderscheiden van de foto's uit 1995. We kijken in 1997 weer naar de situatie van 1932. De geschiedenis herhaalt zich, alleen zullen de plannen van nu een heel andere toren opleveren.

Een terugblik op haar geschiedenis
Waterleidingsystemen werden eind achttiende eeuw, toen de industrialisatie op gang kwam en het grondwater beter opgepompt kon worden en gietijzeren buizen toegepast werden, meer ingevoerd. Omdat het leidingwater nog niet gezuiverd werd en rioolwater zich met drinkwater vermengde, kwamen door de centrale drinkwatervoorzieningen grote cholera­epidemieën voor. Rond 1850 wist men het drinkwater te zuiveren en in Overijssel kregen rond 1890 de steden een watertoren. Rond 1910 werden torens in de kleinere steden gebouwd en tussen 1931 en 1934 werden de watertorens met een regionale functie gebouwd.
Watertorens waren voor architecten interessante ontwerpopdrachten. Vanaf 1924 hebben de ontwerpen van architect H. Sangster grote invloed op de vormgeving van de Nederlandse watertorens. Zijn torens zijn strak en hij maakt gebruik van de plastische mogelijkheden van metselwerk. Hij maakt een evenwichtig monumentaal bouwwerk, waarbij het reservoir in het uiterlijk tot uitdrukking komt zonder de harmonie van het uiterlijk te verstoren. In de Lichtmistoren gebruikt hij voor de constructie van de betonnen koker de nieuwe glijbouwtechniek. Dit is een in Amerika uitgevonden techniek waarbij men gebruik maakt van een verschuifbare bekisting om de koker neer te zetten. De toren krijgt op deze wijze overal dezelfde vorm. Bovendien betekent dit ook een besparing op de bouwkosten.
De Lichtmiswatertoren is in 1932 gebouwd naar een ontwerp van H. Sangster, die in het land zo'n dertig watertorens ontwierp. Daarvan is inmiddels meer dan de helft verdwenen en zijn alleen al in de oorlog 10 vernietigd.
De vorm van de toren is: Voet achthoekige doorsnede, daarboven ronde doorsnede.
Materiaal: Beton en baksteen.
Hoogte: 2,50 + 49 = 51,50 meter boven het maaiveld.
De vorm van het reservoir is: Ronde doorsnede.br/> Materiaal: Beton.
Inhoud: 400 m3.
Hoogste waterstand boven het maaiveld: 47,6 meter.
Afmetingen: Diameter 9,35 meter.

De hoogte en de afmeting van het reservoir bepalen de druk op het waterleidingnet. Het water in het reservoir wordt van de buitenlucht (om verontreiniging van het water door insecten, vogels en stof te voorkomen) en het licht (om algaangroei te voorkomen) afgeschermd door een ommanteling.
Bovenin zit een beluchting/ontluchting met luchtfilter, zodat bij schommelingen van het waterpeil lucht kan worden afgevoerd of aangezogen. Bovendien is er een overstort om overtollig water af te voeren indien het reservoir te vol wordt.
Behalve de afvoerleiding naar het waterleidingnet is er een leegloop, die gebruikt kan worden bij reparatie- en schoonmaakwerkzaamheden. Onder het reservoir ligt een lekvloer die het condenswater opvangt.
Er is een trap naar boven tot bovenin de toren om bij de beluchting/ontluchting werkzaamheden te kunnen uitvoeren.


Overzichtsfoto vanaf de watertoren in de richting Nieuwleusen. Op de voorgrond de A28. Het kanaal de Dedemsvaart vormt de grens tussen de gemeenten Staphorst en Nieuwleusen.

De vergunning tot bouw van de watertoren
Burgemeester en Wethouders der gemeente Nieuwleusen (O.);
Voorgenomen een verzoek van de N.V. Waterleiding Maatschappij "Noord-Overijssel" te Zwolle, d.d. 20 November 1931, 0/5260/2830, om vergunning te willen verleenen tot het oprichten van een watertoren in de buurtschap de Lichtmis op het perceel kadastraal bekend, gemeente Nieuwleusen, Sectie F. No. 231:
Gelezen het advies van den gemeente-opzichter M. Goselînk;
Gelet op het bepaalde in de Woon- en Bouwverordening dezer gemeente;

B e s l u i t e n :

aan de N.V. Waterleiding Maatschappij "NOORD-OVERIJSSEL" te Zwolle vergunning te verleenen tot het oprichten van een watertoren in de buurtschap de Lichtmis op het perceel, kadastraal bekend, gemeente Nieuwleusen, Sectie F, No. 231, en wel op de navolgende voorwaarden:
1o.- dat het gebouw geheel moet worden opgericht en
        voltooid volgens het bepaalde in de Woon- en
        Bouwverordening en de hieraan gehechte en
        vanwege deze vergadering gewaarmerkte teekening,
        beschrijving en omschrijving;
2o.- dat het gebouw gereed moet zijn binnen zes maanden
        na heden;
3o.- dat het gebouw genummerd moet worden:
        Wijk E, No. 3abis.;
4o.- dat het gebouw niet in gebruik mag worden genomen
        zonder nadere toestemming van Burgemeester en
        Wethouders.

Aldus gedaan door Burgemeester en Wethouders van Nieuwleusen (0.), den 28 November 1931.
de Burgemeester,
        (get.)B a c k x.
de Wethouder,
        (get.)H. P r i n s.
Voor eensluidend afschrift,
de Secretaris van Nieuwleusen,
        (handtekening).

Omschrijving, behoorende bij schrijven 0/5260/2830 dd. 20 November 1931
De geheele fundeering, draagconstructie, reservoir, kap, vloeren en ringbalken worden uitgevoerd in gewapend beton. De omkleeding geschiedt met metselwerk ter zwaarte van een steen. Het aanleggen van deze muren geschiedt op de gewapend beton fundering, terwijl het opgaande metselwerk om de 80 c.M. in de kozijnen en ringbalken wordt verankerd met ankers 12 mm.
Het peil van den toren wordt aangehouden op 20 c.M. boven den kruin van den weg. Peil is bovenkant beganegrondvloer. Aanlegdiepte fundeering is 2.50 M.- Peil, nokhoogte is 49 M. + peil.
De muren worden opgetrokken in kleurige klinkers, in specie bestaande uit 1/4 deel kalk, 1 deel cement en 3 deelen zand.
De samenstelling voor de beton is:
voor reservoir: 1 dl.cement, 1,5 dl.zand, 2 dl.grind;
voor alle overige gewapend betonwerken: 1 dl.cement, 2 dl.zand en 3 dl.grind.
Het dak van den toren, alsook de kleine uitbouwen worden gedekt met Romaansche grespannen, welke vol en zat in de specie worden gelegd.
De geheele toren wordt aan de binnenzijde afgepleisterd met specie, bestaande uit: 1 deel cement en 2 deelen rivierzand.
Rond den toren wordt een klinkerbestrating gemaakt ter breedte van 1 Meter.
In de rooilijn wordt een afsluithek geplaatst.
De trappen in den toren worden uitgevoerd in hout, boomen zwaar 4,5 x 20 c.M., treden zwaar 3,5 x 18 c.M., aan beide zijden een leuning.
De bouwkosten bedragen ƒ 45.400,-­
(Stempel met deze tekst)
        Gewaarmerkt door
        Burgemeester en Wethouders van Nieuwleusen.
        De Secretaris,

Correspondentie over de bouw
Op 26 mei 1932 stuurde de N.V. Waterleiding Mij "Overijssel"
"Den Heer Melissen, Opzichter Watertoren te Lichtmis" een brief met onderstaande tekst:
Wij deelen U mede dat bij het Ministerie van Binnenlandsche Zaken moeilijkheden rijzen in verband met tewerkstelling van meer buitenlandsche arbeiders dan volgens de bestekbepalingen of nadere overeenkomsten is toegestaan.
In verband hiermede vestigen wij er de aandacht op dat door U zorgvuldig moet worden toegezien dat bij het onder Uw toezicht staande werk behoudens de uitvoerder slechts 2 buitenlandsche arbeiders werkzaam zijn. Hierbij "arbeider" te nemen in den ruimsten zin des woords, dus hieronder ook te verstaan personen welke slechts zijdelings met het werk te maken hebben als volontairs, bankwerkers, de keetmeid en dergelijke. Van personen omtrent wier nationaliteit eenigen twijfel bestaat gelieve U uitdrukkelijk overlegging van een bewijs van Nederlanderschap te eischen. Met de bloote verklaring door de persoon zelf dat hij Nederlander is kan geen genoegen worden genomen.
Niet nauwkeurige naleving van deze voorschriften kan de grootste moeilijkheden veroorzaken, voor de gevolgen waarvan wij U bij dezen uitdrukkelijk aansprakelijk stellen. Wij verzoeken U dan ook ons inliggende copie van dit schrijven voor gezien geteekend te willen terugzenden.

De heer Melissen doet zoals gevraagd en stuurt de copie terug met: "ontvangen 27 Mei '32. Handtekening, opz."

Op 8 juli 1932 ontvangt "Den Heer Opzichter Melissen, p/a Watertoren Lichtmis bij Zwolle" van de N.V. Lak- en Verffabriek "Premier" Loosduinen - Holland, de volgende offerte:

Mijnheer,
Naar aanleiding van het onderhoud, hetwelk onze vertegenwoordiger, de heer Knuppel, met U gehad heeft, zenden wij U separaat een monster van onze staalgrijze verf voor ijzeren buizen L 2727, welke wij U tegen ƒ 0,80 per Kg. Inclusief emballage kunnen aanbieden. Tevens zenden wij U een monster van onze aluminiumverf L 3062 en wel bindmiddel en pigment apart; wanneer deze beide kort voor het gebruik bij elkaar worden gevoegd, komt dit aan de duurzaamheid van den glans ten goede. De prijs van deze aluminiumverf bedraagt ƒ 1,50 per Kg. en wij houden ons voor Uwe orders gaarne aanbevolen.-

        Hoogachtend,

        N.V. LAK-& VERFFABRIEK "PREMIER"
        v/h GEBR. VERHEY.

Dit artikel is samengesteld door G. Bartels-Martens uit de beschikbare lectuur en correspondentie over de watertoren. In het volgende nummer meer hierover.

* * *

NEUSKLANK EN BAKELIETGEUR _________________________________________________________

Miniatuur

Midden jaren dertig: in de wit betegelde keuken, op het hoekplankje rechts naast de deur stond jij, klein wondertje dat radio heette. Jij leek op een mens met een te groot hoofd en je stonk een beetje. In mijn fantasie bevond zich in jouw luidspreker het hoofd van de nieuwslezer. Hoe het met de rest van zijn lijf zat, heb ik me niet in verdiept.


Wanneer het dinsdagmiddag was, stond daar op een stoel, vlak voor jouw ruitjesfront een klein meisje, drie turven hoog. De geur van het warme bakeliet inademend, zong ze luid en een beetje vals mee met het Kinderkoor van Jacob Hamel; van het ventje met de sigaar van chocola, Ha ha! En van dat elfje met die kruhùlletjes blond.
Ach, het waren niet enkel lieve liedjes die door de ether klonken. Hoewel, de geruchten van een op handen zijnde oorlog werden sterker en het kind werd ouder... Op zekere dag was daar die onheilstijding van het invallen van het Duitse leger.
Wat later van de Nederlandse capitulatie..., de brallende stem van de Führer! En jij, goeie radio, jij had het allemaal maar door te geven.
Toen kwam die opdracht: "Radio's inleveren."
Nee, jij werd niet dapper onder het hooi verstopt of ergens achter een geheim muurtje. Jij werd netjes en braaf naar het gemeentehuis van Staphorst gebracht.
In die lange bange jaren hoorden we niets van jou!

Maar eindelijk was daar toch die lang verwachte bevrijding. En nog vóór het hele land de vlag kon hijsen was jij terug, terug met je lijfgeur en met je neusklank. En er was weer stroom.
"Hitler is dood", dat was één van de eerste nieuwtjes die je ons doorgaf. En je vertelde dat hij, samen met Eva Braun gevonden was in een bunker. Zelfmoord.
Oh, wat rook je toen lekker, zo verschrikkelijk lekker naar bakeliet! En dan die neusklank; als muziek in de oren. Ondanks alle bizarre gebeurtenissen voor en rond de bevrijding, was het feest, groot feest. Althans voor ons.
Al heel gauw daarna zaten we weer te luisteren naar de Bonte Dinsdagavondtrein, met paardebonenkoffie en bietenstroopkoek. Wat was geluk toen gewoon.

Ouwe radio, wat is er later met jou gebeurd, wat zeg je, ingeruild? Voor zo'n ding zonder kop, zonder 'ziel', met van die pianotoetsen?
Wáát..., zijn ze nou helemaal!

Dag makker. Het ga je goed in dat museum. Enne... doe vooral de groeten aan dat ding met die pianotoetsen.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXXVI _________________________________________________________

Voor de groepsfoto van deze keer gaan we naar de school met de Bijbel aan het Westeinde. Omstreeks 1945 werd deze foto gemaakt van de leerlingen en het onderwijzend personeel van destijds.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  

Meester Hoek
Harm Jan Vrielink
Bart Ruinemans
Evert Jan Masselink
Klaas Prins
Frits Meulenbelt
Gerrit Beltman
Jan Meulenbelt


10 
11 
12 
13 
14 
15 
16 

Meester Westrik
Klazien Upper
Nelie Hoek
Martha Schoemaker
Fennigje Meulenbelt
Aaltje Prins
Gerrie Visscher
Aaltje van Leusen

17 
18 
19 
20 
21 
22 
23 
24 

Gerrie Schoemaker
Jennie Prins
Grietje Upper
Corrie Hoek
Koba Alteveer
Hennie Kleen Scholten
Geesje van Dijk
Hennie Broekman

25 
26 
27 
28 
29 
30 
31 
32 

Hendrik Jan van Dijk
Henk van Leusen
Henk Wink
Tinus Ruinemans
Willem Pasman
Marten Schoemaker
Hendrik Ruinemans
Wim Hoek

* * *

VEURJAORSGEVEUL _________________________________________________________

Jan Zantinge

in 't bleekgreune gazon
staot veer gele krokussen
in de striemende regen te rillen
even later an de takken al
die druppels, die goldgleenstrend
in de zunne hangt te trillen
en al haalt de noordwestenwiend
ze dan weer achter mekare an
de regen- en hagelbeujen
det veurjaorsgeveul raak ik
niet meer kwiet, deur die veer
gele krokussen, die daor zo
dapper staot te bleujen.

* * *

1997 - MARSHALL-JAAR,
viering 50 jaar Marshallplan _________________________________________________________

Zwolse Courant

Na de oorlog lag de Europese industrie plat. Dus moest men spullen die nodig waren voor de wederopbouw in Amerika kopen. Maar een groot probleem daarbij was dat de dollars hier opraakten en de wederopbouw stagneerde en daarmee de groei van de Verenigde Staten, omdat ze minder producten konden afzetten. De economie zou in elkaar klappen als de VS hun afzetmarkt zouden verliezen, zoals dat in de Eerste Wereldoorlog was gebeurd. Het spook van de crisistijd dook weer op.
Amerika was als de dood voor een recessie. Besloten werd dat Europa, met Duitsland, gesteund moest worden. Zonder Duitsland draait de economie niet, dat was in de jaren '30 wel gebleken.
Op 5 juli 1947 ontvouwde de Amerikaanse minister van Buitenlandse Zaken generaal George Marshall daarom z'n plan om Europa weer op te bouwen, op voorwaarde van samenwerking tussen de Europese landen. Dit leidde onder meer tot oprichting van de Organisatie voor Europese Economische Samenwerking (OEES) in 1948. De Amerikaanse burgers moesten per jaar 85 gulden per persoon bijdragen. Nederland ontving 4 miljard gulden, dat is naar huidige (1996) maatstaven 22 miljard.

In Nieuwleusen zijn vijf boerderijen aan het Westeinde, die in de laatste oorlogsdagen zijn kapotgeschoten, opgebouwd met geld van het Marshall-plan.

Buiten deze financiële hulp hebben wij veel meer te danken aan dit Marshall-plan. De VS hadden al snel door dat geld alleen geen blijvende hulp biedt. Ze leerden ons hoe we de productiviteit konden verhogen tijdens studiereizen die Nederlandse bedrijven en instellingen in de jaren '50 en beginjaren '60 maakten. Met het geld kwamen dus ook Amerikaanse ideeën ons land binnen. De reizen brachten vooral een mentaliteitsverandering teweeg. 'Men' ging geloven in het idee van massaproductie en massaconsumptie. Economische groei betekende welvaart en welvaart betekende economische groei. Zowel werkgevers als werknemers hadden dus belang bij het opvoeren van de arbeidsproductiviteit. Mensen werden overtuigd automatisering en andere vormen van organisatie te accepteren. De supermarkten en zelfbediening zijn meegelift met de Marshall-hulp. En zo is de studie landbouwhuishoudkunde een rechtstreeks gevolg van die reizen. Daar is de landbouwvoorlichting uit voortgekomen. In een aantal artikelen doen we verslag van de wijze waarop die in Nieuwleusen vorm kreeg.

(Bron: Zwolse Courant - interview met drs. Frank Inklaar, studiebegeleider Open Universiteit Zwolle, die dit jaar promoveert op dit onderwerp. Proefschrift: 'Van Amerika geleerd'.)

* * *

AGRARISCH WELZIJN NIEUWLEUSEN
1955 - 1959; een impressie _________________________________________________________

1955 is nog maar zo kort geleden, dat we ons niet kunnen voorstellen dat bijna alles wat we nu zo vanzelfsprekend vinden, toen nog helemaal veroverd moest worden.
Na de oorlog had men eerst de handen vol aan de wederopbouw en terugkeer naar het gewone leven. Toen dat terugkeerde, werd duidelijk hoe groot de stilstand in ontwikkeling was en die moest worden ingehaald.
Nieuwleusen had bovendien de 2e ruilverkaveling achter de rug en deze ingreep in het landschap maakte een rationelere bedrijfsvoering mogelijk.
In de dertiger jaren - de crisistijd - ontstond de Dienst Kleine Boerenbedrijven (DKB), die met behulp van premies en subsidies bedrijfsverbeteringen trachtte ingang te doen vinden. Na de oorlog is dit werk voortgezet, maar door de snelle ontwikkeling die de landbouw doormaakte kon deze regeling lang niet tegemoetkomen aan de wensen en behoeften van de boeren. Daarom kwam de regeling van de rationalisatiebedrijven, gevolgd door streekverbeteringsplannen. Daarmee kon beter worden ingespeeld op de behoefte aan "streekverbetering", dat wil zeggen; de behoefte aan informatie over de veranderende inzichten op het gebied van bedrijfsvoering, veeteelt, de teelt van gewassen en mogelijkheden om op de nieuwe ontwikkelingen in te spelen.
We zullen zien, dat toen ook de gemengde bedrijven plaats maakten voor veebedrijven; een even ingrijpende verandering van het landschap als de ruilverkaveling.
Ook op huishoudelijk gebied viel er veel in te halen.
Bij dit streven naar meer welvaart, mocht het welzijn niet vergeten worden. Het Rijk stelde subsidies beschikbaar en stelde landbouwvoorlichters en voorlichters ten behoeve van het huishouden ten plattelande aan. Dat Nieuwleusen werd gekozen als een van de gebieden die bijzondere hulp zouden ontvangen, kwam ook omdat bij de ruilverkaveling onlangs al belangrijke werken waren uitgevoerd. De streekverbetering zou daar goed op voort kunnen bouwen.

De Stichting Agrarisch Welzijn Nieuwleusen werd opgericht, die zich ten doel stelde: "Het bevorderen van een rationele bedrijfsvoering op de landbouwbedrijven." Van onderaf moeten de initiatieven komen en door gezamenlijk de handen ineen te slaan moest getracht worden iets goeds op te bouwen.
In het voorjaar wordt een groep van 65 rationalisatiebedrijven gevormd, die geheel op basis van vrijwilligheid, gedurende 3 à 4 jaar intensief met de landbouwvoorlichtingsdienst zullen gaan samenwerken. Ze zullen trachten de bedrijfsvoering zodanig te verbeteren, dat een hoger inkomen kan worden bereikt, waardoor de bestaanszekerheid kan worden vergroot.
Er wordt een Commissie voor agrarisch welzijn Nieuwleusen samengesteld: J. Hoekstra, voorzitter, E. Visscher, vice-voorzitter, A. de Leeuw, secretaris. De overige leden waren: de dames M.G. v. Dijk, H. Huzen-Evertsen, J. Klein, H. Knol­Bijker, M. Visscher-Talen en de heren L. v.d. Berg, A. Douma, Kl. Grooteboer, G. Hekman, J. Kragt, J. Loman, J. Luttels, K. Oosterveen, L. Petter, D.J. Massier, F.A. Schiphorst, H. Upper, J. Visscher, J. Vos.
Ze adviseert over de bedrijvengroep en stelt zich tot doel al datgene aan te pakken dat zal kunnen bijdragen tot groter welzijn van het agrarisch volksdeel van Nieuwleusen.
Er worden 'contactavonden' belegd, telkens om half acht, om het doel van de stichting duidelijk te maken:
Buurtschap De Meele in café Belt(Meeleweg 64) op 14 november;
Buurtschap Westeinde in café de Boer(Westeinde 142) op 15 november;
Buurtschap Den Hulst in café Vonder(Burg Backxlaan 370) op 16 november;
Buurtschap Kerkenhoek in café Schoemaker(Burg Backxlaan 2) op 19 november;
Buurtschap Vinkenbuurt in café Klosse(Koloniedijk 48) op 22 november.

Een overzicht van de huisvesting = boerenwoningen, volgens de telling van 1947 laat zien dat er
87 woningen waren met 1 vertrek, waarin 4 à 5 bewoners;
211 woningen met 2 vertrekken, waarin 4 à 5 bewoners;
171 woningen met 3 vertrekken, waarin 5 à 6 bewoners;
75 woningen met 4 vertrekken, waarin 5 à 6 bewoners.
De overige woningen hadden 5 à 7 vertrekken, waarin 5 à 6 bewoners huisden.

Uit de statuten van de stichting blijkt dat ze haar doel wilde bereiken door: het bevorderen van de individuele bedrijfsvoering, het stimuleren van bedrijfsverbeteringen door middel van premiën, het organiseren van demonstraties, voorlichtingsbijeenkomsten, wedstrijden enz.
In het bestuur zaten leden die waren aangewezen door de Nieuwleusense afdeling van de Overijsselse Landbouw Maatschappij, de Chr. Boeren- en Tuindersbond, de Alg. Nederlandse Agrarische Bedrijfsbond, de Nederlandse Chr. Landarbeidersbond, de Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen, de Bond van Chr. Boerinnen enz.
De Rijkslandbouwconsulent voor West-Overijssel trad ambtshalve op als secretaris-penningmeester en was voor zijn financieel beleid uitsluitend verantwoording schuldig aan het bestuur.
De directeur van de afdeling Akker- en Weidebouw van het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening werd een uitnodiging gezonden tot het bijwonen van de bestuursvergaderingen. Hij kon zich doen vervangen.

Waar hield Agrarisch Welzijn Nieuwleusen zich mee bezig?
Op het wensenlijstje stonden een groot aantal zaken die de aandacht vroegen: verbetering van de rundveestapel, de varkensstapel en de pluimveestapel door aankoop van jong fokvee, fokzeugen en -beren, opfokkuikens; stalverbetering en nieuwe pluimveehokken; verbetering van de melkwinning; verbetering van grasland door frezen, scheuren en inzaaien; gewasonderzoek van kuil- en hooimonsters; bekalking van bouwland en kruidenteelt.


Voorbeeld hoe de gereedschappen konden worden opgeborgen.

De aanpak was heel praktisch.
Verschillende boeren gingen aan de slag met een onderdeel en werden daarvoor 'demonstratiebedrijf', waar andere boeren de resultaten en ervaringen konden bekijken en beoordelen.
Zo waren er bedrijven die als voorbeeld werden genoemd voor: goede beweiding, juiste en voldoende ruwvoederwinning; goede rundveestalling; goede varkenshokken; goede melkwinning met het juiste melkgereedschap, bussen-koeling-melkrek en veeverzorging; goede outillage van gereedschap en handige en overzichtelijke manieren van opbergen; mechanische stalmestverwerking; gemeenschappelijke mollenbestrijding.
Er waren excursies naar graslanddemonstratiebedrijven en stikstofproefbedrijven, naar goed gebouwde boerderijen met daarin varkenshokken, rundveestallen en pluimveehokken en naar een demonstratie hooiruiteren.
Kleine demonstraties werden gegeven van frezen en scheuren van grasland; machinaal greppelen; machinaal zaaien van stoppelknollen tijdens het ploegen.
Voorlichtingsdagen waren er over goed klein gereedschap op de boerderij en goede melkwinning en vee verzorging, opfok van kuikens en erfbeplanting.
Er werd een 10-daagse tentoonstelling georganiseerd over melkveecontrole, melkwinning, handgereedschap, stalinrichting, voederwinning, verbetering en huisvesting van de varkensstapel, verbetering van de rundveestapel en onderzoek naar klein gereedschap en machines.
Cursussen werden gegeven over rundveehouderij en -voeding, varkenshouderij, pluimveeteelt, handvaardigheid, boekhouding en landbouwwerktuigen.
Ook contactavonden stonden op het programma. Deze werden gehouden over rationalisering van de bedrijven; bouwplan, bemesting, voederwinning en veevoeding; bedrijfseconomische boekhouding en het invullen van maandstaten.


Modelkeuken in de tweede helft van de jaren vijftig.

Huishoudelijke voorlichting was ook niet onbelangrijk. Een 10-daagse tentoonstelling en voorlichting werd georganiseerd betreffende keukeninrichting, woon- en werkkamers, sanitair en allerlei hulpmiddelen voor de huishouding, zoals koken met gas en elektriciteit. Voorlichting werd gegeven over een voorbeelddouche, een watercloset, een voorbeeldslaapkamer en een voorbeeldeetkeuken. Excursies werden gehouden naar een voorbeeldwoning en een diepvrieskluis.
Cursussen werden gestart voor het maken van matrassen en er wordt door de Rijkstuinbouwvoorlichtingsdienst een zestal siertuinen ontworpen.

* * *

1938 - 4 APRIL -1963 _________________________________________________________

Dalfser Courant


Foto: H.J. Klomp

Vandaag voor vijf en twintig jaren,
Meldde zich een meisje aan
bij Frijling (van de Dalfser moppen)
Om mevrouw als hulpje bij te staan;
't Was Margje Hof, kwam uit Nieuwleusen,
Nog jong, maar ze verstond haar taak,
Ze werkte met veel lust en ijver,
en zo men zegt "hart voor de zaak!"
Mevrouw zag gauw haar kwaliteiten,
(Wie Margje ziet, merkt het direct)
Wat Margje doet, doet ze met liefde,
en wat ze doet, doet ze perfect.
En nu na vijf en twintig jaren,
(al die tijd bij één mevrouw)
blijkt toch wel haar goede gave,
haar zorg, haar eerlijkheid, haar trouw!
We wensen haar nog heel veel jaren,
Wij hebben niets, maar niets dan lof;
Zo'n meisje vind je met geen lampje,
Proficiat! Hulde! Margje Hof!

Dit gedicht werd overgenomen uit de Dalfser Courant.

Als 16-jarige kwam Margje Hof bij de familie Frijling in dienst. Dat was toen daar de tweede zoon werd geboren. Voor de kinderen Frijling was zij een tweede moeder. Zij maakte zich niet alleen verdienstelijk in de huishouding, maar ook in de banketbakkerswinkel.
In 1978 werd zij koninklijk onderscheiden met de eremedaille verbonden aan de Orde van Oranje Nassau. Dit vanwege haar veertig jarig dienstverband als huishoudster bij de familie Frijling in Dalfsen. Ter gelegenheid daarvan werd haar een receptie aangeboden en ontving zij van mevrouw Frijling een gouden horloge met inscriptie.

* * *

Nl'JLUUSENER WOORDEN VII _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

smeugel
smiesterd
smiesterig
smoesterig
smok
smolt
smoorders
smû
smugel

snaaien
snaaierd
snarre
snarrig
sneidig
sni'jen
sniesel
sniezomp
snippe
snipsnaore
snisteren
snommes
snotterig
spandiksen
spantouw

spekgaffel

spi'jn
spier(tien)
spiet
spinnekoppels
spinnevoeten
spleute
spleuten
splienster
spliensteren
spolkerig
sporthemd
spraon
sprikke
sprikkelties
spullegie
sputterlappe
stalstaken
staorig
statterig
stee
steets
stekkerije

stennen
steuchien
stiefelen
stiems
stikke

stikke


stille wêên
stippen
stoete
stoetenbrei'j
stomp (vergeten)
stomp (ofêknapt)
stookhokke
stoot
stoppelkatte
storig
strabant
strampel
strämpel
strei'jn
striekbaantie

strieklappe
stuken
stulpenbarg
stulpe
stut
stutkore
stuke
sukkien
sunterklaosie
swilkien

kleine rakker, ondeugd
gemenerik| stiekemerd
guur weer
vuil
kus
spekvet in gestolde vorm
gebakken krielaardappelen
lenig
iemand die nog wel wat kon
(kwajongensachtig)
snoepen
snoeperd
kattig meisje
snauwerig
slank
sneeuwen
gehakt stro, haksel
houten bak om stro in te snijden
kattig meisje
kleinigheidje als cadeau voor iemand
spetterend geluid
's middags
bekaaid, sneu
rondlummelen
touw om de achterpoten van een koe vast te binden bij het melken
tweetandig soort vork om vlees van de zoldering te pakken
spugen
een haar; spriet(je)
bast om vlas
spinrag
uitgeput zijn
houtje gebruikt bij korven vlechten
gespleten takken van braambos
splinter
afsplinteren
er vreemd gekleed bij lopen
overhemd
spreeuwen
lang, mager persoon
dunste sprokkelhout
kleine boerenbedoening
spatlap
palen waar koeien aan staan
gestaag
piekerig (van haar)
plek
weigering van dieren om te lopen
balk in koestal waaraan de palen bevestigd zijn
steunen, zuchten
poosje; ogenblik
flink doorstappen
nors, stuurs
ijzeren pen in de grond om een dier aan vast te zetten
houten latje in de vorm van een spie
om staldeur aan de buitenkant af te sluiten
bidden aan tafel
op de tenen door een plas lopen
brood
broodpap
helemaal (vergeten)
in een keer afgeknapt
bijgebouw bij boerderij
poos
in het najaar geboren poes
gestaag
streng, zelfbewust
zijtak, vertakking
gaffel
strooien
band om het haar glad onder de muts te houden
bandage om enkel van paard
blijven haken| klem zitten
berg met onderruimte voor vee
deksel van een pan
blik (materiaal, bv een stutten emmer)
kiepkar
in ringen opgestapelde turf
kalfje
speculaasje
tafelzeil


Jaargang 15 nummer 2 juni 1997

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

ISSN 1384-0940

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

'Vrogger waren de zomers warmer", waardoor ook Nieuwleusen behoefte had aan een zwembad. Dat werd in 1966 gebouwd. Inmiddels is het in 1994 vervangen door het huidige zwembad "De Meule".

* * *

VROGGER _________________________________________________________

Jan Zantinge

Vrogger waren de
zomers warmer
en de borstrokken ook
Vrogger hadde wij
nog echte winters,
mar gien c.v. of
euliestook.

* * *

EEN HEEL KLEIN BEETJE MAAR _________________________________________________________

Hansje deed, wat meer gebeurde,
Laatst een boodschap voor zijn moe.
En hij stapte met een flesje
Naar de apotheker toe.

"Dag meneer!" zei 't kleine ventje
En hij gaf zijn flesje aan.
"Compliment van moe - en mag ik
Voor een kwartje levertraan?"

"'k Zal je helpen, beste jongen... "
Maar ons grappig Hansje zei:
"Geef u maar een héél klein beetje,
Ziet u - want het is voor mij!"

* * *

DE WATERTOREN AAN DE LICHTMIS II _________________________________________________________

Inleiding
In het vorige kwartaalblad heeft u de ontstaansgeschiedenis van de watertoren kunnen lezen. We slaan nu een aantal jaren over en gaan naar 1957 wanneer de toestand van de toren aan een inspectie wordt onderworpen. Hieruit blijkt dat de toren na 25 jaar al gebreken vertoont.
Vervolgens nemen we weer een sprong en komen in 1983 de eerste besprekingen tegen over het mogelijk afstoten van de watertoren door de Waterleidingmaatschappij Overijssel (hierna WMO). Het zal dan nog ongeveer 5 jaar duren voor de contacten met de heer H. van de Most vastere vormen aannemen en uiteindelijk resulteren in verkoop van de toren. Uiteindelijk wordt in 1995 begonnen met de ontmanteling en wederopbouw van de voormalige watertoren aan de Lichtmis.

lnspectiebezoek in 1957
Verslag bezoek en inspectie watertoren "de Lichtmis" van de

N.V. WATERLEIDING MAATSCHAPPIJ OVERIJSSEL
op zaterdag 2 november 1957.

1. Om te beginnen bleek het slot op de voordeur slecht, daar het circa 5 minuten vergde om het open te krijgen: Oliën lijkt het minste, dat hier gebeuren moet.
2. Op de begane grond bleken de niet-geblindeerde ruiten kapot te zijn; zij dienen, evenals de andere ramen, blijkbaar geblindeerd te worden. Maakt men deze luikjes scharnierend, dan kan men er mee ventileren op kleine schaal, hetgeen wenselijk is, om binnengedrongen vocht, dat aanwezig was, te kunnen doen verdampen en af te kunnen voeren door dwarsventilatie of door verticale ventilatie.
3. Op de lekvloerverdieping en daarboven werden ook kapotte ruiten aangetroffen en buitendeuren waarvan de sloten en krukken niet meer werkten; voor de winter lijkt het nodig deze gebreken te herstellen en de stalen deuren schoon te maken en te schilderen, daar zij beginnen te roesten.
Ook alle stalen raampjes door de gehele toren dienen schoongemaakt en geschilderd te worden evenals het dakluik, dat tevens sluitend gemaakt dient te worden.
Boven in de toren is regelbare ventilatiemogelijkheid gewenst; dit zou op dezelfde manier kunnen geschieden als beneden in de toren, onder 2 vermeld.
4. De gewapend betonkap van de toren rust op een gewapend beton ringbalk; deze ringbalk draagt op de gemetselde buitenmuur. In de kap zit een fijne, rondom lopende scheur, terwijl in de ringbalk fijne verticale scheurtjes zijn te constateren. (De bijbehorende tekening is niet opgenomen. Red.)
- De buisscheur is te verklaren uit het feit, dat in de zomer respectievelijk in de winter de door de zon verwarmde-, respectievelijk door de vorst afgekoelde kap zich wil vervormen.
- De trekscheurtjes zijn te verklaren uit het feit, dat de in de schaduw gelegen balk in de zomer de vervorming van de kap niet mee kan maken zonder dat de betontrekspanning overschreden wordt.
- Verder is aan de onderzijde van de kap plaatselijk wapeningsijzer bloot gekomen, waar de betondekking van meet af aan te klein is geweest, namelijk slechts enige millimeters; dit ijzer kan zijn gaan roesten, doordat het beton condensatievocht opgezogen heeft. Condensatie wordt veroorzaakt door gebrek aan isolatie van het dak en/of gebrek aan ventilatie boven het destijds open reservoir; te kleine betondekking zou condensatie echter niet geschaad hebben.
De scheurtjes in de ringbalk lijken onbelangrijk.
- De scheur rondom laat water door en kan dus aanleiding geven tot schade; reparatie is moeilijk en het lijkt het beste een dakbedekking aan te brengen op de buitenzijde van de tot nu toe onbeklede torenkap, liefst met isolatie. Verheeld wordt niet, dat dit niet zo eenvoudig is, omdat zonder steiger niet op het dak gewerkt kan worden; een zg. vliegende steiger zou via de raamkrans onder het dak aangebracht kunnen worden.
- De blootgekomen wapening kan schoongemaakt worden en dichtgespoten met cementspuit.
5. Het waterreservoir vertoont plaatselijk ook het euvel van te geringe betondekking op de bewapening; dit zou eveneens op de onder 4 aangegeven wijze kunnen worden hersteld.
6. De dragende gewapend betonconstructie ziet er uitstekend uit; een enkele koppelbalk vertoont het euvel van punt 5 in geringe mate. In dit verband wordt opgemerkt, dat de gedurende 25 jaar aan weer en wind blootgestelde en onbeklede torenkap van gewapend beton zich, ondanks de gebreken, genoemd onder 4, goed gehouden heeft.
7. Het opvallendst aan de toren is de slechte staat van de binnenzijde van de gemetselde torenschacht, waarbij opvalt, dat de vorstschade zich het ernstigst vertoont aan de hoeken van de naar binnen gekeerde penanten; dit is echter te verklaren uit het feit, dat de vlakke muurgedeelten eigenlijk niet vlak doch gewelfd zijn en zwakke gewelfkrachten de inwendige door bevriezing opgerekte spanningen nog enige weerstand bieden.
Dat de muur doorregent, is onvermijdelijk, omdat de kopse lagen van elke steens muur doorlatend zijn, bovendien is de steen gebleken niet vorstbestendig te zijn. De pleisterlaag aan de binnenzijde werkt ongunstig, omdat zij het water aan de binnenzijde van de muur verhindert uit te treden en te verdampen voordat de vorst optreedt; de pleisterlaag vriest dan met een zeer dun laagje baksteen het eerste af.
Een afdoende reparatie lijkt mij hier mogelijk, indien tenminste het zandstralen en waterdicht afpleisteren van de toren aan de buitenzijde als te kostbaar niet in aanmerking komt; alleen verwarming en ventilatie van de toren kan m.i. afdoende helpen; een proef zou kunnen worden genomen met een olie-gestookte luchtverhitter met grote capaciteit op de begane grond, gepaard gaande met een juiste ventilatie, een en ander alleen werkende met vorst. Indien dit zou gelukken, zou de aanwezige pleisterlaag zo goed mogelijk gerepareerd kunnen worden, opdat zo weinig mogelijk water de toren binnen zou kunnen dringen en het aanzien zou worden hersteld.
Het metselwerk aan de buitenzijde heeft zich goed gehouden.
Blijkbaar is de buitenzijde steeds weer drooggewaaid voordat vorst optrad.
8. Het toegangshek functioneert niet goed meer. Het zou gerepareerd kunnen worden.

Zwollerkerspel, 4 november 1957.
De Raadgevend Ingenieur.

Deze foto werd genomen tijdens de inspectie in de zomer van 1983.



Notitie van een bespreking op 19 juli 1983.

Gesprekspartners:
WMO en de gemeente Nieuwleusen.
Onderwerp: Mogelijk afstoten watertoren Lichtmis door WMO.
Gespreksnotities: Burgemeester Brink.

Gelet op het noodzakelijke onderhoud en de veranderingen (begroot op zo'n ƒ 400.000,--) aan de toren is WMO aan het onderzoeken of de toren niet afgestoten zou kunnen worden. Het systeem biedt voldoende technische opvangmogelijkheden. Voordat men aan afbraak denkt wilde men eerst peilen of er bij de gemeente belang in wordt gesteld de toren te behouden. Bij positief oordeel zou verder onderzocht worden of overname door een andere instantie haalbaar is.
Op voorhand denkt de directeur zijn bestuur voor te kunnen stellen bijvoorbeeld de toren voor een symbolisch bedrag aan de gemeente te kunnen overdoen inclusief de grond (ca. 700 m2).
Door mij is gesteld dat ik positief sta ten opzichte van het onderzoek naar de mogelijkheden de toren te behouden. Ik stel de volgende stappen voor:
a. Het Hoofd Technische Dienst neemt contact op met de bouwkundige van WMO teneinde gegevens te krijgen die een beeld kunnen geven omtrent de technische staat van het bouwsel.
b. college bezichtigt de toren.
c. besluitvorming binnen het college betreffende de verdere procedure voor beleidsvoorbereiding c.q. -bepaling. Gedacht zou kunnen worden aan het initiëren van een projectgroepje waarin ook raadsleden participeren.

De toren is ca. 50 jaar oud en geschat 55 m. hoog. De constructie is uiterst solide. Het onderhoud van de (niet dragende) muren zal grote bedragen vergen. Op 45 m hoogte bevindt zich een grote bak met een inhoud van 400 m3. De houten trap naar boven is deugdelijk, doch biedt personen met hoogtevrees zeker problemen. Het uitzicht is -uiteraard- fraai.

De verdere gang van zaken
Op 8 september 1983 wordt er een nota uitgebracht door Gemeente Werken over de watertoren aan de Lichtmis.
Naar aanleiding van de notulen van het college van B&W van 25 juli 1983 no. 29, lid 1, omtrent de technische staat van de watertoren, wordt het volgende medegedeeld:
1. Er is contact geweest met de Bouwkundige Dienst van de Waterleiding;
2. Op 10 augustus 1983 is er een bezoek gebracht aan de toren.
3. De mogelijkheid is aanwezig dat Uw college een bezoek brengt aan de toren;
4. Volgens de Bouwkundige Dienst kan ruwweg gesteld worden dat het opknappen van de toren c.q. vernieuwen net zo duur is als het bouwen van een pompeenheid op bijvoorbeeld het industrieterrein;
5. De technische staat van de toren is zodanig dat de betonconstructie voor het dragen van de betontank van 400 m3 in goede staat verkeert. Hier en daar zal hij moeten worden gerepareerd. De buitenmantel van baksteen zal moeten worden gesloopt en opnieuw worden opgebouwd.
6. Voor de WMO is vermoedelijk het criterium, nieuwe toren of pompeenheid in de grond gelijke kosten, maar bij de toren is er veel meer onderhoud.

Deze nota wordt op 20 september 1983 door B&W behandeld, waarna op maandag 3 oktober een bezoek aan de watertoren bij de Lichtmis gebracht wordt, waar een functionaris van de WMO aanwezig is om het college rond te leiden.

Op 9 oktober 1985 wordt opnieuw advies van de afdeling algemene zaken aan B&W gegeven, waarin melding wordt gemaakt van het feit dat,
"- omdat het hier om een markant herkenningspunt in onze gemeente gaat heeft oud-burgemeester Brink hierover al enkele malen contact gehad met de WMO en de Public-Relations man van Ponypark Slagharen. In het laatste gesprek op 10 september kwam deze met het idee om voor een mogelijke bestemming van deze toren een wedstrijd uit te schrijven onder studenten van de TH's en HTS-en in Nederland en wellicht via overkoepelende organisaties van architecten."
"- de kosten hiervan, geraamd op 40 à 50.000 gulden, zouden half door de WMO en half door de gemeente betaald moeten worden. De beslissing over het al dan niet afbreken dan wel het uitschrijven van een wedstrijd dan wel het vinden van een definitieve bestemming voor de watertoren moet binnen een half jaar genomen worden."

B&W besliste in haar vergadering van 15 oktober 1985 om het idee voor het uitschrijven van een wedstrijd voor te leggen aan de commissie financiën. Deze commissie besluit in haar vergadering van 14 november B&W als volgt te adviseren: De commissie was unaniem van mening dat de gemeente noch voor het maken van plannen noch voor renovatie gelden beschikbaar moet stellen. Mocht een particulier zich melden dan is de commissie zeer wel bereid t.z.t. mee te denken over een eventuele bestemming.
Op 26 november 1985 is dit advies door B&W behandeld en de beslissing is: voor kennisgeving aangenomen.

Intussen waren er voorstellen van inwoners binnengekomen over de toekomst van de toren. In een brief van 19 november reageerde B&W daar al 1985 op met onder andere de volgende tekst:
"- dat momenteel diverse suggesties omtrent een toekomstige bestemming van de watertoren binnenkomen; dat deze toren in een zodanige bouwtechnische staat verkeert, dat uit een oogpunt van veiligheid op korte termijn voorzieningen dienen te worden getroffen, die met enorme financiële offers gepaard moeten gaan; dat daarvoor van gemeentewege de nodige middelen ontbreken en dat derhalve het behoud van de toren zal afhangen van particuliere initiatieven en ideeën; dat de rol van de gemeente in hoofdzaak is gelegen in bemiddeling en bekrachtiging van een door particulier initiatief ontworpen bestemmingsplan van de gemeente."


De toren tijdens de afbraak ...       en tijdens  de wederopbouw.

Tot besluit
Op 14 april 1986 sturen B&W een brief aan het college van Gedeputeerde Staten van de provincie Overijssel. Bij de brief gaat een afschrift van een in samenwerking met de Regio IJsseldelta opgestelde nota inzake de mogelijke realisatie van een bedrijvenpark nabij De Lichtmis te Nieuwleusen. Omdat de WMO binnenkort een beslissing wenst te nemen over de toekomstige bestemming van de gelegen watertoren, wordt voorgesteld om op zeer korte termijn over deze materie met een delegatie van het college van gedachten kunnen wisselen. Op 24 juni wordt vanuit het provinciehuis bericht dat GS het verzoek niet inwilligen. Men wil eerst een nadere onderbouwing van een en ander. Burgemeester mr. A.B.L. de Jonge geeft echter niet op en stuurt opnieuw een brief aan de leden van het college van GS om toch een gesprek te arrangeren waarin het gemeentebestuur duidelijk zal maken in welke richting de plannen verder kunnen worden ontwikkeld.
De problematiek begint klemmend te worden omdat de WMO de gemeente Nieuwleusen tot begin 1987 de tijd heeft gegund met serieuze plannen voor de watertoren te komen. Een aantal gegadigden heeft zich gemeld, dat ook reeds geld moest investeren voor bijvoorbeeld het maken van tekeningen.
De nota's en besprekingen over vestiging van een bedrijvenpark nabij de Lichtmis duren tot vandaag de dag voort. Inmiddels is de watertoren eigendom geworden van de firma Van de Most BV. Na plannen om er een Politiemuseum en een congrescentrum in te vestigen, wordt de toren na ontmanteling van de buitenmuren op dit moment weer opgebouwd met het doel in de bovenste verdieping een restaurant te vestigen.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche courant van zaterdag 8 mei 1937:

Den Hulst. Ongeval.
De turfschipper A. K. liggende aan Sluis 3, die een kar met turf naar station Dedemsvaart had gebracht, had het ongeluk op de terugweg te vallen en zich zoodanig te bezeeren, dat geneeskundige hulp van dr. Van Ravenswaaij moest worden ingeroepen.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXXVII _________________________________________________________

143 kinderen en hun onderwijzers van de Openbare Lagere School C te Den Hulst staan er deze keer op de groepsfoto. De foto is in 1941 gemaakt op het schoolplein. De heer Hendrik Jan Brinkman wist alle namen te achterhalen.



1  
2  

3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  

Jan Seine
Hendrik Jan Brinkman
Gerrit Jan van Duren
Albert Mastebroek
Ruth Mulder
Jan Schuurman
Geert Dozeman
Harm Jan ter Horst
Tienus Broek
Walter Nijboer
meester Klinge
Berend Kuiterman
Koop Oosterveen
Frits Brinkman
Jan Krul
Berend Boesekool
meester De Jongste
Herman Mensink
Geert Braams
Klaas Seine
Albert Krul
Bennie Timmerman
Henk Prins
meester Raadsveld
Marten Veerman
Roelie Kouwen
Henk Brinkman
Simon Houwer
Willem Schiphorst

30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  
54  
55  
56  
57  
58  
59  

Peter Sterken
Jan van Duren
Jan Nijboer
Janna Sterken
Trijntje Schuurman
Jo Nijboer
Alie Timmerman
juffrouw Raadsveld
Geesje Klok
Janny Kouwen
Trijntje Knol
Henny Wijerts
Jentje Hoogenkamp
Bertha Boverhof
Johanna Jonkman
Hillie Bos
Albertha Massier
Grietje Knol
Roelie Bos
Klaasje Seine
Hennie Vonder
Annie Klasse
Dien Brinkman
Annie Kleen
Hillie Wicherson
Jenny van Duren
Aaltje Kouwen
Sientje van Veen
Klaziena van Hulst
Margje Seine

60  
61  
62  
63  
64  
65  
66  
67  
68  
69  
70  
71  
72  
73  
74  
75  
76  
77  
78  
79  
80  
81  
82  
83  
84  
85  
86  
87  
88  

Willie van Duren
Bertha Mos
Jo Boverhof
Mina Wicherson
Roelie Schuurman
Trijntje Oosterveen
Janna Boverhof
Gerrigje Boesekool
Janny Sterken
Jo Mensink
Minie Mensink
Grada Garritsen
Martha Stolte
Geesje Wijerts
Geesje Krul
Margje Kamerman
Dinie Bouwman
Minie Brinkman
Henny van Spijker
Dina Wijerts
Minie Schuurman
Janny Broek
FemmyTeunissen
Aaltje Kamerman
Johanna Koekkoek
Adrie Bouwman
Alie Krale
Klaasje Schiphorst
Janny Jonkman

89  
90  
91  
92  
93  
94  
95  
96  
97  
98  
99  
100  
101  
102  
103  
104  
105  
106  
107  
108  
109  
110  
111  
112  
113  
114  
115  

116  

Jentje Veijer
Alie Schuurman
Hennie Sterken
Grietje Brinkman
Jo Sterken
Rieka van Veen
Henny Borger
Aaltje Schuurman
Corrie Klasse
Henna Seine
Henny Seine
Henk Kouwen
Willem Kamerman
Cornelis Klein
Jan Wicherson
Albert Dozeman
Henk van Duren
Gerhard Krale
Arend Jan van Duren
Henk Stegerman
Roelof Meulenbelt
Frits Prins
Geuchien Krul
Henk Seine
Antonie Wassing
Henk Bos
Hendrik Jan van de Vegte
Roelof Boverhof

117  

118  
119  
120  
121  

122  
123  
124  
125  
126  
127  
128  
129  
130  
131  
132  
133  
134  
135  
136  
137  
138  
139  
140  
141  
142  
143  
 

Albert Willem de Lange
Ge Hoes
Herman Garritsen
Willie Katoele
Hendrik Jan van Duren
Arend Klosse
Arend Jan Katoele
Dik Brinkman
Henk Klein
Jan Boesekool
Appie Katoele
Roelof Hoogenkamp
Klaas Timmerman
Jo Krul
Gerrit Stegerman
Henk de Lange
Jan Kamerman
Bertus Kouwen
Aalt Meulenbelt
Klaas Nijboer
Henk Schuurman
Hendrik Kouwen
Hendrik Runhart
Luuk Klein
Reinie Blok
Harm Meulenbelt
Roelie Mensink

* * *

AGRARISCH WELZIJN NIEUWLEUSEN
1955-1959; een impressie II _________________________________________________________

Nadat we in het vorige kwartaalblad het begin van "Agrarisch Welzijn Nieuwleusen" schetsten, volgt hier een beeld van de zaken, ontleend aan de notulen, die speelden tijdens de streekverbeteringsplanperiode van 1955 tot 1959.

Rentabiliteit van een boerenbedrijf in 1955.
Het is nu bijna niet meer voor te stellen met hoe weinig geld een bedrijf toe kon en hoe weinig vee er nodig was om een goed rendabel boerenbedrijf te runnen. Daarom is het goed dat bedrijfsplannen van toen bewaard zijn gebleven. Een voorbeeld:
Bedrijfsbegroting voor een bedrijf in Nieuwleusen.
Bedrijfsgegevens per eind 1955 volgens bestaand plan:

-

-

-

-

7.- ha cultuurgrond, waarvan 1. - ha bouwland.
Aantal volwaardige arbeidskrachten: 1. 2
Marktbare gewassen: rogge 0.25 ha, haver 0.35 ha, aardappelen 0.25 ha.
Kosten: bemesting, zaai/pootgoed, onkruid/ ontsmettings-bestrijding, loon aan derden ƒ 291, --
Opbrengsten: Stro- en zaadverkoopwaarde ƒ 900,--

Grasland + Voedergewassen:
     bemesting 6.- ha à ƒ 180,-­
     voederbieten 0.15 ha à ƒ 300,-­
     stoppelknollen 0.25 ha à ƒ 100,-­
     Totaal
Rundveestapel: koeien 7, pinken 3, kalveren 4
Kosten: aangekocht krachtvoer: 7 x ƒ 190,-­
     krachtvoer eigen bedrijf: 7 x ƒ 20,--
     extra ruwvoer+ voederw. 7 x ƒ 50,-­
     melkprodukten (voor kalveren) 7 x ƒ 75,-­
     veearts + verzekering 7 x ƒ 20,--
     dekgeld 10 x i>f 12,--
     fok- en controlevereniging 7 x ƒ 6,-­
     Totaal

Opbrengsten:
     7 x 132 kg melkvet à ƒ 7,50
     7 x ƒ 270,-- omzet en aanwas
     Totaal
Varkensstapel: 1 zeug à
Pluimveestapel: 35 leghennen à ƒ 5,--
Andere kosten:
     pacht 7 ha à ƒ 130,--
     werktuigkosten 7 ha à ƒ 100,--
     overige kosten 7 ha à ƒ 100,--
     rente veestapel 7 koeien à ƒ 40,--
     paarden 1 paard
     Totaal

Totale kosten bedrijf
Totale opbrengsten bedrijf
Rentabiliteit/arbeidsinkomen


ƒ 
ƒ 
ƒ 
ƒ 

ƒ 
ƒ 
ƒ 
ƒ 
ƒ 
ƒ 
ƒ 
ƒ 


ƒ 
ƒ 
ƒ 
ƒ 
ƒ 

ƒ 
ƒ 
ƒ 
ƒ 
ƒ 
ƒ 

ƒ 
ƒ 
ƒ 


1080,--
45,--
25,--
1150,--

1330,--
140,--
350,--
525,--
140,--
120,--
42,--
2647,--


6930,--
1890,--
8820,--
250,--
175,--

910,--
700,--
700,--
280,--
150,--
2740,--

6828,--
10145,--
3317,--

Arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht ƒ 2767,-- per jaar.

Streefplan
Naast dit bestaand plan werd een streefplan ontworpen. Daarbij werd het gemengde bedrijf vervangen door veebedrijven, waarbij nog enkel voor de gezinsbehoefte aardappelen werden verbouwd en de oppervlakte bieten werd uitgebreid naar 0.40 ha. Een hogere productie per koe schatte men te verkrijgen door een goede graslandexploitatie, voederwinning en veevoeding en een productie van 150 kg melkvet per koe.

De veestapel groeide naar 9 koeien, 3 à 4 pinken en 4 à 5 kalveren, 4 zeugen en 200 leghennen. 1 paard bleef nog.
Het arbeidsinkomen per volwaardige arbeidskracht steeg naar ƒ 5083,-- per jaar.

Gebiedsplan
Het gebiedsplan Nieuwleusen uit 1955, dat in 5 jaar te bereiken moest zijn, zag er als volgt uit:

Oppervlakte cultuurgrond:
Oppervlakte grasland:
Oppervlakte bouwland:
Aantal bedrijven:
Gemiddelde bedrijfsgrootte:
Werkzaam in de landbouw:

3912 ha.
3360 ha.
552 ha.
660
5.92 ha.
1050 (volw.) personen

Het afstoten van 200 volwaardige arbeidskrachten wordt voor mogelijk gehouden.



grasland:
bouwland:
Bouwplan:
rogge:
haver:
aardapp:
bieten:
Veestapel:
melk- en kalfkoeien:
jongvee:
fokzeugen:
mestvarkens:
leghennen:
paarden:
Opbrengsten:


haver:
rogge:
aardappelen:
bieten:

Bestaand
bedrijfsplan
5.- ha.
0.90 ha.

0.30 ha.
0.30 ha.
0.30 ha.
-.--

6
5
1 à 2
2 à 4
40 à 50
1
3400 kg melk
- 3,64% vet =
124 kg melkvet
70 hl.
35 hl.
400 hl.
-

Gewenst
bedrijfsplan
5.- ha.
0.90 ha.

} rogge/haver:
} 0.30 ha.
0.30 ha.
0.30 ha.

7
4
2 à 3
8
150
1
4000 kg melk
- 3,75% vet =
150 kg melkvet
77 hl.
38 hl.
475 hl.
70 à 80 ton


Boerderij uit de vijftiger jaren aan de Zwartjeslandweg.

Afgaande op deze bedrijfsplannen zal het totale landbouwinkomen in Nieuwleusen kunnen stijgen met ruim ƒ 1.000.000,--. De totale investeringen zullen bedragen ƒ 5.824.015,--.
Hoe dit te bereiken, en waar de ƒ 5.824.015,-- voor nodig zijn, blijkt uit het overzicht van investeringen welke gedaan moeten worden om tot een beter bedrijfsplan en uitkomsten te komen.
Bouwland: 550 ha. (verbetering pH en bemestingstoestand)

kalkmeststof:
koperslakkenmeel:
fosfaatmeststof:
kali 40%:

1.100.000 kg
110.000 kg
440.000 kg
110.000 kg

ƒ 
ƒ 
ƒ 
ƒ 

40.000,--
11.000,--
44.000,--
15.400.--






ƒ 






110.400.--

Grasland 3400 ha: (verbetering van pH en bemestingstoestand)

kalkmeststof:
koperslakkenmeel:
fosfaatmeststof:
zodeverbetering

51.000 kg
680.000 kg
20.400 kg
1700 ha à 30
kg graszaad

ƒ 
ƒ 
ƒ 

ƒ 

18.615,--
68.000,--
204.000,--

272.000.--






ƒ 






562.615,--

Perceelindeling
grasland:
Rundveestapel:
koeien uitbreiding:
omzetten in betere:
Varkensstapel:
opfokzeugen:
Pluimveestapel:
uitbreiding
Stalverbetering

Stalverbetering

Pluimveehokken

Machines, drink-

Silo's:
Woningverbetering
en slaapgelegenheid,
badgelegenheid,


3400 ha. à ƒ 15,--

660 stuks à ƒ 800,--
1500 stuks à ƒ 300,--

660 stuks à ƒ 150,--

66.000 stuks à ƒ 6,--
koeien en uitbreiding:
330 bedrijven à ƒ 2000,--
varkens en uitbreiding:
330 bedrijven à ƒ 2000,--
uitbreiding:
660 bedrijven à ƒ 700,-­
watervoorziening enz.
300 bedrijven à ƒ 1000,-­
150 bedrijven à ƒ 300,-­
(meer en betere woon-
keukeninrichting,
waterclosets)=
Totaal


ƒ 

ƒ 
ƒ 

ƒ 

ƒ 

ƒ 

ƒ 

ƒ 

ƒ 
ƒ 


ƒ 
ƒ 


51.000,--

528.000,--
450.000,--

99.000,--

396.000,--

660.000,--

660.000,--

462.000,--

300.000,-­
45.000,--


1.500.000.--
5.824.015,--

Om te komen tot een beter bedrijfsplan, waardoor per bedrijf een hoger arbeidsinkomen zal kunnen worden bereikt, zullen de volgende bedrijfsonderdelen dienen te worden aangepakt:
Bouwland: pH en bemestingstoestand / bouwplan / rassenkeuze / cultuurmaatregelen.
Grasland: pH en bemestingstoestand/verbetering van de zode / perceel indeling / beweiding / N-gebruik (stikstofgebruik) / conservering en winningsmethoden.
Rundveestapel: uitbreiding / verbetering van bestaand productiepeil / voeding, melkcontrole, ziektebestrijding.
Varkensstapel: uitbreiding aantal fok- en mestvarkens/ afstamming /voeding.
Pluimveestapel: uitbreiding aantal leghennen/ voeding en verzorging.
Gebouwen: verbetering en eventueel uitbreiding van rundveestallen en varkenshokken / melkkoeling.
Algemene voorzieningen: silo's / drinkwatervoorziening / ruiters om hooi te drogen.
Gereedschappen en methoden: doelmatigheid.
Woningen: uitbreiding en verbetering van woon- en slaapruimte / inrichting van keukens/ wasgelegenheid/ waterclosets.
Voorzieningen: aansluiting elektriciteitsnet / - waterleidingnet / -telefoonnet (kernverband)
Arbeidskrachten: arbeidsoverschot trachten te plaatsen / scholing voor toekomstig overschot.
Onderwijs: contact met onderwijskrachten / mogelijkheden tot volgen van onderwijs ter plaatse of in naaste omgeving / testen.
Vorming: voor de jeugd hiertoe gelegenheid scheppen/ ouderen in dit streven binden.
Industrie: contact hiermee/ mogelijkheden tot aantrekken.

* * *

RECTIFICATIES _________________________________________________________

In het artikel " 1997 - Marshall-jaar" in ons vorige nummer stond op bladzijde 15 vermeld dat er aan het Westeinde vijf boerderijen met behulp van het Marshall-plan weer zijn opgebouwd. Er werden echter zes van de zeven boerderijen die in de laatste oorlogsdagen afbrandden weer opgebouwd.

Op de groepsfoto van de School met de Bijbel aan het Westeinde, die eveneens in het maartnummer 1997 van ons kwartaalblad was opgenomen, is bij nummer 28 vermeld Thijs Ruinemans. De naam van deze leerling moet echter zijn Tinus Ruinemans.
(Dit is aangepast in de lijst.)

* * *

DE BOUW VAN PALTHEHOF IN BEELD _________________________________________________________

Op het moment dat dit geschreven wordt moet de oplevering van museum "Palthehof" nog plaatsvinden, maar als u dit leest, is dat inmiddels gebeurd. Daarmee is het gebouw gereed. Er wordt nog gewerkt aan het toegangspad vanaf het Westeinde, het pleintje voor en het pad rondom het gebouw. Het terrein zal ook nog ingericht moeten worden, maar voorrang wordt gegeven aan de inrichting van het gebouw. Begonnen zal worden met het aanleggen van de verlichting. Dit zal in eigen beheer gebeuren. Op de verdieping, nu nog een grote open ruimte, zal nog enig timmerwerk nodig zijn. Deze ruimte zal als depot gebruikt gaan worden.
De Collectie Schoemaker zal zo spoedig mogelijk vanuit de opslagplaats overgebracht worden, waarna de eigenlijke inrichting pas goed ter hand genomen kan worden. In de tweede fase zal ook de in de loop der jaren verworven eigen collectie in "Palthehof" worden ondergebracht.
Het lag in de bedoeling om museum "Palthehof" in dit najaar voor het publiek te openen. Aangezien de financiën voor de inrichting nog niet rond zijn, kunnen de plannen helaas niet volgens schema uitgevoerd worden. Hierdoor ontstaat ernstige vertraging. De opening is uitgesteld tot het voorjaar van 1998. Ondertussen wordt geprobeerd de ontbrekende financiën bij elkaar te krijgen.
In ruim 7 maanden is er in het Palthebos een bijzonder gebouw verrezen. Museum "Palthehof" is een verrassende verschijning geworden op een bijzonder mooie plaats in onze gemeente. Dankzij de medewerking van velen is het gelukt een gebouw neer te zetten waarop Nieuwleusen trots mag zijn. Jammer dat voltooiing van de inrichting nog op zich moet laten wachten.
Een opmerking die we wel eens horen is dat er eigenlijk een rieten dak op had moeten komen. Om onder andere verzekeringstechnische redenen hebben wij voor dakpannen moeten kiezen. Hoewel ze misschien wel erg rood zijn, zal de kleur van de pannen door de omringende bomen over een paar jaar wel anders zijn.
Onderstaande fotoserie geeft een impressie van de bouw van museum "Palthehof".


Onder toeziend oog van Hare Majesteit werd op 21 oktober 1996 in de raadszaal de overeenkomst met de aannemers getekend. Vlnr. B. Brinkman en A. Tempelman, aannemers, J.W. de Weerd, voorzitter. en G. Hoekstra, penningmeester. Achter de voorzitter zit architect W. Prins, die zijn diensten belangeloos ter beschikking stelde.


Direct na de ondertekening ging de eerste spa de grond in. Daarna werd door loon- en grondverzetbedrijf Fr. ten Kate belangeloos met groter materiaal het uitgraven van de bouwput verder uitgevoerd.


Begin januari 1997 werden de spanten geplaatst,


waarna het metselwerk kon beginnen.


Terwijl de dakpannen worden gelegd, overhandigt de heer J. van de Hoek (2e van rechts) aan de voorzitter de overeenkomst van de renteloze en aflossingsvrije lening met de Rabobank.


De laatste pannen worden gelegd. Deze foto is genomen vanaf de hoek bij het Schuurmanslaantje en laat de achterzijde van het museum zien.


De bestuursleden M. Koopman (links) en G. Hengeveld bij de laatste steen die op 23 april 1997 door het bestuur werd gelegd. De steen is een geschenk van de Stichting Woningbouw. Deze kreeg een oude steen terug om deze te herplaatsen.

* * *

Bl'JGELEUF _________________________________________________________

JK-T

Toe as wi'j jong waren, as dan de maone niet schienen, was 't heel donker buten. Der was toe nog gien straatverlichting en bi'j oes achteraf helemaole niet. De blinden waren overal dichte ien de winter en ie zagen alleen een lichien boaven de veurdeure. Ien 't donker zagen de mensen wel ies wat en daor worden dan weer verhalen over verteld 's aovens bi'j de kachel. Radio hadde wi'j nog niet en tilleviesie was nog onbekend.
Een buurman zee toe ies een keer tegen mien va: "Op det stuk laand van oe achter de weg, daor kump nog een keer een huus te staon. As ik 's aovens buten stao en ik kieke achteruut, dan zie'k daor altied een lichien braanden. Det betekent det daor een keer een huus komp. "
"Ik wete nog nargens van," zee mien va.
"Maor det gebeurt wel," zee de buurman, "det wee'k wel zeker."
'Wi'j zult 't maor afwachten," was 't bescheid van mien va.
Een paar jaor later braanden het huus van de buurman of. En umdet hi'j achteruut achter 't stuk laand van oes ok laand had liggen, det veule breder was as det waor zien huus op estaone had, hef hi'j daor een ni'j huus ebouwd.
Mien va zee toen: "Det lichien was verder achteruut as de buurman 't zaag in 't donker. Hi'j hef zien eigen licht zien braanden."
En mien va had wel geliek. Det huus van de buurman stiet der nog, maor op het laand det toe van oes was, daor stiet nog gien huus op.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche courant van woensdag 1 juni 1938:
Het beroep aangenomen.
Bij den Kerkeraad der Ned. Herv. Gem. alhier is bericht binnengekomen, dat ds. G. Moen te Den Hoorn op Texel het beroep heeft aangenomen.


Jaargang 15 nummer 3 september 1997

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

ISSN 1384-0940

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Gezicht vanuit het zuiden op de directeurswoning in de beginjaren van de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek "Onderling Belang".

* * *

JUBILEA "ONDERLING BELANG" _________________________________________________________

In ons kwartaalblad van december 1989 beschreven we de eerste 25 jaar van het bestaan van de Coöperatieve Zuivelfabriek "Onderling Belang" in Nieuwleusen. Hieronder volgt een verslag van de viering van het 25-jarig jubileum zoals dat in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van zaterdag 15 oktober 1932 verscheen.
In 1947 bestond de fabriek 40 jaar. Daarvan werd in de Meppeler Courant van woensdag 8 oktober 1947 verslag gedaan. Dit verslag vormt het tweede hoofdstuk van dit artikel.

25 jaar Coöperatieve Zuivelfabriek Onderling Belang
Maandag 17 October viert de Coöp. Zuivelfabriek Onderling Belang te Nieuwleusen haar zilveren jubileum. Gedurende de kwart eeuw, dat de fabriek bestaat, heeft zij zich onafgebroken in bloei mogen verheugen en niet alleen haar productie, doch ook haar reputatie voortdurend zien stijgen, zoodat er alleszins reden is op den afgelegden tijd met voldoening terug te zien en met goed vertrouwen verder te werken voor de toekomst.
Maar het bestuur meende, dat de tijdsomstandigheden er niet naar zijn om dit jubileum met feestelijkheden te vieren, al begreep het, dat het toch ook niet aanging den feestdag geheel onopgemerkt te laten voorbijgaan. En des te minder, omdat aan dit feest ook een persoonlijk jubileum verbonden is.

Eigenlijk is dit op den dag af niet heelemaal juist. Want wel begon op 17 October 1907 de fabriek te werken, maar het bestuur en de commissarissen werden al eerder gekozen, toen op 10 Mei 1907 tot de oprichting van een zelfstandige coöperatieve fabriek besloten werd, gevolgd door de definitieve oprichtingsvergadering van 26 Juni d.a.v.

En van dien tijd af is de heer H. Prins Ad.z. onafgebroken commissaris geweest. Hij zette, 25 jaar geleden, mede zijn schouders onder een werk, waartoe toen 48 landbouwers als leden toetraden, nu, als voorzitter van commissarissen, zal hij er zich in het bijzonder wel over verheugen, dat het toen begonnen werk in den loop der jaren zulk een mooi succes geworden is en het clubje van 48 aangeslotenen groeide tot 740.

Maandag wordt het dubbel jubileum op bescheiden wijze gevierd en men behoeft er niet aan te twijfelen dat het bestuur op de receptie, welke het dien middag houdt, vele blijken van belangstelling en vele goede wenschen voor de toekomst in ontvangst zal hebben te nemen. Dat men daarbij in het bijzonder den zilveren commissaris de eer zal geven, staat nu al wel vast.


Voorzitter H.J. Scholten


J. Schuurman, één der pioniers

En dan maar weer met moed de toekomst tegemoet onder de beproefde leiding van het bestuur met zijn voorzitter, den heer H.J. Scholten, en den heer L. Vos, sedert 1917 directeur der fabriek.

Zuivelfabriek Nieuwleusen in de bloemetjes

Vele gelukwensen voor "Onderling belang" bij het veertigjarig bestaan.


De Coöp. Zuivelfabriek te Nieuwleusen "Onderling Belang" vierde deze week haar veertigjarig jubileum.
Dinsdagmiddag werd in zaal Schoemaker in de Kerkenhoek een receptie gehouden, waarbij wel bleek welk een belangrijke en gewaardeerde plaats deze coöperatie inneemt in het maatschappelijke leven te Nieuwleusen en in verre omgeving.
Het bestuur, bestaande uit de heren M. van Hulst (voorz.), G. J. Beltman (secr. ), J. Bulder (2e voorz.), R. Pruntel (2e secr.), H.J. Stolte, H. Schoemaker, A. Pessink en D. Alteveer (leden), was bijkans onder de bloemstukken bedolven.
Hiermee gaven niet alleen particulieren, maar ook verenigingen en instanties van hun belangstelling blijk.
Er waren o.a. bloemenhuldes van het gemeentebestuur, de zusterfabrieken te Balkbrug, Slagharen, Zwolle (Hoop op Zegen) en Dalfsen, de ver. van Plattelandsvrouwen, de afd. O.L.M., de Winkeliersver., de Stichting van de Landbouw, de oud-assistenten, de medewerkenden aan de jubileumrevue, de fabrieksmelkventers te Zwolle, de G.O.Z. te Zutfen, de oud­directeuren de heren Greydanus, Elking en Visser, de Waterleiding Mij. Overijssel, de heer A. Vos te Ommen, de Zuiveltechnische Dienst te Utrecht, de directeuren van de zuivelfabrieken te Hasselt, Ommen, Genemuiden en Zwolle, de E.C.B te Zutfen, de fabrieksver. I.S.A.L.A. te Zwolle en het Kaascontróle­station te Leeuwarden; voorts tal van firma's.

Steeds meer mensen kwamen 't glunderende bestuur hun gelukwensen aanbieden en allengs geraakte de feestelijk versierde zaal stampvol. Er heerste een genoegelijke, hartelijke stemming. Nadat er het één en ander gebruikt was heette de voorz., de heer M. van Hulst, allen welkom. Dit is een belangrijke dag voor ons, aldus spreker. Veertig jaar geleden is de fabriek door wijs beleid van de pioniers opgericht.
De voorz. dankte in het bijzonder de heer L. Vos, die al 30 jaar directeur van de fabriek is, voor de uitnemende wijze waarop hij leiding geeft. Hierna gaf spreker het woord aan de burgemeester van Nieuwleusen, de heer J.P. Backx, voor het uitspreken van de feestrede.


G.J. Beltman


H. Schoemaker

Rede Burgemeester.
Spreker begon met te zeggen, van zuivelaangelegenheden niet meer verstand te hebben, dan dat hij zich de boter, kaas, melk, pap enz. van "Onderling Belang" sedert meer dan 30 jaar goed heeft doen smaken. De burgemeester sprak hierna zijn gelukwensen uit aan directeur, bestuur, leden en personeel, namens het gemeentebestuur, en hoopte, dat de jubilerende fabriek in de toekomst nog gestadig in groei en bloei mag toenemen tot heil van de leden en de gehele gemeente.
Reeds voor de Christelijke jaartelling kende men boter en kaas, maar de wetenschap bemoeide zich er in die tijd weinig mee. De eerste zuivelfabrieken werden 70 à 80 jaar geleden opgericht. Wetenschap en techniek kregen belangstelling voor de zuivelnijverheid en omstreeks 1900 kwam de grote omwenteling op zuivelgebied. Toen was het afgelopen met zelf-karnen; alleen in de oorlogsjaren werd nog menig "plunsie" gehanteerd. De uitvoer van zuivelproducten is geweldig vooruitgegaan. Hollandse kaas kon men in de jaren voor de oorlog overal ter wereld vinden. De productie steeg de laatste 40 jaren enorm, en daar heeft ook "Onderling Belang" zijn aandeel in gehad. Onder vaste leiding van zijn bekwame en ijverige directeur, gesteund door een begrijpend bestuur, heeft "O.B." getoond geen achterblijver te willen zijn. De heer Vos is klein, maar dapper, en hem ontgaat niets op zuivelgebied. Nieuwleusen is voorzichtig begonnen, maar de zaak werd degelijk opgezet.
De gemiddelde hoeveelheid melk, die per fabriek per jaar wordt verwerkt is 5 3/4 millioen kg.; "O.B." verwerkt thans 7 millioen kg. per jaar.
Het gemiddelde vetgehalte over het gehele land was voor de oorlog 3.35%, "O.B." komt uit de bus met een gemiddeld vetgehalte van 3.4%. Klein begonnen is "O.B." gegroeid tot een zuivelindustrie waarop Nieuwleusen trots moet zijn.
Spreker richtte zich tot de vroegere directeuren en mocht tot zijn vreugde constateren, dat zij er gezond en welvarend uitzien, kenmerken trouwens van boterdirecteuren.



De heer Vos gehuldigd.
Van de heer Vos zei de spreker, dat deze op zuivelgebied een goede naam heeft. De heer Vos, die in September zijn
30-jarig jubileum herdacht, hielp de eerste Nat. Zuivelexportvereniging oprichten, later de Nat. Coöp. Zuivelexportvereniging. Hij was jarenlang lid van het college van commissarissen van deze vereniging. Voorts is hij bestuurslid van de Eerste Coöp. Zuivelverkoopvereniging, 25 jaar secretaris van de Bond van directeuren in Gelderland en Overijssel, bestuurslid van de Federatie van directeuren, secr.-penningmeester van het Prov. Groene Kruis, enz. Spreker huldigde de heer Vos op hartelijke wijze.

De heer Hopster onderscheiden.
De burgemeester richtte zich vervolgens tot den botermaker, de heer Jan Hopster, die op een paar maanden na, 40 jaar bij "O.B." heeft gediend "als trouwe wachter bij de karn".
Deze trouwe medewerker van "O.B." verdient dan ook wel in het bijzonder aller dank, aldus spreker.
Spreker deelde mede, dat het H.M. de Koningin heeft behaagd de heer Hopster te willen onderscheiden met de eremedaille in zilver, verbonden aan de Orde van Oranje Nassau, dit bij K.B. van 4 October 1947.
Onder luid applaus spelde de burgemeester de heer Hopster de onderscheiding op de borst.

Tal van sprekers.
Hierna voerde een lange rij sprekers het woord. De heer J. Vos Jr. regelde de gang van zaken. Alle sprekers boden hun gelukwensen aan; verschillende sprekers richtten zich in het bijzonder tot den heer L. Vos, tot de 3 aanwezige pioniers de heren L. Schiphorst, H. Schoemaker Gzn. en J. Schuurman Azn., of tot den heer Hopster, of herinnerden aan de eerste voorzitter, wijlen Jan Bijker, de voornaamste grondlegger. Naar voren werd voorts gebracht, dat de kwaliteit van de boter van "O.B." als zeer goed bekend staat. Ook werd er getuigd van de onderlinge goede samenwerking.
Als sprekers traden op de heren De Klerk namens de Geld. Ov. Zuivelbond, De Jong namens het Kaascontro1estation, de oud­directeuren Greydanus, Elking en Visser, Veldman namens de eerste Coöp. Boterverkoopvereniging, Zuster Van Buiten namens de pl. afd. Plattelandsvrouwen, Van der Wal namens I.S.A.L.A., Schutte namens de oud-assistenten (bood een sigarenkist aan), Van Dijk namens de Zuivelfabriek te Dalfsen, Knol namens de Zuivelfabriek "Hoop op Zegen" te Zwolle, Ds. Van Dijk namens de Ger. Kerk, Ds. lbema namens de Herv. Gem., Mulder namens de plaatselijke coöperaties (bood koffiekan met lichtje en koffieboyler aan), Dr. Post namens de Gezondheidsdienst Overijssel, Visscher namens de Stichting voor de Landbouw, Van Veen uit Schiedam namens zijn firma, Bierling namens zijn firma te Den Haag (bood schemerlamp aan) en de heer Hopster namens het personeel (bood voorzittershamer aan).
De heer Vos sprak het slotwoord.
Daarna zette men zich aan de koffiemaaltijd.
's Avonds woonde het gezelschap de eerste van de 10 uitvoeringen bij van de jubileum-revue, geschreven door den heer Bomhof uit Apeldoorn. Over deze revue hopen wij nader te schrijven.

* * *

HET MOOIE MEISJE UIT VARSEN _________________________________________________________

B. van Duren

            In een oud boek heb ik het gelezen
            Zeker is er iets van waar.
            Ik wil het u opnieuw vertellen,
            in dichtvorm, dus begin ik maar.

Vroeger, heel erg lang geleden,
tijd en jaar zijn niet vermeld,
was ook al, dat blijkt uit alles,
de macht er van het grote geld.
Er stond een kapitale boerderij
in Varsen, oostelijk van de Stouwe,
veel landerijen er omheen,
eigenares: een weduwvrouwe.

Heel erg rijk en hoog van hart
was deze Varsense boerin;
wat zij wilde moest gebeuren,
anders denken had geen zin.
De tegenstelling was haar dochter,
die was bescheiden, lief en zacht,
een mooi meisje dat heel anders
dan haar trotse moeder dacht.

Er was een trouwe knecht op leeftijd,
de arme Geert was heel erg ziek,
hij wilde wel, maar zijn oude lichaam
werd geplaagd door reumatiek.
Het vee, des zomers in de weide,
kon drinken uit het watergat,
door mensenhanden eens gegraven;
een 'drinkkoele' noemt men dat.

Ziek, het werk moest voortgang vinden,
dus een nieuwe knecht verscheen,
Harm, een flinke jonge kerel
uit de buurt van Ruitenveen.
Geert was nog goed voor kruimelwerkjes,
deed zo toch een beetje mee,
en met Harm kon hij 't goed vinden,
de oude man was best tevree.

Maar wat gebeurt er op zo'n hoeve,
waar mensen daaglijks samen zijn,
wat jong is trekt, ondanks verboden,
en wat dan volgt is hartepijn.
Harm was het meisje erg genegen,
doch hij was hier maar de knecht.
De dochter zag genegenheid en voelde,
't werd wederzijdse liefde; nimmer slecht.

Alles moest verborgen blijven,
Oude Geert wist er van af,
hij gunde het de jonge mensen
en kon zwijgen als een graf.
De moeder mocht er niets van weten,
maar ze werd het toch gewaar,
harde woorden zijn er toen gevallen,
rijk en arm hoort niet bij elkaar.

Maar zo gaat het met de liefde,
hoe meer men het verbieden gaat,
des te groter het gevaar,
want wie lief heeft denkt geen kwaad.
Waar konden zij elkaar ontmoeten?
Achter, waar de heide bloeit,
bij de schapen, bij de plaggen,
is de liefde steeds gegroeid.

De trotse moeder bleef afwijzend,
een boerenzoon en anders geen
en als er toch niet wordt geluisterd,
stuurt ze Harm terug naar 't Ruitenveen.
Eerst werd Harm het werk ontnomen,
hij moest achter, naar de hei
schapen hoeden, denken, zuchten,
heel vaak kwamen tranen vrij.

De winter kwam, de schapen gingen
samen in het grote schot
en Harm werd gezegd: 'je kunt verdwijnen';
het was voor hem een bitter lot.
Verdriet in Ruitenveen en Varsen,
het meisje kwijnde steeds meer weg,
maar moeder bleef in 't kwaad volharden:
'je doet maar zoals ik het zeg!'

Verdriet, je moet het maar niet vragen,
soms raakt men dan ten einde raad.
'Moeder, uw kind verlangt naar liefde,
is met uw hardheid niet gebaat!'

Wat nu volgt - het zou niet mogen -
wordt in 't verhaal vertelt voor waar:
Liefde bindt, maar geld en hardheid
dreef de geliefden uit elkaar.
De tijd om alles goed te maken
liet de moeder ongebruikt
en het jonge leven kreeg de kans niet
dat het zich als een bloem ontluikt.

't Had licht gesneeuwd en op een morgen
toen Geert daar bij de koele stond
was hij het die het arme meisje
onder het ijs in 't water vond.....

Zo eindigde voor haar het leven
dat zoveel beloften gaf.
'Moeder is dit voor uw hardheid
niet de allerzwaarste straf?'
Toen het meisje werd begraven
stond bij de kerk, wat achteraf,
een jongeling, bedroefd en starend
naar de kist die zonk in 't graf.

De boerderij, hoe ging het daarmee?
Die raakte steeds meer in verval
en oude Geert lag op een morgen
dood voor de koeien in de stal.
De weduwvrouwe, zo hoog van harte,
zonder hulp, kon 't niet meer aan.
Op een keer midden in de nacht
is de boerderij in vlammen opgegaan.

Rusteloos, een leven zonder waarde,
verbitterd ondanks al haar geld,
is de trotse vrouw verdwenen,
waarheen, dat wordt niet verteld.
Maar in Varsen, oostelijk van de Stouwe,
in een boom een vogel zingt,
vindt u misschien nog de koele
waar des zomers 't vee uit drinkt.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXXVIII _________________________________________________________

In 1947 bestond de Coöperatieve Zuivelfabriek "Onderling Belang" 40 jaar en was de heer Vos 30 jaar directeur. Ter gelegenheid van deze jubilea is er een foto gemaakt van het personeel van de fabriek, samen met de familie van directeur Vos.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  

? Kooiker
Aalt Kouwen
Jantina Beltman
Klaas Klunder
Hendrikje Stroink
Klaas Schoemaker
Berend Pot
Jan Hopster
Hendrik Huzen
Klaas Brassien

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

Arend Schuurman
Arend Prins
Berend Jonkers
H. Wicherson
Klaas Mijnheer
Gerrit Klein
Jan Stolte
Harm Frielink
Johan Hopster
Gerrit Jan Bonen

21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
 
 

Jantje Koezen
Willem Boer
Gretha Zelhorst
Jo Vos
Mevrouw Vos sr.
Wia Vos
Directeur L. Vos
Bé Vos


* * *

AGRARISCH WELZIJN NIEUWLEUSEN 1955-1959;een impressie III _________________________________________________________

We vervolgen deze serie over "Agrarisch Welzijn Nieuwleusen" met zaken ontleend aan de notulen, die speelden tijdens de streekverbeteringsplanperiode van 1955 tot 1959.

In het jaarverslag van 1956-1957 worden o. a. demonstratie- en voorbeeldbedrijven genoemd:
In 1956 zijn er twee Graslanddemonstratiebedrijven met goede beweiding en juiste en voldoende ruwvoederwinning ingericht bij de gebroeders Van Duren aan het Westeinde en bij H. Ganzeboer aan de Stouwe.
Een jaar later, in 1957, werden twee voorbeelden van goede rundveestalling ingericht bij: J. Bijker (tevens met goede varkenshokken) en bij G. Kuiper, beiden in de Vinkebuurt.
Een voorbeeld van goed pluimveehok met inventaris wordt eveneens in 1957 ingericht bij J. van Duren aan het Westeinde.
Met het doel een demonstratie van het juiste melkgereedschap (bussen - koeling - melkrek) en goede veeverzorging te zijn, worden zeventien voorbeelden van goede melkwinning en veeverzorging ingericht. In 1956 gebeurde dat bij J. Petter, De Meele - L. Kok, De Meele - H. ter Wee, Rollecate - H. Upper, Westeinde - B. Hekman, Westeinde - H.J. Scholten, Oosteinde - J. Bijker, Vinkebuurt - H. Knol, Den Hulst en in 1957 bij Kl. Bijker, Vinkebuurt - H. Ganzeboer, De Stouwe - D. Reurink, Vinkebuurt - J.W. Reurink, Vinkebuurt - J. H. Eshuis, Witharen - J. Prenger, Witharen - H.J. Huzen - Oosteinde - G.H. Visscher, Oudleusen - J. Dijkman, Den Hulst.
Drie demonstratiebedrijven met een goed outillage- en opbergsysteem van gereedschap kwamen in 1957 gereed bij M. van Hulst, Westeinde - Kp. Krol, Den Hulst en W. v.d. Kamp, De Stouwe.
Er is een mollenvanger aangesteld voor een blok van 70 ha. die een demonstratie moet zijn van een gemeenschappelijke mollenbestrijding.


Ook de machines in de melkfabrieken gingen met hun tijd mee.

Voorts zijn er kleine demonstraties frezen en scheuren van grasland bij D. Kleen, Middeldijk - J. Hekman, De Meele - G. H. Visscher, Kringsloot - H. Ganzeboer, De Stouwe - Gebr. v. Duren, Westeinde.
Machinaal greppelen van grasland was te aanschouwen bij H. Ganzeboer, De Stouwe - Gebr. v. Duren, Westeinde, terwijl het machinaal zaaien van stoppelknollen tijdens het ploegen bij G. Bonen aan de Ommerdijk kon worden bekeken.

In de begroting 1957 van de Stichting "Agrarisch Welzijn Nieuwleusen", streekaanpak Nieuwleusen - Dalfsen-Noord is, naast de vertrouwde project- en demonstratiekosten, ook een post voor projectpremies opgenomen, bijvoorbeeld toe te kennen voor verbetering van de rundveestapel. Voor aansluiting met de gehele stal bij K.I. krijgt men 25% premie op het te betalen dekgeld. Aansluiting bij de officiële productiecontrole, met een verplichting voor 5 jaar; levert eenmaal ƒ 4,-- per koe op voor kosten hiervan.
Voor verbetering van melkwinning wordt na goedkeuring door de Rijkszuivelconsulent 30% premie toegekend op de kosten voor inrichting van een goede boenplaats, een goede koelbak met watervoorziening, koeling, veeverzorgingswerktuigen, reiniging van melkgereedschap.

Over dit onderwerp zien we in het jaarverslag 1959 van de Streekverbetering Nieuwleusen - Dalfsen-Noord het volgende overzicht:

Aangesloten bedrijven:
K.I.
Off. melkcontr.
Fok/contr.ver.
Ned.Rundv.Stamb.
Varkensfokver.

1955
30
33
14
??
--

1958
49
45
20
15
--

1959
52
47
22
17
35

In de verslagen van de Subcommissie 'Veeteelt' op 30 oktober 1958 en van de Subcommissie 'Pluimveeteelt' op 27 oktober 1958 lezen we: dat het beschikbare bedrag voor 1959 met 1/5 is verminderd tot ƒ 85.000,--. Men denkt er mee uit te kunnen komen als er geen projectpremies meer worden voorgesteld en de activiteiten binnen het voor de voorlichtingsbedrijven beschikbare bedrag worden gevonden.
Besloten wordt voor 1959 te komen tot oprichting van een varkensfokvereniging. Er zal een bijdrage van ƒ 5,-- per lid worden verleend en tevens 20% voor de aankoopkosten van beren.
Besloten wordt om in 1959 weer premie te geven voor de opfok van kuikens van 60 cent per kuiken, met een minimum van 100 kuikens per bedrijf en per bedrijf een maximum premiebedrag van ƒ 180,--.

In het jaarverslag van 1958 lezen we het volgende (tussen haakjes zijn op enkele onderdelen de cijfers van het jaarverslag 1959 toegevoegd):

Landbouwtechnisch gedeelte.
In 1958 is een geheel nieuwe werkwijze gekozen. Projectpremies voor diverse bedrijfsonderdelen zijn, omdat daarbij te weinig aandacht wordt geschonken aan de totaliteit van het bedrijf, vervangen door bedrijfspremies.
De bedrijfspremies werden verstrekt aan zogenaamde 'voorlichtingsbedrijven'. Dit zijn bedrijven, waarvan de houders de wens te kennen hebben gegeven enige jaren intensief met de Rijkslandbouwvoorlichtingsdienst te willen samenwerken, met als doel verbetering van bedrijf en bedrijfsvoering en hiermede de bestaansbasis.
Teneinde voldoende inzicht te verkrijgen in de verbeteringsbehoefte van de diverse bedrijfsonderdelen, werd voor elk bedrijf een bedrijfsbegroting gemaakt waarin het arbeidsinkomen van het bestaande bedrijfsplan werd opgenomen. Daarnaast werd een streefplan opgesteld. Op de investeringen, welke nodig zijn voor het verwezenlijken van dit streefplan, werd een premie van 20% tot een maximum van ƒ 750,-- per bedrijf in 3 jaar toegezegd.
Na een algemene bekendmaking gaven 35 bedrijven de wens te kennen hierop te willen ingaan. In de loop van het jaar werden dat er 62. Aan het eind van het jaar bleek dat in 1959 nog minstens 35 bedrijven zullen gaan meedoen. (1959: 115)
Ook het aantal bedrijven die als demonstratiebedrijf een voorbeeldfunctie hebben breidde uit tot 49. (1959: 52)


Boerderij aan de Dommelerdijk

Voor de volgende bedrijfsonderdelen werd aan de groep van bedrijven bedrijfspremie uitgekeerd.


Onderdeel


Berging van
landbouwwerktuigen
Grond- en
graslandverbetering
Zaaizaad/pootgoed
Verbetering perceelindeling
en drinkwatervoorziening
Voederwinning (aankoop
ruiters en AIVzuur)
Verbetering rundveestapel:
aankoop vrouw. fokvee
aan sl. bij off. melkcontr.
aansluiting bij K.I.
Verbetering varkensstapel:
aankoop fokmateriaal
Werktuigen en machines
Totaal

(Cijfers van 1959:

aantal
be-
drij-
ven

8

28
25

25

17

12
3
3

1
59
62

115






ƒ 

ƒ 
ƒ 

ƒ 

ƒ 

ƒ 
ƒ 
ƒ 

ƒ 
ƒ 
ƒ 

ƒ 


inves-
tering


5.603,--

2.241,--
2.765,--

3.497,--

1.995,--

14.398,--
121,--
444,--

375,--
48.531--
79.970,--

209.029,--






ƒ 

ƒ 
ƒ 

ƒ 

ƒ 

ƒ 
ƒ 
ƒ 

ƒ 
ƒ 
ƒ 

ƒ 


Premie-
bedrag


1.226,-- 

449,-- 
554,-- 

709,-- 

399,-- 

2.331,-- 
25,-- 
75,-- 

75,-- 
9.735,-- 
15.592,-- 

24.935,--)

Er werden nog groepspremies verstrekt voor deelname aan de organisatie van een rundveekeuring en een kalverfokclub. De bedragen hiervan zijn voor de

rundveekeuring 169 stuks vee x ƒ 1,50=
en voor de kalverfokclub 19 stuks vee x ƒ 2,50=
Totaal

ƒ 
ƒ 
ƒ 

253,50
47,50
301,--

(De bedragen in 1959 waren voor de rundveekeuring ƒ 230,-­ voor de kalveropfokclub ƒ 36,- en tevens werd er voor de varkensfokvereniging ƒ 600,- uitgetrokken, in totaal dus ƒ 866,--.)

Bovendien werden er nog projectpremies gegeven. Voor de verbetering van stallen en hokken werd ƒ 96. 619,-- geïnvesteerd en bedroeg de premie ƒ 13.863,--; voor verbetering van de veestapel zijn de investeringsbedragen ƒ 43.319,-- met een premie van ƒ 4.704,- en voor kruidenteelt ƒ 500,-- investering met een premie van ƒ 479,--. Het totaal van deze investeringen was dus ƒ 140.438,-- met een premie van ƒ 19.046,--

Als onderdeel van het hele programma werden er ook wedstrijden en keuringen gehouden. Zo waren er een pluimveeverzorgingswedstrijd met 31 deelnemers; een hooiruiterwedstrijd met 9 deelnemers; een varkensbeoordelingswedstrijd met 13 deelnemers en kende een ploegwedstrijd 7 deelnemers. Voor het eerst komt er naast de jaarlijkse rundveekeuring een varkenskeuring. Deze kende 31 inzendingen.

Ruwvoederwinning, gewasonderzoek en voedingsvoorlichting hadden tot resultaat dat er jonger werd gemaaid en dat inkuilen volgens een toevoegingsmethode meer ingang genoot. Het aantal AIV-kuilen bedroeg 60, melasse- en melapo-kuilen 4 en hardelandkuilen eveneens 4. Er werd voorts geconstateerd dat het bietenarsenaal langzamerhand groter werd.

Het aantal bedrijven waarmee contact is gelegd was:

voorlichtingsbedrijven
projectpremiebedrijven
rationalisatiebedrijven-DKB
voorlichting aan bedrijven
Totaal

62
71
21
275
429






* * *

EEN BRIEF UIT NIEUWLEUSEN ANNO 1889 _________________________________________________________

Hendrik Arendneven

Nieuwleusen, den 30 September 1889.

Geachte vrienden zwager Harm Broek en vrouw Klaasje Kragt en Hendrikje de Weerd en Derk Broek en neeven en nigten,
Zijt hartelijk van ons gegroet, en alle bekenden.
Wij kunnen nog onder 's Heeren melden, met Samuel tot hier toe heeft ons de Heere geholpen. Wij hebben dit jaar tot hier toe een gezeegend zoomer gehat, het vee de beesten zijn in hoogen prijs van 130 a 200 gulden, de booter een 8deel 20 a 22, hooi is er wel gewassen, de rogge is de prijs 550 en de boekweit 575. Veel bijzonderheeden zijn in Nederland in dit jaar tot hier toe niet voorgevallen. Zoo ik verneem vaart alle maand van Rotterdam op Amerika een stomboort. Zoo heb ik wel in de Hoope gezien die de Heer Derk Broek ons gestuurt (heeft) al een en ander maal, dat gij in Amerika haast zo kundig zijt (als) in Nederland en ander landen als wij. In 88 hebben wij nog een Hoope (van de datum) den 24 Juli van Heer D. Broek ontvangen. Nog iets van Nieuwleusen, de afgescheiden Kerk en Pasterij staat op het land van wijlen K. Dijk. Zij hebben een Propponent beroepen die komt in begin van October op een tratement (tractement) van 650 en er zijn ook er 12 a 13 huisgezinnen Doleerenden in de gemeente. Twee zoons van Willem Brinkman en Hendrikje Broek, Jan en Willem, en K. Kreulen is ook tot overgekoomen (overgegaan). Hij heeft 7 jaarens oefenaar bij ons geweest. Als gij ons eens trug schrijft zoo schrijft ons ook eens of hij bij uw ook betrekking heeft, in Ameerik. Ik las in een geschrift van den heer Ds. Zweemer, Predikant te Graafschap Michigan Noord Amerika, als meede over eenige kerkelijke raporten. Hij schreef breedvoerig over de vrijmetselarij, zelf(s) onder Greiffimeerde (Gereformeerde) Predikanten die onder vrijmetselarij behoorden. Hij beschrijft dat werk van de vrijmetselarij al breedvoerig in zijn geschrift hoe het toegaat en A. Zweemer beklaagt het zoo treurvool hoe de duivel zoo veele menschen verblint met de vrijmetselarij en hen ten verderve sleept. En F.J. Huls heeft daar ook over geschreven dat hij in zijn gemeente verscheiden gehat hadde die ook onder vrijmetselarij behoortden, maar door sterke vermaanigen en waarschouwigen van hem zich weder hun vrijmetselarij herroepen hadden. Een van Nieuwleusen tot de familie betreftig de famiele van Broek en Klaasje Kragt weinig uitgezondert of zij hebben bijna alle taamelijk hun brood en die ik zeide dat ik voornemens was uw eens te schrijven, hebben mij nogal einige


Deze tekening van Harm Broek en Klaasje Kragt is gemaakt naar een oude foto.

verzogt om te samen de groetens van hun te doen, D. Brinkman, Jan Brinkman, W. Brinkman, Jan Grooteboer en vrouw Jentje Brinkman en anderen. Nieuwleusen bestaat uit twee kieskoliegies (kieskolleges) daar zijn er bij ons wel drie lieberaalen teegen een Antireivolutionare. Wij zijn door Gods Goedertierenheid zoo ver gekoomen dat wij in de tweede kaamer weer tein(tien) in de meerheid van de hondertvijftig. Jaaren zijn wij na de wetten van de lieberaalen geregeerd. In de eerste kaamer zijn er fijftig en ook wel drie lieberaalen tegen een antierevollutionaren. De Schinoode bijna geheel lieberaal. De heer D. Broek verzoeken wij bij welzijn laat ons nog eens s(p)oedig weer terug schrijven, ook nog eens iets van Hendrikje de Weerdt. Wilt hem nog eens berigt steuren dat wij geschreven hebben. Harm Broek met uw vrouw en ik met mijn vrouw wij tellen ons vieren zoo de natuur leert het, en Gods woort leert ons Zeeventig jaren. Zoo wij zeer sterk zijn tachentig jaaren en die zijn er ook dat de Heere ons geven en schenken om Jezes Christus wille wat wij noodig hebben voor tijd en euwigheid daar onze overiege leeftijd maar is als een droom en een voorbijgaande gedachte dat wij die nog mogten besteeden tot Gods eer. Zoo D. Broek eens overkoomen wou hij kan bij ons wel loozeren zoo moet gij ons eerst schrijven. Mogt gij de foutten over zien of verbeteren.

Hendrik Arendneven                Janna Kragt

Deze brief van Hendrik Arendneven aan Harm Broek ontving de redactie al weer enige tijd geleden van de heer Howard Broek in Amerika.

* * *

VERWEESD _________________________________________________________

J. Zantinge

de reetgedekte boerderije
hof mit scheefgegreujde appelbomen
't is het verlangde beeld, waormit
ik - nao te lange tied - ben weer ekomen.

de stenge coniferen
koostaldeuren, kil speegelende ramen
naast de nors gesleuten deure
lees ik de niet autochtone namen.

nog verwacht ik mien moo op de bleke
mien vaa die het peerd inspant
en zeuk ik - vergeefs - vertrouwde tekens
in strak verkaveld land.

kiend van achtenvieftig jaor
det zeker weetend het toch vreest
- op die zarke die twee namen -
det triestig besef: verweesd.

* * *

NI'JLUUSENER WOORDEN VIII _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

taandzeerte
tamee (temee)
taoinagel
taomt
teem
teemen
teeuws
temet
tentelen
teunen

tiedkurten
tiebelen

tieloze
tiezen
timpie
tipp(i)e
tjakken
to( e )vedan
toagen
todden

toef

toek(s)e
toekriegen
toepakken
bi'j toeren
toethoorn

toezebolte
toezelen
toezetten
tokkeren

tolter
tonte
tonteldoek
tontelen
toppien (heuj)
touwknuppel
touws maken
trallaterig
treeffien
troebel
truu op!
tuk
tukken
tuksen

tumig
turfstuken
tuug
tuugen
tuugknippe
tuugliende
tuugen
tuunkroe( uu )pertien
tuur
tuur-/tuun(h)amer
tuuren

tuurpaole

tandpijn
zo meteen
wildgroei naast nagel
vanavond
drang, bevlieging
doorzeuren
gebrek aan mineralen bij koeien
soms
kwebbelen
bij elkaar passen bv van kleding;
goed staan
de tijd doden
vaak onbewust ongeïnteresseerd
met de vingers friemelen
narcis
uit elkaar halen van wol of touw
wit (brood)bolletje
puntig toelopend stuk land
sjouwen; weglopen
binnenkort
met iemand zeulen ; met iets slepen
rommel in ooghoeken; wegslepen;
dragen
bovenste gedeelte van een
dichtgebonden jutezak; kuif
smerig mens
gratis krijgen
aanpakken
af en toe
een kind dat steeds jankt en zeurt;
iemand met veel babbels
rietsigaar, lisdodde
ergens vanaf tuimelen (bv. trap)
neerzetten
het roepen van kuikens door
de moederkip
schommel
lap; vaatdoek
vaatdoek
wat aanrommelen; verstellen
plukje (hooi)
onderdeel van een éénspan
een paard in het tuig beleren
uitgelaten
onderzetter van ijzerdraad
moeilijkheid
achteruit (tegen een paard)
broekzak
mank lopen
huppelen (werkwoord);
streken (zelfst. naamwoord)
niets doende
turfbulten
linnengoed
er geen nadeel van hebben bij ruilen
wasknijper
waslijn van touw
mennen
winterkoninkje
paal, stik
hamer om de stik in de grond te slaan
het vastzetten van een dier om het te
laten grazen
paal waar een dier aan staat


Jaargang 15 nummer 4 december 1997

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

ISSN 1384-0940

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Het met vlaggetjes versierde schip van Van Haarst ligt te wachten om door de spoorbrug over de Dedemsvaart gelaten te worden. Op de achtergrond enkele gebouwen die op het spoorwegemplacement stonden.

* * *

KARSTMIS 1994 _________________________________________________________

J. Zantinge

Zo vake za'k weer over
vrede heuren zingen
Za'k weer vernemen over
de beloftvolle ster,
in preken en verhalen.
Mar ook zult Bosnië
en Ruwanda mien gedachten
stark bepalen.
As tekens van het eeuwig
meens'lijk falen.

Bovenstaand gedicht werd door de helaas overleden meester Zantinge geschreven ter gelegenheid van kerst 1994.
Nu, 3 jaar later is en zal wellicht elk jaar weer de inhoud actueel zijn, al zullen dan wel een paar andere landen of gebeurtenissen voor de genoemde landen in de plaats komen. Helaas!


Het bestuur en de redactie van de Historische
Vereniging “Ni’jluusn van vrogger” wensen u
toch een vredig kerstfeest en een gelukkig en
in alle opzichten voorspoedig
1998.


GEMEENTE NIEUWLEUSEN(O.)          29  J U N I  1933

         No. 4 8 9

        O N D E R W E R P :

     Openbare vervoermiddelen.

                     Naar aanleiding van Uw verzoek d.d. 15 Juni 1933
deelen wij U hierbij mede, dat wij in onze vergadering van
heden hebben besloten - na ingewonnen advies van den heer
Scheepsmeter Post te Meppel - het U in eigendom toebehoorend
motorschip, genaamd “Koophandel”, mryrnfr 20,750 ton, goed
te keuren als openbaar middel van vervoer voor het onderhouden
van een geregelden dienst Balkbrug-Giethoorn, evenwel onder
de nadrukkelijke voorwaarde, dat het maximum aantal passagiers,
dat op het vaartuig mag worden toegelaten, tachtig bedraagt,
en dat bovendien een gewicht mag worden geladen van ten hoogste
vierhonderd Kilogram.
              Burgemeester en Wethouders van Nieuwleusen,
                                        de Burgemeester,
                                        w.g. Backx
                                        de Wethouder,
                                        w.g. H. Prins
                                  Kosten ƒ 2,60

         Aan
den heer D. van Haarst
         schipper,
te
         LICHTMIS
         Post Rouveen.


                   PROVINCIAAL BESTUUR VAN OVERIJSSEL

3 • AFDEELING.

Onderwerp                                               ZWOLLE, 8 mei 1934

Doorvaren sluizen en bruggen.

   DE GEDEPUTEERDE STATEN van de provincie OVERIJSSEL,
         Overwegende, dat door D. van Haarst te Lichtmis is verzocht
om op 2e Pinksterdag een sluis en brug te mogen passeeren;
         Gezien het rapport van den Hoofdingenieur-Directeur van den Provinciale Waterstaat in Overijssel d.d. 4 mei 1934, nr. 1250/C.;
          Gelet op artikel 8 van het reglement Scheepvaartwegen Vol-
lenhove 1931;

                            HEBBEN GOEDGEVONDEN:
I. Aan D. van Haarst te Lichtmis ontheffing te verleenen van de voorschriften van artikel 8 van het Reglement Scheepvaartwegen Vollenhove 1931 ter zake van het passeeren van de Arembergersluis en de brug te Ronduite en de Lichtmissluis en de Boekweitenbrug en sluis III met zijn motorboot op maandag 21 Mei 1934 onder voorwaarde dat het passeeren van sluis en brug moet geschieden tusschen 10 en ll uur v.m. en 4½ en 5½ uur n.m.;
II. Afschrift dezes te zenden: aan:
a. den vergunninghouder;
b. den Hoofdingenieur-Directeur voornoemd.

                                        De Gedeputeerde Staten voornoemd,
                                        w.g. Voorzitter,
                                        w.g. Griffier.
Aan

den vergunninghouder.
=================

Op beide voorgaande bladzijden trof u brieven aan die afkomstig zijn van schipper Van Haarst. Hij bezat een schip waarmee hij een regelmatige dienstregeling onderhield met Giethoorn. Velen maakten daar gebruik van om een dagje uit te gaan. Hieronder nog een foto van het schip van Van Haarst liggende in het kanaal Dedemsvaart ter hoogte van de Lichtmis.


* * *

AGRARISCH WELZIJN NIEUWLEUSEN 1955-1959;
een impressie IV _________________________________________________________

In april 1959 verscheen er een verslag van een evaluatieonderzoek van het gebiedsplan in het kader van de streekverbetering Nieuwleusen - Dalfsen-noord welke in voorgaande jaren in gang werd gezet. Een verslag van dit onderzoek werd bij het jaarverslag van 1958 gevoegd. We geven hieronder de belangrijkste punten uit het evaluatieonderzoek weer.
De voornaamste knelpunten in het gebied zijn:
1. te geringe bezetting per man,
2. te laag productiepeil van de rundveestapel,
3. onvoldoende kwaliteit van de varkensstapel,
4. onvoldoende kennis van pluimveehouderij,
5. onvoldoende kwaliteit van ruwvoeder - geringe bietenverbouw,
6. te lage pH van het bouwland,
7. graslandexploitatie lag op een te laag niveau,
8. zeer matige bedrijfsgebouwen en te geringe omvang hiervan.

Aantal in het gebied werkzame voorlichters is:
drie hulpassistenten voor 100%,
twee rayonassistenten respectievelijk voor 80% en 20%.
een assistent in algemene dienst voor 80%.
een ingenieur voor 20 %.
200 bedrijven worden door individuele voorlichting zeer intensief bereikt, 100 bedrijven intensief en 130 bedrijven minder intensief.
Landarbeiders worden in de voorlichting niet speciaal betrokken.
Er is in februari 1959 een zeer goed gelezen voorlichtingsbrochure uitgegeven onder de titel 'Streekverbetering Nieuwleusen'. Over de voorlichtings- en mededelingsbrieven bestaat de gedachte dat die matig (door ongeveer de helft van de betrokkenen) gelezen worden.

Door de boekhoudbureaus van de standsorganisaties worden 50 bedrijfseconomische boekhoudingen voor bedrijven uit het gebied uitgewerkt en daarover wordt voorlichting gegeven. Naast bespreking in groepsverband heeft bespreking van de analyse plaats op de individuele bedrijven. De kosten van een en ander bedragen ƒ 150,--. Uit de streekverbeteringskas wordt hiervoor betaald: voor 1e jaars bedrijven ƒ 150,-- ; 2e- en oudere jaars bedrijven ƒ 120,-- en voor 3e- en 4e- jaars bedrijven ƒ 100,--.
Van de bedrijfseconomische resultaten wordt een overzicht (uiteraard onder nummer) gegeven. Dit overzicht vermeldt onder andere het arbeidsinkomen per man. De gegevens over boekjaar 1957/58 zijn (tussen haakjes de gegevens over het boekjaar 1958/59):
Tabel:

Bedrijfs-
grootte
3-5 ha.
5-7 ha.
7-10 ha.
> 10 ha.

Gemiddelde
grootte
3.54 ha. (4.83)
5.90 ha.
8.08 ha. ( 8.32)
14.0 ha. (13.67)

Volwassen arbeidskr.
0.97(1.04)
1. 33
1.59 (1.35)
1.89 (1.69)

Inkomen per
arbeidskracht
ƒ 4.249,-- (ƒ 5.906,--)
ƒ 4.074,--
ƒ 4.942,-- (ƒ 6.945,--)
ƒ 5.939,-- (ƒ 8.348,--)

Een demonstratie timmerles in wit overhemd en met stropdas.



Van bedrijfsvergroting is geen sprake. Wel valt een geringe afname van het aantal bedrijfskrachten per oppervlakte-eenheid waar te nemen. Intensivering vindt plaats door een zwaardere veebezetting per ha. En vooral door het houden van meer kippen en, in enige mate, door uitbreiding van de varkensstapel.
De oppervlakte grasland breidt zich uit ten koste van de oppervlakte bouwland. De productie melk en kg. melkvet per koe neemt toe. (1959: 3995 kg melk per koe, 3.82% vet= 153 kg. melkvet per koe.)
Er valt meer en goede belangstelling voor betere voedingswinning te constateren. Juiste perceel indeling van het grasland, jonger maaien en goede oogst- en conserveringsmethoden genieten langzaam maar zeker navolging.
Vooral de in 1956 en 1957 gevoerde actie 'scheur slecht grasland' werpt goede resultaten af. Naar schatting wordt nu jaarlijks op tenminste 100 bedrijven grasland gescheurd en wordt ook bouwland ingezaaid met een goed graszaadmengsel. Bekalking heeft hierbij aandacht.
( In 1959 is het aantal bedrijven met een gemiddelde bedrijfsgrootte als volgt:
bedrijven van gem. 4.00 ha.: 173
bedrijven van gem. 5.90 ha.: 169
bedrijven van gem. 9.00 ha.: 205
bedrijven van gem. 15.00 ha.: 63
bedrijven van gem. 28.80 ha.: 12
De totale oppervlakte cultuurgrond van deze bedrijven is 4.830 ha. De indeling naar grondgebruik: grasland 4.347 ha. = 90% en bouwland 483 ha. = 10%.)

Op 16 maart 1959 heeft er een bespreking plaats op het gemeentehuis over de velddagen welke voor mei op het programma staan. Bij de bespreking zijn aanwezig:
E. H. Mulder (foto) voorzitter,
A. de Leeuw secretaris,
Ir. K.A. Klarenberg,
Ir. J.B. Gerretsen,
A. Lubberink,
M. Visscher-Talen,
J. Visscher, L. v.d. Berg
en D.J. Massier.
De velddagen worden gehouden op 25, 26 en 27 mei. De opening zal plaats hebben op maandag 25 mei 's middags. Na de officiële opening zal met de genodigden een rondrit langs diverse voorlichtingsobjecten in het gebied worden gemaakt en tevens zullen de voorlichtingsstands op het centrale terrein worden bezichtigd. Hierna volgt met diverse genodigden (welke moet nog nader worden bepaald) een diner. Omstreeks 8.00 uur begint vervolgens het avondprogramma in het Palthebos.
De lijst van uit te nodigen personen en instellingen voor de opening was niet gering:
Commissaris van de Koningin; Gedeputeerden; Provinciale standsorganisaties als: OLM; CBTB; ABTB; 3 jongerenorganisaties; 3 landarbeidersorganisaties; 3 boerinnenbonden; Landbouwschap; Provinciale Raad voor de Landbouwvoorlichting ; College van Consulenten; Grote Commissie Agrarisch Welzijn; Bestuur en subommissies Agrarisch Welzijn; Gemeentebestuur -raad; Hoofden van de Landbouwscholen in de omgeving; de plaatselijke standsorganisaties; Landbouwhuishoudschool; Zuivelfabrieken; Landbouwverenigingen; Vereniging voor Bedrijfsvoorlichting; Vereniging voor K.I. "Bono"; Fokkerscombinaties -rundvee- Overijssel; Varkensstamboek; PMD; Directeur Generaal Landbouw; CB en Vimpol; Directie Arbeidsbureau; Dagelijks bestuur gemeente Dalfsen; Bedrijfslaboratorium; Heidemij; Plaatselijke Commissie ruilverkaveling Nieuwleusen; idem Dalfserveld-Dalfsen; Oud-voorzitter Stichting Agrarisch Welzijn; Kadaster; Waterschap; Pers.
Er is een ontwerpbegroting die een totaal van ƒ 8.500,-- laat zien. Voor de rondrit langs voorlichtingsobjecten buiten het centrale terrein werd voor 42 wagens met trekker (waarvan 2 reserve) ƒ 420,-- brandstofvergoeding verstrekt. Voor de verzorging kregen de 42 bestuurders elk ƒ 6,--. Eenzelfde bedrag dacht men voor de verzorging van de 8 tot 10 explicateurs nodig te zijn. Om de route te kunnen volgen zouden voor ƒ 50,-­ richtingpijlen worden aangeschaft.
Voor het centrale terrein staat ƒ 1916,-- gepland, o.a. voor tent met vloer en inrichting van de voorlichtingsobjecten. Voor propaganda, drukwerk ed. is het bedrag ƒ 500,--, terwijl voor het avondprogramma ƒ 2375,-- zal worden uitgetrokken. Voor de ontvangst en representatie voor bestuurs- en commissieleden en genodigden staat ƒ 600,-- genoteerd en tot slot voor diversen nog eens ƒ 700,--.

In het jaarverslag 1959 lezen we dat de Velddagen konden worden gesplitst in 3 onderdelen: a. Tentoonstelling op een centraal terrein. Deze bestond uit verschillende stands van de landbouwvoorlichting en de huishoudelijke voorlichting en een aantal firma's en coöperaties op landbouwgebied en werd door 1200 personen bezocht.
b. De voorlichtingsobjecten, omvattend de volgende onderdelen: bietenverpleging, onkruidbestrijding in grasland, inzaai van grasland, goede rundveestal met mechanische mestafvoer, pluimveeverzorging, kalver opfok, tasventilatie, goede varkensstallen, hooibouwwerktuigen, lage wagens, kunstmeststrooiers, weidepompen en een woonkeuken. Bezocht door 400 personen.
c. Openluchtspel 'De haanden uut de Buse' werd drie avonden opgevoerd en door zo'n 2300 personen bezocht.







Met dopelingen ter kerke. Scene uit. het spel "De haanden uut de buuse" met vlnr. Arend Mannen,
Janny Sterken, Rut Mulder en Lammy Brouwer.




Op 13 maart 1959 was er nog een brief uitgegaan 'aan de medewerkers' van het openluchtspel met de hier volgende tekst: Hierbij delen wij u mede dat de tweede repetitie voor het openluchtspel zal worden gehouden op vrijdag 17 april a.s. 's avonds om 8.00 uur precies in het Gemeentehuis te Nieuwleusen.
Wij verzoeken u te willen bevorderen dat de repetitie op genoemd tijdstip kan beginnen.
Zoals u weet is het aantal medewerkers nog te gering. Zoudt u voor uitbreiding van het aantal nog enige moeite willen doen?
Bij voorbaat hartelijk dank.
Namens het bestuur
De voorzitter, E.H. Mulder.
De secretaris/penningmeester, Ir. K.A. Klarenberg.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche courant van zaterdag 22 mei 1937:
Bestrijding brandgevaar.
Burgemeester en Wethouders van Nieuwleusen;
gelet op het bepaalde in artikel 70 der Algemeene Politieverordening der gemeente Nieuwleusen;
Herinneren aan de verplichting tot het vegen van schoorstenen,
welke in de maand mei door de politie zullen worden geschouwd.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXXIX _________________________________________________________

Deze keer hebben we weer een groepsfoto voor u en wel van de Hervormde Vrouwengroep Maria-Martha in Nieuwleusen-Zuid. De foto dateert uit 1972 en werd gemaakt ter gelegenheid van het 25 jarig bestaan.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  

M. Pot-Meulenbelt
J. van Duren-Reurink
M. Tuten-Westerhof
H. Kottering-Kuiper
G.Schuurman-van Eldik
J. Luttels-Eikenaar
W. Huzen-Reuvers
G. Fleer-Boesenkool
E. Lefers-Nijboer
A. de Weerd-Borger
J. de Boer-Veldhuis
J. Katoele-Meulenbelt
M.Schaapman-Blik
J. Pot-Mulder
H. Kok-Timmerman
M. Kleine-Soetenhorst

17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
 

J.G. Meijer-van de Laan
K. de Weerd-Hekman
J. Pasman-Timmerman
B. de Vries-Reitsma
F. Borger-Westerman
J.Huzen-van de Vegte
M. Wagenaar-Velthuis
H. de Boer-Huzen
S. Schoemaker-Witten
M. Luten-Seine
J. de Weerd-Brouwer
F. Bijker-Hekman
F. Krale-Masselink
M. Spijker-Schoemaker
H. Bruggeman-Westerman

32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
 
40  
 
41  
42  
43  
44  
45  

H. Borger-Baas
A. Stolte-Evertsen
W. Brasjen-de Groot
J. Brasjen-Westerman
H. Westerman-Huzen
J. Boesenkool-ten Kate
A. Sterken-Kragt
F. van de Berg-Kijk in
de Vegte
A. Steenbeek-van
Nieuwenhuizen
A. Reuvers-Broek
D. Huzen-Bruggeman
G. Schoemaker-Feitsma
H. Woning-Zeer
S. ten Klooster-Rumpf

* * *

EEN BRIEF UIT NIEUWLEUSEN ANNO 1891 _________________________________________________________

Nieuwleusen den 18 Februarij 1891

Zeer waarde en geliefde vrieden.
Als de Heer Derk Broek en vrouw waaren nog al eens begeerig te weeten hoe het met uwen welstaand geleegen is en hoe het gaart met de Famiellie. Wij bevinden ons nog tamelijk wel, maar in maand November heb ik nog al viertaldaagen ongesteld geweest. Wij hebben het jaar 1890 wel een tamelijk goed gehat maar in maand Julij hebben gedurig veel reegen gehat daar onze hooilanden veel door leeden. De paarden zijn bij ons voor 200 gulden een tamelijk werkpaard te koop. Van de koeijen zijn van 150 tot 200 gulden de preijs. Schrijft ons eens Hendrikje de Weert (hoe het) met zijne kinderen nog gaat of die allens nog bij (haar) zijn en of er nog eene geweest is van H. J. Schoemaker of alle van W. ter Haar zijn. Hoe ver gij nog van de kerk af zijt en of zij des 's naamiddig nog over de Categismus preeken of is het bij uw geen gebruik meer. Wij hebben nog koudt winter gehad heeft neegen weeken heeft het nog gevroezen. Zoo hart als het in twintig jaaren niet gedaan heeft. Het vroer ons in de wooning. Den 25 November al te begonnen vriezen.
Wij keeren ons met onze gedachten na de groete stadt. Detroit heb ik wel gezien is een grode stad daar zijn ruim tweemaal honderdt-duizend inwooners, ik heb wel gezien dat hij is de grootste stadt in Michigan. Hoe weele soorten van mensen zullen daar wel zijn, schrijft ons eens hoe veel geloofven daar wel zijn. Is het Roomeesche geloof niets. Ik heb wel gezien dat (in) somigen plaatsen veele Roomsen zijn en zijn daar ok veele Jooden die alle loopen toe op aagoesie uit. In Nederland zijn veele Morders preeditaanten, voornaamelijk in Friesland zijn ook naa bij ons daar zijn nog wel 350 daar geen preedikant is. Detroit ligt misschien aan waater daar moogelijk nog wel triemastse (driemaster) scheepen op (varen). Hoe veele preidikan daar wel en hoe veele Roomse paatoers (pastoors) daar zijn. En hoe het nog met uw gaat of gij ter Detroit ook veel genoegen hebt of niet of gij daar nog eens beroepen krijgt of niet hoe het geleegen is of daar ook veel afgescheiden onder zijn. Hoe heete die plaats daar gij al vroeger gestaan hebt. Waaren er ook meer preedikanten als gij en waaren daar de meerheid ook Roomsen, en hoeveele uuren was het nog (van) uw ouders woonig af en hoe lang hebt gij al preedikant geweest en hoe heete de plaats of staad daar gij gestaan hebt. En hoe is in de groote staad Detroit geleegen of daar des 's naademidsdaas over de catechismus of preediken of niet. Welik is uwe eenige troost beide in 't leeven en de sterven. Antw. Dat ik met lijf ende ziele beide in 't leeven en sterven niet mijn maar mijns getrouwen Zaligmakes Jezus Christus eijgen ben die met zijnen dierbaaren bloede voor alle mijne Zonden volkomelijk betaald en mij uit alle geweld des Duijvels verlost heeft en alzoo bewart dat zonder den wille mijns hemelschen Vaders geen hair van mijnen hoofde vallen kan. Ja ook dat mij alle ding tot mijner enz. Vriend Broek den 6 September 1890 hebben wij Corante onf (ontvangen) van 23 Augus. Weer de groetesis Neeven en nigtjens. Gegroet de Heere schenke het goede. Wes gegroet van ons HD.Broek.

* * *

NOGMAALS OUDE GROEPSFOTO XXXVIII _________________________________________________________

In het kwartaalblad van september 1997 plaatsten we een foto welke gemaakt was ter gelegenheid van een jubileum van de Coöperatieve Zuivelfabriek "Onderling Belang". Hierop ontvingen we veel reacties, zowel over de namen welke ontbraken als op het jaartal van de foto. In het bijschrift werd het 25-jarig jubileum in 1932 genoemd. Dit is echter niet juist. Het bijschrift had moeten luiden dat de foto in 1947 ter gelegenheid van het 40-jarig jubileum was gemaakt.
De ontbrekende namen zijn: 1 Koiter, hij was assistent op de melkfabriek; 3 Jantina Beltman; 13 Berend Jonkers, kaasmaker; 23 Gretha Zelhorst.
(Deze gegevens zijn aangepast in de tekst)

* * *

OUDE MATEN _________________________________________________________

Tot de inventaris van museum "Palthehof" behoren een aantal instrumenten voor het bepalen van het gewicht of de inhoud van iets. Zo zijn daar een koffieloodje; een bascule; smeedijzeren balansen en unsters, o.a. om hooi te wegen; weegschalen, o.a. om deeg af te wegen en een 'Berkel' kruideniersweegschaal; inhoudsmaten als liter en halve liter; een aantal graanmaten en een schoolvoorbeeld van een kubieke meter.
In oude aktes komt men begrippen tegen als roede, bunder, el, schepel, mud en spint. Deze begrippen geven meestal een hoeveelheid weer maar veelal is dat niet zichtbaar te maken door middel van een maat. Wat moeten we ons er dan bij voorstellen?

Om te beginnen de betekenis van het woord mud. In de landbouw werd het woord vooral gebruikt om het gewicht van granen, aardappelen en zaden aan te geven. Ook werd het gewicht van steenkolen wel met mud aangegeven.
Oorspronkelijk is mud afkomstig uit het latijn: mude - modius. Het was een korenmaat ofwel een inhoudsmaat voor droge waren. Letterlijk komt een mud aardappelen of een mud kolen overeen met 1 hectoliter, dus de inhoudsmaat voor 100 liter.
Als landmaat werd een mud vooral gebruikt in Drenthe. Veelal kwam deze mud overeen met een oppervlakte van 26 are, maar soms ook wel van 33 are of 40 are. Een are is honderd vierkante meter. De maat was weer afgeleid van de hoeveelheid land die met een mud graan of ander zaaigoed bezaaid kon worden.
Iets dergelijks zien we ook bij de betekenis van spint of schepel. Een spint of ook wel spinde was bijvoorbeeld een inhoudsmaat voor droge waren die overeenkwam met het twintigste deel van een hectoliter. Als landmaat stond een spint voor 200 tot 250 vierkante meter, ofwel de oppervlakte die met een spint graan bezaaid kon worden.
Ook een schepel was vroeger een bepaalde inhoudsmaat voor droge waren. Vaak werd hiermee een kwart van een Amsterdamse mud bedoeld en dan kwam een schepel overeen met 0,1 hectoliter. Als landmaat betekende een schepel ongeveer een achtste hectare land, dat wil dus zeggen, zoveel land als met een schepel rogge bezaaid kon worden.
Net als bij een mud werd het woord ook gebruikt om een grote hoeveelheid aan te geven, zoals uit het volgende spreekwoord blijk: Om iemand goed te kennen, moet men eerst een schepel zout met hem gegeten hebben ( dus heel lang met hem omgegaan hebben).
Met een bunder wordt in oude aktes een bepaalde oppervlakte bedoeld. Hoewel het geen officiële Nederlandse vlaktemaat was, werd hiermee doorgaans 1 hectare land bedoeld, wat weer overeenkwam met 100 vierkante roeden. Een roede was in die betekenis honderd vierkante meter.
Met een roede werd verder als lengtemaat een veelvoud van een voet bedoeld. Daarbij werd dan weer onderscheid gemaakt tussen een Amsterdamse roede (3,6807 meter) en een Nederlandse roede (10 meter). En een voet was ongeveer 28 cm., de lengte van een gemiddelde menselijke voet.
In deze omgeving kennen we nog de Sallandse roede (ongeveer 20 vierkante meter). 600 Sallandse roeden vormen een morgen en dat is een oppervlakte van ongeveer 1,20 hectare.
Een roede werd verder ook een maatstok met een bepaalde afmeting genoemd. (denk aan de regels uit het bekende sinterklaasliedje: Wie zoet is krijgt lekkers, wie stout is de roe.)
Als vlaktemaat gebruikte men deze aanduiding vooral bij de turfwinning. Bestelde men een roede turf, dan kon men rekenen op ongeveer zo'n 1300 'broodjes' turf.
Een dagmaat was een hoeveelheid land die in een dag kon worden bewerkt. In Nieuwleusen was een dagmaat 60 are, in Staphorst was dat 80 are.
Een el was een lengtemaat waarvoor de menselijke onderarm de basis vormde. Als vlaktemaat werd de el niet gebruikt. De el werd vroeger vooral in de manufacturenhandel gebruikt en soms hanteert men deze maat daar nog. Er wordt dan een lengte van 69 centimeter bedoeld. Vroeger was er ook veelal sprake van een meter.
De stok waarmee de stof werd opgemeten werd ook wel de el of ellestok genoemd. Voor een japon had men bijvoorbeeld drie el stof nodig. In figuurlijke zin gebruikte men het woord wel om een grote hoeveelheid tijd of geduld aan te geven, zoals in de volgende uitdrukkingen blijkt: Die man is altijd ellenlang van stof, of, - houdt altijd ellenlange redevoeringen, of, iets met de el uitmeten (tot achter de komma gelijk willen hebben).
Kolen werden vroeger in hoeveelheden van een mud bij de mensen thuisbezorgd. De kolen werden daarbij in grote sterke jutezakken geschept. De kolensjouwers gingen met hun rug naar de kar staan waarop de zakken tot aan de rand werden klaargezet. Ze pakten met beide handen boven het hoofd de twee bovenpunten van een zak en droegen de mud kolen op de achterkant van de schouders naar binnen. Zo werden ook de zakken graan gedragen. Sterke mannen droegen de zakken ook wel schuin over de schouder.
In spreekwoorden en gezegden komt het woord mud ook voor in de betekenis van veel; 't Was er mudvol, of, Wie maar één mud koren te malen heeft, moet geen molen bouwen (Men moet voor een kleinigheid geen grote omslag maken / een oude man moet geen huwelijk meer aangaan).

In een volksalmanak uit 1938 troffen we een tabel aan met Nederlandse maten en gewichten. Hoewel hierin ook aanduidingen voorkomen die in onze streken niet gebruikelijk zijn of andere waarden hebben, leek het ons aardig de tabel hier over te nemen. Mocht u nog andere benamingen of informatie over oude maten hebben, dan vernemen we dat graag van u.

Namen
Lengtematen:
myriameter
kilometer
hectometer
decameter
meter
decimeter
centimeter
millimeter
Vlaktematen:
hectare
are
centiare
Ruimtematen:
decastère
stère, wisse
decistère
Inhoudsmaten:
kiloliter
hectoliter
decaliter
liter
deciliter
centiliter
Gewichten:
myriagram
kilogram
hectogram
decagram
gram
decigram
centigram
miligram

Waarde

10.000 meters
1.000 meters
100 meters
10 meters

0,1 meter
0,01 meter
0,001 meter

100 aren

vierkante meter

10 kub. meter
kub. meter
0,1 kub. meter

1.000 liters
100 liters
10 liters

0,1 liter
0,01 liter

10.000 gram
1.000 gram
100 gram
10 gram

0,1 gram
0,01 gram
0,001 gram

Oude naam


mijl
bunder
roede
el
palm
duim
streep

bunder
vierkante roede
vierkante el

10 kub. el
kub. el
0,1 kub. el


mud, vat
schepel
kop, kan
maatje
vingerhoed

10 pond
pond
ons
ood
wichtje
korrel
0,1 korrel
0,01 korrel

Bronnen:
Tubantia 18 sept. 1997, rubriek Zeker weten onder redactie van Aart Veldhuis
Volksalmanak Uilenspiegel voor het jaar 1938, uitgegeven door drukkerij Crolla te Valkenburg.

* * *

Nl'JLUUSENER WOORDEN IX _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

uggèniet
ulk
ummebollen
ummebouwen
ummekukelen
ummemaken
ummetrekken
umslieks
umwiel
omwijle
uut elut

uutboeken
uutbossen

uutfiegelieren
uutreien

uutstukken

in het geheel niet
bunzing; stommeling
weer tochtig worden van een koe
ploegen
omvallen
spitten
omkleden
spoedig; onwillekeurig
onderwijl;
ondertussen
aan het eind van zijn krachten;
uitgestoten
uitzakken van bv. hooi in een hooiberg
in een weiland met de zeis de pollen
afmaaien en de koevlaaien verspreiden
uitprakkezeren, bedenken
luizen en neten uitkammen;
haar kammen
verstellen van kleding; iets uitspoken

vaal
vannaomig
vanni'js
varen
varfbüzzel
varkensbrink
varkensschat
vastigheid
vedan
veduite
veerkaante viefkop!
vènsteren
veraldereerd
vérendelen
verinneweerd
verinneweren
verliekedieren
vernemstig
vernuveren
verpoeren
verroppen
verschriên
op verschot of
op verschot
verspekken
verslateren
verturen
verwierd
verzitten
vetpriezen

vetslieve
veule
veurkissie )
veurwaagnkissie )
veurslaon
veuruutbolderen

vevät
viefkop
'n vieme
vingerkold
viselemie
vleer
vlei'j
vlooienrekkien

voel

voesthaansen
volk
vonderen

voort
voortmaken
verrel
vrange
vrède
vrèen
vrèepaol
vul(legie)
vullen
vut
vutgaon
vutmaken
vuurhaol

geniepig
vanmiddag
opnieuw
rijden
verfkwast
buitenwei voor varkens
varkenshok
zekerheid
verder, vooruit
vierduit (2 1/2 cent) scheldwoord
hardlopen
verward
in vieren delen
vernield, verwaarloosd
vernielen, verprutsen
strijken, vlakken
plooien in gordijnen verdelen
handig
jezelf mee vermaken
vernielen
baldadig vernielen
verstappen, voet verdraaien
opeenvolgend
op volgorde
zich op iets verheugen
verwaarlozen; verliezen
paal/stik en het dier verplaatsen
door elkaar
kans voorbij laten gaan
bezichtiging van een geslacht dier
door buurmannen, borrel erbij
juslepel
behoorlijk wat
kist op kar of wagen om op te zitten
tijdens het mennen
voorstel doen
rennen van kinderen voor je
uit en om je heen
erop bedacht zijn
maatbak voor aardappelen
100 bos (bijv. stro)
bepaald weertype
iemands uiterlijk; iemands uitdrukking
klap
vel (op de melk)
naaiwerk ter versteviging van het
split voorin een boerenhemd
nageboorte van koe; bedorven ( ei);
achterbaks (bij mensen)
wanten
visite
wordt gezegd als een klein kind al
aardig snel gaat lopen
dadelijk
opschieten
een vierde deel
uierontsteking bij een koe
afrastering om een weiland
maken van afrastering om een weiland
afscheidingspaal
veulen(tje)
een veulen krijgen
weg
weggaan
wegmaken
getand ijzer boven open haardvuur om
bijv. ketel aan te hangen

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van dinsdag 23 oktober 1923:
Ambt Hardenberg, 22 Oct.
Hedenmorgen had er tusschen Lutten en Heemse een autoongel uk plaats dat nog goed is afgeloopen. De autobus die op marktdagen Balkbrug met Hardenberg verbindt moest op den hierboven genoemde weg uitwijken en kwam daarbij zo dicht aan den slootkant, dat de grond wegzakte, tengevolge waarvan de auto, die vol passagiers was, omsloeg en in den sloot terecht kwam. De passagiers, waarvan enkelen met bebloede gezichten tengevolge van het indrukken der ruiten en met natte voeten van het slootwater, werden spoedig op het droge gebracht. Een en ander liep alzoo enkel met materiale schade af.

Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van donderdag 25 oktober 1923:
Ingezonden.
Autobusongeval Ambt Hardenberg.
Mijne heren.
; Nieuwleusen, 24 October 1923.
; Onder "Ambt Hardenberg" komt in uw blad van gisteravond een berichtje voor betreffende een auto-ongeval. Ik mag u er wel op wijzen, dat bedoeld berichtje de gebeurtenis niet juist weergeeft en wilt u dan ook een verbeterd berichtje plaatsen.
De auto-omnibus van de Nieuwleusener Auto-dienst Onderneming reed Maandagmorgen met 1O passagiers naar de markt te Stad Hardenberg. Op den grindweg van Lutten naar Hardenberg, welke weg smal is, moest uitgeweken worden voor een z.g. winkelwagen, die steeds op de markt te Hardenberg staat. De chauffeur die zeer langzaam reed, haalde slechts weinig uit. Plotseling ging de wagen, waarvan het achterwiel in een sleuf van den electrischen kabel wegzakte, overhellen en kantelde in de bermsloot. Het ongeval liep betrekkelijk goed af; in de sloot was bijna geen water; de passagiers kwamen met de schrik vrij; enkele hadden lichte verwondingen als schrammen aan handen en hoofd. De wagen was weinig beschadigd; er braken drie ruiten. Binnen 11/2 uur stond de wagen op den weg en reed naar huis met eigen kracht.
Nu de oorzaak. De N.V. IJsselcentrale heeft de kabel langs den weg gelegd. De sleuf, waarin de kabel ligt, is op een afstand van een 30 cM. van de wegverharding gegraven; men kan daarvan niets meer zien. De grond in die sleuf is niet voldoende aangestampt, wat ons mede werd verzekerd door den provincialen wegwerker, die bij het werk was tegenwoordig geweest. Moet men dan ook een wagen op dien smallen weg, waarlangs ook nog de Dedemsvaartsche stoomtram rijdt, passeeren, dan moet men op den berm terecht komen. De autobus zakte onmiddellijk in de niet vastgestampte aarde van de kabelsleuf een 40 - 50 cM. weg en moest kantelen. De grond is daar ter plaatse veenachtig.
Het toezicht van de provincie bij het dicht gooien van de kabelsleuven schijnt onvoldoende te zijn. Reeds eerder gebeurde op deze manier een ongeval te Den Hulst aan de Dedemsvaart. Er zullen er nog wel meer volgen!
De directeur der Nieuwl. Auto-Dienst Ondern.,
J. van Spijker Kzn.

* * *

INHOUD VAN DE VIJFTIENDE JAARGANG _________________________________________________________

blz.


11 

14 
14 
16 
21 
22 
25 
25 
26 
33 
34 
38 
43 
45 
48 
48 
49 
55 
59 
62 

67 
70 
71 
73 
74 
76 

82 
82 

86 
87 
88 
92 
94 
96 


De watertoren aan de Lichtmis
Neusklank en bakelietgeur
Een oude groepsfoto XXXVI (School met de Bijbel Westeinde)
Veurjaorsgeveul (gedicht)
1997 Marshall-jaar, viering 50 jaar Marshallplan
Agrarisch Welzijn Nieuwleusen 1955-1959; een impressie
1938 - 4 april - 1953 (Margje Hof)
Ni'jluusener woorden VII
Vrogger (gedicht)
Een heel klein beetje maar (gedicht)
De watertoren aan de Lichtmis II
Krummels
Een oude groepsfoto XXXVII (OLS C Den Hulst)
Agrarisch Welzijn Nieuwleusen 1955-1959; een impressie Il
Rectificaties
De bouw van Palthehof in beeld
Bi'jgeleuf
Krummels
Jubilea "Onderling Belang"
Het mooie meisje uit Varsen
Een oude groepsfoto XXXVIII (CZ Onderling Belang)
Agrarisch Welzijn Nieuwleusen 1955-1959;
een impressie III
Een brief uit Nieuwleusen anno 1889
Verweesd (gedicht)
Ni'jluusener woorden VIII
Karstmis 1994
Brieven schipper Van Haarst
Agrarisch Welzijn Nieuwleusen 1955-1959;
een impressie IV
Krummels
Een oude groepsfoto XXXIX (Herv. Vrouwengroep Maria-Martha)
Een brief uit Nieuwleusen anno 1891
Nogmaals oude groepsfoto XXXVIII
Oude maten
Ni'jluusener woorden IX
Krummels
Inhoud van de vijftiende jaargang




Jaargang 16 nummer 1 maart 1998

* * *


OMSLAGFOTO _________________________________________________________


"Een kijkje bij de woningen voor werkloozen uit de groote steden, te Staphorst, die werkzaam gesteld zijn in het Staphorsterveld"

Tekst en foto uit "Van Eigen Erf" 16 maart 1928

* * *


UIT "VAN EIGEN ERF" _________________________________________________________


Van Eigen Erf was een geïllustreerd familieweekblad voor Overijssel en Drenthe waarin veel foto's werden afgedrukt. In het eind van de jaren twintig stonden er een aantal foto's in die in deze omgeving gemaakt waren.
Het Staphorsterveld werd door werklozen uit de grote steden ontgonnen. Zij waren gehuisvest in barakken zoals op de omslagfoto.
Ook in de nabijgelegen gebieden werden sloten gegraven, wegen aangelegd en gronden ontgonnen. Onderstaande foto komt uit het nummer van 18 november 1927. De beide foto's op de volgende bladzijde stonden op 16 maart 1928 in Van Eigen Erf.




* * *


AGRARISCH WELZIJN NIEUWLEUSEN 1955 – 1959; een impressie V _________________________________________________________


"Gaarne bevelen wij het derde contactblad in uw belangstelling aan. Aandachtig lezen van een en ander is gewenst. "
Dit zijn twee zinnen uit de inleiding van het derde contactblad Agrarisch Welzijn Nieuwleusen (juli 1957: het eerste nummer verscheen in augustus 1956 en het tweede in november 1956) waarin, naast allerlei mededelingen en overzichten van premieregelingen, een uitgebreid verslag van 'een bezoekster' die vertelt over wat ze heeft gezien op de voorlichtingstentoonstelling in Nieuwleusen. We nemen het verslag hieronder in zijn geheel over.

Goed boeren en goed wonen.
Buurvrouw Janna was 's morgens al vroeg bij me. 'Albertje, ga je vanmiddag mee naar de voorlichtingstentoonstelling in Nieuwleusen, je weet wel die tentoonstelling waar man en vrouw wat aan hebben, geloof ik. 't Moet werkelijk de moeite waard zijn. "
Och, dacht ik bij mezelf, waar haal ik de tijd vandaan en ik heb al verschillende tentoonstellingen gezien ook; 't is toch altijd weer hetzelfde. De mensen willen je vaak van alles aanpraten en 't een is al niet duurder dan 't ander.
“'Heb haast geen tijd. M'n tuin moet nodig nagezien worden en ook wou ik graag Hiltje's en Henny's jurkje afmaken," probeerde ik te ontkomen. Maar Janna hield maar aan en haalde me tenslotte over toch met haar mee te gaan.
Om half twee stapten we op de fiets, heerlijk weer en zo deed me het ritje naar Nieuwleusen alvast even goed. Een mens moet toch zo af en toe ook eens even uit z'n dagelijkse beslommeringen weg en bij dit uitstapje hoopten we nog wat op te steken ook.
Er stonden al heel wat fietsen op het terrein naast de tent, een vrouwenvereniging ontdekten we later. Nadat we onze namen in het gastenboek gezet hadden, sloten we ons aan bij een deel van de vrouwenvereniging. Deze was n.l. in groepjes verdeeld en om maar zoveel mogelijk te zien, werden deze elk door een voorlichtster rondgeleid.
We begonnen vooraan bij de woonkamer-keuken. Het keukengedeelte was door middel van een doorgeefruimte en kasten van het woonvertrek gescheiden. Erg handig leek me dat, na de afwas zet je het serviesgoed aan de keukenkant in de kast en bij het tafeldekken kun je 't er aan de kamerkant zo weer uit nemen. Arbeids- en tijdsbesparing.
Het teakhouten blad op het aanrecht leek me niet zo praktisch, je mag er helemaal geen hete pannen op zetten. De voorlichtster vertelde ons echter dat, hoewel de mooie warmbruine kleur van het teakhout zo ook het blad in het kastenelement het hier heel goed deed, we meer moesten letten op de goede indeling van deze fabriekskeuken die nu eenmaal het teakhouten blad heeft. 'k Zag onze grote woonkeuken voor me, 'k geloof wel dat er iets dergelijks van te maken zal zijn. 't Lijkt me werkelijk fijn om, als je klaar bent met je werk, niet steeds het fornuis naast je te hebben. Toch zit je eigenlijk in hetzelfde vertrek en hoef je niet extra te lopen om een kopje koffie in te schenken.
Op de vloer zagen we, voor mij iets nieuws, plastic - asbesttegels. Heel gemakkelijk te onderhouden en erg duurzaam, ze zijn in verschillende kleuren te krijgen en je kunt zelf het patroon bepalen.
Toen kwamen we in de bijkeuken. Hè, die te bezitten! Alles zo prettig op volgorde, de wasmachine, spoelbakken en centrifuge die de was al voor 60% droogt. Daar moet ik het echter nog maar een poosje zonder stellen, ik heb een grote lijn bij huis en droogt het niet dan hang ik de was op zolder. Natuurlijk is zo'n wasmachine wel een fijn bezit, maar ik heb nog wel nodiger dingen aan te schaffen. 'k Zag namelijk ook een wasmachine met een houten kuip (heb 'k zelf ook, bij ons praktischer dan een metalen, hij moet op de pompestraat staan en komt nog wel eens met een emmer in aanraking). Deze nu had een elektrische wringer. Wringen moet ik met de hand, wat toch wel een zwaar werk is. Nou zo'n elektrische wringer lijkt mij heerlijk, maakt het wringen tot een licht werkje en ze zijn tegenwoordig zo goed beveiligd dat je heus niet bang hoeft te zijn je vingers tussen de rollen te krijgen. Bovendien wees ons de juffrouw er nog op hoe je 't goed het best kunt hanteren.
'k Heb nog niet verteld dat we in de bijkeuken aansluitend op de spoelbakken ook een flink aanrecht zagen. Niet alleen op wasdag maar ook bij de inmaak komt dit zeker goed van pas. Hierop stond een elektrisch komfoortje met koekepan om vis te bakken b.v. Geen vislucht in het hele voorhuis, gemakkelijk toch dat die kleine elektrische toestellen overal aan te sluiten zijn waar maar een stopcontact zit.
De koekepan had een reliëfbodem, waardoor het vet gelijkmatig over de hele bodem verdeeld wordt. Geen last van aanzetten, ook een uitkomst bij cake bakken.
In dit vertrek ook een werkkleding- en materialenkast. Alles netjes bij elkaar opgeborgen. Geen overalls, werkbroeken enz. meer aan deurknoppen, spijkers of haken op de deel ..... 'k had ze zo wel willen meenemen. Maar die kasten zijn met een beetje handigheid best zelf te maken. 'k Zal onze Klaas maar eens een tekening voorleggen.
Hiernaast ruimte voor een douche. Die hebben wij voor een paar maanden ook aan laten leggen, bevalt ons uitstekend! Wij plattelanders denken nog zo vaak dat dergelijke dingen een luxe voor ons zijn, maar wie heeft de douche meer nodig dan juist de boer? De kinderen genieten er ook zo van en het bespaart mij veel werk! De emmerdouche staat klaar voor hen die nog geen waterleiding hebben, ook heel eenvoudig in 't gebruik en vraagt weinig ruimte.
Vervolgens stapte onze voorlichtster over het volgende touwtje (ons werd vriendelijk verzocht buiten de kamers te blijven): een woonkamer voor een groot gezin. Bij dit vertrek moest men denken dat er een verbouwing had plaats gehad. Er waren n.l. twee bedsteden en twee kasten (een combinatie die we veel aantreffen) uit de ene wand gebroken, waarvoor in de plaats aan de ene kant een werkbank, die ik erg aardig vond. Voor de heer des huizes om z'n administratief werk aan te verrichten, voor moeder de vrouw om er bij te zitten naaien en voor de kinderen om er hun huiswerk te maken, Ze kunnen hiervoor op deze manier toch in de huiskamer blijven (wat veel kinderen graag willen), want ze worden niet te veel afgeleid, doordat ze met de rug naar de overige gezinsleden toe zitten. Aan de andere kant was een flinke ruime kast aangebracht en in het midden was nog juist ruimte voor een speelhoekje voor de kinderen. Het viel mij op hoe ook steeds om een eigen plaatsje voor de kinderen gedacht was. In deze kamer was zoveel ruimte, ook weer doordat de eettafel in een hoek gezet was, waar men ook een leuke vaste zitbank had. Zo was er zelfs nog plek voor een gezellig zitje.
Hierna stelden we ons op voor twee naast elkaar gelegen kamers die dezelfde afmetingen hadden, met nagenoeg dezelfde meubels waren ingericht en de ene toch veel ruimer en lichter leek dan de ander. Hoe was dat mogelijk? Rustiger vloerbedekking, geen 'bloemetjesbehang', een effen stofje op de stoelen, een betere verlichting en weg met alle overbodige snuisterijtjes. Een voorbeeld dat het slechts heel weinig behoeft te kosten, vaak alleen maar een beetje meer moeite, om onze kamer wat gezelliger in te richten.
Nadat we alles goed in ons opgenomen hadden, gingen we naar de kachelafdeling, ook hetelucht- en oliekachel waren te zien. Deze laatste bevalt ons erg goed, ik kook er ook veel op, maar ja, Je moet de schoorsteen wel eerst goed na laten zien en neem vooral een kachel met de juiste capaciteit.
Van de stalen vloerbedekkingen vond ik het linoleum voor de huiskamer van een kinderrijk gezin toch wel het meest praktisch. Hygiënisch en gemakkelijk in het onderhoud. 't Is eerst wel even prijzig bij de aanschaf, maar onze rondleidster verzekerde ons dat het minstens 20 à 25 jaar meegaat. Viltzeil is veel goedkoper, maar laten we ons hierdoor niet laten verleiden, hoe snel lopen we het patroontje er af. Wel geschikt voor een logeerkamer of een vertrekje waar we weinig komen.
De strijkafdeling bracht allerlei soorten strijkijzers, ook regelbare en heel licht van gewicht, ideaal bij zittend strijken. Ik heb ook een paar keer zittend gestreken. 't Moet eerst wel even wennen, maar 'k merkte dat het lang niet zo vermoeiend is. Ook zagen we het nieuwe stomende strijkijzer. Invochten overbodig? Nee, niet helemaal, hoorden we, zwaarder en gesteven goed van te voren nog wel een beetje bevochtigen. De strijkplank was verstelbaar, dit met het oog op de goede hoogte waarop we toch altijd zoveel mogelijk moesten werken om onze krachten te besparen.
Het lavet met wasmachine en centrifuge leek me wel ideaal voor kleinbehuisden, maar overigens zou 'k liever losse machines hebben. Erg leuk vonden we het dat we de zaak even zagen draaien!
Inmiddels waren we aangeland bij een lange tafel met allerlei toestellen en huishoudelijke artikelen. Zoveel praktische dingen en handige snufjes, te veel om op te noemen. O.a. twee soorten pannen die ervoor zorgen dat de melk niet overkookt, geen extra schoonmaakwerk en een behoud van de melk. Er werd ons op duidelijke wijze uiteengezet waarop te letten als we een snelkoker gaan kopen en het was een verrassing voor me dat er zoveel soorten elektrische kacheltjes bestaan, Ook zagen we een theelichtje met twee elementjes, waarop je ook een flinke koffiepot kunt warm houden.
Voorts nog een afdeling bestek, glas- en serviesgoed. Alles eenvoudig, mooi van vorm en goed schoon te houden Hiermee hadden we het huishoudelijk gedeelte gezien en toen nog even naar het 'achterhuis'. Er werd ons eerst in cijfers te zien gegeven van welk groot belang de melkveecontrole toch is. Natuurlijk, want weet men niets van de productie af, dan bestaat immers het grote gevaar koeien met een lage opbrengst maar steeds aan te houden. Vervolgens werd ons gewezen hoe een goede melkwinning te verkrijgen, op goed melkgereedschap en juiste koelmethode. Gelukkig hebben wij dat nu prima voor elkaar, ook zo'n nieuw bussenrek, wat ons uitstekend bevalt.
En dan die werkbank! Goed gereedschap is natuurlijk een voornaam ding maar hoe vaak horen wij vrouwen de mannen niet roepen: 'Heb je de hamer ook gezien?" Al dat zoeken is niet nodig mijne heren! Maak zo'n handige werkbank met alle gereedschappen er boven hangend: de juiste op de juiste plaats!
Zo kwamen we bij het levend tentoonstellingsmateriaal: een goed en een slecht varken, Ja, een varken is nog zo maar geen goed varken. De verhouding in bouw speelt wel een grote rol. Laten we om de achterhammetjes denken!
Vervolgens vertelde onze voorlichtster van de verschillende middelen waarmee we gras inkuilen kunnen. Ook driepoot en dakruiters waren aanwezig. Zelf ruiteren we al enkele jaren en vinden het een ware uitkomst, vooral met natte zomers, waarmee ons landje nogal gezegend wordt. Sofie en Arendina lagen gezellig bij elkaar, keken wel een beetje verwonderd door zoveel belangstelling, maar wachtten geduldig op hun toekomstige gelukkige eigenaar.
We namen nog vlug enkele nuttige folders en vouwbladen van de adviestafel mee, nogmaals een klein (jaloers) blikje naar de prachtige koperen ketel gevuld met fleurige bloemenschat en toen weer huiswaarts om te gaan melken. 's Morgens had ik niet zoveel zin om te gaan, maar ik kwam zeer opgetogen terug. Niets werd ons opgedrongen, overal werden ons de goede maar ook de minder goede eigenschappen van verteld. Deze onpartijdige voorlichting vond ik heel plezierig. En òf we wat opgestoken hebben deze middag! Mijn man kwam zo onder de indruk van mijn enthousiaste verhalen dat we er op een avond nog een keer samen heen geweest zijn.

"Een bezoekster".

* * *


RECTIFICATIE _________________________________________________________

Helaas is er bij de namen van de personen op groepsfoto in het decembernummer 1997 een fout gemaakt. Bij nummer 14 moet worden gelezen J. Pot-Mulder in plaats van J. Pot-Schuurman.
(Dit is in de tekst aangepast)

* * *


HEMPSPROAT (een olderwets gedicht) _________________________________________________________

Klazien Bijker


Begunt as lappien ongebliekt ketoen,
onder de 'Singer' rap een manluu-hemp met slippen.
Perfect model, doaran vült niet te tippen,
maar altied onder 't eeuwig blauwe boezeroen.

Allenig 's zoatersoavund, heel klassiek
wûrden mien zunden in de soda lûsewiekt.

Moandag Verzoendag: spulen, blieken, blauwen,
ha hé, dan joegtern met mien zwoele bolle vriend.
Mien Gloriedag, mien Stoeidag met De Wiend
Van split tut split, van oksel, hals tut mouwen.

Maar, op de duur kreg ieder averi'j;
slietage gonk mien kneupsgat niet veurbi'j.

Dus toen det drama … 'k kon 't hoast niet verkroppen:
- het puttien zat zo dichte as een pot -
Mien slippe an een droad, van hemp tut vod.
In 't sliemerig riool, mien imits nor de knoppen!

Mien grote trots, mien eigen lief en leed,
in gisterige stank, in ondergronds gezweet.

Toch ….noa 't karwei, een glorieus verhaal:
hoe het tussen droad en slipp'n geweldig bottem.
En hoe ze saam de moddergeute dottern!
'Nilj perspectief' vund slippe wies. En de moraal:

Kan het lêven oe soms doanig kraken,
toch dapper uut die putte zien te raken.

* * *


ZANGVERENIGING 'IMMANUËL' _________________________________________________________

A Visser

Ook zo'n vijftig jaar geleden werd er volop gezongen en namen koren aan zangconcoursen deel. Op een concours in Steenwijk ging de zangvereniging 'Immanuël' uit Den Hulst-De Meele er met de eerste prijs vandoor.

In 1946 werd in Den Hulst de Christelijk Gemengde Zangvereniging 'Immanuël' opgericht. Met veel enthousiasme werd er geoefend voor het zangconcours van 1947 in Ommen. Het baatte echter niet, want toen het koor na dit concours thuiskwam, hadden alle koorleden de "lippe op 't onderste kneupsgat" vanwege de zeer lage waardering van de jury.
Er moest een andere dirigent komen, Het zangkoor uit de Vinkenbuurt had pas een nieuwe dirigent gevonden in de heer Willem Huzen. Dat beviel goed en dus deed ook het bestuur van 'Immanuël' een beroep op de heer Huzen, Onder zijn bezielende leiding begonnen de koorleden van 'Immanuël' zich voor te bereiden op het volgende concours De repetities werden gehouden in de Openbare Lagere School op De Meele.
Op 6 mei 1948, Hemelvaartsdag, vond in Steenwijk dat volgende zangconcours plaats. Het daar prachtig gelegen park "Ramswoerthe" was een uitstekende locatie voor dit festival. De leden van de zangkoren uit de Vinkenbuurt en uit Den Hulst-De Meele zongen als lijsters. Dirigent Huzen zat uitstekend in zijn rol, dat was goed te merken aan de mimiek van zijn gezicht en aan al zijn bewegingen en gebaren.
Toen de jury aan het eind van de dag de uitslag bekend maakte, bleek dat èn het zangkoor uit de Vinkenbuurt èn het zangkoor uit Den Hulst het er bijzonder goed hadden afgebracht met respectievelijk 326 en 328 punten en dat was de hoogste score van het gehele concours. Dus een eerste prijs!
Uit de puntentelling bleek dat dit succes vooral te danken was aan de zeer hoge waarderingen en de zeer hoge cijfers, die de juryleden hadden toegekend aan de dirigent!
Ter gelegenheid van dit feest werd er een foto gemaakt van het zangkoor 'Immanuel'.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  

Gerrit Schuurman
Klaas Stegeman
Willem Kragt
Jan van Veen
Derk Jan Schoemaker
Wolter Nijboer
Egbert Kragt
Evert Bos
Jan Brinkman
Henk Kijk in de Vegte
Arend Huzen
Klaas Huzen
Aaltje Belt
Geertje van Ankum
Dina Boesenkool
Stientje Vonder
Evertje Kijk in de Vegte
Jentje Schuurman
Annie Klosse

20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  

Geesje Schoemaker
Jansje Bonte
Arend Klosse
Herman Brinkman
Hilligje van Ankum
Derk Jan Klomp
Albert Visser
Willem Huzen
Egbert Mos
Klaas van
Riek Evertsen
Mina Meulenbelt
Jentje Boesenkool
Stina Schuurman
Jennie Hogenkamp
Diewertje Bisschop
Aaltje Krale
Dina Bruggeman
Sophie Klein

* * *


BEREND JAN STROINK _________________________________________________________

Omstreeks 1835 vestigde de eerste Stroink zich vanuit Twente in Nieuwleusen. Het was Bernhardus Hermannus, die in 1837 trouwde met Willemina Snijder van het Ruitenveen. Zij kregen drie kinderen, waarvan Berend Jan de jongste was. Hij werd geboren op 11 februari 1843 en werd in tegenstelling tot zijn vader en oudste broer, die beiden timmerman waren, meer aangetrokken tot het boerenbedrijf. Uit zijn huwelijk met Hendrikje Vossebeld op 9 juli 1870, werden zeven kinderen geboren, waarvan er twee jong overleden en twee zoons ongehuwd bleven. Van de drie dochters bleef de jongste op de ouderlijke boerderij wonen en verzorgde haar vader tot zijn overlijden op 21 augustus 1943, ruim honderd jaar oud.

Op 11 februari 1943, midden in de oorlog, was er feest in Nieuwleusen. De oudste inwoner vierde toen zijn honderdste verjaardag temidden van familie, buren, notabelen, schoolkinderen en muziek. In de Zwolse Courant van 12 februari werd onderstaand verslag gedaan van deze bijzondere dag. Op 13 februari kwam de krant nog met een verslag van het bezoek dat de Hazeuzangers aan de honderdjarige brachten. Dit verslag is aansluitend opgenomen.

Een honderdjarige in Nieuwleusen
Het was gisteren een bijzondere dag voor Nieuwleusen. De heer B.J. Stroink, wonende aan het Oosteinde, vierde zijn honderdsten verjaardag, en dit zeldzame jubileum was voor allen, die er verder wonen, van hoog tot laag en van groot tot klein, aanleiding om mede te leven, en deel te hebben aan de feestvreugde. Nu was daar alle aanleiding toe, want de honderdjarige is nog een krasse oude baas, die zelf in de eerste plaats voldoening aan zijn eeuwfeest beleefd heeft.
Dagen tevoren verheugde hij er zich al op, dat hij den elfden Februari in het middelpunt der belangstelling zou staan, en het was ook op zijn verlangen, dat de buren hedenmiddag nog eens bij hem op bezoek kwamen om gezamenlijk Hazeuversjes, - dat zijn oude stichtelijke liederen, die men vroeger op het repertoire der zangvereniging uit de buurt had staan, - te zingen. Stroink is werkelijk kras voor zijn jaren, en zo op het oog kan hij nog best een paar jaartjes mee, al heeft het gezichtsvermogen hem wat begeven.


V.l.n.r. zittend: mevrouw Backx, Albert Stroink, Berend Jan Stroink en Arend Stroink.
Midden: Aaltje Stroink en Wilhelmina Brouwer-Stroink.
Achterste rij: Ds. Moen. Hendrik Koezen, Jantje Koezen, Hendrikje Stroink, Hendrikje Brouwer, een nichtje Van de Burg, mevrouw Moen en burgemeester Backx.

(nog wat aanvullende informatie)


Toen we hem gistermiddag, in gezelschap van burgemeester en mevrouw Backx en ds. en mevrouw Moen, kwamen feliciteren, zat hij parmantig aan zijn lange pijp te trekken in een gemakkelijke stoel bij de kachel. Voor hem op tafel lag wel een meter lange taart, van de schoolkinderen, en mevrouw Backx zette daar de taart naast, die zij zelf voor hem gebakken had. En weet u wat de burgemeester had meegebracht? Twee pakjes rooktabak! Voor het huisje stonden de schoolkinderen opgesteld, en ter ontvangst waren vrijwel alle kinderen, - vijf van de zeven zijn nog in leven, - kleinkinderen (9) en achterkleinkinderen (19), aanwezig (het eerste achter-achterkleinkind van Stroink is op komst). Gezamenlijk hebben zij ogenblikken van vreugde en voldoening beleefd met den honderdjarige, die nog zo kras en monter in hun midden zat. De schoolkinderen hebben gezongen, de Broederband en Crescendo hebben het op hun wijze tot uitdrukking gebracht, kortom heel Nieuwleusen leefde mee met het feest van den dag.

De honderdjarige
De viering van het eeuwfeest van de heer B.J. Stroink, dat gans Nieuwleusen donderdag zulke vreugdevolle ogenblikken heeft geschonken, kreeg gisteren een apart accent doordat toen, op verzoek van de jubilaris de nog in leven zijnde leden van de zangvereniging, waarvan hij vroeger deel had uitgemaakt, zich rond hem verenigd hebben, om gezamenlijk de Hazeuliederen nog eens te zingen. Johannes Hazeu was een Nederlandsche dichter van stichtelijke liederen, die van 1755 tot 1835 leefde. Hij genoot blijkbaar de voorliefde van Stroink toen deze nog actief zanger was. Het waren allemaal bejaarde mannen en vrouwen, die zich thans op de deel verzamelden; de voorzanger was 70 jaar. Maar aandoenlijk klonk hun samenzang van het stichtelijke lied. Stroink zong dapper mee. Hij kende de liederen uit zijn jonge jaren nog precies en genoot oprecht van het oogenblik, waarop de herinnering aan zo menig geslaagd uur weer tastbare werkelijkheid werd. En de talrijke aanwezigen genoten mede; om hem en om het lied, waarvan zoveel ernst en wijding uitging op het feest van de honderdjarige in hun midden.

In de Meppeler Courant van ? oktober 1937 was een vraaggesprek met de toen 94-jarige Berend Jan Stroink opgenomen onder de kop: "De oudste inwoner van Nieuwleusen".

De 94-jarige Berend Jan Stroink
vertelt van het Nieuwleusen van vroeger

Ook Nieuwleusen heeft zijn oudste inwoner. Het is Berend Jan Stroink in de Kerkenhoek, die op 11 Febr. a.s. 95 jaar hoopt te worden.
Op een van de mooie stille herfstavonden van deze week, toen de sterren twinkelden en de hooge boomen van de Kerkenhoek zich donker afteekenden tegen de maanlichte lucht, hebben we Stroink eens opgezocht en met hem gepraat over de oude tijd, over Nieuwleusen van toen ....
Toen er hier alleen nog maar zandwegen en geen auto's waren, toen een reis naar Zwolle op minstens drie uur werd geschat, toen er nog van die heerlijke, ouderwetsche winters waren en toen de postkoets nog langs de Dedemsvaart reed en in het posthuis op De Lichtmis van paarden wisselde.
Toen de wereld nog zoo groot en het leven zoo rustig was ....

Om met een oude man of een oude vrouw van tegen de honderd op voet van een zekere vertrouwelijkheid te komen, is - we hebben dat wel eens meegemaakt - buitengewoon moeilijk. Ze hebben een soort coquetterie, die ze als een beschermend pantser om zich heen dragen en waarop verwend jong meisje van twintig jaloersch zou kunnen zijn. Als je niet zoo gelukkig bent, direct de juiste snaar te treffen, schei dan maar uit en ga naar huis.
Bij Stroink ging het van een leien dakje. Hij wilde wel in de krant - waarom niet? - en hij "stond ons een onderhoud toe," zoals dat met de bereidwilligheid van een beroemd zanger, die dat dagelijks bij de hand heeft.
Het was wel een omgeving om te mijmeren over vroeger. De oude baas zat in zijn hooge stoel op de eereplaats naast de kachel. In de groote koperen ketel zong het water voor de koffie zijn vertrouwde lied en het beweeglijke licht van de petroleumlamp gleed een beetje onzeker over de tafel en over de schouw met haar blinkende tegeltjes met veel schepen en molens. Zoo was het vijftig jaar geleden ook ....
- Ja, zei Stroink, ik ben op 11 Febr. 1843 in Nieuwleusen geboren. Ik ben er zelf wel bij geweest, maar ik weet er niets meer van ....
Ik heb mijn heele leven in Nieuwleusen gewoond. Timmerman. Met 12 jaar van school, scharrelde ik eerst zoo'n beetje thuis om en toen ik een jaar of 15 was, ging ik met mijn vader en mijn oudere broer mee de boer op. We gingen soms uren en uren loopen met de zware gereedschapskist op de nek en hadden dan 's avonds 12 stuivers verdiend, 's zomers 18 stuivers.
Ja, dat wàs wat! ....

Lange dagen en weinig verdienen. Maar het geld had toen veel meer waarde dan nu. Alles was niet zoo duur en we hadden lang niet zooveel op te brengen als tegenwoordig.
Uitgaan kenden we niet. Een heel enkele keer gingen we eens naar Zwolle of Meppel, natuurlijk te voet. Naar Zwolle was het drie uur loopen en drie uur terug. En dan waren we 's avonds nog niet moe. Kom daar nou eens om.
Maar 's winters, als het ijs in de vaarten lag! Toen had je nog winters! Dan gingen we op de "scheuvels" naar Zwolle ....- Hoe lang duurde dan de reis? , vroegen we.
- lk weet het waarachtig niet. Dan staken we zoo vaak op onderweg, dat ik beslist niet meer weet, hoe vlug we feitelijk op de schaatsen in Zwolle konden komen. De Ommerdijk en vooral De Lichtmis was een geliefkoosde pleisterplaats. Hier was ook een halte voor de diligence, de postkoets, die met drie paarden ervoor langs de Dedemsvaart reed. Op De Lichtmis werden de paarden altijd omgewisseld en konden de passagiers de inwendige mens versterken. lk heb de postkoets vaak in galop langs de Dedemsvaart zien snellen, de postillon met zijn lange zweep op de bok ....
Ja, er was een groot verschil tusschen Nieuwleusen toen en nu. Alle huizen hadden rieten daken en alle wegen waren zandwegen. lk weet nog best, dat de steenen hier in de weg gekomen zijn. Dat was in 1881 of 1882. (De weg Ommerdijkerbrug naar Plankenloodsje kwam in 1880 gereed, red.)
Toen ik zoo'n jongen van een jaar of twintig was, was ons mooiste werk de "spin-avonden". Dat ging 's winters soms avond aan avond de heele gemeente door. Het ging bij dat gespin in die "lösse huussies” soms mooi toe Er was vroeger altijd herrie tusschen de jongens van Nieuwleusen en Den Hulst. Ik heb daar zelf echter nooit last mee gehad. Ik liep maar overal en had nooit ruzie. Alleen één keer .... (en de oogen van de oude baas lichten op bij de herinnering). Dat was in de "Loodse” (Planken Loodsje), toen we op weg waren naar Zwolle. Ik drönk een magien toe en er was een kèèrel die dat niet 'ebben kon. Hij pakte mi'j van achteren an en toen houwde ik mit mien glas dwars deur de kleppe van zien pette hèn. Toen was 't uut ....
De vijand van toen en het meisje waar het om ging zullen wel reeds lang zijn overleden, maar nòg wordt de oude baas kwaad, als hij aan deze gebeurtenis terugdenkt en zijn arm, die niet meer zoo vlug en zoo sterk is als toen, doet onder het vertellen de slag met het glas nog eens na. Nu in de lucht, want de klep van de pet die toen geraakt werd ....
- Mar ik bin nog nooit mit 't gerecht in anraking 'ewest en doar bin 'k bllede om" ....

Zoo praten we nog een poosje door over vroeger, toen alles nog zoo gemoedelijk was. Over de oude meester Eshuis op de oude school in de Kerkenhoek en over Ds. Batterink (waarschijnlijk Wolterink, red.), die Stroink in zijn jonge jaren catechisatie gaf. Over de "zangschoele" waar "azeu-stukkies" werden gezongen en "Broeders, thans is 't tijd van strijden". Vreemde en kleurrijke beelden en gestalten van menschen, die al lang van het aardsche tooneel verdwenen zijn, komen in deze kamer, waar het schijnt of de tijd er een halve eeuw heeft stil gestaan.
Stroink, nog vele jaren!

* * *


NI'JLUUSENER WOORDEN X _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

waart oe!
wachten
wagenloze
wagenwuppe

wantabelig
wapse
waren
bij de warken
warkstelling
wasdukien
wasknippe
wêele
weer
weerkomen!
weg kroepertien
welteren
wèteren
wezeboom

wichter
wied
wieder
wiederop
wiedhen
wiedwagens
wiemel

wiendbuul
in de wier
wierbûzzel
wierig
wil(le)moeds
wille
ni'jaor winnen
wisse
wisse
wissigheid
witte bi'jn
worst gaffel

kijk uit!
tijd hebben
wagenschuur
krik om de wagen mee op te lichten om bv de as te smeren
onrustig
wesp
oppassen voor
bij de hand zijn
werkplan
wasdoekje
wasknijper
(van) wie
gecastreerd schaap
kom nog eens
verstoppertje
op de rug wentelen van paarden
vee drenken
paal bovenop een voer hooi om dit vast te zetten
klein soort pruim
ver
verder
verderop
vergevorderd; opgeschoten
wagenwijd
plaats aan de zolder om spek en worst op te hangen
opschepper
verward
verward haar; kruin
beweeglijk
moedwillig, met opzet
plezier
nieuwjaar wensen
strodraad
zeker
zekerheid
sneeuwvlokken
2tandige vork om worst uit de wiemel te pakken

zachtbasten
zachten
zachtlappies
zagemaal
zandschieten
zaokerig
zei'je
zei'jen
zelfbiender
zènde
zieden empies
zodaluk
zodde
zodómmest
zoerlander
zogedaonig
zokke
zolter
zòor
zotte
een beste zudde
zûkkeren
zunnlgs
zûrge
zuutnat

zweetlèpel
zweetuppers
zweure
zweurtien
zwiemelen
zwiemelig
zwil(legies)

bonen met zachte peul, bv sperzieboon
genezen van een wond
bloem: prikneusje
zaagsel
zand uitgraven
miezerig (bij regen)
melkzeef
melk zeven
stropdas
zeis
oude klein en rood gevlekte appelsoort
zo meteen
gestoken turf
zo meteen
zuurprulm
zo is het gegaan
slappeling, slome
varken van 100 pond
witte aanslag op eikenblad
gebruikt smeervet
een hele berg
gestadig regenen
zondags
leunstoel
melk met stroop of suiker voor op gort met pruimen
schop
kleine oppers
zwoerd; zode
zwoerdje
wankelen; slingeren met de fiets
wankel, duizelig
bij elkaar geharkte rij hooi of gras


Correcties
Bij de laatste Nieuwleusener woorden aangekomen, moeten we u nog een paar correcties geven op eerdere afleveringen.

Jaargang 14, nummer 2, juni 1996:

luttien (ipv luttie)

een beetje


Jaargang 14, nummer 4, december 1996:

schriwakster

Vlaamse gaai (ipv scholekster)


Jaargang 16, nummer l, maart 1997:

smû (ipv smu)
storig (ipv steurig)
stulpenbarg(ipv stulpbarg)
stuke (ipv stuuk)

lenig
gestaag
berg met opbergruimte voor vee
in ringen opgestapelde turf
(Deze correcties zijn aangebracht in de tabellen)

Bedankt
Voor uw inbreng en reacties wil ik u op deze plaats hartelijk bedanken. Laten we met z'n allen zuinig zijn op het Nieuwleusener dialect.
In de volgende aflevering van dit kwartaalblad volgen nog een aantal nagekomen Nieuwleusener woorden. Schiet er u nog een woord te binnen, laat het dan rustig weten aan
A Schoemaker-Ytsma

* * *


DE HERKOMST VAN EEN OUDE KRUIWAGEN _________________________________________________________

Toen op 21 oktober 1996 de eerste spa voor museum Palthehof de grond in ging, werd dat zand door burgemeester A. ten Oever op een kruiwagen gespit en vervolgens weggevoerd. De kruiwagen die daarbij gebruikt werd, kwam uit de eigen verzameling van het museum en werd enkele jaren geleden door de heer A. Visser geschonken. Oorspronkelijk werd de kruiwagen gebruikt door zijn schoonvader Arend Kijk in de Vegte (1887-1965). Deze was getrouwd met Marrigje Schoemaker (1887-1963). Van 1920 tot 1960 woonden zij aan de Meeleweg in de boerderij op onderstaande foto.


Jaargang 16 nummer 2 juni 1998

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

3 april 1998. Op deze datum werd museum Palthehof feestelijk geopend. De redactie heeft gemeend om dit nummer in zijn geheel te wijden aan deze gebeurtenis. U treft hierna dan ook de toen gehouden toespraken aan, samen met een serie foto's van deze bijzondere middag.

* * *


DE INLEIDING _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Dames en heren, als voorzitter van de Historische Vereniging "Ni’jluusn van vrogger" heet ik u namens het bestuur van harte welkom. U bent hier vanmiddag naar toe gekomen voor de opening van museum Palthehof, maar voor dat het zover is, zal er eerst nog iets gezegd moeten worden. Niet alleen door mij, maar ook door een paar anderen.
De openingshandeling zal niet hier plaats vinden, maar straks bij het museum. We zullen daar naar toe wandelen, wanneer onze speciale gast is gearriveerd. Die moet eerst nog even van de 'tram' gehaald worden, vandaar dat ze wat later is. Maar als de toespraken voorbij zijn, zal de optocht er wel ongeveer zijn.
Deze middag wordt gesponsord door Café-Restaurant 'De Viersprong". De familie Reurink heeft dit gebaar spontaan naar onze vereniging gemaakt en dat wordt door ons zeer op prijs gesteld.
IJ krijgt vanmiddag de consumpties dus zowel letterlijk als figuurlijk geschonken door Café-Restaurant 'De Viersprong".
Omdat het dialect ook tot het culturele erfgoed van Nieuwleusen behoort, hebben wij gemeend daar ook enige aandacht aan te moeten besteden. De man die u zojuist hoorde zingen is dialectzanger Aalt Westerman en hij is bereid geweest dit onderdeel voor zijn rekening te nemen.

Op deze feestelijke dag gaan onze gedachten ook even terug naar december vorig jaar, toen wij afscheid moesten nemen van ons gewaardeerde bestuurslid Manny Koopman. Door haar ziekte heeft zij helaas niet kunnen meewerken aan de inrichting van het museum. Hoewel zij niet in Nieuwleusen was geboren, had zij volop interesse in de plaatselijke geschiedenis. De realisatie van museum Palthehof had dan ook haar warme belangstelling. Namens het bestuur zijn vanmorgen bloemen op haar graf gelegd.

Voordat wij overgaan tot de toespraken, moet er eerst nog een nota worden betaald, want anders ben ik bang dat wij straks het toegangshek tot het museumterrein gesloten zullen vinden. De heer Alteveer uit Dalfsen is de leverancier van dat hek en hij heeft ons de deurwaarder beloofd wanneer wij de nota niet zouden betalen. Het ging ons eigenlijk wel een beetje boven de begroting, maar uiteindelijk heeft onze penningmeester met veel moeite toch het gevraagde bedrag bij elkaar kunnen krijgen. Die nota zal dus eerst even betaald moeten worden. Mijnheer Alteveer, als u zo vriendelijk wilt zijn om naar voren te komen, dan kunt u de vordering incasseren, als u tenminste een gezegelde kwitantie kunt overleggen als bewijs dat wij onze schuld hebben voldaan.


Nadat de penningmeester de 35 centen uit 1963 voor de heer Alteveer heeft uitgeteld, tekende deze de gezegelde kwitantie.

* * *


DE VOORZITTER _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Dames en heren, vandaag is het een grote dag voor Nieuwleusen in zijn algemeenheid en voor onze vereniging in het bijzonder. Na een lange periode van inspanning wordt nu dan eindelijk museum Palthehof geopend.
Aan deze dag gingen meer dan drie jaar hard werken vooraf. Jaren waarin beslissingen genomen moesten worden, gelden moesten worden bijeengebracht, veel overleg moest worden gepleegd, een gebouw moest worden gerealiseerd en tenslotte dat gebouw tot een museum moest worden ingericht.
Dat het uiteindelijk allemaal is gelukt, is te danken aan zeer velen. In de eerste plaats natuurlijk de gemeentelijke instanties met de burgemeester als warm pleitbezorger, Zonder de gemeente was het niet mogelijk geweest dit project te realiseren,
Ook aan de Hervormde Gemeente van Nieuwleusen zijn wij veel dank verschuldigd. Met hun medewerking is museum Palthehof op een mooie plaats in het groene hart van Nieuwleusen gerealiseerd.
Ook de bijdrage van de Provincie was zeer welkom. Niet minder belangrijk was de financiële steun van het bedrijfsleven, middenstand en bevolking, die ten dele met de hulp van de scholen werd verkregen. Vooral de spontane reactie van een aantal bedrijven heeft ons getroffen, zoals vanmiddag bijvoorbeeld die van Café-Restaurant "de Viersprong".
Als dank voor de renteloze en aflossingsvrije lening van Rabobank Hasselt-Nieuwleusen hebben wij gemeend om de ruimte in het museum waar het boerengereedschap en de ambachten zijn ondergebracht de Boerenleenbankzaal te noemen.
Dank ook aan de architect, de aannemers, installateurs, schilders en alle mensen van het team dat museum Palthehof heeft gebouwd. Zij allen hebben in het Palthebos een prachtig gebouw neergezet waar Nieuwleusen trots op kan zijn.
Voor de inrichting kon dankbaar gebruik gemaakt worden van een schare vrijwilligers. Eén daarvan wil ik hier met name noemen en dat is de heer Jan Zondervan. Hij heeft het afgelopen half jaar een en ander voor ons zeer vergemakkelijkt.
Niet in de laatste plaats gaat de dank van het bestuur uit naar de leden van de vereniging. Zij hebben ons als bestuur hun loyale vertrouwen en de morele steun gegeven om dit museum te realiseren.

Het gebouw museum Palthehof heeft over het algemeen bewondering gewekt. Het bestuur en de vrijwilligers hebben hun best gedaan het ook binnen de muren aantrekkelijk te maken. Of dat is gelukt, zult u straks zelf kunnen beoordelen.
Een deel van de ruimte is ingevuld met twee tentoonstellingen die alleen dit jaar te zien zullen zijn. Omdat het in september 100 jaar geleden is dat koningin Wilhelmina als zodanig in functie trad, is er aan haar een tentoonstelling gewijd.
De andere tijdelijke tentoonstelling is een eerbetoon aan de laatste Palthe die betrekkingen met Nieuwleusen had, juffrouw Gulia Palthe. En hoewel zij al in 1928 is overleden, wordt er nog regelmatig over haar gesproken. Ze woonde weliswaar in Oldenzaal maar verbleef ‘s zomers graag in haar huisje in Nieuwleusen. Voor de bevolking heeft zij veel goed gedaan. Veel onroerende goederen vermaakte zij bij testament aan de Hervormde Gemeente en aan de pachters van haar boerderijen. Haar vele roerende goederen zijn her en der verspreid terecht gekomen, onder andere in musea. Een aantal voorwerpen hebben wij kunnen achterhalen. De Oudheidkamer Twente, die tegenwoordig is ondergebracht bij het Van Deinse Instituut, museum het Palthehuis in Oldenzaal, het Stedelijk Museum in Zwolle en museum De Waag in Deventer hebben hun medewerking verleend aan de totstandkoming van de tentoonstelling rond de erfenis van juffrouw Palthe.
Wij zijn hen daarvoor bijzonder dankbaar. Zonder deze musea was het niet gelukt deze, naar onze mening, exclusieve tentoonstelling tot stand te brengen.
Ook hebben wij gemeend aandacht te moeten besteden aan de jeugd. Dankzij financiële bijdragen van de Contactcommissie Nieuwleusen - Saint Albans, de Rotaryclub, Rabobank en het comité 'Hand in hand' kunnen wij voldoen aan onze educatieve taak voor de jongeren. Door de dames van de Commissie Kinderhoek Museum Palthehof is een hoek ingericht voor kinderen en zijn spelletjes aangeschaft waar wij in onze jeugd ook mee speelden. Met name voor de hoogste groepen van de basisscholen is apparatuur gekocht voor een diaklankbeeld over de geschiedenis van Nieuwleusen. Dit klankbeeld kon uit het eigen diabezit worden samengesteld. De realisatie van een lesbrief en speurtocht door het museum staan nog op het programma.
De overige ruimte is in een min of meer vaste opstelling gevuld met voorwerpen uit de verworven collectie die de aanleiding voor de bouw van het museum was en uit de eigen collectie van de Historische Vereniging.

Dames en heren, bij nieuwe activiteiten verdwijnt er vaak veel van het oude. Dat was vroeger al zo, dat is nu zo en zal in de toekomst niet anders zijn. Maar niet al het oude kan ook bewaard blijven. Er zal een duidelijke selectie gemaakt moeten worden om datgene te bewaren wat van belang is, wat de historie kan dienen en wat de geschiedenis en het leven van onze voorvaderen kan verklaren.

De collectie die de Historische Vereniging heeft kunnen verwerven is maar een deel van datgene wat voor de historie van Nieuwleusen van belang is. Maar het is wel een belangrijk deel, ook al blijkt er hier en daar op een zolder nog wel eens een onverwacht stukje historisch materiaal te liggen.

Bij de gemeentelijke herindeling, waarbij naar verwachting Nieuwleusen als zelfstandige gemeente zal ophouden te bestaan, zal er weer het nodige verdwijnen. Het is echter zaak om datgene wat voor de geschiedenis van Nieuwleusen van belang is, ook in Nieuwleusen te bewaren en niet onder te brengen op een andere plek. Hier hoort het thuis. Het materiaal hoort bij haar geschiedenis. En als die zich in Nieuwleusen heeft afgespeeld, dan moet men in de eerste plaats die handelingen uitvoeren die het verleden eer aan doen.

Nu museum Palthehof dan gerealiseerd is, zullen we al onze aandacht op de exploitatie moeten richten. En al zijn we dan geen commercieel bedrijf, we zullen kritisch naar onze financiën moeten blijven kijken. Nieuwleusen is nu niet direct een plaats waar de toeristen in grote massa naar toe zullen komen. Museum Palthehof zal zijn best doen om zoveel mogelijk bezoekers binnen de poorten te krijgen. Maar het bezoekersaantal en de bijdragen van onze 500 leden, kunnen niet alles financieren wat goed is voor het museum.
Wanneer wij, en dan bedoel ik de gemeenschap van Nieuwleusen, met museum Palthehof goed voor de dag willen blijven komen, dan is daar ook van andere zijde steun voor nodig. Dan kan een gemeentelijke bijdrage voor enkele jaren wel soelaas bieden, maar is de kwaliteit die het museum wil bieden in de toekomst niet gewaarborgd. En het zou bijzonder jammer zijn wanneer wij er niet in slagen er uit te halen wat er in zit. Daarvoor hebben wij als vereniging ons de afgelopen jaren niet zo ingespannen.

Onze vereniging behoort met zijn ruim 500 leden tot de grotere verenigingen in de gemeente. Zij heeft in de ruim 15 jaar van haar bestaan een plaatsje gekregen bij de vele inwoners die haar een warm hart toedragen. Met deze wetenschap gaan wij met vertrouwen de toekomst tegemoet, Een toekomst die niet meer denkbaar is zonder museum Palthehof.

* * *


DE BURGEMEESTER _________________________________________________________

A. ten Oever

Dames en heren, het bestuur van de Historische Vereniging; ik heb nog nooit zulke vechtjassen gezien. Ze begonnen niet zo enthousiast, maar ik moet zeggen, het leken net van die oude paarden die het werk haast hadden gedaan en eindelijk de haver zagen, ze werden steeds drukker. De eerste aanzet ging ook moeizaam. Toch hebben ze het met elkaar klaar gekregen om vandaag dit museum te openen.

Een bekend citaat luidt: "In het verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal". Hedendaagse ontwikkelingen staan niet op zichzelf; ze komen voort uit wat en hoe het was. Het verleden moeten we daarom in ere houden, waarderen, koesteren en er van leren. Wat deftiger uitgedrukt: we moeten proberen om "historisch besef" bij ons zelf te kweken En wat nu zo leuk is en steeds leuker wordt is dat veel mensen bezig zijn met stamboomonderzoek. In steeds meer plaatsen zijn historische verenigingen actief met lezingen, film- en diavertoningen, historisch onderzoek enz. Historische boeken en geschriften vinden gretig aftrek. In de streektaal, over de streekcultuur en natuurlijk ook in het Hollands. lk kan u een paar mogelijke oorzaken hiervan aanwijzen:
Ten eerste denk ik, dat de snelheid van de tijd waarin we leven ons doet hunkeren naar de rust van vroeger, een tijd zonder autosnelwegen met lange files en zonder televisie of computer.
Ten tweede noem ik de verdergaande individualisering van onze maatschappij, die ons met enige weemoed naar vroeger doet verlangen. Vroeger toen er, veel meer dan tegenwoordig, sprake was van gemeenschapszin en naoberschap.
Ten derde denk ik dat we tegenwoordig kunnen beschikken over meer vrije tijd, die ons in staat stelt onze nieuwsgierigheid naar hoe het vroeger was te bevredigen.

Maar beste mensen, ik zou een ouderwetse burgemeester zijn als ik hiermee afsloot en dat wil ik niet. We moeten vroeger aan de andere kant ook niet te erg idealiseren en hiermee verworvenheden en mogelijkheden van onze tegenwoordige tijd wegschuiven of bagatelliseren, Daarmee bewijzen wij onze voorouders geen dienst. Zij hebben zich immers ook ingezet om de mankementen van hun tijd te verbeteren. lk denk hierbij bijvoorbeeld aan de slechte arbeids- en leefomstandigheden, de gezondheidszorg die ernstig te wensen overliet en niet in de laatste plaats de onmogelijkheden van elk mens om zich door middel van educatie en scholing te ontplooien.
U weet dat ik mij altijd zeer geïnteresseerd heb in het eigene van een cultuur, een plaats, een dorp, een streek of provincie. Soms liggen bepaalde plaatsen dicht bij elkaar, terwijl we toch kunnen spreken van een eigen karakter van elk van deze plaatsen De verschillen worden groter naarmate de afstand tussen plaatsen en gebieden groter is. Zo ook Nieuwleusen. We moeten Nieuwleusen niet op een hoop harken met andere Overijsselse of Drentse dorpen, hoewel er natuurlijk overeenkomsten zijn. In het dorp Dwingeloo, waar ik ben opgegroeid, heet de historische vereniging niet voor niets "Dwingels eigen". In de jaren dat ik hier nu werk, heb ik aan den lijve gemerkt dat er ook duidelijk sprake is van "Ni'jluusns eigen”.
Vandaag zien we de aandacht voor het verleden en het Ni'jluusns eigen bij elkaar komen in Museum Palthehof. lk heb grote bewondering voor de wijze waarop velen zich hebben ingezet om dit museum van de grond te krijgen. Al deze noeste werkers zeg ik hartelijk dank. U heeft getoond oog te hebben voor het verleden. U heeft niet alleen vooruit willen kijken, maar ook eens achterom. U eert het verleden en daarom bent u het heden waard. Nogmaals, mede namens het gehele gemeentebestuur en namens de hele Nieuwleusense gemeenschap, hartelijk dank!

Dames en heren, in dit museum zal de eigen historie van Nieuw leusen worden bewaard en tentoongesteld. Er zullen lezingen worden gehouden en er zullen dia's en filmbeelden van vroeger worden vertoond. Wat ik persoonlijk heel belangrijk vind, is dat onze jeugd een plaats krijgt in dit museum. U moet straks de speelhoek maar eens zien. lk stond er bij en ik had de neiging om er in te gaan spelen. Die kinderen zullen straks niet alleen het oude Nieuwleusen zien, maar ook via dat hele moderne klankbeeld zullen ze kunnen zien hoe ook hun voorouders hier hebben gewoond en gewerkt. Hiermee wordt zichtbaar en duidelijk gemaakt dat het estafettestokje op weg naar de verdere toekomst, steeds weer wordt doorgegeven.

In dank aan en met respect voor wat eerdere bewoners van Nieuwleusen en deze streek hebben gepresteerd, mogen wij als nieuwere generaties ons mooie dorp verder ontwikkelen in samenwerking met de provincie Overijssel. De provincie zijn we nodig en zij hebben ook dit gesubsidieerd.


Meer dan tweehonderd genodigden luisterden in "De Viersprong" naar de toespraken.

Een bijzonder woord van dank aan de Nederlands Hervormde Gemeente die, door tussenkomst van Willem Stolte, bereid is gevonden om deze prachtige plaats af te staan voor dit museum. Ik durf te zeggen dat in heel Overijssel nergens zo'n plaats beschikbaar is voor een museum. Als straks het blad aan die mooie eikenbomen zit en de rust die daarvan uit gaat, dan denk ik dat we uniek zijn.

Maar wat is een museum in oprichting zonder sponsoren? We hebben met elkaar de mouwen opgestroopt om geld vanuit de bevolking te krijgen, In dit verband wil ik het comité van aanbeveling (Frans Visscher, Johan Mulder, Betsy van den Berg, Bas Reehorst en Arend ten Oever) noemen. We hebben gesjouwd en gefietst om geld bij elkaar te krijgen. De bedragen maken we niet bekend, maar alle sponsoren zijn aangeplakt aan de muur. Er kwam een heel groot bedrag en toen een iets lager en allemaal wat lagere, maar met elkaar is het ƒ 60.000,= geworden.
Er zijn in ieder geval twee bedrijven bij die dezelfde naam hebben en die per rijwiel hier kunnen komen. De super-sponsor was Rabobank Hasselt-Nieuwleusen, een bank die midden in ons maatschappelijke leven staat.

Op een positieve wijze heeft de Gemeenteraad van Nieuwleusen meegedacht en de waarde van het historisch besef onderstreept. Als voorzitter van het college ben ik de raad veel dank verschuldigd Wij hebben met elkaar geprobeerd In overleg, hoor en wederhoor om hier iets te realiseren waar we denk ik heel trots op zullen zijn.
lk ben blij, voorzitter, heel erg blij, dat ik straks de openingshandeling mag verrichten zodat het museum voor eens en voor altijd geopend mag zijn.

* * *


DE DIRECTEUR VAN DE RABOBANK _________________________________________________________

G.A. Visser-Ritskes

Voorzitter, dames en heren, allereerst van harte gefeliciteerd met dit prachtige museum. Althans aan de buitenkant, want van binnen heb ik het nog niet mogen zien. Het staat natuurlijk op een schitterende locatie en volgens mij op de mooiste plek van Nieuwleusen.

De Rabobank staat voor 'Samenwerken'. Wij zijn dan ook blij dat we, althans financieel, middels een bijdrage uit het winstbestemmingsfonds, hebben kunnen meewerken aan de oprichting van uw museum.

Samenspel wil zeggen: georganiseerd zijn en samen gaan voor een doel. Als verlengstuk of basis voor uw museum zou een actieve VVV met een eigen vestiging zeker een wens kunnen zijn. Als Rabobank willen wij ook een dergelijk initiatief graag van harte ondersteunen. Nu het museum er is en er zeker in dit gezelschap enthousiaste mensen zijn die nu weer thuis moeten gaan zitten, zou ik willen zeggen: kom met initiatieven en laten we samen kijken in hoeverre dit een realiseerbaar feit kan zijn.

Voorzitter, bestuur van de historische vereniging 'Ni'jluusn van Vrogger' en inwoners van Nieuwleusen, van harte proficiat met dit museum. lk wens u heel veel bezoekers en heel veel succes.

* * *


DE APOTHEKER _________________________________________________________

H.C.J. Sikkens

Geacht bestuur, beste aanwezigen.
'Vertel me eens', vroeg een gewaardeerde collega uit Hengelo, 'hoe kom ik eigenlijk bij jouw apotheek?'
lk legde haar uit dat, komende vanuit Twente via Ommen de Hessenweg tot aan Oudleusen moest worden gevolgd Daar zou een wegwijzer van de ANWB het verder allemaal wel gemakkelijk maken. Kortom, de weg van Oudleusen naar Nieuwleusen. De stap is al een beetje gemaakt, maar ik doe er toch nog een paar minuten over om tot de afsluiting te komen.
Wel, als ik de geluiden goed heb verstaan, dan zal deze weg binnenkort in één gemeente liggen. De gemeente, die hier wordt vertegenwoordigd door de burgemeester. En ik kan u vertellen dat hij niet alleen de motor achter het tot stand komen van het museum is, maar ook zeer goed met zijn commissie in staat is gebleken om iedereen te motiveren om het museum mogelijk te maken.
Met een van zijn voorgangers had ik zo nu en dan contact over de culturele aspecten van Nieuwleusen, haar bevolking en de mogelijkheden om de identiteit vanuit het verleden naar de toekomst toe te koesteren en te versterken. Over de mogelijkheden was deze burgervader toen niet zo optimistisch, maar de dag van vandaag gaat daaraan, naar mijn mening, een positieve impuls geven. Natuurlijk zijn het de mensen in de vereniging die het bewustzijnsproces moeten bevorderen en de activiteiten moeten ontwikkelen om het culturele erfgoed in stand te houden. Maar de zo karakteristieke plaats waar nu het museum wordt geopend, is daarbij wel een uitermate krachtige katalysator voor de vereniging “Ni'jluusn van vrogger".

Dan volgt nu, in plaats van aan het begin, de aanhef en reden van mijn inleiding, meteen gevolgd door de afsluiting:
Een van de belangrijke stappen op weg naar de realisatie van de Palthehof was het verwerven van fondsen. In eerste instantie besloot de vereniging over te gaan tot verkoop van een bezit van de vereniging, namelijk een stuk grond aan het Westerveen. Dat was voor mij, zoals velen van u weten, een belangrijke beslissing. Na de zomervakantie van 1995 heb ik op een veiling het perceel grond van de vereniging mogen kopen. Inderdaad 'mogen', want de vereniging behield zich het recht voor ook de hoogstbiedende het te mogen gunnen of niet te gunnen, vandaar dus 'mogen' kopen. Daarmee is een karakteristieke locatie voor de bouw van onze nieuwe woning verkregen en is mijn woonlot gekoppeld aan het feestvarken van vandaag. Dat verder natuurlijk de bedrijven en de plaatselijke bevolking heel veel hebben gedaan aan de totstandkoming, dat is al uit en te na gezegd en ik kan mij daar alleen maar bij aansluiten.

Geacht bestuur, beste leden van de vereniging "Ni'jluusn van vrogger”, vandaag is het Oude Nieuwleusen en de Nieuwe Oudheidskamer in Museum Palthehof verenigd.
Ik vroeg aan mijn collega: 'Kon je het vinden?'
'Natuurlijk', zei zij, 'na Oudleusen is Nieuwleusen een peuleschilletje!'
Met de complimenten voor en de felicitaties ter gelegenheid van de prachtige, nieuwe Palthehof hoop ik dat Nieuwleusen en omgeving de weg van oud naar nieuw ook zo gemakkelijk kunnen vinden en begrijpen.

Een van de eerste activiteiten op de grond die we hebben mogen kopen, het voormalige bezit van "Ni'jluusn van vrogger", was de plaatsbepaling van de woning en de vaststelling van de fundamenten, Daarbij kwam als eerste voorwerp uit de grond een hoefijzer, dat door de laatste bewoner, waarvan bekend is dat hij daar een boerderij heeft gehad, is achtergelaten. lk ben niet bijgelovig, maar het is een aangename verrassing die in voorspoed doet geloven, Het is mij daarom een genoegen dat kleine stukje erfgoed aan het bestuur van de vereniging aan te bieden; het geluk kome u toe!
Kort en goed: een mooie dag en hierna een mooie tijd gewenst.
Ik heb gezegd.

* * *


DE AANNEMER _________________________________________________________

H.T. Heetebrij

Voorzitter, ik zal het kort houden.
Leden van het bestuur van de Historische Vereniging “Ni'jluusn van vrogger", hierbij wil ik u namens de aannemers Brinkman, Tempelman en ondergetekende en ook namens architect Prins van harte geluk wensen met de in gebruik name van het nieuwe museum. Het is, zoals u weet, grotendeels gebouwd door leerlingen, wat een afspiegeling is van wat vroeger ook veel gebeurde. Men maakte een gebouw klaar vanaf het begin tot het einde en dan moest men het vak verstaan. Dames en heren, zoals u straks zult zien is dat ook hier gelukt.
Nogmaals onze gelukwensen en ik hoop dat u er tot in lengte van jaren een mooi gebouw aan heeft.

* * *


HET COMITÉ ZOMERPOSTZEGELS _________________________________________________________

A. Sierink-van Es

Als bestuur van "Ni'jluusn van vrogger” heeft u op 14 april 1997 een aanvraag ingediend bij het Landelijk Fonds Zomerpostzegels/Ouderenpostzegels voor de aanschaf van een tweetal diaprojectoren en/of een brandvrije kast voor het opbergen van de diacollectie.
Op 22 april 1997 werd dit verzoek afgewezen. De reden was: aanvragen Voor projecten die bestemd zijn voor een doelgroep die ruimer is dan de categorie 'personen van 50 jaar en ouder' kunnen niet in behandeling worden genomen.
Afgelopen januari hadden wij hier in hotel-restaurant 'De Viersprong" onze jaarlijkse provinciale vergadering, met daarbij als hoogtepunt een kijkje in het museum Palthehof, dat toen nog niet voltooid was. Tijdens die vergadering hebben we met de directeur van het Fonds Zomerzegels, mevrouw Geling, over deze afwijzing gesproken. Als plaatselijk comité waren we het niet eens met deze afwijzing. Ons verzoek aan haar was daarom de aanvraag nog eens te heroverwegen. Door het bezoek aan het Palthehof kwam mevrouw Geling erg onder de indruk.
Vandaag, 3 april 1998, op de officiële opening, kan ik u vertellen dat de aanvraag alsnog is gehonoreerd. In overleg met het plaatselijk comité kunt u een bedrag van ƒ 7.500,= gaan besteden voor het Palthehof. Van harte gefeliciteerd namens het gehele comité Zomerpostzegels/Ouderenpostzegels!

Reactie van de voorzitter. Een complete verrassing. Wij hadden bericht gekregen dat het besluit over de hernieuwde aanvraag pas half april genomen zou worden. Wij zijn hier erg blij mee. Plaatselijk comité, onze hartelijke dank voor jullie inspanning.

* * *


DE BAKKER _________________________________________________________

H. Borger

Vorig jaar waren wij aanwezig bij het plaatsen van een gedenksteen in museum Palthehof. Nu, een jaar later, mogen we aanwezig zijn bij de feestelijke opening van dit prachtige museum, een aanwinst voor Nieuwleusen.
Als plaatselijke 'echte bakker' hebben we al heel wat 'van vrogger' meegemaakt. Wij dragen de gemeenschap een warm hart toe. Daarom hebben wij vorig jaar het 'Palthebroodje' ontwikkeld, waarvan steeds van ieder verkocht broodje een kwartje van de verkoopprijs ten goede zou komen aan het museum. Op deze feestelijke dag willen wij u graag de opbrengst aanbieden in de vorm van een cheque van ƒ 1.500,=.
Veel succes toegewenst.

Reactie van de voorzitter Dames en heren, het Palthebrood smaakt prima Dat zeg ik niet omdat een kwartje van elk verkocht brood voor het museum bestemd is, maar wij hebben dat wel degelijk uit eigen ervaring. Bovendien horen we dat van diverse kanten. Wij hebben dan ook wel eens geprobeerd mensen te stimuleren in het kopen van een Palthebroodje, En heel eerlijk gezegd, dat was misschien wel een beetje voor het kwartje.

* * *


DE CONSERVATOR _________________________________________________________

R.A. Olde Dubbelink

Geacht bestuur, dames en heren, in de eerste plaats wil ik als conservator van Museum Het Palthehuis te Oldenzaal het bestuur en de vele vrijwilligers hartelijk feliciteren met de totstandkoming van het prachtige museum Palthehof in Nieuwleusen. Een museum dat de naam van een welbekende familie draagt. Een familie die zowel in Oldenzaal als Nieuwleusen veel voor de gemeenschap heeft betekend en veel heeft gedaan.
Net zoals Oldenzaal heeft ook Nieuwleusen veel te danken aan de laatste bewoonster van het Palthehuis en het Spijker, Gulia Palthe. Dat de eerste expositie van het nieuwe museum Palthehof over deze bewoonster gaat, is dan ook geen toeval. Deze zo toepasselijke tentoonstelling geeft een prachtig beeld van deze bijzondere vrouw.

Graag wil ik van deze gelegenheid gebruik maken om een aardige anecdote van Gulia Palthe te vertellen over haar bezoek aan Nieuwleusen, We hebben in het palthehuis in Oldenzaal een klein dagboekje van haar, waarin ze vrij keurige korte berichtjes heeft geschreven. Ze hebben maar betrekking op een paar jaar van haar leven, haar jeugd. Het was toen een vrij ziekelijke vrouw en ze werd in Oldenzaal in een wagentje rond gereden omdat ze moeilijk kon lopen Ze mocht ook nooit dansen. Op haar soirees moest ze altijd weigeren aan vereerders of heren die haar ten dans vroegen. Het staat allemaal heel keurig in haar dagboekje geschreven
Ze had jaarlijks twee uitjes; het een was haar vakantie met haar familie in Bad Oeynhausen in Duitsland. Het tweede uitje was natuurlijk Nieuwleusen, waar ze altijd met veel plezier naar toe ging.

Ze was beschermvrouwe van de muziekvereniging in Nieuwleusen. Wanneer de beschermvrouwe Nieuwleusen met een bezoek vereerde, legde zij het laatste deel van haar reis af met de Dedemsvaartsche stoomtram tot Den Hulst. In Den Hulst stond dan de fanfare opgesteld om de beschermvrouwe op gepaste wijze te ontvangen De landsvrouwe nam buigend, als een vorstin het eerbetoon in ontvangst en schreed naar de open landauer, om met kastelein H. Bakker van café "Het Witte Peerd" op de bok, naar het Spijker, haar zomerverblijf, te rijden. De stoere mannen van de muziekvereniging sprongen dan op hun fiets, haalden de koets in en zorgden er voor dat hun beschermvrouwe ook bij haar zomerverblijf met muziek werd ontvangen.

Op 26 maart 1928 overleed zij op 65-jarige leeftijd in het Palthehuis te Oldenzaal. Toen haar testament werd geopend, bleek dat verschillende musea en particulieren rijkelijk bedeeld werden.
lk ben dan ook verheugd dat museum het Palthehof het voor elkaar heeft gekregen verschillende voorwerpen uit Gulia's bezit bijeen te brengen in een prachtige tentoonstelling, die naar mijn mening veel bezoekers zal trekken. Tot slot spreek ik de hoop uit op verdere samenwerking tussen het Palthehuis en het Palthehof.

* * *


DE MEDEDELINGEN _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Dames en heren, het is nu tijd om naar buiten te gaan en de optocht met onze speciale gast, en dat is juffrouw Palthe zoals u inmiddels wel al begrepen zult hebben, op te wachten en vervolgens aan te sluiten.

Maar eerst heb ik nog een paar mededelingen:
De tuin rondom het museum is pas ingezaaid met graszaad. U wordt verzocht om daar niet op te lopen, maar op de stenen te willen blijven. Voor het museum ligt een hoop zand. U wordt verzocht ook daar niet op te lopen, want volgens de dames wordt de vloer dan zo smerig en zullen ze morgen extra aan de slag moeten. En als u weet dat ze al zo hun best hebben gedaan, dan sta ik niet voor de gevolgen in.


Onder begeleiding van muziekvereniging 'De Broederband" werd juffrouw Palthe met de koets van G. van de Kolk van 'de tram' gehaald.

Die bult zand die ligt daar trouwens al een hele tijd. Volgens mij is dat nog het zand van de eerste spa die de grond in ging. De burgemeester heeft toen de kruiwagen vol gespit en die een eindje verder omgekieperd. En sinds die tijd is dat gewoon blijven liggen. Wij hebben het al die tijd niet aangedurfd om het werk van de burgemeester te verbeteren, maar nu hij er vanmiddag toch is, weet je maar nooit.









Hierna trok de stoet, voorafgegaan door muziekvereniging "De Broederband" en juffrouw Palthe, in optocht naar het museum. Daar aangekomen werd juffrouw Palthe verwelkomd door burgemeester A. ten Oever.


Bij het museum stond de Folkloristische Volksdansvereniging Nieuwleusen e.o. gereed om een drietal dansen uit te voeren, waarna aan de voorzitter een brief werd overhandigd.

De voorzitter: In de brief van de folkloristische volksdansvereniging Nieuwleusen e o. staat dat wij een foto krijgen aangeboden, die op dit moment nog niet klaar is, met het verzoek deze een mooi plaatsje in het museum te geven.


De Folkloristische Volksdansvereniging Nieuwleusen e.o. werd tijdens hun optreden omringd door enkele honderden toeschouwers.

En als we toch bezig zijn met de ingekomen stukken:
Vanmorgen kwam er een brief binnen van de Middenstands- en reclamevereniging Nieuwleusen met de volgende inhoud: Wij feliciteren u van harte met de opening van museum Palthehof en bieden u daarbij deze vlaggemast aan.

* * *


DE BUURTVERENIGING _________________________________________________________

L. de Roo-Monsuur

Beste meensen, wi’j bint hier namens de buurtvereniging van de burgemeister Van der Grondenstraote um de Historische Vereniging "Ni'jluusn van vrogger” te feliciteren met dit mooie museum Palthehof.

De bewoners van oeze straote viend het een verrieking van oes dorp um zo'n mooi museum te hebben. Het komp now mooi uut dat wi'j nog een paar stuuvers in oeze kas hadden. Wi’j dachten dat het wel mooi zul wezen dat oeze straote bi’j de opening ok wat zol geven. Nao dat veule wark dat jullie edaone hebt, wil ie ok wel een posien zitten, dachte wi'j.
Wi'j hoopt dat ie er met zien allen en ook met de bezuukers veule plezier van zult hebben.


De dames A van Duren (2e van links) en L. de Roo (rechts) bieden namens de buurtvereniging een tuinameublement aan.

De voorzitter: Dames en heren, het leven is vol verrassingen en de laatste tijd zijn dat voor ons bijna alleen maar plezierige verrassingen. Het is duidelijk dat het museum leeft onder de bevolking. Dit geschenk van de buurtvereniging Van der Grondenstraat wordt zeer gewaardeerd. Een hele straat die zo maar een geschenk aan het museum aan biedt, mag best uniek worden genoemd. Wij hopen dat het een mooie zomer wordt zodat het heerlijk is om op de banken te zitten en te genieten van het Palthebos.
Maar het moet ook weer niet te mooi worden want dan ben ik bang dat de bezoekers liever aan het water verkeren dan naar het Palthehof te komen. Mensen van de buurtvereniging, hartelijk dank voor dit mooie geschenk.

* * *


HET DANKWOORD _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Voordat ik nu het woord aan juffrouw Palthe geef, wil ik u, dames en heren, namens het bestuur hartelijk dank zeggen voor uw felicitaties, voor de cadeaus, voor de goede woorden die vanmiddag zijn gesproken en voor uw aanwezigheid. Het is goed te weten dat er mensen zijn die onze doelstellingen steunen. Wij hebben de aanzet gegeven tot realisatie van dit museum. Wij hopen dat museum Palthehof tijdens de duur van de erfpacht, en dat is 100 jaar, zal bewijzen dat het zijn bestaan waard is.

Eigenlijk is dit bewijs nu al geleverd door de aanwezigheid van juffrouw Palthe. Zij heeft de moeite genomen nog een keer naar haar geliefde plekje in Nieuwleusen te komen.
Juffrouw Palthe, ik wil nu graag het woord aan u geven. Als u hier komt staan bij dit stuk moderne techniek van tegenwoordig en u hierin spreekt, dan kan Iedereen u verstaan. Juffrouw Palthe, graag aan u het woord.

* * *


DE JUFFROUW _________________________________________________________

'Gulia Palthe' (H. van Berkum-Jans)
(De tekst van deze toespraak is van Klazien Bijker-van Hulst)

Geachte aanwezigen, lieve mensen. Allereerst mijn hartelijke dank voor uw uitnodiging voor dit feestelijk gebeuren, de opening van museum 'Palthehof".
Daarnaast heeft het mij diep getroffen, de unieke intocht die mij ten deel viel, want hoe lief waren mij destijds uw plaatselijke muziekkorpsen. Bovendien is het heerlijk te weten dat mijn naam na zeventig jaar nog in uw herinnering is.
Reeds tussen de twee wereldoorlogen heb ik het tijdelijke voor het eeuwige verwisseld en ik kan u zeggen het was goed rusten. Echter heb ik mij wel enkele malen in mijn graf moeten omdraaien, want de eikenbomen in de Kerkenhoek, waarvan ik in mijn testament heb bepaald dat die tot sieraad van Nieuwleusen moesten blijven staan, zijn omgehakt. De ouderen onder u zal het ook niet zijn ontgaan dat mijn zozeer geliefde monumentale huisje "Het Spijker" ten prooi viel aan de slopershamer.
Vrienden, het was mij droef te moede.
Ook was er verdriet in mij toen duidelijk werd dat het onderhoud van het naar mij genoemde Palthebos, dat bestemd was voor de rustminnende wandelaar, zozeer te wensen overliet. Dus heb ik mij nogmaals moeten omdraaien. En wonderlijk genoeg kwam toen alles weer op zijn plek. Het rusten was weer goed, want de kinderen dansten op het mos.
En nu …. april 1998. Dat het dit keer niet bij omdraaien gebleven is, mag wel een zeer bijzondere reden hebben. Een zeer bijzondere ja, want wat wij hier zien aan creativiteit, doortastendheid, ijver en saamhorigheid grenst werkelijk aan het ongelooflijke.
Het is mij dan ook een grote eer om Nieuwleusen en zijn bevolking van harte geluk te mogen wensen met deze fraaie aanwinst, dit paradijselijke stukje "Palthehof".
Dit karaktervolle museum, achter wiens muren een schat aan Nieuwleusens verleden schuil gaat, zal er zorg voor dragen dat dit dorp, ondanks zijn toekomstige partnerschap met Dalfsen, zijn eigen identiteit behoud. En een volk dat zijn geschiedenis behoudt, behoudt zijn ziel.
Lieve mensen, ik wil u vragen om, samen met hen die het voortouw namen, ook in de toekomst de schouders samen onder dit project te zetten, een ieder naar het talent dat hem of haar is gegeven. Men is dit aan het voor- en nageslacht verplicht.
Wat dat betreft zou u meteen kunnen beginnen, want die wonderlijke molshoop is mij waarlijk een doorn in het oog. Enne heb ik niet begrepen dat Nieuwleusen een burgemeester heeft met een paar sterke Drentse boerenhanden?


'Gulia Palthe' tijdens haar toespraak; de burgemeester is onder de indruk en denkt na over wat hij nog zal zeggen.

* * *


DE OPENINGSHANDELING _________________________________________________________

A. ten Oever

Ik wil der direct wel an beginnen, maor ik wil toch nog even wat zeggen. Zi'j prat zo hooghaarlemmerdieks en 't is ok wel een aordige tante, toen ze zo net aan 't daansen waren, toen zeg ze: " 't Liekt mi'j niet zo arg best op die klompen. Zul ie ok nog wel mit kunnen doen?"
Ik zegge, dan doen wi'j det toch direct.
"Nee", zeg ze, "'ik bin van adel" (smoesje).

En eerluk gezegd ik heb der een poossien naost estaone en ik dachte holt ze mi'j now veur de gek of niet veur de gek; ik weet 't nog niet. Maor wat ik wel weet is det ik hardstikke bliede bin det zi'j hier vanmiddag ewest hef.


De burgemeester verrichtte de openingshandeling door de hoop zand in de kruiwagen te scheppen, …….

lk mag dan now dizze handeling doen. Det kleine bultie zaand det heb ik toen wij begunt bint daor neer elegt.

Ik zat an ien ding te denken en dan stop ik der geliek met: de gemiddelde leeftied van 't bestuur lig ietsies boven mien leeftied. Det is niet zo arg en ik heb al ezegd det 't noeste warkers waren. lk wil die noeste warkers namens 't gemientebestuur nog ien keer gelok wensen mit dit mooie gebouw Palthehof.
Laot wi'j veur de toekomst niet vergeten det ok de jeugd hier in dit museum plekke mut hebben. Zi'j hebt een mooie ruumte veur exposities; gaat daar mit de schoelen naor toe. Laot wi'j niet alleen het beeld overhollen van een nostalgisch museum van olde gereedschappen. Dit museum mut ok toekomstgericht worden.
Dank u wel.


…..waardoor een gedenksteen zichtbaar werd met de tekst:

Museum "Palthehof”
geopend op 3 april 1998 door
A. ten Oever
Burgemeester van de
gemeente Nieuwleusen


In het museum was het dringen voor de genodigden, De oude schoolbanken riepen bij de meesten herinneringen op aan hun schooljaren.


Grietje Kreule en Arend ten Oever probeerden de hoepels uit.


Jaargang 16 nummer 3 september 1998

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Omstreeks 1960 werd een moderne manier van hooien toegepast. Het hooi kwam op ruiters en kon zo een aantal dagen blijven staan om te drogen. er waren zowel drie- als vierpoot ruiters.

* * *


DE HAANDEN UUT DE BUSE! _________________________________________________________

Bas den Oudsten
Overgenomen uit 'De Spiegel'

Eeuwenlang hebben de mensen in de woestenij van veen, zand en moerassen hard gewerkt onder kommervolle omstandigheden. Hun gebied was moeilijk toegankelijk en het heeft lang geduurd eer deze streek tot ontwikkeling kwam. Maar vandaag de dag is het zo ver dat Nieuwleusen de eerste gemeente in ons land is die geheel verkaveld werd. Maar in Nieuwleusen klinkt dan ook de roep: "'De haanden uut de buse!"

Iedereen, die via Zwolle naar het Noorden rijdt, komt bijna zeker door de gemeente Nieuwleusen; de verkeersweg Zwolle-Meppel ligt er dicht langs en de spoorlijn leidt er dwars doorheen. Maar behalve degenen, die beslist in deze hoekig begrensde gemeente tussen Vaart en Vecht moeten zijn, neemt vrijwel niemand de moeite om de verkeerswegen in de steek te laten, om de gele lissen te zien bloeien en te gaan kijken hoe hier ruim 4700 mensen in alle stilte leven en werken in twee dorpen en twee buurtschappen met talloze kleine boerderijen van Saksisch karakter
Dit gebied geeft de indruk als zou de mens hier reeds lang geleden de strijd tegen vader Tijd hebben opgegeven en rustig voortleven zoals generaties voor hem dat ook al gedaan zouden hebben; de ene dag rustig in de andere laten vloeien in de regelmaat van de eeuwigheid.
Maar die indruk is bepaaldelijk misleidend. Nieuwleusen is in zekere opzichten uniek, al was het alleen maar, omdat dit de eerste gemeente in ons land is die geheel werd verkaveld, waar de landerijen in lange rechte lijnen aaneen liggen. Dit feit met alle gevolgen van aanpassing en modernisering, van zich wijzigende arbeidsmethoden, van een veranderende mentaliteit en een groeiende ondernemingsgeest bij de bevolking, is alleen al de moeite waard en wint aan betekenis, voor wie in de historie van deze gemeente gaat "graven".
De naam Leusen kwam in 1311 al voor in de vorm van Lusne en Leusen, hetgeen overigens sloeg op Oudleusen, een dorp behorend tot de gemeente Dalfsen, van waaruit men zich in het grijs verleden beijverde om de woestenij van veen, zand en moerassen dienstbaar te maken, omdat er een tekort was aan weidegrond.

Met plezier de kamferkisten geopend
Eeuwenlang hebben hier mensen hard gewerkt en onder kommervolle omstandigheden geleefd in een moeilijk toegankelijk gebied. En het heeft lang geduurd, voor deze streek een beetje tot ontwikkeling kwam.
Burgemeester E_H_ Mulder van Nieuwleusen heeft ons dit verteld in het raadhuis met de fraaie raadszaal van zijn gemeente. Burgemeester Mulder is een beweeglijk man naar alle kanten. Hij is ter navorsing van de historie van Nieuwleusen in het provinciaal archief te Zwolle gedoken en reeds op het moment dat hij in deze gemeente kwam, is hij volledig geïnteresseerd in de vele vraagstukken en plannen om er het beste van te maken. En dat lukt, met hulp van vele deskundigen en uiteraard met de activiteit van de bevolking zelf.
Kort geleden heeft Nieuwleusen uit pure tevredenheid over de ontwikkeling nog eens met plezier de oude tijd zien herleven, de tijd, toen iedereen nog de Overijsselse klederdracht droeg, toen de kerkplaatsen nog bij opbod werden verhuurd, toen de buurt alles van de buurt wist enz. De inwoners van de gemeente openden nog eens de kamferkisten en doken massa's kledingstukken van de klederdracht op, de dracht, die, nu de gemeente een ander gezicht heeft gekregen, zo onwezenlijk lijkt en een waardevol brok romantiek inhoudt. De gang van deze gemeente van oud naar nieuw, van plooimuts naar landbouwtractor, van moeras naar goed en vruchtbaar land, werd nog eens teruggeroepen in een openluchtspel dat jongeren in Nieuwleusens openluchttheater opvoerden, vlak naast een terrein waar de boeren andermaal kennis konden nemen van de moderne werkmethoden en mogelijkheden.


Modernisering op de boerderij van Marten Schaapman; de koeien worden machinaal gemolken.

Vele boeren hebben hun bedrijf gemoderniseerd, zulks met overheidssteun. Maar Keulen en Aken zijn niet op één dag gebouwd, ook niet in Overijssel en burgemeester Mulder gaat het nooit te hard. Hij heeft de mensen nog eens toegesproken als burgervader en hij heeft gezegd: "Nu zijn de kansen er nog om met overheidssteun uw bedrijf en daarmee de gemeente op hoger plan te krijgen, maar binnenkort is het misschien afgelopen. Grijpt uw kans." En zo is het. Er is veel gebeurd in Nieuwleusen en het was nodig, maar er moet nog meer gebeuren.
Men begon al lang voordat de gemeente (in 1815) ontstond, eeuwen geleden, de woeste gronden in dit gebied te ontginnen en dat was van zo grote betekenis, dat de pioniers er zelfs belastingvrijdom voor kregen. Maar een groot deel van het jaar waren vele landerijen niet meer dan verdronken land. De ontwateringstoestand was zo slecht, dat sommige percelen maandenlang onder water stonden.
"Dan konden ze het hooi niet van 't land kriegen en dan kregen de peerden sokken an, anders zakten ze weg", vertelde ons de heer D.J. Massier, die in het culturele en agrarische leven van Nieuwleusen een belangrijke functie vervult.
Toen is in 1927 in Nieuwleusen de eerste of tweede ruilverkaveling in ons land uitgevoerd, zulks zonder sanering van het kleine boerenbedrijf. En kort geleden is de herverkaveling van de rest van de gemeente klaargekomen, waarmee Nieuwleusen de eerste gemeente in ons land is die geheel is verkaveld. En ze weten het, daar in Nieuwleusen, want men heeft het bij het verkavelen en bij het laten voortbestaan van het kleine bedrijf niet gelaten.

Reeds meer dan de helft werkt mee
Het is nog niet zo heel lang geleden dat men hier de klederdracht nog in ere hield, dat men nog bijgelovig was en dat men nog rogge verbouwde, niet omdat daar het meeste mee te verdienen zou zijn, maar omdat het wel het beste zou wezen; grootvader en overgrootvader hadden het ook al zo gedaan!
Men geloofde dat als je een slang in het veld doodde, dat die slang 's nachts naar je huis kroop en het slaapvertrek binnenkwam om zich te wreken. Menige boerenknecht is 's nachts overeind geschoten in bed. Wanneer een imker stierf, werd dat de bijen "aangezegd", en wanneer men uit de kerk naar huis wandelde en men hoorde plotseling in z'n verbeelding een klok twaalf uur slaan, dan zou op de plaats waar men stond, een boerderij worden gebouwd. Nu is er verkaveld en het landschap is veranderd, de mensen veranderen nog dagelijks.
Na afloop van de verkavelingen heeft het ministerie bedragen beschikbaar gesteld voor bedrijfsverbetering, Die gelden worden in Nieuwleusen met beleid verdeeld door de streekverbeteringscommissie, die een onderdeel vormt van de Stichting Agrarisch Welzijn, die talrijke vertakkingen heeft. Er worden buurtvergaderingen gehouden. Personeel van de landbouwvoorlichtingsdienst en de burgemeester bepraten de mogelijkheden met de mensen zelf en reeds meer dan de helft van de boeren werkt mee om eruit te halen wat erin zit en dat is nogal wat. Het blijkt uit de resultaten, die reeds op enkele bedrijven zijn behaald en waar door veranderde teeltkeuze, door betere werkmethoden en nieuwe activiteiten het gezinsinkomen, dat al te dikwijls op omstreeks driehonderd gulden per jaar bleef steken, is verdubbeld.


De Dedemsvaart, het levenswerk van Baron van Dedem, was in die jaren nog een belangrijke aan- en afvoerroute voor de industrie.

Het gaat de Stichting niet alleen om meer welvaart, maar ook om het welzijn in de meest ruime zin, om de levensvatbaarheid van het kleine bedrijf te vergroten, maar tegelijk om de levensomstandigheden hier zo goed mogelijk te maken.
Er worden praatavonden gehouden en excursies, spreekuren en cursussen, waarin boeren zelfs leren rietdekken en timmeren.
Burgemeester Mulder noemt dit hele gamma van activiteiten uniek in ons land.

Op de Bult van Derk Jan
Er zijn wegen aangelegd, de boeren hebben hun land niet meer op tien of vijftien ver uiteenliggende percelen, het land staat nooit meer onder water en kan meer intensief worden bewerkt. Bedrijfsvoorlichting en huishoudelijke voorlichting hebben effect. Bij het ene bedrijf is nu een tractor en een hooiblazer, elders, in een boerderij in de buurtschap De Meele, staat grootmoe Van Ankum nu de geiser open te draaien in de oude boerderij.


"k Zou 'm niet meer willen missen. Nou ja de douche, die is voor de jongelui" zegt ze. Goed, de jongelui gaan onder de douche, de jongelui gaan ook steeds meer studeren, in Zwolle. De jongelui hebben in het openluchttheater, waarin het podium is opgeworpen met uit een vijver gegraven modder, een idee van de heer D.J. Massier, wiens hoge podium men nu "de bult van Derk Jan" noemt, het openluchtspel over de oude en nieuwe tijd opgevoerd, het spel van de heer J. Bomhof, met de toepasselijke titel "De haanden uut de buse"_ (De handen uit de zak).
Bij de in 1829 gestichte kerk van Nieuwleusen is pas een jeugdgebouw ingericht met zalen voor hobbyisten, zulks naar een initiatief van dominee E. Kempenaar, die ertoe bijdraagt, dat er één ding niet zal veranderen, namelijk, dat de kerk een centrum blijft in Nieuwleusen.
Er worden scholen gebouwd in Nieuwleusen, maar men heeft nog gebrek aan kleuterscholen en een gymnastieklokaal. In Den Hulst floreert een rijwielfabriek, maar burgemeester Mulder is nog lang niet tevreden. "Ten aanzien van de streekverbetering hebben wij een unieke positie, maar we zijn er nog niet. Deze streekverbetering is de consequentie van de ruilverkaveling en daar kan men niet mee stoppen, zonder dat de mogelijkheden die de ruilverkaveling biedt, geschaad worden. We zijn met de streekverbetering nog maar op de helft. Vijftig procent, dat is half werk en half werk is geen werk, dus wij kunnen niet ophouden," zegt burgemeester Mulder, die even later wellicht een voorstelling in het openluchttheater opent of die nog later misschien door zijn gemeente rijdt en deze en gene eens opzoekt.




Burgemeester Mulder op bezoek bij "grootmoe Meneer" in mei 1959 bij haar 90ste verjaardag.
Zij woonde in een houten huisje op de hoek Den Hulst en de Van der Grondenstraat, het 'huis van Roodkapje'.


Tevreden met die ene kraan
Hij gaat dan naar de boeren, zoals oude Kragt in het scheefgezakte Saksische boerenhuis met de fraaie tegelplateau's, zoals die nog in vele huizen te vinden zijn. Kragt melkt een schaap, omdat schapenmelk zo lekker is in de koffie, zegt hij.
De burgemeester gaat ook naar andere boeren, die een hooiblazer of een tractor hebben aangeschaft, omdat die onmisbaar zijn, zeggen ze.
En de burgemeester daar gaat ook naar anderen in zijn snel veranderende gemeente, bijvoorbeeld naar "grootmoe Meneer", die, 91 jaar oud, in een huis van hout en asfalt woont bij Den Hulst en bij wie de moderne tijd ophield toen ze een halve eeuw geleden als schoolschoonmaakster een aansluiting op de waterleiding kreeg van een van de vorige burgemeesters, die in de voorkamer van het burgemeestershuis sliep en koeien hield in de burgemeesterstuin. Grootmoeder Mijnheer draagt nog de Overijsselse kap en ze is tevreden met die ene kraan, waarvoor zij die burgemeester van bijkans een halve eeuw geleden nog dankbaar is. Straks zullen alle inwoners van Nieuwleusen dankbaar kunnen zijn voor de activiteit van hun burgemeester van nu, voor die van landbouwvoorlichters en anderen, die er met vereende krachten op uit zijn om de kraan van welvaart en welzijn een eindje verder open te wringen….

Overgenomen uit 'De Spiegel' ca, 1960.

* * *


VIER BOERDERIJEN IN BRAND _________________________________________________________

Meppeler Courant

In een betrekkelijk korte spanne tijds zijn Dinsdagmorgen aan het pad te Nieuwleusen vier boerderijen in vlammen opgegaan, Door de felle Zuid-Oosten wind sprong het vuur in deze dichtbewoonde buurt van het ene rieten dak op het andere over. Die krachtige wind bemoeilijkte zeer het werk van de brandweer, die bovendien eerst nog te kampen had met een te lage druk op de waterleiding. Toen dat euvel was verholpen, kon een vijfde boerderij, waarvan het dak reeds in brand stond, behouden blijven. De vijf gedupeerde gezinnen zijn bij buren en familieleden ondergebracht.

Het begin van deze ramp lag in een schuurtje naast het woonhuis van de heer W. Boer aan het pad. Daar werd omstreeks tien uur brand ontdekt Maar in een oogwenk stond het huis, waarvan het achterste gedeelte met riet was bedekt, ook in lichter laaie. Een hooiberg, die achter het huis stond, brandde eveneens al spoedig als een fakkel.
Door de krachtige wind sloeg het vuur over naar het huis van het reeds bejaarde echtpaar H. Boerman, en vervolgens naar de twee woningen, bewoond door de timmerman L. Brinkman en zijn ouders, de familie H.J. Brinkman. Alle drie huizen waren eveneens met riet gedekt. Schuren en enige hooibergen werden eveneens een prooi der vlammen. De gehele oogst aan hooi en graan ging verloren.

Vrijwel machteloos
De plaatselijke brandweer was tien minuten na de eerste waarschuwing aanwezig. Zij kon echter maar weinig beginnen tegen de loeiende vlammenzee, die werd aangewakkerd door de wind, waarbij nog kwam dat eerst de druk op de waterleiding te gering was. Een bijzonder ongelukkige samenloop van omstandigheden. Vrijwel machteloos moest men aanzien hoe het vuur steeds feller om zich heen greep. Een vijfde boerderij dreigde ook aan de vlammen ten offer te vallen, die van de heer R. Kleen met de daarnaast staande hooibergen.
Dadelijk was echter reeds besloten de assistentie van de brandweren van Dalfsen en Ommen in te roepen, zulks in verband met de grootte van de brand. Reeds een kwartier na de oproep was het Dalfser-corps op de plaats des onheils. Inmiddels was ook de druk op de waterleiding vergroot, zodat toen het vuur kon worden aangepakt. Het corps van Ommen bracht bovendien nog een tankwagen met 3800 liter water mee, waarna met vereende krachten de vlammen konden worden tegemoet getreden. Van de boerderij van de heer Kleen was het dak reeds begonnen te branden. Het gelukte de zwoegende brandweerlieden echter om dit huis en de schuren en hooibergen te behouden. Van het pand van de heer De Boer bleef gedeeltelijk het met pannen gedekte woongedeelte staan. De andere panden brandden vrijwel geheel uit.


De boerderij in lichter laaie en ook de hooiberg heeft al brand gevat.

Weinig kon worden gered.
Het vuur had zo snel om zich heen gegrepen, dat van de inboedels en de inventarissen bijna niets kon worden gered Wat wel kon worden geborgen, liep veel schade op. Een varken en ongeveer 80 kippen van de heer Boerman kwamen in de vlammen om. Bij de heer H_J. Brinkman konden nog drie varkens uit de brandende stal gehaald worden. Een was door het vuur reeds zodanig gewond, dat het moest worden afgemaakt. De beide andere hoopt men te behouden. Uit een kamer, aangebouwd aan het huis, bewoond door de heer G. Schoemaker, kon nog enig meubilair geborgen worden.
Vijf gezinnen werden bij deze ramp dakloos. Zij zijn bij buren of familieleden ondergebracht. Omtrent de oorzaak van de brand tast men nog in het duister. Alles was (laag) verzekerd bij de Onderlinge Brandwaarborg Mij te Nieuwleusen.

Burgemeester Hoekstra was op het terrein van de ramp aanwezig. Hij verklaarde zeer tevreden te zijn over de snelle en flinke bijstand van de brandweercorpsen uit Dalfsen en Ommen. Tegen twee uur had men de brand volkomen onder de knie en kon het nablussingswerk beginnen. De ramp die dit deel van Nieuwleusen heeft getroffen, maakte diepe Indruk in de gemeente. Het medeleven met de getroffenen is algemeen, Een gelukkige omstandigheid bij al dit ongeluk is, dat deze brand overdag plaats vond. Bij nacht zouden de gevolgen in deze dicht bewoonde buurt niet te overzien zijn geweest.

Overgenomen ut de Meppeler Courant van 16 september 1953

Noot: Het pad strekte zich vroeger uit van het oosten naar het westen van de gemeente. Tegenwoordig noemen we dit gebied het Oosterveen, het Westerveen, het Ruitenveen en de Stadhoek. De brand had plaats op de hoek van het Westerveen en de Bouwhuisweg.

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO XXXX _________________________________________________________

Dit keer hebben we een foto van de Christelijk Lagere School te Ruitenveen van omstreeks 1927. Enkele kinderen dragen een medaille, vermoedelijk het geschenk van juffrouw Palthe ter gelegenheid van de 18e verjaardag van prinses Juliana.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  

Egbert Westerman
Mientje van Duren
meester Belt
Margje Meulenbelt
Mina Meulenbelt
?
Koop Krale ?
Arend Brouwer
Aaltje Alteveer
Mientje Alteveer
Aaltje Bouwman
mevrouw Siefers
Rinke Siefers
Jantje Beldman
Mina Beldman
Jan Grit
Lammert Jan Veldhuis

18 
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  

Femmigje Westerman
Hilligje Beumer
Willem Beldman
Jansje Beldman
Margje Hof
Margje Grit
Barteld Borger
Berend Jan Reuvers ?
Jan Timmerman
Aaltje Timmerman
Derkje Hof
Wim van Engen
Arend Prins ?
Willem Hof
Wollie van Engen
Jennigje Reuvers
Bertha Siefers

* * *


IS INWEIDING IN DE ROSENGAARDER MARKE EEN RECHT? _________________________________________________________

L. Mertguelo

Tot het midden van de vorige eeuw waren er in ons gebied uitgestrekte woeste gronden te vinden. Dat waren voor het grootste gedeelte heidevelden. Op de meest vruchtbare gedeelten temidden van deze gronden hadden zich boeren gevestigd. De hoger gelegen delen hadden zij in gebruik als bouwland; de lager gelegen delen werden als weide- en hooiland gebruikt. De woeste gronden rondom deze nederzettingen waren voor het merendeel gemeenschappelijk bezit, de zogenaamde markegronden. Toen de behoefte aan grond groter werd, ging men tot de verdeling van deze markegronden over. Zo werd de Rosengaarder marke in 1859 verdeeld. Omdat de boeren van Ruitenveen en Nieuwleusen deze gronden nodig hadden om er hun vee te laten grazen, kwam de vraag aan de orde hoe dit recht, dat ze meenden te hebben, na de verdeling kon worden gehandhaafd. Daartoe werd advies gevraagd aan de heer L. Mertguelo, advocaat bij het Hof van Overijssel. Onderstaand zijn relaas.

I Is de inweiding der ingezetenen van Nieuwleusen en Ruitenveen in de Rozengaardermarke als een regt te beschouwen?
II zoo ja, tot welke soort van regten behoort zij?
III Welke is de beste wijze om dat regt te handhaven?

Ad lum
De vraag of de ingezetenen van Nieuwleusen en Ruitenveen het regt van inweiding in de Rozengaardermarke hebben, dan of die inweiding het gevolg is van eene bloote vergunning kan alleen dan met stellige zekerheid worden beantwoord, wanneer de oorkonden, tot de Roozengaardermarke betrekking hebbende volledig en duidelijk zijn en wanneer men gelegenheid heeft dezelfde te raadplegen.
Het is niet waarschijnlijk dat de markeboeken der Marke aan de beide eerste vereischten voldoen, maar zeker is het, dat aan den ondergeteekende de weg niet is geopend om den inhoud dezelve te leeren kennen, daar dezelve berusten bij diegenen welke belang hebben om het bewuste regt niet te erkennen.
De onderteekende moet dus zijne toestemmende beantwoording dezer eerste vraag gronden op de stukken die hem door of vanwege de Commissie uit de ingezetenen van Nieuwleusen en Ruitenveen zijn meegedeeld.
Die stukken zijn:
A De processtukken (niet geheel volledig) behoorende tot een geding in 1816 en volgende jaren te Ommen en te Deventer door gecommitteerden van Rozengaardermarke tegen Hendrik Schoenmaker, landman wonende op Nieuwleusen, gevoerd.
B Eenige koopbrieven.
Het proces tegen Schoenmaker had ten doel om hem het weiden van schapen op de Meele (een gedeelte der Rozengaardermarke) te beletten.
Tot staving harer vordering werden door de Rozengaardermarke 17 akten overlegd.
1 Eene markenresolutie van 17 Mei 1664 die het gaan van schapen op de Meele of in de hooilanden verbiedt.
Deze resolutie welke op 14 November 1781 en 11 Mei 1790 gewijzigd werd, heeft alleen ten doel gehad de wijze van uitoefening van het weideregt te regelen, doch bewijst noch voor noch tegen het weideregt der Nieuwleuseners en Ruitenveeners.
2. Eene markeregtresolutie van 18 October 1670 over hetzelfde onderwerp.
Hieromtrent geldt het zoo even gezegde.
3. Eene markenresolutie van 29 Mei 1683 over het weiden van paarden der huisluiden in de hooilanden.
Al wil men het verbod om paarden aldaar te weiden aan de huisluiden gedaan, toepasselijk achten op de huisluiden van Nieuwleusen en Ruitenveen (hetgeen uit dat stuk niet blijkt) dan nog volgt daaruit niet, dat zij geen regt hadden aldaar ander vee te weiden.
Daarenboven mogten de erfgenamen bij resolutie bepalen waar en in welken omvang door de geregtigden het weideregt mogt worden uitgeoefend, zonder dat daaruit het gevolg kan worden getrokken dat zoodanig regt in het algemeen niet zoude hebben kunnen bestaan.
4 Eene markenresolutie van 13 July 1685; waarbij is bepaald dat de ingezetene meijers van Nieuwleusen, die wharen van geïnteresseerden in de Rozengaardermarke hadden gehuurd die contributie tot vinding der kosten van de Streukelerzijl zouden betalen, behoudens hun regt om het betaalde op de huur te korten.
Uit dit stuk schijnt nu wel te blijken dat eenige erfgenamen van Nieuwleusen (zooals in de resolutie wordt gezegd) de inweiding als huurders van wharen hebben uitgeoefend; doch bewezen is zulks niet, daar de door de Heeren van Echten en Vecgt over te leggen memorie aangaande dergelijke huur is achterwege gebleven.
Bovendien al oefenden enkele meijers in Nieuwleusen het weideregt hunner gewaarde verhuurders uit, zoo is daardoor op zichzelf een regt van inweiding van ingezetenen van Nieuwleusen en Ruitenveen nog niet uitgesloten.
De strekking van die resolutie moet alzoo beperkt worden tot datgene wat men daarbij heeft willen regelen.

De producten van Hendrik Schoenmaker, de verklaringen der getuigen omtrent het openbaar uitoefenen van het weideregt, en de akten van publieken verkoop waarbij gemeenten zoodanige regten verkoopen, sluiten het denkbeeld uit van een precair gebruik van de inweiding en staven daarentegen het bewezen der ingezetenen van Nieuwleusen en Ruitenveen, dat de inweiding, onafhankelijk van gewaardheid in de marke, als een regt werd en wordt bezeten.

Ad IIum
De vraag onder welke soort van regten het inweidingsregt in deze moet worden gerangschikt moet beantwoord worden volgens de beginselen van het markeregt.
Hetzij men zich de Rozengaardermarke voorstelle als eene marke die zich vroeger veel verder heeft uitgestrekt doch waarvan sommige gedeelten of bijzonder eigendom zijn geworden, of zich tot kleine afzonderlijke marken (filiaal marken) hebben gevormd; hetzij men aanneme dat het Dalmsholterveld en de Meele evenals het Dalmsholterveld door de omliggende buurschappen tot gemeene weide werd gebruikt; in beide gevallen laat zich het inweidingsregt van Nieuwleusen, Ruitenveen, de Roete en de Routenhuizen als een uitvloeisel van de oorspronkelijke medegewaardheid der bezitters van erven in die buurschappen verklaren.
Wij vooronderstellen hier dat die buurschappen, zoals met Ruitenveen onder anderen nog het geval is, in de kring der Rozengaardermarke hebben gelegen.
Maar aangenomen zelfs dat zulks niet het geval was, dan nog is het geen vreemd verschijnsel in de geschiedenis der marken, dat men is afgeweken van het oorspronkelijk beginsel om het regt op de goederen der marke uitsluitend te verbinden aan het bezit van huis en hof in dezelve, en dat men diegenen die niet in de marke woonden in de gemeenschap heeft opgenomen, door hun eenige regten op het gemeene goed, zooals: jagt, visscherij, houtvelling, veeweide toe te kennen. (men zie G. Landau, Die Territorien in Bezug auf ihre Bildung und ihre Entwicklung, Hamburg und Gotha, 1854. bladzijde 184).
Wij zijn alzoo geneigd om het regt van inweiding in deze als eene beperkte soort van gewaardheid in de marke aan te merken, en zouden dezelve drijf- of driftware (zoo als die benaming in oude stukken wel eens wordt gevonden) kunnen noemen.
Wil men de Romeinsche regtbegrippen op dat regt toepassen, zooals de Regtbank te Deventer bij haar vonnis van 1818 gedaan heeft, zoo zoude men hetzelve of een vruchtgebruik of eene ten behoeve der erven in Nieuwleusen en Ruitenveen bestaande erfdienstbaarheid ten laste van de Rozengaardermarke kunnen noemen en in het laatste geval zoude men zich of op een bezit berusten of op eenen titel of op een bloot bezit (indien hetzelve reeds voor de invoering van het Code Napoleon hier te lande, bewijsbaar is) moeten kunnen beroepen.

Ad IIIum
De beste wijze van handhaving van het regt komt mij voor daarin te bestaan dat een der eigenaren van een erve op Nieuwleusen of Ruitenveen die eenen titel heeft en door zich en zijne voorzaten het inweidingsregt overeenkomstig dien titel heeft uitgeoefend, eene actie instelle tot handhaving in het bezit van zijn regt van inweiding tegen dengenen die hem in de uitoefening daarvan op eenige daadwerkelijke wijze belemmert. Zoodanige actie behoort te worden ingesteld binnen het jaar na de stoornis en het zoude wenselijk zijn dat men dezelve kon rigten tegen de Commissie die de verdeeling van de Marke dirigeert
Daartoe moet men echter bewijzen dat zij tot deze feitelijke belemmering last heeft gegeven. Dat nu zal wel niet moeilijk vallen.

Aldus s.m.j, geadviseerd door den ondergeteekende advocaat bij het Hof van Overijssel.
Zwolle 11 maart 1859. L. Mertguelo

* * *


CONTRACT VAN REMPLACEMENT _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Zo rond 1830 was Klaas Prins ingeloot voor het vervullen van de militaire dienst. Klaas was boer en vond dat hij beter op de boerderij kon werken dan in dienst gaan. Ook had hij er niet zoveel zin In en daarom zocht hij naarstig naar een remplacant, een plaatsvervanger die voor hem in dienst wilde. Dat zou wel een paar centen kosten, maar die zouden er wel komen.

In de Ommerschans woonde een jongeman, Christiaan Omvlee, die net als Klaas boer was. Dat wil zeggen, hij was het wel, maar niet met hart en ziel, Via de Maatschappij van Weldadigheid had zijn vader daar een boerderijtje gekregen om te bewerken. Maar Christiaan was niet echt boer. Hij voelde wel wat voor de militaire dienst. Toen hij naar de loting moest was hij dan ook hoopvol gestemd. Maar helaas, hij werd uitgeloot en was dus vrij van dienst.
Het kwam Klaas Prins ter ore dat er in de Ommerschans wel een remplacant voor hem te vinden zou zijn. Dus zocht hij contact met zijn mogelijke plaatsvervanger. Beiden werden het eens over de vergoeding die betaald moest worden en de voorwaarden waaronder dat diende te gebeuren. Een en ander werd op 26 september 1832 aan het papier toevertrouwd en ondertekend. Ze gingen naar een deurwaarder in Zwolle die het contract in tweevoud opmaakte. Een exemplaar was voor Klaas en het andere voor Christiaan. Toen Klaas zijn schulden aan zijn remplacant had voldaan, kwam het exemplaar van Christiaan eveneens in bezit van Klaas. Beide exemplaren werden al die jaren bewaard en zijn nu in het archief van "Ni'jluusn van vrogger' aanwezig. Hieronder volgt de volledige tekst van het contract.
(Voor zover bovenstaande gegevens niet in het contract zijn terug te vinden, berusten ze op fantasie van de schrijver.)

Wij ondergetekenden Klaas Prins, landbouwer te Nieuwleusen, ter eenere, en Christiaan Omvlee, landbouwer onder de Ommerschans, ter andere zijde, verklaren met elkander te hebben gesloten het navolgend contract van:

Remplacement

Art: 1

De contractant ter andere zijde verbindt zich voor die ter eenere, welke in de gemeente Nieuwleusen tot den Schutterlijken dienst is opgeroepen, als remplacant te zullen optreden, voor hem te zullen uittrekken, en alle verplichtingen als schutter, voor hem te zullen vervullen.

Art: 2

De contractant ter eenere zijde verbindt zich daar voor aan den remplacant te betalen vier honderd en veertig guldens, waar van twee honderd guldens zullen moeten worden voldaan bij het uittrekken; veertig guldens gedurende de diensttijd, ter beschikking van den remplacant, terwijl eindelijk de laatste twee honderd guldens zullen moeten worden betaald, wanneer de compagnie, waar toe de Nieuwleusser Schutters behoren, naar hunne haardsteden zullen zijn wedergekeerd, ofte wanneer de remplacant, hetzij door overlijden of ontslag, eerder aan den Schutterlijken dienst geheel zal hebben voldaan.

Art: 3

Ingeval de remplacant mogt komen te overlijden, vóór dat al het geld is ontvangen, zal het resterende dadelijk aan zijnen vader Jacobus Omvlee, thans boer te Ommerschans, moeten worden uitbetaald, die daartoe dan de eenige geregtigde zijn zal.

Art: 4

Ter meerdere zekerheid van al het voorschrevene verbindt zich de medeondergetekende Albert Prins, landbouwer te Nieuwleusen, als solidaire borg van zijnen zoon Klaas prins voornoemd.

Art: 5

Ter executie dezer acte kiezen partijen domicilie ten huize van den jongst aangestelden deurwaarder te Zwolle en zulks ten fine en effecte als naar de wet.

In oorkonde der waarheid zijn hiervan twee eensluidenden opgemaakt en wederzijdsch getekend te Zwolle den 26 September 1800 en tweeendertig.
K. Prins
C. Omvlee
A. Prins

lk ondergetekende Christiaan Omvlee verklare van de in bovenstaand contract bedongen gelden reeds twee honderd negentig gulden te hebben ontvangen, zoodat mij nu nog slechts een honderd vijftig gulden compacteren (resteren, dW),
Nieuwleusen den 6 September 1834
C. Omvlee

De ondergetekende Christiaan Omvlee verklaart nog in mindering van voornoemde gelden te hebben ontvangen de somma van vijftig gulden op heden den 23 Februarij 1836.
C. Omvlee

Ik ondergetekende Christiaan Omvlee bekenne ontvangen te hebben van K. Prins de volle som van vier hondert en veertig gulden den 23 Augustus 1838.
C. Omvlee















Een foto van voor de 2e W.O genomen in een fraai beschilderd decor.

Klaas Prins werd geboren op 18 januari 1807 en overleed op 15 oktober 1873. Zijn ouders waren Albert Prins en Evertje Klaas.
Klaas Prins trouwde op 1 maart 1834 te Nieuwleusen met Janna van Hulst, dochter van Gerrit van Hulst en Aaltje Engberts. Janna werd geboren op 29 mei 1814 in Den Hulst.
Van het echtpaar Klaas Prins en Janna van Hulst zijn in Nieuwleusen geen kinderen bekend.

Albert Prins werd als Albert Claas in Nieuwleusen gedoopt op 17 januari 1773. Als weduwnaar gaat hij op 17 januari 1806 in Dalfsen in ondertrouw en trouwt vervolgens te Nieuwleusen op 9 februari 1806 met Evertjen Klaas, jongedochter geboren en wonende te Den Hulst, gedoopt op 28 maart 1784, dochter van Klaas Arends (van Hulst) en Stijntje Everts.
Albert Prins overleed op 80-jarige leeftijd op 18 februari 1853.
Evertjen Klaas werd 79 jaar en overleed op 20 april 1863.
Uit het huwelijk van Albert Prins en Evertjen Klaas werden zeven kinderen geboren:

18 januari 1807
6 november 1809
23 mei 1812
13 september 1815
1 maart 1818
4 april 1821
30 december 1822

Klaas
Hendrik († 29 februari 1812 te Dalfsen)
Hendrik
Stijntjen († 4 april 1852)
Aaltjen
Gerrit
Arend († 5 januari 1830 te Nieuwleusen)

In zijn eerste huwelijk was Albert prins getrouwd met Aaltjen Wlllems. Hij ging, als jongeman geboren en wonende te Ruitenveen, op 26 juni 1802 in ondertrouw en trouwde op 11 juli 1802. Uit dit huwelijk werd Op 13 augustus 1805 een zoon geboren,die de naam Klaas kreeg.

Aaltjen Willems was ten tijde van haar huwelijk met Albert Prins weduwe van Jan Klaas. Met deze jongeman, geboren en wonende in Nieuwleusen, ging ze op 13 april 1797 te Dalfsen in ondertrouw en trouwde met hem op 30 april 1797 in Nieuwleusen. Uit dit huwelijk werden twee zoons geboren' op 14 juli 1798 Evert en op 12 december 1800 Claas Beiden werden ook wel Prins genoemd.

Ook ten tijde van haar huwelijk met Jan Klaas was Aaltjen Willems al weduwe en wel van Evert Berends. Met deze jongeman van Nieuwleusen, geboren op 29 juli 1753, trouwde ze op 10 juni 1786. Evert Berends droeg ook de naam Prins en was een zoon van Berend Jans en Klaasjen Hendriks.
Aaltjen Willems was een dochter van Wlllem Hendriks en Fijgjen Arents. Zij werd gedoopt te Nieuwleusen op 2 oktober 1763.

Uit het huwelijk van Evert Berends en Aaltjen Willems werden te Nieuwleusen drie zonen geboren, waarvan de eerste twee ook als Prins voorkomen:

22 april 1787
12 maart 1791
29 juni 1794

Berend
Willem
Claas

Albert Claas was het vierde kind van Claas Leferts die op 19 maart 1766 als jongeman van Den Hulst trouwde met Aaltjen Alberts, jongedochter op Ruitenveen. Hun kinderen waren:

13 maart 1767
4 december 1768
1 november 1771
17 januari 1773
18 augustus 1776
11 januari 1779

Hendrik
Wijgmantjen
Hendrikjen
Albert
Lefert
Hendrik

Klaas Leferts, ook wel prins genoemd, werd gedoopt op 18 augustus 1743 en was de oudste zoon van Lefert Hendriks (Prins?) die op 14 april 1742 als jongeman van Den Hulst trouwde met Hendrikjen Klaassen, jongedochter van Den Hulst. Hun andere kinderen waren:

23 oktober 1746
22 mei 1757
19 augustus 1759

Henrik
Teunis
Jenne

(Genealogische gegevens van G. Hengeveld-van Berkum, werkgroep Genealogie "Ni'jluusn van vrogger".)


Jaargang 16 nummer 4 december 1998

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

DE FAMILIE PALTHE EN NIEUWLEUSEN,
EEN RELATIE VAN 175 JAAR.



In beeld gebracht aan de hand van
de herinneringen van
mevrouw T. G. de Kempenaer-van Wulfften Palthe
en andere bronnen,

samengesteld door
Gees Bartels-Martens.




ISSN 1384-0940

Deze uitgave is nummer 4 van de 16e jaargang van het kwartaalblad van de Historische Vereniging "Ni'jluusn van vrogger".

Nieuwleusen, december 1998, "Ni'jluusn van vrogger"


* * *

Inleiding _________________________________________________________

In het kwartaalblad van "Ni'jluusn van vrogger" 1993 nummer 4 is een artikel geplaatst over Gulia Palthe en in 1996 nummer 2 werd haar stamboom behandeld. Nu zijn we weer in de geschiedenis van haar leven gedoken omdat de conservator van het Palthe-Huis te Oldenzaal, de heer
R. A. Olde Dubbelink, tijdens de opening van museum Palthehof op 3 april 1998 in zijn toespraak enkele anekdotes over Gulia vertelde die een nog onbekende kant van haar persoonlijkheid lieten zien. Dit maakte ons nieuwsgierig en van het een kwam het ander.
Het hiernavolgende portret is samengesteld uit de herinneringen die T. G. de Kempenaer-van Wulfften Palthe heeft opgetekend in het boekje "Het Palthe-huis aan de Marktstraat te Oldenzaal" (Joppe 1963) en de brochure "Portret van een Dame - Gulia Palthe 1863 - 1928", geschreven door R. A. Olde Dubbelink (juni 1998), als toelichting op de tentoonstelling in het Palthe-Huis te Oldenzaal, samengesteld aan de hand van dagboeknotities, gastenboekjes en andere documenten uit de nalatenschap van Gulia Palthe.
De vele interessante informatie die mevrouw De Kempenaer over haar familie geeft, is vaak moeilijk in de juiste verhoudingen te plaatsen, omdat dezelfde namen steeds weer in andere situaties opduiken. Ik heb daarom, met behulp van genealogische bronnen aanwezig bij de Overijsselse Bibliotheek Dienst te Nijverdal, de familiegeschiedenis opnieuw op een rijtje gezet en daarna de informatie van mevrouw De Kempenaer vanuit het perspectief van
Ds. Jan Arend Palthe opnieuw geordend. Haar boek is dus de bron van veel informatie in dit nummer.

G. Bartels-Martens

* * *

Guillemette Joanette Palthe;
21 oktober 1863 – 26 maart 1928 _________________________________________________________

Op 26 maart 1928 overleed, 65 jaren oud, Guillemette Joanette Palthe, roepnaam Gulia. Ze was de laatste bewoonster van het Palthe-huis te Oldenzaal en was daar geboren op 21 oktober 1863.
Toen Gulia 5 jaar oud was, stierf haar moeder. Haar vader hertrouwde 4 jaar later met de zuster van zijn overleden vrouw.
Gulia heeft veel van haar stiefmoeder gehouden.
Gulia had een één jaar ouder zusje, Carolina Bernhardina, geboren 24 februari 1862. (Een dochtertje dat 2 april 1861 werd geboren, heeft maar 3 weken geleefd.) De meisjes trokken in hun jeugd veel met elkaar op, waren heel vriendelijk, maar ook wel enigszins eigenaardig.
Als jong meisje had Gulia lange donkere krullen, die zozeer door haar vader werden bewonderd dat zij haar haar tot haar 40e jaar steeds samengebonden op de rug liet hangen; voor die tijd heel ongebruikelijk.
Van haar 15e tot haar 23e jaar (1878 - 1886) hield Gulia een dagboekje bij. Dit boekje is een prachtig tijdsdocument en schildert het leven van een jonge dame in de stad Oldenzaal aan het einde van de 19e eeuw. Zij vertelt daarin ook over haar zuster.

De familie Palthe was rijk, zeer rijk. De grootvader van Gulia, dominee Johannes Palthe, zoon van dominee Jan Arend Palthe uit Nieuwleusen, was gehuwd met de dochter van de jurist Jan Willem Racer. Hij bezat veel grond rond Oldenzaal, bij Denekamp en in De Lutte. Hij kocht het huis aan de Marktstraat en bovendien de borg Beuningen, de havezate Het Everlo en het huis aan de Grote Markt waar Carolina later ging wonen.

De vader van Carolina en Gulia was ook dominee maar heeft nooit een gemeente gehad. Hij beheerde de familiegoederen en trouwde met zijn overbuurmeisje Amelie Emérence Michgorius (geboren 24 februari 1832), dochter van de bekende arts Guillaume Landreben Michgorius, uit een al even voorname hervormde patriciërsfamilie.
Naar hem is Guillemette genoemd. Gulia was dus direct met drie belangrijke Oldenzaalse patriciërsfamilies geparenteerd - Racer, Michgorius en Palthe - en bovendien van moederszijde ook nog verwant aan de familie Van Wulfften.
De twee zusjes werden geboren in een welgestelde Oldenzaalse familie met veel ooms, tantes, nichtjes en neefjes in de directe omgeving. Ze kregen thuis privé-onderricht en hoewel er nog geen leerplicht was, gingen de zusjes ook naar school, zoals uit Gulia's dagboekje blijkt. Naast de gewone lessen in rekenen en taal, braafheid en deugdzaamheid, waren de godsdienstlessen heel belangrijk. Ze moesten al op jonge leeftijd drie talen leren. Kleuterboekjes en alfabet-boekjes van Gulia tonen dit aan. Ook in het poëzie-album van Carolina staan gedichtjes in drie talen geschreven. Ze zullen ongetwijfeld tekenles gehad hebben, zoals voor hen ook hun moeder had gehad. Waarschijnlijk kregen ze al op twaalfjarige leeftijd een korset aangemeten.

Het dagboek van Gulia vermeldt dat ze vanaf maart 1872, op 9 jarige leeftijd, een zeer been kreeg. Dit heeft tot 1877 geduurd, daarna kreeg ze een zere knie, dat tot 1880 duurde. Maar ook na 1880 bleef ze last hebben van een pijnlijk been en kon ze maar moeilijk lopen Wat de oorzaak van haar slechte benen was is onbekend, maar heeft mogelijk te maken met een kinderziekte die zij gehad heeft. Ook op latere leeftijd heeft Gulia nooit een goede gezondheid gehad. Vanaf 1877, ze was toen 15 jaar oud, werd ze zelfs een paar jaar in een wagentje rond gereden. In het dagboekje staat daarover: "..Op dinsdag 10 april 1877ben ik voor het eerst sedert 31 januari in een wagentje buiten geweest.”
Dit zere been was ook een reden van jaarlijkse bezoeken met de familie aan Bad Oeynhausen nabij Osnabrück. Haar dagboek vermeldt: "Op maandag 18juni 1877 zijn wij om half een met de trein naar Oeynhausen vertrokken omdat ik het bad moest gebruiken voor mijn been". Tot aan de dood van de vader ging de familie elk jaar met de trein op vakantie naar dit kuuroord.


Deze foto werd genomen tijdens een van de jaarlijkse verblijven van de familie in Bad Oeynhausen. We zien zittend Carel Hendrik Bernhard Palthe met zijn (tweede) vrouw Maria Emerentia Michgorius en staand Gulia (links) en Carolina.

Vanaf hun 15e jaar gingen de zusjes deelnemen aan sociëteitsbezoek, visites, ontvangsten, bals, toeren met de koets en gingen ze naar concerten, lezingen en de komedie, die in de Groote Sociëteit werden gegeven. Dit besloten omgangsysteem zorgde er voor dat men elkaar trof. Maar als Gulia op bals ten dans werd gevraagd, moest ze weigeren vanwege haar been. Dan maar zittend plezier hebben, moet ze gedacht hebben, want haar lust en haar leven was het mennen van de paarden en zij mende soms zelf in de koets of brik. Helaas werd haar dat op latere leeftijd ook verboden. In haar dagboek vertelt Gulia dat Carolina veel plezier beleefde aan het dansen en het uitgaan, maar uit de aantekeningen blijkt geen jaloezie.
Ook beleefde ze veel plezier op de kermis, waar ze in de draaischuitjes mocht.
Op 16-jarige leeftijd kreeg Gulia op school als prijs het boek Nelly; een vertaling van Charles Dickens Old Curiosity Shop. Zij was goed opgeleid, kende haar talen en had romans in meerdere talen in haar bezit.
Op 7 april 1882 (Goede Vrijdag) werd zij op 18-jarige leeftijd bevestigd in de Hervormde kerk aan de Ganzemarkt. Hierna wordt de toon van haar dagboek anders. Bijna elke zondag, zo vermeldt haar dagboek, begaf zij zich naar de kerk en ze noemt daarbij de verschillende dominees die preekten. Haar vader nodigde vele dominees uit voor de koffie, waar zij bij zat.
Gulia bezocht heel graag de uitvoeringen van de 'Zangvereeniging Poco a Poco'. Op 19-jarige leeftijd werd ze samen met Carolina lid en zong Kerst 1882 voor het eerst mee tijdens een kerstconcert.
Op een foto, gemaakt op 20-jarige leeftijd, staat ze in een prachtige zomerjurk afgebeeld. Ook de kledingaccessoires uit het bezit van Gulia tonen frivoliteit en rijkdom, stadse hoedjes, kostbare waaiers, tasjes en paraplu's. Er was thuis een abonnement op het bekende modeblad De Gracieuze met prachtige modeplaten en vol handwerkpatronen.


Guillemette Joanette Palthe als jonge vrouw.

Triest is het feit dat ze soms avonden achter het raam van 'het kamertje' zat te kijken naar het plezier van anderen waaraan ze niet kon deelnemen omdat zij zo moeilijk ter been was.
Ook op latere leeftijd zat ze vaak eenzaam achter het raam naar voorbijgangers te kijken.
Ze ging op verjaardagvisites bij anderen maar schreef nooit over haar eigen verjaardagen.
Vaak zat ze bij haar grootmoeder in het Michgoriushuis en las haar voor.
Ze ging ook vaak met haar grootmoeder, moeder, vader en zus bij familie op bezoek. In Nieuwleusen, waar Gulia gedurende de zomermaanden met haar ouders op het Spijker woonde dat daar door dominee Jan Arend Palthe (geboren 1727) is gebouwd, kwamen ze op bezoek bij Baronesse Van Dedem op het huis Rollecate. Jan Arend Palthe is hier gedurende vijftig jaar dominee geweest en hoewel hij in zijn laatste levensjaar nog in Oldenzaal preekte, is hij in 1803 in Nieuwleusen gestorven. De familie had hier vele boerderijen en grond. Het Palthebos herinnert daar nu nog aan. Ook later waren de jaarlijkse uitstapjes naar haar familiebezit voor Gulia een genoegen. Zij voelde zich hier vrij, ging met de pachters om en mocht paarden mennen.
Ook het verblijf hier had een bedoeling. Zij moest aansterken voor de winter, want zij had heel vaak de griep.
In 1886 stierf haar grootmoeder op 84-jarige leeftijd.

De dood van haar vader in 1897 zal een schok voor haar geweest zijn, want zij hield veel van hem en dat was wederzijds. Na die tijd voelde ze zich alleen. Carolina ging in het vlakbij gelegen huis van hun overleden grootmoeder (en -grootvader Johannes Palthe) aan de Grote Markt wonen. Wat de reden voor deze verhuizing was, is niet bekend.
Wel is bekend dat Gulia ruzie kreeg met Carolina, maar of dat voor of na de verhuizing was? Er zijn twee versies: 1e: dat Gulia toch jaloers was geworden op Caroline omdat die zoveel gezonder was dan zij; 2e: een ruzie mogelijk ontstaan om de erfenis van de vader.
Hoewel de tuinen van de twee huizen met elkaar in verbinding stonden, zag Carolina haar overgebleven familie liever niet dan wel. Hun (stief)moeder overleed in 1915 op 83-jarige leeftijd. Na haar dood liet Carolina zelfs een dubbele schutting achter in de tuin plaatsen, opdat ze haar zuster Gulia volstrekt niet meer zien zou. Vanaf die tijd werd Carolina uit het leven van Gulia geschreven. Dat komt heel frappant naar voren in een stamboom die Gulia in 1917 van haar familie heeft gemaakt. Daar staat zij alleen op als dochter van Carel Hendrik Bernhard Palthe.
Toch moeten er nog wel pogingen tot contact of meeleven met Carolina zijn geweest, want in een brief uit 1913 aan de heer B. Blik, haar rentmeester te Nieuwleusen, verontschuldigt Gulia zich over haar overhaast vertrek naar Oldenzaal in verband met een brandje in het huis van Carolina Ze maakte zich ongerust over haar en vertelde dat haar zus mogelijk de brand door nalatigheid zelf heeft aangestoken, omdat zij nooit het huis uit kwam. Citaat uit de brief: ”... (Carolina) ...doet of er niets gebeurd is, zij is nu nog maar altijd alleen in dat groote tooverhuis en wil niemand bij zich hebben nu zij moet 't weten, daar is niet mee te praten."
Jammer en triest dat deze twee zusters, die zo dicht bij elkaar woonden en verder geen naaste familie meer hadden, zo ver van elkaar af stonden.
Het eigenaardige van Carolina kwam ook naar voren in de wijze waarop ze haar slaapkamer had ingericht. Om vooral geen tocht te voelen, had ze beschotten om haar bed laten timmeren. Deze waren ongeverfd en hingen vol met briefkaarten. Toen ze ziek was moest de dokter een ware ontdekkingstocht in de kamer uitvoeren om de patiënte in haar bed te bereiken. Langs de wanden waren slingers van uitgeblazen vogeleieren gehangen, waartussen zich een tachtigtal vogelnestjes bevonden.

Toen haar stiefmoeder in 1915 stierf werd Gulia enige erfgename en kreeg 'hebben en houden' van de Michgoriusfamilie. Ze gaf het Michgoriushuis in bruikleen aan de Oudheidkamer, die op 14 mei 1916 als museum opnieuw in dit huis werd geopend.
Gulia ontving zelf ook vaak bezoek, aan wie ze haar vele kostbare erfstukken toonde. In haar gastenboekje uit 1916 staat voorin: "Bezoekers van mijn Oudheidkamer." Daaronder waren veel bekende museumdirecteuren en ook burgemeester Backx uit Nieuwleusen. Zij had echt een verzameldrang en bewaarde alles, maar dat was waarschijnlijk meer uit zuinigheid dan dat ze verzamelde met een bepaald doel. Kunst en kitsch stonden door en naast elkaar. Soms deed ze een belangrijke schenking aan een museum, zoals aan de Oudheidkamer van Oldenzaal en museum De Waag te Deventer. Van beide musea was ze erelid.

Over Gulia's vrijgevigheid vertelt mevrouw De Kempenaer - van Wulfften Palthe zoals ze dat zelf ook heeft ondervonden:
"Een aardige en vriendelijke geste van onze nicht. Toen ze ons op de Sprengenberg eens een bezoek bracht, kregen wij, dochters des huizes, ieder een antiek bord ten geschenke.
Later brachten mijn man en ik eens een bezoek aan nicht Gulia in Oldenzaal. Na een kopje koffie gedronken te hebben uit antieke blauwe kopjes, verzocht ze ons haar particulier museum te bezichtigen, dat zij in de grote achterkamer had ingericht.
Nadat wij de vele aardige en interessante antiquiteiten bekeken hadden, waarbij nicht Gulia allerlei vertelde, vertrokken wij naar de Lutte, waar we in hotel 'Het Zwaantje' met familie zouden lunchen. Nauwelijks daar aangekomen werden we door nicht Gulia opgebeld met het verzoek om na de boterham even bij haar terug te komen, hetgeen wij dan ook deden.
Na aankomst vertelde ze ons dat wij de 100ste bezoeker van het museum waren geweest en ze bood ons twee prachtige antieke blauwe schalen aan, waar wij zeer dankbaar voor waren. En toen mijn man opmerkte of ze ons wilde waarschuwen als de 200ste bezoeker aan de beurt kwam, lachte ze hartelijk en had plezier in dat grapje."


G. J. PALTHE

Amateuse-Fotografe

OLDENZAAL

Een andere passie van Gulia was fotograferen. Zij liet een stempel maken met haar naam en daaronder de toevoeging 'Amateuse-fotografe', waarmee zij haar foto's bestempelde. Veel van haar glasnegatieven zijn bewaard gebleven. Uit de afdrukken kan geconcludeerd worden dat ze goede foto's maakte.


Deze foto van haar (stief-)moeder zittend in de tuin werd gemaakt door 'amateuse-fotografe Gulia Palthe.

Uit het dagboek en andere manuscripten komt naar voren dat Gulia zeer plichtsgetrouw, vrolijk en huishoudelijk was, misschien een beetje naïef. Haar opschrijfboekjes houden onder andere het loon van de dienstmeid bij, het eiergeld, de aankomst- en vertrektijden van de trein en wat ze moest doen, zoals het stoppen en naaien van kleding.
In Oldenzaal leefde Gulia heel teruggetrokken, op een wijze die eigenlijk niet meer van die tijd was. In Nieuwleusen was ze zeer bemind en hier had ze veel sociale contacten. Toen ze na een langdurige ziekte weer haar zomerse intrede deed, werd ze met muziek plechtig ingehaald en ontving ze van de gezamenlijke pachters een gouden armband met inscriptie. Langs de weg naar het Spijker had de bevolking van heel Nieuwleusen zich opgesteld. Gulia wist dit zeer te waarderen en was daar zeer dankbaar voor.


Rentmeester Barteld Blik met zijn vrouw.

Op oudere leeftijd werd ze zakelijker en nam het beheer over van de landerijen en pachtboerderijen in Nieuwleusen. Zij ondertekende haar brieven met 'Landsvrouwe' en regelde veel met rentmeester Blik over verkoop van de opbrengsten zoals bijvoorbeeld akkerhout. Ook regelde zij haar bezittingen en landerijen in Oldenzaal.
Vanaf 1921 begon zij haar wilsbeschikkingen te schrijven, steeds in Nieuwleusen. In de jaren 1923, 1924 en 1928 veranderde zij de verschillende legaten weer.
Notaris J. Visscher in Nieuwleusen (Den Hulst) werd door Gulia benoemd tot executeur-testamentair, samen met notarisklerk H. Hoeksema Jr. uit Enschede. Deze was daar werkzaam op het kantoor van notaris H. van Opstall. Beide executeurs-testamentair zorgden voor de verdeling van de erfenls, wat al met al een paar jaar in beslag nam.

Carolina overleed in 1923, 61 jaren oud. Alles wat haar toebehoorde kwam aan Gulia. De notaris, die executeur-testamentair was, vond bij het doorzoeken van Carolina's huis op alle mogelijke plaatsen geld liggen, tussen linnengoed, in laatjes enz. Tezamen een bedrag van ƒ 20.000,—. Het huis werd verkocht, Carolina's dienstbode had twintig jaar gediend met niets anders dan kaarsenverlichting in de keuken, Ze kwam nu bij Gulia in dienst, nadat die haar dienstmeid had opgezegd omdat die zich vreemd was gaan gedragen en helemaal de baas speelde.

14 mei 1925 gaf Gulia een groot feest en diner bij Hotel De Gouden Leeuw in Oldenzaal, waarbij 25 voorname gasten uit Oldenzaal werden uitgenodigd. Onbekend is ter gelegenheid waarvan dit feest werd gegeven, maar de feestredes en liederen die gezongen werden, zijn bewaard gebleven. Daarin valt bijvoorbeeld te lezen:
”… was de jonge dame ten zeerste op paarden gesteld. Niets kon haar meer verblijden dan zo'n spannetje zelf te rijden…. In draf of galop, als een vogel zo vrij. Jawel, maar later werd de paardenpret gebracht op bescheiden schaal. In de stoomcarrousel werd de sport voortgezet op de kermis te Oldenzaal. Zo trotsch en zo fier, mensch, wat een plezier. Ja, uren aaneen, zonder een enkele halte op ‘t houten paard draaien…”

Over het jaarlijkse bezoek:”… de tegensteling tussen de angstwekkende Oldenzaalse winterdagen en de NieuwLeusense Staten. Daar is men op de luilekkerlandsche grond en ... zijn er ook van die stille en heerlijke laantjes en banken die tot zitten noden. Om met een boek den tijd te dooden. Ja, uitgezochte plekjes voor een herdersuurtje of desnoods zelfs een avontuurtje!...”


Uit haar correspondentie blijkt dat Gulia in de winter van 1927 ziek werd en voor een operatie in het ziekenhuis 'Heil der Kranken' opgenomen moest worden. Zij zag hier vreselijk tegenop. Zij meldde haar pachters in Nieuwleusen dat zij geen zakelijke post meer mocht ontvangen in verband met de opname.
Op 26 maart 1928 overleed zij. Steeds was zij een goede 'landsvrouwe' voor haar pachters geweest. In haar testament heeft zij aan vele boeren de door hen gepachte boerderij in eigendom nagelaten. Alle pachters waren op haar begrafenis te Oldenzaal aanwezig.
Evenals Carolina had ook Gulia tussen het linnengoed geld verstopt. De notaris vond in het geheel ƒ 8.000,—. Ze had onder andere in een onderlijfje tussen een dubbele voering ƒ 1.000,— verstopt.

Zoals gezegd besteedde Gulia de laatste jaren van haar leven aan haar testament, dat bijna een boek dik was. De legaten en schenkingen die daarin genoemd worden, waren legio.
Alles was precies omschreven, haar huis was tot de nok toe gevuld met oude dingen. Niemand heeft bij haar leven ooit een blik in haar bovenverdieping mogen werpen. Het was er een ware chaos van familiestukken. Haar kasten, kamertjes en hokken waren niet te beschrijven vanwege de rommel, spinnenwebben en stof. Misschien is haar slechte gezondheid de reden geweest dat ze het huis niet meer aankon, of misschien hebben de vele erfenissen van haar familie haar hulpeloos gemaakt om orde te scheppen in al die nalatenschappen van ongeveer twee eeuwen her. Immers, haar ouders woonden in het huls van haar grootouders, ds. Johannes Palthe en Carolina Racer. Hun inboedel bleef in het huis. Daar was een gedeelte van de inboedel van Mr. J. W. Racer bijgekomen en van het 'hebben en houden' van de familie Michgorius moest ook het nodige worden opgeslagen toen zij dat huis in bruikleen gaf aan de Oudheidkamer. Ook kreeg ze nog de inboedel van twee oudtantes Michgorius uit Deventer en die van Carolina's huis aan de markt. Al die meubelen, al dat linnengoed en lijfgoed moest ondergebracht worden in het oude huis en dat is Gulia blijkbaar te machtig geworden. Veel heeft ze in haar leven reeds geschonken. Vele merkwaardige dingen en kleinoden van de familie en veel zeldzame en curieuze japonnen van voorouders zijn n vitrines in musea te bewonderen.


Een karakteristieke foto van Gulia Pathe in het Palthebos.

Nadat de volgens het testament van Gulia aan de verschillende musea en particulieren vermaakte stukken uitgedeeld waren, werd de rest van de inboedel publiek geveild. De Protestantse kerk te Oldenzaal, gebouwd in 1810, was universeel erfgenaam van al het niet toebedeelde van haar bezittingen in De Lutte en van haar overige vermogen. (Arnold A. W. Van Wulfften Palthe, zoon uit het huwelijk van Aleida Palthe en Ds. Arnold van Wulfften, had in de bouwcommissie van die kerk gezeten.) De familie kocht voornamelijk de sieraden terug. Haar huis schonk Gulia aan de Oudheidkamer te Oldenzaal en het Michgorius-huis, waar de Oudheidkamer tot dan toe in gevestigd was, moest kinderbewaarschool worden.


Heden overleed Mejuffrouw

Guillemette Jeanette Palthe.

     U wordt verzocht de overledene de laatste eer te
willen bewijzen; de begrafenis zal plaats vinden op
Vrijdag den 30 Maart 1928, des middags 2 uur.

Oldenzaal, 26 Maart 1928.

           De Ex—testamentair
J. VISSCHER, Nieuwleusen.
H. HOEKSEMA Jr., Enschede.

Na haar overlijden wijdde de Oldenzaalse Courant een sympathieke nagedachtenis aan haar:

"Overleden te Oldenzaal, 26 Maart (1928)
Tallooze lezeressen en lezers in wijden omtrek zullen met weemoed vernemen dat heden alhier overleden is Mejuffrouw G. J. Palthe, op wier weldadigheid, waar het betrof hulpverleening aan instellingen van philantropischen of maatschappelijken aard, nimmer tevergeefs een beroep werd gedaan. Of eigenlijk was zulk een beroep nauwelijks noodig. Want, wanneer Mej. Palthe wist dat hier of daar in haar geliefde Twentsche land en ook zelfs daarbuiten, een instelling van weldadigheid of onderlinge hulp in nood verkeerde, dan rekende zij het zich een plicht van haar belangstelling in ruime mate te doen blijken.
De dankbaarheid der velen uitte zich tijdens haar ziekte in hartelijke wenschen voor haar herstel, die helaas niet mochten verwezenlijkt worden.
De teraardebestelling zal Vrijdagmiddag om 2 uur geschieden.”

Mevrouw de Kempenaer eindigt op sympathieke wijze haar boekje over nicht Gulia, het Palthehuis en de Palthe-familie:
"Na dit alles neergeschreven te hebben en na veel over nicht Gulia verteld te hebben, zie ik haar weer voor mij, het kleine mensje met haar vriendelijke glimlach en haar kinderlijke appreciatie van alles wat men haar vertelde.
Laten wij haar met liefde gedenken.”

---


Optocht in Nieuwleusen omstreeks 1925 De meisjes op de wagen kregen elk een gouden speld van Gulia Palthe omdat de wagen de eerste prijs kreeg. Staand vlnr. Boekholt (koetsier van Baron van Dedem), Jan van den Berg (Union), M. Massier, H. Ennik, meester J.L.F. Kamm, Gulia Palthe, H. Mannen, mevrouw Backx en mevrouw Wagner.

* * *


Fragmenten uit het testament van
Gulia Palthe _________________________________________________________

Ik legateer aan de Nederduitsch Hervormde Gemeente te Nieuwleusen Mijn huisje "Het Spijker" genaamd en het daarnaast gelegen huis en schuur met den grond en de boomen voor en naast die beide huizen...
...alsook het geheel Palthenbosch met het daartusschen gelegen land, alles onder bepaling, dat het bosch in wezen en steeds voor het publiek toegankelijk moet blijven…
…en verder al de mij toebehoorende eikeboomen staande zoowel op de noord als op de zuidzijde van genoemden Straatweg van de kerkbrug af naar het Oosteinde...
...Ik legateer aan de Nederduitsch Hervormde Gemeente te Nieuwleusen alle mij toebehoorende eikeboomen, staande in de Kerkenhoek op de noordzijde van den Straatweg te Nieuwleusen tusschen den smid Westerveen en Jan van Spijker en op den zuidkant van dien straatweg, tusschen den Ommerdijk en de eerste brug toegang gevende tot het Gemeentehuis...
…alsook die staande tegen Palthenbosch aan den Ommerdijk…
…wat betreft de eikeboomen langs den Nieuwleusense straatweg, verbind ik bij deze de bepaling, dat de boomen niet mogen gehakt worden, doch moeten blijven staan, zoolang als het even kan,…
…tot sieraad van Nieuwleusen. Deze bepaling geldt ook voor het Palthenbosch te Nieuwleusen en van de boomen bij het Spijker te Nieuwleusen…
…dat het huis genaamd het Spijker, in wezen moet blijven zooals het nu is, doch verhuurd kan worden aan een paar nette burgermenschen...

* * *

Brieven rond Aleyda Johanna,
dochter van Ds. Jan Arend Palthe _________________________________________________________

Ds. Jan Arend Palthe was op 3 december 1751 te Uelsen getrouwd met Johanna Mülder en werd drie jaar na zijn huwelijk beroepen als predikant te Nieuwleusen. Dat bleef hij gedurende bijna vijftig jaar. Ze kregen samen zes kinderen, waarvan twee op jonge leeftijd zijn gestorven en in Nieuwleusen zijn begraven.
Alle kinderen werden in Nieuwleusen geboren en gedoopt:
Gerrit, geboren 25 augustus 1754;
Aleyda Johanna (Aleida genoemd), geboren 15 februari 1756;
Hendrina (ook wel Hendrieken genoemd), geboren 5 april 1758;
Gerrit Derk, geboren 10 augustus 1760;
Antonia Gerhardina, geboren 19 september 1762;
Johannes, geboren 2 februari 1767.
(Uitgebreidere informatie is opgenomen in het hoofdstuk over Ds. Jan Arend Palthe.)

Uelsen ligt niet ver over de grens in Duitsland. Met deze plaats had de familie Palthe al eerder familiebanden en er werd regelmatig gelogeerd, getuige de brieven die zijn geschreven. De landgrens had in die tijd weinig betekenis.

De oudste dochter, Aleyda Johanna, trouwde in 1775 met Antonie Adolph Palthe, de jongste zoon van Joan Palthe, de stiefbroer van Jan Arend en ging in Oldenzaal wonen. Vanuit Nieuwleusen werden heel wat brieven naar Oldenzaal verzonden en omgekeerd, waardoor we wat meer over het gezin van ds. Arend Jan Palthe weten.

Joan Palthe, halfbroer van Ds. Jan Arend Palthe, was omstreeks 1770 burgemeester van Oldenzaal. Hij was gehuwd met Johanna Maria Westerlo (Zij is geboren te Oldenzaal 1710 en daar overleden 1762. Haar vader was Dr. in de rechten, afkomstig uit Zwolle).
Joan Palthe heeft veel aantekeningen en brieven nagelaten. In het jaar van zijn dood schreef hij o.a.:
"1784 den 10 Maart is mijn schoondogter getrouwd met Ds. Arnold van Wulfften, predikant alhier. (Weduwnaar van Barbara Nilant). Zijn testament is in mijn bezit."
Die lieve schoondochter, waar Joan zeer op was gesteld, was Aleyda Johanna Palthe, oudste dochter van Jan Arend Palthe.
Zij is in 1775, 19 jaar oud, getrouwd met zijn jongste zoon, haar 25 jarige neef Antonie Adolph Palthe (geboren in 1750), Ontvanger te Oldenzaal. Ze kregen een kind dat jong overleed.
Antonie Adolph had geen goede gezondheid en stierf twee jaar na hun huwelijk op 27-jarige leeftijd nadat hij een kou had gevat die steeds erger werd.


Antonie Adolph Palthe


Aleyda Johanna Palthe

Zoals haar schoonvader dus aangaf, trouwde Aleyda Johanna zeven jaar later, in 1784, met Arnold van Wulfften. Ze kregen samen een zoon Arnold Albert Willem van Wulfften, gedoopt 2 april 1786, overleden in 1812, 26 jaar oud. Hij werd Keizerlijk Notaris te Oldenzaal. Niet lang na het overlijden van deze zoon van Aleyda Johanna noemden haar jongste broer, Ds. Johannes Palthe, en zijn vrouw Carolina Bernhardina Racer, hun in 1816 geboren zevende kind (vierde zoon) naar deze vroeg gestorven neef. Daarbij werd bovendien de familienaam van Aleida's tweede echtgenoot aan de voornaam toegevoegd, zodat het kind Arnold Albert Willem van Wulfften Palthe ging heten. Ze hadden dit ook al gedaan met de familienaam van de moeder toen ze hun derde zoon Johannes Frederik Racer Palthe noemden.
Later gingen deze kinderen dit deel van de voornamen toevoegen aan de achternaam.


Enige en algemene kennisgeving

Op 25 april ging tot onze grote droefheid geheel
onverwachts van ons heen in de ouderdom van
80 jaar lieve man, onze lieve vader, behuwd-
vader, grootvader en overgrootvader

ARNOLD ALBERT WILLEM
VAN WULFFTEN PALTHE

Ridder in de Orde van Oranje Nassau

Almelo:
         H. A. D. van Wulfften Palthe—van den Brand
's-Gravenhage:
         J. R. van Wulfften Palthe
         N. van Wulfften Palthe-Kreeft
Amsterdam:
         J. Burgerhout—van Wulfften Palthe
De Lutte:
         W. C. G. Gelderman—van Wulfften Palthe
         C.M. Gelderman
Megaliesburg, Zuid-Afrika:
         A. A. W. van Wulfften Palthe
         E. C. van Wulfften Palthe—Osinga
Baarn:
         F. W. Kosters—van Wulfften Palthe
         A. Kosters
         Kleinkinderen en achterkleinkinderen.
De crematie heeft heden in alle stilte te Dieren
plaatsgehad.
Almelo. 29 april 1969.

Hoe de familie tot in onze tijd steeds vernoemd is, blijkt uit de hierbij afgebeelde overlijdensadvertentie van Arnold Albert Willem van Wulfften Palthe uit 1969, waarin te lezen valt dat er ook dan nog weer een zoon
A. A. W. van Wulfften Palthe in Zuid-Afrika woont.

Gerrit Dirk, de 4 jaar jongere broer van Aleida, studeerde rechten. Gezien een citaat uit een brief van zijn moeder aan haar dochter Aleida lijkt Gerrit Dirk in zijn jeugd weinig zin in leren te hebben gehad: "Ons Derk heeft het weer drok; was ‘t maar in ‘t rechte, dat hij drok was, dan kwam 't er niet op aan.”
Uit een andere brief van haar moeder uit Nieuwleusen aan Aleida valt af te leiden dat Gerrit Dirk een tijdje bij zijn oudere zuster in Oldenzaal in huis is geweest. Of dit was voor de gezondheid, om te leren of om zijn zuster tot steun te zijn tijdens de ziekte van haar echtgenoot is niet duidelijk. Zeker is dat Aleida's echtgenoot in die tijd al ernstig ziek was.

Waarde en veel geliefde Dogter,

Wij hebben met veel blijdschap UE, Vaders beterschap en Uwer aller welstand uyt Uw brief gesien, wat ons betreft, wij genieten door des Heeren goetheyd nog een gewenschte gezontheijt.
Onze Hendrina is een Zaterdag na Swolle gegaen om het daar voor UE te bestellen. Wij moeten het met een brief goet maken omdat de weg zoo ver is. UE Vader en ik wij gaan nog wel eens op den diek en seggen dan wel eens, konden wij nu eens na onse dogter gan, dan kwamen wij dikwiels, maar dat kan nu niet geschieden, nu moet gij U daer met malkare de winter lange avende wat verkorten, en wij ons hier, in hope dat wij UE hier dan in de meytijd te samen in gesontheyd mogen ontvangen.
Het is ons ten uyttersten angenam, dat wij van onse Gerrit Derk mogen hoeren, dat hij vlijtig leert, hope, dat hij sig in alles verder mag wel schikken; na onser aller hartelijke groetenisse an UE Vader, den Ontvanger en an U, lieve dogter, vart wel.
                                          UE moeder.


Hoewel Gerrit Dirk blijkbaar ziek was geweest, kunnen we uit onderstaande brief opmaken dat hij toch even naar zijn ouders in Nieuwleusen was geweest:

Zeer geagte Suster,

Kan niet mankeren om mijne goede overkomst uw te melden; het was 's morgens wel kouden regen, maar deed mij egter geen hinder, sodat wij alle te samen spoedig te Spoeldenberg quamen en hebben naderhand onse reise met lange sitten in de herbergen doorgebracht en ben 's avonds hier om 9 uur wel gearriveerd en ben den gansen dag so wel geweest, dat mij in langen tijd so niet gewest hebbe; avonds van mijn medicin ingenomen en den anderen dag is de kors gemarseert, sodat ik schilik weer te Oldensaal denk te komen. Vader heeft van den morgen de koorts ook gehad en Moeder heeft seer swaar hooftpijn dog denk dat Moeder schielijk zal herstellen; bedankt suster ten hoogsten voor alle goede oppassen en presenten, die Suster mij gedaan heeft, wens so suster het van noden was iets tot dankbaarheid te vergelden en bedanke suster voor de lekkere koeken insgelijks oom voor sijn poffert, welke ik half, met smaak hebbe opgegeten, en wense broer van harten beterschap en dat ik broer in een betere staat mag aantreffen, twijffel niet of het nieuws van Bloemen sal wel aan den dag sijn. Suster moet op het schrijven niet letten, in haast siet gegroet Seer lieve Suster verblijve Uw onderdanige dienaar,

                                           Broer G. D. Palthe

Nieuwleusen
den 19 May 1777.


Gerrit Dirk was 17 jaar oud toen hij deze brief schreef. De broer, zijn zwager Anthonie Adolf Palthe, werd niet beter, maar steeds zwakker. Moeder Palthe schreef dikwijls uit Nieuwleusen, zoals deze twee dagen later geschreven brief:

Seer lieve Dogter,

Met seer grote droeffenisse den swakken toestand van den Ontfanger uyt de brief gesien, hope dat het de Heere nog eens behagen mag om beterschap te geven, dat wij soo tesamen mogen stoffe hebben van danksegginge; wens dat de Heere hem in sijne swakheid mag ondersteunen en geven kragt na kruys, en wense ook mijn liefe dogter dat de Heere U mag ondersteunen.
Als wij den brief van Ulsen eer hadden gekregen als onse Hindrina van hier was vertrokken, dan soude ik voort met een eijgen wagen hebben met gekoemen. Soo ik U nog tot eenig trost konde dienen, dan sal de nagt mij nit te duijster wesen.

Als ik eer nog moste komen als dan die bode, die desen brief te Oldensal brengt, mij dan mar an Harmen Hindriks besteld, dat hij mij met de losse parden van hier afhalt en anders verwagte ik voor vaste een brief te Swolle. Mijn man is een dinkse dag de korse uijtgebleven en is thans ook nog redelijk en ons Garritdirk heeft nog al gedurig soon vermanige van de korsse. Na onser allerhartelijke groetenisse an UE alle te samen,
                                           UE Moeder.
Nieuwleusen
den 21 Mey 1777.


Spoedig na deze brief, op 2 juni 1777, is de Ontvanger, Antonie Adolph, 27 jaar oud, gestorven.
De rouwkleren voor Aleida moesten uit Zwolle komen; ze werden met zorg uitgekozen door haar nicht
De Scheffer-Visser, weduwe van luitenant-kolonel De Scheffer uit Zwolle. Deze nicht doet in onderstaande brief aan Hendrina Palthe, de zuster van Aleida, verslag over de wijze waarop ze haar bemiddelende rol tussen opdrachtgeefster en kleermakers/winkeliers heeft vervuld:
(In de brief zijn de woorden omdat en zoals steeds als twee losse woorden geschreven. Voor de leesbaarheid nu hebben we deze woorden hier als één woord opgenomen.)

Waarde Nigt

Wij hebben de Eere UWEDlen van herten te condolleeren met het treffend en smertelijk verlies, wenschen en biddende dat de Almagtige UWEdlen alle, nodige troost en kragten verleenen mag, tot een lijdzaame onderwerpinge aan zijne heilige wil, en UWEDlens nog veele jaaren bewaren mag voor meerdere droevige toevallen.
Ik hebbe mijn best gedaan om de Commissies mij opgedraagen wel ter uitvoer te brengen, alle handen zijn aan het werk, om morgen vroeg mij in staat te stellen alles af te zenden, men heeft het mij ten minste beloofd om tien uren vanavond zal het in mijn huis zijn, ik hoope dat alles na genoegen mag zijn, de Weduwen Mantel hangende kap en hoed hebbe ik laaten maake zo alsse hier door fatzoendelijke vrouwen, die niet na de aller eerste zwier gekleed gaan, gedraagen worden, de sluijer sijbanden, en anderhalv elle neder hangende kap, zoals ik gedraagen hebbe, dorst ik voor UWED Zuster niet laaten maaken, omdat ik vreesde dat het te zwirig zijn zoude voor Oldenzaal, de snijder heeft mij laaten zeggen dat UWED hem niet geschreven had wat Voeringe hij gebruiken moest, ik oordeelde dat hilverson te warm in de zoomer was, katoen te veel uit malkander rekte. hebbe ik kat in de zak laaten neemen zoals ik altoos voor mij gebruike.
Hier nefens zende een staaltjen, ras de Esperance van mijn zak, dat thans hier algemeen door Weduwen gedraagen word, het tabberts laaken dat voor desen gebruikt pleegd te worden, is om deszelvs zwaarte meer dan 25 jaren buiten gebruik geweest, en dit is ligt, en loopt niet hoog in geld, kostende 17 a 18 stuiver de elle en is stoffen breede, namelijk derde halv vierendeel, zodat japon en rok niet meer dan omtrend de 25 gulden komt te staan, wajer, handschoenen en gespen, hebbe ik genoomen zoals ik voor mijn Zelven zoude gedaan hebben, men heeft in zware rouwen weinig verschiet en dus niet veel keur.

Geen winkel is in Zwol onbesogt gebleven om voor UWED staaltjes van Batavia te krijgen, dog heb er niet meer dan 4 kunnen krijgen, waarvan de drie veel te ligt zijn, en maar in een Vierdeelsjaar rouw gedraagen kunnen worden, en het Vierde is in mijn zin zeer lelijk, ik heb er een stuk augustijn bij gedaan, ook het Enigste dat ik bekoomen kan dat van pas is van donkerheid in een broeders rouw en zo het mij gepermiteerd is mijn gedagten te uiten dunkt mij dat dit goed voor UWED zoude zijn, het is voor 14 gulden het stukjen, waaraan japon en rok is te krijgen, dog ook geen Spelde minder, zo het UWED niet mogte gevallen versoeke het ten Eersten weer terug en versoeke het voor ongemak en vlekken te bewaaren, omdat het alsdan voor mijn rekening zoude moeten zijn, tot hier toe geschreven hebbende moet ik wagten of men woord zal houden en alles ter beloofde tijd daar zal zijn.

Men heeft woord gehouden tussen 10 uren en halvelv hebbe ik alles 't huis gekreegen, ik hoope dat het na genoegen zal zijn, hebbe het zelve zo voorsigtig gepakt als mij moogelijk was, het hoedjen is niet met baliene maar bordpapier, omdat het in een rouw van een Weduwe zo zijn moet, jufferouw van der Laan heeft in plaats van 7 elle lind op de muts, van een zoort, 2 maal 4 elle ijder bijsonder daar bij gedaan, omdat zij dagt dat het voor UWED beide zuster zoude zijn, en gij er moogelijk niet op denken zoud dat het niet alleen mogte zijn, een floerse neusdoek konde voor de Weduwe ook niet bestaan, hebber derhalven een laten maken zo alse in die zoort van rouw, die haar Edele betaamd moet zijn, voor een dag of twee hebbe ik de gewassen chitsen japons ook 't huis gekreegen hebbe deselve hier meede in gepakt, omdat het dan maar een sturen was. Jufferouw van der Laan heeft mij gesegt dat se het oude hoedjen van UWED moeder niet gebruikt hadde om het nieuwe te voeren, omdat het reeds zo ver versleeten was, dat zij vreesde, dat wanneer zij het uit malkander had, niet meer deugen zouw, en het maar een diferent van 5 stuiver maakte, dat haar dunkte, het oude hoedjen nog wel waard te zijn, zij had dit op haar genoomen en heeft mij versogt dit te willen schriven.
Ik weet niet beter of hebbe alle mijn Commissien verrigt, ik kan mij niet errinneren iets vergeeten te hebben, dog zo het mogt zijn, of UWED nog enige andere zaaken te besorgen had dan verschoond mijn niet, ik ben tot UWEDlens dienst, zullende mij het altoos plesier reekenen, mijn Vrienden van Enig nuet te zijn.
Wij versoeken ons hertelijk Compliment, aan UWED Zuster, oude Neef, Vader en Moeder, en verdere aanwesende famielie, blivende ik bestendig.

Waarde Nigt
UWED Dinaresse
Nigt en Vrindin
J. C. De Visser
Wed. De Scheffer

Zwolle tussen
Vrijdag en Zaterdag
nagt bij een uren.


Aleida had als jonge weduwe (21 jaar oud) een moeilijke en verdrietige tijd.
Na de begrafenis schreef moeder Palthe haar dochter opbeurende brieven om haar te troosten. Zij zegt dat ze er eens uit moet gaan, een weekje bij haar ouders gaan logeren en dat zij proberen moet zich te schikken in de wil van God, en dan schrijft ze haar, dat ze weinig kan schrijven "omdat onse Hindrieken nu onse klerk int schrijven is, en ik niet wel meer kan sien, maar gij moet dat wel vaststellen, dat gij ons hier wel uijt het oog siet mar niet uijt het harte, daar is bijna geen eenen dag of wij spreken, hoe of het U dog nu wel mag gaan."
Aleida woont dan bij haar schoonvader, burgemeester Joan Palthe in huis. Hij sterft in 1784, enkele maanden nadat Aleida is hertrouwd met Ds. Arnold van Wulfften.

Mr. Gerrit Dirk Palthe heeft blijkbaar toch goed opgepast en goed gestudeerd. Hij trouwde met Machtilda Nagel en kreeg een goede positie in Oldenzaal, Secretaris der Stad en Richter.
T. G. de Kempenaer-van Wulfften Palthe vond van hem onder oude papieren nog een 'patent tot het dragen van Haarpoeder'.

Departement Overijssel. Gem. Oldenzaal
Acte van Patent.

Consent aan Mr. G. D. Palthe om gedurende den loop van een jaar Haarpoeder te dragen; zijnde het regt op het kleinzegel benevens de kosten denzelven voldaan.
Gegeven te Oldenzaal, den 1 April 1806.
Op last van het Gemeente

zegel
leges

ƒ 5,-

_____
ƒ 5,-

1,-
5,-
_____
ƒ 6,-

Goed voor het jaar 1806.


In 1808 was Gerrit Dirk ernstig ziek, tot groot verdriet van de familie. De zoon van zijn zuster Aleida, de jongere Arnold van Wulfften, schrijft hierover "de Slegte gesteldheid van Oom de Richter, er is nog geen dag verlopen, dat wij niet bij zijn Ed. Een of tweemaal daags enige uren hebben doorgebracht. Oom bevindt zich thands zo, dat zijn Ed. Zich weinig meer met affaires bekommeren kan, dus komt de last op ons neer, en dan dit, behalve een groote druk ook een vreeselijke smert bij ons veroorzaakt zullen Neef en Nicht gemakkelijk kunnen afnemen, daar de nauwe verknogtheid, waarin wij hier met elkander leven, UWE's niet onbekend is, alle hoop op herstel is verdwenen.”
Gerrit Dirk stierf op 3 oktober 1808, na een hevige bloedspuwing.
Hij liet 2 kinderen na; zijn vrouw was hem reeds in 1799 voorgegaan. Benjamin, ruim 12 jaar, was te Nieuwkerk op de Franse school. Hij werd later rechter te Almelo en huwde Matilda Johanna Swam. Johanna, die nog maar elf jaren oud was, kwam bij haar tante Aleida van Wulfften in huis. Spoedig daarna ging ze naar de Franse school in Groningen. Haar tante Aleida schreef haar in 1810 onderstaande brief:

Lieve Johanna,

Uit Uwe brieven van den 13 en 30 December hebben wij met blijdschap Uwen welstand en het genoegen, dat gij daar geniet, gezien; ik bedank UE voor de aan mij gedane Nieuw Wensch. Ik wensch UE het zelve in een dubbele mate, dat gij moogt overstort worden met de keur van 's Hemels rijkste zegeningen, en alzo opwassen in alle edele Christelijke deugden, en voor alle verleijdingen, waaraan de jeugd zo zeer is blootgesteld moogt bewaard blijven en God UE wijsheid en verstand mag schenken om U in allen opzigten zo te gedragen als een brave en deugdsame jongejufftouw betaamd, opdat gij voor Uwzelven gelukkig en tot blijdschap Uwer familie, en voor allen, die haar hand aan Uwe opvoeding ten koste leggen, moogt zijn' etc. etc.

Oldenzaal 26 Januari 1810.


Omstreeks diezelfde tijd schreef Aleida over de situatie rond de bouw van de Protestantse kerk, vlak achter haar huis aan het eind van de Marktstraat. Deze kerk is gebouwd nadat koning Lodewijk Napoleon de grote Plechelmuskerk bij zijn bezoek aan Oldenzaal had teruggegeven aan de katholieken: "dit maakt ons verlegen en veroorzaakt veel moeyten; Arnold is in de Commissie om voor de opbouw der nieuwe kerk te zorgen; het huis van Potken aan de Gansemarkt is nu voor 1500 gulden toe aangekogt; dat zal afgebroken en tot een kerk herbouwd worden.
6 May 1809."


Arnold Albert Willem, haar zoon uit het tweede huwelijk met Ds.Arnold van Wulfften, was toen Keizerlijk Notaris te Oldenzaal. Deze zoon heeft, uit de brieffragmenten af te leiden, geen gemakkelijk leven gehad, en het is waarschijnlijk dat Gulia mede daardoor zoveel sympathie voor dit familielid en zijn werk heeft gekoesterd, dat ze haar nalatenschap aan de kerk heeft toegedacht waarvoor hij zich heeft ingezet.
Hij had daarvoor in de rechten gestudeerd te Groningen. Aleida schreef daarover: "Arnold is nog te Groningen, dog ik verwagt hem ten eersten als advocaat te huis.”
Arnold had in Groningen plezierige jaren doorgebracht, getuige brieven (die wij niet ter beschikking hadden), maar terug in Oldenzaal ondervond hij grote moeilijkheden en teleurstellingen als jong advocaat. Hij klaagde over doofheid en de weinige hulp die hij kreeg in vergelijking met zijn studiegenoten in Groningen. Hij zal daarom zijn omgezwaaid naar het beroep van notaris.
Arnold was ook een talentvol tekenaar, getuige twee tekeningen van de stad Bentheim.
In Oldenzaal schreef Arnold over zijn situatie aan vrienden in Groningen. Hier volgen enkele delen uit die brieven.

Wensch van gantscher harten dat uwe opgaande gelukszon bestendig schijne, en steeds meer en meer in glans toeneme. Op dien gelijken voorspoed kan ik niet roemen, ja nauwelijks durf ik dezelve ooit hopen, en inderdaad het vooruitzicht is voor mij zeer duister; zoo ik maar enige hoop had elders gelukkiger te zullen slagen, gaarne verliet ik mijne geboorteplaats, ja zelfs mijn vaderland, edog mijn slegte gehoor laat mij weinig hoop over, zal dan maar trachten mijn noodlot geduldig te dragen. Misschien zal Ued mij voor zwaarmoedig houden, dog wat zal een jong advocaat zonder hulpe beginnen…..
…en wie zal zijnen troost bij een jong onbedreven advocaat zoeken, die bij eenen doortrapt en bedreven man kan teregt raken.

Ik heb teveel eerzucht om een leven zonder gezette bezigheden aangenaam te vinden, en hoewel ik mijnen tijd heel goed met eigen amusementen en in gezelschap eniger weinige vrienden, ofschoon van alle conversatie met mijn gelijken verstoken, weet door te brengen, gevoel ik tog steeds, dat ik het bedoelde einde misse, en dit gevoel is te onaangenaam om er zich ligt aan te gewennen.

1809
Gepasseerde week hebben wij hier een groote drukte gehad, daar wij de eer genoten den Koning binnen deze stad te zien, waarvan het gevolg is geweest dat wij onze kerk zijn kwijt geraakt, die door zijn Majesteit aan de Roomsgezinden geschonken is, zonder dat wij nog recht weten, wat ons weer toegesegt zal worden; 2000 scheen Zijne Majesteit genoeg te zijn voor ons om een geschikt kerkgebouw te bekomen, terwijl de Roomschgezinden tot reparatie van de gereformeerde kerk en tot aflossing van oude schuld op de hare nagedagten (denk ik red.) wel een duizend gulden of 12 zullen krijgen.
Dit lot heeft de meeste omliggende plaatsen getroffen, daar ook de Roomsche priesters met groote geldsommen door den Koning begiftigd zijn; wij vrezen, dat het gebeurde in 't vervolg vele onaangenaamheden voor ons zal na zich slepen.


Het moet Arnold veel voldoening hebben geschonken dat hij in de commissie zat voor de opbouw van de nieuwe kerk en enige trots klinkt door in wat hij aan een vriend schrijft:

Thans zijn wij hier met onzen kerkbouw reeds een paar voet boven den grond, tot grooten spijt van onze partij, die den voorspoedigen voortgang van denzelven met lede ogen aanziet; dit had ik waarlijk nog niet van hun gedagt; wat doet de nijdigheid niet!

Hendrina Palthe woonde nog thuis toen haar zuster Aleida trouwde en naar Oldenzaal vertrok. Ze logeerde regelmatig in Oldenzaal of Uelsen en ook zij schreef regelmatig met Aleida.
Als voorbeeld een deel uit een brief en een brief die getuigt van een moeilijke beslissing.

Veel geliefde en Hooggeagte Suster,

Ik ben dinksedagmorgen om half 9 met een koetse met 4 paarden van Ulsen vertrokken en al vroegtijdig hier geweest. Het geluk heeft mij weer gedient; op den Herdenberg hebbe ik tot geselschap gekregen Dr. Sandbergen en sijn soon en heb Vader en Moeder heel wel aangetroffen, die menden dat ik uit de lugt quam regen, die konden haar geen denkbeeld maaken waar ik heen kwaam; mij lieve Suster, ik doe UWED nogmaals bedanken voor alle genoten vriendschap en beleefdheid die UWED an mij heeft believen te bewisen, wense wel eens in staad te zijn its tot dankbaarheid weerom te doen. Over een week of drie komt Vader en Moeder met broer Jan. De halsziekte is hier weer in stilstand.
We hebben appels geschud; wij hebben hier kwetsen in overvloet; komt Mandag met Juffer Nagels en Freulen Bentinck, gij sult so veel eten als U lust en so veel meedragen als gij kund.
Nu ik sal UWED de bestemde tijd te gemoete komen, enz...

Waarde en veel geliefde suster of hertenlief suster,

Wij zijn thans heel welvaaren - zal ik U eens wat seggen, lieve Suster, mijn Vader heeft na Winschem gewest, doe hebbe ik en moeder in de wedde sponnen. Ik hebbe 43 bijna en moeder 30 sonder foud en dat nog wel van 5 st uit het pd. Ei, wat segge Uw daarvan.
Suster schrieft eens of UED. Ook halsservetten met ons wilt laten maken, onse garen is rikelijk 5 st uit het pd. Sende hier neven ook boerenbontjes voor juffer Nagels en Mevrou Borgering. UWED sal ik naderhand wel besorgen. Wel mijn lieve Suster nu wenschte ik u wel eens wat neues te gaan vertellen, maar weet niet. Is de saak ik Krig gedurig briven uit Swolle, somstijds sterk versoekende, dat ik er dog zoude komen en dan eens kiven, dat op mij geen staad was te maken. Nu heeft Mevrou Scheffer weer so sterk versogt dat ik er mog te komen Nu ben geresolveert om Mandag er na toe te gaan. Versoek vnndelijk om mij witte borstrok vooral met Koop en so schilik als suster dan te Ulsen komt ook de 2 el en een vierlen kante de el van 2 gl. Ik sal UWED het verschod (voorschot) te danke voldoen. So UE commissies heeft, hoe meer hoe liever, het katoen gaaren dan ook wel besorgen.
lk soude ook aan broer geschriven hebben maar hebbe geen tijd. Wij hebben voor oom wolgaaren sponnen dat is al na Ulsen. Versoeke ook hartelijk het compliment an mijn beide mede suster.

UWED onderdanige dienaresse
Hendrina Palthe

Of voorgaande brief slaat op de keuze voor een huwelijkspartner is niet helemaal duidelijk, maar Hendrina trouwde op 26 november 1782 met Mr. Nicolaas van Rhijn, Scholtes en Secretaris van Genemuiden, daarna Raadsheer in het Gerechtshof van Overijssel, tenslotte Raadsheer Hoog Gerechtshof te 's-Gravenhage, overleden 1819 te Zwolle.

Toen Aleida's jongste broer, Ds. Johannes Palthe, benoemd zou worden als dominee te Etersheim (een klein dorpje in Noord-Holland aan de Zuiderzeekust bij Schardam, tussen Volendam en Hoorn) schreef een zekere Willem Weerman uit Enkhuizen, door zijn voorvader Henrico Palthe een verre achterneef, aan Ds. Jan Arend Palthe in Nieuwleusen onderstaande brief:

Weleerwaarde Heer en Neef,

't Was mij een bijzondere genoegen van te Genemuyden onse Neef en Nicht van Rhijn en de proponent UwEerw. Kinderen te mogen sien en leeren kennen en herdenk nog die liefderijke ontmoeting geduerig die ik te Genemuyden mogt ontwaaren, en heeft mij doen seggen, 't bloed spreekt.
Ik sal op de proponent nu niet meer boos zijn, maar sal afwachten, wat er met Oktober sal gebeuren, en heb nu een streelende hoop van UWEerw. neffens die van de familie te sien, als onse neef de proponent op sijn plaats sig bevind, met welke ik mij int vooruytsicht verbleyde, Uw Eerw. van harten gelukwensende met de bezorging van UeEerw. soon te Schardam etc.
En hoopen UwEerw, mondeling nader dieswegen te complimenteeren, want er reeds bij ons al een plan gemaakt is, als Neef Palthe word bevestigd, daar bij te sullen adsisteren so de Heer God wil, en wij leeven. Als ik geweeten had, dat Nieuw Leusen maar sulk een kleine afstand van Zwol was, is souwde UeEerw vast hebben komen sien, en dat bij welsijn mijn familie alle eens gaan sien; heb reeds met grootvaderlijke een begin gemaakt, en een deel van grootmoederlijke gesien, en heb nog aandenken van onse voorvaderen, als van Henrico Palthe van 1694, door hem selfs geschreven en ook nog Predicaties van onse overgrootvader Johannis Palthe volgens overleevering van mijn vader.
Ook nog een nieuw testament in 't Hebreeuws, dat iets raars is, 't doet mij leed van vaders bibliotheek dat ik mijn aandeel reeds so ver heb doen smelten, aan Jonge Preedicanten en om de familie is niet gedagt, want ik wilde voor een weijnig geld ‘t niet verkoopen daarom heb ik mijn goede vrienden er presenten van gedaan onder de Predicanten. Waar mijn broeders en susters deel is gebleven weet ik niet, maar wat van de voorvaderen was, heb ik uijt genomen en bewaard en sal nu voor Johannis Palthe nog wat opsoeken die een meerder recht heeft, niet omdat ik geloof, dat zijn Eerwaarde het nodig heeft, maar omdat ik het gaarne aan mijn familie geef, want ik een familievriend ben, en sterk op voorvaderlijk goed geset, ben nu al verlangende, eenige letteren van UwEerw te mogen hebben, int gepasseerde Jaar schreef ik een brief aan onse neef Palthe te Veldhuijsen om Uw Eerw soon tot ons uit te nodigen en sijn Eerw. Gaf mij ten antwoord, dat onse Jonge neef UwEerw. souw opvolgen, en siet nu moet mijn wens voldaan worden die ik deed, toen ik in de boeksaal las dat J. Palthe Proponent was geworden, dat sijn Eerw. in onze quartieren een standplaats mogt kreygen, ik wou dat het nog digter bij was, egter wij door den tijd op nader standplaats hoopen, en bidden over de eerste Gods besten zeegen, siedaar neef van mij den eersten brief, groet UwEerw hartelijk, en groet Uw Eerw Liefe Kinderen, gelijk de mijne haar compliment neffens de mijne voegen, ik omhels UwEerw. in mijn gedagten en beveele Uw Eerw God en de woorde sijner Genaade, en ben met alle Liefde WelEerw., Heer en Neef, Ew Eerw. D. W. D. En Neef.
Enkhuysen den                              Will. Weerman.
4 November 1792.

* * *

Palthe, een oud geslacht _________________________________________________________

In Ootmarsum en omgeving zijn stukken gevonden waarin vanaf 1350 namen van Palthe's voorkomen. Deze stukken bevinden zich nu in het Archief van ‘Overijsselsch Recht en Geschiedenis' te Zwolle. De voornamen Johannes, Arend, Anthonius en Bernardus komen al vanaf het begin op de stukken voor.
In 1541 zijn Bernardus Palthe, procurator van het klooster Frenswegen en Antonius Palthe, priester te Schüttorf, getuigen bij het huwelijk van weduwnaar Johan Palthe te Bentheim.
In 1544 is Johannes Palthe secretaris van drost scholte De Bever.
Vanaf 1589 is Johannes Palthe graflicher Richter zu Steinfurt und Gograf des Amts Ruschau.
In 1588 schenkt graaf Arnold II tot Bentheim "aus Gnaden" aan de grafelijke secretaris Johannes Palthe het "Kulenhaus" in Bentheim, onder voorwaarde dat Palthe "den Wegbeeken befriedigt" en de schulden aan de kerk en de pastorie overneemt.
In de jaren 1436 tot 1533 waren 3 fraters Palthe in het klooster Frenswegen bij Bentheim procurator.
In 1547 komen Johannes en Bernardus Palthe voor in het oud-archief van Ootmarsum.
Op 13 september 1577 ontvangt Everwin Palthe, oudste zoon uit het tweede huwelijk van Johannes Palthe, zijn aanstelling tot openbaar schrijver, richter en notaris van Johan Nervius, keizerlijk hof en Palzgraaf. Zijn jongste broer, Johannes, was stadssecretaris in Friedberg in de Wetterou.
Zijn zoon Everwin werd burgemeester van Enschede.
Uit deze tak zijn geleerde mannen voortgekomen die studeerden in Oxford en Parijs.
Johann Philip Palthe, die stierf in 1750, en Samuel Palthe waren grote geleerden die door de koning van Zweden in de adelstand werden verheven.

Johan Palthe zegt sedert 1596 te Ootmarsum te wonen. In 1602 betaalt hij zijn lederemmer (brandemmer); een der lasten verbonden aan het winnen van het burgerschap. Hij is rentmeester van het huis Ootmarsum, burgemeester van Ootmarsum en kerkmeester. Hij was getrouwd met Henrica van Ulzen en stierf in 1628. Hij had 5 kinderen, drie dochters, waaronder Jutta, die trouwde met Gerrit Kock, burgemeester van Ootmarsum, en twee zonen; Jan (Joan) en Johan Gerhard.
Jan (Joan) Palthe werd in 1649 begiftigd met de inkomsten der Vicarie St. Sp…. te Ootmarsum om zijn studie te Schuttorf beter te kunnen volbrengen en wel voor 6 jaren.
Johan Gerhard Palthe, geboren te Ootmarsum, studeerde theologie te Groningen en trouwde in 1631 met N. N. Schongeler. Hij werd als Ds. Gerhardus Palthe in 1634 de eerste gereformeerde predikant in Denekamp. Hij is daar 5 maart 1701 overleden. Ze kregen vier kinderen, alle zonen, waarvan de derde, Johannes Palthe zijn vader opvolgde en de 2e predikant te Denekamp werd.
Ds. Johannes Palthe, geboren te Ootmarsum in 1639, predikant te Denekamp van 1674 tot 1702, overleden 5 maart 1702, was getrouwd met Johanna van Uelsen, geboren te Uelsen in 1647 (dochter van Hendrik van Uelsen, burgemeester van Ootmarsum). Uit het huwelijk zijn 6 kinderen geboren, 4 dochters en 2 zonen.
Deze zonen zijn:
- Gerard Jan Palthe, geboren te Denekamp 21 juli 1681 - overleden te Deventer 30 juli 1767, gehuwd met Magdalena Leferinck. Hij was een goed kunstschilder, die na zijn opleiding te Amsterdam in Deventer ging wonen. Daar maakte hij vele portretten van belangrijke personen uit dit gewest en huiselijke taferelen, die de Princesse van Oranje zo goed bevielen, dat ze er twee van aanschafte voor haar kabinet op het Loo. Van zijn 6 kinderen was Jan Palthe (geboren 1719) eveneens een gewaardeerd portretschilder. Hij ging in Leiden wonen, waar hij in 1769 overleed.

Gedurende het eerste jaar van haar bestaan heeft museum Palthehof een tentoonstelling gewijd aan Gulia Palthe. Op die tentoonstelling hingen ook een aantal schilderijen en portretten. Twee daarvan, olieverf op linnen, geschilderd door Johannes Albertus Jansen Vredekoop, zijn de portretten van Ds. Johannes Palthe (geboren 1767) en zijn echtgenote Carolina Bernardina Palthe Racer (geboren 1778) - (bruikleen Stedelijk Museum - Zwolle). Bovendien hing er het schilderij 'De muntenverzamelaar' - olieverf op paneel, geschilderd door Gerard Jan Palthe (bruikleen Van Deinse Instituut - Enschede, collectie Oudheidkamer Twente), en het schilderij ‘Vrouw aan spinnewiel' - olieverf op paneel, door Jan Palthe geschilderd in 1745 (bruikleen Museum De Waag - Deventer).

- Anthony Palthe, geboren te Denekamp in 1683, burgemeester in Denekamp en daar overleden op 17 september 1763. Hij is twee keer getrouwd geweest. De eerste keer trouwde hij in 1702 met Johanna Krop (1676-1723). Uit dit huwelijk zijn twee zonen geboren:
Johannes (1731 - 1790) en Hindrik Jan (1711 - 1792). Hindrik Jan trouwde en kreeg een dochter.
Anthony trouwde voor de tweede keer in 1726 met Hendryna Schulten, geboren te Goor 7 mei 1691 overleden te Denekamp 25 februari 1782. Uit dit huwelijk werden een dochter en een zoon geboren: Johanna (1731 - 1790) en Jan Arend (1727 - 1803). (Johannes en Arend Jan zijn dus stiefbroers, waarvan een zoon en dochter samen trouwden.)

Anthonius (Anthony) Palthe toonde veel begrip voor eerlijkheid tegenover zijn kinderen. In zijn testament staat dat na zijn overlijden zijn dochter Janna eerst ƒ 1300,— moet ontvangen uit de nalatenschap, zijnde het gelijke bedrag dat zijn zoon Jan Arend gekost heeft tijdens zijn studie.
"Onsen soon J. A. Palthe heeft gekost of daartoe verschoten:

Oldenzaal en Dysenhuit
Linge
Groningen

f 400,-
f 300,-
f 600,-

Des 't oirgronde hebben wij deze getekent binnen Denecamp
                                   Den 25 Januari 1759
                                               Anthony Palthe
                                               Hendrina Scholten"

Johannes Palthe, geboren te Denekamp 6 oktober 1703 werd secretaris, later burgemeester van Oldenzaal, waar hij overleed op 23 juli 1784. Hij trouwde te Oosterhesselen op 8 september 1733 met Johanna Maria Westerlo, gedoopt te Oldenzaal 22 januari 1710, daar overleden 29 oktober 1762. (Johannes wordt door T. G. de Kempenaer-van Wulfften steeds Joan genoemd.)
Uit dit huwelijk zijn zes kinderen geboren:
- Johannes Adolph Antonius Palthe, geboren te Oldenzaal 28 maart 1734 en daar overleden 10 oktober 1754.
- Anna Palthe, geboren te Oldenzaal 13 augustus 1735, daar overleden 24 augustus 1761.
- Lucia Aleida Palthe, geboren te Oldenzaal 28 juli 1739 en daar overleden 24 januari 1772.
- Mr. Gerrit Jan Palthe, geboren te Oldenzaal 25 september 1745, overleden te Amsterdam in 1784. Hij was getrouwd met Maria Jacoba Barendts.
- Johanna Palthe, geboren te Oldenzaal 21 juli 1748 en daar overleden 9 september 1748.
- Antonie Adolph Palthe, geboren te Oldenzaal 18 april 1750 en daar overleden 2 juni 1777. Hij trouwde te Nieuwleusen op 16 november 1775 met Aleyda Johanna Palthe geboren te Nieuwleusen 13 februari 1756, dochter van Ds. Jan Arend Palthe en Johanna Mülder.
Uit dit huwelijk werd een kind geboren dat jong overleed.
Aleyda Johanna hertrouwde met Ds. Arnold van Wulfften. (Zie verder bij Jan Arend Palthe)

* * *

Jan Arend Palthe,
de overgrootvader van Gulia _________________________________________________________

Jan Arend Palthe werd op 1 november 1727 te Denekamp geboren en was van 1754 tot 1803 predikant te Nieuwleusen. Hij volgde ds. De Vries op, die hier 45 jaar predikant was geweest.
Aan zijn aanstelling in 1754 waren twee Jaren van strijd over de opvolging vooraf gegaan; strijd tussen groepen in de gemeente en daardoor tussen gemeente, classis en de Drost van Salland, die de benoeming moest goedkeuren. Hij werd de vijfde predikant van Nieuwleusen en bleef dat bijna vijftig jaar. (Meer informatie hierover in: J. ter Steege: De kerke tot Oosterveen. 1982)

Ds. Jan Arend Palthe, geboren te Denekamp
1 november 1727.
Overleden te Nieuwleusen
7 maart 1803.
Hij trouwde te Uelsen op
3 december 1753
met Johanna Mülder,
geboren te Uelsen. Zij
overleed te Nieuwleusen
op 15 juli 1791.




Ds. Jan Arend Palthe.

Uit het huwelijk werden zes kinderen geboren:
- Gerrit Palthe, geboren 21 augustus 1754 / gedoopt 25 augustus 1754 / overleden 21 februari 1755.
- Aleyda Johanna Palthe, geboren 13 februari 1756 / gedoopt 15 februari 1756 / overleden te Oldenzaal 9 februari 1824.
Ze trouwt de eerste keer te Nieuwleusen 16 november 1775 met Antonie Adolph Palthe. (Zie hiervoor).
Ze trouwt de tweede keer te Oldenzaal op 10 maart 1784 met Ds. Arnold van Wulfften, geboren te Steinfurt 3 mei 1730, predikant te Oldenzaal, daar overleden 20 januari 1789, weduwnaar van Barbara Nilant. Arnold heeft uit het eerste huwelijk drie kinderen; Arnold Albert, gedoopt 19 augustus 1759, waarschijnlijk jong overleden, Willem, gedoopt 18 januari 1761 en Maria Christina, gedoopt 2 februari 1763. Hierover geen verdere gegevens gevonden.
Uit dit tweede huwelijk werd een zoon geboren: Arnold Albert Willem van Wulfften, gedoopt 2 april 1786 / overleden 1812. Hij werd Keizerlijk Notaris te Oldenzaal (In die tijd had keizer Napoleon Nederland ingelijfd bij Frankrijk.) Hij heeft zich ingezet voor de bouw van een nieuwe Protestantse kerk voor Oldenzaal, zoals uit brieven blijkt.
Aleida werd bijna 64 jaar oud en overleefde, zonder kleinkinderen, haar beide echtgenoten en kinderen. Haar zoon Arnold werd vernoemd door haar jongste broer en zo is zijn naam tot in deze tijd blijven voortbestaan.
- Hendrina Palthe (ook wel Hendrieken genoemd), geboren 4 april 1758 / gedoopt 5 april 1758 / overleden te Utrecht 5 juni 1823. Getrouwd te Nieuwleusen 26 november 1782 met Mr. Nicolaas van Rhijn, geboren te Amsterdam in 1748, eerst scholtes en secretaris te Genemuiden, dan raadsheer in het gerechtshof van Overijssel, tenslotte raadsheer Hoog Gerechtshof te 's-Gravenhage. Overleden te Zwolle 19 januari 1819.
- Mr Gerrit Derk Palthe, geboren 4 augustus 1760 / gedoopt 10 augustus 1760 / hij wordt advocaat te Oldenzaal en daar overleden 4 oktober 1808. Getrouwd te Oldenzaal 19 november 1794 met Machtilde Nagel, gedoopt te Oldenzaal 16 januari 1763, overleden te Oldenzaal 23 januari 1799.
Uit het huwelijk worden drie kinderen geboren: Mr. Benjamin Palthe (4 mei 1796 - 18 maart 1862) rechter te Almelo. Johanna Machtilda Engelina Palthe (20 juni 1797 - 5 september 1824), trouwt met Mr. Hendrik Jan Raedt, procureur te Almelo. Zara Elisabeth Palthe (10 januari 1799 - 13 januari 1799).
Als Gerrit Derk overlijdt blijven zijn twee kinderen ouderloos achter. Aleida ontfermt zich enige tijd over Johanna. (Zie het hoofdstuk: Brieven rond Johanna Aleyda.)
- Antonia Gerhardina Palthe, geboren 12 september 1762 / gedoopt 19 september 1762 / overleden 5 augustus 1783.
- Ds. Johannes Palthe, geboren 21 februari 1767 / overleden te Oldenzaal 11 maart 1854.

Van de zes kinderen van Ds. Jan Arend Palthe werd deze jongste zoon Johannes net als zijn vader predikant en de grootvader van Gulia Palthe.


Gulia palthe voor haar huisje "Het Spijker" in Nieuwleusen.

* * *

Johannes Palthe,
de grootvader van Gulia
_________________________________________________________

Ds. Johannes Palthe bereikte de respectabele leeftijd van 87 jaar. Hij had veel grond bij Oldenzaal, in de Lutte en bij Denekamp. Men zei indertijd dat hij op eigen terrein van Oldenzaal naar Denekamp kon lopen. De Havezathe 'Borch-Beuningen' bij Denekamp werd In 1801 door hem gekocht. In 1709 was het huis al ten dele gesloopt en omstreeks 1840 werd het geheel afgebroken en werd op die plaats een eenvoudig zomerverblijf met ernaast een koeienstal en een schuurtje gebouwd. Het was een mooi terrein, vele bossen en uitgestrekte weilanden dicht bij een bocht van het riviertje de Dinkel. In 1831 kocht hij de Havezathe 'Everlo', dat wil zeggen de grond met wat daar aan gebouwen nog van over was: het bouwhuis en stallen.














Ds. Johannes Palthe



Ds. Johannes Palthe, geboren 21 februari 1767, overleden te Oldenzaal 11 maart 1854, was predikant, eerst te Etersheim, dan te Oldenzaal. Hij trouwt te Oldenzaal op 1 september 1799 met Carolina Bernhardina Racer, geboren 28 oktober 1778 te Oldenzaal en daar overleden 24 maart 1857. Zij is de dochter van Mr. Jan Willem Racer en Anna Jacoba Willemina Werndly. Uit het huwelijk komen acht kinderen: Jan Willem, Jan Arend, Johanna Cornelia, Johannes Frederik Racer, Johanna Jacoba Wilhelmina, Johanna Jacoba Gerhardina, Arnold Albert Willem van Wulfften, Carel Hendrik Bernhard.

De oudste zoon, Jan Willem, werd geboren te Etersheim op 5 september 1800 en vertrok reeds als jonge man naar Indië, waar hij op 22 mei 1822 op de rede van Batavia arriveerde. Hij werd inspecteur der tinmijnen op Banka. Na één brief is nooit meer iets van hem vernomen, behalve het doodsbericht aan de familie gezonden: Overleden te Billiton, 13 Augustus 1825.
De tweede zoon, Jan Arend, geboren te Etersheim 19 januari 1802 werd conrector van de Latijnse School te Oldenzaal en is daar overleden 24 februari 1830. Hij trouwde te Bentheim op 8 mei 1826 met Carolina Conradine Eliabeth Funck, geboren 1 september 1803. Zij bleef na het overlijden van Jan Arend in Oldenzaal wonen en werd 94 jaar oud. Uit het huwelijk komen twee kinderen: Carolina Bernhardine (9 februari 1827 - 26 december 1883), trouwde met Mr. Rudolph Berend Visser, burgemeester van Delden) en Johannes (2 februari 1829 - 16 december 1892), die als beroep 'grondeigenaar' heeft. Hij trouwt en krijgt een zoon (lederfabrikant en lid van de gemeenteraad van Oldenzaal) en drie dochters.


Arnold Albert Willem van Wulfften Palthe


Johanna Henriëtta Stork

De derde zoon is Johannes Frederik Racer (1804 - 1862) en de vierde is Arnold Albert Willem van Wulfften (1816 - 1900). Arnold is genoemd naar het jong overleden zoontje van Aleyda Johanna Palthe, en kreeg bovendien de familienaam van haar tweede echtgenoot als voornaam. Hij werd kantonrechter te Oldenzaal (1848 tot 1877), lid van de Provinciale Staten van Overijssel (1850 tot 1874), kreeg de bijnaam 'Richter' Palthe en was een zeer gezien man. Hij was gehuwd met de ook uit Oldenzaal afkomstige Johanna Henriëtta Stork. Ze kregen vier dochters en vijf zonen, waarvan drie zonen in 1873 te Almelo de Ververij en Chemische Wasserij Gebr. Palthe oprichtten.
Mevrouw T. G. de Kempenaer - van Wulfften Palthe is de kleindochter van een van deze vijf zonen.
Tenslotte de vijfde zoon, het jongste kind Carel Hendrik Bernhard (1820 - 1897). Hij is de vader van Carolina en Gulia.














Gulia Palthe voor haar huis op het bruggetje over de Buitendijksloot langs het Westeinde.

* * *

Carel Hendrik Bernhard Palthe,
de vader van Gulia _________________________________________________________

Carel Hendrik Bernhard Palthe, geboren te Oldenzaal 2 december 1820 en daar overleden 20 juni 1897. Hij trouwde de eerste keer te Oldenzaal op 17 november 1859 met Amelie Marie Emérence Michgorius, ook geboren te Oldenzaal op 24 februari 1832 en overleden 10 juli 1868. Hij trouwde de tweede keer op 14 maart 1872 met zijn schoonzus, de jongere zus van zijn overleden vrouw, Maria Emerentia Michgorius, geboren 14 juni 1839.
De moeder van Dr. Michgorius (de grootvader van Amelie en Maria) was Anna Beatrix van Wulfften, Zo kwam Van Wulfften dus via de vrouwen in de stamboom van Gulia, terwijl de naam Van Wulfften Palthe werd toegevoegd aan de tak Palthe/Racer omdat de zoon van Aleida Palthe en Arnold van Wulfften kinderloos stierf, zoals we eerder aangaven.
















Carel Hendrik Bernhard Palthe.


Uit het eerste huwelijk van Carel Hendrik Bernhard zijn drie dochters geboren, waarvan de eerste kort na de geboorte overleed en de andere twee ongehuwd zijn gebleven.
Joanette Franciska Isabella Palthe, geboren te Oldenzaal 2 april 1861, overleden 21 april 1861.
Carolina Bernhardina Palthe, geboren te Oldenzaal 30 april 1862 en daar overleden 1923.
Guillemette (Gulia) Joanette Palthe, geboren te Oldenzaal 22 oktober 1863 en daar overleden 26 maart 1928.

Carel Hendrik Bernhard was theologisch kandidaat en werd 'proponent' genoemd, dat wil zeggen: afgestudeerd voor predikant en kandidaat voor een predikantsplaats. Hij heeft maar één keer de kansel beklommen en is zich verder aan het beheer van zijn landgoederen gaan wijden. Hij jaagde veel en zijn weitas werd door dochter Gulia goed bewaard. Zijn jachtgeweer heeft ze in 1914 moeten inleveren en, zoals ze in een brief schreef, de gemeente-ambtenaren hadden groot plezier toen zij, als eerste in de stad Oldenzaal, voldeed aan het bevel tot inlevering van wapens.


Gulia Palthe op het Westeinde, nog rijkelijk voorzien van eikenbomen.

* * *

Verantwoording _________________________________________________________

Bronnen en literatuur:

T. G. de Kempenaer-van Wulfften Palthe, Het Palthe-huis aan de Marktstraat te Oldenzaal. Joppe, 1963
R. A. Olde Dubbelink, "Portret van een dame", Gulia Palthe 1863-1928. Oldenzaal, 1998
Nederland's Patriciaat, jaargang 4, 1913
Rijksarchief Zwolle
Ds. J, ter Steege, De kerke tot Oosterveen. Geschiedenis van de Hervormde gemeente Nieuwleusen. 1982
"Ni'jluusn van vrogger". Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen. 1987-2, 1993-4 en 1996-2

Fotoverantwoording:

T. G. de Kempenaer-van Wulfften Palthe, Het Palthe-huis aan de Marktstraat te Oldenzaal, blz. 7, 21 40, 43, 44 en 46.
Museum het Palthe-Huis te Oldenzaal, blz. 5 en 11.
De overige foto's zijn van de Historische Vereniging "Ni’jluusn van vrogger" en zijn voornamelijk afkomstig uit het foto-album Gulia Palthe.





De redactie van het kwartaalblad van de Historische Vereniging "Ni'jluusn van vrogger" wordt gevormd door G. Bartels-Martens, M. C. Dirksen, G. Hengeveld-van Berkum, R. J. Klijn en J. W. de Weerd.

© 1998, "Ni’jluusn van vrogger".

Uitgave:

Historische Vereniging "Ni’jluusn van vrogger"
Westeinde 3
7711 CH Nieuwleusen




Jaargang 17 nummer 1 maart 1999

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Het onderschrift bij deze tekening luidde in ca. 1942: …de koe op de Nederlandsche weiden grazend, geeft drie, vierduizend liters – en vaak nog meer – per jaar….

* * *

AGRARISCH WELZIJN NIEUWLEUSEN 1955–1959;
een impressie VI _________________________________________________________

Dit is het laatste deel van een serie over de Stichting Agrarisch Welzijn Nieuwleusen, die werd opgericht om een betere bedrijfsvoering op de landbouwbedrijven te bewerkstelligen. Men trachtte dit te bereiken door gezamenlijk de handen ineen te slaan om de bedrijfsvoering zodanig te verbeteren, dat een hoger inkomen kon worden bereikt, waardoor de bestaanszekerheid zou worden vergroot.

Tegenwoordig worden gesubsidieerde instellingen steeds meer aangesproken op hun verantwoordelijkheid om ook eigen inkomsten te verwerven. Dat is niets nieuws onder de zon, blijkens een brief 'betreffende een financiële bijdrage', die de Stichting Agrarisch Welzijn Nieuwleusen op 2 april 1958 aan onderstaande bedrijven in Nieuwleusen stuurde:
- Bestuur Coöp. Zuivelfabriek "Onderling Belang" te
   Nieuwleusen.
- Bestuur Coöp. Landbouwvereniging te Den Hulst.
- Bestuur Coöp. Zuivelfabriek te Den Hulst.
- Bestuur Coöp. Boerenleenbank te Den Hulst.
- Bestuur Coöp. Zuivelfabriek te Balkbrug.
- Bestuur Coöp. Landbouwvereniging te Balkbrug.
- Firma Gebr. Muller te Den Hulst.
- Bestuur Coöp. K.I. vereniging B.O.N.O. te Witharen.
- Gemeentebestuur van Nieuwleusen.
- Smederij J. Westerik, Den Hulst.
- Smederij B. Westerik, Den Hulst.
- Smederij H. ten Kate, Nieuwleusen.
- Smederij J.S. Westerveen, Nieuwleusen.
- Smederij Schoemaker, Westeinde.
- Garage Boers, Den Hulst.
- Garage Pinxterhuis, Nieuwleusen.
- Molenaar W. Massier, Nieuwleusen.
- Union bouwmaterialen, Den Hulst.
- Aannemers Gebr. Snijder, Nieuwleusen.
- Aannemer H.J. Sterken, Den Hulst.
- G. Hoogezand, De Meele.
- Café Schoemaker, Nieuwleusen.

Zoals u bekend zal zijn, tracht de Stichting Agrarisch Welzijn Nieuwleusen sinds 1956 door middel van allerlei activiteiten de bedrijfsvoering en hiermee de financiële uitkomsten van de landbouwbedrijven te verbeteren.
De meeste van deze activiteiten worden ter aanmoediging ondersteund door een premieregeling, waarvoor door het Ministerie van Landbouw, Visserij en Voedselvoorziening jaarlijks een niet onbelangrijke bijdrage wordt verstrekt.
Deze bijdrage mag enkel worden aangewend voor projecten die een uitgesproken landbouwtechnisch karakter hebben.
Het bestuur van de stichting is evenwel van mening dat, wil de stichting haar taak goed volbrengen, aan meer zaken, o.a. de maatschappelijke opbouw, aandacht moet worden geschonken.


Het doel van de stichting is immers een bijdrage te leveren voor de verhoging van het welvaartspeil en welzijn van de gehele bevolking. Wij willen hier wijzen op de gunstige resultaten o.a. van de voorbeelddorpen in Brabant en Friesland, waar door gezamenlijke krachtsinspanning van alle betrokkenen een zeer grote vooruitgang valt waar te nemen, evenzo in gebieden in Gelderland.
Om meer te kunnen doen zullen meer gelden nodig zijn dan door het Ministerie beschikbaar worden gesteld in verband waarmee het Bestuur een beroep doet op uw medewerking in de vorm van een financiële bijdrage.
Zij doet dit in de wetenschap dat u overtuigd bent dat een gemeenschapsbelang ook uw belang is en rekent daarom gaarne op uw medewerking.

De voorzitter, E.H. Mulder.
De secretaris/penningmeester, Ir. K.A. Klarenberg.

-----

In december 1961 liet de Stichting Agrarisch Welzijn Nieuwleusen een brochure verschijnen waarin zij een balans opmaakt van datgene water mede door haar bereikt is:

Nieuwleusen is een streek met overwegend kleine bedrijven. Driekwart is kleiner dan 10 ha., de helft zelfs kleiner dan 7 ha. Maar wat hebben deze kleine boeren in de afgelopen zes jaar niet gepresteerd?
De arbeidsproductiviteit steeg met ruim 7 % per jaar, hetgeen bijna dubbel zo hoog is als voorde zandstreken in het algemeen in Nederland. Mede daardoor werd het mogelijk voor de 580 bedrijven in dit streekverbeteringsgebied per jaar ruim 1 1/4 miljoen gulden meer te verdienen. Dit zijn hoopvolle resultaten!
Men is in Nieuwleusen op de goede weg. Ook buiten de landbouw, bij de industrie en middenstand, is er zichtbare vooruitgang. Nieuwleusen is een nijvere gemeente, die weer groeit!

* * *

ZORGEN VAN EEN PREDIKANT _________________________________________________________

G. Hengeveld – van Berkum

Een van de eerste dominees die in de nieuwe ontginning Nieuwleusen hun functie uitoefenden, was dominee Wilhelmus Stolte. Hij studeerde in Deventer en toen hij in 1681 in Nieuwleusen werd beroepen, was dat zijn eerste gemeente. Hij was in 1679 bij zijn zwager in Zwolle komen wonen, waar hij de beschikking kreeg over een vrije kamer, "versien met vuur en ligt, en alles wat daar an dependeert, ja selfs wanneer imant hem is komen besoeken, so heeft mijn Swager saliger Ds. Stolte gecommandeert bier, brandewijn en wijn, toebak, en dat met beloften om ons dubbelt wederom te vergelden, so hij 't niet met gelt kon betalen, so sou hij ons met rogge betalen, en daarop ontfangen in 't jaar drie en negentig één schepel boekweijt." Voor deze kamer moest hij 3 gulden per week betalen. Toen Ds. Stolte in 1682 trouwde kwam ook zijn vrouw daar wonen. Voor haar moest 2 gulden per week worden betaald.
Deze gegevens komen uit een rekening van Jan Grevink die was bestemd voor Suster Anna van Munster weduwe van "Saliger Ds. Wilhelmus Stolte".
Verder uit deze rekening:
"Nog verscheijde weken eer dat mijn Swager saliger tot predicant beroepen wierd, die boeren van Nieuwleusen opgewagt, en haar uit last van mijn swager getrakteert met eten en drinken omdat zij dikwijls raadpleegden met mijn swager om hem tot predicant te beroepen so dat ik veel onkosten daar an gedaan hebbe waarvoor ik pretenderen 25 gulden. Nog een Ducaton tot een schinke gelankt welke mijn swager kort voor ‘t beroep an iemant vereert heeft 3 gulden 3 stuivers. (Misschien al steekpenningen?) Zodat het bedrag is 381 gulden 3 stuivers. Hier gaat af voor één schepel boekweijt 1 gulden 16 st. blijft over 379 gulden 7 st."
Op 14 december 1695 was de rekening opgelopen tot ƒ 479,--.
Zo zien wij dat het soms erg moeilijk is om gedane beloften na te komen. Ook Ds. Stolte heeft ervaren dat niet altijd uitkomt wat men zich voorneemt. Dat het eindbedrag voor die tijd al zo hoog opliep, komt omdat een predikant toen eigenlijk niet zoveel verdiende. Het moet hem toch veel moeite en verdriet gekost hebben.
Vooral hij die eigenlijk een voorbeeld voor de gemeente moest zijn. Hij "De bedienaar des Goddelijken woords" zoals dat zo mooi geschreven staat bij zijn ondertrouw in Zwolle. Zo was in die tijd het leven hard en meedogenloos voor een bestaan in deze wereld.
Als wij dan het Nieuwleusen van vandaag vergelijken met de tijd van toen, dan mag er in ons hart toch wel grote dankbaarheid zijn, dat wij leven en werken mogen in een tijd die zo heel anders is. Wij maken het ons zelf vaak moeilijk door steeds meer te willen en ons bezit te willen vergroten. Maar als wij terugkijken op de begintijd van Nieuwleusen met het harde gevecht om het dagelijkse bestaan, dan dwingt ons dat eigenlijk diep respect af. In gedachten zien we ze weer staan, onze voorouders, te midden van de heidevelden en woestenij. Hard werkend, misschien wel krom en gebogen en waarschijnlijk rimpels in het gezicht door de zorgen en dat harde werken. Maar toch niet gebroken, al voortbouwend en werkend aan het Nieuwleusen van vandaag.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van woensdag 13 april 1938: Drankwet-vergunning. Naar de M.C. meldt, heeft de heer J. Visser bij Sluis 3 caféhouder zonder vergunning, een vergunning voor sterken drank gekocht te Ruitenveen, thans eigendom van den heer T. Mol te Genemuiden, voor den prijs van ƒ 1100, onder beding, dat de koop alleen doorgaat, indien B. en W. toestemming verleenen om de vergunning over te schrijven op het café van Visser.

* * *

ONDER DE OLDE KROEME IEKEN _________________________________________________________

Een Wieker

In het boekje ‘De familie Palthe en Nieuwleusen, een relatie van 175 jaar' is te lezen dat juffrouw Gulia Palthe in haar testament bepaalde dat de eikenbomen langs de Nieuwleusenerstraatweg moesten blijven staan tot sierraad van Nieuwleusen. Op de afgedrukte foto‘s is te zien hoe rijk dit gebied toen voorzien was van bomen. Maar ook elders waren mooie oude eiken aanwezig, o.a. in De Wijk aan de oever van de Reest. Dit inspireerde een onbekende inwoner van De Wijk tot onderstaand gedicht dat in de Meppeler Courant van 12 januari 1966 werd gepubliceerd.

Onder de olde kroeme ieken
Stiet een peerd, mit ’t heufd naar beneên
't Is of hij stiet te deenken
Aover dingen lange leen.

Mar nee hij vertelt daor
Het stroompien zien verdriet
't Bint ook olde kameraoden
'En dan weej wel hoe as det giet.

Ze weet as gien iene aanders
Hoe ik altied mien beste dee
Hoeveule heuj en gras ik
Hier wegtruk veur al oens vee.

Olde Lammert har dan 't leide
Hier veur de brugge zette ik mij schrap
Tut midden op oen hoge rugge
'En dan gunk't wieder mitgemak.

De jonge boer zee: 't mut veraanderen
Is mij det nou een geknooi
Aw now ies een trekker kochten
Dan kuw gauw en 't giet zo mooi.

De olde baos was ter eerst tegen
En zee: 't hef altied zo e kunt
Mar hij was niet eer tevrene
Tut dat er een ni'je trekker stund.

Now loop ik hier te lanterfanten
Allennig tussen al die koen
Kleine karweigies zeg de jonge
Dit mut 't olde peerd mar doen.

Gister kwamp de olde baos mij halen
Wij waren kort bij huus in de hekkedam
Doe de jonge mit dat ondingk
Oens daor net in tegen kwam.


'En het brulde en het rookte
Zo iniens steeg 't mij naor de kop
Ik stak de veurbienen in de heugte
‘k Was woedend en namp hak op.

'k Vleug mit een grote sprunk de stal in
Ik beefde as ik weet niet wat
Ol Lammert zee: hoe haj't mien jonge
En streek mij de manen glad.

Uut dankbaarheid drukte ik de snoete
Hiel dichte tegen zien scholder an
Doe klupte hij mij op de nakke
En zee: 't wordt er niks aanders van.

Hiel, hiel zachies stroomt het water
Oaver 't peerd zien hoeven hen
En het flusterde mit weemoed
Ie weet dak oe genegen bin.

Ik lig hier now nog rustig
Zo ak al jaoren heb e daon
‘k Bin bange det dit niet altied
Zo deur zal blieven gaon.

Hoeveule kleine stroompies
Waren hier in disse buurt
Mit trekkers en mit griepers
Bint ze der op of e stuurd.

En ze hebt ze recht e trukken
't Is griezeleg aj 't ziet
As lange smalle linten
Ligt ze daor mit heur verdriet.

Ik heb altied zacht e kabbelt
Hier deur het lege laand
En an Dickninge en de Havixhorst
Heb ik mien hart verpaand.
As trouwe wachter staot ze
Al eeuwen an mien zied
'k Zul veule van heur zeggen kunnen
Van vreugde en van verdriet.

Jonkers en Baronnen
Hoeveule? ’t stek niet nauw
'k heb ze ziene in feestdos
'k heb ze ziene in rouw.

Ze kwamen mit heur knechten
En de boeren baovendien
'En leuten heur bezwietten lichaam
Behaaglijk in de rieste glien.

Tegenwoordig is det aanders
En det dut mij 't harte zeer
Zij stapt nou, in de auto's
Naor 't zwumbad aoverveer.

As dan op mit de heren
Hier op de brugge staot en wiest
Naar oost en west, dan deenk ik,
Zij hebt 't vaste aover de olde riest.

Ik heb mien hele levend
Altied bedaard en kalm e west
Mar as ze mij det gaot lappen
Dan zeg ik oe, dan is 't niet best.

Dan zal ik 't water laoten stromen
Zo hard as ik mar even kan
En van de hiele omgeving
Trek ik mij dan ook niks meer an.

Och miert lieve olde stroompien
Maak oe toch niet zo aoverstuur
Zij wilt, zij kunt je hier niet missen
Det week zeker, dat week sikuur.

Ieje mit oen mooie bochten
Hier an 't roandtien van de Wiek,
Det gaot ze nooit veraanderen
En ik geef heur groot geliek.

Hoe older as ie wordt hoe mooier
En 't is net zelfde waor aj koomt
Nergens vien ie zo'n mooi diepien
Det zo lievelijk deur de laanden stroomt.

't Olde peerd det keert hum umme
En sjokt langzaam naor de koen
Kiek toch ies, zeg hij zachies
Hoe die allemaol heur beste doen.

Ja, botter, melk en keeze
Kunt ze nou nog niet vervangen
En 't giet toch allemaol eigenlijk
Um de menselijke belangen.

Nee ie mit oen grote schare
Ie blieft belangriek
En mit zo'n hiele kuppel
Zet ie heur hiel wat zoden en de diek

De bonte die kik schieve
Naor de zwarte, mit zien grote gier
'k Weet 't wel, deenkt ze, mit de controle
Har ie zes en twintig vier.

Ik kun het disse keer niet halen
Mar de aander keer, pas op
'k Mut mij al raar vergissen
Ak dan gien meer in de ummer stop.

Zij vreet allemaol in de wedde
En warkt mit veur 't goede doel
Mar 't olde peerd hef niks gien honger
En det viend hij een misselijke boel.

Niets slat hij mit de starte
En schud de manen ies op stee
Keom deenkt hij, ik gao der mar bij liggen
Daor op det heugien bij de vree.

Ze staot nog steeds te kieken
Op de brugge, mit de leuning in de haand
De zunne gut heur leste straolen
Tegen 't bos an en aover ’t laand.

Alles wordt mit purperen gloed omgeven
Daor op dat mooie aovenduur
En zachies komt 't oe over de lippen
Hoe schoon, o God, is de natuur.

Ie duurt hier gien geluud te geven
'Een nevel trekt wow oaver 't laand
't Is zo’n unnuumlijk mooi gezichte
Mit Dickninge op de achterhaand.

De boerderijen uut de veerte
't Is of de nevel ze umslut
En oe mit oen gedachten
Daor op de brugge allennig achterlut.

Miljoenen kleine vlieggies
Dartelt boven 't water rond
Beschenen deur de leste straolen
De zunne zit mitiene an de grond

Kronkel, de kronkel kronkel
Giet 't stroompien onder oe deur
Nee veur zulk een schoonheid
Daor heb ie gien woorden veur.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXXXI _________________________________________________________

De beurt is deze keer aan de Openbare Lagere School aan het Oosteinde te Nieuwleusen. Het is een foto uit 1953 waarop in totaal 111 personen zouden moeten staan. Helaas bleek het technisch niet mogelijk om een drietal personen die op de rand van de foto stonden ook op deze reproductie te krijgen. Het zijn de nummers 41,43 en 69 van de lijst.
Er staan nog een paar vraagtekens op de lijst. Wanneer u een aanvulling kunt geven, verzoeken wij u dat, liefst schriftelijk, te doen onder vermelding van het fotonummer: Foto BA137, oud nummer ZA 44
Op de gelinkte foto staan wel alle deelnemers. De nummervolgorde uit het blad is niet geheel gelijk aan die van de namenlijst.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  

Jan Klein
Jan Willem Brinkman
Henk Ganzeboer
Henk Katoele
Arie Huzen
Dirk Jan Evertsen
Albert Kragt
Gerrit Jan Huzen
Jantinus Katoele
Arie Blik
Gerrit Prins
Arend Jan Evertsen
Jannes Pot
Andries Bruggeman
Jan Reuvers
Wim van Holten
Wolter Lefers
Jo Doggen
Klaas Klunder
Hillie Vossebelt
Femmie Runhart
Klaasje Krol
Hennie Krol
Hennie Frielink
Dinie Huzen
Mina Kragt
Jentje Katoele
Geertje Huzen

29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  
54  
55  
56  

Marrie Katoele
Alie Regterschot
Alie van Spijker
Jannie Evertsen
Hillie Steenbergen
Jennie Ganzeboer
Femmie Klein
Annie Lefers
Jan Stegerman
Evert Jan Kappert
Evert Jan Reuvers
Jan Krikke
Meester Katerberg
mevrouw Katerberg
Ben Katerberg
Hennie Stegerman
Linie Pruntel
Annie van Oenen
Bertha Mijnheer
Aafke Pot
Annie Zandink
Dinie Schuurman
Minie Veerman
Leida de Weerd
Hennie Pot
Fennie Pessink
Hennie Kragt
Dinie van de Berg

57  
58  
59  
60  
61  
62  
63  
64  
65  
66  
67  
68  
69  
70  
71  
72  
73  
74  
75  
76  
77  
78  
79  
80  
81  
82  
83  
84  

Hendrika Brasjen
Hennie Kappert
Antje Groen
Tinie Brouwer
Jannie Katerberg
Jannie Klunder
Catharina Zandink
Mina Brouwer
Hennie Schoemaker
To Ganzeboer
Alie de Weerd
MeesterTimmerman
Berend Reuvers
Arend Knotters?
Willem Stegerman
Geertje van Zomeren
Hennie Groen
Rita Pot
Jennie van Zomeren
Alie Knol
Pia Zandink
Klaasje Kleen
Klaasje Kappert
Klaasje Klein
Catherina Scholten
Alie Kuipers
Marrie van Zomeren
Jannie Regterschot

85  
86  
87  
88  
89  
90  
91  
92  
93  
94  
95  
96  
97  
98  
99  
100  
101  
102  
103  
104  
105  
106  
107  
108  
109  
110  
111  
 

Wiecher Blik
Jannes Kragt
Albert van de Berg
Koop Krul
Gerrit Kamerman
Andries van de Berg
Roelof Ganzeboer
Steven Kuipers
Roel Ganzeboer
Jan Klein Ezn.
Klaas Bijker
Leo Knol
Jan van Holten
Klaas Kreule
Gerard Kamerman
Bennie Pot
Evert Jan Huzen
Johan Kragt
Peter Frielink
Henk Kok
Roelof de Weerd
Berend Jan Krul
Hendrik Jan Huzen
Herman Kragt
Arend Bruggeman
Arend Kuipers
Klaas Knol

* * *

EEN VEILING IN 1772 _________________________________________________________

J.W. de Weerd

Op een sukkeldrafje baant Jan Alberts zich een weg door de heide. Hij is aan de late kant, maar om toch op tijd te komen heeft hij zijn pas versneld. Het is een beetje drukkend op deze zomerdag midden in de hondsdagen. Jan heeft last van de warmte. Zijn vele kleren maken het hem niet gemakkelijk. Maar hij kan de jas van zijn opknapperspak toch ook niet uit doen.
Gisteren toen hij aan het roggemaaien was, liep hij in zijn roodgestreepte onderbroek op het land, net zo als alle boeren. En ook vandaag zijn er nog velen bezig met de roggeoogst. Het moet ook gebeuren, de rogge zit rijp in de aren. Nu het mooi droog weer is, is iedereen er als de kippen bij om de rogge droog in de 'gaste' te krijgen. Na een paar weken verder drogen kan de voorraad dan op de 'slieten' om er als de beesten op stal staan elke ochtend een 'legge' te dorsen.
Vandaag heeft Jan zijn gedachten niet bij de bouw, hij heeft hele andere dingen aan zijn hoofd. Als hij dat boerderijtje toch eens kon kopen! Al heel wat jaren heeft hij er nu een gehuurd en een paar keer is hij al van boerderij gewisseld. Maar het blijft altijd maar het eigendom van een ander en ieder jaar weer is het hard werken om de huurpenningen op te brengen. Toch is het hem telkens weer gelukt en hij is trots dat hij in al die jaren een beetje heeft kunnen sparen.
Vandaag zal het boerderijtje dat Berend Berends huurt van Vos de Wael uit Zwolle worden verkocht. Twee weken geleden was het ingezet op ƒ 360,--. Het is een mooi plekje en Jan zou er graag wonen. Hij heeft twee borgen gevonden die hem willen steunen. Van die twee is er een die de helft van de boerderij van hem zal overnemen. Niemand is daar nog van op de hoogte en hij zal dat bekend maken wanneer de tijd daar is. Voorlopig hoopt hij alleen maar dat het niet te duur wordt. Zijn vrouw heeft hem op het hart gedrukt toch vooral goed uit te kijken en geen domme dingen te doen. Met drank op weet je maar nooit! Jan heeft belooft voorzichtig te zijn en goed op de zaken te letten.

Het is trouwens niet het enige perceel van de familie Vos de Wael dat verkocht wordt. Nog acht percelen zullen onder de hamer komen. Ja, de familie houdt opruiming. Ze houden trouwens nog genoeg bezit over en niemand van de boeren in de omgeving heeft medelijden met ze. Wel met sommige van hun huurders. Ze worden telkens weer verplicht om een zodanige huur op te brengen dat ze er nauwelijks van kunnen rondkomen. Maar wat moet je als je niet altijd arbeider wilt blijven?

Ginds bij dat bos is de herberg al te zien. Nog even een klein kwartier lopen en hij is er. Als ze nog maar niet zijn begonnen. Naar de zon gezien moet het zo ongeveer twaalf uur zijn. En dat was de tijd die tijdens de kerkenspraak genoemd werd voor de inzet. Direct de eerste keer toen de dominee na de dienst de komende verkoop van de boerderij van Berend Berends aankondigde, had hij er bij thuiskomst met zijn vrouw over gesproken. Als dat toch eens zou lukken, wat zouden ze dan blij zijn. En nu, nu was het dan eindelijk zover dat de verkoop plaats zal vinden.
Gelukkig, ze zijn nog niet begonnen. De herberg zit vol mensen en de meesten hebben de eerste borrel al op. Het is een drukte van belang. Met stemverheffing vraagt de schulte even later het woord. Het duurt even voordat het stil is, maar wanneer dat het geval is, vertelt hij nog eens het doel van de bijeenkomst. Vervolgens leest hij de voorwaarden voor de verkoop voor die de familie Vos de Wael heeft gesteld. Hierna begint het bieden.
Het perceel waar Jan Alberts belangstelling voor heeft is het eerst aan de beurt. Hij hoogt als eerste maar ziet zijn bod een aantal keren overboden. Telkens biedt Jan meer. Op enig moment zit hij al aan het maximum bedrag dat was afgesproken en nog wordt hij overboden. Juist voor de slag biedt hij nog eens, terwijl hij zich realiseert dat dit niet de afspraak was. Maar wie is er de baas, hij toch zeker! Het zal moeilijk worden om het geld bij elkaar te krijgen, maar hij heeft goede borgen en dominee Palthe heeft hem steun toegezegd door de helft van de boerderij te zullen overnemen. De dominee kan een paar centen meer wel opbrengen, volgens de boeren heeft hij geld zat.

De drank heeft zijn werk gedaan, nog wil er niemand opgeven. Maar uiteindelijk pakt het toch in zijn voordeel uit, Jan Alberts wordt de nieuwe eigenaar van de zo gewenste boerderij, al zal dat dan samen moeten zijn met dominee Palthe. De waard krijgt opdracht de wijn ter bekrachtiging van de koop te schenken. Proost! Hij heeft het perceel. Dat hij het samen met dominee Palthe koopt, vertelt hij direct, zodat de schrijver dat in de akte kan opnemen. Jan Alberts is tevreden.
De biedingen op de percelen die nog volgen hebben niet meer de aandacht van Jan en van sommige steeds luidruchtiger wordende anderen. Regelmatig moet de schulte tot stilte manen.
Toch wordt er goed geboden op de verschillende percelen en de spanning stijgt voortdurend.
Wanneer alle percelen zijn geveild vertrekken de meesten. De schrijver maakt de laatste aktes op. Nog even en de veiling zit er op. Ondertussen praten de aanwezigen onder het genot van nog een glas wijn na over het verloop van de veiling.

Het is al laat geworden als Jan Alberts de herberg verlaat en zich op weg naar huis begeeft. Hij is in een goede stemming. Waarom ook niet, hij heeft immers zijn doel bereikt ook al is hij niet gestopt met bieden toen het afgesproken bedrag was bereikt. Hij denkt na hoe zijn vrouw zal reageren en bedenkt dat die wel eens niet mals kan zijn!
-----
De aktes waarvan in bovenstaand verhaal sprake is, zijn, weliswaar gehavend, bewaard gebleven en kwamen afgelopen zomer in bezit van de vereniging. Hieronder nemen we ze over.

Conditien en Voorwaarden
Waarop de Heer Egbert tot de Wael en vrouwe Johanna Maria van Sonsbeeck ingevolge geaffigeerde kerkenspraken als nu op heeden den 11 Augustus 1772 in het Roode hardt aan de Hesse Weg bij Dalfsen, gedenke te doen insetten en 14 daegen daar na en wel op den 25 Augustus 1772 ter Selver plaats en uur int openbaar bij den slag aan de Hoogstbiedende te verkoopen de Volgende neegen perceelen Landerijen, geleegen ter plaatse als nader bij ijder Perceel sal worden gespecificeert.
1. De Verkoopinge sal geschieden bij Car. guldens van 20 St. 't stuck en den Eijgendommelijken aantast sal aan kooperen weesen aanstondts na de Ergaene Slag, sallende de Huuren en Paghten verschijnende Martini 1700 twee en seventig sijn tot baate en Profijte van de respective koopers, die de Huurgaaven van dien volgens Toneur der Huurcontracten sallen moeten uithouden.
2. De Betaelinge der beloofde kooppenningen sallen werden gedaan in twee Egaele Termijnen; het eerste op primo December 1772: met een half Jaar renten; en het andere op primo Meij 1773 met een Jaar renten; beijden teegens 3 percento int Jaar gereekent.
3. Die de Insaete doed, sal daar voor genieten soo veel als bij ijder perceel sal worden gestelt, en het reght hebben tot de eerste verhooging; van welcke en alle verdere Hoginge sal genooten werden den 10 penning. Welke Insaete en Verhooging gelden, door de respectieve koopers sullen moeten werden betaelt, sonder kortinge aan haare beloofde kooppenningen. Mog de koop van eene of alle de Perceelen bij den slag door Verkoopers niet werdende geaccepteert, maar ingehouden welke macht sij aan sig sijn reserveerende, sullen de lnsaete betaelt en de verhooging gelden niet behoeven betaeltte werden.
4. De Wijnkoop 1) die bij ijder Perceel sal worden gespecificeert sal door koopers werden voldaen als de koop gehouden werdt om bij den slag genooten te werden; ‘t armen geldt soo als meede bij ijder perceel sal werden gespecificeert sal door de respectieve koopers sonder kortinge meede moeten werden voldaoen. In val de koop door verkoopers werdt gepoesteert en anders niet.
5. De respective Koopers sallen tot haaren lasten hebben sonder kortinge den geheelen Impost van den 50 penning en de gerighs Tara der overdraght bij de voldoeninge der kooppenningen.
6. Koopers sullen gehouden sijn aanstondts na de Ergaene Slag voor de beloofde kooppenningen en het nakoomende der Conditien te moeten stellen twee sufficiente Borgen tot contentement van Verkooperen; welke ijder in Soliden als Principaelen daarvoor sullen sijn en blijven verbonden sulx dat bij mankement van dien het Verkogte Wederom sal werden opgehangen en Verkoght tot schaade en niet tot baete van sodaenige onwillige of onvermogende koopers en het Verkooper vrij staen sig te mogen houden aand vorige hoogers tot den Insetter incluis, Welke al hun bot sullen moeten gestandt doen, schoon daar ook afgehooght mogten sijn geweest.
7. Eijndelijk wert bij verkooperen geconditioneert en bedongen als dat soodaenige restante paght penningen als eenige meijers nog schuldig sijn, door de koopers van die perceelen aan Verkooperen sullen moeten betaelt werden, booven haare beloofde kooppenningen teegens behoorlijke acte van cessie, en onder kortinge van 10 guldens op ijder hondert, sullende soodaenige restante paghten bij die perceelen waarbij deselve gehooren werden opgegeeven.
Aldus bij ons onderget. gedaen en verright op tijdt en paats als int Hooftdeeser staetgemelt
E. Vos De Wael   J.M. Vos De Wael geb van Sonsbeeck
---
lnsaete       ƒ 3:-:-     Eerste Perceel
Wijnkoop     1:-:-     Ongeveert ses Roeden landt in de breete
Armengeldt  -:10:-   sijnde vrijallodaal goedt geleegen int Scholtampt van Zwolle op ‘t Roetenveen met de Timmeragië daarop staende Except de Schuur en de Backoven die de meijer toekomdt.
Op Huure gebruijkt werdende, bij Beerent Beerens anders Kijften Beerent genaamdt met sijn raedt en onraedt daar van oudts toegehoorende; met bijvoeginge van de helft in soo-daenig onraedt in de graght bijt Tolhuijs, als wel eer door Bart Seijsselt(?) en uitsettens(?) Boer is gedaen teegens Jan Hendriks, Egbert Claase en Claas Claese.
1772 den 11 Augustus is dit Perceel ingeset bij Geert Hilberts op

Hondert Daelders
en verhooght met Hondert en Vijftig gls
Jan Albers Cuijper gehooght tien gls
heeft Hendrik Willems dit perceelgehooght met
Ten tijde van de Slag is dit perceel gehooght
door Jan Albers
De Heer van den Helm
Jan Albers
De Heer van den Helm
Jan Albers
De Heer van den Helm
Jan Albers
De Heer van den Helm
Jan Albers
De Heer van den Helm
Jan Albers
waarmede den selve den Slag behouden
heeft op

ƒ 150:-:-
150:-:-
10:-:-
50:-:-

5:-:-
10:-:-
5:-:-
5:-:-
5:-:-
10:-:-
5:-:-
15:-:-
5:-:-
20:-:-
5:-:-
----------
ƒ 450:-:-

En sal binne 14 daegen sijn kooper noemen.
En heeft tot Borge gestelt d Heer Procirator Kroonenberg en Domine Palten (was geteekent)
H. Kroonenberg   J.A. Palthe
(in margine stondt)

Dato den 25 Augustij nomineert Jan Albers voor de Weederhelft tot Coper Ds. J.A. Palthe, die sulx bij d acte aanneemdt
(was geteekent)
J.A. Palthe
---
Wij onderget. bekennen bij desen van Jan Albers ontfangen te hebben de Somma van twee hondert en vijf en twintig guldens met en beneevens drie gls 7 st 8 penn dat te samen ƒ 228:7:8 en sulx ter voldoeninghe van den helfte van soodaenige kooppenningen en renten van dien als in dese standt vervalt, Aannemende en beloovende wij onderget. ‘t verkoghte voor alle Oratie en opspraeke te sullen waghten en waaren na reghten.
Actum Zwolle den 2 December 1772.
E. Vos De Wael     J.M. Vos De Wael geb van Sonsbeeck

1) Wijnkoop: oorspronkelijk wijn ter bekrachtiging van een koop gedronken, later fooi boven de prijs bij een koop; ook wel voor plukgeld.

Ruim een jaar later verkoopt dominee Palthe zijn helft van de boerderij aan Jan Alberts. Ook die akte werd bewaard evenals die over een steeg over de landerijen. Beiden volgen hierna:

Op huiden dato ondergeschreven hebben Domine Jan Arent Palthe Predicant te Nieuwleuse en deszelfs Ehevrouwe Johanna Mulders ter eene zijde: Jan Alberts en sijn Ehevrouwe Trijntjen Herms ten andere zijde als gesamentlijk eigenaren jeder voor de halfscheit en samen voor het geheel van het plaatsjen wordende thans door voornoemde Jan Alberts en sijn vrouwe gebruikt sijnde ongeveer ses roeden lands in de breette, ten oosten Claes Derks en ten westen Jan Jacobs aanbeland, van de Heer Egbert vos de Wael gesamentlijk aangekogt op den 25 Augustus 1772 met het daarop staande houtgewas en getimmerte (exempt de Schuire en bakoven welke alleen aan Jan Alberts en sijn vrouwe behoren) eene vreedsame minnelijke en wettige verdeilinge gehouden alleen over de steege aan de wester sloot gelegen, en aver veertien voets land in de breette aan(?) De oostersloot van het plaatsjen gelegen, welke verdeilingen is geschiet als volgt
Ten 1sten. Dat de gehele steege met de sloten aan weersijden beginnende bij de dam die over de binnendijksloot of soo genoemd Zeegraven ten noorden opgaat tot aan de koolgaerden geheel en alleen voor altoos en Erffelijk sal behoren aan Domine Jan Arent Palthe en sijn Ehevrouwe en Erven met al het eijken en weeke houtgewas op weerszijden op de steege staende; so wel datter tegenwoordig op de steege staet als datter int toekomende nog op de steege gepotet sal Worden. Alleen sal Jan Alberts en sijn vrouwe en hare Erven het regt behouden om over de steege te mogen gaen, varen en drijven sonder het houtgewas te mogen beschadigen.
Ten 2den. Tegen de voorgenoemde steege sal Jan Alberts sijn vrouwe en hare Erven voor altoos en erffelijk behoren veertien voet lands in de breette gemeten van de oostersloot westwaerts en sal gaan in de lengte langs de oostersloot van het plaetsjen om daervan een cingeltjen en slootjen te graven, waerop gemelde Jan Alberts sijn vrouwe en hare Erven na haer genoegen houtgewas op mogen poten, welk houtgewas alleen aan haer sal behoren met de oostersloot so verre het cingeltjen loopt, sullende de gemelde veertien voet land in de lengte beginnen ten noorden van het Talgenkampje dat aan de Dijksloot legt, en gaen ook ten noorden op tot aan de koolgaerden en dus even so verre ten Noorden gaen als de steege die Domine Palthe de(?) door dese verdelinge is behorende, mits datter so (ruimte)? door Jan Alberts of die het na hem besitten moet gelaten worden, datter althoos door het hekke daer aen leggende behoorlijk en gans onbelemmert kan gegaen, gevaren en gedreven worden.
Ten 3den. Blijft voorts het geheele plaetsjen met het getimmerte als voren gemelt en het houtgewas (exempt de boven geschiede verdeilinge) onverdeilt, soo lange het van weerkanten goetgevonden wort. Belovende ook de verdeilers, datgeene dat nu verdeilt is gescheiden en verdeilt ten allen tijden te sullen houden, sonder de minste exceptie daertegen te sullen kunnen of mogen inbrengen; sijnde van dese verdeilingen twee alleens luidende brieven gemaekt. In waerheit oirconde is dese van weersijden van ons eijgenhandig ondertekent te Nieuwleuse den 22 october 1773.
Jan Arent Palthe Johanna Mulders
Dit is t merkt selfs geteiken van Jan Alberts
Dit is t merkt selfs geteikent van Trientjen Herms
Dit is in mijn Presentie onderteikent
Anthonij Stolte

-----

Op huiden dato ondergeschreven is de Heere Domine Jan Arent Palthe ter eenre zijde en Jan Alberts en deszelfs vrouwe Trientjen Harms ten andere zijde een minnelijke wettige en erffelijke verdeilinge gemaakt over de stege lopende ten Noorden op van het....pad beginnende aldaar van het hekke ten Oosten van de Koolgaerden en noorden bij langs en naast bij langs het Erve van Jochem Claes en wel tot aan het hekke bij de brink; Zoo dat gemelde Domine Palthe en zijn erfgenamen van voornoemde stege in vollen eigendom met alle daarop staande houtgewas de westerhelfte zal behoren en Jan Alberts en zijn erfgenamen van voornoemde stege de Oosterhelfte in vollen eigendom met het daarop staande houtgewas zal behoren, sullende van weerskanten van de stege jeder zoo veel moeten laten datter een behoorlijke wagenweg blijft om er over te kunnen varen drijven en gaan, als mede is het so genaamde bosjen gelegen aan de Zeegraven of binen Dijksloot is ook teffens(?) erffelijk verdeelt, dat Dominee Palthe en erfgenamen daar van zal toebehoren dat geene dat ten westen van het slootjen, dat van de Zeegraven ten noorden opgaat en Jan Alberts en zijne erfgenamen dat ten Oosten van gemelde slootjen is gelegen, sulx(?) dat het houtgewas dat op jeders land staat ook aan jeder toebehoren, belovende ook de gemelde verdeilers dat geene dat nu verdeilt is, gescheiden en gedeilt ten alien tijden te sullen houden, zonder de minste excemptie daartegen te zullen kunnen of mogen inbrengen. Zijnde van de verdeilinge twee alleens luidende gemaakt en verbinden ook van weerskanten onsen Perzoonlijken goederen tot nakominge deses gelijk ook … de verdeilinge van ons geschiedt op den 22 october 1773. In waarheid oirconde is deese van weerszijden van ons eigenhandig ondertekentte Nieuwleuse den 6 meij 1799.
Jan Arent Palthe
Dit is het mark van Jan Alberts Eijgenhandig geteekent
Dit is het mark van Trijntien Harms Eijgenhandig geteekent
In mijn presentie geschied
J Dijkstra koster(?) als getuijge deses.

* * *

NAGEKOMEN NI’LUUSENER WOORDEN _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

agielen
ankremmen

anschieten
antjakken
aof-e-strêen
aofstriên
arig
bedruussen

bellegiesbloeme
bessien
bezik
bleierig
büzzel
dokken

dompen
druussen
eskert
etgaarden grus
etgaarden heuj
flessiesgoed
gejoegter

gie
haam
heksenlepelties
horms
huussies
iemensnappertien
iepe
kenschop
keutelen
kielspit

kittelig
klaapgarm
klokkebloeme
kluunturf
knolle
koppietoezelen
krei'jnpikkerigheid
kummeluk
kummeluk

mestmuter



mieren
mierikken
mierkerig
nâeppien
oprei'jn
pietereuliepikkien
poeren
praotvolk
prikke

prikkerig
raffeligheid
roesterig
roesterig
schaoren
scheemsel
schruten
schruterd
sleuteren
slief
smeugeltien
snipsnaordigeitien
snotdompel
snotdompen
snotterneuse!
strieken
striksteen
tolter
tolteren
tukken
varkensvangers-
- bienen
- peuties
wierbuzzel
ziegezaangen

goed eten
draad aan elkaar zetten bij weideafrastering
riet opgooien
aan komen lopen
tegengesproken
tegenspreken
bijna opengekrabde huid, ziet er al zo uit
iemand met een grote mond proberen te
overbluffen
fuchsia
grootmoeder
apart houden
rood gevlekt
borstel
bundeltjes gedraaid stro onder de pannen
snottebellen
grootwoord hebben
2e snee gras
2e snee gras nog op stam
2e snee hooi
medicijn in flesje
geren van kinderen of jeugd rond huis of
dorsmachine
een rij met de zeis afgemaaid gras
nageboorte van een paard
herderstasje (plant)
grote inlandse wespen, hoornaars
nageboorte van een varken
koolmees
geit
het kennen van iemand
wat rond huis lummelen
greppel als landscheiding, gestoken bij
grondverdeling
lichtgeraakt (mens; paard)
half afgedorste garven
akelei
harde turf, baggerturf
oud zakhorloge
kopje duikelen
zeuren over iets onnozels
klungelig; sullig
door bv ouderdom de gang er wat uit hebben
houten 2tands stok om het opgehoopte stro mee weg te duwen voor het landmes, daarna werd het eronder geploegd
over iets doorzeuren
zaniken
zeurderig
klein schaaltje
haar kammen
petroleumlamp
peuteren
visite, bezoek
iemand die veel commentaar geeft en er
zelf niet tegen kan
meteen op de tenen getrapt, prikkelbaar
ruwe huid, schilferachtig
niet goed gevoelend
onuitgeslapen; ongewassen
scherven
schijnsel
groot spreken
snoeverd
slurpen
soeplepel
kleine, slimme ondeugd
kleine attentie
scheldwoord
snottebellen
scheldwoord
zeis scherpen
scherpt men de zeis mee
schommel
schommelen
mank lopen

O-benen
O-beentjes
kruin
wankelen, wiebelen, heen en weer gaan


Jaargang 17 nummer 2 juni 1999

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

ISSN 1384-0940

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Boerderij aan het Oosterveen 59 op de plaats waar voeger havezate Oosterveen gestaan moet hebben.

* * *

OOSTERVEEN ALS FAMILIENAAM I _________________________________________________________

De naam Oosterveen is in Nieuwleusen al vrij oud en komt nog steeds voor. Waarschijnlijk is de naam een afgeleide van de naam van de buurtschap Oosterveen, waar ook de gelijknamige havezate stond. Wat er eerst was, de havezate of de naam van het gebied, is niet duidelijk en ook moeilijk te achterhalen. We mogen aannemen dat de naam van het gebied eerst gebruikt werd, nog voor er van bebouwing sprake was. De naam die de boerderij kreeg die later als havezate werd aangemerkt, is dan van die van het gebied afgeleid.
Dit artikel is samengesteld uit gegevens van de heer
K. Schalen en uit ons eigen archief.

Toen het verplicht werd om een achternaam aan te nemen, koos een zekere Hendrik Hendriks voor zich en zijn vijf zonen de naam Oosterveen. In 1811 of 1812 werd hiervan een akte van naamsaanneming opgemaakt, waarvan op 15 april 1835 in Dalfsen een afschrift diende als bijlage bij de huwelijksakte van Gerrit Oosten/een en Hendrikjen Meijer van 2 mei 1835. Hendrik Hendriks overleed al op
11 november 1814 te Nieuwleusen.
De familienaam Oosterveen is echter door meerdere personen aangenomen, zonder dat er een familierelatie bestond.

Omstreeks 1700 werd in Den Hulst Harmen Hilberts (ook wel Hermen Hilberts) geboren. Zijn geboortedatum is in Nieuwleusen te vinden. Zijn vader was Hilbert, maar er is niemand met die naam in het doopboek te vinden die hier omstreeks die tijd kinderen liet dopen.
Harmen Hilberts trouwde in Nieuwleusen op 16 februari 1724 met Hendrikje Jansen.
Uit dit huwelijk:

1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.

Jan, gedoopt op 3 december 1724 te Den Hulst.
Hendrikjen, gedoopt op 27 januari 1726 te Den Hulst.
Hilbert, gedoopt op 14 augustus 1729 te Den Hulst.
Cornelis, gedoopt op 15 april1731 te Den Hulst.
Klaas, gedoopt op 26 april 1734 te Den Hulst.
Joanne, gedoopt op 23 januari 1736 te Den Hulst.
Hilligjen, gedoopt op 13juli 1738 te Den Hulst.

Hendrikje Harms (gedoopt 27 januari 1726) kreeg een zoon Hendrik, die op 29juli 1753 werd gedoopt.
Een broer van Hendrikje, namelijk Hilbert, woont in die tijd op een erf in Den Hulst dat behoort bij de havezate Oosterveen. Dat erf wordt samen met de havezate en alle andere bijbehorende erven in 1762 in het openbaar verkocht aan Gerrit ten Cate en Johannes Coenradus Bouwmeester, die schout van Hellendoorn was. Op 1 november van dat jaar wordt het geheel doorverkocht aan Gerrit Cuper en Pieter Derk Golts, burgemeester van de Stad Zwolle.
Op 3 maart 1788 worden de erven verdeeld onder beider erfgenamen, te weten Adolph Cuper, een broer van Gerrit Cuper, en de weduwe Berend van Marle, genaamd Helena Eva Golts, zuster van 'Camenaar' Pieter Derk Golts. Uit de van deze verdeling opgemaakte akte blijkt dat onder ‘lot 2' valt het erf in Den Hulst met het daarop staande hout en dat het wordt bemeijerd door Hilbert Harms, aan wie de 'getimmerten' zelf toebehoren.

Hendrik Hendriks (Oosterveen), bouwman, gedoopt 29 juli 1753, overleden op 11 november1814 te Nieuwleusen, trouwt
(1) op 14 april 1786 te Nieuwleusen met Jantje Claas, geboren circa 1769 te Rouveen, overleden op 12 maart 1809 te Den Hulst.
Uit dit huwelijk:

1.








2.

3.
4.
5.
6.







7.
8.

9.









Harmen, bezembinder, geboren op 15 april 1787 te Den
Hulst, overleden op 7 december 1865 te Nieuwleusen,
78 jaar oud. Gehuwd (1) circa 1810 met Derkjen Wevers,
geboren circa 1787, overleden op 25 maart 1848 te
Nieuwleusen. Gehuwd (2) op 61 jarige leeftijd op
25 januari 1849 te Nieuwleusen met Stijntje Berends
Poerink, 66 jaar oud, geboren 11 augustus 1782 te
Hoogeveen, overleden voor 1865.
Van Harmen zijn geen nakomelingen bekend.
Claas, geboren op 24 januari 1790 te Nieuwleusen en
overleden voor 1798
Jan, geboren op 4 maart 1792 te Nieuwleusen.
Hendrikje, geboren 24 augustus 1795 te Nieuwleusen.
Aaltjen, geboren 19 oktober 1796 te Nieuwleusen.
Klaas, landbouwer/daghuurder, geboren 26 maart 1798 te
Nieuwleusen en aldaar overleden op 22 januari 1863,
64 jaar oud. Gehuwd op 31-jarige leeftijd op
30 oktober 1829 te Nieuwleusen met Geertje Schoemaker,
24 jaar oud, boerendochter, geboren op 15 april 1805 te
Nieuwleusen en aldaar overleden op 16 december 1873,
68 jaar oud, dochter van Arend Geerts Schoemaker
en Jantje Gosens.
Aaltjen, geboren 21 augustus 1802 te Nieuwleusen.
Arent, geboren 15 februari 1804 te Nieuwleusen en
overleden voor 1812.
Gerrit, landbouwer, geboren op 18 oktober 1806 te
Nieuwleusen en aldaar overleden op 29 januari 1864
(zie hierna).

Hendrik Hendriks en Jantje Claas woonden ook op een erf
behorende bij de havezate Oosterveen. Dit blijkt uit de
volkstelling van 1795 waar Jantje Claas genoemd wordt
als buurvrouw van Hilbert Herms, die aangifte komt doen
van de personen die bij hem wonen. Hendrik Hendriks
geeft dan op dat er in zijn huis 7 personen wonen.

(2) op 16 september 1809 als weduwnaar te Nieuwleusen met Jennigje Jans, boerin te Den Hulst, geboren te Ruitenveen, gedoopt te Dalfsen op 26 februari 1786. Zij werd ook Jantje Snijder genoemd en was een dochter van
Jan Egbers en Jentje Derks.
Uit het tweede huwelijk:

10.





11.






Jan, landbouwer te Zuidwolde, geboren op 12 juli 1810,
gedoopt 15 juli 1810 te Nieuwleusen, gehuwd op
29-jarige leeftijd op 23 augustus 1839 te Zuidwolde met
Grietien Jannes Lover, 17 jaar oud, geboren op
26 december 1821 te Ruinerwold, dochter van Johannes
Hendriks Lover en Woltertje Arends Weuring.
Arend, tapper, geboren op 1 augustus 1813 te
Nieuwleusen, overleden op 4 augustus 1873 te
Hoogeveen, 60 jaar oud, gehuwd op 24-jarige leeftijd
op 14 juli 1838 te Zuidwolde met Grietien Roelofs Smit,
24 jaar oud, geboren op 18 april 1814 te Zuidwolde,
overleden te Hoogeveen, 70 jaar oud, dochter van
Roelof Willems Smit en Femmigje Roelofs.

Zowel Jan als Arend Oosterveen vertrokken naar elders en kregen nakomelingen die voor zover bekend niet in de Nieuwleusense registers voorkomen.

Jantje Jans (Snijder), weduwe van Hendrik Hendriks Oosterveen trouwt op 14 oktober 1815 te Nieuwleusen met Jan Harms, geboren in 1785, zoon van Harmen Geerts en Marrigje Esjes. Hun nakomelingen hebben later verschillende geslachtsnamen aangenomen: Oosterveen, Mannen en Witpaard.
Hoewel Jan Harms nog niet de naam Oosterveen draagt, nemen zijn kinderen deze naam wel aan. De nakomelingen zijn tot heden bekend.


Boerderij aan het Oosterveen 44.

Gerrit Oosterveen, landbouwer, geboren op18 oktober 1806 te Nieuwleusen en aldaar overleden op 29 januari 1864, 57 jaar oud, op 2 mei 1835 op 28 jarige leeftijd gehuwd met de 20-jarige Hendrikjen Meijer, landbouwersche, geboren 16 mei 1814 te Ruitenveen, overleden op 17 juni 1898 te Nieuwleusen op 84-jarige leeftijd, dochter van Roelof Meijer en Janna Klaas.
Uit dit huwelijk:

1.







2.

3.





4.







5.

6.

7.






8.





Hendrik, landbouwer, geboren op 25 november 1835 te
Nieuwleusen en aldaar overleden op 27 december 1904,
69 jaar oud. Op 27-jarige leeftijd, op 11 april 1863 te
Nieuwleusen gehuwd met Jantje Kleen, 32 jaar oud,
geboren op 4 mei 1830 te Nieuwleusen en aldaar
overleden op 9 januari 1906 op 75-jarige leeftijd. Zij
was een dochter van Hendrik Kleen en Aaltjen Kragt.
Nakomelingen wonen nog in of nabij Nieuwleusen.
Roelof, geboren op 8 maart 1838 te Nieuwleusen en
aldaar op 50-jarige leeftijd overleden op 31 oktober 1888.
Janna, geboren op 13 december 1840 te Nieuwleusen en
op 27-jarige leeftijd op 21 november 1868 te Avereest
gehuwd met Egbert Hulzebosch, 31 jaar oud,
schoenmaker, geboren 7 februari 1837 te
Ambt-Hardenberg, zoon van Jan Hulzebosch en
Geessien Welink.
Jantje, dienstmeid, geboren op 3 maart 1843 te
Nieuwleusen, aldaar overleden op 18 september 1872,
29 jaar oud. Op 24-jarige leeftijd, op 27 april 1867 te
Nieuwleusen gehuwd met Jan Witpaard, 22 jaar oud,
landbouwer, geboren op 11 maart 1845 te Nieuwleusen
en aldaar overleden op 10 september 1923 op 78-jarige
leeftijd. Hij was een zoon van Koop Witpeerd en
Hendrikje Ganzeboer.
Jan, geboren op 9 augustus 1846 te Nieuwleusen
(zie hierna).
Willem, geboren op 8 januari 1849 te Nieuwleusen en
aldaar overleden op 14 maart 1851 , twee jaar oud.
Willemina, geboren op 22 september 1851 te
Nieuwleusen, aldaar overleden op 67-jarige leeftijd op
21 november 1918. Op 28-jarige leeftijd, op 1 april 1880
te Nieuwleusen gehuwd met de weduwnaar van haar
zuster Jantje, Jan Witpaard (hiervoor genoemd),
35 jaar oud, landbouwer, geboren op 11 maart 1845 te Nieuwleusen.
Klaas, boerenknecht, geboren op 8 oktober 1854 te
Nieuwleusen, gehuwd op 29-jarige leeftijd op
15 mei 1884 te Nieuwleusen met Jentje Masselink, 30 jaar
oud, geboren op 24 februari 1854 te Nieuwleusen. Zij was
een dochter van Jan Masselink en Jentje Huisman.
Nakomelingen wonen nog in of nabij Nieuwleusen.

Jan Oosterveen, landbouwer, geboren op 9 augustus 1846 te Nieuwleusen, trouwt 27 jaar oud op 1 mei 1874 in Avereest met Marrigje Seinen, oud 25 jaar, geboren 1 augustus 1848 te Nieuwleusen, dochter van Derk Seinen en Margjen Hendriks.
Uit dit huwelijk:

1.









2.

3.



4.
5.

Gerrit, arbeider te Avereest, later landbouwer te
Zuidwolde, geboren op 15 maart 1875 te Zuidwolde en
aldaar overleden op 20 september 1927 op 52-jarige
leeftijd, gehuwd op 15 november 1907, 32 jaar oud, te
Avereest met de 21-jarige Klaasje Moes, geboren te
Avereest op 24 december 1885, overleden op
25 oktober 1932 te Hoogeveen, dochter van Hendrik Moes en Gerritdina Hofsink.
Nakomelingen wonen elders, behalve een kleinzoon (Klaas Schalen), die weer in Nieuwleusen woont.
Gerrit Jan, geboren op 4 april 1877 te Zuidwolde en aldaar
overleden op 27 augustus van datzelfde jaar.
Janna, geboren op 25 juli 1878 te Zuidwolde, gehuwd op
26-jarige leeftijd op 12 mei 1905 te Avereest met Wicher
Dam, 31 jaar oud, geboren te Avereest op 10 december
1873, zoon van Hendrik Dam en Roelofje Lok.
Hendrik, geboren 28 augustus 1881 te Zuidwolde.
Gerrit Jan, geboren op 17 augustus1884te Zuidwolde.

* * *

SCHOLTENKAMP _________________________________________________________

In ons vorige kwartaalblad zagen we hoe Jan Alberts in 1772 met behulp van dominee Jan Arend Palthe een boerderijtje kocht op een veiling in het Rode Hen in Dalfsen. Het volgende speelt zich een twintig jaar later af. Ook toen werd een veiling gehouden waarop percelen grond werden verkocht. De verkoop gebeurde door de eigenaren van de Rosengaarder Marke die een deel van hun bezit verkochten. Van de verkoop is ongetwijfeld een akte opgemaakt. Daaraan voorafgaande werden er kladaantekeningen gemaakt. Een deel van deze aantekeningen is in bezit gekomen van onze vereniging. Het betreft aantekeningen waarin de voorwaarden voor de verkoop zijn opgenomen en de biedingen vanaf het vijfde tot en met het dertiende perceel. Hieronder nemen we de letterlijke tekst van deze aantekeningen over. Voor zover niet anders vermeld, zijn de bedragen in guldens. Het is niet duidelijk wat er met de laatste aantekening bedoeld wordt.
Winkoop betekent wijnkoop (zie vorige kwartaalblad).
Op de rugzijde van het document staat geschreven:

CONDIJTSIJ VAN SCHOLTEN KAMP

Conditie en voorwaarde
waar op de erfmarkerigter en verdere Heren gecommitteerden van de Rosegaarder Markte ingevolge resolutie van De Here Erfgenamen van Den 8sten Meij jongstleden van voornemens zijn op De 24ste meij te laten insetten en Veertijn Dagen daaraanvolgend zijnde Den 7den Junij publijk aan De meestbiedende te verkopen aan het Rode Hert te ankum een gedeelte van De scholtenkamp in blokken afgedeelt en uitgepaalt zo hier na Breder gespecificeert zal worden

1   Eerstelijk de verkopinge zal geschieden bij guldens van twintig stuivers en de Betalinge zal gedaan worden aan handen van de Erfmarkerigter op Den huize Rutenberg op Den 1sten November deses jaars in grofsilver Gelde gouden Rijders of gerande Dukaten zullende na de betalinge Der kooppenningen aan De kopers quitange worden uitgereikt door erfmarkenrichter en heren gecommiteerde getekent om ten allen tijde Daarmede hun eijgendom te kunnen aan tonen zonder verder eenig Transport of Verdragt Benodigt te Hebben
2   De eijgendommelijken aantast zal zijn voort na ergane slag dog Koperen Zullen verpligt zijn voor Dit jaar het gewas van het gras te laten ten voordeele van de markte tot afweidinge van De Mele Beesten Zoo als ook Jaarlijks de naweide even als andere Hooilanden Dese markte Zal Zijn en verblijven ten voordeele van de gesamentlijke ijngesetenen ten ware iemand mogt goedvinden Zijn land afte graven waartoe ieder ook vrijheid zal hebben Zijnde en Blijvende dan De naweide ten voordeele van den Eijgenaren


Kaartje van de in 1928 gereed gekomen ruilverkaveling Nieuwleusen I, waarop De Scholtenkamp staat aangegeven.

Deze landen worden verkogt voor vrij allodiaal zonder enig Beswaar van Heren schattingen Lasten of Rechten Zijnde alle De percelen uitgesondert het eerste so naukurig opgemeten als Doenlijk was willende Heren Verkopere Wat het eerste Betreft niet aan het Juiste morgental of grote van De gehouden wesen zo als ook nit van De andere percelen

zoverre De percelen verkogt worden zal op kosten van De markte een sloot gegraven worden van De Nieuwendijk tot aan De Stellinge om tot een Behoorlijke Vekeringe en Waterlossinge te kunnen strekkende lJaarlijk Zal Worden geschoud en ten allen tijde sal zijn en Verblijven ten laste van De markte 1792

Vijfde perceel

Sesde perceel






Zevende perceel







agste perceel

Negende perceel

tiende perceel

Elfde perceel


twaalfde perceel
Dertiende perceel

Dito ingeset Bij Hilbert geertz
Daar op Den slag behouden
Dito ingeset door gerrit Dorgelo
Hermen Derks geheugt
Gerrit Dorgelo
Hermen Derks
Gerrit Dorgelo
Hermen Derks
Daar op Den slag Behouden
Dito ingeset Bij Klaas Arents
Daar op Den slag Behouden
De Drie te samen getrokken
Hilbert geert
Koop gerrits
Hilbert geert
Waar op Den selven den
slag behouden met 5 6 7 perceel
Dito ingeset Bij Hilbert geerts
Daar op Den slag Behouden
Dito ingeset Bij Hilbert geerts
Daar op Den Slag Behouden
Dito ingeset Bij Klaas Arents
Daar op Den Slag Behouden
Dito ingeset Bij Hilbert geerts
koop gerrits
Daar op Den slag Behouden
Dito ingeset bij Klaas Arents
Dito ingeset Bij Hendrik geerts
Daar op Den slag Behouden

210

165
10
1
4
1
9



578
1
21
1

601
178

175

165

115
5
120
143
155

het 11 12 en 13 perceel
Bij elkander opgehangen







Bedragen
Hilbert geert hoogt
koop gerrits
hilbert geerts
Koop gerrits
Hilbert geerts
Daar op Den slag Behouden


418
1
11
10
10
1
451

insate                    1.10
Winkoop              1
armgelt          10 stuiver
Hier op geheugt 72 gulden
Dus Bedraagt het 7 gulden

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van vrijdag 24 augustus 1923:
X. te Den Hulst, gemeente Nieuwleusen, heeft zich op
20 Juli te Nieuwleusen wederrechtelijk toegeëigend een aan Y. toebehorende drietands hooivork.
Bekl. is niet verschenen.
Zoon Y. heeft op woensdag 18 Juli op zijn vader's land gewerkt met een drietands hooivork en die achtergelaten, om later weer te gebruiken. Toen hij 21 Juli terugkwam, was de hooivork verdwenen en zag hij dat de vork op ‘t naburig land gebruikt werd. Y. heeft de vork in het bezit van X. als de zijne herkend.
Eisch 14 dagen gevangenisstraf.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXXII _________________________________________________________

Een foto van de Christelijk Gemengde Zangvereniging DES (Door Eendracht Sterk), die dit jaar het 40-jarig bestaan vierde. Deze foto is van de Ieden van het mannenkoor en dateert van vermoedelijk kort na de oprichting in 1948. Het mannenkoor bestond tot 1996.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  

W. Brinkman
H. Boesenkool
G. Visscher
C. van der Bijl
H.J. van der Vegt
W. Wienen
J. van Putten
H.J. Huzen
A.J. Evertsen
H. Gerrits

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

H.J. van Duren
D. Huzen (dirigent)
H. Snijder
E. Bos
J. Kleen
J. Kragt
Joh. Vasse
W. van de Hoek
J. Gerrits
W. Geerts

21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  

K. Stegerman
H. Bollemaat
A. Knotters
K. Witpaard
A. Hokse
A. Dam
A. Scheper
W. Pasman
J. Roede
H. Kouwen

* * *

TE VOET VAN HOOGEVEEN NAAR NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

G. Hengeveld-van Berkum

Het nu volgende verhaal geeft de moeite en inspanningen weer die veel predikanten en evangelisten zich in de vorige eeuw getroost hebben om overal Gods woord te brengen. Veel maakten deze mensen mee tijdens hun reizen door het land. Zo hebben zij elk op hun eigen manier meegewerkt aan de verkondiging en verbreiding van Gods Woord. Dit verhaal speelt omstreeks 1865.

In Amsterdam was in die tijd de vereniging van Evangelisten van de vrienden der Waarheid gevestigd. Een van de evangelisten was Willem de Jong. Hij was geboren 26 augustus 1826 en was eerst timmermansknecht. Van zijn geringe zakgeld spaarde hij om daar boeken van te kopen. Hij was zeer leergierig en kon alles wat hij las goed onthouden. De boeken die hij kocht gingen over dogmatiek en schriftuitleg. Vanaf 1865 trok hij het land door om mee te werken aan de wederopleving der kerk, om het Sion Gods weer uit zijn gruis op te bouwen. Spreekplaatsen en logies lieten daarbij veel te wensen over. Vaak sprak hij op een zolder, in een stal of schuur.
Eens kreeg De Jong van zijn bestuur de aanwijzing om ‘s zondags voor te gaan in Hoogeveen en de daaropvolgende avond in Nieuwleusen. Hij meldde aan een broeder daar zijn voorgenomen komst, met het verzoek hem te berichten hoe hij die maandag het gemakkelijkst van Hoogeveen naar Nieuwleusen kon reizen. Als antwoord kreeg hij in Hoogeveen de weg te vragen naar de Stenen Pijp, zijnde de grensscheiding tussen Drenthe en Overijssel. Daarvandaan zou iemand hem met een wagen komen afhalen.
In Hoogeveen vernam hij dat de weg naar de Stenen Pijp het meest over de heide liep en wel zes uur lang was. Maar er was geen andere manier om er te komen. Op de bewuste maandagmorgen in de maand juli begon De Jong om zeven uur ‘s morgens zijn reis te voet. In Zuidwolde rustte hij even uit, waarna hij zijn voettocht in de brandende zon en over het hete zand vervolgde. De hele weg kwam hij niemand tegen om te vragen of hij in de goede richting liep. Eindelijk zag hij een huisje van plaggen. Daar bleek dat hij bij de Stenen Pijp was aangekomen. Het was al twee uur geweest. In het hutje vroeg hij een glas melk en informeerde naar de man die hem op zou halen. Maar er was nog niemand geweest. Ook hoorde hij dat er zeker geen rijtuig door het mulle zand kon komen. Hij wachtte tot drie uur, maar nog steeds kwam er niemand. Op de vraag hoe ver het nog naar Nieuwleusen was, kreeg hij ten antwoord dat het nog drie uur lopen was. Zover zou hij niet meer kunnen lopen, dus bleef hij maar wachten.
Eindelijk tegen vier uur kwam iemand hem ophalen, maar te voet. De man vertelde dat het zo laat geworden was omdat hij bomen gekocht had aan de Dedemsvaart. Daar stond ook de wagen en om daar te komen moesten ze nog een uur lopen door het hete zand.
Toen ze eindelijk de wagen bereikt hadden, zag De Jong dat die volgeladen was met bomen en er voor hem geen andere plaats was dan boven op die bomen. Het was een hele toer om er op te klimmen, maar met hulp van de voerman gelukte het en ging hij schrijlings over de bomen zitten. Nu ging het, op de wagen zonder veren, zo snel mogelijk langs de Dedemsvaart.
Om half zeven bereikte de spreker met een scheur in zijn broek het spreeklokaal waar de mensen al vanaf zes uur zaten te wachten. De Jong begon meteen aan zijn rede en sprak met opgewektheid. Na zo'n vermoeiende dag hoopte hij op een goede nachtrust. Maar ook nu werd hij weer teleurgesteld want zijn slaapkamer bleek een stenen hokje met een natte stenen vloer en zonder stoel te zijn. De Jong troostte zich echter met de gedachte dat zijn Heiland hier op aarde geen rustplaats had om het hoofd neder te leggen.

* * *

WAARDE BROEDER EN ZUSTER _________________________________________________________

Zo'n 150 jaar geleden emigreerden veel Nederlanders naar Noord Amerika. De afscheiding in de kerk onder leiding van Ds. De Cock speelde daarbij een belangrijke rol evenals, door het mislukken van de oogsten, de slechte jaren in de landbouw. Ds. Van Raalte, een van de voorgangers bij de landverhuizing, wist velen te bewegen om met hem de grote overtocht te maken. In 1847 vertrokken ook een aantal Nieuwleusenaren naar Noord Amerika, waaronder het gezin van Albert de Weerd en Jentien Stolte. (Meer over de emigratie naar Amerika is te vinden in ons kwartaalblad van september 1983, 1e jaargang, nummer 3, dat in zijn geheel aan dit onderwerp is gewijd.)
Twee jaar na zijn emigratie schreef Albert de Weerd een brief naar zijn achtergebleven familie in Nieuwleusen, die we hieronder overnemen. De brief werd geadresseerd aan:
"Gomarus in de Diezerstraat in de Smede Provincie te Overijssel te Zwol En verders aan G.J. Schoenmaker te Nieuwleusen. Europa."

Holland den 11 December 1849.
Waarde en Zeer Geliefde Broeder en Zuster, daar ik niet kan nalaten u eenige letteren te schrijven daar er een jaar verlopen is van U brief die wij ontvangen hebben op den 10de december 1848 die juist kwam op een tijd dat ik de pleuris had. Ja en dat zulk een hoogte dat ik geen besef of lust had om de zelf te horen lezen wegens de zware bezetting die ik toen op de borst had en ook de pijn in de zijde zoo dat alle lust was vergaan en ook bij kans hopeloos van herstel. Want op een avond heugt mij nog zeer wel dat ik geen rust meer had en tegen mijn vrouw zeide dat zoo de Heere niet spoedig uitkomst mogt schenken dat mijn levensdraad schielijk ten einde was, waar op ik aan het bidden raakte dat zoo de Heere het behaagde mij weg te nemen dat Hij mij mogt aanzien in Christus Jezus Zijnen geliefden Zoon waar aan ik mij mogt opdragen en over geven dat zoo het de Heere maakte was het wel gedaan. En waarop ik mij op de zijde leide en kwam in de slaap en toen ik wakker wierd had de Heere wonderen aan mij gedaan. De longpijpen kwamen ineens los en de ziekte was geslaakt zoo dat ik moest uitroepen wonderbaar zijn Gods weldaden aan mij bewezen. Ja de Heere maakte het zoo dat ik met de 14 dagen mogt opgaan na Gods Huis en zijn name danken voor de weldaden aan mij bewezen. U brief ontvangen te hebben van den 31 ste Augustus 48 en daarin u welstand gelezen tot ons aller blijdschap van U en de Uwen en U wensch die ik in dank ontvang die gij ons daar doet. Ja mogt dat maar dagelijks meer geschieden maar zien ik in mijzelf dan moet ik wel zeggen waar lijkt het soms na. Dan moet schaamte het aangezicht bedekken daar men zoo veel spreekt daar men zwijgen moest en zwijgt daar men moet spreken. Ja zou ik al het zwarte ophalen waar zou ik beginnen of eindigen. En zoo men dat ook alles noemde wat rust zou dat verschaffen voor het hart daar toch alleen in Jezus ruste te vinden zij en die ook alleen kan ons tot alle goede werk bekwaam maken.

Mogten wij hem meer en meer aan lopen die toch alleen kan en wil in staat stellen om te doen het geen hem behagelijk is en ook wat een goed doende god die nog met zulke slegte wil te doen hebben en dagelijks met zulke afwijkens wil bemoeijen. Ja Broeder en Zuster ieder ogenblik moest toch de lof Gods in onze mond zijn voor de gifte van zijn zoon en de sparing van ons zamen daar ik U kan en mag melden ons aller welstand en gezondheid en ook van alle vrienden die hier zijn. En ook hoe de Heere het volk hier heeft bewaard voor dien slaanden Engel en zoo men gist is er een aan die ziekte in de stad gestorven en in ‘t Staatsland daar Klaas Boer woont drie kinders van Hilberts Mast en zijn moeder en een kind van Hm. Everts van Rooveen. Ja broeder en zuster, wonderbaar heeft de Heere in alles voorzien en gespaard. Toen men aller wege hoorde dat de ziekte toenam liet de Prezedent van de vereenigde Staten uitroepen een algemeene vasten Biddag op den 4den Augustus en die ook gehouden is. En daar bij hadden wij in onze Contrij zoo veel droogte tot dien tijd dat wij besloten om ook van den Heere te begeeren een gezegenden regen over het veldgewas. Ja het stond alles te kwijnen van warmte en droogte dat men zou zeggen het mislukt alles. Doch hier wierd vervuld op U noodgeschreij deed ik groote wonderen. Ja de ziekte volgens het schrijven van de Courant verminderde van dag tot dag en de Heere gaf ook een gezegende regen en warmte en zoo veel vrugtbaarheid dat er een groote oogst is ingezameld waar over ook den Heer gedankt is op den 29ste November J.L. en niet alleen met woorden maar ook met werken. Want wij ontvingen op die dag voor de behoeftigen 40 dollar op 100 Gs aan geld en levensmiddelen zoo dat wij in allen dezes moeten betuigen god is goed. Och de Heere geeft dat wij altoos in hem mogten eindigen met zijne weldaan en hij beware ons voor ons zelve dat wij er niet mede van hem afhoereren want wij ontvangen hier veel weldaden die ik alle niet kan sommen het papier zou te groot worden en de gedagte soms te klein om het zaam te brengen.

Dirk Jan vraagt berigt wegens het verbouw in 1848 wij verbouwden denk ik aan de 600 busjel (schepel, red.) aardappelen maar de ziekte was hier slim. Sommige hielden haar gerief niet om te poten. De Heere gaf ons een wonderbare zegen ik denk wij verlooren een zesde doordat wij veel konden verkoopen, daar toen de prijs was 1/2 dollar. Koren verbouwden wij denk ik zoo om de 60 busjel doch niet genoeg voor ons vee maar dat liep in de winter tot een zeer lage prijs, terwijl wij een lange winter hadden en er veel sneeuw viel zoo dat ze van eind verre kwamen met sleede en paarden om koornmeel te verkopen dat toen nog geen cent pond koste. Ja daar wierd zoo veel aan gebragt van varkens en alle waren dat een schoon varken 2 1/2 a drie cent pond koste. Ja Broeder wat men hier op de sneeuw met twee ossen en sleede kan uitrigten is voor u haast ongelooflijk. In dien ik het zelfs niet had ondervonden daar wij zelfs het voorleden winter er mede bezig geweest zijn een blok daar 600 voet planken in zijn, kunnen wij met twee ossen op de slee leggen en weg voeren wel een mijl. 't Welk wij het voorbij gaande winter veel hebben gedaan en lieten het zagen voor de halfscheid. Ja ik denk wel om de 60 blokken van 12 tot 16 voet lang waarvan wij een schuur in dit zomer hebben gebouwd van een aanzienlijke groote, lang 46 voet en de wijdte vijftig voet, binnen stijls 30 voet en 14 voet onder de balkens en de vloer waar op wij dorsen leid 2 voet van de grond, die ons ook nu goed te pas komt om onze vrugten te bergen daar wij toch verbouw hebben van dit jaar denk ik om de 2000 busjel koren en een schoon deel boekweijt die nog aan het stroo zit en kan de hoeveelheid niet melden.

Aardappelen denk ik 700 busjel en dit jaar hoegenaamd geen ziekte daarin. Ja het koorn is zoo gegroeijt wij hebben daar bij aaren die 13 duim lang zijn, Ja door elkander een 700 voudige vrugt op leveren. Dan is hier nog een vrugt die men ponken noemt en onder den onden? dag wierden ze genoemt pompoenen. Het is een zeldzame goede vrugt voor het vee en ook voor menschen. Ja ik denk dat wij in dit jaar wel 20 wagens vol verbouwd hebben. Ja sommige worden wel 30 oe (pond?) zwaar. Ja allerleij zoort van vrugten worden hier verbouwd die ik alle geen naam kan geven die nog al hier ter plaatse hebben. En vrugtboomen een menigte. Wij hebben al om de 80 vrugt boomen geplant en de perziek die heeft al gebloeijd die toch maar een jaar gestaan had. Ja het groeijt hier alles haastig, want de vrugten worden hier geplant tot in Julij en nog kunnen zij rijp worden.
Broeder de vrugtbaarheid is in deze streken groot en bijzonder ook voor tarwe. Dit jaar is ook een jaar van zegen voor de gemeenten alhier gevestigd daar de Heere ook heeft gezorgd voor akkerlieden om zijn wijngaard te bearbeiden, namelijk Ds. Klein, Ds. Budding en Ds. Verschuur van ‘t hogeveen. De twee zijn Hier gevestigd. Ds. Budding heeft een beroep aangenomen boven de grandhaven, ja ik denk wel 20 mijl van hier. Ik heb hem drie maal gesproken twee reizen heeft hij bij ons aan huis geweest. Het gaat hem nog al als in Holland, hij reijst gedurig van de eene plaats na de andere. Een maal heeft hij bij ons gepredikt.

Geliefde broeder en zuster, wij zijn alle nog wel van oud tot jong en in dezen kan en mag ik u melden de vermeerdering van ons geslagt dat Wolter en Hendrikjen een jonge dochter hebben overwonnen 8 Julij J.L. Het is een zeer voorspoedig kind en wel genaamt Maria. Ja broeder en zuster zoo zien wij dat het eene geslagte gaat en het andere komt en mogten wij er maar uit leeren dat onze tijd kort is dat wij nu zijn dat wij dat niet meer zullen zijn. Ja ook Arend van duren en zijn vrouw en dochter zijn nog wel en zijn broer van duren en vrouw en kind. Hm. broek met zijn vrouw en kinderen zijn alle nog wel en gezond. Hekhuis ook nog maar Jo. bos van ommen is overleden ongeveer op den 20sten Novemb 49, maar zijn vrouw en kinderen zijn nog alle wel. Hij heeft weinig ziek geweest. En de gemeente te dezer plaats maakt een goede opgang des Zondags en is vergenoegt met de waarheid die haar word voor gesteld van hun en onze Leeraar A.C. van Raalte. Ja broeder en zuster met wat ernst hij het Evangelie bedient kan ik u niet zeggen of mede deelen en hoe hem god uit rust is wonderbaar. Nooit heb ik hem in holland zoo horen prediken als nu. Ja de Heere leid hem meer en meer in ‘t geheim van zijn woord zoo dat ik mag betuigen dat ‘s Heeren Rustdag is mijn Lustdag. Ja men hoort niets dan vereeniging met zijn voorstel waarvoor wij den Heere niet genoeg kunnen danken en bidden dat hij hem nog mag sparen in ons midden en ook bidden wij toch ook het schepsel niet mogen eeren boven den gever maar dat wij altoos mede mogen eindigen in hem op dat zijn naam alleen de eere en Heerlijkheid ontvang van al zijn werk want het is toch alles uit hem door hem en tot hem. Ja broeder de voorregten zijn groot die wij hier hebben. Een Leeraar in ons midden en in al deze streken waar het volk hier nedergezet is behalfe de drentsen daar Kl boer woont daar hebben zij nog geen Leeraar. Ja en ook was ik verblijd toen wij hoorden dat gij ook weder met die gifte Ds Smit waard begiftigd en dat de gemeente tot eenigheid is gekomen want och wat is toch een Kudde zonder Herder. Ja dan gaan de schapen aan t dwalen. Ja soms stoten zij eerst elkander nog braaf en dan zoekt ieder zijn weg.

Wel broeder en zuster ik moet eindigen met het schrijven want anders word het port te veel. lk heb van Raalte de brief laten lezen en heb hem gedurig gevraagt of hij aan Lieden had geschreven dat hij beantwoorde neen wegens drukte. Maar deze brief bij kans klaar hebbende heb ik hem gevraagt of hij ook iets had mede te delen aan u lieden waar op hij zeide aan te komen eer ik hem toelakte waarom ik u niets melde van hun zaam. lk breek af met de pen maar niet met het hart. Ik eindige met deze wensch uit Psalm 134 vs 3 en Hartelijk de groetenis van ons tesaam als ook van Hm. broek en vrouw At. van duren en vrouw. Ja groet ook u kinders zamen. Ja ook Ds. Smit met zijn vrouw, Ks. Kracht en vrouw en kinderen. Ja ook H. van dorsten, ook Jaije van Hofwijk als ook vrouw teekmans. Ja al de over vegtsten en bedanke ook Jaije voor die letteren aan ons zamen gezonden door Ks Boer. En Lieve vergeeft mijn lang wagten en wilt toch niet doen als ik maar schrijf ons eens een brief spoedig terug. Mijn reden zijn deze mijn onbekwaamheid om ze goed op te stellen en ook wegens drukte die wij hier hebben in de eerste jaren. Ja die mogt denken dat hij zonder werken aan brood zou komen zou zich degelijk vergissen maar die hier werken wil en gezond is heeft genoegzaam brood. Niet anders weten als wieger van de Kolk en H. Brouwer zijn nog goed gezond maar waar zij op dit oogenblik zijn weet ik niet. Ik heb twee brieven na den andere geschreven zoo er zoms een mogt vermist worden aan Schuurman en Stolte.
N.B. Zoo ge denk het is zijn hand niet wel het zijn toch mijne gedachten en opstel van de zelve maar de rede is ook dat mijn zoon Beter schrijft dan ik en minder met fouten.
Uw Vrind en Broeder
A. de Weerd.

Ontvangen den 14 Januarij 1850

-----

Albert de Weerd, geboren op 11 oktober 1800 te Colderveen, zoon van Jan Evert de Weerd en Hendrikje Alberts, overleden op 25 januari 1874 te Michigan, trouwt te Nieuwleusen als boerenknecht op 4 december 1824 met
Jantje Stolte, geboren op 22 juni 1788 te Nieuwleusen, dochter van Albert Stolte en Stijntje Alberts, weduwe van Hendrik Kragt, overleden op 9 oktober 1871 te Michigan.
Kinderen uit dit huwelijk:
Stiena, geboren op 10 augustus 1825
Hendrikje, geboren op 6 januari 1827

Stiena de Weerd trouwt te Nieuwleusen op 31 december 1846 met Arend van Duren, geboren 25 februari 1806, landbouwer; zoon van Gozen Hendriks en Janna Hendriks, weduwnaar van Niesje de Boer.
Hendrikje de Weerd trouwt te Nieuwleusen op 31 december 1846 met Hendrik Jan Schoemaker, 5 juni 1823, landbouwer, zoon van Gerrit Jan Schoemaker en Hilligje Derks (Evertsen).

In 1847 emigreert de gehele familie naar Amerika.

* * *

TOEVAL BESTAAT _________________________________________________________

G. Bartels-Martens

Bezig met de familiegeschiedenis van Gulia Palthe liep ik bij Ds. Johannes Palthe, de jongste zoon van Ds. Jan Arend Palthe en de grootvader van Gulia, aan tegen het plaatsje Etersheim, waar Johannes zijn eerste predikantsplaats vervulde. Johannes is geboren in 1767, dus hij zal daar omstreeks 1790 hebben gewoond. Opgezocht in de atlas, blijkt het een dorpje te zijn dat in Noord Holland ligt.

Een maand na het verschijnen van het themanummer over de familie Palthe bezocht ik het Letterkundig Museum in Den Haag en zag dat honderd jaar later C. Joh. Kieviet in datzelfde plaatsje hoofdonderwijzer is geweest en daar het eerste deel van de Dik Trom-serie heeft geschreven.


Het dorpje wordt als volgt door twee verschillende biografen van Kieviet geschreven: 'Etersheim is een gehucht aan de voet van de IJsseldijk, dichtbij Oosthuizen. Hij was hier hoofdonderwijzer aan een eenmansschool', of, 'hij kreeg tenslotte een aanstelling als hoofdonderwijzer in Etersheim, een lief, piepklein dorpje, dat een aantal kilometers onder Hoorn aan de IJsseldijk hurkt'.
‘In zijn eentje, in dat afgelegen dorp, moest meester Kieviet onderwijs geven. De kinderen komen hier als speenkruid uit de grond, zei hij. Hij vond dat ze goede boeken moesten lezen, maar die waren er niet. In de avonduren ging hij ze zelf maar schrijven. De eerste twee verschenen in 1890 en zijn onbekend gebleven. Hij vond dat hij boeken over een echte Hollandse jongen van vlees en bloed moest schrijven. Zo'n jongen die wel kwajongensstreken uithaalde, maar toch een goed karakter had. Hij dacht daarbij aan de jongens uit zijn jeugd en binnen enkele weken stond Uit het leven van Dik Trom op papier, dat in 1891 door P. Kluitman te Alkmaar werd uitgegeven. Het boek was eerst helemaal geen succes, maar pas bij de tweede druk, acht jaar later, met illustraties van Johan Braakensiek werd het boek een succes en daarna schreef Kieviet nog vijf vervolgdelen.
Kieviet schreef iedere avond tien velletjes, die las hij voor aan zijn vrouw en kinderen en liet ze de volgende dag in de klas lezen. De oudere kinderen moesten ze dan voorlezen aan de kleintjes. Dat was meteen een uitstekend oefening voor ze om het handschrift van een volwassene te lezen. Hun ouders hadden immers meestal geen handschrift, want ze konden niet schrijven.‘ (Bron: Henk van Gelder - 't is ‘n bijzonder kind, dat is ie; kinderboekenschrijvers van toen. Bussum, 1980). Wat een toeval dat zo'n klein dorpje ergens in Noord Holland voor mensen in Nieuwleusen zomaar twee keer betekenis kan krijgen.

* * *

JACHTAKTE _________________________________________________________



Jaargang 17 nummer 3 september 1999

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

DE EERSTE VERENIGING WONINGBOUW NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Menig Nieuwleusenaar gaat naar de woningbouwvereniging wanneer hij op zoek is naar huisvesting. De Stichting "Woningbouw Nieuwleusen", zoals de officiële naam is, bestaat al sinds jaar en dag. Oorspronkelijk was het een vereniging waarvan de vorm later in een stichting is gewijzigd. Het is echter niet de eerste woningbouwvereniging of -stichting die hier actief is. Over de eerste Vereniging "Woningbouw Nieuwleusen" gaat dit artikel.

De Vereniging "Woningbouw Nieuwleusen" werd opgericht tijdens een vergadering die op 5 januari 1917 gehouden werd ten huize van de heer G. Massier aan de Ommerdijkerbrug in Den Hulst, gemeente Nieuwleusen. Aan die vergadering waren er al enkele vooraf gegaan, waarin een voorlopig comité de ontwerpstatuten had opgesteld. In de oprichtingsvergadering werden de statuten voor de vereniging dan ook definitief zonder hoofdelijke stemming vastgesteld, waarna de Koninklijke goedkeuring kon worden aangevraagd. Deze werd verkregen op 21 juni 1917.
Het "stamkapitaal" van de vereniging was ƒ 2.000,— en bestond uit 200 aandelen van ƒ 10,— elk. De eerste bestuursleden werden gekozen terwijl in de tweede vergadering, gehouden op 19 januari, de bestuursfuncties werden verdeeld. De samenstelling van dat eerste bestuur was: (burgemeester) J.P. Backx, voorzitter; (notaris) J. Visscher, secretaris; B.J. van den Berg, penningmeester; J. van den Berg, W.A. van den Berg, J. van Spijker Kzn. en G.J. Zonnenberg, leden.
De vereniging ging aan de slag en het eerste resultaat werd ongeveer anderhalf jaar na de oprichting zichtbaar. Daarvoor trachtte men al een "morgen" grond aan de Ommerdijk aan te kopen van mej. G.J. Palthe, maar omdat de gevraagde prijs te hoog was, ging de aankoop niet door. Nu kon echter van Herman Stolte voor ƒ 1.075,-- een perceel grond worden aangekocht dat 76 meter lang was en 29 meter breed. De firma B.J. van den Berg bood in de bestuursvergadering van 16 augustus 1918 aan om aan de vereniging het aankoopbedrag voor deze grond te schenken.
In de bestuursvergadering van 5 september werd besloten aan de ledenvergadering voor te stellen tot aanvaarding van de schenking over te gaan en tot aankoop van het perceel grond van Herman Stolte. In die bestuursvergadering deelde de voorzitter mee dat de jaarlijkse lasten die voor rekening van de gemeente zullen komen voor iedere dubbele woning ƒ 53,50 zullen bedragen en dat de bouwkosten van een dubbele woning ongeveer ƒ 10.000,-- zullen zijn.


Zuster Van den Abeelen, de eerste wijkverpleegster van Nieuwleusen bewoonde een van de eerste woningen van de woningbouwvereniging. Hier staat ze op het bruggetje voor haar huis.

De ledenvergadering van 13 september nam de door het bestuur geformuleerde voorstellen aan en besloot tevens om op het perceel een viertal dubbele woningen te bouwen. Dit zou gebeuren door de firma K.A. Hakkert uit Dedemsvaart, die ook voor de architectuur verantwoordelijk was. Tevens besloot men om in de gevel van een van de woningen een steen te plaatsen die er aan zou herinneren dat dit de eerste woningen waren die door de vereniging onder voorzitterschap van burgemeester Backx gebouwd werden.
In juli 1919 waren de woningen zover dat ze konden worden toegewezen aan mej. Baron, mej. Van den Abeelen, mevrouw Van den Abeelen, mej. J. Westerbeek en de heren Koekkoek, Dekker, Mast en Van Gelderen (ambtenaar ter secretarie).
In de bestuursvergadering van 12 december van datzelfde jaar deelde de secretaris, notaris Visscher, mee om gezondheidsredenen te moeten aftreden. Hij bleef echter niet bij zijn voornemen "na een alles overheerschende bereidwilligheid van onzen ijverigen voorzitter hem bij te staan". Niettegenstaande dat namen de werkzaamheden van de secretaris en ook van de penningmeester steeds meer toe. Op 13 maart 1920 nam de ledenvergadering het besluit om de sollicitatieprocedure voor een administrateur in gang te zetten. Op 19 mei besloot het bestuur om de heer Sikko Kapenga als zodanig te benoemen, welk besluit de leden op 22 juni in hun vergadering goedkeurden. In dezelfde vergadering las de vice-voorzitter een brief van de heer Backx voor waarin deze als bestuurslid bedankte. Men besloot hem toen tot ere-voorzitter te benoemen.
Maar toen in de ledenvergadering van 10 september een nieuw bestuurslid, tevens voorzitter, moest worden gekozen, werd met algemene stemmen de heer Backx benoemd!
Ook besloot men een perceel grond aan te kopen van de heer Bosch Bruist voor de prijs van ƒ 4.000,--, waarvan de koopakte kosteloos door de notaris zou worden opgemaakt, net zoals dat al eerder gebeurd was.
In de bestuursvergadering van 12 november deelde de voorzitter mee dat de vereniging geen dividend mag uitkeren maar dat hij er wel voor voelde om de al gebouwde woningen door de gemeente te laten overnemen. Het bestuur was het niet met hem ens, maar zag geen bezwaar de vereniging op te heffen wanneer de woningen gebouwd waren en in de woningnood was voorzien.
In 1921 drong de minister aan om de huren te verhogen. Met deze mededeling kwam althans burgemeester Backx in de bestuursvergadering van 4 mei. Het bestuur had daar echter bezwaren tegen omdat het doel van de vereniging het bouwen van "volkswoningen" was. Men besloot een delegatie naar de minister te sturen. Dat gesprek werd met de directeur-generaal van het ministerie gevoerd, waaruit men concludeerde dat de door de minister verlangde huren lager zouden worden. In die jaren ontving de vereniging trouwens regelmatig brieven van de minister waarin geëist werd om de huren te verhogen ter dekking van kosten. Het bestuur had daar echter altijd bezwaar tegen "aangezien dit een ramp voor de Vereniging Woningbouw zou zijn".
Doordat besloten werd om alle woningen van 6 elektrische lichtpunten te voorzien, onderging de huur ook een prijsverhoging.


foto J218
Een oude foto van de 'blokwoningen’ in Den Hulst aan de Ommerdijk (Backxlaan) waar toen nog een sloot langs liep. Duidelijk zijn de witte bruggetjes te zien. De woningen zijn enkele jaren geleden afgebroken.
Postbode H. de Groot brengt juist de post rond.

Deze werd becijferd op 10 % van de installatiekosten, zodat na 10 jaar de investering terugverdiend zou zijn. De lampen die aangebracht werden, hadden op de bovenverdieping een sterkte van 16 kaarsen en op de benedenverdieping 34 kaarsen.
Ook kwam er in 1921 iemand van het ministerie op bezoek die zich persoonlijk op de hoogte liet stellen van de woningnood in Nieuwleusen. De minister was niet van plan om zo maar gelden voor de bouw ter beschikking te stellen. Zijn vertegenwoordiger kon evenwel aan hem een voor Nieuwleusen gunstig advies uitbrengen.
Op een gegeven moment, het is dan al 1924, liet burgemeester Backx het bestuur weten dat de functies van burgemeester en voorzitter van de Vereniging Woningbouw niet meer verenigbaar zijn. Hij zag zich dan ook genoodzaakt om te bedanken voor et voorzitterschap. Zijn voorstel was om penningmeester B.J. van den Berg aan te stellen als voorzitter en diens functie aan de heer J. Visscher aan te bieden, waardoor deze de dubbelfunctie van secretaris/penningmeester zou bekleden. "Nadat de Heeren na enige discussie zich die benoeming lieten welgevallen, heeft het bestuur aldus besloten".
Of de woningen te duur waren, niet helemaal voldeden of dat er geen woningnood meer was weten we niet, maar in de Dedemsvaartsche Courant en in de Zwolsche Post verschenen in 1925 advertenties om huurders te werven voor een drietal leegstaande woningen van het "Molen"-complex. Men wilde alleen huurders aannemen "die een beetje netjes waren". In datzelfde jaar werd ook besloten om voor elke woning een lindenboom te planten. Een jaar later besloot men om een aanvraag om nieuwe schoorstenen aan te brengen af te wijzen omdat "de woningen dan niet meer aan hun doel zouden beantwoorden, daar in arbeiderswoningen geen salon wordt ingericht".
De betrokkenheid van de huurders bij de vereniging was in die jaren niet erg groot. De ledenvergaderingen werden slecht bezocht. Op die van 18 juli 1927 waren alleen de voorzitter en de secretaris aanwezig!
Kennelijk was de administratie van de vereniging erg moeilijk. In de bestuursvergadering van 3 december 1931 deelde de administrateur mee dat de Rijksaccountant van het Ministerie van Handel en Nijverheid de boekhouding vanaf de oprichting van de vereniging had bekeken en in orde bevonden. De accountant deed het aanbod om de balans en verlies- en winstrekening na afloop van dat jaar op het ministerie te maken "'omdat zelfs gediplomeerde accountants zeer veel moeilijkheden ondervonden bij de samenstelling van de bescheiden".
In dezelfde vergadering kwam het niet meer goed functioneren van de pompen aan de orde. Besloten werd er niets meer aan te doen met het oog op de op handen zijnde aanleg van de waterleiding.
Na deze vergadering kwam men tot 6 september 1934 niet weer bijeen. In die vergadering werden de leden verwelkomd door de voorzitter "'met een welkomstwoord na zoo langen tijd van niet vergaderen". Uit de notulen van die vergadering blijkt dat administrateur Kapenga was opgevolgd door de heer Weenink.
In de vergadering van 27 december van dat jaar besloot het bestuur om de huren drastisch te verlagen. De huur voor woningen in blok I daalde van ƒ 3,50 perweek + ƒ 1,50 per maand voor waterleiding naar ƒ 3,25 per week inclusief waterleiding.


In de winter van 1962-63 lag er ook behoorlijk wat sneeuw voor het tweede complex 'blokwoningen’ aan de huidige Backxlaan.

Voor blok II waren de bedragen respectievelijk ƒ 2,— per week + ƒ 1,— per maand en ƒ 1,75 per week. De crisesjaren zullen wel tot dit besluit hebben bijgedragen. Van de kant van de minister was geen bezwaar tegen deze verlaging, maar aan het einde van 1935 bleek wel dat de toestand van de vereniging zo precair was dat men in het vervolg geen dividenden meer uit kon keren. Enkele jaren later, in februari 1938, probeerde bestuurslid Zonnenberg toch weer om opnieuw dividend voor geleende gelden te betalen. De poging slaagde echter niet.
In de periode rond 1940 werd wel eens besloten om een huurder die naar de mening van het bestuur een te lage huur betaalde te laten verhuizen naar een duurdere woning. Toen kende men dus ook al doorstroming, al was de term nog onbekend.
In de toestand van de vereniging zat niet veel verbetering. In maart 1942 was het zo erg gesteld dat men serieus overwoog om de woningen aan de gemeente aan te bieden, wat volgens de statuten in geval van opheffing zou moeten. Werd dit afgewezen, dan zou men ze in het openbaar willen verkopen. De burgemeester had hierover een gesprek met het departement waarvan het resultaat was dat wanneer de gemeente niet zou willen kopen, de woningen uitsluitend aan de bewoners mochten worden overgedaan tegen een redelijke prijs. De eventuele schade zou door het Rijk gedragen worden. Publieke verkoop kon gezien de tijdsomstandigheden niet worden toegestaan met het oog op speculatie van particuliere beleggers. In de bestuursvergadering van 3 april 1942 werd besloten een brief aan het Departement te sturen met het verzoek om alsnog tot publieke verkoop te mogen overgaan. Van de zijde van de gemeente werd eveneens een brief gezonden ter ondersteuning van het verzoek van de vereniging: "De Vereniging Woningbouw lijdt een 'kwijnend' bestaan. De bestuursleden hebben geen lust meer hunne functies waar te nemen en daarom bedanken zij. De ledenvergadering besloot de vereniging op te heffen en tot verkoop der woningen over te gaan. De bewoners zijn niet in staat de woningen te kopen, aangezien zij geen geldmiddelen ter beschikking hebben." Het gemeentebestuur was blijkens deze brief van mening dat de woningbouw met Rijkssteun in deze gemeente een fiasco was. De woningen waren voor deze streek te luxueus gebouwd en dientengevolge te duur. Hoewel de gemeente hiervoor had gewaarschuwd, wilde het Rijk niet anders. Na enig heen en weer geschrijf kon de burgemeester echter op 18 juni 1942 aan het Departement meedelen dat het bestuur van de vereniging van de voorgenomen verkoop afzag en zo goed en zo kwaad als dat zou gaan de exploitatie zou voortzetten.
Na de oorlog was er grote behoefte aan nieuwe woningen. In 1947 mocht Nieuwleusen er vier bouwen. Weliswaar was er gebrek aan particulier initiatief, maar burgemeester Backx was van mening dat de Vereniging Woningbouw "de reddende hand" kon bieden. Het bestuur besloot dan ook in principe de woningen te bouwen op het al in eigendom zijnde perceel grond ten noorden van het woningcomplex "Molen", blok II. Dit werd echter door de Dienst Wederopbouw niet goedgekeurd, waarop men besloot voor ƒ 3.200,— een perceel grond aan het Zandspeur te kopen van de heer Nijman.
In de algemene ledenvergadering van 14 januari 1947 deelde de administrateur mee dat de vereniging inmiddels in feite niet meer bestond. De Vereniging Woningbouw was destijds aangegaan voor 29 jaar en 11 maanden en deze waren op 5 december 1946 verstreken. Er werd dan ook besloten om met grote spoed een nieuwe vereniging op te richten op dezelfde basis. In theorie moest de in 1917 opgerichte Vereniging Woningbouw worden geliquideerd, maar in de praktijk werden de activiteiten gewoon voortgezet door de nieuw opgerichte (tweede) Vereniging "Woningbouw Nieuwleusen".






Foto van de oudste woningen van de Woningbouw- vereniging.
(foto dec 1989)

* * *

AFVOEREN _________________________________________________________

Het voeren van de beesten gebeurde in vroeger jaren heel anders dan tegenwoordig. Het was toen gewoonte om de beesten nog even te voeren voordat men naar bed ging. Dat werd afvoeren genoemd. Daarna werden de deuren afgesloten en begon men na een laatste maaltijd aan de nachtrust.
Vaak was het donker in de stalruimte. Wanneer er al verlichting was, dan deed een petroleumlantaarn als zodanig dienst. Het kwam ook wel voor dat men het niet meer de moeite vond lonen om die alleen voor het afvoeren op te steken. Dat gebeurde dan in de schemering min of meer op het gevoel.

Klaas Bovenhoff senior, "oude" Klaas, rekende het als zijn taak om 's avonds te zorgen voor het afvoeren van het paard. Toen het op een avond bijna weer zover was, verdween "jonge" Klaas uit de keuken en ging naar de paardenstal. Even later kwam zijn opa om in de schemering de emmer met voer klaar te maken. Toen deze met de stok het voer doorroerde greep 'jonge" Klaas zijn opa bij de arm om hem aan het schrikken te maken.

Later, toen iedereen weer in de keuken teruggekeerd was en de familie gezamenlijk de avondpap nuttigde voordat ze de bedsteden opzochten, werd zoals gewoonlijk nog even over de beesten gesproken.
"Oude" Klaas zei: "'t Peerd had wel zin an 't voer. Toen ik met de stok in de ummer an 't reuren was, greep det verd... peerd mi'j ok nog in de arm".
"Jonge" Klaas zei niets want hij wist wel dat hij anders van zijn vader klappen kon verwachten.

* * *

DE DIEREN _________________________________________________________

Aart van der Leeuw

De landman gaat, nu de avond is gevallen,
En de arbeid rust, voor 't laatst zijn hoeve rond;
Hij keurt het werk der knechts in schuur en stallen,
En als zijn schaduw volgt hem trouw de hond.

Hij toeft bij vee en luistert hoe het ademt;
Rond schoft en haren hangt een warme damp,
Die met een geur van zomer hem bewademt,
En in een nimbus nevelt om de lamp.

Dan loopt hij tastend langs de ruif der paarden,
Verwelkomd door een dreunend hoefgeklop;
Hij spreekt hen aan en streelt een ruig behaarde,
Een speels hem toegestoken manenkop.

En, als hij eind'lijk, rustig na 't volbrachte,
De handen boven 't vlammend haardvuur heft,
Vervult hem nog de ontroerende gedachte
Aan wat rondom hem leeft, en 't niet beseft.

Hij peinst en leest in 't boek met koop'ren sloten
Het hoofdstuk uit, dat Noach's tocht beschrijft,
Hoe de arke met haar simp'le reisgenoten
Lang op de oeverloze zondvloed drijft.

Gans in het wonderbaar verhaal verloren ,
Terwijl hij mijm'rend in de haardgloed staart,
Lijkt hem het of, door God daartoe verkoren,
Hij met zijn dieren over 't water vaart.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO XXXXIII _________________________________________________________

De groepsfoto is deze keer van de Openbare Lagere School, school D, te De Meele en dateert van 1937.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  

16  
17  

Fedde Huisman
Evert Santing
Lammert Bonte
Jan Schuurman
Koop Kollen
Fokke Vleer
Wolter Knol
Janny Vleer
Ester Elken
Margje Huisman
Annie Kollen
Ida Bonte
Wiesje Arts
Grietje Kollen
juffrouw H.A. van Schaveren
meester Tienstra
Marie van Roozelaar

18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  

Hendrikje Jonkers
meester llmer
Hennie Prins
Mientje Arts
Annie Ganzeboer
Annie Kleen
Dina Bisschop
? Eiken
Jan Westerveen
Henk Huisman
Arend Klosse
Sijbe Kleen
Roelof Roo
Jan Jonkers
Marten Bonte
Klaas Jonkers
Jan Bloemhof

* * *

HERINNERINGEN VAN EEN SCHOOLMEESTER I _________________________________________________________

Albert Visser

Albert Visser werd op 1 december 1945 benoemd als onderwijzer aan de christelijke lagere school in Den Hulst. Hij was afkomstig uit Friesland en bofte met deze vaste aanstelling. Hij was, zoals zoveel anderen met een 'surrogaat-akte' afgestudeerd omdat hij het 4e schooljaar had moeten onderduiken. Na de oorlog waren er duizenden onderwijzers op zoek naar een baan, omdat vanaf 1940 nauwelijks plaatsen waren vrijgekomen. Het was dus zaak heel veel te solliciteren en uit die vele pogingen kwam de christelijke school in Den Hulst met een vaste aanstelling. Het huis van Annigje Gerrits - van Ankum, waar meester Visser 'in de kost' was, stond aan de straatkant van het kanaal, ongeveer ter hoogte van waar nu de Van der Grondenstraat eindigt. Tot zijn grote verrassing ontmoette onze nieuwe onderwijzer op deze school Anne Bootsma, die aan dezelfde kweekschool een jaar voor hem was afgestudeerd en hier al eerder was benoemd.
Meester Albert Visser bleef bijna 4 jaar onderwijzer in Nieuwleusen, tot zijn benoeming op 1 november 1949 te Oude Wetering bij Leiden. Op 27 oktober 1947 is hij hier getrouwd met Evertje Kijk in de Vegte en samen bezoeken ze Nieuwleusen nog heel regelmatig.
Van hem ontvingen we over zijn onderwijzerstijd in Nieuwleusen een serie ’Herinneringen van een schoolmeester'. Deze herinneringen getuigen op spontane wijze van de verassingen van een nieuwkomer in een andere omgeving en van het plezier dat een jonge onderwijzer aan zijn beroep beleeft.


Het onderwijzend personeel van de Christelijk Lagere School in Den Hulst op een foto uit 1946 vlnr. meester Bootsma, meester Visser, meester Meijer en juffrouw van de Berg.

Op zaterdag 1 december 1945 was ik in Den Hulst gearriveerd omdat ik als onderwijzer was benoemd aan de Christelijke Lagere School aldaar en de volgende dag, zondag 2 december, ging ik te voet naar het kerkje "Rehoboth" aan de Meeleweg, want een fiets had ik toen nog niet. Mijn kostvrouw - Annigje Gerrits - van Ankum - had mij verteld hoe ik de Meeleweg kon vinden. lk liep vanaf Sluis 3 over de Koeweg en in de flauwe bocht bij boer Krale zag ik hoe een paar vrouwen die, in Overijsselse dracht - lange rokken en witte mutsen - voor mij uitliepen ook op weg naar "Rehoboth", plotseling gehurkt aan de kant van de weg gingen zitten. Toen ik hen passeerde bleven ze daar met hun wijduitgespreide rokken rustig zitten.
lk snapte er geen lor van, tot enkele weken later, toen er op een zondagmorgen een klein laagje sneeuw was gevallen, ik op de plek waar de vrouwen weer aan de kant van de weg hadden gezeten, aan de dooiplekken in de sneeuw ontdekte waarom ze daar voor kerktijd nog even waren neergehurkt. Meneer Van Donkersgoed, de voorganger van "Rehoboth", hield de diensten nogal lang aan en ja, als de nood dan hoog wordt.... Dan kun je maar beter die nood voorkomen en vooraf even een plasje plegen in de berm van de Koeweg! •

Waarschijnlijk deden de heren voor kerktijd, voor ze na een eind lopen de kerk binnen gingen, ook wel een plasje, maar die stonden dan waarschijnlijk achter de een of andere boom en dat valt natuurlijk minder op.

• Vrouwen droegen in die tijd nog wel een "losse broek', dat wil zeggen, een onderbroek die geen vastgenaaide voor- en achternaad had, maar bestond uit twee broekhelften, die in de taille met een lint over elkaar gebonden werden. (redactie)

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 13 april 1938:
Nieuwleusen. Een verbetering. Naar wij vernemen is Maandag met het verleggen van het vloeiveld naast de Coop. Zuivelfabriek "0nderling Belang" alhier een aanvang gemaakt. Zulks geschiedt met subsidie van de gemeente Nieuwleusen, en zal deze buurtschap vooral straks in den zomer van deze stinkplaag verlost zijn. Het vloeiveld wordt verder achteruit van den Ommerdijkerstraatweg aangelegd.
B.V.L. Naar wij vernemen heeft de heer J.Ph. Backx, burgemeester onzer gemeente, ontslag genomen als voorzitter der gewestelijke commissie in het Verband Vollenhove van den B.V.L. (B.V.L. = Bijzondere Vrijwillige Landstorm, redactie)

* * *

HEERLIJK NEDERLAND _________________________________________________________

In 1909 verscheen van Dr. H. Blink een boek met beschrijvingen van wandelingen door ons land onder de titel “Heerlijk Nederland; Rondom de Zuiderzee; wandelingen door oud en nieuw Nederland." Het boek werd uitgegeven in Antwerpen door Lodewijk Opdebeek en bevat 404 bladzijden in groot formaat.
Het hoofdstuk 'Door Overijssel' beslaat de bladzijden 167 tot en met 250 en begint de provinciale beschrijving met een inleiding over de geschiedenis, volkskarakters, huizen en markten. Vervolgens doet het verslag van een reis in de hoofdstad Zwolle. Op bladzijde 222 is de reis gevorderd tot: Langs de Vecht, Ommen, Eerde, Rechteren; op bladzijde 224 Dalfsen, Veldzicht; op bladzijde 225 Dedemsvaart; op bladzijde 226 Staphorst en Rouveen en op bladzijde 228 Hasselt. We pakken de draad op bij de Ommerschans en reizen vervolgens een eindje mee:

Voorbij de Ommerschans verrijst aan de weg niet ver van de Dedemsvaart het gesticht Veldzicht, een Rijksopvoedingsgesticht voor jongens, die veroordeeld worden hier een tijdlang te verblijven. Op het oogenblik, dat wij het gesticht bezochten, waren er ongeveer 160 dier knapen, wier uiterlijk bij velen aantoonde, dat een strenge, vaste meesterhand hen alleen tot orde kon brengen. Meestal worden zij opgeleid voor den landbouw, enkelen voor den tuinbouw en minder voor de gewone handwerken; de gestichten de Kruisberg bij Doetinchem en te Alkmaar dienen daarvoor meer.
Na enkele minuten komen wij te Dedemsvaart (gemeente Avereest), een lange, bloeiende nederzetting, ontstaan langs het kanaal de Dedemsvaart. In 1809 maakte Willem Jan Baron van Dedem van den Berg, naar het plan van zijn schoonvader, Gerrit Willem van Marle, een aanvang met het graven van het kanaal naar Hasselt in de woeste onbewoonde venen ten zuiden van de Reest, welk kanaal in 1845 door de provincie werd overgenomen en sedert is verlengd tot de Vecht en met armen naar Koevorden en tot de venen van oostelijk Drente loopt. Nadat de venen langs het kanaal waren afgegraven, heeft zich hier een gewest met bloeiende landbouw ontwikkeld. Het is een welvarende, regelmatig aangelegde streek, waar alle huizen in rijen langs het hoofdkanaal of langs zijkanalen zijn gebouwd en een bevolking uit verschillende gedeelten des lands is samengestroomd. Groningsche boeren komen zich hier den laatsten tijd veel vestigen; de methode van landbouw uit hun veenkoloniën brengen zij er met succes in toepassing en den Groninger huizenbouw voeren zij er in. In deze nieuwe schepping heeft de stichter ook den huize Rollecate gebouwd, een deftig heerenhuis (thans met een beroemde modelboerderij), die genoemd is naar de heerlijkheid van dien naam te Vollenhove en opgebouwd werd uit de afbraak van het huis.
Aan de Dedemsvaart maakt alles den indruk van nieuwheid en jeugd; men ziet er geen oude huizen, geen oude kerken of kastelen, zelfs geen oude boomen. De regelmatige indeeling des lands, met rechte lijnen mathematisch aangewezen, maakt een groot verschil met die der oude dorpen, ook met het moederdorp Avereest. Voor het raadhuis aan de hoofdvaart heeft men een monumentje opgericht ter eere van den stichter der Dedemsvaart, Willem Jan Baron van Den Berg, bestaande uit een zuil, door de Faam gekroond.

Als we langs de Dedemsvaart naar het W. gaan en het station Dedemsvaart gepasseerd zijn, bereiken wij spoedig bij een schutsluis de Lichtmis, in den ouden tijd, toen er nog geen spoorwegen waren, een bekende herberg, waar de reizigers met de dilligences van Van Gend en Loos, op reis van Zwolle naar Meppel of omgekeerd, eenige oogenblikken uitstapten en heerlijke koffie dronken. Van hier loopt de straatweg naar het noorden over Rouveen en Staphorst naar Meppel.
…..
We keren terug naar de Lichtmis, volgende den eentonigen weg langs de Dedemsvaart en bereiken, waar dit kanaal in het Zwartewater mondt, het stadje Hasselt. Hasselt is een vergeten stad in een onbekend land, zegt de heer L. Nooter terecht, een plaats, die lange jaren enkel met een stoombootje als openbaar vervoermiddel kon bereikt worden en tegenwoordig bijna alleen door fietsers wordt doortrokken. Toch is Hasselt interessant door zijn historie en aan de gevels der 16e en 17e eeuw ziet men, dat het vroeger een welvarend plaatsje moet zijn geweest. Uitgeleefd en dood is het ook thans nog niet, al ligt het niet aan de lijnen van het wereldverkeer, doch enkel aan een rivier van den derden rang en aan het kanaal. Dit laatste vooral, de druk bevaren Dedemsvaart, schenkt aan Hasselt veel doorvaart, al kan men ook het gebied van dit kanaal niet tot het achterland van Hasselt rekenen. Het Zwartewater wordt wel druk bevaren, maar heeft Zwolle ten doel, dat te dicht bij Hasselt ligt, dit geheel heeft overvleugeld en ook de marktplaats der boeren werd. Zoo is Hasselt 'wel geen ingedommeld, oud besje, maar toch een vrouw, die hard moet zwoegen voor haar bestaan, en daardoor komt zij goed aan den kost.' De scheepswerf, de hooipers en de kalkovens zijn eenige der bronnen van bestaan en de scheepvaart geeft er eenige nering.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant ? januari 1919 (advertentie):
HONDEN-BELASTING NIEUWLEUSEN.
Burgemeester en Wethouders maken bekend, dat zij, die een hond houden, dus daarvoor, volgens de bestaande Verordening belasting verschuldigd zijn, verplicht zijn in de maand Januari daarvan bij den Gemeente-Ontvanger aangifte te doen. Bij de aangifte moet tevens de belasting worden betaald.
Bij nalatigheid of weigering van betaling geschiet de invordering krachtens artt. 255/262 der gemeentewet.
Nieuwleusen, 2 januari 1919.
Burgemeester en Wethouders,
Backx, Burgemeester.
Zonnenberg, Wethouder.

* * *

PIONIER INNIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Overgenomen uit de Mappeler Courant van 13 september 1957

Rustig kabbelt het water in het Palthebos tegen de ronde stenen muur, als tegen een hoektoren van een roofslot dat dromend van vergane glorie nu van een welverdiende rust geniet. Het water en het stenen muurtje zijn echter dingen van vandaag en kunnen nog niet bogen op een glorierijk verleden. Het is namelijk het pas gereed gekomen openluchttheater van Nieuwleusen dat een plaatsje heeft gevonden in het bos naast de Nederlands Hervormde Kerk. Tegenover het toneel, aan de overkant van het water, zijn vaste zitplaatsen aangebracht, die aan 700 bezoekers rust geven na de vermoeienissen van alle dag. De geestelijke vader van dit juist gereed gekomen theater is Derk Jan Massier, die met de aanleg wel degelijk de toekomst van Nieuwleusen op het oog had. Een toekomst, die deze harde werker voor het welzijn van de bevolking na aan het hart ligt. Deze goede vijftiger is iemand met een rijke levenservaring en met een vooruitziende blijk, die echter bescheiden op de achtergrond wil blijven. Maar de bevolking van Nieuwleusen denkt daar anders over "Derk Jan? Zo'n kerel", zegt men en daarbij gaat de duim omhoog.

De plannen om Nieuwleusen ook een openluchttheater te geven zijn bij de heer Massier opgekomen, nadat hij een voorstelling in het openluchttheater van Diever had bijgewoond. Toen hij hoorde dat men bij de ruilverkaveling zand overhield waarvan men niet wist waar het te laten, kwam bij hem het plan op dit zand in het Palthebos te laten brengen. Hij legde zijn plannen voor aan het college van burgemeester en wethouders. Deze stemden direct met zijn plannen in, nadat zij hadden ingezien, dat er in de doelstellingen van de heer Massier wel iets zat.

Het openluchttheater in het Palthebos. Het toneel achter de gracht is aangekleed met de 'Grote Kerk', een boerderij en een schuur. In dit decor werd omstreeks 1960 het stuk 'De haanden uut de buse' opgevoerd.




"Want", zo zei de heer Massier ons, "straks is de ruilverkaveling afgelopen. Dan zijn de boeren die nu in hun vrije tijd aan de ruilverkavelingsplannen meehelpen weer zonder werk. Van het kleine bedrijfje dat zij hebben, kunnen zij niet bestaan. De mensen die met vakantie gaan gooien met geld en wij moeten proberen daar in de toekomst ook iets van mee te pikken. Nieuwleusen heeft de vakantieganger niets te bieden omdat het geen water heeft. Daarom moeten we het zoeken in iets attractiefs. Het toerisme moet echter geen hoofdzaak worden. Het moet bijzaak blijven, want Nieuwleusen is geen Valkenburg en ook geen Terschelling."
De heer Massier is van mening dat vooral de beplanting die in het kader van de ruilverkaveling is aangebracht, hiertoe zeer zeker zal meewerken. Hij vond het alleen jammer dat men het niet heeft aangedurfd jonge dennen aan te planten omdat men van mening was dat dennen niet in het landschap pasten. Derk Jan heeft op zijn erf zelf proeven met dennen genomen. Over de resultaten hiervan is hij zeer tevreden. "lk heb nog hoop, dat we overeenstemming kunnen bereiken over dennenaanplant", aldus de heer Massier. Ook op een ander gebied is de heer Massier actief. Er is bijna geen vereniging waarvan hij geen lid, bestuurslid of adviserend lid is. Vooral de verenigingen die zich bewegen op cultureel gebied liggen hem na aan het hart en hiervoor zet hij al zijn krachten in. Als jongen van 18 jaar nam hij al actief deel aan het verenigingsleven en op 20-jarige leeftijd was hij al bestuurslid van de afdeling Dalfsen van de B.O.O. Nu is hij adviserend lid van deze vereniging in Nieuwleusen. Gewoon lid hiervan is hij niet, "want het past niet als oudere man daarbij te zitten. De jongeren moeten zichzelf kunnen redden.”
De heer Massier beleefde veel plezier aan het werk dat hij voor de vele verenigingen deed en nog doet. Het heeft hem ook veel ontmoedigd omdat hij meent dat vooral bij de jeugd het plichtsbesef zoek is.
"Misschien komt het omdat een mens bij het ouder worden het jeugdige enthousiasme niet meer kan opbrengen. lk zie maar één oorzaak voor het teruglopen van het verenigingsleven. De mens wordt te weelderig en daar kan men niet tegen. Neem nu bijvoorbeeld eens de natuur. De mensen van het platteland hebben daar bijna geen oog meer voor en de mens van de stad zoekt de stilte niet. En toch in stilte en armoede herkent men de mensen en zichzelf."
Hij verduidelijkt dit met het voorbeeld van toeristen, die uit een grote stad afkomstig zijn. Deze mensen zullen nooit eens diep het bos intrekken; zij blijven altijd in de directe omgeving van een openbare weg. "Misschien speelt mijn overgevoeligheid mij hier ook wel parten. Toch zie ik door mijn overgevoeligheid de rijkdom in de natuur die ons geschonken is. Mij spreekt nog altijd de blomme een tale. lk heb veel gezien van de wereld. Toch zou ik nog graag eens naar het gebied van de middernachtzon gaan. Dat moet zo fascinerend zijn."

De heer Massier vindt het jammer dat het Nieuwleusense dialect verloren gaat, dat de jeugd het dialect als een minderwaardig iets is gaan zien. "Het Hollands ligt de plattelander niet. Laten we alsjeblieft onze eigen taal spreken, want in het dialect zit iets moois. "
De heer Massier is ook lid van de Bond van Oud-Salland schrijvers en van de sociologische commissie uitgaande van het Agrarisch Welzijn. Een van zijn wensen blijft nog steeds een oudheidkamer in Nieuwleusen, waar dan de klederdrachten en andere voorwerpen die op de streek betrekking hebben bewaard zullen blijven. Ook is hij heemraad van het waterschap "De Noorder Vechtdijken", welke functie hem veel werk geeft.
Als de lange winteravonden weer zijn aangebroken regisseert hij de plaatselijke toneelvereniging. Om de jeugd wat meer vrijheid en vaardigheid te geven in het spreken heeft hij onlangs een cursus "spreken in het openbaar" gegeven, waarvoor grote belangstelling bestond. Soms krijgt hij te veel van het verenigingswerk en dan is hij aan rust toe. Maar de verenigingen laten hem niet los omdat zij weten dat zij Derk Jan niet missen kunnen.
Zijn commentaar is dan: "Het leven staat en valt niet met één persoon. Straks doe je je ogen dicht en dan draait de wereld toch door "



















Een karakteristieke foto van Derk Jan Massier.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Dedemsvaartsche Courant van 13 april 1938:
Den Hulst. Geslaagd. Te Delft is geslaagd voor het examen werktuigbouwkundig ingenieur de heer H.G. van den Berg alhier.

Ongeval. Zaterdagmorgen te ongeveer tien uur geraakte het zoontje Teun van den heer Braams aan de Ommerdijk op den overweg der E.D.S. aan de Ommerdijkerbrug onder een ledige tramtrein, toen hij op het laatste moment den overweg nog wilde passeren. Hij werd door de zware jumbo gegrepen en een eind meegesleurd; gelukkig kwam hij niet onder de wielen terecht, maar tussen de rails. De machinist remde uit alle macht; de machine moest om het kind te bevrijden eerst terug gezet worden. Toen het uit zijn benarde positie was verlost, bleek het er vrij ernstig aan toe te zijn; dr. Schuringa, die spoedig ter plaatse was, bracht het kind in zijn auto naar de R.K. Ziekenverpleging in Zwolle, waar na onderzoek de verwondingen van het knaapje nogal meevielen.
De gemeente- en rijkspolitie, die ook spoedig op de plaats van het ongeval aanwezig waren, stelden een onderzoek in omtrent de schuldvraag.
Nog vernemen wij, dat de toestand van het knaapje Zondag naar omstandigheden bevredigend mocht worden genoemd.

U.S.V. 1 - Steenwijk 3: 7 - 2. In een sportieven en fairen wedstrijd is U.S.V. er in geslaagd de Roodwitte Steenwijkers een nederlaag toe te brengen. Wie dacht, dat Steenwijk, dat met de rust een 3-1 achterstand had, na de rust met windvoordeel wel op zou halen, is in het ongelijk gesteld, want na de rust was het steeds U.S.V. dat de toon aangaf; door twee goed genomen panaltys en 2 aardige goals werd de eindstond(!) op 7 - 1 gebracht. Scheidsrechter v.d. Schee leidde naar genoegen.


Jaargang 17 nummer 4 december 1999

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


OMSLAGFOTO _________________________________________________________

In de Tweede Wereldoorlog trouwde meester Wester met juffrouw Visscher. Ze gingen in een koets versierd met oranje afrikaantjes naar het gemeentehuis.

* * *

BIJNA 1400 HUWELIJKEN _________________________________________________________

Zwolse Courant

In 1993 verleende de raad van de gemeente Nieuwleusen eervol ontslag aan H.J. Meijerink. Ter gelegenheid van zijn afscheid verscheen in de Zwolse Courant van zaterdag 5 juni 1993 een interview met hem, dat we hier, met zijn toestemming, grotendeels overnemen.

Zo'n 1400 huwelijken voltrok H.J. Meijerink in de ruim 43 jaar dat hij in Nieuwleusen ambtenaar van de burgerlijke stand was. "Na twee generaties Nieuwleusenaren in de echt te hebben verbonden vond H.J. Meijerink het welletjes", aldus het onderschrift bij de foto van het interview, waarin hij zelf zegt: "Ik heb die trouwerijen altijd gezien als een welkome afwisseling op mijn dagelijkse werkzaamheden als chef van de afdeling algemene zaken".

Samen met de toen aan het roer staande burgemeester Hoekstra reisde Meijerink in 1950 af naar de arrondissementsrechtbank van Zwolle voor het afleggen van de ambtseed en de zuiveringseed (die inhoudt dat men geen giften in ontvangst mag nemen).
Liefst 1300 tot 1400 huwelijken, dat is niet gering. Meijerink kan dan ook zeggen dat hij twee generaties in het huwelijk heeft verbonden. Het kwam regelmatig voor dat hij van huwelijken die hij in zijn eerste periode als ambtenaar van de burgerlijke stand heeft voltrokken, jaren later daarvan ook de kinderen door hem in de echt werden verbonden.
Meijerink vertelt dat in de loop der jaren de mentaliteit van de bruidsparen is veranderd. "Vroeger kwam men met een kleine groep, nu zijn het vaak hele grote groepen. Ook in de wijze van doen en laten is veel veranderd. In de jaren vijftig ging het er allemaal wat soberder aan toe, de schitterende trouwjurken van nu kwamen helemaal niet voor.

Een stijlvol mantelpakje voor de bruid en een hoge hoed en streepjes-broek voor de bruidegom was toen gebruikelijker. Goedkoper was het ook".
Wilde men in de jaren vijftig in de raadszaal trouwen, dan kostte dat 25 gulden (nu is dat heel wat meer). Kosteloos trouwen kan nog steeds, maar vroeger werd daar veel meer gebruik van gemaakt. Op donderdagmorgen om 11.00 uur was het geregeld druk in het gemeentehuis. "Als ambtenaar van de burgerlijke stand hoor je de mensen te ontvangen“, legt Meijerink uit, je bent gastheer van de gemeente. In de trouwzaal ben je dan de baas en regel je alles samen met de bode. Iedere ambtenaar heeft zo z’n eigen wijze om een huwelijk te voltrekken. Persoonlijk vond ik het bijvoorbeeld niet nodig om tijdens de huwelijksplechtigheid het hele doopceel te lichten van de betreffende personen. lk hield meer de feiten aan, waarom men trouwde en dat het niet voor een dag was".
Meijerinks toespraken hadden thema’s als ‘elkaar dragen en verdragen', ‘elkaar barmhartigheid verlenen' en ‘elkaar oprechte liefde bewijzen'. Gecombineerd met een paar persoonlijke punten over het bruidspaar probeerde hij de toespraken steeds in een ander jasje te steken, zonder de belangrijke punten te vergeten.
“Want stel nu zelf“, zegt Meijerink, "zonder oprechte liefde voor elkaar is het niet mogelijk dit vol te houden. Als iedereen het zo deed waren er vast minder echtscheidingen". Tegenwoordig is voor een huwelijk geen toestemming van de ouders meer nodig. Meijerink: "Vroeger was dat anders, de ouders moesten toestemming hebben gegeven voor het te voltrekken huwelijk, zolang de teeftijd van 30jaar nog niet was bereikt.
Deden ze dat niet, dan kwam het bij de rechtbank terecht om alsnog toestemming te krijgen. Het is 'ja' of ‘nee’ voor het bruidspaar op de dag van hun huwelijk en niet van 'dan moet het maar', zoals ik ook wel eens heb gehoord.

In de vijftigerjaren kregen de bruidsparen het Nederlands Gezinsboek uitgereikt bij de voltrekking van hun huwelijk.

Ook de getuigen spelen dan een belangrijke rol en vooraf heb ik wel eens een vader gewaarschuwd waarvan ik wist dat hij eigenlijk tegen het huwelijk was, dat ik ook van hem een duidelijk 'ja' wilde horen. Want als er later problemen ontstaan, moet duidelijk zijn dat iedereen toestemming heeft gegeven, want ze kunnen altijd door de rechtbank worden opgeroepen". De eerste jaren ging Meijerink telkens voor elke huwelijksvoltrekking naar huis en trok daar zijn eigen trouwpak aan. Na afloop van de plechtigheid ging hij opnieuw naar huis om dat kostuum weer om te wisselen voor zijn gewone werkkleding, om vervolgens terug te gaan naar het gemeentehuis om zich weer te wijden aan zijn normale werkzaamheden. Dit duurde tot burgemeester Mulder, die een enkele keer ook zelf een huwelijk voltrok, vond dat een toga meer paste bij zo'n gelegenheid. Van toen af aan kon Meijerink gewoon op het gemeentehuis blijven en de toga over zijn kleding aantrekken. Dat was wel zo gemakkelijk.
Na een huwelijk wil iedereen graag een woning, weet Meijerink. "Dat was vroeger zo en dat is niet veel veranderd. Direct na de oorlog was er een lange periode van woonproblemen en was het moeilijk alle bruidsparen te huisvesten". Noodgedwongen trokken veel bruidsparen bij een van de ouders in. "Ik heb het wel meegemaakt dat er drie generaties in een woning woonden. Naar mijn idee geen ideale toestand".

* * *

EEN MOEILIJKE START _________________________________________________________

B.J. Witpaard †

Ze hadden grote plannen: Berend Jan Witpaard, zoon van Berend Witpaard (1869 - 1955) en Janna Gerritsen (1874 - 1937), wonende aan de Meeleweg en Henny Mulder (Schemper), dochter van Jan Schemper (1884 - 1969) en Beertje Mussche (1883 - 1963), eerder weduwe van Jan Mulder, wonende op de Kievitshaar.

Ze hadden trouwplannen! Als trouwdatum hadden ze gekozen voor de 18de maart 1937. Op het gemeentehuis van Nieuwleusen hadden ze al aangifte gedaan van hun voorgenomen huwelijk; alles was dan ook piekfijn geregeld. Burgemeester Backx zou fungeren als ambtenaar van de Burgerlijke Stand. Hij zou Berend Jan en Henny gaan trouwen om half tien 's ochtends, samen met nog een ander bruidspaar, de familie Kragt uit Den Hulst. Een en ander was voor beide bruidsparen hoogstwaarschijnlijk het voordeligst. Maar het liep toch anders!
Berend Jan had met zijn bruid afgesproken dat hij haar - met een auto! - zou komen halen. Niet vanaf de Kievitshaar, daar waren de bosweggetjes en de heidepaadjes moeilijk berijdbaar voor een auto, maar vanaf het huis van haar broer, Jan Mulder, aan het einde van de Maatweg. Dat adres was voor de auto goed bereikbaar. De trouwauto, gehuurd bij garage Gerrit Boers, zou worden bestuurd door Jan Gerrits G.Jzn., de vriend van de bruidegom, die aan de 'zaandkaante' in Den Hulst woonde.
Jan had zijn rijbewijs gehaald, dat was in 1937 niet zo heel erg moeilijk. Als je een beetje met het gas- en rempedaal overweg kon en als je heelhuids en zonder brokken te maken een blokje rond kon rijden, dan maakte je al grote kans om in het bezit te komen van een rijbewijs.
Het begon allemaal zo goed op die 18de maart. De bruid zat al een hele tijd te wachten in het huis aan de Maatweg toen de bruidegom daar per auto arriveerde. Jan Gerrits bleek een prima chauffeur te zijn; heel galant hield hij bij het instappen de portieren van de auto open voor Henny en Berend Jan. Het jonge stel nam deftig plaats op de achterbank. Jan zou straks achter het stuur klimmen. Eerst moest hij echter nog de motor gaan aanslingeren.
Dat was altijd een secuur werkje, je moest er wel een beetje 'de slag’ van hebben. Jan deed zijn best, maar het lukte hem niet de motor ‘aan de praat' te krijgen. Er werd van alles geprobeerd - veel duw en trekwerk. Iedereen kreeg het er warm en benauwd van, maar in de auto van Boers was geen beweging te krijgen. De motor deed het niet en niemand wist waar het mankement zat. Eindelijk begon er bij Jan Gerrits een lichtje te branden; hij draaide de dop van de benzinetank los en toen ontdekte hij het euvel: de tank was leeg, geen druppel benzine meer!
Er vielen een paar lelijke woorden aan het adres van de garagehouder, maar dat hielp ook weinig. Ten einde raad pakte Jan Mulder zijn fiets en reed ijlings naar Boers om benzine te halen. Het was nog een behoorlijk eind fietsen. Maar hij kreeg een paar liter benzine mee in een soort petroleumkan, bond die achter op de fiets en fietste zo hard mogelijk weer naar huis.
Ten langen leste kwam hij weer terug aan het einde van de Maatweg waar het bruidspaar in grote spanning op hem zat te wachten. Met de benzine in de tank startte de auto meteen en de reis naar het gemeentehuis verliep verder vlot en vlekkeloos.
Berend Jan zag op de Kerkenhoek dat zijn vader, op de fiets gekomen vanaf de Meele, al voor het gemeentehuis op de uitkijk stond. Geen wonder dat de man ongerust was, ze waren bijna een uur te laat!
Burgemeester Backx had intussen het bruidspaar Kragt al in de echt verbonden en hij was, dat zag je zo, zijn goede humeur al lang kwijt. De bruidegom kreeg er meteen van langs: "Je bent veel te laat, dat kostje geld, vier gulden extra."
Berend Jan, door al de gebeurtenissen ook al een beetje aangebrand en geprikkeld, gaf hem meteen lik op stuk: "Geen denken aan. Vier gulden extra! ....Een half weekloon…Ik betaal niks extra Het is ook niet mijn schuld!"
Toen moest Berend Jan tekst en uitleg geven en hij vertelde dat de schuld bij garage Boers lag. De burgemeester wilde dat verhaal eerst niet geloven. Hij zei: “Boers doet zoiets niet. Ik zal eerst wel eens even naar Bart Mensink bellen, die zal er wel meer van weten."
Mensink wist echter van niets. Hij was onschuldig. Vervolgens belde de burgemeester toch maar even naar zijn vriend Gerrit Boers. Het duurde altemaal erg lang; de telefoonverbindingen moesten via de postkantoorhouder tot stand gebracht worden en je moest wachten op je beurt. Maar uiteindelijk verscheen de burgemeester weer in de trouwzaal en hij kwam met de mededeling dat Berend Jan de verschuldigde vier gulden extra kosten niet behoefde te betalen. De vraag of Boers dan dat bedrag moest betalen, bleef onbeantwoord.
Zonder commentaar werden Berend Jan en Henny vervolgens door de burgemeester in de echt verbonden, waarna de kerkelijke bevestiging plaats vond in het nabij gelegen 'Schuttenkaarkie'.
Ze kregen zes kinderen en mochten samen bijna zestig jaar door de band van het huwelijk verbonden zijn. Henny Witpaard overleed op 26 augustus 1995 te Harderwijk. (Berend Jan Witpaard overleed op 25 oktober 1999 eveneens te Harderwijk. red.)




Berend van de Kolk
en Gerrigje Kieskamp


Jacob de Groot
en Derkje van de Kolk

* * *

TROUWEN DOOR DE JAREN HEEN _________________________________________________________

G. Bartels-Martens


Huwelijksmarkt en kunnigheidsmarkt en kunnigheid
Voordat de auto voor grote groepen van de samenleving een betaalbaar vervoermiddel werd, moest alles te voet, per fiets, met paard en wagen of bus en tram worden afgelegd. In die tijd zocht men de bruid of bruidegom in de eigen omgeving. Het uitgaansleven van de jongelui speelde zich vooral af in de omgeving van het eigen dorp, met familiebezoek, bruiloften, kerkgang en ‘losse huusies' (dat was bijvoorbeeld als meisjes thuis oppasten wanneer de ouders op nieuwjaarsvisite gingen en daarbij vriendinnen vroegen bij haar te komen. De jongens waren van die visites natuurlijk goed op de hoogte en probeerden binnen te komen. Lukte dat niet, dan werd nog wel eens een heideplag op de schoorsteen gelegd, zodat de trek uit de schoorsteen verdween en de kamer vol rook kwam te staan, waarom alsnog de buitendeur opengezet moest worden om frisse lucht te krijgen).
Daarbij kwamen nog als ontmoetingsmogelijkheden het schaatsen, de catechisatie, de meisjesvereniging en op de ‘bij-zondagen', zoals Tweede Paasdag, Tweede Pinksterdag en Hemelvaartsdag, het fietsen naar de Lemelerberg, de stuw bij Vilsteren of naar de vijver in het Staphorsterbos.
‘s Zondagsmiddags en 's zomers ook ‘s zondagsavonds wandelden de meisjes over de weg en in het Palthebos. De jongens kwamen in de cafés bijeen en legden een kaartje alvorens ze de meisjes opzochten om naar huis te brengen. ‘s Winters organiseerden de kruideniers/bakkers, waarvan er heel wat waren in die tijd, voor de jongelui wedstrijden sjoelen en sunterklaosschieten, en, al had men toen nog lang niet gehoord van het begrip ‘hangjeugd', hun winkel ook voor de opgeschoten jeugd het hele jaar door een plek was waar ze bijeen kwamen.
Ook werden de markten met kermis bezocht in de omliggende gemeenten, waarbij Balkbrug en De Wijk favoriet waren. De Mei-vrijdag was voor veel jongelui het jaarlijkse hoogtepunt. Op de eerste vrijdag in mei trokken ze uit de verre omgeving allemaal naar de Zwolse markt. Op die dag hadden ook alle jongens en meisjes vrij die bij de boer dienden. Zoals overal in de tijd dat men nog erg afhankelijk was van het familie-inkomen en familiekapitaal, werden de huwelijkskandidaten bij voorkeur gezocht in de eigen sociale klasse. Minstens zo belangrijk was het al dan niet bij een kerkelijke groepering te horen, want gereformeerd trouwde met gereformeerd en hervormd met hervormd.
Omdat de boerenbedrijven over het algemeen klein waren, moesten de oudere kinderen meestal elders gaan 'dienen'. Vaak gingen jongens als boerenknecht en meisjes als dienstmeid werken bij de grote boeren in de Mastenbroekerpolder en daar vonden ze elkaar nogal eens als toekomstige echtelieden.
Er waren vroeger in het dagelijks leven niet zoveel hoogtepunten en daarom gaf het op vrijers voeten gaan veel aanleiding tot vechtpartijen tussen jongens uit buurdorpen. Werd bekend dat een jongeman uit Den Hulst het waagde in Nieuwleusen een meisje het hof te maken, dan werd deze al snel door leeftijdgenoten uit Nieuwleusen opgewacht en afgetuigd. Omgekeerd gebeurde hetzelfde. - Zo weet Arend Kreule nog goed dat zijn schoonvader vertelde hoe hij als jongen uit Balkbrug, toen hij naar zijn meisje op de Meele ging, werd opgewacht door de jongens uit de Meele en hij met veel gepraat en traktaties zijn vrijerspad moest veilig stellen en dat ook zijn broer met dezelfde vijandigheid te maken kreeg. - Was het echte liefde, dan weerstond de jongeman deze afstraffingen en kwam het toch tot een openbare verkering. Was hij nog niet zo zeker van het meisje dat hij op het oog had, dan hing het af van zijn karakter en de mate van pesterijen of de vrijerij werd afgebroken of toch overging in een vaste verkering. (Een verslag van zo’n gevecht stond met de titel “Wanneer een vreemdeling uit vrijen gaat" in de Meppeler Courant 28 mei 1937 en is opgenomen in "Ni'jluusn van vrogger" 1993, Nummer 1, bladz. 22 en 23).
Hoewel er veel echte Nieuwleusener familienamen bestaan, is er, ondanks het gezegde neve en nichte, vrijt lichte niet heel veel in eigen familie getrouwd. Dat er toch wei sprake is van veel kris-kras-verbindingen en de tante van de een nog wel eens de oudtante van de ander is, komt voor een deel omdat het vroeger geen uitzondering was dat men twee of drie keer trouwde. Dat gebeurde na sterfte in het kraambed of om welke andere reden dan ook voor vroeg of laat weduw- en weduwnaarschap.

Kunnigheid en verkering Had een jongen een meisje op het oog dat hij geern moch lien, dan zocht hij naar een gelegenheid om eens met heur uut te goan. Dat was dan tijdens de volksfeesten op Koninginnedag of ‘s winters tijdens het schaatsen op de Dedemsvaart, waar bij Sluis 3 een ijsbaan was met verlichting en een kraam. Later kwam de ijsbaan achter de Ommerdijk (Backxlaan) tussen de Smeule bij Krale en de Dedemsvaart.

Viel de kennismaking niet tegen, dan deden ze dat nog eens en ontmoetten elkaar vaker. (Berend van Duren schreef hierover een mooi gedicht Boer’s- en Spiekersweggie, dat we publiceerden in "Ni’jluusn van vrogger" 1994, nummer 3, blz. 69). Die omgang kwam de oudelui meestal snel ter ore.

Lieten ze niets merken dan waren ze niet tegen de omgang en kon de jongen na enige tijd het meisje op zondagavond bezoeken. Ontstond er een vaste verkering, dan kwam de jongeman ook nog eens op woensdagavond.
Keurden de ouders de omgang af, dan trokken de jongelui meestal aan het kortste eind en werd de verkering verbroken. De ouders bruuskeren door een gedwongen huwelijk kwam weinig voor.
H. Veldink en J.G. Onderdijk(1914)

Een vaste verkering werd maar zelden gevolgd door een snel huwelijk. Men was niet zo voor te hard van stapel lopen en het was niet ongebruikelijk dat men meerdere jaren met mekaere verkeerde, alvorens er werd getrouwd.

‘t Botterbreefien halen
In ondertrouw gaan of aantekenen werd ook wel aangeduid met 't botterbreefien halen.
Op de dag van de ondertrouw gingen de aanstaande bruid en bruidegom op z'n zondags aangekleed ‘s morgens, meestal rond een uur of tien, samen naar het gemeentehuis en gaven aan te willen trouwen. Daarvan werd een akte opgemaakt, waarin werd aangetekend welke getuigen mee zouden komen en het tijdstip van trouwen, en dat was het dan. Verder geen enkele franje op die dag.
Het kiezen van een ambtenaar van de burgerlijke stand voor de huwelijksvoltrekking was geen punt van aandacht, want er was gewoon een ambtenaar voor alle huwelijken.
Gebruikelijk was dat er veertien dagen lagen tussen de datum van ondertrouw en het huwelijk. Op de eerste zondag na het aantekenen werd het aanstaande huwelijk in de kerk afgekondigd.

Visites op weg naar de trouwdag
Vroeger werd de trouwerij vaak in gedeelten gevierd. Omdat maar weinig boerderijen een grote deel hadden en ook het voorhuis betrekkelijk klein was, werden de bruiloftsvisites meestal gehouden tussen de dag van ondertrouw en de trouwdag, as 't paar onder de geboon stund (geboden = aankondiging van het voorgenomen huwelijk). Daarbij kwamen de jongeren en ouderen gescheiden op bezoek, bijvoorbeeld de oude tantes op een middag, en de ooms en tantes, al dan niet samen met buren en kennissen, weer op een ander moment en al dan niet ‘s avonds met de vrienden en de neven en nichten. Was de bruidegom een bestuurslid van een of meer verenigingen, dan kwamen ook de bestuursleden en hun vrouwen op bezoek. Kwam de bruidegom uit een andere streek, dan werd daar ook visite gehouden voor buren en kennissen.

De voorbereiding op het feest
Voor het huis waarin het bruidspaar ging wonen werd door familie, buren en vrienden een ereboog geplaatst, aangekleed met dennengroen en papieren roosjes. Het reussies maken zorgde, onder het genot van koffie met koek, al voor de nodige voorpret. Het greun maken of boog zett'n gebeurde op de avond voor de bruiloft. Daarbij werden ook de stoelen voor het bruidspaar versierd, aan elkaar gekoppeld en van een groene boog voorzien. Dat was dan meteen een gezellige avond voor de jongelui, want de vader van de bruid was meestal niet zuinig en er werd gedronken en geklonken. Het bruidspaar was op die avond afwezig. De boog bleef in de regel een paar dagen staan en ook het afbreken werd weer nat gemaakt.

De trouwdag.
Het bruidspaar reed in een tentwagen naar het gemeentehuis. Familieomstandigheden waren natuurlijk vaak heel verschillend, maar als het even kon, zorgde de familie ervoor met paard en wagen goed voor de dag te komen. De manen en staart van het paard werden ingevlochten en versierd met linten en roosjes en ook kwam er een roosje aan het topje van de zweep.

Peter Kreule en Aaltje Reuvers (1920)

Tot 1931 werd er getrouwd in de secretarie van het oude gemeentehuis. Dat was een aanbouw aan de burgemeesterswoning, en daar was nauwelijks plaats voor meer mensen dan het bruidspaar en de getuigen. Meestal was één tentwagen voldoende om de bruidsstoet te vervoeren. Na de huwelijksvoltrekking ging het bruidspaar met de gasten meestal nog even naar een van de cafés in de Kerkenhoek voor een borrel en daarna ging men huiswaarts en over tot de orde van de dag.
Burgemeester Backx 'deed‘ ook zelf wel huwelijken, maar vóór het handtekeningen zetten verliet hij de trouwzaal; dat werk liet hij over aan zijn ambtenaren. Huwelijken werden op de huwelijksdag nog weinig kerkelijk ingezegend. Men herinnert zich dat dit maar enkele keren per jaar voor kwam.
Soms werd op zondag tijdens de kerkdienst een bruidspaar ingezegend. Het bruidspaar zat dan op de eerste rij in de kerkbanken. Toen er na 1931 in het nieuwe gemeentehuis werd getrouwd, veranderde die situatie nog maar Iangzaam, omdat men nog volop in de crisistijd zat.

Dus alleen de getuigen en naaste familie gingen in de tentwagen mee naar het gemeentehuis. Was er niet voldoende ruimte in de wagen, dan pakte een deel van de familie ook wel de fiets. Bij het gemeentehuis stonden meestal groepjes belangstellenden om het bruidspaar en de bruidsstoet in ogenschouw te nemen. Werd er na het burgerlijk huwelijk ook in de kerk getrouwd, dan hadden daar, voor het bruidspaar

Barteld de Liefde en Jo Prins

binnen kwam, al ooms en tantes, buren, bekenden en geloofsgenoten van het bruidspaar plaatsgenomen. Na afloop van de dienst werd er een collecte gehouden ten bate van de kerkvoogdij, voor het gebruik van de kerk.



Er werden ook wel ‘s avonds bruiloften gevierd, maar vaak ging na de kerkdienst alleen de naaste familie mee naar het huis van de bruid, waar nog koffie werd gedronken. Hoeveel er in de jaren vijftig veranderde blijkt wel uit de verhalen die we naar aanleiding van een gehouden kleine enquête terug kregen. Dat kunt u verderop lezen. Dat er ook na de oorlog nog veel met tentwagens naar het gemeentehuis werd gereden blijkt wel doordat men zich herinnert dat burgemeester Hoekstra (1950 - 1957) zich er nogal aan ergerde wanneer een paard tijdens het voorrijden zijn behoeften in het grind op de oprit van het gemeentehuis liet vallen. Dan moest meteen een boer van de overkant gewaarschuwd worden om deze 'mest' op te halen.

De viering van de bruiloft
Tijdens de bruiloftsvisites en -feesten werd er op het bruidspaar en op elkaar gedronken en geproost. Hoewel er op een bruiloftsfeest vrij gedronken mocht worden, was er zelden iemand dronken en werd lichtelijk aangeschoten zijn beschouwd als horend bij een bruiloft. De avond werd vooral met zingen en hossen gevuld en bij menig liedje moest getoost worden.
Er werden ook veel gedrukte liedjes rondgedeeld om te zingen. Om te beginnen een welkomstlied voor het bruidspaar, meestal op een ernstige toon, waarin Gods zegen voor het bruidspaar werd gevraagd. Vaak werd er ook een lied gezongen of voorgedragen, waarin de levensloop van het bruidspaar met behulp van het A B C werd bezongen. Het samenstellen van het lied had dan al voor vele avonden voorpret gezorgd, waarbij vrienden of familie van bruid en bruidegom elkaar beter leerden kennen.


BEROEMDE POTPOURRI ______________________________________________

(wijze: Toen onze mop….)

Wien Neerlands bloed door d’ádren vloeit,
En Japie is getrouwd.
In ‘t groene dal, in ‘t stille dal,
Wat is het ‘s winters koud.
De Watergeus staat voor Den Briel,
Piet Hein, zijn naam is klein,
O schipper, ‘k wil mezelf graag zien
Al in de maneschijn.

O, zwaluw, waarheen is uw vlucht,
Van vreemde smetten vrij,
Aan d‘ oever van een snelle vliet,
En twee, haal op die hei.
De kabels los, de zeilen op,
Wilhelmus van Nassau,
Wij leven vrij, wij leven blij,
Wat doe je in de kou.

Waai uit, o Nederlandse vlag,
Een daalder kost die hoed.
En in een blauw geruite kiel,
Ben ik van Duitsen bloed.
Al is ons prinsje nog zo klein,
Ta-ra-ra boem diejé,
Hou jij van soep met balletjes,
Wie gaat er mee naar zee.

Die vierkleur van ons dierbaar land,
Daar komt de Sint weer aan;
En schildwacht, wendt je hoofd zo niet,
Al in de Maliebaan.
Iö vivat, iö vivat,
Zing vrij uit voile borst,
Daar zaten zeven kikkertjes
Al op een leverworst.
______________________________________________

Bekende liedjes die op een bruiloft werden gezongen waren:
Ons geluk zal niet bestaan,
als het hun niet wel zal gaan.
Lang zullen ze leven ......
of, Zij leven hoog, zij leven hoog….. of: Drie maal drie is negen, ieder zingt zijn eigen lied afgewisseld met: Zo lang de lepel in de breipot staat, dan treuren wij nog niet, enz.
Een geliefd tied dat op bijna alle visites werd gezongen was:
Wie in januari geboren is, sta op
Wie in januari geboren is,
Die neemt er zijn glaasje al van de dis
drink uit, drink uit, drink uit.
Schoon uit, schoon uit, schoon uit.

Wie in die maand geboren was, moest opstaan en het glas leeg drinken. Zo ging men alle maanden van het jaar Iangs en lette op of alle gasten wel een keer opstonden en wie probeerde de dans te ontspringen werd dan bij het dertiende vers En wie er nooit geboren is, sta op gedwongen alsnog mee te doen.
Tot slot zong men dan:
Het glaasje heeft zijn best gedaan
Kan onderste boven op tafel staan
Hoezee, hoezee, hoezee
hoezee, hoezee, hoezee.


De cadeaus
Het was niet gebruikelijk om geld te geven, maar iedereen betaalde, in groepjes georganiseerd, mee aan cadeaus. Daarvoor hadden de winkeliers Aanschaflijsten voor jonggehuwden opgesteld, waarop het bruidspaar kon aangeven wat nog aan hun uitzet ontbrak. De gasten konden met de winkelier overleggen wat nog niet was gekocht door andere gasten en dat kopen. Op de trouwdag bezorgden de winkeliers de bestellingen, voorzien van visitekaartjes met de namen van de gevers. Een praktische manier om de noodzakelijke aanschaf toch met een zeker verrassingseffect te omkleden.
Dit gebruik verklaart waarom een zeker modebeeld optrad in de aanschaf van serviezen, bestek, tafelkleden, linnengoed enz. De fabrikanten die de toeleveringsbedrijven waren voor de winkels, bepaalden min of meer de smaak van de burgers door het aanbod waaruit kon worden gekozen.
Ook stond na afloop van het feest vaak nog jarenlang een asbak op tafel met daarin reclame van de zaak waar de trouwauto was gehuurd of het café waarde bruiloft was gevierd. Van de winkeliers waar men klant was ontving men voor het trouwen vaak ook een cadeau, zoals een tafellaken van de bakker-kruidenier en een houten bord met de trouwtekst of 'Niet vragen, maar dragen en bidden om kracht’ erop geschilderd. Daar stond geen naam van de zaak bij, want de mond-op-mond reclame zorgde wel dat bekend werd wie wat had geschonken.



Een huwelijk in 1933
Negentien jaar oud was het meisje in Oudleusen en eenentwintig De jongen in Staphorst toen hun verkering begon. Drie en halfjaar later, in 1933, trouwden ze, na 2 weken ondertrouw, op een woensdag in Dalfsen. Zij werkte in Nieuwleusen en er werd een cadeaulijstje bij Stolte in de winkel neergelegd. In die tijd waren hier nog maar twee inwoners in het bezit van een auto; J. van Spijker, directeur van de coöperatie (waar ze werkte) en G. Boers, die later een garage begon. Al lang hadden ze geplaagd haar op de trouwdag te zullen rijden en ze hielden woord, want op die dag werd de bruidsstoet van brikken (tentwagens) vooraf gegaan door twee auto's. De familie vond het bruidspaar maar opscheppers, want de bruid had ook nog een bloem op de mooie blauwe jurk gespeld. Hij had een zwart pak laten maken. Na het gemeentehuis gingen ze naar het huis van de bruid, waar ze parregaste aten (gort met rozijnen, pruimen, worst en spek). ‘s Avonds kwamen familie en buren de bruiloft vieren. Daarvoor was de ruime göte versierd, waar het feest werd gehouden. Er werden nuttige cadeaus gegeven en er werden stukjes opgevoerd, maar er was niet iemand met een harmonica ingehuurd. Na de koffie waren er borrels en weck (ingemaakte vruchten). Rond 12 uur eindigde het feest. Een broer maakte de foto’s. De ouders van de bruid betaalden de bruiloft. Het jonge paar betrok een huurhuis voor ƒ 3,- per week.

Er bij in trouwen
Die dreijt heur gat d’r mooi in kan zowel positief als negatief worden uitgelegd. In ieder geval was het gebruikelijk dat de pas getrouwde jongelui gingen wonen woar heur beddegien espreid was. Dat wil zeggen dat ze introuwden in het ouderlijk huis waar dat het beste uitkwam, zodat er geen onkosten gemaakt hoefden te worden. Er werd niet verbouwd en er werd geen aparte woonruimte gecreëerd, maar men bleef gewoon inwonen tot er een baby werd geboren en vaak ook wel langer. Waar ingetrouwd werd hing af van de familieomstandigheden. Was een van de ouders overleden, dan werd bij die huishouding ingetrouwd, maar wanneer bij een oom of tante een paar jonge krachten welkom waren, dan werd daar ook wel ingetrouwd. Ook bleef men wel inwonen tot de ouders te oud werden. Vaak werd er dan een kamer aangebouwd, waarin ze een eigen huishouden begonnen, waar nodig geholpen door de kinderen.
Dit er bij introuwen ging meestal met gesloten beurzen, in goed vertrouwen en hooguit met mondelinge afspraken. Daardoor ontstond een grote afhankelijkheid en veel onzekerheid over de toekomst, want opa of oma beheerde meestal de knip. Zo kon het voorkomen dat een echtpaar hun hele huwelijk als ‘kinderen' van de oudere generatie leefden.

Hoe men na de oorlog trouwde
Om deze vraag wat concreter te kunnen beantwoorden, stuurden we een aantal mensen een vragenlijst en daarvan ontvingen we er 22 ingevuld terug. Deze bruidsparen zijn geboren tussen 1926 en 1941 en trouwden tussen 1946 en 1964. Hieronder volgt een overzicht dat de grote veranderingen vanaf de oorlog laat zien.

Op een donderdag in 1946 trouwde een bruidspaar, dat 20 jaar oud was en daarvoor 4 jaar verkering had gehad. Ze waren veertien dagen eerder in ondertrouw gegaan. Op die dag hebben ze verder niks bijzonders gedaan. Op de trouwdag droeg de bruid een mantelpakje en de bruidegom een gehuurd kostuum. Een broer en een zus traden op als getuige. De bruidsstoet, gevormd door ouders, broers, zussen, ooms, tantes en vrienden, maakte gebruik van gehuurde koetsen, omdat er zo kort na de oorlog nog bijna geen auto's waren. In het gemeentehuis waren collega’s en in de kerk ook bekenden aanwezig. Er werden slechts enkele foto's gemaakt en de bruiloft werd thuis gevierd, waar het bruidspaar voornamelijk geld ten geschenke kreeg en enkele cadeaus. Er werden stukjes opgevoerd, afgewisseld met de gebruikelijke bruiloftsliedjes. Gegeten en gedronken werd er van alles wat er toen te krijgen was. Zo had men met de EDS-busdienst een melkbus vol bier uit Zwolle laten komen. Omdat er niet genoeg glazen aanwezig waren, werd het bier met een soeplepel uit de melkbus geschept en uit kopjes gedronken. Omdat de vader van de bruidegom weduwnaar was, werd daar bij ingetrouwd.

Omstreeks 1950 werd in Nieuwleusen de eerste bruiloft buitenshuis gevierd in café Schoemaker. Tijdens het bespreken over het hoe en wat kwam tante Margie (mevrouw Schoemaker) met het voorstel om, afwijkend van wat tot dan toe gebruikelijk was, nu eens het gebak bij de borrel weg te laten en daar voor in de plaats toastjes en hartige hapjes te serveren. Dat werd een groot succes en kreeg meteen navolging. Ook al was het beleg op de toastjes lang niet zo gevarieerd als tegenwoordig; kaas, hard gekookt ei, gerookt vlees en boerenham viel zeer in de smaak. De huwelijksnacht werd door het bruidspaar gewoon in het huis van de schoonfamilie doorgebracht. Na de bruiloft werden behalve de trouwcadeaus ook de aangebroken drankflessen mee naar huis genomen, want er werd alleen in hele flessen afgerekend. Dat men in die tijd nergens meer drukte om maakte dan nodig was, blijkt wel uit het feit dat de trouwcadeaus, bloemen en drankflessen pas de volgende dag door de schoonvader werden afgehaald. Hij moest die dag een voer turf uit Den Hulst halen en omdat hij dan toch langs het café kwam, kon hij in het voorbijgaan daar ook wel even aangaan om de cadeaus mee te nemen. De bruid vond intussen die dag toch wel wat spannend omdat de winkeliers maar niet kwamen om de meubels enz. te bezorgen. Uiteindelijk kwam Van Marle zijn bestelling achter op de motor afleveren, maar omdat Stolte maar weg bleef, ging de bruidegom er tenslotte zelf maar eens op af. Toen bleek dat Stolte van plan was geweest de meubelen op een bakfiets te bezorgen, maar dat niet durfde omdat het steeds zo regende. Nu had hij afgesproken met de varkensrijder dat die zijn vrachtauto schoon zou spuiten en als dat gebeurd was, kwam hij de spullen brengen.

In 1950 trouwden in Staphorst, de woonplaats van de bruid, na 3 jaar verkering en 4 jaar verloving een 23-jarige bruid en een 25-jarige bruidegom. Ze waren verloofd toen de jongeman naar Nederlands Indië moest (dat ging achteraf niet door). Een maand van tevoren, zoals in Staphorst gebruikelijk was, ging het aanstaande bruidspaar naar het gemeentehuis om de trouwdatum vast te leggen en daarna waren de wederzijdse ouders aanwezig in het huis van de ouders van de bruid. Op de twee zondagen voor de trouwdag werd het huwelijk in de kerk afgekondigd. Er werd op donderdag getrouwd omdat de kosteloze zaterdag niet goed uitkwam. Voor het bruidspaar was een auto gehuurd, ook voor het vervoer naar de fotograaf, waar alleen van het bruidspaar een foto werd gemaakt. Later op de dag werden er nog wel kleine foto's gemaakt. Er was geen trouwstoet, ieder kwam op eigen gelegenheid naar het gemeentehuis. Daar waren familieleden, buren en collega's en in de kerk waren ook nog leden van de zangvereniging aanwezig. De bruid droeg een gekochte trouwjurk. Ze had geen bruidsboeket en geen bruidsmeisjes. De bruidegom droeg een gekocht trouwkostuum.
‘s Middags was het lievelingskostje van het bruidspaar geserveerd: watergruwel met een pudding als toetje.
‘s Avonds was er tot ongeveer twaalf uur een gezellig samenzijn met familie en vrienden en de voorgangers van hun twee kerken. De verzoekliedjes zoals 'Dankt, dankt nu allen God‘ werden op het huisorgel begeleid. De hele dag had een sober karakter en er waren geen receptie of verdere visites vanwege een sterfgeval. Ze hadden geen cadeaulijsten gemaakt, maar alle cadeaus waren van huishoudelijke aard, zoals: spiegel, kleerborstel, serviesgoed, pendule, lepeltjes, lampetkan, nachtkastje, schilderij. Er werd geen geld gegeven.

De trouwringen kostten ongeveer ƒ 150,- plus ingeleverd goud (oude sieraden). De trouwjurk kostte ƒ 200,-. Het bruidspaar kocht zelf de uitzet, maar de wederzijdse ouders betaalden de bruiloft.

Na het huwelijk werd een huurhuis betrokken en na 1 vrije dag moest de bruidegom meteen weer naar de baas, want er moest gewerkt worden.

Een rekening van wat er gedronken werd op een bruiloft in 1952

In 1950 wilde, na vijf en een halfjaar verkering, een stel van elders graag op 1 januari 1950 trouwen, zodat ze op 1 januari 2000 hun 50-jarig huwelijksfeest zouden kunnen vieren, maar omdat 1 januari op een zondag viel, werkte de gemeente daar niet mee en werd de eerste dinsdag van het jaar de trouwdag. Twee en een halfjaar daarvoor waren uitnodigingen verstuurd naar familie en vrienden om de verloving te vieren. Er was oud goud ingeleverd voor de aanschaf van de ringen, waarvoor nog ƒ 125,- per stuk moest worden bijbetaald. Aan de ondertrouw, 4 weken voor de trouwdatum, werd geen extra aandacht besteed. De trouwkaarten werden kort na de ondertrouw verstuurd en ook de afkondiging in de kerk volgde spoedig. De jurk voor de bruid was door een naaister gemaakt (ƒ 275, - en is later weer verkocht) en ze kreeg een bruidsboeket, samengesteld uit orchideeën (ƒ 75,-). De bruidegom had zijn trouwpak geleend van een oom. De naaste familie kwam bijeen in het huis van de bruid en reed mee in de stoet, in gehuurde auto’s (er waren in die tijd nog maar weinig auto's beschikbaar). In het gemeentehuis waren naast de familie ook enkele kennissen aanwezig. Een zwager van de bruid en een vriend van de bruidegom traden op als getuigen. In de kerk waren veel mensen aanwezig, o.a. collega's van beide echtelieden. Omdat zij onderwijzeres was, waren er een groot aantal leerlingen met hun moeders gekomen. Na afloop van de kerkdienst kwamen familie en verdere genodigden bijeen voor een uitgebreide lunch, waarna het bruidspaar uitgezwaaid werd door alle aanwezigen en op huwelijksreis ging naar de Veluwe. Een fotograaf maakte een trouwreportage en tijdens de lunch werden enkele toespraken gehouden. De cadeaus waren overwegend van huishoudelijke aard. De ouders van de bruid betaalden de bruiloft en zorgden voor de linnenuitzet. De ouders van de bruidegom schonken het tafelzilver. De invloed van de oorlog op de samenleving was nog duidelijk merkbaar; er waren nog distributiebonnen nodig, de linnenuitzet werd geïmporteerd uit de V.S. van Amerika en er was nog grote woningnood. Het te betrekken huis werd omgebouwd tot duplex-woning en was nog niet klaar. Enkele jaren na hun huwelijk kwam het echtpaar in Nieuwleusen wonen.

In 1951 werd in Nieuwleusen, de geboorte-, woon- en werkplaats van de bruidegom (na een kleine twee jaar verkering en een jaar verlovingstijd) het huwelijk voltrokken tussen een 24-jarige bruid en een 34-jarige bruidegom. Veertien dagen daarvoor vond de ondertrouw plaats en op die dag werden ook de trouwkaarten verstuurd. Er waren cadeau-lijsten gemaakt waarop allemaal huishoudelijke artikelen stonden. Daarmee werd zorgvuldig omgegaan, want het bruidspaar kreeg alles wat daarop stond. De bruid was gekleed in een lange lichtblauwe jurk, gemaakt door de naaister en droeg een bijpassend tasje. De bruidegom droeg een donkerblauw gestreept kostuum, gemaakt door de kleermaker. Een winkelhaakje in de trouwjurk, doordat de bruid achter de deur van de auto bleef haken, werd snel hersteld door de schoonzuster. Er werd op donderdag getrouwd. In het gemeentehuis waren nog twee bruidsparen aanwezig die op dezelfde dag trouwden. (Zoiets kwam regelmatig voor en soms werden die verschillende bruidsparen gelijktijdig getrouwd, soms na elkaar.) De kleine bruidsstoet werd gevormd door de wederzijdse ouders en een schoonzus en zwager met hun zoontje. Ze maakten gebruik van een huurauto van garage Mensink en een geleende auto van een goede kennis. In het gemeentehuis wachtten meer mensen om bij de huwelijksvoltrekking aanwezig te zijn. Bij de fotograaf werden enkele foto's gemaakt van het bruidspaar. In de schuur van de ouders van de bruidegom werd het bruiloftsfeest gevierd. Op het erf was, toen iedereen naar het gemeentehuis was, door collega's van de bruidegom een ereboog met veldbloemen geplaatst. Begeleid door oude pannen en deksels en wat al niet meer, werd ook door hen een stukje opgevoerd. Er werd gegeten en gedronken en het was een geweldige dag. Er was nog niet veel welvaart en je was blij datje werk had en wat geld kon verdienen. Het bruidspaar ging wonen op een schip van de ouders van de bruidegom. Ook de prijzen waren in die tijd heel anders dan nu. De trouwringen kostten circa ƒ 50,- per stuk en ook de trouwjurk en het trouwpak kostten elk ongeveer ƒ 50,-.


In 1952 trouwden in Dalfsen, na een jaar verkering en een jaar verloving en 3 weken ondertrouw, een 21-jarige bruid en een 29-jarige bruidegom. Voor het bruidspaar was een luxe wagen gehuurd en voor de wederzijdse ouders en naaste familie was er een bus die hen naar het gemeentehuis en daarna naar het huis van de bruidegom in Ommen bracht. Het huwelijk werd op een woensdag om half elf voltrokken. Het middagmaal, bestaande uit soep met broodjes, werd voorafgegaan door een borreltje of anderszins. De kerkelijke inzegening vond ‘s middags om drie uur plaats in de Hervormde kerk te Nieuwleusen in aanwezigheid van veel vrienden, kennissen en belangstellenden. Daarna volgde een drukke receptie in zaal Schoemaker. Daar werd ook voor de familie een broodmaaltijd verzorgd. Tegen acht uur kwamen de eersten van zo'n 185 gasten binnen op het bruiloftsfeest. De avond begon met koffie en gebak en daarna werd er gezellig gerookt en gedronken. Twee accordeonspelers (kosten ƒ 25,-) kregen de gasten regelmatig goed aan het zingen. Er werden veel stukjes opgevoerd, waaronder een ABC, waarbij het bruidspaar bij de letter M zowaar een levende mol kreeg aangeboden. Tegen half vier in de morgen kwam er een eind aan het feest door het serveren van koffie met broodjes. De gasten gingen voldaan huiswaarts. Buiten gekomen waren ze meteen goed wakker, want er was intussen bijna 20 cm. sneeuw gevallen. De chauffeur van het bruidspaar moest uit bed worden gehaald om hen naar huis te rijden.



Wat werd er op die avond zoal gedronken? 3 flessen bessenbrandewijn, 6 flessen advocaat, 3 flessen boerenjongens, 12 flessen Samoswijn, 12 liter citroenjenever, 9 liter jonge jenever, 5 liter cognac, 10 flessen Coca cola, 3 flessen donker bier. In totaal kostte de bruiloft ƒ 714,55, exclusief de sigaren en sigaretten die in de zaak werden uitgedeeld, maar inclusief 275 gebakjes à 15 cent = ƒ 41,25. Er waren 80 ondertrouwkaarten verstuurd, kosten ƒ 17,50. Het bruidsboeket kostte ƒ 32,- en de trouwauto, inclusief twee wacht-uren, ƒ 28,-.

Hoe tussen 1953 en 1964 de bruidsparen trouwden hebben we hier samengevat. De meisjes werden meestal jong verliefd en hoe jonger verliefd, hoe langer de verkeringstijd meestal was.

Verkering: meisje 17 jaar-jongen 19 jaar-trouwden na 6 jaar
Verkering: meisje 17 jaar-jongen 19 jaar-trouwden na 7 jaar
Verkering: meisje 18 jaar-jongen 23 jaar-trouwden na 2 jaar
Verkering: meisje 18 jaar-jongen 20 jaar-trouwden na 5 jaar
Verkering: meisje 17 jaar-jongen 19 jaar-trouwden na 5 jaar
Verkering: meisje 17 jaar-jongen 24 jaar-trouwden na 2 jaar
Verkering: meisje 18 jaar-jongen 21 jaar-trouwden na 7 jaar
Verkering: meisje 23 jaar-jongen 23 jaar-trouwden na 2 jaar
Verkering: meisje 24 jaar-jongen 25 jaar-trouwden na 3 jaar
Verkering: meisje 29 jaar-jongen 25 jaar-trouwden na 4 jaar

De meeste bruidsparen trouwden op donderdag, omdat het dan kosteloos was, voorafgegaan door een ondertrouwperiode van 14 dagen. De dag van ondertrouw werd nog steeds nauwelijks gevierd (gezellig samen geweest / samen op de fiets naar het gemeentehuis / koffie met gebak en een borrel / normale werkdag). Op woensdag werd getrouwd door wie in het onderwijs of in een winkel werkzaam was, omdat die dag ‘s middags de school of de zaak gesloten was. Meestal was er een verloving aan vooraf gegaan, variërend van drie jaar tot een half jaar. Slechts 1 keer werden er verlovingskaartjes verstuurd en alle verlovingen werden alleen in huiselijke kring gevierd. De trouwkaarten werden meteen na de ondertrouw verstuurd en er werden cadeaulijsten samengesteld. Het huwelijk werd (voor wie aangesloten waren bij een kerkgenootschap - in dit geval bijna iedereen) op de daarop volgende zondagen in de kerk afgekondigd. Als getuigen werden meestal directe familieleden gevraagd: grootouders, broers, zussen, nichtje, ooms en een enkel keer vrienden of nauwe relaties. Toen ouders niet meer verplicht hoefden te tekenen, werden ze vaak als getuigen gevraagd. Trouwauto’s werden gehuurd. Begin jaren vijftig werd vaak een auto voor het bruidspaar en een bus voor familie en vrienden gehuurd. (Waarschijnlijk omdat het Nieuwleusense garagebedrijf G. Boers een autobus bezat en die voor een aantrekkelijke prijs verhuurde). Later werd de bus vervangen door auto’s van familie, buren en vrienden.
Vanaf 1953 hadden alle bruiden een bruidsboeket. De trouwjurk werd even vaak gekocht als zelf of door een naaister gemaakt en werd meestal gehouden; een enkele keer korter gemaakt en als uitgaansjurk gebruikt. De sluier werd opnieuw gebruikt als 'hemel' voor de wieg van de baby. De bruidegom kocht in bijna alle gevallen zijn trouwpak, dat was o.a.: grijs, zwart gestreept, zwarte jas met vest en streepjesbroek.
Meestal werden er enkele foto's van het bruidspaar gemaakt in de studio bij de fotograaf (ten voeten uit en borstbeeld), maar de eerste trouwreportages deden ook al hun intrede (zo'n 35 foto's). In de kerk werd absoluut nog niet gefotografeerd en ook op de bruiloft werden bijna nooit foto's genomen.
De dag verliep meestal als volgt: gemeentehuis, kerk, receptie, broodmaaltijd - waarbij soep (en soms kroketten) werd geserveerd met de directe familie en soms goede vrienden en buren, bruiloft. Het was nu gebruikelijk de bruiloft buitenshuis in de zaal van café de Unie of café Schoemaker te houden, waar na koffie met gebak, hapjes en drankjes werden rondgebracht. Er werd nog nauwelijks bier gedronken. Mannen namen borrels en vrouwen vrouwendrankjes. Voor de bruid was er 'bruidstranen' (walnoot, kaneel en zouthout getrokken in jenever). Meestal werd er muziek ingehuurd, al dan niet met piano of conferenciers, zoals bijvoorbeeid Boer Bart uit Meppel, Jans uit Vroomshoop of Kanis en Gunnink uit Kampen en tussendoor werden de bekende neutrale of christelijke liedjes gezongen, het ABC afgewerkt en stukjes opgevoerd. Rond 12 uur middernacht werd het feest afgerond door het rondbrengen van koffie met belegde broodjes. Een grote, gezellige bruiloft duurde ook wel tot ‘s nachts 3 uur.
Anderen vierden de trouwdag door vooraf bij de bruidegom aan huis een feest te geven en op de trouwdag zelf bij de bruid aan huis een feest te geven dat tot 12 uur ‘s nachts duurde. Nog weer anderen hielden ‘s avonds een receptie die rond 10 uur was afgelopen.



Op zaterdag trouwen was duur, maar afgunstige tongen beweerden: tenslotte was het misschien nog wel goedkoper dan een grote bruiloft op donderdag, want die bruiloft moest dan wel voor 12 uur ‘s nacht afgelopen zijn in verband met de zondagsrust. De trouwcadeaus waren uiterst prozaïsch en besloegen het hele scala van wat er in een huishouding nodig was, van matteklopper, afdruiprek, bouillonlepel, prullenbak, strijkplank, huishoudtrap, tot haardstoel, koekoeksklok, tafellaken, gebakstel en schemerlampen toe. Er werd nog bijna niet op huwelijksreis gegaan, en dan nog was dat een weekend Amsterdam, een vakantie in een pension in Apeldoorn en in Oosterbeek of een week naar Dwingeloo.
Slechts twee keer werd de bruid door haar kersverse bruidegom over de drempel van het echtelijk huis naar binnen gedragen. Er bij-in-trouwen, gaan wonen in een huurhuis of eigenhuis of boerderij kwam ongeveer evenveel voor.
En dan de kosten:
trouwringen ƒ 70,-, ƒ 100,-, ƒ 110,-, ƒ 300,-
trouwkaarten ƒ 12,-
trouwjurk ƒ 158,-, ƒ 250,-, ƒ 750,-
mantelpakje ƒ 140,-
trouwpak ƒ 160,-, ƒ 250,-, ƒ 300,-, ƒ 350,-
trouwfoto’s ƒ 50,—, ƒ 100,-, ƒ 160,-
bruidsboeket ƒ 25,-, ƒ 40,-, ƒ 45,-, ƒ 56,-, ƒ 75,-, ƒ 80,-
de bruiloft ƒ 600,-, ƒ 800,-, ƒ 1.006,47, ƒ 1160,-.

Wie betaalden dat allemaal? In vijf gevallen werd alles door het bruidspaar betaald, maar er waren ook ouders die alles betaalden, of, de bruiloft betaalden, of, een deel van de bruiloft betaalden, of, de trouwjurk, de bruiloft en een deel van de uitzet en de inrichting van de boerderij enz. betaalden, of, de bruiloft en een deel van de uitzet betaalden en een koe meegaven.

* * *

DE CIERELIJKE KRONE _________________________________________________________

In de 18e eeuw werden veel gelegenheidsgedichten op maatschappelijk vooraanstaande personen geschreven. Zo ontdekten wij in VORG-collectie van de Stads- en Athenaeum bibliotheek te Deventer nog een exemplaar van:

DE CIERLIJKE KRONE des aangenamen en
seer gewenschten
HUWELIJKS
uijt ene allersuijverste hoogachting en sielsvrindelijke
toegenegenheit
gevlochten en geset op de hoofden van den weledelen eer- en
deugdsamen heer den heere ANTONIJ ADOLPH PALTHE
als bruijdegom met de weledelel eer
en deugdlievende juffrou
mejuffrou
ALEIJDA JOHANNA PALTHE
als bruid staatplichtig in den h. echt verbonden
op den 16 van slachtmaand 1775.

Omdat het exemplaar niet mag worden uitgeleend of gekopieerd, hebben we de tekst integraal overgetypt. Wie belangstelling heeft voor dit 20 bladzijden tellende huwelijksgedicht, kan dat voor ƒ 5,- (excl. portokosten) bestellen bij de redactie van "Ni’jluusn van vrogger".









* * *

AFSCHEIDSLIED _________________________________________________________

(wijze: In naam van Oranje….)


Nu zijn wij gekomen aan ‘t eind van dit feest,
            De tijd van het scheiden is daar.
Wij groeten nu allen die hier zijn geweest,
            Deez' avond: hij vloog om zowaar!
En vieren wij weder een feest als dit keer,
            Wij hopen dan allen te komen hier weer!
Ter eer van de Bruigom, ter eer van de Bruid!
            Een driewerf "Hoera!" tot besluit!!!

Wij danken het Bruidspaar, vooral voor de vreugd
            In de uren van heden gemaakt!
Wij hebben ons voegzaam en heerlijk verheugd
            En aardig veel schik hier gemaakt!
Wij vragen hen: "Geef ons zo'n feest nog eens weer!"
            En zingen voor hen dan nog menige keer:
Hoera! voor de Bruigom, Hoera! voor de Bruid!
            Een driewerf "Hoera!" tot besluit!!!

Wij wensen U nog menig vreugdevol jaar,
            Gezondheid, en voorspoed, geluk!
Hun huwelijkshemel b|ijv' zonnig en klaar,
            Gespaard steeds voor zorgen en druk!
En wij wensen beiden de toekomst zeer schoon,
            En zij hen gegeven een Goudenen Kroon!
Nu gasten, nog éénmaal, roept allen zeer luid:
            Hoera! Voor de Bruigom en Bruid!




Verantwoording illustraties:

familie G. Beltman: blz. 83 linksboven, blz. 99, blz. 106
familie J.T. Huzen: blz. 103
familie J. Kappert: blz. 83 rechtsboven
familie J. Katoele: blz. 86
familie A. Kreule: omslagfoto, blz. 88, blz. 109, blz. 110, blz. 112
familie D. Mulder: blz. 90
familie H. Runhart: blz. 78
familie J. Zondervan: blz. 83 onder, blz. 102
Museum Palthehof blz. 79, blz. 89, blz. 94





Jaargang 18 nummer 1 maart 2000

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

In het seizoen 2000 organiseert museum "Palthehof" een tentoonstelling rond het thema geboorte onder de titel ”Met blijdschap geven wij kennis..."

* * *

DE KALENDER UIT VROEGER DAGEN _________________________________________________________

L. Blauw, bewerking
(overgenomen uit “De ScharreIaar”nr. 129, juli 1999)

Uren, dagen, maanden, jaren, vliegen als een schaduw heen..
In vroeger jaren werden de maanden van het jaar vaak aangegeven door toepasselijke bijnamen, zoals lentemaand, bloeimaand enz. In sommige almanakken worden ze nog gebruikt. Een oude kalender uit het jaar 1542 verhaalt daarover het volgende (vertaald uit het Oudnederlands).

Louwmaand
In deze eerste maand van ‘t jaar,
is baden en wassen groot gevaar.
Kom, doe als de oude wijzen:
Verwarm je met veel drank en spijzen.

Sprokkelmaand
Ge kunt nu kruien gaan de mest,
vernieuw de bekken en de rest.
Want binnenblijvers gaan nu hoesten
En hun gewrichten gaan verroesten.

Lentemaand
Jaag wintervocht uit huis en lijf,
Uit schuur, uit slaap- en woonverblijf.
Ga snoeien struiken en de bomen,
Opdat nieuw leven gauw kan komen.

Grasmaand
Als ’t voorjaar kriebelt in het bloed,
Besteed de tijd dan wijs en goed.
Ga karnen en verzorg de dieren,
Een middagslaapje kan plezieren.

Bloeimaand
Met een schone dame aan je zij,
Stroomt wild en snel het bloed in mei.
Je moet wel volgens oude boeken,
Voor rust een heel stil plekje zoeken.

Zomermaand
Zij zijn nu heel de dag in touw,
De boer, de meid, de knecht, de vrouw.
Wie vrucht van het juni werk wil plukken,
Mag niet de dag verdoen met tukken.

Hooimaand
Hup, flink de zeis in ‘t rond gezwaaid,
Het hoge gras moet nu gemaaid.
Benut de tijd, want de donderbuien,
Zij overvallen graag de luien.

Oogstmaand
Het rijpe volle koren toont,
Dat zwoegen, werken wordt beloond.
Toch moogt gij zeker niet vergeten,
Dat hij die werkt ook goed moet eten.

Herfstmaand
De dagen korten, maar je mag
Nog niet gaan rusten overdag.
Nog een keer ploegen, eggen, zaaien,
Voordat de winterwind gaat waaien.

Wijnmaand
Nog is de wijn niet in de man,
Ze is zelfs nog niet in de kan.
Dus vul de tobben tot de kragen,
Om straks de zorgen weg te jagen.

Slachtmaand
Spek nu de beurs en ga op ‘t pad,
Verkoop je varkens in de stad.
Door hout te hakken weert de vrouwe,
Straks uit je huis de winterkouwe.

Wintermaand
Slacht voor jezelf een zwijn, mijn vriend
En rust nu uit, ge hebt ‘t verdiend.
Houd warm het lijf en Iaatje raden,
Bij kou niet wassen en niet baden.

* * *

AAN BRUIDEGOM EN BRUID _________________________________________________________

Hilligje Alteveer

Hieronder volgt een gelukwens die een bruidspaar van een vriendin kreeg aangeboden. Deze wens kon wegens plaatsgebrek helaas niet in het vorige kwartaalblad over trouwen worden opgenomen. Vanwege het unieke ervan willen wij hem u niet onthouden.


Ontvang thans Bruidegom en Bruid
Een Wensch van uw vriendin
En schoon hij ook niet veel beduidt
Toch wordt hij blij van zin
Opregt van harte en welgemeend
En zonder praal of pracht
Aan U die ’t huwelijk thans vereend
In eenvoud toegebracht
Smaak al de vreugde en al het zoet
Der huwelijken staat
Opdat gij nimmer treuren moet
Waarheen uw pad ook gaat
Maar dat gij opgeruimd en blij
Tevreden in uw stand
Moogt dankbaar roemen te allen tij
Den zaalge huwelijksband
Reist lang zo vrolijk samen voort
Door liefde saamgesnoerd
Dat zij u leide als ‘t behoort
En u langs bloemen voert
Zoo wierd gij wis gelukkig paar
Door ramp noch leed bevreest
Nog eens na Vijf en twintig jaar
Uw Zilver Bruiloftsfeest
Maar wat zal al dat heil, die vreugd
Indien God daarbij niet
U met zijn zegen staag verheugd
En hulp en bijstand biedt
Daarom zoo smeek ik van de Heer
Dale op uw huwelijksbaan
Zijn Vaderzegen ruimschoots neer
Tot ’t eind uws levensbaan
Maar dan op Hem ook steeds uw oog
Gericht, vol Christenzin
Zoo snelt gij, wat U treffen moog
Vol moed de toekomst in
Ziedaar wat U mijn hart verheugd
Als een vriendin thans biedt
Leef lang en blij, maar bij de vreugd
Vergeet den hemel niet

Dit is de wens
van uw vriendin
Hilligje Alteveer

Nieuwleusen, Dec. 1925

* * *

ONDER DE ZUUTAPPELBOOM _________________________________________________________

G. Kreule-Kok

lk was bijnao viefjaortoen op 10 mei 1940 de oorlog uutbrak.
Wat ik mi'j veural herinnere uit de oorlogstied is angst. Ik was bange veur de vliegtuugen, veur de razzia‘s, veur de Duutsers, veur as mien va en moe niet in de buurte waren. lk bin bli'j veur de kiender van now die det niet metmaken. Toch was 't niet alleent angst, ie leefden veural intens.
Mien va was ien dienst egaone ien september 1939. Toen de oorlog uutbrak mos hi'j vanuut Megen an de Maas met peerd en waagns naor de Grebbeberg um daor te vechten tegen de Duutsers. Hi'j zat bi'j de cavalerie, zo nuum'm ze 't peerdevolk. Zi‘j hebt mar een paar dagen evuchten (vief daagn hef de oorlog eduurd) en toen kwaam alle mannen, die ‘t overléfd hadden, weer naorhuus.


Een naoorlogse foto van de boerderij op de Meele. De zuutappelboom stond voor de schuur rechts op de foto. Foto G. Kreule-Kok

Mien va wol de peerden niet zoma ien de steek laoten, mar det wus mien moe nie. Mien moe gunk elke dag onder de zuutappelboom staon um te kieken of e d'r nog niet ankwam. Vanof die plekke kon ze de bushalte zien.
Wi'j wonen an de Meeleweg en vandaor uut kon ie 't station zien an de Dedemsvaort. Toen was daor nog een station veur bussen, treinen en trams.
lk trok mien moe altied an de rok as ze weer onder de boom stund. lk wol det ze weer mee naor binnen gunk. lk missen mien va niet zo. Hi'j was al zo lange weg en wi'j mochten ‘s nachts bi'j mien moe slaopen.
Det ‘t naar veur mien moe was had ik toen niet deur. De postbode wus ‘t wel en dacht een goeie daod te doen deur een brief te brengen van mien va. Wat hi'j nietwus, was det mien va de brief al eschreven had veur det de oorlog begun. Mien moe mos bliem'm wachten.
Pas nao veertien dagen kwaamp mien va tuus. Hi'j kwaamp uuteindeluk van een heel aandere kaante as det mien moe dach.

* * *

GEBOORTE 1940-1945 _________________________________________________________

Klazien Bijker

in 'n oekien op de geute
daor stiet een blaanke busse
met angezoerde mellek.
De mellek is blaank
en de pulse is raank.
En de mellek is zwanger van botter.

Zi'j nemp met starke arrems,
gebroend en welgespierd,
de pulse en de busse.
En gien ménse mag 't zien,
want et giet clandestien,
die kletsende klotsende klusse.

In ‘t oekien op de geute
klinkt plots een dofgeluud.
Het is muziek veur de oren,
want "de botter is groot".
En met haanden zo rood
vangt ze ‘t kiend det zo gaaf wurdt geboren.

In ‘t blaank emaille schaaitien
lig ‘t poppien det romig en geêl is,
in transparante pareities.
Nog een flistertien zolt,
en met ‘t sliefien van holt
wurdt 't ewassen tut as ‘t van fluweel is.

* * *

EGGS EN CHOCLAT _________________________________________________________

G. Kreule-Kok

In april 1945 begun de bevrijding, mar veur det wi'j echt vri'j waren!
Toen de eerste Canadezen kwamen, dachten ze det de boerderi'jen an ‘t Westeinde vol zaten met Duutsers, dus scheuten ze die in braand. Daordeur is ‘t huus van mien ome en tante ofebraand.


De boerderij van Westerman aan het Westeinde was een van de boerderijen die door de Canadezen in brand werd geschoten. Foto fam. Westerman

’s Maondags wol mien va ze tegemoet gaon. Mien moe leek ‘t niks, mar mien va was niet te haolen. Hi'j mos en hi'j zol.
Bi'j de Jachtlusterallee stunden de Canadezen met heur pantserwagens, mar deur de toeloop van mensen konden ze niet zien wie of wie was. Ze dachten det het groepie volk waor mien va bi'j was Duutsers waren en begunnen op heur te schieten. Ok op een buurmeisien Wat er bi'j was. Zi'j wören eraakt ien de rugge. Mien va scheuten ze de fietsebaand lek. Samen bint ze naor een boerderiegie ien de buurt kreupen. ‘t Buurmeisien kon niet naor ‘t ziekenhuus ien Zwolle, want daor waren ze nog niet bevri'jd. Ze is toen naor ‘t Oogevene bracht.
Ien de aovend trökken de Canadezen zich terugge, mar de volgende dag, diensdag, kwamen ze dan toch echt.
Viefhonderdenvieftig tanks daverden aover de Meeleweg. Die was helemaole an flarden daornao. De Canadezen op de tanks gaven oes "choclat" as zi'j van oens "eggs" kregen. Wi‘j zult ok wel sigaretten ehad hebben, mar daor had ik gien belangstelling veur. En die viefhonderdvieftig tanks heb ik niet eteld heur, det hebt ze mi'j later verteld.

* * *

WAT V00R MOEDER EN KIND lN HUIS MOET ZIJN _________________________________________________________

Uit een folder van "Het Groene Kruis

LUIERMANDJE
1 flesje slaolie (b.v. 100 gr.).
1 stukje sterk veterband 1½c.m. breed (niet smaller).
1 stukje sunlightzeep (op schoteltje of in open bakje).
1 stukje overvette grondzeep (op schoteltje of in open bakje).
1 strooibusje met gewone talkpoeder.
1 haarborsteltje (niet te zacht).
1 nagelschaartje.
12 veiligheidsspelden roestvrij no. 2 en no. O (24).
6 navelbandjes 6 a 8 cm. breed, 55 cm. lang (10),
(van tetra, tricot-windsel, of interlock).
4 gebreide katoenen onderhemdjes (6) of 8 interlock (10).
4 hemdjes van tetra of reformstof(6) of 8 interlock (10).
18 luiers, 80 cm. in het vierkant (36).
4 flanellen luiers (6).
4 truitjes (8).
2 maskertjes (in schone zakdoek).

LEDIKANTJE OF WIEGJE
met stevig doorgestikt matras en plat kussentje van alpengras, kurk of gewassen zeegras, een flink stuk vliegengaas.

2 geschoren wollen dekentjes.
4 lakentjes(6)
4 sloopjes (6)
1 zeiltje (2)
9 onderleggers (uit moltondeken) (12)
6 kleine vierkante doekjes als spuwdoekjes.
1 kruik met zak
Indien men inplaats van een wieg een Baby-mat wil gebruiken, dient men eerst de mat en daarna het uitzetje aan te schaffen.

BADJE (zinken teil)
voor het dagelijks badje.
kleine kom.
Opgevouwen molton deken of plat stevig doorgestikt matrasje met zeiltje om het kind er op te helpen.
2 washandjes voor de moeder (4).
2 washandjes voor het kind (4).
2 witte handdoeken (4).
2 badhanddoeken (4).

VOOR DE MOEDER
minstens 3 stel lijfgoed, daarbij liefst korte jakjes, inplaats van nachtponnen.
2 borstjakjes (3)
3 sluitlakens (4) (135 x 35/40 cm.; n.l. 2 el van 70/80 cm. breed, b.v. van keper of ongebleekt katoen).
12 doeken niet dubbel genaaid(18) (voor het gebruik uitkoken en strijken en in schone doek opbergen).
1 extra molton deken (2), of kraam-matras (niet van kranten).
1 doos zig-zag watten (2)
1 doosje hydrophil-gaas 16 x 16.
1 kruik voor de moeder.

Voor de verzorging van de moeder en voor de bevalling is verder nog nodig: 2 flinke waskommen, 1 bedzeil en een ondersteek, een keteltje, 2 schone emmers.
Sommige dezer artikelen worden ook in bruikleen gegeven door Verenigingen als "Het Groene Kruis" en "Het Wit-gele Kruis"

De voorste cijfers geven aan wat er minstens moet zijn, de achterste wat wenselijk is.
Al het lijfgoed voor moeder en kind moet gewassen zijn vóór het gebruikt moet worden - ook wol en flanel.
Was dagelijks Uw borsten met koud water en zeep en droog ze stevig af met een schone ruwe doek.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Christelijke Lagere School Den Hulst omstreeks 1955. Foto ZG14



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  

Meester De Jong
Martin van Agteren Henk Kappert
Tijmen Visscher
Herman Sandink
Koop Doren
Peter van Zomeren
Albert Visscher
Sandy Edeling
Klaas Sandink
Lefert Visscher
Meester Freek Meijer
Alie Bovenhuis
Adrie van Blanken
Jennie van Veen
Hennie Paasman

17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  

Hennie Luten
Ria Tempelman
Elly Bakker
Diny Bovenhoff
Siny Lammertsen
Diny van de Vegt
Geesje Stegeman
Jan Visscher
Gerard Brinkman
Henk Vos
Henk Wobben
Gerrit van der Veen
Johan Stolte
Bert Breman
Jannes Vonder
Spanky Edeling (Roy)

33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
 

Roelof Kleen Scholten
Freek Jonkers
Jan Vos
Henk Gerrits
Johan de Graaf
Eelco Versluys
Wim Bril
André Boers
Klaas Prins
Jan van Dorsten
Wim Gerrits
Ben Lammertsen
Jan Witten
Henk Stroeve
Klaas Visscher

* * *

HERINNERINGEN VAN EEN SGHOOLMEESTER II _________________________________________________________

A. Visser

Een keer per maand gingen mijn collega Anne Bootsma en ik voor een weekeinde met de trein naar ons ouderlijk huis in Friesland en kwamen dan op maandagmorgen terug. Sinds december 1945 kon er weer tot Zwolle worden gereisd, voor die tijd was het traject Meppel - Zwolle niet berijdbaar omdat de bruggen over de Dedemsvaart en de Vecht nog niet weer waren hersteld van de oorlogsschade. Zaterdags moesten we dan eerst naar Zwolle, om vandaar met de trein richting Leeuwarden te reizen en op maandagmorgen kochten we ook een kaartje tot Zwolle, maar echt niet met de bedoeling ook zo verte gaan....
Omdat de brug over de Dedemsvaart nog maar provisorisch was gerepareerd, reed de trein daar heel langzaam. De zware locomotief moest daar “stapvoets” overheen rijden en die situatie was voor ons erg gunstig, want dan konden we daar uit de rijdende trein springen. Hoe dat moest hadden we in de oorlogsjaren geleerd, toen moesten we per trein naar de kweekschool voor onderwijzers in Leeuwarden. Op het station van Leeuwarden hielden de Duitse soldaten heel dikwijls een razzia - een jacht op jonge mensen, die werden opgepakt om in Duitsland tewerkgesteld te worden. De machinisten van de naar Leeuwarden rijdende treinen werden dan gewaarschuwd, al ver voor ze bij de stad waren, en brachten dan de trein bij een seinpaal bijna tot stilstand. Dit was voor ons het teken en het moment dat we uit de trein moesten springen. We hadden dus in de jaren '43 en '44 enige ervaring opgedaan. We wisten hoe we van de treeplank moesten springen: met het gezicht naar de locomotief, een voet naar voren en lopen zodra je de grond onder je voeten voelde! Niet met beide benen op de grond terecht komen, want dan viel je als een blok.
Voor ons was het dus heel gunstig dat de trein bij de Dedemsvaart stapvoets moest rijden, want dan konden we daar uit de rijdende trein springen en vandaar dan naar Den Hulst lopen, waar de school om negen uur begon.
We stonden dan al een poosje buiten de coupé op de lange treeplank naast de wagon en als dan de locomotief heel langzaam over de brug reed, sprongen we in het grind dat langs de spoorbaan lag.


Een foto van de in de oorlog verwoeste spoorbrug over de Dedemsvaart.

Zo gebeurde het ook weer op een maandagmorgen. Het zal ongeveer acht uur geweest zijn. We naderden station Dedemsvaart, de trein minderde snelheid en wij maakten ons gereed voorde sprong, maar hoogstwaarschijnlijk hebben we iets te lang gewacht met het springen. De locomotief was de brug reeds gepasseerd en trok juist weer op, toen wij de sprong waagden. We kregen een behoorlijke ruk mee en het was moeilijk om goed terecht te komen en op de been te blijven tussen de spoorbielzen en het grove grind langs de spoorbaan. Onze bagage hadden we al laten vallen voordat we sprongen. Het ging mis deze keer! Anne had juist in het weekend van zijn moeder een nieuwe broek gekregen - broeken waren toen alleen maar te koop als je naast het geld ook nog voldoende textielbonnen kon inleveren - en op kleding moest je dus heel zuinig zijn, vooral als die nog nieuw was....
Helaas, in de broek gaapte op kniehoogte een groot gat.. en met dat gat in de broek - en een paar zere knieën - moesten we nog naar Den Hulst lopen, waar om negen uur de school begon!

* * *

KORFBAL IN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Met dank aan Henk Schoemaker

Nu USV uitbundig haar 70-jarig jubileum viert, komt bij een aantal ouderen ook weer een vergeten stukje sportgeschiedenis van Nieuwleusen naar boven borrelen en haalden reünisten ook weer herinneringen op aan de tijd dat zij als 'zusje' van die vereniging meededen aan de korfbalcompetitie. Hoe dat kan? Al enige tijd hebben we een artikel over de geschiedenis van de korfbal in Nieuwleusen in portefeuille, maar de naam van de schrijver is niet meer bekend. Omdat het zo mooi aansluit op het jubileum plaatsen we het nu toch maar, in de hoop de auteursnaam - en wie weet nog meer herinneringen - alsnog in een volgend nummer te kunnen opnemen.

Voordat d'Ommerdieck werd opgericht, zijn er hier maar liefst drie korfbaIverenigingen geweest. In 1933 werd hier reeds in competitieverband gekorfbald.
Korfbal is 'uitgevonden' in het jaar 1902. In 1903 werd de Nederlandse Korfbalbond opgericht, en in de jaren 1909, respectievelijk 1914 werden de Drentse Korfbalbond en de Overijsselse Korfbalbond opgericht. In de jaren 30 werd in Overijssel, net zoals nu, gespeeld in Enschede, Almelo en Hengelo aan de ene kant van de provincie en in Zwolle en Kampen aan de andere kant. Maar ook hier in de buurt werden er clubs opgericht en er was zelfs in Ommen een zogenaamd korfbal bolwerk.
Dat er in die tijd hier al gekorfbald werd, wekt nu wel enige verwondering, maar kan wel verklaard worden. Korfbal is een sport die voornamelijk door onderwijzers werd uitgedragen. Een belangrijk punt was: de volledige gelijkstelling tussen man en vrouw. Twee dames en twee heren moeten in een vak samenspelen, waarbij iedereen dezelfde mogelijkheden heeft. Bovendien mag een heer een dame niet hinderen en omgekeerd. Dat betekent dat een heer zijn fysiek- en een dame haar lieftallig overwicht niet kan uitbuiten. Het samenspelen van dames en heren in een sport had ook tot gevolg, dat in een klein dorp, waar maar plaats was voor weinig sporten, nogal eens voor korfbal werd gekozen. Vooral in Friesland is dit nog te zien. Daar komen clubs die vrij hoog spelen, vaak uit van die kleine plaatsen, die je bij de aardrijkskundeles op school altijd mocht overslaan. Uiteraard was de invloed van onderwijzers in kleine dorpsgemeenschappen vrij groot, en door hun bevlogenheid zijn er veel korfbalclubs ontstaan. Een ander punt dat pleit voor korfbal, is dat het, in tegenstelling tot bijvoorbeeld voetbal, geen ruwe sport is. Bij korfbal is het op de man spelen om de bal te bemachtigen niet toegestaan, terwijl dit bij voetbal juist een van de charmes van het spel is. Er wordt bij korfbal natuurlijk ook wel eens wat uitgehaald, maar er wordt strenger tegen opgetreden. Na deze inleiding de geschiedenis van de korfbal in Nieuwleusen.

UNION
In 1933 speelde UNION voor het eerst in de competitie mee, en dat was al wat bijzonders gezien de ontboezeming van de consul van de Vechtstreek: "De Vechtstreekclubs wenschen vrij te blijven; gedogen geen ‘dictator’ in de vorm van een competitieleider, die naar haar mening meedoogenloos wreed is in het opleggen van boeten enz.“
UNION was een zusje van de voetbalvereniging en werd ook wel USVK(orfbal) genoemd. De Korfbalbond verzocht de club om de naam UNION aan te houden want daar had men al vroeg een hekel aan afkortingen. In 1935 bedankte UNION als lid van de Bond en ging men waarschijnlijk in z‘n eentje verder. De reden hiervoor was misschien dat men de hoge bondscontributie niet wilde of kon betalen bij gebrek aan eigen inkomsten. En dat was in die dagen, vlak voor de oorlog, zeer zeker een mogelijkheid. De eerder genoemde consul verzucht dan ook in 1938: "De Vechtstreek is een waar korfbalclubs-kerkhof, want er zijn er reeds veel gesneuveld."


namenlijst
Korfbalclub USV in Arnhem op 2 april 1934 (paasmaandag).

Maar in 1940 leefde USVK nog, gezien er in een contract met de gemeente over de accommodatie wordt gesproken over voetbal, korfbal en atletiek. Gespeeld werd er in die tijd op een gemeenteveld achter school C in Den Hulst, waar het bedrijf van Hulsink(nu BAM Infra) is gevestigd.
Als afsluiting van dit eerste bedrijf nog een passage uit het jaarverslag van de Bond, dat zo weer opgenomen kan worden:
"Het dient hier gezegd te worden, dat een groot gedeelte van het Scheidsrechtercorps van het standpunt uitgaat 'als ik niets anders te doen heb, dan kan ik ook wel eens een korfbalwedstrijd fluiten', met het fatale gevolg, dat ik (de competitieleider) meerdere malen de avond voor de wedstrijd nog hals over kop de deur uit moet om te trachten een andere arbiter te vinden, met het gevolg dat ik veelal steeds bij denzelfden terecht kwam. Dat er tenslotte enkelen waren, die ons nooit verlegen lieten noopt mij deze H.H. een extra woord van dank te brengen." Wat verandert er eigenlijk in al die jaren?

SPORTLUST
De tweede vereniging werd opgericht op 19 april 1953. De leden speelden in Nieuwleusen op diverse velden: waar nu de brandweergarage staat, in de Nijboerstraat en zelfs in het Palthebos.


namenlijst
Korfbalvereniging "Sportlust" ca. 1956. Boven vlnr: Fokke Vleer, Bert Beekman, Roel Boesenkool, Jan Tinus Katoele, Gezienus Nijlant en Harry Mulder. Voor vlnr: Gerrie Borger, Bettie van Spijker, Gerrie Boesenkool, Hendriek Sterken, Titia Frederiks en Rita Frederiks.

In 1957 werd het nieuwe sportveld aan de Paltheweg in gebruik genomen, waar naast het voetbalveld een korfbalveld was aangelegd. Nu is dat veldje in gebruik als oefenstrook van de voetbalvereniging. Door concurrentie van andere sporten kreeg de club het zwaar te verduren. Het werd steeds moeilijker een team bij elkaar te krijgen. Na het behalen van een kampioenschap in 1961 hield men het voor gezien. In die tijd moesten er verre reizen worden gemaakt, zoals richting Emmeloord, Marknesse, Creil en Bant en dat ging dan allemaal met de bus; een belangrijke onkostenpost voor een kleine sportclub.

SHELL
De derde vereniging heette voluit ‘Sport Houdt Elk Lichaam Lenig' (welke club zou nu zo'n naam nog durven dragen?) en werd opgericht op 13 juni 1955. Ook deze club uit Den Hulst speelde op de velden van de voetbalvereniging USV. Aangezien zij op zondag speelde, was zij aangesloten bij de Drentse Korfbalbond, want in Overijssel werd in deze buurt alleen op zaterdag gespeeld. Er werd in de competitie meegespeeld in de jaren '59 tot en met '62. In de eerste jaren kampte men met een damesoverschot, zodat ook het bestuur op één heer na uit dames bestond, maar uiteindelijk ging de club ten onder aan een damestekort en bleven er vier heren over. Een andere oorzaak was dat een jaar daarvoor de oprichter verhuisde; hij was een drijvende kracht achter de club.

d‘OMMERDlECK
En toen was het rustig tot 1978, het jaar waarin d'Ommerdieck zich als nieuweling presenteerde. De man in de straat gaf ons weinig kans, maar we kunnen nu constateren dat die goede man ook niet altijd gelijk heeft. Een belangrijke oorzaak is het feit, dat ook kinderen tegenwoordig sport bedrijven in verenigingsverband, nu vervoersproblemen bij uitwedstrijden niet meer zo groot zijn. En die jeugd zorgt voor continuïteit in een vereniging. Op 25 mei 1978 werd d'Ommerdieck opgericht op initiatief van het Koninklijk Nederlands Korfbal Verbond - afdeling Overijssel. Een tiental leden van de nieuw opgerichte club in Nieuwleusen speelde al jaren competitie bij SVD in Dalfsen. Na een moeizaam begin - geen veld en geen materiaal - werd door de wethouder van Sportzaken toestemming verleend om een veldje aan het Zandspeur te gebruiken. De ballen kwamen van SVD en de palen en de manden werden van de gemeente geleend. In goed overleg met de beide voetbalverenigingen - die in de beginfase steeds hielpen - kon aan de Paltheweg getraind en gespeeld worden. Maar het korfbalveld aldaar was te klein geworden en daarom werden de wedstrijden op het hoofdveld van USV gespeeld. Dit ging goed tot op een zondagmorgen een gemeente-ambtenaar ontdekte dat er, wat hij niet wist, op zaterdag op dat veld was gekorfbald. De korfbalpalen hadden rond beide 16 meterlijnen gestaan en daar omheen pleegt het bij korfbal nog wel eens druk te zijn en zo was de grond er een beetje vertrapt. Sindsdien is korfbal op de voetbalvelden in Nieuwleusen niet meer toegestaan.....

En dit meldde de Zwolsche Courant in 1992
ER WAS EENS… EEN KORFBALVERENIGING

NIEUWLEUSEN. Velen zullen het niet meer weten, oud leden zullen de weinigen zijn die weten dat er in 1953 een korfbalvereniging was in Nieuwleusen. Deze vereniging droeg de passende naam 'Sportlust'. Deze korfbalvereniging bestond tot 1963. In de tussenliggende periode was zij zeer actief. Voor toernooien reisde men vaak af naar de polder, naar Kraggenburg en Ens, en ook naar Zwolle, om daar geduchte tegenstanders te ontmoeten. Even een blik in het financiële gedeelte ter vergelijking; contributie bedroeg toen 25 cent en een medische sportkeuring ƒ 5,-. Vanaf 1961 ontving men van de gemeente een subsidie van ƒ 184,-. Trainingsvelden zoals nu, waren niet aanwezig, trainen deed men toen op het weiland achter het gebouw van de landbouwvereniging (nu Welkoop) of men vroeg aan een boer of men in een weiland mocht trainen. Veel later kwam er een trainingsveld achter het huidige voetbalveld aan de Paltheweg. Dertig leden telde de vereniging, meest senioren, en dat waren niet allemaal even fanatieke spelers. Zo konden er toen ook nog wel eens problemen ontstaan bij het samenstellen van een voltallig team. Om aan de benodigde gelden te komen werden er feestavonden gehouden met verlotingen e.d. Ooit is het de vereniging gelukt om na het houden van een feestavond, nog ƒ 400,- over te houden. De vereniging bestond 10 jaar. Door de komst van het zaterdagvoetbal ging ze verloren. De jongens gingen liever voetballen.
Deze korfbalvereniging had al die jaren een spaarbankboekje. Bij het ter ziele gaan van de korfbalvereniging stond daarop een bedrag van ƒ 400,-. Oud bestuursleden van de vereniging, de heren Vleer en Hoekstra, vonden dat daarvoor nu in 1992 een bestemming moest komen. inmiddels was het bedrag door bijschrijvingen van de rente opgelopen naar ƒ 1.000,--. Dinsdagavond 23 juni werd dit bedrag verdeeld onder de Korfbalvereniging van nu en de Volleybalvereniging. Beide clubs mochten een bedrag van ƒ 500,- in ontvangst nemen. De heer Vleer zou graag zien dat het bedrag besteed wordt aan de jeugdleden van de beide verenigingen. De verenigingen waren blij met deze gift. De Volleybalvereniging zal dit goed besteden in haar jeugdplan en ook de Korfbalvereniging heeft een aantal attributen nodig voor haar jeugd. Beide verenigingen konden blij zijn dat dit spaarbankboekje 30 jaar in de kast is blijven liggen. Nu kregen ze een bedrag waar daadwerkelijk iets mee gedaan kan en zal worden.

* * *

VROGGER _________________________________________________________

"Zeeuwinnegien"

Vrogger, oe.... was 't vrogger?
Des al zo lang eleen.
Des now veurbi‘j, wi'j wilt op de weegn
van vandage treen.

Ja, zo koj denken, ie lusteren wel
mar ien oor a'j bi'j vandage.
Al die verhaaln van vrogger
ach daorzaaj nie mee in de maage.

Toch drunk van die verhalen
bej oe wel wat deur!
En dan ko'j laterdenken
waor ek det meereheurd?

Vrogger, ik worn older
was op bezuuk bi'j een olde man.
Hi'j preut en preut mar'k dache
Wat kek hi'j mi'j toch an!

Zo mar opiens toen zee hi'j zeg,
ie liekt op mien moe.
Natuurlijk wi'j dan weten
oe det kan en wat en hoe.

Ie koomt uut dezelfde familie
oen belangstelling is ewekt
en now wee‘j waor a‘j op liekt
det was nog nooit ontdekt.

’t Liekt wel of deur d'ontdekking
de belangstelling veur vrogger now groter was
en met alles wa‘j mar heuren
wa'j danig in oen sas.

Zo ko'j now zelf gaon vraogen
zeg waor woont die now dan wel?
En de name van oen gropmoe
vertel mi'j die ok snel.

Zo gong ie wieder, kwaam an ‘t zuuken
mar an d'iene kaante was een gat.
0k daor waren toch grootolders ewest
wie kan mi'j vertellen oe detzat?

Ok daor kwam ik achter
‘t hekke was van de dam.
Wat, hadden wi'j een familie
det ze daor nooit meer kwam?

Dan begun ie te beseffen
det er vrogger veul leed ef ewest.
Veule mossen een partner verliezen
heel jong al, det was niet best.

Zo zie ik onze grova as jongkeerl
naor zien meissie gaon.
Zi‘j waren nog jong ‘t beloom heel veule
mar ‘t was zo gauw edaon.

In die tied starm der zoveule an een ziekte
ja van mien va e'k et vake eheurd.
Dan mossen ze wieder een aander ontmoeten
en um eur partner now nie meer etreurd.

Zo kon't nie ween toch, mar zi'j preuten
over wat ewest was nie meer.
Ja 'k weet we| waorumme
zi'j kon ‘t nie, det deed zo gloepens zeer!

Zo kon't gebeuren daj gieniens wussen
det oen grova eerder was etrouwd.
Vast ef et um verdriet edaon
en ef hi'j in stilte erouwd!

Mar zelf be'j deur 'd olde deuze
elemaol ereurd.
En ie pluust wieder, oe zat dit of det?
en wanneer is det gebeurd?

Zo kom ie der achter de'j ok zelf
uut oen man zien familie komt.
Wel een aantal stappies terugge
dus ’t gef nie, ‘t is wel gezond.

Vrogger, o det gef nie,
det's al zo lang eleen!
'k Zal et nooit meer denken,
nee 'k wil dolgraag ien de voetsporen van mien                                                                                      veurolders treen.


Jaargang 18 nummer 2 juni 2000

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

Het passagiersschip M.S. "Johan van Oldenbarnevelt" deed ook dienst om de militairen naar Nederlands Indië te vervoeren.

* * *

28 DAGEN VAREN _________________________________________________________

J. Dijkman

Inleiding

In de jaren na de Tweede Wereldoorlog werden veel militairen naar Nederlands Indië, zoals dat toen heette, gezonden. Onder hen waren ook een aantal jongens uit Nieuwleusen. Zo als we op het herdenkingsmonument aan het Westeinde kunnen zien, zijn ze niet allemaal levend teruggekeerd.
In het kader van de tentoonstelling in museum Palthehof over W.O. II en de Indiëgangers kregen we een dagboek in bruikleen dat door een van de Nieuwleusenaren werd bijgehouden gedurende de reis met het passagiersschip "Johan van Oldenbarnevelt". Jan Dijkman vertelt daarin hoe hij de lange reis heeft beleefd. Hij behoorde tot het bureaupersoneel dat onderweg werkzaamheden moest uitvoeren.
Op het schip trof hij ook enkele andere Nieuwleusenaren. Hij bezat een fototoestel waarmee hij de foto's maakte die in het dagboek zijn opgenomen. Mevrouw Dijkman gaf ons toestemming om het dagboek te publiceren.

De bootreis naar de tropen met de "Johan van 0ldenbarnevelt". 8 Mei - 5 Juni '47.

De avond van de dag voor vertrek, Woensdag 7 Mei '47.

De Zwolsche Gemeenschap, sectie Militairen, had toegezegd deze avond de laatste groet te zullen brengen. En dat heeft ze op een goede, aangename manier gedaan. Ze kwam met een Zwolsch Mannenkoor, dat verdienstelijk heeft gezongen. Als aandenken kregen alle aanwezigen een Nieuw Testament en een rolletje Helder's biskwie. Tegen elf uur gingen we vergenoegd naar de krib.

Donderdag 8 Mei.
Om half vier worden we verschrikt wakker door het loeien van de sirene, het teken dat de dag van inscheping is aangebroken. "Gauw aankleden, wassen en dan je strozak en twee dekens inleveren bij de foerier," was het eerste bevel. Hierna was het eigenlijk staande eten want alles moest in ijltempo klaar zijn. Om half zes moesten we gezakt en gepakt aantreden, de grote plunjezak in een vrachtauto deponeren, die ze naar het station bracht, en werden we man voor man even geïnspecteerd. Om ongeveer zes uur vond de afmars naar het station plaats. Alhoewel met eigen gedachten bezig, waren de jongens toch opgewekt, want onder een vrolijk deuntje fluiten marcheerden we er vlug heen. Vlak bij het station stonden de plunjezakken al te wachten, waar we ze weer in ontvangst konden nemen. Voor we in de trein stapten kregen we nog een reep chocola en een doosje met tien Engelse sigaretten.
Vele handen worden ten afscheid gereikt, een opgewekt en waarschuwend woord gesproken door de vele familieleden, collega's, vrienden en bekenden, die naar Wezep zijn gekomen en we stappen in. Over de ene kant is het mooi als ze nog even komen, maar als je dan ziet hoeveel tranen er nog vloeien, nee dan ben ik toch blij, dat er maar geen naaste verwanten aanwezig zijn. Eenmaal is tenslotte ook genoeg. Het verandert er toch niet van.
Tegen zeven uur hebben allen plaats genomen en het fluitje weerklinkt, de locomotief begint te zuchten en de reis met of zonder avonturen neemt een aanvang. Om precies acht uur passeren we Amersfoort en om ongeveer tien voor negen waren we in Amsterdam, vlak bij de Sumatrakade, waar de "Johan van Oldenbarnevelt" lag gemeerd. Op bevel stapten allen uit, elkaar de plunjezak even op de nek helpen, en kwamen in een grote hal terecht waar iedereen een lekkere warme beker koffie en vier koeken kreeg. Na dat te hebben genuttigd kregen we een inschepingskaart en we konden aan boord gaan. Echter werd ons eerst nog een doosje "Cadiclub" sigaretten in de handen gestopt. Direct werden we naar het ruim gebracht waar we de gehele reis moesten slapen en eten, namelijk E4 bakboordzijde. In dit ruim kunnen ± 300 man slapen en eten. Je zit met 18 man aan een tafel. "Gezelligheid kent geen tijd.“‘ De bagage kon opgeborgen worden in rekken aan de zolder. Doordat alles goed verpakt was, was dit rap gebeurd, waarna we ons vrij over het schip konden begeven. Nou dat was eerst wat, je kon je ruim eerst haast niet weervinden. Een trap zus, een trap zo, die gang links, daar weer rechts en ga zo maar door. Doch ook daar wen je weer aan. Het is me een bouwwerk hoor. Het schip meet eventjes 19482 ton, dat is nogal wat. De snelheid die ze kan ontwikkelen is 22 knopen, een knoop is 1860 m., dus wordt het bijna 41 km per uur. Ze vaart echter ± 15-18 knopen per uur, wat natuurlijk nogal wisselt door tegenwind of de wind achter en door golfstromingen.
Tegen twaalf uur werd er gelegenheid gegeven om het eten, dat we zelf mee hadden moeten nemen, naar binnen te werken. Na de maaltijd direct maar weer op onderzoek uit en laat ik daar een vriend uit Teuge tegenkomen, namelijk Jan Westland uit Huizen (N.H.) Van hem hoorde ik dat er bij zijn afdeling een jongen uit Den Hulst was, de naam wist hij niet meer. Later bleek dat het Feddie Huisman was.


Het muziekkorps van de 2e Divisie op de kade.

Onderwijl is het muziekkorps van de 2e Divisie aangekomen dat opgewekte muziek naar voren brengt. Geregeld komen er nieuwe afdelingen aan boord, en met hen groeit het aantal familieleden en dergelijke op de kade.
Tegen vijf uur komt er een afdeling A.A.T. aan boord en laat Klaas Bonen daar nu ook bij zijn! Nou toen was ie helemaal goed, later op den avond ontdek ik B. Schuurman ook nog. Mooier kon het niet.
Tegen tien voor zes komt er plotseling een sleepboot van de rederij "Goedkoop" en deze wordt aan de "Johan" verbonden, de kabels aan de kade worden losgemaakt, de sirene loeit, het muziekkorps zet het Wilhelmus in en de schuit zet zich in beweging, omringd door tientallen bootjes met familieleden en dergelijke die de gehele middag om de boot zwierven, nagewuifd door een grote massa op de kade. Dit ogenblik vergeet ik nooit meer. Iedere boot die we passeerden, en dat waren er vele, liet de stoomfluit wel 30 tellen loeien. Overal waar we langs kwamen stonden mensen langs de kanten en maar wuiven. Hier en daar langs het Noordzeekanaal stonden ook groepjes mensen op verscheidene plaatsen. Op de weg langs het kanaal begeleiden ons een regel auto's met allemaal mensen en mensen er op.


Familieleden op de kade staan te wachten op het vertrek van “de jongens“.

Tegen negen uur kwamen we in IJmuiden aan, waar we moesten blijven liggen om te wachten op veranderend getij. Wat liepen daar ook even een massa mensen samen, nog meer dan in Amsterdam. Om half tien moesten we aantreden voor de sloepenrol. Een ieder krijgt een zwemvest om en gaat dan naar een voor hem vastgestelde sloep en wordt daar ordelijk opgesteld. Zoiets krijgen we drie tot vijf keer. In geval van nood weet je dan hoe je handelen moet.
Om ongeveer tien uur konden we naar de hangmatten verhuizen. Dat is me eerst ook een gewaarwording hoor. Je moet knap oppassen anders lig je er net zo gauw weer uit als je er instapt. Maar ik kan er toch best in slapen, het is vrij wat beter dan op de grond, wat misschien ook wel kwam door de ongewone drukte van de reis. lk was gauw in droomland verzeild.

Vrijdag 9 Mei.
Om ongeveer half zeven werd ik wakker en m‘n eerste gang was naar de patrijspoort om te zien of er nog iets van Holland te zien was. Maar nee hoor, niks dan water rondom. Eerlijk gezegd kwam er toen een vreemd gevoel in me op. Nu bemerk je pas wat je moederland voorje betekent en wat daar bij hoort.


Vlnr. P. Oldeman (Ommen), Klaas Bonen en Jan de Bruin (Nieuwleusen).

Vele ogenblikken van lief en leed schieten in je gedachten. Dan begin je pas goed te beseffen wat het wil zeggen, voor wie weet hoe lang, gescheiden te zijn van alles wat je lief en dierbaar is. Doch er is maar één hoop waarop we kunnen bouwen, God, die alles regeert en het zal te dragen zijn, zij het wel eens onder moeilijke omstandigheden.
Om zeven uur was het eten. Nou dat was goed in orde hoor. Met vier man een 8 ons brood van de samenstelling als bij ons vlak na de bevrijding, tevens dubbel beleg en wat er allemaal bij hoort.
‘s Middags is het eten om twaalf uur en ‘s avonds zes uur.
‘s Middags meestal soep en aardappels en af en toe pudding, ‘s avonds weer brood met bijbehoren. Vele variaties worden toegepast en het wordt smakelijk klaargemaakt. Je krijgt echter ook wel dingen waar je vreemd tegen aan kijkt, maar alles went. Vis wordt er ook veel opgediend. Dan krijgen we nog om elf uur koffie, half vier thee met een krentenbolletje en ‘s avonds negen uur thee of limonade met een krentenbolletje. Om dat alles klaar te maken, daar is heel wat personeel voor nodig. Daar lopen effen 318 man bediening aan boord, die allemaal bij de boot behoren. Verder zijn er 2548 militairen aan boord. Zo'n boot moet nogal wat voorraad meenemen, om tot Port Said te komen. Daar neemt ze weer proviand in.
Zo af en toe passeren ons enkele kustvaarders. Tegen de middag passeerde ons het lichtschip "Goeree". Ongeveer vier uur kwamen er wazig weer kusten in zicht, tegen vijf uur zijn de krijtrotsen duidelijk waar te nemen; om deze tijd passeerden we Dover.
Aan de andere kant van het schip was de Franse kust flauw waar te nemen. De zee is tot nog toe geweldig rustig. De temperatuur is vrij constant, heerlijk om ‘s avonds aan het dek te zitten kletsen over al het voorgevallene. Om tien uur gaan we altijd naar beneden om weer aan "de zolder" te gaan, want half elf gaat het licht uit.

Zaterdag 10 Mei.
Als voorgaande dagen halfzeven weer present. Om acht uur deelt de gezagvoerder mede dat we om ongeveer elf uur de Golf van Biscaje in zullen varen. Daar ons steeds is ingeprent dat het daar raar kan spoken, vroegen we ons wel af: "Hoe loopt dat met de zeeziekte af", maar dat viel geweldig mee. De golfslag was wel wat sterker, maarde boot voer er rustig om door.
‘s Middags wordt overlegd om gezamenlijk, d.w.z. het gehele I-16 Reg. Veld Art., een telegram naar Holland te zenden via de radiozender die aan boord is. Och, de boot is van alle gemakken voorzien: schrijfzaal, rooksalon, bioscoopzaal, zwembassin, sportdek en dergelijke.
Net onder het middageten deelde de radio mede dat dwars voor ons langs twee kruisers voeren, die de Engelse koningsfamilie terug brachten van de reis naar Afrika. ‘s Avonds half acht werd de eerste dagsluiting gehouden in de bioscoopzaal onder leiding van Ds. Bakker uit Grave. Hij is een gereformeerd predikant maar spreekt zeer in het algemeen en trekt geen partij, wat trouwens ook niet moet, wil hij zoveel mogelijk jongens iets van het Evangelie voorhouden. Maar hij weet heel goed hoe hij staan moet. Gezamenlijk worden enkele psalmen of gezangen gezongen, een stukje uit de bijbel gelezen en de dominee houdt een korte predicatie en gebed.


Kerkdienst op het hoogste dek van de "JvO" door Ds. Bakker.

Zondag 11 Mei.
In verband met de grote drukte bij de waslokalen er om zes uur maar uit, hoe vroeger hoe gauwer klaar. Om half tien wordt een korte kerkdienst gehouden die een geweldige belangstelling genoot.
Ds. Bakker sprak vooral over hetgeen ons nu op de schouders was gelegd. Het was een boeiende en tevens opbeurende predicatie.
Vanmorgen tegen acht uur kwam de Spaanse kust in zicht, die we tegen elf uur vlak naderden. Een mooi gezicht, dat rotsachtige gebied zo steil uit de zee opkomend. Ook aan het scheepvaartverkeer kunnen we merken dat we weer dichter bij land zijn, want op een zeker ogenblik passeerden ons even vijf schepen. De zee is hier geweldig kalm. Een bewijs daarvan is dat wel minstens vijf km. van de kust, vlak bij de "Johan", twee roeibootjes ronddobberden zonder ook maar iets last van de golfslag te hebben.
De meest uitstekende punt van Spanje, kaap Finistère passeerden we om twaalf uur. De gehele middag door de kust steeds nabij. ‘s Avonds half acht werd er weer een korte kerkdienst gehouden die weer goed was bezocht. Alleen zo jammer dat het zo heet is in de bioscoopzaal, de dominee dacht er over om in het vervolg maar naar het sportdek te gaan.

Maandag 12 Mei.
Om ongeveer twaalf uur passeerden we Kaap Vincent, ‘s avonds omstreeks half acht ontdekten we de lichtende vuurtorens van Gibraltar. Tegen acht uur draait het schip de Straat van Gibraltar in. Links zien we lichtjes van Gibraltar en rechts van Tanger. Een mooi gezicht die steden, liggend in het gebergte, bij avond. Een hele rij lichtjes die langzaam oploopt. 't Is zo jammer dat we deze plaatsen bij avond passeren.
Vandaag was het voor de 2° keer Cadi uitreiken. Zaterdag j.l. kregen we 100 Engelse sigaretten en nu een ons snoep, een reep chocola en zeven tafelkoeken per persoon. Zoiets waren we in dienst niet gewend. De jongens zijn er dan ook geweldig mee ingenomen. Voor ons een prettig werk om het uit te geven.

(wordt vervolgd)

* * *

TOLHUIS AAN DE ROLLECATE _________________________________________________________

Soms zijn het alleen nog de straatnamen die in herinnering roepen hoe situaties vroeger zijn geweest. Wie nu op Rollecate 38 moet zijn, moet met de fiets een ingewikkeld traject afleggen; eerst via Den Hulst naar de parallelweg aan de noordkant van de N 377 tot bijna bij het viaduct over de spoorlijn. Daar moet de weg worden overgestoken om weer langs het kanaal een smalle, doodlopende straatweg te ontdekken. Dan blijkt dat men bij het dempen van de Dedemsvaart vond dat bij dit gedeelte van het kanaal - dat open zou blijven - teveel huizen stonden om de nieuwe weg direct langs het kanaal aan te leggen en er voor koos de weg achter de huizen langs te leggen. Zo ontstond hier een rustig buurtje.
Dat smalle straatje langs het kanaal is in het verleden toch al eens als een brede weg aangelegd, want begin 20ste eeuw stond hier een tolhuis. Dat tolhuis stond zo dicht op de weg (het verkeer mocht niet stiekem tussen de tolboom en het huis door kunnen rijden) dat het moest worden afgebroken toen de weg verbreed werd. Verder naar achteren werd toen het huidige huis gebouwd. Dit stukje Rollecate is dus nog de provinciale weg zoals die vroeger langs het kanaal richting Balkbrug liep en geeft aan dat er vroeger veel minder verkeer langs ging. Toen er nog tol werd geheven was hier dus een tolhuis bij de oost-west doorgaande straat richting Den Hulst.
Uit het Verslag van de Gedeputeerde Staten aan de Staten der Provincie Overijssel omtrent den toestand dier provincie in 1853 lezen we over dit tolhuis:
Uw besluit van den 11 Julij 1853, ten aanzien van den aan te leggen kunstweg langs de Dedemsvaart van de Ligtmis tot in Heemse, is opgevolgd door een koninklijk besluit van den 5 September 1853, waarbij de in het vorig jaar aan den jhr. Mr. G.C. Junius van Hemert verleende vergunning tot den aanleg van dien weg en de concessie tot tolheffing daarop, aan het gemeentebestuur van Avereest is overgedragen.
In de maand December is tot de aanbesteding van het bepuinen en begrinden des wegs, volgens de door ons goedgekeurde bestekken, kunnen worden overgegaan en zijn die werken aangenomen voor eene som van ƒ 55.500,-



De nieuwe woning
Het oude tolhuis aan de Rollecate met Klaas Paasman en Margje Vonder en de huidige woning.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOT0 _________________________________________________________

Openbare Lagere School Oosteinde omstreeks 1951/52 Foto BA134



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

Arie Kleen
Frits Mijnheer
Henk Toersen
Klaas Bijker
Jan Schaapman
Jan de Boer
Wim Bovenhoff
Arend Schaapman
Herman vd Berg

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  

Meester Timmerman
Jan Schaapman FJzn
Jan Krul
Klaas Dijk
Aaltje vd Berg
Hennie Lefers
Femmie Klein
Jentje Ganzeboer
Gerrie Pessink

19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  

Hendrikje van Oenen
Klaasje Bijker
Jannie Katerberg
Jannie Brouwer
Aaltje Klein
Tinie Brouwer
Aaltje Koezen
Aaltje Smit
Jansie Kragt

* * *

EINDE VAN EEN TIJDPERK _________________________________________________________

ETIO

Een kleine vijftig jaar geleden was Nederland volop bezig metde wederopbouw. Er kwam Marshall-hulp uit de VS, waardoor grote investeringen mogelijk werden, maar welke richting moest het op? De ontwikkelingen waren tot dan heel geleidelijk gegaan, vooral bepaald door lichamelijke arbeid, maar men voorzag dat daar snel verandering in zou komen. Zoals voor bijna alle gemeenten in Overijssel, werd ook voor Nieuwleusen door het ETIO (Economisch Technologisch Instituut Overijssel) een ‘Rapport betreffende de bestaansbronnen en mogelijkheden van de gemeente Nieuwleusen’ (Zwolle, maart1953)gemaakt.
Het is nu bijna niet meer te geloven hoe de toestand hier een kleine 50 jaar geleden was; het rapport geeft een beeld van een gemeente ‘woar niks de rust versteurt, woar ‘t wulen van de wereld, de vreê niet bereurt.‘ Hier volgt een samenvatting van het verslag, dat een beeld gaf van een tijdperk dat op zijn eind liep.

De gemeente Nieuwleusen en het oostelijk gedeelte van de gemeente Staphorst bestond grotendeels uit veen; hoogveen in het oosten en laagveen in het westen, met daartussen een zandgedeelte, waarin het grootste gedeelte van de gemeente is gelegen. Dit zand is horizontaal gelaagd en grindvrij. De dikte is op veel plaatsen gering en rust op het veen, dat op vele plaatsen dan ook nagenoeg aan de oppervlakte komt. Bij de nieuw gegraven sloten, nodig voor de ruilverkaveling, is dit goed te zien; op vele plaatsen lagen moerassige stroken. Reeds in de 12e en 13e eeuw hadden de bisschoppen van Utrecht hier veengronden in leen gegeven. Het in cultuur brengen van de gemeente heeft vanuit het zuiden, vanuit het gebied van Dalfsen, plaats gevonden. In 1631 werd door hoofdzakelijk inwoners van (Oud)Leusen een compagnie opgericht die de vervening in het oosten ter hand nam. De turf werd hoofdzakelijk voor eigen gebruik besteed en het hoofddoel was het ontginnen van de moerassen omdat er over tekort aan weidegrond werd geklaagd. Er was voor het uitbreiden van de bevolking meer voedsel nodig en dat moest van het bouwland verkregen worden. De bemesting hiervan moest van het vee komen, zodat het uitbreiden van het aantal hectare weiland een eerste vereiste was. Een product dat vroeger goed geld opbracht was twijg. In Nieuwleusen waren omstreeks 1700 nogal wat mandenmakers gevestigd; een bewijs dat het hier een moerassig gebied was.
Het oostelijke gedeelte is eerst in cultuur gebracht en de boerderijen liggen, met optrekkende kavels, voornamelijk aan de noord-kant van het Oost- en Westeinde. Men zou denken dat dit de oudste boerderijen zijn, maar dat is niet het geval. De noordelijker gelegen boerderijen langs het Ooster- en Westerveen (vroeger Het Pad) zijn namelijk ouder. Het Oost- en Westeinde (lange tijd Nieuw-Leusenerdijk genoemd en vroeger Buitendijk) is als weg reeds vrij oud en vormde de grens met het zogenaamde ‘veld’, het hogere gedeelte en was waarschijnlijk een waterscheiding, gezien de oude naam. De boeren vestigden zich vermoedelijk op enige afstand van deze weg om meer midden op het land te wonen en het pad is toen als kortere looproute ontstaan en later een weg geworden, waarlangs men ook boerderijen ging bouwen.
Tussen het nieuw ontgonnen gebied van Nieuwleusen en het al van ouds in cultuur gebrachte land van Dalfsen (Oudleusen) lag een brede strook woeste grond met veel heide (schapenteelt), die nog lange tijd tot de onverdeelde gronden heeft behoord en pas in de Franse Tijd is verdeeld (ong. 1800). Veel boeren in Nieuwleusen hebben grond in de gemeente Dalfsen, ten zuiden van het Oost- en Westeinde, of zijn zich daar gaan vestigen. Waarschijnlijk hadden zij nog, door afkomst uit Oudleusen, recht op deze gronden in het Dalfserveld. De ontginning is daar later op gang gekomen, waardoor de kavels vierkanter en groter zijn. Nieuwleusen was dus een streekdorp, met in het noorden nog een kleine agrarische nederzetting Den Hulst, dat zich na het graven van de Dedemsvaart in 1809 verder ontwikkelde, evenals de Meele.
De Dedemsvaart heeft niet zo’n groot stempel op de ontwikkeling van de gemeente gedrukt als in Avereest, waar na de vervening veel grote boeren uit Groningen zich vestigden.

Na het graven van het kanaal is hier niet verveend (zandgrond) en de grond tussen Dedemsvaart en Kerkenhoek is in de 19e eeuw geleidelijk aan in cultuur gebracht.
Er was vroeger veel meer bouwland (akkerbouw) dan tegenwoordig. Omstreeks 1860/1870 bestond ongeveer 2/3 van de cultuurgrond uit weiland en 1/3 uit akkerbouw, terwijl dat thans (= 1953) slechts 13 % is. Dat is op het eerste gezicht wat eigenaardig wanneer men bedenkt dat de gronden hier met heel wat wateroverlast te maken hadden. Steeds weer wordt in de gemeenteverslagen over slechte opbrengsten ten gevolge van hoog water gesproken. Dikwijls ging de oogst zelfs geheel verloren. De landbouwbedrijven waren in de vorige eeuw echter volkomen op zich zelf aangewezen, zodat men wel verplicht was vrij veel bouwland te houden.
De voornaamste producten waren: boekweit, rogge en aardappelen, aangevuld met voedergewassen voor het vee, zoals knollen. Na 1880 was er een grote landbouwcrisis.
Rond 1890 deed de kunstmest zijn intrede, waardoor het ontginnen van woeste grond weer de moeite loonde en rond 1900 ging het beter met de landbouw. Er werd ook krachtvoer voor het vee gekocht en - zeer belangrijk - in 1896 werden de twee waterschappen ‘De Ruiten en Veenekampen’ en ‘Beoosten het Lichtmiskanaal’ opgericht. Toch bleef men nog lange tijd winterbevloeiing toepassen (men dacht door ‘s winters het land onder water te laten lopen, vruchtbare slib over te houden, bij veenland is dat echter niet het geval.)
Zwolle was de marktplaats voor de gehele gemeente en vanuit Den Hulst ging men ook wel naar Meppel. In Zwolle werden de landbouwproducten op de markt gebracht en daar vandaan werden dan de winkelwaren weer meegenomen. (Daarnaast kwamen marskramers langs de huizen.) Dit is de oorzaak dat er lange tijd zeer weinig en dan nog kleine winkels in Nieuwleusen waren. Tussen 1850 en 1890 noemen de gemeenteverslagen steeds 10 tot 15 winkeliers en kleinhandelaren. In 1900 waren er: 7 bakkers met 3 knechten, 5 kleermakers, 5 klompenmakers, 1 kuiper, 3 molenaars met 3 knechten, 4 schoenmakers met 1 knecht, 6 timmerlieden/metselaars met 3 knechten. In 1902 is daar 1 bakker en 1 molenaar met 1 knecht en 1 timmermansknecht bijgekomen.
Er waren geen veenarbeiders, de binnenschippers hadden hier geen thuishaven en er was geen reparatieplaats/scheepswerfje.
Door het ontbreken van een noord-zuidverbinding lagen Nieuwleusen en Den Hulst ongunstig voor het verkeer en door de korte afstand van Zwolle ontstonden hier geen grotere verzorgende bedrijven.
Industrie was er in het geheel niet, tot er in 1896 en in 1899 twee melkontroominrichtingen kwamen - dit was dus een van de landbouw afgeleide industrie - en pas in 1910 kwam de eerste niet met landbouw verbonden industrie, de Union rijwielfabriek, die ontstond bij het korenmolen-houthandel-ijzerhandel-familiebedrijf. In 1916 werkten daar 70 arbeiders, waarvan 17 kinderen.
De bevolkingsgroei verliep als volgt:

1830
1840 +
1850 +
1860 +
1870 +
1880 +
1890 +

1900 +
1910 +
1920 +
1930 +
1940 +
1952 +


323 = 
195 = 
153 = 
67 = 
158 = 
84 = 

304 = 
362 = 
450 = 
480 = 
490 = 
366 = 

1480
1703
1898
2055
2122
2280
2364

2668
3030*
3480*
3670
4160*
4526 inwoners.
*=0ngeveer

Het is een regelmatige groei, die enigszins achter blijft bij die van de rest van de provincie en het land, maar groter is dan in de weidestreken in de kop van de provincie en in andere gemengd-bedrijf gemeenten, terwijl de geboortecijfers juist hoger liggen. De boerenbedrijven zijn niet groot genoeg om aan alle kinderen werk te bieden en daarom vertrekt het teveel als boerenknecht en dienstbode, waarvan een deel na verloop van tijd weer terug komt en anderen gaan. Een oorzaak voor die regelmatige groei kan zijn dat Nieuwleusen rond 1900 over vrij vruchtbare grond kon beschikken, met een grotere vochtigheid dan in typische zandstreken, terwijl door ontginning er steeds meer grond bij kwam. De ruilverkaveling van 1927/28 levert grotere kavels betere grond op met een betere ontwatering. De landbouwbedrijven gaan meer voor de markt produceren en richten zich minder op zelfvoorziening. Het zijn gezinsbedrijven, zodat er betrekkelijk weinig landarbeiders aanwezig zijn en er wonen ook weinig industriearbeiders, die als forens in andere gemeenten werken. Rond 1950 geeft deze situatie problemen omdat de uitbreidingsgrens van de landbouw is bereikt.


Een boerderij aan het Oosteinde omstreeks 1950.

De bevolking telt steeds meer mannen dan vrouwen; normaal voor een agrarische gemeente. Een verklaring hiervoor is de geringe werkgelegenheid voor vrouwen en de mogelijkheid van vrouwenarbeid in de steden. Zij trekken weg en keren dikwijls niet terug. Ook blijven in gemeenten met kleine bedrijven een groot aantal mannen ongehuwd, wat zowel gevolg als oorzaak van het wegtrekken van jonge vrouwen kan zijn. Dit is echter in Nieuwleusen niet het geval; tussen 1930 en 1950 was 32,5% van de mannen ongehuwd. Van 1946 t/m 1951 zijn er 884 personen naar Nieuwleusen gekomen en 319 meer, dus 1203 vertrokken, waarbij opvalt dat vooral veel jongeren de gemeente verlaten en daardoor de bevolking sneller veroudert dan het landelijk gemiddelde.

Als bedrijfstelling, ambachtsbedrijven en industrie 1930-1950, zien we het volgende beeld:
Bouwnijverheid
1930: 25 met 53 werknemers - 1950: 33 met 93 werknemers
Chemische nijverheid
1930: 1 met 3 werknemers - 1950: 1 met 1 werknemer
Hout, kurk en stro
1930: 1 met 2 werknemers - 1950: 5 met 7 werknemers
Kleding en reiniging
1930: 8 met 11 werknemers - 1950: 6 met 9 werknemers
Leder
1930: 5 met 6 werknemers - 1950: 3 met 6 werknemers
Metaalnijverheid
1930: 14 met 160 werknemers - 1950: 16 met 243 werknemers
Gas, elektriciteit
1930: 1 met 2 werknemers - 1950: 1 met 3 werknemers
Voedings- en genotmiddelen
1930: 15 met 72 werknemers - 1950 123 met 156 werknemers
Handel
In 1950 waren er in Nieuwleusen 17 volwaardige winkels.

De handel en dan vooral de winkelstand is in Nieuwleusen pas laat tot ontwikkeling gekomen omdat veel zelf verbouwd werd, brood zelf gebakken werd en veel goederen in Zwolle tijdens de marktgang werden gekocht. Pas met de komst van de zuivelfabrieken werd de marktgang minder. Winkels voor brood, kruidenierswaren, groenten en slagerijen niet meegerekend, blijft de winkelstand ver achter bij de buurgemeenten, maar de manufacturenwinkels zijn weer wel goed vertegenwoordigd. (Helemaal duidelijk is het beeld niet te krijgen, want een landbouwer die een winkel als nevenbedrijf hield werd geteld naar zijn hoofdberoep = landbouwer.)(Gezondheidszorg, onderwijs, kerken en dienstverlening zoals banken, verzekeringswezen en PTT zijn in het rapport niet behandeld.)

(wordt vervolgd)

* * *

IETS OMTRENT DE BEENTJESGRAVEN _________________________________________________________

(Overgedrukt uit de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van Dingsdag den 23 Maart 1858.)

De Beentjesgraven maakte vroeger een gedeelte uit van de grensscheiding van het kwartier Sallandt en het Hoog Schoutambt Hasselt.
Zij diende tot waterlozing van de uitgebreide woeste gronden ten noorden van de zoogenaamde Haar, zijnde een hooge rug, welke dwars de velden doorsnijdt van de Zestien Hoeven, waaruit weleer het Kerspel Yhorst bestond, terwijl gelijke woeste gronden ten zuiden van die graven mede aldaar het water afvoerden.
Laatstgemelde woeste gronden werden vroeger aangeduid onder den naam van Smeulen en waren onderhoorig aan de OudLeussener marke, uit welker marke in het begin der 17de eeuw de kolonie Nieuwleussen geboren werd, waarom de Beentjesgraven dan ook somstijds voorkomt onder den naam van Gracht of Hulsgracht; de tegenwoordige buurt de Huls ten zuiden de Beentjesgraven bestond vroeger uit niets anders dan uit de achterlijke einden van de marke Oud-Leussen.
Omstreeks de Versener Stouw nam deze waterieiding een begin en ontlastte zich door de Streukeler zijl in de rivier de Vecht of het Zwarte water. Bij de Keppelsloot, zijnde de scheiding van de voormalige Schoutambten Staphorst en Ommen, was de Beentjesgraven nauwelijks zigtbaar, zoodat dit dan ook aanleiding gaf, dat over de grens van de Erven te Nieuwleussen en Yhorst in het begin der vorige eeuw tusschen de aangelanden verschillen ontstonden en aanvankelijk kostbare pleidooijen daarover plaats vonden. Bij later minnelijke schikking heeft men de grens bepaald door het graven van een nieuwe sloot, de Beentjesgraven vervangende, ofschoon die nu veel meer noordelijker werd daargesteld dan vroeger.
In die dagen was evenwel de grond daar ter plaatse van luttel waarde, zoodat de ingelanden van Yhorst en die van het Bullinge Slag van Staphorst liever die zaak in der minne wilden schikken, dan een kostbare procedure daarover wagen.
De aldus daargestelde Scheidsloot bevat weinig capaciteit, doch toen ter tijd aldaar voldoende, alzoo bij het niet in cultuur brengen der woeste gronden tot aan het westelijk gedeelte van Staphorst, deze oord veel en al dras lag en als van weinig waarde werd geacht.
Van het westelijk gedeelte van Staphorst tot aan de Meele onder de Rosengaarder marke gehoorende, werd de Beentjesgraven of Gracht, van den Huls naar beneden tot in de Streukelerzijl, steeds door onderscheidene autoriteiten geschouwd en goed onderhouden, alzoo zij als eene kapitale waterlossing moest beschouwd worden en steeds beschouwd is. Om de polder van Rouveen beneden de Staten Lei of Vrieschen dijk, van het water uit de Beentjesgraven afkomende, behoorlijk te isoleren, bestond er eene keerdam, boven de Lichtmis de Wal en beneden de Lichtmis de Stouw genaamd. Zoo stonden de zaken dezer van ouds bekende waterleiding tot in 1810, toen alles van gedaante veranderde.
Door de onvermoeiden ijver van den genialen Willem Jan van Dedem, een man waarop steeds de provincie Overijssel met regt mag bogen, kwam de vaart te voorschijn, naar hem de Dedemsvaart genoemd, doch zoude die vaart zijn aanwezen erlangen, dan moest èn wal èn gracht èn de eigenlijke Beentjesgraven verdwijnen. Hierdoor zoude er stagnatie in den afloop des waters plaats vinden, en hierin moest voorzien worden, ten einde de ingelanden in hunne regten van afvoeren van water niet bekort werden.
Daarom luidt ook artikel 1 van het Besluit van Zijne Majesteit Lodewijk Napoleon, Koning van Holland, van den 12 van Zomermaand 1809, No. 5, waarbij concessie tot het graven van de vaart verleent wordt, als volgt: "Vermits tot het graven van de bovengemelde vaart zal worden gebruik gemaakt van de waterleiding of graft, genaamd de Beentjesgraven, en dezelve tot een stilstaand kanaal zal worden ingerigt, zoodat al het afkomend water ter zijde zal moeten worden afgeleid, zullen er aan de duikers, welke onder den bodem der vaart moeten gelegd worden, de vereischte capaciteit worden gegeven, ten einde er geene belemmeringen in den aftogt van wateren ontstaat, en de achter of nevenliggende landen daardoor geen gevaar loopen om vroeger geïnundeerd te worden of langer met het gewone water bezwaard te blijven."
Uit dit artikel is dus onbetwistbaar, dat de eigenaar der Dedemsvaart in den afloop van het water, hetwelk vroeger de Beentjesgraven ontving, volstrekt geene stagnatie mag toebrengen.
Zoodra nu de vaart was daargesteld, heeft dan ook de Heer van Dedem aan het bepaalde in het bovengemelde geciteerde artikel voldaan, door het plaatsen onder den bodem van de vaart van een duiker, waardoor het water uit de Beentjesgraven afkomende, aan de zuidzijde van de vaart zoude lozen, dan alras bleek het dat dit aan het doel niet beantwoordde. Om nu zooveel mogelijk de klagten, toen reeds aangeheven, te voorkomen, maakte men aan de noordzijde der vaart een sloot, welke het water zoude lozen in de vaart.
Die waterlozing bleef een reeks van jaren in een allerslordigsten toestand, en ofschoon nu wel verbeterd en al wordt dezelve ook in de beste orde onderhouden, zullen er evenwel weinig landen mede gebaat zijn, daar, om zoo te spreken, uit de aloude Beentjesgraven, voor zoo verre die niet door de Dedemsvaart is ingenomen, genoegzaam geen water op die sloot kan geloosd worden, behalve dat dan de landerijen boven de Staten Lei of Vrieschen Dijk te Rouveen, welke nu het water afvoeren door de Leidijksloot onder een brugje in de Leidijk (welke Leidijk een keerdam is voor de polder), op bovengemelde sloot, door de groote massa afkomend water uit de Beentjesgraven eerst al dat bovenwater zouden moeten ontvangen, alvorens eigens gebaat te worden.
Inmiddels zijn de barre oorden, die voor een twintig en minder tal jaren nog ter weerzijden van de Beentjesgraven in den Ooster Huls woest en ledig daarheen lagen en bijna ontoegankelijk voor mensch en dier, in vruchtbare akkers herschapen, bewoond door eene nijvere bevolking, doch die somtijds de vruchten van hun vlijt en arbeid de golven moeten ten prooi geven, als van alle afvoer van water verstoken, daar, om deze schier ongelooflijke toestand nog te verzwaren, eenige schreden verder een keerdam bestaat, even zoo willekeurig daargesteld als die somtijds wordt doorgestoken, en waarbij het dan niet aan vechtpartijen ontbreekt en menig verdacht persoon correctionele straffen daarvoor beloopt.
Jaren heeft men geklaagd, jaren zijn er deliberatiën over dit punt hangende, doch de zaak blijft bestendig zoo als ze was ten tijde der Dedemsvaart, dan eens in deze dan eens in gene handen.
Thans nu de provincie Overijssel eigenares is van de Dedemsvaart, en die met heerschende en lijdende bezwaren heeft aangekocht, koestert men sedert dien tijd de gegronde hoop, dat Heeren Gedeputeerde Staten, door eene kleine geldelijke opoffering aan het billijk verlangen van zoo velen zouden voldoen, te weten om de Beentjesgraven te verlengen beneden het schut in den Huls in de vaart.
Hierdoor werd er eene voldoende waterafleiding bekomen, die tot niemands schade en tot soulaas van velen zoude strekken, en die op geen doelmatiger plaats zou kunnen daargesteld worden.
Ten slotte diene nog, dat steeds deze Beentjesgraven als ene kapitale waterlozing voor de landen, die onmiddelijk aan den polder van Rouveen zijn grenzende, en boven de meergenoemde Leidijk gelegen zijn, van oudsher is beschouwd geworden.
Men zie onder meerderen het uitmuntende zaakkundig rapport van den 14 September 1775, door den ingenieur C.J. Kraijenhoff aan Ridderschap en Steden de Staten van Overijssel ingeleverd.
S. Maart 1858

* * *

HERINNERINGEN VAN EEN SCHOOLMEE$TER III _________________________________________________________

A. Visser

Het was wel even wennen in Den Hulst en in Nieuwleusen toen ik daar in 1945 als onderwijzer begon. De taal was nogal moeilijk, vond ik, maar er waren nog meer dingen waaraan ik moest wennen, zoals bijvoorbeeld sommige eetgewoonten!
Ik werd uitgenodigd om op een zondag na kerktijd bij een gezin kof?e te komen drinken en om ook daar het middagmaal te gebruiken. Het was er heel gezellig; de kinderen -het waren er vijf- waren bezig met een spelletje en vader en moeder bleken gezellige praters te zijn. Na de koffie ging de vrouw des huizes zorgen voor het middagmaal. Al gauw werd de tafel gedekt en een grote pan met groentesoep werd van het fornuis gehaald en midden op de tafel gezet. Na een ogenblik stilte schepte de vader de soep op. Het was groente uit eigen tuin, zo vertelde hij, en dat merkte ik ook toen ik mijn bord bijna leeg had aan de zandkorrels die er in achterbleven ...maar de soep zelf was van goede kwaliteit en smaak. Ze wilden me nog een tweede bord inscheppen, maar ik bedankte er voor. Ik dacht: ‘Soep vooraf, er zal nog wel meer op het menu staan, dus houd ik daarvoor een plekje vrij.’
Intussen werd er door het hele gezin dapper soep gegeten en men drong er nogmaals bij mij op aan om met hen mee te doen. Maar ik deed het niet. Ik keek echter even later wel een beetje op mijn neus toen ik bemerkte dat na het eten van de soep de maaltijd al voorbij was…. er kwam verder niets meer op tafel. Men was dat op zondag kennelijk zo gewend. Had ik dat maar geweten …. ik had best nog wel trek in het een of ander.
Toen ik in de namiddag thuis kwam in mijn kosthuis, heb ik bij mijn hospita de schade mogen inhalen. Ja, zo komen de snoepers te pas!!


Jaargang 18 nummer 3 september 2000

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

Deze kaart werd in 1946 vanuit Egmond aan Zee naar Nieuwleusen verstuurd door Lammy Huisman.

* * *

BLEEKNEUSJES _________________________________________________________

Herinneringen van L van Berkum - Huisman

Direct na de oorlog kwam de zorg voor ‘bleekneusjes’ weer op gang en onderzochten artsen schoolkinderen om te zien wie te licht waren, aan astma of bronchitis leden of anderszins gebreken vertoonden. Voor die kinderen probeerde men dan een plaatsje te krijgen in een van de vele kindervakantie-oorden, meestal koloniehuizen genoemd. Daar werden ze enige tijd aan de zorg van verpleegkundigen toevertrouwd, om in korte tijd zover aan te sterken, dat ze voldoende weerstand opbouwden om in eigen omgeving weer tegen een stootje te kunnen.

Deze koloniehuizen lagen meestal in een bosrijke omgeving of in de duinen langs de kust, met de achterliggende gedachten dat verzwakte kinderen daar tijdens een vakantie van zo’n zes weken, met veel beweging in de gezonde buitenlucht een goede eetlust zouden krijgen en met spel, gezond eten en op tijd rusten in relatief korte tijd snel zouden aansterken.
In oktober 1946 brachten H. Muller van molen De Vlijt en slager Beekman een groepje kinderen vanuit Nieuwleusen naar het koloniehuis Zwartendijk te Egmond aan Zee. De reis ging eerst met een vrachtauto naar Zwolle en vandaar met de trein verder. Hoe groot het groepje kinderen was weten we niet precies, maar in ieder geval waren daarbij de meisjes Harmina Schoemaker, Jentje Veyer, Roelie Boverhof, Lammy Huisman, Mina Brasjen en de jongens Hendrik-Jan Toersen, Bertus Jonker en een jongen van Van Duren. Lammy ontving tijdens haar verblijf veel brieven en ansichtkaarten, die ze in een leuk meisjesnaaidoosje heeft bewaard. Dankzij die brieven en kaarten kunnen we nu zo’n vijfenvijftig jaar later nog een impressie krijgen van wat voor een hele generatie hoorde bij het gewone maatschappelijk leven van die tijd, want wie herinnert zich niet hoe jarenlang in de bioscopen voor de pauze een reclame?lmpje voor de Bio-vakantieoorden werd vertoond, dat eindigde met een rammelende collectebus, waarna meteen bij het opgaan van de lichten een collecte voor dit goede doel volgde.
We schrijven 1946. Lammy Huisman is dan 10 jaar en wordt zes weken naar het verre Egmond aan Zee in Noord Holland gezonden om aan te sterken. Hier volgt eerst de herinnering aan het verblijf in Zwartendijk wat niet in de brieven staat beschreven en daarna volgt een bloemlezing uit de vele brieven:


Na aankomst in het huis moesten de kinderen allemaal in de tuin achter het huis helpen met het doppen van tuinboontjes, waarbij ondertussen de kinderen met twee of drie tegelijk naar binnen werden gehaald. Daar kregen ze poeder in de haren tegen luizen en werden ze gedoucht, waarna ze in hun blootje op de bank moesten wachten tot ze allemaal klaar waren en naar de bovenste verdieping gingen en hun slaapkamers kregen toegewezen en waar ze een bundeltje ondergoed en een pyjama kregen. Per kamer werd een groepje gevormd van ongeveer 15 kinderen, dat een eigen leidster had en steeds bij elkaar bleef. De jongens uit Nieuwleusen zaten in een andere groep dan de meisjes en ook die werden niet allemaal in dezelfde groep ingedeeld, maar ze zagen elkaar wel en tijdens het eten zaten Lammy en haar neefje Bertus tegenover elkaar aan tafel.
‘s Morgens begon de dag met opstaan en wassen. Daarbij werden borst en rug goed met koud water gewassen, waarna de kinderen de handdoek bij twee punten moesten vastpakken en hoog boven hun hoofd houden, zodat de longen goed open gingen. ‘s Middags werd de warme maaltijd opgediend, waarbij gemakkelijk door te slikken voedsel werd opgediend, zoals stamppot rode kool met gemalen vlees. Maar toen de melk een keer zuur was geworden werd daar beschuitenpap van gemaakt. Je zou denken dat dit geen prettig eten was, maar die moest toch echt worden opgegeten. Er was ‘s middags water bij het eten om te drinken. Na de maaltijd was er verplicht slapen, waarbij dan een of ander verhaaltje werd verteld waarom je maar het beste op de linker zij kon gaan slapen (de kinderen wisten natuurlijk niet dat dit was ingegeven omdat er de minste kans bestaat op donderjagen als alle kinderen op dezelfde zij liggen). ledere avond gingen de kinderen in de badkuip voor ze naar bed gingen. Ook zoiets eigenaardigs was dat er na het middageten geen toiletpapier was om naar de wc te gaan, dat was er alleen 's morgens en 's avonds. 's Morgens en 's middags werd er buiten gespeeld en vooral veel gewandeld langs het strand. Wanneer het regende en de kinderen binnen moesten blijven, werd er geknutseld en gespeeld. Ook werd er gerepeteerd voor het afscheidsfeest. Op een foto is te zien dat het groepje van Lammy daarbij een lintenspel opvoerde. Zoals elk vakantiekoloniehuis had ook Zwartendijk haar eigen lied, dat vooral tijdens het wandelen veel werd gezongen:
(op de wijs van: Op de grote stille heide)
Zwartendijk, daar moetje wezen, Zwartendijk, daar moetje zijn.
Daar word je heel snel genezen, van je ziekten en je pijn,
Je speelt er de hele dag, ik wou dat moeder het eens zag.

De grootvader van Lammy werkte in Nieuwleusen op het postkantoor en daarom had ze goede instructies mee gekregen over het zenden van kaarten en briefjes en een lijstje met adressen naar wie ze die allemaal moest sturen. Halverwege de periode veranderden de tarieven en ook daarvoor kreeg ze weer de informatie hoe te handelen. (Uit de brief van 27 oktober: ‘Zaterdagavond 5 uur u briefkaart ontvangen en daar uit gelezen dat u 2 pond en 4 ons zwaarder zijt geworden en dat u het pakje heeft ontvangen. Wij willen u meteen nog weer een pakje klaar maken en ook een voor Bertus. U moeder heeft gisteren nieuwjaarskoeken gebakken en doen wij u daar ook een doosje bij het pakje in. Dan van Klaasje Klein ook een zakje met aardbeien en wat peren en appels van opa en van oma een zakje met chocolade. Dit is het laatste pakje dat wij u zenden, want volgens de heer Beekman kwam u dinsdag 5 november weer in ons midden terug. Op 1 november is de briefpost duurder, dan moet er op een brief een postzegel van 10 cent en op een briefkaart 7 ½ cent en op een ansichtkaart 2 ½ cent, dus neem daar dan rekening mee.‘
Zo werd er wekelijks een pakje naar Bertus en Lammy gestuurd (max. 2 kg.), maar daarover konden de kinderen dan niet echt zelf beschikken, want ‘niets is hier van ons alleen, maar alles is van ons samen' en het fruit werd in de serre gelegd en mee verdeeld als na de middagslaap het fruit werd uitgedeeld.
Via veel lieve, meelevende en opbeurende brieven van huis, van moeder, grootouders, ooms en tantes, werd Lammy op de hoogte gehouden van wat de familieleden bezig hield en, grappig genoeg, ook van hoe het met haar neefje bij haar in het tehuis ging: 'Bertus vermaakt zich ook.', 'Bertus heeft een zeehond gezien', 'Bertus is al 4 pond gegroeid'. Dat eten, maar vooral ‘zwaarder worden’ erg belangrijk gevonden werd, blijkt uit veel brieven. Ook van klasgenootjes en vriendinnetjes ontving ze briefjes of kaarten.
Hier volgt een bloemlezing uit de vele brieven, die een beeld geven van de afstand, die vroeger veel groter leek dan tegenwoordig omdat men niet zomaar ging telefoneren en het contact zes weken lang beperkt bleef tot schrijven. Lammy had gelukkig maar twee dagen heimwee en denkt met plezier terug aan haar verblijf aan zee. Veel kinderen zal het heel anders zijn vergaan, gezien ook de brief die ze van tante Gé, de moeder van Bertus, ontving.


Lintenspel. Het meisje tweede van links is Lammy Huisman.

(Hoe simpel de adressering in die tijd was:)
       Lammy Huisman
                   Koloniehuis “Zwartendijk”
                                Egmond aan Zee

Nieuwleusen, 29 september 1946.

Beste Lammy,
Je brief in de beste gezondheid ontvangen en gezien aan je mooie brief, waar we allen wat blij mee waren, datje het er wel naar je zin denkt te krijgen. Komt het nu niet best uit dat mamma je geleerd heeft om bedden op te maken en de vaat af te wassen en een beetje stof af doen. Doe maar goed je best en wees vooral aardig en lief tegen de zusters en de meisjes waar je mee om gaat en wees voorzichtig in de duinen. Je weet wel dat mamma erg bang is voor landmijnen, dus luister goed wat de begeleidsters zeggen Lammy en verder maar mooi spelen en goed slapen. Lammy moet je ‘s avonds ook vroeg naar bed, zal wel hè, of mag je daar ook nog wat lezen op bed, ik denk van niet, maar schrijf mamma maar het een en ander terug. We zijn vandaag bij oom Bé en tante Gees en gaan vanmiddag naar oma en opa, Marten en Janny, Ukki en Nikkie gaan ook mee. We werden vanmorgen wakker om 8 uur en toen zei Marten, Zou Lammy al wakker wezen? Ik heb gezegd, Dat denk ik wel, ze zal wel een stuk of 4 boterhammen eten en melk drinken, of is dat niet zo, Lammy? Oom Wim is vandaag naar opa en oma Dwingelo om te vertellen dat je het er fijn vindt en goed bent overgekomen. Slager Beekman heeft mamma verteld dat jullie allen plezierig gereisd hebben en al vroeg daar aangekomen zijn. Nu Lammy, wees gegroet van ons allen en van je lieve broer en zusje en vele zoentjes van mamma. Daag.
Afz. Wed. J. Huisman. C 203 Den Hulst Nieuwleusen

Nieuwleusen, 29 september 1946

Beste Lammy,
Gisteravond in uw brief gelezen dat u het samen in Egmond aan Zee goed maakt, daar zijn wij allen erg blij mee, dat u daar samen veel plezier hebt en dat u daar samen mooi kunt spelen in de duinen en aan het strand. Als u daar goed eet en goed speelt en goed slaapt, komt u over 6 weken weer terug, dat u dan een flinke dikke grote meid bent geworden. Opoe was zo blij toen moeder belde dat de eerste brief was gekomen van onze Lammy. Zij is dadelijk op de fiets naar Den Hulst gegaan om de brief even te lezen en opa de brief mee te nemen, zodoende kunnen wij u ook direct terugschrijven .......
Opa en oma Massier.

Nieuwleusen 13 oktober 1946

Beste Lammy,
Donderdagmorgen uw briefkaart ontvangen en daar uit gelezen, dat u het daar goed maakt. We zullen maar afwachten hoeveel als u al zwaarder zijt geworden. Dus kind, eet, drink, en wees vrolijk, dan kennen wij u misschien bij u thuiskomst niet weer terug, hoe zo’n grote meid u al zijt geworden. Moeder, Marten en Janny zijn zondag bij ons, ze zijn gisteravond al gekomen, tante Ma en oom Jan passen op de woning nu moeder niet terug is. U schreef dat er dagelijks veel pakjes kwamen, zodoende sturen wij u nu meteen ook een pakje met inhoud, u moet maar eens nazien wat er in zit (snoep van mamma, chocolade en vruchten van oma en postzegels van opa). Wij mogen maar 2 kg verzenden, dus binnen enkele dagen sturen we weer eens zo’n pakje. Als u samen gaat wandelen met de juffrouw in de duinen, wees dan vooral voorzichtig en blijf zoveel mogelijk op de begane paden, want men hoort dagelijks nog van ontploffingen van landmijnen, die steken alleen maar met een puntje boven de grond, en als u daar op trapt, springen die uit elkander, en hebben wij geen Lammy meer, ook vooral voorzichtig zijn met bramen plukken. Als u ons weer een brief of briefkaart stuurt, schrijf dan meteen of u het pakje hebt ontvangen en of het goed is overgekomen. Dan meteen of u al zwaarder bent geworden? Wie het meeste eet, u of Bertus? Of u goed kunt slapen? Uw fiets is al door de fietsmaker geheel nagezien en er is al een nieuwe kettingkast op, dus als u terug komt, heeft u de fiets weer als nieuw. Meer nieuws is hier ook al niet, met vele groeten en een dikke zoen van moeder, Marten, Janny, oom Jan, tante Ma, Aafke, opoe en opa, uit aller naam opa Massier.
P.S. Opoe sprak dat u in de brief voor mamma geschreven had want met een d en dat moet met een t zijn.

In de brief van 1 november 1946, waarin opa schrijft hoe blij hij en opoe zijn dat Lammy de volgende week dinsdag weer thuis zal komen, schrijft hij in een P.S.:
Doe ook vooral de groeten aan de juffrouw die u dagelijks bedient en 's nachts verpleegt.

Beste Lammy,
Even een krabbeltje van je oom. lk heb gehoord dat je het best naar je zin hebt. Nou dat staat me best aan. Speel maar mooi in de duinen en aan het strand. En kun je aardig goed eten? Kleine Janny zegt dat Lammy aan zee is. Aafke ligt in bed, want ze is een beetje ziek. lk denk dat ze wat grieperig is, want ik ben zelf ook erg verkouden. Oom Willem is goedgekeurd voor de dienstplicht (soldaatje spelen). Jullie hebben alle dagen nog mooi weer gehad? Nu Lammy luister maar goed naar de juffrouw en doe je best in alles, dan word je zeker een grote meid als je terug komt.
Dag hoor en een dikke zoen van
Aafke, tante Ma en oom Jan


In de duinen. Voor de juffrouw Huberts (achteraan) rechts Lammie Huisman, daarnaast Roelie Boverhof en voor deze beide Harmina Schoemaker.

Ook in andere brieven komt het mooie weer aan bod en wordt haar gevraagd om de juffrouw te vragen of ze nog zomerkleren moeten sturen.

Nieuwleusen 13 oktober 1946

Beste Lammy
Ik heb Bertus juist een brief geschreven en nu zal ik dat jou ook even doen. Ja, ik doe dat niet altijd hoor, maar er was nu een bijzondere reden voor, en daarom wil ik jou ook nu weer even schrijven. Wat ik jou vertellen wou, dat is dat de ouders van Mina Brasjen, Hendrik-Jan Toersen en dat jongetje van Van Duren a.s. dinsdag naar Egmond aan Zee gaan. Die mensen zijn toch zo bang dat die kinderen daar haast niet kunnen wezen. Ze willen ons ook mee hebben, maar je moeder, A. Compagner, Veyer en Brasjen van de Meele en wij vonden dat jullie ons zouden uitlachen als wij daar aankwamen. lk geloof dat juist die kinderen daar niet al te best mogen wezen, want jullie schrijven toch altijd zulke leuke brieven en klagen ook nooit. Nou, Muller en Beekman zeiden direct al, Lammy en Bertus dat waren de twee die nergens van wisten, die hadden al vaker gereisd en van huis geweest, dat kon je dadelijk wel zien, die hadden de anderen ook helemaal opgefrist. Dus wij vonden het niet nodig, want stel je voor als wij eens met een bang gezicht bij jullie kwamen. Nou, jullie zouden ons uitlachen, nee hoor, wij hebben gezegd, we laten ons niet uitlachen. Dus Lammy, wanneer die mensen er dinsdag zijn, dan doe je maar net als alle andere dagen, heel gewoon, want eerst zijn die kinderen blij, maar ‘s avonds zul je eens wat zien, dan zullen ze blij zijn dat jullie er zijn, en heel jaloers op jullie wezen, omdat jullie ouders er niet zijn geweest en ze zullen juist hun troost bij jullie zoeken. Dus Lammy, hou je die dag flink, ‘s avonds zijn die kinderen steun van jullie nodig. Doe je dat Lammy, laat zien dat jij en Bertus ook nu weer de baas van de club zijn, net ais in de trein, wij verwachten het van jullie. Je opa wil vandaag een pakje naar jullie sturen, dat zullen jullie dan ook wel gauw krijgen. Nou hoor, hou je taai, en de groeten van tante Gé en je oompie Bé.
Afz. B. Jonker, C200, Den Hulst

Den Hulst, 28 september 1946

Beste Lammy, Roelie, Johanna
lk zal jullie alle drie maar eens een briefje schrijven, daar ik het adres van mijn papa wist. Hebben jullie het daar mooi en heb je ai in de zee gezwommen? Ik wist van mijn papa dat jullie elke middag tot drie uur onder de wol moeten en elke avond in de badkuip moeten. Papa is de volgende middag pas weergekomen. Moeten jullie daar ook naar school. Ze schelden me nu uit voor Greta. Jullie zijn allemaal kabouters hé? Moeten jullie ook zo’n boel lezen als ik. lk geloof van niet. Gelukkig voor jullie, anders moesten jullie op Zwartendijk ook nog leren. Nu ik eindig maar,
Afz. Je vriendinnetje Roelie Muller, daaaaaag.

Lieve Lammy,
Eindelijk een briefje van mij. ‘t Is zondagmorgen en ik heb eerst mijn boek uitgelezen en dacht, ik kan wel eens een briefje aan Lammy schrijven. Want Adrie is aan het toneel leren. Nu Lammy, jij moet ook heel wat leren. In school is alles nog hetzelfde, alleen Martha zit op jouw plaats en ik op Grietje Brinkman haar plaats. Meester Klinge leest nu voor uit Okke Tannema. Nu zal ik eens wat anders vertellen. Martha is naar de zondagsschool. lk ben niet heen geweest want het regende zo en er is natuurlijk ook geen kachel aan. Lammy hoe zie je er uit, ben je al dikker geworden? En hoe is het nog met Jentje Veyer, Johanna Compagner en Roelie Boverhof? Doe ze ook de groeten van mij. Ik hoop dat je dinsdag over een week terug komt. Nu het allerbeste gewenst van je vriendin, Dini.
P.S. lk zal het even opschrijven wat je leren moet want het blijft toch aldoor regenen. Ook de groeten van Evie, Adrie en Jenny Schuurman. (Dan volgt de tekst van een toneelstukje.)

C.A. STOLTE Hzn.
      TE DEN HULST
      aan de Dedemsvaart
Meubelen - Huishoudelijke
en Luxe Artikelen, enz.

Den Hulst, 28 oktober1946

             Beste Lammy
lk wil je even een briefje schrijven. Hoe gaat het met jou. Met mij wel goed. lk zit zo lang op jouw bank vooraan. De kachel staat er al. En toen moest de bank voor Roely en Eepfe staan. Wij geven meester Klinge een cadeau en wij hebben meer dan 16 gulden, dat is een heleboel. En juffrouw Meiling gaat ook weg. Wij hebben al handwerken gehad. Diny breit een washandje en ik een broekje voor Ria. Wij hebben ook al nieuwe versjes geleerd op zang. Heien In ‘t kippenhok en Spoorreisje. lk ben blij datje gauw weer komt. Ik speel nu met Diny en Willy. De groeten van opa, opoe, mamma, pappa, Ria en van
Martha je vriendinnetje.

* * *

HERINNERINGEN VAN EEN SGHOOLMEESTER IV _________________________________________________________

A. Visser

Het zal wel in de eerste maanden van 1946 zijn geweest. lk had als taak contactpersoon te zijn met dat deel van de ouders die afkomstig waren uit de gemeente Staphorst, waarvan de kinderen onze school bezochten. Er was toen nog geen school in Punthorst en dus kwamen de kinderen uit de verre omgeving naar deze school. lk had het goede voornemen aan alle ouders een kennismakingsbezoekje te brengen. Jammer genoeg had ik in die tijd nog geen fiets en dus liep ik naar de Punthorst, achter naar de Maatweg, naar de Kievitshaar, de Kanlaan en de Schapendrift.
Zo kwam ik ook bij een Staphorster familie op bezoek. Het bleek dat de jonge boer - vader van mijn leerling - met vrouw en kinderen inwoonde bij zijn ouders en dat ik eigenlijk bij die grootouders op visite was.
Ik werd er heel hartelijk ontvangen, maar toch verliep het gesprek een beetje moeilijk; we hadden enkele taalproblemen. Ik had nog wat moeite met het Staphorster dialect en zij met mijn Fries accent. Intussen keek ik mijn ogen uit - nooit eerder was ik op een Staphorster boerderij geweest. Buiten had ik al opgekeken van die glimmende melkbussen op het blauw-wit geverfde bussenrek tegen de muur- binnen keek ik verbaasd naar de stenenvloer, met het witte zand op die vloer, keurig weggeveegd rondom de drie poten van de tafel; naar de witte klompen van de bewoners, de prachtige kleuren op de stoelen en de tafel, de grote kabinetskasten en de kopjeskast aan de wand.
Al gauw wordt er een grote kop koffie ingeschonken en voor mij op de tafel gezet. Mijn stoel staat een beetje ver van de tafel af, maar ik durf niet bij te schuiven als ik zie hoe ook het witte zand keurig netjes is weggeveegd rond de poten van mijn stoel!
Na enige tijd krijg ik ook problemen met de koffie, want na het eerste ‘bakkie’ volgt er meteen een tweede en als ik dat heb leeggedronken - en intussen al meer dan genoeg heb - komt grootmoeder opnieuw met de grote koffiekan en voordat ik kan ingrijpen, giet ze een derde kop tot de rand toe vol. lk laat niets merken van mijn probleem, maar ik vraag me wel af, hoe ik me hier uit deze situatie moet redden. lk vind tenslotte een oplossing: ik drink het derde kopje koffie - met tegenzin - voor de helft leeg en ik stap meteen op! Dat zal wel vreselijk onfatsoenlijk zijn geweest, maar wat doe je als je hoge nood hebt en grote koppen koffie moet drinken? Achteraf heb ik begrepen dat ik, om duidelijk te maken dat ik geen koffie meer wenste, heel gewoon het kopje ‘op de kop’ op het schoteltje had kunnen zetten!!!

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Op 28 oktober 1955 vierde de Christelijk Nationale School te de Meele haar 25 jarig bestaan. Ter gelegenheid daarvan werd de foto gemaakt die we deze keer als groepsfoto opnemen.
Foto BH065
(Nummers 62 en 94 zijn zichtbaar links op de gelinkte foto.)



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  

Jan Schoemaker
Arend Reurink
Mannes Vasse
Freek Bloemhof
Lambert Spijker
Klaas Meesters
Derk Jan van Leussen
Peter Brinkman
Roelof Hekman
Jan van Oosten
Hans Keiner
Jan van Soest
Arend Jan de Boer
Roelof Aalbers
Aalt van Berkum ??
Peter van de Kolk
Henk Petter
Bertus Bosch
Gerrit Jan Timmerman
Jo Meesters
Stijntje Bouwman
Jantje Bloemhof
Stientje Boerman
Geesje Kisteman
Margje van Soest
Alie Brinkman
Jannie Schoemaker
Jantje Hekman

29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  
54  
55  
56  

Stijntje Visscher
Roelie Rumpf
Jantina Sonnevank
Bertha Brinkman
Hennie Compagner
Roelie Bloemhof
Neeltje van Leussen
Greetje van Oosten
Hipko Bloemhof
Hennie Meesters
Grietje Seinen
Fenna Boerman
Jannie Boerman
Hennie van Leussen
Willem Westerman
Geke Hoogezand
meester Brands
Jantje Bloemhof
Juffrouw L. Baron
Trijntje Grooteboer
Klaas Brinkman
Geertje Vasse
Klaasje Meesters
Hennie Nijboer
Leida Bloemhof
Janske van der Sluis
Coby Apperlo
Jannie Jalving

57  
58  
59  
60  
61  
62  

63  
64  
65  
66  
67  
68  
69  
70  
71  
72  
73  
74  
75  
76  
77  
78  
79  
80  
81  
82  

Jopie Rumpf
Jannie van Ankum
Hennie Bloemhof
Sientje Rumpf
Femmie Rumpf
Grietje Prins
(niet zichtbaar)
Gerrit van de Kolk
Alie Bosch
Hannie Bouwhuis
Roelof Visscher
Henk Hulleman
Peter Bouwman
Rinie Bosch
Klaas Meijer
Albert Kruidhof
Bertus van Ankum
Wim van Beekhuizen
Asse Visscher
Gerrit Jan van Ankum
Meester Van Oosten
Jan Petter
Gerrit Hoogezand
… van Beekhuizen
Lucas Knol
Egbert Hekman
Jacob Bijker

83  
84  
85  
86  
87  
88  
89  
90  
91  
92  
93  
94  

95  
96  
97  
98  
99  
100  
101  
102  
103  
104  
105  
106  
107  
108  
 
 

Gerard Vasse
Roelof Bouwhuis
Jacob Klaassen
Willem Prins
Hilbert Bloemhof
Hen van der Sluis
Herman Aalbers
… Keiner
Jan Bosch
Henk Stroeve
… de Boer
… Bouwhuis (niet
zichtbaar)
Wolter Nijboer
Henk Compagner
Klaas Engbert Visscher
Evert Hulleman
Henk Vasse
Henk van der Sluis
Harm Jan
Boerman
Jan Bijker
Jacob Visscher
Bertus Bouwhuis
Gerrit Jan Vasse
Klaas Meesters
Arend van Ankum (?)

* * *

28 DAGEN VAREN II _________________________________________________________

J. Dijkman

Dinsdag 13 Mei.
Nog in de hangmat liggend, bemerk ik dat het weer op een heel andere voet is. De boot is ook aardig aan het deinen. Het bureau dat we eerst in de hut van Wmr. De Boer hadden, gelegen op het middenschip, wordt naar het achterdek verplaatst. Eerst ging het daar nog wel, maar zo langzamerhand werd het te gek. We werden allemaal licht in het hoofd en besloten maar weer naar de hut van de wachtmeester terug te gaan.
Voor de middag hebben we niks meer gedaan. ‘s Middags weer lekker dik gegeten. De wachtmeester pleegde nogmaals overleg om een ander bureau te krijgen, wat hem gelukte. We kregen nu een plaats op het voordek waar het vrij wat beter was.
De zee was me daar ook even onstuimig hoor, de boot was behoorlijk aan het deinen. Het was evenwel een machtig schouwspel van de woest aanrollende golven en de tamelijk rustige doch ietwat slingerende gang van het schip. lk had gelukkig geen last van zeeziekte, doch er hingen verscheiden jongens over de reling.
Tegen de avond werd de zee kalmer. Na het middageten moesten we aantreden voor de prikkenparade, die niet erg ordelijk was georganiseerd. Van twee tot drie uur aantreden voor het eerste tropentyphusspuitje. Tegen vier uur komt de Noord Afrikaanse kust in zicht. Een pracht gezicht dat landschap, rijk aan natuurschoon, zo plotseling uit de zee komend, met vlak er achter de hoge bergen met hier en daar passen. In de bergen blijkt veel bos te groeien; aan de kusten zijn duidelijk de groene vlakten te onderscheiden. Om ongeveer half negen passeerden we Algiers, weer zo'n gezicht als op Gibraltar, maar nu nog hoger oplopend, doch weer bij avond dat we het passeren.

Woensdag 14 Mei.
Ongeveer elf uur hebben we de derde sloepenrol. 's Middags is het weer Cadi uitreiken. Nu iets wat we maar een keer krijgen gedurende de reis namelijk: een tube tandpasta, tien scheermesjes, twee stukken zoutwaterzeep, een staafje scheerzeep, een pakje stroopwafels.
De gehele dag was het mistig, zodat er niks viel te onderscheiden; tegen de avond trok het weer op.
Vlak voor het middageten moesten we alien de sokken uittrekken voor voetinspectie. Veel slachtoffers waren er niet. In de avond komt er een onweersbui opzetten, geweldig lichten en rommelen, maar op zee kan het geen kwaad, naar de bemanning beweert. Een daarmee gepaard gaande stortbui dwingt ons binnen te blijven.

Donderdag 15 Mei. Hemelvaartsdag.
Alleen door het houden van een kerkdienst, maar anders merken we niet dat het een rustdag is. Ds. Bakker hield evenwel een prachtige boeiende preek. De morgen was zo om. Och de namiddag ging ook gauw want de post voor Port Said moest vandaag ingeleverd worden en aangezien ik nog haast niet had geschreven, was ik de tijd wel nodig. Voor de middag, om ongeveer elf uur, was de kust van Malta wazig te zien, het eiland in de oorlogvoering zeer bekend geworden. Anders ook al dezelfde belevenissen als alle dagen, soms passeert ons een enkel schip, maar dat is dan ook alles.
Het is wel vreemd Hemelvaartsdag op zee te vieren, maar toch de heerlijkheid te weten met velen, overal ter wereld toch saam te zijn vergaderd om te luisteren naar Gods Woord maakt veel goed. ‘s Avonds weer een dagsluiting, als gewoon goed bezocht.

Vrijdag 16 Mei.
Was gisteren de zee rustig, thans is ze weer vrij opsturig. Overdag niks te beleven of te zien. Tegen zes uur zien we plotseling vlak bij de boot twee zeiljachten, flink schommelend op de golven. Nee dat leek me toch niks, dan maar liever op de "Johan v. Old".
Voor het eerst grote wasdag gehouden, nou dat is iets als "schoenmaker blijf bij je leest", maar het gelukte toch. 's Nachts voor de open patrijspoorten en de andere morgen is alles kurkdroog.

Zaterdag 17 Mei.
Onder het eten deelt de gezagvoerder mede dat we in de nanacht Port Said zullen binnenvaren. Na de middagmaaltijd was het weer sigaretten uitreiken, hetzelfde rantsoen als voorgaande Zaterdag. ‘s Avonds half negen deelt de kapitein mede, dat het schip het bericht heeft ontvangen dat de "Oranje" goed en wel uit Port Said is vertrokken en ons tegen tien uur, half elf wel zal ontmoeten. Iets voor elf uur kwam ze in het zicht. Alle jongens gingen naar boven. Toen ze tegen elkaar waren brak een geweldig geschreeuw los, van beide kanten. De meesten wilden wel overstappen, maar daar hoefden we niet aan te denken. Eerst naar de tropen. Ongeveer half twaalf naar "de hangmat“.

Zondag 18 Mei.
Vroeg op, want een onsturige kies heeft me een bijna slapeloze nacht bezorgd. Ongeveer half zes lopen we Port Said binnen. Het schip ligt nog niet stil of er hebben zich al bootjes vast ge-enterd.
Ongeveer half zeven is de boot aan de ligplaats en van alle kanten komen de varende venters aanzetten. Er is al spoedig een drukke handel, maar tegen geweldig hoge prijzen. Velen zijn te dol en vliegen er in. Steeds komen er nieuwe bootjes bij, tegen elf uur liggen er wel 90 -100 bootjes om de "J. v.O.“ Een geschreeuw dat het is, de ene koopman heeft nog beter dan de andere, en maar aandienen. Van alles is er te krijgen, zoals: dadels, pinda‘s, snoep, chocola, sinaasappelen, bananen, ananas en dergelijke vruchten en niet te vergeten, veel lederartikelen als: portefeuille’s, handtassen, actetassen, reistassen en koffers. De prijzen worden geleidelijk aan lager. Wmr de Boer wou ‘s morgens een tas kopen, daar vroegen ze ƒ 45,--voor. Hij kreeg hem voor ƒ 20,--. Eenzelfde tas kocht ik ‘s middags voor ƒ 7,50, met een vraagprijs van ƒ 25,--.
De prijzen van de vruchten waren naar verhouding veel lager, maar daar viel ook niet aan af te dingen. Dadels in grote dozen ƒ 0,50 per stuk, sinaasappelen van middelmatige grootte zes voor ƒ 1,--. Ze hadden ook mooie geweven kleedjes bij zich, zeer mooi bewerkt, maar ook zeer mooie prijzen, waar ook niet aan af te dingen viel. Voor Engelse sigaretten kreeg je ook niet veel gedaan. Sommige jongens zetten hun Hollands geld om in Indisch, maar verscheidene liepen er in, doordat ze niet rekenden dat je ongeveer twee keer Indisch er voor kreeg. Een staaltje hiervan: een soldaat kocht iets voor ƒ 40,--, betaalde met een bankbiljet van ƒ 100,--en kreeg ƒ 60,-- Indisch terug. Daar was hij blij mee, maar had niet in de gaten, dat hij in Indië voor dat bankbiljet minstens ƒ 200,--kreeg.
Gisteren moesten we ons tropengoed aan doen, en dat komt ons nu wel goed uit. We kunnen vernemen dat we de tropen in gaan, een zoele temperatuur en geheel andere plantengroei, en zonder uitzondering bruin gebrande mensen.
Spoedig was de waterpolitie aan boord, in hun typische uniform en een taaltje, nou berg je maar op. Aan de ene kant tankt de boot water en aan de andere kant olie, tevens werd er groente en aardappels ingeladen.
Ook een mooi verschijnsel is het opduiken van toegeworpen zilvergeld, maar die jongens offeren hun gezondheid er voor op. Zinkstukjes uit de dagen van 6¼ lieten ze wel zinken, dat hadden ze zo door.


Twee van de vele bootjes die langszij lagen in Port Said, de een met lederwaren en de ander met fruit (foto J Dijkman).

Vlak voor het middageten werd de post uitgedeeld. Dat bracht allen weer op een ander thema. Het was maar nieuws over drie-vier dagen, maar toch waren allen even nieuwsgierig.
Geleidelijk aan wordt het aantal bootjes weer minder maar een 30-40 blijven wel liggen tot de boot vertrekt. Zes uur wordt de vlag tot vertrek gehesen, de politie gaat weer van boord, de gebruikelijke sirene stoten gegeven, ankers gelicht, kabels los gegooid en we stomen 't Suezkanaal in.
Vlak buiten Port Said krijgen we een streek vruchtbare cultuurgrond met tuinbouwgewassen te zien. Dit deed me denken aan een streek vlak bij Zwolle en ook bij Hoogeveen, maar ...... ‘t was toch wel even verder weg. Verderop was het een dor doods heuvelachtig gebied.
Tegen half tien kwam ons een grote Engelse boot uit Liverpool tegen, tien uur de "Sloterdijk" met gerepatrieerden uit Indië en daar vlak achter weer een Engelse boot “City of Lyons". Doordat er een te sterke golfslag ontstaat, die de kaden kapot slaat, moet een der boten stil gaan liggen en dit deed de "J.v.O." Daardoor kon je de passerende boot des te beter opnemen. Wat werd er gejoeld en geschreeuwd toen de Sloterdijk langs voer. Tegen half elf maar weer op "de jute", alhoewel de temperatuur eigenlijk te aangenaam is om in die bekrompen ruimten te gaan.

Maandag 19 Mei.
In de vroegte passeerden we Suez, gelegen in een natuurschoon arm, doch bergachtig gebied.
‘s Middags tegen half drie passeerden we de berg Sinaï, die wazig te zien was; de berg waar Mozes de Wet des Heeren op de stenen tafelen schreef. Bij de dagsluiting hield Ds Bakker naar aanleiding van dit feit een predicatie over Exodus 14.
Ongeveer vijf uur gingen we de Roode Zee in. Een gezegde van Wmr de Boer: "Je zweet je de klerus", wat een feit is hoor.
Om tien uur ging ik weer naar de hangmat, in onderbroekje en zonder deken, en nog lag ik te zweten. Verscheiden jongens gingen op de dekken slapen, maar dat leek me ook niks op die harde planken.

Dinsdag 20 Mei.
Nog maar net van "de jute" of daar komen de eerste zweetdruppels al weer aan. Je wast je en droogt je af, maar het helpt niks. Daarbij is het waswater ook nog lauw. Het is gelukkig maar voor een paar dagen, dan wordt het weer beter. Zo is het ook geen twee jaar vol te houden. We moesten weer snoep uitgeven, maar dat ging echt op z'n elf en dertigsten. ‘s Middags kregen we het tweede spuitje voor tropentyphus. Plotseling zien we de springende dolfijnen. Ze zwemmen vlak aan de oppervlakte van het water en worden er dan door de golfslag bovenuit gegooid om er net zo gauw weer onder te schieten, gehele scholen achter elkaar. Jammer genoeg vergat ik om er een foto van te nemen.
Zo'n vis in de pot, nou verlang je het eerste halfjaar geen vis weer, zoveel zit er wel aan te bikken.

Woensdag 21 Mei.
Ook al niks te beleven. ‘s Avonds met Feddie Huisman nog eens nageboomd over het inschepingsverlof en wat dies meer zij. Er woei een lekkere wind en het was aangenaam de gebeurtenissen nog eens de revue te laten passeren, de een had dit en de ander dat.



Twee keer Klaas Bonen, links in militair- en rechts in tropenuniform (foto’s L. Dijkman).

* * *

EINDE VAN EEN TIJDPERK II _________________________________________________________

ETIO

Nieuwleusen is duidelijk een agrarische gemeente. In 1950 was van de 3.952 ha. grondoppervlak van de gemeente 3.919 ha. cultuurgrond in gebruik. In 1939 was er al geen woeste grond meer aanwezig, maar toen was er nog 150 ha. minder als cultuurgrond in gebruik en dat getal zal door woningbouw, sportterreinen zijn toegenomen, zodat gesteld kan worden dat boeren in Nieuwleusen ook veel grond buiten de gemeentegrenzen in gebruik hebben.
De groei van de veestapel is in bijna 90 jaar ook aanzienlijk veranderd:

Soort:

Rundvee
Schapen
Varkens
Hoenders

1870

1645
2209
733
1945

1890

2204
1540
2980
4600

1909

2825
505
1988
-

1919

3512
81
2234
-

1938

6513
51
3393
30457

1959

6768
35
3381
30127

Duidelijk is te zien dat na 1925 (verkaveling, ontginning en waterbeheersing) een grote toename ontstond. De veebezetting is dan in Nieuwleusen vrij hoog, gezien het betrekkelijk kleine areaal bouwland, dat ook voor een deel van het veevoer moet zorgen. Het aantal schapen, die vroeger nodig waren voor de mest, neemt af nu kunstmest wordt gebruikt en de heidevelden grotendeels zijn ontgonnen. Er zijn minder kippen dan in andere gemeenten. Een belemmering voor grootschalige kippenteelt is waarschijnlijk de grote vochtigheid op veel plaatsen. (Betere afwatering na de 2e ruilverkaveling bracht daar verandering in en later nam de kippenteelt inderdaad snel toe.)
De bedrijven waren klein en er waren door de wateroverlast dikwijls mislukte oogsten. Toch kende de gemeente geen armlastigen, doordat elke inwoner praktisch bij de landbouw betrokken was en men zich met een zeer sober bestaan tevreden stelde.
Volgens de beroepstellingen waren in 1930 1428 personen = 74,7% en in 1947 1476 personen = 67,5% werkzaam in de landbouw. De totale beroepsbevolking steeg tussen 1930 en 1947 met 20,3%, de mannelijke agrarische beroepsbevolking slechts met 8,1%. In die tijd steeg de omvang cultuurgrond met bijna 700 ha., zodat per agrariër meer grond ter beschikking was gekomen; aantal mannen per 100 ha. cultuurgrond werkzaam: 1930 = 26,3 - 1947 = 23.
De gemiddelde bedrijfsgrootte in de gemeente was bijzonder laag en bedroeg in: 1921 = 6,17 ha. - 1930 = 6,37 ha. - 1947 = 6,73 ha.
In 1902 werd de eerste landbouwcursus gegeven en men ging meer aandacht besteden aan de kwaliteit van het vee. Toch hebben over het algemeen de agrariërs in Nieuwleusen niet dat initiatief dat van hen verwacht mag worden. Nieuwe methoden in de landbouw vinden slechts aarzelend ingang, de melk- en landbouwcursussen worden slecht bezocht, over de waterbeheersing bekommert men zich nauwelijks, na de eerste ruilverkaveling verkocht men voor weinig geld de vruchtbare grond aldaar, die zo in vreemde handen overging. Door de traditionele werkmethoden, die meer werk vergen, is de bezetting per bedrijf veel te zwaar geworden. Op de kleine bedrijven heeft men soms juist weinig bouwland omdat die te bewerkelijk is, waardoor er dan niet genoeg tijd over is om er wat bij te verdienen. Nevenberoepen brachten wel enige verlichting, maar toch neemt het aantal mensen toe dat de gemeente moet verlaten. Vooral nu er geen uitbreiding van cultuurgrond meer mogelijk is, gaan de moeilijkheden zich openbaren. Vooral kleine bedrijven hebben die te overwinnen, omdat toch minimaal een arbeidskracht aanwezig moet zijn. Anderzijds is er, als de vader nog het bedrijf voert, geen plaats meer voor kinderen. Willen kinderen toch opvolgen, dan moeten ze eerst een aantal jaren het bedrijf verlaten.
Intensivering van de bedrijven of nevenberoepen zijn nodig en daarom is industrie nodig, nu lichamelijke arbeid zoals bij ontginningen (de Ned. Heidemij had hier uit Nieuwleusen doorlopend 60 tot 70 kleine boeren of zoons hiervan als arbeiders in dienst), melkrijden en seizoenarbeid steeds minder nodig is. Toch gaan de zonen van kleine boeren hier liever naar de werkverschaffing (ook die aantallen zijn hier laag) dan naar de fabriek; de uitdrukking ‘liever kleine baas dan grote knecht' is hier een staande uitdrukking.
In 1950 werken er 48 inwoners bij de Union (totaal aantal werknemers 145) en 32 bij Nestradi (totaal aantal werknemers 124). (Nestradi is een metaalfabriek - nevenvestiging van een bedrijf uit Apeldoorn, dat vooral raamkozijnen maakt en omstreeks 1952 hier het bedrijf heeft gesloten. De fabriek stond in Den Hulst - op grond van de gemeente Staphorst).
Er moet weer meer bouwland komen om zelf krachtvoer voor het vee te verbouwen - (de maisteelt is hiervan later een voorbeeld) de ruilverkaveling kan met betere grond daarin voorzien, en kruidenteelt zal hier zeer geschikt zijn door de grote vochthoudendheid van de bodem. In de ruilverkaveling ligt ongeveer 4000 ha cultuurgrond, waarvan 40 tot 50% voor herontginning in aanmerking komt, waarvan 1500 ha in de gemeente. Ook graslandverbetering moet aandacht krijgen en voorlichting en vakonderwijs is gewenst. Er zal een grotere afvloeiing in de landbouwbedrijven komen en dus zal er een arbeidsoverschot ontstaan. Er zal daarom een betere beroepskeuzevoorlichting voor de jongeren moeten komen.
Door de ligging van de gemeente zijn de mensen niet met industriële arbeid vertrouwd geraakt en hebben zich hier geen (veen)arbeiders gevestigd. Een goede vakopleiding voor industriële arbeid is voor de bevolking een eerste vereiste. In 1949 ontvingen 6, in 1950 10 en in 1951 14 leerlingen het ambachtsschooldiploma; 13 daarvan kwamen in een ambachtsbedrijf in de gemeente terecht, voor het merendeel in het bedrijf van de vader. In 1952 bezochten 32 jongens ambachtsscholen. De oogst van geschoold personeel voor primaire industrie uit de gemeente voor de gemeente is dus wel heel schamel geweest.
Dit houdt niet in dat de gemeente niet nu al maatregelen moet treffen om op bescheiden schaal de mogelijkheden voor industrie-vestiging onder ogen te zien door op een geschikt terrein beslag te leggen. Dit terrein zal dan in Den Hulst aan de Dedemsvaart gelegen moeten zijn. In dit gedeelte van de gemeente bestaat reeds de grootste animo voor industriële arbeid, terwijl goed vaarwater aanwezig is, met op niet al te grote afstand het station Dedemsvaart. Tevens zal hier geen natuurschoon door het aanleggen van een industrieterrein geschaad worden.


Jaargang 18 nummer 4 december 2000

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Op 25 september 2000 kreeg Grietje Kreule-Kok de versierselen behorende bij haar benoeming tot Lid in de Orde van Oranje-Nassau opgespeld door burgemeester Arend ten Oever.

* * *

KONINKLIJKE ONDERSCHEIDING _________________________________________________________

Op maandagavond 25 september j.l. stroomde de zaal bij de Ontmoetingskerk in een mum van tijd vol. De ruimte die gereserveerd was voor de gasten die later zouden binnenkomen, was al snel ingenomen door de leden die kwamen om de laatste aanwinsten van de dia's te bekijken. Zowel van de gasten als van de bijzondere gebeurtenis die op deze avond zou plaatsvinden, wist bijna niemand, ook de persoon waar het allemaal om draaide was niet op de hoogte gesteld. Het hoogtepunt van de avond was in het grootste geheim voorbereid en gelukkig niet uitgelekt.

Toen de tijd daar was, werden de gasten uitgenodigd ook in de zaal te komen. De verbazing was alom groot. Met enige moeite vonden allen een plaatsje en kreeg burgemeester Arend ten Oever het woord. Uit zijn inleidend verhaal bleek al snel dat Grietje Kreule-Kok de persoon was waar alles om draaide. Voor het vele verdienstelijke werk dat zij vanaf haar jeugd voor diverse organisaties had gedaan, werd zij benoemd tot Lid in de Orde van Oranje-Nassau. Zo was zij leidster van een meisjesclub van de Zondagsschool, diaken van de Hervormde Gemeente en leidster van de Hervormde Vrouwendienst en is ze nog vrijwilligster van de kerktelefoon van de Hervormde Gemeente, bestuurslid van de Stichting Welzijn Ouderen en natuurlijk vanaf de oprichting actief betrokken bij onze vereniging. Voor dat alles kreeg zij ter gelegenheid van het bereiken van de pensioengerechtigde leeftijd door burgemeester Ten Oever deze onderscheiding opgespeld.
De voorzitter van de Historische Vereniging zei in zijn felicitatie dat hij van mening was dat zowel Grietje als haar man Arend de onderscheiding beiden hadden verdiend. Hij zei verder er van overtuigd te zijn dat het vele werk dat beiden voor onze vereniging hebben gedaan, waardevol is geweest en dat ook in de toekomst zal blijken te zijn.
Op de vraag die een verslaggever de volgende dag aan Grietje stelde of zij het nu wat rustiger aan ging doen, antwoordde zij:
"Nee hoor, waarom zou ik nu stoppen, ik ga gewoon door want ik beleef er zelf ook heel veel plezier aan.”


Grietje wordt namens "Nijluusn van vrogger" in de bloemetjes gezet door voorzitter Jakob de Weerd.

Een week later werd Grietje nog eens in de bloemetjes gezet door de zanggroep van de vereniging. De hierna opgenomen begeleidende dichtregels van Jan Brinkman verwoorden nog eens de feestelijke avond van de 25ste.

GRIETJE
Vieventwintig september, dia‘s kieken
Alles mus daor die aovend veur wieken
Wi'j gaot naor Ni'j|uusn veur plaaties
De zaal zit al vol, d'r waren echt gien gaaties
Ach zo‘n vergadering veuruut det mos wel even
Toen zingen, een vassien of wat, det hebbe wi'j dan ok nog wel even egeven
Dan bi'j eigenlijk an de kof?e toe, maor mis heur,
De veurzitter zeg: der staot nog een hieleboel volk veur de deur
‘s Jonge, jonge wat een spektakel,
daor kump mi'j een stoot volk binnen, ‘t was gewoon een merakel
Een kerel met een zulvern ketting um de nekke,
Det was veur oes toch ok wel arg van de gekke
Maor daor was dan ok lange alles nog niet mee bekeken
Want der was ok nog een kleintien bi'j, zo van te naostebi'j drie weken
Wat was der toch te doen, vanaovend zo veur in de weke?
De burgemeister heult hier eem een hele mooie preke
Hi'j mus ene Grietje Kreule-Kok hebben, zo zede
De koniginne had hum opedraogen det hi'j heur met een lintien mus behagen
Veur al het wark waor zi'j iederiene altied in veur hef egaon
En wat ze veur de gemienschap op Ni'j|uusn allemaole wel hef edaon
Het is heel moeiluk det allemaoi nog op te zeggen
En wi'j zult oes dan ok maor bi'j ‘t verhaal van de Burgervader neerleggen
Veur oese zanggroep echter nog wel even dat
Want zi'j is oese praotvrouwe en det is toch ok nog wel even heel wat
Grietje, a'k oe zo numen magge, wat was ‘t een mooie aovund veur oe en oen man
Want det is der toch ok wel iene die oe aoveral mee helpen kan
Jullie hebt het ok wel verdiend det is zeker waor
Wantj ullie samen staot toch ok altied veur iederene klaor.
Wi'j as zanggroep wilt jullie dan ok graag met een bloempien eren
En det zonder stikkels, dan keuj oe niet bezeren
Grietje en Arend nog van harte gefeliciteerd met deze koninklijke onderscheiding
En doe zo deur, dan koom ie veur andere dingen vast niet in verleiding.

* * *

28 DAGEN VAREN III _________________________________________________________

J. Dijkman

Donderdag 22 Mei.
Om elf uur v.m. komen aan beide zijden van het schip de kusten weer beter in het zicht ten teken dat we Aden naderen en daarbij, dat we de Rode Zee spoedig weer uitgaan. Gelukkig wel.
Of het komt doordat de zee daar ondieper is of zoiets, weet ik niet, maar op een gegeven moment is het water op de centimeter af groen gekleurd in plaats van mooi hemelsblauw. Ook hier en daar van die lichte streken over het water, vermoedelijk opgestoven woestijnzand, in streken door de wind over het water verdeeld. Na de middag draait het schip bij en gaan we dus de Rode Zee uit.


Het bureaupersoneel aan boord van de "Johan van Oldenbarnevelt": YD. Hobma, K. Brandsma, Wmr J.R. de Boer en de schrijver van het dagboek Jan Dijkman (staand rechts).

Weer een periode dat we niks dan water rondom zien. Maar dit dan toch maar liever dan die warmte die we nu meegemaakt hebben. Nu kan de wind je weer raken.
Voor de tweede keer sinds het vertrek uit Amsterdam, etenhaler.
Met z'n tweeën moet je dan voor je tafel eten halen, d.w.z. om zeven uur brood, koffie en bijbehorend, elf uur limonade, twaalf uur aardappels, pudding enz., half vier thee, zes uur brood e.d., negen uur limonade. Tevens moet je de nodige etensblikken afwassen en de tafel schoonmaken. Om de negen dagen heb je dit karweitje aan je been. Tegen elf uur kwam op het B-dek (waar het bureau is) een gezellig clubje onder leiding van een kornet en met begeleiding van een gitaar, echte Hollandse liedjes zingen.
Nou dat mocht er wezen.
Bij het eten krijg je soms rare mengsels te slikken: zo vanmiddag: augurken, bieten, wortels, uien en nog één of ander groente. Eerst kijk je er wat vreemd tegen aan. Maar proeven is kopen en zo ook dit.
De temperatuur is nu aangenaam. Aan stuurboordzijde, in het zonnetje is het nog zweten, maar aan bakboord staat een lekker koel windje.

Zaterdag 24 Mei.
Als gewoon weer sigaretten uitgegeven. Anders ook al weinig nieuws. Af en toe zien we hele groepjes vliegende visjes over het water scheren. Zo af en toe hadden we er eens enkele gezien, maar zoveel als er nu bij elkaar zijn, was toch weer wat nieuws.

Zondag 25 Mei. Pinksteren 1947.
Heerlijk vroeg van "de jute", gauw wassen en kleden en dan een uurtje aan de reling, in de morgenkoelte, doet je goed. Om zeven uur weer naar beneden, maar ook zo gauw mogelijk weer naar boven, want in de ruimen is het niks.
Om tien uur naar de kerkdienst op het hoogste dek van het schip, lekker fris. Ds. Bakker hield een pracht predicatie over het Pinkstergebeuren. Ik mag hem graag horen, hij spreekt zo eenvoudig, doch recht op de man af. In zo'n anderhalf uur ben je echt weer in een Zondagse sfeer, want anders merkje er ook niks van, het werk is alle dagen gelijk en steeds hetzelfde gerommel en geroezemoes.
Na het eten heb ik enkele brieven geschreven. Wachtmeester de Boer meende vanmiddag eens te moeten zonnebaden. Tegen vijf uur kwam hij bij me en vroeg of ik even met hem meeging naar zijn hut om zijn rug in de Zwitsal huidcrème te zetten. Nou zijn velletje was flink rood gekleurd en lekker heet. Daar zal hij nog wel plezier van hebben. Je bent ook maar overal goed voor. Ik zal hem morgen echter aanraden het nog eens over te doen. Als gewoon weer naar de dagsluiting.

Maandag 26 Mei.
Bij het eten een nieuwe regeling getroffen. Officieel was het zeven uur eten. Eerst waren allen op tijd aanwezig, maar zo langzamerhand was om zo ongeveer zeven uur de helft present en geleidelijk aan kwamen ze binnen, tegen half acht de laatsten. Als dan eens de koffie of iets dergelijks op was, dan nog een grote mond toe opscheuren. Thans is het zo gemaakt: zeven uur aanwezig, kom je een tien minuten - kwartier te laat, dan loop je het risico dat alles verdeeld is en heb je niks te zeggen. Het heeft goed geholpen, maar toch nog met enkelen die het slachtoffer werden. Alleen voor ziekenrapport en kerkdienst, anders kennen we geen pardon.


De vijf jongens uit Nieuwleusen op de "Johan van Oldenbarnevelt". Vlnr. Staand: Klaas Bonen en Jan de Bruin, zittend: Jan Dijkman. Feddie Huisman en Bé Schuurman.

Om half tien weer naar de kerkdienst.
Na het eten weer snoep uitreiken, waar weer anderhalf uur mee gemoeid gaat. Maar zo willen de dagen nog wel om, als er maar wat te doen valt. En daar hebben we niet over te klagen. Het gaat wel niet zo hard, maar dat kan ook niet, want dan zweet je meer dan je lief is en daarmee een dorst dat niet mooi meer is.

Dinsdag 27 Mei.
Een kleine uitzondering op de regel van steeds water rondom. Tegen tien uur komen een groot aantal eilandjes in zicht, een 25 kan ik er zo tellen. Naar de kapitein mededeelt moeten het er wel 100 zijn. Er moet een zeer ongezond klimaat zijn. De meeste zijn wel bewoond, maar de mensen worden er niet oud. Ze zijn alle dichtbegroeid. Van elf tot twaalf uur een interessante lezing over fotografie bijgewoond.
‘s Middags het derde tropentyphus-spuitje. Voorgaande keren had ik er weinig last van, maar nu is mijn linkerarm aardig opgezwollen en stijf en zodoende slecht te buigen.
Vanavond een paar partijtjes gedamd tegen wachtmeester de Boer. Een paar spannende partijtjes. We wilden elkaar "de vlooien" afvangen, maar geen van beiden ging het vlot af.

Woensdag 28 Mei.
‘s Morgens wordt van "de brug" medegedeeld dat we in de loop van de middag Ceylon zullen passeren. We schieten al aardig in de richting. Mijn linkerarm is weer een beetje tot het normale teruggekomen.
Tegen half vier varen we langs Ceylon. Hoe dichter we op Java aangaan hoe meer klimaat en begroeiing veranderen. Ook op Ceylon zou ik wel eens een kijkje willen nemen. Af en toe trekt er een dikke regenbui over die alles de ruimen indrijft.

Donderdag 29 Mei.
Om ongeveer negen uur passeert ons in de verte een schip. De gezagvoerder deelt mede dat het de "Nieuw Holland“ is. Dit schip heeft de kwartiermakers van de 2e divisie naar Indië gebracht en gaat nu met gerepatrieerden terug.
Vandaag is het helemaal erg met het water, van voren, opzij, van achteren, van onderen en van boven water. Het regent aan één stuk door. Maar we zitten achter het glas en kunnen er rustig om doorwerken. Er valt buiten toch niks te zien. Alleen voor de jongens is het vervelend want ze moeten in de ruimen blijven.

Vrijdag 30 Mei.
Vandaag weer het rantsoen sigaretten uitgereikt en tevens f 1,50 om Sabang in te gaan. Voor het eerst krijgen we kinine-tabletten. Nou dat is lekker spul hoor. Bitter als gal. Maar ja, toch maar liever een gekke smaak in de mond dan die vervelende ziekte. Opgewekt gingen we naar bed, want morgen konden we dan eens weer voet op vaste grond zetten.

Zaterdag 31 Mei.
Vroeg op, want het binnenlopen van Sabang willen we graag zien. Ongeveer half zeven varen we de baai in en tegen half negen ligt de boot aan de kade. Wat een pracht gezicht de eerste aanblik op die streek.
Van te voren was bekend gemaakt dat we onder geleide van de wachtmeesters de streek zouden mogen doortrekken en wel per tien jongens een wachtmeester. Om negen uur werd met de ontscheping begonnen, maar de groepjes bij elkaar gevoegd, waren gauw van de wachtmeesters afgedwaald. Trouwens die voelden er ook niet veel voor om als oppassers te spelen. De een wou dit en de ander dat eens bekijken. Met een man of acht gingen we eerst eens langs de hoofdwegen. Een eindje lopen en we kwamen al enkele cocosnotenplukkers tegen, die tegen zoiets als vijf sigaretten je graag een noot wilden plukken. Nou dat sap was overheerlijk, maar het vlees kon ik niet erg waarderen. Zo door dwalend kwamen we bij het voetbalterrein terecht, waar een elftal van de "J. van Old." tegen dat van Sabang zou spelen, welke wedstrijd we hebben gevolgd. Vanmorgen, voor we van de boot gingen, was ons een zgn. lunchpakket meegegeven, wat we daarna maar even naar binnen hebben gewerkt. Zo door dwalend raakten we op een pasar (markt) terecht. Eerst even rondneuzen of er nog wat van onze gading was, maar er hing zo'n walgelijke geur, dat ons het kopen gauw over was. Maar weer verder en we kwamen venters met bananen tegen. Dikke trossen van wel 16 stuks voor 50 cent, nou daar hebben we er verscheidene van naar binnen gewerkt. Zo doorlopend raakten we in een arme buurt verzeild. Nou daar was het me wat moois hoor. Niet veel fraais.
Maar ook de gewone dingen als bij ons kwamen we er tegen. Kloek met kuikens, honden, katten. De laatste echter waren meestal gecoupeerd, net zulke speelgoed belg paardjes. Ook een enkele karbouw aan de lijn, maar niet in grote getale. Iets verder op ontmoetten we een groepje knikkerende kinderen omringd door belangstellende soldaten.
Van enkele halfbloeden vernamen we waar mooie bezienswaardigheden te vinden waren.
Verder sukkelend, kwamen we een blank jongetje tegen, dat zeer spraakzaam was. Hij nodigde ons uit om de dorst maar even te lessen, wat we gaarne wilden, want na al die omzwervingen en vreetpartijtjes, waren de kelen wel droog geworden. Dat was een nette deugdelijke en gerieflijke woning, niet luxueus, maar netjes onderhouden. Hij was vol belangstelling voor Holland. Binnenkort hoopte hij zijn grootmoeder in Holland te bezoeken.
Weer verder en we kwamen aan het strand terecht, d.w.z. met drie man, de andere vijf wilden maar weer terug naar het schip. Jan Bloem was zo warm dat hij het nodig oordeelde om even te zwemmen. Maar het was niet zo lang, want half vijf moesten we weer aan boord zijn, omdat om zes uur de boot weer verder zou gaan en daar we helemaal aan de andere kant van het eiland zaten, de tijd aardig op schoot, was het haast je rep je. Tamelijk op tijd waren we weer aan boord. Om vijf uur werd medegedeeld dat het vertrek was uitgesteld tot morgenmiddag twaalf uur. Velen gingen weer van boord, maar ik voelde er niks voor, ‘k had al genoeg gezien.
Om tien voor zes komt er een Rode Kruis auto vlak aan de boot om een patiënt over te brengen. Zeker één die te veel van het goede heeft genomen en dan ben je er ellendig aan toe.
Vaak is er ons op gewezen toch niet te veel op de markt te kopen, vanwege de zindelijkheid. Nou daar weet ik van mee te praten. Op de pasar waren vissen te koop, lekker in de zon liggend, overdekt met bromvliegen, een lekkere rottende lucht verspreidend. Nou eet ze.
Maar .... alles niet over een kam geschoren hoor, want er waren ook zeker nette zakenlui met prima waar te vinden.
Alles was er te koop: pinda's, bananen, ananas, vruchten, allerhande baksels, timmergerei, tabak, sigaretten, vulpennen enz., limonade en alcoholische dranken en noem maar op.
Net als in Port Said alles stinkend duur, maar de meeste jongens hebben in Port Said al enige ervaring opgedaan, dat kun je goed merken. En zoveel centen hadden de meesten ook niet meer om gekke sprongen te maken.
Werkelijk vermoeid van al het zwerven ben ik om negen uur op de hangmat gegaan.


Deze foto, genomen vanaf het B-dek van de "Johan van Oldenbarnevelt' laat de haven van Sabang zien.

Zondag 1 Juni.
Tot half twaalf konden we nog weer van boord gaan, maar ik had er geen belang bij. Half twaalf één lange stoot op de sirene, ten teken dat we weer gingen vertrekken; alles was ook weer aan boord gekomen inmiddels.
Kwart voor twaalf twee stoten, de ankers werden gelicht, de kabels weer los en twee sleepbootjes duwden de boot van de kade, wat de "Johan" zelf niet kon, door de grote golfslag die dan ontstond en de kade kapot zou slaan.
Tegen half een was ze zo ver weggedrukt, dat ze het zelf kon overnemen en daar gingen we de laatste trap naar Java, nog aangenaam nakaartend over de belevenissen op Sabang. We gingen langs een prachtige kust.
's Avonds weer naar de dagsluiting, die een speciaal karakter had, omdat er afscheid werd genomen van de 33 Comp. A.A.T. die morgen in Medan van boord zal gaan.
De troepenofficier van het schip sprak een kort woord, waarna Ds. Bakker een prachtpredicatie hield en de jongens nog eens wees op de gevaren die ze tegemoet zullen gaan. Als slot werd gezamenlijk het Wilhelmus gezongen.

Maandag 2 Juni.
Tegen elf uur zouden de jongens van de 33 Cie. A.A.T. in volle zee overstappen. Tegen die tijd kwam een boot, de "Zeearend", langszij liggen. Maar er kon niets van komen, er was te veel deining tussen beide schepen. Daarom moesten we eerst dichter op de kust aan.
De "Zeearend" had geïnterneerde Duitse vrouwen en kinderen aan boord, die de "Johan v. Old." over moest nemen. Eerst mee naar Batavia en dan terug naar Hamburg, via Engeland.
Om ongeveer half twee waren we zover de kust genaderd dat de overstapping plaats kon hebben. Toen alle jongens, waaronder ook Jan de Bruin, van boord waren, zette een grammofoon het Wilhelmus in en alles stond correct in de houding. De "Zeearend" maakte zich los, draaide voor de "Johan v. Old." langs en daar gingen onze vrienden de rimboe in.
Tegen half drie ging de "Johan" ook weer verder, langs de prachtige kuststreek van Malakka.
Tegen vijf uur kwam voor mij de grootste verrassing van de dag. De kapitein kwam bij me en zei dat ik met ingang van 1 Juni bevorderd was tot soldaat 1e klas. Het was een echte verrassing voor mij want dat had ik niet verwacht.
‘s Avonds hebben we een damcompetitie ingezet met z’n vijven van het bureaupersoneel.

Dinsdag 3 Juni.
‘s Morgens halfvijf al uit de hangmat. Ik kon eerst gisteravond niet in slaap komen, toen nog ieder ogenblik wakker. Dan er maar vroeg uit. Tegen vijf uur was ik klaar, naar boven en lekker twee uur aan de reling gezeten in de morgenkoelte.
‘s Middags moesten de benodigdheden en boeken en verdere rotzooi weer ingepakt worden. Zodoende hadden we de laatste twee dagen geen werk meer.
's Avonds de damcompetitie voortgezet.
Vannacht zullen we de evenaar passeren, maar van die plechtigheid met Neptunus aan boord zullen we niet veel vernemen, want de laatste troepenreis waren er zoveel armen en benen gekneusd en gebroken, dat ze het niet meer aandurfden. Ik vind het wel jammer, want zoiets had ik wel een keer mee willen maken. Afijn misschien dat het op de terugreis nog gelukken zal.

Woensdag 4 Juni.
's Morgens de tijd wat doorgebracht met brieven schrijven en het diploma van Neptunus werd ons uitgereikt.
‘s Middags hadden we inspectie over de bagage. lk was niet erg te spreken over deze klinkklare onzin, de gehele middag schoot er bij in. Degene die wat gejat had, had het toch wel verborgen. ‘s Avonds hadden we de laatste dagsluiting aan boord, die geweldig mooi was. Ds. Bakker sprak een geweldig mooi bemoedigend woord. ‘s Middags tegen half vijf passeerden we Singapore, de stad op het uiteinde van Malakka. Een geweldig mooi gezicht zo‘n grote stad vlak aan de zee. Tegenover de stad ligt een Hollands eilandje. ln die haven lag de "Boissevain" gemeerd, de boot die ons eerst op 25 april naar de tropen zou brengen.
Vanavond voor de laatste keer naar de hangmat, morgen zal ons wel een veldbed met klamboe wachten. De jongens waren allemaal in een goede stemming want allen verlangden er naar om aan land te gaan. We hebben nu lang genoeg water gezien.


Toen de "Johan van OIdenbarnevelt" in de haven van Batavia, Tandjoeng Priok, goed en wel vast lag, kwam de Nederlandse boot "Tjisadane" ook binnen.

Donderdag 5 Juni.
Om half vijf was ik er weer uit. Zo gauw het mogelijk was wou ik de eerste tekens van Java zien. Toen ik aan het dek kwam was de vuurtoren al te zien. Tegen half negen varen we de haven van Tandjong Priok binnen en lagen al gauw aan de kade. Direct kwam de post aan boord. Daarmee hadden wij weer werk, want alles moest nog uitgezocht worden. Wat een stapel. Dat heeft wat zweet gekost. Er waren er drie voor mij bij. Onderwijl speelde op de kade weer een muziekkorps.
Ongeveer half tien moesten we ons hebben en houden verzamelen om ontscheept te worden, wat tegen tien uur gelukte, gezakt en gepakt. Eerst kwamen we in een grote overkapping waar ons een busje bier en tien sigaretten werden verstrekt.
Vervolgens ging het op gereedstaande auto's, met 15 man erop, lustig zingend, door Batavia naar het doorgangskamp Meester Cornelis. De omgeving waar we langs kwamen deed nog echt Hollands aan. Je zag haast geen palmen. Het leek hier lang zo tropisch niet als in Sabang.


Evenals bij het vertrek in Amsterdam speelde ook bij aankomst in Batavia een muziekkorps op de kade.

Rap waren we in het doorgangskamp gearriveerd. Daar was alles ook goed georganiseerd en hadden we gauw de barak te pakken, waar we voorlopig moeten pleisteren. Ik was nog maar goed en wel in de box of daar komt me Jan Prins al aan. Hij had me aan de boot opgewacht, maar nergens gezien en was me nu op goed geluk nagereisd en met succes. Nou dat was een hartelijk weerzien. Veel hadden we elkaar te vertellen. Hij van hetgeen ie al beleefd had en ik van de laatste nieuwtjes uit Nieuwleusen. De tijd vloog om. Het was zo etenstijd en toen hebben we weer eens samen gegeten, zij het een andere maaltijd dan in Holland.
‘s Middags tegen half drie - drie uur moest hij weer terug naar Buitenzorg. Maar hij zou me spoedig nog eens weer opzoeken. Zo nu zet ik er een punt achter, het is niet meer bij te houden.


Jan Dijkman, de schrijver van '28 dagen varen' in zijn zondagse pak in de Berenlaan in Meester Cornelis. Links op de foto de keuken van het kamp.
Alle foto's bij de serie over de reis naar Nederlands Indië zijn van de schrijver.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Bij het afscheid van de gemeente Nieuwleusen kijken we nog even terug naar een reisje dat het gemeentepersoneel omstreeks 1960 maakte naar Zuid-Limburg. Daar werd de groepsfoto gemaakt die we hier opnemen.



1  
2  

3  
4  
5  
6  
7  

8  
9  
10  
11  
12  
13  

Gerrit Jan Wink
Lambertus Marinus
Kerkdijk
J. van de Kolk
Roelie Jonkman
mevr. van Holten
mevr. Wink-Bosman
Jentje Kerkdijk-
Oosterveen
Gerrit Luten
Janna Mijnheer
Margje Luten-Seine
Jo van Veen
Hendrik Mijnheer
Gerard Krol

14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  

26  
27  

Sika Meijerink
Jan Reuvers
Henk Meijerink
Eduard Hendrik Mulder
H. Katoele

Gerda Bosgraaf-Luten
Jan Willem Huzen
mevr. Katoele
Wicher Bosgraaf
Jan Thijs Seine
Jentje van Spijker-Bouwman
Hendrik Luten
Arend van Spijker

28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
 

Evert van Holten
Klaas van Veen
Mevr. G. Vos
Hendrik Muller
mevr. Muller
Nanne Vos
Miny Veerman
Marie Brassien-Brouwer
Klaas Brassien
Henny Westerman
Evelien Krol
Teus van de Brink
Albert Jonkman
Willem Wienen

* * *

HERINNERINGEN VAN EEN SCHOOLMEESTER V _________________________________________________________

A. Visser

Toen ik op een avond weer op ouderbezoek zou gaan, moest ik naar een boerderij aan de Schapendrift (nu Schapendijk). Het was aardedonker! Straatverlichting was in Den Hulst al schaars en in het buitengebied moest je de weg maar zien te vinden!
lk vond gelukkig de goede weg - misschien was het wel volle maan, want anders ging je niet van huis, want dan verdwaalde je zeker in het donker - en vond de baanderdeur. In de grote deur vond ik het veel kleinere deurtje en stond op een donkere deel. Er kierde licht bij een deur die toegang gaf naar de woonkeuken en daar moest ik dan maar op af en aankloppen Maar zover kwam ik nog niet, want vanuit de keuken, waar de familie bijeen was, kwam mij een groot getier en geschreeuw ter ore. Het werd mij al gauw duidelijk dat de vader van het gezin hooglopende ruzie had met een van de grote jongens. Het ging over de vraag wat mocht en wat niet mocht. Pa was woedend omdat, als hij wat ging verbieden, die koppige jongeman hem dan telkens weer de vraag stelde: ‘En woarumme mag dat dan niet?’ Op die vraag kon pa dan zo gauw geen antwoord geven en dan begon het geschreeuw en getier opnieuw. Op een gegeven moment liep het helemaal uit de hand en werd het slaande ruzie! Ik had daar al een poosje op die donkere deel gestaan en wist niet goed hoe te handelen. Stiekem weggaan was wel de gemakkelijkste oplossing, maar wie weet wat daar binnen nog meer zou gaan gebeuren. Ik trok de stoute schoenen aan en sloeg hard op de keukendeur. Het werd daar binnen heel erg stil en na een poosje hoorde ik een stem die riep: ‘Ja, kom mar wieder!’ Binnen vond ik de voltallige familie een beetje stilletjes zaten ze allemaal om de ronde tafel. Het gesprek kwam een beetje moeilijk op gang, maar toen een van de grote jongens er tussen uit kneep, klaarde de lucht een beetje op. Natuurlijk vroeg er niemand of ik soms iets had gehoord van die knallende ruzie!
Ja, ook in die tijd (1947) wilde de jeugd al graag op eigen benen staan en zelf beslissen wat goed is en wat niet goed is, wat kan en wat niet kan en meestal kwamen hun principes niet overeen met die van pa (en moe!). Kwam dat misschien ook omdat pa - ja, vooral pa - op z’n principes stond, ze met zijn woorden onderstreepte .... maar niet met zijn doen en laten?
Ja, kinderen kijken dwars door je heen en ze ontdekken maar al te gauw het verschil tussen woord en daad.

* * *

MUSEUMBEZOEK _________________________________________________________

Gé Evertsen-Boer

ben je op vakantie
en is ‘t somber weer,
dan denk je: vandaag bezoeken
wij ‘t museum maar een keer.

in de eigen plaats
stel je dat bezoek wel eens uit,
totdat je leest die tentoonstelling
gaat er gauw weer uit.

zo kwamen wij op de valreep
om nog even te kijken
wat er zoal
over Wereldoorlog Twee zou prijken.

even een middag er heen,
maar o, wat uitgebreid,
eigenlijk zou je vaker moeten
maar daarvoor ontbrak nu de tijd.

zoveel informatie,
zoveel lectuur,
daarvoor heb je tijden nodig,
ja echt uur na uur.

wat een creativiteit
ging daarmee gepaard,
wat fijn dat die verzameling
bijeen werd vergaard.

het was toen een tijd
om nooit te vergeten,
ik bewonderde moed van velen
dat mag ieder wel weten.

velen zetten zich toen in
met gevaar voor hun leven,
daaraan dacht men niet,
men wilde anderen ook vrijheid geven.

natuurlijk lees je in boeken
ook over heldenmoed,
maar dat het ook zo dichtbij was,
ja, dat doet je goed!

dat er zovelen omkwamen
doet je nu nog zeer,
de oorlog en ook Indië
vergeet je echt niet meer.

al maakte je het zelf niet mee
het blijft voor je leven,
de verhalen die je hoorde,
de informatie die werd gegeven.

het is belangrijk voor elk geslacht
de lijn van vroeger te ontwaren.
wees dankbaar dat men zoveel gegevens
daarover heeft op kunnen sparen.

wat heerlijk dat in ons kleine plaatsje
een museum is ontstaan,
wat fijn dat zoveel vrijwilligers
daar moeite voor hebben gedaan.

ze brengen een ode aan mensen van vroeger
aan de tijden van weleer.
door ons mooie Palthehof
vergeten wij het verleden niet meer!

* * *

WINTERMORGEN OP DE BOERDERIJ _________________________________________________________

B. van Duren

Alles veraandert, giet veurbij,
niks is blievend bedenk ik mij.
Het was, het is, kump en vergiet.
lk goa terug naor gropmoe's tied.
Hoe ze 't boerenleven zag, als deerntien,
van zo umstreeks ‘n jaor of vieftien

Met heur zuster sleup ze toen
ien de grote beddestee.
In de winter, as ‘t nog duuster was,
mossen ze der uut, dat völ niet mee!

Ien ‘t bedde was 't zo lakker warm.
Zij doeze|'n nog zo graag.
Mar moe reup al veur de darde keer:
Wat bint die deern's vanmorg'n weer traag.

Met de bien'n aover de beddeplaank
trokken zie de kousen an.
Moe hönk de ketel baoven 't vuur
en stak de stallanteern al an.

De katte sprunk onder 't bedde uut
een eerpel rolde met heur mee.
Vut biest, wat mut ie daor weer zuken,
gaot mar naor buten, ien de snee.

Va kwaamp ien ‘d underbroek weer binnen.
Die vuulde zich pas op zien best,
as hij ‘s morgens in de vrogte,
eerst naor ‘t huusien was ewest.

De manluu waar'n al op de deele,
't eerst wakker, zo heurde dat.
Klein knechien reup: Daor bint de slaopers
en stak zien heufd deur ‘t slietengat.

Hij smeet de garven naor beneden
en va die lei ze kop-an-kop.
Een legge dörsen, 't begun van elke morgen.
Effen later sloegen ze d'r op.

Een zuster gunk de bieste strijen,
leup al met de vörke rond
en mopper'n op de rooie,
die zat weer ies onder de stront.

Een vosse stro en dan mar wrieven.
De rooie was zo'n smerig dier,
nooit haost deed die ‘t ien de gruppe
wie die mos melken, had gien plezier.

Venienig sleug zie ok nog met heur stat
de melker um ‘t heufd, det was toch wat!
Die stat was, hoe kun ‘t ok aanders,
natuurlijk weer vies en nat.

Bij de blaorkop gung ‘t veul fijner,
die melk'n je met veul plezier.
De melk die broesde ien de emmer:
Blaorkop, ie bint een zind'|ijk dier.

Daor was ‘t goed en kunen ie nog wat dromen
en gunk de tied vanzulfs veurbij.
Het heufd even tegen heur flaanke,
een fijn geveul veur allebei.

De zeve lag al op de busse,
een doek weur d'r nog in elegd,
want de melk mus schone wezen,
aan's kwaamp er weinig van terecht.

De katte leup mar um de busse
en zij likken wat an het broes.
‘t Leste beetien melk gung ien zien bakkien:
Zo bin ie ok tevreden, poes.

Klein knechien was al an ‘t slepen
met het heuj, veur ieder wat.
De varkens wörden al onrustig,
want die hadden nog steeds niks ehad.

Moe begon met eerpels kniepen,
wat maal mos er ok nog bij ien.
Bah, wat is die zomp weer smerig,
det kuj verwachten van die zwien'n.

De olde roene kreeg zien haksel
ien de krubbe; ‘t smeuk hum goed,
want hij proeste en hij sneuf zo
as, ie weet wel, hoe de peerde doet!

Een beetien van de gare eerpels
liet moe ien de emmer staon,
die mossen strakkies naor de kippen
as ‘t aand're wark meest was edaon.

Nou eerst water halen uut de putte.
Op een vaste plaatse ien de hoek
stund een emmer um uut te drinken,
een oort d'r an, onder een doek.

Dan laot een ieder 't wark wat wachten,
want moe die schunk de koppen vol.
Allemaole um de ronde taofel,
veur koffie, die oes smaken zol.

Klein knechien viste naor de klonte,
want koffie luste hum nog niet,
en keek ies stiekum naor de törfbak.
Effen later was hij de koffie kwiet.

Moe had 't gelukkig niet eziene,
zij mog het keerl'tien arg graag lien.
De jong had gien va en moe meer,
kwaamp daordeur det geveul misschien?

Zo, now mossen wij weer varder,
boerwark was d'r nog meer dan genog.
Zo gaon wie verder met malkander,
want ‘t is nou nog mar ’s morgens vrog!

* * *

INHOUD JAARGANG 18 _________________________________________________________

blz.






11 
14 
16 
22 
25 
33 
35 
38 
44 
48 
49 
58 
59 
64 
70 
73 
76 
82 
89 
91 
94 
96 


De kalender uit vroeger dagen
Aan bruidegom en bruid
Onder de Zuutappelboom
Geboorte 1940-1945 (gedicht)
Eggs en choclat
Wat voor moeder en kind in huis moet zijn
Een oude groepsfoto (CLS Den Hulst, ca 1955)
Herinneringen van een schoolmeester II
Korfbal in Nieuwleusen
Vrogger (gedicht)
28 dagen varen I
Tolhuis aan de Rollecate
Een oude groepsfoto (OLS Oosteinde, ca 1951/52)
Einde van een tijdperk I
Iets omtrent de Beentjesgraven
Herinneringen van een schoolmeester III
Bleekneusjes
Herinneringen van een schoolmeester IV
Een oude groepsfoto (CNS De Meele, 1955)
28 dagen varen II
Einde van een tijdperk II
Koninklijke onderscheiding
28 dagen varen III
Een oude groepsfoto (Gemeentepersoneel ca. 1960)
Herinneringen van een schoolmeester V
Museumbezoek
Wintermorgen op de boerderij
Inhoud jaargang 18






Jaargang 19 nummer 1 maart 2001

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Het ouderlijk huis van de familie Stolte stond in het huidige Oosterhulst. Op deze foto is het onbewoond.

* * *

UIT STOLTE’S VERHALENBOEK _________________________________________________________

Johan Stolte

Klaas Stolte (27-9-1820 - 21-11-1877) bouwde in 1848 een boerderij aan de Oosterhulst en trouwde met Willemina Jansen Pater. Ze kregen 2 dochters. In 1852 overleed Willemina en Klaas trouwde daarna met Geertje Brinkman. Ze kregen 6 kinderen: Stijntje, Arend, Arend Jan, Willem, Jan en Hendrik (vroeg gestorven).
Stijntje trouwde met Arend Hekman. Ze gingen samen in een boerderij naast het ouderlijk huis wonen.
Arend trouwde met Jantje Nijhuis. Ze gingen aan de Smeule wonen. Ze kregen een zoon, Klaas, die op een zondagmiddag bij het huis van zijn grootouders aan de Oosterhulst met lucifers speelde, waardoor het huis afbrandde. Er is daarna een nieuw huis opgetrokken. Klaas is zijn leven lang in het huis aan de Smeule blijven wonen. Arend kreeg in zijn 2e huwelijk een dochter: Stijntje, en uit zijn 3e huwelijk met Jantje Heetebrij 5 kinderen: Lubbert, Geert, Herman, Arend Jan en Geertje.
Arend Jan overleed toen hij 14 jaar oud was.
Over Willem gaan deze verhalen. Hij trouwde in 1896 met Aaltje Visscher en woonde met haar tot 1897 in het huis van de Visschers aan de Middeldijk. Daarna gingen ze weer bij Willems moeder aan de Oosterhulst wonen. Ze kregen 13 kinderen, waarvan er vijf jong zijn overleden.
Jan trouwde met Niesje Roebersen. Ze gingen in een huis ten westen van het ouderlijk huis wonen. Ze kregen 4 kinderen, waarvan 2 aan tbc zijn gestorven, Griet emigreerde naar Canada en Klaasje verhuisde naar Nijverdal. Jan was ouderling, bakker, verpleger, kruidenier en boer.
In 1914 verhuisde Willem Stolte met zijn gezin van Den Hulst naar Slagharen. Zeventig jaar later vertelden 2 dochters en 2 schoondochters wat ze zich van het leven thuis herinnerden. Kleinkinderen vertelden daarna over de indrukken die ze nog hadden van grootouders en ooms en tantes. Deze gebundelde familieverhalen vormen samen een mooi tijdsdocument, dat een beeld geeft van een boerenfamilie uit deze omgeving. Met kleine aanpassingen, om het ook voor buitenstaanders begrijpelijk te maken, volgen in een aantal afleveringen de verhalen van de familie Willem Stolte.


Deel 1: Klazien Stolte vertelt:
Ons gezin bestond uit: Klaas, die meewerkte op de boerderij, Evert, die werkte op de boerderij van een broer van moeder Stolte (die in militaire dienst was tijdens de mobilisatie), Gerrit, die ook thuis op de boerderij meewerkte, ik - Klazien, die in april van school kwam en in de huishouding ging meehelpen, Arend-Jan, die nog naar school moest, Willem die in mei naar school zou gaan en dan was er nog de kleine Hendrik-Jan, die ongeveer 1 jaar oud was. (Later in Slagharen kwam Aaltje daar nog bij.) Drie zonen waren dus al van school af en dat ik ook thuis bleef was van groot belang, want moeder was altijd ziekelijk en nu kon ik haar gaan helpen.
We hadden een klein boerderijtje met 7 bunder grond en wat kon vader daar mee met al die zonen? Hij moest meer land hebben en dat lukte hem in Den Hulst niet. Daarom ging vader nog eens, ergens tussen januari en maart 1914, met grootva en grootmoe Visscher naar Slagharen om daar met hen naar een boerderij te kijken die hem wel wat leek. Ik was thuis om op Hendrik-Jan te passen. Hij was die dag vreselijk lastig, maar werd heel erg ziek. Het was longontsteking en hij werd al maar zieker en na 8 à 9 dagen was hij weg, overleden nog voor we verhuisden. Mien moe heeft daar erg aan geleden, ze was er kapot van. Maar de boerderij was al verkocht en de verhuizing moest dus doorgaan.
Hoe vader aan die nieuwe boerderij kwam? Ik geloof dat hij hoorde dat de boerderij te koop was toen hij bij Pool in De Krim een vospeerd kocht. Dat was het laatste paard dat we in Den Hulst hebben gehad. Het was zo‘n ijverig peerd! Hij ging veel op de loop en ze stonden zo …. met de leidsels in de handen! Ze kochten altijd paarden op de jaarmarkten in De Krim of in Coevorden. Op de fiets gingen ze er naar toe, maar als ze veel vee moesten vervoeren, dan ging dat met de tram.


Deze oude vervallen schuur stond achter het huis in Oosterhulst.

Omdat het huis al verkocht was moest de koop dus doorgaan. De winter was voorbij en de aanvaarding ging nogal vlot. Va was eerst voor de koop geweest, maar toen zou het toch nog publiek verkocht worden. Toen mien va daar achter kwam zei hij: "Daar ga ik niet heen!" En hij is er ook niet heen geweest, naar die verkoop, en toen heeft de boer de hele zaak aangehouden omdat er geen koper was. Slagharen was ook niks in die tijd, het was een gat! Er waren in die tijd maar zes protestanten, verder allemaal roomsen. Ze verklaarden mien va voor gek dat hij daarheen ging; het was net of we naar Amerika vertrokken. Slagharen stond heel slecht bekend: drinken, vechten en snijden! Vooral als jongens van andere plaatsen kwamen voor de meiden. Wij hebben er zelf nooit iets van gemerkt, behalve toen broer Jan naar Leida ging op Schuinesloot. Die moest wel mooi praten en is er ook weleens met sigaretten heen gegaan om de jongens daar een beetje voor zich te winnen. Want ze sneden je in de rug, maar met die sigaretten heeft hij die jongens op zijn hand gekregen en toen was het ijs gebroken. Op Schuinesloot waren ook wel protestanten; dat was een nederzetting van de Geldersen en zo was De Krim een nederzetting van Groningers, maar Lutten heeft zichzelf opgebouwd en op Slagharen was het niets anders dan overgebleven veenvolk en pas later hebben zich er ook de Geldersen gevestigd.
De verhuizing was in 1914, dus tijdens de mobilisatie en net zoals je later in de oorlog het plaatselijk bureau had, moest ook toen alles op papier: elke koe en elk kalf stond in het veeboekje. Daar moest alles in staan, maar één kalf was nog net in Den Hulst geboren en moest daags tijdens het verhuizen nog worden opgegeven en dat kon niet meer. Hij mocht dus niet vervoerd worden, dat was smokkel! Daarom moest hij in de roef van het schip, met de kanarie.
's Morgens al voor zes uur hebben mien va en broers de koeien gemolken en alles schoongemaakt voor de verhuizing; alles in het duister. Toen kwamen er zo'n 6 tot 8 jongens, allemaal vrijwilligers, die lopend de koeien moesten leiden van Den Hulst naar Slagharen. Dat waren o.a.: Johannes Klein, een broer van Hilligje Klein, Berend Hekman, een neef van ons en zoon van oom Arend, een jongen van Bouwman en Gait-Hendrik Visscher. Klaas van Jenne-meuje heeft me nog een keer verteld dat hij ook zo graag had mee gewild, maar, zei hij: "Ik kwam er niet meer aan te pas. Er waren er al veel te vee|." Iedereen wou wel mee! De koeien zijn dus allemaal lopend naar Slagharen gekomen. Mien va had 21 stuks vee op papier, hier op de stuw in Gramsbergen, daar was het plaatselijk bureau; dat was dan z'n boerderij he, dus die mocht hij meenemen.
Om zes uur moest alles opgebroken worden, want dan ging het schip los waar het hooi en de meubels in zaten. De bedden moesten er eerst ook nog op. Het schip was van de Krullegies; ze gingen er mee naar de Peel, vlak bij Coevorden, om een nieuwe vracht turf te halen en namen zo op weg daar naar toe onze verhuisspullen mee. Er zat nog wel een meter blank hooi onder in de berg.
Mien va, mien moe, Arend-Jan, ik en Willem en Jan moesten om zes uur met de tram. Onze Willem en Jan moesten van die capen om, die waren veel te groot voor ze, maar het was heel slecht weer. Achter aan de tram waren twee veewagons vastgekoppeld. In een daarvan moest het jonge vee dat niet geleid kon worden, en in de andere de varkens. Die wagons had mien va gehuurd van het trampersoneel en toen de tram in Slagharen stopte, werden de wagons nog niet losgekoppeld, want de tram reed door naar Coevorden en stopte onderweg voor ons huis en daar stapten wij uit en daar hebben ze toen die twee wagons losgekoppeld en achtergelaten.
Vrouw Bouwman, die aan Brug 6 woonde, was onderweg ook ingestapt en meegegaan. Die zou een paar dagen blijven en mien moe helpen, want de bedden moesten immers weer klaar enzovoort.
Onze Klaas en onze Gerrit kwamen met paard en wagen en met de hond. We hadden een bruin gevlamde hond, die was altijd bij het paard en liep met hem mee. Ze zullen hem later wel op de wagen hebben gedaan. Ze hadden het laatste deel-gereedschap op de wagen, zoals de voertonnen en de voeremmers, en, een jonge mispelboom, die moest ook mee! Die hadden ze er vast achteraan geknoopt. (In Nieuwleusen ging een verhaal over de mispelboom bij de wieke (sloot) van Willem Stolte, een hele grote, met geweldige lekkere mispels, maar die je haast niet kon krijgen omdat ze in het water vielen.)

Om zes uur werden de koeien van de stal getrokken en kreeg iedere leider een koe aan ‘t touw. Twee koeien per leider kon niet, want dan zouden ze steeds tegen elkaar aan lopen en misschien waren er nog drachtige koeien bij, want het was voorjaar en mien va zette graag op om ze dan neurend weer te verkopen, ja dat deed ie! Hij had dan ook aardig vee en gezien zijn boerderijtje, een bult vee. Onze Evert moest met het koeien-leiden mee want die wist de weg. De anderen waren nog nooit zo ver van huis geweest. Ze zijn de lange weg opgegaan en ten lange leste zijn ze bij "Op hoop van zegen" aangegaan, want het vee wou niet meer lopen; de koeien gingen liggen, zo moe waren ze! En dan was er die ene koe die pas gekalfd had, die hebben ze daar gemolken. Nou ik daar over nadenk, geloof ik dat ze daar toen alle koeien hebben gemolken, dat ze gezegd hebben: "Laten we ze allemaal maar melken, dan kunnen ze beter lopen, want de uiers beginnen al te bongelen." En het was zulk slecht weer, ze waren door- en doornat, die kerels. Ze zijn daar zo ongeveer een uur geweest, hebben zich gewarmd en zijn toen weer verder gesukkeld.
Mien moe had in de tram heel veel spullen meegenomen. Zo had ze de waterketel, zo‘n hele grote bruine die werd gebruikt met het slachten, bij zich, volgepakt met in papier gewikkelde, gekookte eieren en ook nog een sluitmand vol met eieren. Vrouw Bouwman had ook van alles bij zich, want als we op Slagharen aankwamen, zou ook al vlug al het werkvolk aankomen en die moesten eten. Ja, mien moe was goed bij hoor.


Het gezin van Willem Stolte

Tegen een uur of vier kwamen de koe-leiders er aan en die zetten het vee meteen op de stal. Ze moesten de staldeuren open laten staan want het was een en al wasem. Je kon geen koe meer zien, zulke dampen kwamen er af, door de regen die erop gevallen was en de warmte van het lopen. O, en toen al dat volk door het hele huis. Het was een oud veenhuis geweest, maar het voorhuis was vernieuwd en het had een nieuw achterhuis. Voor die tijd was het een groot huis, ja, een grote bak waar je alles in kwijt kon (maar slecht gezet, heel slecht, met kalk en zand). Als we gingen hooien, kon je met de baanderdeuren los zo twee voer achter elkaar bij de varkens langs zetten en dan hield je nog ruimte over. Het paard ging er dan door de voorste deur weer uit. We hebben er wel eens vier voer tegelijk te staan gehad. Maar toen al dat volk het vee gelost had en wat te eten had gehad, ging het de zolder op. Overal waren ze. Er lagen daar toen nog appels en peren, die waren achtergebleven mdat de boer die niet mee wilde nemen naar Friesland en die waren allemaal nog goed. Dus ze hadden de grootste lol.
Daarna kregen ze een tramkaartje en konden ze met de tram terug naar Den Hulst. Toen de Krullegies met het schip kwamen was het zulk slecht weer dat ze wel drie dagen aan de wal hebben gelegen voordat ze met lossen konden beginnen.

wordt vervolgd

* * *

KALKOVENS IN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

In de negentiende eeuw heeft baron van Dedem met het graven van de Dedemsvaart het hele gebied rond het kanaal op economisch gebied een flinke duw in de rug gegeven. Niet alleen werd het afvoeren van de turf mogelijk, ook gingen zich allerlei bedrijven langs het kanaal vestigen. Zelf gaf hij het goede voorbeeld door al tijdens de graafwerkzaamheden ook aan de infrastructuur bij te dragen door bruggen en zijkanalen aan te laten leggen en zich ‘met-ter-woon‘ aan het kanaal te vestigen en op het landgoed en langs het kanaal in bedrijven te investeren.
Door de mogelijkheid van afvoer van turf ontwikkelde hij onder andere in deze regio een op het eerste oog wat vreemde industrie; namelijk die van kalkfabricage, waarvoor schelpen van de stranden langs de Noordzee nodig waren. Nu nog bestaan de kalkovens in Hasselt en Dedemsvaart die, dankzij het cultuurtoerisme, sinds een aantal jaren weer in een toenemende belangstelling staan. Minder bekend is dat er ook in Nieuwleusen kalkovens hebben gestaan, maar die zijn reeds aan het begin van de twintigste eeuw afgebroken.
Waarom ontstond deze industrie hier?
Voor de bereiding van kalk kon men de verder nauwelijks bruikbare grauwe turf gebruiken. Dit was de afgestoken bovenlaag van het veengebied, niet geschikt als normale brandstof omdat het te zacht was, maar in kalkovens heel goed bruikbaar, terwijl vervoer ervan naar andere streken in het land niet lonend zou zijn. Baron van Dedem besloot daarom enkele kalkovens nabij het kanaal te laten bouwen om daarmee bij te dragen aan de vooruitgang van de economie van deze streek. In 1820 werden de eerste twee ovens gebouwd. Hij koos voor drie bouwplaatsen, in Hasselt, Nieuwleusen en Dedemsvaart, waar in totaal ongeveer twintig ovens werden gebouwd. Het werden drie bedrijven die vele jaren goed floreerden. In Nieuwleusen werden twee ovens gebouwd. Ze komen voor op de kadastrale plans van 1830. In het Verslag van de Gedeputeerde Staten aan de Staten der Provincie Overijssel omtrent den toestand dier provincie in 1853 lezen we:

Kalkbranderijen: Avereest - 16 mannen en 6 vrouwen; werkloon minimum ƒ 0.50, maximum ƒ 1.- per dag / Nieuwleusen - 3 a 17 personen; werkloon mannen: minimum ƒ 4.- maximum ƒ 6.- of ƒ 7.- per week; vrouwen; minimum ƒ 2.50, maximum ƒ 4.- of ƒ 4.50 per week
De kalkbranderijen hebben steeds druk gewerkt en een ruim debiet gehad. Die te Hasselt vooral verkeeren in bloeijenden toestand. Die te Zwartsluis bestaande hadden een redelijk goeden afzet, doch zouden voor de fabrikanten geene voordeelige uitkomsten hebben opgeleverd, als gevolg van het minder inkomend regt op de buitenlandsche steenkalken, en van den accijns op den turf.

De grauwe turf kwam uit de af te graven veengebieden in deze omgeving en de schelpen - de grondstof voor de kalk - werden als retourvracht door de schepen aangevoerd uit het Waddengebied, waar de schelpenvisserij een belangrijke bron van inkomsten was. Het lange transport van de schelpen hier naar toe bracht weinig extra kosten met zich mee omdat de schepen toch naar de steden in het westen van het land moesten varen om de turf af te leveren.
Het kalkbranden was een vreemd en zwaar werk. Vanaf drie-vierde van de hoogte van de kalkovens werd via een groot luik een laag grauwe turf op de bodem neergegooid. Daarop werd een lading schelpen gegooid, daarna weer turf, dan weer schelpen enzovoort tot ongeveer driekwart van de oven vol was. De turf werd dan van onderen af aangestoken, waarna de metalen ovendeurtjes werden gesloten en het vuur zich door de hele oven verspreidde. Zo'n drie dagen lang was de temperatuur in de kalkoven ongeveer 1300(dit is aan de hoge kant, meestal tussen 900 en 1200) graden. Na die periode was de turf nagenoeg verbrand en waren alleen de schelpen overgebleven, nog in dezelfde vorm als toen ze in de oven waren gestort. De oven werd leeggeschept en de schelpen gingen per kruiwagen naar het leshuis, waar ze werden uitgestort. Vervolgens werden twee emmers water over de schelpen gegooid, waardoor deze tot kalk werden verpulverd. Er ontstond bij dit verpulveringsproces, hoe gek het ook klinkt want de schelpen waren intussen ook koud geworden, een gloeiend hete brij, die een heel eigen geur verspreidde. Zo verkreeg men op een unieke manier de kalk, waarmee specie werd gemaakt voor huizenbouw, enz.

Bloei en einde.
Lang nadat de kalkovens in Nieuwleusen waren afgebroken, viel in 1976 ook het doek voor Hasselt; de meeste turf was afgegraven en de Dedemsvaart werd gesloten.
In Hasselt, zijn de kalkovens in 1994-1995 gerestaureerd en daarna weer in productie genomen. De benodigde subsidie kwam af omdat men monumentale panden zo weer met ouderwetse kalk kan restaureren. Ook in Dedemsvaart zijn de kalkovers weer gerestaureerd en hebben een nieuwe cultuur-historische betekenis gekregen. In Nieuwleusen rest slechts de naam Kalkovenweg op het industrieterrein. Gelukkig heeft het gemeentebestuur de plek van dit stukje verleden daarmee weer onder de aandacht gebracht, ook al is dat aan de verkeerde kant van de Jagtlusterallee.

* * *

HERINNERINGEN VAN EEN SCHOOLMEESTER VI _________________________________________________________

A. Visser

Het was in de winter van 1946/47. De vaart in Den Hulst was dichtgevroren en het ijs was prachtig; geen aaneen gevroren ijsschotsen zoals ook wel vaak voorkwam, omdat een schipper nog tijdens de vorst had geprobeerd de thuishaven te bereiken. Nee, het was nu een gladde ijsvloer en we hebben er volop van genoten. Vooral ‘s avonds was het druk op de baan. Jammer dat het zo donker was! Er stond een straatlantaarn bij de Ommerdijkerbrug en ook eentje bij Sluis Drie. Daartussenin stond dan nog een lantaarn bij garage Boers en dat was het. We hadden aan die drie lichtpuntjes maar net genoeg. In lange slierten schaatsten we - met haast - van brug tot brug. Een enkele keer vond er een frontale botsing plaats met een sliert tegenliggers, maar dat liep meestal goed af.
Een enkeling was op ronde schaatsen aan het zwieren op de baan. Dat gaf wel eens problemen. Je kon ze soms niet ontwijken. Mevrouw Loman (Jolanda van Diemen), de echtgenote van de veearts, heeft nog geprobeerd mij het ‘kunstrijden’ te leren. Ik kreeg de ronde schaatsen van haar man onder en zij nam me mee naar het midden van de baan. Daar moest ik de goede draai proberen te vinden … Mevrouw Loman had me in de houdgreep, maar ze kon toch niet verhinderen dat ik keer op keer languit op het ijs terecht kwam; dat tot grote hilariteit van de omstanders en van de toeschouwers op de wal. Ik kreeg heel veel commentaar te horen, maar ja de beste stuurlui staan altijd aan de wal! Toch was het voor iedereen al snel duidelijk dat het met mijn kunstrijden nooit iets zou worden. Nee, van dat soort lichamelijke oefeningen houd je alleen maar blauwe plekken over en zere knieën. Ik voel het nog!!!

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Oorspronkelijk is de groepsfoto van dit nummer in kleur. We schrijven dan ook al 1976/77 als de tweede klas van de christelijke lagere school "De Wegwijzer" in Nieuwleusen voor de fotograaf poseert.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  

juf Marijke van der Ley
Anke Alsema
Gerko Zondervan
Helga Schuurman
Karin van der Kolk
Wia Hofmeier
Gerard Overhein
Peter Overal
Jan Schuurman
Edith de Weerd

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

Erwin Hoekstra
Erwin Huls
Harold Boersma
Erna Bredewold
Emmy de Weerd
Astrid de Haas
Hans van Tolij
Erwin Huisman
Anna van Zwol
Herman Kouwen

21  

22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
 

Jan Herman van
‘t Oever
Edwin Ruinemans
Carla Meeuwis
Gerritde Lange
André Stegerman
Anita Reurink
André Reuvers
Roy Bokhorst
Jeannet Klomp

* * *

NIEUWLEUSEN EN WIJDE OMGEVING UIT 1819, EEN IMPRESSIE _________________________________________________________

Gijsbert Karel van Hogendorp

In zijn hoedanigheid van commissielid van toezicht voor de Maatschappij van Weldadigheid in Frederiksoord ondernam Gijsbert Karel van Hogendorp in 1819 een reis naar het noorden en oosten van ons land, om met eigen ogen te zien wat de effecten waren van investeringen in nieuw opgezette infrastructurele projecten en om de meningen van deskundigen daarover te horen en daarvan verslag te doen, met het oogmerk de algemene welvaart van ons land te bevorderen. Daarbij bezocht hij ook Nieuwleusen. Van deze reis deed hij verslag in: Aanteekeningen op eene reis door de Veluwe, Overijssel en Drenthe in den nazomer van 1819.
(Deel 5 van Bijdragen tot de huishouding van staat in het Koninkrijk der Nederlanden. ‘s-Gravenhage, Wed. Johannes Allart, 1820. 430 blz.) Hieronder volgen de delen uit zijn aantekeningen die betrekking hebben op onze omgeving = blz. 249 t/m 265.

Omwille van de leesbaarheid zijn woorden soms iets aangepast aan onze tijd. In Heerenveen had Van Hogendorp gezien dat het turfsteken de grondslag van allerhande nering was geworden en daarop doelt hij in de eerste zin.

Met deze denkbeelden ging ik een ander hoogveen bezoeken, dat ik in de geboorte zou zien. Ik had al lang geleden daarvan horen spreken, doch mijn aandacht was vooral gevallen op de vaart die in Overijssel geopend was. Te Zwolle maakte ik aangenaam kennis met het tegenwoordige hoofd van deze belangrijke onderneming, de Baron Van Dedem tot den Berg, gehuwd in de familie van de eerste aanlegger, Van Marle. Deze heer had aanstonds de goedheid om mijn weetgierigheid voorlopig aan de hand van een getekende kaart te voeden. Daar voegde hij een uitnodiging aan toe om enige dagen bij hem buiten door te brengen in de directe nabijheid van de vaart en de venen, die wij dan zouden bezoeken om ze grondiger te Ieren kennen. Doch Frederiksoord moest voorgaan, maar daarna wilde ik zo spoedig mogelijk een bezoek brengen aan de heer Van Dedem. Het verband tussen vaarten en hoogvenen had ik onlangs goed gezien te Heerenveen en Frederiksoord. Deze kolonie is aangelegd in de venen die zich uitstrekken tot in Groningen, van waar een kapitale vaart kan gegraven worden tot aan Steenwijk, die door het Diep kan uitmonden in de Zuiderzee.
Mijn belangstelling in de Overijsselse vaart was daarmee verdubbeld en ik beschouwde deze niet alleen als het middel van nieuwe welvaart in die provincie, maar ook als een voorbeeld ter navolging door de Maatschappij van Weldadigheid.
De vaart valt bij Hasselt in het Zwartewater en op dat punt is er een begin mee gemaakt. Vervolgens klimt men al gravende op, in de richting van west naar oost, naar Hardenberg, aan de uiterste grenzen der provincie, hetzij naar Duitsland, hetzij naar Drenthe. Ruim de helft van deze weg is reeds afgelegd door onafzienbare heidevelden, waar de familie enige duizenden morgen land in eigendom heeft verkregen. Om door vreemde eigendommen heen te graven zijn er overeenkomsten vereist, die op wederzijds belang zijn gegrond. Landerijen krijgen meerwaarde door een vaart; veengronden ontlenen er hun gehele waarde aan. Daar tegenover heffen de eigenaars van de vaart tol op de schepen. Hier nu komt de regering in het spel want zij verleent het octrooi tot de tol. Verder is het in alle andere opzichten een particulier werk, met particuliere fondsen, door een enkele familie ondernomen met eigen en geleend geld.


Huize Rollecate dat Baron van Dedem bouwde en bewoonde.

Deze vaart is vijf voet (1 voet = ca. 30 cm.) diep en met deze diepte ontstaan grote voordelen. In de droge zomer staan de vaarten in Drenthe en de meeste van Friesland stil voor de turfschepen. Hier blijft de afvoer van turf aan de gang (doorgaan); er is geen uitstel in de aflevering en dat bevordert het werk aanmerkelijk. Er hoeven niet zoveel sluizen te zijn, wat hoge kosten bespaart. Men stoot op meer wellen, wat de toevloed van water vermeerdert. De hoge kosten van diep graven worden dus rijkelijk vergoed. Om een vaart te voeden dienen ook nog de lopende wateren, die zij kan opnemen. Hier is heel nadrukkelijk op gelet en vooral met het oog op het bovenste vak. - Men noemt "vak" het gedeelte van een sluis tot de andere en het "bovenste vak" het gedeelte voor de eerste (hoogst gelegen oostelijke) sluis. - Zolang men dit bovenste vak kan voeden, blijft de vaart aan de gang, omdat het water vandaar alle andere vakken doorloopt. Een lopend water in de buurt doet hier dienst tot aan het einde van de vaart en dat is geen van de minste voordelen van deze vaart. Verder worden alle afwateringen van de landerijen aan weerszijden in de vaart opgenomen. Het belang is hier ook weer wederzijds; voor de landerijen om het water te lozen, voor de vaart om het op te nemen, zodat het er op aankomt dat men zich over en weer verstaat (goed samen wil werken). Er is langs ieder vak van de vaart een sloot aangelegd, die al het water van de landerijen op de hoogte van het vak ontvangt, en deze sloot watert uit in het volgende vak. Omdat dit vak lager is gelegen, komt de uitwatering zeker de landerijen ten goede; en naarmate het vak meer van dit water ontvangt, heeft het minder toevoer van boven nodig, ten gunste van de vaar(diepte). Een aanzienlijke toevoer van water krijgt de vaart uit de zijtakken en bijvaarten, "wijken" genaamd. De veengronden strekken zich namelijk ver uit aan beide zijden van het kanaal en worden doorsneden met kleine vaarten voor de pramen die de turf naar de schepen in de grote vaart brengen. Zo vloeit al het water van de veengronden, via deze kanaaltjes gebundeld, naar de vaart. Het nadeel dat al die wijken met zich meebrengen is het grote aantal bruggen dat nodig is voor de weg langs de vaart. De wijken snijden immers de weg door die langs de vaart loopt, willen ze in die vaart uitmonden; op elke doorsnede van de weg moet een brug gelegd worden, of de weg zou doodlopen. Hier is nu dit op gevonden: er wordt een grote wijk met een rechte hoek uit de vaart gegraven; op een goede afstand van de vaart keert deze wijk terzijde, weer met een rechte hoek. Nu loopt deze tweede arm op een goede afstand parallel met de vaart. Vanuit deze tweede arm worden vervolgens kleine wijken gegraven, rechts en links. De pramen met turf varen door alle kleine wijken naar de grote parallelwijk en van deze wijk naar de vaart.
Het is gemakkelijk te begrijpen dat er bij deze inrichting alleen maar een brug nodig is voor de weg langs de vaart over die grote wijk. Op deze wijze legt men op zijn best ieder half uur gaans een brug. Het is bovendien belangrijk dat het een brede weg is, die langs de vaart wordt aangelegd, net zoals langs de wijken waar deze ook met wegen worden voorzien. Dit is niet alleen gemakkelijk voor rijtuigen. Maar het is vooral nodig om plaats voor woonhuizen en alle andere gebouwen te houden. Langs vaarten en wegen, en dus bij uitnemendheid daar waar vaart en weg bij elkaar komen, vestigen nijvere mensen zich bij voorkeur en daar begint de grote bevolking van een land. Bij de aanleg van deze vaart, wijken en wegen is hier op gelet en daarmee is de aanstaande welvaart in haar kiem reeds bevorderd.
Ook bij de aanleg van de sluizen komt het er op aan; niet alleen om het aantal niet groter of kleiner te maken dan nodig is, maar ook om elke sluis met de minste kosten aan geld en het minste verlies aan water te bouwen. In dit oord is het water in het bijzonder kostbaar en moet ontzien worden omdat de helling der grond naar de zee toe zo'n groot verval maakt. Is men het water eenmaal kwijt, dan kan de scheepvaart weken en maanden stilliggen. De schepen worden daarom niet door de sluizen van deze vaart gelaten voordat er een zeker aantal bijeen is. Ze liggen bij elkaar in de boezem boven de sluis, en dan worden er bovendien bij het doorlaten nog vaste regels gevolgd. Het recht om zulke regels voor te schrijven is, net zoals bij de tollen, bij het octrooi verleend en gewettigd.


De brug aan de Rollecate toen het gelijknamige huis er nog was. Het bruggetje rechts ligt over de gracht rond het huis. Links is duidelijk het jaagpad te zien waarover het paard van de scheepsjager liep.

Het hart van mijn leidsman (baron Van Dedem) ging open en hij kon zijn vreugde niet verbergen bij het zien van zo’n zeventig schepen, groot en klein, die als een vloot in de boezem lagen. Enige jaren geleden was daar niets, zover het oog reikte en men joeg er hooguit op een schuwe en eenzame korhoen. Nu worden er scheepsladingen af- en aangebracht. De landerijen worden aan alle zijden ontgonnen en met gebouwen bezet. Brouwerijen, grutterijen, bakkerijen en andere tra?jken (bedrijven) rijzen er uit de grond op. Kalkovens worden er aan de gang gehouden met brandstoffen die anders geen waarde zouden hebben, omdat ze voor geen ander gebruik geschikt zijn. Een scheepstimmerwerfje is reeds aangelegd. Omdat de Roomsen hier in deze omgeving geen kerk hadden en de toestroom van turfstekers veelal uit Roomse West-Falingers bestaat, heeft de koning hier een Roomse kerk laten bouwen, met een pastorie. Nu blijven de werklieden hier wonen, die anders slechts voor een korte tijd zouden komen werken. Zo wordt een geheel landschap verlevendigd door een vaart en zo is de scheepvaart een maatstaf voor de groeiende welvaart dankzij die vaart. Geen wonder dat het gezicht van die verzamelde schepen de moedige aanvoerder van deze onderneming met vreugde overstelpte.
Sedert verleden jaar heeft de Dedemsvaart een aanmerkelijke uitbreiding gekregen door de vaart die uit dit kanaal gegraven wordt naar het stadje Ommen. Er is daarvoor namelijk een contract gesloten met de Maatschappij van Weldadigheid, die een kolonie opricht voor bedelaars en onwillige kolonisten in de Ommerschans bij Ommen. Dit zal als het ware een strafkolonie worden waar de slechten verbeterd kunnen worden, om verbeterd over te gaan in een vrije kolonie. De kooppenningen voor enige honderden morgens land, door de Maatschappij aan de stad betaald, zullen besteed worden aan het graven van de vaart en de Maatschappij zal de verdere kosten ervan dragen. Op deze wijze zijn alle belangen verenigd; de vaart bevordert de kolonisatie, de kolonie bevordert de vaart; Ommen komt bijna aan de vaart te liggen en wordt door de vaart, uitmondend in de Vecht, die is verbonden met de Regge, met de gehele provincie verbonden.
De gelegenheid om zoveel van deze belangrijke onderneming te zien en te horen heb ik te danken aan de vriendelijkheid van de heer Van Dedem, die mij enige dagen bij zich in huis liet logeren en mij dagelijks overal heeft begeleid. Daarvoor betuig ik dan ook hier mijn openlijke dank en voeg er de wens bij dat hij tijd en rust moge behouden om een grote onderneming geheel tot stand te brengen, waardoor de welvaart van zijn provincie ongemeen bevorderd zal worden. Het voorbeeld kan niet nalaten om ook invloed te hebben op andere provincies; het nut van vaarten te graven blijkt er zo duidelijk uit en particulieren kunnen hier leren op welke wijze er veel kan worden uitgevoerd zonder hulp van de regering.

* * *

OMMER TRIPPEN _________________________________________________________

Harm Takman

In De darde Klokke; het tijdschrift van de historische vereniging van Ommen, stond een aardig verhaaltje over de bijnaam Ommer trippe, die men in Nieuwleusen, Balkbrug en Dedemsvaart voor de Ommenaren gebruikte. Het leek ons een aardig idee dit verhaal ook in Nieuwleusen te publiceren omdat het bovendien een aardig tijdsbeeld geeft van deze omgeving.

Met toestemming van de redactie van De darde Klokke nemen we hier het verhaal van Harm Takman over:
Hij schreef dit verhaal naar aanleiding van een artikel in de Zwolse Courant, mei 1998, over bijnamen die inwoners van dorpen en steden elkaar gaven, geschreven door Hendrik Sterken, die daarin voor de bijnaam Ommer trippen als verklaring een magere, armetierige koe noemde.

Mijn vader Egbert Takman is geboren en getogen op Witharen, dat tot 1923 bij Stad Ommen hoorde. Er bestond toen ook nog het Ambt Ommen, maar het gebied van Stad Ommen was toen tot aan de Ommerschans tussen de marken van Varsen en Arriën gelegen. Hij vertelde dat met Ommer trippen bedoeld werd: licht gebouwd vee en opgegroeid op de lichte zand-  en heidegrond. Dat is wat anders dan mager en armetierig. Vader is zelf als jongen koeheerder geweest in de Ommerwoeste, die toen nog niet in cultuur was gebracht, ook omdat er toen nog geen kunstmest was. Naderhand ging hij als leerling-timmerman werken aan Balkbrug, in de volksmond De Balk genoemd. Mijn broer Willem en ik kwamen als kleine kinderen vroeger bij grootmoeder Linde in de Ommerschans, op de grens van Ommen en Avereest, op de Koloniedijk no. 2. Dan zeiden onze ooms en tantes: "Kiek, doar koomt de Ommer trippen ook weer an." Ook aan de Dedemsvaart sprak men van Ommer trippen. Mijn vrouw Jo Mijnheer was vroeger hulp in de huishouding bij de directeur van de Union-rijwielenfabriek, de heer Van den Berg. Die zei tegen haar; "Heb ie verkering met een Ommer trippe?" Bij de oude inwoners van Nieuwleusen, Balkbrug en Dedemsvaart is de bijnaam Ommer trippe nog wel bekend, in Ommen is men hier niet van op de hoogte; men heeft er zelfs nooit van gehoord.

* * *

SPREUKEN _________________________________________________________

Als sneeuw geboomt en veld bedekt
Dan kan hier ‘t vee vernachten
Tot dat weer leven wordt gewekt
Waarop de landman blij mag wachten.

Dit opschrift staat op de schuur van W. Logtenberg aan de Hooiweg.

-----

Spreuk bij een dokter aan de wand:

De beste dokters in het land
Die nooit betrapt zijn op een flater
Zijn in collegiaal verband
Dieet, beweging, lucht en water.

-----

Dertig dagen heeft november
April, juni en september
De andere hebben dertig en één
Behalve februari alleen
Want die heeft er vier maal zeven
't Schrikkeljaar nog één daarneven.

* * *

GEMEENTEWAPEN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Met de opheffing van de gemeente Nieuwleusen verdween ook het gemeentewapen. Ruim 100 jaar heeft de gemeente over een eigen wapen beschikt. Vanaf de oprichting van de gemeente in 1818 tot aan 1899 had Nieuwleusen geen eigen wapen. De aanleiding voor veel Overijsselse gemeenten om een eigen wapen aan te vragen was dat de provincie in de nieuw te bouwen vergaderzaal in Zwolle de gemeentewapens van alle Overijsselse gemeenten in de ramen wilde opnemen. Op 18 januari 1899 werd er een aan de gemeente Nieuwleusen verleend.

Het Nieuwleusener wapen is voor wat het bovenste deel betreft een samenstelling van de wapens van Zwollerkerspel en Dalfsen. Van oorsprong werden een deel van Zwollerkerspel(, de marke Rosengaerde) en de marke Oudleusen tot de gemeente Nieuwleusen gevormd. Het lag dan ook voor de hand om deze wapens in het Nieuwleusener wapen op te nemen. Het kruis in het Nieuwleusener wapen is het wapen van Zwollerkerspel (“In zilver een kruis van azuur"), dat op zijn beurt weer is afgeleid van dat van Zwolle (“In azuur een kruis van zilver.”).
De 5 rijen van elk 4 vakken is het wapen van Dalfsen (“Geschaakt van zilver en azuur in 5 rijen, elke rij van 4 vakken."). Daarnaast heeft men een eigen kenmerk toegevoegd, namelijk een tweetal gekruiste zeisen, die de landbouw symboliseren, destijds de belangrijkste bron van bestaan. Een gemeentewapen wordt bij koninklijk besluit toegekend en heeft een wettelijke status. Daarom mag ook niet iedereen zomaar gebruik maken van dat wapen.
Bij koninklijk besluit van 18 januari 1899 werd aan de gemeente Nieuwleusen een wapen verleend dat als volgt werd beschreven:
“Doorsneden: I gedeeld a in zilver een kruis van azuur, b geschaakt van zilver en azuur in 5 rijen, elke rij van 4 vakken, II in sabel 2 schuingekruiste zeisen van zilver, met stelen van goud.”
Voor een leek is dat een niet te begrijpen beschrijving. Dat komt omdat de heraldiek een eigen taalgebruik en kleuraanduiding kent. Ook voor de verdeling van het schild zijn specifieke benamingen. Het zou te ver voeren hier een verklaring te geven van alle heraldische benamingen en daarom beperken wij ons hier tot die welke op het wapen van Nieuwleusen van toepassing zijn.
Doorsneden: dit betekent dat het schild horizontaal in tweeën wordt gesplist.
Gedeeld: dit wil zeggen dat het schild verticaal wordt gedeeld. Zowel de horizontale als verticale deling kan zowel recht als golvend en dergelijke zijn.
Geschaakt geeft aan dat het schild of een deel ervan in regelmatige vierkanten is verdeeld.
Zilver en goud zijn de twee metalen die in de heraldiek voorkomen en als zilver en geel worden weergegeven.
Azuur en sabel zijn twee van de 5 officiële kleuren in de heraldiek. Azuur, ook wel lazuur, is blauw en sabel is zwart.



Het eerste Nieuwleusener wapen was niet gekroond, netzomin als dat van veel gemeentewapens. Tot 1899 was het aan gemeenten wettelijk niet toegestaan om een kroon te voeren tenzij ze bij Provinciale Staten waren vertegenwoordigd. In 1954, toen het voeren van een kroon dus allang niet meer verboden was, werd het ontbreken van een kroon kennelijk als een gemis beschouwd en werd gevraagd om er een aan het wapen te mogen toevoegen. Er zijn verschillende types kronen. De meest voorkomende is de gravenkroon met drie bladeren en twee parels. Vooral oudere gemeentes die er al veel langer een in hun wapen voeren, hebben een kroon die is afgeleid van een andere adellijke kroon zoals de keizerskroon of de markiezenkroon. De gravenkroon is tegenwoordig de algemene gemeentekroon.
Nadat er op 14 september 1954 een nieuw koninklijk besluit was genomen, luidt de beschrijving van het wapen van de gemeente Nieuwleusen: “Doorsneden: I gedeeld a in zilver een kruis van azuur, b geschaakt van zilver en azuur in 5 rijen, elke rij van 4 vakken, II in sabel 2 schuingekruiste zeisen van zilver, met stelen van goud. Het schild gedekt met een gouden kroon van 3 bladeren en 2 parels.”

Het wapen van de gemeente Nieuwleusen is net als dat van Dalfsen op 1 januari 2001 vervallen. Voor de nieuwe gemeente Dalfsen zal een nieuw wapen moeten worden gekozen. Mogen we een voorstel doen: het bovenste deel van het oude wapen van Dalfsen en de onderste deel van het oude wapen van Nieuwleusen. De beschrijving is dan als volgt: “Doorsneden: I gedeeld a geschaakt van zilver en azuur in 5 rijen, elke rij van 4 vakken, b geschaakt van zilver en azuur in 5 rijen, elke rij van 4 vakken, II in sabel 2 schuingekruiste zeisen van zilver, met stelen van goud. Het schild gedekt met een gouden kroon van 3 bladeren en 2 parels.”

Gemeente Dalfsen heeft een nieuw Gemeentewapen


Het wapen werd met het Koninklijk Besluit op 13 december 2002 aan de gemeente verleend. De omschrijving luidt:

"Doorsneden; I geschaakt van zilver en azuur in vier rijen, elke rij van vijf vakken; II in sable twee schuingekruiste zeisbomen van goud. Het schild gedekt met een gouden kroon van drie bladeren en twee parels."

Het Gemeentewapen zonder kroon van 1899 mag nu gebruikt worden als Dorpswapen voor Nieuwleusen


Jaargang 19 nummer 2 juni 2001

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

Letterdoeken zijn het onderwerp van één van de tentoonstellingen in museum Palthehof in het seizoen 2001. Letterdoekmotieven hebben bijna allemaal een symbolische betekenis. Honden staan voor trouw.

* * *

ER STEEKT MEER ACHTER _________________________________________________________

Onder deze titel wordt dit seizoen een tentoonstelling over merklappen en letterdoeken gehouden. Merktekens waren nodig om het linnengoed van eigen kenmerken, later initialen, te kunnen voorzien. De oudste afbeelding van een merklap is te zien op een schilderij met de Heilige Familie uit omstreeks 1520. Eeuwenlang leerden meisjes op jonge leeftijd het borduren door een merklap of letterdoek te maken. Letterlijk is een merklap een lap waarop merken (tekens) geborduurd worden.
Op een letterdoek worden letters geborduurd. Dat komt voor het eerst voor in het begin van de 17e eeuw. Oorspronkelijk waren dat Gotische letters want men ging er na de Hervorming vanuit dat iedereen de bijbel kon lezen en die was in deze letters gedrukt. Op veel letterdoeken zijn meerdere, soms niet complete, alfabetten en cijfers in verschillend lettertype te zien.
Kwam het borduren oorspronkelijk in betere kringen voor, na invoering van de Wet op het Lager Onderwijs in 1857 werd handwerken een verplicht vak voor meisjes.
Merklappen en letterdoeken werden vroeger op linnen, katoen of wollen doeken gemaakt. Nadat het handwerken een verplicht vak werk op de scholen, werd veelvuldig van grofmazig stramien gebruik gemaakt. Bij de eerste pogingen werden goedkope garens gebruikt. Wanneer men de borduurkunst een beetje beheerste, kwam daarvoor wollen garen en splijtzijde in de plaats. DMC garen, wat staat voor Dolfuss Mieg & Cie uit Mulhouse in Frankrijk, de fabriek die deze zijde leverde, werd een begrip.
Omstreeks de vorige eeuwwisseling ging men veel dieren borduren. Soms werd er één dier op een doek geborduurd, soms meerdere. Ook werden ze dikwijls symmetrisch afgebeeld, in elkaars spiegelbeeld dus.



Alle doeken hebben als kenmerk dat men zoveel mogelijk motieven wilde borduren. De merklappen zijn versieringen geworden die ingelijst aan de wand worden gehangen. Religieuze motieven hebben een grote rol gespeeld. Ze hebben tot het dagelijkse leven behoord.
De meeste motieven hebben een historische of Godsdienstige betekenis. Op de in museum Palthehof tentoongestelde doeken zijn deze volop te vinden. Er steekt dus meer achter de steekjes op de doeken dan ze op het eerste gezicht doen vermoeden.



* * *

UIT STOLTE’S VERHALENBOEK _________________________________________________________

Johan Stolte

Deel 2: Klazien Stolte vertelt verder:
We hadden haast geen meubels toen we op Slagharen kwamen. In Den Hulst hadden we alleen oude Staphorster stoelen, een heel ouderwetse kast van grootmoeder Brinkman en een kabinet van moeder. Toen er twee taxateurs kwamen om de boel op te nemen voor de verzekering stond er niks dan alleen een tafel en een paar stoelen, dat kabinet en die oude kast. (Die oude kast is later verkocht aan een Staphorster, want daar konden die zware rokken met die plooien nog in liggen.) Daarom zijn va en moe op de tram gestapt en naar een meubelzaak (Kramer) in Coevorden gegaan en hebben daar een kast gekocht. Later kregen we ook nog van die mooie gladde stoelen, met van die bamboe gevlochten zittingen waar je je vingers in kon steken. Dat kwam in de oosterse kamer (de kamer op het oosten). In die kamer was een lage schoorsteen - voor die tijd heel modern - maar we kwamen er haast niet, want het was de mooie kamer; het heilige der heiligen. In die kamer waren ook twee bedsteden, maar van die hele korte. In beide bedsteden werd eerst geslapen, maar al snel werd een van de twee gebruikt als kast voor de zondagse pakken. O, wat hebben we daar allerbedroevendst geslapen! Verschrikkelijk. Er was een trap naar boven en daar was ook een kamertje met een bedstee. De gang beneden liep langs de bedsteden naar de buitendeur. Halverwege was ook nog zo’n hokje, dat was het spekhokje. Als het spek en de worst aan de zolder genoeg gedroogd was, ging het in dat hokje. De worst kwam daar dan in een melkbus. Uit dat spekhokje moest ik dan spek halen en dan was ik doodsbenauwd dat er muizen zouden zitten, want er was geen licht. Er was nog geen elektrisch licht toen we er kwamen wonen, alleen nog maar pietereulie.


Het huis van de StoIte’s in Slagharen.

Va is in dit huis op 23 december 1935 overleden na een paar moeilijke maanden van ziekte. Hij had goed geboerd in Slagharen, maar hij heeft zelf eens gezegd: “Ik heb in ‘t achterhuus meer geluk ehad dan in ‘t veurhuus.”

Aaltje Stolte vertelt: Hoe wij vroeger zondag vierden.
We gingen op zondag allemaal naar de kerk, op een na, want die moest oppassen. Dat hield in: de laatste klusjes in het achterhuis en de stal afwerken, zoals het stro voor de koeien nog even aanvegen en alle klompen netjes op een rij zetten, voor in het gangetje bij de varkens. Een keer mocht ik met broer Gerrit oppassen. Hij was een hartstochtelijk lezer en vroeg of ik die klompen voor hem in de gang netjes wou zetten, want dan kon hij verder gaan met het lezen.
Ook moest je zorgen dat de koffie kant en klaar op tafel stond als de anderen uit de kerk kwamen. Het middagmaal dat op tafel kwam bestond uit soep of dikke rijst met krenten en (gedroogde, gewelde) pruimen, met wat melk en suiker erin. Dat was altijd de zondagse kost, ook als er visite kwam uit Nieuwleusen. Ik was dan meestal niet thuis, want ik lustte dat eten niet. Ik ging tegen etenstijd even bij (de getrouwde oudste broer) Evert en Hendrikje langs en mocht daar dan mee-eten. Na het eten ging vader even op bed liggen en om ongeveer half drie stapte de familie weer op de fiets om naar de tweede kerkdienst te gaan. Als we dan weer thuis kwamen, gingen snel de zondagse kleren uit en moesten we gauw melken. ‘s Avonds na het eten gingen de jongens naar Lutten naar de jongelingsvereniging. Vader, moeder, Klazien en ik bleven thuis, want je kwam op zondag niet op straat als het niet met kerkelijke zaken had te maken. We gingen dan vaak met elkaar zingen; psalmen en gezangen. Vader en moeder zongen heel erg goed. Zo nu en dan kwam de zak met apenoten (pinda’s in de dop) erbij; die lag op het blik boven in de grote schoorsteen. Daar was een luik en nadat we er allemaal een handje vol uit hadden gehaald, werd de zak daar weer vlug in teruggelegd, voor de volgende keer. Op dinsdag ging vader altijd met een juk op de schouders, met daaraan twee van die grote emaillen emmers, lopend naar de eiermarkt in Slagharen. Op de terugweg nam hij dan wel eens pinda’s mee.
Voor hij naar de eiermarkt ging, legde hij altijd een rijksdaalder op tafel. Die moest moeder dan aan een vrouw geven. Ze kwam die elke dinsdag, lopend achter van de Belt, ophalen en ging dan ook weer lopend terug. Ik vroeg me wel af waarvoor dat toch was, maar vragen durfde je niet en vertellen deden ze niet. Pas veel later begreep ik het, want vader was in die tijd diaken van de kerk. Zo waren er wel meer dingen die je eigenlijk wel of niet wist, maar waar ze altijd nogal geheimzinnig over deden.

De huishouding:
Klazien was de oudste dochter en zwaaide de scepter in het huishouden en dat was haar wel toevertrouwd. O wee, als er iemand was vergeten het vuile hemd uit te trekken en het schone hemd er maar gauw overheen had aangetrokken! Dan was het niet best, want dan klopte er iets niet. Ze wist precies hoeveel hemden er moesten zijn en dan werd de boosdoener op het matje geroepen.
Een keer per jaar moest de houten vloer worden geverfd. Klazien, en niet vader of moeder, vertelde ons dan dat we allemaal vroeg naar bed moesten. Zij moest dan die hele vloer nog verven voor ze zelf naar bed ging, want die moest de volgende dag droog zijn, want dan moesten we er weer over kunnen lopen.
De boodschappen werden altijd door Anton Scholten gebracht. Die kwam, op de fiets, eerst de bestellingen opnemen en kwam dan later de boodschappen brengen, met twee grote tassen aan de fiets. Later kwam hij op de motor, dat was wat. Alle broers kwamen er omheen staan om dat ding te bekijken, totdat het Gerrit wel wat leek om er ook eens een ritje op te maken. De motor werd aangetrapt en ja hoor, hij liep, maar veel te hard en hij kon hem niet meer tot stilstand brengen. Toen liet hij zich met de motor tegen de potstal zakken en zo liep het avontuur gelukkig goed af.
We hadden een mooie zwarte kater, een prachtig dier, maar hij at de kuikens op. Dat was een doorn in het oog van vader, want kuikens betekenden in die tijd nogal wat, want dat werden kippen die eieren zouden gaan leggen. Het beest was erg wild en eerst kon niemand hem in handen krijgen. Gerrit moest de zak omhoog houden toen het tenslotte toch lukte. De kat werd erin gestopt en daarna werd de zak even omhoog getrokken. Wat een schrik: er zat geen bodem in de zak en dus was de kat er snel uit. Gerrit moest verschrikkelijk lachen, maar maakte dat hij weg kwam, want als vader dat had gezien zou hij zeker een klap met de pet hebben gekregen; daar stond hij altijd al gauw mee klaar.

Over Aaltje herinnert een nichtje, Aly Hidding, zich nog dat...
Toen tante Aaltje en oom Dirk-Jan trouwden, gingen we met een hele rij koetsen naar Hardenberg. Later was het feest op de deel, met allerlei toneelstukjes, waarbij de gasten ook op de hak werden genomen en “het weggooien van de koffie van eergisteren” door tante Aaltje werd aangehaald.

Over Aaltje herinnert het andere nichtje Aly, dochter van Jan en Leida, zich dit nog…
Bij hen kwamen we niet zo vaak. Nu weet ik dat dit met de afstand te maken had, maar toen dacht ik dat deze familie te voornaam voor ons soort mensen was. Oom Dirk-Jan kon van die prachtig glimmende gele klompen maken en dat was natuurlijk even wat beter dan koeien melken. Toen ze later een winkel aan huis kregen, was dit een bevestiging van mijn jarenlange vermoeden: deze familie had het te ver geschopt om nog gewoon familie te kunnen zijn. Ik voelde me dan ook echt zenuwachtig toen ik de winkel eens een keertje mocht bekijken. Wat schitterend, met echte klompen en bossen touw en een levensgrote toonbank waarop die belangrijke handel moest plaatsvinden.

* * *

NIEUWLEUSEN EN WIJDE OMGEVING UIT 1819, EEN IMPRESSIE II _________________________________________________________

Gijsbert Karel van Hogendorp

Van de schout van Vledder, de heer Van Roijen, had ik vernomen over de voordelen van het afgraven der venen voor de Maatschappij van Weldadigheid. Beide, de provincie en de Maatschappij zullen daar de schone vruchten van plukken. Alle ondernemingen van deze aard, met verstand gedaan, zijn blijkbaar nuttig; en geen ondernemer kan zoveel handen voor het werk aanbrengen als de Maatschappij; geen ander kan er meer geld aan besteden; geen werk is zo aanhoudend en langdurig als dat van zulk een Maatschappij. Uit dit oogpunt heb ik naderhand de kolonisatie aan de Ommerschans bij de heer Van Dedem voorgedragen, die handen nodig heeft, werkvolk wil aantrekken, ontginningen gaarne ziet en dit alles vindt in de koloniën van de Maatschappij.
Zo komen bij de Zwarte Sluis (Zwartsluis) al vaarten bijeen die in de omgeving van Meppel samenvloeien en dus een aanzienlijk deel van de provincie Drenthe verbinden met de Zuiderzee. (..) Halverwege Meppel begonnen weer de sporen van vlijt, in landbouw, verveningen en ontginningen. Het werd zichtbaar dat wij de Smilder vaart naderden. Vijf bevaarbare wateren verenigden zich in of bij Meppel, om gezamenlijk naar Zwartsluis te lopen. Deze vaart voorziet ook de markt van Meppel en uit deze markt ontstaat de gewone handel, de welvaart, de bevolking. Meppel telt 4000 ingezetenen en zal hoe langer hoe meer bloeien naarmate het binnenland bebouwd en bevolkt zal worden. Reeds zijn er verschillende fabrieken en trafijken, goede openbare gestichten, onder andere een werkhuis, en scholen, waaronder de Latijnse school uitmunt. De scheepvaart boven de stad ligt stil vanwege de droogte, wat niet zo verwonderlijk is omdat de Hoogevener vaart op drie voet diepte, en de Smilder vaart op vier voet diepte is gegraven. Naar hetgeen ik over de Dedemsvaart heb verteld, mag men veronderstellen dat ook deze vaarten zo hadden kunnen worden ingericht dat ze tegen de droogte bestand zouden zijn. Van Meppel tot Zwartsluis reed ik langs een diep en breed water, door lage landen, over een nauwe weg. De weg is hier denkelijk zo nauw omdat het land zo kostbaar is en omdat de grond bovendien gebruikt moest worden om er een dijkje mee op te hogen. Dit is evenwel de grote postweg, dezelfde was die ik van Zwolle over Hasselt, aan de andere zijde van het Zwartewater was gekomen. Hoe moet het hier in andere jaargetijden, vooral in de winter, gesteld zijn? Ik kan wel begrijpen dat in vroegere tijden de weg langs deze vaart, deze stad en de bewoonde omgeving is aangelegd, toen landinwaarts de grond er nog woest lag, maar ik begrijp even goed dat Waterstaat heden de grote weg wil gaan verleggen van Zwolle over Rouveen en Staphorst naar Meppel. Daarmee blijft men buiten de overstromingen, buiten het lastige overvaren te Hasselt, buiten de aanzienlijke omweg en trekt men bijna een rechte lijn door de droge heide, over schoon zand, tot voordeel van ontgonnen gronden en van nieuwe ontginningen. Het oogmerk van een postweg, veiligheid en gemak wordt daarmee rechtstreeks bereikt. Natuurlijk zullen er ook klachten over de verlegging van de weg ontstaan, vooral te Hasselt, want aan wegen en vaarten te liggen is een duidelijk voorrecht. Maar Hasselt geniet een meer dan gewone schadevergoeding in het gebruik van de Dedemsvaart. Deze mondt uit in het Zwartewater binnen de stad en komt uit tweederde deel van het bovenland en zal mettertijd in verbinding staan met de gehele provincie. Dit voorrecht is zo groot en zal dagelijks zoveel groter worden, dat het verloren gegane voorrecht van de postweg er niets bij is. De vaart is bij toeval van Hasselt geworden en zo verliest Hasselt door toeval de weg, of veel meer, het een en ander is een gevolg van de meerdere verlichting (grotere kennis) van deze eeuw en van het verstandiger gedrag van zowel de regering als particulieren. Aan de grotere kennis is het reuzenwerk van de vaart toe te schrijven, evenals het verbeteren van de grote rijkswegen. Hasselt zal daarbij over het geheel winnen en dezelfde uitkomst hebben de meeste verbeteringen, al blijkt dit niet even duidelijk en al volgt dit niet even snel ais in dit geval.

Te Hasselt vond ik de heer Van Dedem, die de goedheid had om mij van daar af zijn vaart te wijzen en alle omstandigheden uit te leggen. Wij reden tot zijn buitengoed te Nieuw Leusen, een dorp waarvan de aanleg een lachend voorkomen heeft en waar de gewassen van de vruchtbaarheid van de grond getuigen. Evenwel staat het daar alsnog zoals een eiland in de zee ligt, of veelmeer als een oase in de zandwoestijnen van Afrika. De eerste dag werd ik er niets van gewaar omdat wij langs de zijde van de vaart reden en de vaart door de oude woestijn loopt. De volgende dag, van de zijde van de Ommerschans komende, zag ik ook daar niets, want de schans en de aangrenzende marke liggen grotendeels woest. Maar achterom rijdende, aan de zuidzijde, naar de Vecht toe, werd mijn oog opeens verkwikt door het vrolijkst gezicht van bouwland, tuinen, woningen, lanen en bossen. Zulke verrassingen heeft men in dit land voortdurend, omdat er hoegenaamd geen reden is dat men de ene voet op een woestijn en de andere in een tuin zet, dan alleen deze reden, dat de menselijke vlijt reeds zo ver en nog niet een stap verder is gegaan. Het is een voortdurende afwisseling en contrast van vlijt en verzuim die men verkeerdelijk met de namen van vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid bestempelt. In het rijke Vlaanderen heb ik hetzelfde contrast ontmoet, met dit enige onderscheid dat het woeste land daar een zeer klein, en hier een groot gedeelte van het geheel uitmaakt. Maar dit is geen verschil in de aard van de grond en Overijssel kan veelmeer een tweede Vlaanderen worden. Een landbouwkundige Vlaming was kort tevoren te Frederiksoord geweest, had er de grond onderzocht en verklaarde dat de heide er van een betere kwaliteit was dan de meeste gronden in Vlaanderen. Dit vernam ik niet alleen in die kolonie, maar naderhand ook te Enschede (...) doch ik beken dat ik, buiten dit, ook niet weinig hecht aan het getuigenis van mijn ogen en dat ik overtuigd ben geworden door de ondervinding die voortdurend terug kwam.
Van Nieuw Leusen begaf ik mij terug naar Drenthe, naar het huize Echten, vanwaar de heer Van Holten mij reeds in Meppel was komen opzoeken om mij op vriendelijke wijze uit te nodigen. De weg liep dwars over de Dedemsvaart en door een onafzienbare heide, enige uren lang, tot aan de Drentse grensscheiding. Van de vaart af gingen de sporen van ontginning al minderen en op de heide had ik reden om mij over de meegegeven begeleider te verblijden, omdat mijn voerman van Steenwijk zonder hem aan het dwalen zou zijn geraakt. Alles was hier eigenlijk volkomen woest en mijn oog, ofschoon reeds geoefend, kon op geen enkele manier ook maar iets van enige ontginning bemerken. De eerste beginselen van de ontginning zijn bijna onzichtbaar en ik had nog de dag daarvoor een hokje gezien waarvan ik nooit zou hebben gedacht dat er een mens in zou kunnen wonen en waarvan ik het onbetwistbare bewijs had gekregen dat er een man, vrouw en kinderen in woonden. Dit afschuwelijke begin leidt echter naar een goed bestaan en vervolgens naar welvaart en men kan met eigen ogen de trappen nagaan, van de eerste ontginning af tot de rijkste boerenwoning toe. Op deze langzame wijze vordert niet alleen dit gedeelte van ons land, maar zo heb ik het gezien in alle andere woeste delen van het land. Ik heb meerdere keren opgetekend dat de ontginning sedert dertig jaren veel meer voor komt en dat de lust tot ontginnen nog voortdurend aanwakkert. Dit is dan voornamelijk het geval met deze kleine ontginningen van arme lieden die niets bezitten en die aan de zoom van de heide beginnen, bijna zonder enige middelen en veelal zonder enig recht op de grond. Heeft deze langzame bewerking nu reeds zoveel woest land in staat van vruchtbaarheid gebracht, wat zal dan niet de werkzaamheid van de Maatschappij van Weldadigheid uitvoeren? De Maatschappij stelt een huisgezin immers meteen op een hogere tree, waarop het tweede, meestal pas het derde geslacht van de gewone ontginner enige kans heeft. (...) De grensscheiding van Overijssel en Drenthe wordt gevormd door een klein riviertje of veeleer een grote beek, en dit water, zoals overal, kondigt zich aan door boomgewas, door weiland, door tuinen, door woningen. Drenthe is vervuld met lopende beekjes en naarmate er water of geen water is, draagt de grond al of niet planten, dieren en mensen. Hier ontdekte mijn oog opeens geen hutten maar een paleis. De baron De Vos van Steenwijk heeft hier een oud kloostergoed (Dickninge) gekocht en er een nieuw huis op een hoogte gezet. Het huis is van de nieuwe smaak; een witte gevel, grote ruiten en de plaats is naar de fraaie Engelse wijze ingericht. Bos, water, boerderij, tuinen, wandellanen, bouwlanden, alles is vrij en ruim met elkaar verbonden en levert een aangenaam tafereel op. Dit ziende, wanneer men uit de barre heide komt, waant men zich betoverd en houdt alles voor een begoocheling der zinnen.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Op 15 juli 1918 werd deze foto gemaakt van de leerlingen van de Openbare School (school D) op de Meele. Foto ZF3




1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  

Bertha Stegeman
Annigje van Ankum
Reintje Rumpf
Jennie Potjes
Ida Rumph
Dina Kragt
Jentje Dijk
Meester Kapinga
Meester Brand
Berend Brasjen
Aaltje Dijk
Jan Willem Potjes
Thijs Meulenbelt

14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  

Arendina Kappert
Aaltje Stegeman
Hendrik Potjes
Jentje Deusies
Geesje Kuier
Hille Gerrits
Janna Brinkman
Arend van Ankum
Jan Kuijers
Jantje Brasjen
Rika Stoel
Jentje Brinkman

26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
 
 

Bertus Stegeman
Juffr. Grietje Mulder
Klaas Kragt
Hendrik Brinkman
Willem Brinkman
Hendrik Rumpf
Roelof Visscher
Klaas Rumf
Dirkje Dijk
Gerrit Jan van Ankum
Frits Brinkman
Gerrit Rumpf

* * *

ZO KORT MAAR ... _________________________________________________________

Klazien Bijker

Zi'j uppelt vrolijk veur mi'j uut.
En woar zi'j daanst, daanst een gedicht,
een vlindertien in 't zunnelicht.
Eur stemmegien klinkt schel en luud.

Zi'j snapt en schettert 't honderduut.
Wied van gevoar en zörg en plicht,
is ‘t lêven veilig, wonderlicht.
Elk bloemegien een toverkruud.

Zo kört maar…. dan is 't sprokien uut.
O God, dit vlindertien in ‘t licht,
holt eur, veur oens nog eem in ‘t zicht.

* * *

LIMERICK _________________________________________________________

Klazien Bijker

Een knienegien uut Hoevelaken,
det leut em et klaverblad goed smaken.
Rijen auto’s der veur,
een gejammer, gezeur:
"wat een raamp um de weg kwiette raken"

* * *

DE UNIONBRAND IN 1976 _________________________________________________________

De grootste brand die Nieuwleusen ooit getroffen heeft, is die van de Union rijwielfabriek op 10 juni 1976. Tegen de avond werd alarm geslagen en rukte de brandweer van Nieuwleusen en omliggende gemeenten met groot materieel uit. De publieke belangstelling was groot zoals ook wel op de foto’s is te zien. Ter gelegenheid van de tentoonstelling over de brandweer van Nieuwleusen, die dit seizoen op de bovenverdieping van museum Palthehof wordt gehouden, laten we u een aantal foto’s van deze brand zien.







* * *

GENEALOGIE VAN DUREN _________________________________________________________

A. Kroes

In dit nummer beginnen we met de genealogie Van Duren te Nieuwleusen, de nakomelingen van Willem Claassen van Duren. Hij zal ongeveer rond 1640 geboren zijn, maar een precies geboortejaar is niet bekend. In deze genealogie zijn de resultaten te vinden van een eerste onderzoek naar deze familie. Voor aanvullingen en verbeteringen kunt u contact opnemen met mevrouw G. Hengeveld, lid van onze werkgroep Genealogie.




1.
2.
3.
4.
5.

I. Willem Claassen van Duren, landbouwer,
tr. 25 mei 1669 Jannichjen Hendriks, van Herfte.
Uit dit huwelijk:
Derk, geb. 22 dec. 1671.
Hendrik, geb. 8 nov. 1674.
Klaas Willems, ged. 30 sept. 1677, volgt II.
Beerent, geb. 14 jan. 1683.
Jan, geb. 7 nov. 1685.





1.
2.
3.
4.
5.
6.

II. (van I) Klaas Willems van Duren,
ged. 30 sept. 1677, landbouwer,
ondertr. 26 april 1715 Trijntjen Jans, van Nieuwleusen.
Uit dit huwelijk:
Jennigjen, ged.9 febr. 1716.
Willem Klaassen, ged. 28 febr. 1717, volgt III.
Jennigjen, ged. 14 aug. 1718.
Jan, ged. 7 juli 1720.
Henrik, ged. 8 febr. 1722.
Henrik, ged. 3 juni 1725.







1.

1.
2.
3.
4.

5.
6.

III. (van II) Willem Klaassen van Duren,
ged. 28 febr. 1717, landbouwer
ondertr. verm. 1° 28 april 1736 Willemtjen Lamberts,
ondertr. 2° 24 maart 1742, tr. kerk. Nieuwleusen
Aaltien Berends.
Uit het eerste huwelijk:
Willemtjen Willems, ged. 7 okt. 1736.
Uit het tweede huwelijk:
Janna, ged. 18 nov. 1742.
Klaas Willems, ged. 17 maart 1744, volgt IV-1.
Berend, ged. 28 nov. 1745.
Hendrik Willems, ged. Nieuwleusen 24 sept. 1747,
volgt IV-2.
Jantjen, ged. 31 mei 1750.
Jantjen, ged. 14 juli 1755, overl. 12 juli 1821,
tr. Nieuwleusen 8 april 1786 Gerrit Jans Boonen.






1.
2.
3.
4.
5.








6.



IV-1. (van III) Klaas Willems van Duren,
ged. 17 maart 1744, landbouwer, overl. 29 mei 1816,
tr. Nieuwleusen 4 mei 1771 Jutjen Hendriks Tolhekke, overl. Ruitenhuizen (Zwolle?) 1800.
Uit dit huwelijk:
Aaltjen, ged. Nieuwleusen 13 okt. 1771.
Hendrik, ged. Nieuwleusen 17 april 1774.
Hendrik, ged. Nieuwleusen 27 aug. 1775.
Willem, ged. Nieuwleusen 1 nov. 1778, volgt V-1.
Hendrikjen, ged. Nieuwleusen 16 febr. 1783,
overl. Ruitenveen 16 juli 1850,
tr. 1° Jan Hendriks Eppenboer, ged. Nieuwleusen
5 sept. 1784, overl. ald. 11 sept. 1820, zn. van
Hendrik Jans en Jantje Jans,
tr. 2° Nieuwleusen 28 mei 1822 Gerrit Jan Asjes,
geb. Ommen 1789, boerenknecht, bouwman, overl.
Nieuwleusen 4 jan. 1851, zn. van Jan Asjens en
Geertje Alberts.
Marrigje, ged. Nieuwleusen 26 maart 1786, bij huw.
boerin, tr. 2 mei 1818 Berend Kiekebeld,
geb. omstreeks 1788, zn. van Jan Kiekebeld en
Zwaantje Everts.







1.
2.
3.
4.
5.



6.

IV-2. (van III) Hendrik Willems van Duren, ged.
Nieuwleusen 24 sept. 1747, overl. 27 jan. 1823, ondertr.
Nieuwleusen 8 april 1780 Geertjen Goossens Snijder,
ged. 1 maart 1752, overl. 27 sept. 1808, dr. van
Goossen Derks en Aaltjen Peters.
Uit dit huwelijk:
Gosen, ged. 8 april 1781 , volgt V-2.
Derk, ged. 28 sept. 1783, volgt V-3.
Willem, ged. 11 dec. 1785, volgt V-4.
Aaltjen, ged. 21 sept. 1788.
Hendrikjen, ged. 1 mei 1791, overl. Nieuwleusen
2 okt. 1823, tr. 25 aug. 1814 Geert Schoemaker, geb.
omstreeks 1789, zn. van Hendrik Schoemaker en
Hilligjen Egberts.
Berend, geb. 27 febr. 1794, volgt V-5.








1.
2.



3.



4.






5.
6.



V-1. (van IV-1) Willem van Duren, ged. Nieuwleusen
1 nov. 1778, landbouwer te Ruitenhuizen, overl.
5 mei 1821, tr. Nieuwleusen 31 juli 1803
Jantjen Klaas Koezen, geb. ald. 19 aug. 1781, overl.
23 mei 1828, dr. van Klaas Hendriks Koezen,
landbouwer, en Hendrikjen Claes.
Uit dit huwelijk:
Klaas, geb. 9 febr. 1804, overl. 5 apri|1821.
Juttien, geb. 22 okt. 1806, tr. Nieuwleusen 8 sept. 1832
Claas Dijk, geb. omstreeks 1801, landbouwer, zn. van
Peter Claas Dijk en Evertjen Claas, die hertr. met
Jantje Hoes.
Hendrikjen, geb. 11 okt. 1809, tr. Nieuwleusen
7 april 1833 Berend Boonen, geb. omstreeks 1799, landbouwer, zn. van Gerrit Jans Boonen en
Jantjen van Duren.
Aaltjen, geb.17 aug. 1814, tr. 1° Nieuwleusen
6 april 1839 Gerrit Vossebelt, geb. omstreeks 1803, landbouwer, zn. van Gerrit Vossebelt en
Hendrikje Gerritsen,
tr. 2° Nieuwleusen 8 april 1848 Hendrik Schoemaker,
geb. Ruitenveen 18 febr. 1817, landbouwer, zn. van
Klaas Schoemaker en Jantje Hendriks Eppenboer.
Hendrik, geb. Ruitenhuizen 12 mei 1818, volgt VI-1 .
Klaasjen, geb. 16 maart 1821, tr. Nieuwleusen
24 maart 1842 Klaas Brinkman, geb. omstreeks 1820, zn. van Arend Brinkman en
Mijntje Klaas van Spijker.





1.
2.

V-2. (van IV-2) Gosen van Duren, ged. 8 april 1781, tr.
Nieuwleusen 5 juni 1803 Janna Hendriks de Boer,
overl. ald. 22 dec. 1840.
Uit dit huwelijk:
Hendrik, geb. 18 sept. 1803, volgt VI-2.
Arend, geb. 25 febr. 1806, volgt VI-3.







1.






2.








3.



4.



5.
6.
7.



8.

9.

V-3. (van IV-2) Derk van Duren, ged. 28 sept. 1783 als
Derk Willems, overl. 28 febr. 1850, tr. 20 juli 1807
Femmigje Hendriks Witten, ged. 11 juli 1784,
overl. 26 juni 1852, dr. van Hendrik Berents en
Stijntjen Coobs.
Uit dit huwelijk:
Stientje, geb. Nieuwleusen 29 dec. 1807,
tr. 1° Nieuwleusen 25 april 1835 Thijs Vonder,
geb. Havelte 22 mei 1803, landbouwer, zn. van
Klaas Thijs Vonder, landman, en Aaltje Berends,
tr. 2° 27 mei 1837 Thijs Vonder, geb. 24 dec. 1814,
landbouwer, overl. 18 aug. 1882, zn. van
Jan Thijs Vonder en Hendrikje Willems Boer.
Geertjen, geb. Nieuwleusen 16 okt. 1810,
tr. 1° Nieuwleusen 28 maart 1829 Gerrit Vonder, geb.
27 nov. 1809, boerenknecht, overl. 4 juni 1838, zn. van
Klaas Thijs Vonder, landman, en Aaltje Berends,
tr. 2° Nieuwleusen 3 okt. 1840 Jochem Bruggeman,
geb. omstreeks 1807, timmerman, zn. van
Geert Arends Bruggeman en
Fennigje Jochems (Boterman), wedn. van
Janna van Holten.
Aaltjen, geb. Nieuwleusen 4 april 1813,
tr. Nieuwleusen 4 juli 1833 Willem Evertsen, geb.
omstreeks 1803, landbouwer, zn. van Derk Jans en
Aaltje Jans.
Hendrikjen, geb. Nieuwleusen 11 dec. 1815,
tr. Nieuwleusen 26 april 1845 Jan Klomp, geb.
Staphorst omstreeks 1820, zn. van Hendrik Klomp en
Jantje Nijmeijer.
Hendrik, geb. Nieuwleusen 6 april 1818, volgt VI-4.
Willem, geb. Nieuwleusen 7 jan. 1821, volgt VI-5.
Femmigje, geb. Nieuwleusen 3 okt. 1823,
tr. Nieuwleusen 17 okt. 1846 Hendrik Kleen, geb.
omstreeks 1819, boerenknecht, zn. van Derk Kleen en
Grietje Huisman.
Klaasje, geb. Nieuwleusen 1 juni 1826,
overl. 23 mei 1827.
Klaas, geb. Nieuwleusen 25 sept. 1828, volgt VI-6.






1.
2.
3
4..



V-4. (van IV-2) Willem van Duren, ged. 11 dec. 1785,
boerenknecht,
tr. 9 april 1813 Aaltjen Melenboer, geb. 7 jan. 1787, dr.
van Arend Hendriks Melenboer en Stijntje Teunis.
Uit dit huwelijk:
Arend, geb. 16 febr. 1814.
Geertjen, geb. 8 sept. 1817.
Geertjen, geb. 11 mei 1819.
Stijntje, geb. 16 okt. 1822,
tr. Nieuwleusen 5 maart 1842 Willem Spanjer, geb.
Zwolle omstreeks 1815, kastenmaker, zn. van
Hermannes Spanjer en Tjitske Meiners.







1.

2.

3.
4.



5.

6.

7.
8.

9.

10.

11.

12.

13.

14.

V-5. (van IV-2) Berend van Duren, geb. 27 febr. 1794, landbouwer, overl. 6 sept. 1857,
tr. Nieuwleusen 1 april 1822 Hendrikje de Boer, geb.
1802, overl. ald. 4 april 1854, dr. van Berend de Boer en Femmigje Klaas Koezen.
Uit dit huwelijk:
Hendrik, geb. Nieuwleusen 29 aug. 1822,
overl. 5 sept. 1822.
Hendrik, geb. Nieuwleusen 7 jan. 1824,
overl. 17 april 1824.
Hendrik, geb. Nieuwleusen 2 mei 1825, volgt VI-7.
Femmigje, geb. Nieuwleusen 8 juli 1827,
tr. Nieuwleusen 5 juli 1860 Hendrik Boerman, geb.
omstreeks 1822, landbouwer, zn. van Arend Boerman
en Hendrikje Binnenveld.
Arend, geb. Nieuwleusen 3 okt. 1829, ongehuwd
overl. 24 mei 1870.
Geertje, geb. Nieuwleusen 24 sept. 1831,
overl. 10 dec. 1833.
Aaltje, geb. Nieuwleusen 19 nov. 1833.
Geertjen, geb. Nieuwleusen 23 mei 1835,
overl. 19 nov. 1838.
Berend, geb. Nieuwleusen 9 febr. 1837,
overl. 11 nov. 1888.
Hendrikje, geb. Nieuwleusen 7 sept. 1838,
overl. 18 aug. 1840.
Gozen, geb. Nieuwleusen 24 juli 1840,
overl. 27 juli 1840.
Gozen, geb. Nieuwleusen 12 juni 1841,
overl. 28 dec. 1844.
Willem, geb. Nieuwleusen 12 april 1843,
overl. 4 nov. 1843.
Gosen, geb. Nieuwleusen 21 nov. 1845,
overl. 2 april 1846.

wordt vervolgd

* * *

EEN NIEUWLEUSENER ANECDOTE _________________________________________________________

Deze anekdote troffen we aan in een interview met de toen 73-jarige Hendrik Jan van Duren over de veranderingen van het dialect, die aantoont hoe snel taalgebruik iemand op het verkeerde been kan zetten.

In ons dorp woont een koster en die draagt een bril. Op een morgen komt de ouderling bij hem op bezoek en zegt: 'Jij hebt ook al vroeg een paar glaasjes op’. De koster antwoordt verontwaardigd: ‘Hoe kom je daar nou bij, man’. Ouderling: 'Ja, ik zie het wel. Je hebt al een paar glaasjes op’. De koster wordt kittelig en blijft hardnekkig ontkennen. Uiteindelijk moet hij echter hartelijk lachen Wanneer de ouderling uitlegt: ‘Maar je hebt toch een bril op!’
Diezelfde morgen komt de dominee (ook bril dragend) bij ons op bezoek. Net op het moment dat er een koe aan het kalven is. Als het kalf geboren is, wordt er een borrel gedronken, dat zijn we hier gewoon. De dominee weigert, maar wordt uiteindelijk toch overgehaald een glaasje mee te drinken, op voorwaarde dat niemand het zal doorvertellen.
Wanneer de dominee die morgen bij de koster arriveert, is een van de eerste opmerkingen die de gniffelende koster maakt: 'Dominee, u heeft ook al vroeg een paar glaasjes op!’ De dominee wordt rood en fluistert: ‘Oh koster, is het echt zo goed te ruiken?’


Jaargang 19 nummer 3 september 2001

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

De situatie rondom de molen in Den Hulst op een ansichtkaart uit omstreeks 1920 (particuliere verzameling).

* * *

MOLENBRAND IN DEN HULST _________________________________________________________

B. van Duren

Het was omstreeks 1910, een aantal jaren voor mijn geboorte, toen in Den Hulst de korenmolen van Wilhelm van de Berg afbrandde. Volgens ooggetuigen kwamen er veel mensen naar dit niet alledaagse gebeuren kijken. Zo herinner ik mij de verhalen over deze gebeurtenis:

Mijn ouders, Hendrik van Duren en Klaasje Boer, waren nog maar enkele jaren getrouwd en woonden met hun kinderen, Hendrikje, Klaas en Berendina, in een klein boerderijtje vlak bij de molen. De kleine boerderij leverde te weinig op om van rond te komen en vader ging meestal elders op dagloon, om zijn inkomen wat aan te vullen.
Ook op die bewuste zaterdag in de herfst van 1910 was vader niet thuis. Moeder was binnenshuis druk in de weer en toen ze door de ramen naar buiten keek, dacht ze dat het mistig begon te worden en hoopte dat vader gauw thuis zou komen. Maar toen hoorde ze geknetter en keek beter en toen zag ze dat het geen mist was, maar rook waar vonken doorheen waaiden. Tot haar grote schrik zag ze even later dat de molen van Wilhelm van de Berg in lichterlaaie stond. De straffe wind blies de rook en vonken in de richting van het boerderijtje. Het duurde niet lang of het dak begon vlam te vatten.
Vader was inmiddels thuis gekomen en de consternatie in het gezin was groot. Met hulp van toesnellende buren werd in allerijl begonnen spullen uit het huis te slepen. Vader was zo erg van streek dat hij met de koe aan het touw uit de stal naar de voorkamer liep en zo met het dier door de voordeur naar buiten ging. Ook moeder was in de war. Ze liep met de kap van de naaimachine in de hand, niet beseffend dat de naaimachine zelf veel belangrijker was. De kinderen waren ondertussen door de buren naar het café aan de Ommerdijkerbrug gebracht. Toen de brandweer het vuur onder controle had, was er van de molen en van het ouderlijk huis niet veel meer over. Teleurgesteld door deze tegenvaller moesten vader en moeder met hetgeen ze uit de brand hadden kunnen redden opnieuw beginnen. Enkele huizen verderop naar de Ommerdijkerbrug was een huis vrij en daar zijn ze toen ingetrokken.
Daar begonnen mensen vader in te fluisteren wat hij zelf niet hardop durfde te denken: “Waarom ga je niet naar Wilhelm van den Berg. Door de brand in zijn molen is jouw boeltje toch mede afgebrand. Zo niet alles, dan kan hij toch zeker wel een deel vergoeden, want de molen zal, in tegenstelling met jouw gedoetje, vast wel goed verzekerd zijn.”


De “Heiligerlee”, de oudste brandspuit van Nieuwleusen, dateert uit het begin van de vorige eeuw.

Ik weet niet of het vader lang wikken en wegen heeft gekost, maar tenslotte heeft hij toch besloten naar Van den Berg te gaan. Dat bezoek werd een grote teleurstelling. Bij binnenkomst was het eerste wat hij zag dat Van den Berg en enkele heren, waarschijnlijk van de verzekeringsmaatschappij, aan de borrel zaten. Ze zullen het niet prettig gevonden hebben dat hij kwam storen. Toen hij zijn verhaal had gedaan, voor hem zo belangrijk dat hij zeker vond dat zijn woorden het overdenken waard zouden zijn, kreeg hij meteen het antwoord: ‘Nee Van Duren, daar kunnen wij niet aan beginnen. De enige goede raad die wij je kunnen geven is: 'Hang maar een bus aan de boom' De verhoudingen waren in het begin van de vorige eeuw blijkbaar nog zo dat er teveel moed voor nodig was om verder aan te dringen of te discussiëren over aansprakelijkheid, als dat woord toen al bestond.
Wij weten niet met welke gevoelens hij naar huis is gegaan, maar in ieder geval gedesillusioneerd en een stuk wijzer over hoe de samenleving in elkaar zat. Was het recht of onrecht? Nu, na zoveel jaren hebben wij een heel andere kijk op zaken en denken we heel anders dan zo’n negentig jaar geleden. Het leven ging verder en vader zou in zijn leven nog meer tegenslagen moeten incasseren. In de loop der jaren is hij progressiever gaan denken, in de stellige overtuiging dat een andere vorm van samenleven naar een eerlijker verdeling in de maatschappij kan leiden.

* * *

GENEALOGIE VAN DUREN II _________________________________________________________

A. Kroes










1.
2.
3.
4.

5.

6.

1

2

3

4

5

VI-1. (van V-1 ) Hendrik van Duren, geb. Ruitenhuizen
12 mei 1818, landbouwer, overl. 15 mei 1878,
tr. 1E Nieuwleusen 7 dec. 1844 Janna Pander, geb. ald.
8 nov. 1824, overl. 3 maart 1855, dr. van
Berend Pander, landbouwer, en Aaltje IJs,
tr. 2E Nieuwleusen 23 juli 1857 Aaltje Brinkman, geb.
omstreeks 1830, dr. van Arend Brinkman en
Stijntjen de Boer.
Uit het eerste huwelijk:
Berend, geb. Nieuwleusen 18 sept. 1845, volgt VII-1.
Willem, geb. Nieuwleusen, 17 aug. 1847, volgt VII-2.
Jan, geb. Nieuwleusen 10 febr. 1849, volgt VlI-3.
Klaas, geb. Nieuwleusen 28 sept. 1850,
overl. 24 okt.1851.
Klaas, geb. Nieuwleusen 13 nov. 1852,
overl. 12 aug.1880.
Arend, geb. Nieuwleusen 16 febr. 1855, volgt VII-4.
Uit het tweede huwelijk:
Janna, geb. Nieuwleusen 3 jan. 1858,
overl. 16 jan. 1858.
Arend Jan, geb. Nieuwleusen 19 febr. 1859,
landbouwer, overl. 8 dec. 1909.
Janna, geb. Nieuwleusen 1 april 1861,
overl. 21 mei 1864.
Gerrit Jan, geb. Nieuwleusen 3 sept. 1863,
overl. 27 juni 1894.
Janna, geb. Nieuwleusen 27 jan. 1866,
overl. 16 febr. 1886.







1.

2.
3.
4.
5.

6.
7.

VI-2. (van V-2) Hendrik van Duren, geb. 18 sept. 1803,
landbouwer,
tr. Nieuwleusen 5 juni 1832 Jantje de Boer, geb. ald.
9 april 1812, dr. van Berend de Boer en
Femmigje Klaas Koezen.
Uit dit huwelijk:
Gosen, geb. Nieuwleusen 1 febr. 1833,
overl. 8 nov. 1833.
Gosen, geb. Nieuwleusen 7 nov. 1834.
Berend, geb. Nieuwleusen sept. 1837.
Janna, geb. Nieuwleusen 11 juli 1840.
Femmigje, geb. Nieuwleusen 13 maart 1843,
overl. 3 juli 1843.
Arend, geb. Nieuwleusen 15 juli 1844.
Fennigje, geb. Nieuwleusen 18 dec. 1846.










1.
2.

3.

VI-3. (van V-2) Arend van Duren, geb. 25 febr. 1806,
landbouwer,
tr. 1E 6 febr. 1836 Nijsje de Boer, geb. Nieuwleusen
24 aug. 1819, dr. van Berend de Boer en
Femmigje Klaas Koezen,
tr. 2E Nieuwleusen 31 dec. 1846 Stiena de Weerd, geb.
omstreeks 1825, dr. van Albert de Weerd,
boerenknecht, en Jantje Alberts Stolte.
Uit het eerste huwelijk:
Femmigje, geb. Nieuwleusen 21 aug. 1836.
Gosen, geb. Nieuwleusen 26 jan. 1839,
overl. 28 sept. 1840.
Janna geb. Nieuwleusen 26 juni 1841,
overl. 28 aug. 1842.







1.

2.

VI-4. (van V-3) Hendrik van Duren, geb. Nieuwleusen 6 april 1818, landbouwer, overl. 10 febr. 1846,
tr. Nieuwleusen 22 juni 1844 Aaltje Prins, geb. ald. 9 nov. 1824, overl. 4 febr. 1879, dr. van Willem Prins en Aaltje Dijk, die hertr. met Klaas Krul, boerenknecht.
Uit dit huwelijk:
Willem, geb. Nieuwleusen 14 dec. 1844,
overl. 28 dec. 1844.
Hendrik, geb. Nieuwleusen 1 febr. 1846,
overl. 27 maart 1858.







1.
2.

3.





4.



5.

6.

7.

8.



9.



10.

VI-5. (van V-3) Willem van Duren, geb. Nieuwleusen
7 jan. 1821 , landbouwer, overl. 11 juli 1889,
tr. Nieuwleusen 23 aug. 1846 Annigje Evenboer, geb.
19 maart 1825, overl. 26 febr. 1910, dr. van
Berent Evenboer en Bartje Hendriks Snijder.
Uit dit huwelijk:
Derk, geb. Nieuwleusen 1 aug. 1846, volgt VII-5.
Berend, geb. Nieuwleusen 3 juli 1848,
overl. 20 febr. 1852.
Femmigje, geb. Nieuwleusen 3 jan. 1851,
overl. 12 jan. 1921, tr. Nieuwleusen 6 jan. 1887
Willem Brinkman, geb. 22 maart 1854, landbouwer
ald., overl. 5 okt. 1924, zn. van Jan Brinkman en
Annigje Schoemaker, eerder geh. met
Egberdina Snijder.
Bartje, geb. Nieuwleusen 15 sept. 1853, overl.
7 maart 1920, tr. Nieuwleusen 16 mei 1878 Klaas Smit,
geb. Dalfsen 29 april 1850, zn. van Albert Smit en
Trijntje Kreulen.
Janna, geb. Nieuwleusen 7 jan. 1856,
overl. 1 jan. 1859.
Berend, geb. Nieuwleusen 24 okt. 1859,
overl. 25 juli 1866.
Janna, geb. Nieuwleusen 26 dec. 1861,
overl. 24 aug. 1879.
Hendrik, geb. Nieuwleusen 2 aug. 1864, landbouwer,
tr. Nieuwleusen 16 mei 1891 Jentje Dekker, geb.
Staphorst omstreeks 1872, dr. van Roelof Dekker en
Hendrikje Krake.
Berend, geb. Nieuwleusen 2 aug. 1867, landbouwer,
overl. 19 mei 1916, tr. Nieuwleusen 7 juli 1910
Klaasje Schoemaker, geb. ald. 7 nov. 1865, dr. van
Albert Schoemaker, boerenknecht, en Klaasje Kragt.
Jan, geb. Nieuwleusen 18 okt. 1869, volgt VII-6.







1.
2.

3.

VI-6. (van V-3) Klaas van Duren, geb. Nieuwleusen
25 sept. 1828,
tr. Nieuwleusen 30 april 1853 Hendrika Evenboer, geb.
8 okt. 1830, dr. van Berent Evenboer en
Bartje Hendriks Snijder.
Uit dit huwelijk:
Femmigje, geb. 7 nov. 1853.
Barteld, geb. Nieuwleusen 22 nov. 1855,
overl. 14 jan. 1859.
Bartjen, geb. 25 maart 1860.







1.







2.
3.




4.




5.
6.

VI-7. (van V-5) Hendrik van Duren, geb. Nieuwleusen
2 mei 1825, landbouwer,
tr. Nieuwleusen 15 april 1854 Aaltien Schuurman, geb.
omstreeks 1834, dr. van Jan Schuurman en
Femmigje Alteveer.
Uit dit huwelijk:
Fennigje, geb. Nieuwleusen 24 mei 1855, bij huw.
boerenmeid te Mastenbroek,
tr. Zwollerkerspel 4 febr. 1876 Gerrit van der Horst,
geb. Mastenbroek omstreeks 1851, boerenknecht te
Mastenbroek (N.W. noord), zn. van
Hendrik van der Horst, landbouwer te Kamperzeedijk
vóór 1860, en Hendrikje Beuzepol, bij huw. dienstmeid
te Mastenbroek.
Hendrikje, geb. 22 juni 1858.
Janna, geb. Nieuwleusen 24 maart 1860, overl.
Genemuiden 5 april 1926, tr. Genemuiden 11 mei 1888
Dirk Hammer, geb. ald. 14 okt. 1864, wagenaar, overl.
ald. 11 nov. 1934, zn. van Wolter Hammer, kleermaker,
en Aaltje Schuuring.
Aaltje, geb. Nieuwleusen 24 jan. 1863, overl. ald.
10 maart 1936, tr. Genemuiden 23 juni 1893
Dirk Hammer, geb. ald. 28 okt. 1869, veehouder, overl.
Nieuwleusen 28 maart 1955, zn. van Klaas Hammer,
boerenwerk doende, veehouder, en Margje Koster.
Hendrik, geb. 31 aug. 1866.
Hendrik, geb. 17 okt. 1867, volgt VII-7.

Wordt vervolgd.

* * *

RECTIFICATIE _________________________________________________________

De tekst in de genealogie Van Duren op blz. 45 onderaan in het nummer van juni 2001 moet als volgt worden gewijzigd:







tr. 2° Nieuwleusen 3 okt. 1840 Jochem Bruggeman,
geb. omstreeks 1807, timmerman, zn. van
Geert Arends Bruggeman en
Fennigje Jochems (Boterman), wedn. van
Janna van Holten.

(Dit is aangepast in de tekst.)

* * *

WILHELMINA _________________________________________________________

Mevrouw Klaasje Prins-Pessink was 10 jaar toen ze in 1923 onderstaand lied zong voorjuffrouw Palthe bij het Palthehuis. Daar waren alle schoolkinderen samengekomen ter gelegenheid van het 25-jarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina. Gulia Palthe was gesteld op het koningshuis en ook op de kinderen die haar de zanghulde brachten. Als dank beloonde ze de kinderen met een reep chocola en soms met een medaille bij een bijzondere gebeurtenis. Het is ons niet bekend wat de kinderen in 1923 voor cadeautje kregen.
Bij de zanghulde hadden de kinderen een oranje sjerp om. De meisjes om de taille, de jongens schuin over de schouder.
Mevrouw Prins wist zich nog te herinneren dat ze bij die zanghulde een wit schort droeg en een oranje speldje en dat ze ook een oranje strik in het haar had. In ons archief bevindt zich een foto van (vermoedelijk) deze zanghulde voor het Palthehuis. We drukken die hierbij af, hoewel de kwaliteit te wensen over laat. Maar gezien het verhaal dat bij deze foto hoort, willen wij hem u toch niet onthouden.

Het regeringsjubileum in 1923 werd gevierd rond de verjaardag van Wilhelmina op 31 augustus. In die tijd werden de meeste Oranjefeesten rond haar verjaardag gevierd. In Nieuwleusen worden nog jaarlijks de Oranjefeesten rond deze datum gehouden.

Het lied is weergegeven zoals mevrouw Prins dat zich wist te herinneren. De tekst is van een onbekende dichter. Op de scholen in Nieuwleusen (en misschien wel landelijk) zal het door de kinderen zijn geleerd ter gelegenheid van deze feestelijke gebeurtenis.


Wilhelmina Koninginne
van ons dierbaar Nederland
gans het volk dat u beminne
reikt vandaag elkaar de hand
en versterkt de oude band
van Oranje en Nederland.

Vijf en twintig jaren zijt gij
Koninginne van ons land
en uw volk viert met u hoogtij
heeft zijn liefde aan U verpand
Daarom klinkt uit rang en stand
leve Oranje en Nederland.


Voor ons volk zijt Gij de leidsvrouw
houdt het vaderland bijeen
veilig zijn wij door Uw trouwe
in U zijn we als natie één
Daarom jubelt heel het land
voor Oranje en Nederland.

Saam verbonden door historie
samen één in lief en leed
Blijf Oranje onze glorie
dat geen onzer dit vergeet
God der vaad'ren blijf U hand
met Oranje en Nederland.

* * *

DE ROGGE IS RIEPE _________________________________________________________

Klazien Bijker

De murrengzunne op ‘t golden veld,
de strakke lucht, de zomergeuren
ebt oens een zwoare dag veurspeld:
de rogge is riepe, ’t mut gebeuren.

De blauwe bloemen langs de raand,
zie ligt al plat, flets wûrdt eur kleuren.
Zo'n zeîne is scharp, maar krom op ‘t laand
eb wi’j gien oge veur eur treuren.

Och, ‘t is niet muuilijk as ‘t oe haandt,
et is meer slagwark, dit gebeuren.
Wi’j gaart de baanden op van ‘t laand.
Der mag gien spiertien van verleuren.

Stikkels in 't hemp, een scharpe beet,
diesels, deurwarken en niet zeuren.
Het jûkt et bit, det zolte zweet,
de sproake is goandeweg bevreuren.

Oase in dit hels gebeuren,
geurige koffie, kolde thee,
wat schroale woorden, want zó muu.
Herinnering giet nooit verleuren.



Kiek, bulties mest op ‘t stûppellaand,
op ‘t stûppellaand met karrespeuren.
't Wûrdt harfst, de knollen mut er in.
De ploeg stiet kloar, zi’j kunt goan scheuren.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Dit keer een foto van de gereformeerde meisjesvereniging “Bid en Werk” uit omstreeks 1950. Foto WA21



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  

Roelofje Klein
Dinie van Dorsten Kd.
Grietje Pierik
Hennie Kroon
Dina Kappert
Fem van Dorsten GJd
Aaltje van Dorsten Kd
Aaltje Hof
Alie Timmerman
Jennigje Petter

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

Klazien de Boer
Geesje Steenbergen
Gijsje Kroon
Hermina de Lange
Roelofje Hof
Riek de Boer
Stientje de Lange
Janna van Dorsten Hd
Jo Stolte
Gerrie Visscher

21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  

Marie Brinkman
Jantina Kappert
Sina Nijkamp
Trijntje Pierik
Dina Visscher
Greta van Marle
Margje Talen
Margje de Graaf
Gerrie van Eldik
Geertje Snijder

* * *

UIT STOLTE'S VERHALENBOEK _________________________________________________________

Johan Stolte

Deel 3: Aaltje Stolte - Pot vertelt.
Toen Klazien was getrouwd, moest er een andere hulp in de huishouding komen want moeder Stolte was nogal vaak ziek. Ondanks dat was ze wel flink. Als iemand zei: “Vrouw Stolte is ook ziek” gebeurde het vaak dat iemand anders dan zei: “lk heb haar vanmorgen nog op de fiets gezien.” Ze was vaak ziek, maar ook zo weer beter en ging dan meteen weer voort. Zo kwam ik er te werken en verdiende daarmee ƒ 100,- in een jaar; dat was in die tijd heel wat. Ik had al een beetje verkering met Gerrit, maar daar merkten de anderen niets van. Ik heb er een jaar gewerkt, tot we trouwden.
Moest er gehooid worden, dan moest ik ook mee. Als het regende was het hooien afgelopen en kwamen we in huis. Soms zagen we die bui helemaal niet aankomen en dan zei moeder Stolte: “Als je hooit moet je altijd naar de lucht kijken." en dan zei ik: “Maar dan kun je toch niet hooien?” Het gebeurde ook wel eens dat er een nacht gewaakt moest worden bij een koe, maar dat die koe dan niet kalfde maar wel een andere koe waar ze helemaal geen erg in hadden gehad. Als Gerrit vroeger dan de anderen naar bed ging en ik was dan te lang naar moeder Stolte’s zin boven, dan riep ze: “Aaltje” en dan wist ik het wel.
Heel vaak werden er pannenkoeken gebakken. Na het eten gingen de drie jongens met de stoel op twee poten achterover tegen de muur zitten slapen, met de hoofden tegen het behang. Daarom zaten er altijd drie vette plekken op het behang. Weet je waar ik zo’n hekel aan had? We kregen bij het broodeten elk een half ei. Ja, zuinig he, maar dat moest wel met zoveel volk. Gerrit en Jan moesten samen delen en Gerrit sloeg het ei dan doormidden, maar hield zelf het grootste stuk en daar zei Jan dan altijd wat van, die vond dat niet eerlijk. Ook sloeg vader Stolte nogal eens met de pet als de jongens niet vlug genoeg opschoten. Hij was een man die wist wat hij wilde. Zo was het eens een tijdlang heel erg droog en toen het dan eindelijk regende kwam vader Stolte door de regen bij mijn ouders. Mijn vader zei: “Hoe durf je er nog door?" en toen was zijn antwoord: “Nou, we willen toch graag regen hebben, moeten we dan nu thuis blijven?”
Ze gingen ook vaak samen een avond uit, naar de Jurgens of naar mijn ouders. Om ongeveer half zeven gingen ze dan weg en kwamen om ongeveer half tien weer thuis.
In de twee kamers hingen, wat we noemden, dubbele gordijnen. Voor de ramen halflange katoenen met een strookje of balletjes onderaan. Daarvoor, een eindje verder van het raam, lange gordijnen, langer dan de vensterbank. Dat was in die jaren heel deftig.

Toen we trouwden.
Op de trouwdag kwam Gerrit op de fiets bij mijn ouders, waar we in de kamer ‘s middags brood aten. Toen het ongeveer vijf uur was, was alles voorbij. Vader Stolte ging op de fiets van Gerrit naar huis en moeder Stolte op mijn fiets en Gerrit en ik gingen er lopend achteraan. Gerrit moest melken en ik was vrij.
In de zomer is men aan ons huis bij de Lichtmis begonnen. Gerrit was er heel veel en sliep dan bij oom Jan in Den Hulst. Ik ben in september meegegaan en toen woonden we eerst in een groot kippenhok. Het grootste gedeelte was voor ons en in het kleine stuk sliepen de timmermannen Gerrit en Klaas v.d. Kamp. Ze aten bij ons. Hagedoorn uit Lutten heeft het huis gebouwd. Het vroor al toen het huis nog niet klaar was en daarna moest het nog geverfd en gesausd worden. We hadden twee stoelen en een kist. Als er volk kwam, moest dat op de kist gaan zitten. Ja, het was wel arm in die tijd, nu is dat haast niet meer te begrijpen.
Voor de kerk moesten we naar Zwolle, naar de Oosterkerk, daar was ds. Kuiper onze dominee. ‘s Middags gingen we om 3 uur om de beurt naar de Oosterkerk, de Plantagekerk of de Zuiderkerk. De andere kerk begon dan die dag om vijf uur. Familie uit Slagharen kwam op de fiets of met de tram, maar dat was een slechte verbinding. Arend-Jan woonde in Alblasserdam en toen Aaltje daar logeerde, bracht hij haar terug tot Zwolle en haalde Gerrit haar daarvandaan weer op. Aly van Willem logeerde ook eens bij ons. Die bracht ik met de bus weer terug, maar ze heeft de hele weg naar huis gehuild, zo bang was ze voor het kanaal waar de bus langs reed. Ik ging heel vaak op de fiets naar Slagharen en een keer gingen we er samen met drie kinderen op de fiets heen.

Arend Stolte, zoon van Gerrit en Aaltje, vertelt:
Wij moesten van onze vader altijd bij het raam weg als het onweerde. Heel veel mensen en ook dieren, worden stil van onweer. Waarom? Eens was het onweer zo erg dat vader de laarzen en klompen in de keuken klaar zette, zodat, als er wat gebeurde, we zo weg konden. Als opoe Stolte bij ons op bezoek was, zat ze graag bij het raam, ook als het onweerde. Daar zat voor haar iets groots in, denk ik. In de oorlog was het wonen aan de Lichtmis niet mals. We moesten wel eens in de kelder. Op een keer, toen we van school kwamen, scheerde een vliegtuig een paar maal over ons huis. Een auto die langs ons huis reed, stopte snel en twee mannen vluchtten er uit en bleven tegen de muur staan. Het vliegtuig schoot de auto in brand. In de laatste hongerwinter kwamen hier veel mensen langs om voedsel. Ze lagen ‘s nachts op onze tien meter lange deel in het hooi. Het was ‘s nachts zo koud dat de koeien ‘s morgens ijspegels aan hun bek hadden hangen. ‘s Morgens gingen die mensen al heel vroeg verder, verzadigd en uitgerust, en toch werden er ook nog klompen en laarzen gestolen, maar ja, hun nood was erg groot.
In 1960 kreeg ik verkering met Grada Brus in Lutten. In het begin van onze verkeringstijd ging ik sommige avonden per fiets heen en terug naar m’n meisje. Je kunt wel begrijpen dat de heenreis van anderhalf uur sneller ging dan de terugreis, waar ik twee uur over deed. Later bleef ik ‘s nachts bij oom Jan en tante Leida over tot zondagavond, want bij Brus hadden ze ‘t hokke al te vol van d’r eigen. In de tussentijd schreven we elkaar. Als ik zo ‘s nachts om twee uur, half drie thuis kwam, viel het niet mee om er ’s morgens om zes uur weer uit te komen - dan was het melkenstijd. Moeder had er veel werk aan om ons steeds te roepen en de tweede keer was het dan vaak ook niet mals.

Leida Stolte vertelt.
(Hendrik-) Jan en ik zijn in oktober 1939 getrouwd en we hadden dus geen groente in voorraad, maar moeder Stolte had al heel wat zuurkool ingemaakt. We konden die kant niet uit komen of we kregen een portie zuurkool mee. Op een keer zei ik: “Moe, wij lusten niet zo graag zuurkool”, maar dat viel niet in goede aarde.
Ze zei: “Wezen jullie maar zuinig, het kan wel op hoor. Kopen is voor ons mensen te duur”. De zuurkool werd dus wel steeds meegenomen, maar kwam uit de fietstas direct in de varkenszomp terecht. Moeder Stolte moest met haar grote gezin wel zuinig doen. Zo werd er geen koffie weggegooid, maar die kwam in een andere pot terecht en werd dan weer opnieuw opgewarmd en bij het broodeten gebruikt. Op een keer was de pot leeg en zei ze: “Zusse, waar is die koffie voor het opwarmen?”
“O, die heb ik weggegooid” was mijn antwoord. “Och, och, och”, zei moeder, “het was nog wel verse van eergisteren”.
Prompt een week na ons huwelijk kwamen ze al van de kerk voor de vaste bijdrage en Jan vroeg: “Wat moet ik zo ongeveer geven?” Het antwoord was: “Jouw moeder heeft het kwartaal er al afgetrokken en dat is ƒ …” Dus dat wisten we dan alvast en zo had Jan een basis waar hij van uit kon gaan.
Moeder Stolte kon ook heel goed broeken en overals verstellen, tenminste: eigenlijk was het meer er lappen op zetten. Ze naaide iedere keer weer een lap over de andere lappen heen als ergens een slijtplek kwam en zo hadden de jongens soms wel vierdubbele broeken aan. Dat is sterk en ook nog lekker warm. Toen ze ouder werd, mocht ze dat werkje van lappen opnaaien nog erg graag doen, maar o, die draad in de naald krijgen! Dat was een ramp. Maar ook daar vond ze wel wat op. Ze had een schoorsteenkleed over de schoorsteenmantel en daarin zaten wel tien naalden. Als er dan iemand van de familie langs kwam, dan werd er in elke naald waar niks meer in zat een nieuwe draad gedaan. Maar de naald moest wel echt leeg zijn, want ieder draadje werd helemaal opgebruikt.
Arend-Jan en Dien woonden in Alblasserdam en waren daarvandaan helemaal op de Solex naar Slagharen gekomen en logeerden daar bij ons. Moeder Stolte wilde toen ook graag eens een hele dag komen. Ze kon nog wel fietsen, maar het op- en afstappen was te moeilijk. Toen zei
Arend-Jan: “Moe ik kom op de Solex bij oe en dan help ik je er op, rij dan gauw vooruit en help je er dan wel weer af”. Zo gezegd, zo gedaan. Het ging prima en Arend-Jan stond met geopende armen klaar om haar weer op te vangen, maar dat vond ze al niet meer nodig. Ze riep al van verre: "An de kaante, kloet, ik redde mij we|”. En inderdaad, het ging allemaal prima.
Johan heeft haar ook een keer opgehaald op de bromfiets. Dat ging ook goed, alleen, toen ze afstapte had Johan bloed in zijn overhemd, zo stijf had ze zich vastgehouden. Johan durfde er niets over te zeggen en trok voor de terugweg maar een extra jasje aan.

* * *

ONZE SCHOELTIED 1941 - 1948 _________________________________________________________

Willem Stolte

Het Plankenloodsje, vlak bij de afslag naar Nieuwleusen, bestaat allang niet meer. Toch is de naam een begrip en heeft de bushalte daar nog altijd die naam. Nu bestaat ook de school bij het Plankenloodsje niet meer, omdat die aan het begin van de 21-e eeuw plaats heeft moeten maken voor het industrieterrein de Hessenpoort. Gelegen in de gemeente Zwollerkerspel, gingen kinderen uit het westelijke deel van Nieuwleusen toch naar deze, voor hen dichtstbijzijnde lagere school. Willem Stolte, zoon van Gerrit en Aaltje Stolte, schreef ter gelegenheid van een reünie onderstaand gedicht, dat we hier opnieuw mogen publiceren. (met een knipoog naar mijn klasgenoten t.w. Marten Aalbers, Marten Maat, Roelof Deuzeman, Marten Binnendijk, Jan Westerkamp, Cor Klappe,
Margje de Boer, Rika Boerman, Iekje Oegema,
Jan Endeman, Jan Schuurman, Jantina Grit).



Zo zag de weg naar Nieuwleusen er bij het Plankenloodsje er in vroeger tijden uit.

In het veurjaor van één-en-veertig
vielen we onder de Leerplichtwet.
Toen hebben wi’j veur ‘t eerst de schreden
op weg naor d’Haerster schoele e’zet.

‘k Zie de schoele an ‘t Plankenloodsje
deur, tussen het geboomte, staon.
Waor wi’j nog zoveule jaoren
in weer en wiend, naor toe moesten gaon.

Um de schoele een zee van ruumte.
Wi’j liepen mekaar niet in de weg.
Veur de schoele die lindebomen,
langs de schoele die hoge heg.

‘k Zie die lange gang mit klompen,
netjes op een rij, daor staon.
‘k Zie die kapstokken met kleren
as de zunne ies verstek liet gaon.

Het interieur van oenze schoele
blif oes nog Iange veur ogen staon.
Wi’j ziet now nog die zwaore banken
uutneudigend daor veur oes staon.

Het telraam stund op hoge poten,
in ‘t hoekien, bi’j ‘t raam.
Oes warmtebron, die grote kachel,
stund in ‘t andre hoekien, achteran.

‘k Zie de witte muur mit platen,
daor in ‘t andre leslokaal.
Daor hing een plaat van Willem Barentsz
zoals hi’j ging op walvisjacht.

Daor hing een plaat van Nova-Zembla,
van de overwintering.
Ja, het waren mooie platen,
die er an de muure daor hing’n.

Maor laoten wi’j nou eerst ies kieken
hoe veur ons het leern verliep.
Die witte muur met al die platen,
die lag nog ver in ‘t verschiet.

Die eerste weke was niet makk'lijk.
Wi’j kenden mekaar dan ook maar pas.
Heel wat traonen bint er toen evallen,
als offer veur de Wetenschap.

Wi’j kregen eerst een griffeldeuze,
mit een potlood en een pen.
Dat was zo’n heel aparte penne.
Zi’j nuum’n dat een kroontiespen.

Nullegies maken, streepies trekken,
dat was toen een hele klim.
‘k Heur de juffrouw toen nog zeggen:
‘Tussen de lijntjes blijven, Wim’.

En als er an die kroontiespenne
ies een heel klein pluusien zat,
dan had ie een vlek van-wat-heb-ik-jou-daar
in oen mooie, ni’je schrift.

Juffrouw Tuininga deed reeknen,
op het telraam, an oens veur.
D’iene wat eerder dan de ander,
Maar wi’j kregen het wel deur.

Ook in de tweede en de derde
hadden wi’j juffrouw Tuininga.
Zi’j was overal in thuus heur.
Die had heur zaakies veur mekaar.

Een vensterbanke vol met bloemen,
dat was ook het wark van haar.
Die vreug’n op tied ook hun verzorging,
met schaar en mesje stond ze klaar.

Ze gaf ook wel ies een flinke tik weg,
Maor daor vuul’n wi’j weinig van.
‘t Zwaore wark kwam van de meesters,
die pakten oens wel anders an.

Maor nao verloop van die drie jaoren,
toen kwam ‘t grote leslokaal.
Wi’j vuulden oens al hele pieten.
Wi’j kreeg‘n les van meester Staal.

Meester Staal deed ook de viefde
en hi'j gaf oens gimmestiek.
Wi’j zien oens nog op ‘t schoelplein zwaaien
met armen en benen tegeliek.

En wi’j moesten veule marcheren.
Meester Staa| die hield oens kwiek.
Wi’j hebt daor heel wat offe’lachen,
bi’j meester Staal op gimmestiek

Meester De Vos ging over alles
wat ie op schoele tegenkwamn.
Ja, zelfs in technische gevallen,
was hi’j veur oens de juuste man.

‘t Stoken van die grote kachels,
ging gepaard mit veul kabaal,
en een onderaards gerommel
brak dan de stilte van ‘t lokaal.

D'oorlogsjaoren mit al die schaorste
bracht ook veur de schoele veul ongemak.
Zo keek meester De Vos geregeld
in de lege kolenbak.

In die laatste oorlogswinter,
toen zaten wi’j wel in de klassen,
vanwege deze stookproblemen
warm ingepakt in dikke jassen.

‘t Veurjaor daorop met luchtgevechten,
Blif ook in oenze herinnering.
Toen deur ‘t geraos en veule schieten,
wi’j onder de bank in dekking ging’n.

‘t Lesrooster raakte deur dat schieten
daonig uut het evenwicht.
En nao verloop van enkle weken
ging d’Haerster schoele dan ook dicht.

De meesters, stark in ‘t organiseren,
trokken dan op buurtbezoek.
En wi’j kregen in die weken
nog flink wat huuswark aan de broek.

Langzaam aan kwam na de bevrijding
oenze schoele weer op gang.
Um toen de boel weer in te halen
was veur oes van groot belang.

Wi’j zien oes meester daor nog zitten,
achter die hoge lessenaar.
Mit dat afgezakte brillegien
overzag hi’j de hele kinderschaar.

Noten lezen, zangles geven:
‘t was veur de meester heel gewoon.
En zo leerden wi'j op de schoele,
‘t vinden van de juuste toon.

Vreemde landen, vreemde volken,
alies wat er groeit en bloeit;
meester De Vos kon mooi vertellen,
en wi'j luisterden geboeid.

Ook van de kwajongensstreken
hebben wi’j ons deel gehad.
Maor steeds bleek dat meester De Vos
de touwtjes stevig in z’n handen had.

In ‘t veurjaor van acht-en-veertig
brak de laatste schoeldag an.
En als wi’j zo weerumme kieken
is ‘t op schoele ?jn gegaan.

Veule is oes bi'j-e-bleven,
veul meerdan hier is neer-epend.
Nee, die tied zull’ wi’j nooit vergeten;
oes schoeltied daor an ‘t Iange end.

* * *

ED VAN THIJN - HET VERHAAL _________________________________________________________

Vorig jaar verscheen er een boek van de hand van
Ed van Thijn waarin de in 1934 geboren politicus van joodse origine zijn memoires vertelt. Hij overleefde de oorlog dankzij 18 onderduikadressen, ook in Nieuwleusen en Oudleusen en ondanks zijn verblijf in het Huis van Bewaring te Zwolle en twee deportaties naar kamp Westerbork.

Pagina 141 speelt op de Meele, waar hij enkele dagen was ondergedoken bij de familie Kok (ouders van Grietje Kreule-Kok, die bijna dezelfde leeftijd had (geb. 1935) als Ed en die zich nog herinnert hoe hij tijdens de schoolpauze met de kinderen mocht spelen.
Na een bezoek van de Duitsers aan de boerderij, was haar moeder zo ongerust (de jongen had duidelijk niet het uiterlijk en taalgebruik van een zoontje), dat ze er op aandrong het kind een ander onderdak te geven, omdat het heel waarschijnlijk was dat het Duitse bezoek nog eens terug zou komen. Ed werd naar Van Ankum aan (nu) de Korenweg gebracht, die hem naar de familie Van der Vegte in Oudleusen bracht, waar hij tenslotte is verraden. De Duitsers kwamen huiszoeking doen, vonden hem niet, maar kwamen een tweede keer terug en liepen toen doelbewust op de eerder niet gevonden smalle kast af, dus er moest wel verraad in het spel zijn.

Ed van Thijn - Het verhaal. Amsterdam, Meulenhoff, 2000. 190 pagina‘s. Nieuwleusen p. 141, Ommen p. 178, Oudleusen p. 35, 137, 141, Twente (na de oorlog) p. 82 t/m 83,123, 126, Zwolle p. 17, 28 t/m 30, 35,47, 90, 137 t/m 140.


Jaargang 19 nummer 4 december 2001

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

In dit huis aan de Ommerdijk, de huidige Backxlaan, hield de Boerenleenbank aanvankelijk maar enkele uren per week spreekuur. Kassier L. Hengeveld was de eerste die dit beroep als dagtaak uitoefende.

* * *

DE R IN DE MOAND _________________________________________________________

Klazien Bijker

Veerkaant, robuust en vet, zie ‘t kûrt petret
van nooit vergêten smaak en van geschiedenis
Van 'slikken maar', ogen stief toeëknepen.
O gruwel, ‘t smeûk nog meer nor vis as echte vis.

Ten Doeschate. Oe sjiek en deftig was et etiket.
Maar met Ten Doeschate was vast wel wat mis.
Det van die vitamines ek nooit goed begrepen;
troag gelig vet! ‘t Smeûk meer nor vis as echte vis.

En elke oamp weer - moeders wil is wet -
kwaamp et teveurschien uut de diêpste duusternis;
‘t raanzig geheel, de lêpel inbegrepen,
op ‘t vette schûtteltien. Niks aans as vis, vis, VIS!

Nog kriek soms nachtmerries van lêpel en van fless'.
Van kotsen en nog net de pot egrepen.
‘t Was goed bedoeld o lêvertroan, maar soms was ‘t mis.
Te veule vis!

(dialect van Nieuwleusen)

* * *

HERINNERINGEN VAN EEN SCHOOLMEESTER VII _________________________________________________________

A. Visser

Het was in 1947. De heer L. Hengeveld (foto) - directeur van de Boerenleenbank aan de Ommerdijk (nu Backxlaan) vierde zijn jubileum; ik meen een 25-jarig huwelijksfeest!?
Hij was bestuurslid van de Christelijke school in Den Hulst en dus werd het personeel van die school ook uitgenodigd voor de receptie in restaurant ‘De Unie’.
Mijn collega en ik besloten zo tegen 5 uur in de middag te gaan feliciteren, en, omdat we intussen allebei een fiets hadden, fietsten we naar het restaurant.

Na onze felicitaties aan de feestvierende familie namen we even plaats aan een nog ‘leeg’ tafeltje. We zaten er nog maar net, toen er een rijzige gestalte aan ‘ons’ tafeltje aanschoof. Het was - zo stelde de man zich voor - notaris Uyt den Boogaerd. Een dame die bediende, zette meteen drie volle borrelglaasjes voor ons neer - zeker om de gezelligheid te verhogen! Toch liep het gesprek tussen ons niet vlot. Wat wisten wij van notariszaken en wat wist de notaris van onze schoolperikelen? Nee, het praat niet zo gemakkelijk als je zo weinig van elkaar weet. Om ons een houding te geven, begonnen we maar meteen aan onze borrel. Ik denk dat het voor ons beiden de eerste keer was, dat we zo iets te drinken kregen. Tegen heug en meug - ook om ons groot te houden tegenover de notaris - dronken we, veel te vlug, ons glaasje leeg. En meteen was daar weer dat dienstmeisje en werd ons een tweede borrel voorgezet ...weer van dat sterke spul! Wat nu? We konden er niet omheen..., we moesten toch ons fatsoen houden dus ook die tweede borrel werd opgedronken. Mijn collega kreeg toen ineens haast om weg te komen en ik vond dat helemaal niet erg. We lieten de notaris met z’n borrel alleen achter aan ‘ons’ tafeltje en namen de benen; oftewel, we pakten snel de fiets! Over de Ommerdijkerbrug en gauw naar huis!
We zaten niet in ‘t goede spoor dat merkten we allebei, maar we lieten het tegenover elkaar niet merken. Ik was al gauw bij mijn kosthuis en ik kwam daar enigszins strompelend over de drempel de keuken binnen. Mijn hospita zag meteen water aan de hand was: “Meester, meester, ie bint toch niet dronken?” Nou, eerlijk gezegd, daar mankeerde niet zoveel meer aan!
Gelukkig wist zij er raad op: een bakkie sterke koffie en een snee stoete! Ja, daar knapte ik van op. Toen ik later op de avond even ging kijken hoe mijn collega het maakte, kwam ik tot de ontdekking dat hij het er minder goed van had afgebracht. Hij was ‘in de kost’ bij melkboer Schoemaker, achter de school. Het laatste stukje van z’n ?etstocht was niet geheel vlekkeloos verlopen! Eerst had hij het hekje, dat toegang gaf tot het erf van zijn kostbaas, uit de hengels gereden en toen was hij in de heg en in de struiken beland.
Dat was een goede leer voor de volgende keer. We spraken dan ook af nooit meer een borrel te zullen drinken. Of mijn collega zich verder in zijn leven aan die afspraak heeft gehouden? Ik weet het niet en kan het hem - helaas - niet meer vragen …..

* * *

TUSSEN DALFSEN EN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Irene en Willie van Oenen

Nieuwleusen en Dalfsen zijn weer één gemeente geworden. Net zoals het was tot 1818 toen Nieuwleusen nog onderdeel was van het Schoutambt Dalfsen. De grens tussen beide gemeenten lag altijd aan de Middeldijk. Hoe het vroeger wonen was in dit grensgebied hoorden we uit de mond van Hilligje de Weerd-Bruggeman. Zij woont sinds haar geboorte in 1910 aan de Kringsloot-West. Wij gingen bij haar op bezoek op een mooie oktoberdag in 2000 en vonden haar bezig met het drogen van stukjes appel op een zelfgemaakt rek op de gaskachel. Een oud gebruik dat stamt uit de tijd dat er nog geen diepvriezers waren om groenten in te conserveren. Gedroogde appeltjes zijn heel lang houdbaar, zo vertelt ze ons. Ze werden vroeger voor gebruik eerst geweekt in water en dan gekookt voor bij de aardappels. Op de gaskachel zijn ze in 24 uur al goed droog.

Hilligje was de derde in een gezin van 5 kinderen. Vier dochters en één zoon. Haar vader Peter Bruggeman, kwam van het Oosteinde en haar moeder Trijntje van Zomeren, van de Arendnevenweg. Daar werd ook Hilligje‘s oudste zus Aaltje geboren. Een oom van Hilligje, Derk Jan van Zomeren, had een huis aan de Kringsloot en daar ging het hele gezin later naar toe.

Nu heet het Kringsloot West maar vroeger tot zo omstreeks 1960 was het adres L 221. Het gebied stond voor de ruilverkaveling bekend als zeer nat. De wegen waren in die tijd ‘s winters vaak erbarmelijk slecht. Hilligje herinnert zich nog hoe de melkrijder met grote moeite door de modder baggerde. Dan had ze medelijden met zijn magere paardje.



Tussen de zandweg en het fietspaadje ernaast zetten de buurtbewoners paaltjes om te voorkomen dat ook het fietspaadje kapot werd gereden door de wagens. Soms moesten de paaltjes echter toch weggehaald worden, om het verkeer nog een laatste mogelijkheid van doorgang te bieden.
De weg werd zo goed en zo kwaad als dat ging regelmatig door de aanwonenden opgeknapt. Gelukkig waren de voetgangers niet alleen op de Kringsloot of de Veldweg aangewezen. Er liepen van de Kringsloot naar het Westeinde (de stroate) talrijke andere paadjes. Zo waren er verschillende mogelijkheden om naar de school te lopen. Echte namen hadden die weggetjes meestal niet maar Hilligje nam in haar jeugd vaak het "Sikkenweggie". Dit paadje werd niet door wagens gebruikt en bleef dus goed begaanbaar voor fietsers en voetgangers. Het heette zo omdat het langs een huisje liep waar de vrouw des huizes haar sikken aan de weg zette om te grazen. Verder heetten die paadjes bij voorbeeld "bij Kragt langs” of "bij Boerman langs" of "bij Witten langs". Er stonden toen veel minder huizen aan de Kringsloot en de Middeldijk dan nu.

Hilligje herinnert zich nog dat er ‘s winters op een grote plas aan de zuidkant van de Kringsloot, tussen de Veldweg en de Slagweg, geschaatst kon worden. Veel kinderen uit Nieuwleusen en Oudleusen kwamen daar dan naartoe. Dat gebied werd toen het Oldleusener Broek genoemd. De brede sloten langs de Kringsloot zijn veel later gegraven en na de ruilverkaveling werd het stukken beter met de ontwatering in dit gebied.
Maar mooie bossen bloemen plukken in het Veld zoals Hilligje als kind deed is er tegenwoordig niet meer bij.

Waar kinderen zich in die tijd verder mee vermaakten waren spelletjes als touwtje springen, tollen of ballen. Dat ballen ging met twee, drie of vier ballen tegen de muur van de school en bij slecht weer in de gang. Op zondagmiddag kwamen geregeld kinderen bij het huis aan de Kringsloot samen om te spelen. Ook dan speelden ze veel met ballen die je dan mooi over het huis kon gooien.
De jongens deden het spelletje "bal in de pet". De jongens moesten dan hun pet op de grond leggen en één moest er een bal in gooien. Degene in wiens pet de bal terecht kwam “was hem” en moest één van de anderen proberen te tikken. Ballen werden gekocht bij Stolte an de Ommerdiek (nu Backxlaan).

‘s Winters zat het gezin in het veurhuus rond het vuur en dan werden er raadseltjes opgegeven. Enkele van die raadseltjes legt ze ons nog voor.











Wat gooi je recht over het dak en komt er kruislings weer af?

Een veerkant huussie, een gruun bussie, een rood reusie, road mar ies een peusie.

D'r leup een mannegie oaver het laand
Met een bussie in de haand
Hij kon d 'r uut drinken
Mar hij mos d 'r eerst een gattie in klinken.

Hilligje ging met zes jaar naar de openbare school aan het Westeinde. (Westert zoals ze zelf zegt). Meester Middag en één juffrouw gaven er les. In die jaren stond er in Nieuwleusen een openbare school aan het Westeinde en een aan het Oosteinde, genaamd de Wester- en Oosterschoele.
Toentertijd was de molen van Massier op de hoek Veldweg-Westeinde nog in gebruik. Hilligje moest er soms voor schooltijd met haar jongere zus Hendrikje heen om koeken voor de koeien en “slobber” voor de varkens te bestellen. Dan kon haar vader later de bestelling op gaan halen. Dat bestellen deden de zussen niet graag, want het was niet gemakkelijk om de molenaar te spreken te krijgen. Hij zat vaak boven in de molen en dan moesten ze hem luidkeels gaan staan roepen. Pas als de molenaar dan eindelijk naar beneden kwam, konden ze hem hun boodschap doorgeven. Ze waren vaak bang dat ze hierdoor te laat op school kwamen.
Voorbij de molen stond aan de Dalfser kant van het Westeinde nog een smederij en daarna hield de bebouwing op. Verderop stonden vroeger wel eens woonwagens. Ze vond het griezelig om daar langs te lopen, want je hoorde als kind wel eens enge verhalen hoewel er, zoals ze nu zegt, geen reden was om bang te zijn want die mensen deden niks.

Ten tijde van Hilligje's lagere schooljaren werd er in Nieuwleusen ook een christelijke school opgericht waar zo langzamerhand steeds meer leerlingen naar toe gingen. De openbare school kreeg het moeilijk en de meester kwam bij Hilligje thuis vragen of ze nog een jaar langer naar school mocht. Dat mocht en zo kwam het dat ze bijna vijftien was toen ze van school afging.

Hilligje volgde catechisatie bij dominee Van de Berg. De catechisatie werd gehouden in een houten gebouwtje dat naast café Reuvers stond, bij het weggetje naar het Palthebos. In de periode dat zij belijdenis deed, zo rond 1930, was het dragen van de witte muts door de meisjes al ouderwets aan het worden. Ook Hilligje droeg de witte muts niet meer.

Na de lagere school ging Hilligje voor twee jaar op naailes bij Triene van der Kolk. Triene had een hoge rug en ze was erg klein. Daarom deed ze geen boerenwerk. Ze kon met deze handicap wel het naaiwerk voor families in de omtrek doen en lesgeven. Een boerennaaister werd dat genoemd. Triene had op haar beurt het naaien weer geleerd van de grootmoeder van Hilligje.
Hilligje leerde bij Triene het maken van de ouderwetse klederdracht die toen in Nieuwleusen nog gedragen werd. Drie prachtige klederdrachtpoppen in haar kamer getuigen van het feit dat ze haar vak goed verstond. In die tijd had elke plaats een eigen dracht. De dracht van Dalfsen was bijvoorbeeld een beetje anders dan die van Nieuwleusen.
Hilligje leerde bij Triene alles op naaigebied, behalve patroontekenen. Wie dat wilde leren moest helemaal naar Zwolle.
Boerennaaisters maakten eigenlijk alleen vrouwen- en kinderkleren. Mannenkleren werden gemaakt door “de Snieder”, de kleermakers gebroeders Gerrits die aan de Arendnevenweg woonden. Wanneer Hilligje later pakjes voor haar zoons maakte, liet ze die knippen bij de kleermaker, waarna ze ze zelf in elkaar zette.


Het huis aan Kringsloot-West waar Hilligje de Weerd-Bruggeman al bijna haar hele leven woont.

Zo werd Hilligje na verloop van tijd zelf boerennaaister. Dat hield in, dat ze naar de boerenfamilies ging om daar ter plekke kleren te maken. Dat kon van alles zijn zoals klederdracht, boezeroens, schorten en later ook jurken en kinderkleren. Bijna elke dag was ze zo op pad en soms ook ‘s zaterdags. Meestal ging ze op de fiets naar haar klanten toe maar soms waren de wegen zo slecht dat ze met de wagen werd opgehaald. Nadat ze getrouwd was ging ze niet zo veel meer uit naaien.

Hilligje trouwde in 1934 met Jan de Weerd (zoon van Jan de Weerd en Aaltje Everts) die een eindje verderop aan de Kringsloot woonde, op de hoek van de Meenteweg. Een bruiloft werd niet gegeven. Gewoon een keer visite bij haar thuis en bij Jan thuis. Na hun trouwen trokken ze in de boerderij die naast de boerderij van Jans ouders stond. Hun drie oudste kinderen werden op dat adres geboren, waarvan dochter Aaltje op 3 mei 1940. Dokter Dekker hielp bij de bevalling. De volgende dag kwam hij zeggen dat hij niet terug kwam, omdat hij moest opkomen voor de mobilisatie. Dezelfde dag kwam de veldwachter van Oudleusen zeggen dat Jan ook moest opkomen en zo bleef Hilligje alleen achter met drie kleine kinderen. Gelukkig was Jans familie dicht bij en Hilligje had een meisje dat haar in huis hielp.
Jan en dokter Dekker kwamen at snel weer thuis. Voordat dokter Dekker zijn praktijk in Nieuwleusen begon was er dokter Risselada. Die kwam nog met de koets bij de mensen thuis. Hi|ligje's ouders hadden toen echter de Dalfser dokter Te Rae.
Hilligje en haar gezin woonden zeven jaar naast de ouders van Jan en gingen toen de boerderij van Hilligje's ouders doen. Zo kwam ze terug in haar ouderlijk huis, waar ze nu nog woont.
Bij de boerderij was heel vroeger een boomgaard. Die oude boomgaard kan Hilligje zich niet meer herinneren, maar er zijn bij de boerderij altijd wel fruitbomen gebleven met volop appels en peren. Het zijn veelal ouderwetse soorten waarvan ze zich namen herinnert als pondsperen (stoofperen), rooigies en Staphorster rooien (appels) en wichter (pruimen). Bij het naastgelegen huis van Alteveer staan nog wat van die fruitbomen.

Na de oorlog kwam alles weer moeizaam op gang. Voor het naaiwerk was Hilligje eerst aangewezen op lappen stof die langs de deur werden verkocht. Die waren in die naoorlogse jaren vaak van slechte kwaliteit. Haar vader was één van de eersten die samen met Derk Jan Schoemaker een grasmachine kocht. De vader van Hilligje was boer, timmerman en wagenmaker. Achter het huis aan de Kringsloot staat nog zijn oude timmerloods met daarin een originele "krulewagentoete". Die werd gebruikt voor het maken van de as van het houten kruiwagenwiel.
Haar vader is heel oud geworden en bleef bijna tot aan zijn dood aan het werk in zijn timmerschuurtje.

Officieel woonde de familie De Weerd in de gemeente Dalfsen, maar in het dorp Dalfsen kwam men niet vaak. Kerkelijk hoort het gebied bij Nieuwleusen en ook voor alle andere zaken is men van oudsher aan de Kringsloot gericht op Nieuwleusen. Dat is ook te horen aan Hilligjes Nieuwleuser streektaalgebruik. Zo liggen de grenzen tussen verschillende plaatsen voor de bewoners vaak anders dan ze op de kaart getekend zijn.

Hilligje de Weerd-Bruggeman

Hilligje heeft nog steeds haar bezigheden thuis aan de Kringsloot. Ze werkt nog graag wat in de tuin en ook al wordt dat werken steeds moeilijker voor haar, genieten van het buitenleven kan ze nog steeds. En mooi vertellen van vroeger.
Vandaar dit verhaal.

Antwoorden raadsels: een schaar, een stoof met test met daarin met een kooltje vuur; een rauw ei.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Deze foto van de Openbare School aan het Oosteinde dateert van omstreeks 1919. Foto ZA21



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  

Heintje Westerveen
Leentje van Spijker
Derk van Spijker
Jan Willem Schuurman
Hendrikje Veerman
Annigje Frederiks
Meester Maurits
Meester Boerrichter
...... Mijnheer
Wichertje van Spijker
Jansiena Stolte
Gerritdina Schuurman
Jo Seine

14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
 

Klaasje Frederiks
Meester Osselink
Aaltje Vrielink
Mientje Seine
Johan Stokvis
Hendrik Seine
Jan Alteveer
Berendina Schuurman
Jan Seine
Willem Lefers
Arend van Spijker
Mientje Blik

26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
 

Mina Blik
Jan Veerman
Hendrik Veerman
Willem van Spijker
Harm Vrielink
Arend Stolte
Klaas Mijnheer
Jan Stegeman
Harm Jan Mijnheer
Ida de Liefde
Barteld de Liefde
Jan Willem de Weerd

* * *

UIT STOLTE’S VERHALENBOEK _________________________________________________________

Johan Stolte

Deel 4: Kleindochter Marina, dochter van Arend-Jan en Dien, vertelt.
In de oorlog woonden wij in Wierden en vanaf mijn achtste jaar in Alblasserdam en met de grote vakantie logeerden we ieder jaar ongeveer drie weken in Lutten. Die twee werelden waren totaal verschillend. In Lutten was het altijd zomer. Natuurlijk hadden we niet altijd stralend mooi weer, maar toch.... altijd vakantie. We zagen de familie maar één keer per jaar en die wist eigenlijk niets van ons leven in Alblasserdam. Het was elk jaar opnieuw wennen en je eigen wereld bleef achter. Daarom bleef je op een afstand, verlegen, niet goed wetend wat er van je werd verwacht.
Ik logeerde nogal eens bij oom Willem en tante Diena en kon zo naar opoe Stolte toe lopen, maar dat durfde ik niet. Ze was altijd wel vriendelijk, maar ik had niet de indruk dat ze mij echt zag. Als ik aan haar kamer denk, dan zie ik terra kleuren, donker hout en opoe in het zwart op een grote stoel. Ze vroeg me dan hoe oud ik was en ze vond dat ik weer erg gegroeid was. Ik was verlegen en durfde niets te zeggen.
Gelukkig was dan in het achterhuis tante Diena, die in een ongelooflijk grote koekenpan de lekkerste aardappelen kon bakken. Het was daar knus in de keuken, met om de hoek de varkens. Om naar de wc te gaan, moest je daar langs. Die varkenslucht vond ik heerlijk.
Hier kreeg je ook suiker op een witte boterham.
Ook logeerde ik regelmatig bij oom (Hendrik-) Jan en tante Leida. Die hadden allerlei leuke speelgoedjes. Hun wc was ook bijzonder, daar durfde ik niet op want alles verdween direct in een rond gat en je zag het niet meer terug. Ik was altijd bang dat er een hand uit zou steken die mij in dat donkere gat zou trekken. Alleen als de nood erg hoog was, ging ik daarheen.


Het gezin van Jan Stolte.

Ook bij oom Evert en tante Hendrikje logeerde ik zo nu en dan. De dahlia’s vond ik prachtig, zo hoog en in allerlei kleuren. Als we doodmoe op de fiets aankwamen stond tante al glunderend op ons te wachten. Oom Evert had een hoortoestel, dat vond ik indrukwekkend; het stoorde me niet, het hoorde bij hem in die prachtige rieten stoel. Ik zat graag naast hem, hij was zo rustig en kon zo mooi lezen. De kelder was ook zo mooi, met die grote hammen en spek en weet ik wat al niet meer. Dat hing daar zomaar. Als je door de lange gang liep, had je rechts de prachtige kamer, waar alleen maar mooie dingen in stonden. De keuken van tante Hendrikje was heel ver weg, van daaruit zag je de tuin.
Soms logeerde ik bij oom Harm en tante Klazien. Daar was het altijd heel druk en er werd veel gelachen. Het mooiste was het daar om naar de kerk te gaan. Iedereen werkte heel hard en was daar ook naar gekleed. Maar op zondag was alles anders. De hele familie was dan op z’n mooist, iedereen was veel stiller en op de deel stonden de fietsen klaar. Buiten op het erf was het heel stil en alles en iedereen glom. En dan die lange fietstocht. Prachtig, achter elkaar en in de kerk ons speciale plekje rechts.
Madeleen, mijn oudste zus, en ik logeerden ook een keer bij Jan-oom in Nieuwleusen. Hij sliep in de bedstee en wij daar vlakbij. Gelukkig dat Madeleen in de buurt was, want we keken met grote ogen naar die man in die witte hansop, met ook nog een witte slaapmuts op, met een kwast eraan. ‘t Was net Jan Klaassen. Kennelijk sliepen we niet al te vast want midden in de nacht hoorden we een watergekletter in een po. Madeleen herinnert zich nog de huishoudster, maar daar weet ik niets meer van.

Kleindochter Aly, dochter van Jan en Leida, vertelt:
Aly, die toch dichtbij woonde in Schuinesloot, bevestigt het beeld dat Marina schetste van oma: Of ze nou thee zette in haar koude ongezellige keukentje of met haar zondagse schort gezellig in de grote stoel bij de kachel zat: altijd was er dat rustige, nuchtere en die zekere koelheid om haar heen. Ik herinner me niet dat ze ooit een lelijk woord tegen mij heeft gezegd, maar een zoen van haar herinner ik me ook niet, noch een schouderklopje of een compliment.
Oom Gerrit en tante Aaltje woonden zo ver weg, dat ik mij nog duidelijk herinner dat ik voor het eerst helemaal alleen die grote reis van Schuinesloot per bus naar de Lichtmis mocht maken. Ik voelde me meteen heel volwassen en tante Aaltje was zo echt belangstellend dat ik het gevoel had een echt ‘grote-mensen-gesprek’ te voeren. Op een gegeven moment onderbrak ze ons gesprek voor een kopje koffie en riep vanuit de keuken: ”Je bent toch niet bang voor een vel he?" Joviaal riep ik terug: “Welnee, ik ben toch ook een boerendochter!” Bij dat laatste woord verslikte ik mij bijna toen ik zag dat ze tevreden lachend het groene emaillen schaaltje vol met dikke stijve gele vellen pakte, een kleine sleef van het rek nam en met een fors gebaar onze kopjes, die tot dan toe slechts voor de helft waren gevuld, er tot de rand toe mee vol schepte.
Maar wie A zegt, moet ook B zeggen en het vervolg van het gesprek was zo gezellig dat ik nu nog niet weet of ze nu lekker of vies smaakten, die vellen.
Een andere belangrijke herinnering heb ik aan de jaarlijks terugkerende logeerpartij van oom Arend-Jan en tante Dien met Janny. Als ze nog maar net wat verstijfd van hun Solex waren gestapt en na onze hartelijke begroetingen naar boven gingen, veranderde daar de frisse zand-zeep-en-soda-lucht meteen in heerlijke Tosca-achtige geurtjes en stond ik al genietend achter de gesloten logeerkamerdeur te snuiven. Op de overloop had mijn moeder naast de spiegel een maagdelijk wit, mica-achtig puntzakje, met eenzelfde klepje erop, opgehangen. Het gaf me een plezierig stout-achtig gevoel om hier af en toe in te kijken en daar dan de verschillende kleuren haren te zien, waarvoor het dingetje kennelijk bestemd was. En dan dat eenvoudig ontroerende avondgebedje van Janny:
‘k Vouw mijn handjes, ‘k sluit mijn oogjes, buig mijn knietjes voor u neer, enz.....
O, wat vond ik dat prachtig, dat was nog eens wat anders dan mijn eigen:
lk ga slapen, ik ben moe, ik sluit m’n beide oogjes toe, enz.....
Elke avond weer die tegenstelling van Janny in haar wit-kanten nachtponnetje, rijk geurend naar de Tosca-zeep, op de knietjes voor het bed dat prachtige versje opzeggend en ik met m’n aanvechtbaar gebedje ernaast (want dan was ik juist nooit moe, dus ‘t begon al met een onwaarheid). Op een keer hield ik het niet langer meer uit en biechtte onder tranen mijn probleem bij mijn moeder op. Zij begreep het gelukkig volkomen en leerde me snel dat mooie gebedje van Janny. Een korte tijd was ik er blij mee, maar toen kwam het heimwee naar mijn eigen versje. Het paste gewoon beter bij mij en mijn roze pyjama en m’n karnemelkzeep luchtje.

* * *

GENEALOGIE VAN DUREN III _________________________________________________________

A. Kroes









1.
2.



3.
4.

VII-1. (van VI-1) Berend van Duren, geb. Nieuwleusen
18 sept. 1845, landbouwer, overl. 27 jan. 1902,
tr. Nieuwleusen 21 april 1877 Hendrikje Hof, geb. ald.
1 sept. 1850, dr. van Derk Hof, landbouwer, en
Klaasje Kragt.
Uit dit huwelijk:
Hendrik, geb. Nieuwleusen 13 dec. 1878, volgt VIII-1.
Klaasje, geb. Nieuwleusen 31 mei 1882,
tr. Nieuwleusen 25 aug. 1904 Derk Brinkman, geb.
Ambt Ommen 11 sept. 1882, boerenknecht, zn. van
Willem Brinkman en Aaltje Katoele.
Derk Jan, geb. Nieuwleusen 31 aug. 1884, volgt VIII-2.
een levenloze dochter, geb. Nieuwleusen 12 april 1888.








1.
2.

3.



4.
5.




6.





VII-2. (van VI-1) Willem van Duren, geb. Nieuwleusen
17 aug. 1847, landbouwer, overl. 29 mei 1908,
tr. Nieuwleusen 24 jan. 1884 Hendrikje Krul, geb. ald.
15 dec. 1848, overl. ald. 10 maart 1936, dr. van
Klaas Krul, boerenknecht, en Aaltje Prins, wed. van
Willem Boonen.
Uit dit huwelijk:
Hendrik, geb. Nieuwleusen 16 sept. 1884.
Klaas, geb. Nieuwleusen 14 dec. 1885, ongehuwd
overl. 28 mei 1921.
Janna, geb. Nieuwleusen 8 okt. 1887,
tr. Nieuwleusen 30 april 1913 Hendrik de Weerd, geb.
omstreeks 1884, zn. van Koop de Weerd en
Hendrikje Boerman.
Aaltje, geb. Nieuwleusen 2 febr. 1890.
Arend Jan, geb. Nieuwleusen 25 dec. 1891,
landbouwer, overl. 2 okt. 1975,
tr. Nieuwleusen 18 maart 1915 Jentje Krul, geb. ald.
1 april 1888, overl. 24 maart 1973, dr. van Willem Krul
en Trientje Schoemaker.
Klaasje, geb. Nieuwleusen 6 jan. 1894,
tr. Nieuwleusen 27 sept. 1917
Hendrik Kijk in de Vegte, geb. Staphorst 1895, overl.
1970, zn. van Jan Kijk in de Vegte, boerenknecht te
Zwollerkerspel, en Hendrikje Belt, boerenmeid.








1.

2.




3.



4.

5.

6.

VII-3. (van VI-1) Jan van Duren, geb. Nieuwleusen
10 febr. 1849, landbouwer, overl. 15 juli 1916,
tr. Nieuwleusen 14 juni 1883 Miena Hof, geb.
25 dec. 1854, overl. 22 sept. 1898, dr. van
Jan Klaas Hof, landbouwer te Nieuwleusen, en
Hilligje Evertsen.
Uit dit huwelijk:
Hendrik Jan, geb. Nieuwleusen 25 nov. 1885,
volgt VIII-3.
Janna, geb. Nieuwleusen 13 aug. 1885,
tr. Nieuwleusen 1 maart 1917 Hendrik Jan van Dijk,
geb. omstreeks 1872, landbouwer, zn. van
Klaas van Dijk en Femmigje de Boer, wedn. van
Wilhelmina de Ruiter.
Klaas, geb. Nieuwleusen 10 febr. 1888, landbouwer,
tr. Nieuwleusen 8 april 1920 Trijntje van der Kolk,
geb. omstreeks 1890, dr. van Frederik van der Kolk en
Hendrikje Tempelman.
Jantje, geb. Nieuwleusen 22juli 1889,
overl. 10 jan. 1890.
Harm Jan, geb. Nieuwleusen 8 aug. 1890,
overl. 7 febr. 1892.
Gerrit Jan, geb. Nieuwleusen 15 aug. 1894.







1.
2.



VII-4. (van VI-1) Arend van Duren, geb. Nieuwleusen
16 febr. 1855, landbouwer, overl. 19 maart 1909,
tr. Nieuwleusen 29 april 1880 Janna Pander, geb. ald.
23 april 1852, overl. 3 maart 1928, dr. van
Arend Pander en Willempje Burger.
Uit dit huwelijk:
Hendrik, geb. Nieuwleusen 10 juni 1881, volgt VIII-4.
Willempje, geb. Nieuwleusen 8 febr. 1887,
tr. Nieuwleusen 16 maart 1911 Gerrit Jan Schuurman,
geb. Avereest omstreeks 1877, zn. van
Hendrik Schuurman en Femmigje Reuvers.






1.
2.



3.



4.



5.
6.

7.




8.
9.




VII-5. (van VI-5) Derk van Duren, geb. Nieuwleusen
1 aug. 1846, landbouwer, overl. 22 nov. 1912,
tr. Nieuwleusen 13 nov. 1884 Janna Schiphorst, dr. van
Jan Schiphorst en Aaltje Troosjes.
Uit dit huwelijk:
Willem, geb. Nieuwleusen 15 febr. 1886, volgt VIII-5.
Aaltje, geb. Nieuwleusen 31 aug. 1887,
tr. Nieuwleusen 25 juli 1907 Berend Boerman, geb. ald.
30 maart 1882, landbouwer, zn. van Jan Boerman en
Hilligje Vonder.
Annigje, geb. Nieuwleusen 11 okt. 1889,
tr. Nieuwleusen 19 mei 1909 Derk Kleen, geb.
omstreeks 1883, landbouwer, zn. van Derk Kleen en
Grietje van Zomeren.
Jan, geb. Nieuwleusen 22 maart 1892, klompenmaker,
tr. Nieuwleusen 10 mei 1917 Jantje Masselink, geb. ald.
9 aug. 1891 , dr. van Albert Masselink en
Geertruida Visscher.
Jennigje, geb. Nieuwleusen 12 juni 1894.
Berend Jan, geb. Nieuwleusen 13 sept. 1895,
overl. 10 sept. 1897.
Janna, geb. Nieuwleusen 29 juli 1897, overl.
2 jan. 1922, tr. Nieuwleusen 5 juni 1919 Dries Deusien,
geb. omstreeks 1890, zn. van Gerrit Jan Deusien,
boerenarbeider te Dalfsen, en Asselina Schroten, bij huw. boerenmeid.
Derk, geb. Nieuwleusen 5 juli 1899.
Berendina, geb. Nieuwleusen 22 okt. 1900,
tr. Nieuwleusen 17 juni 1920 Albert Regterschot, geb.
Dalfsen 8 mei 1898, landbouwer, zn. van
Gerrit Regterschot en Aaltje Zelhorst.







1.

VII-6. (van VI-5) Jan van Duren, geb. Nieuwleusen
18 okt. 1869, landbouwer,
tr. Nieuwleusen 17 febr. 1898 Janna Nijs, geb.
22 april 1876, dr. van Gerrit Jan Nijs en Hendrikje van den Berg.
Uit dit huwelijk:
Gerrit Jan, geb. Nieuwleusen 13 sept. 1904,
volgt VIII-6.








1.
2.
3.
4.
5.
6.
7.

8.

VII-7. (van VI-7) Hendrik van Duren, geb.
17 okt. 1867, overl. 29 dec. 1940,
tr. Nieuwleusen 7 dec. 1897 of 9 dec. 1897
Aaltje Schuurman, geb. ald. 30 maart 1877, overl.
13 nov. 1918, dr. van Klaas Schuurman en
Derkje Evertsen.
Uit dit huwelijk:
Derkje, geb. Nieuwleusen 10 juli 1898.
Aaltje, geb. Nieuwleusen 2 maart 1900.
Klaas, geb. Nieuwleusen 11 dec. 1902, volgt VIII-7.
Hendrik, geb. Nieuwleusen 15 okt. 1904, volgt VIII-8.
Willemina, geb. Nieuwleusen 10 febr. 1907.
Klaasje, geb. Nieuwleusen 13 mei 1909.
Hendrik Jan, geb. Nieuwleusen 14 maart 1912,
overl. 1 dec. 1918.
Janna, geb. Nieuwleusen 9 juni 1914,
overl. 17 nov. 1918.

* * *

DIRECTEUR MET ACHT BEREN _________________________________________________________

Willy H. Heitling publiceerde in De Garve (het blad van het Instituut voor Landbouw Coöperaties); 2e jaargang, nr. 12, november 1959, een interview met o.a. de heer Kouwen, directeur van de Coöperatieve Landbouw Vereniging Nieuwleusen en Omstreken. We geven hier dit interview weer.

Dwars door Overijssel loopt de blauwe streep van de Dedemsvaart. Aan dat kanaal staat in Den Hulst de C.L.V. “Nieuw-Leusen en Omstr.", waarvan de heer Kouwen directeur is. En deze heer Kouwen is de enige coöperatie-directeur in ons land die de scepter zwaait over acht beren. Laat ons wel wezen. Er zijn directeuren die krielkippen hebben, maar dekberen treft men bij deze mensen echter slechts zelden aan. Daarom ben ik maar eens in Den Hulst gaan kijken. Maar het viel een beetje tegen.
De heer Kouwen heeft de beren niet onder zijn schrijfbureau zitten. Ze huizen bij de vijf berenhouders. De directeur kent zelfs met eens alle beren (mannelijke varkens) persoonlijk, hoewel hi] hun verrichtingen nauwgezet volgt. Men zou kunnen zeggen dat zij min of meer tot het personeel behoren. Het is deze maand net zesentwintig jaar geleden dat men daar in Den Hulst aan is begonnen. Er was geen fokvereniging. Men had er vrij veel berenhouders. Aan de varkensfokkerij kon veel meer worden gedaan. Maar kans om een varkensfokvereniging op te richten was er niet. Men heeft toen uit de aankoopvereniging een commissie benoemd, die met de berenhouders ging praten. De goede beren werden overgenomen en de rest werd door andere vervangen. Sinds die tijd is het in Den Hulst zo gebleven. Alleen aan de rand van het werkgebied van de coöperatie zijn nog wat particuliere berenhouders.
De tijden zijn echter veranderd. Langzamerhand kan ook die berenhouderij wel wat worden gemoderniseerd, vindt men. Met medewerking van de Stichting Agrarisch Welzijn worden nu pogingen in het werk gesteld een varkensfokvereniging te krijgen. Het bestuur van de coöperatie is graag bereid de berenhouderij geheel of gedeeltelijk uit handen te geven, als men maar weet dat het in goede handen terecht komt. Er konden daar veel meer varkens worden gehouden, zeggen de deskundigen.
Bij de aankoop van de beren werkt de coöperatie nauw samen met de inspecteurs van het varkensstamboek, en die zeggen dat het systeem goed heeft gewerkt. Maar daar staat tegenover dat het de oprichting van een fokvereniging wel min of meer zal hebben vertraagd. Wellicht gaat het in de toekomst anders worden. Misschien komt er dan ook wat meer enthousiasme voor de varkenshouderij. “'t Is niet alleen om ons aan een hogere omzet in varkensmeel te helpen”, zegt de heer Kouwen openhartig, “maar hier zitten nog mogelijkheden voorde boer, die niet voldoende worden benut".
De C.L.V. te Den Hulst heeft twee filialen, een in de Kerkenhoek (waar nu het nieuwe winkelcentrum met de Welkoop is gebouwd(dat is nu alweer verleden tijd)) en een te Westeinde. Het is een van de weinige verenigingen in ons land die zich er op kunnen beroepen dat de Raad van commissarissen op zee heeft vergaderd. Tijdens een excursie naar de Zuiderzeewerken moesten de commissarissen aan boord van de 'Prins Hendrik‘ onderweg nog even een besluit bekijken dat het bestuur had genomen.
In mei 1943 is een groot deel van de coöperatie in Den Hulst afgebrand door weg spattende vonken uit de gasgenerator van een vrachtauto. Een jaar of zeven geleden (in 1952) is de tegenwoordige malerij gebouwd en sindsdien is alles weer in orde, behalve het ledental. “Er zijn veel leden", aldus de heer Kouwen, “maar toch nog niet genoeg. We zouden er nog best een paar honderd bij kunnen hebben. Dat zou groot voordeel brengen, ook voor degenen die nu al lid zijn. We zouden dan immers voordeliger kunnen werken. Maar over het algemeen beseffen de mensen nog te weinig dat zij voor zichzelf geld verdienen als ze er een nieuw lid bij werven.”
Samenwerking is een ideaal van de coöperatie in Den Hulst. In combinatie met omliggende verenigingen is men bezig gezamenlijk een silo te bouwen in Hasselt. Daar kunnen schepen tot 1000 ton komen, ook als de waterstand in de rivieren laag is, want zij kunnen via het IJsselmeer varen. De kunstmestoverslag is daar al sinds lang gevestigd. Het is het oudste coöperatieve overslagbedrijf van ons land. Ook als de plannen voor verbetering van de Dedemsvaart doorgaan, zal het kanaal geen schepen kunnen verwerken die groter zijn dan drie- of vierhonderd ton.
De heer Kouwen heeft ook een filmcamera aangeschaft met allerlei ingewikkelde toebehoren en neemt zelf films op over bijvoorbeeld een excursie naar Rotterdam, veekeuringen en het plaatselijke Oranjefeest. Die vertoont hij allemaal op de wekelijkse praatavonden.

* * *

RECTIFICATIE _________________________________________________________

In het vorige kwartaalblad (jrg. 19, nr. 3, september 2001 ) staat op bladzijde 55 in het verhaal “Wilhelmina” dat mevrouw Aaltje Prins-Pessink in 1923 een lied zong voor juffrouw Palthe.
Dit moet zijn mevrouw Klaasje Prins-Pessink.
(Dit is in de tekst gewijzigd.)

* * *

INHOUD JAARGANG 19 _________________________________________________________

blz.


10 
11 
14 
20 
21 
22 
24 
26 
31 
36 
39 
39 
40 
42 
48 
49 
51 
55 
55 
58 
59 
62 
66 
72 
73 
74 
76 
83 
86 
90 
93 
95 


Uit Stolte's verhalenboek, deel I.
Kalkovens in Nieuwleusen.
Herinneringen van een schoolmeester VI.
Een oude groepsfoto (CLS De Wegwijzer 1976/77).
Nieuwleusen en wijde omgeving uit 1819, een impressie I.
Ommer trippen.
Spreuken.
Gemeentewapen Nieuwleusen.
Er steekt meer achter....
Uit Stolte’s verhalenboek, deel II.
Nieuwleusen en wijde omgeving uit 1819, een impressie II
Een oude groepsfoto (OLS De Meele 1918).
Zo kort maar
Limerick.
De Unionbrand in 1976.
Genealogie Van Duren, deel I.
Een Nieuwleusener anekdote.
Molenbrand in Den Hulst.
Genealogie Van Duren, deel II.
Rectificatie genealogie Van Duren.
Wilhelmina.
De rogge is riepe.
Een oude groepsfoto (Meisjesver. Bid en Werk ca. 1950).
Uit Stolte’s verhalenboek, deel III.
Onze Schoeltied 1941 - 1948.
Ed van Thijn – het verhaal.
De R in de moand.
Herinneringen van een schoolmeester VII.
Tussen Dalfsen en Nieuwleusen.
Een oude groepsfoto (OLS Oosteinde ca. 1919).
Uit Stolte’s verhalenboek, deel IV.
Genealogie Van Duren, deel III.
Directeur met acht beren.
Rectificatie Wilhelmina.





Jaargang 20 nummer 1 maart 2002

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

Aan het Westeinde stond deze smederij waar Hendrik ten Kate, getrouwd met Berendina van Duren, jarenlang het smidsvak uitoefende. De foto is van mstreeks 1950.

* * *

GENEALOGIE VAN DUREN IV _________________________________________________________

A. Kroes








1.

2.
3.



4.
5.
6.

7.
8.
9.
10.

11.

12.
13.
14.

VIII-1. (van VII-1) Hendrik van Duren, geb.
Nieuwleusen 13 dec. 1878, landbouwer, overl.
9 juli 1959,
tr. Nieuwleusen 16 mei 1907 Klaasje Boer, geb. ald.
28 sept. 1886, overl. 27 juli 1964, dr. van Klaas Boer,
landbouwer, en Jentje van Spijker.
Uit dit huwelijk:
Hendrikje, geb. Nieuwleusen 26 sept. 1907,
overl. 16 maart 1918.
Klaas, geb. Nieuwleusen 14 jan. 1909.
Berendina, geb. Nieuwleusen 16 jan. 1910, overl.
18 jan. 2000,
tr. Hendrik ten Kate, overl. 18 april 1986, zn. van
Evert Geuchies ten Kate.
Jan, geb. Nieuwleusen 4 dec. 1912.
Hendrik, geb.Nieuwleusen 16 jan. 1915.
Klaasje, geb. Nieuwleusen 1 aug. 1917,
overl. 20 maart 1918.
Berend, geb. Nieuwleusen 12 sept. 1919.
Hendrika Klazina, geb. Nieuwleusen 17 nov. 1921.
Klasina, geb. Nieuwleusen 18 febr. 1923.
Jentje, geb. Nieuwleusen 30 okt. 1925,
overl. 27 maart 1929.
Arend Jan, geb. Nieuwleusen 22 nov. 1927,
overl. 10 april 1929.
Jentje Arendina, geb. Nieuwleusen 9 juli 1929.
Arend Jan, geb. Nieuwleusen 4 febr. 1931.
Hendrik Jan, geb. Nieuwleusen 22 jan. 1935,
volgt IX-1.








1.


2.




3.




4.

5.
6.



VIII-2. (van VII-1) Derk Jan van Duren, geb.
Nieuwleusen 31 aug. 1884, landbouwer, overl.
26 okt. 1956,
tr. Nieuwleusen 8 mei 1907 Hilligje Nijboer, geb.
Staphorst 16 aug. 1885, overl. 23 okt. 1965, dr. van
Hendrik Nijboer, landbouwer, en Hendrikje Petter.
Uit dit huwelijk:
Hendrikje, geb. Nieuwleusen 21 okt.1907,
tr. 15 juni 1933 Frederik Jan Westerman, zn. van
Hendrik Westerman.
Hendrik, geb. Nieuwleusen 9 dec. 1909, overl.
23 dec. 2001 te Staphorst,
tr. Jantje Visscher, geb. omstreeks 1910, overl.
6 dec. 1988, dr. van Hendrik Jan Visscher en
Klaasje Katoele.
Berendina, geb. Nieuwleusen 1 sept. 1912, overl. Zwolle (ziekenhuis) 29 nov. 1998,
tr. Gerrit Helmus Visscher, geb. verm. Dalfsen
28 maart 1912, overl. 27 maart 1993, zn. van
Gerrit Jan Visscher en Aaltje Schoemaker.
Hendrik Jan, geb. Nieuwleusen 12 juli 1915,
volgt IX-2.
Berend, geb. Nieuwleusen 4 febr. 1923, volgt IX-3.
Klaas, geb. Nieuwleusen 8 febr. 1925, overl. ald.
16 maart 1999,
tr. 22 april 1954 G. Visscher, 'Tiny‘.







1.
2.


VIII-3. (van VII-3) Hendrik Jan van Duren, geb.
Nieuwleusen 25 nov. 1885,
tr. Nieuwleusen 18 april 1912 Hendrikje Luten, geb.
omstreeks 1893, dr. van Gerrit Luten en
Aaltje Brinkman.
Uit dit huwelijk:
Jan, geb. Nieuwleusen 25 juni 1912.
Gerrigje, geb. Nieuwleusen april 1919, overl. ald.
10 mei 1919.









1.
2.
3.

VIII-4. (van VII-4) Hendrik van Duren, geb.
Nieuwleusen 10 juni 1881 , landbouwer, overl.
2 febr. 1955,
tr. Nieuwleusen 22 april 1915 Reintje Visscher, geb.
ald. 26 mei 1890, overl. 31 mei 1971, dr. van
Lambert Visscher, landbouwer te Genne, en
Annigje Frielink.
Uit dit huwelijk:
Lambert, geb. omstreeks 1919, volgt IX-4.
Willem, overl. 25 mei 1923.
Annigje, overl. 27 dec. 1917.






1.


2.
3.



VIII-5. (van VII-5) Willem van Duren, geb.
Nieuwleusen 15 febr. 1886, landbouwer,
tr. Nieuwleusen 11 mei 1911 Jantje Luten, geb. ald.
2 juni 1891 , dr. van Thijs Luten en Janna van Lenthe.
Uit dit huwelijk:
Derk, geb. Nieuwleusen,
tr. Aaltje Westerman, dr. van Hendrik Westerman en
Lammigje Beltman.
een levenloos kind, geb. Nieuwleusen 12 mei 1914.
Janna, geb. Nieuwleusen omstreeks 1919,
tr. Hendrik Brinkman, overl. 10 april 2000, zn. van
Hendrik Jan Brinkman en Maria Mulder.







VIII-6. (van VII-6) Gerrit Jan van Duren, geb.
Nieuwleusen 13 sept. 1904,
tr. Nieuwleusen 25 okt. 1928 Jannigje Bloemers, geb.
6 dec. 1906.
Uit dit huwelijk twee dochters, ongehuwd.





1.
2.
3.

VIII-7. (van VII-7) Klaas van Duren, geb. Nieuwleusen
11 dec. 1902, overl. 28 jan. 1951,
tr. Jansje Klein, geb. 2 nov. 1898, overl. 27 dec. 1949.
Uit dit huwelijk:
Hendrik.
Jan Thijs.
Aalt.





1.
2.
3.




VIII-8. (van VII-7) Hendrik van Duren, geb.
Nieuwleusen 15 okt. 1904,
tr. 17 april1930 Jentje Bonen.
Uit dit huwelijk:
Hendrik, geb. 17 juli 1932, volgt IX-5.
Thijs, geb. 20 juli 1935, volgt IX-6.
Aaltje, geb. 3 juni 1941,
tr. 23 juni 1960 Hendrik Jan ten Kate,
vertegenwoordiger, zn. van Gerrit ten Kate en
Femmigje Schuurman.





1.
2.
3.
4.

IX-1. (van VIII-1) Hendrik Jan van Duren, geb.
Nieuwleusen 22 jan. 1935, overl. 10 juli 1996,
tr. 10 mei 1961 Aaltje Bosch.
Uit dit huwelijk:
Erik Jan, geb. 11 mei 1963.
Martin Alexander, geb. 27 nov. 1967.
Alita.
Theo.






1.
2.


3.

IX-2. (van VIII-2) Hendrik Jan van Duren, geb.
Nieuwleusen 12 juli 1915, overl. 14 juli 1991,
tr. Jentje Derks, geb. omstreeks 1914, overl.
19 sept. 1984.
Uit dit huwelijk:
Margje, geb. 15 april 1945, overl. 24 april 1947.
Margje, geb. 13 aug. 1948,
tr. Engbertus Jan van Ankum, geb. 15 jan. 1948, overl.
25 maart 1994, zn. van Gerrit Jan van Ankum.
Hilligje,
tr. Henk Bunskoek.





1.
2.
3.
4.

IX-3. (van VIII-2) Berend van Duren, geb.
Nieuwleusen 4 febr. 1923,
tr. Bussum 15 juni 1949 Margje Schiphorst.
Uit dit huwelijk:
Derk Jan, geb. Bussum 3 mei 1950.
Peter.
Anne Martien.
Berend, geb. 6 juli 1960.






1.

2.

3.

4.
5.




IX-4. (van VIII-4) Lambert van Duren, geb.
omstreeks 1919, overl. Hasselt 21 mei 1995, begr.
Nieuwleusen,
tr. Klaasje Beltman.
Uit dit huwelijk:
Reini,
tr. Roelof Schra.
Tini,
tr. Henk Groen.
Klazina,
tr. Arend Reurink.
Hendrik, geb. Nieuwleusen 22 jan. 1951 , volgt X.
Anna Wilhelmina, 'Annemieke',
tr. Hasselt omstreeks juli 1984 Zwier Koersen, geb.
Gramsbergen 11 juli 1958, zn. van Hendrik Koersen,
veehouder te Mastenbroek (N.W.), en Geertje Lans.






1.
2.
3.

IX-5. (van VIII-8) Hendrik van Duren, geb.
17 juli 1932, Veehouder,
tr. 17 mei 1956 Hilligje Groen, geb. 18 dec. 1931, dr.
van Roelof Groen.
Uit dit huwelijk:
Jannie, geb. 13 febr. 1957.
Henk, geb. 4 dec. 1959.
Jennie, geb. 17 aug. 1962.







1.

2.

3.

4.



IX-6. (van VIII-8) Thijs van Duren, geb. 20 juli 1935,
venter bij een bakkerij te Nieuwleusen, overl.
10 okt. 1997,
tr. 27 nov. 1963 Bertha Schoemaker, dr. van
Thijs Schoemaker en Jentje Ganzeboer.
Uit dit huwelijk:
Jenneke, geb. 11 april1964,
tr. Bert Kroes.
Ina, geb. 6 dec. 1966,
tr. Henk Prins.
Henriette, geb. 26 maart 1970,
tr. Jan Lindeboom.
Thea, geb. 21 dec. 1972,
tr. Willem Bosman, 'Wim', zn. van Peter Bosman en
Roelie Lankhorst.







1.



X. (van IX-4) Hendrik van Duren, geb. Nieuwleusen
22 jan. 1951, vrachtwagenchauffeur,
tr. Zwolle 26 maart 1976 Hendrikje van den Brink,
geb. Berkum 15 nov. 1950, overl. 7 dec. 1993, dr. van
Jan Alfers van den Brink en Christina Klompjan.
Uit dit huwelijk:
Christina, geb. Zwolle 2 dec. 1977, secretaresse,
tr. Hasselt 10 juni 1999 Marcel Arjan Lindenholz, geb.
Rouveen 1 juli 1975, rijwielhandelaar ald.

* * *

UIT STOLTE'S VERHALENBOEK _________________________________________________________

Johan Stolte

Deel 5: Willem Brink, kleinzoon van Willem Stolte, vertelt.
Het was in het voorjaar van 1946 toen ik 16 jaar oud was en alles nog lang niet op orde was. Het openbaar vervoer was nog niet op gang gekomen en er waren nog maar heel beperkt vervoermiddelen. Er moest heel wat gebeuren om het boerenbedrijf zover te krijgen dat het weer een goede opbrengst gaf zoals vroeger. Alles was schraal en uitgeput door de oorlog. Oom Willem op Slagharen had twee paarden op de boerderij en bij een ervan was een veulen grootgebracht. Dat veulen was een jaar geworden en nu moest zijn plaats op de boerderij voor betere doeleinden worden gebruikt; voor meer melk en meer voer.

Oma Stolte

Oom Willem nam het besluit om de enter bij een andere boer in de wei te doen en daarvoor vond hij een boer aan het Lichtmiskanaal, vlak bij oom Gerrit. Maar hoe kreeg hij dat jonge paard daar? Op een avond kwam hij bij ons in de polder en vroeg of ik niet mee wou gaan om dat paard weg te brengen. Dat werd afgesproken. Op een zaterdag, begin mei, zou het gebeuren. lk zou bij hen slapen zodat we ‘s morgens om vier uur op weg konden gaan, want het was lopend een heel eind. Die nacht herinner ik me nog goed, want het was een nacht van een en al angst. Buiten stond een stevige wind en daarbij hoorde ik steeds een heel apart geluid. Het was op het dak. Soms deed het me denken aan een wagen met ijzeren wielen, dan weer aan het geluid van dakpannen die van het huis gleden en dan was het weer even stil. Maar dan kwam weer dat geluid als van dakpannen die kapot getrapt werden. De nacht ging voorbij zonder dat ik aan slapen toe kwam. De angst greep me naar de keel, de geluiden kwamen en gingen, wat kon dat toch zijn? Ineens gestommel in de kamer en van angst hield ik mijn adem in…. Wat zou dat nu weerzijn....?
Opeens de stem van oom Willem: “Jong, wakker worden, we moeten weg". Gelukkig, het was vier uur. De nacht was voorbij en de geluiden waren er ook niet meer toen ik uit de bedstee stapte. In de keuken stond een beker warme melk op tafel en de boterhammen waren al gesmeerd. Na het eten gingen we naar de stal, via de waskamer of het washok en door het turfhok naar de lange deel en daar was het enge geluid opeens weer: rrrrrr...rrrrrr...rrrrrr... De dakpannen gingen nog steeds naar beneden en opeens ging het weer heftiger: rrr... rrr... rrr.. rrr.. rr.. r. r. r., dat waren de dakpannen die kapot getrapt werden. Toen kwamen we in de paardenstal en daar was de angst opeens over, want het waren de paarden die vast stonden aan een halster met een ketting, die het lawaai maakten. De ketting ging steeds op en neer door een ijzeren kram in de muur. Dat was het geluid van: rrrrrr... rrrrrr... rrrrrr... en als de paardenkop op en neer ging was dat: rrr... rrr.. rrr.. rr.. r. r. r. en als ze met hun koppen schudden was dat nog veel heftiger en dat gaf weer een ander geluid.
Met een wandelstok in de hand gingen we op pad. Het was schemerdonker en er was geen wind meer. Het geluid was weg en het was een kille voorjaarsmorgen. Het was heel stil. Eerst gingen we richting Lutten, dat was bekend terrein, dan naar Dedemsvaart en in Balkbrug gingen we niet over de brug, maar liepen rechtdoor, want dat was nog een zandweg. Het paard werd lastig en wilde niet meer, maar we waren er nog lang niet. Toen we weer op de harde weg kwamen, wilde het paard helemaal niet meer: of het liep heel hard of het stond stil.
In de Oosterhulst zei oom Willem: “We gaan straks bij Hekman aan om uit te rusten". Het paard werd op stal gezet en wij dronken koffie. Nadat we een beetje waren uitgerust, trokken we weer verder. We kwamen aan bij Sluis 3 en daar was de weg naar de Meele. Het eerste stuk weg was van klinkers, het laatste gedeelte was een zandweg met diepe gaten en modder. We kwamen bij oom Gerrit aan en ik was zo moe van al dat lopen dat ik niet verder mee wilde. Een van de jongens van oom Gerrit is toen meegegaan om het paard bij die boer te brengen. Bij oom Gerrit en tante Aaltje hebben we gegeten en kwamen we weer op verhaal.
De terugweg was een verrassing, want we gingen terug met de tram van de E.D.S. Dat was de reis van mijn leven....in de tram naar huis toe!!! Het lopen was gebeurd. lk vond het prachtig, maar de nacht daarvoor had ik niet geslapen en al gauw viel ik in slaap....
De hele reis ging aan mij voorbij, want onderweg heb ik niets gezien of gehoord. Toen we in Lutten bij het E.D.S.-station uit moesten stappen, maakte oom Willem mij wakker.

* * *

BRIEF BURGEMEESTER BACKX _________________________________________________________


Nieuwleusen (0.), 17 Mei 1930

Geachte Heer Jonker,

          Bijgaande advertentie lees ik in de Zwolsche Crt. en vraag ik mij af of dit werkelijk de manier is om den leden der Vereeniging van Nederlandsche gemeenten in Juli een paar prettige dagen te bezorgen?
          Zwolle heeft geen behoorlijke hotelruimte en zouden de burgemeesters, enz. worden ondergebracht in pensions, misschien met meerdere personen één kamer moeten deelen, enz.
          Er is in Zwolle niets te beleven en zullen de leden zich - na afloop van de vergaderingen - dood vervelen.
          Een geschikte gelegenheid, waar een paar honderd menschen zouden kunnen dineeren (lekker eten) bestaat er niet; men is dan aangewezen op de Buitensociëteit, een on-gezellig ding!
          Waarom worden de vergaderingen niet in een groote plaats gehouden?
          De leden zullen toch na de vergaderingen nog wel iets anders willen, dan in een pension te gaan zitten koekeloeren.
          Wanneer U van Zwolle afstapt zult ge ongetwijfeld zeer velen een groot genoegen doen.
          Laat toch in Den Haag, Amsterdam, Rotterdam of andere groote stad, waar iets te beleven valt, vergaderen en stop ons toch alstublieft niet in Zwolle in een klein pensionnetje.
Met beleefde groeten en hoogachting,


1- Bijlage.

ONS GEMEENTEBESTUUR zal dit jaar het congres der Vereeniging van NEDERLANDSCHE GEMEENTEN in ZWOLLE ontvangen en verzoekt ons om medewerking voor de huisvesting der congresleden.
Daar onze hotels de te verwachten 250 a 300 Burgemeesters, Wethouders en Secretarissen niet kunnen herbergen, verzoeken wij pensions en particulieren in Zwolle en omliggende plaatsen beleefd ons SPOEDIG TE WILLEN MEEDEELEN of zij voor de nachten van 2 op 3 Juli en 3 op 4 Juli één of meer kamers beschikbaar hebben, onder vermelding van voorwaarden.

Namens de Vereeniging van Vreemdelingenverkeer,
M.J.A. Berkel, Secr.,
Terborchstraat 18 - Telef. 940

* * *

EEN GROTE HOND EN EEN KLEINE KAT _________________________________________________________

“De Schoolmeester”

Een grote HOND en een kleine kat
die zaten op de kamermat;
En de HOND die zei: "Zeg, scheelt jou wat?"
"Scheer je weg!"

En de kat, die zei: " Jij bent een HOND,
En ik een kat, niet zonder grond:
Hou jij dus nou jouw grote mond.
Scheer je weg!”

Scheer je weg: waf, waf.
Scheer je weg: sis, sis.
Scheer je weg, die is raak!
Scheer je weg, die ‘s niet mis!
"Waf! Waf!" "Sis! Sis!"
"Woef, woef!“ "Mauw, mauw".
En een houw en een beet en een blaf en een grauw.

En de grote HOND en de kleine kat,
Die vlogen van de kamermat
En de keuken in: "Zeg scheelt jullie wat?"
En hij trapte op een teen,
En zij beet in een been
Van de meid, die riep:
"Ga je heen! O, mijn been! Scheer je weg."

En de grote HOND en de kleine kat
Die zaten weer samen op de kamermat
En ze lachten en praatten "Och, wat
Trapte ik op haar teen!"
"En beet ik in haar been!"

‘t Is gek, maar zo'n mens krijgt ook altijd wat.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Dit keer een foto uit 1965. Toen gingen de kinderen die op deze groepsfoto staan afgebeeld naar het Hummeltjeshuis, de kleuterschool bij de Christelijke Lagere School De Zaaier in Nieuwleusen-noord, toen nog Den Hulst.
Foto ZK025=BU019



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

Juf lneke Houtman
Fokje (Francis) Visser
Klaas Dunnink
Dicky van der Laan
Bert de Roo
Gert Goutbeek
Yvonne van de Velde
Ad Karel
Frits Westerholt
Wim van Zoelen
Aly Kreule

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  

Margreet Bangma
Hans Bijl
Thijs de Boer
Janet Vrieling
Rita de Graaf
Henk Huzen
Mientje Bril
Gerard van de Berg
Gea Westerik
Wiko van de Hoek
Madelon Klijn

23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  

Nico de Graaff
Frieda Bos
Wilma Willemsen
Janneke Slot
Dicky Kooiker
Lydie Klomp
Harry Veldink
Diny Geerts
Alex Gruppen
Janny Alteveer (?)
Dieneke Veerman

* * *

GROETEN AAN DE KERKENHOEK _________________________________________________________

Vandaag de dag pakje de telefoon en stuurt een kaartje als er in je famiIie- of kennissenkring weer een baby is geboren. Voor de oorlog ging dat een beetje anders. Telefoon was er al wel maar nog lang niet bij iedereen en het versturen van geboortekaartjes was ook nog niet algemeen in gebruik. Daarom werd er vaak door de vader een brief of briefkaart verstuurd met de aankondiging van de geboorte. Veelal werd daar met een brief op gereageerd. Sommige van die brieven zijn bewaard gebleven, zoals ook de volgende naar aanleiding van de geboorte van het eerste kind, een dochter, in het Nieuwleusener gezin van Jan en Hennie. De achternamen zijn door de redactie weggelaten en van de namen van de overige personen is alleen de letter vermeld.

(Haariem) Woensdag, 10 April ’35

Beste Hennie en Jan,
Bedankt voor de kaart, die ik vanmorgen kreeg. lk feliciteer jullie beiden van harte met de geboorte van een dochter. Ook Grootvader en Grootmoeder gefeliciteerd en vooral Tante niet te vergeten. Fijn dat alles goed afgeloopen is he, en gelukkig met Hennie goed.
Zeg ik had vannacht net gedroomd, dat Hennie in het ziekenhuis bevallen was, en nu krijg ik vanmorgen de kaart, wat toevallig hè.
Je hebt nogal mooi weer uitgezocht om in bed te kruipen. Want het is hier zoo guur, alle dagen regen. R.W. is v.l. week bevallen he. Ik kreeg vanmorgen ook een brief van Moeder, maar die wist het misschien nog niet van jou, want ze schreef er niets over.
lk heb v.l. week Zaterdag en Zondag weer bezoek gehad uit Den Hulst. J.M. en G.S. Reuze gezellig hebben we het gehad. Zondagmiddag zijn we na de wedstrijd Holland-België geweest. Het is toch wel eens fijn als je weer oude bekenden ziet, als je zoo ver weg zit. lk ben de laatste tijd nogal eens bij S. geweest. Met H. gaat het beter, gelukkig maar.
a.s. Zondag hebben we Palmpaschen, dat vieren we ’s avonds met eieren en koffie, en verder tot twee uur dansen. Wat we met Paschen doen, weten we nog niet. We zijn ook nog druk aan ‘t repeteren, voor de 12° Mei. lk speel ook weer mee. De feestjes in Den Hulst zal wel weer afgeloopen zijn. Hier is ook nog groot bloemententoonstelling, misschien hebben jullie er wel over gehoord van “De Flora”.
Er is nu de heele week Concert op de groote markt en muziek door de stad, echt feestelijk hoor. I. de L. heeft een betrekking in A’dam, bij de zoon van mijn Mevr, ik heb haar er ook aan-geholpen, ze is er nu al een week. Ik hoop dat het haar goed mag bevallen, dat is ook plezieriger voor mij.
Verder is er geen nieuws. lk hoop dat alles verder goed gaat na wensch. Ontvang allemaal de Hartelijkste groeten van je Vriendin J. daaaaaag.
P/s. Schrijf je nog eens gauw terug Hennie als je weer in de benen bent. Gegroet. J.

-----

Zutphen, 16 April 1935

Beste Hennie en Jan,
Nu ik feliciteer jullie hartelijk hoor met de geboorte van jullie eerste. ‘k Hoop dat ze in alle gezondheid op mag groeien en steeds jullie zonnetje mag wezen. Wat leuk he een meisje, naar wie is het genoemd? Nu eigenlijk had ik jullie bericht al veel eerder verwacht, maar alle goede dingen komen langzaam zegt men en dat is bij jullie dan ook wel zoo he? Nu ik ben blij dat je ‘t er goed hebt afgebracht hoor Hennie en ik kom vast gauw jullie kleine eens bewonderen. Voorlopig zul je nog wel volop bezoek krijgen, denk ik dat gaat meest al met zoo'n gebeurtenis. Wat zal je Moeder en vader en M. nu trotsch wezen. Nu zijn ze Opa en Oma en M. is nu tante, is zij er niet blij mee. Nu ik was wel trotsch toen ik tante werd. Maar ja, dat is al weer een heele tijd geleden.
Nu Hennie je moet ze thuis ook maar hartelijk van mij feliciteren hoor, zul je ‘t niet vergeten?
Als ik met de Paaschdagen vrij was zou ik dadelijk al eens komen kijken, maar daar is lou kans op, maar ik kom toch gauw eens hoor.
Nu Hennie en Jan, dat jullie maar heel wat plezier van je dochter mag ondervinden hoor en dan verder maar ‘t aller beste gewenscht.
Weest dan hartelijk gegroet van
je vriendin
D.

-----

Zutphen, 20-5-35

Beste Hennie en Jan,
Hiermee stuur ik dan toch eindelijk het beloofde cadeautje voor jullie eerstgeborene in de hoop, dat ze ‘t in alle gezondheid mag verslijten.
Hennie je zult misschien wel eens gedacht hebben, nu die D. heeft me maar wat wijs gemaakt, nu Hennie, we waren hier zoo druk aan de schoonmaak, dat ik bijna geen tijd had, om boodschappen te doen, maar Zaterdagavond moest ik toch even de stad in en heb meteen maar iets gekocht, ik hoop nu maar, dat je ‘t naar de zin mag zijn.
Gaat alles anders nog goed, nu mijn beste wenschen hoor, ik kan nu niet meer schrijven want ‘t is al laat.
Ik eindig met jullie dan de hartelijke groeten van mezelf over te brengen.
Dag hoor!
D.

De groeten aan de Kerkenhoek met z’n bewoners.

-----

Meppel, 11 April 1935

Beste Vrienden!
Van ons Hartelijk gefiliciteerd met de geboorte van uw dochter.
Hierbij een japon voor de baby.
Groetend
KR-P JMPR

-----


De Dommelerdijk met zicht op de Kerkenhoek en links de Hervormde Kerk. De foto dateert van omstreeks 1950.

Den Haag 25 April ‘35

Beste Henny!
Allereerst kom ik jou en je Man, en ook Vader en Moeder van harte gelukwensen met de geboorte van de kleine meid. Je zult wel gedacht hebben waarom feliciteren ze me niet, ja Henny ’t is schande maar er was steeds wat anders. Enfin zelf ben je ook niet zo’n grote schrijfster, wat jij!
En hoe is ‘t nou met jou en de kleine meid? Is ‘t een blonde of een donkere? lk hoop ze bij gelegenheid eens te zien. De kleine neef in Rotterdam groeit zo best, die is al ruim 8 pond. Hoe zwaar is jouw meiske? lk zit volop in de verhuisrommel, ‘t is nu elf uur ’s avonds en wil ik nog even schrijven, van 9 uur van morgen af heb ik gepakt en gesjouwd, Moeder gaat 1 Mei over, wel sneu net op haar verjaardag. Nu Henny ‘t allerbeste met jou en de kleine, hoor ik ook eens wat terug, vele hartelijke groeten aan jullie beiden, je ouders en Margje. Daag.
BJ

-----

Meppel, April 1935

Vrienden!
We feliciteren je allen met de jonggeborene en hopen dat ze mag opgroeien tot een flinke meid. We wilden u een mooi pakje geven als Jan komt zullen we u een paar meegeven om te zien of wat anders moet u maar zeggen. Verder sterkte Hennie.
Groetent L

-----

Meppel, 11 april 35

Waarde Familie.
U briefk. ontvangen en aangezien dat u verblijd bent met een Jonge Dochter Lammigje. Nu wij moeten u allen feliciteren en dat ze maar goed mag opgroeien. Dan kwamen wij met de a.s. vacantiedagen misschien al op een logies gast rekening als eens naar Hopa(?). Grootmoe naar de krente bosschen gaat kijken. Nu weer allen hartelijk gegroet. Tante W die zit op ’t oogenblik met gevrichtsrimatiek en onder dokters handen maar het knapt toch al op.
Gegroet,
Fam W.

-----

Dieverbrug, 12 April ‘35

Beste Vrienden.
Jullie briefkaart ontvangen en gezien, dat jullie gezin is vermeerdert met een jonge dochter. Nu van harte gefeliciteerd hoor, en we hopen maar dat het maar een flinke meid mag worden. We zullen zoo gauw als het mooi weer is op een Zondagmiddag komen. Na Paschen natuurlijk. H heeft de moter weer in de belasting dus we kunnen weer tuffen. Jan heeft niet geschreven hoe de kleine meid heet en hoe zwaar ze was.
Onze kleine Roelof is al een heele kerel hij zit al recht op in de wagen te spelen. Jullie komen nu met de Paschen natuurlijk niet, hier is anders weer kermis te Dieverbrug. H moet naar Blok te helpen dus die heeft niet veel aan de pret. Ja. Ja als je getrouwd bent dan is het feest vieren wat over, vooral als je dan kinderen hebt. Dat zullen jullie straks ook wel merken. En hoe is het met Opoe en Opa zijn die ook blij met hun eerste kleindochter. Feliciteer die ook maar even van ons. Nu Hennie je moet je maar taai houden hoor, en maar zien dat je gauw weer op de been bent. Nu menschen, ik weet werkelijk niet meer en het is al laat. We moeten naar bed. Morgen is het weer vroeg dag. Dus de sterkte en tot ziens.
De hartelijke groeten van H en M en zusjes.
Buurvrouw vertelt juist dat het een Lammigje is. Dat had ze in de courant gelezen.

-----

Amsterdam, 14-4-’35

Waarde Neef en Nicht!
Hartelijk gefeliciteerd met Uw Eerstgeborene ook van mijn Vrouw en Dochter. Zoo gij ons hebt bericht maakten Moeder en Kind het goed, wij hopen dat het goed mag blijven en dat ze maar gauw groot mag worden. Dus Neef en Nicht, zoo zijn Jullie met je tweeën en komt de wind uit een andere hoek dan zijn er drie. Maar dat is nog niets, als men kinderen geven kan wat ze nodig hebben in dit geval behoeft er geloof ik geen twijfel te bestaan. In vele gevallen is het vaak anders, want er komt heel wat te kijken voor ze groot zijn.
lk feliciteer ook uw Ouders en Uw zuster, die zullen er wel blij mee wezen. Aan belangstelling zal het Jullie niet ontbreken, daar ik met Jullie trouwdag wel heb gezien wat groote Familie en kennissen gij hebt. Naar ik vernomen heb Jan, gaat het met je nieuwe werkkring goed, nu wees daar maar blij om, het andere was toch niets. Maar het kan anders ook gauw veranderen kijk maar eens naar mij, wat worden de Spoorwegen niet slecht, bij wat het geweest is. Maar afijn wij zijn gezond en hopen bij jou hetzelfde. Het beste met Vrouw en kind. Met onze hartelijke groeten aan allen je Oom G.

* * *

HERINNERINGEN VAN EEN SCHOOLMEESTER VIII _________________________________________________________

A. Visser

De Christelijke school in Den Hulst - aan de Dedemsvaart – had vier lokalen op een rij. In de tussenmuur van elk van die lokalen was een deur met veel glas.
lk zat met mijn klas aan het eind van de gang; een klas met 59 leerlingen, een combinatie van klas 2 en 3 (nu groep 4 en 5).
Onverwacht kwam de inspecteur op bezoek. Hij stapte de klas binnen, stelde zich voor en vroeg hoeveel leerlingen er in mijn lokaal zaten. lk zei, wel wat vrijmoedig, ‘U bent nummer 60.’ Hij lachte en zei: ‘Nou, dan heb ik het wel gezien...’ en vertrok meteen weer.
Nu moet gezegd worden: Hij kwam op een heel geschikt moment, want alles was op orde en in rust en dat was ook wel eens anders.


Chr. School te Den Hulst

In het lokaal naast mij zat meester Bootsma met klas 4 en 5. Ook een volle bak.
We keken wel eens door het raam van de tussendeur bij elkaar in de klas en maakten het elkaar ook wel eens moeilijk.
Op een nazomermiddag zag ik bij hem een lekkere, grote appel liggen, op z’n tafel, voor in de klas. De kinderen brachten wel vaker iets lekkers mee van thuis ‘voorde meester’. Zo ook die appel, die lekkere appel daar....!
De leerlingen waren allemaal druk bezig met hun taal of rekenwerk… meestal was het stil en rustig in de klas, maar soms maakten we ook wel wat herrie.
lk had een heel handige jongen in de klas, Berend, vlug als water! Aan hem vroeg ik of hij die appel zou kunnen wegpikken van de tafel van meester Bootsma. De klas reageerde meteen enthousiast. Er werd eerst krijgsraad gehouden...ja, hoe krijgen we die appel …. Besloten werd als volgt: Berend zou heel netjes via de gang gaan en heel beleefd aankloppen aan de deur van het lokaal naast ons. Die deur zat achter in de klas. Een leerling van meester Bootsma’s klas zou dan de deur open doen en Berend zou dan naar voren lopen tot aan de tafel en daar aan meester Bootsma vragen hoe laat het was. Dat was een legitieme vraag, want meester Bootsma had een zakhorloge en zo rijk was ik niet! Als hij dan dat horloge uit z’n vestzakje zou halen, zou Berend vliegensvlug die appel pakken en er mee vandoor gaan ik zou dan de tussendeur wijd open zetten voor hem, zodat hij weer veilig in onze klas zou kunnen terugkeren.
Zo gezegd, zo gedaan. En het lukte! Maar meester Bootsma zag nog net dat Berend er met z’n appel vandoor ging en hij riep tegen zijn leerlingen: ‘Pak ‘em!’
Nou, dat was niet tegen dovemansoren gesproken…. heel de klas ging tot de aanval over. Ze probeerden Berend tegen te houden, maar hij glipte juist op tijd door de tussendeur bij ons binnen. Toen werd er van de ene en van de andere kant aan die tussendeur geduwd en getrokken dat het een lieve lust was!! Ongeveer 100 kinderen namen aan de veldslag deel. Alles was in rep en roer … zelfs in de gang waren de poppen aan het dansen!
Meester Meyer, hoofd der school, keek via het raam in zijn tussendeur naar het strijdtoneel.
Hij schudde zijn hoofd over zoveel kabaal, maar hij greep niet in … nee, natuurlijk niet, want toen meester Bootsma en ik even in onze handen klapten, was het feest meteen weer voorbij! Iedereen ging weer naar zijn eigen bank en aan zijn eigen werk, alsof er niets gebeurd was.
Meester Bootsma kreeg natuurlijk zijn appel terug … en het was weer vrede.
Dat was in 1946! Wat was het toen mooi om schoolmeester te zijn! Je kon met de kinderen van je klas naar hartelust spelen … en werken aan hun toekomst!

* * *

ALBUMVERSJES UIT 1939 _________________________________________________________

Beste Janna,

Ik pluk eem bloempje mooi en frisch
Dat niet verwelkt maar duurzaam is
Dat biedt ik u. o Janna weet
Dat deze bloem de vriendschap heet
Zet steeds uw voet op rozen
Maar voel de doornen niet
Blijf steeds aan mij gedenken
Ook ik vergeet u niet
Maar moogt ik niet meer wezen
Of gij uw plaats verlaat
Gedenk dan aan die woorden
Dat vriendschap nooit weggaat


Ter gedachtenis
Uw tante Jentje

Beste Janna

Wees altijd vroolijk en wel gemoed
Bij alle dingen die ge doet
Want een opgeruimd lief kind
Wordt steeds door een ieder bemind
En als g’in latere levenstijd
Uw oog nog aan dit versje weidt
Dat dan geluk uw deel mag zijn
Is de oprechte wens van mij.

Ter gedachtenis van
uw Grootvader



Lieve Janna

Sneller dan een schip kan varen
Vliegt de beste tijd der jeugd
Daarom stap in de wiste jaren
Op de rechte weg der deugd
Sta, o Janna, al is het wat lastig
In begin doet het wat pijn
Staat gij in de deugd standvastig
Het einde zal vol blijdschap zijn.


Ter gedachtenis
van uw grootmoeder


Jaargang 20 nummer 2 juni 2002

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

Huize Rollecate te Den Hulst. Deze ansichtkaart diende als voorbeeld voor de twee schilderijen die op de tentoonstelling “Groeten uit Nieuwleusen" zijn te zien gedurende het seizoen 2002.

* * *

DE ROLLECATE _________________________________________________________

Op de tentoonstelling “Groeten uit NieuwIeusen” in museum Palthehof zijn een tweetal schilderijen te zien die zijn gemaakt nadat het huis in 1934 is afgebroken. Ze zijn gemaakt met als voorbeeld de ansichtkaart die op de omslag is afgedrukt. Het huis Rollecate stond ruim 100 jaar aan het kanaal de Dedemsvaart, maar moest het veld ruimen voor de aanleg van de provinciale weg. Oorspronkelijk stond het huis in Vollenhove, maar rond 1820 werd het naar Den Hulst verplaatst. In het hierna volgende artikel leest u meer over het huis Rollecate toen het nog in Vollenhove stond.

De naam Rollecate komt uit Vollenhove en al in 1462 is vastgelegd dat daar de eigenaar van het goed, Alfer van Ysselmuden, zaken deed met het ernaast gelegen convent. De familie Van Ysselmuden heeft een eeuwenlange band met de Rollecate gehad.
Joan van Ysselmuden, van wie het verhaal gaat dat hij in 1654 al rijk geworden was van de slavenhandel, gaf in dat jaar aan de Amsterdamse architect Philips Vingboom opdracht tot het ontwerpen van een nieuw huis op de plek waar al een huis had gestaan. Het gehele huis werd gebouwd op overwelfde kelders en werd opgetrokken uit een gracht, waarover een valbrug tussen twee bruggenhoofden.
Meer dan 100 jaar volgden de Van lsseimudens elkaar op als eigenaars en vaak ook als bewoners van de statige havezate, tot in 1760 de toenmalige eigenaar Jan (Johan Hendrik) op 17 december te paard door de Mastenbroeker polder reed en daar te water raakte en verdronk. Hij was ongehuwd en daardoor vererfde de Rollecate op zijn zuster Theodora Judith van Isselmuden, die toen getrouwd was met Gijsbert Willem van Dedem van Den Berg bij Dalfsen. Deze had met zijn oudste zoon Overijssel moeten verlaten om de straf te ontlopen wegens het doodslaan van hun tuinknecht.
Theodora Judith, in 1762 weduwe geworden, verkocht de Rollecate aan de jongere zoon Coenraad Willem van Dedem. Deze was eerst lid van Gedeputeerde Staten, toen Drost van Haaksbergen en van 1790 tot zijn dood in 1816 Drost van het Land van Vollenhove. Hij en zijn gezin vertoefden liever op de ouderlijke havezate Den Berg bij Dalfsen dan op de aankoop bij Vollenhove. Nog voor zijn overlijden begon het gezin al te denken aan het afstoten van de Vollenhoofse bezittingen. Dit had waarschijnlijk een direct verband met het graven van de Dedemsvaart, waarvoor koning Lodewijk Napoleon in 1809 concessie had verleend.


Op deze ansicht van omstreeks 1900 is rechts duidelijk het jaagpad te zien waarover het paard van de scheepsjager liep. Voor het huis maken het kanaal en de weg een bocht. Deze bocht was tot enkele jaren geleden nog te zien in de weg, maar is inmiddels ook verdwenen.

In 1820 liet de weduwe van Coenraad Willem samen met haar kinderen het huis voor afbraak veilen, maar het bod was zodanig laag dat het niet gegund werd. Tien jaar later werden er goederen en grond rondom het huis verkocht en het jaar daarop liet de zoon (onze) mr. Willem Jan baron van Dedem het huis afbreken en zoals vaak gezegd wordt, overbrengen naar Den Hulst aan de Dedemsvaart. Het is de vraag of er veel stenen van de afbraak in die nieuwe Rollecate verwerkt zijn, want naar schatting werd 550 last puin gebruikt voor verzwaring van de Blokzijler en Barsbekerdijk. Voor 1820 was een last 2 ton of 2 kubieke meter en na de invoering van het metrieke stelsel was een last zelfs 3000 kg.
Ook is het onduidelijk waar men de grond voor het dempen van de gracht vandaan haalde. Bij de invoering van het kadaster in 1832 was van de gracht en van het terrein van het huis geen spoor meer te bekennen. Toch kon de oorspronkelijke situatie in Vollenhove gereconstrueerd worden dankzij een luchtfoto van omstreeks 1950.


Het huis Rollecate lag tussen de Rollecatebrug en de Schapendijk, in de nabijheid van de nu nog aanwezige boerderij.

In Nieuwleusen werd op het landgoed Rollecate dus ook weer een mooi huis gebouwd; eerst zonder erker en al dan niet met veel of weinig oude stenen. Van het huis is hier inmiddels ook niets meer terug te vinden. Na de afbraak ten gunste van de provinciale weg die aan de noordzijde van het kanaal werd aangelegd, was tot enkele jaren geleden aan de (geringe) bocht in de weg aan de zuidzijde van het kanaal nog te zien waar het huis ten noorden van het kanaal ongeveer had gestaan. Door vernieuwde wegenaanleg zijn de oude landschapsresten definitief verdrongen.
In Vollenhove en in Nieuwleusen is de naam Rollecate nu alleen nog verbonden aan wat er rond het mooie huis is aangelegd, verkocht en veranderd.
Naamsverklaring van Rollecate: met een cate wordt een kleine boerderij bedoeld en Rolle zou de naam van de eerste eigenaar kunnen zijn, of, afgeleid kunnen zijn van Rolde, waarmee gerooid bos wordt bedoeld. Ook zou Rolle een vervorming van rogge kunnen zijn; dus boerderij op gerooide grond of waar rogge werd verbouwd.

Bron: Kondschap; historisch kwartaalbericht van de Stichting Oudheidkamer Brederwiede, maart 2000.

* * *

JEUGDHERINNERINGEN _________________________________________________________

G. Hengeveld-van Berkum

Bij het lezen van het verhaal “Tussen Dalfsen en Nieuwleusen" (jrg. 19. - nr. 4, december 2001) kwamen er bij mij weer veel herinneringen boven aan de tijd dat wij daar ook woonden.
We woonden eerst op de Kievitshaar, waar ik in 1933 werd geboren, maar in 1939 is ons gezin vertrokken naar Oude Wetering bij Leiden. Vader ging daar werken als boerenarbeider en van de kinderen gingen Klaasje als boerenmeid en Hendrik als knecht bij dezelfde boer aan het werk. Gerard en Berend gingen nog naar school en ik was nog thuis.
10 mei 1940, toen de oorlog uitbrak, woonden wij aan het Braassemermeer, ook in de omgeving van Leiden. Verscholen in het riet langs de kanten van het meer lagen watervliegtuigen. Die had ik nog nooit eerder gezien en als kind begreep ik daar niks van.
Maar moeder had heimwee naar Nieuwleusen, ondanks dat het gezin groter werd door de geboorte van een dochter. Toen in de Meente een boerderijtje te koop kwam, heeft vader dat gekocht en we kwamen daar in 1941 te wonen. De streek waar het boerderijtje stond wordt op een oude kaart aangegeven als Ranserveen. De Meente omvatte ongeveer de omgeving Dommelerdijk, Kringsloot, Hooigraven en Middeldijk. De naam is nu nog terug te vinden in een verharde weg die zo is genoemd.


De boerderij “in het veld”, nu Slagweg 21, waar de familie Van Berkum ging wonen.

Wat er dan bij zo’n verhuizing door je heen gaat als kind is eigenlijk niet goed te beschrijven. Moeder was heel blij dat ze terug ging naar Overijssel en dat heeft ze zeker heel goed laten blijken. Wij kwamen met de bus aan in de Kerkenhoek en gingen op de fiets naar de Meente. Het eerste stuk weg, nu de Dommelerdijk, was bestraat, met ernaast een smal paadje waar het niet zo hobbelde als je er over fietste. Dan over de Kringsloot. Dat was een zandweg. Wat een mooie huizen, boerderijen stonden daar. Als we weer bij zo’n huis kwamen vroeg ik: “Komen wij hier te wonen?” Maar steeds was het antwoord: “Nee, hier niet.”
Toen we bij ons huis kwamen was dat toch wel een teleurstelling. Een klein boerderijtje met een raam en een voordeur en twee kleine raampjes aan weerskanten. Slapen moesten we in de bedstee, waar stro in lag. Later werden dat stro-matrassen. De aardappels lagen in de ruimte onder het bed. Er was geen waterleiding en de pomp die achter op de deel stond was heel vaak leeg, vooral in de zomer, en het water was ook niet te drinken, zo bruin als koffie. Dat kwam door het ijzeroer dat in de grond zat. Als vader een melkrit had, bracht hij voor het eten en drinken ook wel melkbussen vol met water mee van de melkfabriek, waar men was aangesloten op de waterleiding. Water voor de was en voor het eten moesten we bij de buren halen. Er was ook geen elektrisch licht. Berend Oosterveen kwam met petroleum en Jonker met de venterswagen met brood en kruidenierswaren.
We moesten ook wel zelf naar de winkel van Jonker toe, bijvoorbeeld om Jocovitol te halen; dat was een soort levertraan. (Later werd deze winkel aan het Westeinde 102 overgenomen door bakker-kruidenier Hoekstra. Door bakker Dunnink is het pand onherkenbaar verbouwd. Nu is atelier Melisande er gevestigd.) lk kan me nog heel goed herinneren dat moeder een keer schuimkoekjes kocht, waar we heel graag een van wilden hebben, maar ze zei: “Laat me die nou bewaren voor als er eens een mens komt.” Ook de Coöperatie kwam daar venten.
We gingen lopend naar ‘de school van meester Siefers’ aan het Westeinde. De hele groep uit het veld ging samen en we wachtten altijd op elkaar. We gingen dan over het zandweggetje langs Willem Brinkman en aan de Middeldijk langs het huis van Klaas van Dijk en daar het zandweggetje op naar de straatweg. Later waren hier schooltuintjes. In de herfst en winter stond vaak alles blank en stonden ook de weggetjes onder water. Er werden dan planken achter elkaar neergelegd, met stenen of zoiets verhoogd, zodat we toch droge voeten hielden. Soms werden we erover gedragen omdat het zo ook nog te hoog stond. Want laarzen hadden we niet. De dragers konden thuis weer droge kleren aantrekken. In de winter, als het hard genoeg had gevroren, konden we schaatsen op de riete van Albert Aarten. Dat was een stuk land waar water in bleef staan. Rondom die laagte was het land hoger en het leek net een ijsbaan. Veel jongelui kwamen uit Oudleusen en Nieuwleusen daar naar toe om te schaatsen. Zelf heb ik nooit goed leren schaatsen. Moeder zei altijd dat het veel te koud was en dat het bij de kachel lekker warm was. Je kon dan lekker breien.
De spelletjes die wij in die tijd speelden waren erg eenvoudig: touwtje springen, hinkelpark en huussie speulen. Dat ‘huisje spelen’ gebeurde vooral in de zomer. Meestal maakten we dan een plekje in de droge sloot, waar we met wat planken en stenen iets opbouwden. We zochten dan mooie ‘scheurties’, scherven van kopjes of schotels enz. met nog een afbeelding er op. Dat was ons serviesgoed. In de herfst werden ze ook gebruikt voor het hinkelpark. Een van de favoriete spelletjes was landpikkertje. Of dat kwam omdat er oorlog was, weet ik niet, maar we deden het veel.
In de oorlog hadden we geen fietsen en alles gebeurde lopend. Vader ging in die tijd nog wel eens naar Amsterdam om wat handel te halen. Dat werd weer verkocht en soms ook wel ergens voor verruild. Hij bracht veel ondergoed mee en ook wel kopjes en schoteltjes. Er kwamen ook altijd onderduikers naar ons toe. Als er razzia’s werden gehouden, zat bij ons de hele keuken vol. Een onderwijzer uit Appingedam was bij ons ondergedoken. Meester Siefers kwam ook naar het veld. Daar was het veiliger. Ze zaten altijd op de uitkijk, richting Nieuwleusen, want vandaar werd de vijand verwacht. De deuren waren altijd op slot, zodat niemand zomaar binnen kon komen. Op een keer werd er op de deur gebonkt. Gerard ging kijken wat er was. Voor de deur stonden Duitse soldaten die eieren wilden hebben. Hij heeft ze toen meegenomen naar het kippenhok en heeft alle eieren meegegeven. Ze waren deze keer vanuit Oudleusen gekomen en zodoende waren ze niet opgemerkt. Later is er nog wel eens een razzia geweest. Vader stuurde dan de jongens en mannen het veld in met de boodschap: ‘Ga ergens in het open veld in een greppel liggen en blijf daar totdat het veilig is. Denk er om: nooit in een bosje of singeltje.' Toen er weer eens een razzia was, moesten ze weer een veilige plek zoeken, maar het bleef de hele dag onrustig en ze konden niet naar huis. Toen ze ‘s avonds terug kwamen hadden ze de hele dag geen eten gehad. Moeder had die dag een grote pan met hachee gekookt, dus toen maar eten. Maar dat gaf later problemen met de maag en een van hen lustte later geen hachee meer.
Na de oorlog kregen we fietsen en ging alles vlugger.


De familie Van Berkum bij hun 25-jarig huwelijk met v.l.n.r. achter: Jentje Bakker, Hendrik, Klaasje, Jacob Schoenmaker, Gerard en Berend.
voor: opa Berend, vader Berend, Marrigje, moeder Marrigje Stolte en Geertje.

Hoewel er geen elektrisch licht was, konden we toch wel naar de radio luisteren. Daar hadden we een speciale anode voor met allemaal gaatjes er in en daarin moest je dan de stekkertjes verplaatsen als de stroom minder werd. Later kregen we accu’s en als die leeg waren, moesten die weer opgeladen worden. Dat kon bij Westerman, die woonde aan Het Pad, is nu Westerveen, waar ze in de schuur achter het huis van hun vader zijn begonnen met de elektriciteitswinkel. Je moest dan bij het postkantoor een weggetje achteruit nemen.

Vader had ook een melkrit. Dat was nodig omdat het boerderijtje niet genoeg opbracht. Deze ritten werden elk jaar uitbesteed en de laagste inschrijver kreeg de rit. Soms schreven ze wel op meerdere ritten in en voor weinig geld, want ze hadden het geld hard nodig. Vooral in de herfst en winter was het melkrijden vaak heel moeilijk werken vanwege de modder of de sneeuw. Als de wegen te slecht waren, had vader een soort slee om de melkbussen bij de boerderijen op te halen. De wagen bleef dan aan de Kringsloot staan. De melkvaarder, zoals ze dat toen noemden, bracht ook het melkgeld mee voor de boeren en dan viel er meestal wel een extra centje af.
Omdat er geen verlichting was, was het vooral ‘s winters in de avond overal pikkedonker. Moeder heeft veel op de uitkijk gestaan als vader naar een vergadering was of als Gerard naar damclub ‘Denk en Zet' was of naar Peter Kreule, met wie hij ook vaak damde. De sloten stonden vaak vol water of stroomden over en zo kwam Gerard een keer kletsnat thuis omdat hij in de Dijksloot had gelegen. Het was aardedonker en hij had voorzichtig geprobeerd om de dam over de sloot te vinden. Toen hij hem had gevonden, is hij er ongemerkt schuin overheen gelopen en kwam zo in het water terecht.

Later, toen we wat ouder werden, gingen we oppassen bij de buren, die kleine kinderen hadden, als die op buurvisite gingen. Het breiwerk ging mee en de jongens wisten heel vaak wanneer en waar een ‘los huussie’ was. Uitgaan was er in die tijd niet bij. Zaterdagsavonds mochten we als vriendinnen wel naar elkaar toe. Wandelen mocht ook: een eindje over de Kringsloot tot aan de Dommelerdijk. Verder dan de Middeldijk kwamen we nooit, laat staan het Palthebos in. Dat was uit den boze. En om 10 uur thuis zijn, daar werd strikt de hand aan gehouden. Was je niet op tijd, dan mocht je de volgende keer niet weg, of je moest nog eerder thuis zijn.

De mooiste tijd van het jaar, was de tijd dat er gedorst werd. Als de dorsmachine in de buurt kwam, ging je mee van buur naar buur. In elke buurt was zo’n gedeelte waarvan was bepaald waar je naar toe ging. Het waren meestal de boeren die ‘zaad’ hadden, dat wil zeggen: die rogge of haver verbouwden en behoorden tot de buren waar je de rest van het jaar ook mee om ging. Het was vuil en nogal zwaar werk, maar je had dan ook veel plezier met elkaar. Het mooiste was het banden doorsnijden van de garven boven op de machine.
Toen hier de ruilverkaveling kwam, is er veel verbeterd, maar voordat die klaar was, zijn wij weer verhuisd, dit keer naar Berkum en zodoende hebben we van die vooruitgang niet meer geprofiteerd.

* * *

RAADSELRIJMPJES _________________________________________________________

Vier oude wijven
Die konden elkaar niet krijgen
Ze liepen allemaal even hard
Ra, ra, wat is dat?

Een houten huisje
Een koperen kluisje
Een draaiom in ‘t gat
Ra, ra, wat is dat?

Oplossingen elders in dit blad.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

uit de Dalfser(?) Courant van 1 jan.1899.

Heer: Wat kost een rit voor ons beiden?
Koetsier: 50 cent mijnheer.
Heer: En voor mij alleen?
Koetsier: Ook 50 cent mijnheer
Heer: Zieje nu wel, vrouw, hoeveel je waard bent!

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

De groepsfoto die we dit keer voor u hebben uitgezocht, is nog niet echt oud. Deze foto van de spelers van voetbalclub USV werd in 1975 gemaakt. Foto S124



1  
2  
3  
4  
5  
6  

trainer ... Reumer
Piet Wildvank
Hans Koning
Jan Hof
Henk Kok
Wim Bovenhoff

7  
8  
9  
10  
11  
12  

Henk Borgers
Harry Borger
Henk Schoemaker
Herman van Lenthe
Gert Jan Pouwels
Bertus Wicherson

13  
14  
15  
16  
17  
 

Erik Wonink
Jan Kamerman
Marinus Kremer
Johan Hoogenkamp
Jan Boschman

* * *

EEN VOORDRACHT _________________________________________________________

Nu kunnen we ons nog maar moeilijk voorstel/en hoe sterk mensen vroeger op elkaar waren aangewezen als het ging om elkaar te vermaken. Vertellen wat je had gedaan, wat je dacht over wat je zag of hoorde, hoe je zorg had over familie of buren. Het hoorde bij het dagelijks omgaan met elkaar. Op feesten en visites was een goed verteller goud waard, want die bracht een sfeer van genoeglijkheid in de kring. Vaste voordrachten kon men niet vaak genoeg horen en Het was een dag van grote hitte of De schötteldoek gingen generaties lang mee. Voor wie het niet meer kent of zich nog maar vaag herinnert, drukken we daarom hier nog eens die laatste, geliefde voordracht af.

HET VERHAAL VAN DE SCHÖTTELDOEK

Met de schötteldoek gung het vroeger raar heer.
‘t Was vake een gegleer en gesmeer.
De jongelu zult er niet veule meer van weten
En de olden wilt het wel ’t liefst vergeten.
Toch wil wi’j die geschiedenis nog ies uut de doeken doen.

Het begun ‘s murgens al vrog met ‘t wark bi’j de heerd.
Dan was de schötteldoek metien veule weerd.
Want de haand’n waar’n vies van ‘t roet en d’as.
Hoe kreeg ie zuks weer schoon as ‘t’r gien schötteldoek was.

Dan wurd’n er thee of koffie kloar emaakt want de melkers kwaamn weer.
De schotteldoek gung eemn deur de koppies hen en ie zagen gien raandtien meer.
De kinder kwaamn van bedde en opoe stund op
Gauw allemaole de schötteldoek um de kop.

De jonges mussen noar schoele:
Ís ’t onder de neuze nog glad?’
Eemn de schotteldoek d’r onderdeur
Want ze moet toch netties op pad.

De boer kwamp in huus en had wat vieze haand’n,
De piepe was zo smerig dat-ie hoast niet wol braand’n.
Eemn onderde pompe, dan was ‘t dikste vuul d’r wal of.
En de schötteldoek die dreugde alweer alles of.

Jan kwam van ‘t speuln en had ‘n bloedneuze ekregen
Henderkien mus wat modder ofvegen.
Kloassien had een dooie moes in de haand.
Maar de schötteldoek maakte vlot alles an kaant.

Die lillike muggen hadden overal van die stippies op edoan.
Doar mut de schotteldoek ok even over goan.
De manlu waar’n veur ‘t eten een borrel gewoon.
Eemn deur de glassies en dan waren die ok weer schoon.

Kreeg ie dan ‘s oavens visite, zo um ’t ni’je joar
Mit de schötteldoek was-ie de hele dag kloar.
Dan wurd er offewassen en zoas dat vake giet
Was ‘t water weer veul te hiet.
En moar bloazen en poezen tegen de schötteldoek an
Goed uutkniepen, zoda’j um veur ‘t ofdreugen weer gebruken kan.

Kwam de domnee op bezoek dan bied’n ie vanzulfs zo’n man
gien smoezelig koppien koffie an.
De zundaagse koppies met goldn raanties kunt zo stoffig wezen.
Ok disse kwoale weur vlug deur de schötteldoek genezen.
Zo gunk dat mar deur tot ‘s oavends noa ‘t eten

De stoelen bint nog wat smerig; de schötteldoek hef ’t eweten
Dan kump d'r weer iene rerend noar binnen met troanen op
d’smoel.
Maar och die schötteldoek reinigt de hiele boel.

Wilt de kinder niet heuren of past ze niet goed op.
Dan kriegt ze een klap met de schötteldoek um de kop.
En bi'j de winterdag kun'j ‘t vake heuren.
De schötteldoek lig bi'j oes op de toafel, kats bevreuren.

Zo bint wi'j met de schötteldoek de dag rond egoan
Is ieder in bedde en ‘t warken edoan.
Op ‘t kopspiekertien hangt de schötteldoek dan te rusten.
Maar murgn zal ie d’r weer van lusten.

* * *

HERINNERINGEN VAN EEN SGHOOLMEESTER IX _________________________________________________________

A. Visser

Het was goed wonen en werken in Den Hulst in de eerste naoorlogse jaren. De naweeën van de jaren ‘4O-‘45 waren nog wel enigszins merkbaar -Levensmiddelen waren nog op de bon- maar we hadden gelukkig geen gebrek en bovendien had ik een prima kosthuis; letterlijk en figuurlijk onder de rook van de melkfabriek.
Elke morgen om 8 uur ging de fluit van de fabriek en dat was dan mijn wekker. Bij de melkfabriek was het dan al een drukte van belang; de melkrijders met hun melkbussen en melkwagens maakten heel wat herrie en lawaai in de buurt. Iedereen wilde graag bij de melkontvangst, als het even kon voor zijn beurt, zijn melk afleveren en dan gauw weer naar huis. Vaak moesten de melkrijders naar hun mening te lang wachten op degene die net voor hen aan de beurt was! De mannen van de melkontvangst deden wel goed hun best om de zware melkbussen zo gauw mogelijk leeg te gieten in de grote melktank maar ja, de melk moest eerst gewogen worden en het aantal liters moest worden genoteerd en er moest bovendien een monster genomen worden van de melk van elke boer om het vetgehalte te kunnen vaststellen. Het aantal liters en het vetgehalte bepaalden namelijk het bedrag dat aan melkgeld moest worden uitbetaald aan de boer.
Het ging bij de melkontvangst ook wel eens even mis, bijvoorbeeld als er een deksel muurvast zat op de volle melkbus, dat er geen beweging meer in te krijgen was. Dan was er oponthoud en dat gaf dan veel commentaar bij de wachtenden. Nee, ‘t liep niet altijd even vlot, maar al die drukte gaf aan de buurt wel de nodige gezelligheid. Wat jammer dat de ratelende melkwagens met al die melkbussen uit het straatbeeld zijn verdwenen!
En dan de melkrijders van toen. Wat hadden ze een zware taak! De melkbussen - meestal met een inhoud van 30 liter - waren zwaar te tillen en hun melkrit voerde vaak langs haast onbegaanbare zand- en modderwegen. Vooral in de wintermaanden waren de melkrijders niet te benijden. Intussen vervulden deze mannen een grote sociale functie. Ze waren niet alleen de boodschappers tussen boer en fabriek - nee, ze fungeerden ook als vrachtrijders voor de boeren onderling. Ze moesten vaak voor deze of gene een boodschap overbrengen of iets meenemen voor iemand die op de route woonde. Dat was voor de mensen heel gemakkelijk, want telefoon was er vrijwel niet en als vervoermiddel had men meestal alleen maar de fiets.
En zo was de melkrijder vaak manusje van alles. Hij was ook de man die bij de boeren het melkgeld thuis bezorgde. Eenmaal per week werd het melkgeld uitbetaald. Het geld zat ‘verpakt’ in een soort enveloppe; het melkzakje. Op de melkwagen stond dan een houten kistje met daarin voor elke boer een geldzakje. Iedere boer had een eigen busnummer en op het geldzakje stond dat nummer ook duidelijk vermeld. Elke boer kreeg zo zijn eigen liters melk uitbetaald. Natuurlijk kwam de melkrijder op de dag dat het melkgeld werd uitbetaald wel wat later thuis. Hij moest namelijk het melkgeld bij de boer aan huis brengen. Gelukkig stond de boerin meestal aan de straat op hem te wachten. En als deze of gene boer wat al te ver van de straat- of zandweg woonde, och, dan klemde de melkrijder het geldzakje ook wel eens tussen de bus en het deksel.
De meeste mensen hadden het in die jaren echt niet breed, maar het melkgeld van de kleine boer dat aan de melkbus hing wegnemen? Nee, niemand dacht eraan dat weg te nemen!
En de melkrijder zelf, die hoefde zich, als hij het melkgeld van zijn boeren op de wagen had liggen - een mooi kapitaaltje - geen zorgen te maken. Men liet hem met rust. Hij had geen gevaar te vrezen. Wie zou er aan denken die man te beroven van zijn geldkistje?
Dat alles is nu meer dan 50 jaar geleden. Intussen is er heel veel veranderd in onze maatschappij; niet alleen de melkfabriek, de melkrijder en zijn melkwagen zijn verdwenen. Waar vinden we nog die genoeglijke verhoudingen, die eerlijkheid van toen? Dat dienstbetoon en dat respect voor andermans bezittingen en belangen. Waar is het toch gebleven?

* * *

RAADSELRIJMPJE _________________________________________________________

lk heb geen benen
En toch kan ik gaan
Wel heb ik armen
En die wijzen aan

Oplossing elders in dit blad.

* * *

DE GESCHIEDENIS VAN DE ZUIVELINDUSTRIE IN NIEUWLEUSEN I _________________________________________________________

G. Bartels-Martens

’Het vel is het beste van de melk.‘
Te vaak hoorde men deze uitdrukking in de tijd toen de koffiemelk nog moest worden uitgevonden. Bezoekers wisten vaak niet goed hoe met de gastvrijheid van de boerin om te gaan, want ze wisten van te voren vaak niet hoe dik het melkvel op de aangeboden kop koffie zou zijn.
Melk bestaat voor 87% uit water en bevat naast zouten en vitamines 4,6% melksuikers, 4,2% vetten en 3,3% eiwitten die in kleine vetbolletjes opgeslagen (door de leek room genoemd, door de boer vetgehalte) komen bovendrijven als men de melk rustig op een koele plek laat staan. Dit heet opromen. Wordt de melk later gekookt, dan blijft bij het afkoelen veel van de room aan het melkvel zitten. Wordt de melk nog eens opgewarmd, dan herhaalt zich dat proces.

Het ontstaan van zuivelfabrieken
Omstreeks 1860 ontstond in Nederland de grote landbouwcrisis, die tot 1895 duurde. Grote misoogsten in Europa en overvloedige graanoogsten in Noord-Amerika zorgden voor graanimport naar Europa en ladingen goedkoop vlees uit Australië en Nieuw-Zeeland verhinderden de export van Nederlands vlees naar andere Europese landen. De inkomsten uit de boterbereiding werden daarom steeds belangrijker, maar ook hier stagneerde de export omdat de kwaliteit van de boter uit Denemarken beter was. Zo ontstonden hier, naar Deens voorbeeld, rond 1889 de eerste handkrachtfabriekjes voor de productie van boter, ook wel ontromingsstations genoemd. Aan het eind van die eeuw had praktisch elk dorp zijn eigen fabriekje.
Robert Koch (1843 - 1910) ontdekte dat de tuberkelbacil de verwekker was van de gevreesde ‘tering’ bij mensen. Vervolgens bleek er een variant te bestaan die tuberculose veroorzaakte bij het vee. De melk van besmette maar nog niet zieke koeien bevatte veel tuberkelbacillen, die met het drinken van melk in grote aantallen in het lichaam van mensen werden opgenomen.
Vervolgens ontdekte Louis Pasteur (1822 - 1895) dat de tuberkelbacil en andere eventuele ziekteverwekkende bacteriën in de melk werden gedood als die volgens een bepaald procedé werd verhit; naar de ontdekker pasteuriseren genoemd. In Amerika lukten rond 1885 de eerste proeven met een roterende sterilisator, maar daarbij hield de melk nog een sterke kooksmaak.
Een belangrijke vernieuwing was rond 1900 het door Alfa en Laval ontwikkelde centrifugaal ontromen. De melk werd niet meer gekarnd, maar in plaats daarvan bij een temperatuur van 35° in een centrifuge rondgeslingerd. Via afzonderlijke buizen bovenin de centrifuge werd de room en de ontroomde melk gescheiden afgevoerd. Zo kon bij de boterbereiding met verse melk gewerkt worden. in die tijd werd ook een apparaat uitgevonden dat de vetbolletjes door splitsing sterk verkleint, waardoor ze minder snel naar de oppervlakte stijgen. Dit heet het homogeniseren van de melk.

Melkfabrieken of boterfabrieken
Omdat niet iedere boer zelf zoveel kon investeren, richtten ze samen coöperatieve verenigingen op om melkfabrieken te bouwen, waarin stoommachines werden geplaatst voor het aandrijven van de machines die de melk in grote hoeveelheden gingen verwerken. Die fabrieken hadden vaak een stoommachine met ketel, een koeler, een karn en een boterkneder en kregen een klein laboratorium waar de melk op zuiverheid en samenstelling werd onderzocht. Aan het hoofd van de fabriek kwam een directeur te staan. Dat was een man van groot aanzien omdat hij speciale scholing in hygiëne, bacteriologie en chemie had genoten. Anders dan de eerste handkrachtfabriekjes, die vooral voor de lokale markt produceerden, gingen de stoomfabrieken zich door hun grote productie op de regionale markten richten. Het gebruik van de nieuwe werktuigen leverde meer boter per liter op, die bovendien van betere kwaliteit was en daarom een hogere verkoopprijs voor de boer betekende.
De fabriek kocht de melk van de boer, die per liter werd betaald. Zo kon het wel eens gebeuren dat een melkbus per ongeluk onder de regenpijp kwam te staan, waardoor de hoeveelheid melk en dus het inkomen groter werd. Om de coöperatie te beschermen tegen deze knoeierij, ging men al heel vlug niet enkel naar de hoeveelheid, maar ook naar het vetgehalte van de geleverde melk betalen. Hoeveelheid en kwaliteit bepaalden samen het melkgeld dat de boer kreeg. Het vetgehalte was eenvoudig te bepalen en bovendien dacht men toen dat vetrijk voedsel mensen eerder immuun zou maken voor infectieziekten zoals tuberculose, kinderverlamming en difterie. Tot 1950 beschouwde men volle melk en roomboter als gezond basisvoedsel.

Boter- en kaasproductie
Door het grote aanbod van melk aan de boterfabrieken ontstond een steeds groter wordende plas ondermelk. Om de overvloed aan ondermelk te kunnen verwerken, breidden veel fabrieken omstreeks 1925 uit met een kaasmakerij. Per liter verwerkte melk leverde het kaasmaken in het algemeen meer op dan de boterproductie en als restproduct bleef wei over. Zo ontstond een combinatie van boter- en kaasfabrieken.

Teveel ondermelk en varkenscrisis
Ondermelk werd gebruikt voor het voeren van jonge kalveren en biggen. Met de komst van de melkfabrieken begon het houden van varkens aantrekkelijker te worden omdat de ondermelk en de karnemelk die terugkwam van de fabriek, vermengd met rogge en aardappelen, uitstekend geschikt waren voor de opfok van lichte varkens. Toen Engeland in 1926 definitief haar grenzen sloot voor de import van vers vlees, zorgde de overheid hier voor steunmaatregelen, maar besloot vervolgens als crisismaatregel de kalver- en varkensteelt aan banden te leggen. Ook ging men steeds meer over tot het gebruik van mengvoeder. Zo bleef de ondermelkstroom groeien en nu waren het de zuivelfabrieken die moesten gaan samenwerken om tot een fabrieksmatige verwerking van de overtollige ondermelk te komen. Zo ontstond in 1938 de bekende DOMO = Drentse Onder Melk Organisatie. De zuivelfabrieken bleven tot omstreeks 1950 meestal zelfstandige ondernemingen, maar daarna kwamen de samenwerkingsverbanden, gevolgd door fusies, om per vestiging gespecialiseerd te kunnen werken. Tot ver na de tweede wereldoorlog had men het nog vaak over de botterfabriek, ook al was de productie van via, yoghurt, karnemelkse pap, chocolademelk en andere zuivelproducten al lang een feit.

Melkontromingsstations-Ontroominrichtingen

De Stoomzuivelfabriek Mastenbroek
In 1896 werd in Nieuwleusen aan de Ommerdijk (nu Backxlaan) een melkontromer geplaatst voor de fabricage van boter door de Stoomzuivelfabriek Mastenbroek. Dit fabriekje gaf aan drie arbeiders werk. In 1901 werd het omgezet in een coöperatieve zuivelfabriek en als zodanig in gebruik genomen.

De firma Kingma & Co. uit Avereest.
In 1899 kwam er een concurrent bij toen er nog een melkontromer werd geïnstalleerd door de firma Kingma & Co. uit Avereest. Dat fabriekje heeft aan het Oosteinde gestaan (tegenover waar nu het Chinees restaurant is gevestigd) en het gebouw is pas omstreeks 1998 afgebroken om plaats te maken voor een boomkwekerij. In 1911 stond het fabriekje er nog, want er is vastgelegd dat het toen plotseling veel minder leden kreeg omdat het een jaar van grote droogte was; zo erg dat de boeren uit het Westeinde met hun koeien helemaal naar de Koedijk gingen om ze daar te laten grazen. Het werd toen aantrekkelijk lid te worden van de coöperatieve zuivelfabriek omdat die ook op vetgehalte uitbetaalde, want als een koe minder melk geeft, zoals bij grote droogte het geval is, wordt het vetgehalte hoger.
Later werd het fabriekje gesloten en door Kleen verbouwd tot woonhuis-winkel. Omdat die winkel niet goed draaide, leek het Eef Bouwman-Schuurman, die al vanaf haar dertiende thuis in de winkel aan de Backxlaan meehielp, een aantrekkelijk pand om voor zichzelf te beginnen. Ze wachtte tot haar man terugkwam uit Nederlands Indië en zijn instemming kon geven en begon daar in1954 met haar winkel voor huishoudelijke en luxe artikelen. Vier jaar later liet ze een nieuwe winkel met woonhuis bouwen in de Weth. Nijboerstraat en werd het voormalige fabriekje tot de afbraak weer woonhuis.

De Rollecate.
Naar goed familiegebruik speelden de bewoners van de Rollecate een voortrekkersrol in de ontwikkeling van het platteland. Zo was W.J. baron van Dedem o.a. voorzitter van het in 1874 opgerichte Nederlands Rundvee Stamboek en was er een modelboerderij op het landgoed gevestigd. Daarbij werd in 1899 in het Westerslag een roomboterfabriekje gebouwd, groot 8 bij 15 meter. In 1907 ging het fabriekje mee over naar de ‘Maatschappij tot exploitatie van het landgoed Rollecate, gevestigd te Nieuwleusen’. W. J. Baron van Dedem is in 1922 overleden en op 23 oktober 1923 werd het landgoed in publieke veiling in 40 kavels verkocht. Dirk Johan Naarding, aannemer te Avereest, kocht het fabriekje. Nadat het gebouw in 1924 gedeeltelijk was gesloopt, viel in 1932 ook het resterende deel onder de slopershamer.

Coöperatieve stoomzuivelfabrieken

Rond de vorige eeuwwisseling ontstonden in Nieuwleusen twee coöperatieve stoomzuivelfabrieken, die de kleine ontromingsfabriekjes overvleugelden en opslokten.
Op 30 maart 1900 werd in Den Hulst de Coöperatieve vereniging tot bereiding en verkoop van roomboter ‘De Hoop’ opgericht. Deze werd op 13 maart 1930 omgevormd tot de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Den Hulst.


In het huis midden op deze foto was de Coöperatieve vereniging tot bereiding en verkoop van roomboter ‘De Hoop’ gevestigd. Later, nadat de nieuwe fabriek werd gebouwd, werd het verbouwd tot woning voor de directeur.

Op 26 juni 1907 werd in Nieuwleusen de Coöperatieve Zuivelfabriek ‘Onderling Belang’ opgericht, waarmee de ontromingsinrichting Stoomzuivelfabriek Mastenbroek op ongeveer dezelfde plek aan de Ommerdijk tot het verleden behoorde. Niet iedereen ging natuurlijk meteen z'n melk aanleveren, maar toch nam jaar na jaar het ledenaantal toe.

wordt vervolgd

* * *

RAADSELRIJMPJES _________________________________________________________

Oplossingen:
Vier oude wijven = de wieken van de molen
Een houten huisje = een koffiemolen
Ik heb geen benen = een klok


Jaargang 20 nummer 3 september 2002

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

Deze ansichtkaart werd in 1942 vanuit Den Hulst verstuurd door “de buurvrouw". Hoewel in het onderschrift is vermeld dat dit de Coöperatieve Landbouw Vereniging zou zijn, is het de Stoomzuivelfabriek Den Hulst. In de directeurswoning links was oorspronkelijk de melkfabriek gevestigd.

* * *

DE GESCHIEDENIS VAN DE ZUlVELINDUSTRIE IN NIEUWLEUSEN II _________________________________________________________

G. Bartels-Martens

De coöperatieve vereniging tot bereiding en verkoop van roomboter ‘De Hoop’.
In 1900 nam een groep boeren in Den Hulst het initiatief om door samenwerking een boterfabriek te stichten. De statuten geven een goed beeld van wat er allemaal kwam kijken om een coöperatie van de grond te krijgen. Omdat ze zeer uitgebreid zijn, nemen we hier alleen de punten over die laten zien hoe met de oprichting van de coöperatie een betrouwbare samenwerking tot stand kwam. Uit deze eerste coöperatieve boterfabriek is in 1930 de coöperatieve stoomzuivelfabriek ‘Den Hulst’ voortgekomen.

Oprichtingsakte:
Op 30 maart 1900 verschenen voor notaris Bernhard Willem Frijling te Nieuwleusen:
Albert Dekker (wordt voorzitter), Rutger Snel (wordt secretaris), Hendrik Bouwman Hendrikszoon (wordt penningmeester), Harm Bakker, Jan Lubberink, Willem Stolte Klaaszoon (worden bestuursleden), Albert Aarten, Hendrik IJs, Arend Stolte Klaaszoon, allen landbouwers wonende in Den Hulst, gemeente Nieuwleusen, Jacob Muller (wordt bestuurslid), landbouwer wonende in De Maat, gemeente Avereest, Jan Thijs Klein, landbouwer in Den Hulst, gemeente Staphorst, Geesje Paasman, weduwe van Hendrik Vonder, landbouwster wonende op De Punt, gemeente Staphorst, welke comparanten verklaarden bij deze te willen oprichten eene coöperatieve vereeniging tot bereiding van roomboter die behalve door de wettelijke voorschriften geregeld wordt door de navolgende, door partijen vastgestelde statuten.

Belangrijkste punten uit de statuten:
Art. 1: Te Den Hulst, gemeente Nieuwleusen is gevestigd een vereeniging genoemd de Coöperatieve vereeniging tot bereiding en verkoop van roomboter ‘De Hoop’.
Art. 2: Om lid te kunnen worden moet men veehouderzijn en voor iedere koe waarvoor men volgens Art. 23 verplicht is melk te leveren, betalen ƒ 2,50.
Art. 8: De vereniging wordt aangegaan voor 10 jaar, ingaande de datum van openbaarmaking van deze akte in de Nederlandse Staatscourant.
De bestuursleden treden jaarlijks af en zijn herkiesbaar, mogen niet nader bloed- of aanverwant zijn dan tot in de derde graad. De controle wordt uitgevoerd door commissarissen. Voor de aankoop van gebouwen ed. is machtiging van de vergadering van leden nodig.
Reeds dadelijk wordt door de leden machtiging verleend:
1. tot het sluiten van een lening van ƒ 2500,-- tegen een jaarlijkse rente van ten hoogste 4%.
2. tot het aankopen van een stukje grond in Den Hulst, gemeente Nieuwleusen, om daarop een fabrieksgebouw te stichten.
Art. 13: De leden zijn persoonlijk aansprakelijk voor de schulden die door de vereniging mochten worden gemaakt en verder voor alle verbintenissen, door haar aangegaan en wel ieder naar mate van het aantal koeien.
Art. 18. (stemverhouding) Wie toetreedt met 1 koe heeft 1 stem, met 3 koeien - 2 stemmen, met 6 of meer koeien - 3 stemmen.
Art. 23. De leden nemen de verplichting op zich de melk van hun koeien, die ze niet voor eigen gebruik nodig hebben, aan de fabriek te leveren.
Art. 24. Het is verboden aan de fabriek te leveren:
a. de melk van koeien die niet aan de leveranciers zelf toebehoren
b. melk van ongezonde dieren
c. melk die niet zuiver, niet vers, vermengd, afgeroomd of niet goed geteemsd (gezeefd) is d. melk van de eerste maal melken, nadat de koe op de markt heeft gestaan
e. melk van koeien binnen zes dagen na het kalven
f. melk die het door het bestuur nodig geacht minimum roomgehalte niet heeft
g. melk die in onreine vaten wordt afgeleverd of in zodanige overgangstoestand verkeert, dat zij voor de bereiding van deugdelijke boter ongeschikt is te achten
Art. 26. De melk wordt voor gezamenlijke rekening in de fabriek afgeleverd en teruggebracht in door de vereniging aangekochte en tegen de kostprijs aan de leveranciers overgedane transportkannen met bijbehorende teemsen (melkzeven), op afgesproken tijden en wegen. Die van De Maat en De Punt moeten zelf de melk brengen en halen en zijn vrijgesteld van de kosten voor melkvervoer. De teemsen zijn ook te huren voor 5 cent per week.
Art. 28. Het bestuur is bevoegd een onderzoek in te stellen naar het melkvee, de kelder en het veevoer der melkleveranciers.
Art. 29. De melk wordt aan de fabriek gemeten, gewogen en gekeurd. Het vetgehalte wordt minstens 1 x per week ten overstaan van een bestuurslid en een gewoon lid onderzocht. De gegevens worden opgeschreven in een daartoe bestemd register. De uitbetaling vindt 1 x per veertien dagen plaats, met evenredige aftrek van de noodzakelijke kosten. Iedere leverancier is verplicht zijn aandeel in de ontroomde melk en karnemelk terug te nemen.
Art. 32. Zondags zal de fabriek niet in werking zijn.

Dan volgt nog de afhandeling, een zegel en handtekeningen en:
‘Ingeschreven in het daar\voor bestemde register door mij Griffier bij het Kantongerecht te Zwolle op heden den veertienden April negentienhonderd.
De Griffier voornoemd’,    (handtekening).

Naar aanleiding van Art. 13 is het interessant op te merken dat deze medeverantwoordelijkheid ook in de Statuten van de Coöp. Zuivelfabriek Den Hulst-Vecolac, opgesteld in 1966, wordt omschreven, maar dan met een maximum ten aanzien van het aansprakelijkheidsrisico: “naar verhouding van de door hem geleverde melk gedurende de laatste vijf jaar, maar dan ten hoogste tot 10 % van deze levering.”

Plaats van de boterfabriek
Van de geschiedenis van deze boterfabriek weten we niet veel, maar uit de vergadering, die werd georganiseerd door een aantal leden van de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek te Balkbrug, om te komen tot de oprichting van de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek te Den Hulst, kunnen we afleiden dat er een fabriek is gebouwd aan de noordkant van de Dedemsvaart, nu Den Hulst 86 en 86a; later verbouwd tot woonhuis voor de directeur.
Later is er samenwerking ontstaan met de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek te Balkbrug, waarbij de zelfstandigheid van Den Hulst is verdwenen. De melk werd hier geleverd en ontroomd, waarna de room in Balkbrug werd verwerkt tot roomboter. Door de ruilverkaveling en de ontginning van het Staphorsterveld kwam er in de omgeving van Den Hulst meer en beter weiland en nam het aantal leden zo toe dat men omstreeks 1930 weer een zelfstandige fabriek in Den Hulst wilde vestigen. Het gebied waar de leden woonden strekte zich uit van de Lichtmis en De Meele tot De Stouwe en in de gemeenten Staphorst en Avereest, zoals Kievitshaar en Balkbrug.

Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Den Hulst
Op 13 maart 1930 werd in café Niemeijer te Den Hulst de Oprichtingsvergadering gehouden van de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek te Den Hulst.
J.F. Pluim, voorzitter van de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek te Balkbrug fungeerde als voorzitter en opende de vergadering namens de voorlopige commissie: H. Krol en een zoon van de weduwe G. Snijder werden alsnog lid.
De statuten en een huishoudelijk reglement werden, naar voorbeeld van die van Balkbrug, vastgesteld en toen volgde de verkiezing van bestuursleden en commissarissen: R. Sterken, K. Kooiker (secretaris, bestuurslid), J. Dekker, G. Massier (voorzitter, commissaris), als vertegenwoordigers van het oostelijk deel van Den Hulst tot Ommerdijk; H. Prins Djzn (voorzitter), W. Nijboer (bestuurslid), W. van Hulst (commissaris), als vertegenwoordigers vanaf Ommerdijk tot Sluis3; J. Van Ankum, H. Petter en H. Bloemhof(bestuurslid), J. Boonen (secretaris), Bouwman (commissaris), als vertegenwoordigers van het westelijkdeel van Sluis 3.
De oprichtingsacte is getekend op 9 mei 1930.

Zelfstandig.
Voor het zo ver was werden er nog verschillende vergaderingen gehouden om allerlei zaken te regelen. De uittreding van de leden van Den Hulst welke zich tot oprichting van een zuivelfabriek hadden verbonden, moest worden goedgekeurd door de ledenvergadering te Balkbrug. Daarna kon de bouw van een nieuwe fabriek in Den Hulst doorgaan. Bouwtekeningen waren al gemaakt door de architect Aikema. Als bouwplaats werd het land van De Groot, liggende achter het bestaande ontroomstation (de boterfabriek zoals hiervoor beschreven), groot 64 aren voor max. ƒ 2.800,--gekocht.
De ledenvergadering van Balkbrug stemde in met de zelfstandigwording, met als basis voor de vast te stellen gebiedsgrens: alle melk die nu al in Den Hulst wordt geleverd, zal daar blijven.

Directeur.
Op 26 maart 1930 werd G. Duif benoemd als directeur, met een jaarsalaris vanƒ 2.500,--, oplopend tot ƒ 3.000,-- (Als de jaarproductie boven de vijf miljoen liter melk is gekomen zal dat ƒ 4.000,-- worden), met vrije woning met toebehoren, vuur, licht en water, eerste grondslag de personele belasting, &frac2; kg boter per gezinslid per week, 1 liter melk per gezinslid, autovergoeding en een verzekeringspremie tot ƒ 33,--.

Bouwfabriek.
De bouw van de nieuwe fabriek gingƒ 30.000,-- kosten. Daarbij een schoorsteen van 28 meter hoog voor ƒ 1.700,--. Mos & Zn te Dwingeloo werd de aannemer. De leden stemden toe in een lening bij de Coöperatieve Grondkapitaalbank voor een bedrag vanƒ 40.000,--. De verbouwing van het ontroomstation tot directeurswoning kostte ƒ 4.480,--, met ƒ 539,-- schilderwerk. Er kwam een bestrating waarvoor Van den Berg 16.000 stenen Leverde voor ƒ 480,--.
Er zou boter- en kaasproductie plaatsvinden en daarvoor werd een gebruikte stoomketel à ƒ 1.500,-- en een stoommachine à ƒ 375,-- aangeschaft. Er kwamen 3 kaaspersen en een machinale kaasbak voor ƒ 2.100,--. De brand- en inbraak- verzekering werd afgesloten voor ƒ 20.000,--.
Het personeel van het ontroomstation ging op 28 november 1930 in zijn geheel over naar de zuivelfabriek. Gerritsen uit Staphorst werd aangesteld als assistent botermaker, met een salaris van ƒ 22,-- per week en Runhart werd per 1 januari 1931 kaasmaker met een salaris van ƒ 24,-- per week.

Werkgebied.
Formeel had iedere coöperatie een eigen werkgebied, maar regelmatig waren er geschillen tussen de verschillende fabrieken over het aantrekken van leden uit elkaars gebied. Als zich een nieuwe boer kwam vestigen was het spannend ‘wie hem zou krijgen’. Eenmaal lid van een coöperatie was het niet zo gemakkelijk daar weer uit te stappen, want men was immers deelnemer in het kapitaal en moest dan het aandeel terugbetalen. Zo had in de jaren dertig directeur Duif daarover een geschil met directeur Van der Berg van de zuivelfabriek te Staphorst, dat uitliep op een rechtszaak. De rechter bepaalde dat er een gebiedsgrens moest komen; dat werd het kruispunt van Punthorst. Toch was daarmee het probleem niet uit de wereld, want er bleven boeren die niet aan ‘Den Hulst’ wilden leveren en daarom met een particuliere zuivelfabriek in zee gingen, zoals ‘De Lijmph’ te Kampen.

Ontwikkeling en groei.
Er werd regelmatig geïnvesteerd in nieuwe materialen en op 1 mei 1936 volgde aansluiting bij de Gelders-Overijsselse Zuivelbond. Controles op vetgehalte, kwaliteit van de melk enz. werden uitgevoerd en er werden melkcursussen georganiseerd. De controles, inentingen enz. verliepen ongeveer op dezelfde wijze zoals we bij ‘Onderling Belang’ beschrijven.

Na-oorlogse groei.
Op 1 mei 1945 werd de heer D. Douma, toen al directeur van de zuivelfabriek in IJhorst en hier assistent, bevorderd tot directeur van ‘Den Hulst’. Hij trouwde en ging in de directeurswoning wonen. Na de oorlog werd er weer zo snel mogelijk geïnvesteerd in nieuwe materialen, zoals een kaasbascule, een ontijzerings-installatie, aluminium opslagtanks, een roompasteurder en een panketel. Er werd aandacht besteed aan runderhorzelbestrijding en aan het tbc-vrij maken van vee en er werd via melkmonsters gewerkt aan abortusbestrijding.

lsalacta.
Op 28 mei 1947 werd in Zwolle de oprichtingsvergadering van het samenwerkingsverband coöperatieve zuivelfabrieken Isalacta gehouden, met het doel speciale zuivelproducten waar men toekomst in zag te produceren. Het bestuur van Den Hulst besloot zich aan te sluiten. Dit was het begin van specialisatie per fabriek en latere fusies, die leidden tot schaalvergroting en sluiting van fabrieken. Op 18 maart 1949 was er sprake van dat Isalacta eventueel de fabriek zou overnemen - geschatte waarde gebouwen ƒ  119.000,-- inventaris ƒ  200.000,-- - maar dat ging niet door. In plaats daarvan bouwde Isalacta op het terrein van de fabriek voor haar rekening een wei-installatie en in 1952 een verstuivings-installatie van ƒ 450.000,--.
Ze bouwden ook een loods voor de opslag van wei-pasta voor ƒ 10.371,--; die op naam van Den Hulst kwam te staan, maar rente en aflossing werden betaald door Isalacta.
Wei, die vooral zomers werd geproduceerd, werd daarna ook van andere fabrieken opgekocht. De wei werd ingedikt door verdamping en bleef in grote vaten bewaard. Wanneer ‘s winters de boeren dan weer meer wei nodig hadden, werd die pasta weer verkocht, ook aan andere fabrieken. Tot dat deze pastamethode werd ontwikkeld, waren de boeren verplicht de ondermelk en wei terug te nemen; dit in tegenstelling tot de boeren van ‘Onderling Belang’ (die telkens weer in anonieme termen in haar jaarverslagen op dit grote verschil wees).
Zelf investeerde de fabriek in 1951 door de kaasmakerij een keer zo groot te maken en een nieuwe kaasmachine te kopen voor ƒ 4.000,--.

N.V. Blokmelk.
Na toetreding van de N.V. Blokmelk te Zwolle tot het samenwerkingsverband Isalacta werd de productie van wei-pasta en wei-brokken geconcentreerd in de Blokmelkfabriek en liep in Den Hulst de verwerking van wei terug van 5,4 miljoen liter in 1954 naar 5,1 in 1955 en 4,5 in 1956 en toen opeens naar 0,7 miljoen liter in 1957 en 0,1 miljoen liter in 1959.

Prijsverschillen leden en leveranciers.
Wie geen lid van de coöperatie wilde worden kon als ‘leverancier’ aan de fabriek leveren. Dat had een vervelende bijkomstigheid: bij de jaarlijkse nabetaling kreeg de leverancier maar de helft van het geld dat leden kregen. (Net zoals nu met de gas- en elektriciteitsrekeningen ging men toen ook al uit van een geschatte levering, die aan het eind van het jaar verrekend werd met de werkelijke levering). In 1953 is aan die regeling een eind gekomen en kregen leden en leveranciers dezelfde prijs voor de geleverde melk. Als overgangsmaatregel kregen de leveranciers die in dat jaar lid werden alsnog een volledige nabetaling over de voorgaande 3 jaren uitgekeerd.

Melkrijden.
De boeren leverden de melk een keer per dag aan de fabriek en wel ‘s morgens (omdat s’ nachts de temperatuur afkoelt, kon dat ook toen er nog geen koeltanks waren). Vanaf 1964 werd zomers de melk twee keer per dag opgehaald.

Vecolac - Coberco.
Later werd het Isalacta-samenwerkingsverband nog uitgebreid met andere fabrieken, zoals Kamperveen en Harderwijk en werd de naam Vecolac, dat later een onderdeel werd van Coberco. Maar deze laatste fusie heeft de fabriek van ‘Den Hulst’ niet meer meegemaakt. In 1966 kwam haar directeur Douma door een verkeersongeval om het leven en een jaar later was het gebeurd: Genemuiden en Den Hulst waren de eerste twee fabrieken die in het hele proces naar groter worden werden opgeofferd. De leden bleven lid van Vecolac, maar de melk werd naar andere fabrieken afgevoerd. Het personeel werd herplaatst in andere vestigingen. De fabriek werd verkocht en nadien hebben al heel wat bedrijven er hun onderkomen gehad.
rechts:wordt vervolgd

* * *

ERRATUM ZUIVELINDUSTRIE I _________________________________________________________

In ons vorig nummer is op pagina 48 een fout blijven staan. We laten daar de Stoomzuivelfabriek Mastenbroek op ongeveer dezelfde piek aan de Ommerdijk staan als de Coöperatieve Zuivelfabriek Onderling Belang en daarin opgaan. Dat klopt niet. Hij heeft waarschijnlijk veel dichter bij de Dedemsvaart gestaan en is overbodig geworden door de oprichting van De Hoop.
De firma Kingma & Co aan het Oosteinde was de concurrent van Onderling Belang, die in 1910 onderhandelingen voerde over overname. Dat lukte niet, maar in december 1911 werd het de fabriek aangeboden. De voorzitter reageerde toen met: “Hou dat ding maar voor de ontevreden leden, dan hebben die ook een plaats".
Ook kregen we van enkele leden enige corrigerende informatie over de fabriek van Kingma & Co. De plaats waar de fabriek heeft gestaan is niet waar nu de boomkwekerij van Beltman is gevestigd, maar iets verder terug naar de Kerkenhoek, waar nu Van der Linde woont, Oosteinde 38. Het witgepleisterde huis heeft nog wel een beetje de vorm van de aanvankelijke fabriek, die een plat dak had, maar later als woonhuis een puntdak kreeg. Voor Eef Schuurman het huis overnam werd het bewoond door Jonkers –bijnaam Parregien, die er een woonhuis-winkel van maakte. Na Schuurman ging Arie Kleen er wonen, tot hij met zijn loonbedrijf vertrok naar het industrieterrein. Waar nu de kwekerij is, was vroeger gewoon weiland van eigenaar De Weerd, die aan de overkant woonde, waar nu Rouwhorst een nieuw huis bewoont.

* * *

ROLLEPOEZEN _________________________________________________________

In ons vorige nummer vertelden we over de geschiedenis van het huis Rollecate. Van een bezoeker aan het museum kregen we de vraag hoe dat nu eigenlijk zat met die naam Rollecate. De toelichting bij de maquette in het museum had hij wel gelezen, maar daarmee was zijn vraag nog niet beantwoord.
Hij had gestudeerd in Wageningen en kende de naam Rollecate alleen uit Deventer: op studentenfeestjes in Wageningen verschenen regelmatig vrouwelijke studenten uit Deventer, die daar de veelbetekenende (van cate / kater afgeleide) bijnaam Rollepoezen hadden.


Een oude foto van het nog bestaande huis waarin de “Rollepoezen” in Den Hulst waren ondergebracht.

Voor hem was het heel verhelderend te horen dat op het landgoed Rollecate in Den Hulst de eerste “opleidingsschool voor leraressen voor huishoudscholen ten plattelande" was gesticht. Nadat deze opleidingsschool haar bestaansrecht had bewezen, verhuisde ze in 1930 naar Deventer, waar de omstandigheden een stuk minder primitief waren, en kreeg daar de naam Nieuw Rollecate.
Met deze verklaring was de relatie Rollecate Nieuwleusen Deventer duidelijk geworden.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

De groepsfoto van deze keer is al in kleur genomen maar kunnen we helaas niet in kleur afdrukken. Het is een foto van de Christelijke Lagere School “Het Kompas” te Ruitenveen. De foto dateert van 1975.
Foto ZC013



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

Evert Boerman
mevrouw Nijdam
Rianne Beltman
Andre Weelink
Thijs Westerman
Bennie Boverhof
Berry Klein
Gert Stegerman
Martin Stegerman
Klaas de Boer
Evert Nijboer

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  

Geke Hersevoort
Anita Hof
Dinie Tempelman
Joke van Leeuwen
Marjan Prins
Jeanet Mulder
Henri Kreule
Arie Kragt
Evert Vonder
Jenny Bonen

22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
Bij 


Dicky Bonen
Wichert van Berkum
Jeanet Boesenkool
Henk Visscher
Johan Tuten
Arend Jan Bijker
Bernhard Hengeveld
Siem Riezebos
de deur van de school staat Wiebe Nijdam.

* * *

UIT: HET VRIJE WIEL I _________________________________________________________

“Het Vrije Wiel” was vanaf mei 1972 het personeelsorgaan van de “Samenwerkende Rijwiel- en Motorindustrie Unikap N.V.”, de gefuseerde bedrijven van de rijwielfabriek Union en de bromfietsenfabriek Kaptein. In dat blad werd een artikelenserie opgenomen over de geschiedenis van Union.
Nu in 2001 het faillissement is uitgesproken over Union BV te Nieuwleusen, leek het ons wel aardig om deze serie in ons kwartaalblad over te nemen.

”In ‘t verleden ligt het heden, in het nu wat worden zal!"
“Goeimorgen Jan Willem, ik wol oe vroagen of ie mi’j vandage oen krulewaag’n kunt leen’n; ‘k Mudde mest streien en nou is net mien krullewagen kapot."
“O det kan best Gait! lk ebbe toch gien tied vandage; ie road’n nooit wa'k doen wille."
“Nou en wat dan wel JanWilem?”
“Ja Gait, ai ’t niet wieder vertelt za’k ‘t oe wel zegg’n. lk wil noar Den Hulst, noar die winkel van Van den Barg; een fietse koop’n.”
‘Ie bint niet goed wies, Jan Willem. Wat doe ie als olde boer van in de vieftig nou op zo’n dink. Wol ie oen nekke breek’n?” ”Ja Gait ik eur het al, ie ebt gien begrip veur de nije tied. En det nekke breek’n zal nog wel met vallen. Van den Barg èf een leerfietse stoan en i’j leert oe zelf fiets'n."
“Nou Jan Willem ie mut zelf weet’n, maar ik koche veur det geld liever een drachtige motte.”

Ja lezers zo'n gesprek kon men zo’n 65 jaar geleden (in 1907, red.) hier op Nieuwleusen verwachten, want daar aan de Dedemsvaart in Den Hulst waren fietsen te koop bij de fa. Berend Jan van den Berg, die een zaak had in houtwaren en kalk en ook ijzerwaren voor het bouwbedrijf en huishoudelijke zaken. De fiets was oorspronkelijk bijzaak maar werd spoedig hoofdzaak.
De heren Berend Jan, Jan en Evert van den Berg waren zoons van de molenaar Berend Jan van den Berg, aan de Dommelerdijk en de grootouders van de huidige heren Ir. B.J. van den Berg, reeds gepensioneerd directeur, Ir. H.G. van den Berg, de huidige directeur en de heer B. J. van den Berg Ezn., directeur van de Union Hout- en Bouwmaterialenhandel. Ook in het ietwat afgelegen Nieuwleusen brak langzamerhand de nieuwe tijd aan; weliswaar had men nog niet anders dan petroleumlicht, van waterleiding was in de eerste 30 jaar ook nog geen sprake. Er waren praktisch geen harde wegen, alleen de noordzijde langs het kanaal, de Ommerdijk, die Den Hulst met Nieuwleusen verbond en de weg over Nieuwleusen naar Zwolle. Industrie was er niet, wel wat huisnijverheid, een paar molens e.d. maar verder was de gemeente uitsluitend agrarisch ingesteld.

In de komende nummers zal de ontstaansgeschiedenis van Unikap bij wijze van feuilleton regelmatig worden gepubliceerd; wij stellen ons voor dit in achtereenvolgende nummers te doen en wel in deze volgorde:
1. “Hoe het vroeger was"(1904-1914)
2. ”De knaap wordt man"(1914-1930)
3. “Ik worstel en ontkom"(1930-1945)
4. “Door eendracht sterk" (1945-1972)

”Hoe het vroeger was"(1904-1914)
We schreven omstreeks 1902 en hebben in het vorige nummer van “Het Vrije Wiel” enkele toenmalige inwoners van Nieuwleusen aan het woord gelaten over het voor of tegen van een fiets. We zullen beide keuvelende boertjes nu maar laten rusten en overgaan tot de werkelijke geschiedenis van de Union Rijwiel-fabriek (thans Unikap), hoewel schrijver dezes u niet beloven wil, dat hij alles in chronologische volgorde en letterlijk zal weergeven. Een betrekkelijk droge maaltijd, zoals geschiedenis altijd is, moet altijd een beetje smakelijk gemaakt worden, zodat zout en ook peper af en toe niet mogen ontbreken. Bij voorbaat m’n excuus als de peperbus soms wat “uitschiet”. Het jaar 1904 is voor het huidige bedrijf werkelijk een jaar van betekenis, echt om te onthouden. We zullen evenwel eerst nog een paar jaar terug moeten om zo tot de beroemde datum van 27 juli 1904 te komen.



In het voorgaande noemden we reeds de namen Berend Jan, Jan en Evert van den Berg, zoons van de molenaar Berend Jan van den Berg, gehuwd met Hendrikje Blik, wonende aan de Dommelerdijk te Nieuwleusen. De drie zoons werkten hard in het bedrijf van vader en de zaken gingen goed maar toch niet zo goed, dat er in de toekomst voor drie gezinnen een behoorlijke boterham in zat. De molenaar zocht daarom, als een verstandig man met een vooruitziende blik, uitbreiding en wel in de vorm van een veevoederhandel tevens gecombineerd met handel in bouwmaterialen, in Den Hulst aan de toenmalige Dedemsvaart.
Een stukje grond van een ½ ha. werd gekocht van een zekere Arend Gans, een huisje er op gezet en een eenvoudig pakhuis voor kalk en een houtloodsje. De eerste kunstmest werd verhandeld samen met de neven Gebr. Blik te Nieuwleusen. Veldwachter Oljans bewoonde het huisje en hield een oogje in het zeil. Het beheer werd opgedragen aan zoon Berend Jan, de oudste zoon.
We moeten nu weer even een andere familierelatie aanstippen.
Molenaar B. J. van den Berg had een neef (dit was zijn broer Wilhelmus) die in Den Hulst een molen bezat. Deze had weer een zoon W. A. van den Berg. Deze neef had z’n opleiding in het westen van het land gehad en was zowel in kleding als in omgangsvormen “verburgerlijkt”. Hij had n.l. een fiets en wist daardoor zijn neven Berend Jan en Jan ook warm te maken. Dit gelukte hem wonderwel.


Deze oudst bekende personeelsfoto van de Union dateert van omstreeks 1914. Van boven naar beneden en van links naar rechts: Van de Graaf, Stoel, Van Vlaardingen, Van Oene, Esmeijer, Van Duren, Withaar, Wiersma, Hendriks, Huisjes, Schutte, Van Voorst, Kok, Knotters, Mijnheer, Vonder en Esmeijer.

De fietsminnende jongelui gingen al spoedig tochten op de fiets maken. Men zocht o.a. met bovengenoemde neef weer een andere neef op die te Arnhem woonde. Daar kocht Berend Jan van den Berg zijn eerste rijwiel, met vast tandwiel, zonder kettingkast. Geboren koopman als hij was, zag hij direct toekomst in dit artikel en hij verkocht z’n eerste fiets al spoedig met winst aan zijn dorpsgenoot Hendrik Prins, bijgenaamd "De Schele". Een begin van het handelskapitaal was verdiend.
De jongelui van den Berg maakten meer tochten naar Arnhem en dreven als bijverdienste een fietsenhandeltje. Voor boerenzoons in Nieuwleusen werden fietsen meegenomen en ze werden met enige pressie opgewekt fietstochten te ondernemen. Van den Berg zorgde wel voor een fiets.
Hiermee had de fiets zijn intrede in Nieuwleusen en omstreken gedaan en in het kleine kantoortje van het gebouwtje in Den Hulst stond bij monsters kalk, planken etc. altijd een nieuwe fiets voor de verkoop en een gebruikte fiets als z.g. “leerfiets”.
De meergenoemde neef W.A. van den Berg ging zich helemaal wijden aan het molenaarsvak en deed zijn aandeel in het langzaam gegroeide fietsenhandeltje over aan B.J. van den Berg jr. die zijn handen toen vrij had.
Hij had inmiddels bij zijn vele tochten naar Arnhem kennis gekregen aan zijn a.s. vrouw en had al spoedig trouwplannen.
Vader B.J. van den Berg sr. was bereid een winkelpand met woning te zetten vooraan het huisje in Den Hulst welk huisje toen gedegradeerd werd tot achterhuis en als magazijn dienst zou doen. (Het is het gebouw waar thans de hoofdboekhouding gevestigd is en tevens het kantoor van mijnheer Suur, het loonbureau en het kantoor van mijnheer Haalboom gevestigd is).
De veldwachter betrok een andere woning. De winkel werd ingericht met ijzerwaren voor het bouwvak, emaille huishoudartikelen en fietsonderdelen. Een winkel- en magazijnchef werd benoemd (al spoedig cheffie geheten); de bouwmaterialenzaak en de fietsenreparatie werden onder toezicht van iemand anders gesteld.
Achterin het pakhuis was nog steeds het kantoortje met een paar nieuwe fietsen. Baas B.J. hield die onder eigen vleugels. Elke klant, die kwam betalen kreeg een borrel en werd daardoor warm gemaakt voor een “fietse”.
De borrelschenkerij bleef nog al wat jaren gehandhaafd; Hierover is later nog wel iets speciaals te vertellen.
De fietsen waren Fongers, Burgers en Corona (een uit België geïmporteerde fiets van een nevenbedrijf van Brennabor).
Niets meer stond toen het huwelijk in de weg en op 27juli 1904 trouwden Berend Jan van den Berg en Hermina Johanna Theodora Hennink. Hiermee was de grondslag gelegd voor de
UNION RIJWIELFABRIEK.
Het begin was er dus maar ook hier gold “Alle begin is moeilijk”.
Een fiets verkopen gaat nog wel, maar je moet ook service geven. Wie zal een fiets repareren en waar is het gereedschap hiervoor? Toen was zelfs een stalen bankschroef een zeldzaamheid.
Maar iemand die zijn goede geld (zo’n ƒ 80,-- à ƒ 90,--) neertelde voor een fiets, wilde die ook gerepareerd zien. Eerst had de baas het zelf wel gedaan, maar het kostte hem te veel tijd en hoofdbrekens. Er werd al spoedig een oplossing gevonden.
We zullen niet veel namen noemen in dit historisch overzicht, maar menen toch hier één uitzondering te moeten maken n.l. voor Klaas Tempelman, die thans nog in “De Hulstkampen” woont en die in 1904 als eerste fietsenreparateur werd aangesteld en zijn gehele leven in grote trouw aan de UNION heeft gewijd. Hulde voor de mensen van het eerste uur!
Aangezien ruimtegebrek ons noodzaakt het overzicht hier af te breken, zullen we nu eindigen en hopen we de volgende keer verder te gaan met het werk van de tweede zoon J. van den Berg, die toen al bij de fietsenzaak was ingeschakeld.

wordt vervolgd

* * *

DEN HULST _________________________________________________________

Den Huist is bekend om zijn rijwielfabriek
Bijker de kruidenier
IJs van de Klosse
Van Giessel zijn worst
En Evert Vonder zijn bier.

* * *

HERINNERINGEN VAN EEN SCHOOLMEESTER X _________________________________________________________

A. Visser

Eind mei 1947 - nu 55 jaar geleden - had ik een combinatieklas met 59 leerlingen! Die kregen allemaal een paar vrije dagen want ik had van het gemeentebestuur van Nieuwleusen het verzoek gekregen mee te werken aan de 12e volkstelling - annex woningtelling op 31 mei 1947.
Op 31 december 1930 was er voor het laatst een volkstelling geweest. Intussen had de tweede wereldoorlog diepe sporen nagelaten in ons land en onder ons volk. Veel gegevens over de bevolking waren in de bezettingsjaren verloren gegaan. Dus moest er opnieuw geteld worden. Allerlei gegevens over de bevolking van ons land, zoals de bevolkingssamenstelling, de volkshuisvesting, de werkgelegenheid, de sociale omstandigheden en het kerkelijk leven waren van groot belang voor het regeringsbeleid.
In Nieuwleusen waren tientallen medewerkers gezocht en gevonden om de telling uit te voeren. Elk van hen kreeg een aantal adressen die bezocht moesten worden. Voor elke alleenstaande en voor elk huishouden van twee of meer personen moest een invulformulier worden afgegeven en daarbij moest de nodige toelichting worden gegeven.
Geteld moesten worden het aantal personen en het aantal woonvertrekken. Als woonvertrekken golden: kamers, keukens en zolderkamers. Badkamers, serres en open zolders werden niet meegeteld. Ook het ‘stookhokke’, voor veel boerengezinnen het woonvertrek in de zomermaanden, telde niet mee.
In de categorie ‘huishoudens met twee of meer personen’ ging Het niet alleen om de telling van ouders en inwonende kinderen, nee, ook het inwonend huis- en bedrijfspersoneel hoorde er bij, evenals de kostgangers!
Aan elk van hen werd een lange lijst van vragen voorgelegd: naam, geboortedatum, geboorteplaats, nationaliteit, burgerlijke staat, beroep, kerkelijke gezindte enz.
Zo werd het op die 31ste mei 1947 dus een echte volks- en woningtelling.


Boerderij met stookhok Meeleweg 81 tegenover de O.L.S. D

Ik moest een aantal adressen bezoeken op De Meele; de woningen gelegen tegenover de openbare lagere school en de daar gelegen zijwegen, toen nog zandwegen. (De Korenweg was er toen nog niet.) lk denk dat ik ongeveer dertig adressen moest ‘tellen’. Dat kostte me weinig moeite, maar wel veel tijd want ik moest bijna overal eerst even een kop koffie drinken. In bijna elk gezin stond in die tijd immers de koffiepot een groot deel van de dag op het fornuis - voor de komende en gaande man.
In elke woning moest ik even rondneuzen om te zien of het juiste aantal vertrekken op het formulier was ingevuld. Daarbij kreeg ik alle mogelijke medewerking van de bewoners. Het was allemaal heel gezellig en heel plezierig. Geen wonder dat ik nu nog steeds de beste herinneringen bewaar aan die volkstelling van 1947.
Het was natuurlijk een heel karwei om al die gegevens van alle Nederlandse gemeenten op een rijtje te zetten. Het Centraal Bureau voor Statistiek (CBS) kwam pas in 1949 met de eerste overzichten van de gemeentelijke, provinciale en landelijke tellingen.

Uit een van die publicaties noteerde ik de volgende gegevens over de gemeente Nieuwleusen op 31 mei 1947:

De woningtelling:
Er werden 917 bewoonde woningen geteld, te weten 587 boerderijen en 330 burgerwoningen.
Van die 587 boerderijen werden er 458 bewoond door de eigenaar; 129 boerderijen werden bewoond door een pachter.
Van de 330 burgerwoningen werden er 149 bewoond door de eigenaar; 184 werden bewoond door een huurder.
Naast die 917 woningen werden er ook nog 5 ‘bewoonde ruimten’ geteld, waaronder 4 noodwoningen.
Per bewoonde woning telde men gemiddeld 3,23 vertrekken.
81% van de woningen had een huurwaarde van minder dan ƒ 200,-- per jaar; 1,6% van de woningen had een huurwaarde van meer dan ƒ 400,-- per jaar.
Van de woningen was 65,9% aangesloten op de waterleiding, 69,2% op electra en 0% op gas.

De bewoners:
Er waren 4453 inwoners. Het gemiddeld aantal bewoners per woning was 4,80; per vertrek was dat 1,49 en per huishouden was dat 4,56.
Er waren 34 alleenwonenden en 963 huishoudens van twee of meer personen. Het aantal gezinnen met inwonende kinderen kwam op 796.
Van de bevolking woonde 66,5% op een boerderij, maar niet al die personen werkten op de boerderij.
Van de mannelijke beroepsbevolking werkte 20,1% in de landbouw; van de vrouwelijke beroepsbevolking 17,4%. Dus werkte gemiddeld 19,6% van de beroepsbevolking in de landbouw; dat was een op de vijf personen!
(Bij de volkstelling in 1930 waren die percentages respectievelijk:21,9% - 14,3% - 20,1%)
Van de beroepsbevolking was slechts een enkeling buiten de gemeente werkzaam. Men bleef in de buurt, ook al omdat men vaak alleen maar een fiets had als vervoermiddel.

Beroepsbevolking van Nieuwleusen:

Geboren in Nieuwleusen:
Van elders gekomen:
Totaal:
Naar elders vertrokken:
Aantal op 31-05-1947:
Ter plaatse werkzaam:
Elders werkzaam:

1505 mannen
504 mannen
2009 mannen
637 mannen
1372 mannen
1310 mannen
62 mannen

779 vrouwen
276 vrouwen
1055 vrouwen
333 vrouwen
722 vrouwen
720 vrouwen
2 vrouwen

* * *

KEES EN GEES _________________________________________________________

Kees, sprak laatst mijn dierbaar vrouwtje
Wij gaan samen eens op reis
Wel zoo, sprak toen eensklaps Geessien
't Zal geschien tot elken prijs
‘k Had van ’t jaar wel veertig biggen
’t Zit er dus wel degelijk an
Maar laat ik je eerst eens gaan vertellen
Wie ge hier veur joe hebt staan.

Refrein:

Ik ben Kees en ikke Gees
Wij houden veel van reizen
Ik ben Kees en ikke Gees
En 'k heb voor jou geen vrees
We komen van het land
Men houdt ons voor zoo dom
Maar als men naar de waarheid vraagt
Dan houden wij ons doofstom.


Na een weinig redeneren
Hadden wij ons plan beraamd
We staken ons in de beste kleren
Net als 't grote lui betaamt
lk zie me nog naar mien spaarpot wijzen
'k Nam de hele veurraod mee
We maakten centies uit de kippen
En toen zongen we alle twee.

Refrein

Amsterdam dat moet je weten
’t Had ons al zo lang bekoord
we wilden eens in ‘t Kras gaan eten
'k Had daarvan zoveel gehoord
‘t Smaakte heerlijk, want we likten
Met onze tong de borden schoon
De kelners die van ‘t lachen knikten
Zongen wij op hogen toon

Refrein

Toen van ’t Kras naar Artis henen
Want dat trekt een mens altijd
Bij de aapjes lief en teder
Daar versleten we onze tijd
Plotseling kwam d'r iemand vragen
Of dat vermielie van ons was
Maar wij beiden, niet van gisteren
Antwoorden toen al ras.

Refrein

In een net café gezeten
Aangesproken als meneer
Viel een dikke kelnerinne
Op mien man zien knieën neer
Ik wist niet of ik waakte, droomde
‘t Ging me joa deur alles heen
Maar terwijl ik m'n man omhelsde
Kees behoort aan mij alleen.

Refrein

Wat we in Scheveningen zagen
‘k Durf het niet te zeggen, nee
ze stonden daar in 't water te blaken
't Ging me joa deur alles heen
naakte armen, naakte benen
Gees daar horen we niet bij
En terwijl we 't strand ontvluchten
Fluisterend aan elkanders zij

Kees en Gees en Gees en Kees
Die gaan weer naar hun dorpje
Kees en Gees, Gees en Kees
Die kennen daar geen vrees
We komen van het land
Men houdt ons voor zo dom
Maar als 't publiek ons goed beloont
Dan keren we nog eens weerom.


Jaargang 20 nummer 4 december 2002

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

Zuivelfabriek Onderling Belang aan de Ommerdiek. Luchtfoto vermoedelijk uit de jaren 30 van de vorige eeuw.

* * *

DE GESCHIEDENIS VAN DE ZUIVELINDUSTRIE IN NIEUWLEUSEN III _________________________________________________________

G. Bartels-Martens

Coöperatieve Stoom-Zuivelfabriek ‘Onderling Belang’.
Op 10 mei 1907 besloot een klein comité van boeren uit Nieuwleusen dat ze een eigen zelfstandige coöperatieve stoomzuivelfabriek wilden oprichten. Aanvankelijk traden 48 landbouwers toe als leden, waaruit tijdens de oprichtingsvergadering op 26 juni 1907 de bestuursleden werden gekozen. Meteen die zomer werd er al een fabriek gebouwd en J.G. Greijdanus werd als directeur benoemd.

Over J.G. Greijdanus is in Nieuwleusen nauwelijks iets bekend. Dankzij het bezoek van de kleindochter P.C. Dekker-ter Veer aan het museum Palthehof op 6 juni 2002 komt daar nu gelukkig enige verandering in. Zij was, met haar man, zeer verrast tussen de ansichtkaarten en souvenirs van Nieuwleusen nog een paar keer de naam van haar grootvader, in combinatie met de zuivelfabriek, aan te treffen en vertelde op haar beurt wat ze over hem wist. Later stuurde ze ons nog een aantal artikelen toe, waaruit we onderstaande informatie haalden.

Jan Greijdanus werd geboren te Wirum (Fr.) op 16 juli 1884 en is overleden te Heino op 20 december 1947. Kort voor zijn overlijden, tijdens het 40-jarig jubileum van “Onderling Belang” in oktober van datzelfde jaar, had hij hier als een van de sprekers nog het woord gevoerd.
Na het bezoeken van de lagere school werd hij als volontair geplaatst aan de zuivelfabriek te Marssum. Al spoedig volgde zijn benoeming als assistent te Dwingeloo, vervolgens te Koekange, Langezwaag en Steenderen, waarna hij op 16 juli 1907 werd benoemd als eerste directeur van de Coöperatieve Stoom-Zuivelfabriek “Onderling Belang” te Nieuwleusen. Hier werd al spoedig begonnen met de bouw van een nieuwe fabriek, waaraan de directeur zoals begrijpelijk, een groot aandeel had.
Jan Greijdanus was getrouwd met Popkjen Meina en in Nieuwleusen werd op 7 juli 1909 een dochter geboren: Alida Dina Margarethe Greijdanus. Dat werd later de moeder van Mevrouw Dekker.

Tot grote verbazing van veel mensen vertrok Greijdanus op 22 februari 1911 van deze goed werkende nieuwe fabriek naar Heino, om daar directeur te worden van een zuivelfabriek met meer mogelijkheden. In 1928 bouwde men daar naast de boterfabriek een melkpoederfabriek, die werkte volgens het Krause-systeem.
Bij zijn 40-jarig jubileum werd hij gekenschetst als een stoere werker, wiens hart steeds bij de fabriek lag. Hij zwaaide de scepter en het bestuur kon zich daar altijd mee verenigen, want hij had een gezonde en nuchtere kijk op de dingen die nu eenmaal een fabriek omzweven. Hij bezat goede mensenkennis en beschikte over een goede omgang. Niet alleen de fabriek en zijn naaste medewerkers profiteerden van zijn vakkennis, hij werd ook een vraagbaak in de verre omgeving. Jonge co||ega’s van later gebouwde fabrieken bespraken hun problemen met deze veelzijdige directeur.


Hierboven ziet u een deel van het getuigschrift op het briefpapier van Onderling Belang dat Jan Greijdanus bij zijn vertrek uit Nieuwleusen ontving.

Transcriptie van het getuigschrift dat Jan Greijdanus ontving:


Nieuwleusen, April 1911

Namens het bestuur der Coöp. Stoomzuivelfabriek "Onderling Belang" te Nieuwleusen verklaren ondergetekenden dat den Heer J. Greijdanus gedurende 3 ½ jaar vanaf de oprichting der fabriek tot Maart 1911 als Directeur-Boekhouder dezer fabriek is werkzaam geweest. Het is hen tevens een genoegen te kunnen verklaren dat de Heer Greijdanus gedurende dien tijd steeds tot hun volste tevredenheid werkzaam was.
Hij heeft getoond een zeer bekwaam vakman te zijn ten allen tijde met volle toewijding in de fabriek werkzaam, daarbij iemand met een flink karakter zoodat, zoomin op zijn particulier leven als op zijn werkzaamheden in het belang der fabriek de minste aanmerking viel te maken. De fabriek heeft dan ook gedurende zijn beheer steeds zeer gunstig gewerkt en waren bij zijn vertrek de gebouwen en inventaris in uitstekende staat. Tot nader inlichting ten allen tijd bereid.

Namens het bestuur.

J. Bijker Jzn, Voorzitter,
L. Schiphorst Mzn. Secretaris.


Zuivelfabriek Onderling Belang omstreeks 1910.

Op 4 oktober werden de melkritten uitbesteed en op 17 oktober begon de fabriek te werken. In januari 1908 werd besloten ook de melk uit de Vinkenbuurtop te halen en een directeurswoning te laten bouwen. Door de uitbreiding van de melkaanvoer moest een tweede centrifuge (ontromer) worden gekocht. In mei 1913 werd besloten de fabriek belangrijk te vergroten. Op 23 juni 1917 werd L. Vos benoemd tot directeur en deze bleef, in tegenstelling tot zijn drie voorgangers, vele, vele jaren. Onder zijn leiding bleef de fabriek zich gestadig ontwikkelen. In 1919 werd begonnen met het controleren van de melk op melkopbrengst en vetgehalte. In januari 1926 werd besloten de fabriek nog verder uit te breiden en daarvoor nieuwe machines aan te schaffen. Daarmee kwam na de verbouwing in augustus 1927 de uurcapaciteit van 6.000 op 10.000 kg te liggen.

In augustus 1930 werd besloten tot de aanbouw van een tanklokaal met een benedenruimte voor het verwerken van de ondermelk. In maart 1932 werd besloten tot de bouw van een kaaspakhuis met pekellokaal en daarmee werd de zuivelfabriek een succesvolle melkinrichting. In dat jaar had de vereniging zo’n 470 leden, stond het vee van 70 leden onder controle en werden 10 volbloed stamboekstieren tot dekking gehouden; dit alles tot verbetering van het vee en het melkgehalte. De fabriek was aangesloten bij de Gelders-Overijsselse Zuivelbond.

Sommige lezers zullen bovenstaande informatie herkennen. We hebben het voor de volledigheid nog een keer opgenomen als korte samenvatting van een uitgebreider artikel ‘De eerste 25 jaar van Onderling Belang’, dat is opgenomen in “Nijluusn van vrogger”; nr. 4, december 1989, blz. 72 t/m 75. Ook in “Nijluusn van vrogger”; nr. 3, september 1997, blz. 49 t/m 55 is een artikel over dat 25jarig jubileumopgenomen.
We pakken de ontwikkeling na die eerste 25jaar hier weer op en doen dat aan de hand van de jaarverslagen.

Snelle groei.
Na de eerste 25 jaar ging men enthousiast verder. In de loop der jaren werden steeds veel prijzen gewonnen voor de levering van goede kwaliteit boter en kaas.


Boterproductie.
Dat de zuivelfabrieken heel lang alleen boterfabrieken zijn geweest toont ook bovenstaande Exploitatierekening van ‘Onderling Belang’ uit hetjaarverslag van 1928.

Uitbreiding assortiment producten.
In het jaarverslag over 1935 is opeens sprake van een groot assortiment kaasproducten: Edammer v.v., 40+, 20+, komijn, Gouda v.v., 40+, 30+, 20+, Lunchkaas v.v., Leidse kaas 20+, en Randkaas (Niet duidelijk is of daarvan een deel is ingekocht bij de Condensfabriek “Friesiand"). Ook wordt er melk in flessen, karnemelk en yoghurt verkocht:


Er werd dat jaar ook geïnvesteerd in een roestvrije zuurmelkpasteurder, een platenpasteurder voor de consumptiemelk, een elektrisch roerapparaat en een elektrische pomp. Tenslotte moesten voor een groot bedrag bussen worden aangekocht, door een grotere melkaanvoer en door de uitbreiding van de me|kverkoop naar ZwoIie.

Bijsmaakjes.
In 1937 klaagt het bestuur: “Wij hebben in het afgelopen jaar veel last van kuil- en voersmaak gehad. Het is het grootste belang, dat de leden wanneer ze gras of andere producten willen inkuilen, daarbij goede voorlichting nemen.... Niet minder gevaarlijk is het overdadig voeren van knollen. Bijna elk jaar weer hebben wij knollensmaak aan onze boter. Wanneer de leden de knollen met zorg en oordeel voeren is zulks niet nodig.”

Tbc-bestrijding.
En ze waarschuwt: “Wij eindigen met de opwekking aan de leden zich bij de t.b.c.-bestrijdingsvereniging aan te sluiten. Zeer veel vee uit streken waar aan tbc-bestrijding wordt gedaan komt op de markt; het kopen van vee brengt steeds meer risico’s mee en het gevaar is zeer groot REAGEERDERS IN DE STAL TE HALEN. Hoe eerder men aan tbc-bestrijding begint, hoe meer kans men heeft spoedig een t.b.c.-vrije stal te hebben. Er zijn hier nu 24 stallen tbc-vrij.”

Blijven investeren.
Het bestuur meldt haar leden in 1939: “toen het zich liet aanzien dat de ingetreden oorlogstoestand lang zou aanhouden en de prijzen van de machines nog niet noemenswaard waren verhoogd, heeft het bestuur besloten een nieuwe karn, drie nieuwe centrifuges, twee roomzuurtanks, een roterende sterilisator en een homogenisator aan te schaffen. De prijzen der machines zijn na onze aankoop zeer belangrijk gestegen.”

wordt vervolgd

* * *

RECTIFICATIE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Bij de groepsfoto die in het kwartaalblad van september 2002 stond, zijn een tweetal namen verkeerd weergegeven. Nummer 3 is Rianne Beltman en nummer 23 is Wichert van Berkum.
(Dit is in de lijst aangepast.)

23:52 4-1-2020

* * *

GEACHTE FAMILIE STOLTE _________________________________________________________

Met Uw 25 jarig huwelijksfeest op 15 Mei 1946 wensen wij U allen hartelijk geluk, wij hopen dat God U nog vele jaren moge sparen. Wij willen U hierbij een cadeau schenken met de wens dat U daar veel plezier van moogt hebben. Verder wensen wij U toe dat ook de dag in Uw leven moge komen voor het Gouden huwelijksfeest en dat het U beiden moge gegeven zijn om die dag ook te beleven. Eenmaal aan het eind van deze grote levensdag zal ook de avond voor U aanbreken, moge deze levensavond voor U rustig zijn, zodat gij beiden kunt genieten van Uw taak dien gij op deze aarde hebt verricht.
Laat zo dan Uw verdere leven zijn zoals eens een dichter schreef: "Hoe genoeglijk rolt het leven der bewusten landman heen."
Doch is het alles hetgeen wij U hier wensen niet voor U weggelegd, en de stormen met geweld U moge overrompelen, wees er dan tevreden mee, en bedenk dan dat er één is die ons lot in handen heeft, waarvoor wij allen eens zullen komen te staan voor het grote tribunaal Gods, hetzij vroeg of laat.
En nu beste familie Stolte, viert feest met Uw huisgezin en met ons.

Met vriendelijke groeten,

uw buren en vrienden,

H. Katoele
G. Nijlant
J. Groen
K. Prins en Echtgen.
H.J. Brouwer en Echtgen.
K. Massier en Echtg.
H. Huzen en Echtg.
P. Grooteboer en Echtg.
J.Th. Alteveer en Echtg.
G. ten Kate en Echtg.
J. Bouwhuis en Echtg.
fam. Post
H. ten Kate en echtgenote
E.G. ten Kate en Echtgenote
W. Massier en Echtg.

* * *

HEEREBOER! _________________________________________________________

Een kapitein uit hooge stand,
Loopt zeer gewichtig en parmant
Voor de geled’ren heen en weer.
En inspecteert eens keer op keer,
Of bij recruten op het plein
Misschien ook iets bekends kan zijn.
Doch, neen bekenden ziet hij niet;
Tot eindelijk zijn oog bespiedt:
Een drietal jonge, flinke borsten
Die steeds, in weelde naar het scheen,
Hun zwaard, geweer en ransel torsten.
En heel vriendschapp’lijk vroeg hij d' een:
“Zeg eens recruut, wat doet je vader
Wat heeft die alzoo bij de hand?
Die zal wanneer ik jou beoordeel
Niet daag’|ijks werken op het |and!"
“Neen, kapitein”, zegt de recruut nu
“Mijn vader die is Heereboer!
Voor hem is ’t |even niet zoo moeilijk
En het bestaan geen groote toer!”
“Wat?? Heereboer,” sprak de kapitein nu.
“|s ‘t heereboer; versta ‘k het goed?
Vertel eens, hoeveel paarden heeft hij,
Heeft hij die maar in overvloed?"
“Neen, kapitein", zegt ons soldaatje
“Drie paarden heeft hij tot zijn deel.”
“Zoo,” spreekt de ander uit de hoogte
“Dat is toch ook bepaald niet veel!
Maar, weet je wel een heereboer heeft
Vast vijftig paarden in getal,
Dus heereboer is niet je vader
Misschien dat hij het worden zal!"
(Tot nummer twee) “Wat doet jouw vader?”
“Ja,” spreekt de tweede nu, “hij geeft
Zich ook al reeds voor heereboer uit
Ofschoon hij slechts vijf paarden heeft!”
“Ik dacht het wel,” spreekt ons kap'teintje,
“Het volk is allemaal gelijk
Ze meenen dat ze heereboer zijn,
Al zijn ze slechts vijf paarden rijk!"
Nog onvoldaan over het antwoord
Der eerste twee gaat hij gezwind,
Tot nummer drie zijn schreden richten,
En vraagt nu vrij: “Vertel eens vrind,
Welk aantal paarden heeft jou vader?”
“Och,” sprak de andere, “Hij zal
Zoo'n vijftigtal zoowat bezitten;
Ja ’t is vast wel een vijftigtal!”
“Dat is een schat, zoo’n aantal paarden"
Sprak onze hooge kapitein
“Jouw vader mag er dus op roemen
Om werk’lijk Heereboer te zijn!”
“Wel neen kap’tein”, spreekt ons recruutje
Terwijl hij ‘t lachen tegenhoudt
“Mijn vader heeft een mallemolen,
En alle paarden zijn van hout!”

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Deze groepsfoto uit omstreeks 1958 is van de hervormde kleuterschool die toen nog gehuisvest was in het oude jeugdgebouw van de Ned. Herv. Kerk aan de Dommelerdijk. Aanvullingen liefst schriftelijk aan de redactie doorgeven. Foto ZK020



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  

Geertje Huzen
Bertha van Spijker
Minie de Weerd
Roelie de Bruin
Geertje Groen
Henk Hekman
Alie Kappert
Rudy van 't Oever
Hillie Nijland
Henk Blankena

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

Jeanette Vos
Annet Schiphorst
Hennie de Boer
Coby Meijerink
Marja Beltman
Hennie Borger
Jan Scholten
Engbert Hekman
Errit Vleer
Henk Hendriks

21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  

Annie Stolte
Alie Prins
Jan van den Berg
Iko Hendriks
Grietje Huisman
Willie Wink
Marquita Leverington
Christina Leverington
Jenny van Zomer
Jonja Brassien

* * *

ALBUMVERSJE _________________________________________________________


Dat steeds op uw weg
Het schoonste roosje bloeie
Nooit op uw levenspad
Een enkele distel groeie
Ga zo blijmoedig voort
Geniet het leven blij
En zo ik ’t waardig ben
Denk dan nog eens aan mij


* * *

HERINNERINGEN VAN EEN SCHOOLMEESTER XI _________________________________________________________

A. Visser

Het begon allemaal met een proefles. lk had in oktober 1945 gesolliciteerd naar de vacante betrekking van onderwijzer aan de Christelijke school te Den Hulst!! Van die plaats had ik nog nooit gehoord, dus heb ik het opgezocht in de atlas. Voor mijn gevoel was het wel ver van huis en het lag .... buiten Friesland.
Dat was wat! Maar het ging om een vaste baan en dan moet je niet zeuren. Dus ging er een sollicitatiebrief naar Den Hulst. Tot mijn grote verbazing werd ik uitgenodigd voor een proefles. Op een prachtige nazomerdag in oktober kwam ik met de trein in Meppel aan. De treinen reden toen nog niet door tot Zwolle vanwege de kapotte brug bij station Dedemsvaart bij de Lichtmis. Ik had de fiets meegenomen in de trein en fietste vanaf het station in Meppel in de richting van Staphorst. Via de Lichtmis kwam ik in de voor mij geheel onbekende streek Den Hulst. Er was dus veel te zien. Ik had nog voldoende tijd om een paar meegebrachte boterhammen op te peuzelen, zittend in de berm van een droog slootje voor het grote huis van de notaris. Dat slootje is er al lang niet meer.
Er was op school nog een tweede sollicitant. Hij was ouder en daarom misschien wel het eerst aan de beurt om een proefles te geven. Tegen half drie ‘s middags was ik aan de beurt. Er werd een onderwijzer gevraagd voor klas 2 en 3, maar ik moest de proefles geven aan klas 4 en 5. Achter in het lokaal stond een rij stoelen. Daar namen enkele bestuursleden plaats: Evert Visscher, Hendrik ter Wee, Thijs de Boer en de heer Hengeveld. Daar zaten ook meester Meijer, het hoofd van de school, en meester Van Malenstein, de klassenonderwijzer die een benoeming als hoofd in Putten had aangenomen.
Bij de proefles op een christelijke school werd van de sollicitant verwacht dat hij een paar liederen zong met de klas, een Bijbelverhaal vertelde en een reken-of taalles gaf. lk hield me aan dat patroon. Het Bijbelverhaal beëindigde ik met een paar regels van een bekend kinderversje. lk vond dat zelf wel een mooi slot, maar daar kreeg ik spijt van want meester Meijer vroeg mij of ik dat kinderversje even met de klas wilde gaan zingen en daar had ik niet op gerekend en ik wist dan ook in de verste verte niet hoe dat lied begon. Ik zei dat ook maar meteen, maar het was natuurlijk geen beste beurt. Toen vroeg meester Meijer aan meester Van Malenstein of hij dan even dat lied met zijn klas wilde gaan zingen, maar Meester Van Malenstein wist ook de beginregels van het versje niet. Hilariteit bij de bestuursleden en bij de leerlingen over zoveel domheid. Eén van de bestuursleden zei toen tegen meester Meijer dat hij zelf maar met de klas moest gaan zingen. Meester Meijer liet echter ook verstek gaan; hij kon zich het begin van dat bekende kinderversje ook niet herinneren. Er werd dus niet gezongen. Iedereen had plezier in het voorval en ik kwam met de schrik vrij. De proefles verliep verder in dezelfde aangename, ontspannen sfeer en het resultaat was dat ik werd benoemd. Wat kan een klein voorval van grote betekenis zijn voor je verdere leven.
En dan jaren later!
Kennissen van ons in Zwolle-Zuid vierden in 1986 hun 50-jarig huwelijksfeest. Wij werden uitgenodigd en wij ontmoetten daar enkele vrienden en familieleden van de bruidegom die ons bleken te kennen. Ze kwamen uit Nieuwleusen en vertelden mij dat zij in die klas zaten waaraan ik in 1945 proefles had gegeven. lk vroeg hen of ze nog wisten van dat versje, waarvan niemand wist hoe het begon. Nee, dat waren ze vergeten, maar ze vroegen mij of ik nog wist waarover ik had verteld... en dat was ik vergeten. Zij niet! Ze wisten meer dan 40 jaar na dato nog precies het hele verhaal terug te vertellen. Wat hadden die jongens van toen goed geluisterd. Ze maakten de herinneringen aan die eerste proefles in Den Hulst helemaal compleet.

* * *

UIT: HET VRIJE WIEL II _________________________________________________________

Eindigden we het vorige artikel in “Het Wiel”met de eigenlijke begindatum van Union (thans Unikap), in dit nummer zullen wij verder gaan met het werk van enkele “mannen van het eerste uur” nader te bezien.
Alle begin is moeilijk, dat gold ook in het begin voor het verkopen van fietsen, vooral in de beginperiode toen door conservatief ingestelde mensen de fiets nog “wantrouwend” bekeken werd. Er waren zelfs mensen die ernstige bezwaren hadden dat vrouwen gingen fietsen. Waarom is niet helemaal duidelijk; wellicht omdat men bang was dat door de “v|iegende vaart” de rokken van de dames zouden opwaaien, ofschoon dit toen bepaald geen minirokken waren; in ieder geval zag men toen vaak onderaan de lange rokken van de dames een zware metalen vlinder hangen, om het opwaaien tegen te gaan.
De fiets moest dus met veel moeite aan de man en ook aan de vrouw worden gebracht.
Ook de service gaf bepaalde problemen, want ervaring met reparatie van fietsen was er niet en men moest alles zelf uitzoeken. De jonge koopman Berend Jan van den Berg had echter grotere aspiraties dan fietsenwinkelier en reparateur. In een familieberaad werd overlegd te gaan grossieren. Met een borgstelling van zijn vader werd een grote partij zware Duitse fietsen gekocht en broer Jan (de vader van onze huidige directeur Ir. H. G. van den Berg) werd opgedragen voor deze fietsen wederverkopers door het gehele land te vinden.
Vele ouderen zullen zich zeker mijnheer Jan van den Berg nog kunnen herinneren; een man, geknipt om met allerlei mensen in verschillende streken van het land om te gaan. Gemoedelijk en humoristisch, maar daarbij toch een “geboren verkoper”. De boerenklanten uit de omtrek van de fabriek kenden hem ook. Wanneer zij eens per jaar (in de maand mei) afrekenden, had men liever met z’n broer te doen, want, zei men: “Jan is secuur tot op een halve cent.”


Berend Jan, Wilhelmus en Jan van den Berg omstreeks 1906.

Mijnheer Jan van den Berg ging dus op reis; met de trein en met de fiets, want auto's waren toen helemaal nog “uitzonderingen”, die alleen nu en dan voor sportieve doeleinden werden gebruikt. Ook moet men niet denken dat er met een serie fraaie monsterkoffers en chique actetassen werd gereisd. Men pakte het eenvoudig aan, doch goed en er werd verkocht en goed verkocht en dat was de hoofdzaak. Mijnheer Jan maakte klanten en wat meer zegt de. klanten werden vrienden. Er was direct goed contact en de sfeer was uitmuntend. Het verwondert u zeker niet, dat tijdens zijn reizen de jonge firmant van de fa. Van den Berg ook een vriendin opdeed. Zijn toekomstige echtgenote Maria Johanna Langenberg ontmoette hij te Heino.
In 1909 trouwde het paar en omdat de beschikbare gebouwen veel te klein waren (een ongeneeslijke kwaal waaraan Union en later Unikap tot de huidige dag heeft geleden) werd besloten een voor die tijd groot en royaal gebouw, bedoeld als onderdelenmagazijn, te stichten.
De benedenverdieping werd de woning van het echtpaar Jan van den Berg en de beide bovenverdiepingen werden magazijn. In dit gebouw is thans beneden de afdelingen Inkoop, Export en Correspondentie gevestigd en de bovenverdiepingen doen nog steeds dienst als magazijn. De zaken breidden zich gestadig uit, zo zelfs dat er voor de boekhouding een kantoorbediende moest worden aangesteld, een zekere Schutte, wonende in de Kerkenhoek te Nieuwleusen.
Mijnheer Berend Jan van den Berg beheerde de organisatie en de inkoop, terwijl de verkoop en het contact met de klanten door het gehele land in handen was van mijnheer Jan.
Het is wel aardig eens enkele cijfers te noemen, waaruit de waarde van het geld in die dagen bleek. De dames Van den Berg kregen ƒ 8,-huishoudgeld per week en de getrouwde knechten verdienden wel ƒ 7,50. Neen niet per uur maar per week. Niet veel zult U zeggen. Neen zeker niet, maar wanneer een fietsenhandelaar een stel wielen liet spannen, waaraan een lange tijd werd gewerkt, bracht dit de kolossale som van twintig cent op.

Ook met de reclame wist men zich te behelpen. De eerste onderdelen-prijscourant was een getypt exemplaar, voorzien van afbeeldingen van onderdelen uit andere prijscouranten geknipt en door de dames en heren Van den Berg zelf in elkaar gefabriekt. Daarvan bestonden slechts enkele exemplaren. Men wist zich te redden en er werd niet onnodig geld over de balk gesmeten.
Ja, wanneer men moet roeien met de riemen die men heeft, komt het niet zozeer op de riemen als wel op de roeiers aan. En dat de firmanten Van den Berg goede roeiers waren heeft de tijd wel bewezen. Zelfs tegen de stroom op heeft men vaak de eindstreep gehaald.

Door stug volhouden werden de zaken steeds groter en werd een zekere Willem de Bruin uit Hasselt als eerste reparateurvakman aangesteld, die ook het andere personeel de nodige vakkennis wist bij te brengen. De sfeer tussen het personeel onderling en de verhouding tot de bazen was overigens uitstekend en gemoedelijk. De dames Van den Berg zorgden ervoor dat ieder op tijd z’n kopje koffie kreeg.

Zo omstreeks 1911 werkten er 4 mensen op het kantoor en werd de eerste vertegenwoordiger aangesteld. Het ideaal “zelf fietsen maken” werd toen langzamerhand werkelijkheid, maar oh, wat kostte het een moeite en zweetdruppels om dit goed voor elkaar te krijgen. Er werd begonnen met het kopen van een partij frames, waarvan men zelf fietsen wilde bouwen, maar helaas bleken deze frames niet bepaald “eerste klas” te zijn. Eén van de mensen merkte op: ‘t bint echte klongelframes. Men wist zich er evenwel mee te redden, zij het ook dat men z'n improvisatietalent sterk moest ontwikkelen.
De bracketcups bijvoorbeeld wilden niet vastzitten. Wat deed men.... er werd wat jute van oude zakken tussen gestopt (misschien ook een idee als men nu eens loslopende bracketcups heeft?); de vorkconus, die er ook om rammelde, werd bevestigd met een stukje blik; het merkplaatje werd met houten schoenpennen vastgemaakt (van schoenmaker Masselink, die tegenover de zaak woonde).
Doch de heren Van den Berg, met hun gevoel voor kwaliteit en degelijkheid, bevredigden deze noodoplossingen toch niet en men keek uit naar betere kwaliteit frames. Men slaagde hierin spoedig, door een bezoek te brengen aan Gazelle, die toen al naam had als fietsenfabriek en kocht daar eerste klas frames. Toen ontstond bij de jonge fabrikanten in spé het ideaal ook zo’n fabriekte hebben als Gazelle.
In 1911 startte men ook met het zelf produceren van frames. De aanvankelijke productie was 12 frames per week.
Voor het solderen gebruikte men oliebranders met druklucht. De moffel werd ook met zo'n soldeerbrander gestookt en deze kon 4 frames bevatten, welke met de kwast gelakt werden.


Berend Jan van den Berg in zijn kantoor omstreeks 1920.

De zaken waren zo groot geworden, dat men bij lange na niet voldoende fietsen had. Naast de van Gazelle en eigen frames gebouwde producten werden er toen ook nog in grote getale fietsen uit Duitsland geïmporteerd.
Men kocht een zware fiets “Möwe” geheten, zonder lugs, die als concurrentiefiets op de markt werd gebracht, onder het merk Klokkenlager nr. 1. Hierop werd geen garantie gegeven, doch wel op de zelf gemonteerde fietsen van Gazelle en eigen frames.
Het woord garantie was toen bij het gewone volk een onbekend woord. Immers toen klant Lotterman uit Uffelte eens aan de zaak was om een paar fietsen te kopen en hem werd gevraagd: “Wat voor fietsen moeten dat zijn, Lotterman. Met of zonder garantie?”, antwoordde hij: “zonder garantie natuurlijk, niks van die rommel er an."
We schrijven nu het jaar 1913. De eerste werkmeester, Bomhof, werd aangesteld en wederom werd tot bouwen besloten. Nu van een echt fabrieksgebouw. Dat werd het huidige hoofdgebouw, waarin nu beneden de kantoren van Ir. H. G. van den Berg en de mechanische boekhouding zijn gevestigd en boven de voormontage en showroom. Dat werd aanbesteed volgens het ontwerp van een architect uit de buurt. Die had daartoe eens een kijkje genomen in Dieren, zodat er een vrij getrouwe kopie van het hoofdgebouw van Gazelle verrees. Daarmee haalde de betreffende architect zich de woede van de toenmalige Gazelle-directeur op de hals.

wordt vervolgd

* * *

RECTIFICATIE FOTO UNION _________________________________________________________

De foto die we in het kwartaalblad van september 2002 op bladzijde 65 plaatsten bij het artikel "Uit: Het vrije wiel "is een aantal jaren jonger dan gedacht. De dochter van Vonder, een van de personen op de foto, deelde ons mee dat haar vader in september 1900 geboren is en op 14 jarige leeftijd bij Union ging werken. De foto moet ook van 1914 of 1915 zijn. Ze wist verder nog te vertellen dat haar vader destijds een daalder per week verdiende. De foto is gemaakt door een reizende fotograaf die wel foto's van de werknemers wilde maken. Maar de prijs die men daarvoor moest betalen was veel te hoog in verhouding tot wat men verdiende. Toen kwam het voorstel van de fotograaf om een groepsfoto te maken die men dan voor vijftig cent kon kopen. Aldus gebeurde.
Op deze oudst bekende personeelsfoto van Union zijn lang niet alle werknemers te zien. Ook zijn twee van de personen geen werknemer van Union, maar schilders die op het bedrijf bezig waren. Een van hen is Withaar.

* * *

12 OKTOBER 1982 _________________________________________________________

In 1982 werd het 350-jarig bestaan van Nieuwleusen gevierd. Omdat er weinig over het verleden van Nieuwleusen bekend was, stak een aantal inwoners de koppen bij elkaar. Er verscheen een oproep in de “Marskramer” om te komen tot een gespreksgroep voor belangstellenden in de geschiedenis van Nieuwleusen. De eerste bijeenkomst had plaats op 14 september, waarna men op 28 september nogmaals bijeenkwam. In de derde bijeenkomst op 12 oktober werd definitief besloten een historische vereniging op te richten.
Van de eerste bijeenkomst op 14 september werd onderstaande foto gemaakt. Van links naar rechts zien we mevrouw Veltmaat, Gé Hengeveld, Hendrik Sterken, Grietje Kreule, Arend Kreule, Margje van Spijker, Arend Jan van Spijker, Hendrik Schoemaker, Jan Koers en Gees Bartels.


* * *

INHOUD JAARGANG 20 _________________________________________________________

blz.



10 
11 
14 
20 
23 
25 
28 
34 
35 
35 
38 
40 
42 
43 
48 
49 
57 
58 
59 
62 
67 
68 
71 
74 
80 
81 
83 
86 
87 
89 
95 
96 


Genealogie Van Duren IV
Uit Stolte’s verhalenboek
Brief burgemeester Backx
Een grote hond en een kleine kat (gedicht)
Een oude groepsfoto (Hummeltjeshuis bij de Zaaier, 1965)
Groeten uit de Kerkenhoek
Herinneringen van een schoolmeester VIII
Albumversjes uit 1939
De Rollecate
Jeugdherinneringen
Raadselrijmpjes
Krummels
Een oude groepsfoto (voetbalclub USV 1975)
Het verhaal van de schötteldoek
Herinneringen van een schoolmeester IX
Raadselrijmpje
De geschiedenis van de zuivelindustrie in Nieuwleusen I
Raadselrijmpjes
De geschiedenis van de zuivelindustrie in Nieuwleusen II
Erratum zuivelindustrie I
Rollepoezen
Een oude groepsfoto (Het Kompas, Ruitenveen 1975).
Uit: Het vrije wiel I
Den Hulst
Herinneringen van een schoolmeester X
Kees en Gees (voordracht)
De geschiedenis van de zuivelindustrie in Nieuwleusen III
Geachte familie Stolte
Heereboer!
Een oude groepsfoto (Hervormde kleuterschool, 1958)
Albumversje
Herinneringen van een schoolmeester XI
Uit: Het vrije wiel II
12 oktober1982
Inhoud jaargang 20





Jaargang 21 nummer 1 maart 2003

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO _________________________________________________________

Het gemeentehuis was ook met betrekking tot de hulpacties die door en vanuit Nieuwleusen werden georganiseerd, het centrale punt in de gemeente. Deze luchtfoto werd omstreeks 1950 gemaakt.

* * *

DE WATERSNOODRAMP VAN 1953 _________________________________________________________

Op 31 januari 1953 waarschuwde het KNMI voor zware storm in de kustprovincies. De getijdentafel gaf laag springtij aan. De noordwester storm bij een maanstand die springvloed zou kunnen veroorzaken, maakten het mogelijk dat de dijken niet bestand zouden zijn tegen het geweld van het opstuwende water. Die angstige vermoedens bleken maar al te zeer terecht, want er deed zich in die nacht een ongekende ramp voor, al vlug de februari- of watersnoodramp van 1953 genoemd. Vooral in Zuid Holland en Zeeland werden hele dijken weggespoeld en stroomden grote delen van de eilanden onder. Op zondagmorgen 1 februari om acht uur werd Nederland via de radio (nachtuitzendingen waren er nog niet) op de hoogte gebracht van wat er zich in de nacht had voorgedaan.
Het duurde 4 dagen voor hulpverleners de laatste mensen van ondergelopen gebieden konden bereiken. Uiteindelijk kostte de ramp aan 1.835 mensen het leven. In het rampgebied moesten 72.500 mensen worden geëvacueerd en kwam 136.500 ha. onder water te staan. Meer dan 47.000 gebouwen werden beschadigd, waarvan 10.000 onherstelbaar. Er verdronken 20.000 stuks rundvee, 12.000 varkens, 1.750 paarden, 2.750 schapen en geiten en 165.000 stuks pluimvee.
Hulpacties kwamen meteen op gang en ook Nieuwleusen liet zich niet onbetuigd. Nu, vijftigjaar na dato, laten we aan de hand van correspondentie zien hoe de hulp hier vorm kreeg.


---
D r i n g e n d e   o p r o e p !!!

GEMEENTEBESTUUR VAN NIEUWLEUSEN (O).

Nieuwleusen (O), 2 Februari 1953.

No. 225.
Doss.: -1.781.1
Onderwerp: Hulpactie voor door watersnood getroffen gebieden

    De nationale ramp, die ons land heeft getroffen, dwingt tot een snel handelen.
    In verband daarmede verzoeken wij U - met terzijdestelling van welke belangen dan ook - hedenavond om 8 uur met ons ten gemeentehuize te beraadslagen op welke wijze wij de financiële actie, die wij voornemens zijn te ontwikkelen, kunnen organiseren.
    Uw komst is dringend gewenst!!!
    Laat daarom niemand ontbreken!!!

M/h

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN NIEUWLEUSEN (O),
J. Hoekstra, burgemeester.
G. H. Krol, secretaris.

Aan:
---

Dit laatste woordje, Aan, geeft aan dat bovenstaande brief gericht is verspreid onder verenigingen en instellingen, met het doel draagvlak te vinden voor de hulpactie, want deze brief werd al een dag later gevolgd door een oproep aan de bevolking.


Jan Hoekstra was burgemeester van Nieuwleusen van 1 april 1950 tot 15 maart 1957.

GEMEENTEBESTUUR VAN NIEUWLEUSEN (O).

Nieuwleusen (O), 3 Februari 1953.

No. 226.
Hulpactie voor door watersnood getroffen gebieden

Aan de inwoners van NIEUWLEUSEN (O).

    De nationale ramp, die ons land heeft getroffen, dwingt tot een snel handelen.
    Hoewel de omvang van de ramp nog niet definitief kan worden bepaald, vinden in verscheidene gemeenten toch al op grote schaal inzamelingen plaats.
    Gisteravond zijn hieromtrent ook ten onzent besprekingen gevoerd met verschillende verenigingen, instellingen, organisaties enz. om tot een goede georganiseerde hulpverlening te komen.
    Bij deze besprekingen is reeds overduidelijk gebleken, dat men ook in deze gemeente eenstemmig van oordeel is, dat hulp - en wel een spoedige hulp!!! - noodzaak is.
    Bij het stellen dezer circulaire vielen reeds meer dan 400 mensenlevens te betreuren, terwijl duizenden, die alles hebben verloren, zijn geëvacueerd. En velen van hen worden thans binnen betrekkelijk korte tijd voor de tweede maal door een grote ramp getroffen. Wij herinneren ons de eerste ramp - en denken dan aan Walcheren enz. - nog als de dag van gisteren. Toen is Cadzand door onze gemeente geadopteerd.*)
    Wij hebben nu gemeend wederom een inzameling van geld en goederen te moeten houden via het nationale Rampenfonds. En de gemeente Cadzand, die ook nu weer tot de getroffenen behoort, voor de tweede maal te adopteren.
    In de oorlogsjaren is er in Nieuwleusen zo goed als niets vernield en ook nu werd onze gemeente weer gespaard. Hiervoor kunnen wij niet dankbaar genoeg zijn. Laten wij deze dankbaarheid nu ook tonen en niet - uit sleur door de vele collecten - menen te kunnen volstaan met voor het gewone bedrag te tekenen van ƒ 1,-- of ƒ 2,50. Wij zijn er goed van overtuigd, dat het niet een ieder gelegen komt diep in zijn beurs te tasten, doch wanneer morgen - Woensdag - de collectant bij U aanklopt, geve dan naar draagkracht.
    Dit dringend beroep op U alien vinde een weerklank, die getuigt van medeleven met hen, die zo zwaar werden getroffen. De goederen (kleding, schoeisel, dekking, bedden, dekens, lakens) zullen a.s. Donderdag worden opgehaald.
    Tevens is nog besloten, dat aile acties zuilen lopen via het gemeentehuis, welke actie men ook wenst te ondernemen.
    Met het oog op deze nationale ramp werd in overleg met de desbetreffende verenigingen besloten, dat deze week de aangekondigde festiviteiten geen doorgang zullen vinden. Deze zullen op een nader bekend te maken datum plaats vinden.

    Namens de samenwerkende kerken, organisaties,
    verenigingen en dergelijke,

K/M DE BURGEMEESTER VAN NIEUWLEUSEN (O),

*) Noot van de redactie: Om de geallieerden te verhinderen Antwerpen te bereiken en Vlissingen als bolwerk te gebruiken, staken de Duitsers in 1944 de dijken door, waardoor Walcheren onder water kwam te staan. Cadzand, aan de overkant van de Westerschelde gelegen, heeft bijna een maand onder vuur gelegen van de Canadezen, die bij de strijd om de Scheldemond werden opgehouden achter het Leopoldkanaal in België.


Cadzand.

Foto: K. Ytsma

Na de bevrijding werden veel gemeenten in Zeeuws-Vlaanderen geadopteerd door gemeenten in het oosten van het land, om te helpen bij de wederopbouw. Nieuwleusen stuurde geld en goederen naar Cadzand en als teken van dankbaarheid kreeg een straat met nieuwe huizen in 1949 de naam Nieuwleusenderstraat; in 1950, nadat burgemeester Backx gewezen had op de taalfout, veranderd in Nieuwleusenerstraat. Zie ook: NvV, dec. 1985.

Van de bijeenkomst deed de Dalfser Courant dit verslag:
De Gemeenteraad, alle kerkbesturen, coöperatieve besturen, winkeliersvereniging, Plattelandsvrouwen- en Vrouwenverenigingen, fabrikanten, doktoren enz. waren uitgenodigd. Allen waren aanwezig. Na om acht uur de rede van Minister-President Dr. Drees te hebben aangehoord, heette de Burgemeester allen hartelijk welkom en zette de plannen uiteen.
Besloten werd woensdag een geldinzameling te houden en donderdag een inzameling van kleding, schoeisel enz.
Tijdens het zilveren bruiloftsfeest van het echtpaar Kuiterman- Meesters werd al ƒ 59,30 bijeengebracht.

Een dag na de aankondiging aan de bevolking van Nieuwleusen werd Cadzand al op de hoogte gebracht van de activiteiten in de gemeente.

GEMEENTEBESTUUR VAN NIEUWLEUSEN (0)

Telefoon 15
(9-12 en 2-5)
Postrekening 42310

Aan de Heer Burgemeester der gemeente C a d z a n d.

NIEUWLEUSEN (O), 4 Februari 1953

Ons kenmerk: No. 249
Onderwerp: Watersnood

    Ter bevestiging van mijn telegram van 2 Februari1953 deel ik U hierbij het volgende mede.
    Diep getroffen door de grote nood, die zo plotseling over een groot deel van ons land is gekomen, waardoor vele honderden landgenoten het leven hebben verloren en honderdduizenden van huis en haard zijn verdreven en al hun eigendommen een prooi der golven hebben zien worden, hebben vertegenwoordigers uit alle lagen der bevolking mijner gemeente in een bijeenkomst op 2 Februari jl. besloten tot inzameling van geld en goederen voor de getroffen gebieden.
    Hoewel de toestand in Uw gemeente op het tijdstip van genoemde bijeenkomst nog niet duidelijk was te overzien, werd bovendien besloten de gemeente Cadzand door de gemeente Nieuwleusen te doen adopteren, teneinde behulpzaam te zijn bij de wederopbouw van Uw gemeente, evenals zulks na de tweede wereldoorlog het geval was.
    Ik wens U in deze wel zeer moeilijke omstandigheden kracht en wijsheid toe.
Centreren:

De burgemeester van Nieuwleusen,

N.B. Bevestiging van dit schrijven en berichten omtrent de toestand ten Uwent worden gaarne tegemoet gezien.

De burgemeester van Cadzand had zijn handen wellicht vol aan de problemen in zijn gemeente en moest bovendien met de gemeenteraad overleggen hoe met dit aanbod om te gaan, maar een week later kwam er toch al een reactie op de brief.

GEMEENTE CADZAND

GIRO GEM.-ONTV. 291699

TELEFOON 22

Aan de heer Burgemeester der gemeente
NIEUWLEUSEN.

Uw kenmerk: 249
Ons kenmerk: 527

Uw brief van: 4 Februari 1953
Onderwerp: adoptie
datum: 12 februari 1953

Zeer geachte Collega,

    Door de spontane wijze waarop door de ingezetenen van Uw gemeente gelden bijeen zijn gebracht voor de getroffen gebieden, ben ik zeer getroffen. lk waardeer het ten zeerste, dat U voor de besteding van deze gelden weer aan Cadzand heeft gedacht. Het prettig contact met Uw gemeente ligt mij nog vers in het geheugen.
    Zoals ik U telefonisch reeds mededeelde is Cadzand voor een ramp gespaard gebleven. Wel hebben de duinen en dijken het zwaar te verduren gehad en is een polder onder water gelopen, terwijl het gemeentelijk zeebad totaal is vernield, maar er zijn gelukkig geen slachtoffers te betreuren en de schade aan woningen en inventaris is gering. Met man en macht wordt thans gewerkt aan herstel van duinen, zeesluis en dijken.
    In de raadsvergadering van gisteren heb ik mededeling gedaan van de mooie geste van Uw gemeente ten opzichte van Cadzand. Namens de raad dank ik U recht hartelijk voor Uw aanbod.
    Nu er echter talloze gemeenten veel en veel zwaarder zijn getroffen dan Cadzand, is de raad unaniem van oordeel, dat wij de adoptie niet mogen accepteren, doch dat de beschikbare middelen op de door U te bepalen wijze ter leniging van de nood elders in den lande dienen te worden aangewend.
    U nogmaals dankend voor Uw blijken van medeleven,

De Burgemeester van Cadzand,

---
Op een kaart waarop de overstroomde gebieden zijn aangegeven is te zien dat alleen de polder tussen Cadzand en Nieuwvliet onder water is gelopen. Vooral op de Zeeuwse - en Zuid Hollandse eilanden en in het gebied rond de Biesbosch was de toestand rampzalig.
Over de besteding van het geld en de goederen is geen correspondentie beschikbaar. Via het nationaal Rampenfonds zullen geld en goederen zeker een goede bestemming hebben gekregen.

Na de brief van de gemeente Cadzand van 12 februari 1953 komt er een relatie met de gemeente Duivendijke op het eiland Schouwen-Duiveland tot stand. Het eiland was op het westelijke deel na, dat hoger lag en door duinen werd beschermd, helemaal onder water komen te staan.


Een gedeelte van een kaart met de overstroomde gebieden (de donkere vlakken) van Zeeland. Het gehele overstroomde gebied was veel groter dan op dit gedeelte aangegeven.
Cadzand ligt linksonder op de kaart in Zeeuws Vlaanderen, Renesse op Schouwen-Duiveland ligt midden boven op de kaart.

De gemeentebesturen werkten na de ramp zo goed en zo kwaad als dat ging vanuit Renesse, tot ze terug zouden kunnen keren naar hun eigen gemeente. Goederen werden daar naar toe gezonden, getuige de hierna volgende brief.

GEMEENTEBESTUUR VAN NIEUWLEUSEN (0)

Telefoon 15
(9-12 en 2-5)
Postrekening 42310

Aan Mevr. Nieborg - Rignalda
tijd. Burgemeestershuis
R e n e s s e

NIEUWLEUSEN (O), 19 Augustus 1953

Onderwerp: Hulpverlening

    Naar aanleiding van Uw mededeling, dat de vanuit Nieuwleusen aan Uw adres verzonden goederen, bestaande uit 100 paar kinderklompen en een wieg, tot voor kort nog niet bij U waren aangekomen, heb ik hiernaar een onderzoek ingesteld.
    Bij navraag bij de heer Varwijk te Dedemsvaart, die voor het vervoer naar Rotterdam heeft zorg gedragen, is mij medegedeeld, dat deze de genoemde goederen heeft afgeleverd bij de fa. G. Zekveld, Leuvehaven W.Z. telefoon 24796. Genoemde firma zou de doorzending naar Renesse doen verzorgen door de fa. Hart te Renesse, telefoon 29.
    Ik hoop, dat genoemde goederen intussen reeds bij U zijn aangekomen of dat het bovenvermelde er thans toe mag bijdragen, dat zij alsnog bij U zullen worden bezorgd.

Namens de burgemeester van Nieuwleusen,
1e a.t.s.

Stukje met donkere achtergrond en omranding:


Duivendijke (met dank aan J. van Rijn te Goes)

Duivendijke is één van de oudste woonkernen van Schouwen-Duive1and. Het gebied Werd meerdere keren door het water overspoeld. Ook de Allerhei1igenvloed van 1570 liet zijn sporen na. Bij de Watersnoodramp van 1953 werd het oorspronkelijke plaatsje blootgelegd, dat waarschijnlijk al in de 13e eeuw was verlaten. Bij afgravingen in het begin van de vorige eeuw kwamen o.a. Romeinse overblijfselen tevoorschijn.
De gemeente Duivendijke lag midden op Schouwen, ten westen van Brouwershaven. Op heel Schouwen-Duiveland kwamen 531 mensen door de Watersnoodramp om het leven. Duivendijke werd geheel door het water overspoeld. Het aantal mensen dat omkwam viel mee, maar toch bleef er weinig tot niets van Duivendijke over.
Zelfs in Zeeland is de naam Duivendijke nu niet meer algemeen bekend. Toch kreeg Duivendijke ooit landelijke bekendheid omdat de enige bisschop die Leeuwarden had, overleden in 1580, er werd geboren.
De gemeente bestond uit kleine dorpjes als Duivendijke, Klaaskinderkerke, Brijdorpe en Loperskapelle, waar het Gemeentehuis stond. Oorspronkelijk waren dat vier heerlijkheden, ook wel de vier Ambachten genoemd omdat de bestuurder dezelfde was. Met de klok mee werd de gemeente begrensd door het Brouwershavense Gat in het noorden en de gemeenten Brouwershaven, Kerkwerwe, Ellemeet en Elkerzee. Een zgn. 'Kuiper’kaartje uit 1886 vermeldt dat het 1681 bunder groot was en 450 inwoners had.
Na de Watersnoodramp en na het vertrek van burgemeester Nieborg in 1954, kon een gemeentelijke herindeling niet uitblijven.
In 1961 vond een gemeentelijke herindeling op Schouwen-Duivelandplaats, waarbij Duivendijke werd verdeeld over twee nieuwe gemeenten. De gemeente was toen 1631 ha. groot en telde 483 inwoners. Het merendeel werd ondergebracht in de nieuwe gemeente Middenschouwen. Van het totaal kwamen 51 Inwoners met 322 ha bij Brouwershaven..
In 1997 werden alle gemeenten op het eiland bij een nieuwe herindeling samengevoegd tot de gemeente Schouwen-Duiveland.

De hoopvolle gedachte van deze 1e ambtenaar ter secretarie is in vervulling gegaan, want per kerende post kwam het volgende briefje:

BURGEMEESTER
VAN
DUIVENDIJKE


Duivendijke Renesse, 21 Augustus 1953

Aan de Heer 1e A.t.S. te
Nieuwleusen.

    In het bezit van Uw brief d.d. 19 dezer inzake Hulpverlening, kan ik U mededelen, dat de klompen en de wieg intussen zijn aangekomen.
    Wij zeggen U ook voordeze zending hartelijk dank.

Hoogachtend,
D. Nieborg-Rignalda.

---
In een brief van 7 september bevestigt de burgemeester in een PS Wat zijn echtgenote al had geschreven.

U hebt deze gemeente zeer verblijd met een zending kousen en klompen. Uitreiking van een en ander heeft inmiddels plaats gevonden. De mensen zijn hiermede bijzonder ingenomen. Ook voor deze hulp, hartelijk dank, evenals voor de wieg.

---
Dat de ramp over de hele wereld diepe indruk heeft gemaakt en de harten van velen heeft geraakt, blijkt wel uit onderstaande brief, waarin de personen worden bedankt die via Nieuwleusen hun giften stuurden. Dat waren: Jacobus van Marie in Transvaal en in Canada H. de Boer in Ontario, Gerrit Jan Doren in Brits Columbia, De weduwe H. Brinkman in Alta en H. Wildeboer in Alberta. Hun bijdragen staan cursief gedrukt in onderstaande brief.
---

GEMEENTEBESTUUR VAN NIEUWLEUSEN (O)

Telefoon 15
(9-12 en 2-5)
Postrekening 42310

Aan

Ons kenmerk: 1874

NIEUWLEUSEN (O), 8 October 1953.

    Hierbij bericht ik U alsnog de goede ontvangst van een bedrag van ƒ  ( ƒ 157,37/ ƒ 130,--/ ƒ 50,--/ ƒ 100,--/ ƒ 100,--) etwelk U indertijd via de Coöperatieve Boerenleenbank te Nieuwleusen ten goede deed komen aan de slachtoffers van de Watersnood in Zeeland en Zuid-Holland.
    Voor deze prachtige gift betuig ik U mijn oprechte dank.
    Het is misschien nog wel aardig te vermelden, dat de in de gemeente Nieuwleusen gehouden collecte voor de watersnoodslachtoffers bijna ƒ 42.500,-- heeft opgebracht, d.w.z. per persoon ƒ 10,-- of ruim ƒ 40,-- per gezin.
    Verder hebben de inwoners nog een vrachtwagen vol dekens, lakens en slopen geschonken.
    De bevolking van Nieuwleusen heeft hierbij getoond zich van haar plicht bewust te zijn.
    Nog meer hebben mij echter getroffen de giften van de Nederlanders in de vreemde, die hiermee toonden hun vaderland nog niet vergeten te zijn.
    Nogmaals, mede uit naam van de zo zwaar getroffenen, mijn hartelijke dank voor Uw mooie gave.
Kr/Hu

De Burgemeester van Nieuwleusen (O).

---
In de Dalfser Courant van 6 februari 1953 wordt ook verslag gedaan van de actie, die in een dag al ƒ 40.000,- opbracht. Verder wordt daarin nog gemeld dat:

Het lijkt ons goed hierbij op te merken dat het personeel en de melkrijders van de zuivelfabriek Onderling Belang hun reiskas met ƒ 650,-- hebben omgekeerd en ter beschikking gesteld. De fabriek zelf vulde dit aan met ƒ 850,-.
Het personeel van de N.V. Union Rijwielfabriek stond een gedeelte van het loon af tot een bedrag van ƒ 1000,--. De directie vulde dit aan met ƒ 2500,--.
De leerlingen van de lagere scholen en de Landbouw- huishoudschool keerden hun spaarpotten om en brachten eveneens bijna ƒ 1000,-- bij elkaar.
Ook de plaatselijke verenigingen bleven niet achter. Deze gestes kunnen wij zeer waarderen en verdienen zeker navolging. Ten gemeentehuize is men nog steeds gaarne bereid giften - groot en klein - in ontvangst te nemen.
---
Hoe erg de toestand in juni nog was, blijkt uit een bedelbrief van de predikant van Elkerzee, gezonden naar de Ned. Hervormde gemeente van Nieuwleusen en afgedrukt in de Kerkklok van juli 1953. De dominee was uitgeweken naar het hoger gelegen Haamstede, van waaruit hij zijn werk deed.
---

Haamstede, 7 - 6 - 1953

Weleerw. en Eerw. Heren.
Uw burgerlijke gemeente adopteerde onze gemeente, die bestaat uit de dorpen Elkerzee, Ellemeet en Duivendijke. Daar we vernemen dat naburige gemeenten contact opnamen met de Herv. Gemeenten in de adopterende plaatsen, is mij door de kerkeraad van onze gemeente - Elkerzee, een gemeente van plm. 1000 zielen - gevraagd U te polsen over een eventuele adoptie.
Onze gemeente staat sedert 1 Februari geheel in het water. Een heel klein gedeelte, het dorpje Scharendijke, zal over enkele weken droogvallen doordat een nooddijkje er omheen is gelegd, maar ons kerkgebouw en de pastorie zijn nog steeds blootgesteld aan het geweld der golven.
inderdaad zal hopelijk een groot deel van de schade door verschillende instanties worden vergoed, maar een bepaald percentage zal toch door de gemeente zelf moeten worden betaald. Wij hebben al een opbouwfonds gesticht, waarin reeds meerderen iets stortten, maar wanneer aanstonds onze mensen - geheel verarmd - terugkeren in wat eenmaal welvarende dorpen waren, dan zullen ze nooit al het geld kunnen opbrengen dat nodig is om al de schade te herstellen, al zal het rijk dan ‘t grootste deel vergoeden.
Daarom komen wij tot U - mede aangespoord door een schrijven van de watersnoodcommissie d.d. 21-3-‘53 en door de welwillende houding van gemeenten die naburige plaatsen adopteerden - met het beleefde verzoek of het niet mogelijk is dat wij enige steun uit Uw gemeente ontvangen. Ons is bekend dat bijvoorbeeld Voorburg af en toe een extra-collecte houdt voor Brouwershaven. Andere gemeenten helpen weer op andere wijze.
‘t Is de liefde voor onze zo zwaar getroffen gemeente, die ons dringt dit verzoek tot U te richten.
Wij hopen vurig dat U ons zult willen helpen en dat Uw college een en ander wil overwegen.
‘t Zal onze gemeenteleden ook zo bemoedigen als zij weten dat er elders broeders en zusters in Jezus Christus meeleven en bereid zijn het hunne bij te dragen, opdat er eenmaal weer kerkelijk leven mogelijk wordt in een herrijzend Elkerzee.

Met broedergroet,
namens de kerkeraad van Elkerzee,
A. P. Nauta, pred.
Geëvacueerd: Weststraat 7,
Haamstede.

---
Met de oproep heeft de dominee de gevoelige snaar getroffen, want in de Kerkklok van oktober 1953 staat in het verslag van de kerkenraadsvergaderingen:

Van de kerkenraad van Elkerzee is een schrijven binnengekomen waarin zij hartelijk dank zegt voor de door ons toegezegde hulp.
---
Nieuwleusen was niet de enige gemeente die hulp bood. Duivendijke kreeg hulp van de gemeenten Avereest, Hellendoorn, Nieuwleusen, Tubbergen en Ootmarsum, gezien de brief die de burgemeester van Hellendoorn, namens het gemeentebestuur van Duivendijke, dat nog steeds vanuit Renesse haar werk moest doen, doorstuurde aan bovengenoemde gemeentebesturen.

GEMEENTE DUIVENDIJKE

RENESSE, 4 september 1953.

AAN: de heer BURGEMEESTER van
HELLENDOORN.

Onderwerp: Hulpverlening

    De gemeenten in de Provincie Overijssel, welke o.a. ook Duivendijke adopteerden, verblijdden deze gemeente met:
    a. een houten gemeentesecretarie (een noodgebouw);
    b. een stalen bureau voorde Burgemeesterskamer.
    De houten secretarie, voorziet in een grote behoefte. Konden wij ons in de vorige nood-secretarie nauwelijks bewegen, thans hebben wij het voorrecht over een prachtige ruimte te beschikken. Heden werd daarin de eerste vergadering van de gemeenteraad gehouden.
    Het stalen bureau is een sieraad voor de Burgemeesterskamer en zeer practisch.
    Namens de Raad dezer gemeente danken wij U hartelijk voor deze mooie en grote schenkingen. U hebt ons in de nood waarin wij waren, voortreffelijk geholpen.
    Wij verzoeken U beleefd onze hartelijke dank aan de verschillende Gemeentebesturen wel te willen overbrengen.

BURGEMEESTER EN WETHOUDERS VAN DUIVENDIJKE

DE WETHOUDER,
w.g. I. W. Padmos.

DE BURGEMEESTER,
w.g. H. R. Nieborg.

---
Eerder al. op 17, 18 en 19 Mei 1953 had een delegatie, bestaande uit: J. Hoekstra, burgemeester, en G. H. Krol, gemeentesecretaris van onze gemeente, en J. Sterel, directeur gemeentewerken van Avereest, een bezoek gebracht aan Duivendijke, Elkerzee en Ellemeet. Bij terugkomst maakte gemeentesecretaris G. H. Krol op 20 mei 1953 onderstaand verslag.

Gemeentesecretaris G.H. Krol.














Na een voorspoedige reis arriveerden wij om 7.52 uur bij het pontveer over de Zijpe. Het pontje, dat om 7.50 uur van wal was gestoken, konden we nakijken. Gevolg: 40 minuten wachten. Om ongeveer half negen reden we dan het eiland binnen, om ruim drie kwartier later in Renesse aan te komen.
Hier werden we allerhartelijkst ontvangen door burgemeester Nieborg van Duivendijke en zijn echtgenote. Het gezin van burgemeester Nieborg is namelijk in Renesse gehuisvest in een niet onaardige Noorse (houten) woning. Doch het is en blijft behelpen. Na een bijzonder genoeglijke avond zochten wij ons hotel op, dat gelegen was aan het aardige dorpsmarktplein van Renesse.
De volgende morgen maakten we kennis met de gemeentebesturen van de drie geadopteerde gemeenten Duivendijke, Elkerzee en Ellemeet, waarna gezamenlijk het zwaar geteisterde eiland in ogenschouw werd genomen en ook Noordwelle, Serooskerke en Brouwershaven werden bezocht.
Hoewel er hard wordt gewerkt en in Scharendijke een prachtige noodschool is verrezen, de Ned. Heevormde kerk in Elkerzee geheel wordt hersteld, men druk bezig is de ambtswoning van burgemeester Nieborg te herstellen - naar onze mening totaal ongeschikt voor ambtswoning - is het met de woontoestanden in deze gemeenten nog treurig gesteld. Er zijn nog veel kampen en barakken, en van de woningen die nog zijn blijven staan en nog bewoond worden, komen er in normale tijden vele in aanmerking voor krotopruiming.
Is het dan met de woningen, de boerderijen daarin begrepen, treurig gesteld, met de landbouwgronden - en dan speciaal de gronden gelegen tussen Zierikzee, Haamstede en Renesse - is het nog veel droeviger gesteld.
De waarnemend burgemeester van Ellemeet, de heer Dalebout, wiens boerderij ook totaal is verwoest en die zelf met zijn gezin op het nippertje van de verdrinkingsdood is gered, heeft ons hieromtrent het een en ander verteld. In het kort komt het hier op neer: de laag teelaarde is weggespoeld en daarvoor in de plaats is een behoorlijke laag zand gekomen. Dit zand kan nog wel worden weggewerkt, maar waar moet de teelaarde vandaan komen? De heer Dalebout was hieromtrent dan ook niet erg optimistisch.
Het geheel is een kale dorre vlakte met verwoeste boerderijen en geen enkel boompje of struikje.
Na terugkeer hebben wij de noodsecretarieën van Duivendijke en Elkerzee/Ellemeet bezichtigd. De gemeentebesturen zijn met deze gebouwtjes bijzonder in hun nopjes. Deze zijn werkelijk een uitkomst, zeer praktisch van indeling, te weten: een kleine entree met loketten, toilet enz., een aardige secretarie met een drietal bureaus, archief- en bevolkingskasten, waarin tevens de vergaderingen van burgemeester en wethouders en van de raad worden gehouden.
Na met de burgemeester van Duivendijke de door hem aangeboden lunch te hebben gebruikt, hebben we een bezoek gebracht aan het westelijk deel van het eiland, te weten de gemeenten Renesse, Haamstede en Burgh. Wat wij hier te zien kregen stak wel erg af bij hetgeen wij ‘s morgens hadden gezien. Dit veel hoger gelegen gedeelte heeft als het ware niet van de watersnood geleden. Ten oosten van de weg Haamstede-Renesse alles dood, ten westen van de weg alles groen. Strand, duinen, bos en vele boomgaarden.
‘s Avonds werd ons door de gemeentebesturen van de geadopteerde gemeenten in hotel Prummel te Renesse een diner aangeboden. De burgemeester van Duivendijke betuigde zijn dank voor alles wat de adopterende gemeenten voor hun gemeenten hadden gedaan. De speciale aandacht vestigde hij hierbij nog eens op de prachtige noodsecretarieën. Het ligt in het voornemen deze binnenkort over te brengen van Renesse naar de gemeenten Duivendijke en Elkerzee.
Burgemeester Hoekstra bracht dank voor de wel bijzonder hartelijke ontvangst. Namens het gemeentebestuur van Nieuwleusen bood hij nog 200 paar sokken aan, alsmede een bedrag van ƒ 250 - ; welke gelden men in Nieuwleusen gaarne besteed zag voor de aanplanting van bomen.
Na nog even een televisie-uitzending te hebben bewonderd, hebben wij de avond verder doorgebracht ten huize van burgemeester Nieborg, waar ook aanwezig waren dominee Nauta en echtgenote, alsmede de heer Dalebout. Deze mensen, die de ramp in al haar verschrikkingen hebben meegemaakt en overleefd, hebben ons ‘s avonds enigszins een beeld kunnen geven van wat er zich gedurende die rampdagen voor aangrijpende tonelen hebben afgespeeld.
Tijdens de terugreis de volgende dag konden we nog eenmaal een blik werpen op de troosteloze vlakten, de verwoeste woningen en boerderijen, de dode bomen en struiken enz.
Er is bij dit alles een lichtpunt en wel, dat wanneer de woningen weer zijn herbouwd, de grond weer bruikbaar is, de herverkaveling, waarin begrepen de aanleg van wegen, tot een goed einde is gebracht, het eiland Schouwen-Duiveland schoner zal zijn dan ooit.
Doch alvorens het zover is, zullen nog vele moeilijkheden overwonnen moeten worden en zullen gedane toezeggingen vlugger en beter moeten worden nagekomen. Wij denken hierbij aan de toezegging van de regering dat de huizenbouw in twee jaren voltooid zal zijn. Indien er niet meer schot in komt, kan de termijn wel vervijfvoudigd worden.
De waarnemend burgemeester van Elkerzee, de heer Padmos, sprak als laatste woorden: “Vergeet Zeeland niet.”
Tot slot noem ik hier nog enkele wensen die door de burgemeesters naar voren werden gebracht:
1. Voor de inrichting van het nieuwe Groene Kruis-gebouw zal voor de inventaris nogal het een en ander nodig zijn.
- Hierop is door ons meegedeeld dat de Algemene Vereniging Het Groene Kruis voor de beoogde hulp wellicht fondsen beschikbaar heeft. De Vereniging zal door ons in kennis worden gesteld van dit verlangen.
2. Hulp bij de verplaatsing van de noodsecretarieën naar de betreffende gemeenten.
- Bij monde van de heer Sterel is meegedeeld dat deze verplaatsing op eenvoudige wijze zal kunnen geschieden, aangezien de gebouwtjes uitneembaar zijn. De tekeningen zullen worden toegezonden.
3. Het hoofd der bijzondere school te Scharendijke vestigde de aandacht op de leermiddelen van de komende kleuterschool, die in de noodschool aldaar zal worden ondergebracht.


Ada Nieborg bij het gastgezin van Klaas Brassien, Dommelerdijk met op haar schoot Jonja, daarnaast mevrouw Brassien met Henk.

Foto K. Brassien

Na dit bezoek kwam de burgemeester van Duivendijke met echtgenote op 10 juni 1953 naar de adoptie-gemeenten in Overijssel. Waarschijnlijk heeft toen de jagersvereniging gevraagd naar namen en adressen van de jagers in de gemeente Duivendijke, om hen rechtstreeks op de een of andere manier bij te staan, want op 25 juni kwam er een brief met de namen en adressen van zeven jagers uit zijn gemeente. Bovendien zijn er afspraken gemaakt om tijdens de schoolvakantie kinderen uit Duivendijke gedurende 17 dagen bij gastgezinnen in Avereest, Nieuwleusen en Hellendoorn te laten logeren. O.a. in de kerk werden ouders gevraagd kinderen op te nemen.
---

GEMEENTEBESTUUR VAN NIEUWLEUSEN (O)

Aan de Heer Burgemeester der gemeente
D u i v e n d ij k e .

Onderwerp: Vacantie Zeeuwse kinderen

Datum, 6 Augustus 1953.

Op Uw telefonisch verzoek doe ik hierbij namens de burgemeester dezer gemeente toekomen een lijst van de in deze gemeente onder te brengen Zeeuwse kinderen met een opgave van de gezinnen waarin ze zullen worden geplaatst.

Secretarie Nieuwleusen,
1e a.t.s.

VACANTIEADRESSEN ZEEUWSE KINDEREN.

Elenbaas, Cornelis Jacob
9 jaar

Th. Bijker
Straatweg WZ 288

Jonge, Cornelis de
12 jaar

K. Talen
Hoofdvaart ZZ 5

Jonge, Janna de
11 jaar

W. Zomer
Straatweg WZ 78

Kooman, Elizabeth Dirkje
13 jaar

G. Luten
Ommerdijk 38

Meulmeester, Krijn Cornelis de
9 jaar

Ds. van Hoogevest
Hoofdvaart ZZ 85

Pleune, Maria Martina
12 jaar

H. Brasjen
Ommerdijk 7

Hoek, Johanna Maatje van den
11 jaar

H.J. Klomp
Zandspeur 8

Hoek, Martina Johanna van den
9 jaar

H.A. Katgert
Meeleweg 52

Hoek, Janna van den
8 jaar

B.J. Witpaard, Staphorst M
(achter Chr. School Den Hulst

Bezuijen, Cornelis
11 jaar

A. Tempelman
Hoofdvaart NZ 202

Nieborg, Carla
9 jaar

H.J. Snijder
Dommelerdijk 15

Nieborg, Aleida Flora
11 jaar

K. Brassien
Dommelerdijk 6a

We hebben zomaar een gastgezin gevraagd wat ze zich nog herinneren van die logeerpartij. Mevrouw Klomp vertelt het volgende.
Aanvankelljk zou bij de familie Klomp dus maar een meisje logeren, maar omdat Johanna (Joke) verzorging nodig had, kwam haar oudere zusje ook bij hen en kwam er een ander kind bij de familie Katgert. Ze hebben goede herinneringen aan de kinderen en jaren later, tijdens een vakantie in Zeeland, hebben ze de toen al volwassen vrouwen nog een keer opgezocht.

Van de gemeente Duivendijke kwam na terugkomst van de kinderen een brief met dankbetuigingen en de burgemeester van Nieuwleusen op zijn beurt bracht deze dankbetuigingen weer schriftelijk over aan de gastgezinnen en dames T. Westerman en D. Boesenkool, die met de organisatie en begeleiding belast waren geweest.



Vlnr: Joke van den Hoek, Ali Klomp, Jannie van den Hoek, Dirkje Klomp-Hof, Hennie Klomp en Maartje van den Hoek.

Foto: H.J. Klomp

---
GEMEENTE DUIVENDIJKE

Renesse, 7 September 1953.

Onderwerp: Vacantie schoolkinderen

AAN: Heren Burgemeesters der gemeenten:
AVEREEST, HELLENDOORN, NIEUWLEUSEN

    Kinderen o.a. ook uit onze gemeente, mochten gedurende 17 dagen vacantie doorbrengen in Uw gemeente.
    Nu de kinderen weder goed en wel op Schouwen zijn teruggekeerd, is het mij een behoefte U, mede namens het Gemeentebestuur en de diverse ouders hartelijk dank te zeggen voor al hetgeen U voor deze ramp-kinderen hebt willen doen.
    Zij hebben bij U bijzonder genoten, waardoor zij verfrist zijn wedergekeerd.
    Wilt U zo goed zijn de dank ook over te brengen aan hen, die met de organisatie en de uitvoering waren belast.

DE BURGEMEESTER VAN DUIVENDIJKE, TE RENESSE.

---
GEMEENTEBESTUUR VAN NIEUWLEUSEN (0)

AAN:
de pleegouders der Zeeuwse kinderen

Datum, 14 september 1953

    Het gemeentebestuur van Duivendijke bericht mij dat de Zeeuwse kinderen van hun 17-daags verblijf in deze omgeving gezond en wel zijn teruggekeerd bij hun ouders.
    De kinderen hebben bijzonder genoten van de omgeving en de hartelijkheid waarmede U hen heeft willen omringen en verzorgen.
    Deze rampkinderen hebben voortreffelijke herinneringen aan hun pleegouders meegenomen.
    lk dank U persoonlijk voor Uw medewerking en spreek gaarne mijn grote waardering uit voor de moeite die U zich heeft willen getroosten het de kinderen zo aangenaam te willen maken.

Ho/Hk

De Burgemeester van Nieuwleusen,

---

GEMEENTEBESTUURVAN NIEUWLEUSEN (O)

AAN: Mej. T. Westerman en D. Boesenkool
te Nieuwleusen

Datum, 14 september 1953

    Namens het gemeentebestuur wordt hartelijk dank gebracht aan allen die vacantie en reis tot een zo groot genoegen voor ouders en kinderen hebben gemaakt.
    Zij die met de organisatie en geleide zijn belast geweest, worden eveneens hartelijk dank gebracht.     Het is mij een behoefte U dit te berichten en U ook persoonlijk te bedanken voor Uw spontane medewerking.

Ho/Hk
De burgemeester van Nieuwleusen,

Ada Nieborg met Jonja en Henk Brassien.

Foto: K. Brassien





Tenslotte wordt het jaar van de watersnood, Wat betreft hulpverlening en persoonlijke contacten, voor zover wij weten, afgerond met een bezoek van burgemeester H. R. Nieborg, vergezeld van het raadslid J.M. Stoel, aan de gemeenten in Overijssel, waarbij hij op vrijdag 23 oktober Nieuwleusen bezoekt.

Blijft over de vraag of de contacten met de inwoners van de gemeente Duivendijke daarmee ook zijn gestopt, of dat er banden zijn ontstaan met bijvoorbeeld de kinderen die hier hebben gelogeerd en hun ouders. Of dat er bewust vakanties zijn gemaakt naar Schouwen om te zien hoe het eiland zich na de ramp heeft hersteld. Als dat zo is, horen we dat graag, evenals andere ervaringen tijdens of na de hulpverlening.


Jaargang 21 nummer 2 juni 2003

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

Zuivelfabriek “Onderling Belang” aan de Ommerdijk, thans de Burg. Backxlaan in Nieuwleusen.

* * *

DE GESCHIEDENIS VAN DE ZUIVELINDUSTRIE IN NIEUWLEUSEN IV _________________________________________________________

G. Bartels-Martens

Coöperatieve Stoom-Zuivelfabriek “Onderling Belang” Het eerste deel van dit artikel over Zuivelfabriek “Onderling Belang” is te vinden in het kwartaalblad van december 2002; Jaargang 20, nummer 4.

Na de 2e ruilverkaveling
In 1951 schrijft men in het jaarverslag over het melkvervoer: “Door het grote aantal nieuwe wegen, waardoor bijna alle leden met hun woningen aan of dicht aan de publieke en vaak verharde weg zijn komen te liggen, is er veel veranderd. Uw bestuur ziet nog niet hoe in de toekomst het melkvervoer moet worden geregeld, maar er zullen nog wel veranderingen komen... Mogelijk is het gewenst in de toekomst met grotere wagens of met auto’s te rijden.”
Over de machines in de fabriek zegt men: “Een groot deel van het leidingnet, dat van vertind koper was, is vervangen door roestvrij staal. Het kopergehalte in onze boter was in 1951 nog te hoog.”

Bevordering gezonde veestapel
In 1952 meldt het jaarverslag: “Stonden in 1939 nog 8 goedgekeurde stieren ter dekking, waarvoor subsidie door de fabriek en door de Coöp. Landbouwvereniging werd gegeven, in 1952 waren al 65 van onze leden aangesloten bij de K.I.-Vereniging te Balkbrug, van wie 532 dieren werden geïnsemineerd.”
Op 1 mei 1953 waren alle aangesloten bedrijven tbc-vrij, maar de controle bleef een jaarlijks terugkerende zekerheid. 1 mei 1950 waren er nog 830 reageerders aanwezig. Dat waren koeien waarvan na inenting bleek dat ze met tbc besmet waren. Deze tbc-koeien werden, als dat na twee keer inenten was geconstateerd, geruimd en daarvoor kregen de boeren een premie uitbetaald.


Hendrik Koezen, monteur bij ‘Onderling Belang’, haalde de melkbussen met de (gemotoriseerde) bakfiets van de boeren bij “Het Wijde Gat”. Foto van omstreeks 1950.

Enkele jaren voor 1953 was er een mond- en klauwzeerepidemie, maar in 1953 en 1954 hadden alle leden, op twee na, hun dieren laten inenten. Dit beeld keert vervolgens jaarlijks in de jaarverslagen terug. In 1957 waren de resultaten zo gunstig dat de controle werd teruggebracht naar 1 x per 2 jaar.
In 1957 werd voor het eerst van fabriekswege een runderhorzelbestrijding uitgevoerd. “Veel dieren zijn nog met horzelbulten overdekt en de bestrijding is van groot belang, de resultaten zullen spoedig zichtbaar zijn, zoals velen vorig zomer reeds ontdekt hebben.”
De bestrijding werd jaarlijks 2 x herhaald, tot men in 1964 met 1 x per jaar kon volstaan en al vlug daarna kwam men alleen in speciale gevallen controleren.
In 1952 was er voor het eerst een georganiseerde abortusbestrijding. In januari waren er 20 abortusvrije bedrijven, op 1 januari 1960 waren dat er al 408. Omdat men inmiddels wist hoe groot het besmettingsgevaar was, mochten vanaf 1960 besmette dieren niet meer normaal geweid worden. Op 31 december van dat jaar waren er nog maar 20 bedrijven die nog niet abortusvrij waren. Op 3 februari 1964 werd het laatste bedrijf abortus-vrij verklaard. Daarna vond de controle plaats via melkonderzoek.
In 1959/1960 waren 235 leden lid van de melkveecontrole en waren 35 leden zelfcontrolerend. Ten behoeve van de tbc-controle werden 448 stallen bezocht met daarin 5359 dieren (waarvan 1371 jonge dieren). In 1964 waren dat 424 stallen met 6140 dieren.


De kaasmakerij (Melkontvangst) van ‘Onderling Belang'. Vlnr. Hendrik Timmerman, Lubbert Beumer en Willem Boer.


Lammert Vos was op 23 juni 1917 benoemd als directeur. Hij was geboren in Opsterland, maar kwam vanuit Wanneperveen naar Nieuwleusen. Zoals uit de jaarverslagen blijkt, groeide de melkfabriek onder zijn leiding en was het een goed lopend bedrijf. Er werd regelmatig flink geïnvesteerd in uitbreidingen. Nieuwe ontwikkelingen werden ingepast in de bedrijfsvoering en hij besteedde veel aandacht aan voorlichting aan de leden. Ook was hij de initiatiefnemer en eerste voorzitter van het coöperatieve samenwerkingsverband Isalacta; de Coöperatieve Vereniging tot bereiding van speciaalproducten.
Het moet hem voldoening hebben gegeven dat de oudste van zijn kinderen, zijn zoon Johannes Vos, geboren op 6 mei 1917, hetzelfde vak koos. Als assistent begon Johannes zijn loopbaan in Slagharen en in 1952 kwam hij als assistent naar Nieuwleusen om in 1954 zijn vader op te volgen als directeur. Hij betrok met zijn vrouw Maaike Klom, waarmee hij op 24 april 1946 te Bolsward was gehuwd, eerst bij zijn ouders in het huis Ommerdijk 8, daarna het huis Ommerdijk 6i en op 15 december 1953, toen zijn ouders vertrokken naar Ommen, de directeurswoning Ommerdijk 8; nu is dat Burg. Backxlaan 34.
Na zijn pensioen ging Lammert Vos dus in Ommen wonen, maar na zijn overlijden in 1967 is hij hier naast zijn vrouw begraven. Johannes Vos zette het beleid van zijn vader voort en voerde even voortvarend de veranderingen door die nodig waren om het bedrijf rendabel te houden.

Isalacta
Johannes Vos was de initiatiefnemer en eerste voorzitter van het samenwerkingsverband Isalacta; de Coöp. Ver. tot bereiding van speciaalproducten. Deze coöperatie waarin zuivelfabrieken konden gaan samenwerken, werd een succes. Een groot aantal zuivelfabrieken rond Zwolle gingen er aan deelnemen en Onderling Belang werd in 1951 ook lid. Over de resultaten werd trots gemeld: “Wij - als Isalacta-fabrieken - hebben gezorgd, alle producten die de boer niet kan gebruiken, te kunnen verwerken.”
Maar door deze schaalvergroting kon het ook gebeuren dat door een steeds verdergaande specialisatie per Isalacta-fabriek, in 1964 bij Onderling Belang voor het eerst in haar bestaan geen boter meer werd geproduceerd. In plaats daarvan werd er 2  ½ miljoen kg melk meer tot kaas verwerkt. Het overtollige vet werd in de vorm van vette melk aan derden verkocht. Zeven jaar later, in 1971, werden weer 29 partijen boter aan de N.C.B. geleverd.

Verhoogde melkproductie
In 1956 werd de laatste houten kaasbak in de fabriek vervangen door een nieuwe vertind-ijzeren kaasbak en de nog aanwezige ketels e.d. van vertind-koper werden in de jaren vijftig allemaal vervangen door roestvrijstaal. Vanaf 1956 nam de melkproductie bij een bijna gelijkblijvende veestapel toe met 5%. De bedrijfsverbeteringen, beter vee en beter wintervoer wierpen zichtbaar vruchten af, want met de groei van de veestapel in die jaren, groeide de melkproductie met een hoger percentage, in 1960 zelfs met 7%.
In 1958 werd er koffiemelk afgenomen van de Condensfabriek ‘Friesland’ te Leeuwarden.


Melkcontroleur Gerrit Klein aan het werk op het laboratorium van ‘Onderling Belang’.

Foto: K. Brassien

Melkmachines en melktanks
In 1964 doen langzamerhand melkmachines hun intrede en ook verschijnen de eerste melktanks.

Coberco
In 1969 werd nog geïnvesteerd in een zelflossende centrifuge voor de wei, terwijl aan het einde van het jaar, als resultaat van twee voorgaande ledenvergaderingen, de definitieve beslissing viel om de exploitatie van het bedrijf over te dragen aan de Coöperatieve Vereniging ‘Coberco’. ”ZoweI voor leden als bestuur was dit een moeilijk besluit: het is zwaar om een bedrijf, dat meer dan 60 jaar zelf is geëxploiteerd, uithanden te geven”. De leden werden lid van Coberco, dat in 1972 in zijn nieuwe vorm tot stand kwam.

Sluiting fabriek
In 1970 werd de melkfabriek gesloten. Het personeel kon in Balkbrug aan de slag en wie daar niet voor voelde, zocht een andere werkgever.
Directeur J. Vos verhuisde in september 1971 met zijn gezin naar Deventer van waaruit hij voor de Coberco, in deze tijd van overnames en bedrijfssluitingen, voornamelijk bezig was met het opmaken van de inventarislijsten en het regelen van de verkoop van gebouwen enz. van fabrieken die ook werden afgestoten. In december 1977 kwam de familie Vos terug naar Nieuwleusen waar ze in het huis aan de Hulsterplas, Parklaan 19, gingen wonen. Dat hadden ze daar al eerder laten bouwen met het oog op terugkeer na pensionering. Toen de grote tuin te veel werd, verkochten ze het huis en vertrokken 23 maart 1987 naar een serviceflat in Heerenveen; niet zo’n vreemde keus als we weten dat mevrouw Vos uit Bolsward afkomstig was en schaatsen en voetbal de favoriete sporten van J. Vos waren. Hij overleed daar in 1992. De urn met stoffelijke resten werd bijgezet op de begraafplaats in Nieuwleusen. Tien jaar later, in 2002, kwam mevrouw Vos terug naar Nieuwleusen, waar nog twee van haar kinderen wonen en waar ze nu in hun nabijheid woont in het verzorgingstehuis de Hulstkampen.


Melkfabriek ‘Onderling Belang halverwege de vorige eeuw.

In 1972, na de sluiting van de fabriek, werden de gebouwen gekocht door De Keyzer Kaas en als opslagruimte voor de kaashandel in gebruik genomen. Omdat ze er zelf niet gingen wonen, werd de directeurswoning doorverkocht. In 1981 werd de schoorsteenpijp opgeblazen.(De schoorsteenpijp is evenwel niet opgeblazen, maar op 17 oktober 1980 van bovenaf afgebroken door mannen met grote hamers. Toen het verantwoord was, werden er op een bepaalde hoogte kabels rond de schoorsteen gespannen en werd het resterende deel omgetrokken. Dit gebeurde nog een tweede keer en toen was er, na een halve dag noeste arbeid weinig meer van de bij menigeen zo dierbare schoorsteenpijp over).
In 2001 namen hun plannen voor verplaatsing van het bedrijf naar het industrieterrein Rollecate vaste vormen aan. Precies dertig jaar na sluiting van de melkfabriek, in oktober 2002, werd het gebouw afgebroken om plaats te maken voor de bouw van appartementen.

Vergelijking jaarcijfers ‘Onderling Belang’ en ‘Den Hulst’ boekjaar 1959
Om een vergelijking te maken tussen de beide zuivelfabrieken in onze gemeente nemen we de productiecijfers uit het boekjaar 1959. Deze jaarcijfers geven een indruk van het verschil in werkwijze en omzet. De wederopbouw na de tweede wereldoorlog was grotendeels voltooid en beide zuivelfabrieken waren toen nog zelfstandig en het waren gezonde bedrijven. Er was een breed aanbod van producten, de samenwerking in Isalacta-verband wierp haar vruchten af. Elke fabriek dacht door samenwerking zelf groter te kunnen worden en een breder assortiment te kunnen produceren. Aan opheffing als gevolg van schaalvergroting werd nog niet gedacht en van fusie-perikelen was nog geen sprake.

Onderling Belang:
_________________________

Den Hulst:
_________________________

ontvangen werd 11.449.535 kg
melk met gem. 3.81 % vetgehalte

ontvangen werd 6.559.440 kg melk met gem. 3.86 % vetgehalte (253.216 kg vet).
Van andere bedrijven werd ontvangen 242.313 kg volle melk; totaal werd dus 6.801.753 kg melk verwerkt

uitbetaald melkgeld aan de leden: ƒ 2.528.443,13.
doorbetaald voor Zuivelfonds en Garantietoeslag:
ƒ 752.984,22
totaal = ƒ 3.281.427,35

uitbetaald melkgeld aan de
leden (en leveranciers):
ƒ  1.914.855,76 (dit is inclusief de nabetaling en kwaliteitstoeslag ƒ 10.878,67 en de uitkeringen Zuivelfonds en Garantietoeslag
ƒ  440.836,45)

aflevering aan de leden:
ondermelk-vers: 371.031 kg,
ondermelk-uit oplossing:
34.100, karnemelk: 526.568 kg, spoeling: 159.780 liter, wei: 3.461.235 liter

aflevering aan de leden:
ondermelk: 25.854 kg,
karnemelk: 577.160 kg,
wei: 2.075.580 liter
(en leveranciers)

afgeleverd via Isalacta:
10.723 kg ondermelk,
360.481 kg volle melk,
5.935.805 liter wei

afgeleverd via Isalacta:
106.230 kg ondermelk,
15.853 kg volle melk,
3.630.520 liter wei

in consumptie gebracht:
7.180 liter gestandaardiseerde melk, 10.935 liter karnemelkse pap, 6.588 liter karnemelk, 9.438.676 kg melk werd verkaasd, hieruit werd geproduceerd:
1.003.015 kg Gouda v.v.,
5.724 kg Edammer40+,
6.138 Randkaas v.v.,
435 Randkaas 40+,
61.499 Broodkaas v.v.

in consumptie gebracht:
185.942 liter gesteriliseerde melk, 38.829 liter karnemelk, 5.898.994 kg melk werd verkaasd, hieruit werd geproduceerd:
592.631 kg Gouda v.v.,
33.335 kg Edammer 40+,
3.778 kg Randkazen v.v.,
558 kg Randkazen 40+.
F

bijgekocht: 84.699 kg vollemelk, 3.100 kg ondermelk-producten, 10.450 liter karnemelkse pap

bijgekocht: 242.313 kg volle melk

De exploitatierekening geeft een eindbedrag van: ‘Onderling’ Belang’ ƒ 3.866.782,38 en ‘Den Hulst’ ƒ 1.834.116,64

Altijd in beweging, nooit hetzelfde:
70 jaar hebben de twee melkfabrieken ‘Den Hulst’ en ‘Onderling Belang’ hun bijdrage geleverd aan het dorpsgebeuren. Toen viel het definitief stil. Geen gekletter van bussen, geen gevloek en getier, geen waarschuwende kreten door de fabriek, geen stoom en gesis uit gaten en kieren van de fabriek, geen fabrieksfluit die aankondigt hoe laat het is en geen wagens met melkvaarders en paarden die de relatie fabriek-dorp-boerderijen dagelijks onderhouden. De gebouwen bleven nog, maar die typische sfeer van geuren en geluiden die hoort bij een melkfabriek is voorgoed verdwenen: in 1967 bij ‘Den Hulst’ en in 1970 bij ‘Onderling Belang’.

* * *

LEVENSTRAP _________________________________________________________


10 JAAR
De knaap ziet zijne tijd verdelen
aan ernstige studie en aan spelen.

20 JAAR
Bij 20 zal hij zoet verrukken
wanneer hij een liefje in zijn armen kan drukken

30 JAAR
Nu heeft hij vrouw en kroost
En werkt met noeste arbeid, onverpoost

40 JAAR
Hij is een man van zaken
die tracht tot welstand te geraken

50 JAAR
Bij 50 blijft hij even staan
en ziet terug op de afgelegde baan.

60 JAAR
Hij weet ervan mee te spreken:
“De oude dag komt met gebreken.”

70 JAAR
Zijn krachten nemen zichtbaar af.
hij wandelt leunend op zijn staf.

80 JAAR
Met grijze haren en stramme leden
genaakt hij het graf, bij al zijn schreden.

90 JAAR
Hij is eenzaam, oud en moe
en welhaast aan verzorging toe

100 JAAR
Bij 100 jaar zucht hij: "Haal mij Heer,
ik wens niet te leven meer."

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Ditmaal een groepsfoto van het personeel van het postkantoor van Nieuwleusen. De foto is gemaakt in het postkantoor aan het Zandspeur en dateert uit de zeventigerjaren. FotoA661



1  
2  
3  
4  
5  
6  
 
7  
8  

Henk Dozeman
Gerrit Jan van Veen
Gerrit Knol
Jan Huzen
Evert Jan Huzen
Jantje Huzen-van
de Vegte
Gerard Huzen
Jan Pot

9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  

Margje Pot-Massier
Albert Mastenbroek
Henk Geerts
Geert Vrieling
Hendrik Mastenbroek
Hendrik Jan Huzen
Oost Oostra
Gerrit Volkerink
Henk Kappert

* * *

UIT: HET VRIJE WIEL III (1974) _________________________________________________________

We eindigden het vorige nummer met de vermelding van de stichting van het hoofdgebouw van UNION in 1914. Toen begin 1914 dit gebouw in gebruik genomen werd trad de eerste bedrijfsleider in dienst, afkomstig van Burgers, waar hij chef framebouwer was geweest. In 1915 werd hij opgevolgd door een zekere heer Kuiper, voorheen werkzaam bij Gazelle.


De fabrieksgebouwen in 1914. Uiterst links is nog net een deel van het zojuist gereed gekomen nieuwe gebouw te zien.

Juist goed op dreef brak de eerste wereldoorlog uit, met alle narigheid voor land, volk en bedrijf daaraan verbonden. Op 10 augustus werd een circulaire aan de klanten gezonden ter geruststelling van de verwarde gemoederen, welke verwarring en onrust uiteraard de zaken geen goed deden. Het is wel eens aardig deze circulaire te laten volgen, om te zien hoe in die dagen de klanten werden benaderd. Hier volgt daarom de inhoud:

Een geruststellend woord aan onze klanten

M.

Hierdoor delen wij U beleefd mede, dat onze prijscouranten niet ingetrokken worden en onze prijzen dan ook niet worden verhoogd. Nog voorgeruime tijd hebben wij goederen voorradig, zoodat wij vertrouwen, dat wij de spannende dagen van thans, zonder in te grijpen, wel door zullen komen. Echter valt het ons op, dat er veel berichten binnenkomen van het weigeren van onze afgegeven wissels. Dit kunnen wij echter moeilijk goedkeuren, daar bij een algemeen volgen van dezen maatregel noodwendig een stoornis moet komen in de zaken, daar het geld in een zaak, zooals overbekend:
"De spil is, waarom alles draait”.
Daarom, waarde Heeren, denkt eens kalmpjes na over ons vriendelijk verzoek om zooals gewooniijk de wissels niet onbetaald terug te laten gaan. Voor zoover dit terugzenden reeds heeft plaats gehad, verzoeken wij beleefd postwisseltoezending. Mocht het blijken, dat U, bij verstandig en kalm praten bij Uwe klanten, het U toekomend geld nog niet los kunt krijgen, welnu, dan mogen wij van Uwen goeden wil, niet meer vergen en zullen wij dan daarmede vrede nemen.

Wij verklaren ons bereid om op dezelfde conditie van voorheen aan U te blijven leveren, welnu, heeren! Verklaart gij U nu bereid om alles te doen om onze wissels te betalen, dan zijn wij door en metelkanderin deze troebele dagen geholpen.

Wij zullen dàn pas ophouden met op crediet te leveren, wanneer een niet betalen der wissels ons daartoe zou noodzaken.
Voor hen, die wellicht anders zouden denken, merken wij nog even op, dat Bankpapier, dus z.g. "briefjes", voor ons dezelfde waarde hebben als goud of zilvergeld, daar "de Nederlandsche Bank" ons ongeschokt vertrouwen geniet.

Laat U voorts niet opzweepen of beïnvloeden door losse of onware geruchten, welke verspreiders menschen zijn, welke of bijna in het geheel geen verstand hebben of op dat oogenblik hun verstand zeer slecht gebruiken.
Wij wenschen U voorts toe, dat spoedig betere dagen voor U mogen aanbreken en teekenen steeds gaarne tot Uwen dienst, met beleefde aanbeveling en
Hoogachting:
Firma B. J. van den Berg
Rijwielfabriek "UNlON"

Wanneer U deze circulaire gelezen hebt zult U wellicht zeggen: ,,ouderwetse taal van bijna 60 jaar geleden, niks meer voor onze Moderne tijd".
Inderdaad de taal klinkt ons wat ouderwets plechtig in de oren, maar indien we de inhoud van deze circulaire goed tot ons laten doordringen valt ons toch op, dat toen reeds een enorm goed contact met de klanten bestond. Men schonk vertrouwen en kreeg vertrouwen. Bovendien blijkt ons hieruit ook, dat de zaken in de loop der jaren zich behoorlijk hadden uitgebreid.
Dit was ook inderdaad het geval, want ofschoon het in Nederland gelukkig alleen bij mobilisatie bleef, gaf dit toch kopzorgen genoeg om het bedrijf gaande te houden. Personeel was moeilijk te krijgen, het leger eiste de jonge mannen op. Er waren reeds bijna 100 mensen nodig om het bedrijf te bevolken, die dan ook uit omliggende plaatsen werden aangetrokken.
Bovendien was door gebrek aan mankracht steeds meer machinearbeid nodig, vooral toen ook overgegaan werd tot zelf slijpen en vernikkelen.
Een zware zuiggasmotor werd overgenomen van een failliete fabriek in ‘t Noorden des lands, evenals slijpstoelen en een nikkelbad, ten/vijl ook een paar vakmensen van deze fabriek bij Union in dienst traden.
In Nieuwleusen had men toen nog petroleumverlichting, ja in de mobilisatietijd moest men zich meestal behelpen met kaarslicht en carbid lampen.


Foto van de oude gebouwen, waarschijnlijk kort voor de sloop omstreeks 1918. Het woongedeelte op de voorgrond is niet meer bewoond.

De zuiggasmotor was echter in staat op eigen elektrodynamo stroom op te wekken, zodat de fabriek en de woonhuizen voorzien werden van elektrische lampen.
In 1916 plaatste men reeds een nieuw gedeelte aan de fabriek, n.l. het schuin staande gedeelte, waar nu de slijperij enz. is gevestigd. Op ‘t kantoor waren reeds meerdere mensen aan het werk, twee directeuren en twee procuratiehouders, en 9 vertegenwoordigers waarover firmant J. van den Berg de scepter zwaaide.
In die dagen begon UNION naam te krijgen van Dollard tot Schelde. Vele inwoners van Nieuwleusen en omstreken hadden hun brood hier en de omzet steeg wel tot 5000 rijwielen per jaar. De steeds groter wordende zaken, vergrootten vanzelfsprekend ook de zorgen.
In 't bijzonder in deze mobilisatietijd deden zich problemen voor die anders niet voorkomen.
Als we alleen maar denken aan het gebrek aan geschikte mensen, doordat er meerderen onder dienst waren, is het te begrijpen, dat de leiding van de zaak heel wat aan het hoofd had. In het laatst van de mobilisatiejaren kwam er weer een andere bedrijfsleider; al dit werk vereiste aanpassing aan de omstandigheden en de heren Van den Berg deden in deze jaren ook heel wat praktische ervaring en mensenkennis op.
Ook het probleem van materiaal-en onderdelenaanvoer was nijpend; evenwel heeft men kans gezien een behoorlijke voorraad onderdelen op te bouwen, al liet de kwaliteit begrijpelijkerwijs wel eens te wensen over. Het was de tijd van eenheidsworst, ook in figuurlijke zin en deze eenheidsworst moest men leren eten.
Wij schrijven nu het jaar 1918, alles was duur en schaars.
De prijzen van de fietsen waren al opgelopen tot twee-, driehonderd gulden. De eerste kleurfiets (beige met zwarte biezen) de trots van de firma, deed ƒ 325,--. De duurte en de schaarste gaven de firmanten nieuwe zorgen, maar ze waren gelukkig niet voor één gat gevangen en door de jaren heen volleerde kooplieden geworden. Zoals nu ook nog het geval is werden veel rijwieldelen uit Duitsland geïmporteerd. Duitsland liep weliswaar wat het economisch leven betreft op z'n laatste benen doordat de oorlog zich steeds meer in het nadeel van Duitsland keerde, maar toch moest men blijven eten en daarom in ruil voor boter, koeien, paarden en landbouwproducten leverde men graag zoveel als mogelijk was, maar alles kon men helaas niet leveren; zo b.v. ook geen zadels, want leder, waarvan toen alle zadels werden gemaakt, was dermate belangrijk voor de oorlogvoering, dat onder geen geval dit mocht worden uitgevoerd.
Er is toen door de firmanten getracht een Nederlandse firma voor de fabricage van zadels warm te krijgen, waarin het bedrijf heel wat geld had gestoken maar helaas dit liep hopeloos mis en kostte de onderneming een groot kapitaal.

Plotseling eindigde de oorlog in november 1918 en zoals gewoonlijk gaf dit een hele nasleep, in de eerste plaats voor de verliezende landen, o.a. Duitsland. Ook in ons land werd deze nasleep terdege gevoeld. Er waren grote voorraden maar de goederen waren meestal van inferieure kwaliteit, er was een behoorlijke bankschuld en een dikverlies in de zadelaffaire.
Wat zou er gebeuren? Juist toen hebben de heren Van den Berg getoond, dat zij uit goed taai eikenhout gesneden waren en met een koel hoofd ook de tegenvallers te lijf konden gaan. En daarbij gebeurde het onverwachte.
Er was een groot tekort aan onderdelen, de bij de oorlog betrokken landen, vooral Duitsland, konden niet produceren, de prijzen liepen op, tot zeer grote hoogte.
Door goed zakenbeleid en koopmanschap heeft men juist in die naoorlogse jaren bedrijfskapitaal kunnen vormen, de oude voorraden werden met flinke winst geruimd, de bankschulden afgelost en de zadelaffaire kon worden vergeten.
Al kon Duitsland dan in de jaren vlak na de eerste wereldoorlog geen onderdelen voor fietsen leveren, toch voorzag zij de fabriek van hulp, in de vorm van een Duitse bedrijfsleider; Duitse technici werden veel gevraagd en hadden een goede naam. Over deze bedrijfsleider later misschien nog wel wat meer.
In 1920 werd de vennootschap onder firma omgezet in een Naamloze Vennootschap. Het waren riskante tijden geweest maar toch, zaken doen is risico nemen.
Ofschoon in het vorig artikel beloofd is de geschiedenis tot 1939 te zullen vertellen wil ik toch liever eindigen omdat de jaren1920 - 1939 voldoende stof vormen voor een artikel op zichzelf en "Het Vrije Wiel" ook nog andere artikelen moet opnemen, dan de "stoffige" historie.

REACTIE VAN EEN LEZER

Van de heer en mevrouw Korf-Belt ontvingen we een reactie op het Union verhaal in het kwartaalblad van september 2002. Daar staat op bladzijde 65 dat B.J. van den Berg een neef had, die enz. Volgens de aantekeningen van de familie Korf over de familie Van den Berg, moet het echter een broer zijn van B.J. van den Berg: Wilhelmus, die molenaar in Den Hulst was.

* * *

MUN HERINNERINGEN AAN DE WATERSNOODRAMP 1953 _________________________________________________________

G. Evertsen-Boer

Omdat er in Nieuwleusen geen woning te krijgen was, vertrokken mijn ouders na hun huwelijk naar Zeeland. Daar kon mijn vader werk krijgen bij een Zeeuwse boer in de Vierbannenpolder. In 1953 woonden we in Capelle, gelegen tussen Nieuwerkerk en Zierikzee, een klein dorpje met ruim 100 inwoners, waarvan er 42 zijn verdronken.
Hoewel de dreiging groot was, ging mijn vader die zondagochtend toch naar de boerderij om de koeien te melken. Maar de boer stuurde hem met dezelfde gang terug: "Maak dat je naar huis komt! Het water komt!"
En het water kwam snel. lk zie het nog onder de deur door naar binnen komen. Snel werden allerlei spullen, waaronder etenswaren, naar zolder gebracht. Maar het water bleef stijgen en op een gegeven moment moesten we naar het dak verhuizen. We hebben er de verschrikkelijkste dingen zien gebeuren.
Als meisje van vijf heb ik veel mensen zien wegdrijven en verdwijnen in de golven. Een buurvrouw had net een baby gekregen. Ze zat met haar baby en de andere kinderen op een vlot. Bij die kinderen was een meisje waar ik mee speelde. Ze zijn allemaal verdronken.
Ergens verder hielden mensen zich vast in de bomen. Om ons heen verdween het ene na het andere huis in de golven. Meerdere buren zijn via het dak bij ons gekomen. Ons huis was vrij nieuw, al was het gebouwd uit oud materiaal.
Op een gegeven moment stortte het huis van onze achterburen in. Er woonde een echtpaar met grote kinderen, waar we veel mee omgingen. Ze grepen wat ze grijpen konden en hielden zich drijvende. Mijn vader en een buurman hielden elkaar aan de benen vast en op die manier konden ze die buren uit het water halen en bij ons op zolder krijgen. Ze waren steenkoud, hoewel ze nog maar even in het water gelegen hadden. Hoe mensen soms urenlang in het water lagen en het toch overleefden, is een raadsel.


Hoe ons huisje (op bovenstaande foto rechts, red.) het hield is ook een wonder. Het was en is nog steeds een sobere woning, één van de twee woningen in Capelle die de ramp hebben doorstaan. In totaal zaten we met ongeveer vijftien personen bij ons op zolder. Ook op het dak hebben we een hele poos gezeten. Ik weet niet meer hoelang we met z'n allen op zolder en op het dak hebben gezeten. Gelukkig hebben we het overleefd! Ondanks de kou zijn we geen van alien ziek geworden. Hoe het kan is een raadsel, maar het zij zo. Ook mijn zusje van zes weken is er niet ziek van geworden.

Toen het weer eb was, zijn we door mannen met grote laarzen naar het huis aan de overkant gebracht. Dat was groter en nieuwer. De andere dag zijn er vissers uit Zierikzee gekomen om de vrouwen en kinderen te halen. De mannen werden later gehaald.

Over de immense wateroppervlakte, waar alleen de daken van de twee Capelse huizen bovenuit staken, werden we naar de kerk in Zierikzee gebracht. Daar kwam mijn vader later bij ons. Vervolgens zijn wij met een boot naar Wemeldinge gebracht, waar we onderdak kregen bij een predikant.
We waren in februari 2003 in de gelegenheid de vijftigste herdenking van de watersnoodramp mee te maken in Ouwerkerk en Nieuwerkerk. Het was heel indrukwekkend.
Lopend op het kerkhof in Nieuwerkerk kreeg ik het helemaal koud toen ik de namen las van de meisjes waar ik mee gespeeld heb. De mensen van Capelle zijn in Nieuwerkerk begraven. Op het kerkhof in Capelle zal een gedenksteen worden geplaatst om de herinneringen levend te houden aan hen die wegdreven en verdronken.
Ook brachten we een dag voor de herdenking een bezoek aan Wim Schot, de schipper die ons gered heeft. Door een verhaal in een krant waren we achter zijn naam gekomen en toen was het een kwestie van telefoonnummer zoeken en bellen. Bij de herdenking ontmoetten we hem weer; het was alsof we oude bekenden waren.


Katrina Boer-Groen met dochter Geertje wandelen in de straat in Capelle waar hun huis stond. Deze foto dateert van voor 1953.

Het dorpje Capelle is niet weer opgebouwd, maar ons huisje staat er nog. We mochten er zelfs een kijkje nemen. Het leek alsof de tijd had stilgestaan en iets van de ramp kwam weer boven.
Het herdenkingsweekend heeft veel goed gedaan en heeft veel gesprekken opgeleverd met mensen die het ook hadden meegemaakt. Pas dan besef je hoeveel mensen er zijn die een of meerdere personen uit hun familie-of kennissenkring hebben verloren. Bij de kranslegging op de begraafplaats hebben we eer kunnen bewijzen aan hen die zo rampzalig om het leven kwamen. Het leek wel of we daarmee eindelijk een hoofdstuk in onze geschiedenis konden afsluiten.

De foto’s bij dit artikel zijn afkomstig van H. J. Boer.

Noot van de redactie:

Publicist Kees Slager schreef het boek “Hier was eens Capelle, de geschiedenis van het laatste verdronken Zeeuwse dorp.” Op twee huizen na verdween het tot een gehucht verschrompelde dorp in de Vierbannenpolder op Duiveland na de Februariramp onder de golven. Van de ruim honderd inwoners kwamen er 42 om het leven. Van de planologen en bestuurders mocht het dorpje niet meer herbouwd worden. "Het tot nieuw leven brengen van de buurtschap Capelle wordt door ons niet wenselijk geacht", heette het. Nu resten slechts enkele huizen en een begraafplaats. Op het plaatsnaambord staat zelfs Kapelle.
In dit boek wordt het verhaal verteld van Hendrik Jan en Katrina de Boer (de ouders van de schrijfster van voorgaand artikel) en anderen, die ten tijde van de ramp in en om Capelle woonden en werkten. Een zeer indringend ooggetuigenverslag, waarmee Slager de gebeurtenissen tijdens de ramp zeer dichtbij haalt. De ontreddering, de machteloosheid en de overrompeling zijn bijna voelbaar aanwezig.
Het is méér: ook het verhaal van een dorpsgemeenschap in de eerste helft van de twintigste eeuw, de onderlinge verhoudingen, de geloofsverschillen, de sociale controle (die zover ging dat op de waslijnen naar maandverband werd gespeurd om te kunnen vaststellen of er een kleine werd verwacht), de macht van de boeren, de jaarlijkse verhuisronde als knechts naar een andere baas gingen, de succesvolle buurtvereniging en de moeizame strijd om vervallen huizen door nieuwe te vervangen (“onverklaarbaar bewoond”, noemden de dorpsbewoners ze).
Hoofdmoot vormen de herinneringen aan de watersnood. Twintig jaar geleden vertelde Stoffel van Maurik -hij verloor moeder, twee zussen en zijn broer- tegenover de PZC al eens over zijn lotgevallen. Veel wilde hij er niet over kwijt -het was nog niet verwerkt. Later zette hij zijn herinneringen aan zijn jeugd in Capelle en de ondergang van het gehucht op papier en vertrouwde dat toe aan Kees Slager. Die kwam daardoor op het idee een portret te schrijven van het laatste Zeeuwse gemeenschapje dat een prooi werd van de zee. En passant achterhaalde hij dat het dodental van de ramp met één vermeerderd moet worden tot 1836: in Capelle verdronk een pas geboren baby, die nooit bij de burgerlijke stand is aangegeven.
Bron: PZC 29-10-2002

* * *

RAADSELRIJMPJES _________________________________________________________

Tweebeen zat op driebeen;
Toen kwam vierbeen en wou driebeen bijten;
Toen nam tweebeen driebeen,
Om er vierbeen mee te smijten.

Oplossing:
Tweebeen is een mens
Driebeen is een melkerskrukje
Vierbeen is een hond


Jaargang 20 nummer 3 september 2002

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

Kleuterschool “De Paddestoel" in Den Hulst

* * *

KLEUTERSCHOOL DE PADDESTOEL _________________________________________________________

Citaat bij de opening van de openbare kleuterschool in Den Hulst: “ .... ..dat deze moderne school tot in lengte van dagen een zegen zal mogen zijn bij het opvoeden van kleuters."

Halverwege de jaren vijftig van de 20e eeuw begon Nieuwleusen te veranderen. Er kwam: nieuwbouw, riolering, ruilverkaveling, verharde wegen, nieuwe kantoren en nieuwe scholen. Men bouwde waarschijnlijk met een toekomstperspectief voor generaties en kon niet vermoeden dat een generatie later heel veel van wat zij tot stand hadden gebracht alweer zou worden ingeruild voor nieuwe projecten. De bouw van kleuterscholen is daarvan het duidelijkste voorbeeld. Er zijn heel wat scholen gebouwd en weer afgebroken. Als voorbeeld een verslag van de opening van kleuterschool De Paddestoel.

Onder grote belangstelling vond op woensdagmiddag 8 juni 1960 in zaal Vonder (later De Unie, red.) de officiële opening plaats van de nieuwe openbare kleuterschool De Paddestoel, gelegen aan de Baron van Dedemstraat.
Onder de aanwezigen waren burgemeester E.H. Mulder en echtgenote, de inspectrice van het kleuteronderwijs mej. Brands uit Emmen, schoolarts dr. J.H. Schuringa, wethouder Th. de Boer, gemeentesecretaris G.H. Krol, gemeente-architect R.J. Klijn, opzichter de heer Vos, aannemer Piel uit De Stapel, enkele raadsleden, afgevaardigden van het Volksonderwijs, de leidsters van de christelijke kleuterscholen van Den Hulst en Nieuwleusen en personeel van de openbare school C.
Burgemeester Mulder heette allen welkom, speciaal de inspectrice mej. Brands, die in korte tijd de opening van drie kleuterscholen in Nieuwleusen kon bijwonen. Gemeente-architect Klijn, onder wiens leiding de school werd gebouwd, schetste de moeilijkheden die voorafgingen aan de vlotte bouw. Hij overhandigde de sleutel van de school aan de burgemeester, die hem dankbaar aanvaardde. Burgemeester Mulder verwacht dat de kleuterschool spoedig zal moeten worden vergroot, gezien het hoge geboortecijfer. Hij dankte het hoofd van de openbare school C., de heer Zantinge, voor de gastvrijheid die de kleuterschool in zijn school heeft genoten. De voorzitter van de oudercommissie, de heer M. Kappert, dankte het gemeentebestuur voor de vlotte medewerking bij het tot stand komen van de school en aan de mensen die in 1955 het initiatief namen tot de oprichting. Namens de ouders en belangstellenden bood hij, als blijk van waardering, voor alle kleuters een paar pantoffeltjes aan, vervaardigd door de moeders van de kleuters. Tevens maakte hij de naam van de school bekend: DE PADDESTOEL.
Vervolgens spraken: de heer Zantinge, namens school C, en bood een enveloppe met inhoud aan; de heer Piel, namens de aannemers, en bood ook namens de heer Masselink een elektrische klok aan; H. Prins overhandigde namens het volksonderwijs en namens de Nederlandse onderwijsvereniging enveloppen met inhoud.
De kleuterleidster mej. Weymans zei blij te zijn met haar nieuwe school, waarin het prettig werken zal zijn. Tenslotte feliciteerde mej. Brands het gemeentebestuur en hoopte dat deze moderne school tot in lengte van dagen een zegen zal mogen zijn bij het opvoeden van kleuters.
Burgemeester Mulder bedankte allen voor de goede woorden en geschenken.
Daarna werd een bezoek gebracht aan de school, waar de kleuters stonden opgesteld. Na het zingen van een lied over de nieuwe school werd de naam door de kleuters onthuld. Het naambord is een geschenk van de ouders en werd gemaakt door de heer Veltmaat.

* * *

UIT: HET VRIJE WIEL IV/(1974) _________________________________________________________

Wisselend Getij
Men heeft het wel eens over de golfslag van de tijd en dan denkt men doorgaans aan een rustig voortkabbelende rivier met traag bewegende golfjes. Het kan echter ook anders; de golven van de tijd kunnen hemelhoog opzwepen en wee het schip - ook een zakenschip -dat dan niet hecht is gebouwd.
In dit gedeelte van het historisch overzicht zal de periode van wind- en stormgetij worden beschreven; een periode die tot heden zijn weerga niet gevonden heeft in het leven van Union / Unikap, en waarin de fundamenten van het bedrijf stonden te schudden. In de Nederlandsche Staatscourant van 21 oktober 1920 nr. 205 waren de Statuten afgedrukt van de N.V. Union Rijwielfabriek, voorheen Firma B.J. van den Berg. Aandelen-kapitaal ƒ 500.000,-- waarvan ƒ  301.O00,-- volgestort.
Er waren 2 afdelingen, namelijk de Afdeling Rijwielen en de Afdeling Bouwmaterialen. In dienstwaren 4 directeuren (3 voor de rijwielzaak en 1 voor de bouwmaterialenzaak) en 2 procuratiehouders. Het gehele bezit van de firma B.J. van den Berg was ingebracht; ieder van de broers had 100 aandelen volgestort en de moeder Mevrouw de Weduwe H. van den Berg- Blik één aandeel.
De beide broers en oorspronkelijke oprichters B.J. van den Berg en J. van den Berg werden directeur van de Afdeling Rijwielen (een derde directeur was belast met de Afdeling Inkoop voor de Afdeling Rijwielen, geen familielid). De derde en jongste broer Mijnheer E. van den Berg werd directeur van de Afdeling Bouwmaterialen. Onder diens eminente leiding ging deze zaak een tijd van bloei tegemoet.

De periode vanaf het begin der twintiger jaren tot aan 1930 kenmerkte zich door een rustige ontwikkeling, bijzonder schokkende dingen deden zich niet voor. In 1929 werd het 25-jarig jubileum op 27 juli op feestelijke wijze gevierd en de oudste directeur en oprichter de heer B.J. van den Berg gehuldigd. Zijn in koper gedreven portret dat hem als huldeblijk werd aangeboden, hangt nog in de hal van de Afdeling Mechanische administratie. (nu in museum "Palthehof") Zoals gezegd was het een tijd van rustige vooruitgang, er was zelfs sprake van een beperkte welvaart, hoewel er vooral voor ,,de kleine man" nog veel te wensen overbleef. De sociale voorzieningen waren nog slechts in een beginstadium; toch werd toen reeds geheel vrijwillig een klein begin gemaakt met een eigen pensioenfonds, waarvoor bij het jubileum in 1929 ƒ 2500,--werd gereserveerd.
De financiële positie van het bedrijf werd in deze tijd bijzonder versterkt, omdat er geen winst werd uitgekeerd en de winst in de zaak bleef. Toentertijd behoefde in zo’n geval ook geen belasting te worden betaald.
Directeur B.J. van den Berg gaf zich ook aan zaken voor het algemeen belang als wethouder, secretaris van de vereniging ,,Het Groene Kruis", ziekenfonds “De Voorzorg" enz.
We schrijven nu einde 1929; de tijd van betrekkelijke voorspoed was voorbij. Aan het eind van dit jaar werd de grote economische wereldcrisis ingeluid, die zijn oorsprong vond in een enorme terugval op de New Yorkse beurs. In één enkele dag werden veel rijke zakenmensen en beursspeculanten tot de bedelstaf gebracht. De prijzen van grondstoffen en de waarde van aandelen kelderden over de gehele wereld, maar niemand kon op dat moment nog bevroeden wat de gevolgen zouden zijn.
De directie van Union maakte zich direct nog geen zorgen en bleef de toestand rustig afwachten. Er waren immers wel vaker donkere jaren geweest, denk aan de jaren 1919/1920. Men had een prachtige reserve opgebouwd en was juist begonnen met de bouw van het grote Magazijn Grossierderij. Hierin werd ƒ 3500,-- geïnvesteerd, voor die tijd een groot bedrag.

De Uniongebouwen in het begin van de dertiger jaren van de vorige eeuw. Rechts naast het woonhuis het in 1929/1930 gebouwde grossierderijmagazijn met daarin de woning van E. van den Berg. Dit gebouw is nog aanwezig.

Men keerde zelfs voor het eerst sinds jaren aan de aandeelhouders een dividend uit. De fiscus wilde ook wel eens wat zien. Maar toch wilde het niet goed meer vlotten.
Het was wel te begrijpen dat de omzet bij de dalende prijzen wat terugliep en dat was op zichzelf niet zo'n ramp want de materiaalprijzen werden ook lager, zodat de prijzen van fietsen en onderdelen wel wat naar beneden konden. Maar de concurrentie zat ook niet stil en een nu reeds lang niet meer bestaande grote rijwielfabriek (Burgers Deventer) plaatste grote advertentie's over een hele pagina in de dagbladen met: “Onze schoorstenen roken nog, de prijzen zijn gedrukt". Een grote duim op de prijs Lager, lager, láá . . .ger!
Bijzonder laag was ook de prijs van de gebouwen, bosgrond en landerijen van het landgoed van wijlen Baron van Dedem ,,De Rollecate", dat publiek geveild werd. Union werd - misschien wel wat tegen wil en dank - bij de inzet eigenaar van het enorme complex voor slechts ƒ 9000,--. “Geen geld”, maar wat moest men er mee in crisistijd! Renteloos! Gelukkig zag men kans er nog met winst af te komen.
De zaken gingen in het gehele land en ook bij Union steeds slechter; door de sterke waardevermindering van goederen leverden de voorraden stroppen op. Bovendien kwam er nog een pechgeval bij, namelijk door levering van verkeerde lak ontstond er roestend lakwerk. Gevolg: vele fietsen moesten terugkomen en duizenden overgelakt, want Union stond in voor zijn kwaliteit.
Met bloedend hart moest er bezuinigd worden, ook op het personeel: loonsverlaging, ontslag. Een procuratiehouder kon gemist worden en werd vertegenwoordiger, het werk op ‘t kantoor kwam er wel om klaar; meerdere ontslagen moesten volgen. Een noodzakelijke kern zowel in fabriek als op kantoor moest echter blijven, dus maar om de week werken en dat was eigenlijk nog te veel.
Er was dan ook wel een ongekende werkloosheid, stempelen, grote armoede, praktisch geen koopkracht ondanks zeer lage prijzen. Een complete 1e klas Union fiets kostte in die dagen particulier ƒ 34,75; de handel had 30% korting plus omzetbonus plus 1½% voor contant, zodat een handelaar voor nog geen ƒ 100 vier prima fietsen kon kopen, maar desondanks geen verkoop en wat erger was: faillissement op faillissement, ook van oude trouwe klanten.
Het was wel een bijzonder schrale troost dat bij de vele balansen in de jaren 1932, 33 en 34, met een sterk nadelig saldo, zich ook die van Union voegde. De N.V. teerde alle reserves op. De balans van 1934 vertoonde wel het dieptepunt en ondanks alle pogingen om de kosten te drukken moest er nog meer gebeuren. Men confereerde avond aan avond en besloten werd, dat directeur B.J. van den Berg zelf de inkoop weer ter hand zou nemen; de organisatie zou worden omgebogen en a.h.w. weer van nieuws af begonnen. Dit had spoedig verstrekkende gevolgen. De derde directeur van de rijwielzaak (bij ouderen nog wel bekend) moest vertrekken. Blunders kwamen aan het licht, alle administratieve rompslomp werd overboord gegooid en een nieuwe “aanpak" kwam naar voren.
Hoewel het grootste deel van het publiek geen nieuwe fietsen meer kon kopen, moest men toch blijven fietsen. De oude fietsen dienden derhalve onderhouden en van tijd tot tijd opgeknapt te worden en daarvoor waren onderdelen nodig. Toen is de grossierderij een tijdlang de spil van de N.V. geweest en zie, toen kwam het herstel, wel heel langzaam en heus niet overweldigend, maar toch: er kwam een keer, zodat na jaren eindelijk de balans van 1935 met een, zij het klein, batig saldo sloot. O ja, het was nog vechten voor het bestaan, de Ionen bleven nog laag en lang niet alle mensen konden direct weer aan 't werk, maar toch, er was een ommekeer ten goede. De klappen in de crisistijd zijn zeer zwaar gevoeld, niet alleen materieel.
Op 25 augustus 1932 overleed de oude moeder Mevrouw de Weduwe van den Berg-Blik, 88 jaar oud. Heel erg was het betrekkelijk plotseling verscheiden van de jongste broer Mijnheer Evert van den Berg, directeur van Afdeling Bouwmaterialen; hij overleed 1 februari 1934, nog slechts 51 jaar oud. De oudste directeur Mijnheer B.J. van den Berg had ernstige maagklachten, mede veroorzaakt door de zenuwslopende crisistijd. Een operatie was noodzakelijk. Helaas na enige dagen kwam een inzinking en op 30 maart 1936 overleed deze oudste broer en oprichter de heer B.J. van den Berg.
De verliezen kwamen hard aan, vooral in een economisch zo ongunstige tijd, maar de mede door de overledenen aangekweekte geest van veerkracht en doorzetting bleef zich handhaven. De overgebleven directeur Mijnheer J. van den Berg werd al spoedig geassisteerd door de oudste zoon van zijn broer, mijnheer Ir. B.J. van den Berg, ons allen wel bekend, juist enige jaren tevoren afgestudeerd en door de aandeelhouders- vergadering van 15 april 1936 als opvolger van zijn vader tot directeur benoemd.
Na de economische storm, die vele bedrijven verwoestte, richtte de N.V. zich op en nam geleidelijk in de branche een steeds betere plaats in. Oude bekenden kwamen terug en nieuw personeel werd aangetrokken. De handel ging beter, de productie werd opgevoerd, de prijzen en omzetten stegen, de fabrieksruimten bleken te klein en in het najaar 1939 werd begonnen met de bouw van een nieuwe lakkerij met 2 verdiepingen voormontage en biezerij, welk gebouw in het voorjaar van 1940 gereed kwam. 1940 een rampjaar voor de gehele wereld, ook voor Nederland, ook voor Union, maar hierover een volgende keer.

* * *

HERINNERINGEN VAN EEN SCHOOLMEESTER XII _________________________________________________________

A. Visser

De hoofdakte
Het was eigenlijk een heel mooie tijd, die tijd na de bezettingsjaren; wat kon je genieten van de vrijheid. Als je die vrijheid een tijdlang hebt gemist en je leven in gevaar is geweest, dan besef je pas ten volle wat vrijheid is; dan zijn vrijheid en veiligheid grote weldaden. Na de bevrijding gingen wij dankbaar en blij weer met nieuwe moed aan het werk en aan de studie.
In de oorlogsjaren was alles zo in de war gelopen: de Duitse bezetter maakte je het leven zuur en je moest je melden voor de arbeidsdienst of voor tewerkstelling in Duitsland. Deed je dat niet, dan moest je onderduiken en werd je gezocht en was je leven voortdurend in gevaar. Dat deden wij dan ook want in het begin van 1944 was het studeren aan de Hervormde Kweekschool in Leeuwarden onmogelijk geworden. De toekomst zag er toen somber uit.
Maar gelukkig keerde het tij: de bevrijding kwam en alle kweekschoolleerlingen die in 1945 hadden kunnen afstuderen kregen hun onderwijzers akte, zonder examen te doen. Dat leek allemaal heel mooi, maar in feite had je de kweekschoolopleiding nog lang niet voltooid en je stond met zo'n surrogaat akte zeer zeker op achterstand als je ging solliciteren. Een ding was mij wel duidelijk: ik moest zorgen dat ik de hoofdakte kreeg.
Nou, dat was gemakkelijker gezegd dan gedaan. Die hoofdakte was een groot struikelblok voor menig onderwijzer. De studie was veel omvattend en de examens waren heel moeilijk. Er waren onderwijzers die meer dan tien keer werden afgewezen. Jaren en jarenlang waren ze er mee bezig en ik had met mijn onvoltooide kweekschoolopleiding nog heel wat in te halen. Dat bleek wel in 1946, toen ik examen deed voor het B-gedeelte van de hoofdakte. lk maakte er niks van, maar een collega die al vijf keer was geweest, had dezelfde onvoldoendes en buurmans leed is buurmans troost.
Met nog meer inspanning begon ik opnieuw. Ik had een combinatieklas met ruim vijftig leerlingen en dus was er ‘s avonds veel correctiewerk. Dat was elke dag een zeer tijdrovende bezigheid. Pas als die klus geklaard was, was er tijd voorde studie; een schriftelijke cursus! Veel vragen over de leerstof moesten worden beantwoord en ter correctie worden toegezonden aan de cursusleiding. Het was hard werken toen in Den Hulst, met alleen ‘s zondags even rust.
Mijn collega Klaas Geijtenbeek zat in hetzelfde schuitje en we besloten samen te werken. Elke avond, van maandag tot en met vrijdag, gingen we om ongeveer tien uur naar elkaar toe om samen, aan de hand van de cursusvragen de leerstof te repeteren. We hadden ergens de Latijnse spreuk gelezen: "Repetitio studiorum mater est!" (Herhaling is de moeder van het geleerde.) Dat werd onze lijfspreuk om vol te houden: als je maar veel repeteert en de leerstof blijft herhalen, dan krijg je die leerstof best wel onder de knie.
Wij hebben geen dag overgeslagen, repeteerden tot in den treure de lessen steeds weer van voren af aan. Maar die werkwijze bleek voor ons het ei van Columbus te zijn. In 1948 slaagden wij beiden voor de hoofdakte. Dat kon je meteen merken in je portemonnee, want je kreeg een hoger salaris maar daarover vertel ik een volgende keer meer.



* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

In het schooljaar 1968/69 bezochten deze kinderen kleuterschool “De Paddestoel” in toen nog Den Hulst op de hoek van de Baron van Dedemstraat en de Burgemeester van der Grondenstraat.


Foto Zl 7


1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  

Roelof Boverhof
Hendrik Jan van Dun
Betty van de Veen
Jan Boverhof
Roel Mijnheer
Roel van Holten
Karla Borgers
Eddy Veijer
Geke Brader
Jacob Brader
Juf Seubring
Juf Jansen
Alex Runhart
Wim Kleen
Rita Stegerman
Dick Boverhof
Jan Borgers
Jan Inberg

19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  

Giny Schra
Alita van Duren
Herman Seine
Jan Snijder
Arend Vos
Leida van de Veen
Alie Runhart
Roel Inberg
Jan Brinkman
Ruth Borgers
Ria Wildeboer
Sabrina Vogelzang
Ina Nijboer
Ria Hulzentop
Rianne Muller
Arend Muller
Henk Smink

36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
41  
52  

Arjan Spin
Gea Slagter
Ageeth Nip
Evert Kappert
Janetta Hartman
Adrie Krul
MoniqueWassing
Jan van Eldik
Nelleke Verboom
Erna Huzen
Mannie Seine
Gea Krul
Femmy Bouwhuis
Gea Klein
Alie Stegeman
Henk Bouwhuis
Henri van Duren

53  
54  
55  
56  
57  
58  
59  
60  
61  
62  
63  
64  
65  
66  
67  
68  
69  

Erik van Duren
Janko Rabbinge
Anja Pinxsterhuis
Alice Sterken
Marga van Kuik
Geert Braams
Johan Poel
Jan Katoele
Arie Gerrits
Harma Dozeman
Janet Dozeman
Ellen Kouwen
Edward Zantinge
Wilma Dozeman
Yvonne Wassing
Bé Vos
Klaas Sterken

Aanvullingen en/of correcties op de namen graag schriftelijk aan de redactie.

* * *

MET EEN ZEILSCHIP OVER DE DEDEMSVAART _________________________________________________________

In 1927 verscheen bij uitgeverij Kluitman het jongensboek Drie jongens op reis, geschreven door J. Treffers. Het gaat over de vakantieavonturen van Willem, zoon van schipper Beukers die eigenaar is van het tjalkschip de Marie Elisabeth. Het gezin woont in Dedemsvaart en Beukers vaart geregeld met turf uit de Overijsselse en Drentse veenkoloniën naar steden in Holland. In de zomervakantie mag Willem met twee vrienden een reis meemaken. Het begin en het einde van het boek beschrijft hoe de reis over de Dedemsvaart gaat. Die tekst geeft een aardig beeld van hoe zo'n reis per zeilschip ging. In de vaart wordt niet gezeild, maar er loopt een scheepsjager met zijn paard langs de kant van het kanaal en trekt de boot door het water.

De heenreis
De touwen zijn reeds ingehaald en ‘t jagertje loopt al naast zijn paard. ‘t Is nog maar ruim vier uur. Prachtig komt in 't oosten de zon op en doet haar eerste stralen over de nog ongerimpelde wateroppervlakte van het brede kanaal glanzen. Het belooft een mooie dag te worden, maar Beukers bekijkt met kennersoog de lucht en is van mening dat er vandaag vrij wat wind zal komen. Hij wijst de jongens op de windveren: lange, lichte wolkstrepen die hoog aan de westelijke hemel te zien zijn.
Herman mag 'echt’ sturen, al doet hij het dan ook op aanwijzingen van de schipper. Maar als er een schip van de tegenovergestelde kant komt, moet Herman zijn post weer verlaten. Nu komt ook Kokkie naar voren. Gewapend met een kurkenzak staat hij klaar om bij ‘t passeren van het vaartuig te zorgen dat verf en teer niet beschadigd worden.
Bij het doorvaren van een brug haalt de schipper telkens vijf centen uit zijn beurs en een van de jongens mag dat in het klompje van de brugwachter laten glijden. Herman, die niet gewend is veel geld te zien uitgeven, maakt de opmerking dat Beukers op die manier nogal wat centen kwijtraakt.
“Ja, jongen”, zegt deze, “zo'n reis brengt heel wat onkosten mee, anders zouden de schippers snel rijk worden.”
“Nu overdrijft u zeker een beetje oom. Men kan toch twintig keer een stuiver in een klompje laten glijden voor men een gulden kwijt is.”
“Dat klopt, maar het blijft niet bij die stuivers. Over een halfuurtje komen we aan de Lichtmis, dat is een sluis waar het Lichtmiskanaal in de Dedemsvaart komt. Daar moet ik anders over de brug komen. Mijn schip is 114 ton en ik ben op de Dedemsvaart zes sluizen gepasseerd -de Lichtmissluis meegerekend. Voor elke sluis betaal ik daar per ton 4 cent; dat is dus voor 6 sluizen 6 x114 x 4 cent = ƒ 27,36. De schippers weten dus wel wat tol betalen is.”


Zeilschip in de Dedemsvaart bij de Ommerdijkerbrug. Het huis rechts is de brugwachterswoning die geheel is verdwenen. Het pand waarin het café was gevestigd, bestaat nog steeds en biedt thans onderkomen aan een chinees restaurant. Ansichtkaart vermoedelijk uit omstreeks 1920.

Meteen zijn ze aan de sluis gekomen en de schipper heeft geen tijd meer om te praten. ‘t ls inmiddels zeven uur geworden en Kokkie heeft de koffie klaar. Ook ‘t jagertje krijgt een bakkie koffie mee. Nauwelijks is ‘t koffiedrinken afgelopen of de sluisdeuren gaan alweer open. Gezellig pratend komt men ongemerkt al bij Hasselt.
“Hier hebben jullie een paar uurtjes de tijd. Als je wilt mag je de stad wel eens bekijken.”
Dat doen ze graag. Ze vinden het toch ook wel prettig even te kunnen lopen en draven. Veel bezienswaardigheden biedt het oude stadje echter niet: alleen het stadhuis op de markt is het bekijken nog wel waard. Al spoedig zijn ze weer bij de sluis. De schipper en zijn knechts en nog een vreemde zijn druk in de weer om enkele dingen die ze op hun verdere reis niet nodig hebben bij de sluiswachter in de schuur te bergen. Het grote zeil, de zware ankers en kettingen die daar tijdens de tocht naar het veen opgeborgen zijn geweest, brengen ze nu aan boord. Daarna worden de kettingen die de bovenmast vasthouden nog eens stevig aangesjord. Als alles in orde is zegt schipper Beukers: “Nu nog boodschappen doen en dan gaan we weer.”
Met verwondering zien de jongens water zoal voor de reis wordt ingeslagen: meel, rijst, gort, bonen, van elk vijf pond, koffie, suiker, tabak, van elk twee pond, een grote hoeveelheid brood en nog verschillende kleinigheden. “Ziezo, nu zullen we op reis niet verhongeren” meent Beukers. “Ja, 't is mogelijk dat we morgen in Amsterdam zijn, maar 't kan ook dat we acht dagen onderweg blijven. Dat is me ook wel eens gebeurd.”
“Wat doet die man toch aan boord," vraagt Willem.
“Dat is Tinus. Die helpt ons Hasselt door! De uitgang uit de gracht in ‘t Zwartewater is, als het water in de gracht wat veel stroomt, nogal moeilijk. Als we straks goed en wel in ‘t Diep zijn, gaat hij weer terug.”
“Maar hoe komt hij dan weer aan wal?"
“Kijk maar eens achter aan 't schip.” Daar ziet Willem dat er in plaats van een nu twee bootjes meehuppelen.
Nadat ze de lange brug over het Zwartewater gepasseerd zijn, verlaat Tinus de tjalk met een hartelijk “Goeie reis”˜ en met drie kwartjes en een paar fikse boterhammen in de hand.
“Zie je wel,” zegt Beukers, “daar gaan alweer vijftien stuivers. En zo gaat het bijna dag aan dag als we 'binnen' zijn. Daarom ben ik wel eens blij als we weer op ‘t ruime sop zwalken.”

De terugreis
De reis verloopt zeer voorspoedig en ‘t is nog net geen vijf uur in de namiddag als dicht bij Hasselt Tinus de sjouwerman aan boord komt. Hij heeft de Marie Elisabeth al in de verte zien aankomen. Hij zal hen bij het in-en doorvaren van Hasselt weer behulpzaam zijn. Zo vlug mogelijk wordt alles afgedaan. Om half acht zijn ze al in de Dedemsvaart en loopt het jagertje weer naast zijn paard, want de wind is tegen de avond iets minder geworden.
“Dat is een meevallertje”, zegt Beukers tevreden als ze om kwart voor tien ‘s avonds de touwen voor de sluis aan de Lichtmis vastmaken.
“ik ga morgenvroeg met de eerste tram naar huis”, zegt Beukers. “Wie mee wil, moet maar fluiten.”
Alle drie jongens proberen te fluiten, maar omdat ze zo moeten lachen, mislukt het. Daar heeft de olijke schipper op gerekend -hij kijkt met opzet de andere kant uit -en hij zegt droog: “Nu dan ga ik maar alleen.”
Meer dan een uur turen de jongens de volgende morgen al langs het rechte Lichtmiskanaal of de stoomtram nog niet komt. Eindelijk! Daar is ze. In ruim een uur brengt deze hen naar de woning bij Beukers. De jongens kunnen haast niet wachten tot ze stilstaat. Herman en Hendrik vergeten zelfs bijna de vriendelijke schipper te bedanken. Wat kijkt Hermans moeder verrast op als ze zo geheel onverwacht haar jongen weerziet.

* * *

DE INSTALLATIEREDE VAN BURGEMEESTER MULDER _________________________________________________________

Rede gehouden door de heer E.H. Mulder ter gelegenheid van zijn installatie als burgemeester van Nieuwleusen, op 20 augustus 1957.

Mevrouw en mijne heren, leden van de raad,

Nu ik voor het eerst het woord tot u mag richten, is het mij voor alles een behoefte mijn eerbiedige dank uit te spreken jegens Hare Majesteit de Koningin, die mij tot burgemeester van uw gemeente heeft willen benoemen.
Ook de Minister van Binnenlandse Zaken die het nodige vertrouwen in mij heeft willen stellen, zeg ik hiervoor gaarne dank. Niet minder gaarne betuig ik mijn erkentelijkheid jegens de Commissaris der Koningin in deze provincie voor het feit, dat hij mij voor dit hoge ambt heeft aanbevolen.

Mevrouw, mijne heren,
Het is mij ook een genoegen het eerst te mogen spreken tot de gemeenteraad, waarvan ik thans het voorzitterschap uit handen van loco-burgemeester Reuvers gaarne aanvaard. Dat ik dit ambt mag overnemen in zo'n mooie gemeente, niet ver van mijn geboortegrond gelegen, is meer dan ik had verwacht. Mijn vrouw en ik zijn daar bijzonder blij mee. Terecht wordt Nieuwleusen geprezen om zijn stijlvolle boerderijen, zijn intieme huiselijke sfeer en zijn landschapsschoon.
Ik kan mij voorstellen dat mijn voorganger hier met grote liefde heeft gewerkt. lk heb gehoord van de goede verstandhouding met de heer Hoekstra en van het vele, dat onder zijn leiding is bereikt. Ik realiseer mij, dat het niet mee zal vallen u zijn vertrek te vergoeden. Gaarne geef ik u echter de verzekering, dat mijn vrouw en ik ons best zullen doen.
Zoals u reeds zei, wethouder Reuvers, is Nieuwleusen ons bij de eerste kennismaking niet tegengevallen. Een lange tijd is u met de waarneming van het burgemeestersambt belast geweest en dat, naar ik heb gemerkt, niet voor de eerste maal. Ik prijs mij gelukkig in de toekomst met u te mogen samenwerken. Ik hoop veel van uw langdurige ervaring te mogen profiteren. Voor de woorden waarmede u mij installeerde, ben ik hoogst erkentelijk.
De wijze waarop de wethouders met de secretaris ons de eerste maal hebben ontvangen, doet ons het beste verwachten met betrekking tot onze samenwerking. Ook het gemeentepersoneel van hoog tot laag verzoek ik mij hun medewerking van harte te willen geven. Het ambtenarencorps is een onmisbaar element in ons gemeentelijk bestel.


De heer en mevrouw Mulder (met achter hen zoon Jan) werden bij het gemeentehuis verwelkomd door Grietje Kok (met bloemen) en Hennie van Spijker in klederdracht. Links wethouder Jan Reuvers, daarnaast Henk Mulder, rechts Jan Bos en achter in de deuropening bode Arend van Spijker.

Gaarne breng ik thans ook een woord van dank aan allen, die bij deze installatie van hun belangstelling blijk geven. U sta mij toe, dat ik daarbij in het bijzonder denk aan de vertegenwoordiger van de Commissaris der Koningin, Mr. Diesch, de districtscommandant van de rijkspolitie, de heer Walpoot en de inspecteur van het lager onderwijs, de heer Bos.

Hetgeen wij op het ogenblik in deze raadszaal meemaken, leden van de raad, doet onwillekeurig de vraag stellen: Hoe zal het in de komende jaren in de gemeente Nieuwleusen gaan? Wat is het voornaamste aspect van deze gemeente?
Bij het stellen van deze vraag gingen mijn gedachten als vanzelf naar het verleden van deze streek. “In het verleden ligt het heden, in het nu, wat worden zal”. De streek waar ik de laatste jaren heb mogen werken, is een gebied, dat de bevolking zelf heeft gewonnen - heeft veroverd - met Gods hulp heeft ontworsteld aan de zee.

Het frappeerde mij, dat ook uw geschiedenis spreekt van een bevolking, die dit gebied zelf met hand en verstand heeft voortgebracht - gewrocht als het ware - door ontginning van wat voordien onvruchtbaar moeras was. Juist door deze inspanningen is de bevolking, naar mijn mening, zo aan deze streek gehecht. De bestuurders van toen waren echter ook op verdere vooruitgang bedacht. Zo heeft men tot ontwikkeling van dit land - ondanks de vele financiële belemmeringen - de Dedemsvaart tot stand gebracht. De gunstige gevolgen bleven niet uit. De grote, in Den Hulst gevestigde industrie, waarop men ook elders in Nederland trots is, is daarvan o.a. het sprekende bewijs. In het heden voltrekken de wijzigingen in het maatschappelijk leven zich echter veel sneller.
Zo heeft het tegenwoordige geslacht, tot grotere welvaart van de gemeenschap, in een betrekkelijk kort aantal jaren, een ruilverkaveling meegemaakt, die wel uitermate diep in het bestaan der inwoners ingreep. Ik heb dit in mijn vorige woonplaats van nabij meegemaakt.
Ook bij de kolonisatie van de streek in de 16e eeuw en na de ontsluiting van dit gebied door het graven van de Dedemsvaart, zullen velen wel eens beducht zijn geweest voor de gevolgen. Men zal ook toen zijn visie op de toekomst wel eens hebben moeten wijzigen. lk heb met opzet een greep in de geschiedenis van uw gemeente gedaan, omdat ik daarin een parallel zie met onze tijd. Van onze voorouders werden tot behoud en toename van de welvaart, beslissingen gevraagd waarvan de gevolgen destijds niet gemakkelijk waren te overzien. Beslissingen die blijk moesten geven van begrip voor de situatie, zoals die zich aan hen voordeed.
Dit geldt ook voor ons. Ook wij hebben ons te bezinnen op de toekomstmogelijkheden van de na ons komende geslachten. Ook deze jongeren zullen de gehechtheid aan de eigen bodem kennen. Wij zullen ons er daarbij echter voor moeten hoeden, niet te streven naar uitsluitend materiële welvaart. Mijn voorganger heeft er bij zijn afscheid terecht op gewezen dat ons geestelijk welzijn daar ver bovenuit gaat. De dynamische ontwikkeling van onze maatschappij leidt er maar al te gemakkelijk toe, dat de mens het niet zo nauw meer neemt met de Christelijke leefregels waarop ook ons staatsbestel is gegrondvest. Naar mijn mening hebben wij niet als taak: Al het oude door het moderne te vervangen, doch veeleer: Op het goede in het oude, het goede in het nieuwe te enten, opdat een gewas tot ontwikkeling kome, dat de best mogelijke vruchten voortbrenge. Moge het u, leden van de raad, gegeven zijn hierbij de juiste weg te kiezen.

Gaarne hoop ik dat wij in Nieuwleusen zo eendrachtig samen mogen streven naar een levensgemeenschap, geworteld in de Christelijke naastenliefde, gegrondvest op de persoonlijke verantwoordelijkheid jegens God. God schenke ons hiertoe de nodige wijsheid en de Liefde van Christus, zonder welke, naar mijn persoonlijke overtuiging, niets kan bestaan.
lk heb gezegd.

* * *

7S JAAR CHRISTELIJKE SCHOOL _________________________________________________________

Heb je wel gehoord van het plaatsje Nieuwleusen
‘t dorpje waar onze school ontstond?
Het was toen wel heel anders hier,
want er was nog niet zoveel vertier.
      Refrein: Dat is waar, dat is waar
      in die vijf-en-zeventig jaar.

Heb je wel gehoord van een griffel en een lei?
Een sponzedoos die hoorde er ook bij.
Al had je goedje best gedaan,
‘t kon er echt niet langer blijven staan.
      Refrein:

Heb je wel gehoord van kroontjespennen?
Moeilijk was het om er aan te wennen.
‘t Moest dik en dun, haaltje op, haaltje neer
en een inktmop kreeg je keer op keer.
      Refrein:

Heb je wel gehoord: aap. noot, mies, wim en zus? Leren lezen was een hele klus.
De leesboekjes van Ot en Sien
heb je vast wel eens als plaat gezien.
      Refrein:

Heb je wel gehoord van erg grote klassen?
Er moesten er drie in een bankje passen.
En als je eens wat stouts had gedaan,
mocht de meester je gerust hard slaan.
      Refrein:

Heb je wel gehoord van handvaardigheden?
Daar wilde men toen geen tijd aan besteden.
Hinkelen en hoepelen kon je wel
en ook tollen was toen kinderspel.
      Refrein:

Heb je wel gehoord wat toen mode was?
Schortjes droeg je in de klas.
Hoe denk je dat het jou zou staan
zo een kniebroek met bretels eraan?
      Refrein:

Heb je wel gehoord hoe het vroeger was?
Lijkt het jou wat in zo'n ouderwetse klas?
Met een strenge meester of juf
leren was toen nog zo saai en duf.
      Refrein:

Heb je wel gehoord van het schoolgaan hier?
Nu gaat ‘t met veel meer plezier.
Met De Wegwijzer en Het Kompas
zijn we alien reuz' in onze sas!
      Refrein: Dat is waar, dat is waar
      in die vijf-en-zeventig jaar.

Noot van de redactie: Bovenstaand titelloos lied bevindt zich in het archief van de vereniging. Zowel de schrijver als de melodie zijn onbekend. Ook is het niet van een datering voorzien, maar het moet in 1987 geschreven zijn ter gelegenheid van de viering van het 75jarig bestaan van het christelijk onderwijs in Nieuwleusen.

* * *

LEZERS REAGEREN _________________________________________________________

Van de heer G. Schoemaker ontvingen we een reactie op het artikel “De geschiedenis van de zuivelindustrie in Nieuwleusen IV, dat in het vorige kwartaalblad werd gepubliceerd. Op bladzijde 31 is sprake van het opblazen van de schoorsteenpijp van “Onderling Belang” in 1981. De schoorsteenpijp is evenwel niet opgeblazen, maar op 17 oktober 1980 van bovenaf afgebroken door mannen met grote hamers. Toen het verantwoord was, werden er op een bepaalde hoogte kabels rond de schoorsteen gespannen en werd het resterende deel omgetrokken. Dit gebeurde nog een tweede keer en toen was er, na een halve dag noeste arbeid weinig meer van de bij menigeen zo dierbare schoorsteenpijp over.


Op deze foto uit omstreeks 1965 van een Burgemeester Backxlaan met uitermate weinig verkeer, staat de schoorsteenpijp (uiterst rechts) nog fier overeind.

Ook kregen we een reactie op hetzelfde artikel van de heer J. Haasjes. Het was hem opgevallen dat op bladzijde 28 vermeld is dat zowel Lammert Vos als Johannes Vos de initiatiefnemer en eerste voorzitter van Isalacta waren. Uiteraard is dat niet juist. De eerste vermelding bij het deel over Lammert Vos, op regel 4 tot en met 7 van genoemde bladzijde, hoort daar niet te staan. Onze excuses hiervoor.


Jaargang 21 nummer 4 december 2003

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *

OMSLAGFOTO: _________________________________________________________

Het viaduct in aanbouw. De foto is genomen vanaf de watertoren in de richting van Nieuwleusen. Het Lichtmiskanaal komt van rechts. De huizen rechts zijn wat nu het wegrestaurant is. Links vaart een schip de Dedemsvaart op richting Nieuwleusen. Op het eilandje in het midden wordt gewerkt aan het viaduct.

* * *

AANLEG LICHTMISVIADUCT _________________________________________________________

Alles herhaalt zich: 2002 werd gekenmerkt door grote politieke veranderingen en “meer asfalt” was een van de nieuwe thema's. “Zwolle slibt dicht" is een veel gehoorde waarschuwing en filevorming op de A 28 tussen Staphorst en Zwolle is dagelijkse kost. Vijfenzestig jaar geleden, toen de auto nieuwe wegen nodig maakte, werd er ook al hard gewerkt aan een snelle verbinding naar het noorden; het is de basis voor de autosnelweg zoals die er nu nog aangepast aan de eisen van onze tijd ligt. Daarvoor werd in 1937 een vaste brug over de Dedemsvaart gebouwd en daarbij werd al uitgegaan van het gescheiden rijden via op- en afritten naar en van autosnelwegen. Nu vinden we dat vanzelfsprekend. Toen was dat een nieuwe vinding.

In de krant van vrijdag 12 februari 1937 lazen we:
De volgende week heeft de aanbesteding plaats van de nieuwe brug over de Dedemsvaart bij de Lichtmis in de rijksweg Zwolle - Meppel. De nieuwe weg, waarvan de brug een integrerend deel zal uitmaken, is een moderne autosnelweg. Voor alles is er naar gestreefd het aantal kruisingen van deze weg door andere wegen tot een minimum te beperken. Ook is er zorg voor gedragen dat het afwijken van de hoofdweg naar zijwegen en het komen van zijwegen op de hoofdweg zoveel mogelijk geschiedt zonder dat het verkeer op de hoofdweg wordt gekruist. Als consequentie hiervan is nog een aanvullende wijziging in het plan gekomen, n.l. de aanleg van een parallelweg langs het Lichtmiskanaal. is het geheel gereed, dan zal noch voor het komen op, noch voor het verlaten van de hoofdweg het verkeer gekruist behoeven te worden. Het komen op en verlaten van de weg geschiedt dan altijd aan de rechterzijde.


Het viaduct kort nadat het blad “Eigen Erf” op 19 augustus 1938 had gemeld dat de brug “binnenkort voor het verkeer zal worden opengesteld.”

Het type brug is hetzelfde als de brug over de Vecht bij Berkum, maar toch zijn er kleine verschillen. Hier volgt de beschrijving van de Lichtmisbrug. De brug is geheel van gewapend beton, rustend op jukken waarvan de palen tot bovenaan in het volle gezicht doorlopen. De koppen der palen komen in V-vorm onder de jukbalk samen. Bij de verdeling in vakken moest rekening worden gehouden met de invaart-opening van de schutsluis, welke schuin de brug kruist en een overspanning van 12,50 m. nodig maakt. Met het oog op alle mogelijke eventualiteiten heeft men een even grote overspanning gemaakt aan de Meppeler zijde, waar de brug de kolk van de uitwateringssluis (de vroegere schutsluis) overspant. De opritten hebben een helling van 50:1 en zet zich op de brug in gelijke verhouding voort, maar het middengedeelte ter lengte van 50 meter is horizontaal, zodat tegenliggers elkaar op ruime afstand kunnen zien naderen. Aan de Zwolse zijde sluit zich hierbij aan een overgangsboog, waardoor een 20 cm doorvaarthoogte voor de schepen is gewonnen. De brug heeft een rijweg van 7 m. breedte, met ter weerszijden verhoogde rijwielpaden van ieder 2 m.
De eigenlijke brug heeft een lengte van 99,46 m. Zij bestaat uit 5 dwarsliggers met een draagplaat en hierop een brugdek, tezamen een hoogte van 1 m. De ANWB verzet zich -en niet ten onrechte -tegen het aanbrengen van een ander soort bedekking op de bruggen dan op de aansluitende rijweg. Daarom wordt hier als wegdek eveneens toegepast een plaat van gewapend beton. Zij vormt niet een geheel met de brugconstructie, maar wordt er wel nauw mee verbonden. Iets bijzonders is dat deze dekplaat in haar geheel wordt gemaakt, dus bij een breedte van 7 m. met een lengte van bijna 100 m. In de verhoogde trottoirs worden drie afzonderlijke sleufjes uitgespaard voor de diverse kabels.


Het Lichtmisviaduct is in gebruik genomen. Erg druk was het niet op de autoweg zo vlak voor de oorlog. De foto is genomen vanaf de watertoren in de richting van Nieuwleusen. Links café van Eldik, daarvoor het café van Barelds en daarvoor van Waanders met daarachter de gebouwen van Coöperatie De Eendracht. Duidelijk zijn de sluiskolk (rechts) en het afwateringskanaal (links) te zien.

De dekking van de trottoirs zal bestaan uit afwisselend witte en zwarte tegels, dus iets voor schaakliefhebbers. Aan weerszijden komt een beton-leuning van 1 m. hoogte.
De brug wordt gedragen door 10 jukken, waarvan de beide jukken die de landhoofden vormen ieder door 11 palen gedragen worden, de overige door 10 palen, behalve het middelste juk, waaronder 12 palen komen omdat hierop de enige vaste oplegging komt; alle overige opleggingen zijn rollend. De achtkantige betonpalen met een doorsnede van 40 cm staan twee-aan-twee in omgekeerde v-vorm, behalve in de scheepvaartdoorgang, waar zij te lood zijn gehouden en beschermd door remmingswerken. Boven de scheepvaart- opening ligt de onderkant van het brugdek op ongeveer 5,75 m. boven het thans normale kanaalpeil. Het hoogste van de rijweg ligt op 6,80 plus NAP. De jukbalken krijgen afnemingen van 0,80 x 1 m. De oplevering van de brug moet einde 1937 plaatsvinden. Buitengewone haast is er met de brug niet, daar deze pas ten volle tot haar recht kan komen na het gereedkomen van de nieuwe weg om Staphorst.

* * *

LICHTMIS _________________________________________________________

J.W. de Weerd

De buurtschap Lichtmis op de grens van de gemeenten Staphorst en Zwolle (tot voor de herindeling Staphorst en Nieuwleusen) wordt doorsneden door de autoweg A28, de belangrijkste noord-zuidverbinding. Al ten tijde van de 80- jarige oorlog was hier een verbindingsweg door het toen moerassige veengebied. Het fort te Lichtmis moest dienst doen om het noorden tegen invallen van vreemde legers te beschermen.
Op enig moment ontstond er op dat punt een herberg, dat als “rood pannen huys” op kaarten is terug te vinden. Sindsdien is er op dat punt vermoedelijk altijd wel sprake van een herberg of café, tot aan de huidige tijd toe.
Maar waar komt de naam Lichtmis vandaan? Nu is het soms moeilijk om duidelijk te krijgen hoe een buurtschap aan zijn naam is gekomen. In het verleden ontstonden namen, zonder dat dit op papier werd vastgelegd. In het kwartaalblad van maart 1989 (Nijluusn van vrogger, jrg. 7, nr. 1) schreef Aartje Schoemaker-Ytsma al eens uitgebreid over Maria Lichtmis.

De “dikke Van Dale”, 11e herziene druk uit 1989, geeft voor Lichtmis twee betekenissen: 1e Maria-Lichtmis, vrouwendag (2 februari), het feest van Maria's reiniging en haar opdracht van Christus; 2e a. losbol, iemand die zich aan uitspattingen overgeeft, b. lichtzinnig meisje. Ook het werkwoord lichtmissen blijkt te bestaan en betekent: een losbandig leven leiden. Voor lichtmisserij geeft Van Dale een losbandig leven, uitspatting. Lichtmis is samengesteld uit “licht" en “mis”. Licht heeft o.a. een betekenis van voortreffelijk of uitstekend en kan ook in negatieve zin gebruikt worden: hij is geen licht = hij is dom. Mis betekent ook misslag, misgreep of dwaling.

De tweede verklaring die Van Dale geeft voor het woord “lichtmis”, moet reeds lang in onbruik zijn geraakt. In de 17e en 18e eeuw was deze betekenis nog wel bekend. In 1671 verscheen van Jan de Mol het kluchtspel “De bedrogen lichtmis”, zoals toen gebruikelijk op rijm (bron: DBNL, Leiden).
We vonden het gebruik ook in een in ons archief aanwezige kopie van een ongedateerd oud artikel van een onbekende schrijver over een “Slagerije”. Deze vechtpartij heeft in 1760 in de kerk van Heemse bij Hardenberg plaatsgevonden. In een brief aan de Drost pleit Isaac Reinder van Raesfelt, Heer van Heemse, voor zijn onschuld. Hij was namelijk in gevecht geraakt met een zoon van dominee Antonius Stolte. Van Raesfelt schrijft: "...Dat ik daarna met woorden en daden door een lichtmis ben aangerand en aangetast in mijn eigen gestoelte, so als ik door meer dan 20 getuigen bewijse, dat is een aparte saek, ..."

De buurtschap Lichtmis zou dus zijn naam te danken kunnen hebben aan Maria-Lichtmis of aan het meer losbandige leven ter plaatse. Wordt de verklaring gezocht in Maria-Lichtmis, dan moet er een katholieke achtergrond zijn. Ten tijde van of kort na de Middeleeuwen zou deze plek dan al enige ontwikkeling moeten hebben doorgemaakt. Dat zou dan te maken kunnen hebben met een stuk land of boerderij (rood pannen huys?) op die plaats. Het gebied zou dan aan het nabijgelegen Zwartewaterklooster toebehoord kunnen hebben. Voor zover bekend is in de archieven daaromtrent niets te vinden.
De vermelding in oude geschriften van de aanwezigheid van het “rood pannen huys" als herberg kan ook een indicatie zijn om de naam verklaren. De aanwezigheid van een herberg in een afgelegen gebied en de aanwezigheid van een fort waar van tijd tot tijd soldaten waren gelegerd, kan geleid hebben tot een plek waar losbandig werd geleefd. Misschien ligt “Lichtmis” in deze oude betekenis iets meer voor de hand.
Wat de verklaring voor de naam “Lichtmis” ook mag zijn, zeker is dat het een belangrijk punt in het Nederlandse wegennet is geworden.

* * *

RAADSELRIJMPJES _________________________________________________________

Ik heb geen benen
En toch kan ik gaan
Wel heb ik armen
Die wijzen aan.

Oplossing: klok

Wij slaan elk uur
En doen niemand pijn
Kunt u nu zeggen
Wie we zijn?

Oplossing: torenklok

* * *

EEN ZOEN VAN DE JUFFROUW _________________________________________________________

A. Visser

In museum Palthehof stond in 2003 met de titel “.....en een zoen van de juffrouw” het onderwijs van vroeger centraal. De juf stond met een aanwijsstok bij de voorste bank en naast haar stond een jochie “in de hoek”. Nee, hij kwam blijkbaar niet in aanmerking voor een zoen van zijn juf. Misschien had hij wel op een onplezierige manier kennis gemaakt met de aanwijsstok die de juf in haar hand had, want die werd vaak voor meerdere doelen gebruikt. Het was ook vroeger niet altijd pais en vree in de klas en een zoen van de juf was een hoge uitzondering. lk heb die vreugde nooit beleefd!!!
Het schoollokaaltje in het museum ademde de sfeer van vroeger en vele herinneringen kwamen bij mij weer boven: herinneringen uit de tijd van voor de tweede wereldoorlog en aan de tijd daarna.
Er waren verschillen tussen die twee.
In de dertigerjaren van de vorige eeuw werd het leesonderwijs in klas 1 (nu groep 3) veelal gegeven aan de hand van het leesplankje met “aap-noot-mies” en met behulp van de leesplaat voor in de klas. Het schrijfonderwijs vond plaats met lei en griffel. Papier kwam er in de eerste klassen niet aan te pas. Pen en inkt evenmin.
Elke leerling had in zijn “kastje" een lei waarop hij of zij met een ronde griffel moest leren schrijven, tekenen en rekenen. Die griffel werd, met misschien nog een paar exemplaren meer, opgeborgen en bewaard in een griffeldoos; een langwerpig houten doosje met aan de bovenkant in twee gleuven een deksel dat weggeschoven kon worden.
Sommige leerlingen hadden een wat duurdere griffeldoos; een doos met twee verdiepingen. Het bovenste gedeelte van de doos kon worden gedraaid en dan kwam de onderste verdieping, zonder deksel -want die functie vervulde de bovenste verdieping al -, te voorschijn.
Kinderen uit arme gezinnen moesten hun griffel meestal opbergen in een kokertje. Zo'n kokertje was van blik en er zat aan een eind een dekseltje. Vaak waren deze kokertjes beplakt met reclamepapier; vaak chocolade-reclame, want in die kokertjes hadden eerst chocoladeflikken gezeten. Die naam flikken of flikjes is ontstaan omdat in Amsterdam toen een chocoladefabrikant woonde die Casper Flick heette. Hij leverde chocoladeschijfjes zo groot als een munt van 50-eurocent en gebruikte blikken kokertjes als verpakkingsmateriaal. Vandaar. In zo'n flikkenblikje waren de griffels wel goed opgeborgen, maar die dingen waren rond en ze rolden telkens met veel lawaai uit de kastjes of van de bank! Dus daarom werd door de juffen en meesters het gebruik van de griffeldoos sterk aanbevolen.


De schoolklas zoals die in 2003 in museum Palthehof te zien was tijdens de tentoonstelling “....en een zoen van de juffrouw”.

Elke leerling had ook een eigen sponsdoosje -een cilindervormig blikje met aan elk eind een dekseltje. Het was door een tussenschotje in twee helften verdeeld, dus eigenlijk twee doosjes in een. In de ene helft zat een nat sponsje en in de andere helft een stukje zeemleer of een lapje stof. Na gebruik van de lei moest die weer schoon gemaakt worden met het sponsje en daarna drooggewreven met het lapje. Dat gebeurde een paar keer per dag en het resultaat liet vaak te wensen over. De lei bleef grijs en de sponsdoosjes verspreidden een kwalijke reuk.
Om op de lei netjes te schrijven moesten er lijnen worden getrokken met griffel en liniaal. Elk kind had daarvoor een liniaal van 1 cm hoog en 1 cm breed, mooi vierkant dus, en 30 cm lang. Met zo'n liniaal was het gemakkelijk om lijnen te trekken van 1 cm van elkaar verwijderd en evenwijdig aan elkaar. Pas later kwamen de platte liniaaltjes op de markt.
Na veel schrijf-en rekenoefeningen op de lei kwam dan in de hogere klassen het gebruik van papier, potlood, pen en inkt. Dat was gewoon een nieuwe start. Eerst nog even met een potlood op het papier proberen te schrijven -dat kon immers ook worden uitgegumd als er iets fout ging -en dan kwam tenslotte de kroontjespen aan de beurt. Dat lukte geen kind zonder inktvlekken! De kroontjespen was nogal kwetsbaar. Je moest er voorzichtig mee omgaan en er niet mee “krassen”. In de schoolbank zat een ronde uitsparing waarin een glazen inktpotje kon worden geplaatst. Met een grote inktfles vulde de leerkracht die potjes. Na gebruik van pen en inkt moest het inktpotje in de schoolbank worden afgesloten met een schuifdekseltje en de kroontjespen moest worden afgeveegd aan de inktlap die moeder had gemaakt. Elk nieuw schooljaar kwamen de leerlingen trots met hun nieuwe inktlap, gemaakt van een paar kleine lapjes katoenen stof, precies in het midden aan elkaar genaaid met bovenop een mooie knoop als versiering. Ook werden de eerste handwerklessen voor meisjes wel gebruikt om vierkante lapjes te breien om daar dan ook een inktlap van te maken en zo het aangename met het nuttige te verenigen. Wie het goed deed kon trots zijn op haar werkstuk, maar O wee, wie niet zo regelmatig breide! Zo’n inktlap maakte al vlug weer plaats voor die van moeder.

* * *

REACTIES GROEPSFOTO SEPTEMBER _________________________________________________________

uit de Dalfser(?) Courant van 1 jan.1899.

Op de schoolfoto van kleuterschool “De Paddestoel” in het vorige kwartaalblad ontvingen we een aantal reacties, zodat we de volgende aanvullingen kunnen geven. Nr 18 = Jan Inberg, nr. 26 = Roel Inberg, nr 28 = onbekend, nr 35 = Henk Smink (ipv 28), nr 30 = Sabrina Vogelzang, nr 50 = Alie Stegeman.
Sabrina Vogelzang stuurde de volgende informatie: “Ik las vandaag de septemberuitgave van “Ni’jluusn van vrogger” en kom mijn eigen klassefoto tegen. Helaas heeft niemand mij herkend! De foto is genomen in het toenmalige Sprookjespark “De Zeven Provinciën” in Hellendoorn, nu beter bekend als Avonturenpark Hellendoorn. Nr. 30 op de foto ben ik."
(De lijst is aangepast.}

* * *

EEN DUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Omstreeks 1950 werd deze foto gemaakt bij de Christelijke School in Den Hulst. Van de leerlingen ontbreken enkele namen, dus wanneer u iemand herkent of andere aanvullingen heeft, aarzel dan niet om die, graag schriftelijk, aan de redactie te doen toekomen. Foto ZG052



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  

juffrouw Ebbelink
meester Meijer
juffrouw Boertien
Roelof Doldersum
Piet Wijbenga
Jan Tempelman
Roelof Klein
Theo Tempelman
Jelle Bos
Henk Kouwen
meester Kuiper
meester Geijtenbeek
Tonny Tempelman
Hennie Blik

15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  

Mina Westerhof
Derkje Westerhof
Catharina Westerhof
Aaltje Kappert
Aafje de Lange
Aaltje Borgers
Aaltje Wink
Jantje Krale
Femmie van Dorsten
Jantje van Dorsten
Roelie Kleine
Riekie Runhart
Alie van Duren
Klaasje Katoele

29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  

Dinie Wijbenga
.... Kappert
Jopie Doldersum
Germien Bolhoven
Trijntje Nijenhuis
Gerrie van Dorsten
Gé van Dorsten
Geesje Kappert
WiIlem Stolte
Henk Emmink
Willem Kleen
Klaas Huls
Henk van Duren

42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  
54  

J...A... Evenboer
Jan Runhart
Jan Molderink
Jan Bouwmeester
Harm ter Wee
Henk Westerik
Klaas Dunnink
Gerard Tempelman
Albert Spin
Bob de Zwart
Klaas Wink
Berend Westerik
Jan Krul

* * *

DE VROEGERE KOESTAL VAN
VAN DEDEM _________________________________________________________

H. Dunnink

Dit artikel is met toestemming van de Historische Vereniging in de gemeente Staphorst overgenomen uit “’t Olde Stapperst”, 24ste Jaargang nummer 2, juni 2003.

In 1909 liet Baron Willem Jan van Dedem een nieuwe koestal voor 200 koeien bouwen op de hoek van wat nu de Schapendijk en de Van Dedemweg is. De stal was onder andere voorzien van een kantoor, een laboratorium, een machinekamer en een schaftlokaal. Voor een en ander had men ook toen al een hinderwetvergunning nodig.
In zijn goede jaren heeft hij de stal ook vol gehad en met zijn 200 koeien was hij waarschijnlijk de grootste boer in de gemeente Staphorst tot nu toe.

Melkmachines waren er toen al wel, maar het was toen nog een martelwerktuig voor het vee. In een uitgave over de landbouw in die tijd werd gemeld, dat de “Maatschappij Rollecate" aan de Dedemsvaart de eerste elektrische melkmachine in Nederland had aangeschaft en dat hij (de baron) tevreden was over de resultaten.


Baron Willem Jan van Dedem;
1854 - 1922

Aan dit alles is een einde gekomen door het overlijden van de baron op 15 februari 1922 in het ziekenhuis te Groningen. Zijn huwelijk was kinderloos gebleven. Door deze omstandigheden werd overgegaan tot verkoop van het landgoed. In een tweetal publieke veilingen heeft dat plaatsgevonden. De eerste veiling vond plaats op dinsdag 23 oktober (inzet) en 6 november 1923 (toeslag), telkens om 11 uur in café Borst, bij de Ommerdijkerbrug. Perceel 10 bestond uit de opstallen van wat nog steeds de “nieuwe stal” genoemd werd. Wie de nieuwe eigenaar is geworden is helaas niet bekend.
Wei duidelijk is dat de bestemming wijzigde van “landbouw" in “industrie”. De Meppeler Courant meldt in 1927, dat een begin is gemaakt met het bereiden van cacao in de fabriek “Theresia”, Wijk M71 aan de Schapendijk, Den Hulst.
In 1931 vraagt de “Theresia" om uitbreiding van het ketelhuis, de stoomketel en de schoorsteen. Hoewel de omwonenden veel bezwaren hadden vanwege stank en rook, waar passerende paarden last van konden hebben, werd de vergunning verleend.

Doortrekking Schapendijk
Tot 1935 begon (of eindigde) de Schapendijk/Schapendrift bij “Theresia". De Rollecaterweg was toen de doorgaande weg van en naar de Dedemsvaart. Deze weg was in een slechte staat. Dit staat al uitvoerig beschreven in “De melk an diek…”
In het raadsverslag van de gemeente Staphorst van oktober 1935 staat dat ongeveer alle raadsleden een bezoek aan de Schapendijk gebracht hebben. Het college van B en W was met de directie van de cacaofabriek overeengekomen, dat, als de weg rechtdoor werd getrokken, zij genegen was om de benodigde grond afte staan. Dit onder voorwaarde, dat het “enkel spoor”, dat toen langs de weg lag, gehandhaafd bleef.
Toen kwam de discussie. De één vond dat het een duur grapje was, een ander was niet op de hoogte van het feit dat de weg eigendom was van de fabriek en met palen was afgezet. Eén raadslid zei: “Er is al zoveel over de Schapendijk en de verharding daarvan gesproken. De raad heeft ook verplichtingen om de weg daar in orde te brengen. Deze kwestie loopt al vanaf 1931 en moet de wereld eens uit”. Alzo viel er een gunstige beslissing voor de Schapendijk.
Rond 1935 was het waarschijnlijk de topperiode van de cacaofabriek. Er waren ook tijden geweest dat de fabriek niet werkte. Ook tijdens de Tweede Wereldoorlog werd weinig over de fabriek gehoord en stond deze leeg.
Waar de naam “Theresia” vandaan komt is niet bekend. De werkzaamheden zijn vrijwel geruisloos beëindigd. In de naoorlogse jaren is de fabriek verkocht. Aan wie is niet bekend.

“Nestradi”
Na de oorlog vestigde de Nederlandse Eerste Stalen Ramen Industrie (Nestradi) zich aan de Schapendijk. Zij kwam uit Apeldoorn, evenals de directeur, Klaas Muller. Deze heeft niet in Staphorst gewoond.
De fabriek werd onder van een kantoor en boven van twee woongelegenheden voorzien. Het bedrijfsgedeelte liet nogal wat te wensen over. Desondanks werkten er veel mensen. De geschiedenis van Nieuwleusen maakt melding dat er rond 1950 ongeveer 30 mensen uit deze gemeente bij Nestradi werkten. Over andere werknemers werd weinig gezegd. In 1952 werd het bedrijf evenwel gesloten wegens verplaatsing naar de bakermat, Apeldoorn. Het personeel mocht mee verhuizen!

Bescherming Bevolking
Na die periode kwam de BB (Bescherming Bevolking) in het gebouw. Het werd gebruikt als opslag voor materialen, die in geval van nood nodig mochten zijn. De bovenwoningen werden verhuurd. Diverse gezinnen hebben er langere of kortere tijd gewoond.
Nadat de BB het pand had verlaten vestigde Buisman Woninginrichting zich in het pand, die het tot op heden nog gebruikt.

Oprichting Rollecate
Tot de werknemers van Nestradi behoorden onder andere R. Roo en H. Vonder, beiden uit Nieuwleusen en H. Zwerus, wonende op de Punthorst. Na tijdelijk ergens anders gewerkt te hebben, besloten zij met zijn drieën om gezamenlijk voor eigen rekening te beginnen. Zij klopten eerst aan bij de gemeente Nieuwleusen, maar vonden bij de toenmalige burgemeester weinig gehoor.
Toen de heer Roo op een verjaardagsvisite bij zijn zuster en zwager was, was daar ook Harm van der Wal, de zoon van burgemeester Van der Wal. In het gesprek kwam naar voren, dat Roo met Vonder en Zwerus voor zichzelf wilden beginnen, maar geen onderdak hadden. Harm gaf dit door aan pa de burgemeester. Dat was niet aan dovemansoren gezegd. Mogelijk had hij Nestradi node zien vertrekken uit de gemeente Staphorst. Op een zaterdagmiddag werden de heren door de burgemeester uitgenodigd. Hij zag duidelijk het nut van industrie voor de werkgelegenheid op Staphorst. In de oude brandweerkazerne konden de heren voor een korte tijd aan de slag onder de naam “De Rollecate".
“Als er én schaap over de dam is, volgen er meer", zei de Burgemeester toen en hij kreeg gelijk. Nadat de Rollecate zich als eerste aan de Industrieweg gevestigd had, volgden al snel meer fabrieken.
Volgens de heer Roo betekende “Rollecate”: “Ver rolbaar oer stabiel”. En dat is gebleken, al ging het niet vanzelf. Van het drietal ging H. Zwerus het land door. Vanaf zijn huis op de Punthorst reed hij per brommer naar het station, om vervolgens de brommer mee te nemen in de trein. Op een station zo dicht mogelijk in de buurt van de beoogde klant werd de brommer weer uitgeladen, om daarna de klant per brommer te bezoeken. Een rijbewijs heeft hij nooit gehad. Later reed hij wel in een driewieler (Messerschmidt) waarvan de kap opgelicht kon worden om in en uit te stappen. Hij overleed in 1965 op 64-jarige leeftijd. Als blijk van waardering voor de vruchten, die zijn werk voor de gemeenschap heeft afgeworpen, is een straat naar hem genoemd, de H. Zwerusstraat.
H. Vonder heeft op een gegeven moment het bedrijf verlaten en is een nieuw bedrijf begonnen onder de naam “Aluvo". R. Roo heeft het bedrijf voortgezet en overgedragen aan zijn zonen.

* * *

BROOS SEEMANN EN DE CACAOFABRIEK _________________________________________________________

Broos Seemann, de onderwijzer uit Lemelerveld die als kind vaak bij zijn grootouders in Beerze logeerde en daarover zoveel mooie verhalen schreef, wist blijkbaar van die cacaofabriek in Den Hulst en gebruikte dat in een van zijn langere verhalen over een bijzondere man die voor en na de oorlog in Beerze opdook en daar veel indruk maakte op de bewoners. Het verhaal "De minister" begint zo:

Hij werd de minister genoemd. Misschien was zijn ware naam niet eens bekend of werd als weinigzeggend beschouwd. Wel is duidelijk dat hij velerlei beroepen had uitgeoefend. Daar zat een klimming in. Hij begon als klokkenmaker, was nadien beambte en directeur op een postkantoor.
Aan het begin van de dertiger jaren zat hij als ingenieur in de Limburgse mijnen. Intussen deed hij een uitvinding op het gebied van suikerraffinage. Dat leverde hem een som geld op en een jaarlijkse toelage voor het leven. Hij mocht zich technoloog noemen, een wat vage titel, die echter nog steeds bestaat. Het geld verdeelde hij voor het grootste part onder behoeftigen in zijn geboorteplaats aan de Vecht. Hij bouwde onder Den Hulst een cacaofabriekje, voerde daar als directeur stelselmatig de inspraak in. Hij sprak het personeel altijd aan met dames of heren en stond zelf enige uren per dag aan de machines. De tijd was echter niet rijp voor meepraten en zijn experiment vloog uit de rails en het bedrijf ging op de fles. Alles wat hij bedacht klopte op papier, maar als het in praktische vormen gegoten werd, liep er meestal wat mis, een noodlot dat vele hyperintellectuelen beschoren is.
Na zijn chocoladetijdperk werd het stil rond hem. Men zei: hij zit ergens verstopt en broedt op weer nieuwere plannen. Hij wil zeker minister worden, werd er gespot. De mensen dachten hem vooruit. En er was er rap ene, die beweerde dat hij al minister was. In afwachting van bewijzende berichten noemde men hem al vast zo. Dat veranderde later niet meer, terecht of niet. De mensen bleven het over hem hebben onder de schaft op het veld, bij de kachel op de winteravonden. Hij was een te bijzondere man, een avontuurzoeker; zo ene blijft leven zelfs als hij gestorven zou wezen.

* * *

UIT: HET VRIJE WIEL V (1974) _________________________________________________________

Het vorige artikel eindigde met de geschiedenis van de N.V. Union Rijwielfabriek in het voorjaar van 1940 en daarmee is het verhaal nog niet uitverteld. Toch menen wij in het hele geschiedenisverhaal, op het moment dat de “stille" oorlogsjaren aanbreken, eerst even iets te moeten vertellen over de partner die heeft bijgedragen aan het feit dat we nu niet meer in dienst zijn van “Union" of ”Kaptein”, maar van Unikap.
Onze gegevens gaan terug naar de twintigerjaren, waarin Willem Kaptein zich als rijwielhandelaar en motorimporteur vestigde aan de Overtoom in Amsterdam, welke zaak na enkele tussenstations zoals Stadhouderskade en 2e Schinkelstraat direct na de oorlog gevestigd werd aan de Weteringschans 136. De firmanaam was Algemene Motor Import Willem Kaptein en bekende motormerken als Norton en A.J.S. (uit Engeland), T.W.N. en Standard (uit Duitsland) en Husqvarna (uit Zweden) gingen “over de toonbank”.
Belangrijk voor de dag van vandaag waren de eerste contacten van de heer Kaptein met Les Ateliers de la Motobécane S.A. te Pantin, een voorstad van Parijs, uit het jaar 1937, welk contact tot gevolg had, dat in 1938 de eerste Franse motoren in Nederland werden geïmporteerd.
Praktisch het hele Motobécane assortiment was present, van 60 cc tot 750 cc, onder de namen als Ponny, Super Ponny, Super Kick, Grand Routier, om er maar een paar te noemen, terwijl vaktermen als 3 versnellingstweetact, zij-of kopkleppers tot het dagelijks spraakgebruik behoorden.


Rechts een Motobécane motor uit 1940, links een oudere.

Vooral op het gebied van motoren was er gedurende de oorlog natuurlijk weinig of niets te doen, met uitzondering van de eerste anderhalf jaar waarin de firma de twijfelachtige eer te beurt viel te moeten optreden als reparateur en onderhouder van Duitse Kraftfahrzeugen, welke klandizie echter ontnomen werd omdat er niet goed gerepareerd werd. Direct na de oorlog werd er weer contact opgenomen met Motobécane, hetgeen resulteerde in de oprichting van een fabriek in Nederland.


Een hele serie velgen wordt tegelijk gelakt. Dit gebeurt in de oven waar de kar in komt te staan. De velgen draaien om egaal van lak te worden voorzien. Rechts Herman van de Berg en links Jaap Wink.

Het dieptepunt en de nieuwe opgang
1940. Een jaartal, dat in de harten van veel Nederlanders zal zijn gegrift als het oorlogsjaar, met recht een rampjaar, ook voor de Union Rijwielfabriek.
Och, aanvankelijk ging het nog wel, de bezetters toonden hun beste kant, maar ook hier gold het spreekwoord: “Als de vos zijn passie preekt, boer pas op je kippen”.
Het economisch leven in ons land werd geketend; och ja, eerst was het als het ware een “keten met zijde omwoeld, zodat je de druk van de keten niet voelt”, maar dat werd al gauw anders.
Als we de eigenlijke oorlogshandelingen in het oog houden kunnen we vaststellen, dat de fabriek en de mensen er zonder kleerscheuren af zijn gekomen, heel wat anders dan in andere delen van het land het geval was.
Zoals gezegd, eerst leek het nog niet zo gek, zodat b.v. in 1941 zoveel rijwielen werden verkocht als nog nimmer het geval was geweest, maar toen begon het.
Grondstoffen en hulpmiddelen werden steeds schaarser; er werd personeel gevorderd voor werken in Duitsland en de directie had er heel wat werk aan om de Duitsers koest te houden. Geconstateerd mag worden, dat Union nooit voor de bezetter heeft gewerkt, behalve dat aan het eind van de oorlog door een groep Duitse politiesoldaten uit Zwolle een honderdtal fietsen bij de fabriek werden gevorderd.
Omstreeks dolle dinsdag zag de directie met behulp van de weinige mensen die nog aan het bedrijf werkzaam waren (vijfentwintig in de fabriek en vijf op de kantoren) kans meerdere voorraden kwaliteitsonderdelen te laten onderduiken bij boeren in de omgeving.
Door samenwerking met enkele Nederlandse instanties gelukte het de directie meerdere mensen voor werk onder te brengen bij de Heide Maatschappij en kantoorpersoneel en vertegenwoordigers bij diverse distributiediensten. Sommigen zijn gedurende de laatste winter ondergedoken, doch werden wat de inkomsten betreft door het bedrijf niet vergeten. In het jaar 1944 werden in het totaal zoveel fietsen gemaakt als nu soms in één dag worden besteld, terwijl het omzetbedrag voor het gehele jaar ook niet hoger was dan nu voor één dag.
Kort na de bevrijding overleed ook de tweede oprichter de heer J. v. d. Berg. Diens zoon Ir. H.G. v. d. Berg, onze huidige directeur, werd in zijn plaats tot directeur benoemd.

De jonge generatie zag zich na de bevrijding geplaatst voor de enorme taak het bedrijf weer op te bouwen en wat meer zegt, tot verdere ontwikkeling te brengen. Dankzij vakkennis, energie en inzicht zijn zij hierin ten volle geslaagd, waarbij ook niet vergeten mag worden te vermelden dat alle mensen zich voor de volle 100% hebben ingezet voor de wederopbouw.
Voorraden waren er echter niet meer of slecht te krijgen. Alles kwam met mondjesmaat binnen, fietsen werden uit Engeland en Frankrijk geïmporteerd en eerlijk gedistribueerd. Trouwens reeds in de oorlog waren de fietsen en banden op de bon gekomen en dit werd na de oorlog nog enige jaren gehandhaafd. Langzamerhand begon het bedrijf weer op gang te komen.


De Union gebouwen omstreeks 1950. Van het hoofdgebouw is het linker deel met twee raampartijen de nieuwbouw van 1940.

Wat meer zegt, het bedrijf werd steeds meer gemoderniseerd; de werkruimten werden vergroot en naarde eisen des tijds ingericht. Ook werd een begin gemaakt met de oudedagsvoorziening voor het personeel. Natuurlijk kon men allesbehalve van hoogconjunctuur en welvaart spreken gedurende de eerste drie a vier jaren na de oorlog. Union zag kans steeds groter te worden, zodat in 1950 reeds meer dan het dubbele aantal fietsen werd afgeleverd dan in de beste jaren voor de oorlog. De productie van eigen bromfietsen werd ook ter hand genomen. Reeds voor de oorlog werden hier lichte motorrijwielen met 125 cc Villiers motor gemaakt en motordriewielers.
Kortom we kunnen stellen, dat in 1950 de fabricage volop aan de gang was en een goede toekomst in het verschiet scheen te liggen, doch hierover een volgend keer verder.

* * *

INHOUD JAARGANG 21 _________________________________________________________

blz.

25 
34 
35 
38 
44 
48 
49 
51 
56 
58 
62 
66 
70 
72 
73 
76 
78 
79 
82 
82 
86 
90 
91 
96 


De Watersnoodramp van 1953
De geschiedenis van de zuivelindustrie in Nieuwleusen IV
Levenstrap
Een oude groepsfoto (personeel postkantoor in de jaren 70)
Uit: Het vrije wiel III
Mijn herinneringen aan de watersnoodramp 1953
Raadselrijmpjes
Kleuterschool De Paddestoel
Uit: Het vrije wiel IV
Herinneringen van een schoolmeester XII
Een oude groepsfoto (De Paddestoel 1968/69)
Met een zeilschip over de Dedemsvaart
De installatierede van burgemeester Mulder
75 jaar Christelijke School
Lezers reageren
Aanleg Lichtmisviaduct
Lichtmis
Raadselrijmpjes
Een zoen van de juffrouw
Reacties groepsfoto september
Een oude groepsfoto (Christelijke School Den Hulst 1948)
De vroegere koestal van Van Dedem
Broos Seemann en de cacaofabriek
Uit: Het vrije wiel V
Inhoud jaargang 21





Jaargang 22 nummer 1 maart 2004

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


OMSLAGFOTO: ________________________________________________________

Luchtfoto van het gebouwencomplex van Union rijwielfabriek in 1954. Het hoofdgebouw is van 1914, links daarvan de nieuwbouw 1941. Daarachter de nieuwbouw 1951. Het gebouw met de 4 lichtkoepels is van 1953 met daarvoor de loods uit 1918 (linker deel) en 1916 (rechterdeel, van de Bouwmaterialenhandel). De loods midden boven met het Houtstek is van 1933.

* * *


UIT: HET VRIJE WIEL VI (1974) ________________________________________________________

EXCELSIOR
Het vorige artikel over de Union-geschiedenis eindigden we met het jaar 1950. Omdat we nu langzamerhand in het ‘heden' terecht komen en velen van de thans aanwezige medewerkers zich de jaren vanaf 1950 nog zullen kunnen herinneren, kunnen we m.i. volstaan met vermelding van de voornaamste feiten sedert het jaar 1950.
De eigen bromfietsproductie kwam in deze jaren behoorlijk op gang en er werden grote bedragen geïnvesteerd in de bouw van een z.g. ‘bromfietshal'. Deze productie is eerst kortelings gestaakt, mede in verband met het feit dat in laterejaren Union zich fuseerde met Kaptein, de importeur van de alom bekende Mobylette-bromfietsen uit Frankrijk.


De framebouwerij in 1954.

In het jaar 1954 werd met buitengewoon enthousiasme het vijftigjarig bestaan van de Union Rijwielfabriek gevierd. Het personeel werd een reis naar Valkenburg aangeboden, bij welke gelegenheid de oudste directeur Ir. B.J. van den Berg benoemd werd tot Ridder in de Orde van Oranje-Nassau.
De verkoop van fietsen werd steeds groter. Niet alleen in Nederland maar ook in het buitenland werd de fiets steeds meer gevraagd. Union moest weer uitbreiden en om het nu in één keer goed te doen werd besloten tot openbare uitgifte van 500 nieuwe aandelen van ƒ 1000,--. Hierdoor werd de N.V. Union Rijwielfabriek een z.g. ‘open’ N.V. die aan de beurs de aandelen ter verhandeling aanbood. Dit geschiedde in het jaar 1955. De uitgifte en de notering ter beurs was gunstig, waaruit bleek dat men vertrouwen in het bedrijf had.


De afdeling Bouwmaterialen werd toen geheel van de rijwielfabriek losgemaakt en bleef als afzonderlijke onderneming voortbestaan, waarbij de rijwielfabriek geen enkele bemoeiing meer had.

Een opmerkelijk feit dat nog even gememoreerd dient te worden is wel dat eind 1955 Union in contact kwam met een belangrijke Amerikaanse importeur van rijwielen, terwijl in 1956 ook de export van rijwielen naar West Duitsland (in het grensgebied) en België een aanvang nam. De leveringen naar Amerika namen weldra een grote vlucht en juist door deze grote orders heeft Union zijn productie steeds meer geautomatiseerd en gemoderniseerd. Weliswaar waren de prijzen van de naar Amerika geëxporteerde rijwielen bijzonder laag, doch een belangrijke indirecte winst van deze transactie is geweest dat Union zich omgeschakeld heeft tot massaproductie. Mede door de vergrote omzet werd andermaal de fabriek uitgebreid om aan de grote vraag te kunnen voldoen.
In 1963 werd Union eigenaar van de N.V. Machinefabriek Roberine te Enschede, een fabrikant van motorgazonmaaiers, welke als dochtermaatschappij van de N.V. Union Rijwielfabriek de productie voortzette. Eerst onlangs werd besloten deze fabriek van de hand te doen, niet omdat hierin geen toekomst zat, maar omdat van de leiding van het bedrijf hier voor te veel aandacht werd gevraagd.
in het jaar 1962 liep de rijwiellevering naar de Amerika op een eind. Uit het feit dat de terugval niet groter is geweest dan enkele duizenden fietsen blijkt wel, dat de aflevering op de binnenlandse markt gedurende die jaren zeer sterk is toegenomen, terwijl ook de export naar Duitsland en België niet onbelangrijk was gestegen.
In 1963 werd de eerste ondernemingsraad geïnstalleerd. De verhouding tussen leiding en personeel was steeds goed, getuige ook het feit, dat velen hun 25jarig en 40jarig jubileum vierden.

De laatste Van den Berg’s die directeur waren van Union.
Links staat mijn- heer Bernhard (Ir. B.J. van den Berg) en rechts mijnheer Henk (Ir. H.G. van den Berg).

Op de achtergrond de bromfietshal.

In 1964 waren directeuren de heren Ir. B.J. van den Berg, thans gepensioneerd en commissaris van Unikap en onze huidige directeur Ir. H.G. van den Berg. In 1964 werd ook het 60 jarig jubileum door het personeel gevierd, o.a. door een reis naar Volendam.

Aan het einde van de maand augustus 1966 werd de fusie van de N.V. Union Rijwielfabriek met de Motorrijwielfabriek Kaptein N.V. te Utrecht en Willem Kaptein's Handelsonderneming N.V. te Amsterdam een feit. Als naam van de nieuwe N.V. werd gekozen: Samenwerkende Rijwiel- en Motorindustrie Unikap N.V. Tot directeuren werden benoemd: de heren Ir. H.G. van den Berg en Ir. J.J. Kaptein en tot adjunct-directeuren de heren B. J. F. Kaptein en L. Posthumus. De heren Ir. B.J. van den Berg en W. Kaptein traden af respectievelijk als directeuren van Union en Kaptein en werden benoemd tot commissaris.
Thans zijn er 3 Hollandse en 2 Franse commissarissen.
De fusie kreeg zowel in de financiële als in de rijwielwereld een gunstige 'pers'. In de loop van de jaren traden de heren Ir. J.J. Kaptein als directeur en de heer B.J.F. Kaptein als adjunct-directeur uit. De directie wordt thans, april 1973, gevormd door de heren Ir. H.G. van den Berg en drs. W.J. Suur (in 1971 in dienst getreden) als directeuren en de heren Mr. R.J. Lammerts, en L. Posthumus als adjunct-directeuren.


Wie is wie tijdens de jubileumreis in 1964?
De heer J. van den Berg laat ons weten dat de foto uit 1964 dateert en dat de jongeman rechts met de handen op tafel de derde zoon van directeur H.G. van den Berg is. Zijn naam is Hendrik Maarten. Naast hem zit als derde van rechts Evert van den Berg, de oudste zoon van Jan van den Berg.
Reacties graag schriftelijk aan de redactie.


De integratie als gevolg van de fusie bracht met zich mee, dat de administratie van de verkoop, inkoop en debiteuren naar Nieuwleusen werd overgebracht. Een aantal medewerkers kwam mee naar Nieuwleusen. In Amsterdam bleef de grossierderij van de bromfietsdelen gevestigd, terwijl daar tevens een cash- en carry bedrijf voor de kleinhandel in rijwiel en bromfietsonderdelen en accessoires werd gevestigd, welk bedrijf in enkele jaren een goede opgang heeft gemaakt.
In september 1966 kwam bij Unikap de miljoenste fiets van de band. Met enig ceremonieel werd de 1.000.001ste fiets aangeboden aan de Commissaris van de Koningin voor de Provincie Overijssel, Jhr. Dr. O.H.F.A. van Nispen tot Pannerden.
In de laatste jaren leeft de export van rijwielen naar Amerika weer op en dit geeft goede toekomst verwachtingen. De administratie van Unikap wordt steeds meer geautomatiseerd, hetwelk de mogelijkheid opent steeds op een snelle wijze over de noodzakelijke cijfers te kunnen beschikken.
Eind 1972 is begonnen met de bouw van een nieuwe montagehal en volautomatische spuitlakkerij met een totale oppervlakte van 4500 m2.
Hierbij eindigt de beschrijving van de Union/Unikap geschiedenis, echter niet dan na een woord van hulde en waardering voor de oorspronkelijke oprichters, hun opvolgers en de vele trouwe medewerkers van het bedrijf.
Mede aan hun inzicht, doorzettingsvermogen, vakbekwaamheid en trouw aan het bedrijf heeft Unikap niet alleen haar ontstaan en voortbestaan, maar ook de sterke groei en de goede toekomstmogelijkheden te danken.
Dat hier geen 'loze kreten’ worden geslaakt moge blijken uit het feit, dat van de 38 rijwielfabrikanten, die voor 20 jaar in Nederland nog bestonden, er slechts 8 zijn overgebleven, waarbij 3 fabrieken van grote omvang, onder welke 3 Unikap een eervolle plaats inneemt.

* * *


UNION IN DE LITERATUUR ________________________________________________________

De naam Union is ook vastgelegd in de Nederlandse literatuur! In 2002 werd de roman “Een soort Engeland” (Amsterdam: Querido, 2001) van Robert Anker bekroond met de Libris Literatuurprijs.
“Een soort Engeland” is een roman over het leven van een gevierd toneelspeler die vooral betrokken was bij de revolutionaire ontwikkelingen van het toneel gedurende de laatste dertig jaren van de twintigste eeuw. Op pagina 252 tot en met 260 kijkt de hoofdpersoon, David Oosterkamp, terug op zijn jeugdjaren in het stadje M(edenblik), begin jaren zestig. Het was de tijd van de nozems met brillantine-vetkuiven, die elkaar ontmoetten bij de ijssalon en daar meisjes versierden; het liefst met een bromfiets, maar daarvoor moest je wel eerst zestien jaarzijn. Voor die tijd was het dus de fiets waarmee je indruk maakte en als je ouders goed in de geldbuidel tastten, was dat een Union-fiets.
Zo kreeg de naam van de Union-fabriek in 2001 , juist in het jaar dat de dreiging van totale sluiting zo sterk speelde, met de beschrijving van deze jeugdherinneringen, een plaatsje in de moderne Nederlandse literatuur.

Op bladzijde 255: “Hij zit op de bagagedrager van zijn met een Sturmey Archer-versnellingsnaaf uitgeruste Union-fiets, die opvalt door een aanstellerig laag stuur en dito hoog zadel, en hij kijkt uit over de verlaten Nieuwstraat, die zindert in de zon.”
Op bladzijde 256: “Maar ook Lydia, hoe hevig nu beleefd, viel toen niet samen met het raadsel van M(edenblik), dat hij daar op de bagagedrager van zijn Union ook al als een raadsel ervaart.”
Op bladzijde 258: “Intussen zit David daar nog op de bagagedrager van zijn Union, die hij over een jaar zal verwisselen voor de Victoria Avanti-bromfiets waarvan er maar twee rondrijden in de verre omtrek en waarvoor hij al een jaar aan het sparen is door in de vakanties te werken op het land.”

* * *


BIJ EEN THEEVISITE 2003/04 ________________________________________________________

Klazien Bijker

Aan de theevisites hebben ook dit jaar weer veel mensen een aangename middag beleefd. Dat is wel duidelijk geworden uit de reacties tijdens en na de visites. Tot een gedicht heeft het nog nooit geleid, tot nu toe. We ontvingen van Klazien Bijker-van Hulst onderstaand gedicht waarin ze haar bewondering uitspreekt over de kostuums en klederdracht die ze tijdens de theevisite op het scherm zag. Mevrouw Bijker draagt het gedicht op aan de samenstelsters van de theevisite.


Op de foto staan vlnr. J. Hersevoort-Kragt, S. Kragt-Kragt, H. Massier-Alteveer en B. Kragt

De naaisters

Hoe sierlijk, ingetogen was destijds de mode,
want wat wij zagen op die middag was briljant.
De slanke naadjes, plooitjes, fraaie kant,
daarom aan onze naaisters eens een ode.

Versierd met tresjes, stroken, wondermooi.
Gewaden, want zo mag je ze wel noemen,
pofmouwen en soms ingeweven bloemen
en voor ’t "petret" het gezicht ook in de plooi.

Het zedig hooggesloten lijfje,
getooid met gouden pronkjuweel,
het kerkboek aan de zilveren ketting,
t was net genoeg, net niet te veel.

Handnaaimachines en het schaarse licht,
het mocht de ware naaister niet beletten
de knoopjes op de juiste plaats te zetten.
Het werkstuk af, ‘t geheel in evenwicht.

En even was daar weer de sfeer van vroeger,
van kamferballen en van pepermunt,
gemoedelijkheid en eau de cologne.
Ons werd een kijkje in vervlogen tijd gegund.

Klazien Bijker

* * *


REACTIES FOTO'S ________________________________________________________

Op de schoolfoto van de Christelijke School uit Den Hulst in het kwartaalblad van december 2003 kwamen enkele reacties binnen. Wat de datering betreft moet deze foto later gemaakt zijn en wel in het schooljaar 1949-1950 en vermoedelijk in het voorjaar van 1950. Meester Albert Visser schrijft dat hij per 1 november 1949 vertrok en dat juffrouw Boertien zijn plaats aan de school innam.

De onbekende jongen op nummer 40 is Klaas Huls, wonende destijds aan Hoofdvaart ZZ tegenover Union. "Het meisje Kappert (nummer 30) is m.i. er niet een van (echte Nieuwleusense uitdrukking) de Kapperts achter de Union, maar volgens mij van Kappert achter het Staatsbos. Een zus van Henkie Kappert". Het hiervoor aangehaalde is een citaat uit de brief van Cor Loman, die verder nog schrijft dat juffrouw Aly Boertien een aantal maanden bij Loman in de kost is geweest omdat ze geen kosthuis kon vinden.

Op de schoolfoto van "De Paddestoel" in het septembernummer 2003 kregen we van Ina Schiphorst-Nijboer nog de volgende namen door: nummer 31 is Ina Nijboer en nummer 32 is Ria Hulzentop.

Op het onderschrift bij de foto op bladzijde 75 van het kwartaalblad van december 2003 kregen we meerdere reacties. Niet Café Ennik (nu restaurant De Piri Piri) is links op de luchtfoto te zien, maar Café Van Eldik. Daarvoor was dit het café van Barelds en daarvoor van Waanders.

(de tekst is verbeterd.)

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

We zochten naar een schoolfoto van omstreeks 1950 van de Openbare Lagere School in Den Hulst (school C). In ons archief vonden we er welgeteld één. Deze foto dateert uit omstreeks 1948. Ongetwijfeld zijn er rond die jaren meer foto’s gemaakt. Wie kan ons daar aan helpen?



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

Thijs Kappert
Jaap Muller
Jo Katoele
Jan Pot
Anne Annema
Arend Jan Schuurman
Jan Borgers

Harm Borgers
Arend Sterken
Wim Schuurman
Marten Goselink
Willie van de Vegte
Jennie Stegerman
Eepke van de Voort
Marie Oosterveen
mevr. Muller-Wieken
Roelof Hoogenkamp
mevr. Goselink
Fennie Borgers

21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  

Antje Mos
Meester Van Swol

Wietske Runhard
Maria Blok
Wassing
Geertje Klosse
Alie van de Voort
Johanna Runhard
Wia Blok
Johanna Compagner
Jannie Sterken
Arend Jan de Boer
Alie Annema
Jan van de Belt
Arend Compagner

Erna Roodenhuis
Roelie Boverhof
Dina Klosse

41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  
54  


55  
56  
57  
58  

Roelie Schuurman
Truus van Spijker
GerritJan Pellenkoft
Meester Roodenhuis
Meester De Ruiter
Johan Dozeman
Derk Jan Hogenkamp
Roelie Schuurman
Trijntje Oosterveen
Jannie Stegerman
Trijntje Schuurman
Roelof Bouwhuis
Jennie van Lente
Greetje Garritsen
(de latere zangeres Anita Berry)
Alie Sterken
Lenie Koster
Jakob Klosse
Jan de Boer
Henk Deuzeman

59  
60  
61  
62  
63  
64  
65  
66  
67  
68  
69  
70  
71  
72  
73  
74  
75  
76  
77  
78  


Gradus Koster
Harm Kappert
Max Roodenhuis
Arend Kamerman
Herman van Lente
Lies Kouwen
Andries Mijnheer
Rieks Luten
Hendrik Sterken
Klaas Kouwen
Berend Tuin
Roelf Boverhof
Hendrik Jan Kouwen
Henk Compagner
Berend Spijker
Klaas van Hulst
Harrie Panjer
Henk Schuurman
Dik van Swol

Aanvullingen en/of correcties op de namen en eventuele andere informatie graag schriftelijk aan de redactie.

* * *


OVERVAL OP VEEHANDELAAR ________________________________________________________

S. Praas

Het was begin jaren vijftig en Aaltje Bovenhoff ging een middagje winkelen in Ommen. Op de terugweg nam ze de bus naar Oudleusen. Daar zou haar echtgenoot Evert Bouwman haar afhalen met de auto. Dat was een luxe in die tijd, want lang niet iedereen had toen al een auto.
Dezelfde woensdagmiddag zat Evert “in de boer”. Dat was een veel gebezigde uitdrukking onder veehandelaren.
De zwager van Evert, Klaas Bovenhoff, moest ook ergens naar toe en vroeg aan Evert of hij even met hem mee mocht rijden. "Dat is wel goed", zei Evert, “ik moet Aaltje toch nog even ophalen in Oudleusen, dan kun je zo weer mee terugrijden".
Het tweetal kon het altijd erg goed met elkaar vinden en al snel hadden ze een plan beraamd voor een schijnoverval. Klaas zou, terwijl Evert zijn vrouw ophaalde, zich in het struikgewas verschuilen. Bij het naderen van de auto van de veehandelaar zou hij dreigend tevoorschijn springen.
Evert had het raam aan bestuurderszijde nogal royaal open gezet.
Om geen argwaan te wekken zei hij tegen zijn vrouw dat hij het warm had.
Bij het naderen van de afgesproken plek paste Evert zijn snelheid aan op overvalniveau. Klaas sprong tevoorschijn met de pet diep in de ogen getrokken en greep door het half openstaande raam naar Evert’s binnenzak.
"Je geld", schreeuwde hij woest.
Aaltje schrok zich wild en riep in paniek: "O Evert, kiek uut ze wilt oe geld".
Maar in een flits zag ze ook het profiel van de neus van de overvaller en kreeg duidelijk een gevoel dat er iets niet klopte. Want als ze iets herkende, al was het nog zo donker, dan was het wel de neus van haar broer Klaas.
Toen het tweetal begon te grijnzen, begreep ze dat ze het slachtoffer was geworden van een grap, knap gespeeld door een duo waarvan zij toch beter had moeten weten.
Zij was ongewild het lijdend voorwerp geworden in de klucht
"Overval op veehandelaar".

* * *


GERRIGJE BERENDS VERLEID ________________________________________________________

Op de in december 2003 gehouden verenigingsavond hield Paul Brood een lezing over recht en onrecht in vroeger eeuwen. Daarbij kwam onder andere het bestraffen van gemeenschap voor het huwelijk en het schenden van trouwbeloftes aan de orde. Tijdens de lezing werden een aantal van deze voorgevallen zaken besproken.
Dat ook de mensen in Nieuwleusen en omgeving niets vreemd is, blijkt uit een akte die ons na de lezing onder ogen kwam. Het stuk is opgemaakt naar aanleiding van het verzoek van de eiser om de rechtszaak gratis te behandelen vanwege het ontbreken van de financiële middelen van de familie. De akte is een uittreksel uit het origineel opgemaakte stuk en handelt niet over de eigenlijke rechtszaak. Het geeft dan ook geen uitsluitsel over de gevolgen voor de gedaagde. De conclusie van de akte is dat de zaak pro deo, dus voor niets, zal worden verdedigd maar dat de kosten niet ten laste van de stad (Zwolle) mogen komen.

Extract afgegeven op een zegel van 6 stuivers
1810
Op de Requeste van Jan Berends als vader en voogd van zijn minderjarige dochter Gerrigje Berends, te kennen gevende dat gemelde zijn dochter door schoone woorden en beloften zoude zijn verleid geworden door Willem Stolte zodanig dat zij vleeschelijke gemeenschap met hem zoude hebben gehad en op den 30e van Bloeijmaand was bevallen van een zoon, waarvan niemand anders dan genoemde Willem Stolte vader zoude kunnen zijn. Weshalven hij Requestrant in zijn voornoemde qualiteit daar gezegde Willem Stolte nog tot een wettig huwelijk noch tot dotatie en alimentatie van dat kind gezind zoude zijn, genoodzaakt zoude zijn hem hier toe in zijn regten te contuingeren. Dat hij wegens armoede tot het voeren ener procedure niet in staat zoude zijn, Weshalven versogt dat aan hem de nodige bediening pro Deo mogt worden toegestaan en de zegels en gerigte juca tot uitdragt van zaken gecrediteerd en in cas van Seccumtentie geschonken. Is gehoord het rapport van de Heeren onze commissarissen, goed gevonden ‘t verzoek ten requestte gedaan te accorderen en aan den Requestrant in qualiteit voorschreven tot Bedienden pro Deo toe te voegen den Porcuraal S. v.d. Gronden en procureur L. Rietberg edoch buiten eenige kosten voor de stad.

Samengevat in hedendaags Nederlands kan de inhoud van de akte als volgt worden weergegeven:
Jan Berends verzoekt als vader en voogd van zijn minderjarige dochter Gerrigje Berends wegens onvermogen om de rechterlijke procedure met Willem Stolte kosteloos te mogen voeren. Deze Willem Stolte zou Gerrigje hebben verleid en de vader zijn van haar op 30 mei 1810 geboren zoon. Willem Stolte wil daar niets van weten en is niet bereid met Gerrigje te trouwen of bij te dragen in de kosten van het kind. Daarom wil Jan Berends namens zijn minderjarige dochter de vader van het kind vervolgen maar dat kan hij niet betalen. Daarop heeft de rechtbank besloten om de zaak pro deo door de procureurs Van der Gronden en Rietberg te laten behandelen.

* * *


KNIPSEL UIT: VAN EIGEN ERF ________________________________________________________

Enige tijd geleden schonk de heer E.J. Stolte ons via de heer H.J. Klomp een knipsel uit het blad “Van eigen erf”. De foto’s werden gemaakt ter gelegenheid van het 25 jarig bestaan van de Christelijke Lagere School in Nieuwleusen in 1937.
Op onderstaande foto zien we van links naar rechts, staand: meester R. Hoek, meester Wester, de bestuursleden L. Beumer, H. Velthuis, J. Reuvers. H.J. Stolte, H. Pessink, H.J. van Duren, meester A. Siefers en meester H.A. Belt. Zittend: de bestuursleden H.J. Hof, G.J. Lammertsen, ds. S. de Vries (medeoprichter), A.J. Bredewold, F. Masselink en J. van Spijker. De beide onderwijzeressen voor de tafel zijn links R. Wegman en rechts D. Visser.


Woensdag en Donderdag werd te Nieuwleusen het 25-jarig bestaan van de school voor “Christelijk Nationaal Onderwijs” herdacht. (Onderschrift uit: Van eigen erf)

Op de tweede foto zijn te herkennen (vlnr) ds. S. de Vries, H.J Stolte, A.J. Bredewold en F. Masselink. De dames zijn onbekend.


De Nieuwleusener vrouwen in origineel costuum kwamen het schoolbestuur gelukwenschen op deze heuglijke dag. (Onderschrift uit: Van eigen erf)

* * *


REACTIE NESTRADI/THERESIA ________________________________________________________

Mevrouw G. Klomp-Mos schreef: “Ik wil even reageren op het stukje van Nestradi. Mijn vader is in 1951 met vrouw en drie dochters naar Apeldoorn verhuisd. lk denk dat toen de fabriek ook is gesloten. De heer Muller heeft wel in Staphorst gewoond. Hij had n.l. een houten huis laten zetten bij de fabriek. Er stonden er twee; in de een woonde de heer Bouwman en in de andere Muller met vrouw, zoon Bep en twee dochters.
Nog dit van Theresia: Mij ligt nog bij dat aan het eind van WO2 er nog Canadezen in gehuisvest waren. Hoe lang weet ik niet meer, maar dat weet misschien iemand anders wel. (Wie? Red.)

* * *


HERINNERINGEN VAN EEN SCHOOLMEESTER XIII ________________________________________________________

A. Visser

Het onderwijs na de oorlogsjaren
Toen wij in mei 1945 weer vrij waren van vreemde dwingelandij, toen de schoollokalen niet langer dienst deden als kazerne voor Duitse militairen toen stonden wij voor een grote opgave: de kinderen moesten weer naar school!
Veel leerlingen hadden al een achterstand opgelopen omdat in de laatste Oorlogswinter op veel plaatsen het geven van onderwijs niet meer mogelijk was of omdat er geen schoollokalen meer beschikbaar waren.
De kinderen moesten weer naar school, maar veel schoollokalen waren onbruikbaar geworden, veel schoolbanken en kasten waren verdwenen ….. men had er de kachel mee aangemaakt en gestookt.....
De ramen waren kapot; weer en wind hadden vrij spel in het hele schoolgebouw. De kinderen moesten weer naar school, maar er was gebrek aan alles, gebrek aan leermiddelen, papier, potloden, pennen en inkt. Zelfs de bordkrijtjes waren op en... wat is een onderwijzer zonder een krijtje?
Het schoolgebouw in Den Hulst was gelukkig aardig goed intact gebleven. De kinderen konden weer naar school, maar het duurde nog wel even voor alles weer in het gareel was. De winter 1945-1946 was nog wat moeilijk door te komen. De kachels moesten branden, maar waar haalde je zo gauw de benodigde brandstof vandaan; turf of cokes? (cokes was steenkoolantraciet uit de Limburgse mijnen waar door verhitting het gas was uitgehaald).
Toch zijn we die winter nog wel goed doorgekomen. De kachels brandden ‘s morgens om 9 uur al volop; daar had de schoonmaakster voor gezorgd. Dat was mevrouw Kooiker, die woonde aan de Evenboersweg. Zij was voor dag en dauw al in de school bezig om de kachels weer 'aan de praat' te krijgen. Ze moest dan eerst de uitgebrande cokes van de vorige dag uit de kachel halen en de asla leegmaken. Dan moest ze met wat oud papier, karton, stro en wat hout een stevig vuurtje in de kachel gaan stoken, voordat de aanmaakturf er aan te pas kwam. Een scheutje petroleum deed wonderen! De cokes kwam pas later, als de kachel goed brandde. Naast de kachel stond altijd een kolenkit met cokes gevuld, want heel de dag moest de kachel worden bijgevuld; tot ‘s middags 3 uur, daarna liet je de kachel weer uitgaan. Als de kolenkit leeg was, ging een van de leerlingen die weer vullen in het kolenhok. Soms wasje even zo druk bezig met je werkzaamheden dat je de kachel helemaal vergat bij te vullen. Nou, dan had je de poppen aan het dansen! Met kunst- en vliegwerk probeerde je weer vuur in de kachel te krijgen, maar meestal moest eerst de half verbrande cokes er uit. Vaak kwam je in de rook te staan en moesten de ramen open om frisse lucht te krijgen. Dan zaten we met z'n allen in de kou en op de tocht.
Intussen hadden de leerlingen wel alle gelegenheid om de boel flink op stelten te zetten. Zij vonden het meestal geen probleem als die kachel het een enkel keertje af liet weten door onachtzaamheid van de meester. Juf en meester moesten dus in die tijd niet alleen bekwaam zijn in het lesgeven, maar ook in het kachel stoken!

* * *


RAADSELRIJMPJE ________________________________________________________

Zit mijn punt in zijn hol verborgen,
Maak je dan geen zorgen.
Komt mijn punt opeens te voorschijn,
pas dan op, anders doe ik pijn.

Oplossing: een veiligheidsspeld.

* * *


RONDOM DE KACHEL ________________________________________________________

Jo Stegeman-Smelt

In vroeger jaren was de kachel
een heel belangrijk ding in huis.
Daar moest je mee koken en verwarmen,
dat redde je niet alleen met 't fornuis.

Wanneer in de herfst de temperatuur
bijna tot ‘t nulpunt was gedaald
en iedereen maar liep te kleumen,
dan werd de kachel van de deel gehaald.

‘t Was meestal turf dat we verstookten,
welke vader zelf gestoken had.
Die haalde hij weg bij de derde leidijk.
Het was zwaar werk, dat snap je wel.

Als je alle dagen de kachel aan had,
had je de aslade zo weer vol.
Die moest je dan iedere morgen legen,
omdat anders de kachel niet branden wou.

Zo nu en dan, na drie, vier weken,
dan moest de kachelpijp eraf.
Die werd beklopt en uitgeborsteld
en dat gaf heel wat roet en stof.

Voor de kachel lag het kachelzeiltje
met poesjes, hondjes of een haan erop.
En iedereen had weer een ander,
daar kon geen schilderijtje tegen op.

Bij de kachel moest van alles gebeuren:
Je had maar een verwarmd vertrek
en als je geslacht had, hing aan de zolder
een hele rij met worst en spek.

De was werd gedroogd bij de kachel,
want buiten viel dat soms niet mee.
Als het hard vroor, werd het kleinste kindje,
in de wieg, bij de kachel gezet.

Als kinderen zaten we rond de kachel,
zo tegen de avond rond het schemeruur.
Dan zongen we versjes, meest tweestemmig
en lazen elkaar verhaaltjes voor.

Wat hebben die oude zwarte kachels
ons vroeger veel plezier gedaan.
Ze hebben ons altijd warmte gegeven,
Want zonder konden de mensen niet bestaan.

Uit de bundel van J0 Stegeman-Smelt -'n Kastanjeboom; gedicht'n in 't Vjeens. Vriezenveen: Boswinkel, 1993. 80 p. -p. 31. Vertaald door G. Bartels-Martens, juni 2003.

* * *


WIE WEET WAT ________________________________________________________

In dit kwartaalblad starten we een nieuwe rubriek die telkens bestaat uit een of meerdere vragen en zo mogelijk de antwoorden daarop in een volgend kwartaalblad. Het is de bedoeling dat degene die een antwoord weet op de vraag of daarover meer informatie kan geven, dit schriftelijk of per e-mail aan de redactie meedeelt. De reacties worden dan in een volgend kwartaalblad opgenomen, zodat ook dit soort kleine historische zaken wordt vastgelegd. Alle informatie, hoe beperkt ook, wordt zeer op prijs gesteld.
Wanneer u zelf een vraag hebt waarop u geen antwoord heeft, kunt u deze ook insturen zodat deze in de rubriek kan worden opgenomen. De redactie rekent op veel reacties.

Vraag 1:
in het kwartaalblad van de Historische Vereniging Avereest lazen we dat Bertus Hopster en Snorrewind in Den Hulst les hebben gegeven in Esperanto. Wie weet daar meer van en kan daar voor ons enige regels van op papier zetten.

Vraag 2:
In de familiestamboom van de familie Klein komt de naam voor van Hermina Borger die getrouwd was met Jan Klein. Als haar beroep wordt tolpachtster vermeld. Wie heeft hier informatie over en wil dit ons op papier doen toekomen? Alle informatie over tollen, tolhuizen en tolgaard(st)ers is welkom.

Vraag 3:
Toen de Dedemsvaart er nog was, werd er, als het hard genoeg gevroren had, volop op geschaatst. Met name ter hoogte van de Union zijn ons een aantal schaatsfoto's bekend. Werden er ook wedstrijden gehouden en door wie werden deze georganiseerd? Was er een ijsvereniging, wat is daar over bekend en zijn er nog stukken dienaangaande? Alle (liefst schriftelijke) informatie is welkom evenals foto's.

Vraag 4:
Een huis ten oosten van de Ommerdijkerbrug, aan de zuidkant van het kanaal in Den Hulst, deed vroeger dienst als gebouw, loods of iets dergelijks voor de tram. Op het pand was een bord aangebracht met een opschrift. Wie weet meer over het opschrift en waarvoor en hoelang het gebouw dienst deed. Wanneer werd het gebouwd? Alle (liefst schriftelijke) informatie is welkom evenals foto's.


Anno 2004 feliciteert de Historische Vereniging “Ni’jluusn van vrogger” de inwoners van Nieuwleusen met honderd jaar UNION


Jaargang 22 nummer 2 juni 2004

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


OMSLAGFOTO: ________________________________________________________

Union rijwielfabriek

* * *


MIJN LOOPBAAN BIJ UNION ________________________________________________________

J.W. de Weerd

Het zal in juni 1964 zijn geweest dat er op het kantoor van Union Rijwielfabriek een jongste medewerker werd gevraagd. Omdat ik in juli van dat jaar examen moest doen voor het Mulodiploma en daarna, als ik zou slagen, aan het werk zou gaan, solliciteerde ik naar dat baantje. Wat de inhoud van de sollicitatiebrief was kan ik me niet meer herinneren, maar kennelijk zag men er wat in en ik werd uitgenodigd voor een gesprek. lk was nog geen zestien en wist nog niet veel van dat wat er te koop was in de wereld. Misschien wel daarom werd het goed geacht dat mijn vader meeging op sollicitatiegesprek. We meldden ons op de afgesproken tijd aan het loket in de hal van het kantoor en mochten daar even wachten. Voor zover ik me kan herinneren was de hal geheel betegeld en ik meen op de achterwand voorzien van een tableau. Wat de voorstelling was, ik zou het niet meer weten, maar ik weet nog wel dat het geheel van betegeling indruk op mij maakte.

Het gesprek werd gevoerd met Dirk Witten, die toen procuratiehouder en de baas van het administratieve personeel was. Het resultaat was dat ik na de vakantie, die toen collectief was, mocht beginnen als jongste bediende op het kantoor van de rijwielfabriek. Mijn salaris zou ƒ 150,--per maand bedragen. Dat was een heel bedrag, maar mijn vader stelde toch een voorwaarde: "Hij moet eerst slagen voor zijn diploma en anders komt hij niet!"
Gelukkig was de uitslag van het examen zodanig, in tegenstelling tot dat wat algemeen werd verwacht, dat ik het diploma in ontvangst kon nemen. Er was geen beletsel om mijn schoolse leven achter mij te laten.

De schrijver van dit artikel in 1966










Op 10 augustus 1964 begon mijn loopbaan bij de rijwielfabriek Union. Heel onwennig en vreemd was het voor mij als best wel verlegen jongen om aan het arbeidsproces deel te nemen. lk werd de opvolger van Albert (toen nog Appie) Visscher, die mij ook in moest werken. Zelf steeg Albert een trede op de ladder en werd van jongste bediende bevorderd tot archivaris.
De eerste dagen liep ik volledig met Albert mee en leerde zo wat mijn werkzaamheden waren. Dat was zeer gevarieerd want de jongste bediende kon overal voor ingezet worden.
De administratie zat op het grote kantoor rechts van de hoofdingang met de betegelde hal. Als je vanuit de hal het kantoor binnen ging, waren zowel links als rechts de bureaus van het administratiepersoneel met achterin het kantoor van procuratiehouder Witten. Dat kantoor was door een glazen wand van de rest gescheiden. Zijn deur was altijd gesloten, maar soms als het naar zijn mening te rumoerig was op het kantoor, opende Witten de deuren maande tot rust.

Vanuit de hal gezien had je rechts, dus aan de raamkant, een drietal blokken van elk vier bureaus. Ik weet niet meer alle namen, maar aan het eerste blok zat met de rug naar het loket de telefoniste/receptioniste. Dat was in die tijd Dicky Lammertsen. Naast haar zat Jenny Blik, die haar bij afwezigheid verving en de bestellingen van onderdelen verzorgde evenals Berend Brink die tegenover Dicky zat. Hij was in mijn ogen toen op hoge leeftijd. Berend Blik was een markant persoon die bijzonder grappig kon zijn, maar ook heel serieus. Naast Berend zat Koning, een heertje dat zijn laatste arbeidsjaren bij Union sleet en daarvoor meen ik in het leger was geweest. Hij controleerde de getypte uitgaande facturen van geleverde fietsen.
Aan het tweede blok zaten kassier Ab Huzen en nog een paar boekhoudkrachten, waaronder Anneke Westerveen, die ook voor de koffie moest zorgen als er bezoek was. Zij had daarvoor de beschikking over een klein keukenblokje in een nis gelegen aan de gang die achter het kantoor langs liep. In een van de kastjes stond ook een blik met koekjes, meestal achter slot. Maar als Anneke in een goede bui was, kon er wel eens een koekje af. Soms was het kastje ook even niet op slot...


Een overzicht van het kantoor omstreeks 1960 1950. Rechts voor (aan de telefoon) zit Berend Brink. Daarachter op de rug gezien (vermoedelijk) Ab Huzen. De tweede van links is Alie Visscher.

Ook aan het laatste blok zaten boekhoudkrachten, onder andere Willem Gruppen, de plaatsvervanger van Dirk Witten en Henk Evertsen.

Aan de linkerkant stonden achteraan achter een glazen wand de boekhoud- en factureermachines. Daarvoor stond een blok van vier bureaus waaraan de facturistes Alie Visscher en Janny Knol zaten en de heer Eller, die de onderdelenfacturen controleerde. Ook stond daar het bureau van Albert Visscher.
Vooraan op de hoek was mijn domein. Mijn bureau stond naast dat van Marry van Duren, die de onderdelenfacturen typte. Onze bureaus stonden, in tegenstelling tot de andere, met het uitzicht naar het raam. Achter ons stonden een paar kasten waarin ik de correspondentie moest opbergen. Naast mij was langs de muur een pad naar de deur die uitkwam op de gang achter het kantoor. Tegenover die deur aan de andere kant van de gang, was de kluis waarin de boekhouding en de kopieën van de facturen waren opgeborgen. De kluis was voorzien van een loodzware deur die de hele dag openstond. Deze werd ‘s morgens door Huzen geopend en 's avonds door hem gesloten.

Wat behoorde er zoal tot mijn taak? Of het ‘s morgens begon met het ophalen van de post van het postkantoor in Den Hulst of dat de post werd bezorgd, kan ik me niet meer precies herinneren. De post was een van de eerste dingen die moesten gebeuren. Allereerst was er de interne post die moest worden rondgebracht. Ik meen dat dit twee keer per dag moest. De ronde ging dan langs alle kantoren, ook de bedrijfskantoren op de verdieping boven de bromfietsafdeling. Daarnaast moesten er diverse keren per dag binnengekomen onderdelenorders worden gebracht naar het kantoor van Bangma van het rijwielonderdelenmagazijn en het kantoor van Hoes van het bromfietsonderdelenmagazijn.
De PTT-post moest ik openmaken, behalve bepaalde enveloppen zoals van de bank, waarna Witten zelf alles uit de enveloppen haalde, bekeek en er voor zorgde dat het op stapeltjes kwam te liggen die ik dan vervolgens naar de betreffende afdelingen of personen moest brengen. Als ik eens een keer per ongeluk een enveloppe had opengemaakt die ik niet mocht opensnijden, dan kreeg ik dat te horen.
Ondertussen was er al een productie opgang gekomen van uitgaande rekeningen en wanneer die waren gecontroleerd kreeg ik ze op mijn bureau en moest ze vouwen, in enveloppen doen, dicht plakken en frankeren. ‘s Middags om een uur of 4 moest de uitgaande post worden gehaald bij de afdelingen inkoop en verkoop en procuratiehouders Leendert Massier en Dirk Witten. Vooral de laatste was nog wel eens wat later dan de bedoeling was en dan moest ik wachten tot hij alles getekend had. Pas daarna kon ik de enveloppen dichtmaken en frankeren en vervolgens moest ik alle post naar het postkantoor in Den Hulst brengen. Vaak was dan de reguliere werktijd al voorbij voor ik naar huis kon.
Voor het doen van boodschappen en het halen en brengen van de post naar het postkantoor (in een oude aktetas), had ik de beschikking over een fiets. Het was een rode weet ik nog, al een vrij oude, die ooit als proefmodel was gemaakt. lk meen dat Albert Visscher wel eens op een proefmodel van een soort ligfiets had gereden, grijs van kleur, maar of die van de fabriek was of van hemzelf, dat weet ik niet meer. Bij mijn weten heb ik van die fiets nooit gebruik gemaakt.

Naast de dagelijkse werkzaamheden waren er andere die wekelijks of incidenteel moesten gebeuren. Wekelijks moesten de prullenbakken op alle kantoren worden geleegd. Dan ging ik met een houten bak de kantoren langs om daar de prullenbakken in te legen. Die bak werd dan weer geleegd in grote open ijzeren bakken die bij de achteringang van de kantoren stonden en waar al het afval van de hele fabriek in werd gedumpt. Helemaal achter op het terrein, bij de tennisbanen die daar waren, was een gazen hok, weliswaar niet helemaal meer dicht, waar het afval kon worden verbrand als het goed weer was. Bij mijn weten heb ik dat maar één keer gedaan. Het was toen een mooie dag en de vlammen zaten er naar mijn idee goed in. lk vond het niet prettig en was dan ook blij toen het afval verbrand was.

Mijn bureau stond dus op de hoek van het middenpad en het pad naar de achter het kantoor gelegen gang. De meesten die daar naar toe moesten, de wc's waren daar ook, liepen keurig om mijn bureau heen. Sommigen gingen echter ook binnendoor en sneden dus een hoekje af door achter Marry en mij langs te gaan. Dat deed Witten niet. Was het om het werk van de jongste bediende in de gaten te houden? Witten was een heel correcte man en ik zie hem nog in zijn broek met enigszins laag kruis de bocht omlopen bij mijn bureau langs.
lk weet nog dat ik een grijs stalen bureau had met een zwart blad zoals wij allemaal op kantoor. Op de rechterhoek van het bureau stond de frankeermachine om de postzegels op de brieven te stempelen. Daarnaast stond een bakje met een roller en water er in om de lijmrand van de enveloppen te bevochtigen voor het sluiten. Ik zou ook geen tong overgehouden hebben van al die enveloppen! Daarnaast stond een grijs snijapparaat om de bovenste randjes van de binnengekomen enveloppen af te snijden en ik meen daarnaast nog een postbakje.
‘s Avonds alsje naar huis ging, moest het bureau verder leeg zijn en de stoel netjes aangeschoven. Er mochten ‘s nachts geen spullen op het bureau liggen. Dat is iets wat ik mijn hele leven ben blijven doen bij al mijn andere banen, ook al ruimden collega’s bij einde werktijd hun bureau niet op.

De koffieverzorging voor het kantoorpersoneel werd verzorgd door Goos Smink. De mensen in de fabriek dronken hun koffie in de kantine. Goos kwam met Gerry Scholten elke morgen met de kop en schotels en de ketels koffie die hij in zijn cafetaria had gezet en de kop en schotels naar de Union. Voor zover ik weet op de fiets. Ze gingen dan alle kantoren langs en ieder kreeg tegen betaling van een koffiebon een kop koffie. Die bonkaartjes moesten gekocht worden en zaten in een automaat, die door mij werd beheerd. De kaartjes waren voorzien van een nummer en de hoeveelheid bonnen en het aanwezige automatengeld werden strikt gecontroleerd.
Na bepaalde tijd werden de gebruikte kopjes weer opgehaald. Wanneer er iemand jarig was, moest je als jongste bediende tegen koffietijd in actie komen om de traktatie van de jarige rond te brengen. Van tevoren was al aan me gevraagd hoeveel personen er die dag aanwezig waren en dat waren er altijd een paar meer dan in werkelijkheid. Omdat het hele kantoorpersoneel werd getrakteerd, wist de jarige niet precies wie er op de andere afdelingen aanwezig waren. Tegelijk met de koffie nam Goos dan de traktatie mee, die ik dan als jongste bediende bij een ieder moest bezorgen: kroketten! En wat smulde men er van ‘s morgens bij de koffie. Je moet er nu niet meer aan denken. Maar voordat je van het hoofdkantoor naar dat van inkoop ging, of omgekeerd, had je er al een geproefd. Als laatste nam je er zelf ook nog een en soms de archivaris ook nog. Was er dan nog wat over, dan bracht je die naar de jarige, die je dan soms ook nog wel eens een extra aanbood. lk kan me niet herinneren dat ik in de anderhalf jaar dat ik bij Union werkte een traktatie in de vorm van een gebakje heb gehad. Wel een paar keer een schepijsje toen het heel warm was, ook bezorgd door Goos.

(Rectificatie:
Hierboven is vermeld dat Goos Smink de koffie in zijn cafetaria zette en daarmee naar Union kwam. Dat blijkt niet juist te zijn. Mevrouw Smink meldde dat de koffie altijd in de kantine van Union is gezet. Ook vertelde ze dat ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan de hele fabriek op kroketten was getrakteerd.)


In het kantoor links van de hoofdingang was de verkoopafdeling van fietsen gevestigd. Daar zaten onder andere de heren Harreveld en Belt. Het kantoor daarachter was het domein van de heren Paasman en Brader en daar weer achter zetelde directeur H.G. van den Berg, of wel meneer Henk zoals hij altijd werd genoemd. Deze kantoren kon je alleen maar via de voorliggende bereiken.
Achter en boven de kantoren was de fabriek gevestigd. Daar kwam je als kantoorman niet vaak. Soms liep je er door als je naar iemand toe moest, maar dat was dan ook alles. Alleen door een deel van de montagehal boven liep je wel eens als je binnendoor ging naar het nieuwe deel met de kantoren van bedrijfsadministratie en dergelijke. Je kon dan via een loopbrug van het oude naar het nieuwe pand, waar op de begane grond de bromfietsafdeling was ondergebracht.

wordt vervolgd

* * *


HOE KLANTEN REAGEERDEN ________________________________________________________

Ter gelegenheid van het 50-jarig bestaan van Union werd aan de rijwielhandelaren een elektrisch klokje aangeboden. Van de reacties die de fabriek daarop kreeg, zijn er een aantal bewaard gebleven. Wij publiceren deze hieronder.

Op 29 juli 1954 schreef H. Hagemeijer, rijwielhandel en reparatie-inrichting te Hilversum:
In verband met uw 50 Jaar "UNION" jubileum doen wij u onze hartelijke gelukwensen toekomen.

Wij stellen het zeer op prijs dat u ons, door schenking van een mooi elec. klokje, in uw feest heeft laten delen waarvoor, ook namens mijn vrouw, onze welgemeende dank! Ook in de toekomst wensen wij de Unionfamilie nog veel succes en hopen zelf nog lang en veel van uw 1e klas producten te kunnen verkopen.

Op 9 augustus 1954 schreef rijwielhandelaar J. Jacobs te Raalte:
Onze hartelijke gelukwensen met uw 50 jarig jubileum. Hierbij spreken wij de hoop uit, dat de prettige relatie tussen uw fabriek en ons, van zeer lange duur mag zijn.
Vriendelijk dank voor het bijzonder mooie klokje, dat wij van u mochten ontvangen. Ten zeerste een ereplaatsje waard! Veel succes en veel geluk voor u allen.

De firma Vink uit Roelofarendsveen stuurde het navolgende lofdicht.

De "Union" in het goud

Als de Union vijftig jaren
Haar bedrijf floreren zag
Geloof ik dat ‘k in mijn positie
Daar wel iets van zeggen mag
Eerst bieden wij van heler harte
U onze felicitatie aan
En met de wens dat 't in de toekomst
Ook het bedrijf zeer goed mag gaan
Dankbaarheid moet overheersen
Bij deze paal met gouden rand
(Zo gij ‘t zelf zegt in uw folder)
Voor de hulp van alle kant.
Wij staan ook reeds een hele reeks van jaren
In relatie met d’ Union
AI kunnen wij niet precies meer zeggen
Wanneer ‘t eerst contact begon
En ‘t is ons altijd tot genoegen
Het zaken doen verloopt steeds vlot
En ook het wederzijds vertrouwen
Is ons immer een genot.
De dankbaarheid aan onze zijde
Voor die kleine kleinigheid
Dat wij ongedacht ontvingen
Weerspiegelt zich nu in de tijd
De vriendschap straalt ons daaruit tegen
Telkens als wij daarop zien
En waarvoor w’ u onze hulde
Nu en in de toekomst bi’en.
Daarom zeggen w’ ook van harte
Union ga zo maar door
En ook wij gaan in de toekomst
Met elan in ‘t zelfde spoor
Want vanzelf bij deze mijlpaal
Is nog d’ eindstreep niet in zicht
Hopelijk nog vele jaren
Doende elk van ons zijn plicht.
Worde het wederzijds vertrouwen
In de toekomst nog versterkt
En dat kan als ieder onzer
Daartoe hartelijk medewerkt.

* * *


REACTIES FOTO’S ________________________________________________________

Op de schoolfoto van de Christelijke School uit Den Hulst in het kwartaalblad van december 2003 ontvingen we nog een aanvullende reactie. Onder nummer 19 is vermeld Aaltje de Lange. Mevrouw De Lange laat ons weten dat haar doopnaam Aafje is en geen Aaltje.

De foto op bladzijde 4 van het kwartaalblad van maart 2004 leverde maar één reactie op. De heer J. van den Berg laat ons weten dat de foto uit 1964 dateert en dat de jongeman rechts met de handen op tafel de derde zoon van directeur H.G. van den Berg is. Zijn naam is Hendrik Maarten. Naast hem zit als derde van rechts Evert van den Berg, de oudste zoon van Jan van den Berg.
Nu het jaartal bekend is komen er hopelijk meer namen boven water. Reacties graag schriftelijk naar de redactie.

De heer H. Schuurman laat ons weten dat zangeres Anita Berry (nummer 54 op de groepsfoto in ons vorige kwartaalblad) nog tot ongeveer 1975 platen heeft gemaakt. Onlangs heeft hij nog een tweetal singles van haar op cd gezet. “Die kon dus nog echt zingen, het klinkt als een klok”, aldus de heer Schuurman. Hij vraagt zich wel af wat er daarna van haar geworden is. Wie heeft daar informatie over? Graag schriftelijk aan de redactie.

Gerrit Jan Pellenkoft laat ons weten dat zijn naam bij nummer 43 op de groepsfoto in ons vorige kwartaalblad onjuist is geschreven.

(Deze opmerkingen zijn in de tekst verwerkt.)

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

Dit keer een foto van voetbalclub USV (Union Sport Vereniging) uit 1931. Het is een van de weinige foto’s van sportclubs die we hebben. Voor aanvullingen van het fotobezit houden we ons steeds aanbevolen.

Fotonr. HA055a=S134



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  

Harm Koekoek
Klaas Klosse
Gerrit Zandbergen
Bart Goselink
Gerard Südholter
Jan van Duren
Klaas van Spijker
Andries Mijnheer (krijt)

9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  

scheidsrechter
Jannes Groen
Jo Meijer
Berend Zandbergen
Willem Andela
Frits Klosse
Willy Katoele
Cees Stolte (samorra)

* * *


EXTRA UNION-NIEUWS ________________________________________________________

Op 29 juli 1954 kwam het Union-nieuws met een extra bericht:
Onze President-Directeur, de WelEd. Gestr. Heer Ir. B.J. van den Berg BJzn. door H.M. de Koningin onderscheiden!
HOERA!(Hij werd Ridder in de orde van Oranje Nassau, red.)


Op het gouden U N I O N feest
Wordt ons àller werk bekroond:
De waardering der Regering
Wordt de DIRECTEUR betoond.
Voor zijn werk, zijn medeleven
Wordt UNION beloond, geëerd:
Onze gouden werkgemeenschap
Officieel gedecoreerd!
Onze allerbeste wensen
Bieden wij hem op dit feest
En wij danken hem voor wat hij
Voor ons dééd en is geweest.
Open oog, oor, hart voor àllen,
Méde-levend en humaan,
‘t Geeft het vast en vol vertrouwen,
DAT ‘t UNION STEEDS GOED ZAL GAAN!

* * *


DE ENNIKJES AAN DE LICHTMIS ________________________________________________________

In het decembernummer 2003 staan in het artikel Aanleg Lichtmisviaduct (blz. 73 t/m 76) in het onderschrift van de foto op bladzijde 75 enkele fouten.
Mevrouw Stien Schoemaker-Mannen gaf ons uitleg: Waar wij zeggen: “Links café Ennik”, moet staan: café Waanders. (Het onderschrift is aangepast.)
Jaap Waanders was getrouwd met Lummigje Ennik en is de overgrootvader van de eigenaar van café-restaurant Waanders in Staphorst- bij de afrit van de A28.
Hoe het zat met de familie Ennik is duidelijk te maken door ook naar de foto op de voorpagina te kijken. Daar zien we op het eilandje van waaruit gewerkt werd aan het viaduct, de schuur die hoort bij de sluiswachterswoning, omdat daarvoor bij het huis geen plaats was. Daarachter, achter de bomen en bij de schutsluis, staat het huis van de sluiswachter Willem Ennik. Het huis met schuur rechts daarvan, na de bomen, is het café van Hendrik Ennik. Wanneer de boeren daar even aanlegden, op weg naar of komend van de markt, kon het vee zo nodig even in de schuur staan. En men kon er postzegels kopen. Als je er voor postzegels kwam, nam je meteen iets te drinken, behalve die ene Staphorster boer die een postzegel van 2 cent kocht en meteen weer vertrok.
Voor het café was een halte van de tramlijn Zwolle-Coevorden. De tram nam na de halte de bocht naar rechts, richting Nieuwleusen-Dedemsvaart.
Daarnaast staat rechts, met gebroken kap, de winkel-boerderij van Piet Huisman. Die was getrouwd met Grietje Ennik, een dochter van Hendrik Ennik van het café. Hun zoon Henk Huisman heeft later het café van grootvader Ennik overgenomen en is opgevolgd door zijn zoon Bertus Huisman. De huizen zijn inmiddels alle drie afgebroken en de afrit van de A28 loopt achter die plek langs; de plek dus waar nu het wegrestaurant staat dat er voor in de plaats kwam en waar Bertus Huisman nu nog de scepter zwaait.



Hoe al die Ennikjes daar zo bij elkaar in de buurt kwamen te wonen? Het "rood pannen huys", in 1530 bij de Lichtmis gebouwd en o.a. als halteplaats voor de postkoets gebruikt, is in 1894 afgebroken. De laatste bewoner was Jan Ennik, die er in 1885 is komen wonen. Hij was getrouwd met Geesje Bos en kwam uit Genemuiden, waar hij veldwachter was. Hij werd hier sluiswachter bij de tweede sluis in de Dedemsvaart. In 1892 is Maria Ennik nog in het "rood pannen huys" geboren. Twee jaar later verhuisde het gezin naar de sluiswachterswoning bij de schutsluis. Maria is de moeder van mevrouw Schoemaker. Ze trouwde met Hendrik Mannen, die kantonnier was. Die gingen aan het Westeinde wonen, eerst bij Koop Massier, tegenover de molen, toen aan de overkant naast de “grote sloot" (oostkant) en daarna weer naar de andere kant van de straat in het huis naast bakkerij Hoekstra, later Dunnink (ook oostkant).
En dan was daar ook nog Ebeltje Ennik, die links aan de Oude Rijksweg naar Rouveen woonde en getrouwd was met Kijk in de Vegte. Dat huis is ook afgebroken, omdat het plaats moest maken voor de noordelijke afrit van de A28. Hendrik, Ebeltje, Maria en Lummigje waren dus allemaal kinderen van Jan Ennik en Geesje Bos en Grietje een kleindochter.
Als kind logeerde Stientje regelmatig aan de Lichtmis en sliep dan in een week in vijf verschillende huizen bij ooms en tantes.

Nog meer cafés
Eenmaal aan de praat, vertelde haar man, Hendrik Schoemaker, ook nog dat het ontromingsstation (melkfabriekje) van Kingma aan het Oosteinde - nu het wit gepleisterde huis -niet tegenover de Chinees stond, maar tegenover de Wethouder Van den Berglaan. Dus heel wat schuiner tegenover de Chinees, richting kruispunt dan wij schreven.
Na melkfabriek werd het café Borst. Hendrik Jan Borst verplaatste zijn zaak naar het kruispunt bij de brug over de Dedemsvaart aan de Ommerdijk, nu Burgemeester Backxlaan.
Het voormalige ontromingsstation/café werd toen woonhuis en winkel van Jan Jonkers, venter in galanterieën. Daarna woonde er Bé Schuurman, wiens vrouw er haar winkel begon, tot ze verhuisde naar het nieuwe winkelpand in de Wethouder Nijboerstaat en werd het weer woonhuis. Daarna woonde er Kleen, opzichter bij de Heidemij, en toen diens zoon Arie Kleen, eigenaar van een grondverzetbedrijf.
Café Borst werd overgenomen door Niemeijer. Hij (en niet zijn opvolger) noemde het café al vlug ‘De Unie', omdat de voetballers van voetbalvereniging U.S.V. zich bij hem in het café verkleedden, alvorens ze naar het voetbalveld trokken. Die naam bleef, tot er rond 2000 een Chinees restaurant kwam en de naam veranderde. Nu is dit restaurant Lei Ping.
(Nu, 2020, is het restaurant al een aantal jaar gesloten in afwachting van de bouw van een appartementencomplex op deze locatie.)
Het voetbalveld lag in de tijd dat het café de naam ‘De Unie’ kreeg aan de noordkant van de Dedemsvaart, richting Sluis 3, achter de openbare school C, ongeveer waar nu BAM-NBM Infratechniek is gevestigd. De voetballers moesten dus een eindje lopen of fietsen om bij hun veld te komen, maar dat vond men toen heel gewoon.
Later kwam er een voetbalveld aan de andere kant van de dorpskern van Den Hulst in de buurt van de huidige Raiffeisenstraat. Toen daar in de jaren zestig nieuwbouw kwam, werd er aan de Paltheweg een voetbalveld met kleedruimte aangelegd en daarna verhuisde U.S.V. naar de sportterreinen zoals die nu nog rond sporthal De Schakel liggen.(USV op Sportpark Hulsterlanden, S.V. Nieuwleusen op Sportpark Het Klaverblad)

* * *


EEN FAMILIE AAN HET OOSTEINDE ________________________________________________________

Onlangs ontvingen we van de familie Huzen een prachtige foto die genomen was voor de ouderlijke boerderij aan het Oosteinde. De bijbehorende informatie is eveneens afkomstig van de familie Huzen.
De boerderij, destijds bekend op het adres A 217 (nu Oosteinde 40) was ongeveer 12 hectare groot. De uit bouw- en grasland bestaande percelen lagen nogal verspreid. Het land lag zowel voor als achter de boerderij, over de Middeldijk, aan de Stouwe, in de Meente (Oudleusen) en in het Spiekerbroek aan het Westeinde nabij de spoorlijn. Een perceel heidegrond lag in het veld van Oudleusen.

De boerderij is door drie generaties Huzen bewoond geweest. Toen de foto genomen is woonden er Jan Willem Huzen en Geertje Schaapman (zie het familieoverzicht). De foto moet genomen zijn tussen 1925 en 1930 en wel vermoedelijk op een donderdag. In die jaren werden er namelijk op deze dag in Nieuwleusen huwelijken voltrokken. Postkantoorhouder Massier moest dan dienst doen als getuige. Zoon Marten van Jan Willem Huzen en Geertje moest dan de honneurs op het postkantoor waarnemen. Zodoende kon Marten er niet bij zijn toen de foto gemaakt werd.


Op de foto zien we van links naar rechts: Willem Hendrik Huzen, Gerard Huzen, kleinzoon Hendrik Huzen (woonde na het overlijden van zijn vader Evert Jan Huzen bij zijn grootouders), Hendrikje Willemina Huzen, Geertje Huzen-Schaapman (zittend, nagenoeg niet zichtbaar), Jan Willem Huzen, de heer Hobbel uit Ooltgensplaat in Zeeland, Hendrik Jan Huzen met zijn pas gekochte Russische kidde (waar hij zo trots op was dat deze ook op de foto moest).
De foto is gemaakt door iemand die de heer Hobbel vergezelde. De familie Huzen verspreidde jarenlang bestellijsten van gras- en tuinzaden voor de firma Hobbel. De ingevulde bestellijsten werden verzameld en doorgezonden naar de firma Hobbel die daarna de bestelde zaden in grote rieten manden verstuurde naar de familie Huzen. Na de watersnoodramp van 1953 werd de zaadhandel van Hobbel verplaatst naar Noord Brabant, waar ze later is opgegaan in Turkenburgs zaadhandel.

Familieoverzicht

Jan Willem Huzen, landbouwer,
                   geboren 27 september 1868 te Nieuwleusen,
                   overleden 2 augustus 1940 te Nieuwleusen
                   zoon van Jan Huzen
                   en Hendrikje Nijhuis
                   trouwt 5 mei 1892 te Nieuwleusen
Geertje Schaapman,
                   geboren 27 december 1869 te Dalfsen,
                   overleden 28 maart 1962 te Wijhe
                   dochter van Evert Schaapman
                   en Willemina van Someren

Kinderen uit dit huwelijk:

1.

2.

3.




4.



5.

6.


7.

8.

9.

Evert Jan, geboren 20 november 1892 te Dalfsen,
overleden 22 maart 1894 te Dalfsen
Hendrikje, geboren 17 februari 1894 te Dalfsen,
overleden 23 februari 1900 te Nieuwleusen
Evert Jan, geboren 26 september 1895 te Dalfsen
(Oudleusen), overleden 22 juli 1925 te Nieuwleusen,
trouwt 17 augustus 1916 te Nieuwleusen met
Klaasje Knol, dochter van Hendrik Knol en Aaltje Lefers
Hendrik Jan, geboren 5 juli 1900 te Nieuwleusen,
overleden 28 januari 1991, trouwt 13 februari 1919 te
Nieuwleusen met Willemina Pessink, dochter van
Jan Pessink en Fennigje Schoemaker
Hendrikje, geboren 26 april 1902 te Nieuwleusen,
overleden 10 december 1902 te Nieuwleusen
Willem Hendrik, geboren 30 augustus 1903 te
Nieuwleusen, overleden 28 november 1991, trouwt
29 maart 1928 te Nieuwleusen met Hendrikje Evertsen
Marten, geboren 11 juni 1905 te Nieuwleusen,
overleden 22 januari 2003
Gerard, geboren 24 september 1909 te Nieuwleusen,
overleden 5 maart 1994
Hendrikje Willemina, geboren 16 april 1912 te
Nieuwleusen, overleden 15 mei 1999

* * *


HERINERINGEN VAN EEN SCHOOLMEESTER XIV ________________________________________________________

A. Visser

Spelregels
Het schoolplein voor de Christelijke School in Den Hulst was eigenlijk te klein voor alle leerlingen om goed te kunnen spelen. Voordat de school begon en vooral in de pauze, liepen ze elkaar en ons bijna van de sokken. (In die tijd haalde het onderwijzend personeel in de pauze ook een frisse neus en wandelde over het schoolplein heen en weer.) Dat was wel jammer; de kinderen hadden voor hun spel meer ruimte nodig. Maar ja … dat schoolplein was al in 1923 aangelegd toen de school nog maar twee lokalen telde. Na de oorlog was het aantal lokalen verdubbeld en het aantal leerlingen meer dan verdubbeld....
Alleen het schoolplein, ingeklemd in de bebouwing, kon niet worden uitgebreid.
Toch wisten de kinderen zich daar wel te vermaken. Allerlei spelletjes werden er gespeeld: touwtje springen, tikkertje, overlopertje, en dan was er ineens de rage van het knikkeren. Dan kwamen ze allemaal op school met een zak vol knikkers - sommigen waren er dan al voor dag en dauw! En als de bel ging, waren ze haast niet bij het knikkerpotje weg te krijgen - welnee - het ‘potje’ moest eerst worden uitgespeeld en dan nog het liefst worden gewonnen. Want het ging om de winst. Jammer genoeg was er ook verlies -ja, groot verlies zelfs, want als je niet won, dan was het spel verloren!! Nu waren er bij dat knikkerspel ook een aantal spelregels. De kinderen kenden die regels maar al te goed. Dat leerden ze spelenderwijs van elkaar. En ze wisten: aan die spelregels moest je je houden. Wie zich niet aan de regels van het spel wenste te houden, kreeg dat onmiddellijk te horen en wie niet horen wilde, moest het maar voelen. Soms vielen er rake klappen .... eigen schuld!! En zo leerden ze elkaar zich aan de spelregels te houden; een goede training voor het latere leven waarin je je ook hebt te houden aan de regels van de maatschappij, van het huwelijk, het gezin, de club of de partij, in een woord: de regels van het samenleven.
Tegenwoordig wordt er op de meeste schoolpleinen niet meer zo intensief gespeeld als vroeger. Veel kinderspelen zijn intussen in de vergetelheid geraakt. De jeugd van nu heeft duur speelgoed, de computer en internet, waarmee ze, weet ik hoelang, bezig zijn en dat meestal in hun eentje, zonder rekening te moeten houden meteen ander; mooi eigen baas.
Ik vraag me wel eens af of de kinderen nu nog wel voldoende leren rekening houden met de ander en of ze later in de maatschappij dat ook zullen doen. Jong geleerd is oud gedaan. Maar als ze het jong niet Ieren? ‘t Zou jammer zijn als ze later alleen maar bezig zijn met en voor zichzelf.
Wij leven nu in een tijd die gekenmerkt wordt door individualisme en daarbij ook egoïsme. Onze maatschappij zit er vol van. Om nog meer egoïsme te voorkomen is het misschien nodig dat de kinderen van nu weer gaan spelen met spelletjes van toen; spelletjes met spelregels.
‘t Kan natuurlijk zo zijn dat het lesgeven in de klas het verlies aan samen buitenspelen compenseert door de veel vrijere werkvormen. Weektaken en samen in groepjes organiseren hoe je de opgegeven taken aanpakt en afmaakt, leert kinderen ook verantwoordelijkheden te nemen en afspraken na te komen. Maar hoe dat zich allemaal afspeelt, daar heb ik geen ervaring mee. Elke generatie kiest de aanpak die hem het beste lijkt, want de samenleving staat nooit stil. Spelen en spelregels veranderen, maar blijven hun plaats in de opvoeding opeisen en dat is dus maar goed ook. De school vormt de toekomstige burger immers.

* * *


WIE WEET WAT ________________________________________________________

Hoewel nog niet overdadig, zijn er toch enkele reacties binnengekomen op de vragen die we in het vorige nummer van het kwartaalblad plaatsten. De vragen blijven onverminderd staan, dus reageren kan nog steeds (wel graag schriftelijk aan de redactie).
Vraag 1: Esperanto
Hierop kregen we een tweetal reacties. In een volgend kwartaalblad hopen we op deze vraag terug te komen.

Vraag 3: Schaatsen
Willem Schiphorst reageerde hierop als volgt: Zowel bij de Union als verderop in de Oosterhulst werden destijds schaatswedstrijden georganiseerd. Bij de Union ging het meer om "echte wedstrijden" waar de beste schaatsers van Nieuwleusen aan mee deden. Gerrit ter Horst is een naam die mij zo te binnen schiet als een man waar rekening mee gehouden werd. Jan van den Berg en Klaas van Spijker hoorden dacht ik bij de vaste organisatoren en bijna zeker ook Jan Brinkman (de vader van o.a. Willem). Op dit deel van de Dedemsvaart was dan ook een echte baanveger (Veerman) en bij het schaatsen was een stuiver voor de baanveger een bekende kreet. De prijzen waren voor die tijd ook echte prijzen zoals een rijksdaalder voor de eerste prijs. Er werd in leeftijdsgroepen gereden.
In de Oosterhulst was het wat "minder echt" en waren het meer wedstrijden voor de kinderen en die werden dan gehouden voor het huis van Gerrit van Spijker (Gait van Spieker). Wij reden ons daar uit de naad voor een kwartje of voor een dubbeltje als je niet zo snel was. Meestal probeerden we Gait ‘s morgens zover te krijgen dat hij ‘s middags een wedstrijd organiseerde. Soms moesten we ook zelf voor het prijzengeld zorgen, dus dat was schaatsenrijders aanhouden en vragen om een bijdrage. Aibert Jonkman, Henk Prins en ik hoorden meestal tot de deelnemers. Albert was meestal winnaar en ik was altijd blij als hij niet mee deed want dan had ik een kans om te winnen. De wedstrijdbaan moesten we zelf helpen vegen. Ik denk dat Henny van Spijker er ook nog wel het een en ander vanaf weet. Voor ons Oosterhulstenaartjes was het echt altijd een evenement als we Gait weer zover hadden gekregen. Hij was meestal de starter en ik dacht dat zijn overbuurman Klaas Kouwen dan vaak bij de eindstreep stond. Ongetwijfeld zijn er uit die omgeving meer die dat nog weten.
(Wie geeft hier aanvullingen op ? red.)

De beide andere vragen leverden helaas geen reacties op. Zowel op de eerste vier vragen als op de volgende wil de redactie graag zoveel mogelijk schriftelijke reacties. Dat hoeft helemaal geen lang verhaal te zijn. Enkele korte herinneringen zijn ook zeker welkom. Samen maken we de geschiedenis van Nieuwleusen completer.

Vraag 5:
in 1927 stuurde Trijntje Bruggeman aan Frido Kamm in het sanatorium in Hellendoorn een ansichtkaart met daarop het toenmalige gemeentehuis van Nieuwleusen. De geadresseerde was naar alle waarschijnlijkheid een zoon van meester Kamm. Wie weet of dit juist is en kan meer vertellen over afzendster en geadresseerde en waarom deze kaart gestuurd is.


Jaargang 22 nummer 3 september 2004

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


OMSLAGFOTO: ________________________________________________________

Het complex van Union rijwielfabriek in Den Hulst omstreeks 1970. Het kanaal is gedempt en vervangen door een brede weg waarop nog niet zo'n druk verkeer is. Hendrik Seine met een koe aan het touw kan dan ook nog rustig wandelen over het fietspad.

* * *


RECLAMETEKENINGEN EN -STRIPS ________________________________________________________

Vooral voor de Tweede Wereldoorlog maakten verschillende bedrijven gebruik van getekende reclame-uitingen. Soms was het een enkele tekening met een pakkende tekst, soms verschenen ze in stripvorm. Eén van de eerste striptekenaars van ons land was Daan Hoeksema (*11-04-1879 †04-01-1935). Voor Union maakte hij een hele serie tekeningen die in kranten en bladen verschenen. In 1918 werd een serie tekeningen in een klein boekje samengevoegd en door Union uitgegeven. Ter gelegenheid van het 80-jarig bestaan van de fabriek werd een prent als relatiegeschenk door Union in herdruk uitgegeven.

In 1986 schreef een 85-jarige kunstschilder/illustrator uit Assen een brief aan Union waarin hij zei zich sommige versjes die bij de tekeningen stonden nog te herinneren: "Het is me nergens om te doen maar alleen om aan te tonen hoe pittig Union toen adverteerde."

Onverslijtbaar en toch versleten
Deez' waarheid lijkt een paradox
Toch zal een ieder weten
Dat d’ Union terecht
Voor onverslijtbaar wordt versleten!

Zonder stoppen rijdt de Spijker-wagen*)
Vijfenveertig lange dagen
Maar ‘t Union rijwiel, het puikje der puiken,
Kan je 45 jaren non-stop gebruiken!

*) Als propaganda voor de Spijker-auto had men 45 dagen lang, dag en nacht onafgebroken met telkens nieuwe chauffeurs, een auto laten rijden.


Dat, watje niet hebt, is ons hevigst begeren,
Heb in de schouwburg horen beweren.
En ik besefte welk een waarheid daar in lag
Toen ik voor ’t eerst een UNION zag.

* * *


EEN TEVREDEN UNION-KLANT ________________________________________________________

Op 26 augustus 1951 schreef een gebruiker van een Union fiets uit Valkenswaard onderstaande brief aan de directie van Union. Daarin sprak hij zijn tevredenheid uit over de fiets. Om zijn brief te onderstrepen stuurde hij een foto mee. Als dank kreeg schrijver van Union bij het antwoord een portefeuille ingesloten.

Geachte Directie
U zult misschien wel verwonderd zijn over mijn schrijven, maar toch kan ik niet nalaten U een kort briefje te schrijven.
Ik kocht voor 2½ jaar terug een rijwiel van U model “Populair” weer en wind uitvoering. Geleverd door den Firma G. Dubach & Zn. Te Valkenswaard.
Op ’t ogenblik, dus na 21/2 jaar berijden door weer en wind, heb ik met dit rijwiel een afstand afgelegd van ± 16.000 à 17.000 km en wel zonder ook maar de geringste kosten aan eventuele vaste onderdelen.
Het is daarom dat ik U dit kort briefje schrijf en om mede mijn waardering uit te spreken over ’t ontvangen rijwiel. Ik zeg nogmaals ik heb al veel fietsen bereden, maar nog geen zoals deze Union en dan zonder mankementen.



Om U een klein beeld te geven van de afstand die ik er al op afgelegd heb is reeds voldoende als ik U zeg dat ik reeds mijn vierde achterband er op heb liggen, echter nog steeds dezelfde voorband.
Ik sluit dan ook hierbij in een foto die ik in mijn voorbije vacantie gemaakt heb en waarover U voor eventuele reclame kunt beschikken. Zoals U hierop ziet, lijkt het rijwiel nog zo goed als nieuw en is dit in werkelijkheid ook nog.
Eventuele bijzonderheden zullen U ten allen tijde worden verstrekt door mijn leverancier de Heer Dubach.

“Ge rijdt als vanzelf” is U devies,
“Geen dan Union” ’t mijne.

Hoogachtend,
Joh. Jansen, Valkenswaard

* * *


MIJN LOOPBAAN BIJ UNION (slot) ________________________________________________________

J.W. de Weerd

Naast het hoofdgebouw stond het oude woonhuis. Ik meen dat daar de eerste maanden nog iemand in woonde, althans in een deel, later werd het geheel door de onderdelenservice van de heer Gerard Vasse in gebruik genomen. Zijn kantoortje kwam toen achter de voordeur van het huis in de gang. Ook ik heb daar nog werkzaamheden verricht, maar toen was ik al 'gepromoveerd'.
Naast het woonhuis stond het oude magazijngebouw, dat nog steeds aanwezig is. Helemaal aan de oostkant van dat gebouw was vroeger een woonhuis dat in mijn tijd als kantoor van de afdeling inkoop dienst deed. Vooraan de weg op de hoek was het kantoor van directeur B.J. van den Berg, mijnheer Bernhard. Daarachter zaten de inkopers onder wie Henk Poeste, Klaas Prins en Berend Pluim. In het kantoor daarachter zat procuratiehouder Leendert Massier. De serre fungeerde als typekamer en was het domein van Jan Breman en twee typistes, waarvan Joke er een was. Zij was de enige vrouw op de afdeling inkoop en was dan ook de aangewezen persoon voor de koffieverzorging als er bezoek was. Dat bezoek kwam binnen via de voordeur en werd opgevangen in het middendeel van de gang, links als je de voordeur inkwam, waar in een open ruimte op een verhoging een zitje was gecreëerd. Daarvoor, aan de weg, was de spreekkamer, eveneens verhoogd, waar de gesprekken door de inkopers met de vertegenwoordigers van de leveranciers werden gevoerd. Achter de open ruimte, dus aan de achterkant van het gebouw, had Joke haar keukendomein.
Joke had ook de zeggenschap over het hele koffiegebeuren voor bezoekers. Zij moest zorgen dat er voldoende voorraad koffie, koffiemelk en koekjes waren. Wanneer de voorraad weer minder werd dan stuurde ze de jongste bediende naar de winkel van De Groot. Ik herinner me in ieder geval dat ik daar blikken met koekjes moest halen. Ook moest ik wel eens rekeningen betalen, zowel bij De Groot als bij sigarenwinkelier Wink. Wie de sigaren haalde is me nooit duidelijk geworden. Van Ab Huzen kreeg ik dan precies het geld contant mee. In ieder geval bij Wink werd ik dan de woonkamer ingeloodst en aan de huiskamertafel werd het geld nageteld.
Regelmatig moest ik ook enkele kleine privé-boodschappen voor Joke doen. Zo kwam een fles Pleegzuster Bloedwijn regelmatig op het lijstje te staan. Ik kreeg dan geld mee van haar. Niemand mocht er iets van weten en als ik terug was, moest ik direct het boodschapje bij haar afleveren, niet op de typekamer, maar in haar keukendomein. Als ik me gemeld had, ging ze steevast mee naar de keuken om de boodschappen in ontvangst te nemen. Ook kreeg ik van haar wel eens het bericht dat ik voor mevrouw B.J. een boodschap moest doen. lk meldde me dan aan de achterdeur van het woonhuis en kreeg van de volgens mij toen roodharige dienstbode of van mevrouw zelf de opdracht voor de boodschap. Wat voor soort boodschap ik voor mevrouw moest doen kan ik me niet meer herinneren.
In de rest van het toen ook al oude gebouw was het onderdelenmagazijn gevestigd waarvan Ulke Bangma de chef was. Verder werkten daar Jan Huzen, Aalt Bruggeman en nog een jongere Bruggeman. Deze heren stuurden mij in mijn beginperiode ook eens om een boodschap naar Hoes van de bromfietsafdeling. Ik moest er een doosje bougievonkjes halen. Ik had er nog nooit van gehoord en wist dan ook niet wat dat was. Een motorisch voertuig hadden we thuis niet, dus hoe moest ik dat weten? Van mijn vrienden had ook niemand een brommer, laat staan dat ik er zelf een had. Ik werd steeds verder de fabriek doorgestuurd met de boodschap dat ze net uitgeleend waren aan die en die. Op een gegeven moment ging ik terug naar het onderdelenmagazijn met de mededeling dat ik er niet in geslaagd was het gevraagde te achterhalen. En de heren daar maar lachen, wist ik veel! Maar ik denk dat ik daardoor wel volledig geaccepteerd ben en later nooit weer ‘last’ van ze heb gehad.
Op de eerste verdieping van het onderdelenmagazijn was Berend Jan van de Bosch werkzaam. Met hem kon ik goed overweg. In mijn ogen was hij toen al erg oud, maar hij had twee kinderen van mijn leeftijd. Als ik weer orders naar het onderdelenmagazijn moest brengen en ik had ook wat voor hem, dan bleef ik graag, als hij tijd had, even met hem praten. Ik meen dat hij het was die me de grap van de bougievonkjes deed doorzien, misschien kon ik het daardoor wel zo goed met hem vinden.

De bovenverdieping van het oude magazijngebouw was opslagruimte, zowel voor wielen en kettingkasten als voor oude factuurboeken, die op hun tijd vanuit de kluis daar naar toe verhuisden. Daar stond ook een papiervernietigingsmachine waar de nog oudere factuurboeken in vernietigd konden worden. Ook dat was de taak van de jongste bediende. Je kon je daar heerlijk terugtrekken en je had bijna geen last dat anderen daar bij je kwamen. Trouwens niemand behalve de archivaris wist datje daar was. Toch kan ik me herinneren dat Witten me daar eens een keer is komen opzoeken. Dat zal wel in het kader van controle op het werk zijn geweest.
Maar soms kwamen er ook wel eens anderen een praatje maken. Die waren dan natuurlijk ook van de jongere garde. Ik herinner me iemand die een jaar of 20 zal zijn geweest en waar ik nogal tegen op keek. Zijn naam was Johnny Prins. Hij werkte op de ontwerp/tekenafdeling en was in mijn ogen zeer vlot en modern en lag bij de meisjes goed in de markt. Regelmatig vertelde hij zijn belevenissen van het weekend. Een verhaal dat ik toen kennelijk nogal moedig vond is me altijd bijgebleven. In die tijd begon de mode om het haar te laten groeien. Niet dat hij zijn lokken al op de schouder had hangen, maar zijn haar was ook niet meer kortgeknipt zoals bij de meeste anderen. Toen hij op een zondagmorgen bezig was om zijn behoorlijke bos haar te wassen, had hij een weddenschap gesloten met zijn zus. Hij zou winnen als hij de hele verdere dag zo met zijn ingezeepte haar zou blijven lopen. Vol trots vertelde hij dat hij natuurlijk gewonnen had. Wat een durf, althans dat vond ik toen.
Ook beschikte hij eens over een oud naturistenboekje. Hoe hij er aan gekomen was wist niemand, maar het circuleerde wel stiekem onder de nieuwsgierige jongere garde van Union.

Ik dacht dat ik ongeveer driekwart jaar jongste bediende ben geweest. In ieder geval was ik in de zomer van 1965 al bevorderd tot archivaris. In die functie had je de zeggenschap over het archief. Ook de voorraad kantoorbenodigdheden viel daaronder. Wanneer er wat besteld moest worden moest dat bij Jan Breman gebeuren die dat dan verzorgde. De meeste kantoorartikelen kwamen van een bedrijf uit Amsterdam, ik meen met de naam Kartro. Wanneer er wat meer besteld werd, stopte men er vaak een geschenkartikel bij. Breman kwam dat wel eens 'opeisen'. Het waren watje tegenwoordig weggevertjes noemt, maar bij mij thuis heeft jarenlang een metalen prullenbak met de plattegrond van Parijs erop dienst gedaan.
In de archiefruimte stonden vaste stellingen en waren twee gangpaden. Er stond een kastje in de tweede gang waarin de kleine kantoorbenodigdheden lagen en waarvan de archivaris de sleutel had. Het was ook wel een plek waar sommige kantoormensen kwamen om een praatje te maken. Dat kon natuurlijk alleen maar als je zelf ook in het archief was, want anders was de deur altijd op slot. In het archief stonden ook een aantal kratjes met frisdrank voor de bezoekers. De bezoekers waren ook wel eens geen vreemden; de klinkopening van de deur kon uitstekend als flesjesopener worden gebruikt! Achter de pakken en dozen konden de flesjes snel worden weggezet als de deur openging. Niet altijd op normale hoogte, je stond ook wel eens op twee stellingplankhoogte met een been aan elke kant van het gangpad. Dat gebeurde in de tweede gang waarop je niet direct zicht had als je de deur in kwam.


Het archief zag er altijd keurig uit. In alle stellingen, van de vloer tot aan het plafond, stond alles netjes weggezet. Elke week veegde je de houten vloer en dat stoof behoorlijk. Soms was het tijd voor een grote schoonmaak, dan kwam de emmer met water er aan te pas en werd de vloer geschrobd en die zag er daarna mooi schoon uit. lk voelde het altijd als een eer om het netjes te houden in ‘mijn domein'. Toen ik na de collectieve vakantie van 1965 terugkwam, trof ik in het archief een behoorlijke troep aan die gemaakt was door de enkelingen die de zaak draaiende hadden gehouden. Bierflesjes, al dan niet half gevuld, heb ik stilletjes verwijderd en het bleek dat er ook wel wat uit een cafetaria was genuttigd.

Als archivaris had je geen dagtaak aan het archief. Het typen van onderdelenfacturen was een goede aanvulling en later kwam daar de administratieve ondersteuning van de servicedienst van Gerard Vasse bij gedurende een paar middagen per week. In een kamer in het oude woonhuis werden de geretourneerde onderdelenpakketten opgeslagen en dan door Vasse uitgepakt en dan moest ik de naam van de fietsenmaker opschrijven, gevolgd door het artikel en het bedrag wat daarvoor terugbetaald zou moeten worden. Ook moest wel eens een vervangend artikel worden gezonden. in de kamer was geen verwarming en het was er dan soms ook best wel koud. Op woensdag zat ik samen met Vasse in zijn kantoortje, dat in de hal achter de voordeur van het huis was gemaakt. Er was net genoeg ruimte voor twee bureaus. Daar zat ik dan van de lijsten die gemaakt waren van de uitgepakte artikelen de bonnetjes te schijven voor de fietsenmakers. Daar leerde ik een beetje wat voor onderdelen er zoal aan een fiets zaten.

In de tijd dat ik bij Union werkte was het de gewoonte dat de jongeren met elkaar een reisje maakten, ik meen enkele keren per jaar. Dan gingen we met een bus naar bijvoorbeeld een leverancier. lk kan me een bezoek aan de Vredestein bandenfabriek herinneren en ook aan de kettingkastenfabriek De Woerd en verder brachten we ook ooit een bezoek aan Heidelberg. Ook de Julianatoren bij Apeldoorn leerde ik in die tijd kennen.

Toen ik bij Union kwam, stond er aan de weg voor het hoofdgebouw nog een groot hekwerk tussen pilaren. Dat hek verdween in die periode (voorjaar 1965?). Aannemer Kappert bouwde er een laag muurtje voor in de plaats waarin enkele bovenstukken van de pilaren werden hergebruikt, die zo tot nu bewaard zijn gebleven. Van die bovenstukken staan er ook een paar bij een huis aan de Evenboersweg.

Tijdens mijn Union loopbaan studeerde ik in de avonduren voor het praktijkdiploma boekhouden. Toen ik dat na een studie van anderhalf jaar had gehaald, ben ik op zoek gegaan naar een andere baan omdat Union mij niet meer kon bieden. Zo nam na twee jaar mijn loopbaan bij de fabriek in Den Hulst een einde. Ik kreeg een getuigschrift mee dat ik nog steeds bewaar. Ook heb ik nog loonstrookjes, echt strookjes papier, van mijn eerste verdiensten. Die strookjes zaten in een doorzichtig venster, op de loonzakjes waarin het geld contant werd uitbetaald. Helaas bezit ik verder geen stoffelijke herinneringen meer aan Union.

Tegenwoordig beginnen de jongeren op een niveau dat bij hun studie aansluit, maar daardoor mist men de ervaringen van onder af. lk ben blij dat ik begonnen ben op de onderste tree van de ladder en bewaar nog steeds goede herinneringen aan mijn eerste baantje. lk heb er heel veel geleerd en heb daar in mijn latere carrière veel aan gehad. Toen het oude gebouw afbrandde, zo'n 10 jaar na mijn vertrek, was mijn Union-verleden echt verledentijd.

Rectificatie:
Op blz. 30 in het vorige kwartaalblad is vermeld dat Goos Smink de koffie in zijn cafetaria zette en daarmee naar Union kwam. Dat blijkt niet juist te zijn. Mevrouw Smink meldde dat de koffie altijd in de kantine van Union is gezet. Ook vertelde ze dat ter gelegenheid van het 60-jarig bestaan de hele fabriek op kroketten was getrakteerd.

De foto op bladzijde 27 in het vorige kwartaalblad is ouder dan we dachten en dateert van begin jaren vijftig. We kregen een reactie Klaas Prins, die de meeste namen nog weet. In het volgende kwartaalblad komen we hier op terug.

Deze opmerkingen zijn bij het artikel toegevoegd.

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

Op 11 januari 1934 werd de Christelijke mannenvereniging “Bid en werk” opgericht. In 1938 ging de vereniging op reis naar de luchthaven Schiphol. Daar werd deze groepsfoto gemaakt.

Fotonr W142=CA.d018



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

Geesje Bunskoek-de Lange
Hendrik Uilen
Margje Uilen-Tempelman
Aaltje de Boer-Bijker
Arend Luten
Annigje Luten-van Duren
Janna Alteveer-Alteveer
Peter Alteveer
Femmigje ten Kate-Schuurman

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  

Gerrit ten Kate
Jennigje Masselink-Roddenhof
Frans Masselink
Aaltje Kouwen-Bouwman
Roelof Kouwen
Jan Bunskoek
Frederik Jan de Boer
Hendrik Arie Belt

* * *


‘T IS OAVER ________________________________________________________

Klazien Bijker-van Hulst

De bouwhane, de bouwhane,
een graag geziene gast
in vrogger tied, wie kent em nog?
Zien komst stund altied vast.

As d’ harfst zien zulvern kletien spun
boam ‘t vochtig eerpellaand,
reizen de dursmesienes rond:
et zoad sprunk uut de baand.

Dan daansden de eerpels in de maand'
Noazomers plofgeluud.
Poaters en kleinen graag apart,
rotters der tussen uut.

En hoj, dan op een goeie dag,
de lesten uut de grond,
stunden de euliebollen kloar.
De bouwhane, goldblond.

‘t Grauwe vergiet, geslachten laank
't geschunden middelpunt.
De inhold, bol en geurig,
was al heel gauw uutedund.

Vergoane glorie, de euliebol,
hij hef gien anzien meer.
‘t Is hotdogs, snacks en mie en brie,
de culinaire keer.

En met die blonde bouwhane
is ok de boerenstand vergriesd.
Ach, zo starft de ien met d'aander uut
En det dut zeer….. det's triest.

* * *


WIE WEET WAT ________________________________________________________

Zoals beloofd komen we terug op de vraag over het Esperanto. Hierop kregen we een tweetal reacties. Aanvullingen kunnen altijd schriftelijk aan de redactie worden gestuurd.

Vraag 1: Esperanto
Reactie van Jenny Kouwen-Waanders:
Ik weet daar weinig van, maar schilder Hendrik de Groot sprak een mondje Esperanto en hij leerde mij tot tien tellen.
1 -oenoe, 2 -doe, 3 -trie, 4 -kwaar, 5 -kwien, 6 -ses, 7 -sept,
8 -ok, 9 -no, 10 -det.
Hij zei het me voor terwijl hij aan het schilderen was. Ik heb het nooit gelezen, dus ik weet niet of ik het goed schrijf, maar zo klonk het. En ik weet nog een zinnetje:
Oenoe pommo estas frukto (een appel is een vrucht.)

Reactie van Willem Schiphorst:
Toen Esperanto een wereldtaal zou worden, waren er in Nieuwleusen ook enige avontuurlijke meisjes die er wel wat in zagen. Een daarvan was Aaltje Südholter-Brinkman. Ik belde haar op. Zij wist nog dat de les inderdaad werd gegeven door Hopster en een vriend van hem, die bij een manufacturenzaak in Balkbrug werkzaam was. Uit het gesprek dacht ik te kunnen opmaken dat het er erg gezellig aan toe ging en dat de interesse voor de leraren zeker zo groot was als voor de les. Zij wist er niet meer zo heel veel meer van.

Vraag 6: Ds. De Vries
We kregen ook een vraag binnen van Willem Schiphorst naar aanleiding van het vermelde over Ds. De Vries in het maartnummer 2004, bladzijde 17:

In het stukje over de Chr. Lagere school staat aangegeven dat ds. S. de Vries medeoprichter was van deze school, maar die school is toch pas in 1912 opgericht en ds. De Vries kwam toch pas omstreeks 1926 naar Nieuwleusen? Of is er twee maal een ds. De Vries in Nieuwleusen geweest?


Christelijk Lagere School te Nieuwleusen omstreeks 1930 of 1935.

Antwoord:
We hebben een en ander op een rijtje gezet:
1891. Oprichting van de Vereniging voor Lager onderwijs op gereformeerde grondslag te Nieuwleusen. De statuten worden 21 mei goedgekeurd door H.M. koningin-regentes Emma.
1891. 30 maart afscheid van ds. J. Steenbeek en op 20 september intrede van ds. H. Smits van de Hervormde gemeente.
1892. 10 april bevestiging van ds. E.J. Harkema van de gereformeerde gemeente.
1903. De naam van de Vereniging voor Lager onderwijs op gereformeerde grondslag wordt gewijzigd in: Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs. De statuten worden bij Koninklijk Besluit goedgekeurd op 3O juni.
1907. Ds. E.J. Harkema neemt afscheid van de Gereformeerde gemeente.
1908. Bevestiging ds. S. de Vries van de Gereformeerde gemeente.
1908 -17 febr. Tijdens de jaarvergadering van de Vereniging voor Christelijk Nationaal Schoolonderwijs wordt voorgesteld tot boedelscheiding te komen. Dat leidt ertoe dat er aan het eind van 1908 twee verenigingen zijn die precies hetzelfde doel nastreven: komen tot de oprichting van een christelijke school, alleen met dit verschil, dat de ene vereniging de school in Nieuwleusen wil vestigen en de andere in Den Hulst.
1912. Afscheid van ds. S. de Vries van de Gereformeerde gemeente.
1914. Bevestiging van ds. C.J.H. van Diemen van de Gereformeerde gemeente.
1919. Christelijke Lagere School Ruitenveen geopend.
1923.1934. De Christelijke Lagere School in Den Hulst wordt in gebruik genomen.
1930. ‘Over het spoor' begint de Christelijke Lagere School De Meele.
Ds. S. de Vries (gereformeerde gemeente) heeft zich dus wel sterk gemaakt voor de komst van christelijke lagere scholen in Nieuwleusen, maar was al lang vertrokken voor ze daadwerkelijk gebouwd werden.

Op de lijst van predikanten van de Hervormde gemeente Nieuwleusen vinden we van 1943 - 1946 Ds. S.W. de Vries. Hij heeft dus niets met het vestigen van de christelijke lagere scholen van doen gehad.

Vraag 6: Festival
In de zomer (juni?) van 1949 was er een (eerste en tevens laatste?) muziek- en zangavond van alle gemengde koren, kinderkoren en muziekverenigingen van Nieuwleusen. Dat vond plaats in de openlucht op een terrein dat aan de oostkant van de Backxlaan lag, ongeveer waar nu garage Zieleman is.
Wie weet hier meer van, heeft foto’s of misschien nog een programmaboekje?

Antwoorden op de gestelde vragen, aanvullingen en/of nieuwe vragen kunt u schriftelijk richten aan de redactie van Ni’jIuusn van vrogger. Dat kan zowel per brief (Westeinde 3, 7711 CH Nieuwleusen) als per e-mail (hvnln@planet.nl).

* * *


HERINNERINGEN VAN EEN SCHOOLMEESTER XV ________________________________________________________

A. Visser

Aanvangssalaris
Wat was ik blij met mijn vaste baan, per 1 december 1945, in Den Hulst. Ik had het niet durven dromen...een vaste baan! En dat ten/vijl er zoveel van mijn studiegenoten zonder werk rondliepen als "kwekeling met akte". Soms stonden ze als volontair een poosje ergens voor de klas en kregen daarvoor een kleine vergoeding. Dat deden ze om toch maar ervaring op te doen en om vanuit een 'werkkring’ te kunnen solliciteren naar een tijdelijke of vaste baan in het onderwijs. "Kwekeling met akte" was haast een scheldwoord voor deze werkeloze leerkrachten want ze waren met zovelen. Ik voelde mij zeer bevoorrecht. Een vaste baan betekende ook een vast salaris. Ik was heel nieuwsgierig naar het eerste loonstrookje. Ik zou het voor de kerstvakantie ontvangen, tegelijk met het salaris, dat contant werd uitbetaald door het hoofd van de school. Dat loonstrookje heb ik altijd bewaard. Het zag en ziet er als volgt uit:

Berekening der Jaarwedde van A. Visser.
Op 1 december 1945. Geen hoofdakte. Leeftijd 20 jaar.

Salaris in een eerste klas gemeente
Af: 10 %

Af: 5 %

Nieuwleusen was 3e klas gemeente: Af: 8 %

Omdat ik ongehuwd was: Af: 3 %
Bruto Jaarwedde
Verhoging: 15 %
De pensioengrondslag
Verhoging:10% van ƒ 955,--
Bruto

ƒ 1250,--
ƒ   125,--
ƒ  1125,--
ƒ      56,--
ƒ  1069,--
ƒ      85,--
ƒ    984,--
ƒ      29,--
ƒ   955,--
ƒ   144,--
ƒ 1099,--
ƒ     96,--
ƒ 1195,--

Waarom er eerst 10 % en 5 % werd afgetrokken en waarom er verderop weer 15 % en 10 % bij opgeteld werden, is mij altijd een raadsel geweest. De salarissen waren gebaseerd op wat werd betaald in een 1e klas gemeente; dat waren de grote steden. Kleinere plaatsen en de veenkoloniën in Drenthe waren 2e klasse = Af 5 %.
Het platteland was 3e klasse = Af 8 %.
Het bruto salaris per 1 december 1945 was dus ƒ 1195,--. Toen een van onze kinderen later dit loonstrookje in handen kreeg, vond hij het niet zo’n geweldig salaris. Toen ik hem vertelde dat het hier niet om een maandsalaris ging, maar dat het een jaarsalaris was, kon hij dat maar amper geloven.
Nog geen ƒ 100,--per maand. Daar moest dan ook nog loonbelasting en pensioenpremie over worden betaald. Netto kreeg ik ƒ 86,-per maand in handen. Daarvan moest ik betalen:
Kost en inwoning: ƒ 60,-
Schriftelijke cursus hoofdakte: ƒ 10,-
Eén maal per maand naar het ouderlijk huis. Reiskosten: ƒ 10,-
Per maand bleef dus over voor vrije besteding: ƒ 6,-

Gelukkig zijn deze salarissen in de volgende jaren wel aangepast, maar een vetpot is het niet geworden, zoals uit onderstaand overzicht wel blijkt.

1 december 1945
1 mei 1946
1 oktober1946
1 maart 1947
1 januari 1948

pensioengrondslag
pensioengrondslag
pensioengrondslag
pensioengrondslag
pensioengrondslag

ƒ 1099,--
ƒ 1187,--
ƒ 1669,--
ƒ 1757,--
ƒ 2412,--

Na het behalen van de hoofdakte in augustus1948 werd het

1 september1948

pensioengrondslag

ƒ 2736,--

Het behalen van de hoofdakte was dus in meer dan één opzicht erg belangrijk. Het inkomen ging meteen met meer dan 10 % omhoog.
De jongelui die nu van de PABO komen en de school instappen, hebben gelukkig een beter aanvangssalaris, maar de taak waarvoor zij staan is vast en zeker ook veel zwaarder dan die van ons toen. Het werk in de klas is nu zo heel anders, maar vergelijkingen maken tussen toen en nu is haast niet mogelijk. Een ding is zeker: wij werkten toen met veel plezier en groot enthousiasme aan de toekomst van onze leerlingen. Of dat plezier en enthousiasme nu nog zo groot is in het onderwijs waag ik, afgaande op de geruchten, te betwijfelen en dat is erg jammer: zowel voorde leerkrachten als ook, en vooral, voorde leerlingen.

* * *


EEN LEGAAT VAN GULIA PALTHE ________________________________________________________

Na het overlijden van Gulia Palthe in 1928 werden er door notaris Visscher in Nieuwleusen diverse aktes opgemaakt. Eén van deze aktes betreffende een legaat van Gulia treft u hieronder aan. Het is notarieel uittreksel no. 4823. Hierin betekent ‘enzoovoort’ dat de hierna in de oorspronkelijke akte uitgeschreven tekst, hier niet van toepassing is.

Voor mij, Jan Visscher, notaris in het arrondissement Zwolle, ter standplaats Nieuwleuzen, verschenen: Derk van der Hulst, notarisklerk, wonende te Avereest, handelende in hoedanigheid van gemachtigde van de Heeren: a. Joan Gelderman, fabrikant, wonende te Berghuizen, gemeente Losser; b. Philippus Johannes Gelderman, fabrikant, wonende aldaar; c. Gerrit Albertus Schlätker, winkelier, wonende te Oldenzaal; te zamen vormende het College van Kerkvoogden der Nederduitsch Hervormde Gemeente te Oldenzaal en als zodanig die gemeente vertegenwoordigend, krachtens eene onderhandsche volmacht, welke, na door den lasthebber, in tegenwoordigheid van mij en de getuigen, voor echt erkend en ten blijke daarvan door hem met mij en de getuigen geteekend te zijn, aan deze acte wordt vastgehecht;
Die verklaarde dat Mejuffrouw Guillemette Joanette Palthe, ook wel genaamd Guillemette Jeanette Palthe, in leven ongehuwd en zonder beroep, wonende te Oldenzaal, aldaar den zes en twintigsten Maart laatstleden, zonder achterlating van erfgenamen in de rechte lijn, is overleden, door haren dood bekrachtigende haren olographischen uitersten wil, aan mij in bewaring gegeven blijkend mijne acten respectievelijk van den een en twintigsten April negentienhonderd een en twintig, vijftienden September negentienhonderd twee en twintig en zesden Augustus negentienhonderd drie en twintig, na doode der erflaatster door den Heer Kantonrechter te Zwolle geopend, waarbij zij ondermeer heeft beschikt als volgt, en wel:
a. enzoovoort;
b. bij het tweede testament:
“Ik stel en benoem tot mijne eenige en universeele erfgename de Nederduitsch Hervormde Gemeente te Oldenzaal.”
c. bij het derde testament:
“Verder legateer ik: 1.enzoovoort.


“Het thans door hen bewoonde huis” van de familie Boer stond aan het Westeinde naast de dokterswoning, op de plek waar nu de parkeerplaats van de supermarkt is.

4. Aan Arend Jan Boer en Geertje Kragt, echtelieden, wonende te Nieuwleuzen, in den Kerkenhoek, te zamen en bij voor overlijden van beiden aan hunne afstammelingen bij plaatsvervulling, het thans door hen bewoonde huis met grond benevens eene lange akker in huur bij Harm Bakker gelegen dadelijk achter den grond in huur bij Klaas Mijnheer benevens een stukje grond in huur bij Klaas Mijnheer gelegen aldaar en tusschen voormelde akker en den bij de Iegentarissen in huur zijnde grond alles gelegen in den Kerkenhoek te Nieuwleuzen en aldaar kadastraal bekend in sectie C destijds gedeelten van nummer 3184.
5. enzoovoort”
dat Hare Majesteit de Koningin aan den erfgename de Nederduitsch Hervormde Gemeente te Oldenzaal machtiging tot aanvaarding der nalatenschap heeft verleend bij Harer Majesteits Besluit van den een en dertigsten Mei laatstleden, nummer 35, terwijl het Provinciaal College van Toezicht op het Beheer der Goederen en Fondsen van de Hervormde Gemeenten in Overijssel, bij besluit van den derden Juli laatstleden, heeft goedgekeurd het besluit van den Kerkvoogden en Notabelen der Nederduitsch Hervormde Gemeente te Oldenzaal, strekkende tot het aanvaarden der nalatenschap en tevens goedkeuring verleend tot afgeven der legaten;
dat, enzoovoort;
dat de aan Arend Jan Boer en Geertje Kragt gelegateerde onroerende goederen thans kadastraal bekend zijn gemeente Nieuwleuzen sectie C, een westelijk gedeelte, ter grootte van ongeveer eene hectare vijf are tien centiare, van nummer 3909 en, enzoovoort;
dat hij comparant afgifte wil doen - gelijk hij doet bij deze - van de aan voornoemde legatarissen gelegateerde goederen.

En zijn alhier mede verschenen:
1. enzoovoort;
8. Arend Jan Boer Hendrik Janszoon, landbouwer, en Geertje Kragt, beiden in eersten echt gehuwde echtelieden, wonende in den Kerkenhoek te Nieuwleuzen, de vrouw door den man bijgestaan;
en, enzoovoort.
Die verkiaarden, ieder voor zich, de aan hen gemaakte iegaten, onder de voorschreven bedingen aan te nemen.
Partijen verklaarden:
dat in verband met de bepaling vervat in het eerste testament, met de erfdienstbaarheid van weg worden bezwaard:
a. enzoovoort;
b. De weg, uitmakende een gedeelte van het perceel kadastraal bekend gemeente , sectie C nummer 3909, waarvan het vruchtgebruik is gelegateerd aan Klaas Mijnheer Albertszoon, en loopende voor een gedeelte achter langs den tuin van Westerveen, van- en naar den Ommerdijk, ten behoeve van de aan Arend Jan Boer en Geertje Kragt gelegateerde lange akker, thans in huur bij Harm Bakker en van het aan hen gelegateerde stukje grond, thans in huur bij Klaas Mijnheer, beide eveneens uitmakende gedeelten van voormeld nummer 3909, doch niet te behoeve van de overige aan hen gelegateerde goederen;
c. enzoovoort;
dat de gelegateerde goederen op de legatarissen over gaan met alle hunne lusten en lasten, rechten en verplichtingen, heerschende en lijdende erfdienstbaarheden, niets uitgezonderd, wordende alle vrijwaring uitdrukkelijk uitgesloten;
dat alle lasten en belastingen, van de goederen geheven wordende, van den sterfdag der erflaatster af, ten laste van de legatarissen zijn; dat voorschreven onroerende goederen door de erflaatster zijn verkregen bij eene onderhandsche acte van scheiding, overgeschreven te Zwolle den veertienden Februari negentienhonderd drie, in deel 732 nommer 83.
Comparanten zijn mij bekend.
Waarvan acte. Verleden te mijnen kantore te Nieuwleuzen, op heden den tienden October negentienhonderd acht en twintig, in tegenwoordigheid van Gerhard Hebinck en Johannes Jansma, notarisklerken, wonende de eerste te Zwolle, de tweede te Nieuwleuzen, als getuigen.
En is deze acte onmiddellijk na voorlezing geteekend door de oomparanten, de getuigen en mij notaris.
D. van der Hulst - A. Kragt - J. Eshuis - H.J. Stolte - H. Bakker - H. Krul - J. Timmerman -A. Blik - J. Schaapman - F. Schoemaker- E. Schaapman - A.J. Boer - G. Kragt - K. Mijnheer - G. Hebinck - J. Jansma - J. Visscher, notaris.


Jaargang 22 nummer 4 december 2004

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


OMSLAGFOTO: ________________________________________________________

Tekening uit 1943 voor Sinterklaas

* * *


WAT DE SINT ER VAN ZEGT ________________________________________________________

Onlangs kwamen we in het bezit van een aantal papieren met tekeningen en briefjes die gemaakt waren voor Sinterklaas. Ook zaten er een aantal aantekeningen bij voor de Sint. De papieren zijn afkomstig van Henk van den Berg. Hij en zijn vrouw speelden een aantal jaren als vervangers voor de echte Sinterklaas en Piet. Gelukkig was op een van de briefjes een datum geschreven, waardoor we nu weten dat deze papieren uit december 1943 dateren.
In die maand bezochten Sint en Piet een aantal scholen in Nieuwleusen. Voor school A aan het Oosteinde kreeg Sint de volgende aantekeningen aangereikt:
Klasse I
Evert Kouwen en Arend Dijk rekenen zeer goed en werken keurig netjes.
Mientje Regterschot kan erg mooi schrijyen.
Klasse II Roelof Mulder is een aardig kereltje, maar heeft erg veel praatjes.
Klasse III Mina Schoemaker werkt erg netjes.
Harm Witten is wel eens brutaal.
Derk Meulman is ook wel eens brutaal.
Klasse VI Bertha Massier is een erg gehoorzaam en lief meisje.
Jan Katoele zit vaak te praten.

De aantekeningen voor school B in het Ruitenveen zijn uitgebreider:
Beste Sint,
De kinderen uit de eerste, tweede en derde klas doen over het a1gemeen flink hun best. Er zijn er enkele bij, die beter op moeten passen dat ze geen vlekken op hun schrift maken.

Jan Bremmer uit de tweede en Jan Nijlant uit de eerste verdienen nog wel een kleine aanmaning om wat harder te werken. Daar is de juffrouw nog niet zo erg tevreden over. Maar verder is ze wel tevreden, vooral omdat de kinderen tegenwoordig ook met keurig schone handen op school komen, wat eerst nog wel te wensen overliet.
Er zijn drie meisjes uit de derde klas die graag het liedje “Op de hoge, hoge daken” willen zingen als daar tijd voor is.
Hierbij een paar briefjes en tekeningen.
Met vr. groeten, w.g. Eskes.

IV
Jan Willem Pessink is erg traag in ’t werken. Hij zingt goed.
Jan Sterken is ook geen vluggertje, hij kletst liever.
Jannie Brouwer doet wel goed haar best, maar knoeit wel eens met “briefjes en tekeningen”. Flink standje daarover.
Geert Schoemaker werkt in alles goed.
Jantje Boer moet beter rekenen.
w.g. onleesbaar



Dan zijn er bij de papieren nog twee kleine briefjes met aantekeningen. Deze zijn vermoedelijk afkomstig van de ouders. Van het eerste briefje is niet duidelijk op wie het betrekking heeft. Ook is er niet bij vermeld van welke school de briefjes zijn.

Hij zeurt vaak om te mogen meerijden met de voerman. Vonder; hij mag dat niet doen.

Leni Koster gaat wel eens op bloote voetjes uit haar bedje. Laat haar autoped slingeren. Leert netjes haar zondagschool versjes.

Briefjes van kinderen aan de Sint:
Lieve Sint Nicolaas.
Ik ben blij, dat u komt. Wij hebben ook al versjes gezongen. Ik zet mijn schoentje vast klaar. Ik heb er altijd nog wat in gekregen. Ik heb al een muts, een ring. Een schort, een handtasje een kleurboek en een he1eboel pepernootjes en (Peper-, red) muntjes gekregen. Allemaal van die beste Sint. En ik en Grietje en Geesje hebben ook gezongen van op de hoge hoge daken. En ik heb zaterdag ook gezongen van ..... Ik kan het allemaal niet noemen want er zijn zoveel versjes.
Groeten van Trijntje Hendriks.

Lieve Sint Nicolaas.
Lieve Sint Nicolaas ik ben blij dat u alle jaren komt. Ik heb mijn schoen alle jaren gezet en ik heb er alle jaren wat in gekregen. Ik heb ook wel eens pantoffels gekregen. En ik heb ook een versje gezongen van: Sinterklaas kapoentje.
Gooi wat in mijn schoentje.
Breng wat in mijn laarsje.
Dank je Sinterklaasje.
En nog wel veel meer versjes. Maar ik kan ze allemaal niet op dit papier schrijven dan wordt het veel te groot. Piet is hier van de week Vrijdag in school geweest en toen heeft hij ons ook wat in het vak gedaan.
De groeten van Grietje Pessink.

6 Dec. 1943

Lieve Sint Nicolaas.
Lieve Sint Nico|aas, ik wou je even een klein briefje schrijven. Ik heb al veel versjes geleerd bij deze juffrouw. Ik en Grietje Pessink en Trijhtje Hendriks moeten we1 eens voor de klas zingen. Lieve Sint ik heb mijn schoen al gezet en ik heb er altijd wat in gehad. Ik vind deze juffrouw wel een lieve juffrouw. Sint Nicolaas ben je nog goed gezond. Ik hoop dat je hat volgend jaar maar weer komt. Heeft Piet Vrijdagnacht hier in de school geweest. Hij heeft in ieder vak vijf snoepjes gelegt. Die snoepjes waren erg lekker. Ik wou wel dat het iedere dag Sint Nicolaas feest was. Nou nu weet ik niet meer. Maar ik zal op de andere kant nog een tekening tekenen. Nou tot ziens Sint Nicolaas en zwarte Piet. Daaaaag.
Afz. Geesje Brouwer.



* * *


FOTO UNION-KANTOOR ________________________________________________________

Klaas Prins

Zoals in het vorige kwartaalblad al gemeld, kregen we van Klaas Prins een reactie op de foto die we op bladzijde 27 plaatsten. We nemen zijn reactie hierna over en plaatsen nogmaals de bewuste foto.


Met veel interesse heb ik het 1e artikel “Mijn loopbaan bij Union", opgetekend door de heer J.W. de Weerd, gelezen. Aangezien ik zelf op dezelfde wijze bij Union ben begonnen, maar dan eind 1947, kan ik mij bepaalde werkzaamheden nog goed herinneren.
De foto is mijns inziens niet van omstreeks 1960 maar ik dacht begin jaren 50. Aan het eerste blok van vier bureau’s zaten Berend Brink en ondergetekende. Tegenover Brink zat Henk van ‘t Zand en tegenover mij Arend Belt; deze beide personen zijn echter niet zichtbaar op de foto. Verder is er nog een kleinere tafel achter het ladekastje waar Egbert Gerrits zijn werkzaamheden had.
Links in de hoek, onder de grote klok en net achter de lamp, was de correspondentie/factureerafdeling, met van links naar rechts Jan Breman, Annie van Bremen, Ans Wassens en Mien van den Berg. Vóór de correspondentieafdeling stond het bureau van de jongste medewerker, op de foto niet zichtbaar. Achter de correspondentieafdeling was de kluis. Naast de kluisdeur zit iemand die ik helaas niet thuis kan brengen.
Aan het tweede blok zitten, op de rug gezien, Ab Huzen en tegenover hem dacht ik Luinstra en daarnaast (rechts, red.) Tiny Oegema. Zekerweten doe ik dat niet.
Van het derde blok kan ik mij alleen herinneren Dirk Witten, helemaal links in de hoek en uiterst rechts in de hoek, niet goed zichtbaar, Leendert Massier. Hierachter het kantoor van de heer Weenink, procuratiehouder.
lk maak de heer De Weerd mijn compliment zoals hij de gehele gang van zaken omschrijft en een hele goede weergave geeft van het werken in die tijd. Ik zie met belangstelling zijn volgende berichten tegemoet (inmiddels verschenen, red.).

* * *


Rectificatie en aanvulling MIJN LOOPBAAN BIJ UNION ________________________________________________________

Op bladzijde 52 in het vorige kwartaalblad is sprake van Gerard Vasse die de onderdelenservice deed. Dit moet echter zijn Johan Vasse.
Op bladzijde 54 is sprake van "een jongere Bruggeman”. Dit is Arend Bruggeman, die tijdens een bezoek aan de tentoonstelling in het museum zei, dat hij zich nog wist te herinneren dat hij en zijn collega’s jongste bediende Jakob de Weerd om een doosje bougievonkjes de fabriek in gestuurd hadden.

* * *


MIJN UNION-VERHAAL ________________________________________________________

Gé Kuiper-Bekedam

Bij een bezoek aan de tentoonstelling "Ge rijdt als vanzelf" over 100 jaar Union, ontmoette ik de heer De Weerd, die eveneens bij Union had gewerkt. Hij vroeg mij enige voorvallen op schrift te zetten.

Vanaf 1954 ben ik acht jaar werkzaam geweest op het kantoor. Eerst een aantal jaren op de type-afdeling, later op het inkoop-en exportkantoor in het voormalig huis van de familie Jan van den Berg in de serre. Lang was ik daar het enige vrouwelijke personeelslid.
In het kwartaalblad van maart 2004 las ik het hoofdstuk over de Union fabriek in het tijdvak na 1950. Er wordt melding gemaakt van de export naar Duitsland en Amerika. Hier had ik veel mee van doen, naast de correspondentie die ik verzorgde.
De export naar Amerika was naar ene Mijnheer Seedman. Af en toe kwam hij bij ons op bezoek. Voor hem moest er tomatensap zijn. Hij had de gewoonte het toilet niet af te sluiten, dus werd, zodra hij daarvan gebruik maakte, iedereen daarvan op de hoogte gesteld.
De orders van de heer Seedman waren van dien aard, dat er ook door de rijwielfabrieken Germaan te Meppel en Pon te Amersfoort fietsen werden gemaakt. Indertijd was ik belast met de verzending naar Amerika; te weten New York, Los Angeles en San Francisco. Dat hield in: transport van de drie fabrieken naar Rotterdam, douane controle, uitvoerpapieren en tenslotte de cheques ter inning naar de bank. Lang lieten we het verhaal bestaan dat de heren Massier en Breman 10 cent per fiets kregen en ik 5 cent. Via de firma Hegeler te Rotterdam werd de verzending verzorgd door de Holland Amerika Lijn en Van Nieveld Goudriaan.
Mijn eerste treinreis maakte ik alleen naar de firma Hegeler in Rotterdam. Het tweede bezoek bracht ik met de heer Breman, waarbij wij op uitnodiging van dat bedrijf heerlijk gedineerd hebben in een Zwitsers chalet.
Op het kantoor van mijnheer B.J. vergaderde de directie met die van Pon en Germaan. Meneer Pon gaf eens aan dat hij enorme dorst had. Dit was voor mij aanleiding hem een grote glazen laars met ranja aan te bieden. De reacties waren zeer positief.


Een deel van het kantoor van de afdeling inkoop in februari 1962. Van links naar rechts: Jan Willering, Berend Pluim, Gerrit van Spijker en Henk Poeste.

Op de inkoop afdeling kwamen natuurlijk veel vertegenwoordigers c.q. agenten. Onder de vertegenwoordigers was er een die van ons de bijnaam “meneer Muis” had gekregen. Een van ons begroette hem ook met Meneer Muis. Op een keer bracht hij eens later in de middag een bezoek. Aan het einde van de werktijd ging iedereen naar huis. Niemand die meer aan hem dacht. Omdat alles afgesloten was, is hij uiteindelijk via een raam ontsnapt.
We hadden lepeltjes met het Union-embleem. Na het bezoek van een bepaalde vertegenwoordiger miste regelmatig het lepeltje.
Daar vond ik het volgende op. Op een keer bracht ik hem koffie zonder lepeltje, maar met de mededeling dat hij er al genoeg in zijn bezit had. Hij beaamde dat en bij het volgende bezoek bracht hij zelf een lepeltje mee.
Er was een goede sfeer onder het personeel op onze afdeling.
Achteraf blijkt dat ik nogal progressief was. lk kwam in verband met mijn werkzaamheden en bepaalde contacten vaak op veel afdelingen in de fabriek. Mijn inziens mocht het personeel van "het andere kantoor" ook wel eens de fabriek bekijken en ik stelde dat voor. Daarna kwam ik met het voorstel dit ook te laten gelden voor de vrouwen van de werknemers. Dit werd ook uitgevoerd.
Op de tentoonstelling zag ik ook een kruissportfiets staan. De laatste is voor mij gemaakt. Er was nog een frame en op de inkoop-afdeling lagen nogal wat monsters en zo werd de kruissportfiets in elkaar gezet.
In een oude agenda las ik, dat ik kort na het behalen van mijn rijbewijs in de Union VW naar Nieuwleusen mocht rijden.

Goede herinneringen bewaar ik aan Union en dit geldt ook voor mijn latere collega Anny de Lange. Na ruim 30 jaar hebben we elkaar weer ontmoet en dat is heel leuk.
Tot op heden ben ik nog steeds trouw gebleven aan het merk Union.

* * *


DOSERING ________________________________________________________

Klazien Bijker – van Hulst

As ‘t ‘s winters heel vrog donkert
en het joar is bijna rond,
dan roek ie die decembergeur
van knieperties, goldblond.
Gebakken, plat of opgerold,
een zuut en knus karwei.
Maar ken ie wel de symboliek
van dizze lekkernij?

Wel, opgerold vertolkt ze oes,
‘t verhaal is al heel old,
De toekomst die het ni'je joar
Veur oes verbörgn holt.
Veurspelling zus, veurspelling zo,
broodetende profeten.
Het is geheim en det is goed.
Wie wil de toekomst weten?

Geluk, verdreet, het komend joar,
Met alles veur de boeg,
rolt elke dag een deeltie bloot
en det is net genog.
Der zult soms golden dagen weën
woarop de zun zal schienen.
Der zult ok donkere dagen weën
met stille diepe pienen.

Maar rust in kille wintermist
’t old joar weer op zien gat,
dan lig et met zien billen bloot.
Is ‘t kniepertien weer plat.

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

De jongens netjes met de handen over elkaar, zo moest dat omstreeks 1949 toen deze foto werd gemaakt van leerlingen en onderwijzers van de christelijke lagere school te Ruitenveen.
Fotonr.ZC35 = BD034 = 02641



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

meester Jan Westerik
Klaas Kreule
Jennigje Prins
Mientje Steenbergen
Hennie Grit
Mina Bouwhuis
Arend Jan Huzen
Gerrit Reuvers
meester Hoek

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  

Jentje Westerman
Jannie Visscher
Dina Prins
Fenna Lammertsen
Siena Pierik
Dicky Lammertsen
Hillie Westerman
Janna Bonen

18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  

Gerrit Luten
Klaas Dunnink
Jan Prins
Gerrit Jan Grit
Klaas Brinkman
Jan Willem Potjes
Jacob Grit
Thijs Bonen

* * *


AANVULLING GROEPSFOTO SEPTEMBER ________________________________________________________

De twee ontbrekende namen bij de groepsfoto in het septembernummer kunnen als volgt worden ingevuld: nr. 1 is Roelofje Bunskoek-TimmermanGeesje Bunskoek-de Lange. en nr. 15 is Jan Bunskoek.
(Dit is aangepast bij de foto.)

* * *


SCHOOLHERINNERINGEN ________________________________________________________

We nemen hier een aantal herinneringen en verhaaltjes op die we ontvingen voor de werkgroep “Onderwijzers”. Daarbij zat een tweetal uitgebreide verhalen. In dit kwartaalblad nemen we er een op, het andere volgt in het maartnummer.

Bij de openbare lagere school aan het Oosteinde (school A) werd omstreeks 1950 veel schoolvoetbal gespeeld.
Omstreeks 1938 werd de jonge onderwijzer Wester aan de christelijke lagere school te Ruitenveen verliefd op juffrouw Visser van de christelijke lagere school aan het Westeinde (school Siefers); dit tot groot vermaak van de kinderen. Dat kon natuurlijk niet en zo kwam meester Withaar daar als opvolger van Meester Wester.
In 1948 gingen veel kinderen nog op klompen naar school. De kinderen moesten deze uitdoen en in de gang onder de kapstok zetten. Een van de leerlingen in klas 3/4 van de school met de Bijbel te Ruitenveen (school B) had de boodschap van thuis meegekregen dat de klompen onder geen beding uitgingen. Toen het bewuste meisje de klompen dan ook niet uitdeed, ontstond er een fikse strijd met de meester. Uiteindelijk won deze door haar aan haar haren de bank uit te sleuren en naar de gang te dirigeren.
De lestijden van de school met de Bijbel aan het Westeinde waren omstreeks 1940 van negen tot twaalf uur en van half twee tot half vier. Een keer in de week werd er aan de meisjes van half vier tot half vijf handwerkles gegeven.
Iedere morgen was er een half uur bijbelvertelling en op maandagmorgen moesten de kinderen een psalmversje opzeggen. Verder begon men de morgens en de middagen met bidden en werden die met danken beëindigd. Op vrijdagmiddag mochten de kinderen tekenen.

De kinderen die aan de overkant van het kanaal bij de openbare lagere school C in Den Hulst woonden, moesten helemaal rondlopen over Sluis 3 of de Ommerdijkerbrug. Als er ’s winters ijs was, dan mochten sommigen onder toezicht van een van de ouders over het ijs het kanaal oversteken.
Hoofdonderwijzer Oosterhof gaf in elk geval in het schooljaar 1953-54 Engelse les aan een paar gezinnen, dit omdat die van plan waren naar Canada te emigreren. De familie Van Duren vertrok een aantal jaren later inderdaad naar overzee. Omdat vader Klein werd afgekeurd voor emigratie, bleef deze familie in Nederland.
Omstreeks 1950 had meester Oosterhof van deze school een onwillige auto van het merk Citroën, type Traction Avant. Toen deze eens was aangeduwd, reed de bestuurder dwars door de groentetuin bij de onderwijzerswoning, waarna de vrouw des huizes in het Fries iets lelijks riep.
School C werd als een prettige school ervaren. In de oorlog waren de kinderen nog wel eens vrij en dat was niet leuk. De leerkrachten gaven goed les en de kinderen leerden er veel. Ze waren wel streng, maar je luisterde wel en we hadden respect voor ze, aldus een van de leerlingen uit de oorlogsperiode.
In september 1944 werden de kinderen naar huis gestuurd. De school werd toen in gebruik genomen als onderkomen voor soldaten van de bezetter. In de oorlogsjaren deed hoofdonderwijzer De Jongste wel eens de belofte dat de kinderen na de oorlog met hem een schoolreisje naar Den Haag en Scheveningen zouden maken. Hijzelf vertrok wel naar Den Haag, maar de betreffende kinderen wachten nog steeds.
Toch heeft niet iedereen prettige herinneringen aan zijn of haar schooltijd. Twee meisjes die nogal klein waren, werden door meester Raadsveld (ca. 1938) nooit bij hun naam genoemd, maar aangesproken als Kiepel en Krabbel. Dat ze dat niet leuk vonden spreekt voor zich. Ze kunnen er zich nog steeds kwaad om maken.
Meester Klinge richtte omstreeks 1935 het kinderkoor “De Zangvogeltjes” op. Jaarlijks gaven ze een uitvoering in zaal Visser (nu Oldtimer) aan Sluis 3.

Een van de leerlingen van de openbare lagere school van De Meele (school D) weet zich nog te herinneren dat in 1941 op last van de bezetter het gymnastiekonderwijs werd ingevoerd. De scholen kregen daarvoor de materialen en alle leerlingen zwarte gymschoenen die niet mee naar huis genomen mochten worden.

Meester Bijl was begin jaren 60 aan de christelijke lagere school te Den Hulst verbonden. Een van de leerlingen kan zich nog herinneren hoe mooi deze op vrijdagmiddag, als het schoolwerk afwas, verhalen kon vertellen die hij ter plekke bedacht.
Bij deze school was een schooltuin voor het lokaal van klas 3 en 4. In die tuin mochten alleen de leerlingen van de hoogste klas komen en daar werken. Behalve lupines zou er niet veel bijzonders in gestaan hebben.
Soms werd er bij mooi weer buiten gymnastiek gegeven. De leerlingen moesten dan naar het voetbalveld, dat achter de openbare lagere school in Den Hulst lag.

* * *


HERINNERINGEN AAN MIJN SCHOOLJAREN ________________________________________________________

Klazien Bijker-van Hulst

Klazien van Hulst was vanaf mei 1937 leerlinge van de openbare lagere school C in Den Hulst. Ze vond het niet moeilijk om wat van haar herinneringen op papier te zetten. “Maar misschien zijn ze een beetje rommelig”, schreef ze. We laten u er toch graag van meegenieten.

Vaak denk ik: het allermeeste leer je in de eerste klas. Die allereerste beginselen van taal, rekenen, schrijven, lezen (met een leesplankje, maar wat een methode), de basis dus. Met heel veel dank aan juffrouw Raadsveld en met excuses, want als grote meisjes in de handwerkklas waren we niet altijd even lief.
Ik herinner me de verpieterde plantjes die je in de grote vakantie, drie weken lang, mee naar huis kreeg. Ze kwamen net zo opgefleurd terug als de bleekneusjes uit de vakantiekolonie.
Nooit zal ik de stinkende natte wc's zonder closetpapier vergeten en het drukfonteintje waar je op een warme zomerdag het water haast uit moest zuigen. Allemaal met je smoelwerk op hetzelfde kraantje gedrukt.
Dan waren er de wilde jongensspelletjes waar je, een beetje bang, toch maar aan mee deed. Nee, dan liever touwtje springen of ballen of knikkeren. Of nog leuker, de kringspelletjes als er weer een klas nieuwe kinderen op school kwam: “Zie de vogel eens vliegen”.
Er waren kinderen die van ver moesten komen. Soms lopend met stro in de klompjes. In de winter 's morgens in het donker van huis en ‘s avonds in het donker terug.
Ik denk aan het ijsvrij dat we kregen "as de voart lien wol". Je weet nog niet half hoe heerlijk het was om, a-sportief als ik was, met "Jaap Snoek van Volendam" bij de kachel te kruipen.
Ook zal ik de binnenkomst van de Duitsers nooit vergeten, hoe we allemaal wat stil en bang bij het hek stonden. Later de wat vezelige oorlogsschriftjes waarin de tekst “Wil over het papier niet klagen, ‘t wordt weer goed in beet're dagen”. Verder de vele gedichtjes die we op school uit het hoofd moesten leren om later in een soort van wedstrijd voor te dragen.
Dan waren er de schipperskinderen die altijd tijdelijk mee draaiden als het schip een paar dagen in de buurt lag.
Ja, en dan “meester Klinge”, een postuum begrip. Beetje scheef lopend van de reumatiek, hier en daar een dikke puist, niet zo gezond. Maar een man die het steeds weer kon opbrengen om met zijn koortje elk jaar veel leuke liedjes en een kinderoperette in te studeren en op te voeren.
Voor het zangkoortje “De Zangvogeltjes” heeft hij zelf een clublied geschreven en gecomponeerd. Ik voeg het hierbij.
Die aardige meester Klinge is maar 47 jaar geworden.

En dan was er die onderwijzer met dat zwarte wratje, die je ongenadig aan het velletje van de kin omhoog trok of, nog erger, met een vierkant latje confronteerde als je wat uitgevreten had.
Maar die ons ook stimuleerde om wilde planten te verzamelen, de namen ervan wist en met liefde uitlegde hoe zoiets in elkaar zat. Een hele rij buisjes met alle gevonden soorten in de gang.
Hij was ook degene die ons een schoolreisje beloofde. Vast en zeker, na de oorlog! Maar die de belofte niet nakwam, hij vertrok enkele reis met zijn gezin. Wel naar Den Haag, dat wel! Een schoolreisje is er gedurende onze schooltijd bij ingeschoten. Nog wel drie keer een Oranjefeest. Samen met alle scholen uit de gemeente. Behalve de christelijke lagere school uit Den Hulst, die het feest een dag later hield op een weiland achter de school.
Ik denk aan de tekenlessen op vrijdagmiddag. Wel van voorbeelden, onder andere wiskundige figuren. Of het geknoei met Oost-Indische inkt. Vlekken die je creatief wegwerkte....
Af en toe waren er op de vrijdagmiddag lichtbeelden. Als de gordijnen werden gesloten, wist je hoe laat het was. Dan kwam meester met de Oost-Indische Compagnie op de proppen, de handel met “Ons Indië”. Honderd keer gezien, maar je hoefde verder niets, dus.....
lk herinner me de rode kunststof penhouder die door sommigen tot op de stomp werd afgeknaagd, de schooltuintjes op het landje van Freek de Lange, de bezoekjes van de schoolarts, dokter Schuringa, het consultatiebureau voor kinderen, waar we als achtste klas zo eens in de twee weken het lokaal mee moesten delen. Leuke afwisseling. De gymnastiek op het U.S.V. terrein.
En dan al die keren dat we in het laatste oorlogsjaar naar huis werden gestuurd. We kregen in dat jaar ook Duitse les, een uur in de week meen ik, van meester Postma of Posthumus.
Het schip “Klein Artis”, met aan boord levende en opgezet gedierte. De scholen gingen er klasgewijs naar toe. Was dit ter compensatie van een reisje naar de dierentuin?

Ook hebben we nog een tijdje schoolmelk gehad, zuur met soms dikke stukken erin. Het was gauw afgelopen. Nee, dan die kist met sinaasappels met de bevrijding. We wisten amper meer hoe een sinaasappel eruitzag! Daarnaast nog vitamine C-tabletten.
Na de bevrijding zat onze school vol repatrianten die uit Duitsland terug kwamen. Waarschijnlijk zijn toen onze laatste schriften en tekeningen in de wc-potten beland.

Clublied van de Zangvoge1tjes”

Als we samen staan te zingen,
En ons lied klinkt vol van vreugd,
denken w’ aan geen andere dingen
omdat zingen ons verheugt.
Luid zal onze zang ook galmen
langs de velden en de wei.
Vrolijk lied en dan ook psalmen
zullen klinken frank en vrij.

Zingen is de zon in 't 1even,
zingen is de zon van ‘t hart.
Zingen is van God gegeven
Aan de mens bij vreugde en bij smart.
Zingend zullen wij marcheren.
Zingend door het leven gaan.
Zingend al het kwaad trotseren
Zingend, pal in ’t leven staan.

Tekst en compositie: Johan Klinge.



* * *


WIE WEET WAT ________________________________________________________

Vraag 7: Festival
De christelijke koren uit Den Hulst, de Meele en Nieuwleusen gaven in 1949 in Den Hulst een openluchtconcert op een terrein aan de Smeule, dat eigendom was van E.G. Klosse. Van dit concert hebben we nog geen foto’s of ander materiaal gekregen.
Wie weet iets van deze gebeurtenis te vertellen of heeft er nog iets van. Laat het ons dan (schriftelijk, ook per e-mail) weten. Van de organiserende zangvereniging “Immanuël” zijn wel foto’s bekend. In het kwartaalblad van maart 1998 zijn een artikel en een foto van deze vereniging opgenomen.

Vraag 8: Torentje
Bij het voormalige kerkgebouw aan de Rollecate, nu een dubbele woning, heeft nog heel lang een torentje gestaan dat ooit op het kerkgebouw stond. Het is geplaatst in 1949. Gedurende welke periode heeft het kerkgebouw dienst gedaan en wat is er van het torentje geworden?

Vraag 5: Ansichtkaart


Gemeentehuis van Nieuw-Leusen. Ansicht uit 1927 (part. collectie)

In 1927 stuurde Trijntje Bruggeman aan Frido Kamm in het sanatorium in Hellendoorn deze ansichtkaart van het toenmalige gemeentehuis van Nieuwleusen.
We vinden het bijzonder leuk dat deze Trijntje Bruggeman zelf op de vraag reageerde. Ze woonde in 1927 aan Kringsloot H75 en ging in Ruitenveen naar openbare lagere school B. Later trouwde ze met J.W. Hogenkamp. Nu woont ze in Oudleusen.
Toen ze de kaart verstuurde zat ze in klas 5. Frido Kamm verbleef toen in het sanatorium in Hellendoorn, waarschijnlijk vanwege TBC. Hij was de oudste zoon van meester Kamm. Deze was hoofdonderwijzer aan school B. Het gezin Kamm was afkomstig uit Rotterdam. Het was een echte stadse familie, aldus Trijntje. Alleen Frido gedroeg zich als een echte boerenjongen. Hij ging na schooltijd vaak naar boer Harm Jan Brouwer en mende daar wel de wagen met twee paarden ervoor.
Het gezin Kamm bestond uit 4 kinderen. Naast Frido waren er Julius, Truus en Janneman, de jongste zoon. Zoon Julius kwam tijdens het douchen door verstikking om het leven.
Frido was een speciaal vriendje van Trijntje. Op een bij-zondag wou Frido met haar uit fietsen en ook met nog een vriendin en haar vriendje. Trijntje durfde het thuis niet te vragen en zodoende ging het niet door.


Openbare en Chr. School Ruitenveen, Gem. Nieuwleusen, Ansicht uit 1927 (part. collectie).

Heel toevallig kwam er in Nieuwleusen nog een kaart boven water die aan Frido Kamm, Paviljoen, Sanatorium Hellendoorn werd gestuurd. Deze kaart van de scholen te Ruitenveen is eveneens afgestempeld in 1927. De afzender is Frits Hekman.
Misschien levert dit nog een reactie op?

Vraag 6: Ds. De Vries
Er kwamen een paar reacties binnen op het antwoord op deze vraag over dominee De Vries in het vorige kwartaalblad.
Vermeld was dat de christelijke lagere school in Den Hulst in 1934 in gebruik werd genomen. Dat is niet juist. Het was in 1923.
We hebben het boek van Hendrik Jan Klomp "Een beminde bovenmeester van een bijzondere school|" (in 2000 in eigen beheer uitgegeven) er ook nog op nagelezen. Op 12 juni 1923 werd de school feestelijk geopend. Hoofd van de school was Albert Postuma, onderwijzer was W.W. Bouwhuis en J.W. Dingstee was de juffrouw. Zij had geen akte Nuttige Handwerken en daarom werden deze lessen gegeven door L.M. Harwig. Er waren zo'n 85 leerlingen. In 1924 waren dat er al 95 en in 1930 werd aan 40 van de 175 leerlingen lesgegeven in een leegstaand lokaal van de openbare lagere school te De Meele.
De "Vereniging voor Christelijk onderwijs te Den Hulst" is bij Koninklijk Besluit erkend op 13 mei 1910.

* * *


UIT DE NIEUWLEUSENER GOURANT VAN 1 FEBRUARI 1939 ________________________________________________________

Werkverschaffing en steunverleening. In 1938 is door de gemeente Nieuwleusen een bedrag van ƒ 22.204,52 uitgegeven voor steunverleening en werkverschaffing, t.w.: Steunverleening ƒ 692,74, Partic. werkverschaffing ƒ 1.369,90, Gemeent. werkverschaffing ƒ 1.004,33, Centr. werkverschaffing ƒ 438,57, Steun aan kl. boeren gr. C ƒ 2.568,80, Steun aan kl boeren groep B ƒ 15.241,33, Spaarrege|ing ƒ 888,85. Totaal ƒ 22.204,52.

Onderh. verkoop. Door den heer J van Spijker Kzn. is onderhands verkocht een perceel grasland, groot 1.20 H.A., voor ƒ 3.800 aan den heer R. Kouwen.

Contrôlevereeniging. Op het kantoor der Coöp. Zuivelfabriek “Den Hu|st" alhier had een bespreking plaats met de heeren Leeuwrik, assistent Rijksveeteeltconsulent, en Klomp en het Bestuur over een in oprichting zijnde melkcontrolevereeniging en fokvereeniging.

* * *


INHOUD JAARGANG 22 ________________________________________________________

blz.
1
6
7
9
10
14
15
17
18
19
21
22
25
32
34
35
38
39
42
45
47
48
51
52
59
62
63
66
69
73
77
79
82
83
86
89
92
95
96


Uit: Het vrije wiel VI (1974)
Union in de literatuur
Bij een theevisite 2003/04
Reacties foto’s
Een oude groepsfoto (OLS Den Hulst, ca 1950)
Overval op veehandelaar
Gerrigje Berends verleid
Knipsel uit: Van Eigen Erf
Reactie Nestradi/Theresia
Herinneringen van een schoolmeester XIII
Rondom de kachel (gedicht)
Wie weet wat
Mijn loopbaan bij Union
Hoe klanten reageerden
Reacties foto’s
Een oude groepsfoto(USV 1931)
Extra Union-nieuws
De Ennikjes aan de Lichtmis
Een familie aan het Oosteinde
Herinneringen van een schooimeester XIV
Wie weet wat
Reclametekeningen en -strips
Een tevreden Union-klant
Mijn loopbaan bij Union (slot)
Een oude groepsfoto (Chr. Mannenver. Bid en Werk 1938)
‘t ls oaver (gedicht)
Wie weet wat
Herinneringen van een schooimeester XV
Een legaat van Gulia Palthe
Wat de Sint ervan zegt
Foto Union-kantoor
Mijn Union-verhaal
Dosering (gedicht)
Een oude groepsfoto (CLS Ruitenveen, ca 1949) Schoolherinneringen
Herinneringen aan mijn schooljaren
Wie weet wat
Uit de Nieuwleusener Courant van 1 februari 1939
Inhoud jaargang 22





Jaargang 23 nummer 1 maart 2005

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


OMSLAGFOTO: ________________________________________________________

De openbare lagere school te Den Hulst, school C, met de onderwijzerswoning omstreeks 1950. Op de voorgrond het kanaal de Dedemsvaart. Alles wat op de foto te zien is, behoort al lange tijd tot het verleden.

* * *


HERINNERINGEN AAN MIJN SCHOOLJAREN ________________________________________________________

Willie van Oenen-Bouwhuis

Willie Bouwhuis was leerlinge aan de Openbare Lagere School C in Den Hulst. Ze ging in augustus 1954 voor het eerst naar school. Aan haar schooltijd heeft ze veel herinneringen over gehouden, die ze in het hierna volgende verhaal met ons wil delen. Volgens Willie is er nooit een reünie van haar school geweest. Ze zou het leuk vinden (en wij natuurlijk ook) als er meer reacties komen van oud-leerlingen.

Op mijn zesde jaar ging ik als vroege leerling naar school C. Van de eerste schooldag herinner ik mij nog dat ik door twee buurmeisjes werd meegenomen. Ik hing mijn jas bij hun jassen aan de kapstok, maar dat was niet de bedoeling. De kapstokken hadden nummers die bij de klas hoorden waarin je zat. Ik kwam bij juffrouw Rose in de klas. Ik vond haar mooi en ze droeg gebloemde jurken. Het was een behoorlijk grote klas van zo'n 25 leerlingen, waaronder de drieling van Compagner.
We moesten nog heel wat leren, zoals netjes de vinger op steken als je naar de wc moest. Een jongetje was dat nog niet gewend en hij verkondigde luid dat hij naar “het huusie” moest. "Wat moet je dan zeggen?" vroeg de juffrouw. "Ik mut poepen," zei hij toen.
Samen met mijn vriendin Ria (Riki) Kamerman zaten we op de achterste bank en we deden het daar blijkbaar goed, want we werden als voorbeeld voor de klas genoemd als “die twee daar op de achterste bank”. Ria heeft dat niveau beter volgehouden dan ik.
Ria en ik waren ook de kleinsten van de klas. In die periode is de kleuterschool erbij gekomen. Ik werd een keer uit de klas gehaald om elders in school op een klein stoeltje te gaan zitten om te zien of het geschikt was voor de kleuters.
In de tweede klas kwam juffrouw Koenen als nieuwe juf op school. Ze was de eerste dag wat teleurgesteld omdat ze had gehoord dat er kinderen uit Staphorst in de klas zaten. Daarom dacht ze dat die klederdracht zouden dragen. Juffrouw Koenen was heel lang en slank.

We gingen elke dag lopend naar school en tussen de middag naar huis en weer terug. In mijn herinnering was het voor de kinderen uit het dorp niet toegestaan om op de fiets te komen, dat mochten alleen de kinderen van buiten. Sommigen kwamen ook wel van ver, zoals uit “de Moat”, de Kievitshaar of “bij het spoor”. Soms gingen we toch op de fiets en dan stalden we die, een paar huizen verder, bij Goselink, tegen de boom, zodat het niet opviel.
Op het schoolplein stonden twee dikke kastanjebomen waar we ons soms met een lange sliert, hand in hand, omheen draaiden en dan zongen we “de boom wordt hoe langer hoe dikker”. De meesters en juffen liepen in de pauze op het plein heen en weer. We deden verder de bekende spelletjes uit die jaren zoals knikkeren, touwtje springen en kaatsballen.
De jongens waren voor mijn gevoel altijd wild aan het rennen. Op een keer waren twee jongens aan het vechten. Ze werden door een meester uit elkaar gehaald en moesten toen op de stoep met de armen om elkaars schouder gaan zitten, net zo lang totdat de bel ging.
Wat me ook bijgebleven is, is dat er op een dag een “grote” jongen een zuignap bij zich had. Dat was wat nieuws. Om de een of andere duistere reden werd dat ding bij mij op het voorhoofd gedrukt en zat toen muurvast. Ik werd meegenomen de school in, waar een juffrouw of meester het ding los kreeg. Ik had de rest van de dag een rode plek op mijn voorhoofd.
Het was de tijd waarin nieuwe kunststofmaterialen op de markt kwamen. Veel vrouwen van mijn generatie zullen zich de eerste nylonjurkjes nog wel herinneren. Dat vonden we prachtig maar ze waren wel voor de zondag bedoeld. In de flessen afwasmiddel (Abro) zaten gekleurde plastic kralen die je aan elkaar kon drukken om er een ketting van te maken en die we op school ruilden.
In de derde klas kwam ik bij meester Abbingh in de klas. Bij hem in het lokaal hadden we een winkeltje. We namen daarvoor lege puddingpakjes enz. mee van huis. Er was ook speelgoedgeld bij. Heel leerzaam dus.
De school had ook een bibliotheek. Er was een duidelijke scheiding tussen jongens- en meisjesboeken. Dat stond mij niet zo aan. Ik las graag en vond de jongensboeken minder saai.
In de vijfde klas kwam meester Nagel. Hij kwam als kersverse onderwijzer zo van de kweekschool uit Zeist naar Den Hulst. Hij baarde opzien met zijn kapsel (stekeltjes). Sommige moeders stuurden na verloop van tijd hun jongens naar de kapper met de opdracht om het haar à la Nagel te laten knippen.
Achter de school was het voetbalveld van USV. Daar hadden we gym. Heerlijk veel ruimte. In een winter met veel sneeuw bouwden we daar met de klas van meester Nagel forten, waarachter vandaan we elkaar bekogelden met sneeuwballen. Meester Nagel kreeg toen een sneeuwbal achter zijn bril. Hoe dat verder is afgelopen weet ik niet meer.
Als er 's winters ijs op de Dedemsvaart lag, mochten we er in de pauze en tussen de middag schaatsen. Heerlijk. Maar het kwam niet zo vaak voor. Er was toen nog drukke scheepvaart en de schippers probeerden zo lang mogelijk doorvaart te houden en maakten het ijs kapot. Dan werden ze vanaf het schoolplein uitgescholden. Wisten wij veel van broodwinning.
Soms kwamen er ook schipperskinderen voor een poosje bij ons in de klas. Ze hadden dan eigen schoolboeken bij zich waar de meester ze mee hielp.
Een eindje verderop was de christelijke school. Die kinderen werden bij het langslopen wel eens uitgescholden en bij sneeuw werden ze bekogeld. Gescheiden naar school gaan roept blijkbaar niet altijd het beste in ons op. In die tijd gingen over het algemeen de hervormde kinderen naar de openbare school en de gereformeerde kinderen naar de christelijke school.

In de vijfde klas waren er een paar jongens die blijkbaar al zoiets als zakgeld hadden, want ze hadden geregeld kauwgom bij zich. We kregen wel eens wat van ze. Maar op een keer kregen Ria en ik te horen dat we ook maar eens wat mee moesten nemen. Daarvoor hadden we het geld niet. We kregen de kans toen we op een dag langs bakker Bijker liepen en zagen dat er in de vuilnisbak zakjes snoep lagen. Het waren paaseitjes die waarschijnlijk niet meer verkoopbaar waren. Die namen we mee en toen konden wij ook een keer trakteren, maar we vertelden er niet bij waar ze vandaan kwamen.
In de hogere klassen mochten we om de beurt de deur open doen als er iemand aan de bel was. Dat kwam nogal eens voor, ondanks dat er een bordje naast de deur hing waarop stond “Aan de deur wordt niet gekocht. Drukwerken worden niet aangenomen".
Volgens mij waren er ook rondreizende artiesten, want ik herinner mij een sneltekenaar die op het bord mocht komen tekenen. Dat maakte diepe indruk op mij, want ik tekende graag. Ook werden er in de klas wel eens films gedraaid, zoals de film “Glas” van Bert Haanstra.
Jaarlijks was er een schoolreisje. Dat werd dan aangekondigd in de klas en er werd bij gezegd dat iedereen mee ging. Een tijd later werd er dan in de klas gevraagd wie er mee gingen en dan waren er wel eens kinderen uit grote gezinnen die zeiden dat ze niet mee mochten van thuis. Hoe het geregeld werd weet ik niet, maar ze gingen uiteindelijk wel mee.
In de zesde klas gingen we op kamp naar Putten. Op de fiets. Ik vond dat wel erg ver. Voor kinderen in de klas die geen eigen fiets hadden werd een fiets geregeld. Ria en ik namen geen pyjama mee maar een echte 'babydoll'. Dat was toen wat nieuws.

Ik geloof dat school C wel een vooruitstrevende school was. We hadden al een schoolkrant en daarvoor mochten we zelf stukjes aanleveren. Ik had een keer een gedichtje gemaakt over kikkers in een sloot. Ik werd toen op het matje geroepen omdat het personeel twijfelde of ik het wel zelf gemaakt had. Dat was niet leuk. Ook mochten de kinderen van de hoogste klas een toneelstuk instuderen, dat opgevoerd werd bij café Schoemaker en waar ook kinderen van andere scholen naar kwamen kijken. Het heette "De kleermaker en de kabouters". Het boekje heb ik nog. Henk Veerman was de kleermaker en ik was zijn vrouw.

Zondags was er altijd zondagsschool in onze school.
Het schoolgebouw was oud en het gerucht ging regelmatig rond dat er een nieuwe school zou komen. Toch had het oude gebouw voor ons wel zijn charme. Er viel niet veel aan te vernielen. Ik herinner me de gaten in de plankenvloer en soms liepen de muizen door de klas. In een lokaal viel een keer een oude kast boven op de leerlingen van de achterste bank, maar dat liep gelukkig goed af.
Als we lastig waren moesten we in de hoek staan bij die oude kasten. Soms stond er aan beide kanten van de kast een leerling (dan zat er waarschijnlijk storm in de lucht) en kon je achter de kast langs naar elkaar kijken.
In de hoge vensterbanken stonden weckglazen waar zo nu en dan veldboeketten in kwamen. Ria en ik hadden een keer onze kauwgom in het water gedaan en meester Nagel kwam ernaar kijken en zei: "Wat zijn dat toch, vissen?"
Er stonden grote kachels in de klaslokalen, waarin volgens mij kolen werden gestookt. Leerlingen die ’s middags overbleven zetten 's winters wel eens een kruikje chocolademelk op de kachel. Dat kwam dan aan de kook. Als het heel koud was gingen we op klompen naar school.
Maar in 1958 maart 1959 was het dan zover. De eerste steen van de nieuwe school aan de Burgemeester Van Sandickstraat werd gelegd. We gingen er allemaal heen en zongen een lied dat we daarvoor hadden ingestudeerd. Ik herinner me nog het eerste couplet.

(Op de wijs van: Ferme jongens, stoere knapen)
Moet je 's horen, moet je 's kijken
Wat doen al die mensen daar?
Eind'lijk gaat het dan gebeuren
Onze school komt voor elkaar.
Vrolijk zingen wij en blij
dragen zo ons steentje bij. (2x)


Van de verhuizing herinner ik mij nog dat er veel werd weggegooid. Ik zie nog de oude schoolboekjes achter de school in het kolenhok liggen. We mochten ze mee nemen en de rest werd verbrand.
En zo kwamen we in de nieuwe school. Ik zat toen in de zesde klas bij meester Zantinge. Dat leek leuker dan het was. Er kwamen allemaal nieuwe regels en we moesten zuinig zijn op de linoleum vloeren en de pas geverfde deuren. Ik woonde er veel dichterbij, dat wel, maar mijn herinneringen liggen toch voornamelijk bij de oude school aan de vaart.

(De Koningin Julianaschool is geopend na de zomervakantie in 1959.)

* * *


KLASGENOTENLIED SCHOOL A ________________________________________________________

In ons archief bevindt zich het onderstaande lied. Het is waarschijnlijk ter gelegenheid van een reünie gemaakt. De dichter en de melodie zijn ons onbekend.
Een tijd geleden kregen we van Alies Kuipers een mooie foto gemaild. Ze staat naast juffrouw Wilmink voor het Aap-noot-mies bord in school A (Oosteinde). Deze foto is van het schooljaar 1955/56.



Wij klasgenoten van school A
In ons dorpje knus en goed
Wij horen allen bij elkaar
Het leven is hier goed
Ja iedereen voelt zich hier thuis
Een ieder hoort er bij
Wij houden van veel gein en jool
Het leven is zo fijn.

Refrein:

Wij klasgenoten, wij klasgenoten
Die weten meestal alles van elkaar
Maar stiekem spieken, maar stiekem spieken
Dat vonden wij soms ook heus geen bezwaar.

Dat wij vandaag hier mochten zijn
Dat was ook niet voor niets
De een kwam met de auto aan
De ander kwam per fiets
Zo visten wij dan alles uit
Wat vroeger is geschied
Daarom nog een keer met elkaar
Ons klasgenotenlied.

* * *


RECTIFICATIE EN AANVULLING ________________________________________________________

In het kwartaalblad van december 2004 werd op bladzijde 83 de naam vermeld van meester Westrik. Deze spelling van de naam is onjuist. De vermelding moet zijn meester Jan Westerik.
Ook in het decembernummer blijkt de op bladzijde 86 vermelde naam van Roelofje Bunskoek-Timmerman toch niet juist te zijn. Het is Geesje Bunskoek-de Lange.
Op bladzijde 91 van het zelfde nummer stond het clublied van de Zangvogeltjes afgedrukt. De laatste twee regels op genoemde bladzijde behoren bij het tweede couplet.
De zangclub van onze vereniging heeft het door Johan Klinge geschreven clublied inmiddels in het repertoire opgenomen.
(Deze opmerkingen zijn in de tekst verwerkt.)

* * *


BEVRIJDINGSHERINNERINGEN ________________________________________________________

H. Schoemaker

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was ik 18 jaar. Omstreeks 6 april 1945 ontmoette ik in Zwolle een leraar van de Mulo-school (Cele-school). Ik zei:"Hallo meester Heuving", maar hij schudde zijn hoofd en legde een vinger op zijn mond ten teken dat wij elkaar niet kenden. Dit maakte mij duidelijk dat hij bij de ondergrondse was.
Enkele dagen later ontmoetten we elkaar weer en hij vroeg mij of ik iets voor hem wilde doen. Ik moest de volgende dag het Westeinde af fietsen en daarbij zo dicht mogelijk bij de positie van de Duitse soldaten een kijkje nemen. Ik mocht niets opschrijven maar moest alles onthouden en het aan hem vertellen. Ik rapporteerde onder andere dat er op Westeinde 198 een vijftal Duitse soldaten waren gelegerd die in het bezit waren van pantservuisten.


Personeel distributiekantoor in 1943. Vlnr. Achter: Anton Kleen, Evert Boesenkool, Lammie Kok, Johan Bouwman, Geertje Mijnheer, Henk Schoemaker, Geesje de Groot, Derk Witten, Jan Waanders; voor: Albert Klein,K.D. Fleurke en Jan Katoele.

Nadat ik meester Heuving alles had doorgegeven, vertelde hij mij dat de Canadese soldaten de volgende dag om tien uur zouden komen om Nieuwleusen te bevrijden. In die dagen werkte ik op het distributiekantoor als chef van de afdeling Handel. Vanuit het kantoor, dat gevestigd was in het Spieker of Palthehuis, had ik een goed uitzicht op het Oosteinde waar de Canadezen vandaan moesten komen. Klokslag tien uur zag ik ze aankomen: ongeveer dertig soldaten die werden begeleid door twee tanks. De soldaten liepen links en rechts van de weg achter de bomen langs. Meester Heuving had plaats genomen in de eerste tank en was hun gids. Ondanks het feit dat de meeste Duitse soldaten al vertrokken waren, namen de Canadezen geen enkel risico. Jammer genoeg werden er in het Westeinde zeven boerderijen verwoest. De families die daar woonden waren van tevoren gewaarschuwd en werkten zogenaamd op het land. Een oude man wilde zijn huis niet verlaten en is omgekomen.


De Canadezen in de Kerkenhoek in Nieuwleusen. Ze hadden niet over belangstelling te klagen. De jongen die op de tank zit met een stok in zijn hand, waarvan het gezicht gedeeltelijk zichtbaar is, is Gerrit Jan Schiphorst.

Na deze actie kwamen de Canadezen terug in het centrum van Nieuwleusen, met hun helmen gevuld met eieren die ze van de bevolking hadden gekregen. In die dagen waren mijn ouders de eigenaren van café restaurant De Viersprong. De Canadese soldaten kwamen naar ons toe en vroegen of ze de keuken mochten gebruiken om de eieren te bakken. Bij ons logeerde een jonge politieman die de Engelse taal verstond. Hij realiseerde zich niet direct alles wat er gebeurde en het duurde dan ook enige minuten voor hij precies begreep wat ze vroegen. Daarna liep alles van een leien dakje.
Moeder en de zussen kregen chocolade en andere dingen die we lange tijd niet meer gehad hadden. Vader, de politieman en ik kregen blikjes sigaretten van de Canadezen. Dat was een echte traktatie, want de enige tabak die we sinds lange tijd hadden, was zelfverbouwde tabak die in de schuur gedroogd werd. Als vloeitjes gebruikten we krantenpapier.

* * *


KOE ________________________________________________________

Ik heb heur overal ezöcht,
maar kun heur niet ontdekken.
Ik had zo graag een zwarte koe,
maar dan mit rooie vlekken.

* * *


LUI ________________________________________________________

Wie te lui is um te lopen,
nee, die komp beslist niet wied.
Maar het scheelt wel in de kosten,
umdet zien klompen ook niet sliet.

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

Dit jaar bestaat voetbalvereniging USV 75 jaar. We plaatsen hier een foto uit 1936 van de spelers en hun aanhang van de nog jonge voetbalclub.

Foto S138



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  

Henk Meijberg
Jan van den Berg
Aaltje Brinkman
Jo Vos
Klaasje Pot
Evert Vonder
Trijntje Niemeijer
Wim Bulder
Jo Massier
Dirk Jan Massier

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  

Jantje Jansen
Jennie Brinkman
Henk Jansen
Gerrit ter Horst
Jan van Duren
Gerard Südholter
Andries Mijnheer
scheidsrechter
...Schiphorst

* * *


FAMILIE ALTEVEER ________________________________________________________

Op 22 augustus 1839 overleed Harm Hendriks Alteveer. Hij liet een grote erfenis na, zoals we u zullen laten zien. Waar die erfenis naar toe ging is bij de inventarisatie van de inboedel beschreven. Hier volgt eerst een overzicht van enkele generaties Alteveer.

Harm Hendriks Alteveer = Harm Hendriks Claas, gedoopt 11 maart 1764 te Nieuwleusen, landbouwer/veehouder, nam in 1811 bij de invoering van de burgerlijke stand de achternaam Alteveer aan.
Hij was een zoon van: Claas Harms, landbouwer, en Femmigje Harms, wonend in de Ruite onder Nieuwleusen.
Getrouwd in de Ruiten in 1794 met
Hilligjen Peters, gedoopt 28 september 1765 te Nieuwleusen, jongedochter te Nieuwleusen.
Zij was een dochter van Peter Derks en Aaltje Stevens, wonend te Nieuwleusen.
Harm Hendriks Alteveer is - op 76 jarige leeftijd - overleden op 22 augustus 1839, te 1 uur ‘s nachts. Uit de inventaris van de boedel blijkt dat hij niet onbemiddeld was; het totale bezit werd geschat op ƒ 27.273,70. Elk van de kinderen kreeg ƒ 3.896,27. Voor die tijd een enorm bedrag.

Kinderen:

1

Claas, geb. 12-04-1798, ged. 15-04-1798, overl. 26-07-1884, ’s morgens om 1 uur, Wijk A, nr. 1 te Nieuwleusen;
gehuwd 23-05-1829 met Derkje Hof, geb. 23-03-1803 te Ruitenveen, gedoopt 27-03-1803 te Rouveen, overleden 16-02-1875 ’s avonds om 11 uur, Wijk A, nr. 1 te Nieuwleusen.

1



2

3
4

Heideltjen, geb. 01-12-1829; gehuwd met
Jan Boterman, Ambt Ommen, overl. 24-04-1858; 2e keer gehuwd (met koninklijke dispensatie) met diens broer Hendrik Boterman.
Harmina, geb. 16-11-1833; gehuwd 14-2-1857 met Hendrik J. Snel.
Hilligjen, geb. 19-04-1835.
Willem, geb. 26-08-1838.

2

3

Fennigjen, geb.19-10-1800; gehuwd met
Jan Schuurman.
Jan, geb. 25-06-1803; gehuwd 20-11-1821 met
Aaltje Dijk (in 1839 al weduwe).

1

Harm Hendriks, geb. 18-01-1822; gehuwd 05-05-1849 met Janna Snijder, geb. 26-02-1850.

1

2

3

Aaltje, geb. 26-02-1850; gehuwd 23-08-1883 met Hendrik Huizen.
Hendrikje, gehuwd 09-07-1885 met
Willem Grooteboer.
Berend Jan, gehuwd 24-04-1884 met
Gerrigje van Zomeren.

1

Janna, gehuwd 16-05-1907 met
Harm Jan de Boer.

4

Klaas, gehuwd 14-11-1889 met Jentje Knol..

2
3

Aaltje, geb. 17-11-1824. (in 1839 al overleden).
Hendrik, geb. 08-12-1827; gehuwd 26-3-1864 met
Femmigje Boertjes.

1

Berend Jan, gehuwd 21-04-1892 met
Evertje Kragt.

1
2

Hendrik, ongehuwd.
Jan, gehuwd met Willemina Pessink.

1
2
3

Annigje, gehuwd met J. Th. Nijboer.
Evertje, gehuwd met J. Th. Timmerman.
Berend Jan, ongehuwd.

2

Arend, gehuwd 19-03-1896 met Gerrigje Klein.

1

Jan Thijs, gehuwd met Hendrikje van Spijker.

1
2

Gerrigje, gehuwd met Klaas Kreule.
Jan Thijs, gehuwd 01-12-1965 met Trijntje Schaapman.

2

Femmigje, gehuwd met Arend Jan Hekman.

4
5

Klaas, geb. 22-11-1830.
Arend, geb. 28-09-1833; gehuwd 03-10-1863 met
Annigje Prins.

1

Trientje, gehuwd met Arend Jan Schuurman.

6

Harm, geb. 09-12-1836; gehuwd 08-12-1866 met
Beegje Bijker.

1

Jan, gehuwd 15-09-1892 met
Jentje van den Berg.

1

Harmen, gehuwd met
Derkje Kleen Scholten.

1
2

Jentje.
Koba.

2
3

Klaasje, gehuwd 21-02-1898 met Jan Blik.
Aaltje, gehuwd 21-02-1901 met Hendrik Prins (27 jaar).

4

Hendrik, geb. 21-05-1806; gehuwd 21-07-1832 met Klaasje Bouwman, geb. 25-01-1810.

1





Hilligje; geb. 10-04-1844; gehuwd 29-08-1868 met Klaas Bijker.
Hendrik werd weduwnaar en is 65 jaar oud gehuwd op 02-11-1871 met Hendrikje Schoemaker; zij werd op haar beurt weduwe en is 44 jaar oud gehuwd 19-10-1882 met Hendrik Jan Koster (41 jaar).

5
6
7

Aaltjen, geb. 12-08-1809 (in 1839 al overleden).
Aaltjen, geb. 08-02-1812; gehuwd met Lucas Mulder.
Peter, geb. 21-01-1815; gehuwd 02-03-1839 met
Hilligje Schoemaker.

1
2
3

4
5

Hilligje, geb. 25-07-1840.
Harm Hendriks, geb. 23-07-1841.
Herm Hendriks; geb. 16-08-1842; gehuwd 04-11-1865 met Aaltje van Hulst.
Gerrit, geb. 11-03-1845.
Hendrik, geb. 21-01-1849; gehuwd 10-04-1873 met Aaltje Blik (26 jaar).

1

2

Hilligje, gehuwd 16-11-1899 met H.J. Scholten (25 jaar)
Jan, (26 jaar) gehuwd 07-05-1903 met
Hendrikje Prins (24 jaar).

6

Jan, (23 jaar) gehuwd 04-03-1875 met
Jentje de Boer (20 jaar)

1

2
3
4

Klaas, (22 jaar) gehuwd 16-04-1903 met
Janna Meijer (25 jaar).
Willem.
Peter.
Hilligje, gehuwd 12-05-1898 met Jan Klomp.

7

8

Hendrikje, gehuwd 08-05-1875 met Jan Bijker (20 jaar).
Hilligje, geb. 11-05-1846.

8

Jantjen (of Jentje), geb. 14-04-1821 gehuwd 06-03-1839 met Christiaan F. Winter.

* * *


BOEDEL HARM HENDRIKS ALTEVEER I ________________________________________________________

Op 22 augustus 1839 is overleden Harm Hendriks Alteveer, wonende in het Oosteinde (nu nr. 95), in gemeenschap van goederen getrouwd met Hilligje Peters, vader van Klaas, Fennigje, Jan, Hendrik, Aaltje, Peter en Jentje. Op verzoek van de erfgenamen wordt op 3 september 1839, ’s middags om half drie begonnen met het opmaken van de inventaris van de nalatenschap. Deze is zo groot dat er drie bijeenkomsten nodig zijn om alles te beschrijven. Op 3 september verdaagt men om zes uur de zitting naar 4 september. Op die dag begint men om 9 uur ’s morgens te schrijven en stopt om half zes ’s middags. Tenslotte wordt op 13 september ’s middags van 3 tot 6 uur de rest beschreven. Deze beschrijving geeft een goed beeld van de goederen waarover deze gegoede boerenfamilie beschikte. We geven hier de inventarisatie weer, met weglating van de ambtelijke omschrijvingen en soms iets andere volgorde dan door de notaris destijds is gedaan om zaken bij elkaar te houden. We gaan van kamer naar kamer en dan via de deel enzovoort naar buiten. Daarna volgen de waardepapieren en tenslotte de landerijen. Vanwege de omvang lukt het niet om alles in dit nummer te plaatsen, in het kwartaalblad van juni komt het vervolg.
(* = woord is aan het eind van de tekst verklaard.)

Fijke Bloemendaal Wubbenhorst (kandidaat-notaris te Zwolle bij Mr. Isaac Antoni van Roijen, advocaat en notaris te Zwolle) treedt op namens Jan Schuurman, Klaas Mulder en Kristiaan Winter. Omdat Hilligje Peters ‘verklaarde de kunst van schrijven niet te verstaan en daarom niet te kunnen tekenen’, worden voor haar gevraagd als bevoegde getuigen te tekenen, bij de eerste twee bijeenkomsten Koop van der Woude, veldwachter en Harm Broek, landbouwer te Nieuwleusen, bij de derde bijeenkomst Rutger Snel, landbouwer te Nieuwleusen en Johannes van den Bosch, daghuurder te Nieuwleusen. Jacob Bijker tekent, na Aaltje Dijk, als toeziend voogd namens de minderjarige kinderen van Aaltje Dijk.

Expeditie eener inventaris van den boedel H.H. Alteveer.

Mr. Coenraad Willem Dedem openbaar notaris residerende te Nieuwleusen en Avereest, in tegenwoordigheid der mede-ondertekendende getuigen ten verzoeke van

1e
2e







3e






4e


5e
6e
7e

Hilligje Peters
Fijke Bloemendaal Wubbenhorst, candidaat Notaris wonende te Zwolle in hoedanigheid van gemachtigde van Jan Schuurman, landbouwer wonende in de gemeente Nieuwleusen als in huwelijk hebbende Fennigje Alteveer. Lucas Mulder, landbouwer wonende te Zuidwolde als in huwelijk hebbende Aaltje Alteveer. Kristiaan Winter, bakker wonende te Avereest als in huwelijk hebbende Jentje Alteveer.
Aaltje Dijk, weduwe van wijlen Jan Alteveer, landbouwersche wonende te Nieuwleusen in hoedanigheid van moeder en wettige voogdesse over haare minderjarige kinderen bij wijlen haren genoemden man in echte, vanwelk met namen Harm Hendriks Alteveer, Hendrik Alteveer, Klaas Alteveer, Arend Alteveer en Harm Alteveer>.
Jacob Bijker, landbouwer wonende in de gemeente Nieuwleusen in hoedanigheid van toeziend voogd over de genoemde minderjarigen.
Hendrik Alteveer, landbouwer wonende te Nieuwleusen.
Peter Alteveer, landbouwer wonende te Nieuwleusen.
Klaas Alteveer, landbouwer wonende in de gemeente Nieuwleusen.

ten sterfhuize van wijlen genoemde Harm Hendriks Alteveer op het Oosteinde te Nieuwleusen, overgegaan tot de nauwkeurige beschrijving en inventarisatie van alle roerende en onroerende goederen, gelden, titels, acten en papieren behorende tot de boedel en nalatenschap .... en zulks op aanwijzing en opgave van Hilligje Peters als bewoonster van het sterfhuis waarin zich de goederen bevinden, welke beloofd heeft deze opgave en aanwijzing te zullen doen naar haar beste weten, zonder iets terug te houden of te verbergen en zulks op de straffen bij de wet bepaald, terwijl de waardebepaling der goederen zal geschieden door Hermen Jan Jansen, deurwaarder wonende te Zwolle.

In een vertrek met twee ramen uitziend op de brink en een zijkamertje.

Een vriesche klok
Een koperen vijzel met stamper
Een defect stel van vijf stuks
Twee kommen en een theepot
Zes schotels
Een tinnen schotel
Een koperen ketel
Een ijzeren tang
Een staande ijzeren plaat
Een koperen hangertje
Een koperen strijkijzertje
Twee stoven
Twee pistolen
Een schoorsteenvalletje
Een zak met elf tinnen lepels
Twee tinnen schotels
Eenig aardewerk
Een mandje met tinnen lepels, vorken en messen
Eenig defect porcelein
Een spiegeltje
Een ronde tafel
Een ronde tafel
Achttien stoelen
Een partij garen
Een paar bedgordijnen en val
Een bedpeIuw* en zijn kussens
Een overbedje
Een bedpeluw en twee kussens
Een dekbedje
Twee bedden, een peluw en vier kussens
Drie beddedekens
Twee oude gordijnen
Twee oude bedgordijnen
Twee broeken
Drie hemdrokken
Twee buizen*
Twee oude broeken
Eenige oude kleren
Een blaauwe zakdoek




ƒ 8,00
ƒ 2,25
ƒ 0,20
ƒ 0,30
ƒ 1,00
ƒ 1,25
ƒ 2,00
ƒ 0,25
ƒ 1,75
ƒ 0,20
ƒ 0,80
ƒ 0,50
ƒ 1,30
ƒ 0,30
ƒ 0,60
ƒ 2,00
ƒ 0,40
ƒ 1,70
ƒ 1,10
ƒ 0,25
ƒ 1,50
ƒ 1,00
ƒ 5,00
ƒ 1,75
ƒ 2,00
ƒ 21,00
ƒ 5,00
ƒ 14,00
ƒ 4,00
ƒ 20,00
ƒ 3,00
ƒ 0,90
ƒ 0,40
ƒ 1,50
ƒ 1,50
ƒ 1,50
ƒ 0,40
ƒ 1,00
ƒ 0,20

In het melkkamertje.

Een ijzeren pot
Een groote ijzeren pot
Een ijzeren pot kleiner
Twee koperen keteltjes
Twee tinnen bier mengelen (gemengd)
Een koperen aker
Vijf wateremmers
Een melkemmer
Een klein tafeltje
Twee pannekoekspannen en een hangijzer



ƒ 0,80
ƒ 1,00
ƒ 0,90
ƒ 1,50
ƒ 0,60
ƒ 3,00
ƒ 3,00
ƒ 1,10
ƒ 0,40
ƒ 1,70

In de kelder.

Een melkton
Twee melktonnen
Een baletje*
Drie melkvloten
Enig aardewerk



ƒ 1,70
ƒ 2,00
ƒ 0,50
ƒ 1,20
ƒ 1,20

Op de deel.

Een kafmolen
Een hakselkist
Twee zaadkisten
Twee snijzompen*
Een ton met ijzeren banden
Twee tonnetjes
Een eggen ketting*
Drie manden
Een oude spanzaag
Twee paar zelen en een toom
Twee paardedekens
Vijf zaadzakken
Drie zeven
Een balie met ijzeren banden
Twee oude schepels*
Twee wannen*
Een baletje
Een kist en turfbak
Een handzaag
Drie schapescharen
Een ploegketting
Eenige oude manden
Drie beestekribben*
Twee kruiwagens
Een ladder
Eenige zeissens en boomen*



ƒ 4,00
ƒ 1,50
ƒ 3,50
ƒ 1,50
ƒ 1,50
ƒ 0,80
ƒ 0,50
ƒ 1,00
ƒ 0,50
ƒ 3,00
ƒ 2,50
ƒ 2,70
ƒ 1,40
ƒ 2,00
ƒ 1,00
ƒ 1,20
ƒ 0,60
ƒ 2,00
ƒ 0,30
ƒ 1,00
ƒ 0,30
ƒ 0,40
ƒ 2,75
ƒ 1,00
ƒ 1,00
ƒ 4,00

Tezamen bedragende de somme van ƒ 176,25

Tot hier toe gevorderd hebben wij deze zitting gesloten.

*) Woordenlijst:
Bedpeluw = matras van stro of veren
Buis = bovenkleding, korte jas of jack met een of twee rijen knopen dichtgemaakt
Baletje = houten kuip om melk in te laten staan om later af te romen
Snijzomp = houten bak om stro en dergelijke te snijden
Eggen ketting = balk met kettingen achter het paard om land te egaliseren (molshopen e.a)
Schepel = inhoudsmaat
Wan = platte ovale fijn gevlochten mand om koren te zuiveren
Beestenkribbe = voerbak, bijvoorbeeld aan de muur voor hooi
Boom = waaraan de zeis werd vastgemaakt

* * *


EEN BOERDERIJ/SMEDERIJ AAN DE DOMMELERDIJK ________________________________________________________

W.L. Schiphorst

Bijna op de hoek van de Dommelerdijk met de Eikenlaan staat een woonhuis met een breed voorhuis dat vroeger als boerderij dienst heeft gedaan. Bij deze boerderij was vroeger een smederij. In latere jaren was er ook een winkeltje in het huis gevestigd. De boerderij heeft zijn oorspronkelijk aanzicht voor een groot deel behouden.
Lucas Schiphorst kwam in 1812 vanuit Ootmarsum naar Nieuwleusen en vestigde zich aan de Dommelerdijk in deze boerderij. Hij was getrouwd met Margaretha Brinkman. Hun oudste zoon Harm was smid. Hij trouwde met Johanna Margaretha Frowijn, een onderwijzersdochter.


De boerderij aan de Dommelerdijk waar lange tijd de familie Schiphorst in woonde.

De smederij stond ten zuiden van de boerderij en is omstreeks 1930 afgebroken.
Voor de boerderij stonden een aantal bomen. In de lindeboom die nu nog links voor de woning staat, is met enige moeite het jaartal 1820 te lezen (hulde aan de huidige bewoonster die dit ontdekte). De fruitbomen die ook bij de boerderij behoorden, zijn vermoedelijk met de ruilverkaveling in de vijftiger jaren opgeruimd.

Lucas Schiphorst werd als bewoner opgevolgd door zijn zoon Marten. Hij was getrouwd met Aaltje van Spijker. Na Marten kwam er weer een Lucas op de boerderij. Deze was getrouwd met Klaasje Bijker. Omstreeks de Tweede Wereldoorlog werd het boerenbedrijf beëindigd. Van 1953 tot 1969 werd de boerderij bewoond door Frederik Schiphorst, beter bekend als Frits. Deze verkocht de boerderij aan de familie Arends.

* * *


WIE WEET WAT ________________________________________________________

Vraag 8: Torentje
(Bronnen: J. ter Steege; De kerke tot Oosterveen, 1982; T. Postma/H. Hille, Afgescheidenen in een Overijssels dorp, 1986; en familie Bouwmeester te Rollecate.)
De kerkvoogdij van de hervormde kerk kocht op 21 december 1943 de voormalige huishoudschool “De Rollecate”. Na een verbouwing werd deze in mei 1945 in gebruik genomen als kerk. In 1948 werd de noodkerk afgebroken en meer naar het oosten herbouwd. Vanaf dat moment kreeg de kerk de naam Rollecatekerk. Deze kerk deed dienst tot eind 1965, toen op 22 december de Maranathakerk in gebruik werd genomen.
In het voorjaar van 1966 werd de Rollecatekerk publiekelijk verkocht. Op de kerk stond een torentje met een klok erin. Hoe de kerk er uit zag ziet u op de foto. Bij de verkoop kocht de gereformeerde kerk de klok die in het torentje hing.


De Rollecatekerk met het torentje en daarin de klok. De foto is van omstreeks 1955 en komt uit een particuliere collectie.

Het torentje bleef aan de Rollecate, maar werd van het gebouw verwijderd. Het bovenste deel doet nu nog dienst op een schuurtje achter het huis van de familie Krul.


Foto: J. Bouwmeester

De gereformeerde kerk aan de Burgemeester Backxlaan, de huidige Ontmoetingskerk, werd op 4 januari 1940 in gebruik genomen. De kerk had al een torentje, maar een klok ontbrak daarin. Dat werd met de aankoop van de klok van de Rollecatekerk verholpen.


De gereformeerde kerk omstreeks 1950. In het torentje hangt nog geen klok.

* * *


HEIMWEE ________________________________________________________

Klazien Bijker-van Hulst

Geuren van koe en zoet hooi,
bronsbruin geklater, schaars licht.
Jong kalfje raspend je linkerhand;
Door merg en been,
door been en merg …
Langzaam gaat mijn deurtje heimwee open.


Jaargang 23 nummer 2 juni 2005

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


OMSLAGFOTO: ________________________________________________________

Huize Rollecate, Nieuwbeuren a/d Dedemsvaart, zoals de tekst op de kaart luidt. De tekst voor de producenten van deze ansichtkaart stond waarschijnlijk in onduidelijk handschrift en van Nieuwleusen hadden ze nog nooit gehoord. Huize Rollecate was de woning van de familie van Dedem.

* * *


OVERLIJDEN BARON VAN DEDEM ________________________________________________________

(Overgenomen uit de Provinciale Overijsselse en Zwolse Courant)

Zwolle, 16 Febr. 1922 Heden bereikte ons de droevige tijding, dat de heer mr. W.J. Baron van Dedem gisteren onverwacht te Groningen in het Academisch ziekenhuis, waar hij sinds 2 Febr. vertoefde en een ernstige keeloperatie had ondergaan, is overleden. Hij gevoelde zich reeds eenigen tijd minder wel, maar hij bleef op de been totdat een ernstige verkoudheid - naar hij meende - hem eerst te Zwolle en daarna te Groningen medische en chirurgische hulp deed zoeken. Een keeloperatie bracht aanvankelijk eenige verlichting, maar heeft helaas geen herstel teweeg gebracht. De overledene, geboren den 31 aug. 1854 te Nieuwleusen, waar zijn vader de betrekkingen van burgemeester en notaris vervulde, was de naamgenoot en kleinzoon van den stichter der Dedemsvaart, de man, aan wien dit deel der provincie zoo oneindig veel te danken heeft en die zijn leven en krachten heeft gewijd aan het groote plan, het kanaal van Hasselt naar de Duitsche grens, de Dedemsvaart. Mr. W.J. baron van Dedem "van de Rollecate" zoals men hem gewoonlijk betitelde, naar het landgoed dat hij beheerde, was een waardige telg van zijn geslacht, een bekende en zeer geziene figuur - in deze provincie niet alleen - maar in heel ons land, vooral in de landbouwkringen. Wie kenden hem niet, den edelen, den eenvoudigen, den voor ieder toegankelijken man, die werkte van den vroegen morgen tot den laten avond, die ondanks zijn drukke werkzaamheden op zijn modelboerderij, tijd kon vinden voor allerlei openbare betrekkingen. De overledene is jarenlang lid geweest van de Provinciale Staten, van het college van Ged. Staten, van den gemeenteraad van Nieuwleusen. Als lid van de Ged. Staten heeft hij den stoot gegeven tot het wegenplan in de provincie. Ook op waterschapsgebied maakte hij zich verdienstelijk en steeds heeft hij geijverd voor den bloei van Overijssel en speciaal voor de streek van de Dedemsvaart. Hij is oprichter geweest en was nog president-commissaris van de Dedemsvaartsche stoomtram, ondervoorzitter van den raad van Commissarissen van de Nederl. Centr. Spoorweg-Mij, commissaris der IJsselcentrale, voorzitter van het Ned. Rundveestamboek, voorzitter van de Vereeniging tot verbetering van het paardenras in de prov. Overijssel. Toen deze vereeniging op zijn initiatief werd opgericht, was hij eerst secretaris. Hij was van 1901 af voorzitter van de Prov. commissie voor de paardenfokkerij in Overijssel. Toen de bepaling werd gemaakt, dat de paarden ingespannen moeten beoordeeld worden, heeft hij het initiatief genomen tot oprichting van een afzonderlijk comité voor een concours hippique, hij werd daarvan eere-voorzitter. Hij was lid van het Kon. Ned. Landbouwcomité, curator van de Veeartsenijkundige Hoogeschool, gedelegeerd commissaris van de Overijsselsche Hypotheekbank en mede oprichter van de fabriek "De Baanbreker". Ook stelde hij belang in de Overijsselsche landbouwmaatschappij en is lid van de commissie voor landbouw onderwijsbelangen geweest. In breede kringen zal zijn heengaan worden gevoeld en ook het personeel zal den overledene betreuren, maar het grootst is het verlies voor zijn gade, die hem steeds zo trouw terzijde stond, voor den mede zoo zeer geliefde Baronnesse van Dedem-Geertsema. De begrafenis zal plaats hebben te Groningen Maandagmiddag om half twee op de Zuiderbegraafplaats.


mr. Willem Jan Baron van Dedem


Henriëtte Baronnesse van Dedem-Geertsema

Ter aarde bestelling baron van Dedem

Op de Zuiderbegraafplaats te Groningen had heden de ter aarde bestelling plaats van het stoffelijk overschot van wijlen den heer mr. W.J. baron van Dedem. Onder de zeer vele belangstellenden waren aanwezig de Commissaris der Koningin in Overijssel, mr. A.F.L. graaf van Rechteren Limpurg Almelo, de leden van de Ged. Staten dezer provincie de heren mr. H.v.d. Vegte en J.W.J. baron de Vos van Steenwijk, de griffier der Tweede Kamer mr. R.H. baron de Vos van Steenwijk, de heer J.G.H. Kakebeeke als vertegenwoordiger der Nederlandsche regeering, de heer H. Tromp van Holst, secretaris van het college van curatoren der Veeartsenijkundige Hoogeschool te Utrecht, prof. dr. W.J. Paimans van deze Hoogeschool, de heer J.H. Dibbens, hoofdingenieur bij het Ned. Rundveestamboek, alsmede leden van het dag. bestuur, de heer H.J.C. van Heek, voorzitter van de Overijsselsche Landbouw-Mij te Enschede, de heer J. Oostwoud Wijdenes, vice voorzitter van het Ned. Rundveestamboek. V.R.Y. Croesen, voorzitter Kon. Ned. Landbouwcomité en directeur der Centr. Landbouw Onderlinge, de heer G. van Asselt directeur der Dedemsvaartsche Stoomtram-Mij, de heer J.Ph. Backx burgemeester van Nieuwleusen, in welker gemeente de overledene woonachtig was, de heer Visser, notaris aldaar, de heer L.M.A. Beekman, directeur der IJsselcentrale, Commissaris der Overijss. Hypotheekbank, de heer J.Bs. Westerdijk voorzitter der Gron. Mij van Landb, alsmede een groot aantal vrienden van den overledene o.a. de burgemeester van Groningen de heer mr. dr. E. van Ketwich Verschuur. Nadat de met bloemstukken overladen kist in de groeve was neergelaten werd achtereenvolgens het woord gevoerd door mr. A.F.L. graaf van Rechteren Limpurg die ook het groote verlies schetste hetwelk de provincie Overijssel leed door het verscheiden van den zoo hoogstaande man, hoogstaand om zijn groote eigenschappen van verstand en geest, groote werkkracht en werklust; de heer Oostwoud Wijdenes, die sprak over het verlies, hetwelk het Ned. Rundveestamboek door dit heengaan lijdt, de heer van Asselt, die de beteekenis van den heer Van Dedem schetste voor de Stoomtram-Mij; de heer Tromp van Holst en prof. Kroon die schetsten wat de overledene was voor de Veeartsenijkundige Hoogeschool; de heer Van Heek die de groote verdienste van de overledene voor de Overijsselsche landbouw in het algemeen schetste; de heer Croesen namens de Landbouw Onderlinge; de heer Gualthérie van Weezel namens commissarissen van de Overijsselsche Hypotheekbank. Een treffend woord van afscheid sprak tenslotte mr. P.C.A. Sichterman uit Zwolle namens de academievrienden. Mr. G.C. Geertsema, oud commissaris der Koningin in de provincie Groningen en zwager van de overledene, dankte namens de familie voor de waarderende woorden en voor de eer en belangstelling den ontslapene gebracht.

* * *


ANTIEN ________________________________________________________

Klazien Bijker - van Hulst

Hoe kleurriek is oes Sallands dialect.
O volk, gien taaltien det oes beter bekt.
Hollands geproat, des mar een rage.
Oes eigen dialect vien wi'j correct.

Maar aj wilt behollen vrög 't courage.
Want, spietig, et dialect verteunt slietage.
't Blastert zo stille loag veur loagien of.
Antien! Niet tumig achter de vitrage.

Geef ruumte, want oen streektaal zit in 't slop.
Wie ef nog heurd van noaberschoap?
Och, partie doet dan wel eur burenplichten,
mar wele zit er ok met zinkens in de kop.

't Mouwrompien gaaf zo, vollengs de berichten,
warmte in d’oed, was goed veur de gewrichten.
Van grunigheid kreej zeerte in 't lief en luus.
Juffrouw en meister gongen oes degelijk onderrichten.

Gropmoe in d'oek van d'eerd was baas in uus.
Haand op de knippe, knippe in de buus.
Het mussien netties in de plooien.
En altied aad det vrummes koffie op 't fenuus.

Waai ingetrouwd? Dan mos ie 't ok maar rooien.
Now goak al hoaste met tradities gooien.
Och, et was niet almoal goed ..., maar ‘t dialect,
betuun, det wurdt ‘t, toe loaw gien tied verknooien.

Antien = aanpakken; tumig = leeg; noaberschop = nabuurschap, een aantal buren met verplichtingen tegen over elkaar; partie en wele = sommigen; zinkens = stekende hoofdpijn; mouwrompien = gevoerde blouse met haken en ogen; grunigheid = onrijp fruit; de heerd = de woonkamer of keuken; vrummes = vrouw; betuun = krap.

* * *


SCHOOLVERKEERSEXAMEN 1950 ________________________________________________________

In het archief van de vereniging bevindt zich een formulier voor een verkeersexamen zoals dat in 1950 werd afgenomen. Aan het examen was, gezien de aantekening "2x niet op verkeer gelet", ook een praktijkdeel verbonden, waarbij examenkandidaat Klaas van Dorsten 2 fouten maakte. In totaal had hij 2 1/2 fout en was hij geslaagd. Het is niet duidelijk waarom dit formulier bewaard is gebleven, maar het geeft ons vijfenvijftig jaar later een prima inzicht in het verkeersexamen van destijds. De schuin gedrukte woorden in het examen zijn de geschreven antwoorden van Klaas. De schuingedrukte doorhalingen zijn verbeteringen die hij aanbracht. De andere doorgehaalde woorden behoren tot de meerkeuze- antwoorden, waarvan Klaas de foutieve doorhaalde.

Naam der gemeente Nieuwleuzen
Naam van de school School met de Bijbel
Naam van de leerling(e) Klaas van Dorsten
Woonplaats en adres Nieuwleuzen W.Z. 124
Geboren 1938, 18 Maart
Examennummer 51

Lees altijd eerst de vraag geheel over, voor je invult of doorhaalt. Doe dit vooral heel duidelijk.

1.





2.







3.




4.









5.







6.



Jan gaat 's morgens op de fiets naar school en dan moet hij onderweg verschillende verkeersregels toepassen. Hij rijdt altijd zoveel mogelijk aan de rechterkant van de weg. Dit moet, omdat wielrijders tot het langzame verkeer behoren. Auto's daarentegen behoren tot het snelverkeer.
Jan moet ook langs een weg, waar aan beide zijden rijwielpaden zijn. Hij rijdt dan op het rechterrijwielpad en hij houdt ook daar zoveel mogelijk rechts. Jan ziet wel eens wielrijders op de rijweg fietsen in plaats van op het rijwielpad. Maar als er een rijwielpad is, dan is het fietsen op de rijweg verboden. Onderweg moet Jan vaak andere weggebruikers inhalen en voorbijrijden. Hij doet dit aan de linkerzijde van die weggebruikers.
Ook gebeurt het wel, dat hij moet stoppen of snelheid verminderen. Maar Jan weet wat hem dan te doen staat; hij beweegt zijn linkerarm enige keren flink op en neer en kijkt tegelijk even achterom, om zich ervan te overtuigen, of hij wel veilig kan stoppen of vaart verminderen.
Bij het maken van bochten gaat Jan altijd voorzichtig te werk en houdt hij zich zo goed mogelijk aan de verkeersregels. Als hij naar rechts wil afslaan, dan steekt hij zijn rechterarm uit en wil hij naar links afslaan, dan zijn linkerarm. En hij doet dit uitsteken voorzichtig tijdig en kijkt achterom duidelijk. En omdat Jan geen ogen op zijn rug heeft, kijkt hij voordat hij een bocht maakt achterom. Eerst als hij er van overtuigd is, dat hij veilig kan afslaan, neemt hij de bocht, naar links groot of naar rechts klein.
Jan moet op weg naar school ook verkeerslichten passeren. Het gebeurt dikwijls dat het licht op groen staat. Dan moet Jan doorrijden / moet Jan stoppen. Maar het komt natuurlijk ook wel eens voor, dat het licht rood is. Dan moet Jan stoppen / Jan doorrijden. En laatst ging het licht van groen op geel over, toen Jan nog een eind vóór de stopstreep was. Mocht Jan toen doorrijden? Ja / Neen. (1/2 fout)
Hij komt nu bij een kruispunt, waar een verkeersagent het verkeer regelt, Jan moet hier rechtuit. Soms staat de agent met het gezicht naar Jan toegekeerd en de beide armen zijwaarts uitgestoken. En Jan weet, wat hij dan doen moet, n.l. stoppen / doorrijden.


Met de drukte in de Kerkenhoek viel het in jaren vijftig nog wel mee.

7.



8.








9.






10.





11.









12.

Nu is Jan niet ver meer van school verwijderd. Nog een paar straten en hij is er. Aan de ingang van één van deze straten staat dit bord: (kennelijk werd hier een bord getoond, red.). Daar mag ik wel / niet inrijden, weet Jan.
Jan herinnert zich ook eens ergens dit bord gezien te hebben: (kennelijk werd ook hier een bord getoond, red.). Het betekent bewaakte overweg. En toen hij laatst van een smal weggetje een drukke hoofdverkeersweg wilde opfietsen, zag hij voor de kruising een verkeersbord staan, dat een driehoekige vorm had met de punt naar onderen (door de corrector verandert in: beneden, maar wel goedgekeurd, red.). In het midden was het wit gekleurd en de rand was rood gekleurd.
Jan gaat ook wel eens lopende naar school en ook dan moet hij om de verkeersregels denken. Dat begint al, wanneer hij de rijweg wil oversteken. De verkeersregel luidt: Steek de rijweg recht over (door de corrector verandert in: haaks, maar wel goedgekeurd, red.). Jan weet dit wel en ook, dat hij bij het oversteken eerst moet kijken naar links en daarna naar rechts.
De vorige week ging Jan op de fiets naar een vriendje, dat buiten woont. Om bij zijn huis te komen, moet Jan een onbewaakte overweg passeren, die door een flikkerlicht beveiligd wordt. Toen Jan aankwam fietsen was het licht oranje. Dit betekent: Stoppen. / Doorrijden. / Signaalinrichting buiten werking.
Diezelfde dag zag hij een aanrijding tussen een bestuurder van een bakfiets en een wielrijder. Gelukkig werd er niemand gewond en was de schade niet groot. Het gebeurde zó (zie tekening). Een bakfiets en een wielrijder naderden bijna gelijktijdig een kruispunt. De fietser reed op een straatweg en de bakfiets op een onverharde weg. Wie had voorrang moeten verlenen? De bestuurder van de bakfiets. / De fietser. (De tekening liet de situatie zien waarbij de fietser van links kwam en de bakfiets linksaf wilde slaan, red.).
En als die bakfiets nu eens een auto was geweest, wie zou dan voorrang gehad hebben? De auto. / De fietser.

* * *


MEPPELER COURANT 16-10-1926 ________________________________________________________

Gemeente NIEUWLEUSEN.
Dringend verzoek.

Men wordt dringend verzocht, wanneer boomen zijn gevallen of dreigen te vallen op het electrisch net, daarvan onmiddellijk kennis te geven aan den Burgemeester of aan den monteur BOERS. Beiden zijn telefonisch te bereiken.

ELECTRICITEITSBEDRIJF DER GEMEENTE
NIEUWLEUSEN.

* * *


WIE WEET WAT ________________________________________________________

Vraag 9: Femmigje Timmerman
Op 5 september 1890 werd op het adres B 10, nu Westerveen, te Nieuwleusen Fennigje Timmerman geboren. Zij was een dochter van Willem Timmerman, geboren 18 maart 1861 te Nieuwleusen, en Aaltje Laanbroek, geboren ca. 1864 te Den Ham. Haar ouders trouwden op 3 augustus 1882 in Heino. Op 24 juli 1886 werd zoon Willem geboren. Ze woonden toen op A 88a en het beroep van vader is timmerman. Zoon Willem trouwde op 6 april 1911 in Nieuwleusen met Grietje Hofman.
In het gezin Timmerman werden verder op het adres B 10 nog geboren: op 5 december 1892 Hendrik, op 27 mei 1895 Derk Jan en op 8 maart 1898 Dina. Op 12 januari 1902 werd Janna geboren. Het gezin woont dan op C 193a.
Ons lid Albert Visser kwam bij zijn pogingen om de levensgeschiedenissen te beschrijven van de predikanten die sinds de kerkhervorming de Hervormde gemeente van Wanswert hebben gediend, de naam tegen van Femmigje, geboren 15 september, zoals zij in de Friese archieven is vermeld. (In onze mappen is ze vermeld als Fennigje en geboren op 5 september). Zij was dienstbode in de Hervormde pastorie van Staphorst bij het gezin van dominee Dirk Jan Hupkes. Deze vertrok eind juli 1914 naar de Hervormde gemeente van Wanswert. Femmigje verhuisde met het gezin Hupkes mee. Zo kwam dit meisje op 23-jarige leeftijd in een Fries terpdorp terecht, dat gelegen is halverwege tussen Leeuwarden en Dokkum. Albert Visser vraagt zich af wat er van haar geworden is en of ze later is teruggekeerd naar haar geboorteplaats. Wie kan hierin duidelijkheid scheppen? Mogelijk dat ook de andere kinderen van het echtpaar Timmerman-Laanbroek aanknopingspunten bieden.
Reacties graag schriftelijk of per e-mail aan de redactie.

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

De groepsfoto van dit kwartaal is er een van de Christelijke Lagere School te De Meele. De foto dateert van kort na de Tweede Wereldoorlog, vermoedelijk uit het jaar 1946 van na 1 april 1949 en voor 1 april 1950.
Aanvullingen en/of correcties van de namen graag schriftelijk of per e-mail aan de redactie.

FotoZE60=BH003



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  

Gerrit Boesenkool
Henk Apperlo
Gerrit de Boer
Johannes Kok
Hendrik Jan van de Kolk
Harm Polman
Hendrik Jan van Leussen
Henk Klein
Klaas Rumpf
Peter van Beekhuizen
Wim de Boer
Henk van Duren
Berend Meesters
Johannes Klein
Gerrit Jan Bouwhuis
A... de Boer, onderwijzer
Klaas Spijker
Gerrit van Beekhuizen
Hilbert van Ankum
Johan van Leussen
Hillie van Ankum
Willy Klein
Jenny Hulleman

24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  

R.. Jongejan, onderwijzer
Henny Stroeve
Gé Klein
Aaltje Wouda
Betsie Polman
Alie Bos
Arnold Zonneberg
Bertus Kuiers
Roelof Kruidhof
Roelof Compagner
Hendrik Jan Polman
Piet Wind
Jan Bouwhuis
....van Veen
Geert van Ankum
Jan van Ankum
Jennie Vasse
Hendrikje Luttels
Aaltje Bijker
Klaasje Harke
Peter Aalbers
Hilbert Bouwhuis
Roelof Konterman

47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  
54  
55  
56  
57  
58  
59  
60  
61  
62  
63  
64  
65  
66  
67  
68  
69  

Herman Hekman
Jentje Compagner
Jennie Rumpf
Hennie Kruidhof
Roelie Lier
Henny Bruggeman
Gerrie Timmerman
Geertje Polman
... Brinkman
Martend Timmerman
Berend Bijker
Marrie Timmerman
Klaasje Stegeman
L.. Baron, onderwijzeres
Jan de Boer
Albert Bosch
Roelof Hekman
Henk Boesenkool
Dina Bouwhuis
Roelof Lier
Liesje Stroeve
Jantje Bosch
Henny van Duren

70  
71  
72  
73  
74  
75  
76  
77  
78  
79  
80  
81  
82  
83  
84  
85  
86  
87  
88  
89  
90  
91  
92  

Gerrit de Boer
Klaasje Compagner
Henny Westerman
Grietje Bloemhof
Lambert Spijker
Derk Jan van Leussen
...Visscher
Jantje Compagner
Klaas Meesters
Heimy Hulleman
Thijs Kok
Jan van Ankum
Jan van de Veen
Grietje Grooteboer
Femmy Vasse
Henny Seine
Alie de Boer
Femmy Klein
...Visscher
Lucas Stroeve
Henk Harke
Alie Knol
Jaap Wagenaar

* * *


ENKELE HERINNERINGEN AAN MIJN SCHOOLJAREN ________________________________________________________

Janna Wieken-Sterken

Toen ik de herinneringen van school C van mevrouw Van Oenen las, kwam bij mij ook van alles boven borrelen uit mijn schooltijd. Klazien Bijker en ik zijn al vanaf de eerste klas vriendinnen en we hebben het al vaak over een reünie gehad.
Voordat ik naar school mocht, ging ik een dag met een buurmeisje mee om kennis te maken. Kleuterscholen bestonden er toen nog niet. De juffrouw vroeg aan de nieuwelingen wie er een liedje wou zingen. Dat durfde ik blijkbaar wel!
We woonden in De Maat en liepen naar school. Op de terugweg moesten we nog even bij bakker Harm Prins (later Schaapman in Oosterhulst) aan om ‘stoete’ mee te nemen. Hilligien Prins stond achter de toonbank. “Ik hoorde van Henk dat jij een liedje voor de juf hebt gezongen, wil je dat nog eens doen?” Driftig schudde ik van nee. “En als je een reep chocola krijgt dan?” Toen was het niet zo moeilijk meer. Wat een traktatie was dat!
Meester Klinge hebben we niet alleen als een fijne meester meegemaakt, maar ook als dirigent van het kinderkoor De Zangvogeltjes. Dat was natuurlijk buiten de lesuren om. Het was in de oorlogsjaren en de uitvoeringen bij Jan Visser aan Sluis 3 waren een hele belevenis. Toen we op een keer uitvoering hadden, lag er een dik pak sneeuw. We gingen er met onze ouders lopend naar toe.
Het lijflied van De Zangvogeltjes ken ik nog steeds. We begonnen er altijd onze repetities mee.
Meester Klinge is maar 47 jaar geworden. Hij had twee kinderen, een dochter Geertje en een zoon Bettie. Voor de school heeft meester Klinge heel veel betekend.

* * *


BOEDEL HARM HENDRIKS ALTEVEER II ________________________________________________________

In het maartnummer zagen we dat de boedelbeschrijving van Harm Hendriks Alteveer, overleden op 22 augustus 1839 op het Oosteinde te Nieuwleusen, een aanvang maakte op 3 september. Hierna volgt eerst het slot van het proces-verbaal van die dag, daarna hetgeen men op 4 september inventariseerde.

Tezamen bedragende de somme van ƒ 176,25
Tot hier toe gevorderd hebben wij deze zitting gesloten waartoe wij hebben gevaceerd tot hedenavond zes uur en voorts de contenuatie der onverwerpelijke inventarisatie bepaald op morgen des voor de middags ten negen uuren.
Van al het welke wij dit procesverbaal hebben opgemaakt op tijd en plaatse voorschreven in tegenwoordigheid van Koop van der Woude veldwagter en van Harm Broek landbouwer beide wonende te Nieuwleusen, als te dezen verzogte en bevoegde getuigen, de welke met de requiranten*, den heer Kantonregter en griffier benevens den taxateur en ons notaris deze acte na voorlezing hebben getekend, uitgenomen* Hilligje Peters die verklaarde de kunst van schrijven niet te verstaan en daarom niet te kunnen tekenen: (Was geteekend)
F.B. Wubbenhorst, A. Dijk, J. Bijker, H. Alteveer, P. Alteveer, K. Alteveer, K. v.d. Woude, H. Broek, J.N.J. Heerkens kantonregter, Bufer griffier, H.J. Jansen, C.W. van Dedem Not(aris).

Op heden den vierden September achttien honderd negendertig des voordemiddags om negen uren zijn wij Mr. Coenraad Willem van Dedem openbaar notaris residerende te Nieuwleusen en Avereest voorheen Kanton Ommen Arrondissement Deventer thans Kanton en Arrondissement Zwolle provincie Overijssel en in tegenwoordigheid der na te noemen en mede ondergetekende getuigen ingevolge het bepaalde in ons voren staand procesverbaal, ten verzoeke, in tegenwoordigheid, ter plaatse, op aanwijzing en taxatie als voorschreven overgegaan tot de continuatie der onderwerpelijke inventarisatie en maniere als volgt.

Transport der vorige zitting ƒ 176,25

Een glad houten boeren kast gewaardeerd
In welke kast zich bevinden de navolgende goederen als
Een doos met mutsen
Twee doeken
Een wollen slonde*
Een lap saai*
Een lap baai*
Een vrouwenrok
Een dito (vrouwenrok)
Twee vrouwenhemden
Eenige lapjes linnen en bont
Een mandje met vrouwenmutsen
Een mand met eenige mutsen en doeken
Acht differente* stukken linnen
Twee doeken
Vijf zakdoeken
Twee vrouwenrokken
Twee vrouwenjakken
Een wollen slonde
Een dito met twee mutsjes
Een wollen slonde
Eenige koralen met slot
Een beugeltas met beugel
Een bijbel met zilver gemonteerd
Een vrouwenborstrok met eenige lappen
Vijf Nederlandsche ellen linnen



ƒ 14,00


ƒ 0,40
ƒ 0,50
ƒ 0,70
ƒ 1,75
ƒ 1,25
ƒ 1,50
ƒ 1,60
ƒ 1,80
ƒ 0,30
ƒ 0,60
ƒ 1,50
ƒ 34,00
ƒ 0,60
ƒ 1,20
ƒ 2,00
ƒ 1,00
ƒ 0,60
ƒ 0,80
ƒ 0,50
<ƒ 7,00
ƒ 6,00
ƒ 12,00
ƒ 0,80
ƒ 4,00

In het voorschreven zijkamertje aan de Westkant

Een rood baayen rok
Een blaauwe dito
Een bonte doek
Een dito (bonte) rok
Een eikenhouten kist
In welke kist zich bevinden de navolgende goederen als
Twee mansbroeken
Een blauw lakens buis
Een hemdrok
Twee mansbroeken
Een partij wollen garen
Eenige rokken
Een zakje met lapjes laken en linnen
Negen paar kousen
Een zwartzijden doek
Een onderbroek met eenige lapjes
Zeven onderbroeken
Een zwart linnen broek
Een borstrok
Een zwart manchestersche broek
Een lakensche borstrok
Een dito (borstrok)
Een gestreepte lap
Een blaauw duffels buis
Een korte broek
Een bombazijden* buis
Een manchestersch vest
Een beverschbuis*
Twee paar kousen
Een paar dito (kousen)
Een beversche bolvanger*
Een geldriem en een koperen slootje
Vier paar kousen
Eenige lappen
Een tontelpotje* met twee oude tabaksdozen



ƒ 1,00
ƒ 1,20
ƒ 0,20
ƒ 0,70
ƒ 3,00


ƒ 1,10
ƒ 2,50
ƒ 1,00
ƒ 1,90
ƒ 1,70
ƒ 0,20
ƒ 0,80
ƒ 2,50
ƒ 0,80
ƒ 1,00
ƒ 5,00
ƒ 1,00
ƒ 1,20
ƒ 2,00
ƒ 2,00
ƒ 2,00
ƒ 1,80
ƒ 2,75
ƒ 0,60
ƒ 1,40
ƒ 1,00
ƒ 2,40
ƒ 0,30
ƒ 0,15
ƒ 5,00
ƒ 0,70
ƒ 0,70
ƒ 0,30
ƒ 0,40

In het bakhuis:

Een honigpers welke voor de halfscheid* behoort aan Jan Peters Bouwman landbouwer te Nieuwleusen, welke pers alszoo voort de halfscheid is geschat op drie gulden vijftig cent
Een boterkarn
Een melkton
Twee emmers
Tien melkvloten*
Een baletje*
Een melkemmer
Twee tonnetjes
Een baktoog
Een tonnetje
Een grote ijzeren pot
Een ton
Eenige spaken
Drie spinnewielen
Twee tonnetjes
Een dito
Een kist
Een ladder
Eenige rommel






ƒ 3,50
ƒ 4,50
ƒ 1,00
ƒ 1,20
ƒ 2,30
ƒ 0,50
ƒ 0,90
ƒ 1,80
ƒ 1,00
ƒ 0,90
ƒ 3,00
ƒ 0,50
ƒ 2,00
ƒ 2,00
ƒ 2,00
ƒ 0,50
ƒ 1,50
ƒ 0,30
ƒ 1,00

In de schuur aan de Westzijde van het huis:

Een mestwagen
Een partij eikenhout
Een bergwaag en ijzeren (berg)stoel
Een boerenwagen
Een boerenwagen met beslag
Een dito
Een oude ton (de 25 is per abuis voor de komma kolom geplaatst en is dus ook als ƒ  25,- opgeteld)
Een ton en twee braken*
Eenige plankjes
Een beestekrib
Een beestezomp*
Een schapereep
Een paardekrib
Eenig paardetuig
Eenig paardetuig
Een schaafbank
Eenig houtwerk
Een snoeibeitelstok
Eenige wagentouwen
Eenige oude zeisens
Ongeveer vijfduizend Nederlandsche ponden hooi
Een boerenwagen



ƒ 5,00
ƒ 11,00
ƒ 3,50
ƒ 14,00
ƒ 28,00
ƒ 18,00
ƒ 25,00

ƒ 0,90
ƒ 1,00
ƒ 1,50
ƒ 1,20
ƒ 0,80
ƒ 1,30
ƒ 3,00
ƒ 2,25
ƒ 1,00
ƒ 2,00
ƒ 0,50
ƒ 0,80
ƒ 0,30
ƒ 46,00
ƒ 16,00

In een berg aan de westzijde van het huis:

Ongeveer negentien duizend Nederlandsche ponden* hooi

Een mijt met strooijing naast voorschreven berg

Ongeveer achtduizend Nederlandsche ponden hooi in een berg achter het huis
In voorschreven berg
ongeveer zes vim* rogge




ƒ 180,00

ƒ 5,00


ƒ 96,00

ƒ 24,00

Op de deel:

Een roodbonte koe
Een roodbonte dito
Een roodbonte dito
Een zwartbonte dito
Een roodbonte dito
Een roodbonte dito
Een zwartbonte dito
Een blaauwbonte dito
Een roodbonte dragtige koe
Een witroodbonte koe
Een witbonte dito
Een roodbonte dito
Een witroodbonte koe
Een donkere zwartbonte dito
Een zwartbonte dito
Een witbonte pink
Een zwartbonte dito blaarkop
Een zwartbont kalf
Een dito dito
Een roodbonte koe
Een zwartbonte vaars
Een zwartbonte vaars
Een zwartbonte vaars
Een zwartbonte pink
Een roodbonte koe
Een kleine zwartbonte koe
Eenige gedorste rogge
Op de balken ongeveer veertien vim ongedorste rogge geschat op
Nog ongeveer veertien vim ongedorste rogge
Een bruin merriepaard
Een bruin merriepaard
Een voss merriepaard
Een voss merriepaard
Een dito enter zijnde een hengst
Een bruin veulen



ƒ 50,00
ƒ 40,00
ƒ 39,00
ƒ 40,00
ƒ 38,00
ƒ 36,00
ƒ 43,00
ƒ 43,00
ƒ 45,00
ƒ 37,00
ƒ 42,00
ƒ 40,00
ƒ 39,00
ƒ 40,00
ƒ 35,00
ƒ 16,00
ƒ 14,00
ƒ 7,00
ƒ 5,50
ƒ 30,00
ƒ 23,00
ƒ 19,00
ƒ 18,00
ƒ 16,00
ƒ 45,00
ƒ 23,00
ƒ 14,00

ƒ 160,00
ƒ 56,00
ƒ 80,00
ƒ 120,00
ƒ 100,00
ƒ 80,00
ƒ 20,00
ƒ 10,00

In het varkenshok:

Negen varkens
Achttien biggen

Een honderddrieendertig korven met beijen
in de beijenstal

Een honderd en veertig schapen zijnde
in het hok naast het huis



ƒ 90,00
ƒ 47,00


ƒ 400,00


ƒ 400,00

Gemaakt goud en zilver:

Een paar gouden hembdeknoopen - een lood zes wigjes -
Een paar zilveren broeksknoopen, kleine keur - wegende acht lood zeven wigjes -
Een paar zilveren schoengespen, kleine keur - wegende een ons en een wigje -
Vierentwintig zilveren hembdenknopen, kleine keur - wegende negen lood zeven wigjes -
Negenentwintig zilveren dito, kleine keur - wegende zeven lood vijf wigjes -




ƒ 19,20

ƒ 6,96

ƒ 8,80

ƒ 6,79

ƒ 5,25

Contanten:

Een honderd eenenveertig stukken van eene gulden
Vier zilveren zeeuwsche Rijksdaalders
Zes goudguldens
Zesendertig dubbeltjes
Tien kwartguldens
Centen drieendertig en halve


Transportére




ƒ 141,00
ƒ 10,40
ƒ 8,40
ƒ 3,60
ƒ 2,50
ƒ 0,33½


ƒ 3355,13½

Tot hiertoe gevorderd heeft de declarante Hilligje Peters opgegeven dat nog tot dezen boedel behoort het uitstaand gewas zijnde boekweit en aardappels, dat dit voor de boedel zal worden ingeoo(g)st, en dat van het provenu daarvan nader door haar opgave zal worden gedaan.

Uitstaande crediten.
- Een onderhandsche obligatie in dato den eersten April achttien honderd zeventien ten laste van Hendrik Katoele en Marrigje Jans echtlieden wonende te Nieuwleusen groot in kapitaal drie honderd gulden

ƒ 300,00

rentende ’s jaarlijksch op den eersten April tegen vier procent en eischbaar na eene voorafgaande opzage van drie maanden, waarvan de renten lopende zijn sedert den eersten April jongstleden.

- Eene onderhandsche obligatie in dato den eersten Mei achttien honderd eenendertig ten laste van Jan Alberts Huizing wonende te Avereest groot in kapitaal vijfhonderd guldens

ƒ 500,00

rentende 's jaarlijksch op den eersten Mei tegen vier procent en eischbaar na eene opzage van drie maanden, waarvan de renten lopende zijn sedert den eersten Mei achttien honderd en dertig.

- Eene onderhandsche obligatie ten laste van Arend Bruggeman te Nieuwleusen in dato den vierden November achttien honderd zevendertig, onder borgtogt van Hendrik Brasje en Berend Pander te Nieuwleusen groot in kapitaal vijftig guldens

ƒ 50,00

rentende ’s jaars op den eersten November tegen vier procent en eischbaar na eene voorafgaande opzage van een jaar, waarvan de renten loopende zijn sedert den eersten November jongstleden.

- Eene onderhandsche obligatie in dato den negentienden December achttien honderd zesendertig ten laste van Harm Kreule landbouwer te Dwingelo groot in kapitaal vijftig gulden

ƒ 50,00

rentende ’s jaars op den eersten Mei tegen vier procent, en eischbaar na eene voorafgaande opzage van drie maanden, waarvan de renten loopende zijn sedert den eersten Mei jongstleden.

- Voorts heeft de declarante nog opgegeven dat de boedel te vorderen heeft van Harm Krikke in den Hulst gemeente Nieuwleusen wegens voor hem ter leen verstrekte gelden de somma van een honderd gulden

ƒ 100,00


- Van Gerrit Jansen Pater in den Hulst voor geleverd brandhout ongeveer vijfentwintig gulden

ƒ 25,00


- Van Gerrit Krooneweerd onder Dalfsen voor hooilandshuur vijf gulden

ƒ 5,00


- Van Jan Brinkman bakker te Nieuwleusen voor verkogte rogge negen gulden vijfenzeventig cent

ƒ 9,75


- Van Willem de Graaf schipper te Avereest wegens landhuur vijfendertig gulden

ƒ 35,00


- Van de weduwe Valk te Zwolle wegens geleend geld vijfenzeventig gulden

ƒ 75,00


Tezamen bedragende de somma van vier duizend zes honderd vier gulden en achtentachtig en een halve cent

ƒ 4604,88½



- De expeditie eener acte van publieke veiling op den vijftienden en tweeentwintigsten Juny achttien honderd negentien voor Mr. Johannes van der Gronden openbaar notaris residerende te Zwolle en getuigen gepasseerd behoorlijk geregistreerd houdende aankoop van twee kampen hooijland in de veenekampen te Nieuwleusen.

- De expeditie eener acte van publieke veiling op den vierentwintigsten February en tienden Maart achttien honderd vijfendertig voor Mr. Reinier Saris van der Gronden openbaar notaris residerende te Zwolle en getuigen gepasseerd behoorlijk geregistreerd, houdende aankoop van eene boerenerve te Ruitenveen gemeente Nieuwleusen.

- Eene onderhandsche acte in dato den tienden February achttien honderd vierentwintig, geregistreerd te Zwolle den dertigsten April 1800 vierentwintig fol(io) 7 V(erso*) Nr: 1-7 en fol(io) 8 r(ecto*) nr. 1, 2 en 3 volg ontvangen voorregt acht franken tachtig centimes tezamen met de verhoogingen vijf gulden achtendertig cents in duplo getekend Stolte. Overgeschreven ten kantoore der hypotheken te Zwolle den vierden Juny achttien honderd vierentwintig in deel vier, nummer een honderd drieenveertig, houdende aankoop van twee roeden hooiland in de Roveensche roete gemeente Nieuwleusen.

- De expeditie eener acte op den vierden November achttien honderd zesentwintig voor Johannes Amama Chevallerau openbaar notaris residerende te Ommen en getuigen gepasseerd behoorlijk geregistreerd, houdende verdeeling van eenige Marktegronden in de Buurtschap Varsen gemeente Ommen.

- Eene onderhandsche acte in dato den twee-entwintigsten July achttien honderd zevenentwintig. Geregistreerd te Ommen den negenentwintigsten Augustus achttien honderd en zevenentwintig deel zes folio tweeenvijftig recto vak een. Ontvangen twee gulden zesentwintig cents opcenten zesentwintig cents syndicaat. De ontvanger (Getekend) Wilkes, overgeschreven ten kantoore der hypotheken te Deventer den derden September achttien honderd zevenentwintig in deel eenentwintig nummero negentien.

- Eene onderhandsche acte in dato den zevenden Augustus achttien honderd dertig, geregistreerd te Zwolle houdende een blad en geen renvooijen* den negenden Augustus achttien honderd en dertig deel zeventien folio honderdvijfendertig recto vak vijf tot en met folio honderd vijfendertig verso vak twee. Ontvangen voor regt veertien gulden uitmakende met de vijfendertig opcenten achttien gulden negentig cents. De ontvanger (Getekend) A.C. van Plettenberg. Overgeschreven ten kantoore der hypotheken te Deventer den dertienden Augustus achttien honderd dertig in deel eenendertig nummero negenennegentig, houdende aankoop van drie bunders land te Varsen onder Ommen.

- Eene onderhandsche acte in dato den eersten Juny achttien honderd zevenentwintig. Geregistreerd te Ommen den drieentwintigsten Juny achttien honderd zevenendertig deel zes folio eenenveertig recto vak twee, ontvangen zestien gulden, twee gulden acht cent opcenten twee gulden acht cent syndicaat. De ontvanger (getekend) onleesbaar. Overgeschreven ten kantoore der hypotheken te Deventer den zesentwintigsten Juny achttien honderd zevenentwintig in deel negentien nummero een honderd tweeendertig houdende aankoop van twee waren in de Versener Markte gemeente Ommen.

Tot hiertoe gevorderd hebben wij deze zitting gesloten waartoe wij hebben gevaceerd tot heden avond half zes uren en voorts de continuatie dezer inventarisatie onbepaald geadjourneerd*. Van al het welke wij dit procesverbaal hebben opgemaakt op tijd en plaatse voorschreven in tegenwoordigheid van Koop van der Woude veldwagter en van Harm Broek landbouwer beiden wonende te Nieuwleusen als te dezen verzogte en bevoegde getuigen dewelke met deze quiranten uitgenomen Hilligje Peters die verklaarde de kunst van schrijven niet te verstaan, den heer kantonregter en griffier den touyateur en ons notaris deze acte na voorlezing hebben getekend.
(was geteekend) H.R. Wubbenhorst, K. Alteveer,
H. Alteveer, A. Dijk, J. Bijker, P. Alteveer, K. v.d. Woude,
H. Broek, J.N.J. Heerkens kantonregter, Bufer griffier,
H.J. Jansen, C.W. van Dedem Not(aris).

Wordt vervolgd

*) Woordenlijst:
requirant = verzoeker, aanvrager
uitgenomen = uitgezonderd
slonde = half schort over de rok
saai = grove, licht gekeperde wollen stof
baai = dikke rode of blauwe wollen stof gebruikt voor onderkleding
differente = verschillende
bombazijden = bombazijn, zware katoenen stof
beverschbuis = soort jas van grof katoen
bolvanger = dikke zwaar gevoerde jas
tontelpotje = tondelpot om vuur te maken
halfscheid = de helft
melkvloten = platte houten schalen om melk af te romen
baletje = houten kuip om melk in te laten staan om later af te romen
braken = bewerken, kneuzen van vlas
beestezomp = houten voerbak
pond = bepaalde hoeveelheid
vim = 100 bos
verso = op de even / keerzijde / linkerzijde van het blad
recto = op de oneven / voorzijde / rechterzijde van het blad
renvooijen = verwijzingen
geadjourneerd = verdaagd, zonder een nieuwe datum af te spreken

* * *


SCHOOLVAKANTIE ________________________________________________________

Jo Stegeman-Smelt
Uit de bundel: 'n Kastonjeboom; gedicht'n in 't Vjeens Vriezenveen, 1993
Vertaald door G. Bartels-Martens

Als je vroeger schoolvakantie had,
dan ging je bijna nooit eens uit,
want grote, dure reizen,
o nee, dat kon toen nog niet uit.

We leerden op school over de Alpen,
van de Mont Blanc en Matterhorn.
Maar voor ons lagen de hoogste bergen
in Vasse of in Hellendoorn.

Daar gingen we dan een dagje heen – fietsen,
wat ranja en belegde boterhammen mee.
En dan nog even naar de speeltuin,
daar hadden we dan de grootste pret.

We gingen nog niet naar de camping,
daar hadden we nog nooit van gehoord.
We bouwden zelf bij huis een tent
van een oud gordijn, dat was verkleurd.

Ook maakten we soms wel een huisje,
ergens in een hoekje van de schuur.
Dan gingen we elkaar bezoeken,
wij stelden deftige dames voor.

Ook gingen we vaak pootje baden
in een grote, brede sloot; lekker hoor.
Dat kostte een dubbeltje in 't zwembad,
maar dat was ons toen veel te duur.

Wij brachten vroeger de vakantie
door, op onze eigen manier.
We kenden toen nog geen enkele weelde,
maar hadden toch altijd veel plezier.

Zomer 1989

* * *


RECTIFICATIE EN AANVULLING ________________________________________________________

Op bladzijde 8 van het kwartaalblad van maart 2005 staat een foto van het personeel van het distributiekantoor. De onbekende persoon is Jan Waanders. Op de voorste rij staan Albert Klein (en niet Gerrit Jan Schiphorst) K. D. Fleurke en Jan Katoele. De foto is waarschijnlijk niet van 1941 maar van 1943.
Op bladzijde 9 staat een foto met personen bij een tank. De jongen die op de tank zit met een stok in zijn hand, waarvan het gezicht gedeeltelijk zichtbaar is, is Gerrit Jan Schiphorst. Van de overige personen mochten we nog geen namen ontvangen.

Op bladzijde 16 is bij de genealogie Alteveer een foutieve vermelding opgenomen. De juiste tekst is (met dank aan de heer A. van Holten):

4

Hendrik, geb. 21-05-1806; gehuwd 21-07-1832 met Klaasje Bouwman, geb. 25-01-1810.

1





Hilligje; geb. 10-04-1844; gehuwd 29-08-1868 met Klaas Bijker.

(Deze wijzigingen en aanvullingen zijn in de tekst verwerkt)


Jaargang 23 nummer 3 september 2005

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


OMSLAGFOTO: ________________________________________________________

De Nederlands Hervormde Kerk of Grote Kerk in de Kerkenhoek in Nieuwleusen in het begin van de jaren 50. De foto is genomen vanaf de Dommelerdijk.

* * *


VAN EEN PREDIKANTS-BEROEP TE NIEUWLEUSEN IN HET MIDDEN DER ACHTTIENDE EEUW ________________________________________________________

K.D. Hartmans

Onderstaand artikel beschrijft de problemen rond de benoeming van dominee Jan Arend Palthe in 1754. Het is een hoofdstuk (in kopie aanwezig in ons archief) uit een boek dat we tot nu toe niet heb-ben kunnen achterhalen. Het artikel is geschreven in 1930 en om wille van de leesbaarheid is de tekst hier en daar iets aangepast.

Nieuwleusen werd in 1662 een afzonderlijke kerkelijke gemeente en heeft sindsdien haar eigen kerk en haar eigen predikanten gehad, te beginnen met Ds. A. van Berkum (1662-1681). De vierde predikant is Ds. Bernardus de Vries geweest, die, in 1707 beroepen, na een diensttijd van 45 jaren zijn emeritaat verzocht. Dat werd hem in 1752 op de meest eervolle wijze verleend. Het beroepen van een opvolger van dominee De Vries heeft heel wat voeten in de aarde gehad. Aan de hand van aantekeningen door tijdgenoten volgt hier het verhaal van alle problemen uit 1753 en 1754.

Op 14 juni 1752 kwam de kerkenraad van Nieuwleusen bijeen om te beraadslagen over een te beroepen predikant. In deze vergadering, die volgens de gewoonte werd bijgewoond door twee afgevaardigden uit de Classis van Zwolle, werd met meerderheid van stemmen Ds. Henricus Dekker gekozen. Dit besluit werd meteen doorgegeven aan de (Land)drost van Salland, Adolf Julius Borchard van Hüffel toe Verburch. Groot was de verbazing toen deze berichtte het gedane beroep niet te kunnen goedkeuren. Maar aan dat besluit viel niet te tornen en er bleef de kerkenraad niets anders over dan opnieuw een vergadering uit te schrijven om een andere proponent (kandidaat-predikant) te beroepen die wellicht beter in de smaak zou vallen van de machtige drost.
Zo gebeurde en in overleg met de bekende en later zo beruchte Zwolse predikant Ds. A. van der Os (die na 7 jaar in 1755 uit zijn ambt werd ontzet) viel de keuze op Ds. Cappenberg. Dit werd goedgekeurd door Van Hüffel. Maar nu wachtte de kerkenraad een andere, volkomen onvoorziene tegenslag. De Classis van Zwolle kon zich niet vinden in het gedane beroep en richtte een schrijven aan de Drost van Salland over de onwettigheid van het gedane beroep. Daardoor overtuigd trok de drost de goedkeuring weer in en zo werd de kerkenraad voor het feit geplaatst dat ze opnieuw een beroep moest uitbrengen.
Op 8 maart kwam de kerkenraad opnieuw bijeen in bijzijn van de twee Zwolse afgevaardigden. De wijzers van de klok waren het middernachtelijk uur bijna genaderd toen, na een heftige discussie, het voorstel werd goedgekeurd en aangenomen om Ds. Schukking te beroepen. Men kan zich de verbazing en ook de verontwaardiging van deze eenvoudige dorpse kerkheren voorstellen toen voor de derde keer het door hen uitgebrachte beroep door de drost werd afgekeurd. Wat nu te doen?
Voor de vierde keer een nominatie opmaken, nee, daar bedankten ze voor. Naast hun eenvoud hadden ze zeer zeker ook de trots van flinke landmensen die het beste met hun gemeente voor hadden en zich niet als speelbal van de een of andere potentaat lieten gebruiken. Het zou het beste zijn in dit geval de beslissing over te laten aan de hoogste instantie en daarom werd een verslag gestuurd aan Ridderschap en Steden van Overijssel (dat is de voorloper van de Provinciale Staten) met het verzoek “dat Haar Edele Mogende haar gelieven te verstaan te geven of zij in die improbatie (afkeuring) moeten berusten”.
Zo kwam deze kwestie op de agenda te staan van de vergadering van Ridderschap en Steden van Overijssel op 13 april 1753, maar met een voor de kerkenraad van Nieuwleusen onverwachte afloop. In de betreffende resolutie staat dat “wordt verstaan dat de remonstranten in de improbatie van het beroep in de requeste gemeld, moeten berusten”.
Maar dat ging enige heren die bij de vergadering aanwezig waren toch wel wat al te ver en in het resolutie (besluiten-)boek staat vermeld dat door de heren “Droste van Isselmuiden, Rechteren tot Gramsbergen, Bentink tot Wittenstein, Bentink tot Lange-veltslo, Dedem tot den Gelder, Raasfelt tot den Doorn, Palland tot Zuithem Junior, Voerst tot Averbergen, Rechteren tot Hoortdeuringen, Ittersum tot Oosterhof, Isselmuiden tot Paaslo, Munchausen tot de Oldemole en Rechteren tot Mennegeshave”, en door de Gedeputeerden der stad Zwolle protest tegen bovenstaande beslissing werd aangetekend omdat het de genoemde heren niet bekend was dat het gedane beroep op een onwettige manier was gedaan, noch dat de beroepene een persoon was “die niet is habilis et edonea”. En alleen op die gronden mocht de landdrost, zoals door Ridderschap en Steden van Overijssel bij resolutie dd. 15 april 1666 - artikel 4 was bepaald, toch gebruik maken van zijn recht een aan hem voorgelegd predikantsberoep af te keuren of te vernietigen. Zo bleef de zaak hangen en kon hierover in die vergadering onmogelijk een beslissing vallen.
In de volgende vergadering, op 18 april 1753, kwam de kwestie opnieuw aan de orde. Nu door de Drost van Isselmuiden, die met een verklaring kwam met daarin twee punten waarin de situatie in Nieuwleusen eigenlijk vooral werd gebruikt om de macht van de Drost van Salland ter discussie te stellen:
- “Eerstelijk of Ridderschap en Steden in het begrip zijn dat de Heeren Drosten het recht hebben om ex-plenitudine potestatis de beroepingen in hunne respective aanbevolene Drostampten pro lubiti te mogen approberen of improberen, sonder des gerequireerd wordende, daar van eenige reden te geven;
- en ten tweeden, of Ridderschap en Steden of de leden die op Vrijdag laatsleden in desen de meerderheid hebben uitgemaakt, van begrip zijn, dat sulx eene absolute magt der Heren Drosten, sig mede soude uitstrekken tot de collatien, hetzij die door eene of meerdere collatoren jure patronatus mogte worden geëxerceerd.”
Ook de overige Heeren schijnen overtuigd te zijn geraakt van het misbruiken van zijn macht door de Drost van Salland, want in het resolutieboek staat dat de overige leden met het protest en de vragen hebben ingestemd. Vooral het optreden van de Heer van Rechteren viel in goede aarde bij de gedeputeerden van de steden Deventer en Kampen en hoewel zij van mening waren dat de kerkenraad van Nieuwleusen zich had te schikken naar de door de drost uitgesproken improbatie, leek het hun toch gewenst dat de bevoegdheid van de drosten in dergelijke aangelegenheden duidelijker en afdoende beschreven zouden worden. Op 1 juli 1753 verzochten ze Ridderschap en Steden van Overijssel hierover een beslissing te willen nemen.
Toen hiervan in de vergadering van 7 juli 1753 mededeling werd gedaan, protesteerden de drosten van Salland, Twente en Vollenhove, die beloofden zo spoedig mogelijk schriftelijk met standpunten te zullen komen.

Met dit alles zat men in Nieuwleusen nog steeds zonder predikant en nu Ridderschap en Steden van Overijssel een minutieus onderzoek naar het voorgevallene zouden instellen, begreep de kerkenraad maar al te goed dat wanneer ze de zaak op zijn beloop liet, het nog wel eens lang zou duren voor de vacature opnieuw zou zijn vervuld. Het enige wat overbleef was nogmaals een nieuw beroep uit te brengen.
Op 7 augustus 1753 ondertekenden de beide ouderlingen en beide diakenen een voordracht waarin Jan Arend Palthe, G. Reisiger en Johannes Werndly in aanmerking komen om de opengevallen predikantsplaats in te nemen. Jan Arend Palthe schijnt door de leden van de kerkenraad en door de Classis van Zwolle en door de Ridderschap en Steden van Overijssel als de meest geschikte persoon te zijn bevonden. Alleen weigerde ook dit keer de Drost van Salland zijn goedkeuring te hechten aan het beroep van Ds. Palthe.
In het “Kerkenboek van Nieuwleusen” (tevens geboorte- en doopboek, 1744-1791, aanwezig in het Rijksarchief, nu Historisch Centrum te Zwolle) is door de toenmalige koster en schoolmeester Anthony Stolte het volgende opgeschreven:
“Naedemael door het emeritusschap van den Eerwaerden Heer Bernardus de Vries, de predikantsplaetse te Nieuwleusen is komen te vaceren en deselve nootsakelijk weder met een getrouw en stigtelijk leerraer moeste worden voorzien, en wij oversulks omgehoort hebben naar een bequaem persoon, en onder anderen in onse gemeinte de gaven van den Eerwaerden Godtsaligen en Welgeleerden Ds. Jan Arent Palthe, Ministen Candidatus, met vergenoeginge gehoort, ook mede een goet getuigenis van desselfs leer en leven vernomen hebbende, zoo is ‘t, dat wij, ouderlingen, diaconen en gemeinte te Nieuwleusen, ten overstaan van de Eerwaerde Gedeputeerden der Eerwaerde Classis van Zwol en de Heeren L. de Vries en W. Dekker, resp. Predikanten te Ommen en Dalfsen, als consulenten, na hartgrondige aenroepinge van Gods H. Naem, en rijpe deliberatie, in de vrese des Heeren, beroepen hebben en verkoren, gelijk wij beroepen en verkiesen kragt deses, den Eerwaerden Godtsaligen en Welgeleerden Ds. Jan Arent Palthe tot een wettig en ordinaris Herder en Learraer onser gemeinte, om Gods woort in alle zuiverheit te prediken, de sacramenten, volgens Christus instellinge te bedienen, de kerkelijke discipline getrouwelijk te oeffenen, Godtsaliglijk en exemplaerlijk onder ons te wandelen, en vorders te vervullen alle andere pligten, die tot den H. Kerkdienst behoren, en dat op zodanig een tractement en emolumenten (bijkomende verdiensten), als bij het emeritus worden van den Eerwaerden Heer B. de Vries, door Haar Edelmogenden de Staten van Overijssel gestatueert is, versoeken derhalven, dat Sijn Hoogwelgeboren Gestrenge, de Heer Lantdrost van Zallant dese onse beroepinge gelieve te approberen en ratificeren; desgelijks det het Eerwaerde Classis van Zwolle deselve beroepinge gelieve te approberen (goedkeuren), en orde te stellen dat Ds. Jan Arent Palthe op het spoedigste in den Heiligen Dienst moge bevestigt en der kerke toegevoegt worden. Voorts bidden wij den Heere des oogstes dat sijne Goddelijke Goetheit gelieve dit werk genadelijk te segenen, op dat het moge strekken tot grootmakinge van zijnen naam, uitbreidinge van het Koningrijk Zijnes Zoons, opbouw van dese kerke en zaligheit van vele zielen!” Hieronder staat geschreven:
“Dese beroepinge door H.Ed.Mogende de Heeren Staten deser Provincie geapprobeert zijnde, wort door de Eerwaerde Classis van Zwolle bij desen insgelijks geapprobeert.”
Nu was dus de goedkeuring van Ridderschap en Steden van Overijssel en van de Classis van Zwolle verkregen, maar de machtige Landdrost van Salland bleef weigeren deze te bekrachtigen, zodat de kerkenraad van Nieuwleusen nog even ver was als daarvoor. Ondertussen zat de gemeente nog steeds zonder voorganger. Wat bezielde de drost om steeds opnieuw de aan hem voorgelegde nominaties af te keuren? De leden van de kerkenraad begrepen er niets van en konden er met hun boerenverstand niet meer bij.
Wat nu te doen? Er zat niets anders op dan de hulp van de Overijsselse Ridderschap in te roepen. Uitvoerig werd alles nog eens omschreven en er werd aangedrongen op een besluit dat de Drost van Salland zou dwingen de redenen op te geven die aanleiding waren geweest tot de afkeuring van de gedane beroepen. Voor het geval de drost dit niet zou doen – en de kerkenraad verwachtte stellig niets anders – verzochten de ingezetenen van Nieuwleusen dat Ridderschap en Steden opnieuw hun goedkeuring betreffende het beroep van Ds. Palthe zouden uitspreken en bevestigen en machtiging wilden verlenen dat de kerkdienst door hem mocht worden waargenomen.
In de vergadering van 22 november 1753 kwam het stuk in behandeling en na enige discussie werd besloten “de Here Droste van Salland te versoeken, soo als versogt word mits desen, om aan Ridderschap en Steden nog staande dese vergadering opening te geven van de redenen, waardoor bewogen is geworden tot de improbatie van de beroeping, in de requeste gemelt”.
Twee dagen later gaf deze de Ridderschap en Steden schriftelijk antwoord. Het is een schrijven vol opmerkingen over te laat ontvangen stukken en de onterechte verdachtmakingen aan zijn adres, maar ook met opmerkingen over verkeerde besluitvorming!
Enige citaten: ‘....immers hebbe ik door goede berigten vernomen, dat het niet alleen alles is louter kuiperie, van luiden mede, die sig met deze huishoudinge geensins behoorden te bemoejen, waar door de gemeente onderlinge in een droevigen twist, haat ende misverstand met elkanderen ...”
“.....dat daar en boven, omtrent het onderhavige beroep, onberegtigde luiden zig zouden hebben doen gelden, zulks, dat er niet alleene wegens irregulariteit geprotesteerd, maar ook omtrent de deputatie tot dit beroep door de classis aangesteld, den alouden gebruike, en gerecipieerde kerkenordre geenzins gevolgd zij”.
Door dit schrijven komt de zaak in een ander daglicht te staan en rijst de vraag of er ook schuld bij de kerkenraad van Nieuwleusen ligt. Het schrijven wordt in de vergadering van Ridderschap en Steden van 24 november 1753 behandeld en men beslist dat de drost meer tijd moet worden gegeven om zijn afkeuringen uitvoeriger op de volgende vergadering toe te kunnen lichten.
De drost heeft in die periode niet stil gezeten. Ten einde zijn verweerschrift met documenten te kunnen staven, verzocht hij verschillende personen die de kerkenraadsvergaderingen hadden bijgewoond een schriftelijk relaas te willen overleggen. Het resultaat hiervan was dat een drietal rapporten werden uitgebracht die nu niet bepaald in het voordeel van het kerkbestuur van Nieuwleusen uitvielen.
In het eerste rapport, gedateerd 5 maart 1754, verklaart Ds. J. van Rossum, bedienaar des Goddelijken Woords te Zwolle, dat tijdens de kerkenraadsvergadering van 29 augustus 1753 tussen enige gemeenteleden een geschil was ontstaan over het stemrecht van sommige personen en dat daarbij de gemoederen zodanig opliepen “dat ze sig nauwelijks van schelden wederhielden, razende en kloppende op banken en lessenaar in so verre, dat het nergens minder naar geleek dan naar een behoorlijke samenkomste om eenen predicant te beroepen, waarin alles stil, in vrede, met orde en in de vreze Gods behoort toe te gaan, ’t welk dan ook den ondergeschrevene eens en andermaal noodzaakte de twistende te vermanen tot stilte en bedaring en dat ze denken moesten, dat ze in geen drinkhuis, maar in ’t huis des Heeren waren en niet waren samengekomen om te twisten of te kijven, maar om hun gemeinte een goed leeraar te besorgen”.
Om de ruzie te beslechten had hij daarna om de kerkboeken gevraagd teneinde te kunnen nagaan welke leden wel dan niet gerechtigd waren hun stem uit te brengen, maar het antwoord luidde dat de Heeren Geëigenerfden van Nieuwleusen die boeken kort te voren hadden meegenomen en naar de stad hadden laten brengen.
In het tweede rapport, ook gedateerd 5 maart 1754, verklaren Dr. Lambert Nilant en Ds. Johannes Forier dat zij in de vergadering van 29 augustus 1753 iets zagen dat ze nooit eerder hadden meegemaakt, namelijk dat ze twee consulenten zagen zitten: Ds. de Vries uit Ommen en Ds. Dekker uit Dalfsen. Toen dominee Van Rossum het gebed geëindigd had, wendde hij zich tot deze twee om te zeggen dat hij wist dat de classis met meerderheid van stemmen twee consulenten zou toevoegen en, hen beide hier ziend, graag hun volmachten wilde zien. Dominee De Vries voegde hem daarop met harde woorden toe dat hij die aan de kerkenraad moest vragen. Na enige woordenwisseling gaf die tenslotte een papier dat dominee Van Rossum ongelezen in zijn hand hield. Dat konden dominee De Vries en dominee Dekker tenslotte niet langer verdragen en ze wezen hem erop het papier te lezen. Uit de inhoud bleek dat de kerkenraad een voorstel aan de gemeente deed waarop Ds. Cappenberg niet voorkwam omdat die, zoals ze gehoord hadden, anders de meerderheid van stemmen zou krijgen. Ds. Van Rossum legde dit naast zich neer en vroeg de gemeente en kerkenraad wie zij op de nominatie wilden hebben. Enkele kerkenraadsleden bleven bij de door hen gemaakte voordracht en wilden Ds. Cappenberg er niet op plaatsen. Gebeurde dat wel, dan wilden zij geen beroep doen. Enkelen maken reeds aanstalten alsof ze de kerk zouden verlaten, waartegen door anderen weer krachtig werd geprotesteerd. De voorstanders van Ds. Cappenberg voelden zich door de kerkenraad genegeerd en toen begon over en weer met veelvuldig razen, schreeuwen, vloeken en tieren een debat dat tenslotte door de voorzitter werd afgebroken. Toen hij vroeg of ze het goed vonden te stemmen om te komen tot een nominatie, resulteerde dat er in dat, niet zonder veel geraas, gemor en dreigementen, sommigen weigerden hun stem uit te brengen, anderen op dominee Palthe en weer anderen op dominee Cappenberg stemden.
Het derde rapport is te Zwolle op 12 maart 1754 getekend en opgemaakt door Hendrik Witten en Thijs Koops, ingezetenen van Nieuwleusen. Ze doen omstandig verhaal over wat op de kerkenraadsvergadering van 7 augustus 1753 is voorgevallen, toen door de kerkenraad de nominatie werd opgemaakt en waarin de proponent Palthe voor het eerst wordt genoemd. (Tekst aangepast tot nu nog leesbare taal)
“Wij ondergeschreven verklaren ...dat die beroepingen, speciaal de laatste, waarbij de proponent Palthe is beroepen, met de grootste ongeregeldheden, oneenigheden, rasen, tieren, schelden en vloeken zijn tot stand gekomen. Dat de grootste baas van deze ongeregeldheden de koster van Nieuwleusen is, als lopende dan hier dan daar, gelijk hij nog voorleden maandag, acht dagen geleden, een dag of drie is weg geweest, latende zijn school stil staan.
Dat er in dit laatste beroep mede gestemd hebben die geen ledematen zijn Herman Hilbes, Albert Jans, Be-rend Gosens, Claas Herms, Peter Geers, Jan Berend Derx, en ook enkelen die niet aan de dominee mee betalen, zoals de koster, Arend Hendrix en Bartelt Stolte. Hermen Kreule, die maar ¼ part van een erve heeft, heeft ook mee gestemd, net zoals ook die de andere parten (van dat erve) toebehoort gedaan heeft en dus (zijn er) twee stemmen van een erve.
Dat B. Hendrix en Roelof Koers, die voormaals voor dominee Cappenberg gestemd hadden, van stemmen zijn veranderd, zoals ook getracht is om Claes Jansen van zijn stem te doen veranderen, ’t geen nochtans mislukt is, alsmede dat de meyers (huurders) van de Heer van Eerde door peruasien (dreigementen) zouden terug gehouden zijn geweest. Dat zulks volgens de algemene geruchten, want bewijzen kan men zulke dingen bezwaarlijk, door kuiperijen zou gedaan zijn, net zoals over de partij die tegen domine Cappenberg is, gezegd wordt dat ze daarvoor meermalen ‘s avonds en bij ontij in het domineeshuis, dat daarvoor door de koster wordt opengesteld, of ook wel in de herberg vergaderen.
Verder dat een van de kerkmeesters gezegd heeft dat Thijs Coops, stemmend voor Cappenberg, als hij dat zou doen ’s avonds niet veilig over de straat of weg zou kunnen gaan. Dat Arend Arends, kwaad zijnde, met zijn hand onder zijn schoen sloeg, zeggende tegen Witten: “Ik wou dat ik u buiten de kerk had, ik zou u wat anders leren.” Dat er vele jongens, schepers, gehele huisgezinnen in de kerk aanwezig zijn geweest toen er een beroep gedaan zou worden en anderen in andere kerspels wonende.
Wij, Hendrik Witten en Thijs Koops, verklaren nog alleen dat onder diegenen die Witten en Jasper Gerrits als gecommitteerden uit de gemeente naar de Heer Drost hebben gestuurd om de approbatie van Dominee Cappenberg te verzoeken, nog zijn afgevallen Evert Claas, Roelof Koers, Hendrik Hendriks, Hermen Geerts, hij, gecommitteerde Jasper Gerrits zelf en meer anderen.”
Onbewust van de dreigende wolken die zich boven hun hoofden samenpakten bleef de kerkenraad van Nieuwleusen mopperen over de langdurige behandeling die de kwestie leek te vragen. Op de vergadering van 12 maart 1754 was er nog geen verweerschrift van de Drost van Salland ontvangen. Toch is toen het predikantsberoep van Nieuwleusen een punt van behandeling geweest. Wellicht duurde het de Ridderschap en Steden ook te lang. In ieder geval werd besloten het uitgebrachte beroep op Ds. Palthe te approberen. “En sal hiervan bij extract deses werden kennis gegeven aan welgemelde Here Droste van Salland tot desselfs informatie, mitsgaders aan den kerkenraad van Nyleusen tot desselfs naricht en om daar van kennis te geven daar ’t behoord”.
Maar nog voor dit besluit de drost bereikte was deze met zijn verweerschrift gereed gekomen. De volgende dag, op 13 maart 1754 werd het aan de Ridderschap en Steden overhandigd.
Het is een vele bladzijden lang geschrift, waarin de feiten uit genoemde rapporten weer uitgebreid aan de orde komen en de drost overtuigd van zijn gelijk naar voren komt.
Toch liep het anders dan de heer Van Hüffel had verwacht. Of de Ridderschap en Steden van de zaak al meer dan genoeg hadden, of dat het verweerschrift niet de gewenste indruk maakte op de ter vergadering aanwezige heren, weten we niet, maar toen het gewichtige document in de vergadering van 14 maart 1754 ter tafel werd gebracht, meenden de leden bij hun besluit van 12 maart te moeten blijven berusten en het uitgebrachte beroep op Ds. Palthe in ieder geval te approberen.
Van Nieuwleusen begon de victorie, maar het was een lelijke streep door de rekening van de Landdrost.

Zo is Jan Arend Palthe in 1754 op 27 jarige leeftijd predikant van Nieuwleusen geworden. Het zal met gemengde gevoelens geweest zijn dat hij voor de eerste maal de kansel heeft beklommen om zijn nieuwe gemeente toe te spreken. Weldra werd hij er geliefd en geacht en wederkerig heeft hij zich gedurende een halve eeuw, tot zijn overlijden op 7 maart 1803, met liefde en toewijding gegeven aan zijn moeilijke taak van herder en leraar onder de ingezetenen van Nieuwleusen.

Met de komst van dominee Palthe ontstond een hechte band met de familie Palthe. Daarover schreven wij uitgebreid in het boekje “De familie Palthe en Nieuwleusen, een relatie van 175 jaar”, dat in december 1998 verscheen als nummer 4 van de 16de jaargang van “Ni’jluusn van vrogger”.

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

De groepsfoto, die hierna is afgedrukt, is van het zangkoor “De Nachtegaaltjes”. De foto dateert uit omstreeks 1953. Eventuele aanvullingen en correcties van de namen graag schriftelijk of per e-mail aan de redactie.

Foto R092


1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  

Tinie Meulenbelt
Fenna Lammertsen
Johanna Schoemaker
Gerrie Kroon
Bertha Witpaard
Dinie Klein
Rika Meesters
Margje Timmerman
Hennie Stroeve
Alie van de Voorde

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

Geertje Klosse
Gerrie ter Wee
Jentje Meulenbelt
Dinie Wijbenga
Minke Boers
Hennie Vasse
Willem Huzen, dirigent
Mientje Klein
Dicky Lammertsen
Jannie Stegerman

21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  

Grietje Groteboer
Fennie Vasse
Margje van de Kolk
Hennie Bruggeman
Willie Klein
Roelie Bloemhof
Jennie Hulleman
Jennie Vasse
Gerrie Timmerman

* * *


MOEDER AAN DE WAS ________________________________________________________

Jo Stegeman-Smelt
Uit de bundel: 'n Kastonjeboom; gedicht'n in 't Vjeens
Vriezenveen, 1993
Vertaald door G. Bartels-Martens

's Maandags vroeg 't fornuis aanmaken.
't Vuur dat wordt flink opgestookt.
De wasketel vol zeepwater,
Het witte goed dat wordt gekookt.

Daarna alles overgieten,
Teil of tobbe staat al klaar.
Moeder kan nu aan het wassen,
't Mens kent nog geen comfort.

Boenen op het wasbord,
Met de handen in het hete sop.
's Winters spoelen in ijskoud water,
Moeder kan haar lol wel op.

En maar spoelen en maar wringen.
Ondanks alles toch nog zingen.
En maar sputteren en maar plassen,
's Maandags dan moet moeder wassen.

't Witte goed door 't blauwselwater,
Want daar lijkt het zo helder van.
't Strijkgoed door de bak met stijfsel,
Moeder ploetert heel wat an.

Wat nog smerig is na ’t wassen
Dat wordt op de bleek gelegd.
Door de zon bleken de vlekken
Na een poosje alsnog weg.

't Wasgoed moet aan de lijnen drogen.
's Zomers is dat geen bezwaar;
In de wind of in de zon
Is 't maar even, dan is ‘t klaar.

's Winters gaat dat wel wat anders.
Waar moet je met de was naartoe?
In de schuur of op de zolder,
Of het rekje om de kachel heen?

Dan moet moeder ook nog strijken.
Wat een zwaar karwei is dat.
Met een ijzer vol met hete kooltjes,
Strijkt ze 't wasgoed netjes glad.

Vroeger was voor heel veel vrouwen
Maandag toch zo'n zware dag.
Want dan moest er veel gebeuren
Voor het goed weer in de kasten lag.

Met wassen nu, in deze tijd,
Ben je geen hele dag meer kwijt.
Nu staat er in de meeste huizen
Een wasmachine; 't liefst met droger*).
Wij drukken nu even op een knop:
de was draait vanzelf door 't sop.
Geen zere vingers, rode handen,
De was wordt ongemerkt gedaan.
Och, och, als moeder dat eens zag,
Dan zei ze: 'k Heb een vrije dag.

*) centrifuge is in de vertaling door het woord droger vervangen, omdat de wasdroger nu dezelfde luxe uitstraalt als de centrifuge in het begin van de jaren negentig.

* * *


RECTIFICATIE EN AANVULLING ________________________________________________________

We kregen enkele reacties op de groepsfoto in het juninummer, waarvoor onze dank. De foto dateert van na 1 april 1949 en voor 1 april 1950. Mevrouw De Boer liet weten dat nummer 70 haar zoon Gerrit is (en niet Geert) en nummer 86 zijn nichtje Alie de Boer. Van Janske van der Sluis, genoemd als nummer 89, kregen we bericht dat zij niet op de foto staat. Zij kwam pas in 1953 in de vijfde klas op deze school. Het is inmiddels bekend dat nummer 89 Lucas Stroeve is.
Deze opmerkingen zijn in de tekst verwerkt.

* * *


DE PLAATS VAN ROLLECATE IN DE ONTWIKKELING VAN HET LANDBOUW- HUISHOUDONDERWIJS I ________________________________________________________

In 2002 promoveerde Margreet van der Burg aan de Wageningen Universiteit. Haar proefschrift Geen tweede boer behandelde landbouwmodernisering en het onderwijs aan plattelandsvrouwen in Nederland, 1863-1968. Het is zeer de moeite van het lezen waard en in de openbare bibliotheek te leen. Verspreid door het boek wordt ook de geschiedenis van de huishoudschool De Rollecate behandeld en de invloed die directrice, lerares en oud-leerlingen hebben uitgeoefend. Voor wie het boek te dik vindt volgt hier een samenvatting over deze op Nieuwleusen betrekking hebbende zaken.

Hoofdstuk 1
VOORGESCHIEDENIS
Het landbouwhuishoudonderwijs in Nederland heeft haar ontstaan te danken aan de vrouwenbeweging. Scholing was in de ogen van de feministen het middel bij uitstek om vooruitgang in arbeidsomstandigheden te verbeteren.
A.M.M. Storm-van der Chijs (1814-1895) speelde daarbij een toonaangevende rol. Vanwege haar pleidooien voor het meisjesvakonderwijs staat zij in de geschiedschrijving als feministe bekend. Ze hield voor landbouwvoormannen, ambtenaren en leden van de koninklijke familie redevoeringen waarin zij voor meer arbeids- en onderwijsmogelijkheden voor vrouwen in de landbouw pleitte.
In 1889 slaagden drie landbouworganisaties erin elk een school met cursussen voor zuivelvakonderwijs voor vrouwen te openen. De grote prijsdaling in de zuivelexport bracht de regering ertoe scholing voor de verbetering van de zuivelproductie te gaan subsidieren. Maar deze opleidingen stopten alweer na 6 jaar omdat men dacht dat de zuivelbereiding op de boerderij een aflopende zaak was en de zuivelfabrieken de toekomstige leveranciers van melkproducten zouden worden.

ROLLECATE
Het duurde bijna een halve eeuw voor het onderwijs voor vrouwen in de landbouw een structurele plek in het onderwijs veroverde. In 1909 startte de rijkslandbouwwinterschool te Veendam met een experimentele cursus landbouwhuishoudonderwijs en zo ontstond de mogelijkheid meer van dergelijke cursussen of scholen op te richten.
Rond die tijd werden er ook verschillende pogingen gedaan om het landbouwhuishoudonderwijs een plaats te geven in bestaande huishoudscholen, maar de vraag bleef wat voor soort onderwijs aan boerendochters moest worden gegeven.
Door specifieke rijkslandbouwhuishoudleraressen op te leiden en aan te stellen zouden er vrouwelijke beroepskrachten op het platteland komen met eenzelfde uitgebreid takenpakket als de rijkslandbouwleraren, later rijkslandbouwconsulenten genoemd.

Het was Theda Mansholt (foto) die de uitdaging aannam om leiding te geven aan de opbouw van de aparte tak van landbouwonderwijs voor vrouwen.
In 1913 kreeg ze de functie van directrice van een nieuwe rijksopleidingsschool en het werd haar taak leraressen op te leiden voor een werkkring onder boerinnen, andere plattelandsvrouwen en hun dochters. (Zie volgende hoofdstuk.)
In 1920 volgde een rooms-katholieke opleidingsschool in Posterholt en in 1931 een protestants-christelijke opleidingsschool in Zetten.
De taak van de leraressen werd: het organiseren en uitvoeren van cursussen, het geven van individuele voorlichting en het houden van lezingen. Ook dienden zij excursies te organiseren, de verenigingen van oud-leerlingen te ondersteunen en verder alles aan te pakken wat de uitvoering van het landbouw- en plattelandsbeleid zou bevorderen.

STRUCTURELE POSITIE
Als maatschappelijke organisaties een cursus of school wilden opstarten, konden ze rijkssubsidie aanvragen. Aan de hand van de aanvragen stelden de Directie Landbouw en de bevoegde minister jaarlijks een budget op dat moest worden verantwoord in de Tweede Kamer. De inspectie gebruikte de subsidies om voorwaarden aan de financiering te stellen.
Deze onderwijspolitiek zorgde ervoor dat het landbouwhuishoudonderwijs al gauw grote regionale en levensbeschouwelijke verschillen vertoonde: de diepgang van het onderwijs, het aantal lessen, het vakkenpakket en de huisvesting verschilden sterk. Dit leidde uiteindelijk naar een uniforme regelgeving, naar voorbeeld van het stadse nijverheidsonderwijs.
Na de tweede wereldoorlog schoten de tweejarige landbouwhuishoudscholen als paddestoelen uit de grond. Ze gingen zich in de loop der jaren huishoudscholen ten plattelande noemen. AFLOOP
Tot 1968 bleef het landbouwhuishoudonderwijs een aparte tak van het nijverheidsonderwijs voor meisjes, maar met de Wet op het Voortgezet Onderwijs, bekend als de Mammoetwet, verdween het landbouwhuishoudonderwijs als aparte onderwijstak en was er alleen sprake van verschillende niveaus van Huishoud- en Nijverheidsonderwijs (HNO).
De opleidingen voor landbouwhuishoudleraressen en de vakgroep Landbouwhuishoudkunde aan de Landbouw Hogeschool te Wageningen werden verbreed tot huishoudkundige opleidingen in het algemeen.
De boerinnenbonden verbreden zich tot plattelandsvrouwenorganisaties en de ondersteuning en directe bemoeienis van de boerenbonden nam sterk af. In de jaren tachtig sloot de Huishoudelijke Voorlichting ten Plattelande haar bureau omdat de overheid haar subsidie stopte. Vrouwen in de landbouw waren geen specifieke doelgroep meer voor voorlichting en opleiding.

wordt vervolgd


* * *


BOEDEL HARM HENDRIKS ALTEVEER III ________________________________________________________

In het maart- en het juninummer hebben we de roerende zaken uit de boedelbeschrijving van Harm Hendriks Alteveer opgenomen. We vervolgen nu met de onroerende zaken die tot de boedel behoren. Deze beschrijving vond ruim een week na die van de roerende zaken plaats. De totale oppervlakte van de eerste 12 percelen was bijna 118 ha. De grootte van de laatste 5 perceeltjes is niet in de akte vermeld.

Op heden den dertienden September achttien honderd negenendertig des namiddags om drie uren zijn wij Meester Coenraad Willem van Dedem, openbaar notaris, residerende te Nieuwleusen en Avereest, voorheen kanton Ommen, arrondissement Deventer thans kanton en arrondisement Zwolle, Provincie Overijssel en in tegenwoordigheid der na te noemene en meede ondergetekende getuigen ingevolge het bepaalde in ons voorenstaand procesverbaal ten verzoeke, in tegenwoordigheid, terplaatse en op aanwijzing als voorschreven, overgegaan tot de continuatie der onderwerpelijke inventarisatie, en maniere als volgt.

22:47 20-4-2020 Vaste goederen
- Numero een. Een huis, schuur en erve met de daarbij gelegen en behoorende landerijen, staande en gelegen in de buurtschap Oosteinde, gemeente Nieuwleusen, bewoond en in gebruik bij Hendrik Alteveer landbouwer te Nieuwleusen voornoemd zijnde belend ten noorden door de vaarts geregtigheid, ten oosten door het erf in gebruik bij en bewoond door Klaas Alteveer, landbouwer te Nieuwleusen, ten zuiden door den Nieuwleusenerdijk en ten westen door de landen van Arend Huizen landbouwer te Nieuwleusen; Kadastraal bekend onder Sectie D Subnummeris 412, 413, 414, 415, 416, 417, 418, 419, 420, 421, 422, 423, 424, 425, 426, 427, 428 en 429, tezamen ter grootte van vierentwintig bunders*, tweeendertig roeden*, zestig ellen*.



- Numero twee. Een huis schuur en erve met de daarbij behoorende landerijen, staande en gelegen als het voorschreven perceel, bewoond en in gebruik bij Klaas Alteveer landbouwer te Nieuwleusen, zijnde belend ten noorden door de vaarts geregtigheid, ten oosten door den Stouwendijk, ten zuiden door den Nieuwleusenerdijk en ten westen door het vorige perceel; Kadastraal bekend onder Sectie D Sub-nummeris 430, 431, 432, 433, 434, 435, 436, 437, 438, 439, 440, 441, 442, 443, 444, 445, 446, 447 en 448; tezamen ter grootte van drieentwintig bunders, eenenveertig roeden en tachtig ellen.

- Numero drie. Een stuk weiland, genaamd de Ruitenlanden gelegen als beide voornoemde perceelen; zijnde hetzelfde belend ten noorden door den Nieuwleusenerdijk, ten oosten door den Stouwendijk, ten zuiden door het Oudleusenerbroek, en ten westen door de landen van Arend Huizen, landbouwer te Nieuwleusen; Kadastraal bekend onder Sectie D Subnummero 449; ter grootte van twaalf bunders, achtentachtig roeden, negentig ellen.

- Numero vier. Een stuk hooiland gelegen in de Veenekampen gemeente Nieuwleusen; zijnde belend ten noorden door de landen van de erven Arend Teunis en mede eigenaren, landbouwer te Nieuwleusen, ten oosten door de Kleine Meele, ten zuiden door de landen van Jan Goos, landbouwer te Oudleusen gemeente Dalfsen en ten westen door de landen van Berend Weijermers, landbouwer te Genne, gemeente Zwollerkarspel (zijnde dit perceel door de vaart en den straatweg doorsneden); Kadastraal bekend onder Sectie A Subnummeris 78 en 78ª, groot inderzelfs geheel twee bunders vierenvijftig roeden, twintig ellen.

- Numero vijf. Een dito stuk hooiland, gelegen in de Ruiten gemeente Nieuwleusen, belend ten noorden door de landen van Harm Hendriks Alteveer en mede eigenaren, ten oosten door den Ruitendwarsweg, ten zuiden door de landen van Klaas Grootenboer en mede eigenaren, landbouwers te Nieuwleusen, en ten westen door de landen van Willem van Marle en mede eigenaren, landbouwers te Genne, gemeente Zwollerkarspel; Kadastraal bekend onder Sectie A Sub nummero 100; groot drie bunders, achtendertig roeden, negentig ellen.

- Numero zes. Een dito stuk hooiland gelegen in de Ruiten voornoemd, belend ten noorden door de landen van Koop Kragt en mede eigenaren, landbouwers te Nieuwleusen, ten oosten door den Ruitendwarsweg, ten zuiden door het laatstvoornoemde stuk en ten westen door de landen van Willem van Marle, landbouwer te Genne, gemeente Zwollerkarspel voornoemd; Kadastraal bekend onder Sectie A Sub-nummero 101; groot drie bunders, zevenendertig roeden, vijftig ellen.

- Numero zeven. Een dito stuk hooiland gelegen als het vorige perceel, belend ten noorden door de landen van Koop Huisman en mede eigenaren landbouwers te Nieuwleusen, ten oosten door den Ruitendwarsweg, ten zuiden door de landen van de weduwe Harm Huisman landbouwersche te Nieuwleusen en ten westen door de landen van Egbert Duitman, landbouwer te Genne, gemeente Zwollerkarspel; Kadastraal bekend onder Sectie A Subnummeris 123, 132 en 139; groot inderzelfs geheel vier bunders, negenenzestig roeden, zestig ellen.

- Numero acht. Een stuk hooiland, gelegen in de Dwarsbroeken gemeente Nieuwleusen; belend ten noorden door de landen van Berend Jan Scholten en mede eigenaren, landbouwers te Nieuwleusen, ten oosten door de Spijkerkamp, ten zuiden door de landen van Albert Olman landbouwer te Oudleusen, gemeente Dalfsen, en ten westen door de Steenwetering; Kadastraal bekend onder Sectie A Subnum-meris 227 en 227ª; groot een bunder, tien roeden, dertig ellen.

- Numero negen. Een huis en erve genaamd het Lubbe of Lamberts met de daarbij behoorende landerijen, bewoond en in gebruik bij Peter Alteveer, landbouwer te Nieuwleusen, staande en gelegen in de buurtschap Ruitenhuizen, gemeente Nieuwleusen, belend ten noorden door de Meele, ten oosten door de landen van de Erven van Willem van Duren’s weduwe, landbouwers te Nieuwleusen, ten zuiden door den Nieuwleusenerdijk, en ten westen door de landen van Gerrit Jan Assies, landbouwer te Nieuwleusen; Kadastraal bekend onder Sectie B Subnummeris 449, 450, 451, 452, 453, 454, 457, 458ª, 459, 460 en 462; ter grootte van zestien bunders, vierentachtig roeden, zeventig ellen.

- Numero tien. Een huis en erve genaamd het Kreulen met de daarbij behoorende landerijen, staande en gelegen in de buurtschap de Ruitenhuizen voornoemd; zijnde hetzelve belend ten noorden en zuiden evenals het laatste perceel, ten oosten door de landen van Jan Kreulen landbouwer te Nieuwleusen, en ten westen door de landen van Harm Kreulen, landbouwer mede te Nieuwleusen woonachtig; Kadastraal bekend onder Sectie B Subnummeris 602, 610, 638, 639, 640, 641, 642, 643, 644, 645, 646 en 647; groot vier bunders, acht roeden, veertig ellen.

- Numero elf. Een stukje gronds genaamd de Veenvlekken, gelegen in de Ruiten, gemeente Nieuwleusen; belend ten noorden door de landen van Jan Kreulen landbouwer te Nieuwleusen, ten oosten door de landen van Frederik Haans landbouwer te Zwollerkarspel, ten zuiden door de landen van de Erven van Hendrik de Valks, landeigenaar te Zwolle, en ten westen door de landen van Arend de Boer en mede eigenaren landbouwers te Nieuwleusen; Kadastraal bekend onder Sectie B Subnummero 594; groot dertien roeden, vijftig ellen.

- Numero twaalf. Een huis, schuur en erve met de daarbij behoorende landerijen, staande en gelegen te Nieuwleusen, bewoond en in gebruik bij Jan Schuurman landbouwer te Nieuwleusen; belend ten noorden door de landen van Geuchien ten Oever, landbouwer te Avereest, ten oosten door de grenslijn tusschen de gemeenten Nieuwleusen en Avereest, ten zuiden door de vaarts geregtigheid, en ten westen door de landen van Arend Huizen landbouwer meergenoemd; Kadastraal bekend onder Sectie E Sub-nummeris 153, 154, 155, 156, 159, 160, 161, 162, 163 en 164; ter grootte van eenentwintig bunders, achttien roeden, negentig ellen.

- Numero dertien. Een stuk veldgronds genaamd de oude kuilen, gelegen in de Varsener Markte, gemeente Ambt Ommen; belend ten noorden door het Huizingerveld, ten oosten door de landen van Klaas en Hendrik Alteveer meergenoemd, ten zuiden door den Koloniedijk en ten westen door den Stouwendijk.

- Numero veertien. Een dito stuk gronds gelegen als voren; belend ten noorden en ten zuiden als de vorige perceelen, ten oosten door de landen van Arend Huizen voornoemd, en ten westen door die van Klaas en Hendrik Alteveer meergenoemd.

- Numero vijftien. Een stuk hooiland genaamd het Engeland, gelegen in de Varsener Markte bovengenoemd; belend ten noorden door den Koloniedijk, ten oosten door de landen van Arend Huizen voornoemd, ten zuiden door de Varsener Woeste en ten westen door den Stouwendijk.

- Numero zestien. Een perceel hooiland en heidegrond, gelegen in de Varsener Woeste, gemeente Ommen (en ten westen door den Stouwen gemeente Ambt Ommen = doorgestreept); belend ten noorden door het vorige perceel, ten oosten door de landen van Gerrit Santing landbouwer te Varsen, gemeente Ambt Ommen, ten zuiden door den Hessenweg, en ten westen door de landen van den heer Helmich landeigenaar te Zwolle.

- En Numero zeventien. Een stukje gronds, gelegen in de Varsener Markte, gemeente Ambt Ommen; belend ten noorden door de Varsener Woeste voornoemd, ten oosten door de landen van Gerrit Grootens landbouwer in de gemeente Ambt Ommen, ten zuiden door den Hessenweg en ten westen door de landen van Jan Brinkman landbouwer mede in de gemeente van het Ambt Ommen woonachtig.

wordt vervolgd


*) Woordenlijst:

bunder = hectare, 10.000 vierkante meter
roede = 1/100 hectare, honderd vierkante meter
el = lengte van de onderarm, 68 cm, maar hier 1 vierkante meter


Jaargang 23 nummer 4 december 2005

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


OMSLAGFOTO: ________________________________________________________

De molen van Massier aan het nog rustige Westeinde. De kap met de assen van de wieken zijn aanwezig, het hekwerk van de wieken is inmiddels verwijderd. De foto is genomen in de tweede helft van de vijftiger jaren van de vorige eeuw.

* * *


NEGEN GENERATIES MOLENAARS MASSIER ________________________________________________________

Ben Kloosterman

Ruim 300 jaar geleden vestigde zich in Amsterdam de koopmansfamilie Massier. Zij kwamen uit Frankrijk, vanwaar ze omstreeks 1670 als Hugenoten waren gevlucht vanwege de vervolging onder Koning Lodewijk XIV. Na 1700 verhuisde één van de nakomelingen, Peter Massier, paardenkoopman van beroep, naar het Overijsselse stadje Ommen en daar, of in Amsterdam, dat is niet helemaal duidelijk, werd in 1715 zoon Jan geboren. Ook hij werd paardenkoopman en kreeg in 1741 een zoon Peter en dat werd de eerste molenaarsgeneratie Massier. Nu, bijna 250 jaar later, is er nog steeds een molenaar Massier, de negende generatie. Er is alleen, sinds het midden van de jaren vijftig, geen maalvaardige molen meer. Maar dat gaat veranderen. De molen van Massier - in Nieuwleusen, gemeente Dalfsen - wordt weer maalvaardig gerestaureerd!

De in 1715 geboren Jan Massier, trouwde in 1740 in Ommen met Derkien Bos. Uit dit huwelijk werd op 5 december 1741 de in de aanhef genoemde zoon Peter geboren, vernoemd naar zijn in Amsterdam geboren opa. Hij was aanvankelijk ook paardenkoper van beroep, ook na zijn huwelijk met Wubbechien Jans uit Ommen, die kort na de geboorte van hun zoon Jan (op 27 mei 1765) overleed. Peter Massier hertrouwde op 23 augustus 1767 met Egberdina Cost uit het Ommer kerkdorp Vilsteren en uit dit huwelijk werden nog eens 7 kinderen geboren, waaronder (de latere molenaar) Hendrik. Vader Peter Massier was toen al een paar keer verhuisd. In 1773, na de geboorte van het derde kind, ging hij in Avereest (Dedemsvaart) wonen en vrijwel zeker is hij daar toen als molenaarsknecht gaan werken. Bij de geboorte van Hendrik in 1781 woonde hij in Dalen, mogelijk ook als molenaarsknecht. Vast staat in elk geval, dat hij omstreeks 1786 molenaar was in Koekange. Niet bekend is of hij toen huurder of eigenaar was.

Naar Meppel
Onze stamboom gaat verder met de in 1765 geboren Jan Massier uit het eerste huwelijk. Hij trouwde op 2 mei 1792 te Meppel met Jentien Bakker en werd molenaar op de Kinkhorstermolen. Uit dit huwelijk werden 5 kinderen geboren, waarvan er twee, Lucas, geboren 13 januari 1799, en Peter, geboren 1 januari 1801, ook molenaar werden.
(Ook de halfbroer van Jan, de hiervoor al genoemde Hendrik Massier, was later molenaar in Meppel. Hij trouwde op 10 januari 1808 te Meppel met Hendrikje Worst. Hij wordt dan vermeld als grutter en molenaar en ze woonden op de Eekmolen bij Meppel. Hij werd later opgevolgd door zijn zoon Hendrik die geen opvolger had.)

'Verre van gemakkelijk'
De twee zoons van Jan Massier, Lucas en Peter, werden ook molenaar op de Kinkhorstermolen en zetten later het bedrijf voort en vormden dus de derde generatie. Blijkens een artikel van de bekende Meppeler molendeskundige A. Bicker Caarten in de Nieuwe Drentse Volksalmanak van 1968, hadden de gebroeders Lucas en Peter Massier, alsmede hun collega's van de Veenemolen in Meppel, het in het jaar 1828 'verre van gemakkelijk'. Het maalgeld was te laag om van rond te komen en ze vroegen het stadsbestuur dit maalloon te mogen verhogen, met verwijzing naar de tarieven in o.a. Zwolle en Steenwijk. 'Tevoren', zo schreven zij, 'werd er van hier eene aanmerkelijke hoeveelheid ponden brood naar Amsterdam verzonden, waaruit voortvloeide dat beide molens wekelijks twee lasten rogge moesten malen.' Ze merkten bovendien op, dat tevoren voor negen branderijen graan gemalen werd en nu nog voor slechts één, en het aantal bierbrouwerijen was van zeven naar drie verminderd, waardoor de verdiensten aanmerkelijk lager waren. Desondanks bleven ze nog jaren malen op de Kinkhorstermolen.

Naar Nieuwleusen
Een vierde molenaarsgeneratie Massier had zich inmiddels aangediend, namelijk Jan, een zoon van Lucas, geboren op 2 april 1821. Hij werd ook molenaar op de Kinkhorstermolen en trouwde op 26 februari 1845 met Femmigje Kluin uit Meppel. In 1848 hield hij de Kinkhorstermolen voor gezien en vertrok naar Nieuwleusen, waar hij aan het Molenpad, een zijweg van de Ommerdijk (thans Backxlaan), een beltmolen had laten bouwen. De Kinkhorstermolen werd overgenomen door Jan Karsten, die de molen op 24 september 1855 in vlammen zag opgaan.
Toen Jan Massier zich in 1848 als molenaar in Nieuwleusen vestigde, had hij inmiddels twee kinderen, waaronder zijn latere opvolger Gerrit, de eerstgeborene in Meppel op 21 juli 1845. In Nieuwleusen werd het gezin op 25 januari 1850 uitgebreid met een derde kind, Lucas. Ruim een jaar daarna kwam dit kind echter door een tragisch ongeval om het leven. Op 15 juni 1852 was het kind op de molenbelt geklommen waar het een klap van een wiek kreeg en aan de verwondingen overleed.
De eerstgeborene Gerrit trouwde op 30 mei 1867 met Margje Katoele uit Nieuwleusen en na het overlijden van zijn vader op 25 maart 1875, zette hij de zaak voort als vijfde generatie Massier. Ze kregen tien kinderen en daar waren weer drie molenaars bij, Jan, Gerrit en Wolter.

Publieke verkoop molen De Graaf
Jan (foto), de oudste zoon van Gerrit Massier, ging, nadat hij op de ouderlijke molen het vak had geleerd, aanvankelijk als molenaarsknecht aan de slag op de molen van zijn voorouders in Koekange en zou uiteindelijk de zesde molenaarsgeneratie Massier gaan vormen. Hij trouwde op 30 april 1892 met Aaltje Bijker uit Nieuwleusen en in 1893 kwam hij onverwacht terug naar Nieuwleusen. Bij een publieke verkoop kwam hij namelijk in het bezit van de in 1861 door Willem Hendrik de Graaf gebouwde koren- en pelmolen, staande aan de Veldweg/hoek Westeinde, net onder de gemeente Dalfsen. Het betrof een gerechtelijke verkoop omdat De Graaf in financiële moeilijkheden was geraakt. De verkoop vond plaats op 29 maart 1893 in opdracht van Antonie van Senden, controleur in Nederlands-Indië, als eerste hypothecaire schuldeiser. De hypotheek was afgesloten op 7 maart 1873. De molen werd bij de eerste veiling op 15 maart 1893 ingezet op ƒ 4000,= door Berend Jan van den Berg, molenaar te Nieuwleusen. Bij de eindveiling op 29 maart ging het bieden tussen Jan Massier en molenmaker Hermanus Schiller uit Dalfsen.

(Schiller stond in Dalfsen bekend als hypotheekverstrekker en opkoper van onroerend goed, m.n. landerijen). Zij joegen elkaar in maar liefst 27 biedingen van 25, 50 en 100 gulden, op tot een bedrag van 5650 gulden door Jan Massier, die daarmee eigenaar werd van de molen.

De molen omstreeks 1920 naar een schilderij van Jan Masselink.

Een nieuwe molen!
Maar nu deed zich iets merkwaardigs voor. De bouwer van de molen, Willem Hendrik de Graaf, overleed op 14 oktober daaropvolgend en kort daarna vroeg de weduwe De Graaf-Bouwman een vergunning aan voor de bouw van een nieuwe molen op amper 300 meter ten westen van hun oude molen. Zij zal dat ongetwijfeld gedaan hebben voor haar zoon Hendrik, die ook molenaar was, en voor de molenaarsknecht Hendrik Stolte, een halfbroer van haar man Willem Hendrik de Graaf. (Ter verduidelijking: Willem Hendrik de Graaf was een voorkind van Cornelia de Graaf uit Dalfsen. Ze trouwde in 1835, haar zoon was toen 5 jaar, met Barteld Stolte en uit dit huwelijk werd in 1843 zoon Hendrik geboren, dus een halfbroer van Willem Hendrik de Graaf die bij de geboorte de naam van zijn moeder had gekregen). Tegen de bouw van de molen werd protest aangetekend door Jan Massier omdat volgens hem de aanwezigheid van één molen voldoende was. Maar zonder succes. In 1894 werd de (belt)molen in gebruik genomen. Acht jaar hielden ze het vol. In november 1902 werd ook deze molen publiek verkocht, blijkens een bericht in 'de Molenaar' van 3 november 1902, dat luidde: 'De windkorenmolen in het Dalfserveld aan de Nieuwleusenerstraatweg is maandag, ten overstaan van notaris A. van Scherpenzeel te Nieuwleusen, publiek verkocht voor ƒ 2205,= aan Ties Ottens te IJhorst, gemeente Staphorst.' Otten heeft via een advertentie in de daaropvolgende 'Molenaar' nog geprobeerd de molen te verhuren, maar blijkbaar zonder succes, want in 1903 kocht Gerrit Massier, de broer van Jan, de molen. Hij liet de molen afbreken en herbouwen op de Lichtmis bij Rouveen, waar hij enige jaren molenaar is geweest. De plek waarop de molen in Nieuwleusen heeft gestaan heet nog steeds het ‘meulenbeltie'. Hendrik Stolte trad later in dienst bij de coöperatie Nieuwleusen en scherpte de stenen bij Massier.
De derde en jongste van de drie broers, Wolter, was intussen molenaar op de ouderlijke molen aan het Molenpad. Hij werd daar terzijde gestaan door zijn moeder en zijn oma, want zijn vader, Gerrit Massier, was op 15 juli 1901 overleden. In 1917 hield Wolter het molenaarsvak en de molen voor gezien. In januari van dat jaar verkocht hij namelijk de molen aan de concurrent: de Coöperatieve Landbouw Vereniging Nieuwleusen. Zelf ging hij... rentenieren, met als hobby taxichauffeur. Medio 1930 besloot de CLV Nieuwleusen de molen af te breken om plaats te maken voor een groot pakhuis. De Vereniging De Hollandsche Molen heeft toen nog verwoede pogingen gedaan de molen te behouden, maar zonder succes.

Zevende generatie
Keren we terug naar Jan Massier op de molen aan de Veldweg.


Daar waren inmiddels zes kinderen geboren, waaronder Wolter, op 9 augustus 1905, die de zevende molenaarsgeneratie Massier zou gaan vormen. Maar dat had nog wel wat voeten in de aarde! Wolter kwam aanvankelijk op de molen van zijn vader en trouwde op 11 februari 1926 met Willempje Waanders uit Nieuwleusen. Op 30 oktober 1927 werd hun dochter Jenny Alida geboren en Wolter vond het toen zo langzamerhand tijd worden de zaak van zijn vader over te nemen. Maar die voelde daar nog niets voor. De onenigheid liep zo hoog op, dat Wolter in 1930 besloot de ouderlijke woning en molen te verlaten om molenaarsknecht te worden bij de Coöperatie in Rande, een buurtschap ten westen van de gemeente Diepenveen. In Diepenveen werd op 26 juli 1932 hun zoon Jan geboren. In 1933 werd de onenigheid tussen vader en zoon plotseling bijgelegd en keerde Wolter terug naar de molen van zijn vader in Dalfsen/Nieuwleusen en nam de zaak over.

Molen ontwiekt
Wolter Massier kreeg na een aantal jaren hulp van zijn in Diepenveen geboren zoon Jan, de achtste molenaarsgeneratie Massier. Jan trouwde op 19 maart 1953 met Janna Brouwer uit Nieuwleusen. In het jaar daarop ging er echter veel veranderen ten koste van de molen. Die bleek toe te zijn aan een grote restauratie en er moesten silo's komen. Molenmaker Bisschop uit Dalfsen maakte daarvoor een begroting, maar het kwam niet tot een restauratie. Integendeel, Wolter Massier en zijn zoon Jan besloten in 1956 de molen voor een deel te onttakelen, hetgeen in de daaropvolgende jaren gebeurde. De stelling werd gesloopt en de kap verwijderd, het achtkant kreeg een nieuwe rietbedekking en in de molen werden silo's gebouwd. In mei 1962 volgde zelfs een aanvraag bij de gemeente Dalfsen voor een gedeeltelijke sloop van de molen. De gemeente trachtte nog de molen te behouden, maar tevergeefs: er volgde een verdere onttakeling, maar de molenromp bleef gelukkig overeind en waar een romp is, is hoop, zo zal ongetwijfeld ook hier blijken!
Onder Jan, die in 1974 na het overlijden van zijn vader, de zaak voortzette, daarbij tot 1993 administratief terzijde gestaan door zijn zuster Jenny, veranderde er nog meer. Het molenaarsbedrijf groeide uit tot een modern veevoederbedrijf met tevens handel in kunstmeststoffen. Daarnaast was er toch nog altijd de liefde voor de molen, een molen die er steeds troostelozer uit ging zien. Medio negentiger jaren werd zelfs het plan opgevat de molen weer in maalvaardige staat te restaureren, een wens waar ook de nieuwe, negende, generatie in de persoon van Jan Adriaan (André) Massier, zich volledig in kon vinden. André, de jongste van de vijf kinderen en geboren op 15 maart 1970, was inmiddels in het bedrijf werkzaam en was zelfs al een cursus voor vrijwillig molenaar gaan volgen op de Westermolen in Dalfsen. Hij heeft inmiddels het bedrijf van zijn vader overgenomen en uitgebreid met een winkel in kleindiervoeders en agrarische benodigdheden.

Restauratieplan De restauratiepogingen liepen tien jaar geleden echter op niets uit omdat de financiering niet rond was te krijgen. Nu staan de zaken er aanmerkelijk gunstiger voor. Er ligt een restauratieplan klaar, maar het wachten is op de toekenning van de toegezegde rijksgelden. De restauratie is begroot op rond 600.000 euro en molenmaker Dijkstra uit het Friese Slooten zal dit omvangrijke karwei gaan uitvoeren. Er staat ook al een vrijwillig molenaar klaar: Marten de Jong, oud-wethouder van de gemeente Nieuwleusen. Hij volgt al geruime tijd een opleiding voor vrijwillig molenaar op de Westermolen in Dalfsen en het is de bedoeling dat hij straks de molen laat draaien en er mee gaat malen. Hij is tevens voorzitter van de Stichting Molen Massier, waarin ook André en zijn broer Wim, namens de familie Massier, zitting hebben.

Bronnen:

-

-
-
-

‘Het geslacht Massier - Mansier'. Stamboomonderzoek
Hendrik Jan Mansier te Ruinen
Mededelingen Jenny Massier
Historisch Centrum Overijssel
Eigen molenarchief (Kloosterman)

(Dit artikel verscheen eerder in Molens, kwartaalblad van Vereniging De Hollandsche Molens, nummer 78 mei 2005. De auteur gaf ons graag toestemming voor opname in ons blad. Red.)

* * *


ODE AAN DE TRAM ________________________________________________________

Klazien Bijker-van Hulst

Wi’j zult oe nooit vergeten,
o beste boemeltram.
Veur alle soorten vrachies

kwaam ie in vuur en vlam.
Met zuchten en met piepen,
zo stoaregies op gaank,
saam met de zwatte machinist
een pronkstuk joarenlaank.

Zo kwaam ie wel tut Lutten,
of tut Ni’j-Amsterdam
en wi’j gungen op vri’jdag
nor Zwolle met de tram.


Hoe zuver klunk oen fluite,
hoe ritmisch oen cadans.
Wat naam ie fraai de bochten
en alles in balans.

Altied? Wi’j wilt niet klikken,
maar a’k mi’j niet vergis…
doar an de Rollecoate,
doar gonk ’t nog wel ies mis.

Ie hebt ’t gebied ontsleuten,
ontwikkeling ebracht.
De wereld wurden groter
Tut heil van ’t noageslacht.

’t Was feest met oe te reizen,
maar toen kwaamp grote zus:
toen gonge wi’j bi’j bossies
nor Zwolle met de bus.

Hoe trouw waai an oe plichten,
ach… nou bi’j monument.
Bedankt, bedankt, oes pettien of,
an alles komp een end.

Toch zie’k, as in de toekomst
’t verkeer totaal ontspoort,
’t kanaal weer lös en ’t trammegien
weer boemeln langs de voart.


* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

De groepsfoto van deze keer is er een van het meisjeszangkoor “De Zonnestraaltjes”. De foto dateert uit omstreeks 1940/41. Dirigent was meester Oldenbeuving van de christelijke lagere school op De Meele.

FotoR022=HN009 Beeldbank: 06057



1  

2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  

..... Oldenbeuving, dirigent (onderwijzer)
Henny Wildvank
Tiny Holthuis
Gerda van Duren
Jennie Boesenkool
Mies van Giesel
Aaltje Reuvers
Jannie Beumer
Janna Bruggeman
Grietje van Boven
Hilligje Prins
Aaltje Brasjen
Johanna Jonkman

14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  

Jentje Alteveer
Jentje Schuurman
Aaltje Schoemaker
Janna Meulenbelt
Fransina Masselink
Eefje Bouwman
Jentje Blik
Dina Bruggeman
Aaltje Kuiers
Mina van den Berg
Hennie de Jonge
Hillie van Giesel
Annie Hoek
Geertje Boesenkool

28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  

Hendrikje Brasjen
Gerrie van Eldik
Dina Boesenkool
Sjanie Hoek
Hennie Katoele
Geertje van Ankum
Hennie Mijnheer
Klaasje Bijker
Rika Pessink
Klaasje Konterman
Dina Emmink
Stientje Beltman
Aaltje Bruggeman

* * *


OUDE VERENIGINGEN ________________________________________________________

In Nieuwleusen en Den Hulst zijn in de loop der jaren veel verenigingen opgericht die nu al dan niet meer bestaan. In de Meppeler Courant van maart 1940 vonden we verslagen van een toneelvereniging en twee zangverenigingen. Deze verslagen volgen hierna. Als historische vereniging zijn we natuurlijk altijd geïnteresseerd over het hoe en wat van verenigingen of andere groeperingen van de Nieuwleusense bevolking. Helaas is er weinig van dit materiaal in ons archief aanwezig. We zijn zeer benieuwd of er nog archiefmateriaal, bijvoorbeeld notulen, verslagen, foto’s of anderszins, van verenigingen bewaard is gebleven. Misschien ligt het nu ergens in een la en doet niemand er iets mee. Onze vereniging heeft in museum Palthehof een goede plaats om al dat materiaal voor de toekomst te bewaren.

Zangkoor De Zonnestraaltjes

Uit: Meppeler Courant 05-03-1940

Het pas opgerichte zangkoortje ,,De Zonnestraaltjes", (leider de heer Oldenbeuving, hoofd Chr. school te de Meele), kwam Woensdagavond voor het eerst voor het voetlicht. We hebben mogen constateeren, dat de eerste kennismaking met dit koortje een goede is geweest; jammer is het echter o.i., dat er alleen maar meisjesleden zijn. We hadden liever gezien, dat er ook een flink aantal jongensleden bij was. Wat niet is, kan evenwel nog komen.
De leiding berustte voor de pauze bij candidaat Prins, nadien bij ds. G. Moen. Na de gebruikelijke opening kwamen de afgevaardigden van J.V., M.V. enz., hun gelukwenschen bij dit eerste optreden aanbieden. Uit de verslagen bleek, dat er momenteel 42 leden, allen meisjes, zijn. Opwekking tot deelname van jongens werd gedaan.
Hierna was het woord aan de leden. Eenige keurig uitgevoerde zangnummers werden ten beste gegeven. Vooral de liederen ”Ga mij niet voorbij, o Heiland" en ,,Vlied naar 't Kruis", werden voortreffelijk uitgevoerd. Men kon zien en hooren, dat de heer Oldenbeuving zeer zeker voor zijn taak als leider berekend is.
Mevr. Moen en de heer Oldenbeuving droegen een zeer mooi duet voor. Ook de diverse samenspraken der leden en de voordrachten waarmede de avond werd gevuld, waren af. De voordracht van Annie Hoek, “Een dure les”, viel bijzonder in de smaak. Ook “De kleine man" werd goed vertolkt. Een naamraadspel met als prijzen stukjes chocolade, was een aardige afwisseling.
Het slotwoord werd gesproken door ds. Moen. De avond werd besloten met het zingen van de Avondzang.

Zangvereniging Zanglust

Uit: Meppeler Courant 05-03-1940

In hotel Nijmeijer had de ledenvergadering plaats van de gemengde zangvereeniging ,,Zanglust”. De leiding berustte bij den voorzitter, den heer G. Brink, die in zijn openingswoord memoreerde, dat vijf leden zijn gemobiliseerd, waardoor de heerenpartijen geweldig zijn verzwakt. Tevens wees hij er de leden op, dat sedert de uitvoering het bezoek aan de repetities wel wat te wenschen overlaat, tevens dat door de ziekte van de heer Klinge, den directeur, het vereenigingsleven niet zoo erg florissant is geweest de laatste tijd. Dit laatste bleek ook uit de jaarverslagen van den secretaris, den heer J.P. Ilmer en den penningmeester den heer H. van der Sluis, die beiden een pessimistisch geluid deden hooren.
De aftredende bestuursleden, de heeren J. Ph. Ilmer en H. van der Sluis, werden herkozen, terwijl in de plaats van mej. Ilmer - Hagedoorn tot bestuurslid werd benoemd mej. Beekman. Besloten werd tegen die leden, die zonder geldige reden de repetities niet bijwonen, met gestrengheid op te treden.

Toneelvereniging ADVENDO

Uit: Meppeler Courant 15-03-1940

Hoe gezien de tooneelvereeniging “Advendo” hier wordt was Woensdagavond weer eens op overtuigende wijze merkbaar. Zooals reeds jaren de gewoonte is, geeft deze vereniging steeds op Dankdag- en daarna op Biddagavond in het hotel Nijmeijer een uitvoering. Zoo ook nu weer.
De zaal van Nijmeijer was vrijwel te klein om allen te herbergen. Na een kort, maar hartelijk welkomstwoord van den voorzitter, den heer A. van Spijker, werd opgevoerd allereerst een dramatische schets, “Levensdwang”, een stuk tragedie, dat zich afspeelde in een arbeidersgezin, waarvan de dochter liefde opvatte voor den zoon van den patroon. Deze liefde werd ook op overtuigende wijze beantwoord, maar de vader wilde zijn toestemming niet geven en wilde nu door zijn geld trachten de vader van het meisje te bewegen, de beide jongelui van elkander te doen afzien. Na de weigering maakte hij zijn arbeider werkloos, maar zijn zoon hield stand, zoodat, niettegenstaande de groote tegenstellingen, de twee toch bij elkaar kwamen. Overtuigend speelde de heer G. Bovenhoff de rol van arbeider-vader, terwijl de heer B. Huisman zijn rol als zoon van den fabrikant zoo mooi speelde, dat de zaal aan zijn lippen hing. De fabrikant zelf, in dit geval de heer A. van Spijker, wist zijn rol ook goed te vertolken.
Na deze schets werd opgevoerd een klucht in één bedrijf, “Alles op afbetaling”. Hieruit bleek, dat men tegenwoordig alles op afbetaling kan krijgen, maar toch zóóveel kan koopen, dat men te langen leste niet meer weet hoe te betalen. De heer Masseling en mej. M. Arts speelden, zooals van hen verwacht werd, keurig.
Na de pauze kwam de “Weddenschap”, ook een klucht met rake zetten. De heeren Masseling en G. Bovenhoff, alsook mej. Mijnheer-Dozeman, brachten de lachspieren danig in beweging.
We hebben eenige leden medespelers(sters) bij name genoemd, maar zullen daarmee aan het spel van de anderen geen afbreuk doen. Ze hebben allen hun uiterste best gedaan en eruit gehaald wat erin zat. De leiding berustte weer bij den heer J. Klinge, terwijl de grime schitterend werd verzorgd door den heer Blok alhier.
De muziek, onder leiding van den heer Max Levie uit Meppel, was gedurende de pauzes mooi, terwijl ze er tijdens het bal, onder leiding van den heer Frank uit Meppel, de stemming tot laat in de nacht wist in te houden.
Het was een mooie avond. “Advendo” heeft er weer eer mede ingelegd. Vermelden we ten slotte nog, dat verschillende oud-leden hun medewerking hebben verleend.

* * *


10-JARIG JUBILEUMFEEST U.S.V. ________________________________________________________

Uit: Meppeler Courant 09-02-1940

DEN HULST. Zooals we reeds eerder vertelden, was het de vorige maand tien jaar geleden, dat alhier werd opgericht de Union sportvereeniging U.S.V. Dit feit nu werd dezer dagen in een feestelijke vergadering herdacht. De zaal van hotel Nijmeijer was geheel met vrienden van U.S.V. bezet, toen de heer G. Sudhölter, voorzitter, een beknopt historisch overzicht gaf van het wel en wee van U.S.V. in de afgeloopen tien jaar. Hij herdacht de trouwe clubvrienden, die thans “ergens in ons Vaderland” hun plichten tegenover hun land vervullen en wijdde eenige hartelijke woorden aan den secretaris-competitieleider van de N.C.V.B., den heer Hulsebos, die nog nooit op een feestavond van U.S.V. heeft ontbroken, doch die thans wegens langdurige ziekte niet aanwezig kon zijn. Het vertrek van Dr. van Ravenswaay uit onze gemeente was een zeer zware slag voor U.S.V. Door diens toedoen ging het de vereeniging steeds beter. Veel dank was ze eveneens verschuldigd aan de heeren commissarissen, de heeren J. van den Berg en E. Sudhölter. Deze staan steeds in de bres als er belangen van U.S.V. op het spel staan. Spreker wees er voorts op, hoe onder bekwame leiding van den heer Ir. B. J. van den Berg B.J.zn., de vereeniging een tijd van groote bloei heeft medegemaakt, waarin ook de heer M. Blok zeker een belangrijk aandeel heeft gehad. Noode heeft men beide heeren uit het bestuur zien vertrekken. Als blijk van hooge erkentelijkheid zijn deze heeren tot eereleden benoemd. Nog steeds mag men op hun steun rekenen. Als stille weldoenster van U.S.V. werd de familie Nijmeijer dank gebracht. Hoe moeilijk de tijden geweest zijn, moge blijken uit het feit, dat in April 1939 een vergadering is uitgeschreven, met als eenigste agendapunt “Voortbestaan der vereeniging”. Thans echter wordt er met animo en energie gespeeld en is het clubverband weer prima in orde. Nieuwe leden zijn toegetreden en U.S.V. kan met vertrouwen de toekomst tegemoet gaan. Spreker heette allen hartelijk welkom en wenschte hun een prettige avond.


Een foto van USV2 uit de beginjaren. De namen zijn niet bekend.


1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  

H.... Schuurman
J.... Kijk in de Vegte
H.... van den Berg
Gerrit ter Horst
Peter Bouwman
Leendert Massier
Andries Mijnheer ("Krijt", tijdelijk scheidsrechter USV2)

8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  

Bertus (Albertus Johannes) Goselink
H.... Brinkman
H.... van Wilpe
Klaas ter Horst
Derk Jan Massier
Cees Stolte (Samorra)
Reint Stolte

Hierna betrad de heer J. van den Berg het podium en sprak namens alle aanwezigen een woord tot de jubileerende vereeniging; hij feliciteerde haar hartelijk en sprak de hoop uit, dat dit jubileum voor de leden een spoorslag zou mogen zijn op de ingeslagen weg voort te gaan en nog vele sportieve lauweren te oogsten. Een driewerf hoera voor U.S.V was het besluit.
Na afhandeling van dit meer officieele gedeelte, was het woord aan het Noord Ned. Tooneelgezelschap uit Groningen, dat onder leiding van den heer T. Hart opvoerde “De getemde schoonmoeder”, een blijspel in drie bedrijven, gevolgd door een klucht: “Een man die niet van kussen houdt", in één bedrijf. Hoewel de spelers hun uiterste best hebben gedaan, gelooven we toch niet, dat deze beide stukken zoo in de smaak zijn gevallen, als we dat van dit gezelschap gewoon zijn. In de pauze vergastte ons de soubrette Emmij Couer op eenige aardige cabaretliedjes.
Het muzikale gedeelte werd door het tooneelgezelschap goed verzorgd. Een echt U.S.V.-bal, onder leiding van den heer Frank uit Meppel, was het slot van de mooie feestelijke herdenking van U.S.V.'s tienjarig bestaan.

* * *


BOEDEL HARM HENDRIKS ALTEVEER SLOT ________________________________________________________

Nadat we in het maart- en het juninummer de roerende zaken uit de boedelbeschrijving van Harm Hendriks Alteveer hebben opgenomen, volgde in het septembernummer het deel met de onroerende zaken. Hieronder volgt het tweede deel van de akte van 13 september 1839 en daarmee het slot van de boedelbeschrijving. Harm Hendriks Alteveer, overleden op 22 augustus 1839 op het Oosteinde te Nieuwleusen.

De vorenstaande vaste goederen alzoo beschreven zijnde zijn wij overgegaan tot de continuatie der beschrijving van de papieren.

Eene onderhandsche acte in dato den vierentwintigsten February achttien honderd zesentwintig, geregistreerd Ommen den zevenentwintigsten February 1800 zesentwintig deel vijf folio vierenvijftig recto vak een. Ontvangen ƒ 400,= a 4% ƒ 16,= verhoogd: ƒ 4,16 ƒ 20,16 voor alle regten twintig gulden zestien cents. De ontvanger (getekend) Van den Heuvel. – houdende aankoop van een halve waar (aandeel) in de Markte van Versen. Wij hebben dit stuk gequoteerd en geparapheerd en geïnventariseerd Subnummero twaalf.

Eene onderhandsche acte in dato den veertienden November achttien honderd zesentwintig.- Dubbel geregistreerd te Ommen den veertienden December achttien honderd zesentwintig deel zes folio vier verso vak zeven. Ontvangen vier gulden tweeenvijftig cents opcenten tweeenvijftig cents, fijn decaat , ontvangen op de minuut* vijf gulden vier cents.- De ontvanger (getekend) Van den Heuvel, houdende aankoop van een half waardeel in de Markte van Varsen. Wij hebben dit stuk gecoteerd en geparapheerd en geïnventariseerd Subnummero dertien.

Eene onderhandsche acte in dato den veertienden November achttien honderd zesentwintig dubbel geregistreerd Ommen den veertienden December achttien honderd zesentwintig deel zes folio vier verso vak vier ontvangen op de minuut vijf gulden vier cent. De ontvangen (getekend) van den Heuvel. Houdende aankoop van een half waardeel in de Markte van Versen. - Wij hebben dit stuk gecoteerd en geparapheerd en geïnventariseerd Subnummero veertien.

De expeditie eener acte op den vijfden December achttien honderd zevenentwintig voor Johannes Amama Chevallerau notaris residerende te Ommen en getuigen gepasseerd, behoorlijk geregistreerd, houdende veiling van eenige gronden in de Markte van Varsen. Wij hebben dit stuk gecoteerd en geparapheerd en geïnventariseerd Subnummero vijftien.

Eene onderhandsche acte geschreven op behoorlijk zegel in dato den achtentwintigsten Mei achttien honderd drieentwintig.- Wij hebben dit stuk gequoteerd en geparapheerd en geïnventariseerd Subnummero zestien.

Eene onderhandsche acte in dato den dertigsten Augustus zeventien honderd negenennegentig houdende aankoop van het erve Alteveer te Nieuwleusen.- Wij hebben dit stuk gequoteerd en geparapheerd en geïnventariseerd Subnummero zeventien.

Een acte van aandeel in de onderlinge Brandwaarborg Maatschappij onder directie van den heer R.J. van Sonsbeek te Zwolle in dato den eersten July achttien honderd en dertig. Wij hebben dit stuk geschreven op behoorlijk zegel gecoteerd en geparapheerd en geïnventariseerd Subnummero achttien.

Een acte van aandeel in de onderlinge Brandwaarborg Maatschappij onder directie van den heer De Jong en Compagnie te Amsterdam in dato den vijfden October achttien honderd achtendertig. Wij hebben dit stuk geschreven op behoorlijk zegel gecoteerd en geparapheerd en geïnventariseerd Subnummero negentien. Een expeditie van het testament van wijlen Harm Hendriks Alteveer op den negenden July jongstleden voor ons notaris en getuigen geparapheerd behoorlijk na doode geregistreerd. Wij hebben dit stuk gecoteerd en geparapheerd en geïnventariseerd Subnummero twintig.

Sustenuen*
De requirant*) Hendrik Alteveer heeft verzogt op dezen inventaris te vermelden dat hij bij het leven van zijn vader, van zijne ouders heeft aangekogt de halve inboedel en verders de halfscheid van de geheele boerderij, levendige have, en zaadgewassen, en andere te veld staande vrugten, voor de somma van een duizend guldens en dat deze kooppenningen door hem aan zijne ouders zijn voldaan.
Waaromtrent de overige requiranten verklaarden hunne regten te willen openhouden en te willen blijven ongepraejudicieerd*.
Voorts heeft de requirant Fijke Bloemendaal Wubbenhorst verzogt in zijne opgenoemde hoedanigheid.- op dezen inventaris te vermelden dat de requiranten Klaas Alteveer en Hendrik Alteveer ieder eene somma geld uit de boedel hebben genoten ter betaling van hunne remplacenten, en dat zij verpligt zijn deze gelden wederom in den boedel in te brengen.- Omtrent welk sustenu de requiranten Klaas Alteveer en Hendrik Alteveer hebben verklaard ook te willen blijven ongepraejudicieerd hunne regten.
Voorts hebben de requiranten Hendrik Alteveer en Klaas Alteveer nog verzogt op dezen inventaris te vermelden dat Jan Schuurman eene aanzienlijke som wegens huur in de boedel zoude verschuldigd zijn.- en dat Peter Alteveer voor een uitzet uit den boedel heeft genoten ongeveer drie honderd gulden.- Omtrent welke sustenuen de requirant Peter Alteveer en Fijke Bloemendaal Wubbenhorst namens Jan Schuurman hebben verklaard mogelijk te willen ongepraejudicieerden niet te willen gerekend worden door het teekenen van dezen inventaris dit te erkennen.
Eindelijk heeft Fijke Bloemendaal Wubbenhorst noch gesubgereerd* dat Hendrik Alteveer en Klaas Alteveer nog eenige jaaren huur aan den boedel verschuldigd zijn van de door hun in huur bezeten goederen.- Waaromtrent Hendrik Alteveer en Klaas Alteveer almede verlangen te blijven ongepraejudicieerd en in hun volle regt.
Tenslotte hebben de requiranten allen verklaard dat zij over alle de hierboven vermelde of noch nader op te komene sustenuen te willen blijven ongepraejudicieerd en voorts door dezen inventaris niet te willen zijn verkort in hunne wederkerige regten maar te willen blijven in hun geheel en onverkort.

Tot hiertoe gevorderd zijn er voor geene der partijen eenige verdere aanmerkingen gemaakt waarom wij zijn overgegaan tot het sluiten van dezen inventaris en zulks nadat door de requiranten Hilligje Peters, en Hendrik Alteveer benevens zijne huisvrouw Klaasje Bouman als bewoners van het sterfhuis waarin zich de goederen bevinden en Koop van der Woude veldwagter te Nieuwleusen als gestelden bewaarder bij de verzegeling des boedels, ieder afzonderlijk in handen van den heer kantonsregter den eed hadden afgelegd ter bevestiging daarvan, dat zij niets hadden verdonkerd of verborgen noch wisten dat zulks door anderen was geschied, en wel door het opsteken van de beide voorste vingers der regter hand en te zeggen Alzo waarlijk helpe mij God Almagtig!
Zijnde voorts de inventariseerde objecten voortdurend gebleven onder het beheer en de bewaring van de requirante Hilligje Peters weduwe Harm Hendriks Alteveer, die zulks erkend en beloofd heeft daarvan uitkering en aanwijzing te doen dan en wanneer zulks zal behoren.
Tot al hetwelke wij hebben gevaceerd tot heden avond zes uur.
Van al hetwelke wij dit procesverbaal hebben opgemaakt op tijd en plaats voorschreven in tegenwoordigheid van Rutger Snel landbouwer te Nieuwleusen, en Johannes van den Bosch daghuurder mede te Nieuwleusen woonachtig als te dezen verzogte en bevoegde getuigen dewelke, nadat de requirante Hilligje Peters verklaarde de kunst van schrijven niet te verstaan en daarom niet te kunnen teekenen, met de requiranten den heer kantonregter en griffier benevens ons notaris deze acte na gedane voorlezing hebben getekend. (was geteekend) F.B. Wubbenhorst, K. Alteveer, J. Bijker, P. Alteveer, H. Alteveer, R. Snel, A. Dijk, J. v.d. Bosch, J.N.J. Heerkens kantonregter, Buser griffier, Cn van Dedem not(aris).
Geregistreerd te Ommen den zeventien September 1800 negenen-dertig deel negentien folio honderd een recto vak zes en volgende houdende elf bladen en een renvooi. Ontvangen voor regt van zeven vacatien Elf gulden en twintig cents. Met drieentwintig opcenten Dertien gulden achtenzeventig cents zijnde de volmagt in deze akte aangehaald op heden ten dezen kantore geregistreerd in deel tien folio honderd achttien recto vak vier, vijf en zes tegen betaling van eene gulden twintig cent, behalve de opcenten ad achtentwintig cent. De ontvanger (was getekend) Jamin.
Volgt procuratie.

Wij ondergeteekenden
1e. Jan Schuurman, landbouwer wonende te Nieuwleusen als in huwelijk hebbende Fennigje Alteveer.
2e. Klaas Mulder, landbouwer te Nieuwleusen als in huwelijk hebbende Aaltje Alteveer.
3e. Kristiaan Winter, bakker wonende te Avereest als in huwelijk hebbende Jentje Alteveer.
Verklaren bij dezen te continueren en magtig te maken de Heeren Mr. Isaac Antoni van Roijen advocaat en notaris te Zwolle en Fijke Bloemendaal Wubbenhorst candidaatnotaris te Zwolle zoo tezamen als ieder in het bijzonder, speciaal om alle onze belangen waar te nemen en onze personen te vertegenwoordigen in den boedel en nalatenschap van wijlen onzen schoonvader Harm Hendriks Alteveer op den 22 Augustus jongstleden te Nieuwleusen overleden de ontzegeling te vorderen en ons bij de inventarisatie te representeren, sustenuen te voeren, die van anderen te debatteren, voorts generalijk de gemelde boedel en nalatenschap geheel tot effenheid en lequiditeit te brengen te scheiden en te deelen alle acten en processen verbaal te passeeren en te teekenen en generalijk ter zaaken voorschreven al datgeene te doen en te verrigten wat wij zelven present zijnde zouden kunnen mogen of moeten doen belovende alles te willen houden van kracht en van waarde onder verband als naar regten met vrugt van acfumtie* en substitutie* belofte van salarisatie.
Nieuwleusen den 2 September 1800 negenendertig.-
(was getekend) X. H. Mulder, K. Winters, J. Schuurman.
Van waarde erkend
Geteekend H.B. Wubbenhorst
Geregistreerd te Ommen den zeventien September 1800 negenendertig deel tien folio honderd achttien recto vak vier, vijf en zes. Ontvangen voor regt van volmagt tachtig voor belofte van salarisatie veertig cents met de drieentwintig opcenten eene gulden achtenveertig cents.
De ontvanger (getekend) Jamin
Voor expeditie conform
Cn van Dedem Not(aris).

*) Woordenlijst:
Requirant = verzoeker, aanvrager
Minuut = precies, nauwkeurig of ‘schriftelijk ontwerp; oorspronkelijke akte van een notaris’
Sustenuen = sustineren = beweren (toelichten-aanvullen)
Ongepraejudiceerd = onbevooroordeeld of op voorhand geen oordeel willen geven; Prae = voor / Judiceren = beoordelen, vonnissen
Gesusbeneerd (schrijffout) = gesubgereerd = subgerere (latijn) = suggereren
Acfumtie = handelend en substitutie = plaatsvervangend = handelend in naam van

* * *


INHOUD JAARGANG 23 ________________________________________________________

blz.
1
6
7
8
10
11
14
17
21
22
24
25
28
29
32
33
34
38
39
47
48
49

62
63
64
65

68
73
81
83

86
89
91
96


Herinneringen aan mijn schooljaren
Klasgenotenlied School A
Rectificatie en aanvulling
Bevrijdingsherinneringen
Koe / Lui (2 gedichtjes)
Een oude groepsfoto (USV 1936)
Familie Alteveer
Boedel Harm Hendriks Alteveer I
Een boerderij/smederij aan de Dommelerdijk
Wie weet wat (kerktorentje)
Heimwee (gedicht)
Overlijden Baron van Dedem
Antien (gedicht)
Schoolverkeersexamen 1950
Meppeler Courant 16-10-1926
Wie weet wat (Femmigje Timmerman)
Een oude groepsfoto (CLS De Meele, 1951)
Enkele herinneringen aan mijn schooljaren
Boedel Harm Hendriks Alteveer II
Schoolvakantie (gedicht)
Rectificatie en aanvulling
Van een predikantsberoep te Nieuwleusen in het
midden der achttiende eeuw
Een oude groepsfoto (Zangkoor De Nachtegaaltjes 1953)
Moeder aan de was (gedicht)
Rectificatie
De plaats van Rollecate in de ontwikkeling van het
landbouwhuishoudonderwijs I
Boedel Harm Hendriks Alteveer III
Negen molenaarsgeneraties Massier
Ode aan de tram (gedicht)
Een oude groepsfoto (Zangkoor
De Zonnestraaltjes, 1940/41)
Oude verenigingen
10-jarig jubileumfeest USV
Boedel Harm Hendriks Alteveer, slot
Inhoud jaargang 23








Jaargang 24 nummer 1 maart 2006


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


FOTO VOORPAGINA: ________________________________________________________

Deze boerderij bij de Rollecatebrug heeft plaats moeten maken voor het industrieterrein De Meele.

Foto: H. Seine

* * *


DE VLUCHT MET DE NOOITGEDACHT ________________________________________________________

Henk Seine

In 1933 ben ik geboren op een bovenwoning van de schoenenwinkel van Wever aan het Grote Kerkplein in Zwolle. Mijn vader, Hendrikus (Rieks) Seine, was afkomstig uit Nieuwleusen. Hij was een zoon van scheepsjager Arend Seine en Hendrikje Borger.
In de Tweede Wereldoorlog woonden we in de Billitonstraat in Zwolle. Als kind werd je natuurlijk niet alles verteld en ik weet dan ook niet of mijn vader werk deed voor de ondergrondse. Maar wel weet ik dat hij vaak aparte dingen meebracht waar wij als kinderen niets van mochten weten. En we hadden een onderduiker in huis.

Opgepakt
Twee keer hebben we een inval gehad. Daarbij werd niemand opgepakt omdat mijn vader door iemand van de politie was getipt. Omdat ze ook de derde keer geen onderduiker vonden - mijn vader had hem toen elders ondergebracht - werd mijn vader meegenomen. De onderduiker is later door verraad toch opgepakt.
Mijn vader werd naar kamp Amersfoort getransporteerd. Van daaruit moesten de gevangenen elke morgen lopen naar vliegveld Soesterberg om de bomtrechters te vullen die de geallieerden bij hun bombardementen hadden achtergelaten.
Op een keer was mijn vader niet in orde. De Duitse bewakers stuurden hem terug naar het kamp, maar Hollandse bewakers dreven hem met knuppels weer in de groep. Hij heeft altijd gezegd dat hij meer last had van de Hollandse bewakers dan van de Duitse. Die Hollandse bewakers waren ook gevangenen die voor extra eten en dergelijke bereid waren om hun medegevangenen in toom te houden.
Het is een keer gebeurd dat er een Engelse jager een noodlanding maakte op de startbaan. Terwijl de boordwapens maar door gingen met schieten, sprong er iemand uit het toestel, deed er iets aan, ging weer naar binnen en even later steeg het vliegtuig weer op, onder luid applaus van de gevangenen.
Toen er kort daarop pakketten van het Rode Kruis binnen kwamen, liet de commandant de gevangenen aantreden en zei: “Jullie hadden zo veel lol met die Engelse jager, maar nu heb ik lol” en hij liet de pakketten met benzine overgieten en in brand steken.
Mijn vader is later per trein op transport gesteld richting Zwolle, eerst met Duitse bewaking. De trein reed niet zo hard, zodat er meerdere gevangenen van de trein afsprongen. Later kregen ze Hollandse bewakers en die schoten al als ze maar een knop van een treindeur zagen bewegen.
Toen de trein in Zwolle aankwam, werden de gevangenen ondergebracht in de bioscoop van de Buitensociëteit. Daar waren alle stoelen uitgehaald en er was stro op de grond gelegd om op te kunnen slapen.
De gevangenen moesten buiten Zwolle tankwallen graven. Dat waren diepe kuilen waar de vijandelijke tanks, als ze er in zouden rijden, niet meer uit konden komen; een soort valkuil voor tanks dus.
Mijn vader kreeg toen kaakontsteking. Guusie, een Rijksduitser die al voor de oorlog een kapperszaak in de Wipstrik had, deed een goed woordje voor mijn vader en kreeg het bij de Ortscommandant voor elkaar dat vader naar het Sophia ziekenhuis mocht worden vervoerd. Dat gebeurde in een zwarte handkar, een soort kist op wielen. Tijdens dat vervoer liep mijn moeder mee en riep telkens: “Rieks, Rieks lig ie hierin?” Maar vader hield zich erg ziek en gaf geen antwoord.
In die periode werd er door de ondergrondse een spoorlijn opgeblazen. De Duitsers maakten bekend dat de dader zich moest melden, anders zouden ze alle Zwollenaren fusilleren die in de Buitensociëteit zaten. Dat is ook gebeurd. Mijn vader hoorde dat hij ook op die lijst stond, maar omdat hij in het ziekenhuis lag, is hij de dans ontsprongen. Ze hebben wel naar het ziekenhuis gebeld, maar dokter Schattenkerk heeft hem gered door te zeggen: “Die hoef je niet op te halen want die gaat hier wel dood.” Tegen mijn vader zei hij: “Als ze komen geef ik je wel een spuitje, zodat het lijkt of je dood gaat”.
Door dit alles zat vader natuurlijk wel in de piepzak en er werd een vluchtplan bedacht.

Nooitgedacht
Al eerder had vader een Hoogeveense praam gekocht; een houten schip waar hij in Hasselt een woongedeelte op had laten bouwen. De “Nooitgedacht” werd naar de Diezerkade gebracht en toen is samen met Klaas Westerhuis, die met zijn vrouw Siene Seine en het gezin van Pieter de Boer op een turfschip woonde, al ons huisraad vanuit de Billitonstraat aan boord gebracht. Toen zijn we met de twee schepen richting Hasselt gaan varen. Vader is midden in de nacht uit het ziekenhuis gevlucht en bij ons aan boord gekomen. De beide schepen zijn bij de kalkovens in Hasselt afgemeerd en de familie De Boer is van boord gegaan en naar familie in Staphorst gegaan. Daarna ging het verder naar Het Ronde Gat, een verbreed stuk in het kanaal halverwege Hasselt en de Lichtmis waar schepen konden draaien om weer terug te varen.

Foto H. Seine

Boerderij “Het Ronde Gat”


Hier hebben we een hele poos gelegen. Samen met Klaas Westerhuis ging vader midden in de nacht met een roeiboot op jacht naar brandhout. Ze hebben heel wat hekken en vlonders gesloopt om er de kachel van te laten branden.
Omdat vader uit Nieuwleusen afkomstig was en daar veel familie en kennissen had, zijn we later doorgevaren naar de Rollecate. Onderweg moesten wij de spoorbrug passeren en die moest vader zelf opendraaien. Wij gingen allemaal van boord. Net toen de brug open was en ons schip er door zou varen, kwamen er twee Engelse vliegtuigen aan die begonnen te schieten. Wij konden dekking zoeken en vader is toen in een ruimte van de draaibrug gekropen. Gelukkig is er niemand bij de beschietingen geraakt.
Toen we bij de Rollecate aankwamen zijn we eerst afgemeerd voor de Rollecatebrug, bij een strook bos, waar vader en Klaas Westerhuis bomen hebben afgezaagd voor de kachel. Later zijn we voorbij de brug gaan liggen. Hoe we aan de kost kwamen weet ik niet, maar we zijn niets tekort gekomen.
Ik weet nog dat we daar bij de Rollecatebrug zijn beschoten door een Engelse jager. Dat kwam omdat er voor ons een schip lag met een ‘klievertiesholt’, dat is een vooruitstekend klein mastje op de voorplecht. Dat zullen ze wel voor een kanon aangezien hebben. Gelukkig liep dat ook goed af, al was onze roeiboot wel lek; er zaten twee grote gaten in. Daar zijn door oom Bernhard Sterken uit Zwolle twee plaatjes opgezet.
Omdat ik vanwege mijn leeftijd weinig gevaar liep om opgepakt te worden, moest ik regelmatig op de fiets naar Zwolle om tabaksplanten te halen bij oom Bernhard Sterken. Hij was getrouwd met tante Geertie, een zuster van mijn moeder en woonde in de Warmoesstraat.
Op een keer, toen ik dicht bij de overweg van het spoor bij de Meeleweg was, begon er een Engelse jager op een trein te schieten. Dat was een stoomtrein met achterop de tandem, de wagen voor de kolen. Daar hadden ze een kleine betonnen schuilruimte gemaakt waar de machinist in kon kruipen bij vliegtuigaanvallen. Toen het schieten begon, dook ik in een gat langs de weg. Die gaten zaten toen om de 100 meter langs elke weg. Daar wachtte ik tot het weer veilig was. De lek geschoten locomotief stond hulpeloos op de rails.
Onderweg naar Zwolle is ook mijn fiets een keer door een Duitser afgepakt. Ik kreeg er van hem een oude kapotte damesfiets voor terug. Maar een eindje verderop gaf hij mij mijn fiets terug omdat hij die jongensfiets toch te klein vond en daarom maar weer op de oude fiets verder ging.
Wij gingen vaak struinen langs de spoorbaan. Bij de overwegen stonden huisjes voor de mensen die de spoorbomen moesten bedienen. Deze stonden nu leeg en dus was het een mooie plaats om te kijken of er nog iets van onze gading was achtergebleven. Naar school gaan was er toch niet bij. Dat vonden mijn broer Joop en ik helemaal niet erg.

Foto: H. Seine

Later zijn we voorbij de Rollecatebrug gaan liggen.


Bevrijding
Op zekere dag kwamen uit de richting Balkbrug de eerste Canadezen. De Duitsers zaten nog maar halverwege de Lichtmis. ‘s Avonds trokken de Canadezen zich weer terug en ‘s nachts kwamen de Duitsers dan weer wat rommelen bij de Rollecatebrug, waar wij lagen.
Op een bepaald moment kregen we bericht, ik denk van de ondergrondse, dat we van boord moesten omdat de Canadezen vanaf Balkbrug midden in de nacht zouden gaan schieten in de richting van de Rollecatebrug, als de Duitsers daar bezig waren. Dat is ook gebeurd en de volgende dag konden wij weer aan boord. We hebben de nacht bij tante Annegie en oom Klaas Oosterveen doorgebracht. Ze woonden op een boerderij aan de Meeleweg bij de spoorlijn.
Toen kwamen de Canadezen met een hele troepenmacht. Naast mevrouw Stegeman die de Rollecatebrug brug bediende als er een schip door moest, woonde fietsenmaker Zandbergen. Achter zijn huis was een groot weiland. Dit werd door de bevrijders als kamp ingericht. Ze gaven ons witbrood. Dat smaakte als cake. We hadden lange tijd geen witbrood meer gehad, maar wel bruinbrood en dergelijke. De Canadezen vroegen om eieren. ‘Eiks’, ‘eiks’, zeiden ze dan. We verruilden de eieren voor ‘tinnegies’ sigaretten, dit waren ronde blikken doosjes waar er vijftig in zaten. De eieren kookten ze wel een uur lang totdat ze zo groen waren als wat. Ik weet niet of ze bang waren er anders ziek van te worden, maar ik vond het maar niks.
Ze hebben ook nog een dag lang rondgereden met tanks en pantservoertuigen. De route liep naar de Lichtmis, daar linksaf richting Zwolle en dan weer linksaf de Meeleweg op. Bij Sluis III ging het dan weer links af richting de Lichtmis. Zo reden ze maar rond. Je zag steeds dezelfde wagens en mensen voorbij trekken. Ik denk dat het was om naar het nog bezette Zwolle toe de indruk te wekken dat er een hele grote troepenmacht was. Door al dat rijden zag je de Meeleweg helemaal verzakken; er ontstond een verhoging in het midden van de weg.

Terug naar Zwolle
Toen Zwolle ook bevrijd was, zijn we uit Nieuwleusen vertrokken. Ons huis in de Billitonstraat was, ondanks dat mijn vader de huur had betaald, toch door een ander betrokken. We kregen die er niet meer uit. Daarom hebben we een ligplaats betrokken aan het Almelosekanaal. We lagen daar naast een weiland waar in de winter de ijsbaan was (maar dat is een verhaal apart).

* * *


DE HONGERWINTER ________________________________________________________

Joop van Luit

In de oorlogsjaren werden bij diverse gezinnen in Nieuwleusen kinderen ondergebracht. Helaas is daar weinig over bekend. Gelukkig kregen we onlangs een verhaal van één van die kinderen, de nu in Lienden wonende Joop van Luit. Zijn relaas leest u hieronder.

In die laatste maanden van de Tweede Wereldoorlog, zo vanaf eind 1944, was het een bittere ellende. Het was vreselijk koud en in het westen van het land crepeerde men van de honger. Ook in Utrecht raakte alles op: geen voedsel meer, maar ook geen hout en kolen voor een beetje warmte. Samen met mijn vader probeerden we wel aan het een en ander te komen, maar dat werd op de duur levensgevaarlijk. Zowel de Duitsers als de eigen buurtgenoten namen je het weinige dat je had nog af.
Onze woonplaats was Zuilen, een klein dorp onder de rook van Utrecht. Eind 1944 was mijn zusje twee jaar en drie maanden, mijn broer Gerrit vijf en een half en ik was zeven en een half jaar. Samen met vader en moeder vormden wij het gezin Van Luit.
Op zekere dag, beter gezegd op zekere avond, werden mijn broer en ik thuis opgehaald en met niet meer dan een rieten koffertje met wat kleding bij ons naar de pastorie van de Nederlands Hervormde Kerk van Oud-Zuilen gebracht. De vrouw van dominee Braakman ontfermde zich over ons en wij kregen een kop heerlijke chocolademelk. Maar wat ging er nu eigelijk met ons gebeuren? Voordat ons dat verteld zou worden kwamen er nog meer jongelui binnendruppelen in de pastorie. Enkele namen kan ik mij nog herinneren: twee of drie personen van de familie Snippenburg, één van de familie Wolbers, twee van de familie Norbruis, één van de familie Tempel en mogelijk nog iemand van de familie Kramer.
Na de uitleg van dominee Braakman en een dankgebed vertrokken we in een gesloten vrachtwagen in de richting Zwolle. Dat was ons voorlopige einddoel. Inmiddels was het buiten aardedonker geworden: alles was geblindeerd waardoor er ook geen lamplicht naar buiten scheen.
Na veel oponthoud werden wij in Zwolle afgeleverd bij een school in de Warmoesstraat. Daar werden wij van top tot teen "ontsmet” en onze kleding werd gewassen. Wij moesten zo zuiver mogelijk naar boeren in Nieuwleusen gebracht worden, zo hadden wij inmiddels vernomen.
Na enige dagen vertrokken wij dan op een “open paard en wagen”, ondergedekt met paardendekens, naar Nieuwleusen. Daar kwamen we laat in de middag aan en wel in de Kerkenhoek bij café Schoemaker. Ik weet niet meer precies wanneer zich dit afspeelde, maar het zal begin 1945 zijn geweest. Het sneeuwde en in de loop van de middag lag er een dik pak.
We werden buitengewoon lief ontvangen en in de watten gelegd. Hier in Nieuwleusen was geen gebrek. Wat een weelde! Het was vroeg donker en in het café werd het steeds rustiger. Zo langzamerhand vond iedereen een plekje bij een gastgezin. Op een gegeven moment zaten mijn broer en ik daar nog als laatsten, niemand had blijkbaar interesse in ons, althans zo leek het.
Toen kwam er hulp van een postbode die blijkbaar op de hoogte was van ons adres. Hij bracht ons op zijn fiets ploeterend door de sneeuw naar de familie Schuurman-Evertsen aan het Westerveen 59. Dit was een echtpaar zonder kinderen. Zo kwamen wij dan uiteindelijk na een enerverende reis bij onze pleegouders in Nieuwleusen.
We werden gelijk achter de kachel geplaatst, aangestaard door een naburige familie Schuurman, bestaande uit moeder met een aantal kinderen die al die tijd op ons hadden zitten wachten. Ze keken hun ogen uit: twee broodmagere jongens uit het westen. We kregen brood met roomboter en rookvlees en met appelstroop en dat spoelden wij weg met een beker volle melk!
Oom Arend en tante Fem hebben er daarna alles aan gedaan om het ons naar de zin te maken. Binnen afzienbare tijd namen we allebei in gewicht toe. Oom en tante, zoals wij hen noemden, hielden een en ander nauwlettend in de gaten.
Heimwee heb ik niet gehad, mijn broer wel. In het begin huilde hij veel, maar tante Fem wist daar wel raad mee en dan was het snel over.

Trouwfoto Arend Schuurman en Femmigje Schuurman-Evertsen

Femmie Wever-Schuurman (een van die kijkende kinderen bij onze aankomst bij oom en tante) heeft mij nu 60 jaar later gevraagd een verhaal over die periode te schrijven. Een vraag waar ik met genoegen aan heb voldaan, temeer ook omdat vandaag de dag aan die tijd maar bitter weinig aandacht wordt geschonken. De opvang en verzorging en alles wat daar verder bij nodig was, zoals kleding enz., hebben we gekregen van oom Arend Schuurman en tante Fem Schuurman-Evertsen (foto). Dat zal ik mijn hele leven niet vergeten. U leest het goed, ik, want mijn broer Gerrit is reeds overleden. Praktisch alle jaren na de oorlog ben ik in Nieuwleusen te gast geweest bij oom en tante. Later toen zij overleden waren bij Femmie en Marinus Wever. Of de anderen uit Zuilen ook nog steeds contacten met Nieuwleusen onderhouden weet ik niet. Velen zijn er, net als de pleegouders, inmiddels niet meer.

De bevrijding hebben we meegemaakt in Nieuwleusen. Overigens was dat nog best spannend want alles en iedereen moest in het gebied waar we woonden de huizen uit en zich verbergen achter in het land. Een aantal boerderijen zijn in de as gelegd en de mensen hebben korte of langere tijd in een kippenhok of ander noodverblijf geleefd.
Onze schoolvakanties hebben we in Nieuwleusen bij oom en tante doorgebracht. We hielpen mee in de hooitijd en met de roggeoogst en dat hebben we er graag voor over gehad. Ook ‘s winters waren wij vaak van de partij. In de zomer kwamen we op de fiets vanuit Zuilen en in de winter met de trein.
Het initiatief van de Nederlands Hervormde kerken van Zuilen en Nieuwleusen heeft voor ons grote betekenis gehad. Zonder die hulp hadden wij het niet overleefd, althans die kans was zeer klein geweest. Daarom ben ik nu nog steeds erg dankbaar aan die kleine boerengemeenschap in Nieuwleusen. Dat zij de handen ineensloegen om mensen in nood te helpen is zonder meer fantastisch. Ik dank God dat ik nog leef, nu samen met mijn vrouw, kinderen en kleinkinderen. Het mag een wonder heten dat Hij in die afschuwelijke tijd Nieuwleusen op ons pad heeft gezet. Oom en tante leven niet meer en ook de boerderij is er als zodanig niet meer, maar desondanks zijn deze twee mensen nog steeds in mijn gedachten en in mijn hart.

Ondanks alles bewaar ik ook mooie herinneringen. Uw dorp was mijn dorp en hun huis was mijn thuis. Dat blijft zolang ik leef. Hartelijk dank Nieuwleusen!

* * *


AANVULLING EN CORRECTIE ________________________________________________________

Naar aanleiding van de groepsfoto in het decembernummer kregen we een brief van Henny Wildvank uit Brielle. Ze schrijft verrast te zijn door deze foto. Hoewel ze al in 1948 vertrok uit Nieuwleusen leest ze ons blad altijd met veel plezier. Binnenkort hoopt ze 80 jaar te worden.
Henny Wildvank staat als nummer 2 op de betreffende foto. Nummer 3 is haar inmiddels overleden vroegere vriendin Tiny Holthuis.
Verder schrijft ze: “Het was altijd een leuk koortje. De dirigent speelde zingende zaag, heel mooi, daar waren wij altijd van onder de indruk.”

De tekst is aangepast.
Op de op bladzijde 90 in het decembernummer opgenomen foto van USV kregen we van de heer André Mijnheer de namen aangereikt. Helaas zijn van sommige spelers alleen de voorletters bekend. De foto is van USV-2 en is gemaakt in 1931.
Bovenste rij vlnr: J. Kijk in de Vegte, H. v/d Berg, Gerrit ter Horst, Peter Bouwman, Leendert Massier en Andries Mijnheer (bijnaam: Krijt). Andries was tijdelijk scheidsrechter van USV 2.
Middelste rij vlnr: H. Brinkman, H. van Wilpe en Klaas ter Horst.
Onderste rij vlnr: Derk Jan Massier, Cees Stolte (bijnaam Samorra, wie weet de achtergrond hiervan?) en Reint Stolte.
De tabel was al compleet.

* * *


WIE WEET WAT ________________________________________________________

Vraag 10: Katja’s jeugd
Klaasje Jonkers was een dochter van Gerrit Jan Jonkers die woonde op De Meele. Haar moeder overleed toen Klaasje nog jong was. Haar jeugdherinneringen heeft ze opgeschreven en deze zijn in boekvorm uitgegeven onder de titel “Katja’s jeugd”. Verdere gegevens als jaar en plaats van uitgifte en uitgever zijn onbekend. Wel is er een fotokopie van het boek bekend, maar daarin ontbreken deze gegevens. We zouden graag een origineel exemplaar aan onze bibliotheek in het museum toevoegen. Wie kan ons hier blij mee maken?
Ook zijn we op zoek naar verdere informatie over Klaasje Jonkers en haar familie: waar ze precies woonde, wat er van haar geworden is, waar ze gebleven is, enzovoort.
Informatie graag schriftelijk of per e-mail aan de redactie.

* * *


UIT MIJN POESIEALBUM ________________________________________________________

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

Foto BW047

Voor de groepsfoto van dit nummer hebben we gekozen voor een foto uit omstreeks 1958. De foto van de leerlingen werd gemaakt voor de huishoudschool die toen in het tegenwoordige pand “De Olmen” aan het Oosterveen was gevestigd.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

Hennie Prins
Margje de Boer
Maja Hoogenkamp
Alie van Spijker
Klaasje Krol
Hillie Vossebelt
Rikie Zwiers
Jannie Evertsen
Dinie Schuurman

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  

Lammie Moerman
Geesje van de Voort
Lammie Kok
Jentje Reurink
Mieneke Groen
Marrie Schuurman
Jannie Takken
Ben Mulder, onderwijzer

18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  

Minie Massier
Jannie Brinkman
Bertha Kooiker
Geertje Huzen
Femmie Runhart
Annie Boesenkool
Bertha Kappert
Jannie Huisman

* * *


DE PLAATS VAN ROLLECATE IN DE ONTWIKKELING VAN HET LANDBOUW- HUISHOUDONDERWIJS II ________________________________________________________

Hoofdstuk 2
OPLEIDING TOT LERARES IN HET LANDBOUWHUISHOUDEN
Om het gebrek aan geschikte leerkrachten op te vangen startte op 23 september 1913 de rijksopleidingsschool voor landbouwhuishoudleraressen onder de naam De Rollecate. Door de experimentele status en de bescheiden omvang kon ze worden gehuisvest op het landgoed De Rollecate te Den Hulst vlakbij Nieuwleusen. Daar had Mr. W.J. Baron van Dedem een leegstaande rentmeesterwoning en een te bouwen schooltje voor dit doel ter verhuur aangeboden. Uit zijn bijdragen aan de Commissie voor Onderwijsbelangen van de OLM (Overijsselse Landbouw Maatschappij) bleek dat hij een warm voorstander van landbouwonderwijs was.
De leiding kwam in handen van huishoudlerares Theda Mansholt, die in Groningen als lerares voor het landbouwhuishoudonderwijs was aangesteld en ondertussen op verschillende wijze de inspectie van advies had gediend. Doordat de rijksoverheid de school had opgericht, viel deze direct onder de inspectie. De rijksinspecteur Van der Zande gaf Mansholt echter alle ruimte om de leraressenopleiding naar eigen inzicht op te zetten.
Voor een rijksopleiding was het ontbreken van een wettelijke regeling een vreemde zaak, maar die werd gerechtvaardigd door de experimentele status van de opleiding. Huishoudleraressen beschikten in die tijd ook niet over een wettelijke bevoegdheid. Kook- en huishoudscholen waren niet in een wet ondergebracht. Ze steunden uitsluitend op particulier initiatief en kregen slechts per aanvraag overheidssubsidies.
Als vooropleiding was drie klassen middelbaar onderwijs en de tweejarige opleiding tot huishoudkundige verplicht.



DE LESSTOF
De opzet van de opleiding doorbrak de toenmalige verdeling die de Bond van Leraressen bij het Huishoudonderwijs hanteerde. In plaats van een verdeling over twee aktes van de huishoudelijke vakken in enerzijds koken en voedingsleer en anderzijds huishoudkunde en wasbehandeling, werden de leerlingen aan De Rollecate opgeleid voor het geven van huishoudelijke vakken.
De aanstaande leraressen moesten op de eerste plaats hun kennis op huishoudelijk gebied vergroten. Ze leerden nieuwe inzichten over gezonde voedselbereiding, menusamenstelling, kleding, bedbedekking en woninginrichting, naast gezonde leefwijzen in het algemeen. Het vak gezondheidsleer sloot hier nauw op aan. Hierbij kwamen ook lessen in kinderverzorging en kinderopvoeding aan bod.
Uitdrukkelijk werd in het schoolprogramma aangegeven dat zoveel mogelijk rekening werd gehouden met plattelandsomstandigheden en plattelandsgewoonten. Er waren bijvoorbeeld geen lessen om volgens de zogenaamde ‘fijne keuken’ te leren koken of om de fijne was te leren opmaken.
(Zo schreef in 1925 een oud-leerlinge van De Rollecate wat ze vond van het lesgeven op een huishoudschool in Groningen:
Op Rollecate daar was het zo handig doen, moest het in vijf minuten gedaan zijn. Want dat vond ik het vreselijke van de huishoudschool. (...) Op de huishoudschool moest je er een half uur over doen om één laken op te vouwen... je maakte kleine kartonnetjes en dat moest dan precies, dit was de eerste vouw, de tweede vouw. Stel je voor, een huisvrouw met vijf kleine kinderen en die moest dat dan opvouwen op die manier, nou dat is toch niet te doen! Verschil tussen huishoudonderwijs en landbouwonderwijs? Ja, toen in mijn tijd wel.)
Er werd geen aandacht besteed aan de vrouwelijke handwerken, eveneens een belangrijk terrein voor de huisvrouw, omdat het werkterrein voor de lerares anders te groot zou worden en het platteland al mogelijkheden had om het naaien te leren.
Tijdens de uren onderwijsleer en onderwijsmethodiek leerden de leerlingen van De Rollecate hoe ze al die nieuwe kennis weer aan hun toekomstige leerlingen konden overdragen. Onderwijskundige inzichten uit vooruitstrevende kringen, zoals aanschouwelijk onderwijs en zelfwerkzaamheid, werden bij voorkeur onderwezen en toegepast.
De aanstaande leraressen werden bovendien aangemoedigd om het zo aan te pakken dat hun leerlingen voldoening zouden kunnen vinden in hun huishoudelijke taak. De verwachting was dat het werken vanuit sleur kon worden ingedamd als vrouwen maar steeds vanuit begrip konden werken en het ‘waarom’ achter de voorkeuren voor een werkwijze konden begrijpen.
Om dit ook zelf waar te maken, had de leraressenopleiding een zeer uitgebreid programma. Behalve huishoudelijke vakken bevatte het ook zogenaamde ondersteunende en grondleggende vakken. Deze basisvakken, zoals bijvoorbeeld schei- en natuurkunde, werden noodzakelijk gevonden om de lessen over vlekkenverwijdering en verantwoord elektriciteitsgebruik te kunnen begrijpen.
Naast de basiskennis van natuurwetenschappelijke aard kwam ook relevante maatschappelijke kennis aan bod. Door voordrachten en zelfstudie werden deze vrouwen gestimuleerd zich op de hoogte te stellen van bijv. de staatsmaatregelen voor de volksgezondheid, de landbouw als bestaansmiddel en de plaats van de vrouw in het landbouwbedrijf in de verschillende streken van ons land.
Verder werden de aanstaande leraressen ertoe aangespoord om later de goede zijden van het buiten wonen te benadrukken en hun leerlingen te leren zoveel mogelijk van de producten van eigen bedrijf en tuin gebruik te maken.
Ze kregen zelf land- en tuinbouwonderwijs om inzicht te krijgen in hoe ze later met hun eigen lessen op de land- en tuinbouw-lessen van hun leerlingen zouden kunnen aansluiten. Daar hoorde in deze periode geen praktisch tuinwerk bij. Wel bezochten ze regelmatig de boerderij van het landgoed, maar dit was een modern grootbedrijf en daarom niet representatief voor het bedrijf van hun toekomstige leerlingen.

HET EXPERIMENT VOORBIJ
Uit de rijksbegroting van 1919 blijkt dat de proefperiode van de school definitief was afgerond. De toenemende belangstelling voor het beroep en de vraag naar leraressen leidde tot het besluit dat De Rollecate, na het algemeen middelbaar onderwijs, de gehele beroepsopleiding zou gaan verzorgen. Dit besluit is echter niet meer onder de landbouwoverheid op De Rollecate uitgevoerd omdat het landgoed niet meer ruimte voor de school beschikbaar kon stellen. Daarom werd naar een nieuwe vestigingsplaats uitgekeken. Mansholt stelde in haar advies dat het noodzakelijk was dat deze nieuwe plaats meer culturele mogelijkheden had om meer leerlingen en leerkrachten te kunnen trekken. Pas in 1930 kwam de verhuizing naar Deventer en kon de opleiding in haar nieuwe vorm als “Nieuw Rollecate” van start gaan. De school begon met twee klassen vooropleiding en twee klassen leraresopleiding. Theda Mansholt bleef tot 1941 directrice. Ze heeft vanaf de oprichting van De Rollecate steeds een belangrijk stempel gedrukt op de ontwikkeling van het landbouwhuishoudonderwijs, het voorlichtingswerk en de organisaties en verenigingen die zich richtten op de ontwikkeling van de plattelandsvrouwen.

wordt vervolgd

* * *


ONTWIKKELINGEN IN EEN BOERENBEDRIJF
1926 - 1967 ________________________________________________________

In de vorige afleveringen hebben we een boereninventaris uit 1839 gepubliceerd van een gegoede Nieuwleusense boerenfamilie. Nu geven we een overzicht van bezit en inkomen van een boer die, vijfentachtig jaar later, in 1926, model kan staan voor de gemiddelde boer in Nieuwleusen. Dat kan omdat we van een van onze leden de boekhouding van diens vader kregen. Uit de cijfers is een aardig beeld te krijgen van wat er omging in een boerenbedrijf. Door de volgorde van publiceren kunt u bovendien nagaan wat 100 jaar ontwikkeling aan prijsverschillen heeft opgeleverd.

Bedrijfsinventaris op 1 mei 1926.
Van het betreffende boerenbedrijf werd in 1926 een inventaris opgemaakt. De waarde van de bezittingen bedroeg toen in totaal ƒ 29.342,-

Waarde boerenhuis
10 ha. bouwland en weiland
1 paard
5 koeien
1 vaars
1 pink
2 kalveren
1 vet varken
1 varken met biggen
4 drachtige varkens
80 kippen en 3 hanen
1 boerenwagen
1 wipkar
klein gereedschap:
1 kruiwagen, 1 slijpsteen, 6 emmers,
2 tobben, 2 zeisen, 5 vorken,
2 schoppen, 2 batsen, 3 schoffels,
1 paardentuig en 2 touwen
1 zaaivat
½ grasmaaimachine
1 hakselmachine
1 kippenhok
te velde staande gewassen
- granen
- peulvruchten
- aardappelen
- bieten
- grasland
mest en kali
strooiselstro
veevoeder; rogge en meel
geld bij de leenbank
in kas

ƒ
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-




-
-
-
-
-

-
-
-
-
-
-
-
-
-
-

3400,-
18000,-
275,-
1500,-
140,-
90,-
70,-
140,-
160,-
440,-
125,-
63,-
105,-




80,50
4,-
105,-
25,-
80,-

105,-
10,-
45,-
25,-
85,-
23,50
6,-
36,-
3804,-
400,-



Dit boerenhuis had in 1926 een waarde van ƒ 3400,- (part. collectie)

In dit jaar werden ook de ontvangsten en uitgaven bijgehouden. Deze waren als volgt:

Inkomsten
melkgeld
eiergeld
verkocht pluimvee
verkocht rundvee
verkochte varkens
verkocht paard
verkocht stro
diversen

Totaal


Uitgaven
Arbeidsloon plus kost
meststoffen en veevoeder
dekgeld
zaaigoed en pootgoed
smidswerk en gereedschap
gekocht vee en varkens
huur boerderij3
huur pinkenweide
huur dorsmachine
veeverzekering
hout, verf, spijkers enz.
turf, schelpen, manden
diversen

Totaal

Verdiend in een jaar:


ƒ
-
-
-
-
-
-
-

-



ƒ
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-
-

ƒ

ƒ


1286,35
746,32
92,40
518,00
1778,-
400,-
46,-
22,61

4889,68



53,45
1431,13
26,-
8,50
35,22
574,-
350,-
65,-
25,-
13,-
67,-
23,-
78,43

2749,73

2139,95

Conclusie: Getuige deze boekhouding verdiende een boer zo’n tachtig jaar geleden in een jaar minder dan nu het maandelijks minimuminkomen is.

Na de oorlog
Hoe de prijzen in de twintigste eeuw tot de Tweede Wereldoorlog vrij stabiel bleven, maar na die tijd heel snel stegen, is uit de vergelijking van de inventarisatie van 1926 tot en met 1967 goed af te lezen. Als voorbeeld van bezit nemen we de polis van de brandverzekering. Interessant daaraan is te zien welke zaken sterk in prijs stegen en welke maar weinig veranderden. Natuurlijk kan de aanschaf van nieuwe goederen in een bepaalde categorie de prijs beïnvloeden, maar fietsen, waarvan je mag aannemen dat die ieder jaar ouder werden, stegen desondanks toch sterk in waarde. Hier volgt een overzicht (de bedragen zijn in hele guldens).


Huis
Schuur
Schuur
Kippenhok
Kippenhok
Hooiberg
Inboedel
Rijwielen
Koeien
Pinken
Kalveren
Paard (1)
Varkens
Kippen
Landbouwmachines
Landbouwgereedschap
Hooi
Rogge/haver

Totaal

1937
4000
300
160
40
30
160
800
(4)100
(14) 2380
(4) 320
(4) 160
300
220
(50) 50
200
940
720
300

10540

1947
8000
800
800
150
150
350
2600
(4) 320
(10) 3500
(3) 660
(3) 300
900
660
(50) 200
250
1000
1120
½ ha 600

22300

1953*)
15000
1500
1500
150
200
1500
5000
(5) 375
(12) 4200
(5) 1100
(5) 500
900
1975
(100) 400
500
1050
1800
1¼ ha 500

38100

1960**)
40000
3000
1500
2500
1000
2000
6800
1150
(13) 5850
(5) 1500
(5) 750
1200
3100
(150) 600
2700

3800
1 ha 400

78900

1967
60000
4000
2500
3500
1000
2000
7250
(2) 250












Onder landbouwgereedschappen zijn wagens, werktuigen en een paardentuig begrepen.
*) In 1953 worden bij de inboedel voor het eerst apart genoemd een naaimachine, een wasmachine, een radio en een orgel. Bij de landbouwmachines is sprake van een ½ aandeel in een maaimachine en een hooimachine. Boeren investeerden dus samen in machines.
**) In 1960 zijn een kippenhok en een schuur verdwenen en is er een ‘wagenschuur met kippenhok’ voor in de plaats gekomen (ƒ 1500,-). Ook is er een varkensschuur gekomen (ƒ 2500,-).
Bij de inboedel wordt een stofzuiger apart genoemd.
De rijwielen zijn tegen een maximum dagwaarde van ƒ 450,- verzekerd en er zijn 2 rijwielen met hulpmotor bijgekomen, samen ƒ 700,-
In 1963 komt er een auto. Deze wordt verzekerd voor ƒ 1500,-.
In 1967 wordt bij de inboedel voor het eerst een televisietoestel voor ƒ 900,- verzekerd. De boerderij was in dat jaar overgenomen door een zoon.

Conclusie
De prijs van koeien is van 1947 ƒ 170,- opgelopen in 1960 naar ƒ 450,-, dat is ruim 2½ keer zoveel. Pinken zijn van ƒ 80,- naar ƒ 300,- per stuk gestegen, dat is zelfs 3½ keer zoveel. De waarde van kippen is van ƒ 1,- naar ƒ 4,- per stuk gestegen. Het huis is in diezelfde tijd 10 keer zoveel waard geworden.
Men kan zich afvragen waarom de prijs van het een meer stijgt dan van het andere.

* * *


AANVULLING EN CORRECTIE ________________________________________________________

Op de woordenlijst bij het Boedel Harm Hendriks Alteveer in het kwartaalblad van december kregen we een reactie van de heer Jan Prins. Hij schrijft dat het hem voorkomt dat ‘minuut’ daar eerder bedoeld is als ‘schriftelijk ontwerp; oorspronkelijke akte van een notaris’. Hoewel wij de verklaring voor de betreffende woorden van die akte uit een uitgebreid woordenboek met oude woorden hebben gehaald, komt het ons achteraf gezien ook beter voor dat de aangegeven verklaring van Prins hier de juiste is.

* * *


DE PLAATSELIJK BUREAUHOUDER ________________________________________________________

W.L. Schiphorst

In de jaren rond de Tweede Wereldoorlog was het voor de regering van belang om te weten hoe de voedselsituatie was in ons land. Daarom werden er kantoren ingesteld die de ‘voedselvoorraad’ moesten bijhouden. Dit was op provinciaal niveau geregeld met kantoren in de diverse plaatsen. Degene die belast was met de leiding van zo’n kantoor noemde men de plaatselijk bureauhouder.

Al in 1938 werden enige voorzieningen getroffen voor de voedselvoorziening in een mogelijk ophanden zijnde oorlogstijd. Een van deze voorzieningen betrof het aanstellen van plaatselijk bureauhouders. In het vroege voorjaar van 1939 werd mijn vader Frits Schiphorst vanuit het bureau van de provinciale voedselcommissaris in Zwolle benaderd om die taak zo nodig op zich te nemen in de gemeente Nieuwleusen. (Ik zal mijn vader verder in dit verhaal Frits noemen want zo was hij in die dagen algemeen bekend in agrarisch Nieuwleusen). Het enige wat zijn directe omgeving daarvan merkte was dat er op een gegeven moment een pak met papieren werd afgeleverd. Dit pak kreeg een plaats ergens onder in de kamerkast. Daarna was het weer stil. Wel is het eigenlijk pas achteraf tot ons doorgedrongen dat Frits wel eens naar Zwolle moest voor een vergadering maar daar bleef het dan ook bij. Totdat in september 1939 de algehele mobilisatie werd afgekondigd.
Vanaf dat moment was het gedaan met onze rust. De voorkamer van ons huis werd plotseling omgetoverd tot het plaatselijk bureau. De eerste dagen stonden er steeds tientallen mensen in de rij voor veevoederbonnen en het opstellen van de registratiekaarten. De veevoederbonnen dienden op dat moment meer om het hamsteren tegen te gaan dan om te distribueren vanwege een tekort aan veevoeder. Dat tekort ontstond later pas.
De rij mensen ging bij ons door de zijdeur naar binnen, via de keuken naar de voorkamer en dan weer via diezelfde keuken en zijdeur naar buiten. De gemeente Nieuwleusen telde bij het afkondigen van de mobilisatie ruim 600 bedrijven en bedrijfjes, waaronder ook begrepen de mensen die ergens werkten en daarnaast enig vee hielden. Tegenwoordig zouden we spreken van hobbyboeren.
Ons eten werd in de eerste paar dagen klaargemaakt op een petroleumstel en opgegeten op de “pompestraote” in het achterhuis. Gelukkig kwam er na de eerste week wat rust en konden wij onze keuken weer een beetje bewonen. Er werden vaste data vastgesteld voor het afhalen van bonnen en het aangeven van wijzigingen in de veestapel, zodat Frits ook weer meer tijd kreeg om voor zijn eigen boerderij te zorgen. Dit was slechts van zeer korte duur, want voorschriften en beperkingen volgden elkaar in snel tempo op. Er moest op korte termijn hulp komen voor het zwaardere werk. Ik geloof niet dat Frits en zijn vrouw hadden voorzien welke inbreuk deze baan op hun privé-leven zou hebben. Een ding is zeker: we hadden vanaf dat moment geen gebrek aan “aanloop”.

Als plaatselijk bureauhouder werd Frits bij zijn werkzaamheden geassisteerd door Klaas Brasjen. Getweeën hebben ze heel wat dagen in onze voorkamer gesleten. Hoe de keuze op Klaas Brasjen is gevallen weet ik niet. Het kan zijn dat hij ook door Zwolle is benaderd of dat Frits zijn eigen mensen om zich heen moest verzamelen. Of de samenwerking van dit duo ook al voor de mobilisatie was geregeld is mij niet bekend. Ze vulden elkaar goed aan omdat Klaas een kalmerende invloed had op Frits. Deze was nogal “gaonde“ (druk, red.) zeiden we thuis.
Op de boerderij was inmiddels hulp gevonden in de persoon van Harm Grooteboer. Deze werd later opgevolgd door Hendrik Vonder en daarna door Anton Hendriks. Ook Hendrik Jan van der Kolk heeft nog bij ons gewerkt. Ik weet niet meer op welke plaats ik hem bij de anderen moet voegen.

Op aandrang van moeder en de kinderen moest er na een jaar worden omgezien naar een andere kantoorruimte. Die werd gevonden aan de “Ommerdiek”, de huidige Backxlaan, in de op dat moment leegstaande helft van het dubbel woonhuis naast Toersen, nabij het Molenpad. Je kwam aan de voorkant door de voordeur binnen in de wachtkamer. Deze was door middel van een loket verbonden met het kantoor. Ik heb nog meegeholpen aan de verhuizing van het kantoormeubilair. Dat gebeurde met een driewielige bakfiets.


Het huis van de plaatselijk bureauhouder aan de Backxlaan. De foto is van januari 2006.

Vanaf dat moment had Frits een baan buitenshuis en moest hij twee keer daags op en neer fietsen tussen de Oosterhulst en Nieuwleusen. Als de toeter (fluit) van de melkfabriek om 12 uur ging, was het etenstijd en moest je naar huis. Overblijven tussen de middag was er niet bij.
We dachten dat na de verhuizing alle drukte aan huis wel tot het verleden zou behoren, maar het tegendeel was waar. Zeker twee keer per week, maar meestal vaker, kwam er ’s avonds nog een vee- of varkenshandelaar met de vraag of Frits nog even voor een vervoerbewijs kon zorgen. Frits kon moeilijk nee zeggen. Eén varkenshandelaar kwam steevast op donderdag-avond tegen 10 uur met dezelfde smoes (“ik wasse zo drok vandage da’k ter niet an toe kon koom’n en ik dagge Frits dut det nog wel veur mi’j“). Soms was het ook wel terecht omdat ze diezelfde middag nog iets hadden gekocht of voor een ander moesten verkopen op de vrijdagmarkt in Zwolle.
De kantoorinrichting was zeer summier met tafels en keukenstoelen. Later werd dat aangevuld met oud materiaal van het bureau van de Provinciaal Voedsel Commissaris uit Zwolle. Een telmachine of schrijfmachine was er in het begin niet en alles werd met pen of potlood geschreven, met gebruik van carbonpapier voor een tweede exemplaar. De eerste schrijfmachine verscheen pas veel later.

De bezetting van het bureau werd geleidelijk aan uitgebreid. Willem Brinkman van Sluis 3 kwam in dienst (na de oorlog boekhouder bij gebroeders Muller) en Geertje Boesenkool. Ook kwamen er controleurs bij. Dat was nodig omdat er nauwgezet moest worden bijgehouden wat er geproduceerd werd aan vee en voedsel. Het laten verdwijnen van een varken of een koe was in de ogen van de bezetters misdadig. Klaas Borger (ook bekend als Klaas Wichers), Jan Lammertsen en Klaas Huzen zijn een paar namen die me zo te binnen schieten. Ik ben er van overtuigd dat deze mensen in die tijd last hadden met hun gezichtsvermogen. Vooral met het dorsen, waarbij ze het gedorste graan tot op de kilo moesten opnemen, verdween er wel eens wat voordat het de bascule had bereikt. Ook heb ik wel eens gehoord dat er bij een huisslachting wel eens twee varkens werden geslacht waarvan er officieel maar één aan de ladder hing. Het andere varken hing dan uit het zicht achter het huis of de schuur.
Ook moesten er controles bij boeren thuis worden uitgeoefend. Gecontroleerd werd of de aantallen overeen kwamen met de gedane opgaven. Ook de melding dat er ergens stiekem een varken of kalf werd gehouden voor eigen gebruik moest worden nagetrokken. Zeg dan maar eens nee als er al ergens verraad in het spel is. De controleurs droegen geen uniform maar een aantal van hen droeg zwarte leren beenkappen. Die waren voor enkelen toch wel een teken van herkenbaarheid.
Vergaderingen en werkverdeling vonden plaats op het plaatselijk bureau, waar het dan blauw zag van de rook van eigenverbouwde tabak. De overbezetting van het plaatselijk bureau, waar toen ook al sprake van was, moet denk ik worden gezocht in het feit dat deze mensen vrijstelling kregen om te werken voor de bezetter, zowel in eigen land als in Duitsland.
Elke landbouwer, groot of klein, had bij het begin van de mobilisatie, of later bij overname van een boerenbedrijf, een registratienummer gekregen. Dat bestond uit 6 cijfers waarvan het eerste cijfer meen ik de provincie en het tweede de gemeente betrof. Wel weet ik dat Frits heel vaak beter het registratienummer van iemand wist dan zijn volledige naam.
Het registratienummer stond vermeld op de registratiekaart met alle gegevens van het bedrijf. Het was de basis van de administratie en die werd nauwkeurig bijgehouden aan de hand van de verplichte eigen opgaven van de landbouwers en/of de bevindingen van de controleurs.

Ook is het plaatselijk bureau een overval door de ondergrondse ten deel gevallen. Daarbij werden de registratiekaarten meegenomen en dat was natuurlijk “een ramp” voor de administratie. De daders zijn volgens mij niet gepakt. Slechts een enkeling had in de omgeving een zwarte auto gezien, voor de rest had niemand iets gemerkt. Voorzover ik weet was er geen inbraakschade omdat ze de sleutel hadden gevonden die altijd op een geheime plek hing.
Ook na de oorlog is het plaatselijk bureau in Nieuwleusen in stand gebleven voor de registratie van de veestapel en de boerenbedrijven. Ik meen dat dit tot 1962 was, het jaar waarin Frits met pensioen ging. Het werken was inmiddels veel ambtelijker geworden. De destijds toch wel grote vrijheid van de plaatselijk bureauhouder werd meer en meer aan banden gelegd. Toen het kantoor werd opgeheven werd de administratie bij het kantoor Dalfsen gevoegd.


* * *


FOTO ACHTERPAGINA: ________________________________________________________

Willem Alteveer en Jentje Dijk.



Jaargang 24 nummer 2 juni 2006


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


FOTO VOORPAGINA: ________________________________________________________

De Ommerdijkerbrug zoals die na de Tweede Wereldoorlog over het kanaal de Dedemsvaart lag tot aan de demping van het kanaal rond 1970.

* * *


WAT NIEUWLEUSEN U BIEDT ________________________________________________________

Wat Nieuwleusen U biedt
Vindt g’ in heel den omtrek niet.
Koopt daarom bij onze MIDDENSTAND
En u wordt vast en zeker klant.
STEUNT ELKANDER te Nieuwleuse
Daar hebt ge verschillende keuze.
Zoo koopt U: bij SCHUURMAN een pet
Bij VAN GIESEL wat vet;
Bij KOSTER inkt en schrijfpapier
Bij NIJMEIJER een glaasje bier;
Bij VAN MARLE jas en hoed
Bij KLOSSE brood en stoet;
Bij MIJNHEER een stukje ham
Bij WESTERMAN een potje jam;
Bij WILDVANK een mooie ruiker
Bij G. KLOSSE beschuit en suiker;
Bij JONKERS een klokstel en wekker
Bij MENSINK een radio met stekker;
Bij STOLTE porselein en glas
Bij BEEKMAN een overjas;
Bij BOS wat wol en garen
Bij WESTERIK een fietslantaarn;
Bij HUISMAN een corset
Bij KATOELE een sigaret;
      En daarom:
      “Vlug naar de Omme(r)dijkerbrug
      Met een koopje ben je terug.”


Deze advertentie stond in een oude krant. Helaas weten we niet welke krant en uit welk jaar die is.

* * *


EEN FAMILIEVERHAAL IN FOTO’'S ________________________________________________________

D. Geerts-Bovenhoff
(De foto’s zijn afkomstig van de schrijfster)

Het huis aan het Oosteinde 41 is al behoorlijk oud. Het was oorspronkelijk een boerderij die tot de bezittingen van de familie Palthe behoorde. Het huis deed ook dienst als gemeentehuis. Dat wil zeggen er was een kamer in het huis die ter beschikking stond van de gemeentelijke overheid. Hier werd waarschijnlijk alleen vergaderd door de raad en werden de zaken door de gemeentesecretaris, die er woonde, en mogelijk ook door de burgemeester afgehandeld. Een echt gemeentehuis kwam er pas bij de bouw van een burgemeesterswoning aan het Westeinde, waarin dit werd ondergebracht.


Op deze foto van omstreeks 1925-1930 staan Heintje Kragt (1905-1930, overleden aan TBC) en Jan Kragt (1909-1987).
Jan Kragt was getrouwd met Willemina Boer (1914-2002). Ze kregen twee kinderen: Jansje in 1940 en Willemina in 1946.
Jan Kragt was een zoon van Albert Kragt (1869-1936) en Jansje Eshuis (1873-1940). Deze Jansje was een dochter van Hendrik Eshuis (1830-1896) die ook in het huis Oosteinde 41 woonde. Hij was rentmeester van de familie Palthe en ook gemeentesecretaris van Nieuwleusen.


Hendrik Eshuis trouwde in 1865 met Geertje Bovenhoff (1837-1916).

Beiden werden begraven op de oude begraafplaats aan het Westeinde, waar de grafsteen nog de plek aangeeft. Opmerkelijk is dat daar Bovenhof met één F is geschreven, terwijl de gebruikelijke schrijfwijze met dubbel F is.

Op de foto staat ze met dochter Maria (1867-1953). Daarnaast was er nog een dochter Gerridina (1875-1956) die trouwde met Willem Bovenhoff (1871-1935). Zij waren de ouders van Gosen Bovenhoff (1913-2003).







Jannes Eshuis (1803-1877) was de vader van de hiervoor genoemde Hendrik Eshuis. Hij werd geboren in Wierden, waar hij later ook een boerderij bezat. Die verpachtte hij en één keer per jaar kwam de pachter lopend met een ‘krentestoete’ in de ransel naar Nieuwleusen om de pacht te betalen.





Jannes was onderwijzer en zoals zijn grafsteen aangeeft gedurende meer dan vijftig jaar. Naar hem is de Eshuisweg genoemd. Hij trouwde in 1828 met Maria Grooten (1803-1882).



* * *


't JEUTIEN POETSEN ________________________________________________________

Klazien Bijker-van Hulst

Of ik mij nog schuldig vule? Nou nog, noa zestig joar?
Luuster zelf maar:
Ik zal zo’n ankomer van een joar of vieftien – zestien ewest hebben en ik zat op een mooie noajoarsmurgen op de laankwagen met een grote buul sausemangels. Veur et eerst noa lange tied had Evert et golden ooriezer ies weer opezet.
Mien va was de leste tied goed grammieterig in de hoed: - Het etgert lag al dagen in de gie te stinken. - De tiemse veerse die allange bliek mos hebben was weer terug’ekomen; bleek gust te weezn. - Dina 12 had vrange in ’t achtervurrel
Maar misschien zat em et meeste nog wal dwars det die slampamper van een dochter tumig bi’j huus leup.
Babbelegoegies zat, maar antiën, homaar!
“Va, kiek ies, de zunne schient, goed weer op de etgert!”
“Zoho, zi’j dan aggenniet det er alweer een schip met zoere appels ankump? En gaart die doppen maar ies op!”

Op de ien of aandere wieze hung et al een posien in de lucht. Hoe muk et zeggen, zuks vuul ie gewoon an. En ja heur .... het was op een würteldag, net noa et acht uur begunnen moe der over: Tja, tja, zie haa’n der samen ies over akkedeerd en ik mos niet denken det et zo gemakkelijk gonk, maar ... misschien was et veur iederiene beter dek de bienen ies een posien onder andermans toafel zol stikken.
Die toafel bleek bi’j tante Diena te stoan.
O, gien kwoad woord over tante Diena, maar zi’j wonen wel in Blasterbroek en det was een gat! Het lag ok nog net teegn de Stille Moerassen an.
“De muzen wilt er nog niet dood veur de spinde liggen, det hej vake ezegd va.”
“Is det zo, nee, ik heb ezegd det de muzen der dood veur de spinde ligt, en det is heel wat aans!”, zei va wat schroamerig.
“En moe, wie hef der altied zo eschaamperd det tante Diena een “Veur de Poelegrap-logementien hef?” “Jaha, nee, maar de leste tied ....”
Nee, vandage was het “tante Diena veur en tante Diena noa”.
Ze kon zo goed koken. Wat kon ze amoal niet veur lekkers maken: proemenkreuze, porrek, mikke, Jan-in-de-zak en blote kienderties in ’t grus.
“Oh, die mikke van tante, heb ie die wel ies epruufd? Man, ie weet niet wat oe angiet!”
“En de melk wurdt d’r nooit groter as de panne.”
Va mos zelf alderbarstens um det flauwe grappien lachen! Och, een beetien moeilijk hadden ze et er allebeide wel mee. Va maar wat friemeln an de tuk van zien streepkorenbroek en moe, as ze gien grommegies in ’t oge had mos ze ‘t vuur opbuten, en as ze ’t vuur niet opbuten dan tiebeln ze met de wiesvinger over de feguurties van et zwilken kletien. Zelf wok et ok wel op een reren zetten, maar det gunnen ik ze ok weer niet. ‘k Versloeken mi’j wel zowat in mien tweebaksbruggien en dat gaf va weer de gelegenheid um nor een buusdoek in ’t kammenet te zuken.
Gleed er ok nog een luusterse schulk van opoe onderuut!
“Dit mos ik begriepen” zei moe met een kikker in de nals, “t was veural veur mien eigen bestwil, zie zollen det kleistersnoetien wel missen, maar ik hoe’m niet te proberen het tij te keren.”

Lodderein veur tante in de noazuk, ‘n pongeltien met goed in de veurkiste en ikke d’r boovn op. Daor gong et, ’t eerste stuk op de boerenwagen. Wat et weer betreft, meer een ‘dag in de hilde’. Ik had maar al de gedachten bi’j de leste bosschop die ak met krege: Ik mos oppassen dek niet met hangende poties thuuskwam en dek mi’j niet mog ophoalen met de padjonges. Snap ie nou wat ze doar met bedoelt?
Buten reuk ik et al, keugies, tante was an ’t vet schremmen. In de gelagkamer met de grote gelpe schilderijen stund een holten balie met worstvleis.”’t Met”, zei tante. Peper, zolt en groes, et stund amoal al kloar.
Onder et warme sukela-drinken vertellen tante hoe gezellig wi’j et samen zollen maken: samen worstepennen snien, de spitten met soda burstelen, eipekel maken en steerntiesanies veur ‘t nij-joar! En d’r mos ok nog een halve viem winterbraand noar binnen enne ... ’t jeutien mos nog epoetst wurden ... ”t Jeutien poetsen?” Wel knus, zo samen met tante.
Och he, metiene kump tante met de bosschop det ze nog een gast in de muite zet. En nog wel een echte jonker! “ De breur van zien zuster” wus tante, jonkvrouwe Lucretia. Zij hef et veur em eregeld. Kiek, de jonker zol helderweg over de toeren ween en hij kump hier veur zien rust. Het schient met zien studie niet zo arg te lukken.
“Jonkheer Arthur van Santema de Larije studeert of op de bloedvaten van scharrewevers.” Tante had zien naam goed instudeerd. “Zukke lui kuj tommee natuurlijk niet zomaar bi’j de name numen. En wi’j mut ok wel over op hoog-haarlemmerdieks. Zo zeg ie: jonker, lust u nog mik met keugies? Of jonker van Santema, het huusje is bezet! Ha ha...”

Het valies van de jonker kwaamp al veuruut en doaran te zien kon e wel een vurreljoar blieven. Oei! Eigenlijk mos det maar niet deurgoan, vun ik. En veural niet toen’k em zelf teegn kwame. Hi’j keek toe of e kraampan weer kloar was van de blekens. En oh oh, wat koj zien det e van trabat was. Ach, misschien was e wel heel oarig! Kiek, hi’j tukken ok nog wat ... Likdoorns?
’s Nommes gonk e wat in de leste muzenstatties bi’j ’t vievertien zitten loeren. Toch nog maar ies een kans geven: “Jonker weet ie det hier in ’t veurjoar de tielozen bluuit?” Jonker gaf gien oasem, ok niet toen der iniens een everdassien veur zijn adelijke voeten uut de oerkenblatties glissen. Van trabat of niet, ik leut mien hele verblief hier niet verpesten. Santema de Larije, der mut iets gebeuren, maar hoe! Toen kreeg’k iniens een duvelse ingeving, zo alderbastend gemien ..., maar toch!
“Hef de jonker wel emarkt det de sfeer hier wat vrumd is?
Tante, ’t moeras en die lusse tuundeuren ... Nee nee, wacht, loak eerst ...” Hier gong ik flustern, haand half veur de mond, “die bullebak, die bullebak in ’t moeras, oh jonker. En de witte wieven der boovn ... Doet niks gien kwoad heur, maar zie zit onder de wurms en aander ongedierte. Zie drieft as ’t ware op heur gespuis. En tommee, as de ongedoane harfststormen over het duustere moeras boestert, nou, waart oe dan maar helemoal! Dan stuf et erof en iederiene hier zit er onder. Jachtwater, niet an te slepen. Iederiene onder et ongemak ...
En met boekweitenmoane ... een raar gespolster boom ’t vene!”
De jonker krabben al ies wat in ’t hemd, schoren wat hen en weer den ... “Jonker, eigenlijk muk oe dit niet vertellen, maar is et vandage niet net drie joar eleden det oom en zien beide zeuns niet teruggekomen bint van de jacht? Over het moeras mussen ze ... en det bewaart et geheim jonker. Kiek en et is triest, maar vanof die tied is tante totaal op een biestern. En iedere middag denkt ze maar det ze zo binnen koomt stappen. Vandoar die lusse deure.”

Opgeruumd kump tante de tuun inlopen, een koffiegeur kump met eur met.
“He he, het mooiste moment van de dag. De koffie broen, de manlui toeverdan thuus van de jacht. Koomt der maar vaste in, de deure stiet al lus, kan iederiene zo nor binnen.”
Ik krege zowaar een benauwd knipogien van de jonker!
“Koffie met cigorei, ha kiek, doar hej ze al.”
In de mist koomt ze stillegies over het verende grusveltien anlopen, oom met de beide neven, ’t geweer over de scholder en de hond die der umhen lup te spandieksen. De jonker stund as verstiend, doodsbleek, fiddern, kotsgeluudn, greep dan as de bliksem zien wandelstok en pleren der as een haze vandeur.
Schuldgevuul? Och, ’t mos zo ween!

* * *


SPREUK UIT
'HET RODE HERT' ________________________________________________________

Wie het vechten laat
En het borgen haat
Kan zonder schromen
Binnenkomen

* * *


LANG ZAL GUULKE LEVEN! ________________________________________________________

Bij zijn opsporingen kwam Ruben Koman uit Dordrecht/Dalfsen het hierna volgende vers tegen. Via Aartje Schoemaker kwam het vervolgens bij ons. Het is een vers dat voor Gulia Palthe is gezongen. Het verscheen in gedrukte vorm, waarbij de tekstdichter niet is vermeld. Ook is onbekend ter gelegenheid waarvan het is geschreven. Gezien de toevoeging “Lang zal ze leven” na het vers, moet het ter gelegenheid van een verjaardag of jubileum zijn geweest. Gulia werd ook wel Guul of Guulke genoemd.


Gulia Palthe, zittend op een bankje in het Palthehos, vermoedelijk op een plek niet zover achter haar huisje “Het Spieker”. Het is niet precies na te gaan, maar het bankje zou wel eens ongeveer gestaan kunnen hebben op de plaats waar nu de toegang tot museum Palthehof is. De foto is waarschijnlijk omstreeks 1920 gemaakt.





































Wijze: Dat gaat naar den Bosch toe.

Guul gaat in het voorjaar,
Naar haar mooi Nieuwleusen toe,
Blijft den heelen zomer daar,
't Stadsche leven moe.

Wordt met groot attentie
Door haar vriend Roelof de Haan,
‘s Morgens aan de statie
Uitgelei' gedaan.

In onze provincie
Maakt zij dan nog menig tocht.
Uit haar residentie
Wordt de buurt bezocht.

In Zwolle bij Truus Bloemen
, In Dedemsvaart bij Jo en Chris,
Er is geen plaats te noemen,
Waar zij niet welkom is.

In Deventer wordt haar bezoek,
Algemeen op prijs gesteld,
Ze staat daar in 't Museum-boek
Als eerelid vermeld.

Leef nog lang in Oldenzaal
In geluk, tevredenheid,
Daarop zij met vol bokaal
Eenen dronk gewijd!

-----

LANG ZAL ZE LEVEN!

* * *


WIE WEET WAT ________________________________________________________

Vraag 11: De Greef
Enige tijd geleden kregen we een ingelijste foto ten geschenke. Het zou waarschijnlijk gaan om een hoofdmeester van de school van het Oosteinde, school A. Verder was er niets bekend. Toen we de foto uit de lijst haalden, werd de naam zichtbaar die er onder was geschreven: “W.F.H. de Greef en Echtgenoot”. Maar hoewel we nu een naam hebben, is nog niet duidelijk wie het nu zijn. Omdat er echtgenoot staat zou het kunnen zijn dat het mevrouw is die met de (meisjes)naam De Greef is aangeduid, maar dit lijkt ons niet waarschijnlijk. En wie is de derde persoon op de foto en wat is zijn relatie tot de beide andere mensen? Reacties graag schriftelijk of per e-mail aan de redactie.


Gegevens uit de beeldbank:
Vlnr Willem Frederik Hendrik de Greef, geb ca 1865 te Arnhem, tr 07-08-1902 te Heerde als schoolhoofd, onbekend en Geertui de Greef-Rakhorst, geb ca 1868 te Heerde, overl 31-08-1912 te Oudleusen.

* * *


UIT MIJN POESIEALBUM ________________________________________________________


* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

Foto ZA043

Deze keer een groepsfoto van Openbare School A aan het Oosteinde. De foto is van omstreeks 1952.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

Gerrit Jan Huzen
Dirk Jan Evertsen
Henk Wesseling
Jannes Pot
Alex Bredewold
Arie Blik
Berend Zandink
Andries Bruggeman
Arend Jan Evertsen
Arie Huzen
Evert Jan Kappert

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  

Henk Katoele
Albert Kragt
Jan Reuvers
Jantinus Katoele
Minie Veerman
Dinie van den Berg
Hennie Kragt
Hendrika Brasjen
Pietje Kooistra
Ina Wesseling

22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  

Hennie Pot
Fennie Pessink
Leida de Weerd
Tinie Brouwer
Jannie Klunder
Mina Brouwer
juffrouw Taconis
Hennie Kappert
Antje Groen
Catharina Zandink

* * *


VEUL WILLE ________________________________________________________

A. Dijk

Veur lezen hadden de boeren mar weinig tied.
Ie’j weet wel hoo dat giet.
’t Was warken alle dagen,
zoas voeren, mesten en brandholt zagen.
Mar zelden heurden ie’j ze klagen.

De vrouw en de kinder holpen dapper mee
met het wetteren van de kalver en ‘t verzorgen van al ’t vee
En zo begun augustus op ’t laand,
bönden ze de rogge in de baand.

Omdat d’r gien verharde wegen waren
leek het of de boerderijen ver vot lagen.
Alle wark gebeurd’n met peerd en wagen.

D’r word’n nogal ies ‘ezegd
en zo was ‘t echt:
Een vrouwenhaand
en een peerdetaand
stoat nooit stille.

En toch hadden de mensen veul wille.

* * *


RECTIFIKATIE ________________________________________________________

De naam van nummer 10 op de groepsfoto in het kwartaalblad van maart 2006 is niet Lammie Bouwman maar Lammie Moerman.
Dit is aangepast in de lijst.

* * *


KATJA JONKERS VERTELT I ________________________________________________________

In de krant van zaterdag 2 december 1916 stond de volgende advertentie:

Notaris VISSCHER zal
Dinsdag 5 December 1916
des namidd. 2 uur ten huize
van Ad. Klosse, bij Sluis 3,
in den Hulst doen inzetten en
14 dagen later publiek
verkoopen, voor den Heer
G.J.JONKERS en KINDEREN,
      een perceel best
          Weiland
met singel “Palthens Meele”
aan den harden weg, bij de school,
op de Meele, groot 2.34.70 H.A.
in 2 perceelen, belend de familie
Kouwen en Bd. Kuiterman.

Gerrit Jan Jonkers was op 3 november 1908 weduwnaar geworden. Hij bleef achter met vier kinderen, waarvan de oudste 12 jaar oud was. Klaasje (Katja), de derde dochter, heeft later een verslag van haar leven gemaakt. Dat is uitgegeven met de titel: Katja’s jeugd. We zijn niet in het bezit van het originele boek. Er is geen uitgever of jaar van uitgeven van het boek bekend.
Katja beschrijft haar tijd en omgeving zeer herkenbaar en omdat het boek zo onbekend is, gaan we de komende tijd daaruit stukjes tekst publiceren. Zo krijgt u een interessant tijdsbeeld van Nieuwleusen in de eerste helft van de 20e eeuw. We doen dat aangepast en voegen stukjes tekst samen over onderwerpen die verspreid door het boek worden beschreven.
(In “Ni’jluusen van Vrogger” 2e jaargang nummer 1, maart 1984 is een fragment opgenomen uit het boek Katja’s jeugd.)

Het gezin Jonkers
Gerrit Jan Jonkers, geboren op 6 juni 1868 in Nieuwleusen, was een zoon van Klaas Jonkers en Margje Jansen. Hij trouwde op 8 februari 1894 in Nieuwleusen met Hermiena Borgers, geboren 5 juni 1871 in Nieuwleusen en overleden 3 november 1908 te Nieuwleusen. Zij was een dochter van Willem Borgers en Janna Brasjen.
Uit dit huwelijk werden geboren:

1.
2.
3.





4.
5.

Margje, geboren 16 september 1896 te Nieuwleusen.
Janna, geboren 24 december 1899 te Nieuwleusen.
Klaasje, geboren 4 april 1902 te Nieuwleusen, overleden
15 mei 1981 te Zeist. Zij trouwde op 2 december 1920 in
Dalfsen met Gerrit Rozeboom, geboren te Dalfsen
ca. 1896, zoon van onbekend en Hendrika Rozeboom.
Klaasje trouwde later met Bart Kuus. Ze is de schrijfster
van het boek Katja’s jeugd.

Willem, geboren 1 juni 1904 te Nieuwleusen.
levenloos geboren dochter op 20 oktober 1908 te
Nieuwleusen.

Haar ouderlijk huis
Het huis waar Katja geboren werd, stond op de Meele, vlak naast de school.
Katja vertelt:
Bij ons thuis hadden wij een kleine boerderij, koeien, kippen, een geit en kalfjes. Wij hadden ook een paard, een mooie bruine hit, een trouw en lief dier.
Er was een waterput voor alle gebruik. In die tijd was er nog geen waterleiding. We hadden een grote lap grond met veel vruchtbomen, zoals appels, peren, pruimen, kersen en ook een mispelboom. Daarbij een groot stuk land waar zomers de koeien graasden. Er was een grote hooiberg en een kleine, een grote wagenschuur en een bijenschuur, want vader had ook bijen. Verder nog een klompenschuur, daar maakte vader zelf klompen voor heel veel mensen.
Van binnen zag ons huis er als volgt uit:
Het woonvertrek – de kamer waar wij dagelijks in leefden – daar stond een grote zware mahoniehouten kast en in het midden een ronde tafel op drie poten, die geverfd was, en oud-Hollandse stoelen. Dan waren er twee bedsteden, waarin wij sliepen.
Ook een grote haard met een schoorsteen waaronder het vuur altijd heerlijk brandde. Boven het haardvuur werd al het eten gekookt. Nog zie ik die grote ijzeren pot hangen waar de aardappels in gekookt werden. Voorop de schoorsteen stonden twaalf roodgebloemde borden. Ook hadden wij een grote Friese klok met dikke koperen gewichten eraan.
Aan de muur hingen twee schilderijen. Een ervan stelde Jezus met de twaalf discipelen voor tijdens het Laatste Avondmaal. Het andere heette Genoveva. Verder was er nog een spiegel.
In de muur was een kast gemetseld die wij toen de spinde noemden.
Vader had ook een jachtgeweer, dat aan de balken in de woonkamer hing.
Verder was er nog een vertrek waar vader de klompen bewaarde die de mensen altijd bij hem kochten. Ook in dat vertrek was een bedstee gebouwd. Er was ook nog een vertrek waar een handkarn stond, waar wij boeren boter mee maakten. In dat vertrek was een grote kelder.
O ja, in de woonkamer stond ook nog een grote beschilderde kist. Daarin bewaarde vader zijn geld. Zo, dat was dan ons dierbaar ouderhuis.


Het ouderlijk huis. De foto is van de tijd toen het gezin Jonkers er niet meer woonde.

En nu dan het achterhuis.
Van de woonkamer – de heerd zoals dat toen werd genoemd – kwam je op de deel.
Daar stonden vijf koeien naast elkaar en daarnaast een pinkvaars (is een jonge koe) met een geit en een jong kalf. Achter de koeien een grote ruimte en aan beide kanten twee grote varkenshokken, waar mooie kleine biggetjes werden geboren.
Aan de zijkant, naast de koeien stond ons mooie trouwe paard.
Op de deel stond een grote houten koekmolen, waar wij grote lijnkoeken in konden malen, die we de koeien voerden. Verder wat tonnen met meel voor het vee en een grote hakselkist met strohaksel, wat voer is voor het paard.
Boven de varkenshokken had vader de kippenren gemaakt, waar de kippen de nacht doorbrachten. En boven de koeien was een plankenzolder gemaakt, waar van alles opgeborgen lag. En dan de grote balkenzolder. Wanneer het koren rijp was ging daarop elk jaar de eigen verbouwde rogge en ook de boekweit en de haver.
Van het roggekoren kregen wij heerlijk roggebrood. Van de boekweit kreeg je fijn meel, waar wij heerlijke pannenkoeken en lekkere pap van kregen. Maar voor het koren meel was, kwam er heel wat werk aan te pas. Maar dat hoort nu eenmaal bij een boerderij.
Zo, dit was dan het een en ander over ons ouderhuis.

School
Wij woonden vlak bij de school. In het vroege voorjaar moesten alle jonge kinderen worden ingeënt voor de pokken.
De dokters reden toen nog met paard en wagen en onze dokter woonde wel een uur gaans bij de school vandaan. Als hij naar de school ging om de kinderen in te enten, dan kwam hij met een mooie tentwagen bij ons het erf op rijden, want hij liet zijn paard altijd bij ons op de stal staan. Ik stond al bij de brug over de sloot op de uitkijk toen de dokter naar vaders huis kwam. “Zo, kleine meid, dit is voor jou” en hij gaf mij een grote zak biscuit.
De dokter liep naar binnen en daar kwamen een heleboel kinderen het bruggetje over en vroegen om een biscuittje. Ik ging uitdelen, vond dat prachtig, zoveel kinderen om mij heen.
Maar, o schrik, daar riep moeder. Wil je wel eens hier komen!
De zak met biscuit was bijna leeg. De schoolkinderen liepen weer hard naar school terug. Maar moeder was erg boos en ik moest voor straf op de deel bij de koeien blijven.
Ik begreep helemaal niet wat ik verkeerd had gedaan.
Toen begon het paard van de dokter te hinniken. Ik dacht, ik zal hem wat haver geven, net als vader altijd doet. Maar ik kon niet bij de ton met haver komen.
O, daar stond een stoof en ja hoor, daar had ik al een schepje haver, nog maar eentje, dat deed vader ook altijd. Het paard begon lekker te eten en ik schepte maar door, totdat de deur van de woonkamer openging en moeder en de dokter zagen wat ik aan het doen was.
“Wat een grote meid”, zei de dokter, “ze wil voor mijn paard zorgen.” Maar moeder pakte mij op en ik kreeg flink voor mijn billen en toen stopte ze mij ook nog in de grote hakselkist.
Daar zat ik dan en begreep er niks van, wat voor kwaad had ik gedaan?
De dokter haalde het paard uit de stal, groette moeder vriendelijk en vertrok weer. Maar moeder liet mij in de hakselkist zitten, maar waarom, want koekjes uitdelen aan de kinderen dat vond ik maar wat fijn, al snap ik nu dat die koekjes voor de kinderen van moeder waren bedoeld. En zij had er ook zelf niet ééntje van gehad.
De volgende dag kwam de dokter onverwachts weer.
Hij reed als gewoonlijk ons erf op. Ik schrok ervan. Net toen ik hard wilde weglopen, riep de dokter: “Katja, kom eens hier.” En een groot blik biscuit kreeg ik in mijn kleine handjes.
“En nu niet meer uitdelen hoor. Gauw naar moeder brengen.”
Daar kwam moeder net naar buiten. Ze bedankte de dokter en die zei toen dat het was omdat ik zo goed voor zijn paard had gezorgd. Hij tilde mij hoog op en zei: ”Dag brave meid”, klom weer in zijn tentwagen, groette moeder nog een keer en ging er vlug vandoor.

wordt vervolgd

* * *


DE PLAATS VAN ROLLECATE IN DE ONTWIKKELING VAN HET LANDBOUW- HUISHOUDONDERWIJS ________________________________________________________

Hoofdstuk 3
DE PRAKTIJK OP DE ROLLECATE.
Per leergang konden hooguit twaalf leerlingen op De Rollecate worden geplaatst. Bij de eerste twee groepen was het aantal aanmeldingen te gering om te kunnen selecteren. Deze groepen waren dan ook kleiner en toonden een zeer grote verscheidenheid in voorkennis, achtergrond en leeftijd. Een oud-leerlinge van de eerste groep schreef:
In het begin waren het voor het merendeel welvarende families uit de boerenstand en de dorpsnotabelen die zich een dergelijk opleiding voor hun dochter konden veroorloven en er achter stonden. Ze waren er al aan gewend dat hun dochters in de stad of in een pensionaat verder leerden, ze konden het schoolgeld betalen en de meisjes hoefden thuis geen inkomsten of arbeid in te brengen.
De leerlingen woonden met de directrice, een tweede lerares en de huishoudster in de oude rentmeesterswoning. Er was een gezamenlijke huiskamer en eetkamer met serre.
De leerlingen deelden met z’n tweeën of drieën een slaapkamer, de leraressen hadden ieder voor zich een kamertje.
Samen vormden ze één huishouding en leefden als het ware in één gezin. Het internaat kenmerkte zich door een ‘opgewekte, prettige geest’.
Gasten waren erg welkom en het was niet ongebruikelijk dat zij bleven eten, evenals de externe leerkrachten.
De huishouding was coöperatief geregeld.
De leerlingen waren ingedeeld voor ‘groepenwerk’, een soort corvee dat maandelijks een andere groep werkzaamheden bevatte. Zo leerden ze zelfstandig alle voorkomende werkzaamheden in een huishouding ter grootte van een doorsnee gezin af te handelen.
Om dit alles tot een leeroefening beperkt te houden, waren er ook een huishoudster, een tuinman en een tuinman/huisknecht in dienst.


Een foto van de school omstreeks 1920.


De omstandigheden waar-onder de leerlingen hun leertijd doorbrachten, blijkt uit de volgende terugblik:
Het gebrek aan moderne voorzieningen hing samen met de afgelegen ligging van de school. Directrice Mansholt erkende dat niet ieder dat even prettig zal hebben gevonden, maar ze benadrukte de voorbeeld-functie die hiervan uitging. In de praktijk moesten de leraressen kunnen inspelen op de eenvoudige omstandigheden waaronder hun leerlingen werkten en leefden.
Geleerd werd er ook buiten de school. Soms ging een leerlinge met de directrice mee op huisbezoek. Oud-leerlingen herinnerden zich ook hoe de leidsters Mansholt en J. Huizinga hen waren voorgegaan in hun grote belangstelling in en nauwe contacten met de bewoners in de streek rondom de school. Zo kwam de directrice te hulp bij een bevalling die zich onverwachts had aangediend.
De aspirant-leraressen gingen hospiteren op nabijgegeven cursussen en gaven een enkele keer zelf les. Ook woonden ze lezingen in het dorp bij, zoals een landbouwvoordracht in 1916. Daarover schreef de pers in meerdere kranten. Bovendien gingen ze gezamenlijk op excursie. Was het in de buurt, dan ging het op de fiets. Zo bezochten zij fabrieken om meer over de samenstelling van producten te weten te komen. Ook stonden grote landbouwtentoonstellingen op het programma. Voor de culturele opvoeding namen de baron en barones wel eens enkele leerlingen mee naar de schouwburg in Zwolle. Tenslotte namen de vele gasten uit binnen- en buitenland ‘de wereld mee’.


We hadden connecties met het postkantoortje (2e huis van rechts).

De opleiding was zwaar, het lesprogramma vol. In het weekeinde kon werk worden ingehaald, omdat de leerlingen alleen in de vakanties naar huis gingen. Toch was er ook tijd voor de nodige afwisseling en ontspanning. De leerlingen gingen na de lessen, die om vijf uur waren afgelopen, graag even op pad of het dorp in:
Een andere keer richtten we onze schreden naar Den Hulst ‘het dorp’ op 15 minuten afstand. (....) Verder hadden we connecties met het postkantoortje, waar onze vriend Huzen de scepter zwaaide bij een klein petroleumlampje. We hadden hem nodig voor onze correspondentie en zijn telefoon was voor ons meermalen de redder in de nood. In ’t bijzonder in de eerste mobilisatiedagen van augustus 1914 was het Huzen die ons van het wereldgebeuren op de hoogte hield. In de derde plaats was het Klosse die ons belang inboezemde. Klosse was voor ons de Bijenkorf van Den Hulst. Daar kon men kruidenierswaren, brood, klompen, touw, steengoed en nog veel meer kopen. Nadat de inkopen waren gedaan, stonden we gewoonlijk nog lang tegen de toonbank geleund om het plaatselijk nieuws te verhandelen.

VOORBEELDFUNCTIE
Theda W.S. Mansholt (1879-1956) had een uitgesproken visie. Zij stimuleerde boerinnen en andere plattelandsvrouwen hun lot in eigen hand te nemen. Ze drong er op aan dat vrouwen een eigen aandeel in de modernisering van de landbouw en in de verbetering van de levensomstandigheden op het platteland zouden oppakken. Als directrice bereidde ze jonge vrouwen uit voornamelijk meer gegoede kringen voor op ontwikkelingswerk onder hun minder welgestelde of moderniseringsgezinde zusters. Ze streefde nadrukkelijk een brede maatschappelijke invulling van het leraressen werk na.
De Rollecate kreeg een voorbeeldfunctie en Mansholt werd om advies gevraagd toen rooms katholieke organisaties ook een opleidingsschool wilden oprichten. De tweede lerares van De Rollecate, J. Kruizinga, kreeg tijdelijk de leiding over die nieuwe opleiding, hoewel ze niet rooms katholiek was.
De oud-leerlinge G.E.G. Smit (1900-1980) werd in 1929 door de rijksinspectie benoemd tot adjunct-inspectrice en in 1932 tot inspectrice van het landbouwhuishoudonderwijs (tot 1963) en stuurde in die hoedanigheid bovendien de Stichting Huishoudelijke Voorlichting ten Plattelande aan. Zij vervulde jarenlang een spilfunctie in het onderwijs- en ontwikkelingswerk voor vrouwen in de landbouw en op het platteland.

Een andere oud-leerlinge was A.C. Risselada (geb. 1896). Zij kwam uit Nieuwleusen en was geen boerendochter, maar dochter van de plaatselijke huisarts! Ze slaagde voor De Rollecate in 1918 en werd landbouwhuishoudlerares met standplaats Hengelo/Deventer. In 1920 bezocht ze oud-leerlingen van door haar gegeven cursussen te Usselo en Boerhaar om na te gaan hoe deze de leerstof toepasten. In haar verslag constateerde ze dat ...al veel verbeterd is, maar dat er ook nog veel is, wat we gaarne anders zouden wensen. Misschien zal dit ook mettertijd nog wel veranderen, vooral nu de boerin blijk heeft gegeven, dat zij zich bij die verandering goed bevindt.
Haar raad om voor frisse lucht en zon in de woning te zorgen, was wel goed opgevolgd. Eén leerling had hiervoor zelfs een boom laten kappen. Het merendeel verklaarde ook voortaan met een raam open te slapen. Soms was voor dit doel een ander raam geplaatst, een andere keer de bedstee verruild voor een ‘moderne’ slaapplaats met een ledikant. Het koken op open vuur in de schouw was in veel gevallen naar het verleden verbannen door de installatie van een fornuis.
Toen de Gelders-Overijsselse Maatschappij van Landbouw in 1920 ter gelegenheid van haar 75-jarig jubileum een speciale Boerinnendag organiseerde, hielp ze mee om daarbij het landbouwonderwijs onder de aandacht te brengen.
In 1929 had de Internationale Vrouwenraad haar congres in Londen van 30 april t/m 3 mei verlengd met een Internationaal Congres voor Vrouwen op het Platteland om specifieke zaken voor plattelandsvrouwen te bespreken. De ederlandse Vrouwenraad had hiervan gehoord en vroeg zich publiekelijk af waarom Nederland op deze bijeenkomst ontbrak. Na enig overleg ging oud-huishoudlerares A.C. Wiersma-Risselada als afgevaardigde voor Nederland naar dit congres. Na haar terugkomst ontpopte ze zich tot een fervente propagandiste voor een nationale organisatie voor boerinnen en andere plattelandsvrouwen in Nederland.
De te organiseren bijeenkomsten van boerinnen moesten volgens haar ter ‘verdere ontwikkeling en ontspanning’ dienen. Dat zouden dus geen gemoedelijke onderonsjes worden waarin de laatste dorpsnieuwtjes werden doorgenomen bij een handwerkje en een kopje thee.
Al een jaar later werd op 14 oktober 1930 de Nederlandse Bond voor Boerinnen en andere Plattelandsvrouwen opgericht. De Bond stond open voor alle vrouwen op het platteland, maar het accent in de activiteiten zou bij de boerinnen liggen. Het doel van de bond werd ruim geformuleerd. Het werkterrein omvatte het gehele gebied van ‘geestelijk en stoffelijk welzijn’ op het platteland.
(In 1938 werd de oprichting van een landelijke christelijke bond een feit; de CBPB = Christen Boerinnen, boerendochters, Plattelandsvrouwen en -meisjes Bond.)
Geïnspireerd door de volkshogescholen in Denemarken die voor de plattelandsbevolking zesweekse cursussen in internaats-verband verzorgden, kwam in 1931 in Nederland de Vereniging tot Stichting van Volkshogescholen tot stand. A.C. Wiersma-Risselada had in het voorlopig comité aan de voorbereiding gewerkt en J. Huizinga nam plaats in het bestuur. Niet lang daarna werd de eerste volkshogeschool in Bakkeveen geopend en in 1938 volgde de volkshogeschool in Markelo. Op verschillende manieren hebben leraressen uit het landbouw-huishoudonderwijs aan het volkshogeschoolwerk meegewerkt.

* * *


SCHUTTERCERTIFICAAT UIT 1832 ________________________________________________________

J.W. de Weerd

Op de tentoonstelling “Een blik waardig” die dit seizoen in museum Palthehof is te zien, ligt in een vitrine een blikken koker met een brief. Deze kregen we enige tijd geleden ten geschenke aangeboden. De brief is geschreven in 1832. Al die jaren is de brief en de bijbehorende oorkonde opgerold in de blikken koker bewaard. De conditie van het papier is dan ook nog redelijk goed.
De brief is geschreven door een moeder aan haar zoon Hendrik Rens. Deze heeft als schutter zijn militaire plichten vervuld en wel zo rond 1822 in Zwolle. Kennelijk is hij lang schutter geweest (was het zijn beroep?) want in 1830 en 1831 nam hij deel aan de krijgsverrichtingen, vermoedelijk tegen de opstandige zuidelijke Nederlanden. Hiervan werd op 28 maart 1832 een Certificaat opgemaakt. Het schijnt dat zijn moeder dit voor Hendrik geregeld heeft.
Wellicht zijn er ook schutters van hier geweest die in 1830/31 het land hebben verdedigd en ook zo’n certificaat hebben gekregen.
Hoewel deze brief niet direct betrekking heeft op Nieuwleusen, nemen we hem hierbij toch op. De tekst is letterlijk overgenomen, maar ter wille van de leesbaarheid zijn er punten geplaatst aan het einde van een zin.

Nunspeet Den 1 Junij 1832

Mijn Veel Geagte Zoone.
Ik Laat U Weeten Dat Wij Door Gods Goedheid Noch Alle Gesond Zijn En Dat is ook Mijn Herten Wensch Voor Uw. Was het Anders Dat Zou Mijn tot Droefheid Zijn.
Ik hebt Uw Geschren (geschreven) dat Ik het Zou onderzoeken Zoo Veel als In Mijn Vermoogen was. Dat Heb ik Gedaan. Uw Naam Staat Hendrik Rens te Boeke Bij De Commesaarius Melycie H. Loek Te Zwolle. En Dat Gij onder de Naam van Schutter Zijn Gevonden Den 18 Octoober 1822. En Daar heeft Hij Mijn Een Cerficaat Van Gegeven En Zoo Gij die Nodig hebt Dan Schrift Mijn Maar. Hij Heeft Mijn Gesigt Dat Gij hem Voor Dien tijd Niet Nodig En Hebt. Maar ondersoekt Het Dan Zal ik Hem Stueren Na Uw toe.
En Schrijft Mijn Eens Hoe Gij het Hebt Met Uwe Besigheeden. Eerdaags Verwagt ik Een Brief Van Uw lieve.
En De Vrugten staat tot Hier toe Mooy. Meer Bysonderheeden kan ik Uw Niet Schrijven. ons Vee is ook Nog Gesont.
En Verder Ziet Van ons Allen Gegroet.
Ick Scheij er Uit Met De Pen Maar Nimmer Met Herte.
Ziet Nochmaals Gegroet Van Vader Broeders en Zusters ooms En Meij en De Groetenisse Van Ferines En Jan Mulder En Zijn Vrou Aan H. Mulder.

L.H. Rens 1832


* * *


FOTO ACHTERPAGINA: ________________________________________________________

Lammie Huisman en Bertus Jonkers, ca 1941.



Jaargang 24 nummer 3 september 2006


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

(Volledige colofon als afbeelding aan het eind van iedere jaargang)

* * *


Foto voorpagina: ________________________________________________________

Spoorwegovergang, trambrug en daarachter de spoorbrug. Zo was de situatie bij Station Dedemsvaart-spoor (rechts, niet zichtbaar) ook ongeveer in de tijd dat de meisjes voor de opleidingsschool Rollecate met de trein aankwamen.

* * *


REUNIE ROLLECATE ________________________________________________________

G. Kreule-Kok


Als vertegenwoordigers van onze vereniging hebben mijn man en ik in september 1985 op uitnodiging de reünie van oud-leerlingen van de opleidingsschool voor leraressen bij het landbouwhuishoudonderwijs bijgewoond. De samenkomst was bij De Uuthof, vroeger café Huisman, dat bij de oud-leerlingen goed bekend was. De damesreünisten waren allemaal rond de tachtig jaar. Het was dus al lang geleden dat ze als jong meisje op het station Dedemsvaart-spoor uit de trein stapten en met de tram of lopende langs de Dedemsvaart naar de Rollecate gingen.

Na de kennismaking en groepsfoto ging het naar Rollecate. Daar kwamen de tongen pas goed los. Hele verhalen werden er verteld over het schoolleven. Op de bovenverdieping was het: hier sliep ik en weet je nog wel van die ene keer!
Ik raakte in gesprek met mevrouw Rakhorst. Ze vertelde dat zij later de opdracht kreeg om een kookboek te maken met recepten die makkelijk in korte tijd te bereiden waren en met voedzame en vooral goedkope ingrediënten. Het door haar geschreven kookboek gebruikten wij in de jaren 1948-1950 op de huishoudschool (in OLS te Den Hulst) bij de kookles.
Mevrouw Rakhorst beloofde me dat ze wat van haar opleidingsherinneringen op papier zou zetten en wat foto’s zou sturen. Een tijdje geleden kreeg ik haar brief weer in handen. Ik heb weer genoten van haar verhaal over het zwemmen in de Dedemsvaart met de jongens van de Meele. Omdat ik zelf in die omgeving ben opgegroeid, heb ik uit de buurtschap veel verhalen gehoord. Het leslokaal bij huize Rollecate is later gebruikt als noodkerk. Ik ging daar iedere zondag als meisje van een jaar of tien naar toe met mijn grootmoeder die nog in klederdracht was.
De reünie was een geslaagde gebeurtenis waar iedereen van genoten heeft. Met haar verhaal geeft mevrouw Rakhorst ons een indruk van het leven en werken op de oude Rollecate. Ze heeft daar zestig jaar later met genoegen aan terug gedacht.

* * *


HERINNERINGEN AAN ROLLECATE ________________________________________________________

S. Rakhorst-Schokkenkamp

Op de reünie te Den Hulst op 18 september 1985, waar vele oud-leerlingen van de opleidingsschool voor leraressen bij het landbouwhuishoudonderwijs de Rollecate bijeenkwamen, werd mij gevraagd iets te vertellen over die school, haar doel en haar werkwijze. Ik zal trachten de tegenwoordige Hulsters iets wijzer te maken. De meesten zullen de oude Rollecate niet meer als school gekend hebben, want ik spreek nu over ongeveer 60 jaar geleden (in 1985, red.). Ik ben nu 82 jaar en volgde van september 1923 tot 1925 de opleiding. Vóór mij waren al een paar klassen geweest en ná mij kwamen er nog enkele, totdat de school naar Deventer verhuisde.
De opleiding is eigenlijk ontstaan toen het landbouwonderwijs voor jongens goed op gang kwam. Toen ontdekte men dat de wat beter opgeleide jonge boeren geremd werden door hun vrouwen, die het nut van kunstmest en andere moderne toepassingen niet zo beseften en deze fratsen maar geldverspilling vonden.
Deze vrouwen en meisjes moesten ook wat meer lezen over andere landbouw- en ook huishoudmethoden. Het klakkeloos overnemen van de werkwijzen van vader en moeder was voorbij, vele nieuwe ontwikkelingen hadden zich voorgedaan en men moest meedoen of achterblijven. Om de vrouwen en meisjes op het platteland te bereiken moesten cursussen gegeven worden en daarvoor werden de leraressen opgeleid op de Rollecate (neutraal), de school te Zetten (op christelijke basis) en Posterholt, een kloosterschool in de buurt van Roermond.
Nu verder over de Rollecate.
Het grote huis en de woning van de tuinman, waar de meisjes ondergebracht werden, zijn weinig veranderd. We konden dat tijdens de gastvrije ontvangst van de tegenwoordige bewoners constateren, (maar het ‘hele grote huis’, waar Baron van Dedem woonde was verdwenen).
Hoe men ooit op het idee kwam om op deze afgelegen plaats de school op te richten weet ik niet. Waarschijnlijk is Baron van Dedem de gangmaker geweest. Den Hulst lag aan de Dedemsvaart en was te bereiken met de zelden rijdende tram naar Dedemsvaart. Verder lag het aan de spoorlijn Zwolle – Meppel. Dat “aan” was maar betrekkelijk. Van het station Dedemsvaart naar de Rollecate liep je 20 minuten en naar Den Hulst nog verder langs de vaart, waar de wind je goed vatte.
Ik herinner me nog mijn eerste kennismaking met de weg, de school en Den Hulst. Het was een gure regendag na een storm, overal lagen afgewaaide takken en alles was grauw en koud. Ik moest die dag met nog een meisje uit Leeuwarden toelatingsexamen doen. Wij waren de laatst opgeroepenen omdat onze namen met de letter S begonnen. Toen ik langs de opstandige grijze vaart voortworstelde zag ik de toekomst donker in. Wat een oord!
Gelukkig liet de buurt zich later wat vriendelijker zien. Ik heb het er fijn gevonden en nu na 60 jaar vond ik het er nog prettig, hoewel de bomen veel groter en de schooltuin en het weerhuisje verdwenen waren. De beek met de eenden was er nog, al zullen het wel niet dezelfde geweest zijn die we soms ’s avonds al maar steentjes achter hen gooiend naar huis moesten drijven als ze weer eens heel ver weggezwommen waren. Ik deed dat graag als de ondergaande zon de rode zuring op het stille Staphorsterveld in gloed zette. Ik heb veel genoten van de mooie stille omgeving. Daar ik vlug leerde en niet geplaagd werd door eerzucht om hoge cijfers te halen, hield ik na mijn huiswerk nog wel tijd over om ervan te genieten.
Nu iets over het leven op de oude school.
De leiding was bij de Groningse mejuffrouw Theda Mansholt, een aardige, maar wat afstandelijke vrouw met veel idealen. Ze werd bijgestaan door de inwonende lerares mejuffrouw De Vries, een gezellig vrolijk type. De leiding van de huishouding was bij mejuffrouw Boersma, evenals mejuffrouw De Vries een Friezin. De tuinman was v.d. Hoff, die tevens meestal het water oppompte; dienstmeisje en werkster hielden het gebouw en de school schoon.
De leerlingen kwamen uit alle hoeken van ons land en waren vreemden voor elkaar. We werden over de tweepersoons kamers verdeeld en moesten het maar samen proberen. In onze klas ging het best. Ik kwam met een prettige Friezin in de Bijhof. Ik herinner me nog dat de wat moeilijke combinatie van een zeer vlotte stads Brabantse met een wat stijve en verlegen Friezin werd gered doordat de één de ander moest helpen zich te ontdoen van het toen nog algemeen gedragen harnas, het korset met baleinen dat ze maar niet uit kon krijgen.
Omdat de Rollecate zo afgelegen lag, waren we geheel op elkaar aangewezen. Het werd gelukkig een gezellige huishouding. Behalve de praktijk- en theorielessen die in de aparte school gegeven werden, kregen we ook een taak die geregeld wisselde. Ik weet ze niet allemaal meer, maar herinner me wel het schoonmaken en bijvullen van 8 petroleumlampen, het verzorgen van de kippen en eenden, het netjes houden van de provisiekast en het koken.
We hadden allemaal na H.B.S. of enkelen MULO, de huishoudschool doorlopen en konden nu onze wijsheid in praktijk brengen. Een groot fornuis in de keuken was beschikbaar voor de kokerij. Wij aten gewone boeren- en burgerpot die er bij ons jonge en iets oudere mensen goed inging. Ik weet nog dat bij de avondboterham veelal een grote vuurvaste schotel op tafel kwam met een inhoud van ongeveer een halve emmer. De eetlust was best.
Nu iets over ons dagelijks leven. Wij van de Bijhof liepen ’s morgens naar het grote huis. We ontbeten daar, deden onze taken en gingen na de koffie naar de school voor de praktijklessen, o.a. koken, wassen, strijken, alles nog met de primitieve middelen van die tijd, geen elektrische klutsers of strijkijzers en veel bewerkelijker wasgoed. We wisten niet beter en het resultaat was goed, maar de moeite groter.
Na de morgenlessen werd er warm gegeten en ’s middags werden de theorielessen gegeven door leerkrachten uit Meppel of Zwolle. Doordat onze groep zo klein was, bleef het gezellig.
Het onderwijs was niet gemakkelijk, zodat er ’s avonds flink gewerkt moest worden. Toch hadden we ook onze ontspanning. Radio en televisie waren nog niet uitgevonden zodat we ons op eigen kracht moesten amuseren. In de huiskamer stond een piano en we hadden een muzikaal zeer begaafde leerling, die de mooiste sonates ten gehore bracht. Verder zongen we naar beste krachten liedjes o.a. van Hanna de Wijs Houton en alle soorten volksliederen die nu allemaal verdrongen zijn door popspektakel.
Zo nu en dan zochten we ons amusement in het dorp wanneer daar een “uitvoering” was van een plaatselijke vereniging. Ik weet niet meer in welke zaal zich dat afspeelde, maar één toneelavond vergeet ik nooit. Het was een stuk in de geest van Heijermans “Op hoop van zegen”, maar het betrof hier het leven van een loods, die schepen moest binnenbrengen. Het was een wat triest stuk en heel lang (zes bedrijven). Plotseling tijdens het zoveelste bedrijf zakte de hoofdrolspeler door de knieën en bleef liggen. Toen men begreep dat dit niet bij het stuk hoorde, zakte het gordijn en werd de uitgeputte, totaal overspannen man weggehaald. Hij had zich zo intens ingespannen bij het lezen en instuderen van zijn grote rol, dat hij er “bij neer viel”. Ik weet zijn naam niet meer, maar ik meen, dat hij schoenmaker van zijn vak was. Hij had dus beter bij zijn leest kunnen blijven.

Een enkele keer, als er in Zwolle wat heel interessants te doen was, toog het hele stel met de leerkrachten mee op de fiets naar Zwolle en kwam dan laat weer terug. We kregen ons geestelijk voedsel wel, maar we moesten er wel iets voor over hebben! Schade heeft het niet gedaan, gezien mijn hoge leeftijd.
’s Zomers zochten we ons vermaak in tuin en vaart. De laatste was nog schoon en gaf alle gelegenheid voor zwemmen.
Ik hoop U met dit verslag een indruk te hebben gegeven van het leven en werken op de oude Rollecate, waar ik na 60 jaar nog met genoegen en dankbaarheid terugdenk.

* * *


DE FAMILIE VAN DEN ABEELEN ________________________________________________________

J.W. de Weerd

Agnes van den Abeelen was van april 1919 tot en met december 1925 de eerste wijkverpleegster van Nieuwleusen. Ze was een dochter van Frans Rijk Pieter van den Abeelen en Louisa Augusta Maier. Haar vader was werkzaam in Nederlands Indië, wat destijds een kolonie was van Nederland. Mogelijk dat zowel Agnes als haar zuster Mathilda Catharina daar geboren zijn. Wanneer is onbekend. Wel is bekend dat een zoon van het echtpaar Van den Abeelen-Maier in Padang is geboren omstreeks 1891. Zijn naam was William Pieter. Ook was er nog een andere dochter die omstreeks 1883 is geboren in Bergen op Zoom. Haar naam was Roelovina Lucretia Jacoba. We mogen haast aannemen dat Agnes alleen de roepnaam van de wijkverpleegster was en dat ze meerdere voornamen had. Af te leiden uit haar roepnaam was ze genoemd naar de moeder van haar vader Johanna Agnes van der Rijp.

Agnes woonde aan de Ommerdijk, de huidige Backxlaan in één van de woningen die destijds stonden op de huidige parkeerplaats tegenover C1000 (Albert Hein De Groot). Die huizen waren eigendom van de woningbouwvereniging. Deze woningen zijn eind negentiger jaren afgebroken.
Nadat ze ontslag had genomen als wijkverpleegster van Het Groene Kruis in Nieuwleusen, vond Agnes elders een baan en vertrok.

Haar moeder en haar zuster Mathilda kwamen eveneens in Nieuwleusen wonen. Ze woonden eerst een tijdje bij Agnes in huis aan de Ommerdijk en lieten toen een huis bouwen achter de bestaande bebouwing. Dat huis was nagenoeg vierkant, was gebouwd naar Indisch model en kreeg de naam “Ambarawa” naar de gelijknamige plaats op Midden-Java waar ze hadden gewoond en waar vader Van den Abeelen werkzaam zal zijn geweest in het militaire fort. De woning was te bereiken via een weggetje dat ongeveer op de plaats lag waar nu de straat Marke van Leusen is, naast drukkerij De Graaf. Op die plek was geen elektra en de woning was ook niet voorzien van waterleiding. In de tuin, die voorzien was van twee meter hoog gaas, stonden een viertal notarisappelbomen en een kippenhok waarin hun witte kippen een onderkomen vonden. Mathilda verzorgde altijd de kippen. Dat leverde haar de bijnaam ‘kippenzuster’ op. Ze had ook twee honden en een schildpad.

Moeder Van den Abeelen is geboren op 17 oktober 1847 en overleed op 29 maart 1927. Ze werd begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Smitslaan in Nieuwleusen. De tekst op de liggende deksteen van haar graf zou kunnen duiden op enige adellijke of voorname afkomst. Het mooie serviesgoed en de grote schilderijen die ze had, zouden daarmee ook in verband gebracht kunnen worden.
Haar man was al overleden voor ze naar Nieuwleusen kwam en wel op 29 maart 1901 op 62 jarige leeftijd in Maastricht.

Mathilda Catharina van den Abeelen is ook op de Algemene Begraafplaats in Nieuwleusen begraven. Haar graf is bedekt met een liggend steenbed waarin grind en met staande steen waarop alleen haar naam en de datum van haar overlijden (11-7-1943) zijn vermeld.

* * *


DE ZUSTER KOMT, DE ZUSTER GAAT I ________________________________________________________

J.W. de Weerd

Op 10 april 1912 wordt ten huize van G. Massier aan de Ommerdijkerbrug een druk bezochte vergadering gehouden waarop het tot de oprichting komt van een plaatselijke vereniging van Het Groene Kruis. Hoewel alle aanwezigen zich als lid opgeven en er een bestuur wordt gekozen, blijft het de eerste jaren stil rond de nieuwe vereniging. Ontbrak het aan daadkracht of was de tijd er nog niet rijp voor?
In het voorjaar van 1917 treedt een nieuw bestuur aan met burgemeester Backx als voorzitter. In dat voorjaar schenkt juffrouw G.J. Palthe te Oldenzaal een bedrag van ƒ 1.000,= aan Het Groene Kruis.


Deel I: de zuster komt
In een van de eerste vergaderingen van het nieuwe bestuur komt de vraag aan de orde of het niet verstandig zou zijn een ‘zuster’ te benoemen. Over haar toekomstige taak wordt niet gesproken, wel of het financieel haalbaar is. Men komt tot de conclusie dat het wel ongeveer los zal lopen dank zij de reeds toegezegde contributies, subsidies van de gemeente en de Tuberculosebestrijding en de ‘in het uitzicht gestelde verhoging van mevrouw Van D. (= Baronesse van Dedem-Geertsema).
Er wordt veel gediscussieerd, maar uiteindelijk besluit men met algemene stemmen een advertentie voor een zuster te plaatsen. Het adviserend lid dokter Risselada, en anderen met hem, waren van mening dat ‘het voor één zuster te druk zou lopen’. Dit neemt niet weg dat men vindt dat ‘weliswaar één zuster niet alles kon doen met het oog op de grootte der afstanden onderling, als ook de binnenwegen sommige tijden van het jaar slecht zijn, (zij) hier buitendien nuttig werkzaam kon zijn.’
Het salaris wordt direct al vastgesteld en wel op ƒ 850,= met een vergoeding van ƒ 50,= voor het gebruik van een fiets. De benoeming zal voorlopig voor een jaar zijn. Er zal naar de bestaande instructies in Dalfsen en Balkbrug worden gevraagd, zodat die eventueel als leidraad voor de zuster zullen kunnen dienen

. In de vergadering van 8 februari 1918 komt juffrouw Roose uit Leiden kennismaken met het bestuur. Omdat niet alle bestuursleden aanwezig zijn, kan niet tot benoeming worden overgegaan. Zuster Roose krijgt het verzoek nog een keer terug te komen, zodat dan ook naar een geschikte woning kan worden uitgekeken.
Maar in die tijd is er een groot gebrek aan goede eenvoudige woningen. Twee weken later blijkt dan ook dat het bestuur er niet in is geslaagd een geschikte woning voor de zuster te vinden. Om die en om andere redenen heeft zuster Roose inmiddels elders een betrekking aangenomen.
Zij was de enige sollicitante en opgemerkt wordt of het salaris niet wat aan de lage kant is. Uit andere advertenties blijkt dat de salarissen in doorsnee hoger liggen. Er zal een nieuwe advertentie worden geplaatst met een salaris van ƒ 1000,= plus ƒ 50,= fietsvergoeding en een ziekteverzekering.

Op 24 maart 1918 verschijnt zuster Botterweg in de bestuursvergadering. Ook zuster De Graaf is uitgenodigd, maar zij heeft laten weten zich terug te trekken. Zuster Botterweg maakt een goede indruk, maar ….. een beslissing kan niet worden genomen omdat weer niet alle bestuursleden aanwezig zijn. In de vergadering van 3 dagen later wordt gestemd over de benoeming van een zuster. Kandidaten zijn zuster Hoetink uit Den Haag, zuster Botterweg uit Zwolle en de zich inmiddels teruggetrokken hebbende zuster De Graaf uit Rotterdam. Zuster Botterweg wordt benoemd en zal zo mogelijk op 15 april in dienst treden.
Maar het zit niet mee: zuster Botterweg bedankt voor de eer. Dit blijkt op de vergadering van 1 mei, waarop ook wordt besloten voorlopig geen advertentie meer te plaatsen. Pas in de vergadering van 8 januari 1919 besluit het bestuur om een nieuwe oproep te doen voor een wijkverpleegster op een salaris van ƒ 1000,= met duurtetoeslag en verder als eerder werd overeengekomen.

Agnes van den Abeelen
Op 12 april 1919 presenteert Agnes van den Abeelen zich bij het bestuur. Zij maakt een goede indruk en geeft als referentie de directrice van het Medisch Ziekenhuis in Arnhem op, waar zij werkzaam is geweest. In de bestuursvergadering van die avond wordt haar sollicitatie besproken. Besloten wordt haar voorlopig te benoemen mits de ‘te nemen informatiën naar genoegen zijn’. De duurtetoeslag wordt bepaald op 10 % van haar salaris.
De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van dinsdag 22 april meldt dat zuster A. van den Abeelen haar benoeming per 15 mei aanneemt. Op 9 mei 1919 blijkt in de bestuursvergadering dat ‘de informatiën gunstig waren uitgevallen’ en dus wordt zuster Van den Abeelen uit Arnhem in die vergadering officieel benoemd tot eerste wijkverpleegster van Het Groene Kruis in Nieuwleusen.

Vlnr: Agnes Mathilda, moeder Van den Abeelen en Mathilda Agnes met hond Robbie, vermoedelijk in de tuin van hun (vierkante) huis achter de Ommerdijk.

Op 28 augustus 1920 is het bestuur van mening dat het salaris van de zuster, ‘gezien de tijdsomstandigheden’, te laag is. Het zal met terugwerkende kracht tot 1 januari 1920 gebracht worden op ƒ 1400,=.
De zuster doet in die jaren haar werk in overleg met het bestuur en met de dokter en zoals later zal blijken ook naar eigen inzicht. In 1921 vraagt ze het bestuur of het mogelijk is een gediplomeerde verpleegster aan te nemen voor kraamvrouwenverpleging. Zij had zich hier de laatste tijd enkele keren mee belast, maar dat behoort eigenlijk niet tot haar taak. Het bestuur gaat hier niet op in, maar stelt wel een instructie voor de zuster vast, waarin is opgenomen dat kraamvrouwenverpleging niet meer door haar zal gebeuren.
In de instructie wordt ook vermeld dat de zuster in geval van besmettelijke ziekte geen hulp mag verlenen. Als zich die hulpvraag later in 1921 voordoet, raadpleegt zuster Van den Abeelen hierover enkele bestuursleden. Die blijven op dat standpunt staan.
Na enkele bij de voorzitter en secretaris binnengekomen klachten van een paar leden van de vereniging, praat voorzitter burgemeester Backx hierover nog eens met de zuster. Zij zal, hoewel niet verplicht, zich hiervoor de eerste paar dagen vrijwillig beschikbaar stellen, maar dan haar gewone patiënten in de steek moeten laten. Dit om de besmetting niet naar deze patiënten over te brengen.
Dokter Risselada meent evenwel dat besmetting door voeding en melk wordt overgebracht, dus acht hij de kans dat de zuster de schakel voor overbrenging is niet zo groot. Men hoopt dat de ziekte (er is sprake van tyfus) zich niet verder zal uitbreiden en mocht dit wel het geval zijn, het probleem dan opnieuw onder ogen te zien.

Besmettelijke ziekten
In de jaarvergadering op 7 maart 1923 worden inlichtingen gevraagd over het verplegen van besmettelijke zieken. Een van de leden meent te weten dat de Inspecteur van de Volksgezondheid het niet gewenst vond dat de zuster naast het gezin waar tyfus heerste ook andere patiënten bezocht. Hij was bang voor het overbrengen van de besmetting. Dokter Risselada was het hiermee niet eens, hij kwam immers ook bij andere zieken.
De voorzitter meent dat de zuster meer met de patiënten in aanraking komt dan de dokter. Deze is op zijn beurt van mening dat, omdat de zuster zich ‘behoorlijk reinigt en verkleedt, zij gerust bij andere patiënten kan komen.’ De vergadering is van mening dat de zuster ook de patiënten die lijden aan besmettelijke ziekten moet verplegen. In voorkomend geval zal eerst het advies van de dokter worden gevraagd.
In die vergadering wordt ook opgemerkt dat er nog steeds mensen zijn die de zuster een cadeautje willen geven, hetgeen de zuster erg onaangenaam vindt. Besloten wordt aan die mensen die iets zouden willen geven een kaartje te overhandigen met daarop de mededeling dat het daarvoor bestemde bedrag in de kas van de vereniging Het Groene Kruis kan worden gestort.
Ook geven de leden hun mening over het bestuursvoorstel het salaris van de zuster met ingang van 1 januari 1923 te brengen op ƒ 140,= per maand. Daarbij komen ƒ 50,= voor het fietsgebruik, de ziektekostenverzekering en de kosten van het plakken van rentezegels. Uiteindelijk wordt het voorstel aangenomen.
Op 30 augustus 1923 besluit het bestuur dat de zuster voortaan bij besmettelijke ziekte, met uitzondering van roodvonk, hulp zal verlenen.

wordt vervolgd

* * *


WIE WEET WAT ________________________________________________________

Vraag 12: Gondelvaart
Sinds jaar en dag worden er in Nieuwleusen rond eind augustus/begin september Oranjefeesten gehouden. Al voor de oorlog waren er in dat kader gondelvaarten in de Dedemsvaart. De roeibootjes werden met groen, bloemen en lampions versierd door o.a. zangverenigingen en voetbalvereniging USV. Gestart werd bij de Ommerdijkerbrug. Vandaar ging het naar Sluis 3, dan terug tot Brug 5 en dan weer naar het vertrekpunt. Over deze gondelvaarten is weinig bekend en we hebben geen foto’s ervan in ons archief. Wie kan ons helpen?
Informatie graag richten aan de redactie (Westeinde 3, 7711 CH Nieuwleusen of per e-mail: redactie@palthehof.nl).

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

Foto BB097=02558

Deze keer een groepsfoto van Christelijke Lagere School A aan het Westeinde. De foto is van het schooljaar 1965/66.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  

meester Ben Mulder
Arie Luttels
Herman Alteveer
Albertus Mulder
Bertus Schoemaker
Dick Zondervan
Roelof Mussche
Henk de Weerd
Henk Meijerink
Hilco Schottert
Herman Prins
Henk Emmink
Juffrouw Hakkers

14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
 

Anne Bakker
Janna Schuurman
Janna van Duren ?
Hennie Visscher
Jannie Bredewold
Jannie Hersevoort
Lydie Bruggeman
Evelien Stolte
Femmie Hekman
Hennie Dunnink
Henk Snijder
Joop Bonen

26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
 

Rita Beltman
Wia Borger
Bea Dunnewind
Ria van de Kolk
Bertha Seine
Carla Buursema
Wia Kleen
Diny Schuurman
Willemien van Lenthe
Trijntje van Lenthe
Nettie Brassien
Jennie van de Kolk

* * *


EEN FAMILIEVERHAAL IN FOTO’'S II ________________________________________________________

D. Geerts-Bovenhoff
(De foto’s zijn afkomstig van de schrijfster)

De woning Oosterhulst 37 oogt jonger dan hij is. Oorspronkelijk werd het huis omstreeks 1880 gebouwd door Gooswijn Bovenhoff. Sinds die tijd wonen er onafgebroken nakomelingen van Gooswijn op deze plek.
Het gezin van Hans (Anne Gerard) Geerts (1946) en Diny (Dina Hendrika) Bovenhoff (1950) vindt er sinds december 1982 onderdak. Daarvoor woonde Gosen Bovenhoff er. Hij liet in 1956/57 het oude huis afbreken om er een nieuwe voor in de plaats te laten bouwen.


Gosen Bovenhoff is geboren op 20-03-1913 en overleed op 21-03-2003. Hij trouwde met Berendina Somsen, geboren 22-01-1921 en overleden 14-06-1997. Naast Dina Hendrika in 1950 (zie boven) kregen ze nog twee dochters: in 1948 Gerridina (midden) en in 1951 Wilhelmina Johanna (rechts).


Het gezin van Willem Bovenhoff en Gerridina Eshuis (foto)
Gosen Bovenhoff was de oudste zoon van Willem Bovenhoff, geboren 24-09-1871, overleden 4-11-1935 en Gerridina Eshuis, geboren 4-12-1875, overleden 23-05-1956 (dochter van Hendrik Eshuis en Geertje Bovenhoff).
Willem Bovenhoff en Gerridina Eshuis trouwden op 27–10-1910 en kregen de volgende nakomelingen:
Gosen 20-03-1913 – 21-03-2003 (links achter)
Geertje 12-02-1914 – 08-04-2004 (2e van links achter)
Hilligje 18-05-1915 – 19-09-1994 (2e van rechts achter)
Hendrik 30-04-1917 – 21-11-1935 (rechts achter)
Willemina 09-08-1916 – 26-04-1945 (midden achter)
Het gezin van Gooswijn Bovenhoff en Hilligje Bouwman

Op zijn beurt was Willem Bovenhoff een zoon van Gooswijn Bovenhoff, geboren 03-12-1834 te Nieuwleusen, overleden 20-01-1921, zoon van Willem Boverhof en Margje Klein.
Deze Gooswijn trouwde op 07-12-1854 als Gooswijn Boverhof met Hilligje Bouwman, geboren 03-03-1834 te Nieuwleusen, overleden 20-02-1913 dochter van Peter Bouwman en Hendrikje Prins. Bij hun huwelijk werd 1 kind gewettigd.
Deze Gooswijn Bovenhoff was oorspronkelijk brugwachter aan Brug 5 en afslager. Nadat zijn vrouw Hilligje een gedeelte van de ‘Bouwmansplaats’ had geërfd, begon hij met de ontginning daarvan. Daar waar de geërfde grond aan het kanaal de Dedemsvaart grensde, bouwde hij vervolgens omstreeks 1880 een nieuw huis.
Gooswijn Bovenhoff en Hilligje Bouwman kregen in totaal 16 kinderen:

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14 
15 
16 

Geesje, 15-11-1854 – 07-06-1856
Hendrik, 16-04-1856
Hendrikje, 26-03-1857 – 09-01-1862
Margje, 29-01-1859
Hilligje, 01-02-1861
Hendrikje, 10-02-1863
Willemina, 11-01-1865 – 23-04-1866
Willemina, 19-01-1867 – 05-08-1868
Klaasje, 04-07-1868 – 28-07-1868
Willemina, 30-09-1869
Klaasje, 26-08-1870 – 12-09-1870
Willem, 24-09-1871 (zie hiervoor)
Hendrik, 13-10-1872 – 15-04-1873
Hendrik, 13-10-1873
Albert, 06-11-1876
Klaasje, 15-06-1878

Hendrik Bovenhoff

Het vierde kind van Willem Bovenhoff en Gerridina Eshuis was Hendrik. Zijn beroep was timmerman. Hij werd maar 18 jaar. In 1935 overleed hij aan TBC en daarvoor lag hij een tijdje in een TBC-huisje, dat buiten op het erf stond.
Hendrik had deze ziekte opgelopen via contacten met familie in het Oosteinde. Daar woonden Albert Kragt en Jansje Eshuis in de pachtboerderij van Gulia Palthe, waarin vroeger ook het gemeentehuis was gevestigd (zie het artikel in het kwartaalblad van juni 2006). Jansje Eshuis was een zuster van Gerridina Eshuis en dus een tante van Hendrik.

Albert Kragt (14-04-1869 – 01-05-1956) en Jansje Eshuis (25-12-1873 – 30-11-1940) naast de kachel ‘op de heerd’ in de betegelde woonkamer van hun boerderij aan het Oosteinde.







Albert Kragt had de pachtboerderij van zijn schoonvader Hendrik Eshuis overgenomen. Het huis was zo groot dat ze daarom een ver familielid in de kost namen. Deze was arbeider en werkte in de buurt. Zonder het te weten leed deze man aan TBC. Daardoor kon het gebeuren dat hij deze besmetting overbracht op vier kinderen uit de gezinnen Kragt-Eshuis en Bovenhoff-Eshuis.
Uiteindelijk overleden al deze met TBC besmette kinderen op vrij jonge leeftijd:

-  
 
-  
-  
 
 
 
-  
 

Heintje Kragt, geboren 30-09-1905, overleden
08-08-1930.
Hendrik Bovenhoff, zie hiervoor, overleden 21-11-1935.
Geertje Kragt, geboren 23-11-1899. Zij was getrouwd
met Arend Jan Boer en werd vanwege haar TBC
verpleegd in het sanatorium in Hellendoorn. Daar
overleed ze op 15-07-1937.
Willemina Bovenhoff, zie hiervoor, overleden
26-04-1945.

* * *


EEN BIJZONDERE GRAFSTEEN ________________________________________________________

(Foto’s D. Geerts-Bovenhoff)

Op 8 augustus 1930 overleed Heintje Kragt aan TBC. Ze werd begraven op de begraafplaats aan het Westeinde achter de toenmalige woning van de burgemeester/gemeentehuis.
Deze begraafplaats was vanaf het Westeinde te bereiken door een pad. Bij een begrafenis ging men met paard en wagen, waarop de kist stond, aan de ene kant van de woning het pad op en kwam dan vooraan op de begraafplaats. Daar was een


toen eveneens een breed pad. Men verliet de begraafplaats weer over het pad aan de andere kant van de woning. Heintje Kragt zal ook op deze manier naar haar laatste rustplaats zijn gebracht.
Op haar graf werd door de familie een steen geplaatst, waarop een tekst voorkomt zoals die destijds wel vaker werd gebruikt om te wijzen op de kortstondigheid van het leven:

O lieve jeugd gedenk aan mij
Die hier voorbij komt treden
Ik ben geweest gelijk als gij
Nu rust ik hier beneden.

* * *


KATJA JONKERS VERTELT II ________________________________________________________

Katja Jonkers

Toen er op 20 oktober 1908 nog een (levenloos) zusje geboren werd, bleef Klaasje’s (Katja) moeder ziek. Korte tijd later, op 3 november, overleed ze en zo bleef vader Jonkers met 4 kinderen achter. Katja was toen 6 jaar oud. Eerst zorgde een tante voor het gezin, maar al vrij snel moest de oudste dochter Margje (Marjan) van school af, om het huishouden over te nemen. Ze was nog maar twaalf jaar oud.

Meewerken op de boerderij
Elke week kwamen er wel een paar tantes om het naaiwerk te doen, maar verder werd Marjan ons moedertje. Vader zette ons allemaal vroeg aan het werk. Marjan en Joke moesten koeien melken, varkens voeren en al zo meer. Ik moest elke avond zorgen voor een mand vol turf voor het vuur en dan aardappels wassen, die geschild moesten worden voor het middageten. En dan bij vader klompenspanen halen. We hadden daarvan een grote berg en ze brandden best als Marjan ’s morgens het haardvuur aanmaakte. Het water in de dikke zwarte ketel was zo aan de kook.
Ik was al bijna acht jaar en op een keer zei Marjan: “Je kunt nu gauw ook wel eens leren melken.” En zo gebeurde het dat ik al vroeg onder de gemakkelijkste koe zat en al spoedig aardig kon melken. Van Marjan kreeg ik elke avond een kopje warme melk, zo van de koe en dat smaakte heerlijk.
Op een keer toen ik al een hele koe kon melken ging Marjan met die emmer melk naar vader en zei toen: “Wat denk je wie deze melk heeft gemolken?”
“Nou, jij of Joke (=Janna)”, zei vader.
“Nee”, zei Marjan, “onze Katja.” Daar keek hij vreemd van op, maar zei meteen: “Dan zal ze ook gauw mee moeten naar het land.” En dat gebeurde ook al gauw.
Het voorjaar brak weer aan met zijn vele werk. Vader groef zelf de turven voor de winter. Dat turfveld lag wel twee uur lopen bij ons vandaan. (Dat zal op de Kievitshaar zijn geweest.) Dit jaar zou ik voor de eerste keer mee moeten.
Wij, vader, Joke en ik, gingen ’s morgens vroeg de deur uit. O, wat was dat ver lopen. Toen we er eindelijk waren kwam de zon op. Dat had ik nog nooit gezien. Het was een prachtig gezicht.
Het turfveld was zeer groot en het duurde niet lang of van alle kanten kwamen heel veel mensen opdagen. Allemaal om te zorgen dat er voor de winter genoeg turf in huis zou zijn.
Vader begon te graven en Joke deed mij een zakschort voor de buik, want de turven waren zo nat dat het water er nog uit liep. Wij moesten de turven zo stapelen dat de wind er van alle kanten door kon waaien, anders werden ze nooit goed droog. Vader deed het eerst voor: zo, een vierkante dobbelsteen en nou moeten jullie dat zelf maar zien. O, wat is vader toch streng, dacht ik.
Om negen uur kregen wij koffie met eigen gebakken brood en toen zei vader: “Kijken jullie nu goed naar de zon en je eigen schaduw, dan weten jullie met een paar dagen door naar de zon te kijken hoe laat het is.” En dat was nog waar ook.
Tegen de middag voelden wij het water op onze buik van al die turven dragen en ik was heel erg moe. Gelukkig was Joke ouder dan mij. Vader veegde zijn bezweet gezicht af en zei: “Zo, jongens, voor vandaag is het genoeg.” Nu moesten we nog weer twee uur lopen om thuis te komen, wat zag ik daar tegen op! Maar ik durfde niks te zeggen. Vader eiste gehoorzaamheid en wij wisten niet beter of dat hoorde zo.
Thuisgekomen was Marjan aan ’t spek bakken. Ze gaf ons allebei een schoon hemd en een borstrok en daarna gingen we heerlijk smullen van de bruine bonen, spek en aardappels en dan lekkere boekweiten pap toe. Wat was Marjan toch een lief moedertje voor ons geworden.
Na het eten zei vader dat ik in een teil met sodawater moest gaan zitten, want ik had grote blaren onder de voeten van het lopen.
Gelukkig regende het de volgende dag en daarom konden we niet naar het turfveld. Maar toch moest ik nog vele keren mee voordat er genoeg turf voor de lange winter was.
Zodra de eerste turven droog waren ging vader met paard en wagen naar het veld en nam dan ’s avonds een wagen vol turf mee naar huis. Dan vond ik het maar wat prettig om met vader mee te gaan naar die grote woestenij waar je uren rond kon kijken en nergens een woning zag op zes woningen na, die vrij dicht bij elkaar stonden.

Zo kwam er voor mij steeds meer werk. “Nu je kunt melken, moet je ook maar eens meehelpen de stal uitmesten”, zei vader, en ook dat gebeurde dan.
In het voorjaar, toen de zomer in aantocht was, zou vader gras gaan maaien voor de hooibouw. Dat deed hij nog met de gewone zeis.
Als ’s nachts de klok twee uur had geslagen moest Marjan er uit om koffie en brood klaar te maken. Vader ging zo vroeg weg omdat hij eerst twee uur moest lopen voor hij bij het weiland was. Hij maaide tot negen uur en kwam dan weer naar huis. Vroeg in de morgen maaide het gras beter dan in de brandende zon overdag.
’s Avonds als het werk klaar was, konden wij spelen, maar vader was haast nooit thuis.
Als het tijd was om de aardappels te poten, deed vader dat altijd met de spade. Dat was een enorm werk. Maar dit voorjaar zou vader het doen met de ploeg. Er waren meer boeren die dat deden. Dat had vader gezien en nu wilde hij het ook proberen. Joke en ik moesten de aardappels achter het paard in de grote lange geploegde vore poten. Onze buurman hielp ook mee, want het paard liep vlug door het bouwland. O, wat kreeg ik een pijn in m’n rug en wat liep dat paard vlug.
Tegen tien uur kwam Marjan een heerlijke pot koffie brengen met voor ons allemaal een grote plak eigen gebakken krentenbrood. En ons Bruintje kreeg een beetje haver. Tegen de middag was de grote akker vol aardappelen gepoot. Vader lachte tegen de buurman. Hij vond het zeker fijn, want andere jaren deed hij wel een week over dezelfde akker. Een paar dagen later kwam de tweede akker ook al klaar. Dit was een hele verbetering.
Toen de maand mei er was kwam het grasmaaien alweer om voor de koeien het nodige hooi voor de winter te krijgen. Als het regende ging vader naar de klompenschuur voor het maken van klompen. Ik moest dan manden met spanen weghalen, zodat vader weer ruimte had om te snijden en te boren. Vader zweette ervan, maar hij kon zulke mooie klompen maken. En daarom moesten wij ook zoveel werk doen.
Ik was intussen negen jaar geworden en kreeg al zes weken landbouwverlof om met het hooi, de rogge enz. te kunnen helpen. Dat ging in 1911 nog gemakkelijk, maar de meester moest het wel eerst aanvragen.
Als de manden met spanen waren gehaald, moest ik nog de aardappels halen voor de volgende dag. Kleine Wim moest nu ook al aardappels leren schillen en als wij ze per ongeluk een beetje te dik schilden, dan kregen wij er van langs.
Als de hooibouw binnen was, brak de roggeoogst weer aan en dan de haver en boekweit en dan nog aardappels rooien en zo ging het steeds maar weer door en dan nog het turfland, daar ging vader twee keer per dag naar toe. En als de laatste turven in de schuur waren gebracht was de bouw dat jaar afgelopen. Dan was het de gewoonte om een feestmaaltijd te gebruiken. Dat werd dan de bouwhaan genoemd. Vader had een grote haan in een klein hokje zitten, zodat hij lekker vet kon worden.
Omdat vader dat jaar die dag niet thuis was, zei Marjan tegen Joke: ”Wij gaan straks de haan slachten.”
Toen het werk af was moest ik de kleine hakbijl uit vaders klompenschuur halen en naar de grote wagenschuur brengen. Joke kwam het houtblok aandragen en ik dacht: Wat zal Katja nu gaan doen?
Daar kwam Marjan al aan met de haan stevig in haar handen.
“Joke ga nog even een touwtje halen”, zei Marjan en even later was Joke al weer terug met een touwtje. Marjan gaf de orders. “Joke, het touw om de kop van de haan doen en Katja het touw goed vasthouden. Zo, en nou moet Joke de haan stevig op het blok leggen en goed vasthouden.” O, wat vond ik het griezelig.
Toen pakte Marjan het hakmes en probeerde de kop van de haan er af te slaan. De eerste keer lukte het niet. Toen nog een slag en o wat schrokken we. Toen hield ik de kop van de haan vast en Joke liet van schrik de haan los. Hij liep zonder kop nog even spartelend rond door het stof van de turven en ik vloog van schrik op de wagen, met de kop van de haan nog stevig in m’n hand.
“Katja kom van de wagen af,” gebood Marjan, “dan gaan we hem slachten.”
Joke en ik moesten elk een poot vasthouden en Marjan begon de veren eraf te plukken. Marjan had dat wel vaker gezien, maar dan deed de buurman het meestal.
Kleine Wim en buurjongen Henkie kwamen er ook bij staan. Het duurde nog lang voor de haan geplukt en geslacht was, maar uiteindelijk was hij toch klaar. Toen zette Marjan hem in een emmer met schoon water totdat vader thuis kwam. Hij zou er wel blij mee zijn, dacht Marjan.
Daar kwam vader al thuis en Marjan vertelde hem dat de haan al geslacht was. “Zo, heeft de buurman hem geslacht?’ “Nee”, zei Marjan, “wij hebben hem zelf geslacht.” Daar keek vader wel raar van op. ”Maar wie heeft hem dan de kop afgeslagen?”
“O”, zei Marjan,”dat hebben wij zelf gedaan met de hakbijl.” Toen werd vader kwaad en zei lelijke woorden. Dat hadden wij nooit mogen doen. En Marjan dacht nog wel dat vader blij zou zijn. Ik durfde toen niet meer te vertellen dat ik de kop van de haan nog in mijn handen had toen ik van angst op de wagen vloog.
Maar de haan smaakte de volgende dag maar wat heerlijk en er brak voor ons allemaal een rustige tijd aan, want vanaf de turfmakerij was het de hele zomer werken en nog eens werken geweest.

Toen het najaar kwam, brak de tijd van eikels zoeken aan. Vader had veel eikenbomen rondom het grasland staan. Wat zaten dat jaar de bomen vol.
Als we ’s middags uit school kwamen was het vlug oude kleren aan en eikels zoeken. Dat ging net zo lang door totdat er niets meer te vinden was. Vader had dan veel zakken vol eikels staan en die werden dan weer verkocht.
Ik ging nu voor het eerste jaar ook mee om aardappels te rooien. Na een paar dagen met vader mee geweest te zijn, moest vader wit zand halen. Dat werd dan in de woonkamer op de rode tegels gestrooid. Marjan schreef dan met dat zand onder de grote Friese klok “Zoals het klokje thuis tikt, tikt het nergens.”
Die morgen moest ik al vroeg uit bed. Wat had ik nog graag bij m’n broertje in het warme bed willen blijven liggen. Toen we op het land waren ging vader met paard en wagen verder. Hij zou nog wel twee uur wegblijven. De maan scheen helder. Daar stond ik dan helemaal alleen en ik had nog zo’n slaap. Vlug maakte ik van aardappelloof een lekker bed, gooide er zakken op en ging toen lekker liggen.
“Leefde moeder nog maar, dan had ik vast nog wel lekker in bed gelegen”, dacht ik. Al denkend werd ik zo koud dat ik toch niet weer in slaap viel en dat had ik zo graag gewild. Ik ben toen toch maar begonnen te rooien en ging een flink stuk grond ‘zwart maken’, dan zou vader denken dat ik flink mijn best had gedaan. Ik zette de vijf manden op een rij: twee voor kleintjes, twee voor dikken en een voor poters.

Even pauzeren tijdens het aardappels rooien. Foto uit omstreeks 1948 met v.l.n.r. Peter Kreule, Roelof Hogenkamp, Jennigje Reuvers, Mientje Reuvers en Arend Kreule.

Toen ik nog maar net aan de gang was zag ik vader al terug komen. “Zo”, zei vader, “waar zijn de aardappels?” Toen begon ik al huilend te vertellen dat ik op de zakken had willen slapen. O wat werd vader woedend. Hij zei dat ik voor straf geen eten kreeg en reed toen met de wagen met wit zand naar huis. O wat vond ik dat verschrikkelijk. Ik had liever een pak voor m’n billen gehad dan geen eten. Nou, dan maar hard rooien, dacht ik, want vader zal wel gauw terug komen om me te helpen. En ja hoor, een tijd later kwam vader er al weer aan. Maar ik kreeg toch geen eten en daar had ik toch zo’n zin in. Maar wat nog erger was, hij zei geen stom woord. Ik begon te snikken.
Tegen tien uur kwam Joke met een kan koffie met een boterham en gelukkig voor mij met een pannetje met aardappels en spek. Wat smaakte dat lekker. Al gauw was het pannetje leeg, maar ik durfde vader niet aan te kijken. Toen vader zag dat ik nog steeds huilde zei hij: ”Hier Katja, nog een sneetje brood, want ik zie wel dat je er erg spijt van hebt.” Ik bedankte vader en dikke tranen vielen op het sneetje brood.
Toen alles op was gingen we weer hard aan het rooien, Joke hielp ook mee en nu werden de manden gauw vol. Vader bracht steeds een volle mand weg en kieperde die in een zak en zette hem dan weer aan de kant van de greppel. ’s Avonds waren er heel veel volle zakken en toen kwam vader met ons Bruintje en de wagen de aardappels ophalen. Ik mocht op de wagen zitten. Thuis zette vader een kleine zak aardappels op mijn rug en die mocht ik dan in de schuur dragen. Vader zei altijd: ”Werken is gezond”, maar ik was blij als ik weer naar school toe kon gaan.

wordt vervolgd

Aanvullende informatie over het gezin Jonkers
(zie ook bladzijde 46 in de vorige uitgave)

Margje Jonkers, de oudste dochter, trouwde met een Van den Berg en verhuisde naar Amsterdam, verder onbekend.
Janna Jonkers, de tweede dochter van het gezin, trouwde met Klaas Bouwman en emigreerde naar Canada. Het paar kreeg tien zonen en drie dochters, waarvan bij het overlijden van Janna op 13 juli 1980 in Drayton, Ontario, al twee zonen en een dochter waren overleden. Op dat moment waren er 46 kleinkinderen en 23 achterkleinkinderen.
Katja Jonkers diende als meid bij de familie Van Ankum aan de Korenweg. Na haar huwelijk met Gerrit Rozeboom woonde ze op de Kievitshaar, in Dedemsvaart, in de Achterhoek en in Alphen aan de Rijn, waar hun kinderen opgroeiden (verder onbekend). Later woonde ze met Bart Kuus in Zeist, waar ze ook overleed.


* * *


UIT MIJN POESIEALBUM ________________________________________________________


* * *


Foto achterpagina: ________________________________________________________

Aaltje Nijmeijer




Jaargang 24 nummer 4 december 2006


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *


FOTO VOORPAGINA ________________________________________________________

Schaatsen op de Dedemsvaart. De foto is genomen vanaf de Ommerdijkerbrug in de richting van Sluis 3. Links van het kanaal was de 'zaandkante'. De foto dateert uit de zestiger jaren.

* * *


SCHAATSENRIJDEN ________________________________________________________

          Zeg, weet je nog die winterdag?
          De vaart was toegevroren.
          Ik had jou al de eerste keer
          Als liefste uitverkoren.
          Ik zei meteen, kom mee, haak in.
          Jij wou het wel en lachte,
          Al razend ging het langs de baan,
          Precies als ik verwachtte!

          Mijn jongen, zeker weet ik dat,
          Al is ‘t reeds lang geleden!
          Mijn hart heeft steeds voor jou geklopt
          Wanneer we schaatsen reden!
          Die eerste dag van ’t samenzijn
          Zou ik die ooit vergeten!
          Ik denk zo vaak terug, mijn schat,
          Dat moet je toch, wel weten?

Refrein:
Fluks langs de baan,
Dat is onze lust en ons leven!
Snel stroomt ons bloed!
Het leven is goed naast elkaar!
Liefde en trouw
Kan wondere blijdschap ons geven,
Liefde maakt licht ook het zwartste bezwaar.
Links, rechts, links, rechts,
Wij laten ons glijden,
Glad is de baan,
Het ijs lokt ons aan!
Links, rechts, links, rechts,
Wij gaan met ons beiden
Net zo langs ’t ijs als door ‘t daaglijks bestaan!

          En weet je nog toen 't donker werd,
          De zilvr'ren sterren schenen?
          'k Hield steeds jouw beide handen vast
          Toen wij van ‘t ijs verdwenen!
          'k Heb zacht gefluisterd aan jouw oor,
          En jij hebt stil geluisterd,
          En nooit is sinds de gouden zon
          Van ons geluk verduisterd.

          Nu zijn wij oud en eerder moe
          Dan in die vroeger tijden,
          Toch binden wij de schaatsen aan
          En gaan weer samen rijden,
          Jij zegt meteen: kom mee haak in
          En door elkaar gedragen
          Gaan wij er op de baan vandoor
          Net als in vroeger dagen.

          De tijd gaf ons de vaardigheid
          Wij willen weer als d' eerste keer
          Te samen 't ijs langs zweven.
          De liefde wijst ons ied're koers
          En laat ons nimmer dwalen,
          Beleven wij als kind' ren weer
          Onz' oude idealen!

Het schaatsenrijdenlied is afkomstig uit de revue “Met volle vaart”, die op 7 oktober 1947 is opgevoerd ter gelegenheid van het 40-jarig bestaan van de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek “Onderling Belang” te Nieuwleusen.

* * *


AANVULLING EN CORRECTIE ________________________________________________________

Mathilda en Agnes van de Abeelen bij de foto op bladzijde 66 van het septembernummer zijn verwisseld. Links is dus wijkverpleegster Agnes van den Abeelen, rechts Mathilda met hond Robbie.
De namen van de beide dames op de foto op bladzijde 82 zijn Jennigje Reuvers (links) en Mientje Reuvers.
( Deze opmerkingen zijn verwerkt in de tekst.)

* * *


DE ZUSTER KOMT, DE ZUSTER GAAT II ________________________________________________________

J.W. de Weerd

In het eerste deel van dit verhaal lazen we de moeite die het de vereniging Het Groene Kruis kostte om hier een wijkverpleegster te krijgen. Uiteindelijk lukte het om zuster Agnes van den Abeelen aan te stellen. In dit tweede deel van het verhaal leest u over haar ontslag.

Deel II: de zuster gaat
De zuster krijgt het steeds drukker. Ze moet zich steeds per fiets verplaatsen en dat neemt de nodige tijd in beslag. Een motorrijwiel kan wellicht uitkomst bieden en daarom staat de aanschaf daarvan op 20 april 1925 op de agenda. Ook in de omliggende gemeenten bedienen de zusters zich van zo’n vervoermiddel. Er blijkt door verschillende personen al ƒ 300,= voor de aanschaf bijeen te zijn gebracht. De voorzitter zal zich sterk maken om het resterende bedrag uit giften bij elkaar te krijgen. (Daar zal het nooit van komen omdat burgemeester Backx aftreedt als voorzitter, zie hierna.)
Handelaar Boers is genegen om het motorrijwiel tegen kostprijs te leveren ( ƒ 565,=). Dokter Wagner, die inmiddels dokter Risselada is opgevolgd, voelt veel voor de aanschaf. De zuster kan dan alles goed nakomen anders wordt het op den duur te zwaar voor haar. De fietsvergoeding van ƒ 50,= zal worden ingetrokken en daarvoor krijgt de zuster dan ƒ 100,= voor onderhoud van het motorrijwiel, onder het beding dat zij ieder jaar hiervan rekening en verantwoording aflegt.

Op voorstel van zuster Van den Abeelen besluit het bestuur op 9 juni 1925 om een drietal woningverbeteringen op kosten van Het Groene Kruis te laten uitvoeren mits de eigenaren deze zelf niet kunnen bekostigen. In dezelfde vergadering komt een brief ter sprake over verpleging van besmettelijke zieken. De schrijver is van mening dat er meer gedaan kan worden. De brief wordt voor nader advies in handen van dokter Wagner gesteld.
Op 8 oktober 1925 besluit het bestuur de instructie van de zuster op verschillende punten te wijzigen en deze al op 15 oktober te laten ingaan. De verpleging van besmettelijke zieken wordt er in opgenomen. Haar diensturen zijn ‘s morgens van 8 tot 12, ’s middags van 2 tot 5 en ’s avonds van 6 tot 8. Alleen in dringende gevallen kan er van worden afgeweken.

Artikel 5: Zij wijdt hare zorgen alleen aan die zieken, die haar door den plaatselijken geneesheer, de vroedvrouw of in dringende gevallen door het Bestuur worden aangewezen. Zij volgt daarbij geheel de haar gegeven voorschriften.
Artikel 6: Het staat haar vrij de eerste hulp te verleenen, waar zij daartoe in spoedeischende gevallen geroepen wordt; zij geeft daarvan onmiddellijk kennis aan den geneesheer van het gezin en aan het Bestuur.
Artikel 10: In functie draagt zij, in overleg met het Bestuur, een costuum, dat haar als verpleegster kenbaar maakt.
Artikel 11: Zij heeft recht op DRIE weken vacantie per jaar, nader te regelen met het bestuur en de plaatselijken geneesheer. Voor een afwezigheid buiten de gemeente treedt de wijkzuster in overleg met den plaatselijken geneesheer. Voor een afwezigheid langer dan tweemaal vierentwintig uren wordt door haar tevens overleg gepleegd met den voorzitter, terwijl eventuele vacantie tijdig schriftelijk bij het bestuur wordt aangevraagd.
Artikel 12: Een termijn van drie maanden is gesteld voor eventueel te vragen ontslag. Het bestuur behoudt zich het recht voor, in dringende gevallen de wijkzuster onmiddellijk te ontslaan.


In de bestuursvergadering van 22 december 1925 ligt de ontslagaanvrage van zuster Agnes van den Abeelen op tafel. De verstandhouding met de dokter is aanleiding voor de zuster om ontslag te nemen. De secretaris zegt nog dat hij zuster Van den Abeelen heeft ontraden ontslag te nemen maar dat zij meende hierop niet te kunnen ingaan. Er wordt besloten haar het gevraagde ontslag op de meest eervolle wijze te verlenen en haar dank te zeggen voor alles wat zij voor de vereniging heeft gedaan. Daarna komt een schrijven van voorzitter Backx aan de orde, waarin deze meedeelt ontslag te nemen als voorzitter. Als zijn opvolger wordt mej. Theda Mansholt benoemd, de directrice van de Rijkslandbouwhuishoudschool De Rollecate.

Nasleep
De ledenvergadering van 30 maart 1926 kent een grote opkomst. Maar liefst 92 leden zijn aanwezig. Zij willen het naadje van de kous wel eens weten, want dat het ontslag van de zuster voor beroering heeft gezorgd, is wel duidelijk. Er zijn uitgebreide notulen van deze ledenvergadering opgemaakt. We zullen ons hier beperken tot hetgeen rechtstreeks van belang is met betrekking tot het ontslag van zuster Van den Abeelen.
Mej. Mansholt is voorzitter; secretaris B.J. van den Berg BJzn is wegens ziekte afwezig en daardoor wordt aan burgemeester Backx verzocht deze avond als secretaris te fungeren.
Een van de leden mist in het jaarverslag een eerder door een bestuurslid gemaakte opmerking die hij alsnog wenst opgenomen te hebben. Die opmerking was ‘dat het aan zuster Van den Abeelen was te danken, dat de vereeniging zoo in bloei was toegenomen.’
Met betrekking tot de ontslagaanvraag lezen we verder:
‘Het dagelijksch bestuur hield, evenals het voorgaande jaar, in het begin van elke maand vergadering, waarin o.m. de ingekomen rapporten der zuster werden nagegaan. In verschillende opzichten gaf ons dat reden tot voldoening, hoewel wij niet geheel en al over alles onze tevredenheid konden uitdrukken.
……
Zoals in het begin reeds aangestipt gaf het werk van den zuster niet altijd reden tot volkomen tevredenheid en vond toch het dagelijksch bestuur aanleiding hierover een paar maal mondeling en schriftelijk met haar in gedachtenwisseling te treden, meestal – maar niet altijd – met voldoende resultaat. Tenslotte echter leidde een en ander tot een conflict tusschen dokter Wagner en zuster Van den Abeelen, dat – hoeveel pogingen het dagelijksch bestuur daartoe ook aanwendde – niet kon worden bijgelegd. Hoewel geenszins daartoe door het bestuur gedwongen, diende de zuster haar aanvraag om ontslag in. Deze aanvrage werd in de bestuursvergadering van 22 December 1925 in behandeling genomen.
Het bestuur, den gang van zaken ten zeerste te betreuren, meende het ontslag op de meest eervolle wijze te moeten geven en zuster Van den Abeelen tegelijkertijd den dank te moeten uitspreken voor het veel, dat zij voor onze vereeniging en onze zieken heeft gedaan.
De heer Backx meende aan het einde van het vereenigingsjaar ontslag te moeten nemen als voorzitter van de vereeniging, deels ten gevolge van het voorgenoemde conflict. …..’


De ledenvergadering wordt te laat gehouden: een van de aanwezigen acht het gewenst dat deze voor het vertrek van de zuster was gehouden. Het bestuur had de noodzakelijkheid van het bijeenroepen van een vergadering moeten inzien toen de zuster haar ontslag vroeg. Hij acht de ontslagaanvrage van een zuster, die de vereniging bloei bracht, een zaak die alle leden aangaat.
De voorzitster antwoordt, dat dit ook een punt van bespreking in het bestuur is geweest. Men vond de zaak echter van dien aard en niet in het belang van de betrokken persoon om dit te doen.
Er wordt vanuit de vergadering getwijfeld of dit volgens het verlangen van de zuster was. Volgens de voorzitster heeft de zuster dienaangaande geen wensen geuit. Zij gelooft ook niet dat de zuster zich aan het oordeel van de ledenvergadering zou hebben onderworpen.
Een ander lid zegt dat de zuster hem persoonlijk verklaard heeft, dat wel te willen doen.
Weer een ander lid merkt op dat de zuster hier bijna tien jaren heeft gewerkt (1919-1926). Deze spreker vindt het treurig, dat ze hier eigenlijk is weggedrukt door één persoon en dat het bestuur ook niet zoo tactvol is geweest om een collecte voor het aankopen van een cadeau voor de zuster te houden. Daardoor zou deze volkomen in haar eer hersteld zijn geworden.

Commissie
Een ander lid stelt voor om de provinciale vereniging de zaak te laten onderzoeken en te rapporteren. Backx zegt daarop dat die er niets mee te maken heeft. Indertijd kwam de dokter met klachten over de zuster. Die klachten zijn door het bestuur onderzocht en waren gegrond. Ze waren echter niet van heel ernstige aard en tot de ware grootte teruggebracht bleef er weinig van over. De zuster kreeg een berisping en daarmede was de zaak afgedaan.
De voorzitster had de zaak ook nog besproken met ‘een onpartijdig persoon, die eene belangrijke functie inneemt bij de Provinciale Vereeniging der t.b.c. bestrijding.’ Die was ook van mening dat een berisping voldoende was.
‘…… De dokter en de zuster hadden ruzie, persoonlijke kwesties, die dus buiten het bestuur van Het Groene Kruis om gingen en waaraan het bestuur niets kon doen. De zuster kon echter zoo niet langer werken en ging weg.’
De bij het bestuur gebrachte klachten waren wel eens van zo ernstige aard dat een berisping gegeven moest worden. Er was echter geen aanleiding tot ontslag. Maar de samenwerking tussen zuster en dokter was zo ernstig verstoord dat zijzelf ontslag nam.
Wanneer er leden waren geweest die van mening waren geweest dat de zuster niet goed behandeld was, dan hadden die aan de bel moeten trekken, zo meende een van de aanwezigen. Een collecte: prima, maar dan buiten Het Groene Kruis om.
Het ontslag van de zuster wordt door het merendeel van de leden betreurd. Zij staan dus aan de zijde van de zuster en dat zal het bestuur ook wel hebben geweten, aldus een opmerking bij de rondvraag. Het bestuur had de zuster in bescherming moeten nemen en de taken moeten afbakenen, waardoor ze niets meer met de dokter te maken zou hebben. Maar het bestuur meent dat een zuster niet kan werken zonder dokter.
De samenwerking tussen zuster en dokter was allertreurigst en dat ging ten koste van Het Groene Kruis en de patiënten. In een gesprek met haar had Backx laten doorschemeren dat het misschien verstandig was om te gaan solliciteren. De zuster had hierop geantwoord dat zij had besloten haar ontslag in te dienen. Ze zegt over het bestuur niet te klagen hebben gehad, wel over de dokter. Deze staat evenwel los van Het Groene Kruis, waardoor het bestuur niks over hem te zeggen heeft.
Onder de leden wordt het wenselijk geacht een commissie in het leven te roepen die de zaak gaat onderzoeken, want ‘er zijn dingen die men niet in het openbaar kan zeggen. …… dat de dokter heeft gezegd, dat de zuster moest opdonderen!’ Dat gaat te ver, de spreker wordt afgehamerd door de voorzitster.
Een spreker meent dat er leden zijn die wel eens willen weten of het bestuur in zijn plichten tegenover de zuster tekort is geschoten en of haar goed heeft behandeld. Hij zegt dat de kwestie zuster-dokter er buiten gelaten kan worden. Opgemerkt wordt dat het vroeger met dokter Risselada wel goed ging.
Na veel discussie komt uiteindelijk het voorstel ter tafel om een onderzoekscommissie te benoemen. Daarvoor worden de drie in deze jaarvergadering nieuw gekozen bestuursleden benoemd. Deze commissie zal aan de jaarvergadering verslag moeten uitbrengen.

Het onderzoek
In de bestuursvergadering van 7 april 1926 constateert de voorzitster een merkwaardige situatie. De ‘oude’ bestuursleden waartegen wantrouwen bestaat en de ‘nieuwe’ die moeten uitzoeken of de houding van het bestuur ten opzichte van het ontslag van de zuster wel de juiste was. Zij dringt op spoedig onderzoek aan.
Op 14 mei doet de commissie verslag. De notulen zijn doorgenomen en men vraagt zich af of klachten de reden waren om de instructie voor de zuster te wijzigen. Er blijken een paar zaken geweest te zijn, waarbij advies van de Inspecteur gevraagd werd. Het ging o.a. over verpleging van besmettelijke zieken.
Bij de overhandiging van de ontslagaanvrage is gepoogd de zuster op andere gedachten te brengen. Bij die gelegenheid werd haar ook gezegd dat, hoewel zij niet zonder zonde was, haar fouten niet van dien aard waren dat ze ontslag zou krijgen.
Gevraagd naar de fouten worden enkele feiten opgesomd. Daaronder ook het nemen van vakantie, wat kennelijk niet volgens de regels gebeurde. Ook het ‘verpleegsterscostuum’ wordt genoemd. Dat werd waarschijnlijk tijdens de uitoefening van haar functie niet altijd door de zuster gedragen. Voor het ‘costuum’ had het bestuur & fnof; 50,= extra gegeven aan de zuster.
Op de vraag op welke wijze de dokter de zuster samenwerking moeilijk maakte wordt geantwoord dat de juffrouw beweerde onvriendelijk door de dokter te worden ontvangen. Zij zou geen werk van de dokter krijgen. Een onderhoud tussen bestuur, zuster en dokter heeft niet tot resultaat gehad dat er verbetering in de situatie optrad, eerder het tegenovergestelde. Hierop werd besloten dat de dokter de zuster schriftelijk zou inlichten over de patiënten.
De zuster zou op bepaalde dagen niet door de dokter worden ontvangen en deze beweert dat de zuster hem in de praktijk tegenwerkt. De zuster komt regelmatig bij de burgemeester en spreekt met hem haar problemen door.
Vanaf het begin van haar benoeming had de zuster zeer grote vrijheid van handelen. Men zegt dat het bestuur van toen niet deskundig genoeg was en een deskundig adviseur ontbrak (daarmee zichzelf, de meeste bestuursleden hadden toen ook al zitting, en het toenmalige adviserend lid dokter Risselada onderuit halend). Door de komst van dokter Wagner als adviserend bestuurslid ging het bestuur veel zaken in een ander licht zien en bleek verandering hier en daar dringend gewenst. Uit medisch oogpunt had de dokter steeds gelijk.
De persoonlijke verhouding tussen zuster en dokter is voor het bestuur een even groot raadsel als voor de commissie. Tot slot merkt de waarnemend secretaris nog op dat het wantrouwen van dokter Wagner tegen zuster Van den Abeelen dateert uit de tijd dat de dokter bij burgemeester Backx dingen uit de tijd van dokter Risselada vernam. Deze zaken konden niet anders bekend zijn dan door informatie uit deskundige bron.

In de bestuursvergadering van 2 juni 1926 wordt gesproken over sollicitaties voor een nieuwe wijkverpleegster. De ‘oude’ bestuursleden willen daar niet verder mee gaan voordat zij de uitslag van het onderzoek weten. De ’nieuwe’ bestuursleden zeggen door de ledenvergadering te zijn benoemd en ook daar verslag aan te zullen uitbrengen. Toch wordt duidelijk dat de commissie van mening is, zonder zich te binden, dat het bestuur geen blaam treft. Nu kan men verder met de sollicitatieprocedure en dat gebeurt dan ook. Vijf sollicitanten zullen worden uitgenodigd, waaronder ook de tijdelijke wijkverpleegster zuster Van Buiten (zie foto, detail uit een groepsfoto uit de veertiger jaren). Zij zal uiteindelijk worden benoemd.

De uitslag
Op de ledenvergadering van 1927, die op 17 maart wordt gehouden, zijn 26 leden aanwezig. Er ontstaat enige discussie over het voorlezen van de 24 bladzijden notulen, maar omdat de vergadering van mening is dat ze helemaal moeten worden gelezen, gebeurt dat ook.
Bij de ingekomen stukken is het rapport van de commissie van onderzoek inzake ontslagname zuster Van den Abeelen. De commissie is van oordeel dat, voor zover zij dit kon nagaan, het bestuur in deze zaak vrijuit gaat. Het rapport wordt verder voor kennisgeving aangenomen en de vergadering gaat over tot de orde van de dag.

* * *


AMBARAWA ________________________________________________________

J.W. de Weerd
(De foto bij dit artikel is afkomstig van L. van Berkum-Huisman)

In het vorige kwartaalblad heeft u kunnen lezen dat moeder en dochter Van den Abeelen een woning lieten bouwen achter de bestaande huizenrij aan de Ommerdijk (Backxlaan). Nadat moeder Van den Abeelen-Maier in 1927 was overleden, bleef haar dochter Mathilda er wonen tot haar overlijden in 1943. Naar aanleiding van het artikel kregen we onderstaande informatie van Lammie van Berkum-Huisman.
Na het overlijden van Mathilda kwam het huis “in de verkoop” en werd het gekocht door M. Massier. Hij ging er niet wonen, maar verhuurde het huis aan het gezin Gerrits dat uit Oost-Groningen kwam. Ze waren familie van manufacturier Van Marle aan de Hoofdvaart in Den Hulst. Vader Gerrits was burgemeester geweest in Oost-Groningen, maar moest het veld ruimen toen er een Duitsgezinde burgemeester werd aangesteld. In juli 1944 schreef Bep Gerrits een gedichtje in het poëziealbum van Lammie:

        Wanneer je later eens een keer
        Dit album gaat bekijken,
        Herinner je dan nog eens weer
        Bep Gerrits, Ommerdijken:
        Ze was hier tijdlijk, als je ’t vraagt.
        Ze waren uit hun huis gejaagd
        En kregen hier toen onderdak.
        Ze woonden rustig, maar heel klein
        Op “Ambarawa” ’t was er fijn
.         Wanneer de oorlog neemt een end,
        Dan ga ik waar ik ben gewend.
        En wens je toe, op al je wegen,
        Veel voorspoed en veel zegen.

Op “Ambarawa” woonde van eind 1945 tot ongeveer 1950 de familie J.H. Pot-Massier. Toen zij naar het postkantoor aan het Westeinde in Nieuwleusen vertrokken, gingen Marten Massier en Hendrikje Massier-Lotterman er wonen. Toen in 1955 G.J. van Berkum en L. Huisman trouwden, namen ze er ook hun intrek.

In 1959 werd het huis verkocht aan G. Huzen van café “De Unie”. Later werd het eigendom van H.J. Brouwer en daarna veranderde het tot de afbraak nog twee of drie keer van eigenaar.
De foto van april 1958 laat de voorgevel van het huis zien. Het had een ruim overstekend puntdak met in het midden een schoorsteen. De voordeur was de enige deur waardoor men toegang tot het huis kon krijgen. Deze deur sloot een gang af die eindigde even voorbij het middenpunt van de woning. Daar maakte de gang een haakse bocht naar links en werd het een smalle gang. Aan het eind daarvan was de WC tegen de buitenmuur aangebouwd. In de muur achter de WC zat een houten luik, waardoor het tonnetje kon worden geleegd.
Aan beide zijden van de gang waren kamers. Links was de keuken, rechts een slaapkamer. Daarachter was de kamer en daarnaast, dus links achter, was nog een slaapkamer. Deze was voorzien van tuindeuren.
Naast het huis was een waterput waarin het regenwater van het dak werd opgevangen. Deze put zat vlak naast het luikje van de WC. Voor drinkwater was men aangewezen op water dat met emmers van elders moest worden aangevoerd.

* * *


EEN BIJZONDERE DAG TIJDENS DE MOBILISATIE ________________________________________________________

A. Dijk

Mijn vader woonde aan het Westeinde. Hij had in 1914 juist zijn dienstplicht vervuld - die duurde toen twee jaar – toen hij weer werd opgeroepen voor de mobilisatie. Alles bij elkaar was hij vier jaar soldaat. Hij was ingedeeld bij de artillerie in Vijfhuizen in Noord-Holland. Omdat hij stukscommandant was, verdiende hij 2 cent meer dan een gewoon soldaat, die 11 cent per dag verdiende. Hoe hij in die tijd zijn bedrijf moest bewerken, moest hij zelf maar zien te regelen; daar kreeg hij geen vergoeding voor. Een keer per twee weken kreeg hij een vrije dag. Op die dag mocht hij vrij reizen. Dat was alles.
In die jaren was er nog een halte aan de spoorlijn bij de Rollecate. Daar vandaan moest hij dan lopen naar het Westeinde.
Over het fort aan de waterlinie vertelde hij dat er meer ratten zaten dan soldaten. Je kon er niets eetbaars bewaren, want dat werd onmiddellijk opgegeten door de ratten. Zelfs het stro waarop ze sliepen werd nog stukgebeten.
Op een dag in ’t voorjaar zou koningin Emma op bezoek komen. Nou, dat was me wat!
Al drie weken van te voren moesten elke dag de vloeren worden geschrobd en overal waar het een rommel was, ging de boel op slot.
’s Morgens moesten ze, al uren voor ze aankwam, in het gelid staan. De koningin-regentes werd rondgeleid door de kapitein en die werd door haar geprezen over hoe prachtig alles er uit zag. Wat minder mooi was, had ze immers ook niet gezien, want dat zat achter slot.
Normaal kreeg een soldaat dagelijks een kuch. Dat was een rond brood, iets dikker dan een kadetje. En daarbij koffie of een glas melk naar keuze. Wie meer wilde, moest dat zelf kopen; een glas melk kostte 4 cent. Maar op de dag van het bezoek van koningin Emma kregen ze als extra een krentenbroodje.

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

Foto BC019 = 02604

Van de groepsfoto van deze keer, de Openbare Lagere School te Ruitenveen uit omstreeks 1947, zijn helaas niet alle namen bekend. We rekenen dan ook op uw medewerking om de ontbrekende namen te achterhalen. Liefst schriftelijk doorgeven aan de redactie, Westeinde 3, 7711 CH Nieuwleusen, e-mail: redactie@palthehof.nl



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

Femmy Luten
Wiechertje de Boer
Trijntje Hendriks
Jantje de Boer
Geesje Brouwer
dochtertje Van Haarst
meester van Aarst
Jan Willem Pessink
Jan Nijlant Janzoon
Jan Nijlant Martenzoon
Jan Nijlant Gerritzoon

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  

Koop Schoemaker
Aalt van Duren
Arend de Boer
Geesje Potjes
Beppie van Aarst
Mieneke van Aarst
Hennie Takken
Dinie Hekman
Gerrie van Veen
Margje Hendriks
Nelly Hendriks

23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
 

Janny Luten
Gerrit Jan Nijlant
Gezinus Nijlant
Klaas Nijlant
Antonie Visser
Berend Jan de Boer
Lucas Scholten
Herman Prins
Roelof Hekman
Evert Jan Seine

* * *


DE FAMILIE VAN DEN ABEELEN II ________________________________________________________

J.W. de Weerd
(De foto’s bij dit artikel zijn afkomstig van J. Kouwen-Waanders)

Op het verhaal over de familie Van den Abeelen in het vorige nummer reageerde Jenny Kouwen-Waanders. Zij heeft met name Mathilda goed gekend. Het was als het ware haar peettante en ze noemde haar dan ook tante Tilly.
Vader Waanders was slager aan de Ommerdijk, moeder Waanders had een winkel in manufacturen. Mathilda van den Abeelen kwam regelmatig voor boodschappen bij slager Waanders. Deze had een hond die op enig moment voor een nest jongen zorgde. Mathilda was daar weg van. Toen enige tijd later Jennie werd geboren zei vader Waanders tegen Mathilda: “Nu hebben we ook nog een jong hondje in de wieg”.
Omdat haar ouders druk met hun winkels waren, verbleef Jennie vaak bij tante Tilly. Ze weet dan ook nog goed hoe het huis Ambarawa er uitzag (zie ook het artikel Ambarawa).
Van vader Van den Abeelen was er in de kamer een groot schilderij (van bovenkant sofa tot aan plafond) in bronzen bewerkte omlijsting waarop hij in vol ornaat stond afgebeeld. Hij was generaal geweest in de plaats Ambarawa in Nederlands Indië. In het huis hadden ze verder allerlei luxe voorwerpen, schitterend porselein en antieke meubels zoals je in de overige huizen in Den Hulst en Nieuwleusen niet aantrof.
Voordat Ambarawa gebouwd werd, bewoonden de dames Van den Abeelen twee huizen aan de Ommerdijk. In de ene woonde Agnes en in de andere Mathilda met hun beider moeder. Beide woningen waren van binnen met elkaar verbonden, zodat ze snel naar elkaar toe konden gaan maar ook ieder hun eigen huis hadden.
Ambarawa had een grote tuin die in tweeën was gedeeld en door hoog gaas was omgeven. In het voorste deel stond het houten kippenhok, dat een drietal appartementen had, waaronder een nachthok. Mathilda had altijd witte kippen.


Ergens tussen 1900 en 1910 brachten de drie gezusters Van den Abeelen een dagje door op het strand van Scheveningen. Vlnr. Non (roepnaam voor Roelovina), haar man Van Groningen, Agnes en Mathilda.

Het huis stond in het achterste deel van de tuin. Wilde men naar de woning, dan moest men de zandweg volgen die vanaf de Ommerdijk helemaal om de tuin heen liep, waarna men vervolgens door een hoog hek het huis kon bereiken.
In de tuin, die oorspronkelijk bijzonder mooi als een soort rotstuin was aangelegd maar later verwilderde, stonden vijf appelbomen die allen een naam hadden en genoemd waren naar de evenzovele dochters van slager Waanders. Westerhof was de tuinman die een of twee keer per week kwam om voor de tuin te zorgen.
Naast kippen had Mathilda een papagaai die vreselijk kon schelden. De familie vond het vreselijk maar het was hem aangeleerd door matrozen op de boot bij terugkeer uit Nederlands Indië. Er was ook een schildpad die Kleine Oetie heette.
Robbie was de hond, vermoedelijk een Labrador, van Mathilda. Toen het dier overleed, werd het in de tuin schuin achter het huis begraven. Er kwam een treurwilg bij het hondengraf.
Mathilda kreeg daarna een soortgelijke hond die ze ook Robbie noemde. Deze is op een gegeven moment vergiftigd en bij de andere hond begraven. Daarna kwamen er twee honden, maar dit waren hele andere! Ze waren behoorlijk vals en menigeen was er bang voor. De dieren werden door Mathilda tot en met verwend, ze kregen te pas en te onpas snoepjes en koekjes toebedeeld.
Ondanks de honden kwamen de postbodes graag bij Mathilda om de post te brengen. Als zij ze zag aankomen langs de Ommerdijk werd er snel warme chocolademelk gemaakt en een aantal plakken koek klaargezet. Eens werd er een kaart gebracht die geadresseerd was aan Mej. M. v.d. Abeelen, den Hulst. Het was een prentbriefkaart met een afbeelding van de Steenstraat in Oldenzaal. Op de kaart was o.a. een vrouw te zien waarbij een kruisje was gezet. Onder de afbeelding was geschreven: “X Mej. P….. wandeld door Oldenzaal’s straten.”
Mej. P. was Gulia Palthe, waarmee de familie Van den Abeelen bevriend was. Ook met het gezin Backx werden contacten onderhouden. Omdat mevrouw Backx rookte, wilde Mathilda wel sigaretten in huis halen wanneer zij kwam, maar ze wist niet precies welke sigaretten dat moesten zijn.

Eens ging Mathilda bij mevrouw Backx op bezoek. Het dienstmeisje deed open en zei: “mevrouw slaapt nog”. Omdat Mathilda geen idee van tijd had, de klokken bij haar thuis liepen haast nooit, kon het gebeuren dat ze al erg vroeg in de ochtend voor de burgemeesterwoning stond.
Vlnr in de tuin van Ambarawa: Mathilda (tussen de planten), slager Hendrik Waanders en tuinman Westerhof.

Mathilda reageerde wel eens wat anders op bepaalde situaties dan de overige Nieuwleusenaren. Haar afkomst zal daaraan ten grondslag hebben gelegen. Toch was ze, net als haar zuster Agnes die niet de gemakkelijkste was, wel geliefd bij de bevolking. Als ze kon deed ze wel aan een en ander mee.
Overigens kon ze niet zo erg goed met geld omgaan. Mathilda was ongetrouwd en omdat ze niet werkte had ze ook geen inkomen. Het was dus, ondanks de mooie bezittingen die ze had, geen vetpot. Het schijnt dat burgemeester Backx er eens voor gezorgd heeft dat ze van een of andere instantie, mogelijk uit een fonds van ex-militairen uit Nederlands Indië, een uitkering kon krijgen.

* * *


SIMPELE VRAAG - GROTE GEVOLGEN ________________________________________________________

J.W. de Weerd

Met de woorden “ik zoek een foto…” begon op 14 mei 2006 een contact dat er toe zou leiden dat een onderduiker na 62 jaar zijn onderduikadres weer bezocht. De betreffende woorden stonden in een mailtje van Ronnie Stevens, die bezig was om de memoires van zijn schoonvader uit te werken. Deze had wel beeldmateriaal verzameld, maar niets over het jaar 1944/45.

Maar wie was Ronnie Stevens en wie was zijn schoonvader? En waar kwam die vandaan? Het bleek Ben van Kleef uit Arnhem te zijn, maar diens naam wisten wij toen nog niet. Zijn schoonvader had beschreven hoe hij als jongeman in Nieuwleusen ondergedoken had gezeten bij boer Martin die met zijn dove moeder in een van vier dicht bij elkaar staande boerderijen woonde. Onze reactie was dat we foto’s van boerderijen hebben en dat het misschien wel leuk zou zijn om een foto te sturen van de boerderij waar zijn schoonvader ondergedoken was geweest, als we die tenminste hadden. Dus was het verzoek: geef ons eens wat meer informatie.
Hier zat een dilemma. De uitgewerkte memoires zouden een verrassing worden bij de tachtigste verjaardag van zijn schoonvader. We kregen een deel van de tekst van het verhaal, maar ook daaruit konden wij niet echt duidelijk concluderen om welke boerderij het ging. Behalve de naam Martin waren er geen namen en achternamen in de memoires vermeld.
Nu is Martin geen veel voorkomende naam in Nieuwleusen en met zijn dove moeder erbij hadden we toch een aanknopingspunt. Zou het Marten Schaapman kunnen zijn?

Naast Marten Schaapman woonde vroeger de familie Ruinemans. Zouden die nog iets weten? Soms heb je geluk, nu dus ook. Bart Ruinemans wist nog het een en ander en na er ook met Egbert Brasjen over gesproken te hebben vertelde hij het volgende:
Acht in uniform geklede mannen waren in Nieuwleusen ondergebracht in een viertal boerderijen aan het Pad. Dat was bij de families Huzen, Brasjen, Schaapman en Ruinemans. De boerderijen liggen ter weerszijden van de Jagtlusterallee, wat toen nog een zandweg was. Zij kregen daar andere kleren van de bewoners zodat ze niet zouden opvallen in hun uniform. Een aantal van deze acht vertrok binnen enkele weken, de rest bleef langer op het onderduikadres.
Marten Schaapman woonde met zijn moeder (Hendrikje Schaapman-Koezen) in het huis dat nu Jagtlusterallee 1 is. Naast Schaapman woonde het gezin van Jan Willem Ruinemans en Aaltje Sterken (toen Pad 118, nu Westerveen 4). Maar: in de oorlogsjaren was moeder Schaapman niet doof, dat werd zij pas op latere leeftijd. Wel stokdoof in die jaren was grootmoeder Ruinemans, die in hetzelfde huis naast het gezin van haar zoon woonde.


Links Ben van Kleef na 62 jaar weer terug bij de boerderij van de familie Ruinemans waar hij als 18-jarige jongen ondergedoken zat, rechts Bart Ruinemans. De huidige eigenaar was bezig met een verbouwing.

Eén van de ondergedoken mannen bij Ruinemans was Ben van Kleef. Deze was na de oorlog vertegenwoordiger en kwam toen als zodanig wel eens in Nieuwleusen bij Union om daar verflakken te verkopen. Hij is toen ook een paar keer terug geweest bij de familie Ruinemans. Van hem heb ik nog twee foto's, een als jongeling en een uit de jaren vijftig.

Het verhaal van Bart ging naar Ronnie samen met enkele foto’s en de opmerking: Als jouw schoonvader bij Schaapman was ondergedoken, dan kan hij zich misschien Ben van Kleef nog wel herinneren.
Het antwoord was verbluffend: “Mijn schoonvader is Ben van Kleef! De beide foto’s van hem zijn niet in familiebezit, maar het is hem!”
Zowel de familie Van Kleef als de familie Ruinemans waren opgetogen. Wat een toevalligheid.
Om nu een lang verhaal kort te maken: Ben van Kleef was samen met zeven anderen in 1944 gevlucht uit een werkkamp. Hij zat zo’n twee maanden ondergedoken op de boerderij van de familie Ruinemans. Het eerste contact dat de onderduikers legden was met Marten Schaapman. Bij elk van de families Ruinemans, Schaapman, Brasjen en Huzen, allen wonende naast elkaar nabij de Jagtlusterallee, waren twee van de uit het werkkamp gevluchte jongens ondergedoken. Ze verbleven er enkele weken tot enkele maanden en begonnen daarna met alle gevaar van dien aan de terugtocht naar hun eigen familie.

Ben van Kleef is na de oorlog maar korte tijd vertegenwoordiger geweest. Hij had een schildersopleiding en was o.a. werkzaam als decoratieschilder en als kunstschilder. Van hem is het ontwerp van het ongeveer 30 m² groot glas-in-loodraam in de Sint Martinuskerk in Arnhem dat het dramatische verhaal vertelt van de Slag om Arnhem.

Op 16 juli 2006 bracht Ben van Kleef met zijn vrouw Thea, zijn dochter Monique, schoonzoon Ronnie en kleinzoon Ben een bezoek aan Nieuwleusen (Ben’s oudste dochter Ingrid en haar man konden daarbij niet aanwezig zijn). Natuurlijk werd ook de onderduikboerderij met een bezoek vereerd. Ben vertelde honderduit over zijn belevenissen, met name aan Bart Ruinemans en Egbert Brasjen.
Enkele dagen later bedankte Ben in een brief “voor het warme onthaal waarmee we werden ontvangen. De geschiedenis herhaalt zich blijkbaar want 62 jaar geleden was het eigenlijk niet anders. Jammer was dat het huis van de familie Ruinemans zo drastisch was verbouwd, ik had nog zo graag aan de tafel plaatsgenomen waar vele plannen werden gesmeed omtrent de tocht naar huis. Maar het zij zo!”

Ben van Kleef vertrouwde zijn levensverhaal toe aan het papier op verzoek van zijn kleinkinderen. Het uitgewerkte verhaal werd op het feest ter gelegenheid van zijn 80ste verjaardag en tevens van zijn 50-tig jarig huwelijk aan hem aangeboden. Toen kreeg hij ook te horen dat een bezoek aan Nieuwleusen op het programma stond. Bij dat bezoek zei hij: “Ik heb er al weken naar uitgekeken.”

* * *


KATJA JONKERS VERTELT III ________________________________________________________

K. Jonkers

In de beide vorige delen lazen we hoe Katja op haar zesde jaar haar moeder verloor en hoe het moederloze gezin Jonkers daarna verder leefde. In dit deel van Katja’s verhaal zijn de feestdagen in haar boek samengebracht.

Feestdagen
In 1907 was ik 5 jaar en toen moest ik mee naar de zondagschool. Die werd gehouden in een grote cichoreifabriek en dat was vanaf ons huis op de Meele een heel eind lopen. Al lag er nog zoveel sneeuw, altijd moesten wij er naar toe. De leraar kwam uit Staphorst.
Elke week kregen we een versje mee dat we moesten leren. Het eerste versje was erg groot, wel 10 regels, dat zou ik vast nooit kunnen leren. Maar vader was zeer streng. Elke avond moesten wij 2 regeltjes opzeggen en als het dan zaterdagavond was, dan ging alles van een leiendakje. Zingen vond ik meestal het mooiste, want van al die grote verhalen over mensen die al gestorven waren, daar begreep ik niet veel van.

Kerstfeest
Als de tijd van kerstfeest aanbrak waren wij allemaal zo blij. De eerste keer lag ik de avond van te voren heel lang wakker. Toen de zondagmorgen was aangebroken gingen we samen met de buurmeisjes op pad. In de zondagschool stond geen kerstboom, maar er waren wel hele mooie grote platen met teksten erop. Eén ervan heb ik nooit vergeten. Die was zo:
Lieve Jezus, maak mij vroom, dat ik in de hemel koom.
Nadat de leraar een kerstverhaal had verteld werden wij getrakteerd op chocolademelk met krentenbroodjes. Dan kwam de uitdeling. Wie elke zondag z’n psalmversje op kon zeggen kreeg een klein plaatje met een tekst erop. En wie de meeste plaatjes had kreeg het dikste boek. Mijn eerste boek was Ouwe Bram van W.G. van de Hulst.
Voor we naar huis gingen kregen wij nog wat versnaperingen en een mooie tekst. Die kwam thuis aan de muur te hangen.

Oud- en nieuw
Enkele dagen later was het oude jaar aangebroken. Overal werden oliebollen gebakken. En dan, de andere morgen, was het nieuwe jaar al begonnen. Al heel vroeg gingen wij met de buurmeisjes op weg om al de mensen in de hele omtrek een goed nieuwjaar toe te wensen. Als wij dan bij onze eerste buren begonnen, dan riepen wij allemaal tegelijk: ”Wij wensen u een heel gelukkig nieuwjaar”. De buurvrouw lachte dan en zei:”Dank je wel kindertjes. Gaan jullie maar even zitten, dan krijg je wat uit een glaasje.” En dat was dan hele fijne kersen- of brandewijnlikeur en ook wel eens “Meig”, dat werd van bijenhoning gemaakt. Als wij ons glaasje leeg hadden kregen wij nog een stuk ‘zakkenband’, dat was een soort koek. En dan gingen wij naar de volgende buren, net zo lang tot er geen huizen meer stonden.
Tegen de middag waren we weer thuis en dan kregen wij erwtensoep met worst en spek. Maar wij hadden onze buik dan al vol met allerlei lekkers en hadden weinig zin om te eten.
Na het middageten gingen wij de buren aan de andere kant bezoeken. De huizen, meestal kleine boerderijen, stonden dicht bij elkaar. En toen zijn we een huis voorbijgegaan omdat wij bang waren voor de grote hond.
De volgende dag kwamen de mensen die wij niet hadden bezocht bij vader om te vragen waarom zijn kinderen hun deur voorbij waren gegaan. Ze waren erg beledigd. Vader wist nergens van en wij moesten op het matje komen. Marjan vertelde dat wij niet durfden voor de hond. O, dat geloofden ze best. Maar toch moesten wij nog diezelfde dag naar die mensen om hen alle goeds toe te wensen. De hond werd in de schuur vastgehouden.


Foto (afkomstig van de familie Borgers) uit de zeventiger jaren tijdens een bezoek van familieleden Borgers aan de familie Kuus in Zeist. Vlnr: Klaas Borgers, Klaasje Kuus-Jonkers (Katja), Bart Kuus, Willempje Borgers-Meulenbelt en Willem Borgers.

Nieuwjaarsvisites
De hele maand januari waren er feestavonden, maar dan voor de grote mensen. Eerst gingen de families elkaar onderling bezoeken. Dan de naaste buren.
Ik werd met mijn kleine broertje al vroeg in bed gestopt en Marjan en Joke mochten naar de nichtjes toe om samen op te passen. Meestal waren er ook wel oudere broers thuis.
Het werd altijd een beetje een vrolijke boel als de hele familie er was en het liep meestal tegen één uur als ze weer weg gingen. Van al dat gelach en gepraat begreep ik helemaal niets, maar toch waren wij altijd weer blij als wij hoorden dat er weer oom’s en tantes zouden komen, ook al moesten wij vroeg naar bed.

Pasen
In het vroege voorjaar werd al begonnen voor een groot vreugdevuur te zorgen met Pasen. Dan kwamen de jongens uit de buurt bij elkaar met schoppen en vorken. Ze mochten in elk land dat te veel braamstruiken had de braamdorens wegsteken. Die willen heel goed branden. Menige jongen kreeg daarbij wel eens een bloedvinger van de scherpe doornen, maar het was voor het paasfeest en daar hadden ze alles voor over.
Als er nergens meer braamstruiken te vinden waren, gingen we de hele buurt af met een liedje.
          Hebt u nog een oude mand of een bosje riet,
          anders brandt het paasvuur niet.

En dan kwam er genoeg los wat dan op het paasvuur verbrand mocht worden. Tegen Pasen was er een hele grote berg met hout bij elkaar gebracht. Dan gingen de buren de avond tevoren met elkaar de grote berg heel hoog opstapelen. Een grote dennenboom werd in het midden geplaatst, met bovenin een grote mand.
De volgende dag keken we verlangend uit naar de avond. Die dag kregen wij ’s avonds krentenbrood met chocolademelk en eieren. Na het avondeten gingen wij alvast naar onze buurmeisjes toe. Als dan de buurtbewoners en de jongens en meisjes allemaal bij de paasbult waren, werd de grote berg aangestoken. Al heel gauw zag je overal in heel de omtrek grote vreugdevuren branden.
De oudste jongens en meisjes hadden na afloop de grootste lol, want dan maakten ze elkaar helemaal zwart met het verbrande houtskool.

Schoolfeest
In het jaar dat prinses Juliana werd geboren kregen wij een groot schoolfeest. Het grote feestterrein lag ver bij school vandaan. Alle buurtbewoners moesten de boerenwagens versieren, want de schoolkinderen zouden met wagens naar het feestterrein gebracht worden.
De dag was aangebroken. Ik had voor het eerst schoenen aan. Ongeduldig zaten we te wachten. Eindelijk kwamen de eerste versierde wagens voor het schoolplein aan. Eerst moesten de oudste kinderen op de wagens. Daar de kleintjes tussenin en dan de anderen.
O, wat waren er veel wagens en wat waren ze mooi versierd. Eindelijk was alles klaar en daar gingen we dan. Met zijn allen zongen wij O schitterende kleuren van Nederlands vlag. En elke keer weer andere liederen die wij allemaal van te voren op school geleerd hadden.
Er stonden heel veel mensen langs de weg waar wij langs kwamen. En dan, na een dik uur rijden, kwamen wij op het feestterrein aan. O, wat een mensen. Nog nooit had ik zoveel mensen gezien. En wat zag ik daar voor ding? Dat was de mallemolen. En er zaten kinderen in die de grootste pret hadden. Toen werd ik meegenomen naar een grote tent. Daar kregen we heerlijke chocolademelk met twee krentenbollen. Toen we allemaal verzadigd waren, mochten wij om beurten in de mallemolen. Het was allemaal zo mooi!
Er waren heel veel vaders en moeders die met kleine kinderen liepen. Waarom was onze eigen vader niet gebleven. Hij had wel een wagen vol kinderen gebracht. Daar werd ik geroepen. Ik moest meedoen aan een wedstrijd met nog twee meisjes uit mijn klas. We moesten drie balletjes op een bordje dragen en als die er af vielen, kreeg je geen prijs. Daarna moesten wij de stoelendans doen. Het was prachtig weer en we hadden veel plezier; elke keer was er wat anders voor ons te doen.
Wij werden getrakteerd op kwast (nu heet dat limonade), dat smaakte zo lekker!
De dag vloog om en daar kwamen de wagens al weer om de kinderen te halen. Mijn eerste prijs was twee gekleurde kaatseballen, een doosje grote flikken en een springtouw. Ik was er overgelukkig mee en heb in mijn verdere kinderjaren nooit weer kaatseballen gehad.
Wat hadden wij nog graag willen blijven, maar eindelijk zaten alle kinderen van onze school weer op de wagens en was de feestdag voorbij. Maar het was wel een fijne dag geweest.
De avond was voor de grote mensen en de grote kinderen.
Toen Marjan om tien uur weer thuis kwam, vroeg ze vader: ”Och vader er komt een mooie Gondelvaart. De buurmeisjes mogen er ook heen, mogen wij ook?” Eerst mocht dat niet, tenminste, ik mocht niet mee, maar omdat de kleine buurmeisjes ook mee mochten, mocht ik ook. “Nou, ga dan maar, maar zorg er voor dat je niet te dicht bij het water gaat staan’
En daar gingen wij met ons zessen. Ik vroeg aan m’n buurjongetje of hij wel wist wat een gondelvaart was, o nee, net zo min als ik dat wist.
Na tien minuten lopen kwamen wij bij een grote brug en daar zou de grote stoet doorkomen. Er stonden heel veel mensen te wachten. Na een poosje klonk in de verte muziek. Even later zagen we een boot met een motor erin en daarachter heel veel schepen. Ze waren allemaal prachtig versierd met verlichte lampions. Zo iets moois had ik nog nooit gezien. En prachtige muziek. O, ik had zo wel mee gewild. En er werd zo mooi gezongen.
Heel langzaam ging boot voor boot voorbij, tot ook de laatste weg was. Zo lang wij konden bleven we nog nawuiven, maar toen de meeste mensen weggingen, toen gingen wij ook maar naar huis.

Aanvullende informatie over het gezin van Katja.
Uit het huwelijk van Klaasje Jonkers en Gerrit Rozeboom zijn voor zover nu bekend zes kinderen geboren: zonen in 1921, 1925, 1931 en 1936 en een dochter in 1929. Na 1936 is er nog een zoon geboren, jaar onbekend. In 1952 overlijdt Gerrit Rozeboom. In dat zelfde jaar komt de zoon uit 1931 door een ongeluk om het leven.
In 1976 schrijft Klaasje dat haar dochter gescheiden is van haar man “die gevallen is voor een andere vrouw”.
In 1956 trouwt Klaasje met Bart Kuus. Hij is 10 jaar ouder dan zij. Ze bewonen eerst een woning met tuin in Zeist die door Bart wordt onderhouden. In 1975 wordt hij ernstig ziek in het ziekenhuis in Zeist opgenomen. Later wordt hij naar Utrecht overgebracht. Na zijn herstel kan hij weer in de tuin werken, maar na een paar jaar wordt het toch teveel en verhuizen ze naar een rusthuis in Zeist, waar ze hun laatste jaren doorbrengen. Ook Klaasje is ziekelijk, ze heeft last van zware reumatiek.

* * *


INHOUD JAARGANG 24 ________________________________________________________

blz. 


10 
11 
12 
13 
16 
 
20 
23 
24 
29 
30 
33 
36 
37 
39 
40 
41 
44 
45 
50 
 
55 
56 
57 
58 
62 
64 
68 
69 
69 
76 
77 
84 
85 
87 
94 
96 
97 
100 
103 
106 
112 


De vlucht met de Nooitgedacht
Hongerwinter
Aanvulling en correctie
Wie weet wat (Katja’s jeugd)
Uit mijn poesiealbum
Een oude groepsfoto (Huishoudschool ca 1958)
De plaats van Rollecate in de ontwikkeling van het landbouwhuishoudonderwijs II
Ontwikkelingen in een boerenbedrijf 1926-1967
Aanvulling en correctie
De plaatselijk bureauhouder
Wat Nieuwleusen u biedt
Een familieverhaal in foto’s
Jeutien poetsen
Spreuk uit “Het Rode Hert”
Lang zal Guulke leven!
Wie weet wat (De Greef)
Uit mijn poesiealbum
Een oude groepsfoto (OLS Oosteinde ca 1952)
Veul Wille
Katja Jonkers vertelt I
De plaats van Rollecate in de ontwikkeling van het landbouwhuishoudonderwijs III
Schuttercertificaat uit 1832
Krummels
Reünie Rollecate
Herinneringen aan Rollecate
De familie Van den Abeelen
De zuster komt, de zuster gaat I
Wie weet wat (gondelvaart)
Een oude groepsfoto (CLS Westeinde 1965/66)
Een familieverhaal in foto’s II
Een bijzondere grafsteen
Katja Jonkers vertelt II
Uit mijn poesiealbum
Schaatsenrijden
De zuster komt, de zuster gaat II
Ambarawa
Een bijzondere dag tijdens de mobilisatie
Een oude groepsfoto (OLS Ruitenveen ca 1947)
De familie Van den Abeelen II
Simpele vraag – grote gevolgen
Katja Jonkers vertelt III
Inhoud jaargang 24






        ZE WAREN
               VAN HONGER
                      GEGAAN ......


Herinneringen aan de oorlog, de hongerwinter
en aan pleegouders in Nieuwleusen
1940 – 1945



Deze uitgave verschijnt als nummer 1 en 2 van de 25ste jaargang van het kwartaalblad van de Historische Vereniging "Ni'jluusn van vrogger".

Dit boek werd mede mogelijk gemaakt door een financiële bijdrage van woonstichting VechtHorst te Nieuwleusen.





ISSN 1384-0940


Nieuwleusen, april 2007

Uitgave:


Historische Vereniging “Ni’jluusn van vrogger”
Westeinde 3
7711 CH Nieuwleusen

© “Ni’jluusn van vrogger”, 2007
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd en/of openbaar gemaakt door middel van druk, fotokopie, microfilm of op welke andere wijze dan ook zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.

* * *


VOORWOORD ________________________________________________________

Jakob de Weerd

Er wordt wel eens gezegd dat er in de Tweede Wereldoorlog in Nieuwleusen niets is gebeurd. In de loop der tijd wordt het steeds duidelijker dat dit maar betrekkelijk was. Ook dit boek met verhalen over de hongerwinter getuigt daarvan.
Wie de oorlog niet heeft meegemaakt, kan zich niet goed voorstellen hoe groot de ellende in de loop van die jaren werd. Vooral in het midden en westen van het land was de nood hoog. Door het ontbreken van de eerste levensbehoeften moesten velen op zoek naar eten om in leven te blijven. Velen trokken noodgedwongen ver weg, naar het platteland achter de IJssel. Dat de nood hoog was, blijkt duidelijk uit de verhalen die in dit boek zijn opgenomen.

Uit alle verhalen van de pleegkinderen blijkt de grote dankbaarheid. Niet alleen in en kort na de hongerwinter, maar nu nog steeds. Dankbaarheid jegens de gastgezinnen uit Nieuwleusen en omgeving, waarvan de meeste ouders er helaas niet meer zijn. Niet voor niets hebben velen nog goede contacten met Nieuwleusen.

Dit boek wordt uitgegeven als (postuum) eerbetoon aan al die pleegouders uit Nieuwleusen en omgeving die de kinderen uit het midden en westen van ons land hebben geholpen om te overleven. Zonder hun opvang was hen dit misschien niet gelukt.

* * *


INLEIDING ________________________________________________________

De aanleiding voor dit boek is een artikel dat in het kwartaalblad “Ni’jluusn van vrogger” van maart 2006 werd gepubliceerd. In dat artikel beschrijft Joop van Luit zijn verhaal over de opvang in Nieuwleusen tijdens de hongerwinter. Dat leverde veel reacties op. Daarop besloot het bestuur van de vereniging om te proberen hierover zo veel mogelijk informatie te achterhalen. De eerste kinderen kwamen al kort na het bombardement op Rotterdam naar Nieuwleusen. Toen later in de oorlog de hongerwinter zich deed gelden, kwamen sommigen terug. Maar veel anderen maakten toen voor de eerste keer kennis met Nieuwleusen.
Het aantal kinderen dat in de oorlog hier voor kortere of langere tijd was ondergebracht, werd aanvankelijk geschat op enkele tientallen. Op het moment van afsluiten van dit boek staan er bijna 200 namen op onze lijst. Zeker is dat dit aantal groter is geweest. Omdat er geen administratie van is bijgehouden zal het exacte aantal waarschijnlijk nooit worden achterhaald. Duidelijk is dat veel kinderen kwamen door kerkelijke bemiddeling.

Dit boek bevat de verhalen van een aantal “kinderen” die in Nieuwleusen en omgeving een deel van de oorlog en met name de hongerwinter hebben doorgebracht. Daarnaast zijn er van een aantal Nieuwleusenaren verhalen opgenomen over de Tweede Wereldoorlog. Dankzij al deze herinneringen kon dit boek tot stand komen.

Tiny Weijers bracht ook de hongerwinter door in Nieuwleusen (De Meele), evenals haar nichtje. Haar verhaal is al eerder opgenomen in “De jaren 1940 – 1945 in Nieuwleusen”, dat in 1995 door de Historische Vereniging werd uitgegeven. Daarin werd voor het eerst de oorlogssituatie in Nieuwleusen en omgeving beschreven. Helaas is “De jaren 1940 – 1945 in Nieuwleusen” uitverkocht.

De titel van dit boek is overgenomen van het artikel van Ineke en Wim Ludwig “Ze waren van honger gegaan….” Hiermee wordt niet alleen aangegeven dat de tocht naar het platteland bittere noodzaak was om te overleven.

Met het verschijnen van dit boek zijn nog lang niet alle verhalen over de Tweede Wereldoorlog en over de hongerwinter in Nieuwleusen verteld. We hopen dat door dit boek ook anderen, nu het nog kan, hun verhaal aan het papier zullen toevertrouwen. Alle verhalen zijn uniek en het is het waard die vast te leggen voor de geschiedenis.

Gemeentehuis van Nieuwleusen, foto van ongeveer 1935.

* * *


OPVANG ALS VANZELFSPREKEND ________________________________________________________

Cees Mooijman

Vanaf mijn vroegste jeugd begreep ik al dat oorlog een verschrikking is. Zodra ik kon lezen begon ik kranten en tijdschriften te bekijken. Vooral de afbeeldingen boezemden mij schrik in, met name de burgerbevolking bleek het slachtoffer te worden. Er waren voor 1940 nogal wat conflicten in Europa en ook daarbuiten.
16:51 25-9-2020

Op 10 mei 1940 is het hier ook afgelopen met de vrede. Duitse troepen vallen ons land binnen. Parachutisten landen in het westen en op 14 mei wordt Rotterdam gebombardeerd. Het Nederlandse leger capituleert. De Duitsers gedragen zich aanvankelijk netjes maar gaandeweg de oorlog komen er allerlei verslechteringen en worden de voedselrantsoenen steeds minder.
Op 6 juni 1944 vindt de lang verwachte invasie in Normandië plaats en langzaam rukken de geallieerde troepen op in onze richting. Op 5 september 1944 komt in het westen plotseling de geruchtenstroom op gang dat de Canadezen en Engelsen in aantocht zijn. Ze zouden zelfs al ten zuiden van Utrecht zijn. Veel Duitsers en NSB-ers slaan in paniek op de vlucht: “Dolle Dinsdag” is een feit. Op 17 september begint de spoorwegstaking. Daarna ontstaat er een tekort aan voedsel, mede door de invallende strenge vorst. Hierdoor bevriezen de waterwegen en is transport per schip niet meer mogelijk. De hongerwinter is een feit. Ook de energievoorziening stopt; er wordt geen elektriciteit en gas meer geleverd.
Vanuit de kerken ontstaat dan een initiatief om kinderen uit te zenden naar noord Overijssel. Ons gezin in Utrecht bestaat uit vader, moeder, een oudere zuster en ik. Op 30 januari 1945 brengen mijn ouders mij naar de Jaarbeurs op het Vredenburg in Utrecht waarvandaan de uitzending zal plaats vinden.

Uitzenden
Ik kende niemand van de andere kinderen. We kregen een pakje brood. ’s Avonds werden wij in een vrachtwagen geladen, een platte auto met een opbouw van zeildoek. Wij zaten op de houten banken en er lag stro op de bodem. Het vertrek was in de avond omdat er ’s nachts gereden moest worden in verband met mogelijke beschieting door geallieerde vliegtuigen. Onderweg werd vaak gestopt voor de vele controles door Duitse militairen die met zaklantaarns naar binnen schenen om te zien of alles wel klopte.

Elektriciteit
De volgende ochtend om zes uur kwamen wij in Zwolle aan bij de Julianaschool. Daar bleven we twee dagen. We sliepen op stro op de grond. Op 2 februari werden we met koetsjes opgehaald. Ik wist niet waar de reis heenging; het bleek Nieuwleusen te zijn. In het begin van de middag kwamen wij aan bij café De Viersprong. Daar kregen we brood en melk. Als coördinator trad dominee De Vries op. Ik vroeg hem of er in Nieuwleusen ook een H.B.S. was maar dat bleek niet het geval.
Gaandeweg werden de kinderen door de pleegouders opgehaald. Als laatste kwam ik aan de beurt. Zwijgend, in het donker door de sneeuw lopend, koffer achter op de fiets, kwam ik aan bij mijn nieuwe adres: W. Boer – A110 – Nieuwleusen. Ik sprak de volwassenen beleefd aan met mijnheer en mevrouw, maar dat vonden ze nogal vreemd en ik moest maar oom en tante zeggen. Het viel mij op dat er nog elektrisch licht was en dat ik veel en goed te eten kreeg. Zoveel zelfs dat ik ’s nachts moest overgeven want mijn maag was daar niet meer aan gewend.
Ik werd vlug en als vanzelfsprekend in het gezin opgenomen. Het was een klein boerenbedrijf met een aantal koeien, een varken, wat kippen en stukjes landbouwgrond. Oom Willem werkte op de melkfabriek als machinist van de stoommachine. Er kwamen ook veel “trekkers” langs, mensen uit het westen op de fiets maar ook lopend, op zoek naar voedsel. Dat was niet voor geld te koop maar werd geruild voor wat men bij zich had. De trekkers sliepen in de stal of in de hooiberg.

Luiken dicht
Door het dialect had ik in het begin moeite om de mensen te verstaan maar gaandeweg ging dat beter. Ik ben in Nieuwleusen niet naar school geweest, wel naar de zondagsschool.
Verder leerde ik veel dingen die ik thuis nog nooit gedaan had: aardappels schillen, hout hakken, spitten, koeien voeren, grasmaaien, wieden, karnen, enz. Ik heb zelfs geleerd een koe te melken maar dat viel nog niet mee.
Dat er oorlog was merkten we aan de enorme hoeveelheden vliegtuigen die in oostelijke richting vlogen. Bij de buren, de familie Boerman, was een Duitse soldaat ingekwartierd. Die keek dan droevig naar al die vliegtuigen en zei dan “Es geht alles nach Berlin”.
In de buurt van Nijverdal werden V1’s en later V2’s afgevuurd. De V1 was een vliegende bom, aangedreven door een straalmotor die een typisch ratelend geluid maakte. Soms viel de motor uit en dan deden we snel de luiken voor de ramen dicht, want dan kwam het ding ergens naar beneden en ontplofte het.
De V2’s waren raketten die loodrecht omhoog gingen en op het hoogste punt afbogen in de richting van Engeland. ’s Nachts was het wel een mooi gezicht.
De oorlog kwam echt dichtbij toen de Canadezen in aantocht waren. De hele familie verbleef een paar dagen in de kelder. Soms kwam er een Canadees in de kelder kijken en dan weer een Duitser. Maar uiteindelijk kwam op 13 april de bevrijding. Ik herinner mij dat de Canadezen de “ManiToba dragoons” waren.

Naar huis
Voor het hele land kwam de bevrijding pas op 5 mei. Ik wilde zo snel mogelijk naar huis maar dat ging niet. Er was geen enkele vorm van openbaar vervoer en ik bezat geen fiets. Begin juni deed zich de mogelijkheid voor om mee te rijden met een vrachtauto die vanaf de melkfabriek naar Amersfoort zou gaan.


Met dit document op zak kon Cees Mooijman de thuisreis aanvaarden.

Het was een auto met open laadbak waarop een tank was gemonteerd die melk bevatte. Staande in de open laadbak en mij vastklampend aan de cabine arriveerde ik in Amersfoort. Met een Canadese legerauto ben ik vervolgens naar Utrecht gelift. Vandaar moest ik nog een eind lopen om mijn ouderlijk huis te bereiken. Tot mijn vreugde trof ik mijn ouders en zuster in goede, maar vermagerde toestand aan.

Het contact met de familie Boer is tot op heden blijven bestaan, ik ben vele malen in Nieuwleusen geweest. Hendrik Jan emigreerde in 1950 naar Canada, later gevolgd door zijn zuster Mina. Willem Boer overleed in 1974, zijn vrouw Grietje in 2003. Annie trouwde in 1956 met Jan Nijlant en vorig jaar vierden ze hun vijftig jarig huwelijk. Daarbij mocht ik met mijn echtgenote Paula aanwezig zijn. De receptie was in dezelfde Viersprong waar voor mij op 2 februari 1945 het avontuur begon!
Ik bewaar goede herinneringen aan de mensen in Nieuwleusen en ben nog steeds dankbaar voor de ruim vier maanden die ik daar heb doorgebracht.

* * *


HET DORP ________________________________________________________

Henk Kannegieter

Als ik denk aan de oorlog 1940-1945 en aan Nieuwleusen, dan schiet mij het liedje “Het dorp” van Wim Sonneveld te binnen. Zoals in dat liedje beleefde ik Nieuwleusen waar ik als jongen van 11 jaar, na het bombardement op Rotterdam, terecht kwam.

Na het bombardement stond mijn moeder met drie kleine kinderen op straat: gevlucht uit de brandende stad. We hadden niets anders meer dan de kleren die we aan hadden. Van ons huis stond geen steen meer op de andere. We waren verslagen; wat nu? Toen kwam de uitnodiging om naar Nieuwleusen te komen, maar wat moesten wij daar in hemelsnaam zoeken? We hadden nog nooit van Nieuwleusen gehoord en hadden ook geen idee waar het lag.

In Nieuwleusen vroeg men zich af wat ze voor de slachtoffers van het bombardement op Rotterdam konden doen. Er werd besloten om eerst de kinderen die het meest meegemaakt hadden in een rustige en gezonde omgeving enkele weken op te vangen en wat op verhaal te laten komen. Velen die nog een plekje in hun gezin hadden, gaven zich daarvoor op.
Al vrij snel na het bombardement vertrok de eerste groep kinderen uit Rotterdam. Mijn zus en broer waren er ook bij. Op het laatste moment kregen ze mij echter de bus niet in. Het maakte allemaal veel indruk op mij. Met de tweede groep ben ik toen toch maar meegegaan.
De bus bracht ons naar Nieuwleusen waar ik werd opgewacht door de familie Van der Graaf en met hen ging ik mee naar huis. Dit gezin woonde met zes kinderen aan de Ommerdijk, de huidige Backxlaan. De ouders waren van mening dat waar er zes kunnen eten dat ook wel lukt met zeven. Als ik er aan terug denk zeg ik: wat geweldig gastvrij van die mensen!
Als stadsjongen ging er een wereld voor mij open, het leven op het platteland was heel anders dan ik in de stad gewend was. Aan weerskanten van de Ommerdijk liep een sloot waar je visjes kon vangen. Op de landweggetjes (achteruut zoals men zei) kon je bramen plukken. En je kon ook heerlijk met paard en wagen meerijden. Kortom, het was een paradijs voor kinderen. Maar het voornaamste was dat iedereen ons zo op ons gemak wist te stellen, zodat we ons een beetje thuis voelden. De daaropvolgende jaren mochten we iedere keer weer een weekje bij hen komen bijtanken.

Maar ook Nieuwleusen ontkwam niet aan de gevolgen van de oorlog: er verscheen een luisterpost met Duitse soldaten aan de Ommerdijk, ongeveer op de plek waar nu het zwembad is. En zoals elders in het land moest de bevolking ook hier de maatregelen van de bezetter ondergaan. Sommigen wisten aan bepaalde maatregelen geheel of gedeeltelijk te ontkomen. Er werd weleens stiekem meel gemalen en brood gebakken. Niet alle radio’s werden ingeleverd want men wilde wel blijven luisteren naar Radio Oranje. Als dat gebeurde stonden wij op de weg en als er iets verdachts aankwam tikten wij op het raam.
Het openbaar vervoer werkte niet meer zoals voordien. In de Dedemsvaart zag je turfschepen varen die door de schipper aan een touw werden voortgetrokken. Het eten werd steeds schaarser vooral voor de mensen in het westen van Nederland. De hongerwinter stond voor de deur en langzamerhand was er weinig anders te eten dan suikerbieten en bloembollen.

In de herfst van 1944 kwam er een brief uit Nieuwleusen met de mededeling dat als de honger te erg werd de deur voor mij openstond. Dat hoefden ze maar een keer te zeggen en mijn zus, die naar een andere familie ging, en ik waren snel op weg. Hoe? Lopend, want een andere mogelijkheid was er niet. In Utrecht wisten wij ’s nachts in een open kolentrein te klimmen en zo naar Zwolle te komen. Vandaar weer lopen naar Nieuwleusen, waar we rammelend van de honger aankwamen. We werden met open armen ontvangen. Aan de honger wilden ze snel wat doen en daarom bakte mijn pleegmoeder dikke spekpannenkoeken. Helaas kreeg ik maar twee stukjes naar binnen: mijn maag was niet meer gewend aan dat eten.
Die winter bracht ik onbezorgd in Nieuwleusen door bij mijn pleeggezin. Ik ging er op klompen naar school, schaatste op de ondergelopen weilanden en vermaakte mij met de jeugd. Intussen gingen de broodbonnen naar mijn moeder, hier hadden we brood genoeg.

We zagen dagelijks hoe erg de honger in het westen was. Mensen die met fietsen, kinderwagens, handkarren of gewoon lopend hier wat eten probeerden te bemachtigen. Op sloffen of versleten schoenen van onder andere Rotterdam en dan weer terug. De winter was erg koud. We hielpen die mensen zoveel we konden en hielpen ze zover mogelijk op weg met duwen van de wagens.
De bevrijding maakte ik in Nieuwleusen mee. De Canadezen kwamen. De Duitsers zouden de luisterpost aan de Ommerdijk tot de laatste man verdedigen: …..er is geen schot gevallen. We waren bevrijd en vierden feest, net als de joodse onderwijzer die bij de buren ondergedoken was geweest.
Ik ben 76 jaar (2006) en nog goed gezond. Voor al die mensen die ons zo geweldig door de ellende van de oorlog heen hebben geholpen, heb ik nog altijd grote waardering.

Henk Kannegieter in september 1943.

* * *


HET WERD EEN JONGEN ________________________________________________________

Jenny Meesters-Beltman

Onze ouders hadden al zes dochters (Klaasje, Stien, Mien, Jannie, Jenny en Aly) in de leeftijd van 7 tot 21 jaar, maar hadden nog wel plaats om onderdak te bieden aan een kind dat vanwege honger uit het westen van het land hier naar toe kwam.

Omdat we thuis met meisjes waren, hadden ze zich opgegeven voor een meisje. Dat was natuurlijk voor het geval het kind niet zoveel kleren bij zich zou hebben. Er waren immers voldoende meisjeskleren voorhanden.
Maar het werd een jongen, Dieter Groenman, die als achtjarige bij ons kwam. We hebben hem opgehaald van café De Viersprong. Op dat moment was er geen meisje en dus kregen we hem mee. En het zat goed, hij had een koffer vol kleren bij zich. We hebben er nooit spijt van gehad dat Dieter bij ons gekomen is.
De volgende morgen waren we aan het spelen op de deel, waar een hoop hooi tegen een schot aan lag. Dieter kreeg tijdens het spel per ongeluk een duw van mij en viel met zijn hoofd tegen het houten schot aan. Natuurlijk was het huilen geblazen en voor mij balen natuurlijk.
We woonden in de Kerkenhoek op nummer A86. Dat was nabij de hoek van de Goudenregenstraat (die er toen nog niet was) en de Backxlaan. Het was een kinderrijke buurt en we hebben heel veel met elkaar gespeeld. Blikspuit hebben we vaak gedaan. Bij bijna elk gezin in de buurt waren kinderen uit het westen. Met z’n allen hebben we, ondanks de nare tijd, heel veel lol gehad.
Zondags had Dieter een mooi paars pakje aan. Dan noemden we hem Dieter Paarsman.
Op een keer had Dieter kattenkwaad uitgehaald en daarom kreeg hij een tik van onze vader. “Dat heb ik ook verdiend”, zei hij.
We mochten buiten nooit op blote voeten lopen, dat vonden onze ouders te gevaarlijk. Maar op een morgen zaten de lakens van Dieter’s bed onder het bloed. Toen moest het hoge woord er uit. Hij had een snee in zijn grote teen opgelopen toen hij op blote voeten buiten had gelopen. Dat durfde hij natuurlijk niet te zeggen omdat hij bang was dat er wat van komen zou.
Met Dieter hadden wij er een pleegbroer bij gekregen en zoals Dieter zei: “Ik heb er toen zes pleegzussen bij gekregen”. Het contact is altijd gebleven. Toen onze ouders vijfentwintig jaar getrouwd waren, kwam Dieter met een leuk schilderijtje, waarop een aantal regels waarvan de laatste waren:

Ik, ik zal u nooit vergeten,
maar vergeet dan mij ook niet!

Arend Beltman en Jennige Beltman-Frederiks in 1951 voor hun boerderij.

* * *


VRIJDAG WASDAG ________________________________________________________

Dieter Groenman

December 1944; hongerwinter. We woonden in Utrecht. Ons gezin bestond uit vader, moeder, een dochter en een zoon. Via de Lutherse Kerk kwamen mijn zuster Annelies (10 jaar) en ik (8 jaar) in aanmerking om naar het platteland te gaan om de hongerwinter door te komen.

We vertrokken vanuit Utrecht met veel kinderen in een vrachtauto naar Zwolle. Daar aangekomen werden we ondergebracht in een gymnastiekzaal, waar we de nacht hebben doorgebracht. De volgende morgen werden we (in mijn herinnering) met paard en wagen naar Nieuwleusen gebracht.
Bij aankomst in café De Viersprong (Schoemaker) bij de kerk, kregen we te eten; we zaten aan lange tafels. Daarna kwamen de families, die zich opgegeven hadden om een kind in huis te nemen, ons ophalen.


Het gezin Beltman in 1951. Staand vlnr: Jannie, Klaasje, Stien, Jenny en Mien. Zittend: Arend Beltman, Jennigje Beltman-Frederiks en Aly.
Ik kwam in huis bij de familie Arend Beltman (foto 1951) aan de Ommerdijk (Backxlaan), die zelf ook weer inwoonden bij haar ouders, opa en opoe Frederiks. Het gezin Beltman had zes dochters en ze hadden zich opgegeven om een meisje in huis te nemen. Toen er dus een jongen arriveerde op de boerderij was vooral opoe Frederiks daar fel op tegen. Ze moesten me maar terugbrengen! Ze dacht dat zo'n jongen uit de grote stad geen kleding bij zich zou hebben en zij hadden alleen maar meisjeskleren. Toen na inspectie van mijn koffer bleek dat er voldoende kleding aanwezig was, mocht ik blijven.

Met de jongste dochter Aly (toen Aaltje) heb ik de boerderij, de dieren (koeien, paarden, varkens en kippen) bekeken.


Dieter Groenman in 1951 achter de ploeg op een akker nabij de huidige Ontmoetingskerk (achtergrond).

Van die oorlogsmaanden kan ik mij niet zoveel meer herinneren. Het was koud; de wc was buiten. Binnen in de keuken stond het fornuis en daar was het altijd lekker warm en gezellig. Elke vrijdag was het wasdag. Dan werd er in het stookhok een grote tobbe met warm water neergezet en moest ik in bad en Mina (de derde dochter) schrobde mij dan schoon.
Het was bij de familie een zoete inval. 's Avonds kwamen de kinderen uit de buurt, ook de evacués, bij ons spelen. Eenmaal was oom Arend (zo noemde ik boer Beltman), kwaad op mij. In de schuur was inkwartiering van Duitsers met hun paarden. Ik mocht daar beslist niet komen. Maar een en ander leek mij wel interessant en spannend en dus ging ik daar wél kijken. Het gevolg was een zeer kwade oom Arend!
In juli 1945 was mijn verblijf in Nieuwleusen afgelopen en kon ik eindelijk weer naar huis, naar mijn ouders in de stad Utrecht.

Na de oorlog was ik elke zomervakantie aanwezig op de boerderij, waar ik dan een handje meehielp op het land. In de eerste jaren ging ik vanuit Utrecht altijd mee met de veewagen van Willems. Die ging elke zaterdag naar de veemarkt in Utrecht en nam ons mee terug naar Nieuwleusen. Hij had in de wagen een ruimte gemaakt waar we konden zitten of liggen in het stro. Maar als we weer naar huis gingen moesten we om vier uur ’s morgens al vertrekken.

Na verloop van jaren zijn de bezoeken wat minder geworden: werk, huwelijk, kinderen. Maar ondanks dat is het contact met de hele familie Beltman altijd gebleven, tot op de dag van vandaag. Alle zes "pleegzussen" zijn nog in leven. Van de oudste (Klaasje) hebben we nog niet zo lang geleden het 60-jarig huwelijksfeest meegevierd.
Ik besef dat ik er "dankzij" de hongerwinter een fantastische pleegfamilie bij heb gekregen.

* * *


GEDICHTJES ________________________________________________________

Annelies Timpers-Groenman

Zoals mijn broer al vertelde kwamen wij gezamenlijk naar Nieuwleusen. Ik was toen 10 jaar en werd ondergebracht bij het gezin Boer. Dat bestond uit een vader met een zoon en twee dochters die de huishouding deden. Op hetgeen mijn broer vertelde kan ik niet veel aanvulling geven.
In mijn poëziealbum hebben de beide dochters Boer en twee buurmeisjes gedichtjes geschreven. Ik geef ze graag aan u door.

Nieuwleusen, 26 Feb 1945

                Aan Anneliese
Van Vader een schatje
Van Moeder een pop
Zo groeide Anneliese heel aardig op
Op school is ’t engel
Met een b. er ’t meest voor
Want dat mondje kan babb’len hoor.

Ter herinnering aan
Albertje Boer

Nw Leusen 11-3-45

                Lieve Anneliese
Aan de oever van het beekje,
Stonden drie bloempjes klein.
Het eerste is een roosje,
Maar dat moet het niet zijn.
Het tweede een viooltje,
Dat is het ook al niet.
Maar het derde moet het wezen,
Dat heet Vergeet mij niet.

Ter herinnering aan
Jansje Boer

Nieuwleuzen 27-2-45

                Aan Annelieze
Wees Als ’t viooltje.
Nederig en rein.
Maar niet als een roos.
Die bewonderd wil zijn.

Ter herinnering aan
Jentje Klein

Nieuwleusen 9 Juni 1945

                Lieve Anneliese
Annelies lief meisje
Wat ben ik toch blij,
Een versje te schrijven
Op deze bladzij,
Het ga u spoedig,
In al wat ge doet,
Ga vrolijk door ’t leven
Met een dankbaar gemoed.

Ter herinnering van
Aaltje Westerman

* * *


HERINNERING HONGERWINTER ________________________________________________________

Juul Tamboer-Pels

In 1944 woonden we in Utrecht. Mijn zusje Greetje was toen zes jaar en ik was negen. De situatie was slecht, er was weinig te eten. Via de Nederlands Hervormde Kerk kwamen we in aanmerking om te worden uitgezonden. We gingen vrij onverwachts van huis. Onze tasjes stonden klaar. Veel hadden we niet om mee te nemen en er was ook niets meer te koop.

We werden ’s nachts in een vrachtauto naar de plaats van bestemming gebracht. We wisten niet waar we terecht zouden komen, maar uiteindelijk ging het allemaal goed. Onze ouders wisten niet waar we terecht waren gekomen.
Geertje kwam bij schoenmaker Rieks Veldhuis. Het gezin had twee kinderen: zoon Willem en dochter Willie. Ze woonden tegenover melkfabriek “Onderling Belang” aan de Ommerdijk. Het gezin Veldhuis was goed voor haar, maar Geertje had last van heimwee en dat maakte het voor haar erg moeilijk. Langzamerhand ging het gelukkig wat beter.
Ikzelf kwam in huis bij Willem Stegerman en zijn vrouw Jennigje Kappert, ook aan de Ommerdijk. Ze hadden drie dochters: Gé, Aly en Henny. Met liefde werd ik bij hun binnengehaald.
In de tijd dat we in Nieuwleusen waren gingen we niet naar school. Ik verveelde me evenwel geen moment. Vaak ging ik met Henny wandelen.
Toen eindelijk de vrede was aangebroken en alles een beetje tot rust was gekomen, gingen we in juni 1945 weer richting onze ouders in Utrecht. Tante Jenny en ik huilden bij het afscheid. Thuis was het ook moeilijk, we moesten weer wennen. Maar ook dat kwam goed. Met de kinderen Stegerman heb ik tot op de dag van vandaag al de jaren door een goed contact onderhouden.

* * *


OP VAKANTIE IN DE OORLOG ________________________________________________________

Nellie Bouman-van de Bos

Het werd vanaf de preekstoel in onze woonplaats Delft afgekondigd: kinderen van zeven tot en met veertien jaar mochten in 1943 met vakantie naar Gelderland of Overijssel. In augustus zou het gebeuren. Ik was toen veertien jaar en kreeg van mijn ouders toestemming om mee te gaan, samen met mijn broertje van zeven.

Er gingen heel veel kinderen overal naar toe. Wij zouden naar Nieuwleusen gaan. Nooit van gehoord; waar was dat? De heer Burk bracht ons groepje van vijftien kinderen weg. In Zwolle aangekomen stond er een boerenwagen klaar om ons naar Nieuwleusen te brengen. Dominee Wassink begeleidde ons. Op het Westeinde stopten we even bij bakker Jonker: we kregen allemaal een snoepje. Verder maar weer. Een paar keer werd er nog gestopt omdat er kinderen moesten uitstappen, maar toen kwamen we in de Kerkenhoek aan. Daar stonden allemaal pleegouders ons op te wachten.
Mijn broertje Thorwald moest mee met Jan en Margje Schoemaker, maar dat werd krijsen en dus moest ik ook maar mee. Na twee weken gingen we beiden naar Lubbert Brinkman in De Maat om daar de rest van de vakantie door te brengen. Hij had een boerderij en dat vonden wij prachtig.
Mijn ouders hebben ons weer opgehaald. Ze gingen om zes uur ’s morgens de deur uit en ’s avonds om 8 uur waren ze ter plekke.
In de kerstvakantie mocht ik terugkomen bij vrouw Brinkman. In 1944 ging ik met Pasen weer naar Nieuwleusen.

Een jaar later
In de grote vakantie van 1944 was ik ook vrij want ik zat nog op school. Weer ging ik naar Jan en Margje Schoemaker. Bij Hendrik Jan Boer mocht ik wel eens meerijden met paard en wagen. Wij waren zijn naaste buren. Met Aaltje Westerman ging ik veel om. Ze woonde daar ook in de buurt.
Toen mijn vakantie bijna voorbij was, kwam de treinstaking. Ik mocht niet terug naar huis; onverantwoord! Hoe mijn ouders werden ingelicht weet ik niet. Daar zat ik dan met alleen maar wat zomerkleren. Gelukkig kreeg ik kleding van Margje Schoemaker en zodoende kon ik toch in winterkleding de koude dagen doorkomen.
Ik ging naar de catechisatie bij dominee Wassink. Daar leerde ik verschillende mensen kennen.
’s Avonds mocht ik altijd een uurtje naar Westerman. Daar kreeg ik dan altijd twee bekers warme melk. Dit in plaats van koffie, omdat die er niet was. Om acht uur moest ik terug zijn want dan gingen we naar bed.

Op een gegeven moment kregen we te horen dat er klompen te koop waren op De Meele. Aaltje en ik werden er naar toe gestuurd. Dat was een heel eind lopen. Fietsen hadden we niet. Maar op De Meele waren geen klompen te koop dus gingen we onverrichterzake terug naar huis. Jan en Margje maar mopperen. Maar wat bleek nu? Ze hadden ons een tijdje van huis willen hebben. Margje was met haar bevalling begonnen en daar waren we nog te jong voor. ’s Avonds in het pikkedonker moest ik de hulp nog gaan halen.
Bij Schoemaker wilden ze dat ik bij hen bleef, maar dat wilde ik niet. “Ga dan maar naar Westerman!” Dat heb ik gedaan en daar ben ik drie weken gebleven, dag en nacht. Ik voelde me thuis in het grote en gezellige gezin.

Huiszoeking
In die drie weken beleefden we ook iets naars. Op een nacht werd er op de deur gebonsd: “open die deur!” De groenen met grote zaklampen en het geweer in de aanslag stormden naar binnen. Huiszoeking! Ik lag te sidderen in bed.
Het bleek dat ze Jan moesten hebben en ook Johan van Dorsten. Ze vonden krantjes en blaadjes in huis die je niet mocht hebben. De beide jongens werden meegenomen en naar kamp Erica bij Ommen gebracht. Na een angstige periode zijn ze nog in de oorlog gelukkig heelhuids thuisgekomen.

Met Oud en Nieuw was er schieten: jongens hadden melkbussen met carbid en dat knalde lekker. Boeren die hun melkbus niet naar binnen hadden gehaald, waren die wel kwijt.
In januari kwam mijn vader met een bakfiets om in deze omgeving eten te halen. Hij bracht winterkleren voor mij mee. Ook mijn broer Gerard kwam mee. Om jonger te lijken dan hij was, had hij een korte broek aangetrokken toen ze de IJsselbrug moesten passeren. Vader ging naar Lubbert Brinkman, mijn broer naar De Meele, naar Willem Westerman.
Kort daarna bracht mijn vader mij naar Arend en Dina Dunnink. Omdat er bij hun meer werk voor mij te doen was, ben ik daar gebleven tot ik in juni weer naar huis kon. Thuisgekomen herkende mijn moeder mij eerst niet. Ik was 13 pond gegroeid en het dialect sprak ik vloeiend!

Intussen was in april de bevrijding gekomen. De Canadezen waren in de Kerkenhoek. Ep riep het me toe en ik er naar toe. Wat een feest was dat! Allemaal in een grote kring en maar zingen.
Na de oorlog ben ik nog vaak terug geweest. Ik logeerde steeds bij moeder Westerman en later, toen Aaltje getrouwd was, natuurlijk bij haar. Wij waren eigenlijk als zusjes bij elkaar. Helaas werden de contacten vanwege lichamelijke gebreken na verloop van tijd minder. Maar ik was zo verknocht aan Nieuwleusen dat ik het nooit heb kunnen vergeten.

In de laatste oorlogsjaren moesten veel mannen verplicht naar Hasselt en omgeving om daar voor de TODT te werken. Ze gingen er op de fiets naar toe. Het dagloon bedroeg ƒ 5,00, een bedrag dat in die tijd nergens anders te verdienen was. Een uitspraak die toen veel werd gehoord, was: “Nu is het gebeurd met de hoge moffenlonen”.

* * *


MET DANK AAN OOM WIM ________________________________________________________

Nel, Corrie en Anneke Ruigrok

Dank zij een oom van ons hebben wij de hongerwinter overleefd. Die oom was Wim Roest, een broer van onze moeder, die getrouwd was met Jo Mijnheer uit Den Hulst. Oom Wim en tante Jo woonden bij haar ouders in.

Wij woonden in Haarlem, onze ouders en hun zes kinderen en er was ook nog een opa bij ons in huis. Onze ouders konden niet meer voor ons zorgen. Vader was erg zwak en voor hem mochten we op doktersrecept wat melk halen bij een boer in Spaarndam. Wanneer hij op zijn fiets zat, moest hij eerst een duwtje hebben, anders ging het niet meer.

Naast onze buren was een schuilkelder gemaakt. Daar waren zeven zonen in huis en onze vader mocht daar ook schuilen.
Er waren veel razzia’s en er werden mensen weggehaald, zelfs op brancards. We hebben verschrikkelijke dingen meegemaakt. Op het laatst stonden er aardappelschillen op tafel en hadden we een huilende moeder; het ging echt niet meer. Door toedoen van oom Wim zijn we toen weggegaan. Nel en Corrie zijn lopend met opa van Haarlem naar de familie Schutte in Amersfoort gegaan. Met een busje zijn we vandaar naar Nieuwleusen gegaan.
Anneke ging met vader en moeder en een broer en nog een zusje op de fiets naar Nieuwleusen. Ze hebben er dagen over gedaan! Onderweg vroegen de kinderen om eten en dat kregen ze ook. Alleen onze ouders mochten ze niets geven!
Uiteindelijk bleven we met drie zussen en een broer in Nieuwleusen. Helaas is onze broer Piet inmiddels overleden. Hij was ondergebracht bij politieman Eldik.

Nel vertelt: toen ik 13 jaar was, kwam ik terecht bij de familie Schiphorst die een café in de Kerkenhoek had. Dat gezin bestond uit vader, moeder Ante, Lucas, Gerrit Jan en Klaasje. De kinderen waren in leeftijd ongeveer tussen 13 en 20 jaar. Veel kan ik me daar niet meer van herinneren, wel dat ik het er heel goed heb gehad. Wat ik er die hele tijd uitgevoerd heb begrijp ik zelf niet. Naar school ging ik niet.
De familie Schiphorst had ook een hulp. Ze heette Anna Klein. Ook heb ik nog een foto waar onder andere Klaasje Schiphorst op staat bij een tank die bij de bevrijding in de Kerkenhoek was.

Anna



Bij een tank in de Kerkenhoek.

Corrie was elf jaar toen ze bij de familie Schoemaker in huis kwam. Zij hadden ook een café in de Kerkenhoek op een andere hoek van de straat tegenover Schiphorst. Daar waren twee jongens en een meisje in huis. Bij de familie Schoemaker heb ik het heel goed gehad.
Naast het café woonde de familie Mijnheer. Van hen heeft Nel nog een foto.

Anneke vertelt: ik was de enige die niet in Nieuwleusen maar in Den Hulst terecht kwam en wel bij de familie Brinkman die een houtzagerij had. Daar woonden ook oom Wim, Jennie en Aaltje. Ik heb er een hele fijne tijd gehad. We speelden altijd bij de houtzagerij. Daar maakten we hutten van de boomstammen die er lagen.
Mijn vriendinnetjes daar waren Alie Bolhoven (van de schoenmakerij) en Dinie Bouwman (haar ouders hadden een winkel in huishoudelijke artikelen).
Toen kwam de bevrijding! We gingen naar de soldaten die hun tenten hadden opgeslagen in een weiland. Van hen kregen we kauwgum en chocolade.

Uiteindelijk kwam ons hele gezin weer thuis in Haarlem bij elkaar! Veel van de dingen uit die tijd zijn we vergeten. Van al die lieve mensen die ons hebben opgevangen leven er nog maar enkelen. Helaas zijn Nieuwleusen en Den Hulst ook erg veranderd. We herkennen er haast niets meer van de tijd dat wij er mochten overleven.


Tijdens een bezoek aan Nieuwleusen omstreeks 1960 werd deze foto gemaakt voor de woning van de familie Mijnheer.
De namen zijn vlnr.: Nel Ruigrok (vermoedelijk) met op haar arm Hans Wink, Hendrik Mijnheer, Henk Roest, Janna Mijnheer-Bouwman en Geertje Wink-Mijnheer. Zittend vlnr.: Ina Mijnheer, Roel Wink, Henk Wink en Henriët Mijnheer.

* * *


EEN STUKJE KINDERTIJD ________________________________________________________

Riet Sluizeman-Haverkamp

Ons gezin bestond uit vader, moeder, twee jongens en vier meisjes van 3 tot 13 jaar. Daarom werden drie kinderen in de hongerwinter elders ondergebracht; mijn zuster Gerrie en ik in Nieuwleusen.

Wat ik mij herinner is dat ik op de slee door mijn moeder naar de Jaarbeurshallen ben gebracht. Dat was in de winterperiode van 1944. Ik was toen 7 jaar. Vanuit de Jaarbeurshallen op het Vredenburg (die inmiddels zijn gesloopt) in Utrecht vertrokken we met een auto van het Rode Kruis naar Zwolle. Daar kwamen we aan in een school waar we op strozakken de nacht hebben doorgebracht. De volgende dag zijn we van Zwolle vertrokken naar Nieuwleusen. Het verzamelpunt daar was in café Schoemaker op de viersprong.


Boerderij van de familie Jans (naoorlogse foto). De schuur behoorde bij de naastgelegen boerderij.

Ik werd vandaar opgehaald door vader Jans. Het gezin Jans bestond uit vader, moeder en drie kinderen. De namen van de kinderen waren Alie, Henk en Tineke. Ze woonden niet zo ver van het café af. Hun huis was een boerderij. Deze is er inmiddels niet meer. Ongeveer twintig jaar geleden ben ik er nog wezen kijken, maar helaas. Wel heb ik vernomen dat de familie in 1953 naar Canada is vertrokken.
Even verder dan de boerderij van de familie Jans woonde de familie Willems, die een vrachtvervoerbedrijf had. Zijn vrouw was Fem Mussche en ze hadden toen twee zonen, Wim en Henk. Bij deze familie was mijn zus, Gerrie Haverkamp, ondergebracht.
Nog een paar huizen verder woonde het gezin van groenteboer Wildvank. Van hen heb ik nog kleren gekregen.
Tegenover de familie Jans woonde de familie Van Spijker. Deze familie verleende ook onderdak aan een meisje. Haar voornaam was Trijntje en ze kwam uit Wassenaar.

Bij de familie Jans heb ik het goed gehad. Wat me van alles daar het meeste is bijgebleven, is dat de boer aan mij vroeg of ik moest pissen of schijten. Dit moest dan gebeuren in de koeienstal, boven de grup. Ik voelde mij daar als stadskind een beetje verlegen om.

We moesten ook nog een keer op de vlucht, want er werd geschoten in de Kerkenhoek. We zijn toen met paard en wagen vertrokken. Waarheen, dat weet ik niet meer.
Natuurlijk heb ik de bevrijding daar nog meegevierd. Ik herinner mij dat ik op een tankwagen heb gezeten en chocolade heb gekregen.

In Nieuwleusen/Den Hulst vonden in de oorlog ook droppings plaats. Dat gebeurde wel op het land van Jan Gerrits in Den Hulst. Op die plek is nu de Hulsterplas gelegen. Aan de gedropte wapens werden vaak sigaretten en lucifers toegevoegd. De etiketten van de luciferdoosjes waren half rood en half blauw en over het gehele veld was een grote witte V gedrukt. De V stond natuurlijk voor Victorie, de kleuren duidden op de Nederlandse vlag.

* * *


STOETE OF BROOD ________________________________________________________

Henk Zwaan


Deze vraag kreeg ik op de eerste morgen van mijn verblijf in Nieuwleusen. Het was in de hongerwinter van 1944-45. Als jongen uit het “westen” wist ik het verschil natuurlijk niet en ik koos voor brood…
Toen mevrouw J. van Dijk-Blik mij vroeg om wat van mijn herinneringen op papier te zetten, heb ik daar graag aan voldaan. Het contact dat in die winter is ontstaan met de familie Van Dijk bestaat nog steeds.

In de laatste maanden van 1944 was er steeds minder eten in het Gooi en met name in Bussum, waar ik woonde. Met mijn vader Bertus Zwaan, toen 39 jaar oud, moest ik mee aardappelen narooien, ergens achter ’s Graveland. Het was koud en nat en de aardappels waren niet zelden half bevroren.
Bij ons op zolder stond een wasketel met tarwe of rogge, geruild voor kleding. Ik denk dat dit de opbrengst was van de tocht van mijn vader, samen met een buurtgenoot, naar de Wieringermeer. Ze deden dat met een handkar. In de Wieringermeer woonde familie van mijn moeder en met hen bedreven we ruilhandel. We zijn er ook eens op de fiets naar toegegaan; ik achterop. M’n moeder vertelde dat er iets was gezegd als: “Als je die jas uitdoet krijg je er een mud tarwe voor”, maar dat ging haar te ver, dan had ze geen jas meer. Ik was daar ook enige weken, kreeg heimwee en werd terug gehaald. Dit alles werd later vergeleken met de hongertochten naar Overijssel en Friesland waar men de etenhalers heel anders tegemoet trad.
Goed, uit die ketel pikte ik wel eens aan handje tarwe, natuurlijk mocht dat niet maar ik had honger. Dat graan werd gemalen voor pap. Ik geloof dat de bakker er ook wel eens een brood van bakte.
Maar mijn ouders zagen, terecht, de toekomst somber in. De gaarkeuken zou op een keer ook door de voorraden heen raken. Ze gaven mij dus op voor uitzending naar gezinnen achter de IJssel.

Naar Nieuwleusen
Op een dag moesten we ons melden, ik geloof in het Jeugdgebouw van de Nederlands Hervormde Kerk. We klommen in een verhuisauto van de Snelle Visser die, naar ik meen, op houtgas reed. We zaten op lange banken en er schommelde boven ons een klein peertje dat bescheiden licht gaf. De wagens reden met afgeschermde lichten om niet door geallieerde vliegtuigen voor een militair konvooi aangezien te worden. Ik geloof niet dat we ons dat realiseerden. Waren er stops om iets te drinken, te eten of naar de wc te gaan … ik herinner het mij niet. Ik geloof dat er tenminste één stop was in Zwolle waar het transport verdeeld werd. Wel weet ik namen van lotgenoten: Cees Boschhuizen, Jaap de Geus van de meubelzaak, Elly en Joop Littooy die vanuit den Haag naar Bussum waren geëvacueerd en bij mij op de Brandsma-Mulo zaten. Ze kwamen allen voor kortere of langere tijd naar Nieuwleusen.
In januari ‘45 maakten we dus deze tocht naar het land achter de IJssel. In de avond kwamen we aan in een donkerbruin café (Schoemaker) waar we verdeeld werden over diverse gezinnen en volgens mij waren er allemaal mannen met petten. Eén van hen was oom Arend, zoals ik hem later zou noemen. We reden met paard en wagen naar het Oosteinde. Ik geloof dat Hendrik Pessink (ik verstond altijd Andek Pessink) er ook bij was.
Daar waren tante Roelofje en zoon Berend van Dijk. Een korte kennismaking met denk ik een hapje eten en daarna ging ik de “beddestee” in bij Berend, die een paar jaar ouder dan ik was en ook enig kind.
Het eerste ontbijt vergeet ik nooit! We zaten in de keuken, rond de tafel. In die keuken stond een fornuis dat op turf gestookt werd. Boven de deur naar de kelder hingen enkele stukken gerookt vlees. Om die tafel zaten we: Oom Arend, tante Roelofje, Berend en ik. Oom Arend zei iets als ”We gaan bidden.” Hij “keek in de pet” en dat duurde voor mijn begrip erg lang. Tot op de dag van vandaag weet ik niet hoe men van elkaar wist wanneer men uitgebeden was; was het door voetgeschuifel?
Ook staat mij iets bij van een eenpansmaaltijd. Prikten we om beurten in die pan? Als die herinnering klopt dan hebben mijn tafelgenoten beslist te weinig gekregen want ik at vlug, heel vlug! Dan was er nog de vraag of ik “stoete of brood” wilde. Ik koos natuurlijk brood maar … dat was roggebrood.

Herinneringen
Nog zo’n herinnering. Het moet mijn eerste zondag daar zijn geweest. We gingen lopend naar de kerk. Zoals ik thuis gewend was liep ik mee en volgde tante Roelofje toen de mannen een andere kant opgingen en ik me daar nog niet bij hoorde voelen. Ze spraken bovendien een taal die ik echt niet verstond. We gingen de kerk in en ik schoof de bank in naast tante Roelofje. Vreemd, er zaten alleen maar vrouwen, veelal nog met witte mutsen, maar van oom Arend en Berend was niets te zien. Ja toch, oom Arend zat in het rechtervak met allemaal in het zwart geklede mannen. Berend was spoorloos. Later bleek dat hij “op het orgel zat” waar ik toen tijdens volgende kerkdiensten ook mijn plaats vond. Het was daar veel gezelliger, maar denk er wel om: aan de ene kant de jongens aan de andere kant de “maagies”!
“Wat deed je overdag?” zal de lezer zeggen. Er staat me bij dat ik zoiets was als het “zeuntje”. Ik hielp tante Roelofje bij het afwassen. Dat was even moeilijk want ik had dit thuis gedaan onder het wakend oog van mijn moeder, ooit een Haags dienst- en kindermeisje. U begrijpt, die was heel precies. Ik vroeg dan ook om een theedoek, tante Roelofje keek wat zuinig maar zowaar … er bleken in een kast geweldige theedoeken te liggen en die mocht ik gebruiken. Die andere doekjes leken mij niet wat
. Ook leerde ik melken. Ik had kleine handen en kon zo mooi de vaars melken. Of dat tot volle tevredenheid van de familie en van de vaars was weet ik niet. Berend leerde me een beetje ploegen en de bruine ruin mennen die voor de grote groene wagen liep.
Een wiel van die wagen is nu bij mij thuis omgetoverd tot salontafel; het kan verkeren. O ja, met die wagen “joegen” we over d’Ommerdiek waar kennelijk een vriendin van Berend woonde. Dat bleek later Jentje Blik te zijn. Blik werd uitgesproken als Bliek en pas veel later bemerkte ik dat het Blik was.

Ik kookte ook de aardappels voor de varkens, ging mee takken snoeien met de aks, hielp later wat bij het hooien.
O ja, ik las graag, maar aan boeken komen was een probleem. Ik heb zodoende alle nummers van De Boerderij uitgespit en er zeker wat van opgestoken.
Ik leerde andere mensen kennen: de kinderen Pessink, Jantje Huzen en Huzen de postbode, een zekere Aad Knol – een Amersfoortse onderduiker die lange tijd voor mij een mythische figuur was met zijn forse gestalte en rode haren. Ook staat de naam de Kreule me bij.
En om nog wat dingen te noemen: de “balkenschere halen” of “een los huusie meemaken” - ik had er geen benul van.

De gastkinderen trokken soms met elkaar op en met enkele jongeren die uit niet-agrarische gezinnen kwamen; waarschijnlijk omdat ze gelijksoortige scholen bezochten en gelijk gerichte liefhebberijen hadden. Ik weet wel dat we iets deden met modelvliegtuigen, die geen van allen vlogen, en dat er kontakten waren met de jongens Van Spijker (ging Aalt niet als OVW-er naar Indonesië?) en een zoon van een onroerendgoedhandelaar uit Den Hulst.
Waar ik mij achteraf over verbaas is dat niemand blijkbaar op de gedachte kwam dat de gastkinderen leerplichtig waren en eigenlijk naar school moesten.
Als het geen weer was om buiten te werken, ook de stal geen aandacht opeiste, stonden wij mannen op de deel bij de haverkist. Denk niet dat we in de keuken gezellig een krant gingen lezen. Op die haverkist heb ik een modelvliegtuig gebouwd. Oom Arend praatte wat met Berend, maar helaas sprak hij wat binnensmonds zodat ik er niet veel van begreep. En dan was het ook nog dialect.
Van de oorlog merkten we niet veel. Wel werd het paard af en toe naar een wei achter de akkers gebracht als de Duitsers aan het vorderen sloegen. Of ik ooit Duitsers in Nieuwleusen heb gezien vraag ik mij zelfs af. In Bussum was dat wel anders.
Wat me ook nog steeds scherp voor de geest staat is de komst van mijn vader, samen met buurman Westland. Ze duwden of trokken een handkar en kwamen om aardappels. Ze deden flink - in mijn ogen een beetje te flink - ze wilden persé geen bedelaars zijn. Hun haren waren veel te lang omdat de kapper met voedsel betaald moest worden. Maar wat schrok ik toen mijn vader, een flinke bouwvakker, een zak met aardappelen oppakte en onmiddellijk onder dat gewicht steil achterover sloeg. Daar sta je dan als jongetje van dertien jaar!

Een nagebouwde brencarrier tijdens een optocht na de oorlog.

Een andere herinnering: de Canadezen kwamen vanuit het Noorden. Er zaten nog Duitsers bij de “meule” en men voelde zich tussen twee vuren zitten. Ik zie nog brencarriers over het Oosteinde rijden. Weer later kwam er een tentenkamp bij Brug 6 over de Dedemsvaart. Je kon er sigaretten krijgen/ruilen voor eieren. Met mijn drie woorden schoolengels is dat aardig gelukt. Ik herinner me ook dat er een indiaan tussen die soldaten zat. En er wapperde een opgeblazen lange ballon aan een stok; “Good for the body“ hoorde ik zeggen toen we vroegen wat dat was. Een opgeblazen condoom?

Terug naar huis
Nog een flard herinnering. Begin juni kwam er een brief van mijn ouders, mijn moeder kondigde aan dat ze me zou komen halen. Vader kon niet, die diende als oud militair bij de BS. Ze kwam op de fiets en trof een puber aan die een half jaar ouder en zelfstandiger was geworden en een taal sprak ze niet kende. ”Spreek toch netjes” klonk het.
Samen gingen we – hoe weet ik niet – naar Zwolle waar een verzamelpunt was voor “Displaced Persons”. We werden geregistreerd, de kaart heb ik jaren bewaard. We werden ook gecontroleerd op luis; moeder was furieus, we hadden nooit luizen gehad en dat moesten ze geloven! Ik pikte het wel, het hoorde erbij, dat begreep ik.
Met een beurtschip gingen we vervolgens via Kampen het IJsselmeer over richting Amsterdam met aan boord terugkerende dwangarbeiders, onderduikers en wat niet al. Een ex-dwangarbeider had een vrouw en kind bij zich, zij was een Duitse. Hij vroeg of mijn moeder een tijdje voor het kindje, een baby, kon zorgen want zo met vrouw en kind (ongehuwd?) kon hij niet in het streng orthodoxe Huizen aankomen. Moeder zag daar toch maar van af.
O ja, in het schip, waar we op de vloer sliepen, stonden twee tonnen als toiletemmer. Door het slingeren van het schip klotste er wat overheen. Moeder in paniek; ik zou zoiets als “Ach dat loopt wel langs ons heen“ gezegd hebben. Voor de Oranjesluizen moesten die tonnen overboord en ook dat gaf enige heibel.
We bleven één nacht bij mijn oom in Amsterdam en gingen daarna, met fietsen, aan boord van een kleinere boot die ons via de Muidertrekvaart naar de toenmalige haven van Bussum bracht. Enige aanpassing mijnerzijds zal wel gewenst zijn geweest.

Sinds enige tijd realiseer ik me dat het dialect dat in Nieuwleusen gesproken werd heel dicht aanhing tegen het “platduuts” dat we nu nog langs de Oostzeekust kunnen horen. Maar sinds we de laatste dertig jaar op de scholen keurig ABN leren vervaagt het dialect en daarmee ook die taaleenheid waarover onze vrienden in Wismar aan de Oostzee nog wel eens spreken.

Dit alles zijn flarden van herinneringen en er valt uiteraard nog veel meer te vertellen. Door het verloop der jaren zijn herinneringen soms gekleurd door de tijd. Ik heb geprobeerd alles zo waarheidsgetrouw mogelijk aan het papier toe te vertrouwen. Voor mij was het in elk geval een goede tijd.

* * *


KINDEREN PIETERSE IN NIEUWLEUSEN ________________________________________________________

Chris Pieterse

In januari 1945 waren er veel problemen in het gezin Pieterse in Utrecht. Vader had MS en van de tien kinderen waren er nog vijf thuis. Spil van de huishouding was moeder die de zware taak had om zo goed mogelijk voor alles en iedereen te zorgen. Uiteindelijk zou ze zich er flink door heen slaan want ze is toch 98 jaar geworden.

Omdat er zeer weinig te eten was, mochten er drie kinderen naar Overijssel worden uitgezonden. Het waren Adri van veertien, Chris van tien en Jopie van acht jaar. Op een vroege morgen werden we met een tiental kinderen in een bus gezet en vertrokken we van Utrecht met een voor ons onbekende bestemming.
Het was al middernacht toen we de bus bij café De Viersprong in Nieuwleusen verlieten. Daar kregen we eerst een ongekend lekkere kop soep met broodjes. Nadat we allemaal een krasje (mantoux) voor TBC-controle hadden gekregen en op hoofdluis waren gecontroleerd, werden we met een koets naar diverse adressen gebracht waar we onderdak kregen.
Jopie mocht uitstappen bij bakker Bijker aan het Oosteinde, Adri en Chris gingen door naar de boerderij van de familie Oldeman aan het eind van het Oosterveen. Het was inmiddels twee uur midden in de nacht. De zoons Hendrik (22) en Hendrik Jan (18) werden uit de bedstee in de keuken getrommeld: de logé’s moesten daarin. Beide zoons moesten maar verder slapen in de slaapplaatsen op de deel.

Janna
Naast vrouw Oldeman was er een dienstmeisje op de boerderij. Ze heette Janna en zorgde voor ons gedurende de hele periode dat we in Nieuwleusen waren. Ze deed dat geweldig. Met name Chris kwam nog wel eens met een nat pak thuis, doordat hij de afstand bij het slootjespringen verkeerd had ingeschat. Janna loste dat soort problemen geruisloos op en bleef altijd vriendelijk, net als mevrouw Oldeman trouwens.
Toen ze thuis eenmaal wisten waar we waren ondergebracht, kwamen onze zussen van 18 en 20 jaar op de fiets naar Nieuwleusen. Ze werden bij de familie’s Bijker en Oldeman vorstelijk onthaald. Hier kregen ze nog andere adressen waar ze boter en kaas konden krijgen. Met een met meel en aardappelen volgeladen fiets gingen ze lopend weer terug om ook bij ons thuis eten te hebben. Nieuwleusen naar Utrecht, toch een afstand van zo’n 100 kilometer en dan lopend bij een zwaar beladen fiets! Bij de IJsselbrug moesten ze door een personensluis van de Duitsers. Daar moest elke vijfde passant al het vergaarde eten inleveren. Onderweg naar huis sliepen onze zussen nog een keer in een schoollokaal op stro dat daar was neergelegd. Ook moesten ze een paar keer dekking zoeken in zogenaamde eenmansgaten langs de weg omdat Duitse colonnes, die op de wegen reden, werden beschoten.

Avontuurlijk
Voor ons stadskinderen was het op de boerderij natuurlijk allemaal nieuw en geweldig avontuurlijk. We hielpen bij het hooien en het dorsen van het graan; we beleefden Pasen met onbeperkt eieren eten en het paasvuur. We speelden op de boerderij en haalden natuurlijk ook kattenkwaad uit. De oorlog was even ietsje verder van ons verwijderd.
Maar die oorlog ging ondertussen wel door. We hoorden de tanks op de straatweg ratelen waar ze door vliegtuigen werden beschoten. Dat alles was voor ons in de verte; wij waren bombardementen dicht bij huis gewend. We woonden in Utrecht vlak bij het station, dus dit hier was bijna leuk.
De bevrijding bestond voor ons uit een Canadese jeep die over de brug over de Dedemsvaart in Den Hulst kwam. We bleven daarna nog tot in juni bij de families Bijker en Oldeman en gingen toen terug naar huis.
Kort samengevat: wij als kinderen hebben een geweldige tijd in Nieuwleusen gehad. We hebben echt het idee dat we dankzij de opvang door de families Bijker (er is nog steeds contact met Hennie) en Oldeman de oorlog hebben overleefd. Adri, Chris en Jopie Pieterse zijn nog steeds zeer dankbaar voor die tijd.

* * *


EEN VAN DE LAATSTE PLEEGOUDERS ________________________________________________________

Roel Kromkamp

Op 4 september 2006 is een van de laatste pleegouders uit de hongerwinter in Nieuwleusen naar haar laatste rustplaats gebracht. Ik herdacht Annie (Antje) Visscher-Kleen daar met woorden van grote waardering.

Als 12-jarige werd ik bij Roelof Visscher en Annie Visscher-Kleen ondergebracht op 2 februari 1945. Ze woonden op het adres A187 aan het Oosteinde, de tweede boerderij voorbij de school links. Annie was zwanger van hun eerste kind.
Mijn zusje To van 10 werd bij Hendrik Jan Stolte aan het Oosteinde in huis genomen.

De organisatie van het onderbrengen van kinderen uit het westen in oostelijk Nederland was in handen van de ad hoc organisatie “Interkerkelijk Overleg”, het IKO. Het was echt interkerkelijk. Ons gezin was “gewoon” gereformeerd en we kwamen in twee “gewone” gereformeerde gezinnen terecht. De toenmalige gereformeerde predikant Ds. E.J. Wassink zond wel post door.

Met de verhuiswagen van de firma Banis uit Bussum werden tot vier keer toe kinderen naar een school aan de Warmoesstraat in Zwolle vervoerd. De groep van 32 kinderen waarin mijn zusje en ik zaten, vertrok vandaar na twee dagen in een drietal overdekte boerenwagens naar Nieuwleusen. In café De Viersprong kregen we een maaltijd. Daarna gingen de Rooms-katholieke kinderen door naar Dedemsvaart. De anderen werden door hun pleegouders opgehaald.

Ik had bij de familie Visscher-Kleen een goede tijd. Het werk op de boerderij kende toen nog weinig mechanisatie. De grote ruilverkaveling werd pas na de oorlog doorgevoerd. Roelof Visscher had zelfs in Ruitenveen land in pacht dat grensde aan de spoorlijn Zwolle-Meppel.
Ik verrichtte kleine hand- en spandiensten. Ook deed ik boodschappen per fiets in een actieradius van bakker Bijker in het Oosteinde tot De Meele en van Den Hulst tot in “het veld” (Veldweg/Kringsloot), waar families Visscher woonden. Er was geen telefoon, vandaar de vele boodschappen. Ook hielp ik stapelen bij het turfsteken (voor eigen gebruik) bij Vilsteren.

Een week voorafgaande aan de bevrijding van Nieuwleusen wisselden de fronten dagelijks: overdag de geallieerden, ’s nachts weer de Duitse militairen. Na onze bevrijding moest nog gewacht worden op de bevrijding en het herstel van de voedselvoorziening in west Nederland. Pas eind juni konden we met een aantal legertrucks via een grote omweg het “Gelderse” bereiken (wat een applaus opleverde) en thuiskomen. Het werd ook tijd, in augustus zouden de scholen weer beginnen. Voor mij begon toen het avontuur van de middelbare school.

De hartelijke gastvrijheid van Roelof en Annie Visscher bleef al die jaren onvergetelijk. Dit heb ik dus 61 jaar nadien op de uitvaartplechtigheid voor Annie nog eens uitgesproken.






Roelof Visscher en Annie Visscher-Kleen omstreeks 1940.

* * *


HERINNERINGEN AAN NIEUWLEUSEN ________________________________________________________

Annigje van Halm

Mijn eerste herinneringen aan Nieuwleusen dateren uit de hongerwinter. Het moet eind 1944 / begin 1945 zijn geweest. Ik woonde in Harmelen in de provincie Utrecht, waar de hele omgeving door de Duitsers onder water was gezet. Eten was er nauwelijks meer te koop.

Toen er een mogelijkheid kwam voor uitzending van kinderen naar Overijssel hebben mijn ouders mij daarvoor aangemeld. Een moeilijke beslissing, omdat volledig onduidelijk was waar de kinderen terecht zouden komen en hoe lang het verblijf daar zou duren. Maar de nood was hoog en mijn ouders waren van mening dat dit voor mij de beste beslissing was.

Zo vertrok ik als 12 jarig meisje met een groep andere kinderen, waaronder nog twee broers en een zusje, op een grote vrachtauto naar Zwolle. Na een lange reis werden we in een school ondergebracht. 's Nachts sliepen we op matrassen, die daar op de grond waren gelegd. De volgende morgen werden we opgehaald door mensen uit de omgeving van Zwolle. Zelf werd ik met mijn broers en zus ingedeeld bij een groep die naar Nieuwleusen ging. Ik werd opgevangen door de familie Bonen aan het Oosterveen. Mijn broers en zus werden elders in het dorp ondergebracht.

Ja, dat was wel even wennen. Voor het eerst alleen ver van huis in een vreemde omgeving met mensen, die een ander “taaltje” spraken en andere gewoonten hadden dan thuis. Voor het naar bed gaan nog een glas warme melk en wat eten was iets nieuws. En samen (met de dochter) slapen in een bedstede was ik ook niet gewend. Contact met mijn broers en zus was er in de praktijk nauwelijks. Hoe het intussen met mijn ouders ging wist ik niet, want de post functioneerde natuurlijk niet. Je was op jezelf aangewezen.
Van de oorlog zelf merkte je weinig. Je zag af en toe mensen op een oude fiets, die probeerden eten te kopen. In Nieuwleusen was het ten opzichte van Harmelen dus betrekkelijk rustig. Ik voelde me er redelijk op mijn gemak. De mensen waren vriendelijk en ik werd volledig in het gezin Bonen opgenomen. Als kind paste ik me gemakkelijk aan de situatie aan. Zover ik me kan herinneren gaf dit dus weinig problemen.
Toch was ik blij toen de oorlog voorbij was en ik weer naar huis mocht. Uiteindelijk heb ik ongeveer een half jaar bij de familie Bonen gewoond.

Na de oorlog is het contact met de familie Bonen en mijn ouders blijven bestaan. Over en weer is men bij elkaar op bezoek geweest. Ook zelf ging ik af en toe terug naar Nieuwleusen.

Na mijn huwelijk ben ik regelmatig met mijn man (en later met mijn kinderen) terug geweest op het Oosterveen om de "oude" Bonen op te zoeken. Die woonde daar nog steeds, maar zijn zoon Klaas had het bedrijf inmiddels van zijn ouders overgenomen. Ook met diens kinderen hebben we contact. Nieuwleusen ben, en zal, ik dus niet vergeten. Het blijft voor mij een dorp waar ik een klein stukje van mijn leven heb doorgebracht en dat daarom voor mij belangrijk is en blijft.

Omdat de bezetter bang was voor nachtelijke bombardementen waarvan de locatie aan de hand van licht kon worden bepaald, werd er verordonneerd dat alle ramen goed moesten worden verduisterd. Er mocht geen licht naar buiten schijnen. Meestal gebeurde de verduistering met rolgordijnen van zwart papier. Er werd door de “nachtveiligheidsdienst” gecontroleerd of alles goed verduisterd was.

* * *


TWEE JONGENS ________________________________________________________

Bertha Knol-Deuzeman

In de hongerwinter woonden we aan de Straatweg Westzijde 73. Dat adres bestaat niet meer, maar het is waar nu het Schuurmanslaantje is. Ik was met 14 jaar de jongste van drie meisjes.

Mijn ouders hadden zich opgegeven voor een kind, maar toen er zich twee broers aandienden, was dat geen probleem en hebben ze die allebei opgenomen. Kennelijk met de gedachte: waar plaats is voor een is ook plaats voor twee. Beide broers waren vanuit Harmelen met veewagens naar Zwolle gekomen en vandaar naar café Schoemaker gebracht. Daar heeft mijn vader ze opgehaald.
Leendert van Halm was 13 jaar en zijn broer Reijer was 11 jaar. Twee zusjes van hen werden ook in Nieuwleusen ondergebracht en wel bij de families Kragt en Bonen. Met de beide jongens hebben we altijd contact onderhouden. Helaas is Reijer in 1993 overleden, maar het contact met zijn vrouw is er nog steeds.
De beide jongens hebben zich altijd uitstekend vermaakt bij ons. Mijn vader was timmerman/houtzager (Snijder en Deuzeman) en we hadden daarnaast een klein boerderijtje met een koe, een varken en wat kippen. Er was dus altijd wel wat te doen voor de jongens. Verder was het Palthebos dichtbij en een heerlijke plek om te spelen. Ook was de zagerij voor beiden interessant.
Details en bijzondere dingen kan ik me niet echt meer voor de geest halen. Maar ondanks de oorlogsomstandigheden is het toch zo dat er wederzijds goede herinneringen aan die tijd zijn.

* * *


DE PERIODE NA MIJN SCHOOLJAREN ________________________________________________________

Aalt van Spijker

Enkele jaren voor zijn overlijden begon Aalt van Spijker, zoon van Jan van Koop van de Coöperatie, met het schrijven van zijn memoires. Na zijn overlijden werkte zoon Jan zijn levensverhaal uit. Dit is het gedeelte over de laatste jaren van de Tweede Wereldoorlog.

In de lente van 1944 werd onze school (de H.B.S. aan de Veerallee in Zwolle) door de Duitsers omsingeld. Alle jongens van 15 jaar en ouder (ik was 16) werden in een militaire vrachtauto geladen en op transport gesteld naar Hasselt. Daar werden we in een school ondergebracht en moesten we op stro slapen. De volgende dag werden we naar het Zwartewater gebracht tussen Hasselt en Zwartsluis en daar moesten we onder leiding van een Duitse soldaat met een schop loopgraven graven.
Het eten was voortreffelijk en we ontvingen een loon van ƒ 5,-- per dag. Dit waren de eerste guldens die ik zelf verdiende. Onze ouders waren door de Duitsers ingelicht. Na drie dagen werd ons verteld dat we thuis mochten overnachten, mits we op erewoord beloofden dat we de volgende dag terug zouden komen. Mijn erewoord was op dat moment net zoveel waard als dat van de Duitsers, dus ik beloofde het wel, maar deed het niet. Het gevolg was dat ik vanaf dat moment moest "onderduiken", anders zouden de Duitsers me arresteren.

Ondergedoken
Vader vond het maar het beste dat ik op de fiets naar mijn broer Coop ging om me daar te verschuilen. De volgende dag ben ik naar Heemse (bij Hardenberg) gefietst en heb een prima onderdak gevonden bij Coop en Tine. Coop had zich daar gevestigd als huisarts en had van de familie Ottink een deel van een huis gehuurd voor woning en praktijk.
Ik vermaakte me daar met het lezen van lectuur uit zijn boekenkast omdat ik me uiteraard niet op straat kon vertonen. Dat zou meteen verdacht zijn omdat niemand van de inwoners van dat kleine dorpje mij daar kende.
Een aantal weken ging dat goed maar plotseling was er alarm. Het bleek dat Coop zelf werd gezocht door de Duitsers omdat hij bevriend was met de plaatselijke dominee -schuilnaam "Frits de Zwerver"- die (dat bleek achteraf) een voorman was van het verzet. Coop moest toen zelf ook onderduiken en voor mij zat er niets anders op dan "snel maken dat je weg komt".
Ik nam afscheid en fietste door allerlei binnenweggetjes richting Nieuwleusen. Op het Zwartepad bij Dedemsvaart werd ik aangehouden door twee Landwachten (NSB-ers in zwarte uniformen). Ze vroegen mij mijn legitimatiebewijs. Ik was heel brutaal en zei: "Dat is nu de tweede keer dat ik aangehouden word. Zopas waren er twee Duitse SS-ers die mij hebben gecontroleerd". Dat maakte kennelijk indruk want ze gaven me toestemming om door te rijden.
In Nieuwleusen keken mijn ouders vreemd op dat ik weer voor de deur stond. Ze maakten zich terecht zorgen over Coop. Later bleek dat Coop door de Duitsers was opgepakt en op transport was gesteld naar een concentratiekamp in Amersfoort. Coop werd na enige dagen (zijn hoofd kaalgeschoren) weer vrijgelaten omdat de burgemeester van Hardenberg scherp geprotesteerd had omdat er nu geen arts meer in zijn gemeente was.

Broer Arend Jan was inmiddels ook ondergedoken. Op een zolderkamertje in ons huis was een klein vlierinkje dat door een luikje bereikbaar was. Via een houten trapje, dat intrekbaar was, konden we op dat vlierinkje komen. Het luikje konden we dicht trekken. Er lagen twee matrassen en daar verbleven we de meeste tijd. Overdag hielden we ons op in huis en bij het minste of geringste geluid trokken we ons weer terug op ons "stekkie".

We hielden ons ondermeer bezig met het vervaardigen van houten schaalmodellen van vliegtuigen die we uit houtblokken sneden. Het waren zowel Engelse als Amerikaanse maar ook Duitse vliegtuigtypes. Een probleem was dat we niet aan de goede materialen konden komen. We gebruikten mesjes, figuurzaagjes, lijm en schaaltekeningen van de vliegtuigen. Toch lukte het ons veel modellen zoals Spitfires, Hurricanes, Mosquito's, Messerschmits en Junckers-Stuka's op schaal na te bouwen en zo hebben we een behoorlijke collectie opgebouwd.


De Hervormde Kerk gezien vanaf de Dommelerdijk.

Hongerwinter
Tijdens de hongerwinter van 1944-1945 werd Oost Nederland overstroomd door voedselhalers uit het westen. Deze mensen kwamen in barre winterse kou uit Utrecht, Noord-Holland en Zuid-Holland per fiets (zonder of met houten banden), te voet, met bakfiets, kinderwagen, of met niets om eten te halen voor hun gezin of familie. Ze waren broodmager en hoewel het vaak keurige mensen waren, zagen ze er door de omstandigheden zeer onverzorgd uit. Soms hadden ze bijna geen schoeisel meer aan hun voeten.
Vader gaf iedereen een drieponds roggebrood mee uit de coöperatiebakkerij. In het laatst liep het storm omdat de mensen het bij Amersfoort al aan elkaar vertelden. Ook boden wij voor zover mogelijk 's nachts onderdak aan bij ons in huis of op de hooizolder boven de paardenstal (daar was het lekker warm). Overigens had vader daar onder het hooi een nieuwe fiets voor de Duitsers verstopt. Later bleek dat één van de "gasten" zich over die fiets had ontfermd.
Het was meestal wel gezellig met die vreemde gasten. ‘s Avonds kwamen ze vaak bij ons in de woonkamer "koffiedrinken”. Ze brachten soms wel cadeautjes voor hun gast(heren) -vrouwen mee. Ook wij kregen nog wel eens wat leuks zoals houtsnijmesjes, figuurzaagjes, balsahout etc. Allemaal dingen die heel schaars waren en waar je in Nieuwleusen helemaal niet aan kon komen.

De heer Fleurke, hoofd van het distributiekantoor in de gemeente Nieuwleusen, was zowel een zakelijke relatie als een vriend van vader. Hij was bovendien leider van het plaatselijke ondergrondse verzet. Fleurke vroeg vader waar ik me mee bezig hield. Hij had problemen met zijn personeel omdat een paar van zijn medewerkers waren opgepakt voor gedwongen werkzaamheden in Duitsland en anderen die om die reden tijdig waren ondergedoken. Veel mannen boven de 18 jaar werden verplicht tewerk gesteld in de Duitse oorlogsindustrie.
Vader vertelde hem dat ik ondergedoken was. Fleurke vroeg toen of ik zin zou hebben om op het distributiekantoor te komen werken. Het was voor hem moeilijk mensen te vinden die enig middelbare onderwijs hadden genoten. Hij wilde proberen voor mij bij de Duitsers een zogenaamd "Ausweis" te bemachtigen. Uiteraard leek me dat wel wat omdat ik me dan in het dorp weer vrij kon bewegen.
Het lukte en ik kreeg een "Ausweis". Vanaf dat moment werkte ik dagelijks op het distributiekantoor in de raadszaal van het gemeentehuis, waar ik chef werd van de uitreikingsploeg. Ik werkte samen met Henk Schoemaker, zoon van de dorpskastelein, die ook via Fleurke aan een "Ausweis" was gekomen. Wij moesten gedurende drie weken de uitreiking voorbereiden van bonkaarten voor voedsel, kleding en andere distributieartikelen. De vierde week werden de bonkaarten uitgereikt aan de bevolking. In die week werden we geassisteerd door zeven dorpsmeisjes. De week daarna begonnen de voorbereiding weer voor de volgende uitreikingen. De raadszaal bevond zich boven de burgemeesterskamer, waar NSB-burgemeester Van Arkel zich meestal in de ochtenduren bevond. ’s Middags vertrok hij per fiets naar Dedemsvaart omdat hij daar ook burgemeester was.
Tijdens de weken dat Henk en ik met z'n tweeën in die raadszaal werkten, waar het altijd erg stil was, konden we de telefoongesprekken van de burgemeester afluisteren als we ons oor tegen de verwarmingsbuizen hielden. Vaak hoorden we dat de burgemeester een gesprek begon en/of afsloot met de kreet "Heil Hitler". Uit het verloop van het gesprek konden we soms opmaken waar het over ging en in een aantal gevallen hebben we chef Fleurke (en zijn ondergrondse beweging) kunnen waarschuwen of informeren over belangrijke zaken.
Zelfs konden we een keer melden dat er een razzia van de Duitse "Grüne Polizei" op handen was, waardoor alle onderduikers in het dorp tijdig gewaarschuwd konden worden.

De burgemeester (onze overbuurman) was uiteraard wel op de hoogte van het feit dat ik ondergedoken was geweest. Hij was dan ook zeer verbaasd dat ik over een "Ausweis" beschikte. Iedere keer als hij mij in het gemeentehuis zag moet dat voor hem een kwelling geweest zijn. Dit resulteerde uiteindelijk in pesterijtjes. Hij schreef mij briefjes waarin hij mij opdracht gaf mij weer in Hasselt bij de Duitsers te melden. Fleurke gaf mij opdracht die briefjes te negeren en liep naar Van Arkel om hem mede te delen dat hij mij op het kantoor niet kon missen.

Inkwartiering
De geallieerde troepen naderden inmiddels. Zuid-Nederland was in september 1944 al bevrijd. De grote rivieren waren een grote barrière. Fleurke vroeg ons of we informatie voor de inlichtingendienst wilden verzamelen. Wij waren jongens van 16 jaar en zouden door de Duitse troepen nog niet verdacht worden. Wij kregen opdracht om bij Duitse stellingen langs de Vecht bij Ommen te kijken hoe deze bewapend waren en hoeveel soldaten er zich in die stellingen bevonden.
Het klopte helemaal. Brutaal fietsten we naar de Duitse stellingen en troffen daar soldaten aan die iets ouder waren dan wij. Deze soldaten lieten ons trots in de stellingen kijken en waren aan het opscheppen over hun bewapening. Wij deden alsof we erg geïnteresseerd waren en dat waren we uiteraard ook. We knoopten de informatie goed in onze oren en konden deze later doorgeven aan de mensen van de ondergrondse, die dat weer doorseinden naar de geallieerden.

Hoewel we wel logees gewend waren (we hadden thuis meerdere evacués o.a. onze latere schoonzuster Jacoba Klein met haar moeder en nog een oudere dame uit Den Haag, mevrouw Bosloper), werd in het voorjaar van 1945 bij ons ook nog een Duitse officier ingekwartierd. Eerst vonden we dat heel vervelend, maar later bleek het een prima vent te zijn. Hij was een Oostenrijker en haatte de Duitsers en alles wat met de oorlog te maken had.
Hij vroeg mij of wij geen radio hadden. Ik vertelde hem dat we de radio hadden moeten inleveren op bevel van de Duitsers en dat het streng verboden was naar de radio te luisteren, maar dat ik wel wist waar die radio was. Ik had die radio namelijk tussen honderden anderen zien staan op de zolder van het gemeentehuis. Hij vroeg mij of we die radio niet konden ophalen. Ik zei toen dat hij dat maar aan de burgemeester moest vragen. Ik ben toen met hem naar de overbuurman gelopen waar we aanbelden. Burgemeester Van Arkel deed zelf open en sprong in de houding, bracht de Hitlergroet toen hij de Duitse officier zag en vroeg wat we wilden. De officier vroeg hem of we de radio mochten halen. We kregen toestemming en namen de radio mee naar huis.
De officier stemde meteen af op de (voor ons en voor hem verboden) BBC-zender in Londen. Zo konden we dus weer legaal naar de Engelse zenders luisteren. Overigens was deze radio een ouder toestel. Ons nieuwere toestel hadden we verstopt in een eierkist in een oud schuurtje. Moeder was altijd heel fanatiek en sloeg bijna geen nieuwsuitzending uit Londen over. Telkens liep zij of liepen wij naar dat schuurtje om naar het BBC-nieuws te luisteren.


De winkel van de Coöperatie “Eendracht Maakt Macht” waar Jan van Spijker de scepter zwaaide. De familie Van Spijker woonde in het huis links.

In Nieuwleusen was aan voedsel nog geen gebrek en zeker bij ons thuis niet omdat we een levensmiddelenzaak naast de deur hadden. In het dorp was bij de boeren voldoende melk, eieren, aardappelen, fruit, boter en kaas te koop. Meestal werd er ruilhandel bedreven. De coöperatiebakkerij kwam echter in het voorjaar van 1945 zonder zout te zitten. Besloten werd een expeditie naar Hengelo (Ov.) te sturen om daar zout te halen. Telefonisch werd ons in Hengelo medegedeeld dat we net zoveel zakken zout mee konden krijgen als we zakken aardappelen zouden meebrengen. We (vader, twee personeelsleden van de Coöperatie, een wachtmeester van de rijkspolitie en ik) zijn toen met vier paarden en twee wagens volgeladen met aardappelen richting Hengelo gereden.
De eerste dag zijn we tot Zenderen gekomen. Bij Hotel "Haarhuis" hebben we op de hooizolder in het hooi geslapen. De volgende dag ('s nachts was nog een mud aardappels van de wagen gestolen) laadden we bij de zoutfabriek de wagens vol met zout en aanvaardden de terugtocht. We overnachtten opnieuw in Zenderen bij Haarhuis. De familie Haarhuis heeft waarschijnlijk wel vreemd gekeken naar de royale hoeveelheid proviand die we bij ons hadden en waarvan we ruimschoots deelden. Ze moeten het gevoel gehad hebben dat we zwarthandelaren waren, nota bene onder begeleiding van een politieman.

Bevrijding
De berichten over de naderende geallieerde troepen werden steeds beter. Ze waren de grote rivieren overgestoken en trokken Duitsland binnen. Een andere legergroep trok naar het noorden de Gelderse Achterhoek in. In April hoorden we dat het Twentekanaal was bereikt. Later dat de Nederlandse vlag op de fabriek van Jansen en Tilanus in Vriezenveen was gehesen. We konden zelfs telefoneren met plaatsen die al bevrijd waren en hoorden de wildste geruchten.
Op 10 april 1945 hoorden we dat Canadese tanks bij de brug over de Dedemsvaart in Balkbrug stonden. Met een groepje jongens zijn we toen door de weilanden en over zandweggetjes naar Balkbrug gelopen. En inderdaad konden we de Canadezen in de verte zien staan. We werden echter door een boer gewaarschuwd dat we moesten oppassen dat ze ons niet voor Duitsers zouden aanzien, want ze schoten op alles wat bewoog. Enthousiast zijn we teruggelopen naar huis.
De volgende dag kwamen de scoutcars ook in Nieuwleusen. De vlaggen gingen uit en iedereen was in feeststemming. Helaas trokken de tanks zich 's avonds weer naar Balkbrug terug. Later op die avond, we stonden met een grote groep jongens in het dorpscentrum, arriveerde een colonne Duitse motorrijders. Ze schoten in het wilde weg met mitrailleurs. We zochten een goed heenkomen door alle kanten op te rennen. Ik ben in een droge sloot gesprongen en hield me daar schuil. Niemand werd getroffen.

Op 13 april keken we onze ogen uit. Een gigantische legermacht trok ons kleine dorpje binnen. Honderden tanks, trucks, jeeps etc. vol met Canadese soldaten verspreidden zich over het dorp. Op het plein naast de Coöperatie werd een veldkeuken ingericht. In de bakkerij werd brood gebakken met Canadees meel. Iedereen rookte Canadese sigaretten. De dorpsmeisjes vermaakten zich met de Canadezen.
Het dorp is dagenlang in een feestroes geweest. Allerlei festiviteiten werden er georganiseerd. Bijna iedereen had nog wat bewaard om de bevrijding luister bij te zetten. De Canadezen deelden mee in de feestvreugde maar ze moesten weer verder. Hitler was nog niet verslagen.
Ook op het distributiekantoor werd het werk hervat. De broer van de NSB-burgemeester die in het concentratiekamp in Ommen had gezeten nadat hij door zijn eigen broer als onderduiker was verraden, werd tijdelijk burgemeester. De nu ex-burgemeester Van Arkel werd toen opgesloten in Ommen in hetzelfde kamp. In het gemeentehuis werden posters opgehangen met wervende teksten om je als oorlogsvrijwilliger aan te melden in Nederlands Indië om de vrouwen en kinderen te bevrijden die nog in Japanse kampen zaten.
De oorlog in de Pacific tegen de Japanners was nog in volle gang. Omdat ik tijdens de gehele bezettingstijd had geroepen dat ik na de bevrijding piloot wilde worden, heb ik me aangemeld als vrijwilliger bij de Marineluchtvaartdienst. Ik was toen 17 jaar. Het kostte me nogal moeite mijn ouders zover te krijgen dat ze hiervoor toestemming gaven.

Het distributiekantoor voor de uitreiking van bonkaarten voor voedsel en kleding etc. werd eerst gevestigd in een gebouw van de Hervormde Kerk. Op een gegeven moment werd het daar te gevaarlijk. Er was te veel risico voor overvallen en dergelijke. Toen is het distributiekantoor verplaatst naar de raadszaal in het gemeentehuis. Daar werden de bonnen uitgegeven onder politiebegeleiding.
Voor de jongelui die er werkten was het een gezellige tijd onder elkaar. Er was anders niet veel voor hen te beleven.

* * *


UIT VEILIGHEIDSOVERWEGINGEN ________________________________________________________

JBerend Veldman

Ons gezin bestond in de hongerwinter uit vader, moeder, 4 jongens en een meisje, in leeftijd variërend tussen een half en 17 jaar. Wij woonden in Harmelen. Ik was 14 en mijn broer Jan 8 jaar. Via de kerk werden wij beiden in februari 1945 uitgezonden. Mijn broer en ik gingen niet zozeer vanwege de voedselschaarste, als wel uit veiligheidsoverwegingen. We waren niet zo geliefd bij de bezetter, maar uiteindelijk is alles goed gegaan.

We gingen op een ochtend met 20 kinderen op een melkwagen onder leiding van dominee Zijlstra en zijn zoon op weg. Waar naar toe dat wisten we niet. Tijdens de reis zijn we nog aangehouden, maar dat leverde geen onoverkomelijke problemen op. De reis bracht ons naar Zwolle, waar we in een school werden opgevangen en een nacht bleven slapen.
De volgende ochtend werden we met paard en wagen opgehaald. Men bracht ons naar café Schoemaker in de Kerkenhoek. Daar kwamen de gastgezinnen de kinderen ophalen. Mijn broer Jan kwam terecht bij kleermaker Witpaard en ik werd door Frieling opgehaald. Ik had het daar niet zo naar mijn zin en door bemiddeling van de dominee van de gereformeerde kerk werd ik na tien dagen ondergebracht bij de familie Klaas van Dorsten aan het Westeinde. Daar zou ik blijven tot we eind juni 1945 met een militaire vrachtwagen via Zwolle – Deventer – Apeldoorn naar Utrecht terugkeerden.

Het gezin Van Dorsten bestond uit vader, moeder, 5 meisjes en een jongen, in leeftijd tussen de 7 en 19 jaar. Dan waren er nog Albert, die was ondergedoken, en Femmy, die voor dag en nacht een betrekking had als dienstbode. Bij Klaas van Dorsten verzorgde ik de koeien en de varkens. Ik werkte er met paard en wagen zoals het mesttransport naar de afgelegen bouw- en weidelanden. Ik ploegde met de kleine ploeg en deed dat ook wel bij vrienden en kennissen van de familie. Ze vonden het eerst allemaal wel een beetje vreemd dat ik die werkzaamheden allemaal kon uitvoeren. Ik hielp ze uit de droom en vertelde dat ik tussen boeren was opgegroeid en dat ik daar ook menigeen hielp.
Ondanks de angst over thuis heb ik het in Nieuwleusen goed gehad en er een heerlijke periode van mijn leven doorgebracht. Het contact met de familie is gebleven, al verwaterde het jaarlijkse bezoek op enig moment wel. Maar met Bertus en Dina Kleen-van Dorsten hebben we nog steeds contact.

Op De Meele bij de familie Visscher was ook een meisje uit Utrecht ondergebracht. Haar naam: Bep Blom, vol uit Elisabeth Jacoba. Na zes weken kwam ze bij de familie Dirk Stolte aan het Westeinde. Bep ben ik na de oorlog allerminst vergeten. Met haar ben ik in 1952 getrouwd.

Het vervoer van de kinderen vanuit Zwolle gebeurde op verschillende manieren. Sommigen werden met paard en wagen opgehaald, anderen werden per vrachtauto naar Nieuwleusen gebracht. De meeste kinderen werden naar café “De Viersprong” vervoerd en daar opgevangen door hun pleegouders. Er waren ook kinderen die op andere plekken voor het eerst kennis maakten met de Nieuwleusenaren.
Silvia Neerhout uit Den Haag kwam aan in café Niemeijer in Den Hulst. Zij kwam terecht in het gezin van Jan Stegerman aan de Ommerdijk.
Aartje Soesbergen uit Utrecht kan zich herinneren dat ze met de vrachtauto naar café Koenders aan het Westeinde kwam en in die omgeving werd ondergebracht in het gezin van Berend Jan Meulenbelt.

* * *


NAAR NIEUWLEUSEN ________________________________________________________

Jopie Zijtveld-de Vries

We woonden in Bussum, in de St. Janslaan, mijn ouders, mijn broertje en ik. Ik was elf jaar, mijn broertje een jaar jonger. Er was weinig te eten en toen er een mogelijkheid kwam om de kinderen elders onder te brengen, hebben mijn ouders ons met de beste bedoelingen laten gaan. Welke organisatie een en ander geregeld heeft, weet ik niet.

In februari 1945 werden we in een verhuiswagen geladen en vertrokken we met onbekende bestemming. Op een nacht vertrokken we in goede en gewassen kleding. Moeder kwam net terug uit Barneveld met eten en dus kregen mijn broer Arie en ik een pak boterhammen mee.
We zaten met een hele groep in de vrachtauto, zenuwachtig en bang. Waar zouden we naar toe gaan? Hoewel de auto van een witte vlag was voorzien, zijn we onderweg toch beschoten. Eindelijk kwamen we in Zwolle aan. We werden daar in een school ondergebracht waar we een of twee nachten zijn gebleven. Het was daar vreselijk. Onze boterhammen waren we al gauw kwijt.
Op zaterdag werden we met een rijtuigje, een brik of zoiets, gehaald. Onderweg liep er nog een wiel af. We kwamen bij een bakker terecht en ik weet nog dat we daar een appel kregen.
Uiteindelijk kwamen we in Nieuwleusen aan bij café Schoemaker op de hoek. Mijn toekomstige “ouders” hadden mij al gauw gezien. Misschien dachten ze wel van die moeten wij maar hebben, die ziet er schoon uit.
Ik kwam terecht in het gastgezin van Marten Massier, de postkantoorhouder aan het Westeinde in Nieuwleusen. Daar aangekomen kreeg ik van top tot teen een goede wasbeurt met groene zeep.
Mijn verblijf duurde zo’n half jaar, in augustus vertrokken we weer naar onze eigen ouders. Ik heb in Nieuwleusen een goede tijd gehad en samen met Lammie Huisman, de kleindochter van Massier die bij hen woonde, ging ik naar school. Met haar heb ik tot op de dag van vandaag nog steeds een goed contact. We zijn beide op dezelfde dag jarig en dat is op zich al frappant.
Mijn broertje was ondergebracht in het gezin van dominee De Vries in de pastorie bij de kerk. Verder kan ik me Cees Boschhuizen nog herinneren die bij de familie Van Spijker van de Coöperatie was.















Jopie de Vries poseert in haar mooiste kleren voor de fotograaf.

Aan het begin van de oorlog moest alle koper- en zilvergeld worden ingeleverd. Daarvoor in de plaats kwam zinkgeld van 1, 2, 5, 10 en 25 cent. In 1941 werd ook het rijwielbelastingplaatje, dat ook van koper was, afgeschaft.

* * *


HONGERTOCHT NAAR EEN BAKKER ________________________________________________________

Adrie Schinkel-Landzaat

Er is mij gevraagd om te vertellen hoe ik in de hongerwinter bij de familie Borger in Nieuwleusen terecht ben gekomen. Natuurlijk ben ik inmiddels veel vergeten. Toch loopt de oorlog als een rode draad door het leven van mensen van mijn leeftijd.

Zelf ben ik een aantal keren op, zoals wij dat noemden, hongertocht geweest. Mijn allereerste keer was begin september 1944, in de buurt van Utrecht: o.a. in Vleuten, Waardenburg en omstreken. Ik was toen een jaar of 17. Als oudste en enige dochter met vier jongere broers was het vanzelfsprekend dat ik ging.
Mijn vader was, met vele andere jongens en mannen, een half jaar eerder door de Duitsers naar Zevenaar overgebracht en was vandaar naar fabrieken in Duitsland gestuurd. Hij had echter een geluk bij een ongeluk en kreeg zware eczeem. Aangezien de Duitsers erg bang waren voor besmetting werd hij met een vrijbrief teruggestuurd naar huis. Eenmaal weer thuis durfde hij lange tijd niet naar buiten, dus hij kon niet op hongertocht.
Een andere tocht was met een buurmeisje. Bij Zwolle ging zij de andere kant op en ik liep verder. De volgende keren was ik alleen en de laatste maal liep ik met mijn broertje, die erg verzwakt was. Hierover later meer.

Hongertochten
De tochten begonnen in Utrecht, op de fiets met houten banden. Die vlogen er altijd om en nabij Amersfoort af. En dus was je gedoemd om verder te lopen. Dat waren moeilijke tijden: honger en felle kou. Goede mensen die je onderdak gaven, maar ook minder goede. Je moest iedere nacht maar afwachten of je onderdak kreeg. Ik moet zeggen, en daar ben ik van overtuigd, dat ik al die tijd een Engel bij me heb gehad. Want op de eerste verre tocht kwam ik op een avond moe en koud in Nieuwleusen en ik moest onderdak zoeken. Na acht uur mocht je niet meer buiten zijn. De Duitsers dachten dan dat je een terrorist was en schoten op je in het pikkedonker. Maar ik werd voor mijn gevoel begeleid naar een zekere plek en dat was het huis van de familie Borger. De tafel was gedekt en ik mocht genoeg eten. Ik kreeg een bed met een warme kruik.
De volgende dag ging ik verder met de woorden van Fen Borger: ”Als je weer op hongertocht gaat mag je altijd komen overnachten.”
De familie Borger had in die tijd al een winkel en bakkerij in Nieuwleusen. Het was een hard werkend gezin met, toen nog, vier kinderen. Ze hadden een dienstmeisje, Jentje Oosterveen (Jentie) en een knecht, Derk Jan van Berkum, die brood ventte. Ook hadden zij nog een jongen van 15 jaar uit Rotterdam in huis, die door zijn vader uit nood naar hen toe was gebracht.


Naoorlogse foto van Fen Borger en Adrie Landzaat voor het huis van de familie Borger met links de etalage van de winkel.

Herinneringen
Terugdenkend aan de hongertochten schieten mij enkele voorvallen binnen. Zo herinner ik me drie broers die op een boerderij bij Oldebroek woonden waar ik een keer mocht overnachten. Steeds weer als ik later bij hen langs kwam kreeg ik van hen roggebrood met kaas, een beker melk en een pakje brood voor onderweg. Ook had je in Harderwijk de Fino soepfabriek waar je een kom gebonden soep kreeg; dan werd je weer even warm van binnen. Je ging niet bewust naar plaatsen, maar liep gewoon en probeerde zoveel mogelijk te krijgen.
Met overnachtingen heb ik meestal veel geluk gehad. Ik probeerde wel bij dezelfde mensen aan te kloppen, want dat was vertrouwder. Eenmaal kon ik moeilijk onderdak vinden. Het was al bijna acht uur en de Duitsers liepen al met hun geweren rond. Ik was dus blij dat er nog een plekje in een schuur over was waar al zes vrouwen en twee kinderen lagen. We hadden allemaal honger en het was ijskoud. De boer deed de deur op slot. Die nacht was er drie keer luchtalarm. We hoorden de bommen ontploffen en waren doodsbang in het pikkedonker. De volgende dag, toen het weer licht werd, konden we elkaar zien: een groepje armoede. We werden uit de schuur gelaten zonder eten of drinken en we mochten ons niet wassen. Ik had zielsveel medelijden met die twee kleine meisjes.
Soms komen er weer herinneringen bij je boven. Zoals die keer dat ik in Staphorst bij een huis kwam waar ik me mocht warmen en koffie met brood kreeg. Dat waren hele lieve mensen. Ik weet niet meer hoe lang ik die dag verder heb gelopen, maar op een gegeven moment ben ik weer terug naar Staphorst gegaan. Ik voelde me alleen want er was op dat moment geen andere “trekker” in dat gebied. Bij een winkel rook ik heerlijke boerenkool. Ik belde aan want de deur was dicht. Een man deed de deur open en ik vroeg hem wat te eten want ik was naar van de honger. Hij zei letterlijk: ”Wacht maar, als we over hebben krijg jij het.” Na zeker 20 minuten wachten in de felle kou, het sneeuwde aan een stuk door, kreeg ik een bord eten. Ik moest het staande voor de deur opeten, maar boerenkool met sneeuw is heerlijk als je honger hebt!

Zwaar beladen
Ook kan ik me nog heel goed herinneren dat ik op de tweede tocht terug liep met een afgeladen fiets. Met afgeladen bedoel ik: een volle zak achterop vastgebonden, een tussen het frame en een derde op het stuur. Ik was al in De Bilt, op weg naar huis, maar ineens kon ik niet meer. Ik viel en had geen kracht meer om op te staan. Weer had ik geluk: er kwam een man naar me toe. Hij pakte mijn fiets op, hielp me overeind en bracht me, zonder een woord te zeggen, naar de villa waar hij woonde met zijn vrouw en drie kinderen. Ik mocht uitrusten en werd verwend met een heerlijk bord hutspot en een plakje brood besmeerd met boter. Dat laatste was een traktatie voor mijn broertjes, want ik redde het nog om diezelfde dag voor acht uur thuis te zijn.
Al met al was ik een bevoorrecht mens want ik kwam telkens met een zwaarbeladen fiets weer thuis; rogge, wortels, aardappelen, een enkele keer een worstje, en brood met boter. Dat kregen ze thuis niet iedere dag! Op de IJsselbrug heb ik meegemaakt dat er willekeurige mensen werden aangehouden en alles werd afgepakt wat ze hadden gekregen bij de boeren. Er waren mannen bij die als kleine kinderen liepen te huilen omdat ze met lege handen terug moesten keren naar huis. Ikzelf kwam uit Utrecht, maar velen kwamen uit Rotterdam en Amsterdam; voor hen was het nog een veel zwaardere opgave.

Broertje
Tijdens de derde tocht kwam ik in contact met de familie Hulzenbos in Herfte, bij Zwolle. Ik vertelde dat ik zorgen had om mijn broertjes, in het bijzonder een van hen. Deze familie bood aan om voor hem te zorgen tot de bevrijding als ik hem de volgende keer mee zou nemen en bij hen zou brengen. Als ik dan ook bleef zou ik bij een andere boer kunnen gaan werken. Mijn moeder kon dan onze bonkaarten houden; dan hadden zij wat meer te eten. Dat aanbod nam ik graag aan. De geruchten gingen dat de brug over de IJssel binnenkort door de Duitsers opgeblazen zou worden waarna niemand meer eten zou kunnen gaan halen.
De dag hierna liep ik verder en kwam weer in Nieuwleusen terecht waar ik rogge, aardappelen en wortelen gebedeld heb bij boeren. Natuurlijk mocht ik daar weer overnachten bij de familie Borger. Ik vertelde dat ik, voor de brug opgeblazen zou worden, mijn broertje naar Herfte zou brengen en daar zelf bij een boer zou gaan werken. Fen zei toen tegen mij: “Als jij je broertje weggebracht hebt, kom jij maar gewoon bij ons wonen tot de bevrijding.”

De laatste tocht
Zo ging ik dus voor de laatste keer op stap met mijn broertje. Het was nog steeds bitterkoud. Na vijf jaar oorlog had je ook geen warme kleding meer. Mijn ouders waren dolblij dat ik mijn broertje bij de familie Hulzenbos in Herfte mocht brengen omdat hij anders de oorlog zeker niet zou hebben overleefd.
Op die tocht gebeurde het dat er in Ermelo twee door de Duitsers vermoorde mannen op de spoorlijn lagen. Zij waren zwaar verminkt. Er stonden twee Duitsers met geweren bij en een bord met de tekst “Wij waren terrorist”.

Ik hield het hoofd van mijn broertje afgewend zodat hij hen niet zou zien. Maar de Duitsers schreeuwden tegen ons en andere mensen die daar liepen: “Staan blijven en kijken!”. De vermoorde mannen waren een vader en zoon die geprobeerd hadden een biels te stelen om wat warmte te krijgen in huis. Veel mensen hadden immers niets om de kachel mee te stoken.
Op een dag was het zo glad op de weg dat we nauwelijks konden lopen op onze kapotte schoenen. We hadden die dag nog niets te eten kunnen krijgen. Opeens roken we een heerlijke baklucht die uit het raam van een bungalow kwam. Ik vroeg aan de man die bij het open raam stond te bakken of hij iets te eten had voor ons beiden. Hij snauwde: ”Daar ligt een berg suikerbieten, pak daar maar wat van.” Nu waren wij zeker niet zo dat we geen suikerbieten wilden eten, maar deze waren bevroren en het ijs lag er op. Zoiets blijft je altijd bij.

Nieuwleusen
Uiteindelijk kwamen we bij de familie Hulzenbos aan, waar ik mijn broertje in goede handen achterliet. Zelf trok ik door naar de familie Borger. Ik voelde mij daar helemaal thuis. Alleen de zorg of mijn familie in Utrecht de oorlog goed zou doorkomen liet me niet los. Het was onmogelijk contact met hen te hebben.
Ook de familie in Nieuwleusen bleef niet gespaard. Eerst kreeg moeder Fen difterie en vervolgens moesten vader Jan en ik zoontje Herman, toen twee jaar oud, naar het ziekenhuis in Zwolle brengen vanwege kroep. Goddank waren beiden na zes weken genezen.
De ouders van Jan, opa en opoe Borger woonden op een boerderij naast de winkel en bakkerij, samen met Willem en Jenny en een kleinkind. Ook hadden ze daar twee zusjes uit Amsterdam, Janny en Fietje, via de kerk opgenomen.
Ik werd op een zondagmorgen heel vroeg uit bed geroepen. Opa Borger had die ochtend in de schuur twee gevluchte mannen in gevangeniskleding en met kaalgeschoren hoofden in het hooi gevonden. Bibberend van angst en uitgehongerd waren zij die nacht uit een Duits kamp gevlucht. Natuurlijk zijn zij naar een veilige plek gebracht.


Adrie Landzaat tijdens een naoorlogs bezoek aan Nieuwleusen geportretteerd met dienstmeisje Jentie en de vier oudste kinderen Borger.

Bevrijding
Op een nacht werden we allemaal wakker gemaakt. We moesten ons aankleden en naar beneden komen. Er kwamen veel Duitsers voorbij het huis met veel oorlogsmaterieel. Wij begrepen natuurlijk dat er iets stond te gebeuren. Het was angstaanjagend. De volgende dag hoorden we dat de Canadezen bij Dalfsen zaten en onze kant opkwamen. De Duitsers zaten in het Westeinde. Toen begon het gevecht. We hebben een dag met zijn allen bij opa en opoe Borger in het veld gezeten. Het ging er even hard aan toe. Er zijn enkele boerderijen afgebrand. Bij ons beperkte de schade zich tot een gebroken winkelruit en een diepe gleuf voor de winkel, veroorzaakt door een Canadese tank. Gelukkig waren er geen slachtoffers. Eindelijk waren we bevrijd!
Een paar dagen later gingen Fen en ik naar een dankdienst in de kerk. Er was prachtige orgelmuziek en een fluitiste. Die avond kwamen bij mij de emoties los.

Het duurde nog een poos voordat mijn broertje en ik naar huis konden vanwege de opgeblazen brug. Eindelijk waren we weer thuis; mijn hele familie had de oorlog overleefd.

Zeg nu maar eens dat ik geen Engel bij me had tijdens de hongertochten! Helaas is het contact met de familie Hulzenbos verwaterd.
Het contact met de familie Borger is altijd gebleven, wat voor mij een verrijking was en nog steeds is. Zij en Nieuwleusen behoren tot mijn leven. Vele malen ben ik, eerst alleen en later met mijn man en kinderen, terug geweest. Jan en Fen hebben ook menig weekend bij ons in Utrecht doorgebracht. Met dankbaarheid denk ik terug aan de keren die ik bij hen mocht doorbrengen.

Na de bevrijding van Nieuwleusen werd er bij café Schoemaker in de Kerkenhoek op het terras een tafeltje geplaatst. ’s Avonds kwam daar een radio op te staan die werd afgestemd op Radio Oranje. De eerste woorden van de uitzendingen waren altijd: “Hier Radio Oranje, de stem van strijdend Nederland”.
Bijna niemand had meer een radio omdat die in de oorlog op last van de bezetter moest worden ingeleverd. Daarom kwamen veel mensen naar de Kerkenhoek om naar de laatste berichten te luisteren.

* * *


GRENZELOZE HONGER ________________________________________________________

Eef Veenstra

Dit zijn herinneringen uit de hongerwinter van een toen hongerige randstedeling aan zijn verblijf in het land van melk en honing dat Nieuwleusen heet met zijn bijzonder gastvrije boeren- en burgergezinnen. Deze herinneringen zijn samen met mijn oudste broer Harm op papier gezet. Omdat ik erg zwak en telkens bewusteloos was, kan ik me lang niet alles meer herinneren.

De omstandigheden in Schiedam, waar ons gezin van vader, moeder en vijf jongens (Harm van 13, Dolf van 11, Eef van 9, Joop van 7 en Jan van 2 jaar) woonde, waren in de hongerwinter bijzonder slecht. Er was haast niets meer te eten en om in leven te blijven waren we genoodzaakt op zogenaamde “hongertocht” naar het oosten te trekken. Op de jongste broer Jan na, die bij een zuster van mijn moeder bleef, vertrok het hele gezin eind februari 1945 naar Utrecht. Daar woonde dominee Oberman waar we in eerste instantie naar toe zouden gaan en van daaruit verder zouden trekken.
De beide oudste kinderen, Harm en Dolf, vertrokken lopend. Al glibberend op te kleine maar nog goede schoenen liepen ze door de natte sneeuw en over gladde ijswegen. Om de honger te stillen bedelden ze bij de boerderijen langs die lange weg naar Utrecht. Het resultaat was mager, aangezien er heel veel hongerlijders waren die voor geld of goede woorden eten probeerden te krijgen.
Bij een boer ergens in de buurt van Nieuwkoop kregen ze allebei echte boterhammen en doordat broer Dolf zei dat ze eerst moesten bidden voor het eten, mochten ze ook blijven overnachten. Met z'n tweeën in één klein kinderledikant. Naast elkaar ging niet, maar met het hoofd bij elkaars voeten was het wel mogelijk. Ze lagen die nacht voor het eerst warm en droog.
De volgende dag ging het al bedelend verder in de richting van Utrecht. Pas in de Meern had het bedelen resultaat. Door een klein raampje in de deur kregen ze wat gekookte aardappelen in pakpapier aangereikt. Een waar Koningsmaal!

Bakkerij
Vader en moeder vertrokken met de twee jongere broertjes van huis op gammele fietsen, voorzien van houten banden. Ze verplaatsten zich sneller dan de beide oudsten. Deze verloren onze ouders dan ook al uit het oog, voordat ze Rotterdam goed en wel verlaten hadden. Maar gelukkig had iedereen het adres van dominee Oberman
. Tegen de avond bereikten de beide oudsten het huis van dominee Oberman aan de Maliebaan in Utrecht. Ze kregen daar het slaapadres waar de rest van het gezin, één dag eerder, was aangekomen. Het was de broodbakkerij van de familie Brand. Zij zorgden ervoor dat we enige dagen in hun warme bakkerij konden eten en slapen; in afwachting van ons transport naar een onbekende bestemming. Van daaruit zijn onze ouders weer teruggegaan naar hun tweejarig zoontje Jan in Schiedam.

Naar Zwolle
De kinderen werden door bemiddeling van dominee Oberman en Het Rode Kruis met Duitse vrachtwagens naar Zwolle gebracht. Op een avond, ik weet dag noch datum, zijn de vier broertjes, samen met nog meer kinderen, op de Maliebaan in een Duits legervoertuig, met Rode Kruis symbolen op de overkapping van zeildoek, geklommen. Ieder kind kreeg daar een pakket met vier of zes belegde boterhammen. Dat was voor de hongerige kinderen te veel. Hun magen protesteerden direct tegen die overvloed. Harm’s maag had, dankzij het bedelen en het brood bij bakker Brand, het protesteren tegen "te veel" verleerd. Het gevolg was dat hij gedurende de reis naar Zwolle (men had ons gezegd dat we naar Overijssel zouden gaan), alle restjes van de andere pakketten ook op at zonder dat zijn grenzeloze honger ophield.
's Nachts stopte de legertruck enige keren omdat er vliegtuigen over kwamen. Bij de IJsselbrug bij Zwolle was er ook oponthoud omdat één wachtpost vond dat wij niet zomaar over zijn brug naar de overkant mochten. Een andere wachtman vond ons gevaarloos genoeg om door te laten.
In Zwolle kwam ons transport bij een lagere school (in de Van Karnebeekstraat of de Van Ittersumstraat?) waar de kinderen werden afgezet. We mochten het gebouw niet uit. Maar op het pleintje op de hoek van de straat was een slager die voor de hongerlijders uit het westen, ongelooflijk maar waar, echte leverworst had. Veel kinderen zagen kans om de slager te bezoeken.

In Nieuwleusen
We kwamen dus met vier broers in Nieuwleusen terecht. Ik weet zelf zeer weinig van de hele reis van Zwolle. Ik weet nog wel dat we met een wagen van Zwolle naar Nieuwleusen zijn gebracht. Ik meen me ook te herinneren dat we in een café in de Kerkenhoek werden opgevangen. Daar werd ik door een meneer, Berend Vonder bleek later, opgehaald en met paard en wagen zijn we naar zijn huis aan het Westeinde gegaan.
Harm werd ondergebracht bij de familie Schoemaker en Dolf bij de familie Prins. Joop kwam terecht bij Koop Massier naast de molen aan het Westeinde.
Ikzelf was vreselijk verzwakt door de inspanningen van de laatste dagen. Veel heb ik later gehoord want ik heb er weinig tot niets van meegekregen. Ik kwam bij hele goede mensen terecht. Het gezin Vonder bestond naast Berend en zijn vrouw Janna uit twee jongens en drie meisjes, in leeftijd ongeveer tussen de een en tien jaar oud. Naar wat men mij verteld heeft, ben ik zo goed als bewusteloos bij de familie Vonder binnengebracht. Ik ben dag en nacht hun zorg geweest. Voortdurend ben ik telkenmale in een soort coma geraakt. Ik kon totaal geen voedsel binnen houden omdat mijn maag niet meer gewend was om eten te verdragen. Dankzij het optreden van opoe Vonder en tante Klaasje (ik meen dat ik Kleusmeuje moest zeggen) en tante Janna ben ik op deze wereld gebleven. Ze hebben er alles aan gedaan om mij voorzichtig weer te laten aansterken. Zonder hun enorme inzet en liefde was dat niet gelukt.
Het waren stuk voor stuk hele lieve en fijne mensen. Het is alleen jammer dat ze er niet meer zijn … maar dat is ook logisch vanwege de tijd die sindsdien verstreken is. Toch blijft het moeilijk te accepteren.

Het was altijd erg druk in het hardwerkende gezin Vonder met inwonende moeder en zuster. Bij de opvoeding van hun eigen kinderen kwam ook nog eens de zorg voor mij. Na een aantal maanden ging ik naar een andere familie. Deze mensen, oom Dirk Jan Klomp en tante Jennie woonden in Den Hulst. Ze waren ook heel lief voor mij. Ik heb met oom Dirk Jan veel gelachen en plezier gehad. Ze hadden zelf geen kinderen en ik was voor hen een welkom geschenk.

Vergeten zal ik al die goede mensen in Nieuwleusen en Den Hulst nooit. Met de familie Vonder heb ik af en toe nog wel contact. Maar zoals het gaat, als je ouder wordt heb je je eigen gezin, werk en bezigheden en “komt het er in de praktijk niet zo vaak van”. Toch denk ik in grote dankbaarheid aan mijn opvang in Nieuwleusen terug.


Vanuit Zwolle naar Nieuwleusen kwam men langs dit punt: Het Plankenloodsje. We kijken hier de Nieuwleusenerstraatweg in.

* * *


ONDERDUIKERS- HERINNERINGEN ________________________________________________________

Ook in Nieuwleusen moesten in de Tweede Wereldoorlog verschillende jongens en mannen onderduiken. Twee van hen, Egbert Brasjen en Berend Jan Hoes vertellen enkele herinneringen aan die periode

Egbert Brasjen
In 1923 ben ik geboren en in de oorlogsjaren was ik op een leeftijd dat ik naar Duitsland moest om daar te werken. Ik voelde er natuurlijk weinig voor. Een oom van mij, Thijs Westerman die aan het Westeinde een kruidenierswinkel had, zei: “Je gaat niet naar Duitsland, kom maar bij mij onderduiken.” Dus dook ik bij hem onder. Dochter Hilly Westerman en natuurlijk ook de klanten mochten mij niet zien. Alleen het personeel wist dat ik op zolder was ondergedoken.
Ik zat daar vaak bonnen te plakken. Veel artikelen waren toen alleen maar verkrijgbaar op bonnen en die moesten de winkeliers allemaal opplakken en weer inleveren. Achter op de zolder was een radio verstopt. Ik zat daar vaak naar te luisteren. Dat moest altijd heel voorzichtig gebeuren omdat niemand dat weten mocht.
’s Nachts kon ik eindelijk naar buiten. De kans om gezien te worden was dan natuurlijk veel kleiner. Er waren meer onderduikers in dat gebied en zo kwam ik op een nacht Berend Jan Hoes tegen die ook was ondergedoken. Ik vertelde niemand dat we elkaar ontmoet hadden, maar op een gegeven moment kwam oom Thijs er toch achter. Hij vond het niet erg dat we elkaar zagen.
Ik sprak dus ’s nachts wel vaker met Berend Jan. Soms waren we zo lui dat we staande in slaap vielen. Ook sliepen we wel eens bij Klaas Scholten.

Ook ben ik een tijdje bij Ruinemans ondergedoken geweest. Daar zat in de hooiberg een gat waarin het hondenhok was gemaakt. De achterwand van dat hok was het luik naar de verborgen ruimte er achter. In die ruimte kon het luik met balken vergrendeld worden. Wanneer er iets gaande was, moesten we snel het hondenhok in en ons verbergen in de geheime ruimte.
Eens was er een razzia waarbij ik de “Groenen” op de Jagtlusterallee zag aankomen. Ik dook snel het hondenhok in, waar toen ook de hond in zat. Die schrok van mij en heeft me toen aardig te pakken gehad. Na ongeveer een uur was alles weer veilig en kon ik weer uit mijn schuilplaats tevoorschijn komen. De bewoners van de boerderij schrokken wel erg toen ze me zagen, door de hondenbeet zat ik onder het bloed.

Eens waren ze bij Zonnenberg aan het Westeinde aan het dorsen. Daar waren onderduikers bij aanwezig en ook een aantal “trekkers”, westerlingen die op voedseltocht waren. Opeens was er een razzia van een tiental “Groenen”. We vluchtten weg, maar ze pakten ons toch op. We moesten allemaal met de handen omhoog tegen de muur gaan staan. De “trekkers” lieten ze gaan en wij zijn toen met hen meegelopen als zijnde ook “trekkers”. Ze hebben twee jongens aangehouden die ze uiteindelijk ook hebben laten gaan. Die jongens waren 14 en 15 jaar. Het liep dus allemaal gelukkig goed af.

Samen met Arend Mannen moest ik eens een motorfiets halen bij Peter Kreule. Deze was bevriend met Thijs Westerman. Het was gevaarlijk bij de weg en Peter Kreule waarschuwde: “Het is veel te gevaarlijk, de Duitsers zitten hiernaast!” Toch zijn we met de motorfiets op pad gegaan. We probeerden hem en hij startte meteen. Maar het bleek dat de remmen weigerden. We zijn toch verder gegaan en bereikten onze bestemming bij café Schoemaker in de Kerkenhoek.

Tegen het einde van de oorlog was er eens een gezellige avond van de jongens- en meisjesclub in de Kerkenhoek. We wilden daar ook naar toe. Onderweg er heen werden we gewaarschuwd dat er Duitsers op de weg gezien waren. We waren oplettend, maar toch voordat we ze in de gaten hadden, stonden ze al voor ons. Ze vroegen de weg naar burgemeester Van Arkel. We zeiden: “Immer weiter.” “Schöne dank,” kregen we als antwoord. We zijn toen maar omgekeerd en niet naar het feestje gegaan. Het leek ons toch te gevaarlijk.

Berend Jan Hoes
Ik was knecht bij Klomp aan het Westeinde. Daar kreeg ik bericht dat ik naar Duitsland moest om te werken. Ik ben geboren in 1924 en was dus omstreeks 20 jaar. Voor de jongens die tewerkgesteld zouden worden, zou er vanuit Zwolle een trein vertrekken naar Duitsland. Samen met iemand die ook dezelfde oproep had gekregen, gingen we op fiets op weg naar Zwolle. Onderweg kwam een buurmeisje bij ons fietsen. Dat kwam niet goed uit want we wilden bij het Plankenloodsje niet links afslaan naar Zwolle, maar rechtsaf en weer terug richting Nieuwleusen. Gelukkig sloeg het buurmeisje een eindje voor Het Plankenloodsje een zijweg in en konden wij onze geplande route vervolgen.
Om aan een onderduikadres te komen moest ik bij Koster, de drogist aan de Ommerdijk in Den Hulst, een brief halen. Daarin stond het onderduikadres en dat was bij boer Hospers in het Westerhuizingerveld. Omdat ik een tijdje later naar een ander onderduikadres moest, heeft Van Marle mij daar op een nacht opgehaald en via Balkbrug, Koloniedijk en de Kringsloot naar een nieuw onderduikadres gebracht.
Nog later ben ik een tijdje bij mijn oma ondergedoken geweest. De Duitsers hadden natuurlijk dat adres al achterhaald en zijn daar twee keer geweest om mij te zoeken, zonder resultaat.

Een tijdje later werkte ik overdag op de boerderij van Mijnheer in de Vinkenbuurt. Om ’s nachts veilig te kunnen slapen hebben we in een perceel bos daar in de buurt een schuilhut gemaakt. Aan de andere kant in het bos had Van Spijker een schuilhut. Op zekere dag ontdekten buurmeisjes, die in het bos aan het spelen waren, de hut. Het werd ons daar toen toch te gevaarlijk en we zijn dan ook vertrokken. Ik ging weer naar huis waar op zolder een kamertje werd afgetimmerd. Daar zat ik drie lange maanden ondergedoken. Alleen wanneer de jongere kinderen naar school waren, mocht ik naar beneden. ’s Nachts kwam ik ook wel buiten.
Wanneer er onraad was, ging ik snel naar het bietenland waar ik me dan onder een dekzeil verstopte. Toen er eens Duitsers aankwamen dook ik snel in de bietenkuil onder het dekzeil waarop mijn vader een partijtje bieten gooide. Door de gaatjes in het dekzeil zag ik de Duitsers bij de kuil lopen.

’s Avonds kwam er wel eens een bekende op bezoek. Arend Jan Bouwman kwam eens vragen aan mijn vader waar ik toch was. Op dat moment was ik thuis en het gevolg was dat Arend Jan wel vaker kwam.
Op een keer wilden wij beiden ’s nachts weer het veld in. Frits Kuterman, die ook aan het Westeinde woonde, zou met ons mee. Ik had een zaklampje bij me en scheen daarmee om Frits te laten zien waar we stonden. Frits liep regelrecht op het lampje af maar dat had hij niet moeten doen. De dam over de sloot lag een paar meter verder en daardoor kwam Frits in het water terecht.

Ook in deze omgeving zaten bij verschillende boerderijen mannen en jongens van elders ondergedoken. Sommigen van hen waren jood (zoals Ed van Thijn), anderen werden gezocht door de bezetter omdat ze zich aan tewerkstelling in Duitsland hadden onttrokken. Weer anderen waren betrokken bij de ondergrondse en moesten daardoor enige tijd “verdwijnen”.
Soms kwamen er een paar mannen aan de deur die voor iemand voor een of twee nachten onderdak vroegen. Over de achtergrond van zo’n persoon werd niets verteld en er werd ook niets gevraagd. In een enkel geval bleef die onderduiker langere tijd. Zo ook Johannes Vermeer uit Den Haag, die op een boerderij werd ondergebracht en daar de bevrijding meemaakte. Op dat moment zei hij pas dat hij joods was en Fred Hamburger heette. Hij was getrouwd geweest, maar zijn vrouw was helaas overleden. Wel was er hun zoontje Peter van een jaar of vier, die bij vrienden was ondergebracht. Na de oorlog bezochten vader en zoon nog wel het onderduikadres. Peter logeerde er ook een tijdlang.

* * *


BETER BEKEND ALS 'FRANS' ________________________________________________________

Oscar de Pauw

In de oorlog woonde ik met zijn zus en moeder in Rotterdam. Mijn vader was in 1943 gedwongen om in Friedrichshafen in Duitsland te werken bij de posterijen. Ongeveer eens per halfjaar kwam hij met “Urlaub” naar huis. Aan onderduiken kon niet worden gedacht omdat dan de achterblijvende collega’s werden gestraft.
In de hongerwinter besloot ik als vijftienjarige jongen met een vriend op “hongertocht” te gaan. We kwamen in Nieuwleusen terecht en vonden daar onderdak. Omdat Oscar geen naam voor deze regio was, kreeg ik een andere naam en tot op heden ben ik beter bekend als Frans.

Omdat het in de winter van 1944-45 zo vroor (tot twintig graden onder nul) en er veel sneeuw lag, was er in Rotterdam weinig aanvoer van voedsel. Ik besloot daarom naar het noorden te gaan en daar tot het einde van de oorlog te blijven. Alles wees er op dat het einde niet lang meer kon duren en bovendien zou het dagelijks leven in Rotterdam alleen maar verslechteren. Er werd verteld dat er voorbij Zwolle voldoende te eten was.

Mijn moeder moest wel overgehaald worden om mij te laten gaan, maar de gedachte dat ik dan in ieder geval te eten had, gaf de doorslag. Bovendien zou ik mijn voedselbonnen achter laten, zodat zij en mijn zus een portie meer te eten hadden.
Ik was bevriend met Jan Verweij en we hadden afgesproken om samen de tocht te ondernemen. De route hadden we als volgt gepland: eerste dag: Hoevelaken, tweede dag: Zwolle, derde dag: vraagteken.

De tocht
In januari 1945 zijn we met z’n tweeën per fiets van huis gegaan. Onze fietsen hadden wonder boven wonder nog echte banden die het de hele reis hebben volgehouden. Bij aankomst in Nieuwleusen was één band wel zo erg versleten dat hij niet meer te gebruiken was. Later heeft smid Schoemaker, die naast bakker Jonker woonde, er nog een nieuwe band omgelegd. Het bleek dat hij er voor mijn jongensfiets nog een in de juiste maat in voorraad had.

Toen we aan onze tocht begonnen lag er veel sneeuw zodat er meer gelopen dan gefietst kon worden. Door de vele sneeuw zijn we de eerste dag niet verder gekomen dan Soesterberg. ’s Avonds om acht uur kwamen we daar aan. Gelukkig kwamen we een man tegen die ons wel aan een slaapplaats kon helpen, maar niet aan eten want dat hadden ze zelf bijna niet.
Toen we de andere morgen wakker werden, bleek dat er nog twee mannen in de slaapkamer hadden geslapen. Het waren gevluchte gevangenen uit kamp Amersfoort. Ze waren ’s nachts binnengekomen zonder dat we daar iets van gemerkt hadden.
Zonder eten zijn we op de tweede dag van onze tocht verder gegaan. We kwamen tegen het middaguur in Hoevelaken aan. Daar woonde een bekende van ons. Hij kwam tijdens de mobilisatie in 1939 als soldaat bij ons thuis. Bij hem was voldoende te eten en we bleven daar ook slapen.
De volgende dag vertrokken we richting Zwolle. We kregen een brief mee die bestemd was voor Klaas Kragt in Nieuwleusen. Die was in 1939 ook als soldaat bij ons thuis geweest.

Die dag kwamen we helaas niet verder dan Wezep. Daar hebben we de nacht doorgebracht in een school, waar we op stro hebben geslapen.
De vierde dag moest dus de rest van de route afgelegd worden. Het gerucht ging dat de IJsselbrug gesloten was. Toen we daar aankwamen, was er net een luchtaanval van de Engelsen geweest. Er was geen soldaat te zien, dus zijn wij vlug de brug over - en Zwolle binnen gegaan.

’s Middags zijn we doorgegaan naar Nieuwleusen en daar vonden we na enig zoeken het boerderijtje van de familie Kragt. Het lag een eindje voorbij de molen aan de rechterkant van de weg, een eindje het land in. De oude Kragt was klompenmaker. Klaas Kragt heeft er met hulp van de dominee voor gezorgd dat wij allebei een goed tehuis kregen. Vriend Jan kwam bij de familie Hekman in huis. Die boerderij lag op de hoek van de dijk (Westeinde) en de Jagtlusterallee. De allee was toen nog een zandweg met een fietspad er naast.


Foto van kort na de oorlog voor de boerderij van de familie Hekman. Vlnr: Oscar de Pauw, Jan Verweij, vader Barteld Hekman, moeder Annigje Hekman-Grooteboer en dochter Trientie Hekman.

Ik kwam als Frans, “de jongste zoon”, bij de familie Brasjen op het Jagtlust waar nu de Neurinkweg is. Het gezin bestond verder uit zes personen te weten vader Thijs, moeder Jaantje, zoon Egbert (21) en de dochters Jenny (23), Alie (18) en Henny (16). Egbert was er bijna nooit. Hij was onderduiker en verbleef daarom meestal op een ander adres. Voor zover ik me kan herinneren was Jenny in betrekking bij de dominee in de pastorie bij de kerk op de viersprong.

Het leven in de buurtschap
Het dagelijks werk in en om de boerderij was erg leuk en leerzaam. Ik leerde melken, voeren, met het paard omgaan, hout zagen voor de kachel, kortom alles wat maar op een boerderij voor kan komen.
De hele dag trok ik met de boer op, we konden het samen heel goed vinden. Het was een kleine gemeenschap met een aantal boerderijen bij elkaar. Namen van gezinnen die ik me nog heel goed kan herinneren zijn: Huzen, Brouwer (met de Rotterdamse onderduiker Marinus), Prins, Meulenbelt, Witvos, Ruinemans, Schaapman en niet te vergeten bakker Jonker en Kijk in de Vegte, de melkrijder.


Foto van kort na de oorlog voor de boerderij van de familie Brasjen. Vlnr: Oscar de Pauw, vader Thijs Brasjen, Henny Brasjen, moeder Jaantje Brasjen, Jan Verweij, Egbert Brasjen en Alie Brasjen.

Ik heb daar geleerd wat het betekent om om te zien naar elkaar en elkaar te helpen waar het nodig is. Ik herinner me bijvoorbeeld nog dat bij het ploegen twee paarden nodig waren. Er werd dan een paard bij de buren geleend. Iedere boer had namelijk maar één paard.
Aardappelen poten gebeurde lopend achter de ploeg, de buren hielpen mee. Bij het dorsen gebeurde hetzelfde, de dorsmachine kwam en gezamenlijk werd het werk gedaan. Zo had je elkaar dus dikwijls nodig en dat was nooit een probleem.
Een enkele keer, op zaterdagavond, kwamen de volwassenen bij elkaar om gezellig wat te praten. De jongeren kwamen dan ook bij elkaar op een andere plaats, daar waar de ouders weg waren. Er werden dan met elkaar spelletjes gespeeld zoals pandverbeuren.

Maar er gebeurde ook wel eens iets bijzonders: Op een dag waren we met de hele buurt, waaronder boerenzonen die zich aan de Arbeidseinsatz hadden onttrokken door onder te duiken, aan het dorsen bij de familie Zonneberg. Het waren oudere mensen, naar ik meen zonder kinderen. Hun boerderij lag aan de dijk (Westeinde), in de buurt van de molen. Opeens kwamen er “Landwachters” uit Zwolle het erf op en iedereen stoof weg. De “Grünen”, zoals ze ook wel genoemd werden vanwege hun groene uniform, heulden met de Duitsers en brachten alleen al door hun verschijnen en gewelddadig optreden angst teweeg. Ze waren gewapend. Meestal kwamen ze om onderduikers op te sporen maar ook hielden ze mensen met voedsel op de terugweg naar het westen aan en lieten hun het voedsel inleveren. Eén jongen die bij het dorsen aanwezig was, ik meen een Meulenbelt, moest mee naar Zwolle. Gelukkig is dit goed afgelopen en kwam hij vrij vlug gezond en wel terug.
Of op een andere dag: Er kwamen Duitsers die paarden en wagens vorderden en de boeren opdracht gaven daarmee ’s nachts munitie in de richting Lemelerberg te brengen. Ik hoor de boerin nog tegen een soldaat zeggen: “de baas kan niet met, hij is zo verkolden as ter an toe.” Maar het hielp weinig. Boer Thijs werd gedwongen om met paard en wagen te helpen. Gelukkig was ook hierbij iedereen na een paar dagen weer veilig terug.
Bij een buurman die zelf was ondergedoken, werden ook paard en wagen gevorderd. Een Duitse soldaat kreeg de opdracht het paard en de wagen mee te nemen, maar hij kon er niet goed mee omgaan. Boerenwagens hadden geen rem. Remmen deed je door tussen het paard en de wagen te lopen en je lichaam te gebruiken om de wagen af te remmen. Een goed middel was ook om de wagen naar het losse zand naast de weg te sturen. De Duitse soldaat wist dat allemaal niet en sloeg om met de wagen, die daardoor onbruikbaar werd. Het paard kwam er gelukkig goed vanaf.

Bijna dagelijks kwamen er op de boerderij mensen uit het westen die op zoek waren naar eten. We noemden ze “hongertrekkers”. Waar mogelijk werden zij geholpen en altijd was er een slaapplaats. Ik probeerde wel eens een brief mee te geven voor mijn ouders in Rotterdam, maar dat is nooit gelukt.


Foto van kort na de oorlog bij de familie Kragt. Vlnr: Arend Jan Kragt, Oscar de Pauw, Jan Verweij, Klaas Kragt en vader Hendrik Kragt.

Bevrijding
De bevrijding begon in april. Het was heel vreemd, overdag waren de Canadezen in de buurt en ’s nachts kwamen de Duitsers terug. Omdat de Canadezen dachten dat de Duitsers zich in boerderijen verstopt hadden, werden er een aantal in de brand geschoten. Dat was een grote ramp. Veel werd vernield en alle koeien werden gedood.
Op 13 april zijn de Duitsers definitief verdwenen en kon het bevrijdingsfeest beginnen. Er waren twee muziekkorpsen: “De Broederband” in Nieuwleusen en in Den Hulst “Crescendo”, dus aan muziek was er geen gebrek.

De tijd verstreek en begin juni besloten we dat het tijd werd om naar huis te gaan. We gingen op 8 juni naar het “Militair Gezag” in Zwolle en kregen daar toestemming om van Nieuwleusen naar Rotterdam te reizen.
Half juni was het zover. We zijn toen de hele buurtschap afgegaan om afscheid te nemen en kregen overal wat mee, zoals boter en eieren. Zo kwam er een einde aan onze onvergetelijke tijd in Nieuwleusen, een dorp met bijzondere mensen, waarbij ik in het bijzonder denk aan het gezin Brasjen, dat mij liefdevol opnam, verzorgde en opving als ik heimwee had naar mijn ouders en zus. Ik was daar één met het gezin.
We gingen op onze fietsen naar Zwolle en namen daar de passagiersboot naar Amsterdam. In de namiddag arriveerden we aan de achterzijde van het Centraal Station. Daar moest iedereen zich bij de verschillende instanties melden: dokter, ontsmetting, ondervraging door de P.O.D. (Politieke Opsporings Dienst) en Sociale Dienst.
Nog diezelfde nacht zijn we met onze fietsen op een open vrachtauto naar Rotterdam gebracht, waar we werden opgevangen in het in aanbouw zijnde belastingkantoor aan de Puntegaalstraat. Van daaruit bracht een kleine vrachtauto ons ‘s morgens om zeven uur naar huis.

Ik ben nog vele malen teruggeweest en als ik nu in de buurt ben, moet ik altijd even naar de Jagtlusterallee, even naar de boerderij kijken, waar tot nu toe weinig aan veranderd is. Met de familie Brasjen, met name met Henny, heb ik nog steeds contact. Alie spoorde me aan om mijn herinneringen op te schrijven. Ik heb dat graag gedaan.

* * *


EEN HALF JAAR DALFSERVELD ________________________________________________________

Rob de Haan

In de winter van ‘44-’45 leden we in Amsterdam honger en kou. Al in het najaar gingen wij kinderen (ik was zeven en had een broertje van tien en een zusje van zes jaar) aan de rand van de stad hout zagen, een klein boompje, dat wij daarna door de straten sleepten naar de allesbrander, waarop een pannetje suikerbieten pruttelde.

Vader kon zich natuurlijk niet op straat wagen: hij had een vals persoonsbewijs om zich aan vertrek naar Duitsland te onttrekken. Die bieten dienden als aanvulling op het schaarse rantsoen uit de gaarkeuken, een mengsel van slechte aardappelen, halfbedorven groente en misschien nog ander spul dat voor voedsel doorging. Soms was het “feest” als er voor veel geld wat bloembollen op de zwarte markt gekocht waren. Eerst de giftige pit verwijderen, dan roosteren. Ook het “brood”-rantsoen was karig. Meestal was er voor het ontbijt één sneetje, met daarop wat citroenaroma. Als we voor de kou zo lang mogelijk in bed bleven liggen, luisterden we scherp of moeder misschien een extra boterham afsneed. Een enkele keer was dat zo. Vooral mijn broertje, nog in de groei, was er slecht aan toe.
Toch boften wij nog dat we dicht bij de Lutherkapel woonden, waar we ook gedoopt waren. Daar was op sommige uren nog elektriciteit, waarvan wij soms in de consistoriekamer mochten profiteren om wat bloembollen eetbaar te maken en ons even te verwarmen. De dominee had contacten met het verzet en met humanitaire organisaties. Hij wist te regelen dat de drie kinderen van ons gezin half februari 1945 naar Overijssel geëvacueerd werden.
Ik herinner mij niets van het afscheid van mijn ouders dat toch wel emotioneel geweest zal zijn. Je wist immers niet of je elkaar zou weerzien. Misschien waren we allemaal al wat apathisch; iedere kans om het vege lijf te redden moest worden aangegrepen. Wel weet ik nog dat we op een open vrachtauto werden vervoerd. Kort na het vertrek ging het mis, de auto kreeg pech, de accu was bezweken. Die dag kon dat niet meer worden gemaakt. De kinderen werden naar restaurant Poort van Cleve (N.Z. Voorburgwal) gebracht en kregen daar een “vorstelijke” warme maaltijd: boerenkool met bruine bonen er door heen! Smullen. We sliepen die nacht ook niet thuis, maar ergens in een slaapzaal. De volgende ochtend maakten we een nieuwe start. Ergens op de Veluwe moesten we plotseling de laadbak af, toen een vliegtuig dreigend naderde en laag overvloog. Blijkbaar was men bang voor een beschieting. Tegen de avond waren we in Zwolle.
Van de toewijzing van de kinderen aan pleegouders weet ik niets. Ik meen dat boer Berend van Berkum (die ook melkrijder was) ons drieën heeft meegenomen met zijn paard en wagen naar het buitengebied van Oudleusen en mij afzette bij de boerderij van de familie Willem Brinkman, tussen de Middeldijk en de Kringsloot, wat westelijk van Nieuwleusen. Zelf nam hij (zuidelijker, aan de andere kant van de Kringsloot) mijn broertje in huis en mijn zusje werd nog een eindje verderop ondergebracht bij de familie Arend Jan Hekman. In principe konden we contact houden, want de afstand tussen de boerderijen was te belopen, maar ik geloof niet dat we er al gauw op uit gingen. Later hoorden we dat vriendjes van ons helemaal in Dedemsvaart terecht waren gekomen.

Warmte
We kwamen aan in het donker. Toen de deur van de boerderij openging, kwam me de warmte tegemoet. Het was in de woonkeuken druk: er werd onder de olielamp gedamd met een langstrekkende voedselzoeker uit het Westen. Aan het plafond hingen worsten, ham, (pekel-)vlees. Ik kreeg een beker warme melk (dat had ik al lang niet meer gehad) en dat was eigenlijk niet zo’n goed idee, vlak voor het naar bed gaan. De brief van mijn ouders waarin stond dat ik – door verzwakking – weer af en toe in bed plaste, hadden mijn pleegouders toen nog niet gelezen…..
Het pleeggezin dat mij opnam bestond naast de ouders uit drie kinderen. Hendrik Jan was denk ik maar één jaar ouder dan ik, zijn zusje Jo misschien wel drie en Marie misschien wel vijf of zes jaar ouder. Met mijn pleegbroertje vooral zal ik wel hebben gespeeld, maar ik weet er niets meer van. De families Van Berkum en Hekman hadden alleen volwassen kinderen. Mijn pleegvader (“Oom Wim”) dreef de boerderij van zijn schoonouders, die samen de opkamer bewoonden. Opa Witten herinner ik mij als een heel aardige man, die mij in de zomer bijvoorbeeld leerde om van russen een punthoed te maken.

De eerste tijd was ik bijna niet bij het fornuis, dat ook als verwarming dienst deed, weg te krijgen. Mager en met dunne kleren had ik het buiten veel te koud. Pas na een tijdje, toen het weer ook beter werd en ik wat op krachten was gekomen, ging ik het erf verkennen. Ik had klompen gekregen - daar had ik natuurlijk nog nooit op gelopen! - en verbaasde mij wat er allemaal te zien was. Je had er natuurlijk een hooiberg en daarachter een mesthoop, waar ook de poepdoos stond. Niet ver er vandaan het turfschuurtje. Aan de andere kant van de hooiberg stond een wagenschuur en er was, dichter bij de weg, nog een schuur met balen stro en allerlei werktuigen. Naast het woonhuis een stookhuisje, waarin de aardappelen voor het varken werden gekookt; er waren daar ongelooflijk veel vliegen, herinner ik me. Er was een put, een moestuin, en aan de rand van het erf waren aan de ene kant pruimenbomen en aan de andere kant krentenbomen. Dan de dieren, in de eerste plaats een (ketting-)hond met zijn hok, er was (minstens) één kat en natuurlijk was er een kippenren met kippen, die ook over het erf liepen. Het varken – ik denk een zeug – in zijn hok. Op de deel stonden de koeien. Ik vond het allemaal wel leuk en zal later wel eens geholpen hebben met voeren. Ook de paardenstal was inpandig. Ik sliep bij mijn pleegouders op een kamer, die van de deel was afgescheiden. Keek je door het raam, dan zag je buiten soms zwaluwen die onder het rieten dak een nest hadden. Onder het bed van Oom Wim stond een kistje met eieren. Waarschijnlijk leverde hij die niet in bij de autoriteiten!
De boerderij was dus een gemengd bedrijf. Een deel van wat verbouwd werd, was bestemd als veevoer. Een ander deel was voor eigen gebruik (rogge, aardappelen) of verkoop. Ik geloof niet dat er veel grondbezit was; er waren ook percelen wat verder weg (de ruilverkaveling zou pas tien jaar later plaats hebben).
Bijbel
Ik hoefde niet naar school. In Amsterdam was er in de hongerwinter geen school meer, maar misschien was dat in Nieuwleusen nog wel het geval. ‘s Zondags ging ik natuurlijk wel mee naar de kerk, ’s morgens en ’s middags. Dat waren stevige wandelingen, ik denk wel ruim drie kwartier en dat dus vier keer op een dag. Welke kerk we bezochten weet ik niet precies, wellicht Gereformeerd synodaal. Het was nog een stuk voorbij de melkfabriek in de richting van Den Hulst. Elke dag na het avondeten (we prikten met zijn allen de gebakken aardappels zo uit de pan en aten pap met een ronde lepel) las Oom Wim op een speciale toon uit de Bijbel voor. Zeker in het begin zal ik daar weinig van hebben meegekregen. Het dankgebed (“Wij danken U voor nooddruft en voor overvloed”) was meer aan mij besteed. In Amsterdam ging ik naar een Christelijke lagere school en naar de Kinderkerk. Ook werd er voor en na het eten gebeden, maar dat stond toch niet in verhouding tot het godsdienstig gebeuren in Overijssel. Ik weet nog dat voor ons heel gewone woorden als bliksem en donder (bij onweer) als “vloekwoorden” golden en dus niet gebruikt mochten worden; het moest “lichten” en “rommelen” zijn. Als het onweerde werden we trouwens uit voorzorg uit bed gehaald; want met een rieten dak wist je maar nooit. Gek genoeg herinner ik mij een brand door blikseminslag in een huis aan de Kringsloot dat juist een pannendak had. Dat nachtelijk vuur maakte wel veel indruk.
Behalve de Bijbel waren er geloof ik geen boeken in huis, of ze waren erg goed opgeborgen. Wel was er een nieuwsblad, waarvan ik de titel ben vergeten, en waarschijnlijk een kerkblad.

Bevrijding
Na de bevrijding half april (we hebben nog in een greppel gelegen uit angst voor beschietingen) konden we nog niet direct naar huis; dat gebeurde pas in augustus. Op een of andere manier kreeg ik in die tijd een stukje chocolade, dat ik op mijn gemak helemaal alleen in de wagenschuur ging opeten. Heimwee had ik ook in die tijd niet. Ik ging nu wel eens kijken op de boerderijen waar mijn broer en zus zaten. Op het erf van Van Berkum stonden bijenkasten, ook al weer zoiets nieuws. En bij de familie Hekman hadden ze (veel) meer koeien dan bij “ons”. Ik mocht ook een keer mee naar de klompenmaker, daar kreeg ik het enige maatschoeisel dat ik ooit heb gedragen! Spannend was ook een ritje op de wagen met het paard ervoor (tractoren waren natuurlijk onbekend). Vaag herinner ik mij een spel, een gevecht, waarin de twee partijen (kwajongens) elkaar met gestoken graspollen bekogelden.

Nadat ook het Westen van Nederland was bevrijd, zijn mijn ouders in de zomer op de fiets (een tandem) gestapt, om hun kinderen en de pleeggezinnen op te zoeken. Ze kregen thee! Uit porseleinen kopjes! Die kwamen op de boerderij eigenlijk nooit uit de kast. Op het land en in huis werd door volwassenen koffie gedronken (dat zal wel een surrogaatkoffie zijn geweest). De kinderen dronken natuurlijk volle melk bij het eten en tussendoor water uit de pomp op de deel; er hing daar een grote soeplepel bij en het water smaakte naar ijzer. Brood, waar mijn pleegmoeder forse hompen van afsneed, heette “stoete” in het Sallands; ook aten we van heel donkere en heel grote roggebroden. Voor het bezoek van mijn ouders was “kruudmoes” gemaakt, een soep met karnemelk, worst, rozijnen en nog veel meer ingrediënten, een gerecht waarvan ze later nog huiverden.
Het schijnt dat mijn zusje onze vader en moeder eigenlijk niet meer herkende; van mijn broer en mij zijn er niet zulke verhalen. We konden natuurlijk niet meteen mee terug. Het openbaar vervoer bestond nog niet. In augustus echter zijn we naar Zwolle gebracht en met de boot over het IJsselmeer naar Amsterdam gevaren. Van deze tocht herinner ik mij helemaal niets meer.

Latere jaren
Na de oorlog kwam Oom Wim met Hendrik Jan een keer naar Amsterdam. Ze hadden voor mijn broer de hond van Van Berkum bij zich, met welk dier mijn broer het blijkbaar erg goed had kunnen vinden. De beide bezoekers keken in ons huis (met elektrisch licht en met telefoon, een echte badkamer enz.) hun ogen uit. In de (warme) zomer van 1947 zijn mijn broer en ik op vakantie naar onze pleegouders gegaan. We reisden met openbaar vervoer via Dalfsen naar Oudleusen en gingen vandaar lopen(!). In 1955 ben ik op een kampeertocht van Leeuwarden naar Amsterdam per fiets nog eens langs geweest en heb ik Jo bezocht die in een sanatorium in Zwolle lag met tbc. Tientallen jaren later kwam ik per auto, onaangekondigd, vanaf een vakantieadres in Drenthe. Mijn pleegmoeder was toen al overleden, de twee meisjes natuurlijk al lang getrouwd en Hendrik Jan was bezig op het land. De boerderij was nauwelijks meer te herkennen. Ik trof bij die gelegenheid alleen Oom Wim, die het bezoek wel op prijs stelde. Kort daarna kreeg ik een bief van Jo en sindsdien schrijven we elkaar met de feestdagen een groet. Daardoor weet ik dat Oom Wim en een poosje later ook Hendrik Jan, die laat was getrouwd, inmiddels zijn overleden.

Ik denk nog altijd met dankbaarheid en sympathie aan het gastvrije gezin dat mij misschien wel het leven heeft gered. De indrukken die ik “op het land” heb opgedaan zijn onuitwisbaar en ik denk dan vooral aan de geur van hooi en van turf, aan de olielamp binnen en het echt volstrekte donker buiten, aan het stampen en loeien van het vee, aan warme zandwegen, teveel om op te noemen. Dit is allemaal verleden tijd. De wegen zijn verhard en door de verkaveling zijn de landerijen geoptimaliseerd. De boer is ondernemer geworden die zich heeft gespecialiseerd in bijvoorbeeld de varkensfokkerij. Gebouwen werden gerenoveerd, diversificatie is taboe. Overal is nu elektriciteit en stromend water. Het sprookje is uit.

* * *


VAN STAD EN PLATTELAND ________________________________________________________

Gé Hengeveld-van Berkum

In de bange oorlogstijd sloeg ook in Amsterdam de honger in alle hevigheid toe. Bij de familie De Haan was dat eveneens het geval. Toen de mogelijkheid er was om de kinderen naar Overijssel te laten gaan, werd daar graag gebruik van gemaakt.

Wij woonden “in het veld” in de buurt van de Kringsloot. Daar waren in die tijd nog geen verharde wegen. Bij winterdag werden het allemaal modderwegen en stroomden de naastgelegen landerijen onder water. In het gebied was nog geen waterleiding en ook geen elektrisch licht. In plaats van een wc was er buiten tussen de schuur en hooiberg een “huussie”.
In deze omgeving kwamen de drie kinderen De Haan terecht. Bij buurman Arend Jan Hekman kwam Joke in huis en Robbie kwam bij buurman Willem Brinkman. Bij ons kwam Rudi, een jongen van zo'n dertien jaar. Ze waren allemaal midden in Amsterdam opgegroeid, ik meen in de buurt van de Ferdinand Bolstraat. Voor hen moet het een hele grote overgang zijn geweest om midden op het eenzame platteland te verblijven. Er zal dan ook zeker heimwee geweest zijn. Misschien tekende Rudi daarom wel steeds de straten van zijn woonomgeving in Amsterdam, een soort plattegrond van de plek waar hij altijd gespeeld had. Wij vonden dat toen wel een beetje vreemd en begrepen het niet helemaal.
Hoe wij het als gezin ervaren hebben dat er een stadse jongen bij ons kwam, dat weet ik niet zo goed meer. Door onze ouders was er ons nooit iets over verteld, maar opeens was Rudi er. Hij werd in ons gezin opgenomen, waar hij de nodige zorg van moeder kreeg, die hem in onze ogen wel eens verwende. Ze stopte hem wel eens wat extra's toe en dat vonden wij kinderen niet zo leuk.
Maar wat moet het geweest zijn voor die kinderen die zo maar uit hun vertrouwde omgeving werden “weggezonden” door hun ouders? Wij als kinderen konden dat toen niet begrijpen.


Deze luchtfoto van enkele jaren na de oorlog geeft ons een overzicht van de boerderij en het erf met de boomgaard (links van het huis) van de familie Berend van Berkum.

Ons huis was niet al te groot en een extra bed was er niet. Daarom moest Rudi bij mijn broer in bed slapen.
Het eten was voor de Amsterdammertjes natuurlijk heel anders dan ze gewend waren. Vooral de laatste tijd thuis hadden ze niet veel gehad. Bij ons thuis aten we in die tijd altijd heel eenvoudig. Aardappelen waren er natuurlijk en als groente kregen we vaak bruine bonen of sperziebonen. Verder was er zuurkool en hachee. Meestal was er wel een plakje spek of verse worst, want er werd nog wel eens stiekem geslacht.
Aan fruit ontbrak het door de regel niet. We hadden allerlei soorten bessen. Appels waren er ook zoals goudrenet, bellefleur en Groninger kroon. Die werden geschild en in partjes gesneden gedroogd in de oven van het fornuis. Dan konden ze lang goed blijven. Ze werden dan later gekookt en gebruikt als groente. Ook hadden we stoofpeertjes maar het duurde wel erg lang voor die mooi rood gekookt waren. Dat dit er allemaal was kwam omdat vader een kleine boomgaard had aangelegd. Honing was er ook omdat vader bijen hield. Verder kregen we roggebrij met bijensuiker er op omdat gewone suiker niet meer te krijgen was.

Wanneer de kinderen De Haan precies kwamen en hoelang hun verblijf in onze buurt duurde, weet ik niet meer. Na de oorlog is er een tijdlang nog wel contact geweest. Ik kan me nog goed herinneren wat ik beleefde toen ik een keer met mijn buurmeisje naar Amsterdam ben geweest. We gingen met de boot, ik dacht vanuit Zwolle of Kampen. Verder weet ik er niet zoveel meer van, maar wel dat ik daar naar de wc moest. Wat een ongekende weelde was dat voor ons, zo maar in huis en je kon de deur op slot doen. Maar als de deur niet weer open wil, is dat niet prettig. Het duurde voor mijn gevoel een hele tijd voor ik bevrijd was.
Dit zijn zo maar wat herinneringen aan de hongerwinter die nu weer boven komen. Dingen waar je nooit meer aan dacht. Maar ook veel vragen omdat je het als kind beleefde en toen niet alles begreep.


Café De Viersprong (ook wel café Schoemaker), A165 te Nieuwleusen, waar veel kinderen aankwamen en de eerste ontmoeting hadden met hun gastgezinnen.

* * *


VAN ELKAAR GESCHEIDEN ________________________________________________________

Anneke Vaartjes-Jacobs

Ondanks het feit dat vader slager was, was ook bij ons in Zuilen (een wijk van Utrecht) het eten nog maar minimaal aanwezig. In de hongerwinter was ik tien en kon ik samen met mijn broertje en zusje, een tweeling van 3½ jaar, worden uitgezonden. Dat gebeurde vanuit de Nederlands Hervormde Kerk.

Mijn ouders hebben de moeilijke stap genomen om hun kinderen af te staan aan mensen die zij niet kenden. Met de honger voor de deur hadden zij ook geen keus. Het vervoer van de 30 jongens en meisjes van drie tot tien jaar gebeurde in een grote vrachtwagen. Ik kreeg de zorg voor de tweeling die ik angstvallig bij mij hield. Onderweg werd de auto beschoten. We werden er snel uitgehaald en voor een nacht in de Maggifabriek in Harderwijk ondergebracht, waar we op de grond sliepen. De volgende morgen kregen wij ontbijt van buurtbewoners. Toen wij verder gingen werd er een rodekruisvlag boven op de auto gebonden zodat we niet weer zouden worden beschoten.
Op de plaats van aankomst stonden al veel pleegouders te wachten. Wij werden gescheiden van elkaar ondergebracht. Dat bezorgde ons groot verdriet, mijn zusje is er maanden ziek van geweest. Wij werden met melkwagens naar de verschillende adressen gebracht. Ik kwam bij de familie Snijder, mijn zusje Joke bij de familie Van de Vechte en mijn broertje Adrie bij de familie Van Geenhuizen.
In de elf maanden die we daar doorbrachten, ben ik naar school geweest. Ik bezocht regelmatig mijn broer en zus en ook de andere kinderen uit Zuilen die hier waren ondergebracht.
Dankzij de goede zorgen van mijn pleegmoeder had ik weinig heimwee. Met warmte, dank en genegenheid denk ik terug aan de gastvrije familie Snijder, waarvan Anne en Sientje mijn pleegzusjes zijn geworden.

* * *


MAN EN PAARD ________________________________________________________

Annie Vink-Nijboer

In de Tweede Wereldoorlog woonden wij aan de Lichtmis, achter de watertoren vlak aan de Dedemsvaart. Ik weet niet meer in welk jaar het was, maar tussen ons huis en dat van buurman Bouwman lag een tijdlang een schip met Duitse soldaten.

Op zekere dag was mijn vader met paard en wagen op weg naar huis toen de Duitsers hem aanhielden en paard en wagen vorderden. Ze wilden naar Zwolle om proviand te halen en wilden dat mijn vader ook meeging. Dat wilde hij niet en toen besloten ze om alleen paard en wagen mee te nemen.
Ze waren een eindje op weg op de Rijksweg van Lichtmis naar Zwolle toen er een Engels vliegtuig overkwam. De Tommies begonnen te schieten op alles wat zich op de weg bevond. De Duitsers lieten paard en wagen in de steek en kropen in de gaten die overal in de berm gemaakt waren om dekking te kunnen bieden bij een beschieting.
Mijn vader was nog even bij sluiswachter Zonneberg blijven praten en ze zagen het schietende vliegtuig aankomen. Vader dacht aan zijn paard en begon tussen de kogelregen door achter zijn bezit aan te hollen. Regelmatig moest hij ook in een bermgat schuilen voor de kogels. Maar als het even kon ging hij weer verder. De Duitsers daarentegen bleven waar ze zaten.

Zo ging het geschrokken paard met de wagen zonder voerman op de Hooibrug aan en verder de Roete in. Bij Boesenkool zagen ze de onbemande wagen aankomen. Ze herkenden het als zijnde het paard van Nijboer. Het gelukte hen om het paard tot stilstand te krijgen. Maar omdat ze ook de beschieting hadden gehoord, vreesden ze het ergste voor de eigenaar.
Groot was hun blijdschap toen mijn vader een poosje later ook aan kwam lopen. Hij zat van onder tot boven onder het zand en de modder. De kogels waren hem om de oren gevlogen en dichtbij hem ingeslagen terwijl hij in de dekkingsgaten lag.

Toen het weer rustig geworden was nam vader de teugels weer op en ging naar huis met de wagen en daarop de geweren van de Duitsers. Die hadden ze in alle haast niet gepakt toen de beschieting begon. Op weg naar huis kwam vader langs het schip van de Duitsers. Daar liet hij de geweren achter op de wal. Kennelijk waren ze blij dat ze hun wapens terug hadden omdat ze later niets ondernomen hebben.
Thuis hadden we in spanning afgewacht hoe het vader zou zijn vergaan. We waren dolblij dat hij weer heelhuids terugkwam, maar we schrokken wel dat hij zo onder het zand en de modder zat. Hij had wel een heel groot risico genomen door zoveel voor z'n paard en wagen over te hebben.


Wolter en Hennie Nijboer op de bevroren Dedemsvaart met op de achtergrond de boerderij waar het gezin woonde.

* * *


MIJN OORLOGSHERINNERINGEN ________________________________________________________

Roelof Stolte

Omdat ik in 1937 geboren ben, kan ik me van de eerste oorlogsjaren niet veel herinneren. Van de laatste jaren zijn er nog wel herinneringen.
Ik was de tweede van het gezin en kreeg uiteindelijk drie broers en een zuster. We woonden aan de Rijksstraatweg, de weg langs het Lichtmiskanaal van Lichtmis naar Zwolle. Aan de westkant van dat kanaal liep een zandweg. Het doorgaande verkeer ging altijd over de Rijksstraatweg. Later werd het Lichtmiskanaal gedempt en daarover werd de autoweg A28 aangelegd.

Mijn ouders hadden een boerderij op de hoek van de Rijksstraatweg en de Vriezendijk, een zandweg die oostelijk van ons huis lag en naar de Tolhuislanden liep. Omdat we er midden tussenin woonden, hadden we met alle omliggende dorpen te maken: gemeentelijk met Nieuwleusen, kerkelijk met Berkum (toen nog gemeente Zwollerkerspel) en in Hasselt woonde dokter Nienhuis, die een fantastische huisarts voor ons was. De postbestelling kwam van Rouveen. We gingen in Haerst (gemeente Zwollerkerspel) naar de school bij het Plankenloodsje. Die school stond zo’n 5 kilometer van ons huis. We liepen altijd naar en van school. De grote weg (Rijksstraatweg) mochten we niet altijd helemaal nemen, dat was wel eens te gevaarlijk. We moesten dan over de zandweg aan de andere kant van het Lichtmiskanaal. Over de Steenweteringbrug gingen we dan naar de overkant. Even voorbij de school hield het Lichtmiskanaal toen op en daar konden we weer terug naar de grote weg.
Soms was het ook te gevaarlijk om naar school te gaan en moesten we thuis blijven. Dan kwam de meester bij ons of bij de buren en kregen we thuis les.
Wanneer de hierna volgende voorvallen precies zijn gebeurd en in welke volgorde kan ik me niet meer herinneren. Maar ze maakten wel indruk op mij en zodoende kan ik ze me nog voor de geest halen.

Beschietingen
Het gebeurde vaak dat er vliegtuigen heel laag over onze boerderij vlogen en even daarna terugkwamen. Als wij buiten waren en de vliegtuigen kwamen over, dan gingen we als een haas terug in huis.
Door de vliegtuigen werd op auto’s van de Duitsers geschoten. De inzittenden kropen dan snel weg aan de slootkant. Bij die beschietingen riep mijn vader: “Jongens, liggen!”. Soms lagen wij in de koegrup of plat op de deel of gingen wij naar de kelder. De boerderij werd wel eens geraakt door een kogel. Als kinderen vonden wij die beschietingen natuurlijk interessant, vooral als er een auto was geraakt die dan geheel uitbrandde. Als het weer rustig was gingen wij gauw kijken.
Het brandde vaak langs de Rijksstraatweg. Ik kan me niet herinneren dat we ooit gezien hebben dat er iemand is geraakt door beschietingen.
Ook werden er treinen door de vliegtuigen beschoten. Gelukkig woonden we niet zo dicht bij het spoor dat we daar erge last van hadden. Na die beschietingen lagen er volop patroonhulzen en -houders in het land. Er waren twee soorten hulzen, de één iets groter dan de andere. De hulzen zaten voordat ze werden afgeschoten in ijzeren houders. Na het afvuren bleven die houders, een soort band met drie of vier gaten, over. We zochten die wel op en zetten ze als schakels weer aan elkaar. Zo hadden we dan een mooie zware riem. Jammer dat na de oorlog alles is weggeraakt, op een enkele huls na.

Invordering
Op een dag kwamen er twee Duitsers bij ons. Wij noemden ze Groenen: lange jas, pet op en het geweer aan de schouder en natuurlijk hoge laarzen aan. Ze vroegen vader om spek, maar die zei dat we geen spek hadden. Maar daarmee was hij niet klaar. Ze pakten het geweer van de schouder en liepen naar het varkenshok op de deel. Daar werd het geweer op een varken gericht: geen spek dan schieten wij wel een varken dood! Vader haalde toen maar gauw een stuk spek op.
Ook kwamen er eens een paar Groenen die ons paard wilden hebben. Ze liepen het land in maar waren snel weer terug. Het paard was (gelukkig voor ons) te jong.
Toen gingen ze naar de buren en daar het land in. De buurman kon alleen maar toekijken. Zijn paard was nogal wild en het kende niet veel. Het duurde een hele tijd voor ze het paard te pakken kregen en het voor de wagen hadden. Bij het wegrijden ging het paard op de loop, gelukkig niet de straatweg op, maar richting Tolhuislanden. Dicht bij het spoor belandde het paard in de sloot. Daarna kwam het allermooiste: het paard kwam uit zichzelf weer terug naar het land van de buurman.

Inkwartiering
Wij hadden ook een tijd inkwartiering van Duitsers, twee groepen van elk ongeveer een man of vier. De ene groep had een gedeelte van de schuur in gebruik genomen die altijd als schapenhok dienst had gedaan.
De anderen, de officieren zoals men toen zei, hadden de voorkamer gevorderd en gebruikten die als kantoor. Ze hadden al snel de beschikking over telefoon. We waren onze vrijheid in huiselijke kring kwijt omdat de officieren door onze woonkeuken naar de voorkamer moesten.
De ingekwartierde Duitsers zorgden voor zichzelf. Wel maakte mijn moeder de voorkamer af en toe schoon.
Wij kinderen konden goed met de Duitsers opschieten. Vaak speelden we met hen of we deden gezelschapsspelletjes. Ze waren voor ons kinderen erg aardig. Onze ouders maakten zich in die tijd veel zorgen over ons. Maar ze hadden ons al vroeg geleerd om niet teveel te vertellen en we hebben ons daar altijd aan gehouden.
Vanwege de inkwartiering stond er een afweergeschut bij ons huis en een op het land. Ze stonden wel schietklaar maar ze zijn nooit gebruikt.
Door al die omstandigheden en ook door de trekkers die bij ons sliepen, was mijn vader altijd erg bang voor brand. Ook was hij bang dat er wat zou gebeuren met de munitie die her en der rond het huis en in de omgeving lag. Als hij dan ’s avonds nog even rond de boerderij ging en hij zag wat liggen, dan pakte hij die spullen op en gooide ze in het Lichtmiskanaal.

In het Lichtmiskanaal zat altijd veel vis. Wij kinderen vonden het altijd erg mooi als de Duitsers in het kanaal gingen vissen. Ze gebruikten daarvoor geen hengel, maar gooiden een handgranaat midden in het kanaal. Door de ontploffing kwam er een gat in het water van wel een meter diep. Na even wachten schepten ze de vis zo uit het water en ze hadden in een mum van tijd een emmer vol. Die vis aten ze zelf op, wij kregen niets.
Een buurman van ons had nooit Duitsers, trekkers of andere mensen die om eten kwamen. Dat kwam omdat deze man tbc had. Bij zijn huis stond een zogenaamd “tentje”, zoals een tbc-huisje toen genoemd werd, waarin de buurman meestal verbleef. Aan zijn huis was een groot bord bevestigd met de woorden “Besmettelijke ziekte”. Daar was iedereen bang voor.

Trekkers
In die oorlogsjaren kwamen er veel mensen uit de steden en uit het westen van het land bij ons langs. Ze waren bij Zwolle de IJssel overgekomen en op weg naar de noordelijke provincies om te proberen eten te bemachtigen. We noemden ze trekkers. Ook op de terugweg kwamen ze weer langs. Ze waren meestal lopend of met een fiets. Vaak hadden ze ook een kar of kinderwagen bij zich, waarin ze dan hun hele bagage mee sjouwden.
Wij kregen ook vaak trekkers aan de deur. Ze bleven soms een paar dagen bij ons en sliepen dan in het hooi of op de zolder boven de koeien. De hooischuur was achter tegen het huis aangebouwd, de koeienstal was op de deel achter de keuken.
Eén nacht sliepen de trekkers zelfs ook nog tussen de koeien. We telden toen 45 trekkers op onze boerderij.
Mijn moeder had het ook druk met al die trekkers. Ze bakte in die jaren vaak brood voor ons zelf en natuurlijk kregen de hongerige trekkers er ook het nodige van. Ook maakte ze zelf stroop van suikerbieten. Boter werd ook zelf gekarnd. Dat gebeurde in de slaapkamer omdat niemand het mocht zien.
Soms werden we ook wel eens bestolen. Het ging vaak om kleding en garen. Die kleding was dan “omgeruild” voor de vieze kledingstukken die vader dan in het hooi vond. Hij gooide die gelijk weg omdat ze meestal helemaal vol luizen zaten.



Glas
In de hongerwinter hebben we een jongen uit Zuilen in huis gehad. De uitzending uit het midden en westen van het land werd vanuit kerkelijke kringen geregeld. De jongen was Jan Engelsma. Zijn broer Tonnie kreeg een plekje bij een gezin in Rouveen.
Het gebeurde op een zondagmiddag toen mijn ouders naar de kerk waren. Mijn oudste broer kreeg woorden met Jan. Dat was op zich niet zo bijzonder want het gebeurde wel vaker. Ze lagen elkaar niet zo erg. Maar op die zondagmiddag ging het goed mis. Op een gegeven moment greep mijn broer de tang van het fornuis en gooide die naar Jan. Maar deze bukte zich juist op tijd waardoor de tang hem niet raakte maar wel dwars door een ruit ging.
Toen mijn ouders thuiskwamen zijn er harde woorden gevallen. Nergens was meer glas te krijgen. Met leukoplast (hechtpleister) heeft vader de scherven van de ruit zo goed en zo kwaad als het ging aan elkaar geplakt en weer op z’n plaats gezet. Zo heeft het maanden lang gezeten.
Toen er na de oorlog eindelijk weer een stuk glas was te krijgen, heeft iemand uit Staphorst er een nieuwe ruit ingezet. Op het laatste moment bij het vastzetten ging het toch nog mis en kwam er een barst in het glas. De ruit met de barst heeft jarenlang in het venster gezeten.

Illegaal
Op onze boerderij is ook een tijdlang een onderduiker geweest. Wij moesten daarover onze mondjes dicht houden. Wie het was weet ik nog steeds niet, maar ik zie die man nog zo voor mij: lange man in een lange grijze jas en met een hoed op. Het was een man van weinig woorden. Je zag hem alleen op zondag. Dan liep hij met ons hand in hand langs de weg. Het mocht natuurlijk niet opvallen dat hij hier vreemd was.

De tramlijn van Lichtmis naar Zwolle liep voor ons huis langs. Eén van de machinisten die op de tram reed, woonde in Zwolle. Hij kwam vaak melk bij ons halen. Als hij dan weer een keer met de tram langskwam, gooide hij wel eens een briket van ongeveer tien kilo uit de tram. Hij stopte dan niet, maar schopte de briket in de sloot. Dan blies hij twee keer met de hoorn en mijn vader wist dan wat dat betekende. Wanneer het donker was, haalde hij de briket uit de sloot en dan kon de kachel er weer een tijdje van branden.

Schuilputten
In het laatst van de oorlog liep ik samen met een jongen naar school. In die tijd hadden ze langs de Rijksstraatweg allemaal gaten, een soort eenpersoons schuilkelders, gemaakt. Ze waren bedoeld om in te schuilen als er weer eens vliegtuigen over kwamen. De gaten waren ongeveer 50 centimeter breed, 1,50 meter lang en ook 1,50 meter diep. Om de ongeveer 75 tot 100 meter zat zo’n gat.

Op onze schoolweg sprongen wij vaak over die gaten heen. We keken er meestal ook even in. Er lag altijd rommel in dat er ingewaaid of ingegooid was.
Op een dag kwamen we terug uit school en tot onze verbazing zagen we in een van die schuilputten een compleet Duits uniform, een geweer en een streng kogels liggen. We haalden het er uit en verstopten het in de slootwal tegenover het gat waarin wij het gevonden hadden. De sloten waren vaak ruig begroeid want ze werden toen niet vaak gemaaid. De volgende dag kwamen we er weer langs en natuurlijk moesten we even kijken naar onze oorlogsbuit. Maar ……, alles was verdwenen! Na de oorlog werd duidelijk hoe dat kon. Dezelfde jongen waarmee ik het uniform had gevonden, liep toen in een mooi pakje dat van het gevonden uniform was gemaakt. Zijn vader had aan de Duitse kant gestaan.

Bevrijd
In april 1945 kwam moeder ons op een morgen erg vroeg wekken. Ze kwam aan de bedstee met de woorden: “Jongens kom er eens gauw uit, de Canadezen zijn er!”
“Gelukkig”, zei ze, “we zijn bevrijd!”
Als kinderen begrepen we dat nog niet zo goed. Toen we uit bed kwamen zagen we de weg vol staan met tanks en met auto’s en Canadezen. Vader kreeg sigaretten, moeder kookte eieren. Het was feest, de oorlog was voorbij.


Zo zag café Huisman aan de Lichtmis er uit in april 1945 toen de geallieerden ook dit gebied hadden bevrijd.

* * *


TOCH NIET NAAR EPE ________________________________________________________

Elcaa van Vloten-Hoogteijling

In de winter van 1944/45 zou een groep kinderen per boot vanuit Den Haag in de richting Epe gaan. Uiteindelijk ging dat niet door en kwam ik in Nieuwleusen terecht.

Ons gezin van vader, moeder, een zoon en twee dochters, woonde in Den Haag. Ik was toen 11 jaar en zou worden uitgezonden. De organisatie was in handen van kerkelijke instanties. Mijn vader bracht me weg naar Rijswijk. Daar lag een boot gereed waarmee de kinderen naar het oosten van het land zouden gaan. De bedoeling was dat we in Epe zouden aankomen. Daar in de buurt gekomen, mochten we niet van boord omdat er Duitsers waren. De boot voer toen naar Zwolle en bleef daar zes weken liggen met alle kinderen aan boord. Dat duurde zolang omdat er een nieuwe opvangplaats voor ons gezocht moest worden.

Hoe en wat weet ik niet meer precies, maar met paard en wagen kwam ik op biddag 1945 bij het gezin van Roelof Snijder (foto van na de oorlog) op De Meele terecht, toen nog Koeweg D5.
Roelof Snijder was met Roelofje Nijboer getrouwd. Ze hadden twee kinderen, Wolter en Geertje. Bij dit gezin bleef ik tot na de bevrijding van Nieuwleusen in april 1945. Ik heb het bij hen heel goed gehad.
Na de oorlog ben ik iedere zomervakantie weer in Nieuwleusen geweest. Nieuwleusen is mijn plek geworden. In 1973 ben ik er zelfs gaan wonen en ik woon er nog steeds met heel veel plezier.

* * *


HONGERTREKTOCHT VANUIT DEN HAAG ________________________________________________________

Annie Baak

Het was begin februari 1945 toen wij, Annie en Cor Baak, 16 en 14 jaar oud, met een kinderwagen met wat ruilgoederen erin en wat geld op zak om eten te kopen, op weg gingen. De voedselsituatie was nijpend geworden. Vader was ziek, hij had hongeroedeem, en mijn broer van 18 jaar kon zich niet meer op straat vertonen vanwege de razzia's die regelmatig door de Duitsers werden gehouden. Er was bijna geen eten meer te koop, de winkels waren leeg en ook suikerbieten, tulpenbollen en spinaziezaad waren schaars geworden. Suikerbieten werden gekookt gegeten, tulpenbollen werden gepoft op de kachel en spinaziezaad werd gemalen in de koffiemolen, waarna er pap van werd gekookt.

We gingen die ochtend met z'n tweeën vroeg op pad. Toen we eenmaal buiten de stad waren, zagen we een stroom mensen, lopend met handkarren en karretjes of op de fiets, op weg richting Gouda. Daar sloten we ons bij aan. Onderweg vroegen we, als we langs een huis of boerderij kwamen, of ze voor ons iets te eten hadden, maar vaak was dat niet het geval en waren anderen ons al voor geweest. In Gouda hebben we overnacht bij een Rode Kruispost in een school. In de gymzaal lag stro op de grond en daarop lag je naast elkaar te slapen. Er waren heel wat mensen. Voor ons was dit de eerste keer, maar veel anderen waren al vaker op pad geweest. Door hun verhalen raakte je op de hoogte van hoe de situatie overal was. We hoorden zo ook dat je minstens de IJssel over moest om nog aan wat eten te komen.
We zijn de weg gevolgd langs de steden Utrecht, Amersfoort, Harderwijk en Zwolle, steeds overnachtend in Rode Kruisposten. In Amersfoort en Zwolle konden we bij gaarkeukens voor weinig geld eten kopen, de rest moest je bij elkaar sprokkelen.

De Meele
Toen we buiten Zwolle kwamen, zijn we richting Dedemsvaart gegaan. Vroeg in de middag kwamen we langs een weg, De Meele, en we besloten deze te volgen. We zagen wat boerderijen in het land staan. Op een gegeven moment zijn we naar een dicht bij de weg gelegen boerderij gelopen en dat bleek een goede keuze te zijn.
We klopten aan en de boerin kwam aan de deur. We vertelden wie wij waren, dat we uit Den Haag kwamen en dat we eten wilden kopen of iets ruilen. We mochten direct binnen komen, kregen eten en drinken en toen de boer er ook bij kwam, zeiden ze dat we bij hen mochten blijven, zodat we in de gelegenheid waren om in de omtrek eten te kopen. Zo is dat ook gebeurd.


Deze foto van enkele jaren na de oorlog is genomen voor de boerderij van de familie Klaas Kijk in de Vegte waar we op onze eerste reis aanklopten. Links Fem Kijk in de Vegte-Evenboer en rechts Annie Baak.

We zijn ongeveer 10 dagen bij de familie Kijk in de Vegte gebleven, de kinderwagen was gauw gevuld met aardappelen, rogge en tarwe. Voor de terugreis kregen we nog een stuk spek en proviand mee. We hadden ook mogen blijven, maar ik zei dat onze ouders ons terug verwachtten. Toen zei de boerin: "Jullie mogen altijd terugkomen." En daar vertrokken we, op weg naar huis.
We zijn dezelfde weg terug gegaan, nu opgenomen in de stroom mensen terug en ook nu weer overnachtend in de Rode Kruisposten. Toen we Den Haag binnen kwamen, zagen we één rokende puinhoop. De dag ervoor was de wijk Bezuidenhout in Den Haag per vergissing door de Engelsen gebombardeerd.
Op 4 maart 1945 kwamen wij ongedeerd weer bij onze ouders thuis. Zij waren natuurlijk blij om ons gezond en wel weer terug te zien. We vertelden hoe wij waren ontvangen op de boerderij in Nieuwleusen, toen nog Den Hulst, maar ook dat we weer terug mochten komen.

De tweede tocht
Het voedsel dat we hadden meegebracht, was met 7 personen na zo'n 14 dagen alweer opgegeten en wij wilden wel weer terug. Het heeft wel moeite gekost om van onze ouders toestemming te krijgen om weer terug te gaan, maar vermoedelijk rond 18 maart zijn we weer vertrokken. We kregen nu een wandelwagentje mee met daarop de waterdichte plunjezak van vader, hij was zeeman, om daarin onze kleren droog mee te kunnen nemen en ook weer wat geld. Het was voor ons nu niet meer zo onbekend en we hadden maar één doel voor ogen: Terug naar de boerderij op “De Meele” in Nieuwleusen.
Het was nu wel gevaarlijker geworden op de weg, want de bevrijders waren in het zuiden en in het oosten al in ons land en kwamen steeds dichterbij. We liepen soms over wegen die parallel aan de spoorlijn liepen. Deze spoorwegen kwamen regelmatig onder vuur te liggen van de geallieerden, wat tot gevaarlijke situaties leidde en waardoor we soms dekking moesten zoeken in greppels langs de weg, terwijl de kogels ons om de oren vlogen.
Het was weer dezelfde weg lopen langs dezelfde plaatsen. Ter hoogte van Harderwijk kwam ons op de weg waar wij liepen een paard en wagen achterop. Op de bok zat een Duitse soldaat. Hij vroeg waar we heen gingen en wij zeiden dat we op weg waren naar Zwolle. Rij dan maar een stuk met mij mee, want ik moet ook die kant op, zei hij. Ik weigerde, maar hij stapte al van de wagen, tilde ons wagentje erop en wij moesten op de bok gaan zitten. Hij vertelde dat hijzelf ook kinderen had in onze leeftijd.











Bij de boerderij van Jan Evenboer aan het spoor op De Meele. Vlnr: Arie Baak, Dine Evenboer-Klein, Jan Evenboer en Piet Baak
(naoorlogse foto).

IJsselbrug
Na een poosje moest hij rechtsaf en wij rechtdoor. Hij zette ons wagentje op de weg en wij gingen verder, richting Zwolle. Wij wisten toen nog niet wat ons te wachten stond. Bij de IJsselbrug aangekomen, stonden er halverwege de brug Duitse soldaten met geweren en zij stuurden iedereen terug. We mochten niet meer over de brug naar Zwolle. Wat moesten we nu. We herinnerden ons gelukkig dat de boerin had verteld dat zij een broer in Hattemerbroek had wonen, ook op een boerderij. Zijn naam was Gait Evenboer.
Bij Hattem gekomen, hebben we navraag gedaan naar Gait Evenboer en men wist ons te vertellen waar hij woonde. Wij zijn naar hem toegegaan en hebben hem verteld wie wij waren en dat wij terug mochten komen bij zijn zus en zwager Klaas Kijk in de Vegte op De Meele. We hebben 3 à 4 nachten bij hem in het hooi geslapen en werden volledig in het gezin opgenomen.
Op een keer toen boer Gait Evenboer uit Hattem terugkwam, vertelde hij dat er 3 à 4 keer per week een vrachtrijder met paard en wagen naar Zwolle ging. Deze wilde ons wel meenemen, onder het dekzeil waaronder ook de vracht lag. Hij was bekend bij de Duitsers en werd niet meer gecontroleerd. En zo is het ook gegaan. We lagen met z'n tweeën met ons wagentje en wat vracht onder het dekzeil. Halverwege de brug moest hij stoppen, er werden wat woorden gewisseld met de Duitse soldaten en hij mocht doorrijden. Wat waren we blij dat het was gelukt. We stapten in Zwolle af en we bedankten de vrachtrijder hartelijk. We gingen eerst eten bij de gaarkeuken en vertrokken daarna richting Nieuwleusen.


Een groep jongemannen van De Meele. Links staat Klaas Evenboer en daarnaast Cor Baak. De foto dateert van voor 1950.

Weer op De Meele
In de middag kwamen wij weer op de boerderij aan De Meele en werden met open armen ontvangen, dit ondanks het feit dat er inmiddels twee gezinnen woonden. Als gevolg van de voortdurende bombardementen op de spoorlijn Zwolle-Meppel had de familie Evenboer met hun zoon Klaas en hun dochtertje Aaltje hun boerderij aan het spoor verlaten en was bij de familie Kijk in de Vegte ingetrokken. En nu kwamen wij er ook nog bij.
Het was inmiddels eind maart en ongeveer drie weken later werden wij bevrijd door de Canadezen. De familie Evenboer ging enige tijd later terug naar hun boerderij bij het spoor en mijn broer Cor ging met hen mee. Ik bleef bij de familie Kijk in de Vegte.

Ongeveer half juli 1945 gingen de kinderen die door de kerk bij gezinnen in Den Hulst en Nieuwleusen waren geplaatst, weer met de boot naar huis. Wie daarvoor gezorgd heeft weet ik niet, maar wij mochten ook met die boot terug reizen en gingen mee via Amsterdam naar Den Haag. Het laatste stukje gingen wij weer lopend naar huis.

De contacten met beide families is hecht gebleven. Ook mijn jongere broers logeerden later bij de familie Evenboer aan het spoor. Mijn broer Cor is helaas in 1952 op 22-jarige leeftijd bij een verkeersongeluk om het leven gekomen, maar mijn jongste broer heeft nog steeds contact met de dochter van Klaas Evenboer, Gerda Huisman-Evenboer en ik met Trini Brasjen-Kijk in de Vegte, de dochter van Oom Klaas. Deze contacten hopen wij zolang mogelijk in stand te houden.

Blokje donkere achtergrond met omranding

In Nieuwleusen werd omstreeks 1943 een waarnemingspost gebouwd, ongeveer op de plaats waar nu het zwembad en de sportvelden zijn. Deze wachtpost werd bemand door vijf Duitse soldaten. Ze moesten de overvliegende geallieerde vliegtuigen signaleren en doorgeven aan een centrale post. De soldaten waren aan de overkant van de Ommerdijk (Backxlaan) ingekwartierd bij gezinnen in de zogenaamde blokwoningen.

* * *


KATHOLIEK ________________________________________________________

Janna Wieken-Sterken

De hongerwinter was een strenge winter. Er lag een dik pak sneeuw. Wij woonden in De Maat met ons gezin van vader, moeder en vier kinderen in de leeftijd van 3 tot 15 jaar en een inwonende opa.

Ik zie haar nog aankomen, moeder Van Basten. Ze had twee van haar zoons bij zich. Een handkar duwden ze moeizaam door de sneeuw voort. Het was tegen donker. Ze was ten einde raad: ze had haar zieke man en de andere kinderen in Utrecht achtergelaten om eten voor hen te halen.
Ze besloot om zoon Joop van 15 bij ons achter te laten. Haar andere zoon Wim kreeg een plaatsje bij een gezin in het Westerhuizingerveld. Alleen ging ze terug, dolgelukkig met een paar zakken aardappelen en graan op de handkar.

Joop bleef dus een tijdje bij ons. Hij had nauwelijks meer kleren bij zich dan hij aan had en zijn sokken waren door het hele eind lopen alleen nog maar bij de gaten dicht. Gelukkig konden wij hem helpen.
Overdag hielp hij vader op de boerderij. Maar als hij even niks te doen had, dan schopte hij met alles wat rond was. Geen stalraampje was er voor hem veilig.
De Katholieke Kerk kreeg er al spoedig lucht van dat Joop in een protestants gezin was ondergebracht. Onze ouders kregen dan ook al snel mensen uit die kring op bezoek met de mededeling dat Joop elke zondagmorgen naar de vroegmis moest. Deze werd gehouden in de Boskerk in Balkbrug. Joop ging er naar toe op een gammele fiets met houten banden.
Toen de oorlog voorbij was en er weer wat voedsel te krijgen was, ging Joop terug naar zijn ouders. Het contact is tot op heden blijven bestaan.

* * *


BOER WORDEN ________________________________________________________

Leo Smit

In de oorlog woonde ons gezin van vader, moeder, mijn zus en ik in Rijswijk. Op een afstand van 500 meter van ons huis was een lanceerplaats voor V2’s. Aan de andere kant van ons huis lag vliegveld Ypenburg op ongeveer een kilometer afstand.
Mijn eerste kennismaking met Overijssel begint in de zomer van 1944. Ik kwam in aanmerking voor uitzending van kinderen die wat op verhaal moesten komen. Ik ben een paar weken bij een gezin in de omgeving van Nieuwleusen of Balkbrug geweest, maar ik kan me er helemaal niets meer van herinneren. In diezelfde periode bracht mijn zus een tijdje door bij familie in Groningen. Ze ging er met een vrachtboot over het IJsselmeer naar toe.

Tegen september was ik weer terug in Rijswijk. Ik ging naar de mulo waar de lessen na de vakantie weer begonnen. Vlak daarna begon de ellende. Op dinsdag 5 september 1944 (Dolle Dinsdag) ontstond er een bevrijdingsroes nadat Gerbrandy op Radio Oranje had gezegd dat de geallieerde legers de Nederlandse grens waren overschreden. Al snel werd duidelijk dat dit bericht onjuist was geweest.
Later die maand riep de Nederlandse regering vanuit Engeland op tot de spoorwegstaking. Het codewoord hiervan was “de kinderen van Versteeg moeten onder de wol”. Alle transport viel weg en west Nederland zat al gauw zonder brandstof en eten. Scholen sloten en het openbare leven kwam zo goed als tot stilstand. In de loop van dat najaar begon het voedsel schaars te worden en begonnen de hongertochten.
Mijn vader had een volkstuin waar nog het een en ander op stond. Je moest het goed bewaken en er bij gaan slapen om te voorkomen dat er uit gestolen werd.

Aansterken
Mijn moeder was al een paar keer met de trein op pad geweest om eten te halen. Begin januari 1945 ging ik met haar mee. In een trein met Duits personeel vertrokken we richting het oosten. Het waren goederenwagons waar er altijd een paar van leeg waren. Daar mocht je dan in meerijden. Overdag reden er geen treinen, alleen ‘s nachts want dan zag je de rookpluim niet. Harder als 60 km ging het niet. Het vuur van de locomotieven mocht ook niet al te zeer zichtbaar zijn.
De trein ging niet verder dan Apeldoorn. Daar moesten we wachten tot de volgende nacht. Toen gingen we in Deventer over de IJssel, de spoorbrug bij Zwolle was kapot, en de andere ochtend kwamen we in Zwolle aan. Daar hebben we ons gemeld bij het Rode Kruis, waar nog een ketel met hutspot was. Hoewel het zuur smaakte, zout was er niet meer, was het heerlijk.
Mijn moeder ging op speurtocht naar eten om daarna terug te gaan naar huis. Ik ging lopend van Zwolle in de richting van Den Hulst. In deze omgeving kreeg ik bij een paar gezinnen tijdelijk onderdak. Uiteindelijk kwam ik bij de familie Sterken in De Maat. Daar heb ik een fijne tijd gehad. Het gezin bestond uit vader Dirk Sterken, moeder Aaltje Sterken-Blik en de kinderen Jannie, Arend, Henk, Jennie en Johan.
Daar heb ik eerst een week zitten bijkomen. Langzaamaan ging ik een beetje meehelpen op de boerderij. Vader Sterken vroeg zich af wat dat jochie uit de stad nu toch kon doen. Maar ik leerde al gauw om bij kleine dingen mee te helpen.
Op de boerderij waren dertien koeien, een stier (bolle zei men), wat kleinvee, een paard, varkens en kippen. Soms was er een tweede paard nodig. Als we het merriepaard van oom Willem Sterken, die dichtbij woonde, niet konden gebruiken, dan moest ik naar vader en moeder Blik aan de Middeldijk om hun schimmel op te halen. Je moest dan altijd over de brug over de Dedemsvaart en daar moest je goed uitkijken!
Ik weet nog dat er bij ons in de buurt meer gezinnen waren die kinderen uit het westen in huis hadden. Bij Jan Mulder waren Annie Hello en Arie van Dijk. Ze woonden aan de overkant van de Maatweg en hadden zelf twee kinderen, Jo en Jan. Ook bij de familie Kisteman was een meisje in huis.

Deze foto moet in de zomer van 1945 gemaakt zijn.
De beide meisjes zijn Annie Hello (links) en Jannie Sterken.
De jongens vlnr: Jan Mulder jr., Leo Smit, Arie van Dijk en Arend Sterken.

Stroom
Voor de stroomvoorziening stond een windmolentje op het dak. Als het te hard waaide moest je het ding stil zetten anders ging hij kapot. De accu’s waarin de stroom werd opgevangen waren niet al te best. Naast de lichtpunten draaide ook de wasmachine met houten kuip op deze stroom.
Als het donker werd gingen de luiken voor de ramen dicht. Ik heb er nooit iets van gemerkt dat er extra verduisterd moest worden.
Na het melken gingen we eten, soms pannenkoeken met spek of als er aardappels over waren van de vorige dag dan kregen we gebakken aardappels. Het was allemaal lekker.
Ik heb ook een keer meegemaakt dat er een varken werd geslacht en op de ladder werd gehangen.
Moeder Sterken karnde ook wel boter. Dat moest heel stiekem gebeuren. Ik heb dat ook wel gedaan. Iedere dag werd er daarvoor een beetje room van de melk afgehaald.
’s Avonds gingen we altijd op tijd naar bed. Ik sliep op zolder boven de woonkamer.
Bij de boerderij was een moestuin maar daar was vaak geen tijd voor. Ondanks de oorlog kwam de Coöperatie met paard en wagen om de drie dagen langs voor de levensmiddelen. Ook de post kwam eens in de drie dagen. Ik weet nog dat de postbode ook paardentuigen repareerde.
Er kwamen ook etenhalers. Soms bleven die dan wel een poosje. Zo herinner ik me tante Mies met dochter Connie van drie jaar uit Den Haag. Voor zoon Henk Sterken heeft ze een jasje gemaakt en voor dochter Jennie een jurkje. Na de oorlog heb ik haar nog een keer opgezocht in Den Haag.
Jannie en Arend gingen om de paar dagen naar school. Deze was in de Unionfabriek waar de kinderen de kogeltjes van de fietsen tussen de vloerplanken uit peuterden.
Ik kan me nog herinneren dat ik een keer met bakker Klosse uit Den Hulst ben mee geweest naar Zwolle om daar tarwe te laten malen in een molen. Of het in de oorlog was of er na dat weet ik niet meer.

Schieten
Als we op het land aan het werk waren, gebeurde het vaak dat er spitfires overvlogen die dan begonnen te schieten op een drietal grote personenwagons. Die lagen naast de spoorlijn tegen de spoordijk aan. Ook de spoordraaibrug over de Dedemsvaart werd regelmatig met bommen bestookt. Hoewel het stikte van de bommentrechters, raakten ze de spoorbrug zelf niet. Met opzet niet denk ik omdat de geallieerden er misschien zelf gebruik van moesten maken.
Op een dag moest ik ergens in de buurt van Balkbrug bietenzaad halen. Ik ging op de fiets. Het was net op de dag dat de Canadezen Balkbrug binnen kwamen. Ik was nieuwsgierig en ben toen even een eindje doorgefietst. Ze waren bezig om een baileybrug te bouwen zodat ze met hun tanks het kanaal over konden. Ondertussen deelden ze kleine reepjes chocola uit. De soldaten waren het eierpoeder onderhand kennelijk wel zat want ze ruilden stukjes zeep voor verse eieren.
Terwijl de Canadezen bezig waren om in Balkbrug de baileybrug te bouwen, bliezen de Duitsers het viaduct aan de Lichtmis op.

Na de oorlog
Toen ik na de bevrijding weer thuis was, ben ik met mijn vader nog een keer naar Rotterdam geweest om te zien hoe de Duitsers alle kranen in de haven kapot gemaakt hadden.
Ook ben ik later weer terug gegaan naar De Maat omdat ik met vader Sterken de afspraak had gemaakt dat ik boer zou worden. Ik kon natuurlijk helemaal geen boer worden maar ik heb toen nog wel een plattegrond van de boerderij gemaakt. Die zit nog steeds goed in mijn hoofd.
In die periode ben ik ook een keer met oom Willem Sterken naar de Noordoostpolder geweest om klaver te maaien. Dat kon je voor niks daarvandaan halen. De grond daar was staatseigendom en nog niet aan boeren uitgegeven. Er stonden hele grote schuren met wel twintig paarden.
Met z’n beiden gingen we ’s morgens vroeg op pad. De paarden voor de plattewagen en de maaimachine erop. Een week later werd het gedroogde klaverhooi opgehaald met de auto van de Snorre. Maar de auto kreeg pech.
Op de Kievitshaar woonde Wassink waarvan twee zoons automonteur waren. Ze hadden een vrachtauto van voor de oorlog, een Dodge en dat ding liep als een trein maar het maakte wel veel lawaai omdat de uitlaat kapot was. Die kon vanwege materiaalgebrek zo vlak na de oorlog niet gemaakt worden. Maar er mee rijden naar de polder kon wel!
Ik weet nog dat Wassink senior een oude rupstractor in elkaar gezet heeft. Die werd door hem gebruikt om de brandgangen in het Staatsbos schoon houden.

Terug in Rijswijk ben ik in 1947 naar de avondmulo gegaan. Overdag werkte ik bij de PTT. Hoewel ik dus geen boer geworden ben, ben ik wel altijd van de boerderij blijven houden. Voor het laatst ben ik in 1984 nog een keer in De Maat geweest. Dat was toen samen met mijn vrouw ter gelegenheid van een huwelijksjubileum van Dirk Sterken en Aaltje Blik.

* * *


VOOR DE TWEEDE KEER VAN HUIS ________________________________________________________

Aat en Annie Hello

Op 14 mei 1940 werd Rotterdam gebombardeerd. Het gezin Hello, bestaande uit vader, moeder, Arie (roepnaam Aat, 1934) en Annie (1936), woonde in de Almondestraat. Het huis waarin ze woonden werd weliswaar niet getroffen, maar als gevolg van het bombardement brandden wel alle woningen in die wijk af. Het gezin is toen bij oma ingetrokken.

Hierna zijn wij beiden uitgezonden naar Ten Boer in Groningen. Aat kwam als 6-jarige bij een familie waarvan de heer des huizes voor de gemeente de poepdozen ophaalde. Als hij daarmee klaar was, vervoerde hij aardappelen en suikerbieten. Annie kwam als 4-jarig meisje bij de gemeentesecretaris in huis. Dat heeft daar nog in de plaatselijke krant gestaan. Aat is vijf maanden in Ten Boer gebleven. Hij heeft daar ook de lagere school bezocht. Annie is na drie maanden weer met haar ouders herenigd.
Eind december 1940 kon ons gezin een woning betrekken aan de Spinozaweg te Utrecht. De straatnaam moest later op last van de bezetters gewijzigd worden omdat Spinoza een jood was. Het werd toen Bollandweg. Ook hebben we nog in de Bataviastraat gewoond. Daar is in 1942 broertje Wim geboren. In Utrecht gingen we gewoon naar school. Deze stond aan de Vleutenseweg. Maar toen de Duitsers de school gevorderd hadden, was het afgelopen met school.
Inmiddels verslechterde eind 1944 ook in Utrecht de situatie zo dat er te weinig voedsel kwam voor iedereen. Kinderen uit onze buurt zouden naar boeren op het platteland in het oosten van het land worden gebracht. Ook wij zouden gaan. Wie het organiseerde? Misschien het Rode Kruis, want we werden vervoerd in auto’s met een rood kruis op de linnen overkapping. Het moet ergens begin 1945 zijn geweest dat wij beiden weer van onze ouders werden gescheiden. Het was afwachten waar we terecht zouden komen. We vertrokken na spertijd en werden midden in de nacht met auto’s naar Zwolle vervoerd. In elke auto zaten ongeveer 12 kinderen en een begeleider. In Zwolle hebben we in een school overnacht. De volgende dag gingen we verder.

In De Maat
We kwamen terecht in het buitengebied van Den Hulst. Aat werd ondergebracht bij de familie Brinkman, moeder en zoon Lubbert, die een boerderij in De Maat hadden. Het bleek dat daar ook al een 16-jarige Gerard uit Delft logeerde. Hij hielp mee op de boerderij.
Annie kwam bij de familie Mulder, bij oom Jan en tante Jenne (Brinkman), aan de Maatweg. Ze hadden twee kinderen, Jo en Jan en hadden ook al een Rotterdamse jongen in huis genomen. Zijn naam was Arie van Dijk en ook hij hielp mee op de boerderij.

Aat vertelt: Veel kan ik me niet herinneren, maar er zijn me wel een aantal zaken bijgebleven. Bij de familie Borger, de buren van Brinkman, werd in die tijd een baby geboren. Bij deze familie logeerde de 10 jarige Claartje van der Putten uit Utrecht. Haar broertje Herman van 8 logeerde bij de familie Broek en haar oudere broer Evert van 12 bij de familie Mulder. Zij woonden allemaal in De Maat aan de singel.

Samen met Herman van der Putten heb ik het windmolentje, dat vooraan de weg stond bij de familie Broek, van zijn plaats gehaald. We wilden wel eens zien hoe het in elkaar zat. Natuurlijk werd ons dat niet in dank afgenomen.
Zondags mocht ik niet mee naar de kerk omdat ik geen nette kleren had. Dat was voor mij niet zo’n ramp want thuis werden we ook niet christelijk opgevoed.
Als we in bad waren geweest, zeg maar gewassen waren uit een teiltje water, moesten de nagels geknipt worden. Maar daarvoor gebruikte vrouw Brinkman geen schaar, ze deed het met een mes. Ik herinner mij dat nog als de dag van gisteren. Het brood werd zelf gebakken op de boerderij. Als ze brood moest snijden nam vrouw Brinkman het brood in de linkerhand, hield het tegen zich aan en sneed er dan een plak af. Er was wel een broodplank maar die werd daar niet voor gebruikt.
Of er thuis ook boter gekarnd werd, weet ik niet. Er was wel een donkere kast waar schalen met room stonden.
Op de boerderij waren vijf koeien, een paard en varkens. Tijdens mijn verblijf is er ook een kalfje geboren. Dat was een hele belevenis voor een jongen uit de stad! Ook mocht ik een keer mee toen er een varken naar de beer moest. We gingen door een laantje, aan het einde rechts en dan de brug over de Dedemsvaart over. Daar was de boerderij waar ze een beer hielden.






Aat, Wim en Annie Hello op een naoorlogse schoolfoto.

Annie vertelt: Veel herinner ik me niet meer van die tijd, maar als ik mijn ogen dicht doe zie ik wel veel weer voor me: de boerderij, de moestuin, de eetkeuken, de opkamer.
Ik ging vaak bij de familie Sterken spelen, vooral met Arend en Jannie Sterken. Ook bezocht ik af en toe mijn broer, die bij de moeder van tante Jenne in huis was.
Waar ik sliep weet ik niet meer. Wel herinner ik me nog dat de wc in de schuur zat naast het huis. Dat was zo’n eenvoudige van een plank met een gat erin waaronder een emmer stond.
Wat het eten betreft, de mannen kregen ‘s morgens nadat de koeien gemolken waren meestal spekpannenkoeken. Als meisje van acht kreeg ik ze niet, ze waren voor mij te zwaar. Ik kreeg brood of brij. Verder aten we vlees, eieren, gebakken aardappelen. Af en toe werd er een kip geslacht voor de soep.
Ik ben ook een tijdje naar school geweest, maar waar dat was weet ik niet meer. Onderweg was ergens een klein winkeltje waar je van alles kon kopen.
Op de boerderij waren koeien en kalfjes, zelfs één met mijn naam. Ook was er een tijdje een dekstier. Klaas, een broer van oom Jan, nam mij vaak mee op het paard of met de paardewagen. Later heeft hij de boerderij overgenomen.
In de zomer van 1948 ben ik nog een keer in Den Hulst geweest om afscheid te nemen van de familie Mulder. Die emigreerde toen met de moeder van tante Jenne en haar broer Lubbert Brinkman naar Alberta in Canada. Met Jo correspondeerde ik nog een tijdje. Nadat die in 1952 trouwde met Neil Brouwer is het contact verbroken. Ook met Jannie Sterken heb ik een tijdlang gecorrespondeerd.

Na de bevrijding
Toen de Canadezen in aantocht waren, zijn wij naar de Dedemsvaart gegaan om naar hen te kijken. Het was heel indrukwekkend.
Nadat de gebouwen weer geschikt waren om er les te geven, mochten we weer naar school. We gingen naar de school aan de Dedemsvaart in Den Hulst. Er was een morgen- en een middagploeg zodat alle kinderen les konden krijgen. Er waren veel kinderen bij gastgezinnen en door deze oplossing konden die ook allemaal naar school. Aat zou naar de middagploeg. Maar onderweg naar school is hij met zijn linker been onder een wagenwiel terecht gekomen. Waarschijnlijk is het paard ergens van geschrokken. Aat moest toen rusten met het been op de stoel zodat het kon genezen. Zodoende is hij in Den Hulst niet naar school geweest.
Op een gegeven moment konden we weer naar huis. We werden met auto’s naar Utrecht gebracht. Onze ouders woonden toen aan de Bataviastraat. Thuis gekomen bleek alleen vader thuis te zijn. Moeder was met ons broertje op bezoek bij familie in Rotterdam. Zij nam witbrood met Verkade koekjes mee naar huis.
Eind 1947 verhuisde ons gezin weer naar Rotterdam, naar de Zwederstraat 12. Aat ging daar naar de HBS, trouwde in 1958 en kreeg twee zonen.
Annie ging in Rotterdam eerst naar de lagere school en daarna naar de mulo. Sinds 1964 woont ze in Baden, Zwitserland, waar ze trouwde en eveneens twee zoons kreeg.

Af en toe denken wij beiden nog wel eens terug aan de goede tijd die we, ondanks alle narigheid, in De Maat doorbrachten. Hoe zou het met de mensen daar zijn gegaan?


De Ommerdijkerbrug zoals die in 1921 gereed kwam en dienst deed tot aan de vernielingen in de Tweede Wereldoorlog.

* * *


EEN BRIEF UIT 1941 ________________________________________________________

In 1941 schreef een moeder een brief aan haar dochter die elders woonde. De brief geeft een indruk van de moeilijke omstandigheden waaronder men in die tijd leefde. Er blijkt ook uit dat wie in een tbc-lighuisje lag, daar ook in de wintermaanden verbleef, zelfs bij barre kou. De brief is letterlijk overgenomen.

Den Hulst, 9-2-41 elf uur

Lieve Geertje
Ziezo ik ben gekleed en wij hebben een kopje cacao gedronken en ga u dan maar eens schrijven. Allereerst wens ik u van harte geluk met uw vermeerdering van jaren ik hoop dat wij het samen nog meenig jaar weer mogen beleven, en dat u de cijvers nog eens om draait. Wij zijn wel niet samen woensdag, maar ik hope er vast op te tracteren, als u dan weer thuis komt doen wij het maar weer over. Hoe is het nog met u, goed willen wij hopen. Nu wij zijn tot hier samen ook best gezond, wij zijn allen even op gesteld dat er wat valt te bikken. Nu onze Hil is van nieuw al weer verkouden niet zo erg als laatst en ik ben nog al eens met hoofdpijn opgescheept. Maar als het niet erger word zal het wel gaan. Wij zijn wel blij dat het althans nu niet zoo koud is. Het was deze week bar. Voor in huis niet zoo erg Maar met die zuiden wind achter in huis, en onze Mina in haar tentje. Zij had het ook wel koud, maar ze is goed dapper, haar verkoudheid is nu wel weer over. Dus daar heerscht de griep dan ook wel, ik hoop dat u vrij blijft. Ik had er tot hier niet van gehoord, maar volgens zeggen is het hier ook wel. Bij de Mullers is behalve Willem het heele personeel ziek. Onze Gosen zou hun morgen al helpen. Dus het komt al goed uit dat Hilligje nu thuis blijft, nu en als er dan eens wat te verdienen valt, zullen wij niet afslaan. Nu wil ik u eerst eens hartelijk bedanken voor de 12 ½ gulden. Het is op heden erg welkom.
Wij hadden gisteren van 23 L melkgeld te beuren. Maar het viel mij toch nog mee, ik denk wij zullen er deze keer wel heel bij moeten, maar wij kwamen 24 A te kort. Maar nu bestel ik ook wel zooveel als ik kan overleggen zuinig. Maar alligt houden wij toch nog een beetje dat wij ons redden tot wij nieuwmelkten krijgen. Daar zijn er nu drie aan ’t neuren. Ja zoo het plan is gaan wij er een van verkoopen. Ja zoo de geruchten gaan dan komt het nog zoo dat de boer er van elke 3 stuks een moet leveren. Maar ik hoope het vast niet. Want ze betalen een halve koe. Ze hebben bij Peter deze week een dik varken geslacht. Hij woog schoon ruim 450 pond. Wij hebben allen eens wezen kijken wat een stuk het wel was. Maar nu moeten wij het er 114 weken mee doen zegt Femme. Wij mogen het wel aan dobbelsteenen snijden heb ik al tegen Pikeren gezegd. Alligt wachten wij tot begin Maart eer wij de onze slagten. Ik wil liever eerst met de koeien eens achter de rug hebben. U hebt uw punten dan ook wel opgemaakt. Nu als ge dan nog van elk een klos machine garen kunt krijgen, is wel goed hoor. Wij hebben van v d Honing ook nog 2 gekregen. Maar alles word even duur, en dan is men nog blij dat men wat krijgen kan als men wat noodig heeft. Ik zou nog wel hopen dat onze Gosen straks nog een nieuw pak kan krijgen. Maar ja ik heb er alweer over gelezen dat er wat voor ingeleverd moet worden. Nu dat doen wij vast niet. Men is het oude zelf wel noodig. Sokjes zijn tot hier nog niet te krijgen. Ja daar is al heel wat, daar men van verstoken is. Wij kunnen ook geen gritten meel meer krijgen als op bonnen, nu gaat ons pannekoek eten vooreerst ook over, want nu moet ik het wel bewaren wil men nog een beetje leverworst maken. Maar afin wij eten van middag weer lekker snert met dikke rijst na. Wij zullen maar zooveel mogelijk berusten, en maar hopen dat wij voor erger gespaard blijven.
Want wat zal men er van zeggen.
Nu lieve Geertje zooveel mogelijk een plezierige verjaardag gewenscht ook mede van Gosen. Dan alle goeds gewenscht. Hartelijke groeten aan u allen en in gedachten een zoen van uw lieve Moe. Daaaag schat hou u maar goed en maak u maar niet te druk.

* * *


DE OORLOG 1940-1945 ________________________________________________________

Trijn de Graaf-Pierik

Ik was acht jaar toen op 10 mei 1940 de oorlog uitbrak. Duitse soldaten op paarden reden langs de Dedemsvaart in Den Hulst bij de school langs. Het maakte wel indruk want zo iets hadden wij nog nooit gezien.

Wij woonden “achter de Union”, het eerste huis rechts. Het huis staat er nog, net over de grote sloot, de Beentjesgraven.
Wij moesten als kinderen de eerste dagen na schooltijd bij huis blijven want je wist maar nooit wat er kon gebeuren.
In 1941 gingen wij verhuizen naar het Dedemsvaart-spoor. De eerste jaren merkte je niet zoveel van de oorlog, wel werd alles minder en kwam alles op de bon en moest je een persoonsbewijs hebben, ik meen vanaf 16 jaar. Ook de fietsbanden werden op het laatst harde banden gesneden uit oude autobanden. Wij gingen gewoon naar school en vader fietste elke dag naar het kantoor van de Nederlandse Heidemaatschappij in Zwolle. Vaak nam hij dan melk en eieren mee voor de mensen die daar werkten.
In 1944 veranderde er veel, het was op biddag dat de eerste trein werd beschoten en er zouden er nog veel volgen. Ook werd de school gevorderd door de Duitsers.
Regelmatig werden de treinen beschoten waarin Duitse soldaten zaten, ze sprongen dan de trein uit en lieten zich vallen in de spoorsloot. Vies en koud kwamen ze bij ons huis en mijn moeder gaf ze water om zich te wassen.
De beschietingen en bombardementen werden steeds erger, vooral in de nacht, dan hoorde je de vliegtuigen weer aankomen en met de blauwe zoeklichten aan de lucht was het wel angstig.
Toen werd door onze ouders besloten dat wij allemaal beneden in één slaapkamer gingen slapen. Dan waren wij dicht bij elkaar en nog meer beschermd door muren. Ook hebben wij wel in de kelder gezeten als er weer zo’n joelend vliegtuig overkwam.
Na Dolle Dinsdag in september 1944 werd het nog steeds erger en moesten wij allemaal bij het spoor weg. Sommigen bleven dicht in de buurt en namen mee wat ze konden houden. Er was zelfs iemand die fietste met allemaal lege kleerhangers aan het stuur.
Ons gezin, vader, moeder en zes kinderen, gingen naar onze grootouders in Den Hulst. Daar woonde ook nog onze overgrootmoeder Geesjen Kappert-Timmerman, ook wel Kappers Geese genoemd.


Het huis van onze grootouders in Den Hulst.

De nodige spullen werden op wagens van de Heidemij geladen. Twee wagens met paarden plus als voermannen bij mijn weten Arend Dekker en Arend van Duren. Maar ook daar kwamen de vliegtuigen op af. Mijn oom, Jan Gerrits, zat met mijn zusje Rieky van anderhalf jaar op een van die wagens. Hij heeft haar opgepakt en in een slootje gelegd en is er zelf overheen gaan liggen. Gelukkig is alles goed afgelopen.
Het was wel een enigszins benauwde toestand om bij de grootouders te wonen, zelf woonden zij op de heerd (eigenlijk een grote mooie kamer) met twee bedsteden. Wij woonden in een klein kamertje, de drie jongens sliepen in de bedstee op de geute (pompstraat). Mijn zus en ik op de deel met het paard naast ons. Onze ouders en de andere zus bij de koeien, daar werd een schot als afscheiding geplaatst.
Ook was er in de hongerwinter nog wel plaats voor etenhalers. Er werd hooi of stro op de deel gelegd waarop de mensen konden uitrusten en slapen.
In deze winter was het voor ons wat rustiger geworden, maar de oorlog ging wel door met beschietingen en bommen gooien op de spoorbrug over de Dedemsvaart. Dat was bijna altijd mis. Op 19 februari vlogen er weer vliegtuigen richting spoor en lieten daar bommen vallen. Toen is er wel heel veel vernield. Diverse huizen waren helemaal kapot. Ook ons huis was bijna met de grond gelijk gemaakt. De bedoeling was de spoorbrug over de Dedemsvaart maar het werden huizen.
Het was dan ook echt een bevrijding toen in april 1945 de Canadezen uit richting Balkbrug kwamen, naar Hasselt gingen en ’s avonds langs de zandkant weer teruggingen. Wij hebben nog tot augustus 1945 bij onze grootouders gewoond. Toen konden wij van de Nederlandse Heidemij een directiekeet van acht bij vier meter huren met daarin een grote woonkeuken en slaapkamer. Verder werden er twee zogenaamde schaftketen bijgeplaatst voor berging van fietsen en andere huishoudelijke spullen.
In de slaapkamer waren vier bedden gescheiden door een tussenwand. Intussen werden er plannen gemaakt voor een nieuw huis. Kerst 1947 was dat huis klaar.
De bomgaten zijn lang stille getuigen geweest van wat er in de oorlog is gebeurd aan het Dedemsvaart-spoor.
En nog steeds heb ik een hekel aan vliegtuigen die veel lawaai maken.

* * *


ZE WAREN VAN HONGER GEGAAN... ________________________________________________________

Ineke en Wim Ludwig

In de oorlogsjaren woonden wij in Rotterdam (Hillegersberg). Toen het in de winter van 1944/45 al moeilijker werd om aan eten te komen probeerden onze ouders om hun drie kinderen (9, 7 en 6 jaar oud) naar de familie van onze vader in Drenthe te laten gaan.

Bij zijn zoektocht naar vervoer kwam vader terecht bij een transporteur die wel van een borreltje hield. Deze was bereid ons per vrachtwagen naar Drenthe te brengen tegen betaling van een paar flessen jenever. Ondanks de moeilijke tijd lukte het de jenever te bemachtigen dankzij het feit dat er in de linnenkast nog wat nieuwe lakens lagen, die geruild werden voor de begeerde flessen met bijbetaling van 180 gulden.
Zo wachtten wij op de verjaardag van onze moeder, 7 februari 1945, 's avonds zittend op de vloer in de huiskamer op de komst van de vrachtauto. Het wachten duurde lang. Wel kwamen er steeds meer gezinnen aan de voordeur. Ook zij wilden mee.
Ten slotte verscheen de vrachtauto. In de donkere, koude nacht reden wij weg. In Utrecht stapte vader uit. Het was te gevaarlijk voor hem om verder te gaan. Mannen onder de 40 mochten de IJssel niet over en bovendien werkte hij in het verzet.

Naar Den Hulst
Van slapen in de vrachtauto kwam niets. Toen wij goed en wel de IJssel over waren, bleek de vrachtauto niet naar Drenthe te gaan maar, tegen de afspraak in, naar het oosten af te slaan. Het was midden in de nacht en daar stonden wij dan aan de Dedemsvaart. Gelukkig wist onze moeder dat de ouders van een goede vriend van hen in Den Hulst woonden. Wij klopten bij de eerste de beste boerderij aan. Er werd open gedaan en wij hoorden dat wij wat verderop op nummer C17 moesten zijn. Zo trokken wij verder en klopten in de heel vroege ochtend omstreeks zes uur - half zeven bij de familie Hekman aan. Daar werden wij heel gastvrij ontvangen. Voor een kort nachtje werden we in een warme bedstede gestopt.
Na het ontbijt vond beraad plaats. Hoe met drie kinderen naar Smilde te reizen? Moeder Hekman stelde voor ons tweeën op de boerderij te laten, dan kon onze moeder met een geleende fiets met het oudste broertje achterop naar Smilde. Zo werd besloten.
Wij bleven achter op de in onze ogen enorm grote boerderij bij onze gastouders, die wij opa en oma mochten noemen, hoewel wij hen nooit eerder hadden ontmoet. Behalve oma en opa woonden daar ook tante Mien (de dochter) en haar man, oom Lubbert. Het waren voor ons buitengewoon liefdevolle en zorgzame mensen.
Al gauw merkten wij dat wij bij een zeer goede familie waren terecht gekomen. Niet alleen ons werd onderdak gegeven. Nee, er bleek op een tussenzolder bij de deel ook een onderduiker te verblijven.

Record
En elke dag kwamen er de mensen uit het westen op zoek naar voedsel. Nog zien we ze komen met de meest vreemde wagentjes op wielen, waarbij de kinderwagen het meest voorkwam. Bij opa en oma Hekman klopten zij, net als wij, niet tevergeefs aan.
Voor de mensen die vaak een lange voettocht achter de rug hadden was er niet alleen eten en drinken, maar vaak ook een slaapplaats in het hooi op de deel. Er was een voorwaarde, de volgende ochtend moesten ze weer vertrekken.
Op een ochtend wekte Oma Hekman ons en vertelde dat er een record was bereikt. Er waren die nacht 67 mensen geweest!! Wij mochten helpen met het uitdelen van voedsel. Zo werden velen geholpen.


Opa Hekman schreef na de oorlog het bovenstaande gedicht in het poesiealbum van Ineke Ludwig.

School
Oma Hekman bracht ons op een dag naar een gebouw, de Boerenleenbank, in Nieuwleusen, waar de school in was ondergebracht. Voor de jongste was er nog een plaatsje, maar over de oudste moest lang gepraat worden. Ten slotte kwam het hoofd van de school en zei: doe je jas maar weer aan want wij vinden het heel jammer maar er zijn zoveel kinderen van jouw leeftijd hier in Nieuwleusen dat de klas al overvol is.
Aardappels schillen voor al die passanten werd een nieuwe bezigheid. In Rotterdam was een aardappel iets heel lekkers, wij aten immers van de gaarkeuken, en ook tulpenbollen en koekjes van suikerbiet. Het was een sport om de aardappels heel dun te schillen, er was alle tijd voor en er was ook veel waardering voor. De mensen uit het westen schilden niet allemaal de aardappels zo dun.
Ook speelden wij met de kinderen van oom Arend en tante Jantie Hekman, die - zoals wij dat noemden - "achteruut" woonden. Ook daar werden we altijd heel vriendelijk en gastvrij ontvangen. Wij liepen er altijd heen. Onze schoenen waren dan ook al gauw versleten, maar wij kregen zomaar klompen. Prachtig was dat.

Bevrijding
Soms ging het luchtalarm af. Dat was altijd angstig. De oorlog liep ten einde. De Duitsers zouden langs de Dedemsvaart afdruipen. Dat wilden we meemaken. We liepen langs de noordkant van de vaart richting Balkbrug toen plotseling met een enorme klap de brug werd opgeblazen. Wij doken tussen de bomen de berm in, terwijl de scherven rondvlogen. Een stuk ijzer van een centimeter of zeven heeft nog jarenlang als presse-papier dienst gedaan.
In het voorjaar kwamen de Canadezen, onze bevrijders. Zij reden in hun tanks langs de Dedemsvaart en twee dagen lang zaten we langs de weg, soms alleen, soms met anderen. Wij zwaaiden uit alle macht naar hen en zij wierpen ons vanaf de tanks chocolade en sigaretten toe. Wij verzamelden zo heel wat lekkers. Dat was een prachtige ervaring die wij niet licht zullen vergeten. Nadat ook het westen bevrijd was kwamen onze ouders ons weer halen. Wij hebben het heel goed gehad bij de familie Hekman in Den Hulst, zowel bij opa en oma Hekman, als bij tante Mien en oom Lubbert Talen en bij oom Arend en tante Jantie Hekman, waar wij altijd graag kwamen. Het zijn prachtige herinneringen aan die verder zo sombere oorlogstijd.

* * *


DAGBOEKNOTITIES ________________________________________________________

In april 1945 maakten leden van de familie Van den Berg aantekeningen over de handelingen rond de bevrijding van Den Hulst.
Hieronder volgt de letterlijke tekst.

Maandag, 2 april
. ’s Morgens kwam het bericht door via de radio, Enschede bevrijd. 's Middags het sensatiebericht, dat Notaris Uytenbogaaard voor 5 uur uit zijn huis moest ten behoeve van een Majoor van Genie.
De daarop volgende dagen soldaten van de Genie rondneuzende bij de bruggen en paaltjes slaande op verschillende strategische punten, o.a. aan weerszijden van de Unionrijwielfabriek.
Donderdag, 5 april.
Aantreden van de spitters uit Hasselt, onder leiding van de S.A.-mannen van de O.T., welke hier stellingen moesten aanleggen. Bij de Unionrijwielfabrieken werd onmiddellijk aangevangen de meest essentiële machines en motoren te verwijderen.
Donderdagavond opgeschrikt door verschillende knallen wat later bleken even zo vele opgeblazen bruggen te zijn. Tevens kwam die dag via de radio het bericht, dat ze vanuit Almelo 30 km doorgestoten waren in N.O. en N.W.-richting.
Vrijdagmorgen, 6 april.
Het gerucht, dat de Canadezen Coevorden hadden veroverd en zich in Lutten bevonden, wat achteraf ook waar bleek te zijn.
Zaterdag, 7 april.
Het bericht, dat de Canadezen in Dedemsvaart zaten en ’s avonds in Balkbrug, alleen maar met wat tanks en gevechtswagens.
Zaterdagavond hoorden we eerst een knal, waarbij Brug 6 de lucht in ging en om half negen ging ook de Ommerdijkerbrug er aan. Mijn bootje, dat ze gebruikt hadden om er de lading onder te brengen is er meegegaan, maar kan nog wel gerepareerd.
’s Nachts zijn de Moffen van de Genie en S.A. mensen vertrokken.
Zondag, 8 april.
De hele dag in afwachting en spanning op de komst van de Canadezen. ’s Morgens werden wij opgeschrikt door geraas. Wij dachten dat de Tommies er al waren. Bij nader onderzoek bleek, dat er bij Masselink een Duitse vrachtwagen stond met Grüne Polizei die fietsen kwam halen bij Union.
De verdere dag wachtten we tevergeefs, de Tommies kwamen nog niet. In de middag hoorden wij, dat overal Franse parachutetroepen naar beneden waren gekomen, o.a. één op ons voetbalveld, een paar in Dedemsvaart, verschillende op het Zandspeur maar toch in hoofdzaak in de buurt van de vijver in het staatsbos en bij De Wijk. Wel schenen er meerdere in de richting De Wijk te zitten, die daar contact maakten met de parachutetroepen en waar even hevig gevochten moet zijn.
Henk en ik zijn ’s middags naar Balkbrug geweest om eens poolshoogte te nemen, maar kregen de indruk dat in Balkbrug maar enige vooruitgeschoven pantserauto’s aanwezig waren. Een drukte van belang, Ondergrondse Strijders met geweer aan de schouder, allemaal even druk in de weer, hielden de wacht bij de zaal in hotel “De Munnik”, waar NSB-ers en krijgsgevangen Moffen verzameld werden. De zaterdag tevoren hadden ze onze “burgemeester” Van Arkel netjes naar Balkbrug toegelokt en aldaar gevangen genomen.
Maandag, 9 april.
In Balkbrug waren ze onmiddellijk begonnen een noodbrug te slaan, welke maandag in gebruik genomen kon worden. Pantserauto’s kwamen toen die dag tot Brug 6 rijden.
Opdracht werd gegeven door de O.A. om Brug 6 weer klaar te maken, hetgeen ’s middags geschiedde. De brug stond omhoog en de moeilijkheid was alleen om hem naar beneden te krijgen, hetgeen met takels e.d. in één middag gebeurd was. Diezelfde middag waren er wel pantserauto’s op Nieuwleusen geweest via de Vinkenbuurt om daar even vijf Moffen krijgsgevangen te maken, welke hier al een ganse tijd zaten als bezetting van een luisterpost.
Dinsdag, 10 april.
Dit werd de glorierijke dag voor Den Hulst. Tegen elf uur reden hier een stuk of acht pantserauto’s voorbij in de richting station Dedemsvaart. Tevens zijn er ook een stuk of acht via de Vinkenbuurt weer naar Nieuwleusen vertrokken verder het Westeinde in. Moffen zaten daar verschanst in boerderijen in de omgeving van de Hoevenbrug om alzo de grintweg naar Dalfsen te bestrijken. Zeven boerderijen zijn er tot nu toe al in brand geschoten door de Canadezen. Alles is hier nog rustig wat de oppakkerij betreft van de NSB-ers.
Vanmiddag werd een aanvang gemaakt met het repareren van de Ommerdijkerbrug. Voor honderd procent zijn we echter nog niet bevrijd. Hoewel het kanongebulder steeds duidelijker te horen wordt, schijnt Ommen toch steeds nog niet in Engelse handen te zijn. En ook in Dalfsen schijnen nog vrij veel Moffen te zitten, alhoewel er ook vandaag al beweerd werd dat daar een groot gedeelte van weggetrokken was. Zojuist trokken zich de Canadezen op Balkbrug terug, zodat we ons op het ogenblik weer een beetje aan ons lot overgelaten voelen. Want ’s nachts trekken ook de Moffen in hoofdzaak Grünen nog wel op verkenning uit.
Woensdag, 11 april.
’s Morgens gingen de pantserauto’s die zich de vorige avond te Balkbrug teruggetrokken hadden weer langs. Even later werd ons gevraagd of wij voor de O.S. op verkenning uit wilden gaan. Vijftig verkenners waren er nodig. Ik moest via Kerkenhoek door het Westeinde naar ’t Plankenloodsje, over Haarst naar Hasselt en van Hasselt over Lichtmis weer terug. Aan de Hoevenbrug moest ik drie Duitsers passeren waar ik met een smoesje langs ben gegaan. Verder niet eerder een Mof gezien dan aan Lichtmisbrug, waar ik ook goed doorheen gekomen ben. Ik moest toen nog wel over een mijnenveld. Henk moest ook in de richting Hasselt, maar via Rouveen. Die heeft het er ook goed afgebracht, maar moest alleen aan patrouillerende Moffen z’n fiets afstaan en kreeg daarvoor in de plaats een oud kreng.
Bernard is in die tijd druk geweest met het repareren van de Brug bij Sluis 3. In de namiddag maakten wij tot nu toe nog de grootste sensatie mee. Van de richting Ommen, dat ’s middags bevrijd was, kwamen ontzettende colonne’s Canadezen met allerlei vehikels, lichte en zware tanks, bruggenmateriaal en van alles aanrijden. Omdat de brug in Balkbrug deze drukte allemaal niet kon verstouwen, kwamen er ook hele colonne’s in onze richting over Brug 6 en langs de zandkant en ook via het Westerhuizingerveld weer naar Balkbrug toe. Dat alles in de richting Hoogeveen.
Meteen kregen we toen ook bezetting aan Brug 6 van circa 200 Canadezen. Deze kerels waren gek op eieren welke ze wel wilden ruilen voor sigaretten. Ik heb er onmiddellijk een vijftig opgescharreld en deze verruild voor circa 200 sigaretten. Verder maakten ze veel plezier met de meisjes en kinderen, pakten hun fiets af, reden daar op rond en zaten ook in bootjes van schippers te roeien op de Dedemsvaart.
Na de boterham gingen Paulien met onze pleegdochters ook kijken naar de Canadezen aan Brug 6 en brachten prompt twee aardige kerels, genaamd Nicky en Morris, mee naar huis. Tevoren werd Paulien nog even de stuipen op het lijf gejaagd, doordat haar de mensen vertelden, dat Jan van den Berg Ezn. door de Moffen aan de hoogste boom in het Westeinde zou zijn opgehangen.
We hebben heel gezellig koffie gedronken en daarna een likeurtje. Enige boys waren het. Ze slingerden plm. zeven doosjes sigaretten op de tafel, benevens drie plakken chocolade terwijl Kitty, ons jongste pleegkind, getrakteerd werd op een doos met zuurtjes, waarop ze daarop heel netjes sjenk you zei. Om half twaalf vertrokken Nicky en Morris, netjes weggebracht door Gerhard en Jan Thijs, onze buurman.
Donderdag, 12 april.
We trokken toen in optocht naar Balkbrug. Allemaal met eieren in de zak om sigaretten te ruilen. Uit de richting Ommen trok het nog aan enen door met voertuigen richting Hoogeveen. Van een Canadees heb ik toen 100 sigaretten gekocht voor ƒ 30,--, benevens 500 geruild voor mijn polshorloge. Bernard is er ’s middags nog weer heen geweest met wat drank wat ook een zeer gewild artikel was.
’s Morgens zaten er weer Duitsers o.a. gewapend met een tank in het Westeinde. De Canadezen lagen voor de school in het Oosteinde in stelling. Gevechten zijn er echter niet geleverd. De Moffen zijn later ook weer weggetrokken in de richting Dalfsen, tegen de avond sloeg ons echter de schrik om het hart.
De bezetting van Brug 6 was ’s morgens weer weggetrokken naar Balkbrug, terwijl de Brug daarna werd bewaakt door de N.B.S., welke echter ’s avonds ook teruggeroepen werden naar Balkbrug, zodat hier gedurende de nacht geen Canadees of O.S. aanwezig waren. We zijn toen ook maar gaan slapen in het hooi in bevrijd gebied.
Vrijdag, 13 april.
De volgende morgen hoorden we dat de Moffen de Rollecatebrug, welke inmiddels weer hersteld was geworden, wederom doch niet onherstelbaar opgeblazen hadden. Tegen tien uur kwam er een troep Canadezen als bezetting in de Kerkenhoek, terwijl ook een stuk of vijf lichte tanks zich opstelden bij Theresia. We vernamen dat deze troep opdracht had deze streek tot aan het Zwarte Water te zuiveren van Moffen.
Inmiddels kwam het bericht binnen, dat Dalfsen bevrijd was, waarheen de Canadezen zich uit Ommen naar toe hadden begeven. Moffen waren teruggetrokken achter de Vecht na de brug volkomen opgeblazen te hebben. Zo af en toe zag je een patrouille NBS-ers terugkomen met een paar krijgsgevangenen (Moffen).
Om half zes werd er bekend gemaakt dat om zes uur de officiële bevrijding zou ingaan. Prompt om zes uur werd op het Raadhuis onder het zingen van het Wilhelmus, de vlag gehesen, hetgeen wij echter jammer niet persoonlijk hebben meegemaakt. Paulien en ik zijn nog even wezen kijken in de Kerkenhoek, het was een schitterend gezicht al die vlaggen en mensen met oranje petten, mutsen e.d. te zien feestvieren en te stoeien met de Canadezen. Wel was de verordening om acht uur binnen te zijn nog van kracht en was er geen alcohol om de feestvreugde ten top te voeren. Leve de Koningin!!!
Zaterdagmorgen, 14 april.
Ongelofelijk zware tanks (Sherman-tanks) kwamen vlak voor ons huis langs en ploegden ons de hele straat om. De klinkers stonden rechtop in de weg. Het bleek, dat dit weer een ontzaggelijk grote colonne was, welke uit de richting Raalte kwam, bij Dalfsen de heel gebleven brug over de Vecht overtrok, vandaar naar Berkum en via het Lichtmiskanaal de Meeleweg, voorbij ons huis en dan Brug 6 over en weer aan de andere kant van het kanaal terug naar de Lichtmis en vandaar in de richting Meppel. De lichtere wagens trokken ook al bij de Rollecate en Sluis 3 de bruggen over.
Inmiddels zijn ze ook begonnen een nieuwe brug te slaan (Baileybrug) over de Dedemsvaart bij de Lichtmis op de plaats waar het oude bruggetje lag. Toen die klaar was, trok alles natuurlijk ineens rechtdoor naar Meppel. Meppel zelf was de vorige dag al bevrijd door waarschijnlijk parachutetroepen die vanaf Balkbrug kwamen. Maar in de nacht zijn er nog Duitsers op Staphorst geweest en hebben er zonder noodzaak achttien boerderijen in brand gestoken. Het café Waanders is ook in vlammen opgegaan, doch ik meen, dat dit al eerder was gebeurd.
‘s Middags zijn Henk en ik naar Zwolle geweest, we hoorden, dat dit ’s morgens bevrijd was. De brug over de Vecht was totaal kapot, vandaar dat die troepen allemaal over Dalfsen kwamen. In Zwolle was alles vlaggen en oranje. ’s Morgens in de vroegte waren de Moffen, na nog een paar huizen in brand gestoken te hebben met stille trom vertrokken. Bruggen e.d. waren allemaal heel. ’t Was lollig om in de Diezerstraat eens weer een echt draaiorgel Vaderlandse liederen te horen spelen. Toen we terug kwamen stond het vanaf het Plankenloodsje tot aan de Lichtmis aan toe vol met auto’s en tanks en van alles. Toen we thuis kwamen hoorden we, dat ’s middags hier alle NSB-ers waren opgepakt. Nog vergeten te vermelden, dat de bezetting die de vorige dag in de Kerkenhoek was gekomen en de opdracht had de zaak te zuiveren, vanmorgen weer vertrokken is.

Dit is alles heel in ’t kort wat er hier alzo in en om Den Hulst gebeurd is.

LEVE HET VADERLAND, LEVE DE KONINGIN, HOEZEE!!!!!!

* * *


VERANTWOORDING ________________________________________________________

Dit boek is samengesteld door de redactie van de Historische Vereniging “Ni’jluusn van vrogger”, bestaande uit G. Bartels-Martens, G. Hengeveld-van Berkum, R.J. Klijn, H. ter Wee-Westerman en J.W. de Weerd (eindredactie).

Voor de inhoud van de artikelen zijn de schrijvers verantwoordelijk.
De gekaderde grijze stukjes (m.u.v. blz. 18) komen uit eigen archief.

De Historische Vereniging is veel dank verschuldigd aan allen die op enigerlei wijze hebben bijgedragen aan de totstandkoming van dit boek.

De foto’s en illustraties zijn afkomstig van:
Annie Baak: blz. 97, 99 en 100
Gé Hengeveld-van Berkum: blz. 32 en 83
Dieter Groenman: blz. 14, 15 en 16
Aat Hello: blz. 110
Elcaa van Vloten-Hoogteijling: blz. 95
Bertus Huisman: blz. 94
Lammy van Berkum-Huisman: blz. 53
Henk Kannegieter: blz. 12
Alie Lammertsen-Visscher: blz. 37
Adrie Schinkel-Landzaat: blz. 55 en 59
Ineke Ludwig: blz. 120
Cees Mooijman: blz. 9
Annie Vink-Nijboer: blz. 87
Oscar de Pauw: blz. 71, 72 en 74
Trijn de Graaf-Pierik: blz. 116
Nel van der Aar-Ruigrok: blz. 24 (2x) en 25
Corrie Vink-Ruigrok: blz. 84
Jannie Frielink-Sterken: blz. 105
Archief Historische Vereniging: blz. 5, 26, 43, 47, 64, 92 en 112

* * *


INHOUD ________________________________________________________

blz. 



10 
13 
15 
18 
19 
20 
23 
26 
28 
34 
36 
38 
40 
41 
50 
52 
54 
61 
65 
69 
76 
82 
85 
86 
88 
95 
96 
102 
103 
108 
113 
115 
118 
 
122 
126 
127 


Voorwoord
Inleiding
Opvang als vanzelfsprekend
Het dorp
Het werd een jongen
Vrijdag wasdag
Gedichtjes
Herinneringen hongerwinter
Op vakantie in de oorlog
Met dank aan oom Wim
Een stukje kindertijd
Stoete of brood
Kinderen Pieterse in Nieuwleusen
Een van de laatste pleegouders
Herinneringen aan Nieuwleusen
Twee jongens
De periode na mijn schooljaren
Uit veiligheidsoverwegingen
Naar Nieuwleusen
Hongertocht naar een bakker
Grenzeloze honger
Onderduikersherinneringen
Beter bekend als ‘Frans’
Een half jaar Dalfserveld
Van stad en platteland
Van elkaar gescheiden
Man en paard
Mijn oorlogsherinneringen
Toch niet naar Epe
Hongertocht vanuit Den Haag
Katholiek
Boer worden
Voor de tweede keer van huis
Een brief uit 1941
De oorlog 1940-1945
Ze waren van honger gegaan ...

Dagboeknotities
Verantwoording
Inhoud




Cees Mooijman
Henk Kannegieter
Jenny Meesters-Beltman
Dieter Groenman
Annelies Timpers-Groenman
Juul Tamboer-Pels
Nellie Bouman-van de Bos
Nel, Corrie en Anneke Ruigrok
Riet Sluizeman-Haverkamp
Henk Zwaan
Chris Pieterse
Roel Kromkamp
Annigje van Halm
Bertha Knol-Deuzeman
Aalt van Spijker
Berend Veldman
Jopie Zijtveld-de Vries
Adrie Schinkel-Landzaat
Eef Veenstra

Oscar de Pauw
Rob de Haan
Gé Hengeveld-van Berkum
Anneke Vaartjes-Jacobs
Annie Vink-Nijboer
Roelof Stolte
Elcaa van Vloten-Hoogteijling
Annie Baak
Janna Wieken-Sterken
Leo Smit
Aat en Annie Hello

Trijn de Graaf-Pierik
Ineke en Wim Ludwig





Jaargang 25 nummer 3 september 2007


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *


Foto voorpagina ________________________________________________________

Het kruispunt in de Kerkenhoek omstreeks 1930. De hondenkar van de Coöperatie komt vanuit het Westeinde. De lage boerderij met rieten dak maakte later plaats voor het gemeentehuis.

* * *


JAN VAN KOOP, EEN ACTIEF MAN ________________________________________________________

Jakob de Weerd

Jan van Koop. Deze naam wordt nog regelmatig door met name de wat ouderen onder ons gebruikt. Als je het over Jan van Koop hebt, dan weet men precies wie er bedoeld wordt. Maar wie was deze Jan van Koop? Onderstaande gegevens zijn ontleend aan de memoires van Aalt van Spijker, waarvan we dankbaar gebruik mochten maken.

Jan van Spijker werd in Nieuwleusen geboren op 17 februari 1888. Hij was een zoon uit het tweede huwelijk van Koop van Spijker (11-06-1842 – 12-03-1917) winkelier, en Janna van Dijk (01-11-1856 – 21-11-1939). Voor Jan ter wereld kwam, was er uit dit huwelijk op 22 januari 1887 al een dochter geboren, Willemijntje (Mien).
De ouders van Koop van Spijker waren Jan Thijs van Spijker en Fennigje Nijman.

Jan van Spijker trouwde ook, net als zijn vader, twee keer.
Zijn eerste huwelijk was op 20 april 1911 met Hilligje Bijker (15-05-1886 – 31-12-1918). Uit dit huwelijk werden geboren:
          -Janna, 18-08-1911 – 05-09-1929
          -Hilligje, 21-12-1913 – 14-11-1992
          -Coop, 22-09-1915 – 28-08-1966
          -Klaasje, 22-10-1917
Zijn tweede huwelijk was op 20 mei 1920 met Geesje Bruggeman (21-06-1900 – 06-02-1986). Uit dit huwelijk werden drie zonen geboren, Arend Jan, Aalt en Hilbert.

Aalt van Spijker schreef in zijn memoires dat zijn vader Jan van Spijker streng, rechtvaardig, conservatief, zwaar religieus en zeer zakelijk was. Als hobby’s had hij autorijden, reizen in Nederland, discussiëren, kerkelijke zaken, zijn boomgaard, leidinggeven en organiseren. De laatste twee zullen zeker ook beroepsmatig zijn uitgeoefend.
Jan kon urenlang studeren in een boekwerkje met gegevens over standplaatsen en mutaties van Nederlands-hervormde predikanten. Zeer veel van deze gegevens kende hij uit z'n hoofd. Meestal was hij bevriend met de plaatselijke dominee.
Een geliefde bezigheid van hem was een spelletje met iemand, waarbij zoveel mogelijk plaatsnamen opgeschreven moesten worden die begonnen met een bepaalde letter. Wie de meeste had, had gewonnen. Hij wist er erg veel en won daardoor meestal.


De winkel van Jan van Spijker. Duidelijk is zichtbaar dat er ook in fietsen werd gehandeld. Foto van omstreeks 1910.

Beroepen
Jan van Spijker nam het kruideniersbedrijf, annex enige agrarische bezigheden, over van zijn vader Koop van Spijker. Toen de fiets op de weg verscheen, begon hij een rijwielhandel annex fietsenmakerij. Tientallen jaren later tot in de oorlogstijd lagen de fietsonderdelen en -toebehoren (oude carbidlantaarns, fietslagerkogeltjes, velgen etc.) nog op een zolder in de schuur. Later is hij met dat alles gestopt en heeft hij het kruideniersbedrijf verkocht aan het bestuur van de toen opgerichte coöperatieve winkelvereniging: “Eendracht maakt macht”. Jan van Spijker werd de eerste directeur van deze coöperatie. Eerder had hij van zijn vader ook het secretaris/ penningmeesterschap over van de Onderlinge Brandwaarborg Maatschappij te Nieuwleusen.

De verbruikerscoöperatie verkocht een zeer breed assortiment aan producten, zoals kruidenierswaren, brood, banket, drogisterij- en rookartikelen, textiel, schrijfwaren, klompen, teer, petroleum en brandstoffen zoals turf en steenkool. Een nevenactiviteit was het verzamelen van eieren bij de boeren.
De zaak had een winkel, kantoor, magazijnen, een inpakafdeling, een bakkerij, een grote voorraadzolder, een aantal bergschuren, een brandstoffenloods, een paardenstal met zes paarden en ventwagens, een wagenschuur, een hooiberg, een weiland en een mestvaalt. Zes venters trokken er dagelijks met paard en wagen op uit om hun waren aan de man te brengen in Nieuwleusen en in delen van omliggende gemeenten zoals Dalfsen, Ommen, Staphorst en Avereest. Ook werd gebruik gemaakt van driewielige bakfietsen en transportfietsen (fiets met een rieten mand voor op het stuur).
Jan van Spijker werkte hoofdzakelijk op het kantoor, samen met zijn boekhouder Wolter Zomer, die na zijn pensionering de leiding overnam. Hij deed de inkoop, de boekhouding en had de algemene leiding. Dagelijks ontving hij vertegenwoordigers van allerlei fabrieken en grossiers of trok er zelf op uit om inkopen te doen of om zakelijke relaties te bezoeken.

Vertegenwoordigers
Een van de vertegenwoordigers die vrij regelmatig op bezoek kwam, was de heer Reinders. Het was een deftig geklede man die principieel tegen cafébezoek was en daarom ook niet in een restaurant wilde lunchen. De vrouw van Jan, Geesje van Spijker-Bruggeman, maakte dan tegen een bepaalde vergoeding altijd met een tafelkleedje op de naaimachine een koffietafel voor hem klaar. De kinderen zaten met jaloerse blikken te kijken naar al het lekkers dat door hun moeder aan Reinders werd voorgeschoteld.
Feest was het ook altijd als Jan Willem Siebrand op bezoek kwam. Dit was een wijn- en likeurfabrikant uit Kampen. Een self-made-man, die met niets begonnen een flinke fabriek had opgebouwd. Siebrand bracht altijd voor iedereen wat mee, voor Geesje een flesje eau-de-cologne en voor de kinderen soms speelgoedautootjes of motorbootjes (met een brandend kaarsje voor de voortstuwing; ze tuften echt!).
Ook mochten de kinderen soms met hem mee naar Drenthe of zo. Hij had vóór de oorlog al een mobilofoon in de auto, dat was toen iets heel bijzonders. Niemand snapte hoe dat kon.

Vergaderingen
Bij de coöperatie waren regelmatig bestuursvergaderingen. Een keer per jaar werd een ledenvergadering gehouden, die directeur Jan van Spijker moest bijwonen om zijn beleid te verantwoorden. De bestuursvergaderingen werden meestal gehouden op het kantoor. De ledenvergaderingen vonden soms plaats op de voorraadzolder. Vooraf moest dan alles worden opgeruimd. Er werden veel klapstoelen geplaatst. Tijdens de vergaderingen moest vrouw Van Spijker samen met enkele personeelsleden koffie serveren. Het zag er dan blauw van de sigarenrook.

Het speelterrein van de kinderen lag vaak in en om de coöperatie. Ze kwamen veel in de bakkerij en op het kantoor, maar hielpen ook vaak op een of andere manier mee. De hulp bestond dan uit het met de handtelmachine optellen van de bedragen op de venterlijsten, venten met oud brood (tegen gereduceerde prijs) of in december met kerst- en nieuwjaarskaarten. Met een bakfiets moesten ze soms de venters iets nabrengen, met paard en wagen in Den Hulst een turfschip lossen of in de bakkerij werkzaamheden doen.

Het dagelijks leven
Het was in het woonhuis van de Van Spijkers naast de winkel altijd een drukke boel. Geesje had in het huishouden een dienstmeisje en soms ook nog een werkster. Het leven speelde zich af in een grote woonkeuken. Op zondagen of wanneer er belangrijk bezoek kwam, werd de "voorkamer“ met de luxe fauteuils gebruikt. In de woonkeuken stond een fornuis met oven en 's winters nog een extra kachel. In de keuken was een pomp en als er veel water nodig was werd dat uit een regenput gehaald die achter ons huis lag.
In het voorjaar en in de zomer kreeg de tuin veel aandacht. Geesje werkte vaak in de tuin en verbouwde allerlei soorten groenten en bloemen. Jan van Spijker hield zich vaak bezig met zijn boomgaard, waarin 48 appel- en perenbomen groeiden. Ook stonden er een paar pruimenbomen en veel rode-, zwarte- en kruisbessenbossen.
In de zomervakantie moesten de kinderen hun eigen vakantiegeld verdienen door bessen te plukken. Deze werden aan de plaatselijke groenteman verkocht. Het was een leuk zakcentje, maar de kinderen zaten wel dagenlang tussen de bessenbossen te plukken.
In het najaar was er veel werk omdat dan de groenten geweckt en de appels en peren geplukt moesten worden.

Auto’s
Jan van Spijker had al vroeg een auto. Zijn eerste was een Chevrolet, die hij waarschijnlijk al in 1928 kocht. Voordien schijnt hij samen met Gerrit Boers nog een auto gehad te hebben. Met hem heeft hij ook de autobusonderneming NABO (Nieuwleusense AutoBus Onderneming) opgericht. Later ging deze busdienst tussen Nieuwleusen en Zwolle over naar de D.S.M. (Dedemsvaartse Stoomtram Maatschappij).
Later had Jan van Spijker een Chevrolet met het kenteken E 7792, daarna een Fiat-Balilla en in 1939 een Ford V8 met een voor die tijd hele luxe en moderne 8-cilinder motor. Deze auto heeft hij in de oorlog onder het hooi verstopt. Toen de Duitsers het bevel uitvaardigden dat particuliere auto's moesten worden ingeleverd, durfde hij waarschijnlijk geen risico te nemen en heeft hij de auto aan de Duitse instanties overgedragen.
Na de oorlog kocht Jan van Spijker, min of meer op aandringen van zijn zoons, een tweedehands Adler. Omdat hij veel risico nam was het eigenlijk niet meer vertrouwd dat hij reed. De auto werd dan ook al vrij snel weer verkocht.

* * *


EENDRACHT MAAKT MACHT ________________________________________________________

Gees Bartels-Martens

Herinneringen aan de Coöperatieve Productie- en Verbruiksvereniging “Eendracht Maakt Macht”: de Coöperatie

Over de Coöperatie is weinig geschreven. Waar het archief is gebleven is ons onbekend. Albert Dijk begon met vertellen en daarna hebben we met meer mensen gesproken die zich iets over de Coöperatie herinnerden. De namen van wie ons het meest vertelde vindt u in het artikel terug, maar wie wat precies vertelde is niet meer na te gaan omdat veel herinneringen elkaar aanvulden of overlapten. Compleet is daarmee het beeld nog lang niet. We houden ons aanbevolen voor verhalen van anderen als aanvulling op of verbetering van wat nu op schrift staat. In ieder geval is dit een aardig begin van de geschiedenis van een bekend bedrijf uit Nieuwleusen.

Een woord vooraf
Ton Oosterhuis schreef een boek over de verbruikscoöperaties in Nederland. Daaruit citeren we hier: In 1865 werd in Zaandam de Handelskamer (HAKA) opgericht, die werd in 1915 een zelfstandige coöperatie. Het is de voorganger van de Verbruikscoöperatie Nederland, na de Tweede Wereldoorlog als Co-op aangeduid. In 1932 werd in Rotterdam aan de Vierhavensstraat het hoofdkantoor gebouwd. De verbruiks-coöperaties waren verenigingen die kruidenierswinkels, bakkerijen en brandstofhandels exploiteerden. De leden kochten in de eigen winkels en bedrijven. Aan het einde van het boekjaar keerden ze het overschot in de vorm van dividend aan zichzelf uit. Achter de naam van de plaatselijke coöperatie stond gewoonlijk de toevoeging U.A. (uitgesloten aansprakelijkheid), om aan te geven dat de leden voor eventuele verliezen niet meer aansprakelijk waren dan voor hun inleggeld, waarmee ze het startgeld hadden geformeerd.
Er was altijd een spanningsveld tussen de plaatselijke vereniging en de centrale organisatie. Vooral in de fase van de ondergang speelde deze organisatorische tweedeling een rol.
Na de Tweede Wereldoorlog werd aanvankelijk met succes gewerkt aan vernieuwing en integratie, maar de ontwikkelingen in de detailhandel verliepen zo snel dat na 1965 gedwongen uitverkoop en overname door de concurrentie onontkoombaar waren.

Eendracht Maakt Macht
Omstreeks 1920 werd in Nieuwleusen de Coöperatieve Productie- en Verbruiksvereniging “Eendracht Maakt Macht” opgericht. Aan het Westeinde (nu nr. 10) werden de winkel met kantoor en magazijnen, woonhuis en paardenstal met opslagruimte aangekocht van Jan van Spijker. Dat zijn het naastgelegen woonhuis en de gebouwen die op de plek stonden waar nu de Plusmarkt is gevestigd. De paardenstal is het gebouw midden op de parkeerplaats, waar nu de lege flessen ingeleverd moeten worden. Op het terrein stonden ook nog een opslagloods voor brandstoffen en een oude boerenschuur en daarin liepen af en toe ook wel ratten.
Omdat aan het Westeinde geen bakkerij was, werd in het begin brood gebakken in de in 1919 van Marten Massier aangekochte winkel met bakkerij in Den Hulst (nu nr. 130). Deze verkocht om gezondheidsredenen op een openbare veiling in het café van broer Albertus Massier (De Unie) zijn kruidenierszaak/bakkerij. Hij wenste niet te verkopen aan de Coöperatie, maar doordat een stroman het perceel kocht, kreeg deze het toch in handen. Bakker Gras, die voor de Coöperatie werkte, ging er wonen. Het in Den Hulst gebakken brood werd met een hondenkar naar het Westeinde vervoerd en vanuit die winkel verkocht. Niet duidelijk is hoelang dit zo bleef.

Jan van Spijker, zoon van Koop van Spijker, was de eerste directeur. Hij was in 1911 zijn vader opgevolgd als secretaris-boekhouder-penningmeester van de Onderlinge Brandwaarborg Maatschappij (OBM) en combineerde dat met deze baan. Hij hield kantoor aan huis. Toen hij omstreeks 1953 stopte als directeur van de Coöperatie, richtte hij in zijn woning een kamer in tot kantoor voor de OBM. Daar werden toen ook de bestuursvergaderingen gehouden. Het schijnt dat hij toen het voormalig tbc-huisje, dat nu bij museum Palthehof staat, gebruikte om de jaarpremie van de verzekerden te innen.
Hij woonde in het dubbele huis naast de winkel. In de andere helft woonde de chefbakker Herman Katoele. Later heeft hij woningruil gepleegd met Wolter Zomer en ging wonen in het huis Westeinde 16 dat inmiddels is vervangen door een nieuwe woning.


Drie ventwagens en een hondenkar voor de winkel van Eendracht Maakt Macht. Foto van omstreeks 1925.

Het ging meteen al goed met de Coöperatie, want in 1923 richtte het bestuur een verzoek aan het bestuur van de OBM om een grote brandkast aan te schaffen, waarvan zij dan, tegen betaling, ook gebruik zouden mogen maken. De brandkast kwam er en de aanschafkosten waren ƒ 605,-. De Coöperatie moest per jaar 5% van de helft van de aanschafprijs als jaarlijkse vergoeding voor het gebruik betalen.
Een krant meldde dat op 24 februari 1939 op een feestelijke bijeenkomst voor vrouwen van leden van de coöperatie “Eendracht Maakt Macht” in zaal Schoemaker zo’n 250 boerinnen aanwezig waren.
Wolter Zomer volgde rond 1953 Jan van Spijker op als directeur. Van Spijker kwam nog wel af en toe een kijkje nemen en liep dan, met de handen achter de bretels, rond alsof hij nog verantwoordelijk was. Hij vond dat hij nog moest opletten of alles wel goed ging, want: ”Als ik niet zoveel connecties had gecreëerd, dan was de Coöperatie niet geworden wat het nu is.” Zomer woonde in het huis naast de Coöperatie. Na de opheffing is dat huis verkocht en na 1979 was er de slijterij van Reuvers, van café Het Witte Peerd, in gevestigd.
Oud-medewerkers herinneren zich Zomer als een handenwrijvende en zwijgzame man, die veel keek hoe ze werkten, maar niet mee aanpakte en spaarzaam was met ideeën en hen weinig stimuleerde.


De winkel wordt heropend. Wethouder Jan Reuvers, toen tevens fungerend als loco-burgemeester, verricht de openingshandeling. De sleutel wordt hem aangeboden door Jennie Vasse.

In 1956 vond een grote verbouwing/uitbreiding plaats. Het kantoor, dat eerst links in de winkel was gevestigd, werd nu rechts, naar achteren verspringend aangebouwd en kreeg een eigen ingang. Er kwam nu een eigen grote brandkast. Het had nog heel wat voeten in aarde om die in het kantoor op de plek te krijgen; met steekwagens en met buizen op de grond waarover hij gerold kon worden, en veel mensen die duwden en sjorden, lukte het tenslotte.
Aan de overkant van de gang naar het kantoor kwamen wc’s en douches voor het personeel, zodat wie vuil werk deed zich kon wassen voor hij naar huis ging. Er kwam nieuwe opslag- en magazijnruimte en daarachter kwamen verdeelkasten waarin de bestellingen van de klanten voor de venters werden geplaatst en aansluitend daaraan een ruimte met twee garagedeuren, zodat de venters binnen hun auto’s konden inpakken.
Onder het magazijn was een grote koele kelder voor de opslag van boter enz. Op de zolder waren vergaderruimten en voorraadkamers. En er kwam ook een lier waarmee zware goederen naar boven gehesen werden, zodat men de grote 50 kg. wegende zakken meel niet meer op de schouder de trappen op hoefde te zeulen.

De marktwerking
Alles wat een gezin nodig had verkocht de Coöperatie. Men kon zelf naar de winkel komen om de boodschappen te halen, maar bij de meeste klanten werden alle kruideniersartikelen en het brood, dat in een eigen bakkerij werd gebakken, twee keer per week met paard en wagen, en later met bestelauto’s, door de venters aan huis bezorgd.
De Coöperatie was ook inkoper van eieren. Die werden op maandag door de boeren gebracht of bij hen opgehaald. Wie ze bracht, rekende meteen op kantoor af en kocht daarna in de winkel meestal zijn boodschappen. De eieren werden door de winkelmeisjes of andere hulpen ingepakt in kisten, waarin dertig treetjes (voorgevormde kartonnetjes voor 30 eieren) pasten. Er stond in het magazijn een grote weegschaal waarop eerst de lege kist met treetjes werd gewogen en later de volle kist. Het verschil in gewicht was het gewicht aan eieren dat aan de leverancier werd uitbetaald. Uiteraard verkocht men ook losse eieren in de winkel.
Ook verkocht de Coöperatie brandstoffen. Die werden per trein aangevoerd en moesten op station Dedemsvaart Spoor uit de wagons geschept worden. Dat was vaak hard aanpoten, want voor 4 uur moest de wagon leeg zijn, anders moest daarvoor een etmaal meer huur betaald worden. De brandstoffen werden ook weer los gestort op het terrein van de Coöperatie; deels buiten, grotendeels binnen in een loods als bescherming tegen vorst. Daar werden de brandstoffen in zakken geschept om bij de klanten af te leveren. Dit was het werk van Jan van Spijker. Na de verbouwing/uitbreiding in 1956 werd deze handel overgedragen aan de Coöperatieve Landbouwvereniging.

Het bestuur
Albert Dijk vertelde over het bestuur: In de jaren vijftig was hij zes jaar commissaris in het bestuur van de Coöperatie. Voorzitter was toen Jan Broek, die in De Maat woonde; secretaris was Mensink, die toen in een van de huurhuizen aan de Burg. Backxlaan woonde (op de plek waar nu de parkeerplaats is tegenover C1000); leden waren o.a. Gerrit van de Vegte uit Oudleusen, Hendrik Kreule van het Westeinde, Frits Kouwen van de Spijkersweg en Roelof Pruntel, die afkomstig was uit Zuidwolde en daar na de opheffing van de Coöperatie ook weer naar terug ging. Hij had een mooi Drents dialect. Zijn dochter Liny trouwde met de zoon van bakker Borger, Herman, en staat nog altijd achter de toonbank in een van hun winkels.
Bestuursleden werden tijdens de jaarvergadering gekozen en vertegenwoordigden de verschillende delen van het werkgebied van de Coöperatie. Na twee zittingstermijnen moesten ze plaats maken voor een ander. Zo volgde Teun Oegema uit de Klaverkamp bij Dalfsen, Albert Dijk op. Omdat er in Dalfsen geen Coöperatie was, maakten Welsum en Ankum deel uit van het werkgebied en kwamen daar ook bestuursleden vandaan. (Rouveen en Staphorst hadden wel eigen coöperaties.)
De Coöperatie was een goedlopend bedrijf met meer dan 600 leden. Het had een groot verzorgingsgebied. Dat liep richting Balkbrug tot aan De Stouwe, dan naar het zuiden tot in het dorp Dalfsen en aan de westkant van de gemeente tot aan de spoorlijn en met als noordgrens de Punthorst en het IJhorsterveld. Rond 1955 waren er zo’n 30 personeelsleden.
Een keer per maand was er een bestuursvergadering, waarop alle lopende zaken aan de orde kwamen, ook de aanstelling van nieuw personeel. Omdat de Coöperatie niet meer dan het voorgeschreven loon betaalde, was er nogal wat verloop onder het personeel. Regelmatig kwamen tijdens de bestuurs-vergadering twee of drie personen op sollicitatiebezoek. De bestuursleden stelden wat vragen en kozen dan de beste kandidaat. Toen Dijk eens voorstelde om ze beter te betalen, zodat ze langer zouden blijven, reageerde de voorzitter verontwaardigd: “Die jongelui van tegenwoordig denken dat ze zomaar veel meer kunnen verdienen. Wij moeten op de kleintjes letten!” En zo ging dat voorstel van tafel.
Het bestuur leek nogal inschikkelijk. De venters werkten op provisiebasis. Ze waren over het algemeen goede hoofdrekenaars en hadden vaak veel contant geld bij zich. Dijk herinnert zich daarover nog dat er ook wel eens een venter was die de kunst van het rekenen niet zo goed verstond en aan het eind van de maand zo’n 30 of 40 gulden te kort kwam. Het bleef toen bij een standje en een waarschuwing om in het vervolg beter op te letten!

Men was verplicht aan de leden te leveren. Dat kon voor de venters wel eens vervelende situaties opleveren. De buitenwegen waren bijna allemaal nog zandwegen, die in de winter veranderden in modderpaden. Zo was er een berekenende boer in Oosterdalfsen die lid werd omdat het brood van de Coöperatie vaak twee cent goedkoper was dan in het dorp. Maar omdat hij de andere boodschappen in het dorp bleef kopen omdat die daar iets goedkoper waren, voelden de venters zich uitgebuit en weigerden het geploeter naar zijn boerderij: “Alleen voor brood komen we niet meer.” En de klant had het nakijken.
Bij het besturen hoorde dat je aan het eind van het jaar naar de winkel kwam om de voorraden te tellen om de jaarlijkse balans op te maken.
De Coöperatie werkte met dividendboekjes; afhankelijk van de bedragen die je in een jaar besteed had, kreeg je aan het eind van het jaar een dividenduitkering. Dat kon wel oplopen tot over de ƒ 100,-.
Een keer per jaar ging men met de leden op reis. De bestuursleden gingen daarvoor in hun eigen gebied persoonlijk alle leden bij langs – meestal ’s avonds - om te vragen of ze mee gingen. Het was een groot succes. Meestal gingen ze met zes of zeven bussen vol leden op stap.

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

Foto ZC047 = BD004

Dit keer een groepsfoto van de christelijke lagere school uit Ruitenveen uit 1965.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

juffr. Hennie Lankhorst
Wim Massier
Marinus Visscher
Klaas Hekman
Wim Meulenbelt
Jan Kragt
Arie Mulder
Wim Hoes
meester Bert Gunneman
meester Pim Voskamp
Jan Scholten

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  

Jannes Ekkelenkamp
Bennie Dunnink
Jan Vink
Henk de Lange
Willem Pessink
Bennie Bijker
Jan Kasper
Freek ten Kate
Jannie Klein
Geertje Prins
Herma Boerman

23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  

Klaasje Huisman
Hennie Brouwer
Gea Reuvers
Dinie Geerts
Jennie de Lange
Hermien Schuurman
Klarie van den Berg
Hendriek Pessink
Hillie Krale
Minie Beldman
Jannie Hekman

* * *


KATJA JONKERS VERTELT IV ________________________________________________________

Katja Jonkers

Met appels naar de Zwolse markt
De vruchtbomen zaten vol vruchten, vooral de pruimenbomen. ’s Morgens, zo gauw we uit bed waren, gingen wij kijken of er al pruimen onder de boom lagen. En als vader ze dan na een paar dagen van de boom ging schudden, dan werd er overal een schaaltje vol gebracht bij mensen die geen pruimenboom hadden. Daar waren de kinderen waar wij ze brachten erg blij mee.
Met de appels en peren ging vader naar de stad om ze te verkopen. Nu mocht ik met vader mee. Ik had de stad nog nooit gezien, wat was ik blij.
Daags tevoren ging vader de appels en peren plukken. Dat was een heel werk en daarom hielp de buurman. Toen er niets meer te plukken viel, werden de manden met doorschijnend papier dichtgemaakt. Wat een prachtige dikke rode appels waren er toch bij.
De volgende morgen zat ik bij vader op de wagen, op weg naar de grote stad.
Toen wij een uur gereden hadden zag ik hele hoge torens en hoge pijpen. Dat zal de stad moeten zijn, dacht ik. Toch duurde het nog lang, maar toen opeens zag ik zoveel tegelijk. Eerst de stoomtram, o, wat kwamen daar veel mensen uit. Dan allemaal prachtige winkels, kleine en hele grote. Wat was dit mooi! Thuis zag ik alleen maar koeien en er was maar één winkel. Vader ging nu stapvoets rijden. O, kijk daar eens een groot water met allemaal schepen erin. Luister, wat een prachtige muziek. Hoe kan dat nu? Een grote man draaide aan een wiel en ik begreep er helemaal niets van. Jaren later hoorde ik dat het een draaiorgel was. Opeens hield vader stil. Wat een groot raam, dacht ik en wat een prachtige gordijnen. “Kom maar van de wagen”, zei vader toen. Nu gingen we een nauwe straat door en kwamen bij een paardenstal. Vader zette ons Bruintje op zijn plaats en gaf hem de haver die hij na zo’n grote reis wel verdiend had. “Kom maar mee”, zei vader en wij gingen een grote gang door en kwamen opeens in een groot vertrek. Wat gezellig, er zaten nog meer mensen. Ze zaten koffie te drinken met krentenbroodjes. Daar kwam een meneer naar vader toe en vader bestelde ook koffie met krentenbroodjes. Toen wij klaar waren ging vader zelf de wagen naar de markt trekken, dat was vlak bij. Er was nog een plaatsje vrij waar vader kon staan. Nu moest ik op de wagen om vader de manden met appels en peren aan te geven. Toen duurde het niet lang meer of vader was druk aan het verkopen. Als de klanten vroegen of de appels wel geplukt waren en niet geschud, hield vader z’n hand op als erewoord.

Het boek “Katja’s jeugd” verscheen met deze afbeelding op de omslag.

Om drie uur had vader alles verkocht. Ik had nog nooit zoveel mensen gezien. Vader trok de wagen weer naar het koffiehuis. “Zo, goede zaken gedaan?” vroeg de meneer. “Ja hoor”, zei vader, “ik ben best tevreden”.
Ik had wel honger gekregen en deed me voor de tweede keer die dag tegoed aan de broodjes met koffie en ik kreeg ook nog een lekker glaasje pepermuntlikeur. Dat smaakte heerlijk. Ik had dat thuis wel eens stiekem geproefd als het nieuwjaar was. Dan had vader van die fijne Curaçao in huis voor de tantes. De ooms dronken meestal brandewijn.
Wij namen afscheid en haalden het paard uit de stal en even later gingen wij weer huiswaarts.

De terugreis met kattenkwaad
Toen wij buiten de stad waren moest ons Bruintje harder gaan lopen, want de reis was nog erg lang. Wat was het voor mij een mooie dag geweest.
Daar kwam een groepje schooljongens aan, maar ik zag nergens een school. Vreemd, dacht ik. Toen de schooljongens dichter bij kwamen maakten ze ons paard aan het schrikken. Twee jongens gooiden met hun petten naar ons Bruintje. Die vloog van schrik opzij en begon harder te draven. Meteen gaf vader mij de teugels en sprong zelf van de wagen af, waarop de jongens er vandoor gingen. Vader raapte de twee petten op en ik had ons paard tot staan gebracht. Vader was woedend en Bruintje mocht nu wel even stapvoets lopen.
Daar kwamen waarachtig de jongens terug. Ze smeekten vader om hun petten terug te geven, maar net toen ze bij de wagen aan kwamen lopen gaf vader Bruintje een tik, zodat ze weer harder ging lopen. Toen werd er eentje brutaal en wilde op de wagen kruipen. Vader gaf een paar flinke klappen met de zweep en daar werden ze bang voor. Toch bleven ze mee lopen.
Maar vader was erg streng en bleef boos kijken. Ik had wel medelijden met die jongens. Wij waren zelf toch ook altijd erg ondeugend. En hoe ver waren ze nu wel van hun huis af, dacht ik. Het was nu al wel een half uur dat ze meeliepen. Ze durfden zeker niet naar huis toe zonder petten, dacht ik.
Opeens begon er eentje hard te huilen en toen zakte de boze bui van vader wat. Vader hield stil en vroeg: “Waar wonen jullie?”
“O baas, dicht bij de stad, maar wij durven niet thuis te komen zonder pet.” Toen kreeg vader medelijden, want dan moesten ze nog wel een uur teruglopen.
“Op de wagen”, zei vader, “dan breng ik jullie wel even thuis”.
“O nee baas, wij vinden zelf wel de weg terug. Als wij onze petten maar weer hebben.”
Ze zijn zeker bang dat ze een pak slaag krijgen van hun moeder, omdat wat ze gedaan hadden gemeen was, dacht ik. Ons lieve paardje zo laten schrikken.
Vader draaide de wagen om en zei toen: “Vlug er op.” De jongens durfden voor de tweede keer niets meer tegen vader terug te zeggen. Daar zaten ze dan met angstige gezichten op de wagen. Bruintje kreeg een goede tik en daar draafde hij weer terug naar de stad, nu veel vlugger. Een poos later waren wij bij de ouders van de jongens thuis. De moeder stond sprakeloos naar vader te kijken. Wat was er aan de hand?
Toen vertelde vader dat ze ons paard op hol hadden willen jagen door hem met hun petten op te schrikken en dat we de jongens voor straf zover mee hadden laten lopen totdat er eentje begon te huilen. Daarom bracht hij ze dan nu maar even weer terug. De moeder zei dat ze de jongens onder handen zou nemen en nu moesten ze plechtig beloven dat ze het nooit weer zouden doen. Toen nam vader de petten uit de kist van de wagen en gaf ze aan de jongens. De moeder bedankte vader hartelijk en de jongens riepen: “Baas, wij zullen het nooit meer doen hoor en wel bedankt voor het mooie ritje, dat je ons thuis hebt gebracht.”
En zo ging dan de weg weer terug naar huis, waar we al lang hadden kunnen zijn als die belhamels niets hadden gedaan.
Heel veel later mocht ik nog een keer mee. Toen troffen we bij het naar huis gaan drie van dezelfde knapen aan. “Katja”, zei vader, “pas op, daar heb je die belhamels weer die toen met de petten naar ons paard gooiden.” Vader hield de teugels in. Toen ze dichtbij waren, groetten ze vriendelijk tegen vader. En toen gebeurde er niets. Ik zal dat nooit vergeten.
Vader hield ons paard stil en riep de jongens. Eerst durfden ze niet, maar toen pakte vader drie sinaasappels en toen kwamen ze zachtjes nader. “Hier,” zei vader, “elk een sinaasappel. Zijn jullie het al vergeten van toen?”
Een van de drie zei toen: “Wij hebben goed voor de broek gehad baas. Maar het was toen eigenlijk maar een grap.”
Vader lachte, de belhamels riepen ons gedag en wuifden ons nog lang na met de petten.

* * *


KRUMMELS ________________________________________________________

Uit de Dedemsvaartsche Courant 12 april 1919:
Eenige landbouwers te De Meele hebben, op aanraden van en onder leiding van den Burgemeester, het zoogenaamde Van Dedemsalleetje opgeknapt. Er is een paar honderd voer zand ingekomen en nu is die verbindingsweg tusschen den grindweg langs de Dedemsvaart en den Meeleweg weer voor langen tijd in orde gekomen.

* * *


DE TIJD VERGLIJDT ________________________________________________________

Dit seizoen is er in museum Palthehof een tentoonstelling rond het thema overlijden en begraven met als titel “De tijd verglijdt”. Op 31 maart werd de tentoonstelling in samenwerking met de Onderlinge Begrafenis Vereniging “Nieuwleusen en omstreken” op bijzondere wijze geopend. Vanaf de aula op de Algemene begraafplaats in Nieuwleusen vertrok een historische rouwstoet die een beeld schetste van de veranderingen in de afgelopen 80 jaar. Er werd een authentiek nagemaakte kist vervoerd op een boerenwagen, gevolgd door een rouwkoets en tenslotte een moderne rouwauto.


Uit een artikel dat op 8 November 1938 in de Meppeler Courant verscheen, kan worden opgemaakt dat men het toen toch wel eens tijd vond om het vervoer per boerenwagen af te schaffen. De tekst van dat artikel volgt hierna.

In de Vrijdagavond in hotel Nijmeijer gehouden bestuurs-vergadering der Begrafenisvereeniging werd besloten een krachtige ledenwerfactie in te zetten.
Wij spreken de hoop uit, dat het resultaat van deze actie zoodanig moge zijn dat er afgestapt wordt van de oude gewoonte een boerenwagen de taak van de lijkwagen te laten vervullen.
Als er voldoende leden zijn, bestaat ook de mogelijkheid, om het materiaal op de begraafplaats eens grondig na te zien, want dit is een punt wat naar onze meening zeker urgent is en de vele belangstelling der autoriteiten wel van noode heeft.



* * *


KRUMMELS ________________________________________________________

Uit de Dedemsvaartsche Courant 18 april 1923:
Kantongerecht te Zwolle.
Verooordeeld: G. Sch., huisvrouw van J.S. te Nieuwleusen, terzake overtreding van het muilkorf gebod, tot ƒ 3 of 3 dagen en met verbeurdverklaring van den hond of ƒ 0,50 of 1 dag.

* * *


DONKERE DAGEN NAO
'T KAÄSTFEEST ________________________________________________________

Evert Dijk

Onderstaand verhaal is overgenomen uit de bundel “As de dag van gisteren. Verhalen uit het leven van Evert Dijk.” Het gaat over het overlijden van een broertje van de schrijver en diens begrafenis op de begraafplaats in Nieuwleusen. De bundel is uitgegeven door de Historische Kring Ommen, die ons toestemming gaf dit verhaal in ons kwartaalblad te publiceren.

Enkele wekken nao 't kästfeest van de zundagschoele in 1922, bint er veur mien olders en ok veur mi'j donkere dagen ekommen, die een grote indruk op mi'j emaakt hebt. Niet in de zin det de lucht zwaor bewolkt was, nee mar op een heel aandere meniere. Det kwaamp deurdat mien jongste breurtie van roem 10 maond toen arg ziek wörden. Dokter Risselada van Ni'jluzen wörden er bi'j ehaald en die stellen vaste dat hi'j een arnstige longontsteking had. Hi'j zèè d'r bi'j dat er weinig an te doen was, niet meer dan allent dag en nacht, an ien stuk deur, te stomen.
Mien va halen direct van het Grune Kruusgebouw, in de Karkenhoek, een köperen stoomkettel. Deur het water det daor in-edaon wörden an de kok te maken, gung de stoom deur een dunne piepe tot onder de kappe van de kinderwagen, waorin mien breurtie lag. Op de negende dag zol volgens de dokter de "crisis" kommen; dan was 't d'r op of d'r onder.
Al eerder waren er een breurtie en een zussie van mi'j an dizze kwaol estörven. Det hef mien moe mi'j wel es verteld, mar umdet ik gien van beiden ekend hebbe, ha-k daor nooit bi'j stil estaon. Maar now, van zo kötbi'j vund ik het arg naar en het waren warkelijk trieste dagen. Ik moche niet hardop praoten en an spellegies doen ha-k ok gien zin. Mien va en moe keken zo verdrietig en mien gröpmoe zèè meermaolen det mien zieke breurtie d'r wel niet deur zol kommen.


Koperen stoomapparaat met aan de pijp een emmertje om de waterdruppels op te vangen. Met een petroleumbrander onder het watervat werd het water aan de kook gehouden. (Collectie museum Palthehof)

Wat evreesd wörden, det gebeuren. Mien breurtie kwaamp uut de tied, zoas de lu det toen numen en de eerste keer da-k zoiets metmaken he-k nooit vergetten. Ik zie alles en ok wat er verder gebeuren, nog veur mi'j as de dag van gisteren.
Mien va gung naor oonze naoste buurman Ennik Westerman, um het hum te vertellen en die zeggen het an bi'j de aandere buren. Al gauw kwamen alle buren um heur naoberplichten te vervullen, zoas det toen de gewoonte was. Det heuld in det zi'j mekare veural in droevige umstandigheden bi'j zollen staon. Zi'j maken ofspraken wat elk van heur mos doen. Wie het overlieden mos angeven op het Gemientehuus van, toen nog, Ambt Ommen: wie d'r een graf mos besprekken op de begraafplaatse van Ni'jluzen, wie de kiste mos bestellen en de naoste femilie en de doomneer bod mos doen, met het oge op de begrafenis.
Ik stund erbi'j en keek er naar toen de buren 's aovonds mien breurtie met zien witte gezichie in een kissie leggen en het op een paar schragies zetten in de kamer an de veurmure. Zoas gebrukelijk, waren de vensters direct nao het overlieden al half dicht edaone en det bleef ok zo tot de dag van de groeve.
Op die dag kwamen de uutgeneudigde femilie en ok weer de buren met heur vrouwen bi'j mekare in de kamer en op de delle en gungen samen etten van het groevenbrood, det bakker Teunis Jaansen ebakken had. Doomneer Dwarshuus was op de fietse van de Balk ekommen en hi'j lèzen nao 't etten en drinken van brood en koffie det de buurvrouwen verzorgen, een stuk veur uut 1 Thessalonicenzen, de varsen 13 tot en met 18, aover het niet onkundig laoten van diegenen die ontslaopen bint.
Aover die veur mi'j duustere woorden heuld hi'j toen een lange uutleg, haoste net zo laank as hi'j zundaags in de karke prèken. Det duren mien gröpmoe wel wat te lange, want die zèè ineens: "Doomneer ie mut toeverdan ophaolen; de wagens bint er al."
Dwarshuus had daor begrip veur en besleut het groevenmaol met een gebed. Daornao wörden het kissie op een gewone boerenwagen ezet, met er naost an elke kaante een bos dakstro, urn verschoeven van het kissie deur de knipgaten in de slechte zaandwegen te veurkommen. Twee buren gungen op de wagen zitten, waorvan er iene het peerd mennen. De aandere buren leupen naost de wagen, die evolgd wörden deur een dichte kleedwagen, met daorin mien moe, mien gröpmoe en Triene meuje, die niet meer zo best ter been was en ok nog een buurman, die de leidsels van het peerd in de haanden had. Daorachter leupen mien va en de femilie en met die lu leup ik ok met, eerst deur de Vinkenbuurte, veur de huzen van Jan Bijker en Albert Spieker langs en wieder aover de stienen straote van Ni'jluzen naor de ongeveer vief kilometer van ons huus gelegen begraafplaatse an de Ommerdiek.
Onderweg wörden d'r bi'jnao niks ezegd. 'k Heuren allent het geklepper van de hoefiezers van de peerden en het onregelmaotig stappen van de mensen op de straotklinkers. Tiedens de tocht mos ik al mar dèènken an de woorden van doomneer Dwarshuus: "De Here tegemoet gaan in de lucht" had hi'j ezegd. Mar det kon toch niet: mèènsen kunt toch niet vliegen, det kunt allent vogels! En oh ja, ok Jan Olieslager met zien vliegmachine waor de jongens bi'j de schoele van zungen: As Olieslager dood is, dan krijgen wij misschien, de helft van zijne centen en ook zijn vliegmachien.
Altied met de Here wezen, wat zol det inhaolen?
Hoe meer ik er onderweg aover naodacht, hoe onbegriepelijker het veur mi'j wörden. Nao ankomst op de begraafplaatse namen de buren het kissie van de wagen en dreugen het naor een pas egraven diep gat in de grond. Met twee touwen d'r umme hen leuten veer buren het kissie daorin zakken en wat later gungen alle lu op dezelfde meniere as op de henweg, weer terugge naor het starfhuus in de Vinkenbuurte. De femilie gung weer vut en ok de buren. Zi'j hadden heur naoberplichten goed edaone.
Veural in de eerste wekken nao dizze gebeurtenisse mos ik nog vake teruggedèènken an mien breurtie in det kleine kissie, diepe in de kaole grond.


Steen met een engelenkopje op een kindergraf op de Algemene Begraafplaats in Nieuwleusen.

* * *


HODENPIJL ________________________________________________________

Jakob de Weerd

Het is 2 mei 1805. In Schiedam ligt Ester Christine de Sansin in bed. Ze is zojuist bevallen van een zoon. Haar man Paul Gijsberti Hodenpijl zit naast haar. In haar armen heeft ze de nieuwe wereldburger Jean Gijsberti Hodenpijl.
De jonge Hodenpijl groeit voorspoedig op en wil dokter worden. Na zijn studie vindt hij een baan, het is onduidelijk of het zijn eerste baan is, maar zo rond 1839 wordt hij als geneesheer gesignaleerd in Veenhuizen. Hij zorgt daar onder andere voor de zieken in de kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid. In genoemd jaar is hij daar aanwezig bij de ingebruikname van de synagoge.
Tijdens zijn verblijf in Veenhuizen heeft hij Klaasien Nijenbandering leren kennen. Zij is op 7 oktober 1819 in Smilde geboren als dochter van Lambert Nijenbandering en Sara Fledderus. Jean en Klaasien trouwen op 23 juli 1840 in de gemeente Norg, waartoe Veenhuizen behoort.
Op 19 mei 1843 wordt er bij de ambtenaar van de Burgerlijke Stand in Norg aangifte gedaan van de geboorte op 18 mei van Hester Christina Hodenpijl. Zij is geboren in Veenhuizen. Als ouders worden vermeld Jean Gijsberti Hodenpijl, vroedmeester, 35 jaar (deze leeftijd klopt niet) en Klaasien Nijenbandering, 23 jaar. Maar…. Klaasien is niet de biologische moeder. Vermeld is dat het kind vondeling is, iets wat in de kolonie van de Maatschappij van Weldadigheid wel meer voorkwam.
Ruim twee jaar later herhaalt zich zo’n gebeurtenis. Op 20 augustus 1845 wordt aangifte gedaan van de geboorte van Sara Philippina Maria Hodenpijl op 19 augustus. Ook zij is vondeling te Veenhuizen. Als beroep van de vader is nu geneesheer vermeld, oud 40 jaar. De moeder is dan 26. Sara overlijdt in Arnhem op 2 augustus 1918, 72 jaar oud.
Tussen 1845 en 1849 moet het gezin Hodenpijl vertrokken zijn uit Veenhuizen en in Woudenberg zijn gaan wonen. Ongetwijfeld zal Jean Gijsberti Hodenpijl daar ook het beroep van geneesheer hebben uitgeoefend.
Op 4 maart 1849 komt daar Jan Antonie Hendrik ter wereld. Vermoedelijk is hij het eerste natuurlijke kind van Jean Gijsberti Hodenpijl en Klaasien Nijenbandering. Een jaar later, op 2 juni 1850, wordt hun tweede kind geboren: Clara Johanna Gerardina. Nog een dochter dient zich aan op 6 september 1854. Zij krijgt de naam Pauline Jeannette Augustina. Vervolgens wordt nog Emil Charles George geboren op 8 februari 1858.
De biologische kinderen van het echtpaar Hodenpijl worden in Woudenberg geboren. Hoe de verdere carrière van Jean Gijsberti er uit heeft gezien is niet duidelijk, maar in 1873 wordt hij, al 68 jaar oud, geneesheer in Nieuwleusen. Hier overlijdt hij op 11 maart 1875. Hij woont dan in Wijk A op nummer 81a (nu Backxlaan 47). Als zijn beroep is vermeld genees-, heel- en verloskundige.


Op de begraafplaats aan het Westeinde is hij begraven. Zijn graf is het enige dat van een ijzeren hekwerk is voorzien. Daarbinnen ligt de grafsteen waarop deze tekst te lezen is:

Jean Gijsberti Hodenpijl
geneeskundige
geboren
te Schiedam 2 mei 1805
overleden
Nieuwleusen 11 maart 1875
uit eerbied
aan zijn nagedachtenis


* * *


AANVULLING EN CORRECTIE ________________________________________________________

Op de oude groepsfoto van de Openbare Lagere School Ruitenveen in het kwartaalblad van december 2006 kwamen reacties binnen van T. Beltman, H.J. Klomp en J. Nijlant. Dit leverde het volgende op: de naam van de meester (nr. 7) is niet Van Haarst maar Van Aarst. Nr. 15 is Geesje Potjes, nr. 16 is Beppie van Aarst, nr. 17 is Mieneke van Aarst, nr. 18 is Hennie Takken, nr. 19 is Dinie Hekman, nr. 21 is Margje Hendriks, nr. 22 is Nelly Hendriks, nr. 27 is Antonie Visscher, nr. 32 is Evert Jan Seine.
De kinderen op nr 3, 21 en 22 zijn zusjes die behoren tot het gezin Hendriks dat naar Canada is geëmigreerd.
Ook Janske Meesters-Hofmeijer reageerde. Ze herkende in nummer 2 haar moeder Wiechertje de Boer. De vermelde naam is dus onjuist.

Op bladzijde 25 van het boek “Ze waren van honger gegaan…” is een foto geplaatst van een groepje mensen voor de woning van de familie Mijnheer. De namen zijn vlnr.: Nel Ruigrok (vermoedelijk) met op haar arm Hans Wink, Hendrik Mijnheer, Henk Roest, Janna Mijnheer-Bouwman en Geertje Wink-Mijnheer. Zittend vlnr.: Ina Mijnheer, Roel Wink, Henk Wink en Henriët Mijnheer.
(De wijzigingen zijn in de tekst verwerkt.)

* * *


KRUMMELS ________________________________________________________

Tilburgsche Courant van zondag 8 januari 1882
Te Nieuwleusen slikte een boerenknaapje onder het spelen een paardeboon in, die in de luchtpijp terechtkwam. Ingeroepen geneeskundige hulp mogt niet baten; het is na hevige stuipen overleden.
Noot van de redactie: Het moet hier gaan om Jan Schipper, oud 5 jaar, geboren en wonende te Nieuwleusen, zoon van Mannes Schipper en Geesje Bremmer. Jan Schipper overleed op 3 januari 1882. (Bron: Burgerlijke Stand Nieuwleusen)

* * *


Foto achterpagina: ________________________________________________________

Margje Schoemaker-Massier, ook bekend als tante Margje.




Jaargang 25 nummer 4 december 2007


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *


Foto voorpagina: ________________________________________________________

De Coöperatie "Eendracht maakt Macht" aan het Westeinde op een foto uit omstreeks 1950.

* * *


EENDRACHT MAAKT MACHT II ________________________________________________________

Gees Bartels-Martens

Werken bij de Coöperatie
Egbert Brink, zoon van de aan de Smeule gewoond hebbende Gerard Brink, weet te vertellen dat zijn vader ook bij de Coöperatie gewerkt heeft. Wanneer precies is niet bekend, maar vermoedelijk voor en tijdens de oorlog. Hij moet zich opgewerkt hebben tot chef. In 1946 trouwde Gerard Brink. In dat jaar vertrok hij ook naar Twello, waar hij bedrijfsleider bij de daar gevestigde Coöperatie werd.
Wim Kleine kwam eind jaren vijftig naar Nieuwleusen omdat zijn vader toen als bakker bij de Coöperatie in dienst kwam. Hij mocht als kleine jongen al meehelpen. Boven de paardenstal was een grote opslagruimte. In die bovenverdieping werden de muren uitgebroken en de ruimte werd omgebouwd tot woonhuis. De paardenstal werd ook als wagenschuur en garage gebruikt, maar Wim herinnert zich nog goed hoe hij ‘s nachts in bed het stampen, hinniken en schuren van de paarden kon horen. Wim hielp als jongetje met venten, lege flessen sorteren, oud papier en rotzooi verbranden achter op het terrein enz. Hij mocht op zaterdag de boodschappen uitventen en afrekenen en op een gegeven moment in de schoolvakanties zelf op vrijdag in het dorp “de boekjes ophalen”. Als hij met Harm Jan van de Berg meeging mocht hij zelf de bedragen optellen en afrekenen.
Hendrik Jan de Weerd kwam, rechtstreeks vanaf de MULO, in 1956 op kantoor werken. Daar was Roel Mussche boekhouder. Hennie (Klein-) van Spijker en Lumila Bijker waren de administratieve medewerkers. In de winkel werkten meestal drie meisjes. Enkele namen: Jentje (Huisman-) Boesenkool, Alie (Schiphorst-) Klein, Klaasje (Buursema-) van Dijk, Femmie (van de Berg-) Kijk in de Vegte, Hennie (Kappert-) Eikelboom, Jenny Vasse, Lammie Wink, Geertje Harke, Mieneke Groen en Gé van Dorsten. Vooral januari was voor hen een drukke maand. Voor de nieuwjaarsvisites, die vaak de hele januarimaand in beslag namen, had men heel veel koekjes, chocolaatjes, anisette, schilletje en sigaren nodig. In het magazijn werkten Bart Meulenbelt, een zware, grote man met een stofjas aan, en Jannie Zwiers.


De wagen van de Coöperatie tijdens een optocht in 1948 ter gelegenheid van het vijftigjarig regeringsjubileum van Koningin Wilhelmina.

Omdat de fabrikanten alles in grote tonnen, zakken en blikken leverden, moest bijna alles wat werd verkocht eerst in het magazijn en in de winkel worden overgeschept en afgewogen. Zo moest het personeel bijvoorbeeld suiker, koffie, thee, rijst, zout, vermicelli, gort, rozijnen, krenten, bonen, erwten en andere peulvruchten eerst in papieren zakken scheppen, afwegen en dan dichtvouwen. Groene zeep werd in vetvrij papier verpakt en voor olie, jam en stroop moest de klant, als hij geen statiegeld wilde betalen, zelf een potje of blik meebrengen.
Klaasje Buursema-van Dijk herinnert zich dat het “stroop slingeren” een kunst op zich was, die niet elk winkelmeisje even goed verstond (= het met een pollepel overbrengen van de stroop uit het grote blik in het potje van de klant). Ook werden dweilen, handdoeken en theedoeken, waspoeder, klompen enz. verkocht. Naast kruidenierswaren was vooral het brood (grote roggebroden, grijs en wit brood) een belangrijk artikel. Elke dag vers brood op tafel was niet gebruikelijk, maar twee keer per week kwamen de venters en winkelmeisjes het bij de klant aan huis brengen. De bakkerij bevond zich achter de winkel, met een deur in de zijmuur aan de kant van het naastgelegen woonhuis van directeur Zomer. Bakkers die er eind jaren vijftig aan het werk waren, zijn: Henk ten Kate, Herman Katgert, Harm Katoele (chef), Willem Kleine en Derk Veldink. (Eerder werkten er Buisman, Kamphuis en Brinkman.)


De Coöperatie omstreeks 1960.

De venters, een belangrijke factor voor een goed lopende kruidenierszaak, waren: Gerrit Luten, Harm Jan van de Berg, Hendrik en Roelof Boesenkool, Jan Boesenkool, Arend Bonen, Jan van Blanken, Jan Bremmer, Hendrik Jan Brinkman, Jan Veijer, Gerrit Groen, Hendrik Paasman, Jans Rolleman en Hendrik Jan Schuurman.
Tijdens een feestelijke bijeenkomst in zaal Schoemaker op 26 maart 1963 kreeg Hendrik Boesenkool door burgemeester Mulder de eremedaille in brons van Oranje Nassau opgespeld als waardering voor het feit dat hij 40 jaar als venter werkzaam was. In maart 1923 werd hij als loopjongen met een loon van zes gulden per week aangenomen bij chef-bakker Jansen in de bakkerij die toen nog in Den Hulst was gevestigd. Hij ging mee naar Nieuwleusen en werkte aanvankelijk gedeeltelijk in de bakkerij en bij de weg, maar werd al snel geheel als venter in Den Hulst ingeschakeld. ”Duizenden broodjes en voor duizenden guldens aan kruidenierswaren heeft hij zo tot tevredenheid van zaak en klanten aan de man gebracht.”


Burgemeester Mulder speldt Hendrik Boesenkool de versierselen op.

Op 29 maart 1967 vierde Hendrik Jan Brinkman zijn 40-jarig jubileum en ontving daarvoor ook een bronzen medaille verbonden aan de Orde van Oranje Nassau.

Albert van Dorsten kwam op veertienjarige leeftijd op 15 november 1948 als loopjongen in dienst bij de Coöperatie. Het was zijn taak om ’s morgens bonnen te plakken (bijna alles was nog op de bon). 's Middags ging hij mee met venter Roelof BoesenkooI. Later toen hij een jaar of zestien was, verving hij ook al een venter, die dan in plaats van een halve dag in de week een hele dag in de twee weken vrij kon nemen.
Zijn eerste salaris was ƒ 8,00 in de week, eenzelfde bedrag als Roelof Boesenkool in 1922 per week verdiende. Toen hij in april 1954 in militaire dienst ging, was zijn loon gestegen tot ƒ 21,00. Uit die tijd kan hij zich nog een aantal prijzen herinneren. Een brood van 800 gram kostte 43 cent, een rol beschuit 29 cent, zout 14 cent per kilo en Jozo zout 19 cent. Er werden boodschappen besteld als een fles èèk, een half pond roo-suker en een paar pond polka. Je moest dan wel weten dat er een fles azijn, een half pond bruine suiker en twee pond soda werden bedoeld!

Het venten
Voor het venten had men venters met paard en wagen. De wagens en later de auto’s werden ’s morgens door hen ingeladen. Ze mochten voor 10 uur ’s morgens niet met vers brood de weg op.
Veel wegen waren nog onverhard en in de winter een en al modder. Soms kwamen er dan wel eens twee paarden voor de venterswagen. Wanneer de wegen door sneeuw of ijzel glad waren, kregen de paarden proppen onder de hoefijzers.


Bertus Goutbeek omstreeks 1920 aan het venten met de wagen (met ruitvormig HAKA-logo) op een besneeuwde weg. De naam van de vrouw met bakkersmand, die waarschijnlijk hielp bij het venten, is onbekend.

Eind vijftiger jaren had men nog 1 paard en wagen en 6 auto’s, waarvan een grote Citroën bestelauto en twee Opel Blitz bestelauto’s, die met 2 venters in het buitengebied reden. Er zat, heel slim, een rek achter op die bestelauto’s gemonteerd, waarop een fiets werd gezet. Bij een klant aangekomen, ging een van de twee venters naar binnen, terwijl de andere alvast op de fiets de volgende klant opzocht. Later werd dat gesplitst en had iedere venter zijn eigen wagen.

In het dorp gebruikte men een driewielige bestelwagen, waarvan het voorwiel een zwenkwiel was. Je kon er naast lopen en dan meteen sturen.
Hendrik Boesenkool in de Kerkenhoek.

De winkelmeisjes moesten in het dorp twee keer per week de boodschappenboekjes bij de klanten ophalen en ook twee keer per week brood bezorgen. Daarvoor gingen ze steeds op stap met vier grote tassen vol brood aan het stuur van de fiets.
Er werd vooral gewerkt met huishoud- of boodschappen-boekjes, waarin de klant opschreef wat hij nodig had. Veel klanten kwamen niet of nauwelijks zelf in de winkel, want dat vroeg veel te veel tijd. Kinderen werden meestal tussendoor voor een vergeten boodschap naar de winkel gestuurd. De venters brachten de artikelen aan huis.
Bij het afleveren van de bestelling namen ze alvast het boekje voor de volgende ronde mee naar de winkel. Aan de hand van die boekjes werd de bestelling vooraf klaar gemaakt en in de verdeelvakken voor de venter gezet, die deze ’s morgens in de bestelwagen zette.

Heel wat huisvrouwen waren niet zo goed in planning en de venters wisten vaak nog beter wat er in hun huishouding nodig was dan zij zelf. Ze deden al vragenderwijs suggesties voor de op te schrijven boodschappen: “Denk je er wel aan dat .... Hoe is het met de pepermuntjes, de ... Je krijgt zeker visite, heb je wel koekjes opgeschreven? Maar moeten er dan geen sigaren voor de mannen zijn? Deze week is de koffie in de reclame, zou je die nu niet kopen? enz.” Zo kon een lijstje van 10 boodschappen gemakkelijk oplopen naar 20 of meer.
Voor de venters was dat belangrijk, want ze werkten op provisiebasis; ze moesten hun basissalaris opkrikken door een zo groot mogelijke omzet te halen. Daarom namen ze ook wel het risico om in de reclameperiode van een product meer af te nemen dan besteld was (“Geef me maar wat meer van ..., want dat gaat deze week zo hard.”) en bewaarden dat in hun kar om, als ze het na de reclameperiode leverden, zelf het verschil in prijs te kunnen incasseren.
Sowieso hadden de venters altijd meer in de kar dan besteld was, om ter plekke bij het afleveren nog te kunnen verkopen wat er nog meer nodig was. Bij het inladen van de wagen ging de venter dus ook inschattend te werk wat er naast het bestelde nog meer nodig was.


Vlnr: Henk Dekker, Alie Klein, Albert van Dorsten, Femmie Kijk in de Vegte, Alie Jans en Roel Mussche(?) voor 1953.

Bij het afleveren werden de prijzen in het boodschappenboekje achter de geleverde spullen gezet. Eens per week of veertien dagen, of ook wel per maand werd opgeteld wat betaald en afgerekend moest worden.

Op weg naar het einde
Hoe het tenslotte mis ging met deze goed lopende zaak? Tijdens een landelijk congres in 1959 werd het besluit genomen tot concentratie per gewest met deelgenootraden. Deze kregen de bevoegdheid om bindende richtlijnen vast te stellen. De bedrijfsleiders moesten samenhang en gezag aanbrengen.
Dijk vertelde dat de plaatselijke Coöperaties daarna steeds meer moesten werken volgens de regels die vanuit het regiokantoor werden afgekondigd. Directeur Zomer moest regelmatig naar Deventer en kwam steeds terug met nieuwe voorschriften voor te volgen werkwijzen, die hij aan het plaatselijke bestuur moest voorleggen.
Door die centralistische regelgeving liep het tenslotte mis. Het regiokantoor kwam met steeds meer voorschriften, die in de stad misschien wel werkten, maar op het platteland voor veel onbegrip zorgden. Zo werd bijvoorbeeld besloten dat het brood niet meer in Nieuwleusen zelf gebakken mocht worden, maar afgenomen moest worden van de centrale broodfabriek. Het bestuur trok zich van die beslissing niets aan; ze wilden geen “fabrieksbrood”.
Er kwam een nieuwe boekhouder en de boekhouding moest worden opgestuurd naar het regiokantoor. De venters mochten de boodschappen niet meer opschrijven en later afrekenen. Er moest wekelijks met alle klanten worden afgerekend. Ze mochten ook niet meer bij zich hebben dan in de huishoudboekjes besteld was. Begrijpelijk dat het toen fout ging! De klanten die voor hun vergeten kruidenierswaren nu ergens anders naar toe gingen, waren het snel zat en kochten al snel alles bij een nieuwe leverancier.
Toch deed men er alles aan om de winkels mee te laten groeien in de concurrentiestrijd. In 1967 werd in het kader van de modernisering de winkel in Nieuwleusen als vijfde van de bij Coöp aangesloten vestigingen nog omgebouwd tot supermarkt. “Ondanks het feit dat de veranderingen van de winkel met eenvoudige middelen heeft plaatsgevonden en kostbare investeringen achterwege zijn gebleven, heeft het interieur een volledige gedaanteverwisseling ondergaan. Door het plaatsen van één gondola midden in de winkel is een overzichtelijke opstelling van de artikelen verkregen. Ook de wandstellingen zijn aan het nieuwe winkelsysteem aangepast. Ook de artikelengroepen waarin geen zelfbediening wordt toegepast, zoals vleeswaren en drogisterij-artikelen, komen door een verbeterde opstelling belangrijk beter tot hun recht. Alhoewel het uitgestrekte werkterrein van Nieuwleusen met zich mee brengt dat de bezorging aan huis een zeer belangrijke functie zal blijven vervullen, verwachten we niettemin dat ook de winkelomzet belangrijk zal gaan toenemen. Wij wensen chef Holtslag met zijn assistenten hierbij veel succes.” lezen we in Personeels Kontakt Orgaan van de Coöp Samenwerking, het regionale maandblad dat vanuit Deventer werd verspreid.
Maar toch diende zich in 1967, na bijna 50 jaar, de landelijke ondergang aan van een voorheen bloeiende Coöperatie.
De tijden veranderden. In de zestiger jaren werd in een bestuursvergadering de voorzitter nog verweten dat hij ook klant was bij bakker Schaapman in de Oosterhulst. Hoewel hij in de buurt woonde, kon zoiets toch niet!


De Coöperatie omstreeks 1965 met rechts achter de bomen het gebouw dat altijd bekend bleef als de paardenstal en in september 2007 is afgebroken.

De reclamejongens deden hun best om het tij te keren, met onder andere deze slogan: Koopt in de vreemde niet, wat uw eigen plaats u biedt. Maar het mocht niet baten: privé-belang ging voor groepsbelang.
De veranderingen gingen door en zelfs de binding met winkels in het eigen dorp verdween. Toen iemand uit Nieuwleusen zelfs burgemeester Mulder bij de supermarkt in Ommen zag afrekenen, gaf hij, duidelijk hoorbaar voor de andere klanten, hierover zijn mening: “Die gaat ook ver van huis voor de boodschappen. Zeker een beetje verdwaald.”
Verrassend is dat na jaren een aantal mensen de coöperatieve gedachte weer nieuw leven heeft ingeblazen en opnieuw een coöperatieve supermarktketen heeft opgezet die gestadig aan groeit. Zo is er nu weer een Coöp in De Wijk aanwezig.

Anekdotes
Er was vroeger duidelijk onderscheid tussen “de directeur” en “het personeel” en verhalen over de directeur deden vaak langdurig de ronde onder het personeel en hun familie en vrienden. Zo ook over directeur Zomer. Op een keer kwam er een vertegenwoordiger die zich voorstelde aan Zomer als meneer Winter. Het duurde enige tijd voordat duidelijk werd dat de man echt zo heette en meneer Zomer niet voor de gek hield. Ook wist iedereen in zijn omgeving dat Zomer er prat op ging dat hij elke dag een koude douche nam. Dat zou gezond zijn. Veel heeft het toch niet geholpen, want hij kreeg hartklachten en is niet oud geworden. Na de sluiting van de Coöperatie, hij had toen zijn pensioengerechtigde leeftijd nog niet bereikt, is hij eerst in een van de toen nog nieuwe huurwoningen in de Goudenregenstraat gaan wonen. en daarna ging hij naar Dedemsvaart, waar hij ook vandaan kwam. Daar is hij rond zijn vijfenzestigste overleden. Samen met zijn vrouw bleef Wolter Zomer wonen aan de Goudenregenstraat. Hij overleed daar in maart 1983 op vijenzeventigjarige leeftijd, enkele maanden na zijn vrouw.

Van Coöperatie naar supermarkt
Na sluiting van de Coöperatie werden de gebouwen afzonderlijk verkocht. Mevrouw Schoenmaker vertelt dat het hoofdgebouw in 1971 werd gekocht door haar echtgenoot Hendrik Schoenmaker, die de winkel ombouwde tot supermarkt. Hij was geen onbekende in Nieuwleusen.
Hendrik Schoenmaker werd in 1928 te Wapse geboren, waar hij meewerkte in de bakkerij-winkel-boerderij van zijn ouders. Hij solliciteerde in 1954 als chef bij de Coöperatie te Nieuwleusen. Toen hij na die sollicitatie “op tweetal” stond, vroeg hij zijn geliefde ten huwelijk, want bij de baan was een huurwoning voor de chef beschikbaar (nu Backxlaan 93). Twee jaar later werd de winkel uitgebreid. Er kwam een feestavond voor personeel, bestuur en genodigden. Toen op 25 november een dochter werd geboren, moest hij ’s middags toch meteen weer aan de slag, omdat alle artikelen verplaatst moesten worden in verband met de op handen zijnde heropening. Zo ging dat in die tijd.
Maar de karakters van Zomer en Schoenmaker botsten. Schoenmaker wilde daarom meer zelfstandig werken en kocht in 1958 een kruidenierszaak in Drouwenerzand. Vier jaar later betrok hij een supermarkt in Oostwold bij Winschoten. Groei sprak hem aan en hij bezat ondernemingsgeest. Hij kocht het toen al zo’n drie jaar leegstaande gebouw van de Coöperatie en zo kwam het gezin in juni 1971 in een caravan terug naar Nieuwleusen. Tot oktober werd er hard gewerkt: de twee vergaderzalen boven werden omgebouwd tot drie slaapkamers en het kantoor beneden werd woonkamer. De winkel kreeg een grotere ruimte en in oktober vond de opening plaats.


Supermarkt Schoenmaker (rechts) en naastgelegen woning omstreeks 1975.

Het echtpaar deed de winkel en ook de jongste dochter werkte mee. Daarnaast waren er vier winkelmeisjes in dienst. Een van hen, Klaasje Buursema-van Dijk, had nog in de Coöperatie gewerkt. De winkel werd steeds meer supermarkt; er kwam een broodafdeling en een groente afdeling en er werd weer verbouwd toen er een slagerij kwam met koelcellen enz. De eerste slager die in dienst kwam was Sander uit Slagharen.
Op 25 juli 1979 overleed Hendrik Schoenmaker plotseling aan een hartinfarct en toen stond mevrouw Schoenmaker er alleen voor. Ze kocht een huis aan de Goudenregenstraat omdat in die tijd bezoekers van café Het Witte Peerd in de buurt regelmatig voor overlast zorgden. Ze ging er in november wonen, maar bleef de winkel wel aanhouden. Haar oudste dochter deed de boekhouding en er werd besloten dat zij en haar man Jan van Leusen ook in de winkel mee zouden helpen. Toen bleek dat Jan geen aanleg had voor supermarkten, werd besloten de zaak te verkopen, zodat hij weer als timmerman aan de slag zou kunnen gaan. De jongste dochter ging in de huishouding van dokter Van Maren werken en stopte daarmee toen ze moeder werd.
In maart 1982 werd de zaak verkocht aan Frank Lip. Die heeft de 4=6 Markt later veranderd in Plus Markt. In juli 2006 werd de zaak, die inmiddels van 150 m² tot 980 m² was gegroeid, overgenomen door Arjan Bakker. De garage met bovenwoning (de paardenstal) werd in 1971 gekocht door Henk ten Kate. Die heeft er een smederij in gevestigd. Zijn vrouw opende op de bovenverdieping, in een gedeelte van het woonhuis, de eerste peuterspeelzaal van Nieuwleusen: Het Uilennestje.
Toen de regelgeving rond peuterspeelzalen meer aandacht kreeg, bleek de ruimte niet aan de eisen te voldoen, onder andere omdat men via een steile trap naar boven moest, er niet buiten gespeeld kon worden en er geen nooduitgang mogelijk was. De peuterspeelzaal verhuisde naar “De Boerderij” aan de Burg. Backxlaan. Het gebouw en de grond er omheen is toen ook gekocht door Frank Lip. Het gebouw werd opslagplaats en later kwam er een automatisch innamesysteem voor lege flessen. De grond er rond omheen werd omgetoverd tot een grote parkeerplaats. Het naastgelegen woonhuis van de directeur was al verkocht en werd later eigendom van Harm Reuvers. Naast woonhuis was het een slijterij (die in 2005 verhuisde naar het nieuw gebouwde café Het Witte Peerd) en ook jarenlang (tot in 2004) een stoffen-, garen- en bandwinkel. Daarna was er tot oktober 2007 een kralenwinkel gevestigd.

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

Foto ZE062 = BH056

De groepsfoto is deze keer van de christelijke lagere school De Meele. De foto dateert uit omstreeks 1946.
Namen als Apperlo en Van de Galiën zijn in deze streek niet gebruikelijk. Wie weet meer van deze families en schrijft daar eens meer over?



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

Jenny Zieleman
Marie Apperlo
Willy van de Galiën
Aaltje Evenboer
Trijntje Petter
Grietje Kok
Aaltje van der Kolk
Loes Apperlo
Fennigje Lier

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
 

Jantje Compagner
meester A. Withaar
Jantje Meesters
Geesje Spijker
Roelie Meesters
Ida van Leusen
Aaltje Lier
Hendrik Kuterman

18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
 

Derk Jan Witpaard
Frits Meesters
Herman Stroeve
Engbert Bijker
Roelof Compagner
Hendrik Lier
Harm Polman
Johan Vasse

* * *


KATJA JONKERS VERTELT V ________________________________________________________

Katja Jonkers

Een geheim ongelukje.
Op een mooie warme zomerdag zou tante komen om voor mij een nieuwe jurk te maken. Dat waren altijd mooie dagen. Dan had ik het gevoel of mijn eigen moeder er weer was.
Ik kreeg voor de eerste keer een mooie blauwe jurk. Wij hadden al zo lang in het zwart gelopen, dat heette rouwen. Na een paar dagen was de jurk klaar en toen kreeg ik er ook nog een rok bij. Daar moest ik toen ook al zelf aan meehelpen naaien.
Op een dag kon tante niet komen, maar toch ging Marjan, onze oudste zus die het huishouden deed, ’s morgens, toen het werk klaar was, weer buiten zitten. Ze riep mij bij zich en vroeg: “Kun jij de melkbus van het bruggetje halen?”
Dat wilde ik wel doen. “Denk er om, de klompen aan hoor.” “Ja Marjan”, zei ik en daar ging ik, maar op kousenvoeten. Het was ook zulk warm weer.
Even de kruiwagen pakken die bij de hooiberg lag. Gelukkig had Marjan niet gezien dat ik toch op kousenvoeten was gegaan. Daar was het bruggetje al.
Nu de kruiwagen draaien en de bus erop zetten. Maar o, wat was die zwaar. Helemaal vol en er ging dertig liter in een bus. Maar ik krijg hem er wel op, dacht ik. Nog eens proberen. Zo, bijna erop. Maar de zware bus gleed terug en kwam op mijn voet terecht. Ik schreeuwde moord en brand. Op het geschreeuw kwam buurman aanlopen: “Kind nog aan toe, wat heb je nu gedaan.”
De melkbus lag op de grond en was half leeg gelopen de sloot in. Daar kwam Marjan aan. De buurman mopperde op haar: “Dat kind is nog veel te klein voor zo’n zware melkbus.”
Wat keek Marjan angstig toen ze zag dat er bloed door de kous kwam.
De buurman droeg mij naar huis en zette mij op een stoel en vroeg waar vader was. “O, die komt zo thuis”, zei ik, maar ik wist wel dat hij naar de stad was, want het was vrijdag.
Daar kwam Marjan. “Stommerd, ik had je toch gezegd dat je klompen aan moest doen. Je eigen schuld.” Maar toen zag ze dat de kous al nat was van het bloed en zette ze zelf ook een bang gezicht op en begon ook te huilen.
Marjan haalde een teiltje met sodawater en daar moest ik met mijn voet in. Maar het werd helemaal rood van het bloed en ik schreeuwde van de pijn. De nagel van de grote teen was er bijna helemaal af. Marjan durfde hem er niet af te knippen. Vlug pakte ze de carbol en wat watten. Nu nog een paar schone doekjes. Ze drukte de nagel weer vast en zei: “Met een paar dagen is hij wel weer beter en vastgegroeid. Als vader thuis komt, ga je maar aardappels schillen en je zegt maar dat je hoofdpijn hebt, anders krijg ik ook nog op mijn kop.”
Het lukte. Na het eten moest vader nog klompen weg brengen en kon ik naar bed. O, wat deed de voet zeer. De hele nacht kon ik niet slapen. Die zaterdagmorgen mocht ik van Marjan in bed blijven liggen, maar bij het koffiedrinken zei vader dat ik uit bed moest, want anders zou hij de dokter halen.
Ik kon het die dag wel uitschreeuwen van de pijn, toch hield ik mijn mond. Ik had ook zo stom gedaan, ik was nu eenmaal een eigenwijs kind, zoals vader altijd zei.
’s Avonds ging vader naar de kruidenier, met nog meer buren. Daar bleven ze dan de hele avond bij elkaar, gezellig praten. En bij het naar huis gaan moest er dan afgerekend worden van de boodschappen die de hele week gehaald waren.
Hoe moet ik nu morgenvroeg naar de zondagsschool, vroeg ik Marjan, ik kan haast niet lopen. “Nou”, zei Marjan, “dan ga jij alleen vroeger weg dan Joke en dan ga je met Siem en als je dan zachtjes loopt, dan kom je er wel.”
Ja, zo zou het dan moeten. Maar op de terugweg kon ik niet meer en ging even in het gras zitten. Maar uiteindelijk kwam ik toch thuis. O, wat keek Marjan bang en daar kwam vader ook al uit de kerk. Toen begon ik te huilen. “Waarom ben jij zo laat”, vroeg vader. “Ik heb een zere voet”, snikte ik. En toen vertelde Marjan eindelijk wat er vrijdag was gebeurd. Ze kreeg een paar flinke klappen om de oren omdat ze mij met de melkbus had laten lopen en toen begon ze ook te huilen. “Op de stoel” gebood vader en trok de kous uit. “Wat een vieze lucht” dacht ik, “het stinkt.”
“Soda met warm water en een beetje vlug”, gebood vader.
Toen hij de lapjes er af deed die er sinds vrijdag om hadden gezeten schrok hij er zelf van. Vader wist nu dat ik veel pijn had en mopperde niet meer, maar zei tegen Marjan: “Hoe kon je haar naar de zondagsschool sturen?”
“O vader, we waren zo bang het te zeggen en wij dachten dat de nagel er wel weer aan zou groeien.” Vader nam de vlim en even later lag de nagel er af. Nu nog carbol en linnen verband er om. Wat was ik opgelucht. Tegen Marjan zei vader:”Als er nog eens wat gebeurt en je zegt het niet, dan krijg je goed met de karwats. Begrepen?” Ja, Marjan had het begrepen.
Toen moesten wij nog eten. “Aan tafel”, gebood vader. “Zo, en nu eerst bidden”. Maar Marjan kon het Onze Vader gebed niet opzeggen en begon te huilen. “Joke, jij dan”, zei vader.
Kleine Wim wist helemaal niet waarom Marjan en ik zulke behuilde gezichten hadden en ging lekker eten. Na het eten moest ik voor straf naar bed, maar dat vond ik niet erg, want ik had al twee nachten bijna geen oog dicht gedaan.
De volgende dag mocht ik niet naar school. Een paar dagen later kwam de buurman. Wij zaten net aan de koffie. Hij zei toen: ”Deerntie, deerntie, zal je nooit meer op kousenvoeten lopen.”
Er groeide weer een nieuwe nagel aan mijn teen, maar dat duurde een hele poos.

Einde

* * *


KRUMMELS ________________________________________________________

Het Volk, 8 april 1916, rubriek Ons aanplakbord
Automaties-werkende kettingen te koop gevraagd. Zij moeten na twee jaren van zelf open springen en dienen om er onderwijzers aan vast te leggen. Inlichtingen en prijsopgaaf te richten tot de Burgemeester van Nieuwleusen.

* * *


STAPHORSTERBOSCH IN WORDING ________________________________________________________

In de dertiger jaren werd het bosgebied aangelegd dat we nu kennen als Boswachterij Staphorst. Dit gebeurde door onder andere werklozen die met de trein kwamen en in kamp Het Wijde Gat waren ondergebracht. In 1937 was de aanleg zover gevorderd dat men van een bos kon spreken. De Meppeler Courant publiceerde op 25 juni 1937 een artikel dat we hierna overnemen. Helaas zijn de beide in de krant geplaatste foto’s te slecht van kwaliteit om ze hier op te nemen. Over de oude vijver lag destijds een bruggetje. In ons archief hebben we daarvan een foto die we bij dit artikel plaatsen. Velen zullen zich dit door romantiek omgeven bruggetje nog wel herinneren.

Grootsch werk, door werkloozen verricht
Het liep tegen de avond van een mooie zomersche dag. Strak blauw was de hemel en de glanzende zon bescheen de aarde met haar milde, zoo gewaardeerde en koesterende stralen.
Honderden fietsers bewogen zich op de wegen rond Meppel. Zoo reden we in file met het onbestemde gevoel van je te laten gaan en te genieten van die zonnige wereld en zomersche weelde en de dag uit te buiten tot het einde.
Op een gegeven punt schakelden wij ons uit de rij van opeenvolgende peddelaars en sloegen een zijpad in. Onze weg leidde naar een onbewust doel; we voelden ons als verkenners, want we bereden nu wegen, welke we nog nimmer gegaan waren. En weer sloegen we een zijweg in, een nieuwe weg, waarvan we het bestaan niet wisten. Ruim was hier het uitzicht naar alle windstreken. Golvend koren en haver. En aan de wegkant bloeiden de paarse lupinen, mooie groote bloemen, die we tot nog toe alleen in de bloemenwinkels uitgestald zagen. Schallende grutto's begeleidden ons; ginds sprongen eenige konijnen bij ons naderen verschrikt op en verdwenen tusschen de haver. We reden nu over een soort fietspad, langs onbekende wegen, en daar, bij een bocht, ongeveer twaalf kilometer van ons stadje, ontplooide zich voor onze oogen plotseling een geheel nieuw, ongekend panorama. Waakten we of droomden we?


Jan Harm Pot en Margje Massier omstreeks 1940 op de leuning van het bruggetje over de (oude) vijver.

Waren we hier in de omgeving van ons stadje? Een tiental heuvels, vormend als het ware een duinlandschap, lag voor ons en daar in de diepte een helder meertje. We stapten af en betraden (hoewel het verboden was) de geprojecteerde, met paaltjes afgezette, voetpaden, welke zich slingerden over de heuvels en langs het meertje. Een mooie rustieke brug was gebouwd over een vernauwing van deze plas, welke op dat punt in tweeën werd gescheiden. Boven op de hoogste top ontplooide zich voor ons oog een heerlijk vergezicht. Kilometers ver strekte zich dit “ongekende aardsche paradijs in wording” voor onze oogen uit. Honderden hectares, alle beboscht met nog wel kleine, teere boompjes, maar die zullen groeien en binnen afzienbare tijd voor deze streken in zich houden een kostbare schat. Met groote zorg en ijver wordt dit grootsche werk door het werkloozenleger tot stand gebracht. De heuvels, die hun ontstaan danken aan het gegraven meertje, met welks zand zij hun bestemming kregen, zijn alle overdekt met afgesneden heidestengels om verstuiving te voorkomen en reeds beplant met kleine eikeboompjes. Heel nietig en teer, zijn ze nog, deze kleine stammetjes, maar eens zullen zij aangroeien tot krachtige stammen en zal het eikenloof deze kruinen kronen en zullen de bladeren ruischen hun eeuwige melodie van schoonheid.
Voorzichtig en behoedzaam gingen we langs de voetpaden verder, opdat onze voeten niet zouden beroeren zulk een teer stammetje, dat eens een krachtige eik zal worden.
Wat zal het heerlijk zijn om over een tiental jaren hier te kunnen vertoeven!. Welk een bron van gezondheid wordt hier aangeboord!. Want met groote bedachtzaamheid worden de verschillende bebosschingen gekozen. Eiken, dennen, berken, beuken en platanen met daar tusschen door Amerikaanse eiken met hun bloedroode bladeren in de nazomer. Breede wegen zijn in wording, nu nog onbeholpen zandgeulen, maar straks zullen zij zijn goed geplaveide wegen, waarlangs het een verrukking zal zijn te gaan.
We zullen niet aandringen om nu reeds een tochtje daarheen te maken. Alles is nog in wording. Integendeel! Laten we rustig afwachten de tijd, dat dit complex tot een grootsch geheel zal zijn tot stand gebracht. Laat het rustig gedijen; het moet zijn tijd hebben.
Maar eens zullen zij, die na ons komen, de vruchten plukken van dit grootsche werk en zullen zij met dankbaarheid gewagen van deze arbeid, door werkloozen verricht ten bate van onze geheele gemeenschap.

* * *


EEN UNION RECLAMEKAART ________________________________________________________

Jakob de Weerd

Begin augustus 2006 kregen we een telefoontje van een heer Dijkstra uit Haarlem. Collega’s uit Dedemsvaart hadden hem naar ons doorverwezen. De heer Dijkstra was al in de tachtig en bezig met genealogisch onderzoek naar zijn familie. Daarin was hij een Dijkstra tegengekomen die in Dedemsvaart voor de oorlog een rijwielfabriekje was begonnen."

In het verzamelblad De Klepel had Dijkstra een afbeelding van een reclameprentbriefkaart van Union Rijwielfabriek Dedemsvaart zien staan. Zijn vraag was of dit de fabriek van de bewuste Dijkstra was. Nee dus, Berend Jan van den Berg richtte in 1904 in Den Hulst de fabriek op. Union vermeldde in de beginjaren in haar adres (aan de) Dedemsvaart omdat Den Hulst in het land nog onbekend was.
We kregen het adres van de heer J. de Vries uit Amsterdam, de schrijver van het artikel in het verzamelblad en namen contact met hem op. We vroegen om een scan van de kaart en kregen die gemaild. Daarbij was de opmerking gevoegd dat als de kaart niet in ons bezit was, hij die wel aan museum Palthehof wilde schenken. In het andere geval ging de kaart naar een verzamelaar. Het resultaat is dat de kaart nu aan de collectie van het museum is toegevoegd. Uiteraard met dank!
De ingekleurde reclameprentbriefkaart is in 1917 uitgegeven. Dit is af te leiden uit een reclameboekje uit 1918 waarin de kaart is opgenomen. In het boekje staat een hele serie van dit soort afbeeldingen, allemaal gemaakt door tekenaar Daan Hoeksema. Mogelijk zijn van al die afbeeldingen destijds reclameprentbriefkaarten uitgegeven. Als dat zo is zijn ze in elk geval niet overvloedig bewaard gebleven.
Het reclameboekje, waarvan helaas geen origineel exemplaar in ons bezit is, is gemaakt voor de fietsenmakers die deze tekeningen van Union in bruikleen konden krijgen om daar in (plaatselijke) kranten mee te adverteren. Als dagtekening is voorin het boekje vermeld: Dedemsvaart, januari 1918.

* * *


DOMINEE HENDRIK HOOGKLIMMER ________________________________________________________

Gees Bartels-Martens

In Oldenzaal wordt de naam van de familie Hoogklimmer voor het eerst genoemd in 1614, wanneer daar het Linnenwevers- of Sint Severusgilde wordt opgericht. Er zijn 23 leden en Johan Hermssoen Hoichklimmer is daar een van. Niet lang daarna verhuist Johan naar het in Duitsland gelegen Bentheim en begint daar een herberg of wijnhuis.
Zijn zoon Jürgen of Georgius is koopman en wordt in 1659 gekozen tot burgemeester van Bentheim. Dit ambt bekleedt hij vele jaren, samen met Herman Palthe (geen voorvader van dominee Palthe uit Nieuwleusen). Als er in 1694 een nieuwe Hervormde Kerk wordt gebouwd, legt de Graaf van Bentheim de eerste steen, een vertegenwoordiger van de adel de tweede steen en leggen Hoogklimmer en Palthe gezamenlijk de derde steen.
Zijn zoon Jan wordt rentmeester van de geestelijke goederen in Bentheim en deze wordt opgevolgd door zijn zoon Heinrich. Na hem gaat het rentmeesterschap naar diens zoon Dr. Johan Georg. Deze was gepromoveerd in de rechtsgeleerdheid aan de Groninger hogeschool en ging later in Neuenhaus wonen, waar hij tevens vrederechter was. Diens zoon Heinrich Martin Hoogklimmer, geboren 29 april 1810 in Neuenhaus, studeerde in Groningen letteren en godgeleerdheid. Over hem gaat dit artikel.

In die tijd waren er veel jonge werkzoekende theologen. Door toedoen van Fürst Alexis van Bentheim, werkgever van zijn vader, werd Heinrich bevoorrecht en kreeg hij al twee jaar na het beëindigen van zijn studie in Laar een plaats als adjunct-predikant met het recht van opvolging. Laar ligt ook in Duitsland, vlak over de grens bij Gramsbergen, een klein dorpje dat met wijde omgeving toen nog geen duizend inwoners telde. Kort na de komst van Heinrich, die zich later Hendrik ging noemen, overleed dominee Groen en zo werd hij in 1837, op 27-jarige leeftijd predikant in Laar. In die tijd werd er in dit Bentheimse gebied nog op de scholen in het Nederlands les gegeven en in de kerken in het Nederlands gepreekt. Hendrik Hoogklimmer bleef 35 jaar predikant in Laar (1837-1872). Daarnaast was hij inspecteur van het onderwijs. Hij bouwde er een nieuwe kerk, een nieuwe pastorie en een nieuwe school en werd geroemd om zijn organisatietalent. Door zijn opleiding in Groningen bij professor P. Hofstede behoorde hij tot de aanhangers van een “natuurlijke theologie”. Dat bezorgde hem bij zijn parochianen de naam van “bloemetjesdominee”.

In 1838 trouwde hij met Anna Agneta Stork uit Weerselo, waar haar vader en later haar broer predikant waren. Aan de zijkant van de toenmalige pastorie in Weerselo is een ooievaar afgebeeld, naar het familiewapen, afgeleid van de oude Duitse familienaam Storch. Veel leden van die familie werden predikant, maar later ook fabrikant. De grondlegger van de machinefabriek Stork in Hengelo, Charles Theodorus Stork, was een volle neef van Anna Agneta.
Hendrik en Anna kregen zeven kinderen. In 1872 volgde Hendrik in Weerselo zijn zwager op als dominee en ging in het Storkenhuis wonen. Al drie jaar later, in 1875, aanvaardde hij een beroep naar het veel grotere en meer orthodoxe Nieuwleusen, waar hij op 29 augustus intrede deed. Hier vierde hij in 1878 zijn veertigjarig huwelijksfeest, waaraan het hele dorp deelnam.


Het graf van het echtpaar Hoogklimmer op de begraafplaats in Dalen.
Ds. Hoogklimmer werd ziek en ging na vier jaar predikantschap in Nieuwleusen in 1879 met emeritaat. Hij vertrok naar het Drentse Dalen, waar inmiddels twee van zijn getrouwde dochters woonden. Dochter Maria Georgina was gehuwd met burgemeester Coenraad Willem Johan Bouwmeester. De andere dochter Johanna Georgina Arnolda was gehuwd met rentmeester Alidus Johannes Marius ten Holte. Hier trok ds. Hoogklimmer bij in en in hun huis overleed hij op 72-jarige leeftijd. Zijn vrouw bereikte de leeftijd van 92 jaar. Beiden werden begraven op de begraafplaats in Dalen, waar hun graf nog steeds te vinden is. De tekst op de grafsteen luidt:

Ter nagedachtenis
aan
onze ouders
Hendrik Martin Hoogklimmer
Geb. te Neuenhaus 29 April 1810
Overl. te Dalen 11 Maart 1887
in leven predikant te
Laar, Weerselo en Nieuwleusen
en
Anna Agneta Stork
Geb. te Weerselo 8 Febr. 1809
Overl. te Dalen 7 Juni 1901
Rust Zacht!


Na het emeritaat van dominee Hoogklimmer kwam op 23 september 1880 J. Quast als nieuwe predikant naar Nieuwleusen. Hij vertrok alweer na drie jaar. Zijn opvolger J. Steenbeek bleef zeven jaar.
Nieuwleusen heeft heel wat predikanten zien komen en gaan. Soms bleven ze maar enkele jaren, dan weer bleven ze langere tijd. Onderstaand rijtje laat zien welke predikanten hier voor dominee Hoogklimmer op de preekstoel stonden:

Wilhelmus Stolte
Gisbertus van Rhijn
Bernardus de Vries
Jan Arend Palthe
Johan Conraad Fischer
M. Arends
P.P.G. Koppelman
H.J. Wolterink
W. Mulder
C.J. Boers

1681 - 1694
1695 - 1706
1707 - 1752
1753 - 1803
1803 - 1805
1806 - 1810
1811 - 1813
1814 - 1863
1864 - 1869
1870 - 1875

* * *


NADO ________________________________________________________

Jakob de Weerd

In het artikel “Jan van Koop, een actief man”, dat in het kwartaalblad van september is geplaatst, wordt vermeld dat Jan van Spijker samen met Gerrit Boers de autobusonderneming NABO heeft opgericht. Dit blijkt niet juist te zijn voor wat de naam van de autobusonderneming betreft. De juiste naam is NADO, Nieuwleusener AutoDienstOnderneming. Het was een N.V., een Naamloze Vennootschap. Dit blijkt uit een concept van een Bewijs van Aandeel dat we onlangs in ons bezit kregen. Daaruit wordt ook duidelijk dat de NADO is opgericht bij een acte verleden voor notaris J. Visser te Nieuwleusen op 13 maart 1923. Het kapitaal van de vennootschap was ƒ 7500,--, waarvan bij het verlijden van de oprichtingsakte 80 aandelen van ƒ 50,-- waren geplaatst en volgestort. Verder vermeldt het Bewijs van Aandeel dat de uitkering van dividend plaats heeft binnen veertien dagen na de vaststelling door de Algemene Vergadering die elk jaar in mei wordt gehouden. Wanneer het niet binnen vijf jaar na betaalbaarstelling wordt ingevorderd, zal het vervallen aan de vennootschap.

* * *


INHOUD JAARGANG 25 ________________________________________________________

De nummers 1 en 2 van deze jaargang verschenen als boekwerk onder de titel “Ze waren van honger gegaan …”. Dit boek beschrijft het verblijf in de hongerwinter van kinderen uit het westen van het land in Nieuwleusen en de Tweede Wereldoorlog in Nieuwleusen.

1  
6  
13  
16  
20  
22  
26  
28  
29  
41  
44  
47  
50  
51  
55  
56  

Jan van Koop, een actief man
Eendracht maakt macht
Een oude groepsfoto (CLS Ruitenveen, ca 1965)
Katja Jonkers vertelt IV
De tijd verglijdt
Donkere dagen nao kastfeest
Hodenpijl
Aanvulling en correctie
Eendracht maakt macht II
Een oude groepsfoto (CLS De Meele, ca 1946)
Katja Jonkers vertelt V
Staphorsterbosch in wording
Een Union reclamekaart
Dominee Hendrik Hoogklimmer
NADO
Inhoud van de 25ste jaargang

* * *


25 JAARGANGEN AFGEROND ________________________________________________________

Dit zijn de laatste woorden van 25 jaargangen “Ni’jluusn van vrogger”. In de afgelopen jaren hebben we artikelen van uiteenlopende aard gepubliceerd, soms ouder soms wat jonger. Al met al meer dan 2500 bladzijden historie. Wij hopen dat u er veel plezier aan heeft beleefd en er een en ander van heeft opgestoken. De redactie gaat vol goede moed verder met de geschiedenis van Nieuwleusen en rekent ook op uw bijdragen.





Jaargang 26 nummer 1 maart 2008


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *


Foto voorpagina: ________________________________________________________

Een tegeltableau zoals die vroeger de kamerwanden van boerderijen in Nieuwleusen sierde.

* * *


TERUGGEFLOTEN BELEVENISSEN ________________________________________________________

Ben van Kleef

Op verzoek van zijn kleinkinderen schreef Ben van Kleef uit Arnhem zijn memoires. Een onuitwisbare periode uit zijn nu ruim tachtigjarige leven is het jaar 1944. In dat jaar verbleef hij als 18-jarige jongen in onze regio. Hij werd geplaatst in een werkkamp, ontvluchtte samen met anderen daaruit en dook een paar maanden onder in Nieuwleusen (zie ook het artikel “Simpele vraag – grote gevolgen” in “Ni’jluusn van vrogger” van december 2006). Zeker het deel van zijn levensverhaal dat in de oorlogsjaren speelt, leest als een spannend jongensboek. Tegelijkertijd dringt het besef door dat deze belevenissen bittere werkelijkheid zijn geweest. De schrijver gaf ons toestemming om van zijn levensverhaal uit het jaar 1944 te publiceren in ons kwartaalblad. Deze herinneringen zijn zestig jaar na dato uit het geheugen genoteerd. Bij het lezen moet men dit in ogenschouw nemen.

In het voorjaar van 1944 werd ik opgeroepen voor de niets om het lijf hebbende keuring voor de Nederlandse Arbeidsdienst.
Medio juni kreeg ik bericht dat ik moest opkomen en dat ik zou worden gelegerd in kamp ”Werklust” bij het dorp De Wijk in de buurt van Staphorst. Dat was natuurlijk geen leuk bericht maar we hadden het zien aankomen en het gaf mijzelf de geruststelling in Holland te kunnen blijven en misschien ooit de kans te krijgen om alsnog onder te duiken.
De benodigde reisdocumenten werden toegestuurd en op de aangegeven dag en tijd nam ik afscheid van mijn ouders en mijn zus. Ik nam de trein naar Zwolle vanwaar ik met acht Arnhemmers de reis, via Meppel en van daaruit met een lijnbus, naar het dorp De Wijk bij Staphorst vervolgde. Vanuit De Wijk moest het laatste deel van de reis, ongeveer zeven kilometer, te voet worden afgelegd. Bij de aangegeven bushalte werden we opgewacht door een soort sergeant die ons naar het kamp zou begeleiden. Deze wandeling gaf vooral de Arnhemmers in de groep van zo’n veertig man de gelegenheid kennis met elkaar te maken. Tijdens die wandeling van ongeveer anderhalf uur wisten we al zo ongeveer wat we aan elkaar hadden. Dat zou ons in de nabije toekomst goed van pas komen.

Het kamp, bestaande uit een groot aantal barakken, stond aan een weg die midden door een groot heidegebied liep. Bij de ingang, compleet met slagboom en een heus wachthuisje, stond de schildwacht met zijn spade naast zich in ruststand. Hij sprong in de houding voor de onderofficier die ons nieuwkomers begeleidde. Dit was onze eerste kennismaking met de Germaanse discipline, al hadden de meesten van ons er geen hoge pet van op. Maar we zaten in het schuitje en moesten varen!

OP DE VLUCHT
Hoewel wij in het kamp geïsoleerd waren van de buitenwereld en alleen maar eenzijdige berichten hoorden, hadden we toch het gevoel dat er iets gaande was. We hoorden, waarschijnlijk via de ondergrondse, dat er Engelse para’s bij Arnhem waren geland. Als er ooit iets duur was, dan was het nu wel de goede raad voor ons achten, de Arnhemse jongens. Er moest op korte termijn overleg gepleegd worden over twee opties. De eerste was blijven en maar zien wat er van komt, de tweede was zo snel mogelijk vluchten in de richting van Arnhem.
In het geheim werd ‘s avonds op de kamer afgesproken dat we de volgende avond gekleed in bed zouden gaan liggen. Nadat de onderofficier de zaak zou hebben geïnspecteerd en het licht uit zou zijn, zouden we de levensgevaarlijke gok wagen. Het grootste risico was dat, zoals zo vaak gebeurde, de vent het in z‘n kop zou halen om de dekens weg te trekken en te kijken of je wel schone voeten had.
De volgende nacht gebeurde dit wonder boven wonder niet en na ons een goede nacht te wensen verdween hij. Onze harten bonsden als bij een bombardement, maar rustig even blijven liggen was de afspraak. We moesten natuurlijk wachten totdat hij ook de andere barakken had bezocht. Dat duurde volgens onze berekeningen ongeveer tien minuten.
De doodse stilte in het kamp werd soms verstoord door de overvliegende bommenwerpers op weg naar Duitsland. Dat was voor ons alleen maar gunstig bij de vlucht.
Na het afgesproken teken sprongen we uit bed en verkenden eerst het terrein, alvorens we naar buiten gingen. De kust was veilig en sluipend langs de barakken bereikten we na ongeveer tweehonderd meter de omheining aan de achterzijde van het kamp. Met aan elkaar gebonden koppelriemen lukte het ons om over de afzetting te klauteren. Door de vele trainingen waren we uitermate lenig en het vet zat ons door het slechte eten ook niet in de weg. In de droge greppel vlak achter de hindernis bleven we enkele minuten liggen om af te wachten of onze vlucht was opgemerkt. Nadat alles veilig bleek realiseerden we ons dat we vrij waren, maar tegelijk ook dat er een levensgevaarlijke, zware tocht stond te wachten die lang in ons geheugen zou blijven.
De wind was zuidwest en door een natte vinger op te steken konden we peilen in welke richting we moesten lopen. Onze weg ging zeker niet over rozen. Over de harde weg was te gevaarlijk, dus liepen we door weilanden en bouwland in de richting van Raalte. Na een tijd kwamen we in de buurt van een provinciale weg, die leidde van Balkbrug, via Raalte naar Deventer. De Slag om Arnhem was in volle gang, hetgeen we ook konden waarnemen aan de troepenverplaatsingen van de Duitsers. Vanuit de verte hoorden we rupsbanden ratelen en vrijwel zeker kwamen ze onze richting uit. Het werd dus oppassen geblazen. Het duurde niet lang tot op ongeveer honderd meter de spookachtige schimmen van tanks en andere voertuigen in de schemer enigszins zichtbaar werden.
We hoorden een doffe knal die niet veel goeds voorspelde. Het was een lichtparachute, afgeworpen door een Engels vliegtuig, die binnen enkele seconden ongeveer twee minuten de wijde omgeving in helder daglicht zette. “Dekken” hoorde ik één van mijn maten roepen en we doken in de greppel langs de weg. Gierend doken de jachtbommenwerpers over de toppen van de bomen en veroorzaakten een oorverdovend lawaai met hun boordwapens waarmee ze de passerende Duitse colonne aanvielen.
Terwijl wij met onze hoofden tegen de zijkant van de greppel gedrukt lagen, volgde er een aantal enorme explosies. Het was de munitie die de colonne bij zich had. Boven het geraas uit hoorden we gillende en schreeuwende Duitsers. Wij beseften, ieder voor zich, dat we hier zo snel mogelijk weg moesten want meestal werd zo’n aanval gevolgd door een tweede en soms ook nog door een derde aanval. Voortkruipend door de greppel verlieten we de onheilsplek omdat eventueel overlevenden van Duitse zijde bij een tweede aanval zeker dekking zouden zoeken in de greppel waarin wij zojuist hadden gelegen. Het is niet te beschrijven hoe je in zo‘n situatie het vege lijf probeert te redden en hoe snel je, in gebukte houding, enkele honderden meters kunt afleggen. Dat was dus echt rennen voor je leven!
Zoals verwacht kwam de tweede duikvlucht, waarschijnlijk om te kijken of ze hun werk goed hadden uitgevoerd. Nu konden we, doordat de brandende colonne de wijde omtrek verlichtte, goed zien dat ze, zoals meestal, met z’n drieën de Mof hadden aangevallen. Bij deze tweede duikvlucht zagen we de rood-wit-blauwe cirkel van de Royal Air Force duidelijk op de onderkant van de vleugels staan. We moesten verder want ongetwijfeld zou er van Duitse zijde hulp komen. Hoe groot de colonne was geweest wisten wij natuurlijk niet, in ieder geval was er niet veel meer van overgebleven.

RUSTPLAATS
Ongeveer ter hoogte van Balkbrug begonnen we onze botten te voelen en besloten we uit te kijken naar een geschikte gelegenheid om te rusten en mogelijk om de beurt wat te slapen. Vijftien kilometer door greppels en landerijen lopen is wel wat anders dan een dertig kilometer Vierdaagse mars! We zagen in de verte het silhouet van een boerderij en besloten om maar eens een kijkje te nemen. Toen we naderbij kwamen was er geen teken van leven en besloten we om in de open schuur op het erf ons bivak op te slaan. Op de grond lag een dun laagje stro waarmee we genoegen moesten nemen om op te gaan liggen.
Van slapen kwam ondanks de moeheid niet veel terecht want de angst om gepakt te worden en de belevenissen van de afgelopen uren speelden ons toch wel parten. Zo’n verschrikkelijk niet te omschrijven vuurwerk zet je niet zo maar uit je kop. Maar we konden even liggen en voor alle zekerheid hadden we onze plek gekozen achter een paar boerenwagens die daar stonden.
Het was ‘s morgens amper licht toen we gewekt werden door de hond van de boerderij, die met z’n baas over het erf liep. Het beest had ons natuurlijk snel geroken en bleef blaffend voor ons staan, waardoor zijn baas op het geblaf op verkenning ging en ons daar zag liggen. We waren natuurlijk alle acht wakker en konden niets anders doen dan afwachten wat de reactie van de man zou zijn.
In eerste instantie schrok hij van onze uniformen en ik hoor hem nog zeggen: “Zie ik het goed, Arbeidsdienst?” Toen wij bevestigend antwoordden vroeg hij waarom wij hier zo lagen en wat daarvan de reden was. Wat huiverig vertelden we hem dat we Arnhemmers waren en naar huis wilden. Hij vroeg ons eerst binnen te komen. Het was natuurlijk een grote gok om aan zijn verzoek te voldoen want wanneer de man N.S.B-er zou zijn, waren we de pisang. Maar dat was gelukkig niet het geval en we vertelden hem dat we uit het kamp bij De Wijk waren gevlucht.
Zijn vrouw was inmiddels ook present en vroeg ons of we wel trek hadden in een paar pannenkoeken. Daar hoefden we natuurlijk niet lang over na te denken en in een ommezien zaten we met z‘n allen aan de pannenkoek met ieder een beker volle melk. Het eerste gesprek ging over de luchtaanval van de vorige avond. We konden hem precies uitleggen wat er was gebeurd. Hij gaf ons de raad om toch maar zo snel mogelijk deze omgeving te verlaten. De hele tankverplaatsing van de Duitsers was waarschijnlijk door de verzetsbeweging doorgeseind naar de Engelse luchtmacht en zou wel eens gevolgd kunnen worden door een Duitse razzia.
De man kon best gelijk hebben en daarom besloten wij bij daglicht gewoon, brutaal marcherend alsof het dienst was, over de weg onze tocht voort te zetten. Voordat we afscheid van deze vriendelijke mensen konden nemen kreeg ieder van ons een pakje met een paar boterhammen mee, iets waar men in de grote steden op dat moment een moord voor zou plegen! We kregen van de boer nog het advies om in de omgeving van Ommen op te passen, want daar zou ook een kamp van de Arbeidsdienst zijn. We kozen ervoor om toch maar zoveel mogelijk over binnenwegen te gaan. Tot nu toe was dan alles wel gunstig verlopen, maar dat kon wel eens anders uitpakken. Na wat handjes schudden stapten we op in de geplande richting.

ONDERDUIKEN
Het werd ondanks het mooie weer geen lange tocht want na een uurtje of drie naderden we Nieuwleusen. Onze weg liep langs een viertal boerderijen (nu Neurinkweg, Jagtlusterallee en Ruitenveen, red.) die eigenlijk vrij kort bij elkaar stonden. Een verschijnsel dat je in deze streek wel vaker ziet.


Marten Schaapman met de hond en zijn moeder Hendrikje Schaapman-Koezen omstreeks 1960.

De eerste boerderij had een rieten kap die aan de zijgevel een meter boven de grond eindigde. Op het erf liep een erg lichtblonde, vrij jonge boer. Hij had ons al vanuit de verte zien aankomen en kwam nu naar ons toegelopen. Wij hoefden hem niet te vertellen wat voor een uniform wij droegen, want hij was er volledig van op de hoogte. Hij vroeg ons om binnen te komen om wat verder over onze plannen te praten. We stelden vertrouwen in de man en volgden hem naar zijn boerderij. Daar troffen we een heel oud stokdoof vrouwtje aan, wat zijn moeder bleek te zijn. Het was een goedlachs wijfje en we kregen meteen een kop warme melk aangeboden. We kwamen wat op verhaal en het werd ons duidelijk dat Martin met zijn oude moeder samen in deze boerderij woonde.
Toen hij van ons plan om naar Arnhem te gaan hoorde, zagen we hem nadenken. Even later kwam zijn mening dat het geen haalbare zaak was om dit te ondernemen. Hij stond op van zijn stoel en vroeg ons even geduld te hebben om wat te regelen. Wij begrepen er totaal niets van. Wat zou deze sympathieke vent met ons van plan zijn? Het duurde nogal lang voordat hij terugkwam en we werden wat ongeduldig, ook al omdat we met de stokdove vrouw niet konden praten. Ik schat dat het ongeveer een half uur duurde voordat hij terug kwam.
Alle ogen waren op hem gericht en hij stak van wal met: ”Beste mannen, ik ben nogal lang weggebleven, maar ik heb met de buren overleg gepleegd en hun van jullie plannen op de hoogte gebracht. Wij vinden dat het op dit moment niet verantwoord is om jullie door te laten gaan naar Arnhem. Ieder van ons is bereid om twee man in huis te nemen totdat de strijd in Arnhem is afgelopen.”

Dat was voor ons toch ergens een teleurstellend voorstel, want natuurlijk wilden we allen graag naar huis. Hadden we daar nu zoveel risico’s voor genomen? Dat de man gelijk had daar kwamen we achter toen hij uit een oude kast een kleine Philips radio te voorschijn haalde. Hij zette het toestelletje aan en na wat geruis en gekraak hoorden we het nieuwsbericht van Radio Oranje uit Engeland. Gespannen zaten we met z’n allen te luisteren want in geen maanden hadden we betrouwbare berichten vernomen.
Het was overigens verboden om nog in het bezit te zijn van een radio of ander ontvangsttoestel, dat soort dingen hadden we al ruim een jaar geleden bij de Duitsers in moeten leveren. Maar Martin had het blijkbaar gedurfd om zijn kleine Philips te houden en die kwam nu goed van pas.
De nieuwslezer vertelde dat de geallieerden in de Slag om Arnhem steeds verder vorderden en dat de doorstoot vanuit Nijmegen niet lang meer op zich zou laten wachten. We waren er met z’n allen van overtuigd dat we hier niet lang zouden blijven, het was een kwestie van hooguit een paar weken.
We werden zoals gezegd over de vier boerderijen verdeeld, zodat elke boer twee man in huis kreeg. (Ben van Kleef kwam bij de familie Ruinemans in huis, red.) Het was voor die mensen een zeer riskante onderneming om onderduikers in huis te nemen, daar stond de doodstraf op! We hadden ons er tenslotte bij neergelegd en waren er nu wel van doordrongen dat een voetreis naar het oorlogsgebied te gevaarlijk zou zijn. Ons werd aangeraden om ‘s avonds een kort briefje naar huis te schrijven met de mededeling dat alles oké was. We konden onder een codenummer tegenbericht ontvangen. Wij begrepen er niets van maar durfden hierover ook geen vragen te stellen. Niemand van ons is er ooit achter gekomen hoe dit allemaal mogelijk was. Vast staat dat we heel veel geluk hadden en dat we in een nest van de verzetsbeweging waren gestrand.


Het gezin van Jan Willem Ruinemans en Aaltje Sterken in 1947 op bezoek bij opa Sterken in de Maat. De kinderen vlnr: Jan, Hendrik, Johan, Wim, Bart en Tinus.

We moesten natuurlijk werken voor de kost en die werkzaamheden bestonden in hoofdzaak uit het schoonmaken en zonodig uitdiepen van de sloten die langs de akkers liepen. Zo konden we meteen de omgeving in de gaten houden en wanneer er een razzia op komst was, kregen we wel een seintje! Dit gaf ons een relatief veilig gevoel. Dikwijls zagen we Duitsers over de wegen lopen terwijl wij hun bewegingen van over de slootrand konden volgen. ‘s Middags werd ons brood gebracht en een stuk zeildoek moest ons beschermen tegen eventuele regen.
Na verloop van enkele dagen hadden de meesten van ons al het verwachte tegenbericht, wat echter niet veel goeds voorspelde. Arnhem moest evacueren! Zo schreven mijn ouders: ”Wij moeten de stad verlaten maar weten nog niet waarheen, blijf maar zitten waar je zit en pas goed op!” Ja, met deze teleurstelling moest ik en ook de anderen het dan maar doen. Martin had via Radio Oranje vernomen dat de Slag om Arnhem ongunstig was verlopen. Dat alles gaf ons de indruk dat het weleens heel lang kon duren eer we thuis waren. Eén voordeel hadden we, honger kenden we niet want we kregen meer dan genoeg te eten, wat bijna niemand in deze tijd nog kon zeggen.
Na enige tijd hadden de meesten van ons bericht van hun familie waar hun evacuatie adres was, zo ook ik. Mijn ouders en mijn zus waren ondergebracht in Empe bij Zutphen.
Na de bittere tegenvaller van de Slag om Arnhem werd het wat rustiger in onze omgeving. Je hoorde en zag bijna geen Duitse activiteiten meer, hetgeen allerminst betekende dat je niet alert moest zijn. Want desondanks moest ik toch nog een paar keer wegkruipen in mijn unieke schuilplaats, welke ik hier toch even probeer te omschrijven.
In die tijd kenden de boeren nog een hooiberg, welke meestal niet ver van de stal op het erf stond. Nu was het in deze omgeving gebruikelijk dat onder in de hooiberg een ruimte was voor de waakhond. Zo was het ook bij mijn ”pleegouders”, met dit verschil dat er tegen de achterwand van de ruimte voor de hond een luikje zat dat je weg kon halen, waarna je in een donkere ruimte kwam van ongeveer vier bij vier meter en een meter hoog. Een inhoud dus van zestien kuub zuurstof waarin het verblijf met twee man niet langer dan een uur was verantwoord, hoewel er kleine openingen in het luik waren aangebracht.
In geval van nood trokken we de kettinghond even opzij, duwden het luik naar binnen en kropen zo in onze ”chambre séparé”, die we vervolgens blokkeerden door met een stevige paal het luik klem te zetten. Eén risico moest je op de koop toe nemen: wanneer er verraad in het spel zou zijn, dan was je hulpeloos verloren. Gelukkig heb ik maar een keer vanuit onze chambre de Moffen horen schreeuwen. Het geblaf van de rottweiler overtrof hun geschreeuw en daar hadden ze blijkbaar toch wel ontzag voor. Volgens afspraak moesten we altijd blijven wachten op een seintje dat de kust weer veilig was en we onze schuilplaats konden verlaten. Dan moest je altijd weer wennen aan het licht want een tijd in een volledig duistere ruimte verblijven gaf toch wel dat soort problemen.


De boerderij van Ruinemans (links) waar Ben van Kleef was ondergedoken en die van Schaapman op een ansichtkaart van omstreeks 1985.

RICHTING HUIS
Half oktober hadden zes van de acht jongens de terugreis naar het evacuatieadres van hun ouders ondernomen. Ook ikzelf liep met de gedachte om de reis naar Empe maar te wagen. Vanuit mijn “pleeggezin” was ik de laatste van de twee. Maar er was nog een jongen, Antoon van de Ham. Zijn ouders woonden in Arnhem-Zuid en door de gevechten om de Rijnbrug hadden zij een andere kant op moeten vluchten, zodat hij geen contact met ze had kunnen krijgen. Hij had er uiteraard niet veel behoefte aan om alleen in Nieuwleusen achter te blijven en vroeg mij om met me mee te mogen. Ik had wat medelijden met de jongen die, net zo goed als wij, ook naar zijn ouders verlangde. Voor mij was de zaak duidelijk en ik gaf hem te kennen dat we samen naar Empe zouden lopen en dan maar afwachten wat we daar konden ondernemen.
Met mijn “kostbaas” werd ‘s avonds overleg gepleegd over de te volgen wandelroute. Er werd ons aangeraden, om net als onze voorgangers, gewoon in ons uniform de weg op te gaan. Het risico om gepakt te worden was dan aanmerkelijk kleiner. De route werd op een stukje papier uitgetekend en zou over voornamelijk binnenwegen om en nabij de vijftig kilometer lang zijn. Een afstand die we in een dag moesten kunnen afleggen!
Onze start was ‘s morgens om zeven uur, direct na melkenstijd en het aansluitende ontbijt. Het was voor ons een ontroerend afscheid want deze vaderlandslievende, hervormde mensen hadden ons een hoop ellende bespaard en misschien wel ons leven gered! Bepakt en gezakt met een flinke partij boterhammen, een veldfles met drinken en wat zogeheten eigen teelt shag, begonnen we aan ons gevaarlijke avontuur. Het was de bedoeling dat we via Dalfsen, Heino, Raalte en Wesepe naar Bathmen zouden lopen.

Voordat we onze vertrekdatum hadden vastgesteld, werd eerst nog contact opgenomen met Martin om de laatste berichten vanuit Engeland te horen en wat nog belangrijker was, de weersverwachting tijdens onze tocht. Dat is achteraf een goed idee geweest want we troffen het bijzonder. Voor deze tijd van het jaar was het prachtig wandelweer en onze tocht verliep zonder incidenten tot aan de provinciale weg in de omgeving van Bathmen.

* * *


EEN ENERVERENDE TIJD ________________________________________________________

To Kromkamp

To en Roel Kromkamp woonden met hun ouders en jongere zusje in Bussum. In de hongerwinter kwamen ze naar Nieuwleusen waar ze bij gastgezinnen ondergebracht werden. Roel kwam bij de familie Visscher en To bij de familie Stolte. Beide families woonden aan het Oosteinde. Het verhaal van Roel is opgenomen in het boek “Ze waren van honger gegaan…”. Hieronder volgt het verhaal van To.

Op woensdagmorgen 31 januari 1945 om kwart voor vier heeft mijn moeder mijn broer Roel en mij naar het verhuisbedrijf van Banis in Bussum gebracht. Vandaar ging de reis met een aantal kinderen in een verhuiswagen naar Zwolle naar de School met de Bijbel in de Warmoesstraat. Daar sliepen we op de grond op stro en werden we beziggehouden en nagezien op ziektes en dergelijke. Er werd gekeken naar welke familie we zouden gaan en zo werden we in groepen ingedeeld die naar een bepaald dorp moesten.
Vrijdag 2 februari vertrokken we op wagens naar Nieuwleusen, waar we op de Viersprong bij café Schoemaker soep kregen. Vandaar gingen we lopend naar de desbetreffende pleegouders. We gingen met de groep kinderen mee die aan het Oosteinde moesten zijn. Onderweg werd er af en toe één tussenuit geplukt en die verdween dan uit ons gezichtsveld. Op een gegeven moment was mijn broer aan de beurt en moest ik opletten waar hij naar toe ging. Ondertussen liep het groepje van ongeveer dertien kinderen verder. Het volgende huis bleek mijn adres te zijn.
Ik werd begroet met een hoeraatje. Dat kwam zo: toen wij stonden te wachten hadden ze binnen gezegd: als dat meisje met dat blauwe kapje op nu eens hier komt. En ja dat meisje met dat blauwe gebreide mutsje op dat was ik. Vandaar dat hoeraatje, wat natuurlijk wel een leuke binnenkomer was.
De familie zat aan tafel te eten: hutspot in een grote pan op tafel en scheppen maar. Omdat mijn maag er weer aan moest wennen dat er normaal voedsel binnenkwam, kreeg ik de eerste twee dagen de voor mij bedoelde portie op een boterhambordje. Het ging gelukkig allemaal goed en toen kreeg ik ook van alles; het leek wel luilekkerland!


De boerderij aan het Oosteinde, nu nummer 60, waar de familie Stolte woonde. De deur links gaf oorspronkelijk toegang tot de timmerwerkplaats.

Midden in de kamer stond een grote potkachel met kachelpijp naar de schoorsteen, waarin worst en spek hing. Er lagen rode estriken op de vloer. Een mahoniehouten kabinet en dito kast stonden tegen de wand en er was een bedstee voor de ouders. Kortom, het was heel wat anders dan ik thuis gewend was. Verder was er een tussenkamertje waar “mijn” bedstee was (met aardappels er onder) en daar was ook de kelder. In dit kleine knusse tussenkamertje werd in de zomermaanden geleefd en gegeten.
Vervolgens kwam je op de deel waar het vee stond en waar het lekker warm was. In die ruimte met drie koeien, een paard, een paar varkens en de kippen, was ook een kamertje gemaakt voor de zoons Hendrik Jan en Evert Jan. Boven het vee, op de hilde, was een hok getimmerd waar Gerard sliep. De beide dochters Dina en Jo hadden een apart kamertje in een andere ruimte, de geute of pompstraat naast de kamer.
Via de deel kwam je in een zogenaamd stookhok waar de was werd gekookt en ook het voer voor de varkens. Ook was er de timmerhoek want vader Hendrik Jan was timmerman. Hij deed dit naast zijn boerderijtje van zo’n vier hectare. Werk genoeg dus. Ik mocht graag bij hem staan om te zien wat zijn handen nu weer te voorschijn brachten. Als hij zo bezig was, dan was hij een gezellige prater.


Familie Stolte op een foto van omstreeks 1935. Vlnr: Hendrik Stolte, opa Hendrik Stolte, Dirk Stolte, Evert Jan Stolte, Hendrik Jan Stolte, Dina Stolte, Evertje Stolte-Witten met op schoot Jo Stolte en Geertje Stolte. Op de grond vlnr: Gerard Stolte en Hendrik Jan Stolte.

Het was dus een groot gezin waar ik terechtkwam. Vader en moeder en de kinderen Dina van 25 jaar, Gerard van 22 die boekhouder bij de melkfabriek was, Hendrik Jan van 18 die ook timmerman was, Evert Jan van 16 die thuis werkte en Jo de jongste dochter van 13 jaar. Daar paste ik met mijn 11 jaar dus best bij. Jo ging op naailes bij mevrouw Schuurman in Den Hulst. Dan waren er ook nog twee getrouwde zoons waar ik vaak naar toe ging. Bij Dirk en Aaltje, die met hun dochter Eefje van twee jaar aan het Westeinde woonden, was een gastkind uit Zuilen in huis.

Ik deed mee aan alles wat er gedaan moest worden. Later, begin juni, hielp ik met het hooien. Dat was zwaar werk. Ik maakte mee dat er biggetjes werden geboren en dat er een varken geslacht werd. Dat kwam op een ladder op de pompstraat te hangen. Op diezelfde dag werd er aan de overkant bij de familie Kleen ook een varken geslacht. Dat gebeurde daar in een schuurtje dat wel vlak bij huis maar dicht bij de straat stond. Toen men onder het slachten even in huis koffie ging drinken werd de reuzel gestolen. Hoewel er niemand in de hele omgeving te bekennen was, gebeurde het toch!
Dat slachten moest stiekem gebeuren want als de Duitsers het merkten dan werd alles in beslag genomen. Het slachten vond ik prachtig. Ik mocht helpen met worst maken wat ik wel een vies werkje vond. Ook zag ik hoe bloed, spek en meel vermengd werden tot bloedworst. Vanaf dat moment eet ik geen bloedworst meer. Ik weet nog goed dat Jo en ik tijdens een latere maaltijd elk een varkenspoot kregen terwijl de drie jongens het met de staart en de beide oren op hun bord moesten doen. Met scheve ogen werd er naar onze beide borden gekeken. We hebben de poten toen maar verdeeld, zodat elk een stuk kreeg.
Ook heb ik veel geholpen met karnen. Heerlijk vond ik die boter op de grote sneden brood. Wanneer het brood weer op was dan werd er graan gemalen en werd er van dat meel deeg gemaakt. Dat kwam dan in een grote bakvorm voor brood. Ik ging wel met dat grote bakblik naar de bakker om het brood daar in de oven te laten bakken.

Er kwamen overdag ook veel trekkers langs die altijd bleven mee-eten. Ze hadden soms wel babykleertjes bij zich om te kunnen ruilen voor voedsel en zo kwam er ook een prachtige witte cape in het kabinet terecht. Omdat de toeloop van trekkers te erg werd, is het een poosje stopgezet.
We probeerden wel eens post te versturen, maar dat gaf veel problemen. Via trekkers en af en toe bekenden, zoals bijvoorbeeld onze groenteboer Bijman uit Bussum, konden we brieven en wat eten meegeven. Later bleek dat lang niet alles is aangekomen.
Op woensdag 7 maart was het Biddag voor het Gewas met een interkerkelijke bidstond. Hierin gingen voor dominee Hovius, christelijk gereformeerd predikant uit Zwolle en dominee De Vries, Nederlands hervormd predikant in Nieuwleusen. De kerk was tjokvol!


Hendrik Jan Stolte en Evertje Stolte-Witten op een foto uit 1955.

Toen de bevrijding dichterbij kwam, moest ik op een dag een fiets van een van de jongens naar de fietsenmaker in de buurt van de Viersprong brengen. Ik probeerde steeds te fietsen maar het ging moeilijk op die herenfiets en ik belandde bijna in de droge sloot. Toen ik naar huis terugliep kwam ik militairen tegen die gecamoufleerd met takken op hun helm in de droge sloot langs de weg liepen. Overal stonden de mensen buiten.
We woonden aan het Oosteinde toen een tijdje in een soort niemandsland, ’s nachts waren de Duitsers hier en overdag de geallieerden met hun tanks. Voor ons huis was de breedste dam van de omgeving en daar werd dan vaak gekeerd, dat zag en hoorde je. De kogels en hulzen vonden we ’s morgens op het erf.
Het was een angstige tijd. ’s Avonds kregen we allemaal een doosje lucifers en wat pepermunt voor het geval we plotseling het land in moesten vluchten. In die periode zijn we om even het gevaar te ontlopen ook een paar dagen naar oom Jochem in Balkbrug gegaan. Mevrouw Stolte in de zwarte koets, het paard er voor en Evert Jan op de bok en Jo en ik lopend er achter. Voor de andere jongens was achter op het land een schuilplaats gemaakt.

Op 13 april zijn we bevrijd. Dat was eerder dan bij onze ouders in Bussum. We bleven dan ook nog een poosje in Nieuwleusen. Daar trouwde de oudste dochter Dina met Bertus Knooihuizen uit Uithuizermeden. De trouwdag werd een paar keer uitgesteld omdat de familie niet kon reizen. Er reden toen geen treinen en geen bussen. Pas in juni was er weer treinverkeer van Meppel naar Leeuwarden en Groningen. De enige mogelijkheid om naar het westen te komen was in die tijd nog met de boot van Zwolle naar Amsterdam.
Hoewel we wel naar onze ouders wilden, was het begin juni nog niet bekend hoe en wanneer dat kon. Op maandag 18 juni vertrokken de kinderen uit Amersfoort naar huis.
Een week later op maandag 25 juni begon hier de school weer. Er was geen sprake van dat wij daar ook naar toe konden want er waren (volgens onze pleegouders) in totaal zo’n vijfhonderd “IKO” kinderen in Nieuwleusen. Daar was de school natuurlijk niet op berekend.
Toch kwam nog plotseling het bericht dat we op vrijdag de 29e juni, de verjaardag van prins Bernhard, naar huis konden. Aan het begin van de middag kwamen twee legerauto’s ons ophalen bij de Viersprong. Beide auto’s werden tjokvol geladen. Mijn broer kreeg twee konijntjes mee in een te groot hok dat ook mee moest. Het kon allemaal!
De IJsselbrug was een probleem. Die was namelijk door de Duitsers kapot geschoten en was nog maar provisorisch hersteld. Alle kinderen moesten daar uitstappen. Eerst gingen de beide auto’s over de brug en daarna de kinderen. Dat was een hoeraatje waard. Toen we er allemaal over waren hebben we met zijn allen het Wilhelmus gezongen, wat een aangrijpend gebeuren was.
Daarna ging het verder naar Bussum waar we in de loop van de avond aankwamen. Onze ouders wisten van niets en dus was het groot feest, vooral voor ons kleine zusje. Bij ons vertrek uit Nieuwleusen hadden we alle geldige bonnen van die week meegekregen. Daardoor kon onze moeder die zaterdag volop boodschappen doen en brood kopen. Ook dat was boffen.

Er was een einde gekomen aan een zeer enerverende tijd. Ik heb het in Nieuwleusen best naar mijn zin gehad. Ik was bij lieve mensen vol aandacht en zorg.
Toen Stolte overleden was, ben ik bij de begrafenis geweest wat erg op prijs werd gesteld. Met dochter Jo (Hof-) Stolte heb ik nog steeds contact. Mijn broer Roel heeft het contact met de beide jongste zoons altijd in ere gehouden.


School A en de onderwijzerswoning aan het Oosteinde tegenover de boerderij van de familie Stolte op een foto van omstreeks 1955.

* * *


EIND GOED, AL GOED ________________________________________________________

Alie Lips-Bosman

Telkens als de deur openging drong een koude windvlaag tot halverwege in het zaaltje. Her en der verspreid zaten groepjes kinderen bij elkaar aan tafeltjes. Sommigen keken onderzoekend om zich heen; anderen hielden onafgebroken de man in het oog die vooraan bij de bar stond met een stapeltje papieren in zijn hand.
De groep mensen, die bij de ingang bleef staan, werd steeds groter. Degenen die het laatst binnenkwamen probeerden over de schouders van de anderen heen een glimp op te vangen van de kinderen die gelaten zaten te wachten op wat er nu verder zou gaan gebeuren. Wachten waren ze wel gewend.
Het was al een dag en een nacht geleden dat ze afscheid genomen hadden van degenen die ze hadden weggebracht naar het schoolgebouw op het opgegeven adres.
Alie wist nog goed dat in de brief die vader liet zien stond dat Roedie en zij op 13 februari om 5 uur in de school aan de Oude Gracht moesten zijn. Aan de ene kant vond ze het wel spannend om op reis te gaan. In Smilde woonden immers oom Klaas en tante Geertje! Zo gauw ze daar zouden aankomen zou ze meteen naar hun boerderij toegaan want ze wist precies waar ze woonden. Eigenlijk waren ze een oom en tante van moeder en al aardig oud. In ieder geval te oud om hen in huis te kunnen hebben, maar als ze eenmaal in Smilde was, kon ze in ieder geval hen opzoeken.
Het was toch een prachtige kans om via het “IKO” die reis te kunnen maken! Vader had uitgelegd dat in deze tijd, nu de ouders geen mogelijkheid meer hadden om voldoende eten voor hun kinderen en zichzelf te kunnen kopen, de “IKO” zich onder andere bezig hield met kinderen uit de grote steden "naar de boeren" te sturen, waar ze tot de oorlog voorbij zou zijn tenminste goed zouden kunnen eten. Het "IKO” was het InterKerkelijk Overleg.
Het zou niet lang meer duren dat de oorlog afgelopen zou zijn en omdat er echt nooit genoeg te eten was, hadden vader en moeder besloten dat het het beste zou zijn om deze kans waar te nemen. Alie had het eerst niet geloofd toen vader zei dat hij Roedie en haar had opgegeven bij het “IKO”. Wie zou er dan in de rij bij de winkel moeten gaan staan en wie moest het eten uit de gaarkeuken gaan halen? Dat deed zij toch altijd?
Vader was zelf "opschepper" van een gaarkeuken in een andere school, een heel eind weg en hij was dus nooit thuis om die tijd. En hoe zouden ze bij de buren aan al die dingen moeten komen, want omdat de buurvrouw kleine kinderen thuis had ging zij, Alie, toch altijd alles halen?
Er ging bijna geen dag voorbij of ze stond ergens in de rij! Was het niet voor brood, dan was het wel voor aardappels; als je er niet gauw genoeg bij was, was het weer te laat en was alles op. Dat was haar al verschillende keren overkomen. Er waren altijd mensen die de kinderen die in de rij stonden opzij wilden duwen en zo voor hun beurt gingen. Moeder was altijd heel boos als dat weer gebeurd was en nu paste ze wel op!
Het duurde echter niet lang of de brief, waarin de dertiende februari als vertrekdatum genoemd werd, was gekomen. Toen het zo dichtbij kwam werd Alie toch wel wat zenuwachtig, te meer daar ze elke dag te horen kreeg dat ze toch vooral heel goed op Roedie moest passen. Hij was immers nog zo jong: pas acht jaar en zij was al twaalf. Eigenlijk wilde moeder Roedie helemaal niet mee laten gaan, maar omdat er nooit genoeg te eten was moest het wel.

De middag van de dertiende kwam al vlug en vader, Alie en Roedie liepen de lange weg naar de stad, naar de Oude Gracht. De school, waar ze moesten zijn was niet moeilijk te vinden. Bij de ingang was het een drukte van belang. Alie had goed gekeken of er misschien een meisje was dat ze kende, maar nee, iedereen was vreemd.
Toen vader hen meenam naar binnen moesten ze gelijk al afscheid nemen. Het was een ontzettend lawaai van allemaal door elkaar pratende en schreeuwende mensen en kinderen. Ze kreeg de tas, die vader had gedragen en waar hun kleren inzaten, in de handen geduwd en vader zei nog een keer dat ze Roedie nooit alleen mocht laten. Voor ze het wisten was vader weg en werden ze meegenomen door een mevrouw naar een klaslokaal waar heel veel kinderen in de schoolbanken zaten. Sommige kinderen zaten te huilen en anderen holden weer de bank uit om bij de deur te gaan kijken. De mevrouw riep heel hard dat ze allemaal moesten blijven zitten en dat er zo iemand zou komen om uit te leggen hoe het verder zou gaan.
Het duurde heel lang en er gebeurde niets; alleen het lawaai was verschrikkelijk. Opeens werd het stil: twee mannen brachten een grote gamel binnen en zeiden dat iedereen zijn beker moest pakken. Alle kinderen pakten hun tas. Op de lijst waarop stond wat je mee moest nemen stond ook een ijzeren bord en beker en een lepel.
In de gamel zat soep waarvan de damp af sloeg toen het deksel eraf ging. Nadat de soep op was moesten alle bekers weer in de tassen. De mevrouw ging voor in de klas staan en zei dat we eerst een paar uur zouden gaan slapen en als het goed donker was zouden gaan vertrekken. Rij voor rij mochten de kinderen nu opstaan en met haar meekomen. Alie had Roedie's hand goed vastgepakt hoewel hij die steeds wou losrukken. Op de gang wilde iedereen tegelijk naar de w.c. maar dat mocht niet van de mevrouw. Ze zei dat je eerst je slaapplaats moest weten en dan even mocht gaan.
Op de gang kon je steeds een klaslokaal binnen kijken en Alie zag dat er in de meeste lokalen geen banken meer stonden maar stro op de grond lag. Ineens werd Roedie bij zijn andere hand gepakt en iemand zei tegen Alie: "Loop jij maar door. Hij moet op de jongenszaal".
"Ik mag hem niet alleen laten", had Alie gezegd en ze voelde dat ze haast moest huilen. De mevrouw zei dat het echt niet anders kon en dat ze Roedie straks echt weer zou zien en dan mocht ze bij hem blijven.
Op de meisjeszaal moest iedereen op de grond gaan liggen in het stro. De kleren moest je aan houden. 't Was hard hoor om op de grond te liggen maar ze had toch nog wel even geslapen. O, als ze Roedie nou maar weer kon vinden!
Een poos later werd ze wakker van het licht dat plotseling aangedaan werd. Veel kinderen probeerden met hun tassen door de deur te dringen. Alie probeerde om de klas te vinden waar Roedie gisteravond was ingegaan, maar kwam hem op de gang al tegen. Hij huilde en vertelde dat een jongen op zijn bril had getrapt die hij naast zijn hoofd op de grond had gelegd. Ze ging met hem mee en vond onder het stro de bril met een kromme poot en een kapot glas. Ze boog de poot een beetje bij en deed de stukjes glas in haar jaszak. O, wat zou moeder zeggen dat de bril stuk was? Nu had ze niet goed op Roedie gepast. Maar eigenlijk kon zij er toch niets aan doen? Dat zouden ze thuis toch wel begrijpen?
Het was een gedrang van jewelste in de gang waar heel veel kinderen tegelijk naar de voordeur wilden. Voor de school stonden vrachtauto's. Je kon ze haast niet zien want het was donker buiten. Bij de deur stond een man die steeds zei dat iedereen door moest lopen en opschieten. Alie en Roedie hielden elkaar weer goed vast en voor ze het wisten werden ze opgetild en op de vrachtauto gezet. Iedereen moest zover mogelijk doorschuiven en op de grond gaan zitten.

Wat een lange reis werd dat. Eerst vond je het wel leuk om met zo'n lange rij vrachtauto's achter elkaar te rijden door de donkere stad maar al heel gauw werd het aardig hard om op de grond te zitten en deed de zijkant van de auto zeer aan je rug. Met de trein was Alie al veel vaker naar Drenthe geweest maar dit duurde veel en veel langer en zien waar je was kon natuurlijk niet in het donker. Bovendien zat er een groot zeil over de auto heen.
Ineens stonden de auto's stil en Alie hoorde buiten zeggen dat ze bij de brug over de IJssel waren. Rondom de auto's hoorde je mensen lopen en omdat het al een beetje licht begon te worden kon je zien dat het soldaten waren. Je kon het trouwens ook wel horen aan hun laarzen die op de grond stampten. Er werd van alles geroepen en door elkaar geschreeuwd. De kinderen in de auto's begrepen eruit dat de brug afgesloten was. Misschien was hij wel stuk. Zouden ze dan weer terug gaan naar Utrecht? Het duurde heel lang en veel kinderen moesten nodig een plas doen. Als het echt niet anders kon mocht je even over de anderen heen klimmen en aan de kant van de weg in het gras gaan zitten. Koud dat dat was!
Ineens begonnen de voorste auto's te rijden en de hele rij zette zich in beweging; toch over de brug! Alie wist dat als je naar Smilde ging, je eerst langs Meppel kwam. Daar was ze al vaak geweest.
Hé, zou ze geslapen hebben? Toen ze weer eens onder het zeil door probeerde te kijken zag ze ineens de Vaart. Ja, ze zag het al. De auto reed aan de wegkant en aan de overkant was de stille kant. Aan die stille kant stond de boerderij van tante Geertje. Die zou ze best kunnen vinden, hoewel Smilde natuurlijk wel erg lang was. Misschien kwamen ze er wel vlak bij te logeren.
Ze had het idee dat ze al zo lang gereden hadden! Iedereen wist haast niet meer hoe te zitten en wilde steeds weer de benen even strekken. Sommige kinderen maakten ruzie omdat ze vonden dat ze te weinig ruimte hadden en eindelijk, eindelijk stond de auto stil. Alle kinderen probeerden weer onder het zeil door te kijken. Alie kon niets zien, maar een meisje dat aan de andere kant zat zei dat ze voor een café stonden waar het heel druk was.


Links café De Unie aan de Ommerdijk in Den Hulst waar de auto stopte.

De achterklep van de auto werd naar beneden gedaan en alle kinderen mochten eruit springen. Ze werden opgevangen want na zolang zitten waren de benen heel stijf geworden. Onwennig bleven ze op een kluitje staan om te wachten op de tassen en de koffers die aangegeven werden. Wie zijn tas had mocht naar binnen gaan. Bij de deur gingen de mensen opzij om hen door te laten en Alie zag allemaal vreemde gezichten die nieuwsgierig de binnenkomende kinderen opnamen. Natuurlijk nieuwsgierig want dit waren de mensen die zich opgegeven hadden om zo'n stads bleekneusje een poosje in huis te nemen.
Alie en Roedie bleven eerst staan, maar een meneer zei dat ze allemaal mochten gaan zitten en dat ze dan heel goed moesten luisteren of ze hun naam hoorden. Toen iedereen binnen was zei de meneer dat hij blij was dat de reis zo goed gegaan was en dat de kinderen veilig aangekomen waren. Hij zou nu de namen oplezen en ook de naam van de mensen die hen mee naar huis zouden nemen. Alie hoopte maar dat Roedie en zij samen in een huis zouden komen of in ieder geval heel dicht bij elkaar. Het werd heel stil want iedereen wilde goed luisteren.
Steeds als er een naam van een jongen of een meisje werd genoemd maakte zich iemand los van de groep mensen die bij de deur stond; alle mensen hadden dus al de naam van hun logeetje gekregen. Langzamerhand werd het rustiger in het zaaltje. De meeste mensen en kinderen waren al vertrokken. Alie keek nieuwsgierig naar de mannen en vrouwen die nu nog vooraan stonden. Met wie zou zij mee gaan? En Roedie, want die zat gelukkig nog steeds bij haar.
Ineens schrok ze, want bij de deur stond niemand meer. Alleen de heren die bij de man met de lijsten stonden waren er nog. Alie zag dat ze allemaal naar Roedie en haar keken en druk met elkaar gingen overleggen. Dat was vreemd! Het leek wel of ze "over" waren. Eén van de heren kwam naar hen toe en vroeg wie ze waren. Alie noemde hun naam en de meneer zei dat ze niet op de lijst stonden en dat er dus niemand was die hun kwam halen.
Het huilen stond Alie nader dan het lachen. Wat moesten ze nu beginnen? Het duurde nog even en ze moest nog heel wat vragen beantwoorden maar ja, Roedie en zij wisten natuurlijk ook geen raad en hoe dit kon wisten ze helemaal niet.
Ineens durfde ze te zeggen wat ze al een poosje bedacht had: "Meneer, kan iemand ons niet even wegbrengen naar mijn oom en tante? Bij hen mogen we vast wel komen, zij helpen ons wel. Ze wonen op nummer B 128, vlak bij de Pieter Hummelenbrug.”
"De Pieter Hummelenbrug? Die brug ken ik niet."
"Nou, ongeveer waar Hooger-Smilde begint."
"Ja, maar meisje, dat kan zo maar niet. Hooger-Smilde is nog heel ver van Den Hulst vandaan!”
Alie zei: "Ja, maar we zijn hier toch in Smilde? Daar moesten wij naar toe!"
De heren begonnen weer allemaal met elkaar te praten en ineens kwam de meneer die de namen had opgelezen weer naar hun toe en zei: "Komen jullie maar met mij mee. Geef mij je tas maar. Jullie gaan mee naar mijn huis. Dan zullen we wel verder zien."
Het was niet zo heel ver lopen. Toen ze bij een winkel (Van Marle, aan het kanaal in Den Hulst, red.) kwamen zei de meneer: "Hier is het, ga maar even mee achterom en blijf maar in de keuken bij Derkje wachten, dan zal ik mijn vrouw gaan zeggen dat we er zijn."
In de keuken was een vrouw met een schort voor die van alles vroeg. Maar Alie en Roedie konden haar niet zo goed verstaan en eigenlijk waren ze ook erg verlegen. Roedie moest naar de w.c. en de vrouw zei: "Och ja, jullie hebben al zo ver gereisd! Kom, doe je jas maar uit en ga maar even mee. Zijn jullie helemaal met een auto gekomen? Met een vrachtauto? En heb je dan wel gegeten? Zal ik eens een boterham voor jullie klaarmaken?"
O, wat hadden ze zin in een boterham! Het water liep hun in de mond toen ze dit hoorden. Ze hadden in de vrachtwagen onderweg ook wel een boterham gehad maar dat was al een hele tijd geleden. Maar ze hoorden ook nog iets anders.
De vrouw ging de deur van de keuken dicht doen maar ze konden toch horen dat er gezegd werd: "Hoe kon je dat nou doen? Je weet best dat we helemaal geen plaats hebben!" (De familie bood al onderdak aan het ondergedoken gezin van de broer van mevrouw Van Marle, red.) Er werd nog veel meer gezegd; af en toe klonk ook de zware rustige stem van de meneer tot de keuken door. Verstaan wat hij zei konden ze niet.
De vrouw in de keuken zette voor hen allebei een bordje met een heerlijke boterham met kaas neer en een glas vol melk. Wat zag dat er lekker uit! Ze zei: "Ik heet Derkje hoor! Ga maar lekker eten en wees maar niet bang. Het komt allemaal wel goed." Even later ging de deur weer open en de meneer kwam binnen. "Zo, heeft Derkje al voor jullie gezorgd? Dat is goed. Jullie hebben wel gemerkt dat er iets niet klopt. We hadden er helemaal niet op gerekend dat jullie hier in Den Hulst zouden komen. Je bent denk ik per ongeluk in een verkeerde auto terechtgekomen, maar nu jullie hier zijn kun je wel een poosje bij ons in huis komen. Mijn vrouw wist eerst even niet hoe ze dat zou moeten regelen, maar we hebben al iets bedacht zodat het kan. Ze komt zo hier dan kunnen jullie kennis maken.
't Is alleen heel jammer dat we in Utrecht niemand kunnen bereiken om te vertellen dat jullie hier zijn. Hoe dat moet zullen we nog even moeten bekijken. De brug over de IJssel is nu helemaal afgesloten, ook berichten komen nu niet meer over."


De Dedemsvaart in Den Hulst met achteraan met het zonnescherm naar beneden de winkel van Van Marle waar Alie en Roedie Bosman terechtkwamen.

En zo kwam het dat even later Alie en Roedie met de mevrouw mee helemaal naar boven in het huis gingen waar ze het bed konden zien waarin ze zouden slapen. Het stond op zolder en er was ook een kastje waarin ze hun kleren konden leggen.
Een paar maanden hebben ze bij "tante en oom" en hun drie kinderen gewoond. Rita was net zo oud als Roedie, met haar kon je leuk spelen maar de andere kinderen waren al heel groot. Wel 16 jaar of zo en die keken niet eens naar Alie.
Er werd goed voor hen gezorgd, Roedie ging naar school en Alie mocht Derkje helpen. Ze was al 12 jaar en hoefde niet meer naar school omdat op de eerste morgen dat ze in de klas was al bleek dat ze alle boekjes had gehad. De meester vond het beter dat ze maar weer naar huis ging want er waren al zoveel extra kinderen op de school gekomen. Gelukkig mocht ze ook wel naar de buren, boer Gerrits, waar nog kleine kinderen in huis waren net als bij de buurvrouw thuis en daar kon ze fijn helpen.
Alle "stadse" kinderen van het transport moesten om de beurt naar de kapper en de meisjes moesten kort haar laten knippen (voor de zekerheid dat er geen beestjes waren meegekomen). Alie vond dat verschrikkelijk want ze was juist zo trots op haar mooie lange vlechten. Na lang volhouden dat ze echt schoon haar had mocht ze gelukkig de vlechten houden.
Als het zondag was zagen ze de andere kinderen van het transport weer terug, want in de kerk moesten ze samen op een lange lage bank op een rij voorin zitten.
Er was geen gelegenheid om post te versturen, de brug over de IJssel was immers kapot. Contact met vader en moeder was er dus niet.

Nadat het in april vrede geworden was konden ze eerst nog niet terug. Eindelijk, precies op Alie's dertiende verjaardag eind juni, ging de groep stadskinderen weer terug. De brug over de IJssel was weer gemaakt.
Ook nu had de vergissing van het begin nog een gevolg want op de lijst van kinderen die uit Den Hulst terug kwamen stonden niet de namen van Alie en Roedie. Daardoor hadden vader en moeder geen bericht gekregen dat ze thuis zouden komen. Heel onverwachts kwamen ze dus op een namiddag de tuin inlopen. Ze waren zich niet bewust dat ze "weg" waren geweest en zeker niet dat vader en moeder al maanden lang erg ongerust waren omdat ze nooit iets hadden gehoord. Ze gingen er maar van uit dat Alie en Roedie veilig in Smilde waren. En nu, op Alie's verjaardag, daar kwamen ze samen weer gezond en wel aanlopen alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. Een stuk groter, een stuk dikker en gelukkig weer thuis!
Na de eerste verwarring waarin iedereen door elkaar praatte, wilde Alie op haar stoel gaan zitten, zoals altijd aan de tafel. "Ie zit op mien stee", zei ze tegen Roedie. Voor 't eerst lachten moeder en vader. Gelukkig, ze waren weer thuis.

* * *


ZONNETJE ________________________________________________________

Grietje Kreule-Kok

In de oorlog zijn er bij mijn ouders meerdere onderduikers geweest. Berend was er een van. Ik kan me nog herinneren dat hij in de eerste week dat hij bij ons was heel veel at. Aan een bord met een toren stamppot had hij niet genoeg. Hij at zoveel dat mijn moeder bang was dat hij er ziek van zou worden, maar dat is niet gebeurd.
Berend was architect, tekenaar of zoiets. Hij zou in mijn poesiealbum schrijven en daar een tekening bij maken als ik voor hem in het open raam in de zon zou gaan zitten. Dat is gebeurd en in mijn album staan zijn versje en tekening. Ik hoop dat ik zijn wens steeds heb waargemaakt.

De Meele 19 December 1943

Daar was ereis een meisken,
Een aardig meisken fijn,
Dat wou zoo graag het zonnetje,
Het vriendlijk zonnetje zijn.
Toen sprak de zon och meisken,
Och aardig meisken zoet,
Dan doe zooals het zonnetje
Het vriendelijk zonnetje doet.
Sticht zoete zonnewarmte
En licht en liefde thuis,
Dan wordt je ’t vriendlijk zonnetje,
Het zonnetje van ’t huis!
Dan wordt je ’t vroolijk zonnetje,
Het zonnetje van ’t huis!

Ter herinnering aan
Berend



* * *


Foto achterpagina: ________________________________________________________

Een kaart uit de vijftiger jaren als herinnering aan de Tweede Wereldoorlog.




Jaargang 26 nummer 2 juni 2008


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *


Foto voorpagina: ________________________________________________________

Een oude ansichtkaart van de Ommerdijkerbrug. De woning links met klompenhok is de brugwachterswoning.

* * *


VERSCHOLEN PARELS ________________________________________________________

Jakob de Weerd

Gelijk de parel ligt verscholen,
In ’t duister van der baren schoot,
Tot haar, ontrukt aan deze holen,
Des visschers moed voor ’t oog ontbloot.
Zoo lag ook Nederland bedolven,
Nog niet ontwoekerd aan de golven,
Nog niet begroet door d’eersten dag,
Tot dat de vlijt der Batavieren,
Natuur! op u mogt zegevieren
De wereld Neêrland worden zag.

Deze versregels zijn te vinden in het boek met de titel “Beknopt Aardrijkskundig Woordenboek der Nederlanden”. Het is geschreven door A.J. van der Aa met “medewerking van eenige Nederlandsche Geleerden”. Het boek werd in 1855 uitgegeven te Gorinchem bij J. Noorduyn en zoon.
In onze bibliotheek bevindt zich een exemplaar van het boek waarin voorin een stempel staat van J. Bosch Bruist. Het is dus in zijn bezit geweest en zal zijn aangeschaft in zijn functie van burgemeester van Nieuwleusen (1876-1916). Het boek is gerestaureerd en vermoedelijk ook van een nieuw omslag voorzien. Voorin zit een stickertje van “A. van der Linde, Boekhandel, Boekbinderij, Advertentiebureau, Deventer”.
De inhoud van het 1173 bladzijden tellende boek is een korte beschrijving van alle Nederlandse steden, dorpen, gehuchten en streken. Onderstaand nemen we de betreffende teksten letterlijk over van Nieuwleusen en de omliggende gebieden. De beschrijvingen leren hoe we ons het Nieuwleusen van toen moeten voorstellen: de hele gemeente had nog maar 1920 inwoners, die in 270 huizen wonen. Dat is gemiddeld per huis ongeveer 7,1 bewoners. Hierbij moet bedacht worden dat hier ook de meid en de knecht zijn meegeteld, evenals de inwonende (groot)ouders. Zowel in Ruitenveen als in Nieuwleusen is een school met respectievelijk 130 en 150 leerlingen. De Hermelijn wordt al niet meer gebruikt voor de afvoer van turf, terwijl de Dedemsvaart een druk bevaren kanaal is. Gemiddeld passeren er dagelijks ca. 16,5 schepen Den Hulst/Lichtmis. De kerk heeft nog geen orgel en er is jaarlijks in mei een kermis.

Voor een beter begrip van de teksten volgt hier allereerst een verklaring van de gebruikte afkortingen:

arr. = arrondissement
bund. = bunder = hectare
buurs. = buurschap
buit. = buiten(plaats)
d. = dorp
dorps. = dorpsschool
gem. = gemeente
geh. = gehucht
h. = huizen
heidev. = heideveld
herb. = herberg
Herv. = Hervormd
inw. = inwoners
kan. = kanton

klass. = klassis (classis)
leerl. = leerlingen
min. = minuten (lopen)
N. = noorden
O. = oosten
Over. = Overijssel
postk. = postkantoor
pr. = provincie
R.K. = Rooms Katholiek
st. = stad
u = uur (lopen)
v. = voet (ca. 30 cm)
W. = westen
Z. = zuiden

LEUSEN (NIEUW-), gem. pr. Over., arr. en kant. Zwolle postk. Meppel en Zwolle (4 m.k., 5 s.d., 1 j.d.) (afkorting onbekend, red.). Zij bestaat uit het d. Nieuw-Leusen, benevens de geh. Ruitenhuizen, Ruitenveen, de Meele en Den Hulst; beslaat 3919,5754 bund. en telt 270 h. met 1920 inw., die van landbouw en veenderij bestaan.

De inw., bijna allen Herv., maken eene gem. uit van de klass. van Zwolle, ring van Hasselt. De 5 R.K. parochiëren te Dalfsen. Er zijn 2 scholen.
Het d. Nieuw-Leusen, Nieuw-Leussen of Nieuw-leuzen, ligt 3 u. N.O. van Zwolle; met 114 h. en 710 inw.
De kerk heeft eenen toren, doch geen orgel. De dorps. telt 150 leerl.
Kermis in de maand Mei.
HULST (DEN), buurs., pr. Over. gem. en 36 min. van Nieuw-Leuzen met 51 h. en 350 inw.
ROUVEENSCHE HULST (DE), ook enkel Huls, geh. pr. Over., gem. Staphorst; met 10 h. en 40 inw.
RUITE (ROUVEENSCHE), uitgestrekt hooiland, pr. Over., gem. Nieuw-Leusen; groot 246,7360 bund.
RUITENHUIZEN of Routenhuizen, geh. pr. Over., gem. en 50 min. van Nieuw-Leusen; 21 h. en 120 inw.
RUITENVEEN of Routenveen, geh. pr. Over., gem. Nieuw-Leusen; met 76 h. en 440 inw. en eene school met 130 leerl.
OOSTERVEEN, 4 boerenerven, pr. Over., gem. en 20 min. O. van Nieuw-Leusen; te zamen 120 bund.
MEELE (DE), geh., pr. Over., gem. Nieuwleusen; met 15 h. en 90 inw.
LICHTMIS (DE), bekende herb. pr. Over., gem. en 1 ½ u. W. van Nieuw-Leuven (sec), aan den straatweg.
PUNTHORST, geh. pr. Over., gem. Staphorst; 3 h. en 24 inw.

ROLLECATE, geh. en buit., pr. Over., gem. en 1 ½ u. Z.W. van Staphorst; het geh. met 5 h. en 20 inw.; het buit. groot 126 bund.
LEUSEN (OUD), Oud Leuzen, of Oud-Leussen, vroeger enkel Leusen, buurs., pr. Over., gem. en 1 ½ u. O. ten N. van Dalfsen; met 76 h., 430 inw. en eene school met ruim 110 leerl.
LEUSENSCHE-VELD, heidev. pr. Over. gem. en 1 ½ u. O. ten N. van Dalfsen.
HERMELIJN (DE) of de Tolgracht, waterleiding, pr. Over., tot afvoer van het water uit de gem. Nieuw-Leussen dienende. Zij loopt door de gem. Zwollerkerspel van de Lage-Brug af, en watert aldaar uit in het Lichtmiskanaal.
DEDEMSVAART, vroeger genaamd Kanaal-van-Hasselt, kanaal, pr. Over., dat bij het geh. Ane, tegen over Gramsbergen, uit de Vecht komt; door of langs de gem. Ambt-Hardenbergh, Avereest, Ommen, Ambt-Ommen, Staphorst en Zwollerkerspel en voorts naar en door de st. Hasselt loopt, waar het zich met het Zwarte-water vereenigt.

Langs dit kanaal, hetwelk, op een verval van 21 v., 7 schutsluizen, eene breedte van 42 v. en eene bevaarbare diepte van 4 ½ v. heeft, worden jaarlijks meer dan 5000 scheepsladingen turf afgevoerd. Het heeft 17 zijtakken en is van het Zwarte Water tot in de Vecht bij Ane, 40850 ell. lang, de benedenste breedte is 5,02 ell.

* * *


VELDWACHTER HOLTIES ________________________________________________________

Ooit had Nieuwleusen nog echte veldwachters. Eén daarvan was Herman Holties die aan het Oosteinde woonde. Hij had er de wind goed onder. De jongelui (jongens) van Nieuwleusen kwamen in de Kerkenhoek op de kruising van Oosteinde, Westeinde, Ommerdijk en Dommelerdijk bij elkaar en bleven daar op straat “hangen”. Als Holties zei van: “het is mooi geweest”, dan ging iedereen naar huis. Deed je dat niet dan kreeg je geducht met de gummiknuppel. Veel jongens liepen dan ook met een boog om hem heen.
Holties stond in de oorlog bekend als pro-Duits. Hij was niet bij de NSB, althans niet openlijk. Het is niet bekend of mensen daarom last van hem hebben gehad. Naast de woning van Holties stond een boerderij, waarvan het gezin o.a. vier zoons telde. In de oorlog moesten twee daarvan onderduiken. Dit deden ze in hun eigen ouderlijk huis. Holties moet dat geweten hebben. Hij was dus beheerst in zijn optreden voor de bezetter.

Veldwachter Holties (foto uit 1936) was sleutelbewaarder van het distributiekantoor, dat in het Spieker aan het Westeinde, (het voormalige zomerverblijf van juffrouw Palthe) was gevestigd. Elke morgen opende hij de deur en ‘s avonds sloot hij die weer af. Op het distributiekantoor werden de bonkaarten bewaard.
Op een gegeven moment had de ondergrondse behoefte aan bonkaarten. Op de avond van 25 januari 1944 gingen drie mannen van de ondergrondse uit de regio Meppel de sleutel opeisen bij Holties thuis. Ze waren natuurlijk gewapend en Holties had ook een pistool. Omdat zijn dochter een van de overvallers zag en schreeuwde, trok Holties zijn pistool, maar de andere man was sneller en schoot hem neer (zie “De jaren 1940-45 in Nieuwleusen”, Nieuwleusen, 1995 en ook “De Knokploeg”, Meppel 2006, hoofdstuk 44).
Holties was niet op slag dood, maar overleefde uiteindelijk de aanslag niet. In het ziekenhuis in Zwolle is hij op 4 februari 1944 op 56 jarige leeftijd overleden. Op zijn begrafenis op de Algemene Begraafplaats van Nieuwleusen bewezen veel politieagenten hem de laatste eer. Zijn graf heeft geen grafsteen.

Hermannus Holties was afkomstig uit een echte Schoonebeker familie. Hij werd geboren op 26 november 1887 te Oud Schoonebeek. Zijn geboorteaangifte vond plaats op 28 november 1887 te Schoonebeek. Hermannus was een zoon van Hermannus Holties, landbouwer, 32 jaar en Aaltje Schlüter. Zijn moeder overleed op jonge leeftijd.
In zijn jonge jaren was Herman Holties boerenknecht in Steenwijksmoer. In die periode was hij de kroegbazen wel eens behulpzaam met het verwijderen van lastige elementen. Daarom kreeg hij op enig moment het verzoek om politieagent te worden. Aanvankelijk werd hij als onbezoldigd veldwachter aangesteld. Later werd hij gemeenteveldwachter, daarna rijksveldwachter. Bij zijn overlijden was hij opperwachtmeester.


Herman Holties in dienstuniform in zijn kantoor op het gemeentehuis. Links op het kastje staat een borstbeeld van koningin Wilhelmina. De ingelijste afbeelding die daarboven hangt, lijkt een affiche te zijn van maatschappij Ruys & Co, die op Nederlands-Indië voer (te ontcijferen zijn de woorden Java en Sumatra). Op het bureau staat onder de lamp een hoefijzer waarin een foto van Juliana en Bernhard. De foto dateert dus van kort voor de oorlog.

Herman was op 13 mei 1910 op 22 jarige leeftijd in Coevorden getrouwd met Jantina Valkman, geboren te Coevorden op 29 december 1884, dochter van Jan Egbert Valkman en Johanna Harmina Jacobs.
Herman Holties en Jantina Valkman kregen drie kinderen, waarvan de beide oudsten in Coevorden werden geboren: Johanna Harmina (Anna) op 22 mei 1911 en Hermannus Albertus Henderikus (Herman) op 31 mei 1915 (beiden op onderstaande foto).

Op 21 september 1916 werd Herman Holties in Nieuwleusen ingeschreven op het adres A 221 (nu Oosteinde 8). Daar werd op 17 november 1926 dochter Jantina Egberdina Jansje geboren.
Zoon Herman werkte bij bakker Massier aan het Oosteinde. Hij kreeg een ongeluk met zijn bakkerswagen en belandde in een sloot. Hij werd naar het ziekenhuis in Zwolle vervoerd en is daar op 15 maart 1937 overleden, waarna hij op de Algemene Begraafplaats in Nieuwleusen werd begraven. In het “Fotoboek Nieuwleusen”, blz. 48, is een foto van Herman als bakkersknecht te vinden.

Jantina Holties-Valkman was vermoedelijk geestelijk niet helemaal in orde. Dat zal ook wel de reden geweest zijn dat er in de familie van een oom van haar nooit over Jantina werd gesproken maar wel over haar man Herman. Ze werd op 18 juni 1934 ingeschreven in het bevolkingsregister van Deventer. Daarna werd ze tot haar overlijden nog verschillende keren naar een ander adres overgeschreven, zowel binnen als buiten Deventer (Coevorden en De Wijk). In de periode 20 oktober tot 12 december 1943 verbleef ze weer thuis in Nieuwleusen. Het laatst woonde ze in Wolvega, waar ze in februari 1975 overleed.

* * *


BOERENVERSTAND IN EEN KRIJGSGEVANGENKAMP ________________________________________________________

G.W. Beltman

In de bibliotheek van het museum staan drie dikke mappen met daarin de geschiedenis van de families Luten en Sok, opgetekend door Gerrit Willem Beltman. De schrijver heeft die familiegeschiedenis verlevendigd door steeds een tijdsbeeld te schetsen aan de hand van verhalen uit andere bronnen. Af en toe vertelt hij ook iets over zichzelf. Omdat hij in Nieuwleusen opgroeide, zijn dat voor ons interessante fragmenten. Over zijn ervaringen als KNIL-militair het volgende verhaal:

Nog in mijn jeugd werden door vader heideplaggen gestoken, als ik het goed heb “ien de wuust”, wat toen nog een heideveld was. Met een bemestingsvraagstuk kreeg ik zelf te maken in de oorlogsjaren op Borneo in Nederlands-Indië (nu Kalimantan in Indonesië). Van 12 januari 1942 tot 28 september 1945 diende ik als dwangarbeider de verheven keizer van “Dai Nipon”, ofwel Japan. (...)

Nadat in de strijd op Tarakan gesneuveld was wie van ons moest sneuvelen en nadat de Japanners na de overgave nog eens 215 krijgsgevangen KNIL-militairen ruggelings aan elkaar gebonden in zee hadden gegooid, op de plek waar twee Japanse oorlogsbodems in de grond waren geboord, werden de overlevenden als dwangarbeider te werk gesteld. Ik was daar een van. Krijgsgevangenen dienen behandeld te worden volgens de regels van de Conventie van Genève, maar ... Japan erkende die Conventie niet. (...)

Wij, de werkenden, kregen te weinig om van te leven en ... U denkt natuurlijk dat ik vervolg met te zeggen: “teveel om dood te gaan”, maar nee, ik vervolg met: en zouden er op den duur allemaal aangaan. Wanneer dan, als je ziek wordt, het motto wordt toegepast: “Wie niet werkt, heeft ook niet zoveel eten nodig”, dan gaat dat “eraan gaan” eens zo vlug.
Aangezien wij er weinig voor voelden keizer Hirohito in dat opzicht te plezieren, trachtten wij op alle mogelijke manieren dat “eraan gaan” zo lang mogelijk uit te stellen. We deden dat door ons hongerdieet zoveel mogelijk aan te vullen met alles wat maar enigszins eetbaar was en door onze magen werd geaccepteerd zonder in opstand te komen. Diefstal van kameraden werd niet getolereerd, maar diefstal van Japanners werd als een grote deugd gezien. Desondanks bleef het hongerlijden en hard werken.

Wellicht door die honger gedreven begon op een gegeven moment het agrarisch bloed van mijn voorvaderen zich in mij te roeren. In mijn jonge jaren in Nieuwleusen had ik, naast het boekhouden en handelsrekenen, bij meester Hoek een 2-jarige landbouw-wintercursus doorlopen en ook nog, met Marten van Hulst als leermeester, bij de zuivelfabriek Onderling Belang een melkerscursus gevolgd.
Met die kennis in mijn hoofd en honger in mijn buik begon ik alles in de natuur te beoordelen wat bruikbaar was als voedsel. Toppen van bepaalde varens, bladeren van sommige soorten bomen, struiken of onkruiden, slakken, kikkers, hagedissen, engerlingen, honden, katten, schildpadden enz. enz. Als het eetbaar was, ging het bij ons allen naar binnen. Overleven was het parool!
Een bepaald soort gras heb ik ook nog geprobeerd. Volgens een Javaanse makker zou het eetbaar zijn, maar toen begreep ik waarom een koe meerdere magen nodig heeft voor zijn spijsvertering. Het ging bij mij als gras naar binnen en kwam er zogezegd, ondanks zo’n anderhalf uur koken op een clandestien houtvuurtje, ook als gras weer uit. Met dat grasexperiment ben ik dus maar gestopt.
Na mijn verplaatsing, met ongeveer de helft van de krijgsgevangenen, van Tarakan naar Balikpapan, kwam ik, gedreven door die eeuwig knagende honger, op het idee een stukje berm langs de weg, dat grensde aan de zinkplaten schutting rond ons kamp, te benutten voor groenteteelt. Het was een stukje grond van zo’n dikke anderhalve meter breed en naar schatting tien meter lang.
Om te beginnen plantte ik er “ketella” (cassave). Neem een stukje ketellastruik van ongeveer 20 cm. Steek dat in de grond. Als het meezit heb je na zo’n vier maanden ketellawortels. Gekookt of gepoft doen ze denken aan aardappels. Ook rauw zijn ze te eten, maar de doktoren waarschuwden daarbij voor het hoge blauwzuurgehalte in de schil. Ook de jonge bladeren van de struik zijn eetbaar, al blijven ze ietwat aan de stugge kant, maar mogelijk zit er wat vitamine in en, alah, anders is het in ieder geval een maagvulling en wellicht goed voor de stoelgang. Hoewel ketella goed gedijt, was de grond schraal, zonder humus.

Zo hier en daar groeide wat armetierig gras. Wie weet was het opgebrachte grond waarop in het verleden de KNIL-kazerne, nu ons kamp, was gebouwd. Ik zat me te bezinnen hoe ik daar verbetering in kon brengen. Er moest miss, ofwel mest komen. Maar waar haal je die vandaan?

Gerrit Willem Beltman op een foto uit 1947 als Sergeant M.P. (KNIL) in Tarakan.

Vee dat mest produceert hadden we al in maanden niet gezien. Van de Japanse gastheer kregen we hooguit een tot op het bot uitgebeende ruggengraat om er een water-soep van te trekken (soms ook van haai of bruinvis). De enige mestproducenten in het kamp waren wij zelf, zij het met mate vanwege de hongerrantsoenen.

En zo kwam ik op het lumineuze idee de inhoud van de beerput te benutten. Riolering was er niet in ons kamp. Fecaliën werden afgebroken in een zogenaamde septictank.
Ik ging met beleid te werk. Nou ja, beleid? Achteraf bezien mogelijk met wat meer geluk dan wijsheid.
Om te beginnen deponeerde ik de eerste flinke spit grond op de weg die er naast liep. Hierna haalde ik het betonnen deksel van de beerput en schepte met een blik de dikke reukloze einddrab uit de septictank en stortte die in een dikke laag uit over mijn tuin.
Een van de doktoren kwam eens poolshoogte nemen. Wat ik daar in ’s hemelsnaam aan het uitvoeren was met die beerput. Terecht natuurlijk, want dysenterie had onder ons al tientallen levens geëist. Nadat ik alles had laten zien en uitgelegd, kreeg ik zijn fiat, met de woorden: “Oké, maar wel goed wegwerken dat spul.”
Ik werkte de tuin verder af door de eerste spit gegraven grond weer boven op de drab te brengen, waarna de grond klaar was voor gebruik.
Ik had een wilde posteleinplant gevonden en plantte die. Onnodig te zeggen dat ik die ging vertroetelen. Ook ging ik lombol-rawits (Spaanse pepers) zaaien, want die zit vol vitamine C. In de keuken werden soms meloenen als groente gefoerageerd. Ik vroeg de pitten/zaadjes en ging die uitzaaien. Het zaad ontkiemde snel en groene sprieten schoten de grond uit. Na een dag of vijf hadden we in onze “kongsi” extra groente/vitaminen bij onze halve klapperkop gestoomde rijst. (Een kongsi is in gevangenschap een economische eenheid van enkele mensen – in ons geval drie man – die samen delen wat overdag bij elkaar wordt gestolen of georganiseerd.)
Soms ruilde ik ook buiten de kongsi wat met anderen die bijvoorbeeld een paar speklapjes of wat vis uit de Japanse keuken hadden kunnen stelen.
Van enkele papajazaadjes had ik papajaboompjes opgekweekt. Ze groeiden als kool. Dat kon ook niet anders, want op de plaats waar ze stonden had ik eerst een flink gat gegraven en daar vervolgens wel zo’n 20 liter beerputdrab ingegooid, voor ik er weer zand opgooide. In dit aldus voorbereide bed plantte ik de boompjes toen ze ongeveer 20 cm. hoog waren – niet onmiddellijk met de wortels in de drab, maar wel zo diep dat ze er na verloop van tijd van zouden profiteren. Mirakels, wat groeiden die boompjes toen ze het goed op gang kregen.
Mijn wijze van tuinieren sloeg aan en meerdere kampgenoten gingen een stukje berm annexeren om daar een tuintje aan te leggen. Ze hadden blijkbaar gezien hoe ik werkte en dus trokken ook zij de beerput open om hun tuin te bemesten, maar... in tegenstelling tot wat ik deed - de oude uitgewerkte drab gebruiken - gebruikten zij ook de pas aangemaakte en nog niet genoegzaam door vriendelijke bacteriën bewerkte inhoud van de put.

Ik liep in mijn tuintje met mijn eeltige voeten op twee van plankjes gemaakte houten sandaaltjes. Vele anderen liepen op blote voeten. Een plantgat maakte ik met een stokje, zij drukten een gaatje in de grond met hun wijsvinger en drukten de grond aan met de volle hand. Gevolg van deze wijze van grondbewerken was dat menige “tuinder” binnen de kortste keren naar de dokter moest met ontstoken tenen en vingers, veroorzaakt door de te verse beerputdrab op hun tuintje.
Was het van mij beleid of geluk? Laat ik het houden op het laatste. Gelukkig gingen die onaangename gevolgen van het bemesten aan mijn voeten en handen voorbij.

De doktoren verboden al snel het gebruik van de beerput voor tuiniersdoeleinden.

Ook tomaten, waarvan ik het zaad had meegesmokkeld uit de Japanse keuken, trachtte ik te verbouwen. Helaas werden we overgeplaatst naar een primitief kamp buiten Balikpapan, midden in de wildernis, voordat de papajabomen zich ontpopten tot een vrouwtjesboom met vruchten of een mannetjesboom zonder vruchten en voor de tomaten konden rijpen.
Hier was van tuinieren geen sprake, alleen maar van sterven door honger en de daarbij behorende ondervoedingsverschijnselen zoals beriberi, pellagra, scheurbuik en algehele uitputting. Bij gebrek aan medicijnen eiste malaria zijn tol. Maar dat is een ander verhaal.

* * *


EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

Foto ZF055 = BG002

De leerlingen van de Openbare Lagere School te De Meele kwamen omstreeks 1982 op de foto.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  

juf Klaasje Dekker
meester Auke Bakker
Thea Kleinlugtenberg
Hans Huisman
Diane van Dijk
Aukje Grouwstra
Betty van Strik
Henk Scholten
Kees van Berkum
Tjiske Grouwstra
Jentho Roelofs

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  

Peter Kleinlugtenberg
Marcel de Boer
Henri Jonkers
Monique Brasjen
Ancilla Brander
Esther Brasjen
Farisa Brander
Martine Bakker
Martine Borger
Maschja Roelofs
Olivier Hamaker

23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
 

Floris Pieterse
Bart Jansen
Ellen van de Kolk
Alie Scholten
juf Greet Wissink
Hilbert van Berkum
Henno Slagter
Arnald van de Kolk
Wim Ganzeboer
Dirk Borger

* * *


ONS TBC-HUISJE ________________________________________________________

Gees Bartels-Martens

In 2005 kregen we het laatste tbc-huisje van Nieuwleusen aangeboden. De laatste jaren deed het dienst als opslagruimte bij een boerderij aan het Oosterveen. Het werd naar het museumterrein overgeplaatst waar het nu gerestaureerd en ingericht een onderdeel is van de museale collectie.

Het huisje
Tbc-huisjes werden beschikbaar gesteld door het Groene Kruis. In Nieuwleusen stonden er rond 1935 vier à vijf. Daarvan is er één overgebleven. Dat huisje stond bij Jan van Spijker, de baas van de Coöperatie, het bedrijf waaraan we in ons blad al eerder uitgebreid aandacht hebben besteed.

Jenneke van Spijker lapt in 1957 de ramen van het “kantoortje” van de brandverzekering in de tuin van woning van de familie Van Spijker aan het Westeinde.


In 1940 lagen er huisgenoten van Van Spijker in en Jan van Koop, zoals Jan van Spijker meestal werd genoemd, heeft het huisje later nog gebruikt als ruimte om er geld voor de brandverzekering te innen. Zijn schoonvader Klaas Bijker heeft de brandverzekering opgericht. Deze bouwde in 1871 een boerderij aan het Oosterveen 97. Zo wordt duidelijk waarom dit tbc-huisje in de jaren vijftig helemaal naar deze boerderij aan het Oosterveen werd verplaatst, naar de boerderij waar kleinzoon Klaas Bijker inmiddels woonde. Deze schonk het huisje aan onze vereniging. Na zijn overlijden heeft het een vaste plek op het museumterrein gekregen.

Het gebruik
De tbc-huisjes werden voor en in de oorlog gebruikt omdat men toen nog niet over antibiotica beschikte om de ziekte te bestrijden. Het lichaam moest zelf op natuurlijke wijze de ziekte te boven zien te komen. Er waren geen medicijnen voor en rust, gezond eten, frisse lucht en veel zon waren belangrijke factoren bij het genezingsproces.
Wanneer iemand besmet was met tbc, kon de familie er voor kiezen een tbc-huisje aan te schaffen. Dat werd dan op een zonnige plek in de tuin gezet. Er kon een bed in staan en een stoel en daarmee hield de ruimte dan ongeveer op. Er zaten veel ramen in die goed opengezet konden worden, zodat er veel frisse lucht doorheen kon waaien. Het geheel was gemonteerd op een draaiplateau, zodat het gedurende de hele dag mee kon draaien met de zon.





Het nog te restaureren tbc-huisje kort na de plaatsing in 2005 op het museumterrein.


De ziekte
Tbc was een gevreesde ziekte en zaaide als vliegende tering dood en verderf. Tbc is hier al bijna een vergeten ziekte, maar steekt door verre vakanties en immigranten uit niet-westerse landen af en toe weer de kop op. De ziekte komt meestal voor in de longen, maar kan ook in andere organen voorkomen. Er zijn twee vormen: gesloten en open tbc. Bij gesloten tbc heeft iemand de bacterie, maar is er niet ziek van. De patiënt kan de ziekte dan ook niet overdragen. Het is echter wel mogelijk dat zich in de loop der jaren alsnog een open tbc ontwikkelt.
Bij open tbc is de patiënt wel ziek en is de ziekte besmettelijk. Patiënten hebben last van vermoeidheid, koorts, zweten en gewichtsverlies. Ze kunnen anderen besmetten door hoesten en niezen. Wie nu de ziekte heeft moet een half jaar intensief meerdere medicijnen slikken. Bezoekers moeten een mondkapje dragen. Maar vroeger wist men nog niet zo precies hoe de ziekte de baas te blijven en werd met de bestaande kennis gedaan wat men kon. Bij gebrek aan geld en ruimte werden patiënten ook wel thuis verpleegd en besmetting was niet altijd te voorkomen. Sanatoria en tbc-huisjes waren een grote stap in de goede richting.

De patiënten lagen vaak een hele poos in het huisje en kregen veel melk en iedere dag een ei. Ze werden goed gevoed en wie er gezond weer uit kwam had over het algemeen wel wat vlees op de botten. Ze lagen er dag en nacht in, want ze waren besmettelijk. De één had het erger dan de ander, maar het bleef een zeer besmettelijke ziekte. Het ging er in hoofdzaak om dat ze niet zoveel met de huisgenoten in aanraking kwamen. De familie kwam zo weinig mogelijk bij hen, alleen voor het raam.

* * *


TERUGBLIK ________________________________________________________

Henny Dragt-Bruggeman

In 1962/63 verbleef ik een tijdlang in het Sanatorium in Hellendoorn. Hoe het was om daar te verblijven geeft onderstaand verhaal weer. Wie het geschreven heeft weet ik niet, maar ik bewaar het al jaren.

Een patiënte op bed in een weinig gerieflijk tbc-huisje. (Foto part. coll.)





Wanneer je moet gaan kuren, van een sanatorium hoort,
dan is er in je leven de rust totaal verstoord.
Je bent o zo verdrietig en denkt:
“Wie weet hoe lang zou ik daar wel moeten liggen?”
De toekomst lijkt zo bang.
Op zaal zijn er de vrienden, de onbekenden om je heen.
Niemand die iets van je kent of weet en je voelt je heel alleen.
En je ligt je suf te denken aan hetgeen nog komen moet.
De verhalen van de anderen geven niet bepaald veel moed.
Maar gelukkig komt de tijd snel dat je aan alles wennen gaat.
De zaalgenoten leer je kennen;
je went aan de regelmaat van het sanatoriumleven.
Je gaat studeren of leert ras leuke dingen te gaan maken,
waar voordien geen tijd voor was.
En dan blijkt het dat zelfs hier nog een dag je veel te snel vergaat.
Je bent zeer ingespannen bezig en voor je het weet is het al weer laat.
Dan zijn er de hoogtepunten, de mooie uren van de dag,
wanneer men je de post komt brengen of het bezoek weer binnen mag.
Of je luistert naar de radio en van een mooi concert geniet,
dat je heel de dag weer goed maakt, ook al had je wat verdriet.
Vele brieven ga je schrijven, je hebt er nu de tijd wel voor.
De band met vrienden en familie wordt er weer veel hechter door.
En wij gaan nu ook vertellen over eigen tegenspoed.
Ja, dan blijkt dat ieder huisje zijn eigen kruisje dragen moet.
Je leert je medemensen kennen in hun vreugde en hun pijn,
in hun warme medeleven met hen, die soms zo moedeloos zijn.
In hun soms opstandig wezen, in een slapeloze nacht,
omdat weer een kweek verkeerd was en men had het goed verwacht.
In hun toch weer snel aanvaarden van het doorstane leed,
door de kracht van Hem ontvangen die het voor ons bestwil deed.
En wanneer de dag is aangebroken van het eindelijk naar huis toe gaan,
Dan denk je vaak: “Wat is de tijd hier toch nog snel voorbij gegaan.”
Je bent o zo blij en dankbaar, het naar huis gaan is een feest.
En gelukkig kan je zeggen: “Het is geen verloren tijd geweest!”

* * *


KONINKLIJKE POPPEN ________________________________________________________

Op de tentoonstelling “Poppenlief en berenleed” in museum Palthehof zijn een 48-tal poppen uit de verzameling van de Stichting Historische Verzamelingen van het Huis Oranje-Nassau te Den Haag te zien. In dat archief bevindt zich ook een pop uit Nieuwleusen, die echter niet op onze tentoonstelling aanwezig is. De Nieuwleusener pop werd op 19 juni 1979 tijdens het “bejaardendefilé” aangeboden aan Koningin Juliana. De bejaardensoos “De Kerkenhoek” bracht die dag met zo’n veertig personen een bezoek aan Soestdijk. Een viertal afgevaardigden mocht kennismaken met de Koningin, te weten vlnr. Bep van Eyck-Schreurs (met pop in de daagse visitedracht), Berend Jan Marsman, Jentje van Duren-Bonen en (uiterst rechts) Willem Venema. Aartje Schoemaker-Ytsma (midden) organiseerde het en mocht op verzoek van de Koningin toch de bus verlaten, evenals de vorige “leidster” Dien Hulsebosch-Veerman (naast de Koningin) en mevrouw Koers uit Berkum, de kleedster van de aangeboden pop.


* * *


EEN VOLKSVERHALEN- VERTELLER ________________________________________________________

Jakob de Weerd

Nadat Ruben Koman zijn boek “Dalfser muggen” had afgesloten, kwam hij tijdens zijn werkzaamheden op het Meertens Instituut in Amsterdam een map tegen met volksverhalen van een Nieuwleusenaar. Deze verhalen waren op 25 juli 1966 door de volksverhalenverzamelaar F. Wever uit de provincie Groningen voor het Meertens Instituut bijeengebracht. Als verteller was genoteerd A. Visser, geboren in 1883 in Nieuwleusen en sinds 1956 woonachtig in Genne (Hasselt). Zijn beroep was landbouwer.
In het hiernavolgende artikel nemen we de letterlijke tekst van de door hem vertelde volksverhalen op. Eerst volgen hier nog de genealogische gegevens van de verteller. Deze komen uit de stamboom Visscher die op internet is te vinden.

De hiervoor genoemde A. Visser blijkt Antonie Visscher te zijn, roepnaam Tone of Toon.

Antonie Visscher, geboren 24 maart 1883 te Nieuwleusen, overleden 13 juni 1972 te Genne, zoon van Lambert Visscher en Annigje Frijlink, trouwt 27 mei 1909 te Nieuwleusen met Evertje de Graven, geboren 1885 te Dalfsen, overleden 1926.

Kinderen:

Lambert 1909 - 1986
Hendrikje 1912 - 1994
Annigje 1915
Berendina 1918 - 1957
Berend Jan 1920
Wilhelmina 1921

Lambert Visscher, geboren 12 maart 1839 te Zwollerkerspel, zoon van Antonie Visscher en Reintjen Reinders, trouwt
1     op 22 april 1875 te Zwollerkerspel met
      Margrieta Laanbroek (1835 - 1880).

      Kinderen:

Antonie
Reindert 1879

2     op 14 oktober 1880 te Zwollerkerspel met
       Annigje Frijlink (1850), weduwe van Arend Boertjes.

      Kinderen:

Antonie 1883 - 1972
Annigje 1886
Reintje 1890 - 1971

Antonie Visscher, geboren 27 december 1797 te Zwollerkerspel en aldaar overleden 12 maart 1877, zoon van Derk Visscher en Everdina van der Kolk, trouwt
1     op 1 mei 1824 te Zwollerkerspel met
      Egberdina van der Klogt (1799 - 1838).
      Uit dit huwelijk 6 kinderen.
2     op 27 februari 1839 te Zwollerkerspel met
      Reintjen Reinders (1812 - 1894)

     Kinderen:

Albert 1842 - 1918
Egbert 1844
Derkje 1853
Jan
Lambert 1839
Willemiena 1848
Klaas 1850

Derk Visscher, geboren in 1776 te Zwollerkerspel (Haerst) en aldaar overleden 8 februari 1833, zoon van Antony Visscher en Wiesjen Westerveld, trouwt op 1 mei 1796 te Zwolle met Everdina van der Kolk (1769 - 1852).

Kinderen:

Antonie 1797 - 1877
Gerridina 1800 - 1864
Klaas 1803 - 1876
Wichert 1803
Hendrik 1805 - 1871
Lambert 1809
Jannes 1811 - 1881

Antony Visscher, geboren 1730 te Zwartsluis, begraven 16 juni 1796 te Zwolle, zoon van Hendrik Visscher en Merrigjen Hendriks, trouwt in 1760 met Wiesjen Westerveld. Uit dit huwelijk wordt in 1776 Derk geboren. Later trouwt Antony met Wiesse Lamberts.

Hendrik Visscher, geboren 14 december 1692 te Vollenhove, zoon van Tonnis Visscher en Cibilla Pitjen, trouwt met Merrigjen Hendriks. Uit dit huwelijk wordt in 1730 Antony geboren.

Tonnis Visscher, geboren 25 augustus 1669 te Vollenhove, zoon van Evert Jacobs en Mette Otten, trouwt in 1691 met Cibilla Pitjen. Uit dit huwelijk wordt in 1692 Hendrik geboren.

Evert Jacobs, geboren 1644 te Vollenhove, zoon van Jacob Dirks Huigen en Alijd Everts, trouwt met Mette Otten. Uit dit huwelijk wordt in 1669 Tonnis geboren.

Jacob Dirks Huigen, geboren te Vollenhove, zoon van Dirk Arends Huigen en Woltertje Voerman, trouwt in tweede huwelijk op 12 mei 1643 met Alijd Everts. Uit dit huwelijk wordt in 1644 Evert geboren.

Dirk Arends Huigen, geboren te Vollenhove, zoon van Rutger Huigen en Trijne Jans, trouwt in tweede huwelijk op 29 juli 1642 te Vollenhove met Woltertje Voerman. Uit dit huwelijk wordt Jacob geboren.
De vader van Rutger Huigen is Arend Huigen die in 1582 is geboren.

Antonie Visscher, de verteller van de volksverhalen, ging in 1956 inwonen bij zijn dochter Hendrikje. Deze was getrouwd met haar neef, die ook Antonie Visscher heette. Ze woonden op het adres (nu) Glinthuisweg 7 te Genne (Hasselt). Zoon Berend Jan Visscher bleef in Nieuwleusen wonen op het adres (nu) Westeinde 100. Hij was bekend als Jan van Tone.

* * *


VOLKSVERHALEN ________________________________________________________

A. Visscher

1
Er was eens een vrouw aan het pannenkoeken bakken. Het gelukte niet al te best; ze kon de koeken niet naar de zin krijgen. Daar ziet de vrouw een zwarte kat op de onderdeur van de baander zitten; het beest roept: “Ie hebt et meel esteuln, ie ebt et meel esteuln.”
De vrouw wordt hels op die smerige kat en geeft hem een mep met de hete pan op de kop. Een dag later merkt ze, dat een der buurvrouwen een verband om het hoofd heeft; haar had ze geslagen, want de vrouw, die als heks bekend stond, had zich in een kat veranderd.

2
Dit verhaal heb ik van mijn vader. Zelf heb ik ook een vrouw gekend, die de naam had van te kunnen heksen. Ze woonde in de omgeving van Dalfsen. Toen ze later stierf, werd haar dochter er van beschuldigd; deze leeft eveneens niet meer.
Er was eens een kind ziek; in het veren bed werden kransen gevonden; toen was het een uitgemaakte zaak, dat de bewuste heks de schuldige was. Gelukkig wisten ze hoe ze handelen moesten; het middel was algemeen bekend.
De heks komt op zekere dag naar het kind kijken en vraagt: “Hoe gaat het in godsnaam met de zieke?”
Het antwoord was: “Het zal in godsnaam wel weer genezen.” Toen de vrouw vertrokken was, ging men als volgt te werk. Er werd een zwarte kip met witte oorlellen uit het hok gehaald. Men zocht een ijzeren pot en daar kwam de kip levend in. Het deksel werd goed vast gemaakt en daarna kwam de pot boven het vuur te hangen. (Men had toen nog haardvuren). Op deze manier kon men heksen weren.

3
’t Gebeurde ook wel, dat de melk behekst was; dan kwam er geen boter in de karn. Maar dan kon men niet zo maar de schuldige aanwijzen.

4
Er zijn kinderen, die geboren worden met een dubbele helm voor het hoofd. De dokters zijn er gek op en nemen ze mee. Vroeger was dat anders met bakers en vroedvrouwen. Zo’n helm moet weg genomen worden. Men moet dan een pannenkoekje bakken en de helm daarin verwerken. Het kind behoort dat spul op te eten. Dan is er later niets aan de hand. Als het kind de helm behoudt, dan kan het later kwaad zien. Zo heb ik mannen gekend, die ’s nachts het bed uit gingen en de weg opliepen. Ze deden de hekken los, die op de wegen waren aangebracht om de lijkstatie door te laten, die ze zagen. Een dubbele helm had waarde, omdat die je beschermde tegen ongelukken, bijv. in de oorlog. Napoleon moet ook met zo’n helm geboren zijn. Daarom namen de dokters ze dus mee. En nu hoort men er niet meer van.

5
Bij Nieuwleusen is een kolk, die er al sinds mensenheugenis bestaat. Op zekere dag kwam er een stem uit de kolk:
“Hier is de tied; maar ie is er niet.”
De volgende dag gaat een boer met zijn paard naar de hengst. Bij de kolk wordt het dier wat schichtig en begint achteruit te lopen. De man kan het beest niet in bedwang houden en paard en ruiter verdwijnen in de kolk. Nooit heeft men er iets van teruggevonden.

6
Grote witte wieven zweefden vroeger over de velden. Zo vertelde m’n grootvader; in de omgeving van de hoge streken. Ze hadden geweldige schorten voor; daarin droegen ze zand en zo versjouwden ze hele heuvels.
Soms zat er een gat in het schort en dan liep er wat zand uit. Zodoende ontstonden tussen de hoge heuvels hier en daar kleine heuveltjes. Kwaad deden de witte wieven niet.

7
Een sterfgeval is op komst, als de honden huilen. En ook, als de kippen met een strohalm over de staart lopen. Anderen zeggen dat er een ongeluk voor de deur staat, wanneer de kippen een strohalm in de bek hebben en daarmee over de deel lopen.

* * *


RECTIFICATIE ________________________________________________________


Op blz. 6 van het maartnummer moet de naam van moeder Schaapman geschreven worden als Hendrikje Schaapman-Koezen.
(Dit is in de tekst aangepast.)

* * *


APPERLO EN VAN DE GALIEN ________________________________________________________

Reacties van lezers

W. Logtenberg
Naar aanleiding van jullie foto van de lagere school De Meele van omstreeks 1946 (kwartaalblad december 2007, red.) kan ik jullie misschien iets vertellen over de namen Apperlo en Van de Galiën. De familie Apperlo (afkomstig uit Vollenhove, red.) woonde aan de Hooiweg op de hoek bij de voormalige Hooibrug over het Lichtmiskanaal. Waar ze woonden, woont nu de familie Kisteman. De Hooiweg is bij de gemeentelijke herindeling in 2001 veranderd in Lichtmisweg en behoort nu tot de gemeente Zwolle. De familie Van de Galiën woonde aan de Venekampenweg waar nu een viaduct over de A28 is. Daar woont nu de familie Van Zijl.
Bij de familie Apperlo waren vier kinderen die allemaal nog in leven zijn. Marie, van de schoolfoto, woont in Nieuwleusen en Loes woont in Schoonebeek. Zij kan denk ik nog wel veel vertellen over de Hooiweg. Zoon Henk woont in Veendam waar hij een mechanisatiebedrijf had. De jongste dochter Cobi woont in Steenwijk en heeft daar een manufacturenzaak.

De familie Van de Galiën is omstreeks 1952 geëmigreerd naar Benfrew, Ontario in Canada. Ze hadden daar aanvankelijk een kleine boerderij, maar van lieverlee is dat uitgebreid tot een groot bedrijf. De ouders leven niet meer, maar zoon Meindert woont nu op de boerderij. Dochter Willy, die op de schoolfoto staat, woont in Benfrew en was getrouwd met Tamme Oegema die als beroep “plumber” had. Dat is loodgieter en hij deed veel bronboringen want iedereen in Canada heeft een eigen waterbron tot 100 of meer meter diep voor gebruik in voorhuis en achterhuis. Ik weet dat omdat ik een zus in Canada heb wonen die ook een bron heeft van 125 meter diep met zeer goed water en die geslagen is door Oegema.
Dan was er nog dochter Hilly die getrouwd is met Hultink uit Berkum. Er waren nog twee dochters die heel jong waren toen ze geëmigreerd zijn. Ze waren uit het tweede huwelijk van Van de Galiën en de kinderen uit dat huwelijk zijn een stuk jonger.
Dit is in het kort iets over de families Apperlo en Van de Galiën.

W. Stolte
Even een reactie op de vraag “Wie was Van de Galiën”. Rikkert van de Galiën woonde aan de Hoofdweg aan het vroegere Lichtmiskanaal, eerste boerderij rechts op de hoek was de boerderij van de familie Apperlo.
Ik heb de familie Van de Galiën van dichtbij meegemaakt. Als er teveel werk was op de boerderij, kwam hij op de fiets langs en vroeg of ik hem helpen kon. Naar hedendaagse maatstaven was ik zijn “oproepkracht”. Ik was veertien jaar en ging naar de Landbouwschool in Rouveen. Vader Stolte vond “bi’j een aander leer ie meer as bi’j mi’j”.
Van de Galiën was gehuwd geweest met Altje (Aaltje) de Boer. Ze hadden twee dochters, Hilly en Willy (schoolfoto). Van de Galiën werd weduwnaar en Hilly en Willy moesten flink aanpakken. Voordat ze naar de Hoofdweg kwamen, woonden ze in Drenthe. Van de Galiën had nog twee hectare land verder van huis op de Steenwetering aan de zandweg. Daar stuurde hij mij geregeld heen. Mesthopen uit elkaar gooien, greppeltjes open maken, enz. enz.
Van de Galiën hertrouwde met Hendrika Teuna Bos. Dat was na de oorlog. Nederland kwam zo’n beetje bij van de oorlog en Van de Galiën ging met zijn buren Klaas Bouwman en Willem Timmerman bij de reservisten, dat was de Nationale Reserve. Uniform aan, geweer op de rug. Zo waren dat echte militairen; oefening hier, oefening daar. Dat geweer van Van de Galiën speelde een grote rol. Als z’n “oproepkracht” aan de Steenwetering aan het werk was en het was twaalf uur, etenstijd dus, dan schoot hij een keer zijn geweer af: eten dus en lopend over die slechte zandweg naar de middagpot.
Inmiddels werden er drie kinderen geboren. Meindert was om en nabij de zes jaar (bij emigratie, red). Die heb ik goed gekend. Joke en Ieke waren nog klein. Canada speelde door z’n hoofd en Van de Galiën speelde met de gedachte te emigreren. Dat was in 1953. Hele families trokken weg, Canada was favoriet. Van de Lichtmis zijn toen vertrokken de families Van de Galiën, Rook, Visser, Endeman, Van de Kolk. Naar Brazilië gingen Hilbrand de Boer en Anton A. Buist. Het waren allemaal veelal kinderrijke gezinnen. Dat emigreren was wel iets anders dan nu, heel lang op de boot en dan beginnen in een vreemde en vaak desolate streek.
We waren vorig jaar in Canada en hebben Meindert, nu verengelst tot Maynard, gesproken. Hollands kon hij niet meer.

Hierbij nog een aantal familiegegevens:
Rikkert van de Galiën trouwde dus met Altje de Boer.
Kinderen uit dit huwelijk:
Hilly, getrouwd met Jaap Hultink uit Berkum.
Willy, getrouwd met Tamme Oegema van de Lichtmis.
Rikkert van de Galiën hertrouwde met Hendrika Teuna Bos. Ze hadden een boerderij met 420 acre grond (= ca 40 hectare). Rikkert overleed op 5 januari 1977 en Hendrika op 18 februari 1995. Beiden zijn begraven op het Rosebank Cemetery Rentrew.
Kinderen uit dit huwelijk:
Meindert, nu 58 jaar, ongehuwd maar gaat in 2008 trouwen met Helen Mae Waite. Hij is een laatbloeier dus. Hij beheert de “farm” en schrijft voor verschillende vakbladen.
Joke is nu 57 jaar en lerares op een Highschool in Oshawa, Ontario, Canada.
Ieke is nu 55 jaar en onderwijzeres in Georgetown, Ontario.

* * *


RECTIFICATIE ________________________________________________________

De foto op blz. 35 van het decembernummer 2007 dateert van voor 1953 toen de familie Jans naar Canada vertrok.
Op blz. 38 in dat zelfde nummer is vermeld dat Wolter Zomer vanuit de Goudenregenstraat naar Dedemsvaart is verhuisd en aldaar overleed rond zijn vijfenzestigste. Dit is niet juist.
Samen met zijn vrouw bleef Wolter Zomer wonen aan de Goudenregenstraat. Hij overleed daar in maart 1983 op vijfenzeventigjarige leeftijd, enkele maanden na zijn vrouw.
(dit is aangevuld in de tekst.)

* * *


Foto achterpagina: ________________________________________________________

Hilligje Bijker, dochter van Hendrik Jan Bijker en Klaasje Bijker.



Jaargang 26 Nummer 3 september 2008

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ______________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina: _________________________________________________________

De Maranathakerk in Nieuwleusen-noord omstreeks 1965. Op de achtergrond nog weiland, de woningen aan de Parklaan moesten nog worden gebouwd en de Hulsterplas moest nog worden gegraven.

* * *

OOTMOED EN ORIGAMI ________________________________________________________

Chris Canter

Dit verhaal werd geschreven door Chris Canter (1980) die als redacteur en vertaler werkzaam was in Amsterdam en vervolgens in Madrid. Chris groeide op in Nieuwleusen en schrijft al vanaf zijn vroege kindertijd. Met zijn verhalen en gedichten won hij diverse prijzen. (Voor meer info: “Een rondje Nieuwleusen”, blz. 10, Kampen, 1997.)
Het verhaal “Ootmoed en origami” speelt in Nieuwleusen en de plek zal voor velen herkenbaar zijn. Dit is de reden dat we Chris toestemming vroegen om het in ons kwartaalblad te publiceren. Het verhaal werd eerder gepubliceerd in het christelijk literaire tijdschrift "Liter" (nummer 38, september 2005).

Dear child! dear Girl! that walkest with me here,
If thou appear untouched by solemn thought,
Thy nature is not therefore less divine

Wordsworth, It is a Beauteous Evening

Ik lag op mijn slaapkamer onbekende woorden te lezen in het woordenboek, zoals ootmoed en origami, toen mijn moeder ons riep voor de kerk. De klok was al een tijdje aan het luiden. De kerktoren stond aan de overkant van het water

en zag eruit als een stenen ladder en vanuit mijn slaapkamer kon ik tussen twee sporten de klok zien. Ook toen mij uitgelegd was dat de klok aan het luiden werd gebracht door een druk op de knop, behield ik het beeld van de koster die als Quasimodo aan een touw de lucht in werd getrokken en weer neerkwam.
Behalve de kerkklok hoorde ik vanuit mijn slaapkamer de eenden en de duiven. Ik had ooit gehoord dat een oom aan de overkant van het water een duiventil in zijn achtertuin had, dus ik geloofde dat alle duiven vanuit die ene til aan de overkant koerden. Het water was een niet al te grote plas, die wij de vijver noemden. Tot mijn verbazing hoorde ik eens hoe kinderen verderop in de straat over het water spraken als een meer, maar dat waren dan ook Jehova's getuigen, die alles anders deden en noemden.

Ik kwam de trap af de gang in, waar mijn moeder voor de spiegel haar lippen stiftte. Om de stift zat een felgekleurd kapje waar vogeltjes op afgebeeld stonden, dat ik zoals altijd gefascineerd bekeek. “Waar is dat kapje voor?”, vroeg ik. “Je kunt het openklappen, dan zie je een spiegeltje.” Dat had ik al die jaren niet geweten. Ik klapte het open en bekeek mijn tanden. Mijn moeder riep naar boven: “Ró-bert!” Mijn broertje was op zijn slaapkamer een robot aan het bouwen en moest zijn tanden nog poetsen. “We zijn al zo laat”, verzuchtte mijn moeder. Ik werd ongerust, want ik beeldde me in dat we zouden aankomen terwijl de koster de zaaIdeuren al gesloten had. Mijn broertje was minder benauwd en schoot alleen op omdat mijn moeder anders boos zou worden. We liepen om de vijver langs een tegelpad dat door struiken was afgescheiden van de achtertuinen van de omwonenden. De parkeerplaatsen aan de voorkant van de kerk waren allemaal al bezet. Een paar oude mensen wandelden richting de ingang, waar de koster stond te praten met bezoekers. Ik snapte niet waarom ze daar nog stonden als de dienst al begonnen was. Ik nam mijn moeders arm, stroopte haar mouw op en draaide haar pols om zodat ik op haar horloge kon kijken. Het was vijf voor tien. “We hebben flink doorgelopen”, zei mijn moeder.

Op een matje in het gangpad lag een herdershond met de kop tussen de poten; daarnaast lag een blindenstok. Ik hield mijn adem in en schoof langs de bankjes aan de andere kant van het pad. Een vriendinnetje had eens gezegd over de hond van haar ouders: “Als je blaast, wordt ze boos.” Ze had me een paar jaar geleden in de bijkeuken van hun huis alleen gelaten met die hond, misschien met een smoes. De hond, middelgroot, zwart, en Mollie genaamd - wat mij een misleidend lieve naam leek - stond in het midden van de bijkeuken en keek mij nietszeggend maar gedurig aan. Ik maakte een standbeeld van mezelf tegen de vrieskast aan en hield mijn adem in. Het vriendinnetje bleef veel langer weg dan ik het ademen kon uitstellen. Uiteindelijk liet ik mijn adem zo langzaam mogelijk ontsnappen. Ik was bang dat Mollie mij bij het geringste geluid zou doorhebben. Vele hulpeloze, ademschaarse minuten later keerde het vriendinnetje terug.

We gingen op de gebruikelijke hoogte in een bank zitten, niet te ver van het gangpad en de deuren naar de hal af, maar ook niet helemaal achteraan; een bescheiden plek die mijn moeder het meest praktisch leek. De man die voor mij zat, had een nek waarin de ouderdom een brede, platte x gegroefd had. Hij had niet méér haar dan een monnik. Om zijn rechteroor droeg hij een beige schelpje. Gehoorapparaatjes zag ik bijna elke zondag van dichtbij. Mijn moeder haalde het liedboek uit haar tas en legde het in de bank vóór ons. Ik pakte het meteen om de eerste twee liederen op te zoeken. Zo vroeg mogelijk legde ik het liedboek altijd open op het volgende te zingen lied, met het lintje tussen de pagina's met het daarna te zingen lied. Ik legde het lintje bij gezang 86: “De wereld is van Hem vervuld, die 't kennen gaat te boven, wiens heerlijkheid ons is verhuld, in vonken licht verstoven.” Boven het gezang stond “Peter Sohr 1668”. En zorgvuldig sprak ik in mezelf: “Freylinghausen's Geistreiches (ik las Geistriches) Gesang-Buch siebzehn vier”. Onder het laatste vers stond “Ad den Besten, geb. 1923”. Hij had op de een of andere manier met Peter Sohr samengewerkt, maar wel pas na diens dood. Ik rekende uit dat Ad den Besten negen jaar jonger was dan mijn opa. Jan Wit deelde zijn geboortejaar met mijn opa. Het was daarom dat ik mij het jaartal 1914 zo goed inprentte, omdat ik het elke zondag achter Jan Wit zag staan. Bij het eerste lied dat op de plankjes aan de muur vermeld stond, psalm 139, stonden geen personen genoemd. Bij geen enkele psalm stonden personen. Ik vond de psalmen daarom minder interessant dan de gezangen.

De dominee was binnengekomen. Hij liep door het gangpad zonder acht te geven op de blindengeleidehond, die even onder de toga bedekt ging. Ik vroeg me af of honden later bang zouden zijn voor mij in plaats van andersom. De koster sloot de deuren en ging in de achterste bank zitten. De hond lag te slapen, of met gesloten ogen te denken. Op de galerij boven, die naar het orgel voerde, zaten de Brassiens. Van deze familie werd gezegd dat ze bij elke gebeurtenis in het dorp vooraan stonden en dat ze overal in vertegenwoordigd waren. Zowel in mijn klas als in die van mijn broertje zat een Brassien. “Waarom gaan wij nooit boven zitten?” vroeg ik aan mijn moeder. “Dat lijkt me niet prettig”, zei ze. “Dan zit je er zo opvallend bij.” “Maar we kunnen het toch eens proberen?” begon ik te zeuren. Mijn moeder voelde er niets voor en zei dat ik er dan maar alleen moest gaan zitten. Ogenblikkelijk wist ik dat ik nooit bij het orgel zou zitten, want ik zou nooit alleen de galerij op durven gaan. Ik zou er weggekeken worden.

De dominee was achter de kansel verdwenen. Ik kon nog net een poot zien van de stoel waarop hij zat. Er gingen bloemen naar mevrouw Klompjan en naar het echtpaar Koezen. Ook de mensen die meeluisterden via de kerktelefoon werden gegroet. Ik bekeek de microfoon die aan een lange draad van het plafond hing. Ik kreeg bijna hoogtevrees door van de grond af naar het plafond te kijken. Een oudtante luisterde nu mee via de kerktelefoon en hoorde de mensen kuchen. Ik beeldde mij haar in: op de hoek van de bank in haar huiskamer, met de hoorn van een grote grijze telefoon in haar hand. Ik droomde ervan om mee te luisteren via de kerktelefoon in plaats van hier te zijn. Je kon rustig naar de wc gaan, je kon op kussens zitten zoals je wilde, je kon iets eten. Ik wist dat ik zulke dingen niet meer bijzonder zou vinden als ik eenmaal thuis was. Als ik voor straf van mijn vader in de hoek moest staan, leek niets mij mooier dan in huis te kunnen rondlopen en zitten waar ik wilde.

De mensen stonden op om psalm 139 te zingen. Ik wilde niet samen met de andere mensen in één beweging opstaan, omdat ik weigerde mee te doen met voorspelbare gewoontes. Ik wachtte altijd met opstaan tot het moment waarop de zang werd ingezet. Ik zong zachtjes mee, zodat mijn stem niet opviel. Aan de overkant van het gangpad stond een man te zingen met twee meisjes en een vrouw. Stel je voor, een zingende vader! Het was een heel lange man met stekelhaar en een baardje. Hij had een enorme schoenmaat, wat mij tegenstond. Een onbesuisd grote man, dacht ik met een bijwoord dat in de familie werd gebruikt. Mijn eigen vader ging niet met ons mee, omdat hij dan moest zingen over iets waar hij niet in geloofde en dat gaat moeilijk - zoals mijn moeder het had uitgelegd. Mijn broertje en ik vonden dat nauwelijks vreemd, want we waren niet anders gewend. Als ik rondkeek in de kerk, leek het me dat de volwassenen hun best deden om er saai uit te zien. Niemand droeg sportschoenen of een T-shirt van zijn favoriete band. Hun kinderen waren mooi. Ik keek jaloers maar gefascineerd naar alle meisjes en alle jongens. Van sommigen wist ik dat ze bij mij op school zaten, van sommigen vermoedde ik het, van sommigen wist ik naar welke andere school ze gingen. Schuin voor mij zat een witharige jongen die iets jonger dan ik moest zijn. Ik dacht dat ik hem kende, maar wist het niet zeker. Van kerkkamp kende ik een jongen, Sander Muller, die ik later ook weer in het zwembad had gezien. Zat hij nou voor me, of misschien een broertje van hem? Hij zat als enig kind tussen een man en een vrouw in. Ik kon nog niet goed naar hem kijken, want ik moest mijn aandacht bij het liedboek houden dat ik voor mijn moeder en mijn broertje omhoog hield.

De dominee kondigde stil gebed aan. Dit gebed was altijd kort, dus ik hield rustig mijn ogen dicht. Toen we na een paar woorden van de dominee, die altijd hetzelfde waren, weer gingen zitten, richtte ik mijn aandacht op Sander. Hij droeg een donkerblauwe wollen trui, een spijkerbroek en mooie witte sportschoenen. Onder de bank, vlakbij zijn schoenen, lag een bootje. Het was gevouwen uit iets wat leek op een Fruitella-papiertje. Ik besloot meteen dat ik het wilde hebben, want ik kon zelf geen bootjes vouwen en zou aan de hand van dit exemplaar kunnen uitvogelen hoe het moest. Mijn interesse groeide verder toen ik bedacht dat Sander het bootje moest hebben gevouwen en laten vallen. Sander was nooit mijn vriend geweest op kerkkamp, maar op afstand was hij me voortdurend opgevallen. Hij zat altijd stil en kalm aan een tafel en stelde zich niet aan. En als dit niet Sander was, was het nog altijd een jongen die op hem leek. Ik wenste dat ik bij zijn familie hoorde, zodat ik na de kerk met hem en zijn ouders mee naar huis zou kunnen. Onder geen voorwaarde durfde ik het bootje nu op te rapen. Mijn moeder zou boos worden, maar vooral was ik bang dat de familie Muller zou merken dat ik iets pakte wat van hen was. Ik hoopte dat Sander niet zou merken dat hij zijn bootje had laten vallen. Ik had het mezelf in gedachten al toegeëigend. Ik wilde iets hebben wat van hem was geweest.

Nu zongen we gezang 86 van Peter Sohr en Ad den Besten. Er werd weer gebeden en vervolgens uit de bijbel gelezen. Ik keek naar de kansel, met het paarse kleed met een p en een kruis, de tafel met de kaarsen, die tot verschillende hoogten waren opgebrand, het doopvont, dat verder van ons af aan de andere kant van de kansel stond, en de muur waartegen de kansel gebouwd was. De muur was bedekt met grove witte korrels, die ik op een bepaalde hoogte probeerde te tellen

vanaf de kansel tot aan het hoofd van de eerste ouderling. Maar de rijen korrels liepen scheef en vloeiden in elkaar over, en mijn blik werd steeds onscherp. Het was al net zo moeilijk als het tellen van de lange planken die naast elkaar over het plafond liepen. Ik ging over op het bekijken van de ramen aan onze kant; twee hoge glas-in-loodramen die met elkaar een landschap vormden. Er waren rotsblokken, een riviertje, een paar schapen en een herder. De schapen en de man hadden vreemde vormen, bepaald door de stukken glas-in-Iood. De man had felle gele en roze kleden om en zijn gezicht was een oningevuld oranje vlak met een grijs vlak als baard. In zijn landschap bracht ik onder het stilzitten de tijd door.

De dominee zei dat de kinderen na het volgende gezang naar de kindernevendienst mochten. Ik werd nerveus omdat ik met mijn broertje en nog een paar kinderen door het gangpad zou moeten lopen onder het starend oog van de volwassenen. Maar ook bood zich nu een gelegenheid aan om vóór het opstaan te bukken en een graai te doen naar het Fruitella-bootje van Sander Muller. Ik durfde het bij voorbaat al niet, maar ik móest het voorwerp hebben, want het was knap en priegelig gevouwen en Sander had het laten vallen. Onder het naspel van het orgel sproten hier en daar kinderen op tussen de volwassenen. Mijn broertje stond op. Sander stond op. Mijn voornemen stierf weg. Hij zou me kunnen zien. Hij was in een mum van tijd weg. Ik moest ook gaan. Ik peinsde er niet over om onder de bank te kruipen terwijl diverse hoofden naar ons toe gedraaid waren. Ik ging mee in de stoet. De koster stond bij de zaaIdeuren. We liepen door de ontvangsthal een gang in. De wanden waren met lichte planken betimmerd, net als thuis de wanden van onze overloop. Zo somber als ik kon worden van grijs beton met graffiti, zo plezierig vond ik deze gang, licht als de zon en geurend naar geverfd hout. In de rechterwand stonden drie deuren open. Mijn broertje moest in de eerste kamer zijn, voor de laagste leeftijdsgroep. Ik liep langzaam langs de open deur en keek naar binnen. Daar was Sander, of het broertje van Sander, of iemand die op Sander leek. Boudewijn Brassien, het klasgenootje van mijn broertje, ging er naar binnen. Zijn broer Rutger groette mij en ik ging met hem de tweede kamer binnen. We draafden naar achteren en gingen bij het raam zitten, aan het hoofd van een lange tafel. “Wie hebben we nu?” vroeg ik. “Mirjam”, zei Rutger. “Is ze al terug dan?” vroeg ik. “Natuurlijk”, zei hij, “heb je haar nog niet gezien dan?”

Op dat moment kwam ze samen met de laatste kinderen binnen. Ze groette ons vrolijk en kwam bij Rutger en mij zitten. We gaven elkaar bijbeltjes door. Juf Mirjam was een paar weken geleden getrouwd en was sindsdien weggeweest. Ze kon niet streng zijn en hield moeilijk orde. Ze vroeg ons altijd waar we het over wilden hebben. Ik had veel medelijden met haar en schaamde me als ze ergens met ons over probeerde te praten terwijl er geklierd werd. “Waar bent u geweest?” vroeg Rutger aan Mirjam. “We zijn naar Malta geweest”, zei ze enthousiast. “Daar zijn wij ook geweest!” riep Cedric, die zelf uit Suriname kwam. Ik wist niet waar Malta lag en of het een land of een stad was. Ik vroeg er niet naar. “Het ligt onder Italië”, vulde Cedric aan. Ik kon me onder Italië alleen de Middellandse Zee voorstellen en daaronder Afrika. Misschien was het een Afrikaans land. “Er heeft heel lang een ridderorde gezeten, hè”, begon Mirjam te vertellen. “De johannieters.” Johan en niet: ik vond het een lelijke naam die de hele orde verpestte. Mirjam zei dat deze ridders op kruistocht waren gegaan naar Palestina. Ik bladerde naar het eind van de bijbel voor mij op tafel. Op het flinterdunne papier, waar makkelijk vouwen in kwamen, stonden in zachte kleuren kaarten afgedrukt van de tocht van Abraham, van Palestina, Jeruzalem en de reizen van Paulus. Ik bewonderde het hoe perfect de kaarten waren afgedrukt, met bruine en groene tinten die in elkaar overliepen en lichtblauw voor de zee, en dunne letters die er met opzet antiek uitzagen: misschien zoals op kaarten uit die tijd, maar dan in het Nederlands. Ik nam mij voor om thuis ook weer landkaarten te maken. Ik had immers de hele zondag niets te doen.

Geleidelijk richtte ik mijn gedachten weer op wat er om mij heen werd gezegd. Mirjam vroeg ons om om de beurt vier verzen te lezen. Ik schrok, want ik had niet gehoord op welke bladzijde we moesten zijn. Ik keek het af van Rutger. Mirjam zag mij bladeren, maar zei niets. Cedric begon met lezen. Hij las met de vinger onder de woorden en moest elk langer woord een paar keer uitproberen voordat hij de juiste uitspraak te pakken had. Daarna ging de beurt naar Rosalie naast hem, een groot meisje, veel groter dan ik. Ik las in mezelf een stuk vooruit, keek naar de ramen, waar ik vaag door de dikke vitrage heen de struiken aan de voorkant van de kerk zag, keek naar het stapeltje bijbels op de grond en een televisiestopcontact daarnaast, en bekeek het schilderij aan de muur tegenover mij. Ik wist dat het een Van Gogh was. Er zat geen echte verf op, het was een kopie, maar toch had ik het idee dat het een kostbaar stuk was. Ik vroeg me af hoeveel mensen wisten wat hier voor bijzonders aan e muur hing. Ik zou er mijn moeder over inlichten. Het schilderij toonde een olijfboomgaard. Dit schilderij bepaalde hoe ik mij elke boomgaard voorstelde: een oneindige tuin van verwrongen bomen met laag gebladerte. Het schilderij was als een raam op een tuin en maakte dit een aangename kamer om in te zijn. Ik zou hier zelfs willen wonen. De olijfboomgaard was geruststellend, want ze was onveranderlijk, een altijd bloeiend Gethsemane, en volmaakt weergegeven, zoals achterin onze bijbeltjes volmaakte afbeeldingen stonden van het Oude Nabije Oosten. Ik schrok opnieuw. Mijn buurman was aan het woord. Straks zou ik verder moeten lezen. Ik zocht naar een zin die hij las. Mirjam gaf de beurt aan mij. “Euh”, zei ik, vol schuld gebogen over de bijbel. Ik vond de zin en begon in hoog tempo bij het volgende vers verder te lezen. “Rustig aan”, zei Mirjam. Later liepen we terug naar de hoofddienst. Mijn broertje liep voor me en voor hem liep Sander. Het bootje lag nog onder de bank. We gingen bidden. Ik hield mijn adem in en liet die nauwelijks ontsnappen, alsof de hond in het gangpad mij zou kunnen horen. Nog even, dan zou ik het bootje meegraaien, hoe dan ook. Onder de collecte overwoog ik om een kwartje te laten vallen, maar het zou een heel andere kant op kunnen rollen en ik zou ieders aandacht trekken. We zongen voor het laatst. De dominee zegende ons. We konden bijna gaan. Wie voorin zat, mocht het eerst weg. De banken liepen van voor naar achteren leeg. De volwassenen schoven zijwaarts uit de banken, als krabben - een pas opzij en aanschuiven, zwaaiend van rechts naar links. Het ergerde mij dat iedereen zo bewoog en dat de mensen zoveel op elkaar leken. Ze maakten grapjes onder elkaar en keken dan weer gelaten voor zich uit. Ze waren oneindig veel ouder dan ik. Ik kon ze niet begrijpen.

Sander, of zijn broertje, of wie hij ook was, stond voor mij. Ik bestudeerde zijn gezicht. Hij had een zacht uitziende huid. Ik dacht zijn shampoo te ruiken. Hij keek geen moment naar mij. De bank vóór ons raakte leeg, zijn ouders en hij waren weg, wij kwamen in beweging. Ik bukte gauw en graaide het bootje van de vloer. Mijn moeder keek met een half oog naar deze handeling. Maar niemand had iets gemerkt van mijn bedoeling. Niemand wist wat ik nu bezat. Buiten was overal het tikken van de fietsen waarop oudere echtparen wegreden. De auto's knarsten de parkeerplaats af. Mijn moeder, mijn broertje en ik staken de straat over en liepen langs de balken die aan het begin van het vijverpad een hek tegen fietsers vormden. Ik liep achteraan en bekeek het bootje van alle kanten. Thuis zou ik het uit elkaar halen om te begrijpen hoe het gevouwen was. Zo zou ik eindelijk iets kunnen leren wat velen al wisten, maar wat tot nu toe voor mij een geheim was gebleven.

* * *

't PEERDEFONDS ________________________________________________________

W.L. Schiphorst


In mijn jeugd was het veelal gebruikelijk dat de eigenaar van een paard dit verzekerde, zulks in tegenstelling tot de veestapel, die lang niet altijd verzekerd was. De paarden werden in Nieuwleusen over ‘t algemeen verzekerd bij het Onderlinge Paardenfonds. Twee keer per jaar vond er een “peerdemonstering” van de verzekerde paarden plaats en voor ons was dat een evenement van jewelste.
Op zaterdagmorgen kwamen Harm Bakker uit de Kerkenhoek en Jan Reuvers uit het Westeinde samen in de tilbury naar de Oosterhulst waar bij ons thuis de taxatie plaats had van paarden in dit deel van Nieuwleusen en de Maat. Er werd natuurlijk veel gepraat en eenieder moest op zijn beurt het paard laten draven en op die manier werd dan de waarde geschat door een paar bestuursleden van het fonds. De eigenaar kreeg dan een briefje met de geschatte waarde mee om te overhandigen aan de penningmeester en de secretaris (Harm en Jan ) die bij ons in de woonkamer zaten, Harm met de geldkist en Jan met het grote boek.
Deze beide heren bepaalden aan de hand van het geschatte bedrag de premie die moest worden afgedragen aan de penningmeester en de secretaris zorgde ervoor dat alles in het grote boek werd opgetekend, zoals eigenaar, merk, leeftijd en geslacht van het paard, alsmede de geschatte waarde en de premie. Een enkele keer was de eigenaar het niet eens met de taxatie en dan moest er even gepraat worden.
De ”gang” van het paard was erg belangrijk. De gezegdes “ ’t peerd löp wat nauw of wied in de achterbienen”, aanmerkingen op de voorbenen en de schoft of doorgezakte rug vielen regelmatig. ’s Middags rond een uur of vier kregen Jan en Harm nog even een afzakkertje, waarna ze hun eigen paard weer inspanden en vertrokken richting Nieuwleusen.

Doordat ik uit Nieuwleusen vertrokken ben is het mij niet bekend of dit paardenfonds nog bestaat en hoe het met dit fonds verder is gegaan. Wie eventueel nu het bestuur daarvan vormen weet ik niet maar er zullen vast mensen zijn die dit verhaal af kunnen breien.

Zo is er denk ik ook een verhaal verbonden aan de “Braandkaste” oftewel de Onderlinge Brandwaarborg Maatschappij, waarbij driekwart van de boerderijen verzekerd was en niet alleen boerderijen maar ook menig burgerhuis. Mijn vader heeft ook hier enige jaren naar ik meen als “directeur” gefungeerd. Veel kan ik er niet over vertellen maar een ding zal me altijd bijblijven en dat is het pijlen van hooibergen. Vele delen van de nacht heeft mijn vader in een hooiberg doorgebracht bij gevaar voor hooibroei. Vooral wanneer zo’n broeiende berg vlak bij het huis stond kon hij er niet van slapen en ging hij midden in de nacht nog maar weer eens kijken, vaak zonder dat de eigenaar daar weet van had.

“Peerdemonstering” bij smederij Westerveen aan de Backxlaan.

* * *

VOOR DRIE-EN-HALVE EEUW ________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma


Toen Nieuwleusen nog zo oud niet was
Was er niet veel om te zien
De heide bloeide lustig daar
Een enkel paadje was er maar.
Dat was voor drie-en-halve eeuw
Nu is een enkele heidestruik
In de burgertuin te zien.

Er kwam een vaarweg door de streek
Die meer op de “Olde Grachte” leek
Van Hasselt tot aan onze Stouw
Kwam ’t zeilschip toen al gauw.
Dat was voor drie-en-halve eeuw
Nu is die gracht erg ingekort
Rest ons nog de visserssport.

Zo haalden ze hier turf vandaan
Zou ’t over land ook sneller gaan?
De Dommelerdijk werd aangelegd
Met paard en wagen ging dat lang niet slecht.
Dat was voor drie-en-halve eeuw
Nu sjeest men met wat meer pk
De politie stuurt de bon wel na.

Zo kwam het leven hier op gang
De landbouw kwam steeds meer in zwang
De koeien loeiden in de wei
Het varken zorgde voor spek erbij.
Dat was voor drie-en-halve eeuw
De boer zet nu een loopstal neer
En rijdt per trekker op en neer.

De koopman deed ook zijn entree
En nam de mooiste spullen mee
In ’t bakhuis bakte men zelf z’n brood
Voor de snert was er de varkenspoot.
Dat was voor drie-en-halve eeuw
Nu is er een goede middenstand
De Chinees is zelfs ook hier beland.

Door al het werk in vroeger tijd
Is ons nu deze plaats bereid
Daar zijn we nu nog dankbaar voor
En zingen dan ook nu in koor.
Dat was voor drie-en-halve eeuw
Nieuwleusen was eens driehonderdvijftig jaar
Dat vierden we samen met elkaar.

* * *

Dit gedicht werd op 5 januari van het jubileumjaar 1982 tijdens de nieuwjaarsreceptie van de bejaarden door de schrijfster gezongen op de wijs van “Toen onze mop een mopje was”.

* * *

KRUMMELS ________________________________________________________

Meppeler Courant vrijdag 7 september 1938.
NIEUWLEUSEN. De jager G. v.d. Kolk schoot 13 patrijzen, A.J.K. de Liefde en J. Brouwer 13 en D.J. Kouwen en F.J. de Boer 10 stuks. Ook de andere jagers kwamen niet platzak thuis, daar hier veel patrijzen aanwezig zijn.

- In aansluiting op een in ons vorig nummer voorkomend berichtje over de te kleine Gereformeerde kerk te Nieuwleusen, waardoor verschillende menschen tijdens de eerediensten moesten buiten zitten, verzoekt men ons mede te deelen dat hoewel de kerk inderdaad aan de kleine kant is en men met de zitplaatsenruimte moet woekeren, er toch tot heden nog steeds voor elken bezoeker met goede wil gelegenheid geweest is binnen het Kerkgebouw de predikatie te beluisteren.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

foto BF050


Deze keer een foto van de Christelijke Lagere School Den Hulst uit omstreeks 1958.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  

Johan Stolte
Herman Sandink
Peter van Zomeren
Jan Vos
Koop Doren
meester H. ten Broeke
Jannes Vonder
Albert Visscher
Bert Breman
André Boers
Henk Vos
Klaas Prins
Geesje Stegerman
Alie ? Bovenhuis
Alie Bosch
Sinie Lammertsen

17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  

Jenny van Veen
Jannie Weelink
Henny Paasman
Diny Bovenhoff
Ria Tempelman
Adri van Blanken
Elly Bakker
Dinie van de Vegt
Henny Luten
Henk Kreule
Klaas Kuterman
Klaas Bangma
Henk Weelink
Roelof Kleen Scholten
Gerrit Schuurman
Jan Witten

33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
 

Bertus Geerts
Henk Vasse
Freek Jonkers
Henk Brinkman
Meeuwis Schuurman
Henk Huls
Spanky Edeling
Jan van Veen
Roel Schuurman
Roelof Groen
Hilbert Lier
Herman Gruppen
Klaas Visscher
Jan Vonder
Wim Gerrits

* * *

OVER TWEE HUWELIJKEN ________________________________________________________

Jakob de Weerd

Al weer een tijd geleden kwamen we in bezit van een “Zamenspraak”, met de hand geschreven door molenaar B.J. van den Berg in 1868. Het zeldzame stuk is een schenking van de familie Van den Berg.
Alles wijst er op dat het papier van de omslagbladen hergebruikt is. Het binnenwerk is ook uit grotere vellen samengesteld die met de hand geknipt zijn. Dit is te zien aan de niet kaarsrechte snijvlakken. Bovendien is niet elke bladzijde precies even groot. Vermoedelijk al met al eigen handwerk, dat het geheel nog interessanter maakt.
Het is een bijzonder en kostelijk document, deze samenspraak tussen Hendrik en Pieter. Daarnaast relativeert “de meester” als derde persoon de woorden van beiden. Mogelijk is de samenspraak gebruikt om voor te dragen bij een “rederijkers- kamer”. Het zal altijd wel een raadsel blijven hoe deze samen- spraak is ontstaan. Het kan zelf bedacht zijn, het kan ook een destijds bekend verhaal zijn dat is op- of overgeschreven. Uit de “Zamenspraak” nemen we hierna enkele gedeelten over. Een uitgetypte versie bevindt zich in de bibliotheek in museum Palthehof.

Rederijkerskamer
Voor we overgaan tot de samenspraak eerst iets over een rederijkerskamer. Dat was in vroeger dagen een soort toneelclub om voordrachten te declameren of voor te dragen door één of meerdere personen. In diverse plaatsen ontstonden na het midden van de 19e eeuw van deze kamers. De "Encyclopedie van Drenthe" (2004) geeft o.a. bij Rederijkers:
“Dichtliefhebbers en amateurs van toneel. Na 1850 ontstonden overal in Drenthe rederijkerskamers. De meeste kamers droegen werk van anderen voor; men beoefende uitvoerende kunst. De kamers werden door velen gezien als een middel om zich te ontwikkelen op cultureel gebied. De rederijkerskamers van het eerste uur kenden een vaste structuur: de ruggengraat werd gevormd door de werkende leden, die in het winterseizoen meestal één keer in de veertien dagen bijeen kwamen om zich te oefenen in het reciteren (voordragen). De leiding berustte bij het bestuur, dus niet bij een regisseur. Het merendeel der leden bestond uit toehoorders. Zij hadden geen toegang tot de oefenbijeenkomsten, maar vormden bij openbare bijeenkomsten het betalende publiek. ... Veel rederijkerskamers werden opgericht door onderwijzers of predikanten. ... enz.”
In onze omgeving zal het wel niet veel anders geweest zijn dan in Drenthe. Het is ons tot dusver niet bekend of hier zo'n voorloper van een toneelvereniging is geweest. Maar de geschiedenis zit vol verrassingen. Zo ook is het boven water komen van dit boekje een ongekende verrassing.

“Zamenspraak”

Hendrik:
Het huwelijk is een hemel,
‘t Bevalt mij wonderwel.

Pieter:
Mij niet, zegt liever Hendrik,
Het huwelijk is een hel.

De blijdste dag van Hendrik
Hoe vele blijde dagen, ik in mijn leven zag,
De dag waarop ik trouwde was ver de blijdste dag.
Ik hoorde met verrukking de dorpsklok negen slaan
En ging mijn Jansje halen om naar de kerk te gaan.
Ik snelde naar het huisje, maar Hemel! deze keer
Kon zij nog ik veel spreken, wij voelden des te meer.
Toen we uit haar woning traden, liep elk zijn woning uit
En wenschte heil en zegen aan bruidegom en bruid.
De jonge meisjes prezen de bruid haar muts en jak,
De vrijers Hendriks gespen en deftig bruigomspak.
Het was mij onder ‘t trouwen zoo wonderlijk zoo waar
Want, wat ik moest beloven was dunkt mij al vrij zwaar.
Ik wierp een blik op Jansje en las op haar gezigt
Dat zij ook haar beloften gevoelde in haar gewigt.
Toen Dominé dit merkte sprak hij: zijt welgemoed
Gij meent het met elkander, dit weet ik, hartlijk goed.
Hij, die door zijne leiding u tot elkander bragt,
Schenke U tot het volbrengen van uw beloften kracht.
Die dag, kunt gij begrijpen, werd vrolijk doorgebragt,
Het jonge volk bleef dansen tot in der middernacht.
Toen gingen oud en jongen vergenoegd en vrolijk heen
En ik bleef tot mijn blijdschap met mijne Jans alleen.

Over was de pret van Pieter
Het zag er toen wij trouwden, helaas! heel anders uit,
Zoo naar, dat mij ’t herdenken daarom geweldig stuit.
Toen ik de bruid ging halen om naar de kerk te gaan,
Stond mij dat kostlijk bruidje maar in 't geheel niet aan.
Zij was tot mijn verwondring bespottelijk opgeschikt
Met roode en blaauwe linten, ik weet niet waar bestrikt.
Toen we uit haar woning traden, o Hemel! toen begon
Om mij en Trijn te lagchen al wat maar lagchen kon.
Kijk! Zei een vinnig besje, kijk, kijk, mij welk een paar
Het voorjaar en de natijd, die paren met elkaar.
't Is schande, zegt een vrijster, de jonge spring in 't veld
Trouwt met het stijve Trijntje alleen om goed en geld.
Toen zeide een jonge vrijer: 't is tegen de natuur,
Wat maakt die jonge kerel bij Trijn een mal figuur.
Toen dominé ons trouwde, zag hij mij ernstig aan
Als of hij wilde zeggen: knaap! Wat hebt gij gedaan?
Hij wierp een blik op Trijntje die naar verachting leek,
Zij keek hem frisch in d'oogen en werd nog rood nog bleek.
De Bruiloft was luidruchtig maar tot mijn grootst verdriet
Ontbrak 't helaas, aan steeken en spotternijen niet.
Dan eind'lijk tot mijn blijdschap ging 't bruiloftsvolkje heen.
En liet mij met mijn schatje, mijn oude Trijn alleen.
Vermoeid van al die drukte ging Trijntje naar haar bed.
En ik de koeijen melken, ja, over was de pret.

Hendrik over zijn huwelijk:
Wij waren toen wij trouwden
Elkaar omtrent gelijk
In jaren, en in gelden
Twee honderd gulden rijk.
Wij leefden ingetogen
Elk nam zijn zaken waar
Met ijver en wij kwamen
Vooruit met ieder jaar.
Wij hebben door Gods zegen
Een kleine boerderij
Met eenen tuin daarachter
En een stuk land erbij.
Wij hebben negen koeijen
En ook een paard op stal
Een knappe boerenwagen
Zie daar, daar is het al.
Maar, boven al de schatten
Acht ik mijn lieve Jans
En een viertal lieve kind'ren
Jans, Hendrik, Klaas en Hans.
Zij bloeijen als de rozen
Zij groeijen als de kool
Drie gaan, dit weet gij meester
Onafgebroken school.
De kind'ren moeten leeren
Wij zijn er op gesteld.
Want lezen, schrijven, reek'nen
Is meer dan goed en geld.
Zij zullen boeren worden
Als wij zijn, en niets meer
Een knappe boer is beter
Dan een mislukte heer.
Zoo slijten onze dagen
In liefde, rust en vree
En 't loopt ons door Gods zegen
Tot nog toe taamlijk mee.

Pieter over zijn huwelijk:
Wij waren toen wij trouwden
Elkaar zeer ongelijk
Ik jong en arm, maar Trijntje
Bedaard en taam'lijk rijk.
Een jonge kerel, vrienden!
Past bij geen oude vrouw
Hij komt in veel verzoeking
Wordt ligt haar ongetrouw.
Het laatst ik spreek de waarheid
Is niet bij mij 't geval
Maar 't achterdochtig Trijntje
Betrouwd mij niet met al.
Spreek ik met jonge meisjes
Of geef haar eens een zoen
Dan wordt terstond haar bakhuis
Zoo rood als een kalkoen.
De grootste plaag van allen
Is buiten alle kijf
Een oud en achterdochtig
En ijverzuchtig wijf.
Ik hoor het oude liedje
Schier alle dagen weer
Gij wenschtet mij te lozen
Was ik er maar niet meer.
En als men daarenboven
Een vriend van kind'ren is
En geene meer kan wachten
O! dan is alles mis.
Zeg waarvoor zou ik slooven
Voor Trijn mijn grootst verdriet
Die 't leven mij verbitterd
Dat voor den drommel niet.
Ik heb, ik wil 't u zeggen
Het anders in den zin
'k Laat Trijn voor 't boeltje zitten
En 'k ga de wereld in……

De Meester spreekt
Wat ik vooraf beweerde, staat, ziet gij, vast en wis,
Ik stelde dat het huwelijk nog hel nog hemel is.
't Kan één van beide worden, maar wat het worden zal
't Hangt af van d'echtelingen, dat blijkt uit dit geval.
De grond van Hendriks vreugde, de grond van Pieters leed,
Ligt in hun keus, want beide verschillen hemelsbreed.
Hein wist bij ondervinding hoe ligt men zich vergist
Als men verblindt door driften de huwelijkskeus beslist.
Hij stond gelijk met Jansje in jaren en in deugd,
Dus is en blijft zijn huwelijk een bron der reinste vreugd.
't Spijt mij, dat ik van Pieter dat ook niet zeggen kan,
Hij werd door dwaze keuze een ongelukkig man.
Hij heeft op hart en wandel volstrekt geen prijs gesteld,
Maar zag in zijne keus alleen op goed en geld.
Het kruis dat hij moet dragen, draagt hij door eigen schuld
En tot zijn grootste ellende draagt hij 't met ongeduld.
'k Raad hem met Trijn te leven zoo goed als 't mogelijk is.
't Is mooglijk dat de Hemel met d'uitkomst haast daar is.

Om den lezer gerust te stellen, wordt de kantteekening op laatsten regel aan hem medegedeeld:

De man had waar gesproken
Het duurde pas een jaar,
Toen was tot Pieters vreugde
Het uur der redding daar.

* * *

MEISJESVERENIGINGEN GEREFORMEERDE KERK ________________________________________________________

T. de Graaf-Pierik

De Gereformeerde Kerk in Nieuwleusen kende twee meisjesverenigingen: de kleine meisjesvereniging die de naam “Het Mosterdzaadje” had en de grote meisjesvereniging met de naam “Bid en werk”.
Als meisje ging je vanaf je twaalfde naar de kleine meisjesvereniging. Onze leidster was juffrouw Klerk, onderwijzeres aan de school van meester Siefers aan het Westeinde. Wij maakten om de beurt een opstel over bijbelse onderwerpen dat we op de vereniging bespraken. Na de pauze was er een voordracht of deden we spelletjes.
Ook zijn wij een keer met een reisje naar Schiphol geweest, samen met de knapenvereniging. Een ander reisje dat ik me kan herinneren ging naar Apeldoorn, waar we deelnamen aan een defilé voor koningin Wilhelmina. We waren toen allemaal in blauw wit gekleed en droegen een oranje sjerp.

Als je zestien werd ging je naar de meisjesvereniging “Bid en werk”. Daar maakten we om de beurt inleidingen over bijbelse onderwerpen. Na de pauze was er een voordracht of werd er voorgelezen uit een mooi boek. De anderen zaten dan te handwerken.
Soms was er een tweede onderwerp over kerk- of vaderlandse geschiedenis. Ook waren er kringvergaderingen met de naburige verenigingen zoals met die uit Balkbrug, Witharen en Ommen. Als er een kringavond bij ons was dan kwamen de jongens van de jongelingsvereniging bij ons op bezoek. Omgekeerd gingen de meisjes naar de jongelingvereniging. Er werden ook samen reisjes georganiseerd zoals naar de Heilige Landstichting bij Nijmegen, naar Panorama Mesdag in Scheveningen of naar het noorden, bijvoorbeeld naar Friesland.
Op tweede kerstdag ging een groepje meisjes van de meisjesvereniging naar zieken om daar te zingen. Ook werden er fruitbakjes gemaakt voor de zieken. Dat deden we samen met de vrouwenvereniging.
Als er iemand van onze vereniging trouwde, dan gingen wij naar de huwelijksdienst en zongen het bruidspaar een vers van ons bondslied toe: “O, Here bouw gij zelf hun huis”.
Het was een mooie tijd en we hebben er veel van geleerd.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  

Roelofje Klein
Dinie van Dorsten
Grietje Pierik
Hennie Kroon
Dina Kappert
Femmie van Dorsten
Aaltje van Dorsten
Aaltje Hof
Alie Timmerman
Jennie Petter

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

Klazien de Boer
Geesje Steenbergen
Gijsje Kroon
Hermina de Lange
Roelofje Hof
Riek de Boer
Stientje de Lange
Janna van Dorsten
Jo Stolte
Gerrie Visscher

21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  

Marie Brinkman
Jantien Kappert
Sinie Nijkamp
Trijntje Pierik
Dina Visscher
Greta van Marle
Margje Talen
Margje de Graaf
Gerrie van Eldik
Geertje Snijder

Meisjesvereniging “Bid en Werk” in 1950.

* * *

HET GEZIN VAN GERRIT LUTEN __________________________________________________________

Gerrit Luten werd geboren op 10 april 1860. Hij was een zoon van Lukas Luten en Hendrikje Huzen (of Huizen zoals in de trouwakte van Gerrit is vermeld). Toen Gerrit Luten twintig jaar was, moest hij in dienst. Van zijn diensttijd is een foto bewaard waarop hij in een atelier van een fotograaf poseert in uniform met een sigaar in de hand. Zijn hand rust op zijn hoofddeksel dat op een tafeltje ligt.

Op 13 januari 1887 trouwt Gerrit Luten met Aaltje Brinkman. Zij is geboren op 2 juni 1868 in Nieuwleusen. Haar ouders waren Jan Brinkman en Stientje Schoemaker.
Gerrit Luten en Aaltje Brinkman hadden een boerenbedrijf aan het Westeinde 182 in Nieuwleusen. Uit het huwelijk werden dertien kinderen geboren, waarvan er tien volwassen werden.

Gerrit hield van lezen. Als hij voorlas, dan sprak hij de sch die toen nog in veel woorden voorkwam, ook nadrukkelijk uit. Het gezin was kerkelijk meelevend en na de middagmaaltijd werd er steeds een hoofdstuk uit de Bijbel gelezen. Elke zondag ging het gezin lopend naar de kerk. Fietsen konden ze niet. Na de kerkdienst werd op de terugweg de woning van meester Hoek aangedaan. Daar dronk men dan gezellig een kop koffie.
De foto hierbij is gemaakt ter gelegenheid van het vijftig jarig huwelijksfeest van Gerrit en Aaltje in 1937. Het huwelijk zou nog ruim 5 jaar duren tot aan het overlijden van Gerrit op 05-04-1943. Aaltje overleed op 03-05-1950.

Lukas Luten, geboren 29-06-1887, overleden 20-04-1949, trouwde Zwollerkerspel 18-05-1911 met Aaltje van Dijk, geboren 09-02-1890, overleden 27-04-1981, dochter van Jan van Dijk en Aaltje Drost.

Jan Luten, geboren 28-05-1889, overleden 05-04-1942, trouwde 28-10-1909 met Aaltje Pessink, geboren 01-01-1886, overleden 24-04-1962, dochter van Gerrit Jan Pessink en Willemina Hof.





Hendrik Luten, geboren 07-03-1891, overleden 30-07-1892.



4. Hendrikje Luten, geboren 05-11-1892, overleden 21-05-1956, trouwde 18-04-1912 met Hendrik Jan van Duren, geboren 25-11-1885, overleden 31-05-1942, zoon van Jan van Duren en Miena Hof.

Stientje Luten, geboren 24-06-1895, overleden 29-10-1976, trouwde 17-02-1916 met Klaas Beltman, geboren 29-09-1886, overleden 14-10-1962, zoon van Gerrit Willem Beltman en Klaasje Klein.







6. Aaltje Luten, geboren 17-10-1897, overleden 07-08-1975, trouwde 17-08-1916 met Arend Paasman, geboren 16-06-1891, overleden 05-09-1990, zoon van Hendrik Paasman en Janna Kouwen.









7. Jantje Luten, geboren 18-12-1899, overleden 29-05-1991, trouwde 18-02-1920 met Hendrik Knol, geboren te Ommen 21-02-1891, overleden 06-11-1962, zoon van NN en Hilligje Knol.



8. Annigje Luten, geboren 24-11-1904, overleden 03-02-1969, trouwde 05-05-1927 met Gerrit Jan Eikenaar, geboren 15-04-1899, overleden 26-11-1940.

Arend Luten, geboren 01-11-1903, overleden 22-01-1970, trouwde 24-03-1927 met Annigje van Duren, geboren 27-12-1902, overleden 21-12-1996, dochter van Jan van Duren en Janna Nijs.






10. Gerrigje Luten, geboren 18-05-1906, overleden 13-08-1906.

11. Levenloos geboren kind 18-09-1907.


12. Gerrit Luten, geboren 21-10-1908, overleden 01-03-1976, trouwde 21-08-1930 met Margje Seinen, geboren 09-08-1909, overleden 16-06-1998, dochter van Mannes Seinen en Hendrikje Lefers.

Hendrik Luten, geboren 04-08-1912, overleden 04-12-1949, trouwde met Klaasje Groen, geboren 25-12-1912, overleden vermoedelijk 25-08-1994.








De ouders van Gerrit Luten
Gerrit was het oudste kind uit het huwelijk van Lukas Luten en Aaltje Brinkman.
Lukas Luten, geboren 16-09-1836, overleden 07-04-1892, trouwt 15-10-1859 als Lucas Luiten met Hendrikjen Huzen, oud 23 jaar, geboren te Nieuwleusen, dochter van Gerrit Huzen en Aaltjen de Boer, overleden 11-03-1923.
Kinderen uit dit huwelijk:
1          Gerrit, geboren 10-04-1860
2          Annigje, geboren 09-01-1863
3          Aaltje, geboren 05-02-1866
4          Gerrigje, geboren 14-05-1870
5          Arend Jan, geboren 20-08-1873
6          Hendrikje, geboren 04-10-1878

De grootouders van Gerrit Luten
Gerrit Luten is naar zijn grootvader vernoemd. Deze is drie keer getrouwd en zorgde uiteindelijk voor zeventien kinderen, die overigens niet allemaal volwassen werden.
Gerrit Sok (Luten), geboren te Wanneperveen, zoon van Luiten Simons Lok en Hendrikje Gerrits Knobbe,
- trouwt (1) te Nieuwleusen 26-05-1827, oud 22 jaar, boerenknecht, met Annigje van Dijk, oud 19 jaar, geboren te Nieuwleusen, dochter van Derk van Dijk en Janna Jans, overleden 09-05-1848.
Kinderen uit dit huwelijk:
1          Derk, geboren 24-07-1827
2          Hendrik, geboren 04-05-1830
3          Jan, geboren 01-10-1833
4          Lucas, geboren 16-09-1836
5          Arend, geboren 04-12-1839
6          Peter, geboren 11-10-1842
7          Janna, geboren 29-04-1848

- trouwt (2) te Nieuwleusen 26-08-1848 als weduwnaar van Annigje Dijk, geboren te Wanneperveen, zoon van Siemen Luiten Sok en Hendrikje Gerrits Knobbe, met Aaltje Brinkman, oud 30 jaar, dochter van Jannes Brinkman en Jantje Stolte.
Kinderen uit 2:
1          levenloze dochter, geboren 20-08-1849
2          levenloze zoon, geboren 02-08-1850
3          levenloze zoon, geboren 13-10-1851
4          Arend, geboren 22-02-1853

- trouwt (3) te Nieuwleusen, 07-10-1854 als Gerrit Luiten, weduwnaar van Aaltje Brinkman (vader van de bruidegom ook Luite Siemens, bruidegom ook Gerrit Luten) met Hendrikje Bos, oud 22 jaar, geboren te Nieuwleusen 01-02-1832, dochter van Klaas Bos en Geesje Eppenboer.
Kinderen uit 3:
1          Arend Jan, geboren 23-01-1855, overleden 02-02-1856
2          Annigje, geboren 15-10-1857
3          Geesje, geboren 10-11-1859
4          Arend Jan, geboren 13-10-1861
5          Klaas, geboren 08-10-1864
6          Aaltje, geboren 07-10-1867

* * *

KRUMMELS ________________________________________________________

Meppeler Courant vrijdag 7 september 1938

Tot voorzitter van de afdeeling Nieuwleusen van het Ned. Bijbelgenootschap is benoemd Ds. G. Moen, Ned. Herv. Predikant alhier, zulks in de plaats van Ds. B.H. van den Berg.

* * *

Foto achterpagina: ________________________________________________________

Gerrigje Bosman-Hollander, één van de laatsten die klederdracht droeg.




Jaargang 26 nummer 4 december 2008


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina: ________________________________________________________

Een helaas afgebroken boerderijtje aan het Westeinde 24 in wintertooi.

* * *

EEN SPINMAAL IN NIEUWLEUSEN ________________________________________________________

In het tijdschrift Elk Wat Wils (uitgegeven door A.C. Kruseman te Haarlem) is in 1872 een verhaal over Nieuwleusen gepubliceerd. We kregen het artikel toegestuurd door de heer Georg Hartongh uit Enschede die schrijft dat het waarschijnlijk is geschreven door Rinse Koopman van Boekeren die van 1859 tot 1863 predikant in Giethoorn was.

Tot de volksvermaken welke in sommige gedeelten van ons vaderland gehouden worden kunnen in Overijssel en Drenthe ook de spinmalen worden gerekend. Omdat waarschijnlijk niet alle lezers van dit maandschrift met deze bekend zijn, zullen we trachten hen er wat nader mee bekend te maken. Wij vertellen daarom over onze ervaringen van een spinmaal te Nieuwleusen.
’t Was winter. De velden waren met een sneeuwkleed en de stromen met ijs bedekt. De veldarbeid was gestaakt en het dagwerk van de landlieden bestond hoofdzakelijk uit het dorsen van het graan en het voederen van het vee. Hoe doods het nu in de natuur ook mag zijn, in menige boerderij heerst meer leven en opgewektheid dan in de zomer. De lange winteravonden kruipen voor de landman echter meestal maar langzaam en eentonig voorbij. Geen wonder dat hij in zulke tijden meer dan anders behoefte voelt aan gezellig verkeer. Niet dat hij naar plaatsen van publiek vermaak verlangt; zijn bescheiden wensen bepalen gewoonlijk om met enige familieleden of met enkele van zijn buren de avond door te brengen.
Maar ook de jongelieden voelen in het barre jaargetijde meer behoefte aan ontspanning en lijken, meer dan in de zomer, door Amor’s pijlen getroffen te worden. En zeker hebben hieraan de spinmalen hun bestaan te danken.
De mare dat er op een januariavond in 1859 een spinmaal in Nieuwleusen zou plaats vinden was door een gedienstige boerenknecht aan ons doorgegeven. Omdat we graag wat meer van de aard van zo’n volksvermaak wilden weten, begaven we ons er bij het vallen van de avond naar toe. ’t Vroor dat het kraakte, althans de sneeuw maakte op de ongebaande weg een krakend en piepend geluid.
Eindelijk kwamen we in de buurt. Maar in welke woning was ’t spinmaal? Lang hoefden we niet in onzekerheid te blijven want plotseling hoorden we het toen voor ons zo melodieuze gezang aanheffen:
“Wie hoor ik hier in het midden van de nacht.”
Geen wonder. ’t Was voor ons:
“Harmonieën hör ich klingen”
“Töne süszer Himmelsruh.”
“Daarheen! Daarheen gaat onze weg! Kom broeder, laat ons gaan!” fluisterde mijn vriend en weldra stonden we voor een woning die ‘s zomers geheel door de schaduw van eikenloof voor de zonnestralen beschut werd. Of het nu kwam door de zingende maagdenrij, die aanhief:
“Kom treedt wat nader, zet u wat bij mij neer,”
durf ik niet te bepalen, maar zeker is het dat we zonder voorafgaande afspraak de voordeur openden en plotseling midden in het woonvertrek stonden.
Het gezang verstomde en er volgde een pijnlijke stilte, die door ons met de vraag “zijn we hier op een spinmaal?” werd verbroken. Een grinneken, dat bij sommige schonen in een luid gelach oversloeg, was het antwoord dat we ontvingen. “’t Is hier griezelig”, fluisterde mijn vriend. Maar we vermanden ons en gingen bij de gladgeschuurde vuurplaat zitten. We waren daarvoor niet uitgenodigd, maar waarom zouden we minder aanmatigend zijn dan marskramers en rondventers bij wie het de gewoonte schijnt te zijn ongevraagd op de nu door ons ingenomen plaats te gaan zitten?
We haalden onze pijpen tevoorschijn en ontvingen eindelijk van een van de spinsters de verzekering dat we op een spinmaal waren, maar dat we wat heel vroeg gekomen waren.
Van onze flauwe complimenten, dat tedere gevoelens ons hadden gedreven en meer van die dagelijkse algemeenheden, schenen ze niet gediend te zijn en we kregen al dadelijk de indruk dat ze niet erg ingenomen waren met onze komst. Duidelijk bleek dat we de onderlinge conversatie hadden verstoord. Al snel zagen we in dat het ondoenlijk was een onderhoudend gesprek met de spinsters te voeren en wendden we ons tot het mannelijk personeel dat uit de zoon des huizes en een tweetal knechts bestond. “Oeze volk”, verzekerde men ons, “waren uut gasten”, dat wil zeggen; ze waren op een gastmaal uitgenodigd.
Nadat we geruime tijd letterlijk over koetjes en kalfjes hadden gepraat, werd de deur halverwege geopend en gluurden enige jongelingen naar binnen. Al vlug werden de vrömden, waarmee ze ons bedoelden, door hen opgemerkt. Menige schimpscheut kregen we nu te verduren, waardoor het ons duidelijk werd dat men niet gediend was van vreemde kapers op de kust. Na weer enige tijd traden een tiental jongemannen binnen. Een tweetal woestelingen zou, wanneer het door de andere jongelingen niet was verhinderd, ons de deur uitgeworpen hebben en daarna zeker naar hartelust hebben afgeranseld.
“Wat hadden zulke vreemde jakhalzen als wij op een spinmaal te zoeken?” werd er geopperd, “en wat hadden we mit heur vrouwluu uut te staon?” “‘k Dacht wel, dat het op ruzie uut zol dreeën”, fluisterden een tweetal spinsters.
Het spreekwoord “dat men met stroop meer vliegen vangt dan met roet” werd ook hier bewaarheid. In één woord: wij bakten voor de Nieuwleusinger jongelingschap zoete broodjes en kregen daarop de toestemming op ’t spinmaal te mogen blijven, onder voorwaarde dat we ons röstig hadden te gedragen.
Als gevolg van onze goede woorden en de inhoud van onze sigarenkokers en tabaksdozen mochten we dus blijven, maar “wachten en stille zitten”. Inmiddels daagden er meer jongelieden op zodat het woonvertrek tamelijk vol werd. Onder de nieuw aangekomenen bevond zich ook onze vriend M. Als onderwijzer en grondbezitter genoot hij in zijn gemeente de algemene achting, die nog vergroot werd omdat hij “gien vrömde” maar een geboren Nieuwleusinger was. Dankzij zijn introductie werden we de gehele avond door ieder van de aanwezigen met respect behandeld en hadden niet meer de minste onaangenaamheid te verduren.
“Wee zal Scholte waezen?” klonk het uit de groep. Weldra was een der jongelingen als zodanig aangesteld. Het attribuut van zijn waardigheid bestond uit een zogenaamde wagenrong, een ruw bewerkt stuk eikenhout van ongeveer een halve meter lengte. In plaats van dit wapen is een Scholte soms ook voorzien van een dikke schoenzool.
Weldra werden er enige planken van de boerenwagens, die in de schuur stonden, in het vertrek gebracht. Met de uiteinden op een tweetal stoelen geplaatst vormden ze een bank waarop, op bevel van de Scholte, enige meisjes plaats amen. Daarop werd door hem elke spinster van een minnaar voorzien. Wee degene die niet terstond aan zijn bevelen voldeed.
Een misschien wel wat hoogmoedige boerenzoon, die op zijn aanmaning niet naast een aardig dienstmeisje wilde plaatsnemen, ontving van hem met de wagenrong in de vlakuitgestrekte hand enkele slagen die klonken als een klok.
Eindelijk zaten alle gekoppelde paren in het woonvertrek te minnekozen. Dat duurde echter niet lang. De Scholte ging de gekoppelde paren langs en vroeg elke jongeling: ”Hoo geneugt ’t oe?” Omdat de Nieuwleusinger vrouwen nog niet geëmancipeerd zijn, hebben ze ook op ’t spinmaal geen stem. Al deze jongelingen beantwoordden de tot hen gerichte vraag met “ja”.
“Lösse jongens keur!” riep nu de Scholte. (“Lösse jongens” zijn de ongepaarde jongelingen.)
Aan hen werd dus de keuze gelaten of ze naast een der spinsters wilden plaats nemen. “Ik wil bij Bartelds Annechien!” riep er een. “En ik wil bij Haarm Evers zien meid!” riep een ander.
Nu kreeg de Scholte handen vol werk. De persoon die naast Bartelds Annechien zat was niet van plan om zijn plaats aan een ander in te ruimen. “Hol dan op oe haand” beval de Scholte. Klets! Daar dreunde de wagenrong in de hand van de verliefde. Haarm Evers was misschien bevreesder voor het wapen van de Scholte. Nadat hij het meisje waar hij naast gezeten was een dikke kus had gegeven, stond hij zijn plaats af aan wie haar begeerde.
Weer ging de Scholte de gekoppelde paren langs met de vraag: “Hoe geneugt ’t oe?”
“Ik wil bij Hendrik Smit zien meid en hij zal bie de miene” zei een van de cavaliers. De Scholte vroeg daarop aan de genoemde jongeling of hij met deze schikking genoegen nam. “ ‘k Wil nog ’n poozien wachten”, antwoordde Hendrik Smit. “Hol op de haand” klonk het weer, waarop de slag volgde.
“Lösse jongens keur!” riep de Scholte. Weer waren er die Bartelds Annechien het hof wilden maken, maar omdat haar eerste aanbidder niet van haar wilde scheiden ontving hij telkens zwaardere slagen. En zo ging het geruime tijd door. Maar nu deed zich bij de genoemde voorvallen nog een derde mogelijkheid voor. Er waren ook minnaars die met of zonder reden van de maagdenrij wilden scheiden en op de vraag van de Scholte “Hoe geneugt ’t oe?” een van de lösse jongens bij hun meid wilden hebben. Wanneer deze uitverkorene weigerde was een slag met de wagenrong zijn deel. Maar zo’n slag trof niet alleen de jongeman; menig meisje kreeg door zijn weigering, overdrachtelijk gesproken, een slag in het gezicht. Tot lof der Nieuwleusinger jongelingschap haasten wij ons te vertellen dat er bij de laatst genoemde mogelijkheid weinig slagen werden uitgedeeld.
Eindelijk klonk het uit de bonte rij: “Hij (daarmee werd mijn persoon bedoeld) moet bij mien meid komen.” “Wat wil ie?” werd mij daarop door de Scholte gevraagd, terwijl hij mij de wagenrong voorhield. Vrees om het meisje waar naast men mij wilde laten plaatsnemen te compromitteren en de door mij gevreesde handplak, deden mij spoedig een besluit nemen en weldra zat ik naast een niet onaardig boerinnetje, waarmee het beter te minnekozen dan te praten was. Zo kwam ik tot de overtuiging dat wij die avond bij de Nieuwleusinger jongelingschap geheel waren genaturaliseerd. Echter, dat geen genot onvergald blijft, ontwaarde ik spoedig. Op de roep van de Scholte: “Lösse jongens keur!” gaf mijn vriend, die ik voor tedere gevoelens onvatbaar hield, te kennen dat hij aan mijn aardig boerinnetje het hof wilde maken. Na mij naar de gewoonten van het spinmaal tegenover het voor mij dierbare voorwerp gedragen te hebben, stond ik op, mijn plaats aan mijn vriend overlatend.
Eindelijk scheen ook de Scholte, op zijn beurt, verliefd te worden. Of het was omdat men geen geschikte opvolger voor de Scholte kon vinden, of omdat men mij een bewijs van welwillendheid wilde geven, er ontstond een geroep dat ik als Scholte moest fungeren en ik was ijdel genoeg het attribuut bij wijze van scepter te aanvaarden. Nu mag het voor enkelen een zekere aantrekkelijkheid hebben om, al is ’t ook maar bij wijze van grap, gevoelige handreikingen te doen, ik vond dat “Scholte zijn” maar een hondenbaantje.
Of men het deed om mij het leven enigszins lastig te maken of omdat de Nieuwleusinger jongelingen mijn spierkracht wilden beproeven is mij tot nu toe niet duidelijk, maar zeker is dat ik vrij veel slagen moest uitdelen. ’t Was alsof een boze demon op het spinmaal regeerde. Niemand zat een ogenblik rustig. Iedereen wilde verandering. De meeste drukte verschafte Bartelds Annechien. Want hoeveel er ook “bij zien meid wollen”, hij weerstond moedig elk aanzoek en de daaropvolgende kastijdingen. Hij wilde zeker als een echte ridder zijn geliefde zijn trouw en liefde doen blijken, maar hoe een hand zoveel kan doorstaan is mij een raadsel.
“Hij draagt zeker de hand van Götz van Berlichingen” opperde mijn vriend. En weldra klonk het uit de mond van enige jaloerse jongelieden: “Gust! Gust!” “ ‘k Zal oe wel Gust, mannechien” zei de geplaagde terwijl hij met zijn gespierde vuist tegen mijn vriend een dreigende beweging maakte. Gelukkig leverde dit incident door de tussenkomst van onze vriend de onderwijzer geen ernstige gevolgen op.
Eindelijk was, omdat de boer en de boerin thuis kwamen, het spinmaal afgelopen. “En hebt ge u vanavond geamuseerd?” vroeg ons de onderwijzer. “Uitmuntend” antwoordden we.
“En zoudt ge nu verder willen weten hoe uw Götz van Berlichingen zijn schone het hof maakt?” vroeg hij nadat wij onze verwondering over de koppige boer, zoals mijn vriend hem noemde, nogmaals hadden te kennen gegeven. Nadat wij verzekerd hadden dat ons op dat ogenblik niets aangenamer zou zijn, gingen we met de onderwijzer naar zijn hospita. Na ons hier verfrist te hebben, begaven wij ons naar de woning van Bartelds Annechiens vader.
“Hier moeten wij wezen” fluisterde de onderwijzer ons toe, op de hooischelf wijzend die achter het huis stond. Zijn aanwijzing was juist. Midden in de hooischelf vonden we onze Götz met Annechien vertrouwelijk bij elkaar in het hooi zitten. ’t Zal overbodig zijn om op te merken dat het minnende paar niet op ons bezoek gesteld was en dat het excuus van mijn vriend, dat hij over de naam Götz maakte, ten dele in het water viel.
“En gaat het hier altijd zo?” vroegen wij de onderwijzer toen wij ons verwijderd hadden. “Gewoonlijk” antwoordde hij. “Nogal amicaal” dachten wij. “Honni soit qui mal y pense” (Schande over hem die er iets kwaads over denkt.) antwoordde hij. “Maar,” hervatte hij toen hij ontdekte dat wij bij de door hem aangehaalde spreuk meesmuilden, “denk niet dat de jeugd hier bedorvener is dan in de steden. Laat hier de omgang tussen tweeërlei kunne veel te wensen over, echtbreuk komt hier bijna niet voor en echtscheidingen zijn in onze gemeente onbekende zaken.” “Waar geen vuur is, is ook geen vlam” meende mijn vriend.
’t Deed mij genoegen dat de wind uit het noordoosten aanwakkerde, waardoor ik van het aanhoren van een mij onaangename discussie bleef gespaard.
En toen ik in de eerstvolgende Meimaand het vriendelijke Nieuwleusen weer eens bezocht, hoorde ik dat Gust – die naam had hij sedert het spinmaal behouden – en Bartelds Annechien door de huwelijksband waren verenigd.

* * *

BIBLIOTHEEK NIEUWLEUSEN ________________________________________________________

Hendrik Jan Klomp

Dat we allerhande boeken uit de plaatselijke bibliotheek kunnen halen vinden we vanzelfsprekend. Er is echter ook een tijd geweest dat er niet een dergelijke bibliotheek was. Over hoe daarin verandering is gekomen gaat het volgende.

In 1947 troffen een aantal mensen van de Bond van Openbare Leeszalen en Bibliotheken elkaar. Naast mensen uit de kring van bibliotheken waren er ook bestuurders uit de kring van de standsorganisaties (vakbonden, landbouworganisaties) en uit de kring van de gemeenten. Er heerste grote overeenstemming over de noodzaak van een culturele wederopbouw in Nederland en in Overijssel koos men ervoor om het bibliotheekwerk speciaal op het platteland te gaan ontwikkelen.
In 1947 werd de Centrale voor de Plattelands-Lectuurvoorziening in Overijssel ontworpen. Deze voorziening zou werken voor het hele platteland in Overijssel, maar de toenmalige bisschop wees de katholieke deelnemers van het initiatief op het feit dat een gezamenlijke lectuurvoorziening toch een brug te ver was. Gevolg: de katholieke initiatiefnemers gingen afzonderlijk verder en op 1 november 1948 startte de Katholieke Centrale voor Lectuurvoorziening in Overijssel, gevestigd te Borne. Beide organisaties hebben het bibliotheekwerk voor hun doelgroepen op het platteland voortvarend aangepakt.
In de jaren 60 was de ontwikkeling zover gekomen dat er eigen plaatselijke onderkomens gebouwd zouden moeten worden. Omdat beide provinciale organisaties voor de hele provincie werkten, had je vaak de situatie dat er twee bibliotheken in één dorp waren. Beide besturen bepleitten bij de gemeente nieuwbouw. En toen gebeurde op plaatselijk niveau wat in 1948 op provinciaal niveau niet haalbaar was, er werd samengewerkt.
In de jaren 80 waren er grote bezuinigingsrondes. De besturen en directies van de beide centrales zijn er toen in geslaagd om over de eigen vooroordelen heen te stappen en per 1 januari 1989 werd er gefuseerd tot de Overijsselse Bibliotheek Dienst met het hoofdkantoor in Nijverdal.

De Plattelandsbibliotheek Overijssel (PBO) werd officieel op 17 maart 1948 opgericht. Eerst werden er uitleenposten ontwikkeld, daarna kwamen er bibliotheken met eigen gebouwen. Overijssel was de eerste provincie met een Plattelandsbibliotheek. De zakelijke basis voor het werk is gelegd door het besluit van de Provinciale Staten van Overijssel om ten behoeve van het werk de PBO een subsidie te verlenen. In 1949 bedroeg die ƒ8000,=. De Rijkssubsidievoorwaarden schreven voor dat de gemeenten een zeker minimum bedrag beschikbaar moesten stellen. In 1949 werd onder meer een subsidie ontvangen van de gemeente Nieuwleusen. De gemeente Dalfsen volgde in 1950. Vervolgens waren het vooral de coöperatieve organisaties van de boeren die in deze financiële steun verleenden, waarvan we noemen uivelfabrieken, aan- en verkoopverenigingen en boerenleenbanken.

De toenmalige burgemeester van Nieuwleusen E.H. Mulder was van 1963 tot en met 1970 voorzitter van de Centrale Plattelandsbibliotheek voor Overijssel. Hij had daarin zitting namens de Vereniging van Nederlandse Gemeenten afd. Overijssel.
De Plattelandsbibliotheek Overijssel had ook adviseurs, die meewerkten aan de selectie van het boekenbezit, speciaal ten behoeve van de Protestants Christelijke lezers. Dat waren o.a. da. K. van Drimmelen te Heino, ds. G. Lugtigheid te Zwolle, ds. O. Jager te Almelo, ds. T.J. Hagen te Deventer, ds. W.A.B. Hagen te Zwolle, pater A.M.A. Niessen o.p. te Zwolle en ds. E.J. Wassink te Zwolle.

Uit de tijd dat ik op het kantoor van de Coöp. Landbouwvereniging werkte, herinner ik me dat een zekere mijnheer Van Uxem bij directeur Kouwen kwam om te praten over een Plattelandsbibliotheek. De heer Kouwen werd waarschijnlijk benaderd omdat hij ook secretaris was van de plaatselijke afdeling van de Overijsselse Landbouw Maatschappij.

De Plattelandsbibliotheek gaf catalogi uit met vermelding van de titels die men beschikbaar had. Uit die catalogi kon gekozen worden welke boeken men wel en welke men niet ter uitleen wilde ontvangen.
Op een gegeven moment vroeg de heer Kouwen mij of ik me wel bezig wilde houden met het selecteren en uitlenen van boeken, zodra een en ander in kannen en kruiken was. Ik stemde toe en met mijn toenmalige buurman K. Geitenbeek gingen we in 1949 vrijdagsavonds van 19-20 uur boeken uitlenen.
De boeken (wisselcollecties) kwamen in verzendkisten aan en vonden onderdak in een kast in een wachtruimte van het kantoor van de Plaatselijk Bureauhouder aan de Ommerdijk, huidig adres Burgemeester Backxlaan 56.
In 1950 waren er 250 boeken in Nieuwleusen. Er vonden in het seizoen 1949-1950 2025 uitleningen plaats, terwijl het ledental 62 bedroeg. Meerdere personen verzorgden het uitlenen. Naast de reeds genoemden waren dat de heren K. en W. Bouwman, R.J. Mensink en G. Klosse.
Naderhand werd er ook uitgeleend in de O.L.School aan het Oosteinde, waar de heer A. Huzen en zijn vrouw E. Huzen-Bruggeman, alsmede de heer H. de Boer (wonende aan de Kringsloot) de uitlening verzorgden. Laatstgenoemde was ook wel uitlener in het P.B.H.-kantoor.
Vanaf 1951 vond, in plaats van in het P.B.H.-kantoor, uitleen plaats in het kantoor van de Landbouwvereniging te Den Hulst. Als uitleners fungeerden daar de heren K. Geitenbeek, R.H. Kouwen, C. Zieleman, mevr. D. Kouwen-Klein, mej. P. Jeelof, mevr. A. Katoele-Boesenkool en mej. H. Sterken.

Er kwam een samenwerking met Volksonderwijs tot stand, waarbij deze vereniging het eigen boekenbezit opruimde en meewerkte aan de oprichting (in 1954) van twee nieuwe uitleenplaatsen n.l. in De Meele en in Ruitenveen. Uitleners waren voor De Meele: de heren F. Kok, J.W. Klein, H.J. Jonkers, J. Kok, R. Kruidhof, mej. H. Kruidhof en de heer A. Visscher. Voor Ruitenveen waren dat: de heren W. de Ruiter, H. Mannen, G. Uilen, A. Uilen en A. Horjus. Met deze uitleenlocatie werd in 1966 gestopt.
Bovendien was het mogelijk de bibliotheek van het Oosteinde over te brengen naar een centraler gelegen plaats in de gemeente dank zij de medewerking van het bestuur van de Landbouwhuishoudschool (thans “De Olmen”). Naast de heer A. Huzen was de heer E. Bouwhuis daar belast met de uitleen. Doordat veel vrijwilligers zich beschikbaar hebben gesteld voor het uitlenen, is het niet eenvoudig om vast te stellen wie het allemaal waren. Degenen die wel vermeld zijn waren op verschillende tijdstippen als zodanig werkzaam en wie met wie werkte kunt u daaruit niet altijd afleiden.

Teneinde het werk ook in de gemeenten met minder dan 10.000 inwoners te kunnen voortzetten, verzocht het bestuur van de Centrale Plattelandsbibliotheek in 1954 de gemeentesubsidie, dat in veel gevallen sinds 1948 op tien cent per inwoner gebleven was, te verhogen tot vijftien cent per inwoner. Een gunstig antwoord op dit verzoek werd onder meer ontvangen van de gemeente Nieuwleusen. De gemeente Dalfsen bracht het subsidiebedrag van ƒ100,= op ƒ1000,=.

De uitleningen in de gemeente Nieuwleusen stegen van 5090 in 1955 tot 6819 in 1956. Dit was aanleiding om te denken over een permanente bibliotheek in een eigen gebouw. Dat kreeg z’n beslag in 1961.


Het eerste bibliotheekgebouw dat op 10 mei 1961 in gebruik werd genomen met daarnaast het Groene Kruis en de Gereformeerde kerk. De Beatrixlaan was er nog niet.

Op 10 mei kon op feestelijke wijze het nieuwe bibliotheekgebouw - aangeduid als openbare leesbibliotheek - door de heer H.R. van Bruggen, burgemeester van Dalfsen en voorzitter van de Stichting Leeszaal en Bibliotheek Dalfsen-Nieuwleusen (bestaand sinds 1958) geopend worden. Dank zij de medewerking van het gemeentebestuur en de dienst gemeentewerken van Nieuwleusen werd deze nieuwbouw in een zeer korte tijd gerealiseerd. Jong en oud kon daar terecht op donderdagmiddag van drie tot zes uur, terwijl het ’s avonds op diezelfde dag van zeven tot negen uur alleen open was voor volwassenen. Het gebouw stond aan de Burgemeester Backxlaan, op de plaats waar thans de apotheek is gevestigd.
Naast het gediplomeerde personeel waren er ook vrijwillige hulpen werkzaam in de bibliotheek. Het effect van de nieuwe bibliotheekruimte was een stijging van zestig procent, n.l. van 25042 naar 40223 uitleningen.
In 1963 konden de scholen de beschikking krijgen over schoolbibliotheken. Later was in het verzorgingshuis “De Hulstkampen” ook een wisselcollectie van 150 boeken aanwezig ten behoeve van de bewoners.

De samenwerking, op bibliotheekgebied, tussen de gemeenten Dalfsen en Nieuwleusen werd in 1968 beëindigd. Het filiaal in Nieuwleusen kon met medewerking van het Ministerie van Cultuur, Recreatie en Maatschappelijk Werk en van de Rijksinspectie omgezet worden in een openbare bibliotheek, waardoor de naam gewijzigd werd in Stichting Bibliotheek en Leeszaal Nieuwleusen. Daarvan werd wethouder H. ter Wee (foto) voorzitter. De uitleenpost De Meele bleef voorlopig nog bestaan en werd beheerd door de schoolhoofden, eerst de heer W. van der Veen, later de heer J. Schuiling.

Op 10 november 1969 werd het nieuwe bibliotheekgebouw, aan de Ds. van Diemenstraat, geopend door de heer J. Thomas, lid van Gedeputeerde Staten van Overijssel. Het verlaten bibliotheekgebouw aan de Burgemeester Backxlaan werd in gebruik genomen als muziekschool. Het nieuwe gebouw werd een aantal keren vergroot tot de omvang zoals die het nu heeft.

(Na de verhuizing van de Bibliotheek naar Kulturhus "De Spil" in 2018 is het gebouw aan de Ds. van Diemenstraat in 2020 gesloopt.)

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO ________________________________________________________

foto ZH096 = BK044

Bij het verlaten van de school in 1960 voerden de leerlingen van de openbare lagere school Den Hulst een toneelstukje op. Daarvan werd een foto gemaakt die deze keer onze groepsfoto is.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

Roel Sterken
Henk Veerman
Willie Bouwhuis
Annie Brinkman
Jennie Compagner
Ria Prins
Arend Seine
Klaas Compagner
Gretha Schaapman

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  

Marrie Kappert
Roelof Visscher
Wim Schuurman
Miny Wink
Jennie Timmerman
Arend Veijer
Albert Jan ter Horst
Dirk Toersen
Gerrie Schuurman

19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  

Hennie Krul
Hennie Kragt
Arend Compagner
Rikie Kamerman
Mieke Kooiker
Bertha Massier
Tiny Veijer
Grietje van Duren
Jannie van de(r?) Graaf

* * *

POSTKANTOREN IN NIEUWLEUSEN ________________________________________________________

Vroeger was er de postkoets die de post vervoerde. Die koets kwam langs bepaalde wegen en had langs die wegen een aantal pleisterplaatsen waar de post werd achtergelaten. Waarschijnlijk werd de post van daar met een bode naar de geadresseerde gebracht. De postkoets reed nog niet dagelijks. De afstanden waren daarvoor ook te lang. Voor Zwolle - Groningen vice versa was zeker een week nodig.
Langzamerhand kreeg men meer behoefte aan een geregelde postdienst. In 1833 richtte de burgemeester van Nieuwleusen en Avereest, Onno Zwier van Sandick, een verzoek aan de gouverneur van Overijssel om in herberg “De Lichtmis” een distributiekantoor te willen toestaan waar men dagelijks brieven kon verzenden en ontvangen. De moeite die Van Sandinck zich getroostte werd met succes bekroond. Bij besluit van de Minister van Financiën van 28 augustus 1833 werd bepaald dat er met ingang van 1 oktober van dat jaar in herberg “De Lichtmis” aan de straatweg Zwolle - Meppel een distributiekantoor voor poststukken zou worden opgericht. Dit gebeurde o.a. voor de, steeds toenemende, correspondentie van en voor de gemeenten Nieuwleusen en Avereest. In een gesloten pakket werden de stukken voor de gemeente dagelijks vanuit de kantoren Zwolle en Meppel naar “De Lichtmis” gezonden. Van daaruit moest een distributeur voor verder vervoer zorgen. Voor zijn handelingen was hij verantwoording verschuldigd aan de Postdirecteur.
In het besluit werden tevens een aantal bestel- en afhaalpunten aangewezen. Voor Nieuwleusen en Den Hulst was dat bij G. Jansen. Deze woonde waarschijnlijk aan de Dedemsvaart, zodat de bode op weg naar en van Avereest er langs kwam. Later kwamen er meer bestelhuizen, o.a. op het gemeentehuis van Nieuwleusen en bij de sluizen in de Dedemsvaart.

Postzegel
Rowland Hill, een Engelsman, bedacht in 1837 een systeem waarbij niet de ontvanger maar de verzender voor de kosten moest betalen. Als gevolg daarvan werd op 6 mei 1840 de eerste postzegel ter wereld op een brief geplakt. Die zegel had de beeltenis van de Engelse koningin Victoria.
Tot 1850 was de in ons land tijdens de Franse tijd ingevoerde postwet van 1810 van kracht. Met de nieuwe wet van 1850 kreeg de staat het monopolie van de post. Zij stelde voortaan de tarieven vast en bepaalde de inrichting van de post. Deze wet regelde ook de invoering van postzegels. De eerste Nederlandse postzegel verscheen op 1 januari 1852 met het portret van koning Willem III. Er waren drie tarieven: vijf, tien en vijftien cent. De zegels werden op handgeschept papier gedrukt en waren ongetand.
Voor die tijd moest de ontvanger meestal betalen voor de kosten van verzending. Dat leverde wel eens problemen op als deze weigerde te betalen. De postbezorger ontving dan geen vergoeding voor zijn diensten.

Nieuwleusen
In Nieuwleusen werd op 20 juni 1868 een hulppostkantoor gevestigd, vallend onder het kantoor Zwolle. Er was toen al een brievengaarder in de persoon van J. van Eck. Hij fungeerde als zodanig van 20 juni 1865 tot 22 juli 1870. Een brievengaarder was iemand die de post verzorgt op een plaats waar alleen een hulppostkantoor is; een kantoorhouder.
Van Eck werd op 22 juli 1870 opgevolgd door J. Schutterop. Hoe lang hij brievengaarder was is onbekend, maar in elk geval werd hij opgevolgd door W.A. Wielens die zijn functie beëindigde op 1 februari 1886. Daarna werd J. Sieders brievengaarder die in functie was van 1 maart 1886 tot 1 mei 1891. Per die datum werd L. Brouwer benoemd tot brievengaarder van Nieuwleusen. Zijn “jaartractement” was per 1 april 1915 vastgesteld op ƒ700,--. Hij bleef tot 1 augustus 1916 en kreeg toen eervol ontslag.
In augustus 1916 was er dus een nieuwe brievengaarder nodig. Het kantoor Nieuwleusen ressorteerde inmiddels ook onder kantoor Dedemsvaart in de inspectie Zwolle. De diensturen waren op werkdagen van 8 tot 11, van 2 tot 3 en van half 6 tot half 7. Op zon- en feestdagen was dat van 12 tot 1 uur. Daarnaast moest de post behandeld worden op werkdagen om 7, half 8, 1, 3, 7 en 9.45 uur. Op zon- en feestdagen was dat om 7 en 7.30 uur ’s morgens en ’s avonds om 9.40 en 10.30 uur. De brievengaarder was met de bestelling belast, die werd uitgevoerd door twee postboden. Er was tot dan toe nog geen kantoorhouderschap van een hulptelegraaf- of hulptelefoon-kantoor gevestigd in Nieuwleusen. Het zou evenwel niet lang meer duren voor dat er kwam. Voor huur van een woning moest de nieuwe brievengaarder dan ook van minstens ƒ150,-- uit gaan. Aan belastingen moest bij een inkomen van ƒ500,-- en geen kinderen op een hoofdelijke aanslag van ƒ6,-- worden gerekend.


Hulppostkantoor te Nieuwleusen voor 1920.

Het hulptelegraaf- en hulptelefoonkantoor werd op 23 maart 1917 in Nieuwleusen gevestigd. Dit kantoor stond in verbinding met Dedemsvaart. Als zodanig zou dit kantoor dienst doen tot 3 augustus 1956. Toen werden de aansluitingen naar het kantoor in Den Hulst overgebracht en het hulppost-, telegraaf- en telefoonkantoor werd omgezet in een hulppost- en telegraafkantoor met celgesprekkendienst.


Westeinde met links postkantoor vanaf 1920 en rechts het voormalige postkantoor voor 1920. Deze foto is uit 1972.

Met ingang van 1 maart 1920 werd Marten Massier, geboren 16 april 1890, als kantoorhouder benoemd. In zijn aanstellingsbrief werd bepaald: “dat de benoemde kantoorhouder zal zijn belast met het beheer van het hulppost- telegraaf en telefoonkantoor te Nieuwleusen”. Zijn jaarsalaris was ƒ1100,--.
Marten Massier trouwde op 19 mei 1911 in Havelte met Hendrikje Lotterman, geboren 15 mei 1890. Hij liet in zijn trouwjaar een bakkerij met woonhuis bouwen in Den Hulst aan het kanaal Dedemsvaart. In 1919 moest hij vanwege gezondheidsredenen zijn bakkerszaak verkopen. Ze verhuisden naar het huis A153 (Westeinde), waar broer Albertus Massier een café had. Hier werd het hulppostkantoor gevestigd. Daarvoor was een brievenbus nodig die in het pand werd ingemetseld op 3 maart 1920. Toen de brievenbus in de zeventiger jaren werd verwijderd, kwam er een stuk papier te voorschijn waarop deze datum was vermeld met een poststempel van die dag en o.a. de handtekening van M. Massier, die daaraan kth (= kantoorhouder) toevoegde. Ook de bestellers plaatsten hun handtekening. Dat waren G. Stolte en A.J. Huzen. In 2005 is de brievenbus op dezelfde plaats weer ingemetseld, nu als brievenbus voor de bewoners.

Hendrikje Massier-Lotterman ging aan het Westeinde ook kostgangers houden en begon een handel in textiel. Tevens was ze met ingang van 16 maart 1920 telegrambestelster op een tarief van ƒ 0,20 per stuk.
Op 30 april 1955 nam Marten Massier afscheid als kantoorhouder van het postkantoor te Nieuwleusen. Ter gelegenheid daarvan werd hem een oorkonde uitgereikt.


Marten Massier en de afscheidsoorkonde die hij bij zijn afscheid ontving.

Massier werd als kantoorhouder opgevolgd door Jan Harm Pot en wel met ingang van 1 januari 1955. Deze was al sinds 13 januari 1945 werkzaam bij de P.T.T., eerst als hulpbesteller, later tot 1955 als besteller. Met ingang van 1 februari 1977 werd aan Jan Harm Pot eervol ontslag verleend.
Met het vertrek van Pot kwam er ook een einde aan het postkantoor aan het Westeinde. Er werd toen een ‘plattelandskantoor’ geopend in de supermarkt van Schoenmaker (nu Plusmarkt).
Pot was geboren op 31 januari 1914 in Ambt Hardenberg. Hij trouwde op 5 juni 1941 met Margje Massier, geboren 1 december 1916. Zij was een dochter van Marten Massier. Met ingang van 22 mei 1939 kwam ze in dienst als locale kracht op het postkantoor van Nieuwleusen.


Postkantoor Den Hulst omstreeks 1920.

Den Hulst
Op 1 augustus 1908 werd er in Den Hulst een hulppostkantoor gevestigd dat ressorteerde onder kantoor Dedemsvaart. Brievengaarder was A. Huzen. Hij was hier vele jaren in functie maar op 20 september 1930 meldt de Dedemsvaarsche Courant: “De gepensioneerde brievengaarder A. Huzen van het hulppostkantoor alhier is met ingang van 15 september j.l. als schrijver op arbeidscontract aangesteld op het postkantoor te Zwolle.”

Naamlijst voor den Telefoondienst
Uitgegeven door het Hoofdbestuur der Posterijen en Telegrafie,
januari 1915

HULST (DEN) (Hulptelefoonkantoor)
Diensturen: Werkdagen: van 9.-- vm. tot 10.-- vm., van 12.-- m. tot 1.-- nm., van 2.- nm. tot 3.-- nm., van 6.-- nm. tot 7.-- nm. Zon- en Feestdagen: van 8.-- vm. tot 9.-- vm.
Eene openbare spreekcel is gevestigd in het Hulptelegraafkantoor.
3   Berg B. Jzn., Fa. B.J. v.d., in Rijwielen en onderdeelen
     en gros
2   Berg;W.A. v.d., Stoomgrutterij en handel in
     voederart.
5   Griendtsveen Mosslitter Cy. Ltd., The
4   Maatschappij Rollecate
     Rijkstelegraafkantoor (º)
     Telegraafkantoor (º)
1   Visscher, J., Notaris

Nieuwleusen zie onder den Hulst

Al op 10 augustus 1910 werd er een hulptelegraaf- en hulptelefoonkantoor (in verbinding met Dedemsvaart) gevestigd. Door het instellen van een automatische telefooncentrale werd het kantoor op 3 augustus 1956 net als dat in Nieuwleusen omgezet in een hulppost- en telegraafkantoor met celgesprekkendienst.



Verder als één kantoor
Door de voortschrijdende toename van handelingen en moderniseringen voldeden de kantoren in Nieuwleusen en Den Hulst omstreeks 1970 niet meer aan de eisen. Besloten werd om een nieuw postkantoor te bouwen aan het Zandspeur in Nieuwleusen. Inmiddels waren beide dorpen samengevoegd onder de naam Nieuwleusen.


Het personeel bij de opening van het kantoor in 1974. Vlnr achterste rij: Gerrit Jan van Veen, Evert Jan Huzen, Hendrik Jan Huzen, Henk Geerts, Gerrit Knol, Hendrik Mastenbroek, Koos Gruppen, Henk Dozeman en Jan Houwer. Middelste rij: Jan Huzen, Gerard Huzen, Geert Vrieling, Herman Klein en Albert Mastenbroek. Voorste rij: Henk Kappert, Oost Oostra en Gerrit Volkerink.

Het postkantoor aan het Zandspeur werd ontworpen door architectenbureau Van Manen en Zwart uit Drachten. Het werd gebouwd door bouwbedrijf De Telgenhof uit Heerenveen. Dit postkantoor deed dienst tot eind 1998. Daarna werden de baliediensten in “De Boekelier” (nu “Readshop”) ondergebracht.

Bronnen: J. Drent, Bijdrage tot de geschiedenis van de gemeente Avereest. 1978. Aangetekend, personeelskrant van het staatsbedrijf der posterijen, etc. 13 maart 1974. Archiefstukken van L. van Berkum-Huisman en van “Ni’jluusn van vrogger”

\\\\\

Kleiner maken (historisch)
Komt een klant aan het loket van het postkantoor in Nieuwleusen en vraagt aan de beambte: “Kun ie dit biljet van viemtwintig gulden kleiner maken?” “Netuurluk”, zegt de beambte, pakt het biljet aan en scheurt het in tweeën. De klant schrikt en zet grote ogen op van verbazing.
“Zo klein genog?”, vraagt de beambte, “of zal ik ‘t nog kleiner maken”, daarbij gelijk de daad bij het woord voegend.
De klant is een beroerte nabij, kan geen woord uitbrengen en verlaat nadat de beambte hem lachend twee briefjes van tien en een van vijf gulden heeft gegeven, nog steeds sprakeloos het kantoor
.

* * *

FAMILIETRAGEDIE IN DEN HULST ________________________________________________________

Jakob de Weerd

13 september 2008 was een mooie zonnige dag. Die middag besluit een familie bestaande uit moeder, dochter en schoonzoon, een bezoek te brengen aan de Algemene Begraafplaats in Nieuwleusen. Ze willen het graf bezoeken van Jennigje Witpaard die al in 1919 is overleden. De moeder is de 92-jarige Jennigje Stille-Klein, de enige nog levende dochter van de overledene. Zij was drie jaar toen haar moeder stierf en had toen nog een zusje dat vijf jaar was.
Mevrouw Stille is slecht ter been. Het is zoeken naar het graf met de grafsteen dat de laatste tientallen jaren niet meer is bezocht. Na een tijdje wordt het graf gevonden, bijna achter op het oudste deel van de begraafplaats. Het kost de 92-jarige moeite om door het gras bij het graf te komen, maar het lukt. Ze is geëmotioneerd en zichtbaar dankbaar als ze samen met haar 63-jarige dochter bij het graf staat.

Jennigje Klein-Witpaard overleed op 10 december 1919 toen ze nog maar 27 jaar was. Ze is een dochter van Gerrit Jan Witpaard en Jennigje Witpaard en geboren op 3 juli 1892. Als ze 20 jaar is trouwt ze op 22 augustus 1912 met de uit Staphorst afkomstige Derk Klein die dan 27 jaar is. Hij is een zoon van Hendrik Klein en Klaasje Paasman.
Als derde kind uit het huwelijk wordt op 9 december 1919 zoon Derk Jan geboren (volgens de Burgerlijke Stand is hij bij overlijden 5 dagen oud). Jennigje Klein-Witpaard overlijdt echter in haar kraambed. Vier dagen later sterft ook haar zoontje Derk Jan en blijft de vader met twee dochtertjes achter. Derk Jan wordt in de armen van zijn moeder begraven op de Algemene begraafplaats in Nieuwleusen.

In de krant verscheen de volgende advertentie.

Den 10 december behaagde het den Heere van onze zijde weg te nemen mijn zeer geliefde Echtgenoote en der kinderen zorgdragende Moeder

          Jennigje Witpaard

in den jeugdige leeftijd van 27 jaar en 5 maanden. En 4 dagen later werden wij opnieuw getroffen door het overlijden van mijn geliefde zoontje

          Gerrit Jan

in den ouderdom van slechts 4 dagen. Zwaar troffen ons deze dagen, doch dat mijn Echtgenoote vol blijdschap is ingegaan in de rust die er overblijft voor het volk van God, is ons nog tot groote troost.
                               D. Klein
                            en kinderen.

Den Hulst, 17 dec. 1919

* * *

RECTIFICATIE ________________________________________________________

Bij het drukklaar maken van het septembernummer is een fout geslopen in het artikel “Het gezin van Gerrit Luten”. Zowel onderop bladzijde 82 als bovenaan bladzijde 83 is dezelfde foto geplaatst. De foto op bladzijde 83 is juist, die op bladzijde 82 dus niet, waarvoor onze excuses.

Hieronder de juiste foto met de bijbehorende tekst:





12. Gerrit Luten, geboren 21-10-1908, overleden 01-03-1976, trouwde
21-08-1930 met Margje Seinen, geboren 09-08-1909, overleden
16-06-1998, dochter van
Mannes Seinen en Hendrikje Lefers.

(in de tekst is deze fout niet gemaakt.)

* * *

VOETBALVELD PALTHEWEG ________________________________________________________

Aan de Paltheweg liggen nog de restanten van een voetbalveld. Dat veld werd jarenlang door voetbalclub USV gebruikt totdat men nieuwe velden in het middengebied van Nieuwleusen in gebruik nam.
Maar waarom lag het vroegere voetbalveld zo ver buiten het dorp? Aan de Paltheweg was in de directe nabijheid geen huis te vinden, waarom dan wel een voetbalveld?
USV was op 15 januari 1930 opgericht, maar had al enkele voorgangers, o.a. V.I.O.S. en K.M.D. Voetbalclub USV voetbalde op zondag, eerst aan de Ommerdijk. Later werd het veld verplaatst naar achter de openbare school aan de Dedemsvaart. Maar al snel bleek dat dit veld niet voldeed aan de afmetingen die de KNVB stelde.
In die tijd was voetbal, en zeker op zondag, nog niet zo geliefd. Met de kerkgangers moest rekening worden gehouden. Dat gebeurde wel maar bleek toch niet altijd mogelijk. Het veld achter de school had geen kleedkamers. De USV-ers kwamen wel vaak in voetbaltenue naar het veld, maar de voetballers van de bezoekende club moesten ook ruimte hebben om zich om te kleden. Dat gebeurde in café De Unie aan de Ommerdijk. Van daaruit liep men naar het voetbalveld en na afloop van de wedstrijd weer terug.
Na afloop van de wedstrijd stonden er bij café De Unie teilen met water klaar voor de voetballers om zich te wassen. Die wasgelegenheid was buiten en vanaf de weg zichtbaar. Dat was een doorn in het oog van veel kerkgangers.
Door al deze omstandigheden ging USV naar de gemeente om eens te praten over een ander voetbalveld. Het resultaat was dat er een perceel grond aan de Paltheweg beschikbaar werd gesteld en als voetbalveld werd ingericht. Er kwamen kleedkamers en daarvoor moest ook waterleiding naar dat punt worden gelegd. Met vereende krachten togen de voetballers aan het werk om de sleuf te graven voor de waterleiding en het elektra (foto). Toen het veld in gebruik genomen kon worden was iedereen erg tevreden; de voetballers met hun accommodatie en de kerkgangers die zich niet meer aan de voetballers behoefden te storen.


* * *

INHOUD JAARGANG 26 ________________________________________________________

1  
12  
19  
28  
29  
32  
36  
41  
44  
46  
48  
49  
51  
54  
57  
65  
67  
68  
69  
72  
77  
79  
85  
91  
97  
100  
108  
110  
112  

Teruggefloten belevenissen
Een enerverende tijd
Eind goed, al goed
Zonnetje
Verscholen Parels
Veldwachter Holties
Boerenverstand in een krijgsgevangenkamp
Een oude groepsfoto (OLS De Meele, ca 1982)
Ons TBC-huisje
Terugblik (gedicht)
Koninklijke poppen
Een volksverhalenverteller
Volksverhalen
Apperlo en Van de Galiën
Ootmoed en origami
‘t Peerdefonds
Voor drie-en-halve eeuw
Krummels
Een oude groepsfoto (CLS Den Hulst, ca 1958)
Over twee huwelijken
Meisjesverenigingen Gereformeerde Kerk
Het gezin van Gerrit Luten
Een spinmaal in Nieuwleusen
Bibliotheek Nieuwleusen
Een oude groepsfoto (OLS Den Hulst, 1960)
Postkantoren in Nieuwleusen
Familietragedie in Den Hulst
Voetbalveld Paltheweg
Inhoud jaargang 26




Jaargang 27 nummer 1 maart 2009


Deze uitgave verschijnt als nummer 1 van de 27ste jaargang van het kwartaalblad van de Historische Vereniging "Ni'jluusn van vrogger".

ISSN 1384-0940

Nieuwleusen, mei 2009

Uitgave:


Historische Vereniging “Ni’jluusn van vrogger”
Westeinde 3
7711 CH Nieuwleusen

© “Ni’jluusn van vrogger”, 2009
Niets van deze uitgave mag op enigerlei wijze worden overgenomen of gepubliceerd zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.





“De vaart was ons alles”

Wonen aan het kanaal de Dedemsvaart. Voor wie er woonde waren veel zaken zo vanzelfsprekend dat ze pas bijzonder werden toen het kanaal al lang was gedempt. Daarom vroegen we een aantal mensen die langs het kanaal tussen De Lichtmis en De Stouwe woonden over hun herinneringen te komen vertellen.

Op 27 januari en 3 februari 2009 kwam een groepje naar museum Palthehof en beide keren hadden we samen een genoeglijke middag. Hun leeftijd varieert van ongeveer 65 tot 85 jaar, dat is dus al 20 jaar leeftijdsverschil. Ook is het al 40 jaar geleden dat het kanaal is gedempt. Er is in al die tijd veel veranderd. Dat alles komt in de verhalen naar voren.

Van de verhalen die verteld werden vindt u hieronder een weerslag. Ze zijn tot stand gekomen met dank aan:
Jan Blik, Hendrikus en Stien Bosman-Geerts, Johanna Brinkman-Gijsen, Trijn de Graaf-Pierik, Lies en Jannie Kouwen-Haasjes, Grietje Kreule-Kok, Koop en Alberta Krol-Massier, Albert Krul, Jannie Massier-Beekman, Jaap Muller, Henk Prins, Jan Prins, Sophie Scholten-Klein, Bertus en Aaltje Stroeve-Schuurman, Harm Talen, Fokke Vleer, Bote en Hillie Wouda-Zandbergen.

Den Hulst
Van oudsher heette de omgeving waardoor het kanaal werd gegraven Den Hulst. Bij het dempen van de Dedemsvaart was het streven van het gemeentebestuur er op gericht van de twee dorpen Nieuwleusen en Den Hulst één groot dorp te maken. Vanaf dat moment gebruikte men alleen nog de naam Nieuwleusen en voor het onderscheid: “Nieuwleusen-zuid” (het vroegere dorp Nieuwleusen) en “Nieuwleusen-noord” (het vroegere dorp Den Hulst). De namen Den Hulst en Oosterhulst zijn nu alleen nog als straatnaam terug te vinden.



De ligging van het kanaal
Het kanaal werd gegraven vanuit Hasselt en uiteindelijk bij Ane met de Overijsselse Vecht verbonden. Langs het verwaarloosde riviertje de Beentjesgraven stonden al spaarzaam huizen en boerderijen, maar dankzij het kanaal, dat gedeeltelijk werd uitgegraven in de bedding van dat riviertje, groeide de bebouwing bij De Lichtmis uit tot een buurtschap en in Den Hulst tot een dorp.
Bij Sluis 2 aan De Lichtmis staan niet zoveel huizen, maar het was er wel levendig met een sluis, cafés en winkeltjes omdat het een knooppunt was van wegen, waterwegen en tramlijn.
De mensen die aan De Lichtmis woonden waren voor een groot deel familie van elkaar, zoals brug- en sluiswachter Willem Ennik, caféhouder en winkelier Ennik, waar nu het wegrestaurant Huisman is, en caféhouder Waanders, waar Piri Piri is gevestigd. Daarnaast had Bloemhof een slagerij.
; De tram reed vanaf De Lichtmis langs de zuidkant van het kanaal en kruiste wat verderop de noord-zuid lopende spoorlijn. De spoorbrug en de brug voor de tram, waarover ook het overige verkeer ging, lagen naast elkaar en trein en tram hadden beiden aan de noordkant van het kanaal elk een eigen station. De tramlijn maakte voorbij het tramstation een flinke bocht naar het oosten om aan de noordkant van het kanaal zijn weg te vervolgen naar de Rollecatebrug. Het overige verkeer maakte gebruik van de weg die van De Lichtmis tot aan de Rollecatebrug ten noorden van het kanaal lag.
Voor Nieuwleusen (Den Hulst) was de tramlijn, die bij elke brug en sluis een halte had, een belangrijke regionale verbinding. Dankzij het treinstation Dedemsvaart SS (Staats Spoor) beschikte het dorp ook over een snelle verbinding met de rest van het land. Maar dat station lag wel ver buiten het dorp. Dat vond ook een huisarts die aan het eind van de 19e eeuw in Nieuwleusen werd benoemd, want daarom trok hij zich alsnog terug.
Bij Brug 3, de Rollecatebrug, waar nu de rotonde is, liep de weg naar het Jagtlust. Daar gingen de weg en de tram over de brug naar de zuidkant van het kanaal omdat Baron van Dedem aan de noordkant het huis Rollecate en zijn landgoed had gevestigd. Op het landgoed kwamen naderhand verschillende bijgebouwen en bedrijfsgebouwen waarin de eerste melkmachine van Nederland, een boterfabriek en laboratorium waren ondergebracht. De grote veestallen stonden aan de Den Hulstkant van de Schapendijk, aan de Dedemsweg.

De Dalfser Courant van 13 september 1907
Het landgoed Rollecate, de zogenaamde modelboerderij van de heer mr. W.J. baron van Dedem, is deze zomer al door verscheidene landbouwverenigingen uit de omtrek bezocht. Zondag werd het vereerd met een bezoek van een gezelschap van 28 heren uit Duitsland, onder leiding van de heer Th. J. Mansholt, landbouwleraar in Den Haag.
; De heer Van Dedem was aan het station om het gezelschap te begroeten. De veestapel, 250 prachtige exemplaren, de zeer praktisch ingerichte varkensmesterij, de eenvoudige en keurige zuivelbereiding en kaasmakerij, de in een weelderige toestand verkerende uitgestrekte weilanden, allemaal zo gunstig gelegen ter weerszijden van de Dedemsvaart, de nog op grote schaal in ontginning zijnde landerijen, alles werd met veel belangstelling bezichtigd.

Dan komt Sluis 3 waar nu de Meeleweg op de N377 uitkomt. Hier ging de tramlijn rechtdoor langs de “zaandkaante”, de zuidkant van het kanaal. De doorgaande weg ging hier naar de noordkant. Aan die kant van het kanaal ontstond van Sluis 3 tot voorbij de Ommerdijkerbrug een lintbebouwing met boerderijen, cafés, molen, bakkerijen, kruidenierswinkels, postkantoor, smid, vrachtrijders, notaris, melkfabriek, manufacturenwinkel, fietsenfabriek enz.
; Bij bruggen en sluizen waren cafés en winkels, alles nog kleinschalig. In de buurt van Sluis 3 bestond de “kapsalon” van Gijsen uit een kappersstoel die in de zijkant van de voorkamer stond en door een gordijn van de rest van de kamer kon worden afgescheiden. Verder was daar de petroleumhandel die gedreven werd door Brinkman en Bosgraaf de horlogemaker.


Sluis 3 (links) met zicht op het kanaalpand richting Rollecatebrug. Net als hier was het overal op straat vooral rustig, vaak zo rustig dat je daar gerust kon spelen.

Brug 4, altijd de Ommerdijkerbrug genoemd, als begin- of eindpunt van de Ommerdijk (nu Burg. Backxlaan) was het belangrijkste kruispunt van het dorp, waaromheen zich de grootste bedrijvigheid afspeelde. Vrij vlug na Brug 4 stopte de dorpsbebouwing en werd het landschap weer ruim met vooral boerderijen en af en toe een winkel.
Brug 5 werd ook wel Koeriersbrug of Withaarsbrug genoemd. In deze omgeving werd de rechtdoorgaande oude loop van de Beentjesgraven verlaten en maakte het kanaal een bocht naar het noorden.
Bij Brug 6 verwisselden de doorgaande weg en de tramlijn van de noordkant naar de zuidkant en omgekeerd. Het was met de nabij gelegen molen De Vlijt van de gebroeders Muller (nu Groen caravans) het laatste drukke verkeerspunt voor we bij De Stouwe de gemeentegrens bereiken. Iets verderop, al in de gemeente Avereest, was Sluis 4 met daarbij het bekende café Berends.

In de oorlog zijn bruggen opgeblazen om de vijand tegen te houden. Daarna zijn er tijdelijk drijvende bruggen (bruggen op een dekschuit) voor in de plaats gekomen. Als er schepen moesten passeren werd de brug uit en daarna weer ingevaren.
De wegen langs het kanaal waren aanvankelijk zandwegen. In de tweede helft van de 19e eeuw werd er langs het kanaal een grindweg aangelegd. Maar de weg van De Lichtmis naar Hasselt bleef nog een sintelweg die langs de zuidkant van het kanaal liep, waar later de watertoren kwam. Rond 1920 had de provincie daar al een brede strook grond aangekocht voor een nieuwe weg aan de noordkant van het kanaal, maar men was nog niet toe aan de aanleg. Boeren uit Oosterhulst pachtten die grond, gingen daar grasmaaien en hooien. Het was vochtig weiland en het hooi werd op ruiters te drogen gezet. Tegen de tijd dat het hooi droog was werd er in Hasselt een platte boot, “een bok”, gehuurd en werd het hooi op de boot naar de boerderij vervoerd.

Waar nu de vijver bij De Koperen Hoogte is, was vroeger moerassig rietland. Voor de watertoren werd gebouwd had de familie Vleer daar een boerderij. Grootvader Vleer liet met een schip voor 11 hectare goede grond uit Friesland halen om van het moerassige land goed boerenland te maken.


Café Ennik nabij Sluis 2 aan De Lichtmis. Op de voorgrond een haventje van het Lichtmiskanaal. Hier kwam het water dat de Dedemsvaart via de stroomduiker had verlaten weer in het kanaal.

Drukke scheepvaart
Het vrachtverkeer ging grotendeels per schip en daarom was het vooral druk op het water. Er waren altijd wel schepen in de vaart. Henk Prins vertelde dat er voor de oorlog per dag gemiddeld zo’n 20 à 25 schepen door het kanaal voeren. Dat betekent dat het aantal schepen in de loop der jaren redelijk gelijk is gebleven – tot de vrachtauto de scheepvaart de nek omdraaide.

In de periode van 1850 -1901 passeerden op de Dedemsvaart bij Hasselt de volgende aantallen schepen:

1850 - 9.223 schepen
1880 - 6.530 schepen
1901 - 5.658 schepen.

1860 - 7.300 schepen
1891 - 7.771 schepen

Omstreeks 1850 kwamen de eerste stoomschepen in de vaart, maar op de kanalen bleven nog heel lang zeilschepen varen. Pas na de tweede wereldoorlog gingen de binnenschippers massaal over op allerlei vormen van hulpmotoren en motoren.

Lopend naar school
Wonen aan De Lichtmis betekende dat je helemaal naar de openbare school D op De Meele moest lopen. Misschien dat ze de eerste dag de kleintjes brachten, maar verder kwam er geen ouder aan te pas. De kleintjes liepen met de groten mee; een groepje van zo’n acht tot tien kinderen. Ze liepen over de zandweg langs het kanaal, staken de spoorweg over en gingen via de Jan Heereweg naar de Meeleweg en dan weer linksaf naar school.
De kinderen wisten dat om vier uur de spoorbrug open ging en als het ze lukte daar voor die tijd te zijn, vroegen ze de schippers of ze mee mochten varen tot bij de sluis aan De Lichtmis. Het was natuurlijk feest als dat lukte.
Na 1932, toen aan de Lichtmiskant van het spoor op De Meele een christelijke lagere school was gebouwd, gingen kinderen in afzonderlijke groepjes naar hun “eigen” school. Voor de christelijke school liep je langs Evenboer en Brinkman richting Kragt over een paadje onderlangs de spoorlijn en bij Vasse (nu Van Duren) ging je over het spoor rechtsaf.
Kwam er, voordat de Afsluitdijk was aangelegd, een storm vanuit het noordwesten dan duurde het niet lang of De Ruite en De Meele kwamen onder water te staan. Kinderen die daar aan de Nieuwendijk woonden gingen in Rouveen naar school en werden dan in een kruiwagen tot aan De Lichtmis gebracht zodat ze toch met droge voeten zelf verder konden lopen.
Na de oorlog wisten de waterschappen de waterhuishouding stukje bij beetje beter op orde te krijgen.

Fietsen
De jongere generatie kreeg al een fiets om naar school te gaan. Dat was meestal rond een jaar of tien, want kinderfietsen waren er nog niet voor “gewone” mensen en dus moest je groot genoeg zijn om de fiets “de baas te kunnen zijn”. Houten blokken op de trappers om op het zadel te kunnen; kinderen verfoeiden het, maar moesten dat voor lief nemen als ze niet wilden lopen. Je moest jongere broertjes of zusjes achterop meenemen. Vroeg of laat belandde je wel eens een keer met de fiets in de sloot. Vooral als het hard waaide was het een kunst om op de weg te blijven.


Bok, bok, hoeveel hoorns in Oosterhulst omstreeks 1956.

Meehelpen
Na schooltijd moest je thuis meehelpen. Dat betekende elke dag gras plukken voor de konijnen, die werden gehouden voor het vlees. ’s Avonds de eenden, die werden gehouden voor de eieren, weer op huis aan drijven. Overdag zwommen die vanaf de spoorbrug altijd een heel eind weg richting Rollecate. ’s Morgens de geiten langs de weg in de berm plaatsen en die ’s avonds weer binnen halen. Geiten werden gehouden voor de melk; men noemde ze daarom ook wel arbeiderskoeien. De melk was gezond maar had een sterke geitensmaak.
Langs het hele kanaal werden de vaartwallen in delen verhuurd en niet alleen gebruikt om er geiten “an de stik te zetten”, maar ook om met de zeis het gras te maaien om daar ’s winters hooi van te hebben voor het vee.

Mijn vaders klomp is mijn scheepje
Speelgoed was er eigenlijk niet. Je speelde veelal met afdankertjes en heel veel buiten. Je ging vissen, zwemmen, schaatsen, knikkeren, ballen, touwtjespringen, haasje over, wegkruipertje of slenteren (platte steentjes over het water laten ketsen).
Voor een voetbal, die toen zo’n zeven à acht gulden kostte, gingen de kinderen van De Lichtmis de buurt rond om geld in te zamelen. Er werd gevoetbald op een veldje naast Kijk in de Vegte. Als er een bal door de ruit ging, moesten de kinderen weer de buurt rond om geld in te zamelen voor het betalen van een nieuwe ruit.

Nieuwe kleren
Nieuwe spullen krijgen was een zeldzaamheid. Kleren werden “nagedragen” tot ze van ellende uit elkaar vielen. Als tienjarige voor het eerst van je leven een korenblauw manteltje krijgen. Nu nog staat die beleving Jannie Haasjes helder voor de geest.
Lange broeken dragen was voor meisjes taboe. Later mochten ze een lange broek onder hun rok dragen. Op weg naar school werd die rok stiekem uitgetrokken.

Vissen
Als je wilde vissen zorgde je zelf voor een stok. Meestal sneed je die van een boom of struik en als haakje kreeg je een kromme speld of spijker. Later mocht er ook wel eens een echt vishaakje gekocht worden. Nog later werden er ook wel hengels gekocht.
Lies Kouwen had als jongen een tamme kraai die alle visjes meenam. Hij had geen idee wat zijn kraai er mee deed, tot hij op een dag ontdekte dat de kraai die allemaal op dezelfde plek in de grond stopte. Dus niet de voedingswaarde maar de zilverglans zette de kraai aan tot hamsteren.
Vissen deed je vooral voor de gezelligheid. Je ving bijna nooit wat en wat je ving was niet zo belangrijk, want de vis werd meestal niet gegeten. Vissen voor een maaltijd was voor de meeste mensen langs het kanaal geen gewoonte; daar hadden ze geen tijd voor.
De enkele volwassene die wel serieus met hengelsport bezig was kende men bij naam. Zij vingen ook snoek en paling. In de buurt van Brug 5 zaten Klunder, Bouwhuis, Dekker en Schiphorst heel vaak te vissen. Die mannen waren ook wel in voor een geintje en op een keer kwamen ze al stoeiend in de vaart terecht. Ze konden daar de lol wel van inzien, maar thuis was moeder de vrouw minder te spreken.
Bij Henk Prins werd de gevangen vis wel graag gegeten. Hij ving vaak voorns en die waren lekker. Vlak voor zijn vaders winkel/bakkerij in Oosterhulst had hij een goede visstek. Dat kwam omdat zijn vader, net als alle bakkers, veel roggebrood bakte. Daarbij werden de verschillende broden op de bakplaat gescheiden door houten plankjes. Die moesten goed nat zijn voor ze de oven in gingen. Die plankjes werden na het bakken in het kanaal gelegd om te weken. Aan die plankjes zaten altijd wel broodkruimels en dat was een lekkernij voor de vissen.


Zwemmen leerde je aan een touw dat je ouders vasthielden, zoals hier in Oosterhulst omstreeks 1937.

Zwemmen
De meeste kinderen leerden zo rond hun achtste jaar zwemmen. Daarvoor kreeg je een touw om je middel, dat je vader vast hield. Je moest het water in lopen en dan maar proberen boven water te blijven. Kon je de overkant niet halen, dan trok je vader je aan het touw terug op de kant. Haalde je een paar keer achter elkaar de overkant, dan mocht je “van het touw” en kon je zwemmen. Meestal ging dat “op z’n hondjes”, spartelend met armen en benen. Gaandeweg leerde je jezelf dan een slag die wel op echt zwemmen leek.
De ouders konden zelf niet zwemmen, vandaar ook het touw want ze konden het niet voordoen. Omdat de kinderen graag wilden leren zwemmen hielpen ze zo goed ze konden. En ze zagen er de noodzaak ook wel van in, want er gebeurden nog wel eens ongelukken.

De ouders van Henk Prins hadden het druk met hun winkel. Groenteboer-metselaar Ossel woonde naast hen. Dat was een gezin met veel kinderen en Henk werd als kleine jongen regelmatig opgehaald om daar te spelen. Op een dag toen zijn moeder hem weer ophaalde en even een praatje met de buurvrouw maakte, rende hij opeens naar het kanaal. Daar zwommen eenden in. Hij viel in het water en ging kopje onder. Zijn moeder bedacht zich geen moment en sprong hem achterna, ook al kon ze niet zwemmen. De wijde rokken dreven als een luchtbel boven water en konden door een toegesnelde buurman worden vastgegrepen, zodat deze de twee drenkelingen aan de kant kon trekken. Henk kreeg daarom al snel “zwemles” en kon op z’n vijfde jaar zwemmen als een waterrat.
Gerrit de Groot reed als kleine jongen een keer met zijn fiets in het water. Geesje Prins zag het gebeuren en riep haar vader. Die sprong het kanaal in en kon hem nog net grijpen en bracht hem op de wal. Dokter Versluys was snel gewaarschuwd en kwam kijken. Ook de moeder van Gerrit, die verpleegster was geweest, was snel ter plaatse, maar gelukkig liep het allemaal goed af.


Met z’n allen zwemmen in de Dedemsvaart.

De jongere generatie leerde zwemmen in schoolverband. Zo liep meester Withaar van De Meele twee keer per week met zijn klas via de J. Visschersweg naar het kanaal en leerde hen daar de schoolslag. Als je goed naar de overkant en terug kon zwemmen, kreeg je een zwemdiploma.
Zwemmen gebeurde vaak bij de bruggen en sluizen. Bij De Lichtmis was het water bij de stroomduiker zo helder dat je er tussen de “spierinkies” (pas geboren visjes) zwom. Van de viaductbrug afspringen – ook al was die toen nog niet zo hoog – was een gedurfd waagstuk waartoe jongens zich lieten uitdagen. Gelukkig is dat altijd goed gegaan, maar spannend was het wel.
Jannie Haasjes woonde halverwege De Lichtmis en station Dedemsvaart SS in het huis “mit de schieve pareboom”. Het was een oud huis zonder elektrisch licht en met een dak dat zo lek was dat je als het regende overal emmers neer moest zetten om het water op te vangen. Als het ’s zomers snikheet was zongen haar broers:

O o wat een hitte
Het is goed in de schaduw te zitten
Onder de schieve pareboom
O was het maar winter


Ze herinnert zich niet meer hoe ze leerde zwemmen, maar weet wel dat ze het ineens kon – waarschijnlijk van de drie grote broers afgekeken – want opeens stond ze aan de overkant van het kanaal. Haar moeder zag dat plotseling en maande haar om over de brug terug te komen. Ze had helemaal geen zin om zo’n stuk om te lopen en toen moeder weer naar binnen was gegaan, zwom ze gewoon weer terug.












Duiken vanaf het viaduct van de A28, omstreeks 1960.


Naakt
Er werd ook wel naakt gezwommen, herinnert Jan Prins zich. Bij Sluis 3 zwommen ze in hun blootje bij de stroomduiker. Als er fietsers aan kwamen zwommen de jongens gauw in de stroomduiker tot de kust weer veilig was.
Hans de Boer, een vrijgezel uit Rouveen, had ook aan een touw leren zwemmen en kwam daarna vaak op woensdag- en zaterdagavond in De Lichtmis op bezoek en ging dan eerst zwemmen. Hij hield altijd zijn pet op “anders gingen zijn krullen eruit”, maar wie hem goed kende wist dat hij helemaal kaal was.
In de buurt van de trambrug paste een bewoner een minder fraaie manier toe om de buurt zijn wil op te leggen. Toen er nog geen riolering was, gebruikte men “tonnetjes” die iedereen op zijn eigen land leeggooide. De betreffende man gooide zijn tonnetje ‘s zomers bij voorkeur op zaterdag in het schemerdonker leeg in het kanaal. Het water was dan op zondag nog zo vervuild dat geen kind er over peinsde op de “dag des Heeren” in het kanaal te gaan zwemmen. Iedereen wist wie het deed, maar niemand sprak hem er op aan.
In Oosterhulst waren op verschillende plekken vlonders in de walkant gebouwd, zodat je gemakkelijk bij het water kon komen. Dat was ook prettig voor het zwemmen. De beste zwemmers sprongen vanaf de vlonder in ’t water en probeerden onder water de overkant te bereiken.
Ook probeerden sommigen bij de ophaalbrug zich zo lang mogelijk aan de brug vast te houden als die omhoog gedraaid werd. Wie dit het langste volhield was de held van de dag. Maar het was zeker niet zonder gevaar.

Roeibootje
De boerderij van de familie Prins stond aan de zuidkant van het kanaal in Oosterhulst, maar hun land lag ook gedeeltelijk aan de noordkant, met daarop een schaapskooi/schuur waarin vee gestald werd. Ze hadden dan ook een roeibootje. Ook de kinderen maakten regelmatig van het bootje gebruik om te gaan roeien of bij het zwemmen om er van af te springen of te duiken.
Voor de oorlog was dat een houten bootje. Jan Prins kan zich nog herinneren dat het een keer per jaar uit het water werd gehaald voor onderhoud. Een oude schipper hielp bij het breeuwen. Dat is het met hennep dichtmaken van de kieren, waarna er vloeibare pek overheen kwam. Hierna werd de hele boot geteerd en kon weer een jaar mee.
Na de oorlog kregen ze een bootje van ijzer. Met hout van de opgeblazen Brug 5 dat hij uit het kanaal had gevist heeft Jan een vlonder op de bovenrand van de boot gemaakt. Dat was makkelijker om de melkbussen op te zetten, dan hoefde je ze niet helemaal vanaf de bodem van de boot op te tillen.
Toen er nog geen betonnen beschoeiing langs het kanaal zat, was er een kleine uitsparing in de vaartwal. Hierin kon de roeiboot gedeeltelijk liggen en zodoende had de scheepvaart er weinig last van. Het roeibootje werd wel eens geraakt door een schip, maar het is altijd goed afgelopen.


De kinderen maakten regelmatig gebruik van het roeibootje.

Zeilen en speedbootracen
Van een jute zak hebben kinderen wel eens een zeil gemaakt op het roeibootje. De boot werd tegen de wind in naar Brug 5 getrokken, daar stapten ze in en lieten zich door de wind meedrijven. Dat ging altijd veel sneller dan weer met de boot achter je aan trekkend over de wal terug voor de volgende tocht. Maar dat gesjouw had je wel over voor het genot van met de wind meezeilen.

Vaag zijn de verhalen over speedbootraces op het kanaal. Hendrikus Bosman herinnert zich daarover het volgende: de Canadezen bleven na de bevrijding nog enige tijd in de buurt van Brug 6. Als tijdverdrijf werd er af en toe met een vlot door het kanaal “geracet”. De soldaten stonden dan op een vlot, dat met een touw was vastgemaakt aan een jeep die over de straat langs het kanaal reed. Hoe sneller hoe mooier en hoe spannender. Omdat de jeep het vlot naar de kant trok, moesten ze op het vlot helemaal scheef staan om goed te kunnen sturen. Of de verhalen over speedboten op het kanaal hierop zijn gebaseerd, of dat later iets dergelijks heeft plaatsgevonden is niet duidelijk, maar dat zulke verhalen een eigen leven gingen leiden in een tijd dat er nog niet of nauwelijks gemotoriseerde pleziervaart op het water bestond, ligt voor de hand.

Schaatsen
Iedereen kon het. Je zou denken dat alle kinderen, zodra er ijs lag, schaatsend naar school gingen, maar nee. Ook bij de strengste vorst bleven de kinderen van De Lichtmis lopend naar school gaan.
Trijn Pierik, die verderop bij het station woonde en in Den Hulst naar school ging, bond wel de schaatsen onder zodra dat kon en ging schaatsend over het kanaal naar school. Bijna alle kinderen van die school deden dat, tot ver in Oosterhulst.
Daar was Jan Prins altijd de eerste die probeerde of het ijs dik genoeg was. Met een meters lange stok voor zijn buik ging hij voorzichtig stapje voor stapje naar de overkant. Dat was een heel slimme methode, want mocht hij door het ijs zakken, dan bleven de uiteinden van de stok op het ijs liggen, zodat hij niet kopje onder ging maar er weer uit kon komen. Vond hij het veilig genoeg om zonder stok het ijs op te gaan, dan durfden de anderen ook.


Margje (links) en Lubbigje Talen.

Mooi zwieren
Bij het dorp werd natuurlijk ook volop geschaatst. Naast schaatsen op doorlopers werd er door enkelen ook op “rondjes” geschaatst, waarmee je zo mooi kon “zwieren”. Nu nog weten de mannen hoe mooi Alberta Massier en Rolanda van Diemen dat konden. Ook Hennie de Jonge en Jan Blik waren daar goed in.
Jannie Haasjes herinnert zich dat ze met haar vader ging schaatsen en dat die dan een stok bij zich had. Als de rit voor haar wat te lang duurde en ze weer terug schaatsten mocht ze zich aan de stok vasthouden, zodat ze het toch tot huis toe vol kon houden.
Wedstrijden waren er op het kanaal en op de ijsbaan.
Eerst bleef je op het stuk kanaal tussen de bruggen waar je woonde. Al naar gelang je groter werd ging je verder. Rijden via De Lichtmis over het Lichtmiskanaal tot de grasdrogerij was leuk tot je op de terugweg bij De Lichtmis opeens tegen de felle oostenwind in Nieuwleusen weer moest zien te bereiken.
Op de schaatsen naar Hasselt of Balkbrug was een geliefd traject. Wie op weg naar Balkbrug niet verder kwam dan café Berends bij Sluis 4 had ook nogal eens moeite met de terugweg, niet vanwege de wind maar door de warme borrel.


Schaatsen in Den Hulst bij de Ommerdijkerbrug.

De tram ophalen
Toen Henk Prins 10 jaar oud was ging hij al met een groepje mee dat naar het tramstation in Dedemsvaart schaatste “om de tram op te halen.” Het lukte hen steeds de tram bij te houden en om tegelijk met de tram bij de Ommerdijkerbrug te zijn, omdat de tram bij de haltes moest stoppen om passagiers te laten in- en uitstappen. Op een dag vonden ze dat ze de tram ook nog wel even naar De Lichtmis konden brengen. Die overmoed kwam waarschijnlijk omdat ze de wind mee hadden, want de terugweg werd een marteling. Nu moesten ze tegen de felle oostenwind in schaatsen.
Net als nu waren er toen ook al volwassenen die lange toertochten maakten. De echte liefhebbers gingen tot Kampen of naar Giethoorn en daar op de Wieden rijden en tegen de avond ook weer op schaatsen terug naar huis.
Heel erg boos werd je als er na enkele dagen nachtvorst al mooi glad ijs op de vaart lag en een schipper probeerde toch nog met zijn schip de thuishaven te halen.
Als er sneeuw viel pakten de mannen uit de buurt de bezem om een baan sneeuwvrij te maken. En als het ijs dik genoeg was, wilde Harm Jan Seine, die voor de provincie de weg sneeuwvrij moest houden, ook wel met paard en sneeuwschuiver over het kanaal rijden om ook daar een baan sneeuwvrij te maken.
Bewoners aan het kanaal waren van overheidswege verplicht om ’s winters een wak in het ijs te maken. Dat was om in geval van brand bluswater beschikbaar te hebben. Het wak moest je markeren met takkenbossen, zodat niemand er in zou vallen. Er is nooit gebruik van gemaakt, maar de plicht bleef.
Het kwam wel eens voor dat, wanneer er geen vorst meer werd verwacht en de dooi niet snel genoeg doorzette, een ijsbreker het kanaal voor de scheepvaart kwam openbreken.

22:24 7-10-2020


Omstreeks 1962 is het op het kanaal drukker dan op de weg. Enkele schooljongens gebruiken de ijsvloer als fietspad. Links de Unionfabriek, uiterst rechts de schuur van de dorsvereniging en daarnaast de winkel/schoenmakerij van Masselink. Deze foto is vanuit een auto genomen.

Het kanaalwater
Het kanaalwater was redelijk schoon tot voor de oorlog, ook al verschillen de meningen over dat “schoon” nogal. Het zuiverde zichzelf voldoende om er in te kunnen zwemmen. Met de komst van de motorschepen, na de oorlog, werd het er niet beter op.
Men mocht beslist geen afval in het kanaal gooien, maar men had ook weinig afval en dat werd op de mest- of composthoop gegooid, verbrand of in de grond gestopt.
Het water werd wel gebruikt voor het vee, maar beslist niet om de melkbussen mee schoon te maken. Er werd ook wel door mensen uit het kanaal gedronken - niet door veel mensen, maar toch - even de klomp uit en vol water scheppen, daaruit drinken en dan weer gewoon aan de voet, of even de pet gebruiken.
Veel mensen spoelden de vuile was in het kanaal voor die in de wasketel ging. Dat niet iedereen even schoon was, blijkt wel uit de opmerking: “Als … de was in de vaart spoelde gingen we die dag echt niet zwemmen.”
Schipper Ab Krul vertelde dat ze voor koffie en thee en het eten nooit water uit het kanaal gebruikten, maar altijd een tienlitertank met water aan boord hadden. Dus zuinig omgaan met water werd je als kind al aangeleerd. In het veen gebruikten ze wel het glasheldere water uit een “veenkoele” voor alles waar je water voor nodig hebt. Ze deden daar ook de was en maakten het schip schoon.

Schoonmaken
De bakkers gingen dagelijks met een natte dweil om een stok gewikkeld door de oven om die schoon te maken. Die dweil werd ook in het kanaal uitgespoeld.
Veevoer, granen, zaden en kunstmest werd los bij de bedrijven afgeleverd en daar in zakken geschept. Op die zakken zat statiegeld. Als die terug kwamen van de klanten zaten er altijd wel vuile zakken tussen. Die werden in het kanaal uitgespoeld om opnieuw te kunnen gebruiken. Wouda deed dat met zaadzakken en de Landbouwvereniging en molen De Vlijt met kunstmest- en graanzakken.
De mestwagens werden in het voorjaar uit elkaar gehaald en de planken kwamen in het kanaal te liggen om te weken. Daarna werden ze schoon geborsteld en geverfd en weer in elkaar gezet.
Af en toe zag je een reiger, zelden ooievaars. Kikkers en vissen waren een vanzelfsprekendheid in het kanaal, maar ook ratten. Die zaten ook wel in het achterhuis. Toen het kanaal verdwenen was, waren ook de ratten weg. Iedereen weet wel te vertellen dat er wel eens dode egels, kippen of biggen in het water dreven.
Toen men wist dat het kanaal gesloten en zelfs gedempt zou worden, werd het min of meer een open riool. Er werd van alles ingegooid, tot dode varkens aan toe en toen verging het zwemmen je wel. Dat was ook niet meer nodig omdat er inmiddels in 1965 een zwembad was gekomen.
Het was niet alleen rommel wat in het kanaal verdween. Johanna Gijsen woonde bij Sluis 3. Haar vader verkocht ook petroleum aan de schippers. Op een keer moest een schipper betalen en dat ging niet goed. Het geld ligt nu nog op de bodem van de Dedemsvaart.


Toen het kanaal gesloten was, vervuilde het snel. Hier gezien vanaf Brug 5.

Een jaarlijks terugkerende beproeving was vanaf oktober de stank van het kanaal, die bijna niet was uit te houden. Dat was wanneer de aardappel-campagne begon bij de aardappelmeelfabriek in De Krim en het afvalwater op het kanaal werd geloosd. Het hele kanaal werd vervuild en overal kwam de vis dood boven drijven.

Aardappelmeelfabrieken
Op de ontgonnen dalgronden langs de Dedemsvaart werden vooral veel fabrieksaardappelen verbouwd. Omdat de aardappel een heel bederfelijk product is, moest de verwerking in de directe omgeving plaatsvinden. Daarom werden er in het laatste kwart van de 19e eeuw verschillende aardappelmeelfabrieken langs de Dedemsvaart gebouwd. Daarvan is de coöperatieve fabriek “Onder Ons” in De Krim het langst in bedrijf gebleven. Het werd vanaf 1912 een motor voor de economische ontwikkeling van de streek. Rond 1930 werd daar o.a. het textielstijfsel “Crackfree” ontwikkeld, waarvan per jaar miljoenen pakjes werden geproduceerd.
In Nieuwleusen merkte men vooral de nadelen van de aanwezigheid van de fabriek. De fabriek was de oorzaak van een enorme vervuiling van het oppervlaktewater. Rottende eiwitresten zorgden tijdens de campagne voor een enorme stankoverlast, schuim op het water en alle leven in het water werd gedood.



De spoorwegovergang vanuit het oosten gezien in januari 1947 met links de trambrug en daarachter de spoorbrug.

Bruggen en brugwachters
Bertus Stroeve woonde in een klein huisje bij de trambrug. Burgemeester Backx kwam op een dag zeggen dat zijn moeder de eerst betaalde “gemeentelijke brugwachter” werd. Ze moest dagelijks van ’s morgens zes uur tot ’s avonds tien uur beschikbaar zijn om de brug op te draaien. En daar stond als beloning tegenover: “Vrij wonen”.
Als de kinderen bij huis waren moesten die de brug ook wel bedienen. Als het kon gebeurde dat met z’n tweeën; de een draaide, de andere trok aan de ketting, zodat het draaien wat minder zwaar was, en ook probeerde de ander wel zo vlug mogelijk tegen de neerdalende brug op te lopen, zodat hij sneller naar beneden ging. Maar het was natuurlijk geen kinderwerk en er werd flink over gemopperd en geprobeerd er voor weg te lopen.
Brugwachters hadden spierkracht nodig, maar toch waren het bijna altijd vrouwen die het “vrij wonen” verdienden, terwijl de man bijverdiende op de Union of met ander werk.
Wanneer de schippers bij het doorvaren van een brug moesten betalen, deden ze een kwartje of zoiets in de klomp die, met een touwtje aan een lange stok, hen werd voorgehouden.
Het was zaak de brug op tijd open te draaien, zodat de schepen geen vaart hoefden te minderen. Daarom bliezen de schippers al ver voor de brug op een hoorn. Als de brug dan toch niet op tijd open was werd er flink gescholden. Vooral de Groninger schippers konden er wat van. Vaak kwam het niet voor, maar men weet nog dat het André Mijnheer was die brugwachter vrouw Voorhorst voor de gek hield door te toeteren. Toen ze buiten kwam was er geen schip en geen André te zien.

Wagena, brugwachter van de spoorbrug, stond erom bekend dat hij de brug vaak open hield als hij in de verte nog een schip aan zag komen.
Bij Sluis 3 was het al niet anders. Als Klaas Vonder nog een schip aan zag komen liet hij de brug ook rustig open tot alles was gepasseerd. Wie dan over de brug wilde had maar te wachten tot hij “er aan toe was” om de brug weer dicht te draaien.

Er kon afhankelijk van de grootte meestal maar een schip tegelijk in een sluis, soms twee. Er moest heel wat geschut worden en alles ging met handkracht.
Als je over een brug naar school moest en je was laat, dan wilde je wel even hard fietsen als je zag dat er een schip aan kwam. Zo gebeurde het wel eens dat de brugwachter al bezig was de brug open te draaien en je er toch nog snel over heen kon fietsen. Maar het ging ook een keer bijna mis en toen hing een van de kinderen met de fiets en al half boven het water. Later kwamen er kettingen die eerst voor de brug werden gespannen voor men aan het open draaien begon en moest je je geduld bewaren. Ook werd er vanaf de schemertijd midden voor de brug een lantaarn neergezet, zodat je kon zien dat de brug open was. Die lantaarn zag je wel goed omdat het verder pikkedonker was. Met mist was zo’n verlichting nagenoeg nutteloos, maar dan waren er altijd nog de kettingen.

Toen er meer auto’s kwamen deden zich bij de bruggen soms komische situaties voor. Wie een auto bezat, had vaak ook gezag in eigen kring. Wanneer tegelijkertijd twee auto’s de brug naderden - waarop je elkaar niet kon passeren - gaf dat onzichtbare gezag niet automatisch voorrang. Achteruit rijden of uitstappen om te overleggen was geen optie. Dus bleef men stijfkoppig wachten tot de tegenligger aan de kant ging. Zo’n situatie heeft wel eens een half uur geduurd.

Ongelukken
Nu vinden we het vreemd dat men vroeger banger was voor het spoor dan voor het kanaal. Het kanaal was er altijd; je werd er mee geboren. De trein was er ook wel altijd, maar niet vlak voor je huis en het gevaar was snel en heftig.


Station Dedemsvaart SS kwam gehavend uit de oorlog en werd kort daarna afgebroken. Deze foto is van 1946.

Trijn Pierik was vier jaar toen ze van achter de Union naar de omgeving van het station Dedemsvaart verhuisde. Maar ze moest wel helemaal naar de christelijke school in Den Hulst omdat ze dan niet “over het spoor” hoefde, hoewel de school in De Meele dichter bij was.
De kinderen die op De Meele naar school gingen herinneren zich nog dat ze op een dag op weg naar school werden tegengehouden omdat er een vrachtwagen met varkens onder de trein was gekomen. De dode varkens zouden een te aangrijpend beeld zijn voor de kinderen. Toevallig zat de vader van Jannie Beekman, die gewoonlijk op de vrachtwagen reed, die dag niet op de wagen.
Met spannende verhalen kwamen de kinderen te laat op school.
In het kanaal werd de vaargeul voor de bruggen versmald door remmingspalen, zodat de schepen goed in het midden van het kanaal voeren voor ze door de brug zouden varen. Bloemhof, die net over het spoor woonde en vaak nieuwe paarden “beleerde”, deed dat vaak met twee paarden naast elkaar voor de wagen. Het oude paard moest dan het jonge paard helpen wennen. Op een dag reden ze over het kanaal toen een van de paarden “wild in de kop” werd en van de brug af gleed, tussen de remmingspalen belandde en daar verdronk.


Een ouderwetse boerenwagen met mestbak en houten wielen met een ijzeren band.

Beter liep het af met het paard van de boer die met de mestkar bij café Huisman in het kanaal belandde en daarin in de mestbak bleef drijven tot hij er bij Hendrik Snel weer uitgehaald kon worden. Het paard was met het onderstel van de wagen meteen aan de overkant het kanaal weer uitgeklauterd. Toen Hendrik Klunder datzelfde in Oosterhulst overkwam vroeg Hendrik Knol hem laconiek: “Ben j’ al lang schipper ewest?”
Eens reed vanaf bakkerij De Jonge in Oosterhulst een auto met vier inzittenden achteruit en kwam in het kanaal terecht. Jaap Muller heeft samen met zijn vader drie inzittenden kunnen redden.
Mist en duisternis waren gevaarlijk. Melkrijders die in de mist de spoorweg moesten oversteken klommen soms van de wagen af om dicht bij de rails te luisteren of er een trein aan kwam. Voor ze weer opgestapt en overge-stoken waren bleef een gevaarlijk moment. Zo is er toch wel eens iemand verongelukt.
In de oorlog was het nog donkerder dan donker omdat ook uit de huizen geen lichtstraal mocht ontsnappen. Zo is eens iemand in Oosterhulst na een praatje bij de buren in het kanaal terechtgekomen en verdronken.

Wonen en werken
Kleine boeren probeerden bij te verdienen. “Schouw maken” was een van de mogelijkheden. Dat is in de late herfst en winter voor het waterschap sloten schoon maken.
Verder was men zoveel mogelijk zelfvoorzienend: fruit van eigen bomen, groenten uit eigen tuin. Aardappelen van eigen grond en vlees van het eigen varken. Alleen wie groot boer was kon zich de weelde van rundvlees veroorloven.
Er kwamen venters aan huis voor brood en andere etenswaren. Die venters maakten lange werkdagen. Wie aan het eind van een rit de laatste klant was, bleef op tot de venter kwam. Dat kon wel tegen twaalf uur ’s nachts zijn. Maar zo’n venter was dan meestal wel een gezellige prater en hield het daarom ook zo lang vol. De volgende morgen moest hij niettemin weer vroeg op.
; Gerard Klosse was ook zo’n venter die regelmatig tot elf uur ’s avonds bij de weg was. Hij zong altijd.


Gerard Klosse zong altijd.

Moeders werkten mee op het land en de kinderen moesten al vroeg thuis en/of op het land meehelpen.
Stien Geerts was dertien jaar oud toen ze bij Sluis 3 kwam wonen. Net als de andere meisjes vond ze het prachtig wanneer ze in de kruidenierswinkel van Beltman de bonen in de grote koffiemolen mocht malen als een klant een half pond koffie kwam kopen. Brood en boter werden ook veel gekocht. Direct van de huishoudschool ging ze bij de coöperatiewinkel werken. Als ze goed haar best deed zou ze ook in de winkel mogen helpen, maar voorlopig moest ze in het magazijn vooral suiker enz. afwegen en leren de papieren zakken en puntzakken goed dicht te vouwen Ook moest ze met ammoniak de grote metalen voorraadbakken schoonmaken; nu ondenkbaar om dat meisjes te laten doen.
Wie geen vast werk had probeerde een baan bij “het spoor” te krijgen. Zo was Stroeve ‘s zomers opperman bij Vasse, een bekende metselaars-familie, en ’s winters spoorwegarbeider, tot hij een vaste baan bij “het spoor” kon krijgen.

Turfschippers
Vanaf dat het kanaal gegraven is was er turfhandel. Bijna alle schepen voeren door de Dedemsvaart naar de Zuiderzee, maar er waren ook schippers die in de buurt bleven en als vaste leverancier daar de turfhandel voor hun rekening namen; ieder z’n eigen verzorgingsgebied. Voor Nieuwleusen en omgeving hadden na de oorlog de gebroeders Kok de beste turf; nog handgestoken, mooie kolige turf. Ze staken die zelf en kochten daarvoor percelen veen.
De andere schippers handelden toen al in de lossere, lichtere persturf die met stoommachines uit het natte veen werd gegraven en op rijen te drogen werd gezet.
Hendrik van Veen, die ook wel Schutte genoemd werd, omdat hij daar grootgebracht was, lag met zijn schip voor de Rollecate. Jannes Klein, een vrijgezelle schipper, kwam meestal niet verder dan Dalvoorde halverwege Balkbrug.
Maar het bekendste was in Nieuwleusen de familie Krul, die van vader op zoon hier de turfhandel voor hun rekening hebben genomen.
Ab Krul vertelt daarover: grootvader Jan Krul was al turfschipper en woonde naast hotel De Unie. Het huis is later afgebroken en er is door Bril een nieuw huis gebouwd. Zijn broers Hendrik en Arend bleven ongetrouwd en hadden samen een schip, waarmee ze aan de westkant van de Ommerdijkerbrug, tegenover garage Mensink lagen en woonden. Ze hadden een grote turfschuur, waarin ze een voorraad opsloegen voor verkoop in de winter. Die schuur bestaat nog. Inmiddels is de voorste helft verbouwd als woonhuis, maar voor wie het weet is op Den Hulst 53 in het achterhuis nog duidelijk de turfschuur van Krul te herkennen.
Jan Krul had twee zonen die ook turfschipper werden. Jan Krul jr. was getrouwd met Hilligje Dekker en voer op “De Trouwe Hulp”. Met het schip hadden ze voor hun huis tegenover molen De Vlijt in Oosterhulst een ligplaats.


De familie Krul aan boord van hun schip in een turfveld. Vader Arend en moeder Coba met hun zonen Jan, Albert, Gerhard en Johannes. Het meisje is nichtje Annie Ymker.

Arend Krul, de vader van Ab, was getrouwd met Coba Moes en lag met zijn schip “Hoop doet leven” aan de oostkant van de Ommerdijkerbrug, voor het huis van zijn vader Jan Krul naast hotel De Unie.

Toen Arend trouwde liet hij een schip bouwen bij Peters in Dedemsvaart. (De scheepswerf bestaat nu nog in Kampen.) Samen met zijn vrouw voer hij op en neer naar de turfgebieden. Op het schip werden vier zonen geboren; in 1927, 1929, 1931 en 1933. De kinderen bleven aan boord tot ze naar school moesten. Eerst sliepen ze in de slaapruimte bij hun ouders onder de roef, in een klein afgeschermd hoekje waar twee kleine kinderen konden slapen. Als vader in alle vroegte opstond mochten ze vaak nog even bij hun moeder in het warme bed verder slapen. Maar zodra die ruimte te klein werd, moesten ze verhuizen naar de voorpunt van het schip. Daar kwam je, als het schip geladen was, door over de deklast heen te klimmen. Vader bracht ze er naar toe en liet weten dat ze daar rustig moesten gaan slapen. Als ze ergens bang voor waren of in geval van onraad mochten ze tegen de zijwand van het schip kloppen. Dat hoorden de ouders dan in de roef en dan kwamen ze. Maar je moest daar geen misbruik van maken. Zo moesten kinderen al heel jong flink zijn.
Zodra de kinderen naar school moesten, kwamen ze bij opa en oma bij de Ommerdijkerbrug wonen. Lagen de ouders met hun schip in Nieuwleusen, dan zagen ze elkaar wel, maar de kinderen bleven bij opa en oma, ook in de schoolvakanties, want dat was voor de ouders de drukste tijd; van mei tot eind september moest er zoveel mogelijk worden verdiend.
In de oorlog mocht je, als je niet naar een vervolgschool ging, na klas zes niet van school maar moest je de 7e klas volgen en Duits leren en zo kwam Ab pas op z’n veertiende van school. Intussen moest hij wel flink meewerken en bijvoorbeeld op de fiets naar Schoonebeek om daar bij zijn vader aan boord te stappen om samen met het volle schip naar Nieuwleusen te varen.

Als de turf niet al te zwaar was werd die zo hoog opgeladen dat er een lange stok aan het roer werd gebonden en ze van boven op de deklast het schip stuurden om vooruit te kunnen kijken.
Waren ze in het weekeinde met het schip in de veengebieden, dan gingen ze op de fiets terug naar huis en gingen ’s maandagsmorgens al weer om half vier van huis zodat ze om zeven uur bij het schip waren, waar dan het laden begon. Met het zeilschip hadden ze, afhankelijk van de wind, een week nodig om vanuit Nieuwleusen naar de turfvelden te varen, te laden en weer terug te varen.
Zat het mee dan zeilde het schip door de kanalen, maar was er geen wind of tegenwind, dan moesten de vader of moeder “in de liende" of moest er een scheepsjager worden gehuurd om het schip te trekken.

Baantje
Ab was ongeveer 15 jaar oud toen hij bij de Ommerdijkerbrug een schipper zag martelen om met zijn boot aan de kant te komen. Hij hielp met het vastmaken en vroeg of de schipper geen knecht aan boord had. Nee, die was enige tijd daarvoor plotseling van boord gegaan. Kan ik je knecht worden, vroeg Ab. De schipper vroeg hem een en ander over het schip en toen bleek dat Ab vertrouwd was met het varen stelde de schipper voor dat hij bij hem aan boord kwam om mee te varen en te laten zien wat hij kon.
Halverwege Lutten kwamen ze het schip van zijn vader tegen. “Wat doe jij daar aan boord?” was de verbaasde vraag. Na uitleg stapte Ab bij z’n vader aan boord en ging weer mee naar huis. Ze zouden terug komen om over het in dienst nemen te praten. Het schip lag al snel daarna vastgevroren in het Almelose kanaal bij Ane en daar zijn Ab en zijn vader op schaatsen naar toe gegaan. Voor vijf gulden per week werd hij aangenomen. Na de vorst zou hij beginnen. Het schip lag in Vriezenveen en daar ging Ab op de fiets naar toe. Het was al helemaal donker toen hij daar in het moerassige land het schip moest zien te vinden. “Bin j’ d’r nou al? en nog zo laat op de aovend. Ik heb je bedde nog helemaol niet klaor!” Toen moesten ze dus in het donker ook nog op pad naar een boer om schone haverdoppen te halen voor de matras.

Het schip was een zeilschip met een opdrukkertje. Dat was een klein motorbootje dat achter het schip voer en aanduwde. Ze voeren met bolsterturf over de Zuiderzee naar Holland, maar moesten bij Kampen soms heel lang wachten op rustig weer omdat het gevaarlijk was wanneer die turf nat werd. Ab heeft daar anderhalf jaar mee gevaren en toen vijf jaar op de kustvaart: fruit van het Westland naar Engeland, karton uit Groningen, hout uit Finland en Zweden enz. In de Golf van Biskaje is hij bijna verdronken toen hun schip in brand stond. Een olietanker heeft hen gered en daarmee kwam hij terug in Rotterdam.


Ab Krul lost een lading turf. De turf werd in een turfmand op de boerenwagen gebracht.

Eigen baas
Omdat zijn broers inmiddels alle drie waren geëmigreerd naar Canada, kwam Ab in 1953 terug naar Nieuwleusen om zijn vader te helpen bij de turfvaart. Hij trouwde met Stien ten Broeke uit Fortmond bij Olst, die hier regelmatig bij haar grootouders logeerde en zo hadden ze elkaar leren kennen. Het schip van zijn vader, dat ook met een opdrukkertje voer, was voor twee man te klein en daarom kocht Ab een groter schip van 65 ton met een bijna twee meter hoge motor aan boord. Zijn moeder bleef aan de wal. Ze hebben samen zes jaar gevaren, tot vader overleed.


Motorschip “Stien” op de scheepswerf voor onderhoudswerkzaamheden.

Het onderhoud van het schip ging tussen het werk door. Ongeveer een keer per drie jaar ging men voor het onderhoud van de onderkant van het schip naar de werf. Voor de oorlog naar de werf van de gebroeders Holvast bij De Pol, (iets voorbij nu de autoweg naar Hoogeveen) bij Dedemsvaart. Daar waren toen nog drie grotere scheepswerven. Na de oorlog naar een werf in Nieuw Amsterdam.
Toen Ab nog op de kustvaart zat vroeg zijn moeder hem zijn spaargeld te mogen gebruiken om een boerderijtje met een bunder grond in Den Hulst (tegenover nu BAM) te kunnen kopen. Het adres was toen Hoofdvaart ZZ 191. Toen hij trouwde gingen ze er bij in wonen. Zijn vrouw heeft nog wel meegevaren, maar de vier dochters zijn aan de wal opgegroeid, waar oma altijd aanwezig was. Ab kon, als alles meezat, in drie dagen terug zijn met een schip vol turf; dus in minder dan de helft van de tijd die zijn vader nodig had. De bruggen werden van half zes ’s morgens tot negen uur ’s avonds bemand. Hij voer ’s morgens vroeg met het schip naar Sluis 3, keerde daar, voer om half zes door de Ommerdijkerbrug en probeerde voor twaalf uur bij de brug in Coevorden te zijn, want die bleef tijdens de middagpauze dicht. Dan door het Stieltjeskanaal naar de turf in Nieuw Amsterdam of Klazinaveen. De volgende morgen begonnen om zeven uur veertien mannen en/of vrouwen het schip te laden. Om twaalf uur was het schip vol. Terug varen tot Erica en de volgende dag terug naar Nieuwleusen. Dan ’s avonds de klanten langs om te zeggen dat hij turf had. Dat waren meestal boeren die voldoende ruimte hadden om in een keer hun hele wintervoorraad te kopen, zodat hij de volgende dag zijn boot weer leeg kreeg. Ab heeft daarom geen turfschuur gebruikt. De turf werd vaak per 1000 stuks verkocht en per paar geteld omdat je steeds twee of vier turven tegelijk oppakte. Per 100 paar werd een turf opzij gelegd, zodat hij wist dat hij bij vijf turven er 1000 moest afrekenen. Goed opletten bij het tellen dus!
In Coevorden kocht hij een kaart voor het sluizengeld. Het tarief voor een retour naar Nieuwleusen was tien cent per ton = 1000 kg., voor 65 ton dus ƒ 6,50. Bij de sluiswachters moest hij de kaart laten knippen. Voor de bruggen hoefde geen geld te worden betaald.
Er werd steeds meer bolsterturf vervoerd. Dat werd in het varkenshok en de paardenstal gestrooid. Het nam goed vocht op en werd met de mest op het land gebracht.

Anderen vertelden dat turf per mand van 20 turven werd verkocht. Na iedere volle mand legde de schipper steeds een turf aan de kant om na het vol laden van de kar aan de hand van het aantal turven het aantal manden te kunnen tellen voor het afrekenen. Een “lelijke streek” die indruk heeft gemaakt was dat een paar kwajongens die turven teruggegooid hadden in het schip.

Er werd ook nog lang turf gegraven op de Kievitshaar, in ieder geval tot in de oorlog. Plaggen voor de potstal en turf voor de kachel. Je kocht een afgepaald oppervlak en hoeveel lagen je daar kon steken hing van de plek af die je had gekocht.
Klaasje Jonkers ging in 1926 op de Kievitshaar wonen en vertelde: Dat turfland werd nog met recht een woestijn genoemd. De wilde konijnen liepen soms zelfs in het achterhuis. Er stonden zes huizen. Daar woonden: als eerste Wassink, dan Jan Gerritsen, dan de gebroeders Jan en Willem Dekker, dan Jan Dragt, dan Klaas Wink en dan wij, net getrouwd. Dat huis met land erbij had haar vader gekocht. De mensen gingen daar ’s zomers nog allemaal turfgraven. Er kwamen dan wel eens mensen die bezig waren met turfgraven om een bus water vragen.


Bijverdienen
‘s Winters lag het werk stil en dan werkte Ab bij de Landbouwvereniging. Graan, kali, stikstof, slakkenmeel enz. werd los in het ruim aangevoerd. Het moest in grote emmers geschept worden, die dan in grote bakken gekiept werden op lorries die naar de molen gereden werden. Kunstmest werd in zakken van 100 kg, later 50 kg, aangeleverd en werden met een lier uit het schip gehaald. Boeren kwamen veel zelf halen, maar bestellingen werden ook met de vrachtauto rondgebracht. Er kon zo’n 9.000 kg op een vrachtauto en per dag werden meestal twee ritten gereden, dus gingen er per dag heel wat kilo’s op de schouders.
Ook had hij achter het huis een schuur gebouwd waar hij tien jaar lang op contractbasis varkens mestte voor de Landbouwvereniging. Elke zestien weken werden 1000 biggen afgeleverd, die na zestien weken weer werden opgehaald. Per week werd per varken een gulden betaald. Duizend gulden per week was een mooie bijverdienste!

Toen in 1964 het kanaal voor de scheepvaart werd gesloten kregen de schippers een schadevergoeding. Ab verkocht het schip voor een derde van de prijs die hij er zelf vijf jaar eerder voor had betaald, want vrachtschepen waren “uit”. Maar hij had intussen wel een vaste baan bij de Landbouwvereniging. Hij maakte de fusie met Balkbrug en daarna met Meppel mee. Ging daar met de vrachtwagen van het werk naartoe en parkeerde die ’s avonds weer vlak bij huis aan de overkant bij de Landbouwvereniging.
Het land was al verkocht voor de bouw van bungalows in het Vijverpark en het huis is ook verkocht en de nodige keren verbouwd en nu verstopt achter een geluidswal. Zoveel veranderingen in een mensenleven is typisch voor de 20e eeuw.

Scheepsjagers
Zolang er zeilschepen voeren waren er scheepsjagers. Wanneer er geen wind of tegenwind was, huurden de schippers een scheepsjager. Maar niet iedereen had geld om een scheepsjager te betalen. Dan moest de schipper, of de vrouw of de kinderen “in de liende” om het schip te trekken. Ver voorovergebogen liepen ze over het jaagpad en dat werd door de omwonenden als akelig en triest ervaren. Hoe de taakverdeling tot stand kwam was natuurlijk vanaf de walkant niet te zien, maar het gezegde “Ie mut de vrouwe veur d’ogen hollen” had een wrange bijsmaak.
Huurde een schipper een scheepsjager, dan werd er een touw van het schip naar het paard gespannen en het paard trok, lopend over het jaagpad, het schip door het kanaal. De scheepsjager liep met het paard mee.
Scheepsjagers hadden geen vast traject. Meelopen tot Hasselt of tot ver in Drenthe was heel gewoon. Had een scheepsjager geluk, dan kon hij op de terugweg weer een schip trekken. Zo niet, dan moest hij zonder die verdienste weer teruglopen naar huis.

Scheepsjagers in Nieuwleusen woonden in de buurt van waar nu de Jagersweg is. Nu zou die straat Scheepsjagersweg genoemd worden, als herinnering aan de noeste werkers. Maar toen de naam gegeven werd wist men nog te goed hoe armoedig hun bestaan was geweest en wilden de bewoners daar liever niet meer aan herinnerd worden.


Scheepsjager Gerrit Jan Wink omstreeks 1935 met links op de achtergrond het kantoor van Union bouwmaterialen. Rechts naast het kanaal de tramrails.(Hier was een stuk dubbelspoor voor passeren van de tram.)

Schoolreisjes op het water
Dirk van Haarst lag vaak bij De Lichtmis aan de wal. Hij vervoerde zand en grind voor de Union en was goed “bij de tijd”. Hij had al een radio aan boord toen verder nog niemand aan De Lichtmis dat had. Kinderen mochten soms aan boord komen om daar naar de radio te luisteren. Prachtig vonden ze dat.
Tegen de tijd van de schoolreisjes maakte hij een van de schepen goed schoon en dan werden daarmee tochtjes over de Dedemsvaart gemaakt. Bij de winkel van Prins in Oosterhulst werd gedraaid en dan voer men terug naar De Lichtmis. Hij maakte ook wel tochtjes naar Giethoorn.


Schoolreisje met de “Mercatura” van schipper Van Haarst.

Bedrijven langs het kanaal
Toen het Lichtmiskanaal was gegraven kon men ook over water naar Zwolle. Op vrijdag laadde het personeel van Baron van Dedem in alle vroegte de boter en eieren in een boot en trok die vanaf de walkant helemaal naar Zwolle: Lichtmiskanaal, Overijsselse Vecht, Nieuwe Vecht, stadsgracht, markt.
Wouda’s zaadhandel kwam zich uit Friesland aan het kanaal vestigen omdat ze dan dichter bij de klanten zaten en sneller konden leveren. Ze vestigden zich in de voormalige cichoreifabriek, vlak bij het spoor. Toen de Noordoostpolder in gebruik werd genomen en daar veel klanten zaten, verhuisde het bedrijf om diezelfde reden opnieuw. Nu naar Kampen.

Cichoreifabriek
Cichorei is nauw verwant aan witlof en andijvie. De plant is tweejarig en vormt een penwortel die grijs tot geelwit van kleur is. In heel Nederland stonden bedrijven voor het drogen en branden van de penwortel van de cichorei die werd gebruikt als surrogaatkoffie. Veel dorpen hadden wel zo’n fabriek.


Over de cichoreifabriek is nagenoeg niets bekend. Na de sluiting heeft het pand verschillende bestemmingen gekregen. Rond 1910 gingen de kinderen er naar de zondagschool. Albert Timmerman uit Staphorst was de leraar. Er zouden ook nog kerkdiensten zijn gehouden.
De cichoreifabriek stond niet ver van het station aan het kanaal en naast café/winkel Huisman. Daar was ook een schuur voor de overslag van goederen voor de trein en de tram en er kon vee gestald worden in afwachting van vervoer naar de markt. Huisman had een benzinepomp en een garage met taxi om passagiers van en naar het treinstation te vervoeren.
Omdat het treinstation erg heeft geleden van oorlogshandelingen is het na de oorlog afgebroken. De tram werd al voor de oorlog opgeheven, al reed ze in de oorlog nog weer korte tijd. Voor het busvervoer kwam er een halte bij café Huisman.


De cichoreifabriek midden op de foto met rechts café Huisman en links de trambrug.

De Union fietsenfabriek en -houthandel stonden aan de noordkant van het kanaal. De eigenaar van “het holtstek”, de houthandel, Evert van den Berg en later zijn zoon Jan, woonden aan de overkant in wat later de oude pastorie was. In het kanaal voor het huis lag altijd een bootje aan de kant. Dat gebruikten ze om bij de houthandel te komen. Roeien hoefde niet echt, even goed afzetten en je was aan de overkant. Vier keer per dag omlopen over de brug was op deze manier niet nodig.
Er lagen eigenlijk altijd wel schepen met hout, zand of grind aan de wal. Dat zorgde voor de nodige levendigheid in de buurt. Kruidhof was de schipper die het hout aanvoerde. De grotere schepen voeren achterste voren terug naar Sluis 3 omdat ze daar pas konden draaien, of voeren verder door richting Dedemsvaart tot ze daar bij De Pol een plek vonden om te keren.
Het “holtstek” werd in de loop der tijd een “vrijersplekkie”, een geliefde ontmoetingsplek voor de opgeschoten jeugd die er zogenaamd ging “brommers kieken”. Het lag aan de rand van het dorp en bood door de houtstapels de nodige beschutting voor afspraakjes.

Langs het kanaal stonden ook enkele rijtjeshuizen, zogenaamde kazernes, waar ook vaak neringdoenden in woonden.
Willem Bosman was rietdekker in Oosterhulst. Het beste riet groeide bij Kalenberg en kwam daar per schip vandaan. Later ging het ook per vrachtauto. Heel lang hadden de auto’s die langs het kanaal reden een nummerbord met de letters D of E. D was voor auto’s uit Drenthe, E uit Overijssel. Dat geeft wel aan dat het verkeer heel lang vooral regionaal bepaald was.

Beurtschippers
Beurtschippers waren van groot belang voor de samenleving. Ze waren bepalend voor de welvaart van een streek omdat alle goederen over water werden aan- en afgevoerd. Ze bepaalden de handel en kregen voorrang bij alle sluizen en bruggen om op hun vaste dag op tijd aan hun ligplaats te kunnen afmeren. Ook al lagen er drie of meer schepen voor een brug of sluis, dan moesten die toch ruimte maken zodat het beurtschip door kon varen. Ze voeren met hun schepen op en neer naar de Zaanstreek. De Disponibel van de gebroeders Bloemberg was met 156 ton het grootste schip dat op Nieuwleusen voer. Het schip leverde graan en veevoer af bij de Landbouwvereniging en molen De Vlijt. Bij bakker/kruidenier Harm Prins leverde hij dan nog zakken meel van 50 kg af, voer door naar de laatste klant, de Landbouwvereniging in Balkbrug en voer dan naar De Pol om daar te keren. Het schip voer met de vlag halfstok toen het in 1965 zijn laatste tocht maakte.
Harm Prins kon rechtstreeks van de fabriek kopen. Dat kwam zo. Als boerenzoon had hij in veertien dagen het broodbakken geleerd toen hij de winkel overnam van Boesenkool. Die kwam uit Staphorst en daarom had de winkel aan de noordkant van het kanaal een groot ventgebied: tot aan de spoorlijn. Omdat bijna alle klanten kippen hadden werden de boodschappen verrekend met eieren. Er waren zodoende geen klanten met schulden en zo kon vooraf betaald worden aan de fabrikanten. Bakkers in de omgeving kwamen soms bij Prins een of enkele zakken meel kopen. Bij de eierhandel kwam, omdat hij toch al bij die boeren kwam, ook de handel in kippenvoer. De eieren gingen met een vrachtauto naar Meppel.
In 1938 weduwnaar geworden, verkocht Harm Prins in 1940 de zaak aan Schaapman en kwam op de boerderij van zijn nieuwe vrouw aan De Lichtmis. Zoon Henk moest ook al vroeg meehelpen. Eerst ging hij met zijn vader mee venten. Hij met het paard en de wagen, zijn vader op de fiets. Die rekende dan af met de klanten terwijl Henk al weer verder trok naar de volgende klant. Ze hadden een sterk paard voor de wagen en van zijn vader kreeg hij de boodschap mee dat hij “uit het spoor” moest gaan wanneer hij, bijvoorbeeld op weg naar de Kievitshaar, de petroleumboer met zijn kleine “kidde” tegen kwam. Die zou veel meer moeite hebben om de kar door de ernaast gelegen heide te trekken. Een opgestoken hand was dan een teken van dank.


Een schip aan de loswal bij molen De Vlijt even voorbij Brug 6.

Wanneer bij Molen De Vlijt een schip met kunstmest aan de wal kwam, werden lange planken dwars over de open luiken van het schip gelegd. Dan werd de lading in kruiwagens geschept en over de loopplanken uit het schip, over de berm, de weg en het erf achter in de schuur gekruid. Dat was een zwaar karwei. Verkeer over de weg was er nauwelijks.
Om zeven uur begon het werk, maar een van de werknemers begon vaak als eerste al om zes uur. Hij kwam dan bij het woonhuis de sleutel halen en dan moest er dus al iemand wakker zijn. De molen stond niet zo ver van de brug en was ook een ontmoetingspunt.
De Graaf was ook een bekende beurtschipper, die vaak net voor tien uur als laatste schip Nieuwleusen nog kon halen. Jantien Seine-Vonder wist dat en hield rekening met hem: ”De Graaf moet nog komen.”
Als het schip bij Brug 5 voor de wal lag werd er altijd melk gehaald bij Massier en ’s avonds gingen de mannen naar het schip voor een praatje en een borreltje. Het ging er vroeger echt gemoedelijk aan toe.
Er kwamen ook schepen als varende winkels. Sipkema was een bekende met galanterie, potten en pannen, kopjes en schotels enz. Later vestigde hij winkels in Balkbrug, Dedemsvaart en De Krim.
Vermaning was een “bling-bling” winkel met nepsieraden en andere goedkope spullen. Jan Larf kwam met vis langs.
Naast turf vervoerden de schepen uit de veengebieden ook aardappelen, bieten en stro. Het vervoer van stro werd het eerst door vrachtwagens overgenomen, waarschijnlijk omdat strobalen goed stapelbaar zijn.
Als het westenwind was, stonden de zeilen van de schepen zover opzij dat de schipper het zeil eerst langszij moest trekken voordat de vrachtauto op de straat kon passeren. Maar alles was toen nog heel overzichtelijk en de schippers zagen de auto’s al van ver aankomen.


Brugwachtster Hille de Bruin verleent een schip doorgang bij de Rollecatebrug.

Voorrang
Tegemoetkomende schepen konden elkaar goed passeren in het kanaal, maar bij de bruggen moest men elkaar voorrang geven en er waren geen regels voor wie voorrang had. Dus wie het dichtste bij was nam voorrang. Als twee schippers vonden dat ze allebei het dichtste bij waren, kon het wel eens even duren voor een van de twee al vloekend en tierend ruimte maakte voor de ander. In de buurt van Brug 6 zat “een dellegie” waarop in zo’n situatie een schip nog wel eens vast liep en ook dan werd er flink gescholden.






Op 5 mei 1970 was het asfalt aangebracht maar de autoweg was nog niet in gebruik. Wel reed de optocht toen over het gedempte kanaal.



Hoogspanningsmast
Op een gegeven moment werd er een hoogspanningsleiding aangelegd die in Oosterhulst de Dedemsvaart kruiste. Ook nu moesten de schippers in het kanaal daar ongehinderd met staande mast onderdoor kunnen varen, net zoals dat bij de aanleg van het kanaal voor Baron van Dedem uitgangspunt was geweest bij de keuze van de bruggen.
Juist op de plek, dicht bij de woning van de familie Bovenhoff, waar de hoogspanningsleiding over het kanaal zou komen, maakte het kanaal een kleine bocht. Daarom moest er een extra hoge mast worden geplaatst die op een hele zware fundering moest staan. Dat kostte nogal veel en het bleek goedkoper om voor dat geld twee wat kleinere masten te bouwen. Zodoende kwam er aan beide kanten van het kanaal een mast te staan, waartussen de kabels toch op de gewenste hoogte kwamen te hangen. De bewapening voor de fundering en het grind en beton, misschien wel 100 ton, werden per schip aangevoerd. Na buitengebruikstelling van de hoogspanningsleiding, het kanaal was toen al gedempt, is alles ook weer uit de grond gehaald. Dat moest voorzichtig gebeuren omdat er dichtbij een huis stond. De mast is met een auto afgevoerd voor hergebruik op een andere plek.

Baggeren
Een kanaal vraagt voortdurend om onderhoud. Werklui van Provinciale Waterstaat voeren met een platte schuit of bok door het kanaal. De mannen trokken met een soort schepnet over de bodem van het kanaal en schudden de modder in de schuit. Was de bok vol dan voer men naar de kant. Het uitgebaggerde zand was geliefd bij de boeren langs het kanaal en werd in hopen aan de kant geschept. Daar haalde de boer het weg om er ondiepten in het land mee op te vullen. Ook kwam er om de zoveel jaar een echt baggerschip voor het groot onderhoud.

De tram
De tram begon in Zwolle op de Vlasakkers. Dat is aan het einde van de Thomas à Kempisstraat en het begin van de Meppelerstraatweg. De lijn liep langs het Lichtmiskanaal en ging bij De Lichtmis met een bocht naar het oosten langs de Dedemsvaart.
De tram werd vooral veel gebruikt op vrijdag om naar de markt te gaan. Naast de personenwagon was er ook een vrachtwagon waarin het vee mee ging. Biggen en kalveren gingen in een zak met de kop eruit en ook koeien gingen geregeld mee.
Ook als men op de fiets naar de stad ging, werd de fiets op de Vlasakkers, bij café Borst, gestald en liep men verder de stad in. Op de terugweg werd er eerst een kop koffie gekocht voor terug werd gefietst.
Je kon niet ieder uur van de dag met de tram. Mevrouw van Duren had een woonboot aan De Lichtmis. Ze leefden van het rondbrengen van kranten enz. Toen haar kinderen nog klein waren ging ze met de tram naar het consultatiebureau aan de Burg. Backxlaan, maar moest dan die lange weg terug naar huis lopen. Op een dag was ze haar portemonnee vergeten. Ze vroeg hoe laat de tram ’s middags weer aan De Lichtmis zou zijn en is toen alsnog haar reisgeld gaan brengen.

Dedemsvaartsche Stoomtramweg Maatschappij 1885-1947
In 1884 vroeg J.D. Ruys Tzn een concessie aan bij de provincie Overijssel voor de aanleg en exploitatie van een stoomtramlijn langs het kanaal de Dedemsvaart. In 1886 werd de eerste tramlijn aangelegd tussen het spoorwegstation “Dedemsvaart”, dat lag bij de plek waar de Staatsspoorlijn Zwolle – Meppel de Dedemsvaart kruist, naar het tramstation Avereest, in het dorp Dedemsvaart. Al snel werden er meer lijnen aangelegd, o.a. in 1895 naar Zwolle naar het tramstation Vlasakkers. In 1907 bereikte het DSM-net haar hoogtepunt toen de lijn Emmer-Compascuum – Ter Apel werd geopend. De tramlijnen werden in 1947 opgeheven en opgebroken.



De stoomtram in Den Hulst voor het gebouw van de dorsvereniging tegenover het kantoor van de Union fietsenfabriek.

De tram deed er ongeveer een uur over en kinderen die in Zwolle naar de ambachtschool of middelbare school gingen moesten dus al vroeg opstaan. Bij iedere halte stapten wel enkele kinderen in. Al vanaf Dedemsvaart gingen er leerlingen mee en die moesten al om half zeven instappen. Bij Brug 5 moest rond kwart over zeven worden ingestapt en dan moest je maar hopen dat je op tijd op school kwam, want de tram wilde nog wel eens uit de rails lopen.
Vanaf de eindhalte op de Vlasakkers moesten de scholieren dwars door de stad naar de Celestraat in Assendorp naar hun school lopen. Maar dat was heel gewoon. De jongens die naar de ambachtschool gingen moesten nog verder lopen, want die school stond helemaal aan de rand van de stad bij de spoorwegovergang naar Ittersum.

Kattenkwaad
De machinist van de tram had altijd een grote rode zakdoek in zijn zak. Daar werd wel eens niespoeder op gestrooid.
Bij Brug 6 moest de tram twee keer een scherpe bocht maken omdat de tramrails daar verder langs de noordkant van het kanaal liepen. Dat ging zo langzaam dat de machinist steeds een handvol kersen kon plukken van de kersenboom die daar stond – tot de eigenaar dat door had en hem een keer met een stok op de handen sloeg.
Ook bij café Ennik bij De Lichtmis moest de tram een scherpe bocht maken en reed dan langzaam onder een paar appelbomen door. Vlug even plukken of snel even uit de tram als die bij de halte stopte om een appel te pikken was een sport voor de jongens. Thuis had iedereen immers zelf appelbomen met voor een heel jaar appels.
Bij het tramstation stonden ’s nachts de tramwagons gerangeerd. Dat was verboden terrein voor kinderen en daarom was het nog spannender om ’s avonds met de lege tramwagons te gaan rijden. Stiekem de stootblokken weghalen en een eind verderop op de rails leggen en dan met “duvels geweld” de wagons snelheid geven.
Natuurlijk liepen die regelmatig uit de rails. Dan wegrennen.
De volgende morgen moest Hendrik Jan van de Vegte dan eerst een groepje mannen optrommelen om de wagons weer op de rails te beuren. Dat was een zwaar karwei dat geklaard moest worden vóór de tram die dag weer kon rijden.
Werd je betrapt, dan kreeg je straf en mocht je meestal de hele week niet meer buiten spelen.




Pootje baden bij de Ommerdijkerbrug. Vlnr: Gerrit, Lammie en Hennie Kok.







Watertoren
In 1932 werd de watertoren bij De Lichtmis gebouwd. Vanaf 1935 hebben we in Nieuwleusen goed drinkwater omdat het water vanaf Witharen door leidingen naar de watertoren werd gepompt.
Bij Beekman waren bouwlieden van de watertoren in de kost.
De huizen in het dorp en aan de noordkant van het kanaal kregen waterleiding. De bewoners werden verplicht waterleiding te nemen en moesten ƒ 1,50 per maand betalen, onafhankelijk van het gebruik. Pas veel later kwamen er watermeters. Waar aan de zuidkant minder huizen stonden heeft men zich tot ver na de oorlog met de pomp en put moeten redden.


De bouw van de watertoren is begonnen.

Jannes de Groot en brugwachter Hendrik Vonder, die aan de zuidkant vlak bij Brug 5 woonden, hadden als uitzondering wel waterleiding. ’s Maandags kwamen bijna alle buren bij Vonder melkbussen vol water halen omdat het dan wasdag was.
Pas in de vijftiger jaren, toen ze een gat in de tuin groeven, ontdekte de familie Blik dat daar de transportleiding van het water van Witharen naar de watertoren liep. Ze hadden zich zelf al die jaren met pompwater moeten behelpen.
Na de watersnoodramp in 1953 kwam er een jongen enige tijd logeren bij een familie aan de zuidkant van het kanaal. Hij kon niet tegen het pompwater omdat het te ijzerhoudend was en daarom werden voor hem steeds een paar flessen leidingwater bij een familielid gehaald.
In de watertoren waren maar af en toe mensen aanwezig. In de loop der jaren ging er wel eens een raampje kapot. Door zo’n kapot raampje naar binnen klauteren was heel spannend. Het was binnen schemerig en hol en via de akelig steile open trappen naar boven klimmen vergde moed. En als je omhoog geklommen was moest je ook weer naar beneden. Gelukkig zijn er nooit ongelukken gebeurd.

Het einde, maar toch nog niet
In 1933 had de bus de tram verdrongen en was het gedaan met het personenvervoer. De tram werd alleen nog gebruikt voor goederenvervoer. In dat jaar reed er twee keer per dag een goederentram met tien wagens vol zand van Balkbrug naar De Lichtmis. Zo kreeg Balkbrug haar mooie Heuveltjesbosbad en De Lichtmis haar viaduct.
In de oorlog is de tram weer enige tijd in gebruik genomen voor passagiersvervoer omdat de bussen geen benzine konden krijgen.

Gezelligheid
Voor het vaststellen van wie de naaste buren waren speelde het kanaal geen rol. Woonden de buren aan de overkant dichter bij dan de buren aan dezelfde kant van het kanaal, dan waren dat toch de “naaste buren”, ook al moest je wel een heel eind “de brugge rond” om bij ze te komen. Burenplicht speelde een grote rol bij geboorten, begrafenissen, bruiloften en bij andere werkzaamheden zoals het dorsen.
‘s Zomers zat iedereen ‘s avonds vaak gezellig aan de walkant van het kanaal en een praatje over het water was heel gewoon. Wolter de Lange was een boerentimmerman die heel mooi mondharmonica kon spelen en als hij ’s avonds op het bankje voor zijn huis zat te spelen genoot de hele buurt mee. Het was ook de enige muziek die je hoorde want bijna niemand kon een instrument bespelen. Herman Kort kon mooi fluiten en deed dat vaak als hij fietste, dus dan wist je dat hij er aan kwam al zag je hem nog niet.
Op bijvoorbeeld Tweede Pinksterdag was portemonneetrekken een geliefd kinderspelletje. De portemonnee aan een dun touwtje vast maken, op de straat leggen en zelf aan de walkant wegkruipen. Mensen trapten er altijd in.

Pindadoppen
Wat nu een dagelijkse ergernis is, was vroeger een heel feest. Een keer per jaar was het file rijden langs De Lichtmis. Dat was tijdens de jaarlijkse Drentse TT. Dan kwam men in grote getale vanuit de verre omtrek kijken naar “de eindeloze verkeersstoet” en de volgende dag was de hele omgeving bezaaid met lege pindadoppen.

Gondelvaart
Een hoogtepunt waar nog lang over gepraat is, maar waar geen foto’s van zijn en waarover veel onzekerheid bestaat, is de gondelvaart. Door de brokstukken herinneringen te combineren denken we dat het een en ander zich als volgt heeft afgespeeld. De gebroeders H. en H.J. Muller waren respectievelijk voorzitter van de Oranjevereniging (eerste activiteiten in 1934) en van de Vereniging voor Volksonderwijs.
Er zou voor de oorlog twee keer een gondelvaart zijn gehouden. De eerste gondelvaart zou hebben plaats gehad in 1935. In dat jaar kwam op 29 augustus koningin Astrid van België door een ongeluk om het leven. Daardoor zou het Oranjefeest zijn afgelast, maar de gondelvaart ging wel door. Was die misschien georganiseerd door Volksonderwijs? Ook zou het in 1938 geweest kunnen zijn. In dat jaar was prinses Beatrix geboren en op 6 september vierde koningin Wilhelmina haar 40-jarig regeringsjubileum.


Geen foto van een gondelvaart, wel van een optocht in 1938 met Neerlands toekomst (Beatrix) in de wieg.

Welk jaar het ook was, er voer in het donker een stoet van tien tot vijftien versierde en verlichte bootjes door het kanaal, begeleid door muziek. In de herinneringen varieert de route vanaf De Stouwe en de Ommerdijkerbrug tot aan Sluis 3 en de spoorbrug. Alle bootjes waren met elkaar verbonden en werden getrokken door een motorbootje. Omdat niet iedereen een bootje gewend was, vonden sommigen dat het nogal wiebelde.
Hendrik Heite had zijn vissersbootje versierd en zich verkleed als visser. Of Geesje de Groot in datzelfde jaar of in een ander jaar in zijn versierde bootje zat is onduidelijk. In elk geval hield ze een paraplu op met aan de punten verlichte lampions. Duif deed met een bootje mee als schipbreukeling.
Ook Paulien Schröder en Aaltje Brinkman hebben aan een gondelvaart meegedaan. Anderen herinneren zich vooral de witte zwaan van garage Mensink. In de verlichte zwaan zat Nies Kuterman en dit bootje ging met de eerste prijs naar huis.
Overal langs de oever stonden mensen te luisteren naar hoe de stoet langzaam dichterbij kwam, uit het donker tevoorschijn kwam en ook weer langzaam met het wegstervende geluid in het donker verdween.

Drank in de man
Bang in ’t donker was je niet zo gauw, want ook daar groeide je mee op. Openbare dronkenschap kwam nauwelijks voor, maar je had altijd wel iemand in de wijde omgeving die “ze graag lustte”.
Zo fietste een schilder uit Nieuwleusen met een zekere regelmaat naar De Lichtmis om “een roetie te zetten”. De ruitjes werden dan bij een café gestald. De terugweg naar Nieuwleusen werd al slingerend afgelegd en zo kwam hij ook eens voor het huis van de notaris met de fiets in het kanaal terecht. Na verloop van tijd werden de “roeties” weer door een vrachtrijder opgehaald.
Bij zijn moeder op De Meele woonde een vrijgezel die een kwade dronk over zich had. Hij was met grote regelmaat dronken en liep dan, met zijn mes in de hand, op zoek naar ruzie. Je moest dus ’s avonds de deuren op slot hebben.

Sluiting van de Dedemsvaart
Na de Tweede Wereldoorlog liep het turfgraven terug en was er veel minder scheepvaart. Er kwamen meer vrachtauto’s en omdat het onderhoud van kanalen en van wegen allebei geld kost, moesten er prioriteiten worden gesteld en die kwamen bij de wegen te liggen. De tonnagecijfers voor de Lichtmissluis waren tussen 1951 en 1961 teruggelopen van 536.000 naar 210.000 ton. De verbinding van de Dedemsvaart met de Overijsselse Vecht bij Ane verviel in 1951 en in 1957 werd het gedeelte van de Dedemsvaart ten oosten van de aardappelmeelfabriek De Baanbreker in Lutten gesloten.
Toen kwam er een Streek-Actie-Comité dat vond dat er in de Dedemsvaart geïnvesteerd moest worden. Maar het mocht niet baten. De economische rol van de Dedemsvaart was uitgespeeld en verschoof naar de waterhuishouding. Bij Nieuwleusen werd het kanaal in 1965 gesloten en in 1969 werd begonnen met het dempen. Eerst kon nog tot Sluis 3 gevaren worden, maar ook daar kwam een eind aan. Het dempen gebeurde met zand uit het Brouwersgat en de Hulsterplas. Voor de demping werd noordelijk van het kanaal de Beentjesgraven gegraven om de waterafvoer op peil te houden. Dat zand werd in de Dedemsvaart gestort.




Dit boek is samengesteld door de redactie van de Historische Vereniging “Ni’jluusn van vrogger”, bestaande uit G. Bartels-Martens, G. Hengeveld-van Berkum, R.J. Klijn, H. ter Wee-Westerman en J.W. de Weerd (eindredactie).

De foto’s zijn geselecteerd uit aangeboden opnamen voor de tentoonstelling over 200 jaar kanaal de Dedemsvaart met als titel “Met dank aan de baron” en uit eigen archief.


Jaargang 27 nummer 2 juli 2009

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen


Deze uitgave verschijnt als nummer 2 van de 27ste jaargang van het kwartaalblad van de Historische Vereniging "Ni'jluusn van vrogger".

ISSN 1384-0940

Nieuwleusen, juli 2009

Uitgave:


Historische Vereniging “Ni’jluusn van vrogger”
Westeinde 3
7711 CH Nieuwleusen

© “Ni’jluusn van vrogger”, 2009
Niets van deze uitgave mag op enigerlei wijze worden overgenomen of gepubliceerd zonder voorafgaande toestemming van de uitgever.




willem jan van dedem tot den berg, baron,
keek door de bril van de verlichte tijd,
hij schuwde niet de lange taaie strijd
met achterdocht en hypocriet beleid,
hij slaagde waar een ander nooit begon,
omdat hij zich voortdurend op zijn doel bezon,
willem jan van dedem tot den berg, baron;
zo groef hij zich een vaart door angst en nijd,
volkomen aan zijn denkbeeld toegewijd;
hij zag de mensen wonen wijd en zijd
en dorpen bloeien in de zomerzon;
dit schiep de man die onze harten won:
willem jan van dedem tot den berg, baron.


Bij de herdenking van tweehonderd jaar de Dedemsvaart - juli 2009 Koos Geerds, Dichter Bij Overijssel 2009-2010


De eerste spade

Op 9 juli 1809 ging bij Hasselt de eerste spade de grond in voor het kanaal de Dedemsvaart. Deze datum schreef Willem Jan baron van Dedem in aantekeningen die hij op diens verzoek stuurde aan Ds. G.H. van Senden. Deze nam de aantekeningen over in het bijvoegsel bij de “Leerrede ter inwijding van het kerkgebouw en ter vestiging van de Gereformeerde Gemeente aan de Dedemsvaart”, dat in 1834 werd uitgegeven. Dit bijvoegsel geeft de historische informatie over het kanaal weer die naderhand algemeen is gebruikt als bron.

Met behulp van de eeuwigdurende kalender is terug te rekenen op welke dag van de week 9 juli 1809 viel. Dit blijkt te zijn op een zondag! De vraag rijst nu of daadwerkelijk die zondag de spade ter hand werd genomen. Het lijkt ons nu logischer dat het op een werkdag is geweest, bijvoorbeeld maandag de 10e of eventueel zaterdag de 8e. Het is mogelijk dat op zondag 9 juli overeenstemming werd bereikt met de uitvoerders om het werk te beginnen. Maar het speelde in de Franse tijd en we kunnen het niet reconstrueren. Hoe het ook zij, sinds Baron van Dedem schreef dat 9 juli 1809 de eerste spade de grond in ging, geldt die dag als start van het kanaal.

EEN FAMILIEGESCHIEDENIS:
van Willem Jan tot Willem Jan


Hoe kon Willem Jan baron van Dedem zo’n grootschalig project als het graven van de Dedemsvaart oppakken? Voor zo’n project is visie, bezit en geld nodig. Daarbij spelen familie, traditie en politieke invloed een grote rol. Deze kleine familiegeschiedenis laat zien hoe dit alles bij elkaar kwam. We beginnen in 1721 bij de oudste zoon van Willem Jan van Dedem die op de havezate Den Berg bij Dalfsen woonde.

Gijsbert Willem van Dedem, de oudste zoon van Willem Jan, werd in 1721 vanwege de havezate Den Berg toegelaten als lid van de Ridderschap in de vergadering van de Staten van Overijssel.
In 1728 werd op Tweede Kerstdag de tuinman Laurens Kraft levenloos aangetroffen in de boomgaard van Den Berg en op diezelfde dag was Gijsbert Willem spoorslags vertrokken.
Theodora Judith Margaretha van Isselmuden, in 1727 gehuwd met Gijsbert Willem, ontbood nog diezelfde dag dominee Brouwer uit Dalfsen op Den Berg om hem over het gebeurde te informeren. Het duurde tot 17 oktober 1730 voor deze als getuige aangaf dat hij haar en haar moeder in de meest ellendige staat had aangetroffen toen ze hem vertelden dat Gijsbert Willem van Dedem de moord had begaan. Aanleiding tot de moord was dat Van Dedem de tuinman in de allee was tegengekomen met gestolen goederen. Op 28 maart 1732 kwam er een vergelijk tussen Van Dedem en de weduwe Kraft. Zij ontving 4000 guldens en vertrok naar haar geboortedorp bij Frankfurt.
Van Dedem verbleef al die tijd buiten Overijssel op de Oldenaller bij Putten om rechtsvervolging te ontlopen. Zijn vrouw was teruggegaan naar haar ouders op de Rollecate bij Vollenhove.
Na de afronding van de moordzaak gingen ze weer samen op Den Berg wonen, maar gelukkig was het huwelijk niet, ook al kregen ze acht kinderen. Willem Jan van Dedem, hun oudste zoon, was in juli 1728 enkele maanden voor de moord geboren. Pas acht jaar later, in juli 1736 werd het volgende kind, Johanna Theodora, geboren.

Na het overlijden van vader Willem Jan van Dedem in 1738 waren er opnieuw problemen. Door onenigheid met zijn zwager over de erfenis duurde het tot 1742 voor zijn zuster genoegen nam met de havezate Oldenaller en Gijsbert Willem havezate Den Berg in eigendom kreeg. Pas in maart 1746 werd Gijsbert Willem weer geaccepteerd en mocht hij vanwege de Ridderschap in de Staten deelnemen aan de Overijsselse landdag.
Op 3 juli 1752 was er opnieuw sprake van moord op Den Berg. Na afloop van een maaltijd met belangrijke gasten ontstond er een ruzie tussen Gijsbert Willem van Dedem en de knecht Jan Cramer. Die zou niet goed bediend hebben tijdens de maaltijd. Willem Jan, de oudste zoon, bemoeide zich ermee en onder invloed van drank ontstond een gevecht dat eindigde met de dood van Jan Cramer. Dat de ruzie kon ontstaan heeft er waarschijnlijk ook mee te maken dat Jan Cramer niet alleen knecht was van Van Dedem maar ook zijn bastaard zoon.
Gijsbert Willem en Willem Jan vluchtten naar Driesberg, ten zuidoosten van Nijmegen en woonden daar de rest van hun leven. Zo ontliepen ze de hun opgelegde straf. Daar overleed Gijsbert Willem van Dedem in 1762.
Zijn echtgenote Theodora Judith Margaretha van Isselmuden had inmiddels uit het bezit van haar ouders de havezate Rollecate verkregen.
Coenraad Willem van Dedem, de jongste zoon van het echtpaar, kon zich zodoende vanwege de Rollecate op 29 maart 1763 laten opnemen in de Ridderschap van Overijssel.
Maar in datzelfde jaar maakte ook Willem Jan van Dedem, als oudste zoon, gebruik van zijn rechten en liet zich op 1 juli 1763 door de Overijsselse leenkamer belenen met Den Berg. Hij deed dat waarschijnlijk om later met de familie tot een schikking te kunnen komen, want hij zou nooit op Den Berg kunnen wonen. Op 10 maart 1764 droeg hij Den Berg inderdaad voor een symbolisch bedrag van 4000 gulden over aan zijn jongste broer. Drie dagen later vond de belening plaats. Met de nieuwe eigenaar keerde de rust op Den Berg terug want Coenraad Willem van Dedem tot Rollecate en Den Berg, was een evenwichtig man.

In plaats van de Rollecate liet Coenraad Willem zich per 17 maart 1768 vanwege Den Berg verschrijven op de Overijsselse statenvergaderingen. Hij was o.a. gedeputeerde in de Staten van Overijssel, drost van Haaksbergen en Diepenheim en vanaf 1790 drost van Vollenhove. In 1772 huwde hij Susanna Leonarda de Vos van Steenwijk, die woonde op havezate Nijerwal in Vollenhove. Haar vader was vanaf juni 1751 tot zijn dood in 1779 drost van Vollenhove.

Politiek gezien was het een onrustige tijd waarin de patriotten zich verzetten tegen de Oranjegezinde machthebbers. In 1795 vond een grote politieke omwenteling plaats. In de Bataafse Republiek kregen de patriotten het voor het zeggen. De Ridderschap van Overijssel verloor haar politieke macht en het drostambt veranderde en verdween.

1795:

1796:

1806:

1810:

1813:

1814:
1815:

1815:

Een inval van een Bataafs-Frans leger leidt tot het uitroepen van de Bataafse Republiek
Eerste gekozen Nationale Vergadering komt in Den Haag bijeen
Napoleon stelt het Koninkrijk Holland in onder leiding van zijn broer Lodewijk Napoleon
Napoleon zet zijn broer af en het koninkrijk wordt op 9 juli geannexeerd door Frankrijk
30 november keert Willem I terug uit ballingschap in Engeland en komt bij Scheveningen aan land
Napoleon wordt verbannen naar het eiland Elba
Napoleon komt terug en wordt definitief verslagen in de Slag bij Waterloo
Op 16 maart neemt Willem I de titel Koning der Nederlanden aan

Veel havezaten, die tot de Franse tijd als eigendom nodig waren om in de Ridderschap te worden opgenomen, werden verwaarloosd en afgebroken. Gelukkig was dit niet het geval met Den Berg (hiernaast omstreeks 1830 op een aquarel van Judith Margriet van Dedem).
Coenraad Willem van Dedem had zich niet ingelaten met de patriotten en na het herstel van de Nederlandse onafhankelijkheid in 1813 werd hij weer benoemd in de Ridderschap van Overijssel – nu niet meer vanwege Den Berg, maar vanwege zijn achtergrond – en hij werd, als oudste riddermatige, de eerste voorzitter. Coenraad Willem overleed op Den Berg op 29 november 1816 en werd in de grafkelder van de kerk te Dalfsen bijgezet.
Op 14 januari 1823 overleed ook zijn weduwe Susanna Leonarda de Vos van Steenwijk te Zwolle in een huis aan de Melkmarkt. Met haar overlijden kwam een aanzienlijke nalatenschap vrij, die moest worden verdeeld onder de zeven kinderen. Dat waren:

-


-


-



-

-
-


-

Geertruid Agnes van Dedem, trouwde in 1807 met Aalt Willem van Holthe die woonde op het huis Oldengaarde onder Dwingelo.
Mr. Willem Jan van Dedem, sinds 1813 directeur van ’s Rijks belastingen te Zwolle, trouwde in 1802 met Judith van Marle.
Theodora Judith Margriet van Dedem, trouwde in 1821 met Willem Robert Jan Walraven van Heeckeren tot Overlaer die woonde op de havezate Rhaan onder Hellendoorn.
Mr. Jan Arend Godert van Dedem, advocaat te Arnhem, trouwde in 1815 met Adriana Sofia van Randwyck.
Carolina van Dedem woonde op Den Berg.
Johanna Theodora van Dedem, trouwde in 1820 met Mr. Louis Rhijnvis Feith, raadslid te Zwolle, zoon van de dichter.
Mr. Godert Willem van Dedem, woonde op Den Berg, controleur bij het kadaster.

Om tot een goede verdeling van de erfenis te komen, werd Den Berg ten verkoop aangeboden, maar na bieding teruggetrokken. Op 31 mei 1823 gingen de kinderen over tot een voorlopige scheiding en deling van de nalatenschappen van hun ouders. Voor ieder van de kinderen was de portie gesteld op ruim 83.000 gulden. Geertruid Agnes verkreeg o.a. het erve De Bruine Leeuw te Dalfsen. Willem Jan kreeg een som geld uitgekeerd. Theodora Judith Margriet kreeg o.a. het erve Goldstein of Snellen Maten te Dalfsen. Jan Arend Godert kreeg o.a. het Grote Goor te Vollenhove en de boterpachten te Blankenham. Carolina kreeg o.a. het erve Dragon te Hessum en landerijen te Oudleusen en bij Vollenhove. Johanna Theodora kreeg een som geld en Godert Willem kreeg het huis Den Berg.

Zoals gezegd verloren de havezaten hun politieke betekenis en raakten in verval. De havezate Den Berg bleef bewoond door de jongste zoon Godert Willem van Dedem, maar de Rollecate in Vollenhove verloor voor de familie zijn betekenis en raakte in verval. Toen dat huis tenslotte werd afgebroken, besloot de oudste zoon Willem Jan de resten te gebruiken voor de bouw van een nieuw buiten aan zijn vaart in Den Hulst en daaraan ook de naam Rollecate te verbinden. Zo kwam het onderscheid in de familie: de tak Van Dedem tot den Berg, en de tak Van Dedem tot de Rollecate.

Mr. Willem Jan van Dedem werd geboren in Zwolle op 18 maart 1776 en overleed op het Huis Rollecate op 21 november 1851. Hij studeerde rechten en was van 1797 tot eind 1802 advocaat te Zwolle en voor heel het Departement. Eind 1802 zat hij in de raad in het Departementaal Gerechtshof van Overijssel.

In datzelfde jaar 1802 trouwde hij met Judith van Marle. Het echtpaar kreeg drie dochters en een zoon.
In 1807 werd Willem Jan (hiernaast als silhouetschildering op rond ivoor) tevens officier van de jacht in het vijfde district van Overijssel. In 1810, hij had toen twee kinderen, verklaarde hij dat hij geen andere inkomsten buiten zijn salaris had dan hetgeen door zijn beide ouders en zijn vrouws moeder hen werd gegeven omdat die nog in leven waren. In 1813 werd hij directeur directe belastingen in Overijssel.
Willem Jan, die in noordoost Overijssel grote stukken veengrond bezat en door zijn huwelijk twee families van grootgrondbezitters aan elkaar gekoppeld had, pakte de plannen voor het graven van een kanaal van zijn overleden schoonvader weer op en in 1809 werd hij de stichter van de Dedemsvaart.

Mr. Gerard Willem van Marle (Zwolle, 1752 – 1799, hiernaast als jongeling op een schilderij van I.G. Poppe) was een zoon van de ontvangergeneraal van Salland en burgemeester van Zwolle. Hij studeerde aan de Hogeschool te Groningen en trouwde te Zwolle op 29 maart 1779 met Catharina Wicherlink. Het echtpaar kreeg 7 kinderen. Van Marle ontwikkelde al in 1791, samen met de andere grondeigenaren, plannen om een vaart te doen graven tot aan de veengronden ten oosten van Nieuwleusen. Deze woeste gronden waren opgekocht van arme boeren die de grondbelasting niet konden betalen. Het waren goede veengronden, maar er was geen behoorlijke afvoermogelijkheid voor de turf die men daar kon steken. Al snel werd Van Marle zo in beslag genomen door zijn politieke carrière dat deze plannen bleven liggen. Hij werd in 1792 advocaat te Zwolle en in 1795 eigenaar van een zeepziederij. Zijn politieke functies waren tot 22 januari 1798 onder anderen: burgemeester van Zwolle, gevolmachtigde in de Landdag van Overijssel, lid en gedeputeerde ter Staten-Generaal voor Overijssel, lid en secretaris van de Vergadering van provisionele representanten van het Volk van Overijssel, gecommitteerde ter generaliteit, lid en secretaris Eerste en Tweede Nationale Vergadering voor het district Kampen. Na de staatsgreep van 22 januari 1798 werd hij vanwege zijn sympathie met de patriotten gevangen gezet in de Voorpoort in Den Haag. Op 3 februari 1798 werd hij overgebracht naar het Huis Ten Bosch. Zijn vrijlating volgde op 12 augustus 1798. Door zijn gevangenschap en vele emoties in de laatste jaren was zijn gezondheid slecht geworden. Hij overleed in 1799.

Willem Jan baron van Dedem tot de Rollecate wilde de hoge venen van noord Overijssel afgraven voor de verkoop van turf en de ontwikkeling van de landbouw. Om die doelstelling te verwezenlijken was in de eerste plaats een kanaal nodig voor de afwatering van de moerassige venen en voor de afvoer van de turf en de aanvoer van bouwmaterialen en meststoffen. Voor het graven van een kanaal naar de venen lag het smalle riviertje de Beentjesgraven precies goed, maar het was in de loop van de jaren verzand en onbevaarbaar geworden. Het riviertje ontsprong in de venen die Van Dedem wilde afgraven en had vanaf 1631 al gediend als turfvaart toen de Leusener Compagnie vanaf de Lichtmis de uitgestrekte Oostervenen in de marke van Leusen hadden afgegraven en ontgonnen. In de venen rond Nieuwleusen waren sloten gegraven die afwaterden naar de Beentjesgraven. (Datzelfde was in het Westerveen gebeurd, maar daar waterden de sloten af naar de Hermelijn, richting de Vecht).
In het Oosterveen hadden zich steeds meer boeren gevestigd die zelf eigenaar van de landbouwgronden waren. Die boeren hadden geen belang bij de aanleg van een kanaal dat dwars door hun gronden was gepland en ze gingen daarom dwarsliggen. Ze gingen pas overstag toen Van Dedem een alternatief had gevonden door samenwerking met de boeren van IJhorst en pas toen stelden ze de grond ter beschikking die nodig was voor de aanleg van het kanaal.
Het kanaal bleek een goede ontsluiting van en voor de streek en werd een groot werkverschaffingsproject. Naarmate er verder gegraven werd, kwamen er meer mensen op zoek naar verdiensten. Kruideniers of wel grutters, broodbakkers, kleermakers, barbiers, caféhouders, drank- en tabaksverkopers, slagers, hoefsmeden, klompenmakers, metselaars, naaisters, geneesheren, onderwijzers etc. gingen bij het kanaal wonen.

In het voorjaar van 1811 was men in het Katingerveld aangeland. Daarmee had men de plaats van het hoogveen bereikt, waar zich onder de heide de dikke veenlagen bevonden. (Dat is de plek waar nu het viaduct van de weg Ommen-Hoogeveen is aangelegd.)
Toen de afvoer van turf in volle gang was, kwam ook de retourvracht van allerlei goederen op gang. De schepen brachten van alles mee. Bouwmaterialen voor de bruggen en de vele vonders over de sloten en mest voor de afgegraven landerijen die direct door boeren in cultuur werden gebracht. Voor de bouw van huizen was niet alleen hout en steen nodig, maar ook kalk.

Die kalk verkreeg men door schelpen te branden. Om van schelpen kalk te kunnen branden is drie keer zoveel turf nodig dan schelpen. Bovendien kon daarvoor ruwe turf worden gebruikt die niet geschikt was voor vervoer over grote afstand.

Redenen genoeg om de schelpen naar de turf te brengen en daarom liet Van Dedem op verschillende plekken langs het kanaal kalkovens bouwen. Op de kadastrale kaart 1832 van Nieuwleusen staan twee kalkovens getekend op de plek aan een wijk waar nu het bedrijvenverzamelgebouw “De Trekschuit” op het industrieterrein De Grift staat. (hiernaast een detail van de kaart uit omstreeks 1840 van het landgoed Rollecate. Bij de ronde ovens stond een langwerpige schuur voor het blussen van de kalk, het zogenaamde leshuis. De weg rechts is de Jagtlusterallee.) Kort na 1900 zijn ze afgebroken. De Kalkovenweg herinnert nog aan hun aanwezigheid, maar die straat ligt dus niet op de plek waar de kalkovens stonden.

In 1815 was het kanaal bevaarbaar tot aan de Arriërvenen. Maar uit het veen kwam nu zoveel water, dat het kanaal dit nauwelijks kon verwerken. De stroom werd zo sterk, dat de scheepvaart daar hinder van ondervond. Er werd een oplossing gevonden door het graven van een afvoerkanaaltje vanaf de Pol naar de Reest, die een lager peil had dan de vaart. Dat werd de Sponturfwijk. Het grote kanaal kon nu weer verder doorgetrokken worden, maar dat kon niet in dezelfde richting, want dan kwam het kanaal te dicht bij de Reest – en daar was ook niet zoveel veen - en daarom werd er bij De Pol een bocht gemaakt naar ’t zuiden en daarna weer naar ’t oosten naar de Kruizingawijk, waarbij Dedemsvaart ontstond. Die plaats ontstond helemaal uit het niets en daarom is het verklaarbaar dat de snel groeiende gemeenschap eerst nog bestuurlijk werd samengevoegd met de gemeente Nieuwleusen.

Op weg naar de Arriërvenen was bij de Ommerschans een hoogte doorgraven waarover van oudsher een pad liep als doorgang door de venen naar het noorden. In 1819 werd een groot terrein in die omgeving in bruikleen gegeven aan de Maatschappij van Weldadigheid, die er een kolonie stichtte. De bewoners moesten meewerken aan de ontginning van de omliggende woestenijen en langs het kanaal ontstond een nieuw dorp: Balkbrug.
Hoe voortvarend de werkzaamheden ook verliepen, er kwamen ook tegenslagen. De erven Van Marle hadden in 1817 al een lening van maar liefst ƒ 430.000,-- verstrekt en in 1820 kwam daar nog eens een lening van ƒ 350.000,-- bij. Maar in 1826 waren de financiële grenzen van de familie Van Dedem - Van Marle bereikt en was het gedaan met het particulier project. Van Dedem moest het kanaalproject overdoen aan het Rijk. Bij de overname wist hij te bedingen dat hij het project weer in eigendom zou krijgen wanneer hij de financiën weer op orde had.
Twee jaar later in 1828 was dat het geval en deed hij nieuwe pogingen om zijn kanaal te voltooien, maar in 1845 leed het project opnieuw financieel schipbreuk. Er kwam een openbare veiling. De provincie Overijssel kocht het project. Op dat moment was de Dedemsvaart over 40 kilometer uitgegraven en moest het uiteindelijke doel nog bereikt worden: een verbinding met de Vecht maken.

Het blijft toch nog in de familie

Koning Willem I heeft veel vernieuwingen uit de Franse tijd overgenomen. Op 24 november 1815 werden Avereest en Nieuwleusen ingesteld als een gemeente. Op 1 juli 1818 werden het twee gemeenten met gescheiden begrotingen en nog tot 1833 vormde Avereest een "personele unie" met Nieuwleusen. Beide gemeenten hadden tot 1852 een gemeenschappelijke burgemeester en secretaris.

Mr. Reinier Saris van der Gronden vervulde deze functies van 1818 tot 1832. Hij studeerde rechten en trouwde te Zwolle op 30 juli 1810 met Helena Eva van Marle, een zuster van Judith van Marle. Het echtpaar kreeg 14 kinderen, waarvan er 7 jong overleden.
Reinier Saris van der Gronden was behalve burgemeester ook lid van Provinciale Staten van Overijssel, vice-president van de rechtbank Zwolle, lid van de Tweede Kamer, notaris te Zwolle en vice-president van het Provinciaal Gerechtshof te Zwolle.

Mr. Onno Zwier van Sandick deed dat van 1832 tot 1837. Hij had ook rechten gestudeerd en trouwde op 20 december 1833 te Nieuwleusen met Catharina Susanna Leonora barones van Dedem, dochter van Willem Jan van Dedem en Judith van Marle. Het echtpaar kreeg 7 kinderen.
Na vijf jaar moest hij plaats maken voor zijn zwager Coenraad Willem van Dedem. Hij werd vervolgens substituut-officier van justitie in 1839, rechter arrondissementsrechtbank te Zwolle (1843-1846) en griffier gerechtshof te Zwolle (1859-1876).

Mr. Coenraad Willem van Dedem deed dat van 1837 tot 1852. Coenraad Willem was de zoon van Jan Willem van Dedem en Judith van Marle en geboren te Zwolle, 30 juli 1811. Coenraad Willem trouwde twee keer en kreeg een kind. Hij woonde tijdens zijn burgemeesterschap op Huize Moerheim in Dedemsvaart. Hij was eerst notaris te Ommen, daarna was hij de laatste burgemeester en notaris van de beide gemeenten en lid van Provinciale Staten en van Gedeputeerde Staten. Hij overleed op de Rollecate op 7 september 1870.

Op 27 december 1851 werd H.F. Deel burgemeester van Avereest en op 18 januari 1852 werd W.J.G. baron van Bentinck burgemeester van Nieuwleusen.

Het einde van de tak van Dedem tot de Rollecate

Uit het huwelijk van Willem Jan baron van Dedem (Zwolle 18-03-1776 - Rollecate 21-11-1851, hiernaast op miniatuurportret) met Judith van Marle (Zwolle 18-09-1782 - Rollecate 27-03-1840) werden vier kinderen geboren:

-


-


-


-


Catharina Susanna Leonora barones van Dedem (Deventer 21-09-1806 - Zwolle 2 juli 1876) trouwt met Mr. Onno Zwier van Sandick.
Susanne Leonore barones van Dedem (Deventer 03-08-1809 - Terborg 27-01-1845) trouwt Ds Johan Christiaan Frederik van Sandick.
Coenraad Willem (Zwolle 30-07-1811 - Rollecate 07-09-1870) trouwt 1. met Nicola Johanna van der Wijck en trouwt 2. met Johanna Catharina Engelkens.
Gerritdina Wilhelmina barones van Dedem (Zwolle 23-09-1812 - Zwolle 18-04- 1882) trouwt met Jhr. Mr. Hendrik Jacob Pieter van der Wijck tot de Klencke.

Mr. Coenraad Willem baron van Dedem tot de Rollecate en zijn 2e echtgenote Johanna Catharina Engelkens (beiden hiernaast op een “carte de visite” – visitekaartje), kregen een zoon. Ze noemden die, zoals de traditie wilde, weer Willem Jan. Hij werd daarmee de vierde Willem Jan in zes generaties, maar werd tevens de laatste Willem Jan in de tak Rollecate.

Willem Jan baron van Dedem werd geboren op Huis Rollecate in Nieuwleusen op 31 augustus 1853. Hij overleed in Groningen op 15 februari 1922. Op 10 augustus 1881 trouwt hij in Zwolle met Beerta Henriëtte Geertsema (Groningen 04-10-1859 - Utrecht 02-11-1932). Dit huwelijk bleef kinderloos en daarmee stierf de tak Van Dedem tot de Rollecate uit.
Willem Jan was lid van Provinciale Staten en Gedeputeerde Staten en hield zich vooral bezig met de ontwikkeling van de landbouw. Ook was het medeoprichter van de opleidingsschool voor landbouwhuishoud-leraressen die in 1913 werd opgericht en in een van de gebouwen op het landgoed Rollecate huisvesting vond.


Huize Rollecate op een ansichtkaart omstreeks 1910.

KANAALGESCHRIFTEN

Het project van Willem Jan baron van Dedem kon vanaf het begin rekenen op veel belangstelling, vooral door zijn revolutionaire aanpak. Er kwam veel bezoek en er werd veel over gepraat en geschreven. Van die geschriften hebben we een aantal gebruikt om een beeld te geven van hoe men reageerde op de grote veranderingen die plaatsvonden.
We beginnen met Gysbert Karel van Hogendorp (foto hieronder) die in 1819 voor de regering een reis maakte langs de belangrijkste ontwikkelingsprojecten in noord Nederland en daarbij ook de Dedemsvaart bezocht. Hij schreef daarover een uitvoerig verslag. We citeren daaruit enkele stukjes die deze omgeving betreffen en die laten zien hoe de toestand 10 jaar na de start van de aanleg was.


AANTEKENINGEN OP EEN REIS IN DE NAZOMER VAN 1819
Door Gysbert Karel van Hogendorp

De kans om zoveel van de belangrijke onderneming de Dedemsvaart te zien en te horen heb ik te danken aan de vriendelijkheid van de heer Van Dedem die mij enige dagen bij zich liet logeren en mij dagelijks overal heen heeft begeleid. Daarvoor betuig ik dan ook hier openlijk mijn dank en voeg er de wens aan toe dat hij tijd en lust moge behouden om deze grote onderneming geheel tot stand te brengen, waardoor de welvaart van zijn provincie enorm zal worden bevorderd.
Het voorbeeld zal ook invloed hebben op andere provincies. Het nut om vaarten te graven blijkt er maar al te duidelijk uit en particulieren kunnen hier leren hoe er veel kan worden uitgevoerd zonder hulp van de regering.

De straatweg van Zwolle naar Meppel
Van Meppel tot aan Zwartsluis reed ik langs een diep en breed water, door lage landen en over een smalle weg. De weg is hier waarschijnlijk zo smal omdat het land zo kostbaar is en omdat er bovendien een dijkje voor aangelegd moest worden. Het was de beste tijd van het jaar en ik had moeite om een vrachtwagen voorbij te rijden. Die moest opzij geschoven worden, tot grote ergernis en zorg van de berijder, die ondertussen uitstapte.
En dit is nog wel de grote postweg. Hoe moet het hier in andere jaargetijden gesteld zijn, vooral in de winter? Ik kan wel begrijpen dat de weg vroeger, toen meer landinwaarts de grond er nog woest bij lag, langs deze vaart, deze stad en de bewoonde omgeving is aangelegd. Maar ik begrijp even goed dat Waterstaat nu de grote weg gaat verleggen van Zwolle over Rouveen en Staphorst naar Meppel.
Daarmee blijft men buiten de overstromingen, buiten het lastig oversteken van het Zwartewater bij Hasselt, buiten de aanzienlijke omweg, en trekt men een bijna rechte lijn door de hoge heide, over mooi zand, in het voordeel van ontgonnen gronden en van nieuwe ontginningen. Daarmee wordt de bedoeling van een postweg, veiligheid en gemak direct bereikt.
Natuurlijk zullen er ook klachten over het verleggen van de weg ontstaan. Vooral van Hasselt; want aan wegen en vaarten te liggen is een duidelijk voorrecht. Maar Hasselt krijgt een meer dan gewone schadevergoeding door het gebruik van de Dedemsvaart. Deze mondt in de stad uit in het Zwartewater en komt al voor tweederde deel uit het bovenland en zal mettertijd in verbinding staan met de hele provincie. Dit voorrecht is zo groot dat het verloren voorrecht van de postweg er bij in het niet valt. De vaart is toevallig aan Hasselt toegevallen en even toevallig verliest Hasselt de postweg. Eigenlijk is dit een gevolg van betere inzichten van deze eeuw en het verstandiger gedrag van zowel de regering als particulieren. Aan dit beter inzicht is het reusachtige werk van de vaart toe te schrijven, net zoals het verbeteren van de grote rijkswegen. Hasselt zal daarbij, over het geheel genomen, winnen en dezelfde uitkomst krijgen de meeste verbeteringen, al blijkt dit niet meteen even duidelijk en volgt het niet even snel, zoals in dit geval.

Op stap langs de Dedemsvaart
In Zwolle had ik al op aangename wijze kennis gemaakt met de Baron van Dedem tot den Berg. Deze was meteen zo goed om aan mijn eerste nieuwsgierigheid tegemoet te komen aan de hand van een getekende kaart. Daarbij had hij de uitnodiging gevoegd om enkele dagen bij hem buiten door te brengen, direct bij de vaart en de venen, die wij dan zouden bezoeken om ze grondiger te leren kennen.
Ruim de helft van de vaart is al aangelegd door onafzienbare heidevelden, waar van de familie enige duizenden morgen land in eigendom heeft. (een morgen = ca. 0,85 ha.)
Om door eigendommen van vreemden te graven zijn er overeenkomsten nodig die op wederzijds belang gegrond zijn. De landerijen worden meer waard door een vaart en de veengronden ontlenen er zelfs al hun waarde aan. Daar staat tegenover dat de eigenaars van de vaart tol heffen op de schepen. De regering verleent het octrooi op de tol. Verder is het een particulier werk, uit particuliere fondsen door een enkele familie met eigen en geleend geld ondernomen.

De schepen worden pas door de sluizen van deze vaart gelaten als er een zeker aantal bij elkaar is. Ze liggen bij elkaar in een boezem boven de sluis en dan worden er bij het doorlaten nog vaste regels gevolgd. Het recht om zulke regels voor te schrijven is, net als bij de tolheffing, door octrooi verleend en wettig gemaakt.
Bij het zien van zeventig schepen, groot en klein, die als een vloot in de boezem lagen, ging het hart van mijn gastheer open en kon hij zijn vreugde niet verbergen.
Enige jaren geleden was daar, zover het oog reikte, nog niets en jaagde men er hooguit op een schuwe en eenzame korhoen. Nu worden er scheepsladingen af- en aangevoerd.

Vorig jaar heeft de Dedemsvaart een belangrijke uitbreiding gekregen door de vaart die gegraven wordt naar het stadje Ommen. Daarvoor is een contract afgesloten met de Maatschappij van Weldadigheid die een kolonie opricht in de Ommerschans voor bedelaars en onwillige kolonisten. Dit zal een zogenaamde strafkolonie zijn waar de slechten verbeterd kunnen worden, om opgevoed over te gaan naar een vrije kolonie.

In Hasselt ontmoette ik de heer Van Dedem, die zo goed was om mij van daar af zijn vaart te tonen en alle omstandigheden uit te leggen. Wij reden tot zijn buitengoed te Nieuwleusen, een dorp waarvan de aanleg een vriendelijk voorkomen heeft en waar de gewassen van de vruchtbare grond getuigen. Vooralsnog ligt het daar als een eiland in zee, of nog meer als een oase in de zandwoestijn van Afrika.
De eerste dag merkte ik daar niets van omdat wij langs de vaart reden en de vaart door de oude woestijn loopt. De volgende dag kwamen we van de kant van de Ommerschans en zag ik er ook niets van want de schans en de aangrenzende marke liggen er nog zo goed als woest bij. Maar daar omheen rijdend, aan de zuidkant, naar de Vecht toe, werden mijn ogen opeens verrast door het vrolijke gezicht van bouwland, tuinen, woningen, lanen en bossen.
Zulke verrassingen beleeft men in dit land voortdurend omdat er maar een reden is waarom men de ene voet in een woestijn en de andere in een tuin zet: dat is omdat de menselijke vlijt al zo ver en nog geen stap verder is gekomen. Het is een voortdurende afwisseling en tegenstelling van vlijt en verzuim, die men verkeerd met vruchtbaarheid en onvruchtbaarheid bestempelt.

Door de onafzienbare heide
Van Nieuwleusen begaf ik mij naar huize Echten. De weg liep dwars over de Dedemsvaart en door een onafzienbare heide, enige uren lang, tot de Drentse grens. Vanaf de vaart werden de sporen van de ontginning steeds minder en op de heide had ik redenen genoeg om blij te zijn met mijn meegegeven begeleider en voerman, want zonder hem zou ik aan het dwalen zijn gekomen. Alles was hier volkomen woest en mijn oog, al was het al geoefend, kon geen enkele vorm van ontginning vinden.


BIJVOEGSEL BIJ DE “LEERREDE” VOOR DE HERVORMDE KERK TE DEDEMSVAART
Door Ds. G.H. van Senden

In 1834 werd de Hervormde kerk aan de Hoofdvaart in Dedemsvaart in gebruik genomen. Voor deze belangrijke gebeurtenis had men de zeer bewonderde en gerespecteerde dominee G.H. van Senden uit Zwolle uitgenodigd de inwijdingsdienst te verzorgen. Zijn preek – in die tijd “leerrede” genoemd – is naderhand in druk verschenen, met daar aan toegevoegd een omvangrijke bijlage. Daarin geeft hij een beeld van het belang van het kanaal de Dedemsvaart, de werkzaamheden tot dan toe, de effecten die dan al zichtbaar zijn en van de mogelijke rol van betekenis die het kanaal in de toekomst voor de ontwikkeling van de provincie Overijssel kan spelen.
Uit deze bijlage hebben wij het gedeelte overgenomen dat op de Dedemsvaart zelf betrekking heeft. Omdat de tekst uit die tijd voor ons moeilijk leesbaar is door de vele woorden die een andere betekenis hebben gekregen en de vele lange zinnen, hebben wij deze aangepast aan ons tegenwoordige taalgebruik. Binnen de zinnen hebben we de volgorde soms iets gewijzigd, zodat de inhoud iets overzichtelijker is geworden.


Hoge moerassen met onberekenbare schatten aan veen

Het noordoostelijke gedeelte van de provincie Overijssel leverde aan het begin van de negentiende eeuw nog het beeld op van hoge moerassen, die met onberekenbare schatten aan veen een op zichzelf niet onvruchtbare ondergrond bedekten. Turf uit veen gestoken was de voornaamste brandstof voor de bewoners van ons vaderland.
Al die eeuwen die er na het ontstaan van deze venen verlopen waren, had geen menselijke hand zich uitgestrekt om die woeste grond te ontginnen. Dat is des te vreemder, omdat men al eerder in de noordelijk gelegen gewesten van het oude Nederland het afgraven van de hoge venen en de bebouwing van de moederbodem met de beste gevolgen beproefd had.
De provincie Friesland had omtrent het midden van de zestiende eeuw het voorbeeld gegeven en zijn oostelijke grensstreek was daardoor van een onvruchtbaar heideveld in een vruchtbare streek veranderd, bedekt met buurten, gehuchten en mooie dorpen, waarvan ik slechts Suurhuisterveen, de Rotteval, Drachten, Gorredijk, Noordwolde en Heerenveen wil noemen.
Het gewest Groningen had dat voorbeeld gevolgd. De hoge venen, die bijna een vierde gedeelte van het zuidoostelijk deel van de provincie bedekten, waren vanaf het begin van de zeventiende eeuw doorsneden met goed ingerichte kanalen. Aan de oevers daarvan waren Hoogezand, Winderweer en Lula, Sappemeer, Veendam met de daaronder behorende wijken en compagnieën Wildervank, Boven- en Beneden Pekela en Stadskanaal verrezen – aanzienlijke en door landbouw, fabrieken, koophandel, zeevaart enz. welvarende veendorpen - terwijl dankzij de ontginning van de Nijeroordervenen, gelegen in het zuidwesten van de provincie, al in het midden van de zestiende eeuw de grote en welvarende plaats Leek was ontstaan.
Drenthe was niet achter gebleven. Tegen het einde van het eerste kwart van de zeventiende eeuw was de Echtense Wetering tot een afvaart voor de turf uit de Echtense venen gegraven. Daardoor ontstond het nu door een vruchtbare streek omringde stedelijke dorp Hoogeveen. De Havelter Aa, waarlangs men turf uit de Smilder- en Kloostervenen afvoerde, werd door een nieuwe vaart vervangen. Daardoor ontstond de bloeiende veenkolonie Smilde.

Dat men in weerwil van zoveel en in alle opzichten aanmoedigende voorbeelden de uitgestrekte venen van Overijssel in de natuurlijke staat liet liggen en het gewestelijk bestuur niet aan de slag ging - niettegenstaande dat er geen enkele reden bestond te vrezen dat van de ontginning minder voordeel voor dit gewest was te verwachten dan men elders daarvan aanschouwde - schijnt grotendeels toegeschreven te moeten worden aan de vroegere vorm van de regering van de provincie Overijssel. Die was niet van dien aard dat er een dergelijk plan van uitging, of wanneer een particulier zich daaraan mocht willen wagen, kon deze bij haar niet de nodige ondersteuning verwachten.

Gerrit Willem van Marle
Hoe weinig men van die zijde op medewerking mocht rekenen, bleek weldra toen in 1791 een man, wiens vooruitziend oog en groot vernuft, - door allen die hem kenden naar waarde hooggeschat - met een ontwerp van dien aard voor de dag kwam: de heer Gerrit Willem van Marle.
Van Marle, die met zijn familie een dode schat bezat in de vorm van genoemde uitgestrekte hoge venen, geloofde dat deze slechts behoefden te worden ontgonnen om grote voordelen aan de eigenaars op te leveren en een weldaad voor de provincie en het land te zijn.
Hij ontwierp daarvoor een plan en besloot de uitvoering ervan te beproeven.
Tot de ontginning van hoge venen is in de eerste plaats nodig het graven van een kanaal:
- waardoor de venen afwateren en waarlangs de turf vervoerd kan worden,
- welk kanaal naderhand tot de cultuur van de ondergrond en de bloei van de op deze gevestigde dorpen oneindig veel bijdraagt.
De heer Van Marle begreep dat men bij het graven van zo’n vaart van de venen moest afdalen tot het dichtstbij gelegen bevaarbare water, en dit leverde toen het Zwartewater in de nabijheid van de stad Hasselt op.
Hij begon toen door met de regering van genoemde stad een overeenkomst te sluiten betreffende de doorvaart door Hasselt, het bevaarbaar maken en houden van de stadsbinnengrachten en het bezit van die stedelijke gronden waardoor het kanaal moest worden gegraven.
Vervolgens probeerde hij contracten aan te gaan met de veen- en grondeigenaren van de Huizinger- en Katingervenen, maar het lukte hem niet de zaak verder dan tot deze voorbereidende schikkingen te brengen.

De stad Zwolle, die vreesde door het aanleggen van zo’n vaart haar transitohandel met Duitsland te verliezen, verenigde zich met de beide andere grote steden van Overijssel, Deventer en Kampen. Deze steden hadden meermalen hun onderlinge naijver afgelegd om samen een meerderheid te vormen tegen de stem van de ridderschap, wanneer hun belang met het algemene belang van de provincie in strijd scheen te staan.
Meermalen werd op deze wijze het algemene provinciale belang opgeofferd en verwaarloosd.
En zo bestond hier in het klein dezelfde situatie die in het groot bij het federatieve stelsel van het voormalige Gemeenebest der Nederlanden tot verderf van het gehele maatschappelijke lichaam plaats heeft gehad.


Aantekeningen van Gerrit Willem van Marle inzake nog te regelen zaken met een aantal grondeigenaren van Nieuwleusen.

Willem Jan van Dedem tot den Berg
Door deze tegenwerking bleef toen het mooie ontwerp voortijdig steken en vervolgens rusten, tot met de dood van Van Marle in 1799 alle hoop scheen te vergaan om deze belangrijke onderneming ooit tot stand te brengen.
Het was in deze hopeloze en schier vergeten staat dat de heer Willem Jan van Dedem tot den Berg het plan van de vervening weer oppakte.
Hij, door zijn huwelijk met de oudste dochter van Van Marle mede-erfgenaam van de vermelde venen geworden en in het bezit gekomen van alle stukken die het ontwerp van zijn schoonvader betroffen, doorzag weldra het belang van de geplande onderneming.
Het denkbeeld dat hij geroepen was dit grote en nuttige werk ten uitvoer te brengen, werd weldra het hoofddenkbeeld van zijn geest. De innerlijke drang die hij voelde om aan deze taak zijn leven en krachten te wijden was zo sterk dat geen moeilijkheden en bezwaren, die hij kon voorzien en berekenen, in staat waren hem van de uitvoering van dit plan af te houden.
(Ik), de schrijver dezes, zich niet in staat voelend om een enigszins volledig en getrouw verslag te geven van de wijze waarop deze belangrijke onderneming is begonnen en uitgevoerd, heb gemeend me om inlichtingen tot de Baron van Dedem zelf te moeten wenden.
Het is me niet alleen gelukt de gevraagde inlichtingen te bekomen, maar op mijn verzoek is me ook goedgunstig toegestaan de memorie, die deze inlichtingen behelsde, met de daarbij gevoegde oorspronkelijke stukken, in het belang van tijdgenoot en nakomeling, hier in mijn stuk op te nemen.

Baron van Dedem schrijft
“In het jaar 1803 werd ik aangezocht om een voor enige jaren gevormd, maar vervolgens rustend plan tot de aanleg van een kanaal naar de Avereester Venen weer op te vatten en uit te voeren.
Overtuigd van het belangrijke dat daarin gelegen was, zowel voor de staat in het algemeen als voor deze provincie en voor duizenden particuliere aangelanden in het bijzonder, en niet onbekend met de voorbeelden van zodanige aanleg in de provinciën Groningen en Drenthe, vatte ik het voornemen op om de hand aan het werk te slaan.
Met de ligging van deze venen bekend, daar van jongs af veel ter jacht geweest zijnde, besloot ik deze zaak te onderzoeken. Hiertoe werd ik des te beter in staat gesteld door mijn huwelijk met de dochter van wijlen de heer G.W. van Marle, die daartoe reeds het voornemen gekoesterd had; maar hetwelk door hem niet tot stand had kunnen gebracht worden.
Een aantal bouwstoffen over deze zaak, door die heer in vroegere jaren reeds bijeen verzameld en nu in mijn handen gekomen zijnde, welke alle kenmerken droegen van ’s mans doorziende verstand en kunde, waren mij hierbij van grote nuttigheid.



Na mij door het lezen en herlezen van de papieren en aantekeningen de zaak zoveel mogelijk eigen gemaakt te hebben, ging ik opnieuw de veenkoloniën in Groningen, Friesland en Drenthe bezoeken, welke ik al eerder, doch met minder oplettendheid had doorgereisd.
De aanleg van de bekwame en kundige veenman de heer L. Grevelink in het Annerveen kwam mij het beste voor en ik vond dat dit kanaal op de meest doelmatige wijze was aangelegd.
Bij hem, die toen in die veenkolonie op de Spijkerboor woonachtig was, vertoefde ik enige tijd en was zo in de gelegenheid alles grondig te onderzoeken en van hem de beste inlichtingen te bekomen, te meer daar de vaart op Smilde in Drenthe mede door hem was aangelegd.
Dit onderzoek, evenals dat welk ik in de Friese veenkoloniën deed, en in het bijzonder de aanleg van het kanaal en de veenkolonie aan het Leekstermeer van de heer De Lille, gaven mij de overtuiging dat, wilde men met nut en op den duur een voordelige vaart aanleggen, deze op een veel grotere schaal dan die van Hoogeveen en Smilde in Drenthe moest worden vervaardigd.
Na het gedane onderzoek van het belangrijke van deze en soortgelijke ondernemingen, besloot ik zelf het terrein dat voor zo’n kanaal nodig was, nader op te nemen. Ten einde daarover des te beter te kunnen oordelen, was het nodig dat ik mij in de landmeetkunde oefende, een wetenschap waarvan ik mij in mijn academische jaren niet had voorgesteld dat ze mij van zoveel nut zou kunnen zijn als ik thans ontdekte en welke studie toen door mij verwaarloosd was. Hiertoe moest ik, alhoewel gehuwd en als lid van het Departementale Hof van Justitie te Deventer wonende, opnieuw in dat vak enig onderwijs nemen en ik vond dat bij een allerkundigst man, de heer Baudet, die naderhand onderwijzer in de meetkunde is geworden op het instituut van de heer Van Nijl te Vaassen.

De richting welke zich naar mijn oordeel het geschiktste, kortste en voordeligste voor deze aanleg aanbood, was die vanaf de stad Hasselt aan het Zwartewater, langs de zogenaamde Beentjesgraven en benoorden langs de Ommerschans naar de Avereestervenen.
Nauwelijks was het bekend geworden dat mijn plannen langs die richting zouden lopen of ik ontmoette grote tegenstand. Aangezien men gaarne het kanaal door of langs de stad Zwolle wilde hebben, uit vrees dat, wanneer eenmaal mijn kanaal was aangelegd, veel korter en voordeliger dan de gebrekkige scheepvaart op de rivier de Vecht, de koophandel daarlangs een weg zou zoeken.
Verschillende keren ben ik aangezocht die richting te veranderen, maar de omweg, het hogere terrein, de geaardheid van de grond en de meerdere kosten welke het plan om het kanaal op Zwolle te brengen zou veroorzaken, en nog wel in bijzonder het bezwaar om de rivier de Vecht boven de Berkummerbrug te bevaren, vooral in droge seizoenen of bij overtollig water, wegens de sterke stroom, waren daarin allen grote hinderpalen.

Had men in 1804 of 1805, toen ik met dit werk een aanvang maakte, kunnen berekenen dat eens de verbinding van Zwolle naar de IJssel bij het Katerveer door de Willemsvaart zou worden aangelegd, dan zou dit de zaak aanmerkelijk hebben kunnen veranderen, hoewel de weg over Hasselt altijd beter te verkiezen was. Maar de geest van de tijd, ofschoon wel enigermate veranderd, voorzag niet dat die doorgraving ooit zou plaatshebben.

In 1804 was de Franse wet omtrent de onteigening bij ons niet bekend en niet in werking. Men moest dus, om dit kanaal te kunnen graven, de toestemming van elke der aangelanden hebben door wiens gronden dit kanaal moest worden gegraven en daartoe de grond van hen aankopen. Onnodig zal het zijn de moeilijkheden hiervan aan te duiden, omdat het kanaal over een afstand van 5 uren door de gronden van honderden particulieren moest worden gegraven, van welke de een dit en de ander weer dat belang had, of vermeende te hebben.
Ten noorden langs Nieuwleusen, waar de erven zeer smal en sommige geen zes roeden breed zijn, was dit nog moeilijker. Terwijl sommige eigenaren ook nog bezwaren vonden, niettegenstaande zij door deze aanleg grote voordelen voor hun gronden zouden krijgen.
Enige landbezitters onder Nieuwleusen bleven in gebreke om in mijn voorstellen genoegen te nemen, zodat ik op een ander middel bedacht moest zijn en een andere weg moest zoeken.
Toen boden zich de grondeigenaren van IJhorst aan om mij behulpzaam te zijn. Zij, als met de vaart naar Hoogeveen bekend, wisten naar eis te waarderen hoe belangrijk het voor hun gronden was aan een kanaal te liggen en zij boden mij hun gronden om niet (= gratis) aan.
Om deze richting te kunnen nemen, was mij de toenmalige schout van Staphorst en Rouveen, de heer L. Oortwijn behulpzaam en ik kocht met een conditionele koopbrief het recht van 10 roeden breedte door het Rouveense land, langs de Beentjesgraven, voor de aanleg van het kanaal.
Z.M. koning Lodewijk Napoleon vergunde mij een hoekje grond van het domein te doorgraven, gelegen voor het Huizingerveld bij de zogenaamde Nieuwe Dijk, de weg van Nieuwleusen naar de Avereest.
Door deze richting werden de erven in Den Hulst, onder Nieuwleusen behorende, afgescheiden van hun bouwgronden in het Rouveense liggende, omdat men geen andere bruggen had bedongen, dan een aan het oosteinde van Den Hulst.
Nu geraakte men op Nieuwleusen in grote verlegenheid en nauwelijks was de vaart tot aan Den Hulst gevorderd of men verzocht mij ander maal mijn vorig plan te volgen, bood mij de grond mede om niet aan en werd handelbaarder, zodat ik bij de verdere aanleg mijn oorspronkelijke plan volgde.
Dit was een bewijs dat het niet toetreden van die enkele landbezitters geen ander doel had dan om het kanaal zomogelijk te keren, waartoe zij eerder waarschijnlijk hun belangen verkeerd hadden ingezien.
Ik bedong echter dat aan die van IJhorst een gelegenheid zou worden vergund om mede met een wijk op het kanaal te kunnen komen.
Na onafgebroken arbeid en door telkens zoveel mogelijk middelen te bedenken om de verschillende belangen overeen te brengen, gelukte het mij toestemming van allen te bekomen en mij van de intentie van de regering van de stad Hasselt ten opzichte van vroegere contracten te verzekeren.
Zodoende had ik eindelijk niets anders van het gouvernement te vragen dan het recht om door onze eigen gronden te graven.
Alleen de algemene wegen moesten worden doorgraven en de passage door bruggen worden hersteld. Ook moest men voor zeer veel kleinigheden zorgen en in de bestaande waterleidingen voorzien.
In de zomer van 1805 was ik dan met alles klaar, zodat ik toen in de maand augustus een kopie van het rekwest aan de hoogmogenden ingediend, aan de heer raadpensionaris Schimmelpenninck eigenhandig te Deventer overhandigde.
Toen ik na verloop van enige tijd persoonlijk te ’s Gravenhage informeerde over hoe het met de zaak stond, ondervond ik dadelijk dat men mij tegenwerkte en dat er door het departementaal bestuur van Overijssel zelf een schriftelijk verzoek was gedaan om een kanaal aan te leggen voor de verbinding van Zwolle naar Hardenberg en ter gemoetkoming aan de gebrekkige scheepvaart op de rivier de Vecht.
Dit schriftelijk verzoek van het departementaal bestuur van Overijssel is gedateerd 29 augustus 1805.
De aanleg daarvan ondervond veel moeilijkheden maar de poging had als nut voor de tegenwerkers dat het mijn plan vertraagde en alle hoop dat dit eenmaal gelukken zou verijdelde. Zodat ik de moed bijna opgaf ooit daarin te zullen slagen. Telkens, doch vruchteloos, ondernam ik vernieuwde pogingen om mijn plan voort te zetten, totdat eindelijk koning Lodewijk Napoleon aan de regering kwam.

Die vorst maakte in het jaar 1809 een reis door Overijssel, Drenthe, Groningen en Friesland. Deze gelegenheid maakte ik mij ten nutte en trachtte mijn doel te bereiken. Dit was echter moeilijk, temeer daar ik alle maatregelen moest gebruiken opdat niemand mijn voornemen ontdekte, omdat ik er dan zeker van was dat ik alle mogelijke tegenwerking zou ondervinden. Ik wist dat, zo men de toestemming niet geheel tegen kon gaan, men toch de uitvoering zolang mogelijk zou proberen te vertragen.
Daar het te voorzien was dat de vorst, die ’s lands algemene belangen zeer ter harte nam, niet altijd door de ogen van anderen zag maar wel eens volgens zijn eigen doorziend oordeel besliste en de algemene belangen niet aan die van particulieren opofferde, was te hopen dat hij ook dit verzoek goedgunstig zou beantwoorden.
In deze veronderstelling werd ik niet bedrogen, want nauwelijks was de komst van Z.M. de koning te Zwolle bekend of men vroeg mij of ik niet van die gelegenheid zou gebruikmaken om opnieuw mijn verzoek om het kanaal te mogen aanleggen aan Z.M. voor te stellen. Dit had alleen ten doel om mijn oogmerk te ontdekken en zich er dan tegen te verzetten.
Ik begreep echter dat het niet raadzaam was mijn plan te openbaren en hoewel men mij ook daarover wilde uithoren, liet ik daarvan niet alleen niets blijken, maar vroeg ook Z.M. toen ik hem op een audiëntie te Zwolle sprak, niets wat hierop betrekking had, te meer daar ik merkte dat men steeds erg oplette op alles wat door mij gevraagd werd.
Toen de koning te Deventer kwam, had ik opnieuw als lid van het Departementale Hof van Justitie gelegenheid Z.M. te spreken. Maar ook toen liet ik mij niets ontvallen wat op deze zaak betrekking had.
Maar toen de koning de volgende dag nog een audiëntie gaf aan enige particuliere heren en ik mij daarbij ook bevond, gaf ik Z.M. een rekwest en een memorie (aanvraag met toelichting), waarin ik mijn voorgenomen plan om op eigen kosten een kanaal aan te leggen ter ontginning van een aantal bunders veen- en heidegronden te kennen gaf. Daarbij merkte ik op welk voordeel daarin te voorzien was en dat de ontginning van deze gronden van niet minder belang was dan van soortgelijke koloniën welke door Z.M. op zijn reis naar Hoogeveen in Drenthe, Wildervank enz. enz. in Groningen en elders zouden worden opgemerkt.
Dit rekwest en deze memorie nam Z.M. goedgunstig aan, waarop hij zijn reis van Deventer op Coevorden en zo verder vervolgde.
Niemand had mijn plan ontdekt en de enige man wie ik het had meegedeeld was mijn vriend de heer mr. Z. Tijl, advocaat en secretaris van de stad Hasselt.
Deze, zeer beijverd om het welzijn van zijn stad te behartigen, in het belang van het algemeen mee te werken en mij te verplichten, heeft tot de taakstelling van het kanaal niet weinig toegebracht en aan hem ben ik en de stad Hasselt, alsmede iedere belanghebbende, grotendeels de dank ervoor verschuldigd dat de gewenste toestemming verkregen werd.
Ik had uit Deventer aan de heer Tijl vier verschillende aanspraken (verklaringen om namens mij op te treden) gezonden, omdat onbekend was waar hij Z.M. zou spreken; of te Vollenhove, waar Z.M. zou overnachten, of, daar Z.M. van Vollenhove naar Kampen reisde, op het veer te Genemuiden, of wel te Hasselt, wanneer hij daar doorkwam. Dit laatste gelukte, omdat Z.M. de reis over Hasselt nam.
Aldaar stelde de heer Tijl Z.M. vier vragen:

1e


2e
3e
4e




Om in het belang der stad Hasselt toe te staan het bouwen van twee keerdeuren voor de stadsbinnengrachten tegen de hoge vloeden.
Het herstel van de veenweg.
De bouw van een R.K. kerk.
Om aan mij te vergunnen het graven van een kanaal naar de venen door de stad Hasselt, indien ik nog voornemens was dit werk voor het algemeen en voor de stad Hasselt in het bijzonder zo nuttig uit te voeren, wat de opkomst voor die stad kon zijn.

Gelukkig had niemand mijn plan ontdekt; alle pogingen welke men had aangewend om mijn voornemen gewaar te worden waren mislukt en dus de plannen van tegenwerking verijdeld. Dat men zoiets wel van plan was blijkt hieruit: De kwartierdrost, de heer Van IJsselmuiden tot Paaslo, had de heer Tijl, als secretaris van de stad Hasselt, aangeschreven om op te geven welke voorstellen hij voornemens was aan Z.M. te doen.
Op de daarvan aan mij gedane mededeling door de heer Tijl verzocht ik hem en raadde hem aan om mijn plan niet te verklappen. Genoemde heer Tijl, met mij daarvan het gevaar inziende wilden wij in onze voornemens slagen, verzweeg op mijn nadrukkelijk verzoek het plan. Daarbij zei ik hem alle schuld op mij te brengen als de kwartierdrost hem naderhand berispen zou dit verzwegen te hebben.
Niemand had dus dit voorstel ontdekt en ook niemand anders dan de heer Tijl deelde in dit geheim. Aan dat stilzwijgen zijn wij de goede uitslag verschuldigd. De stad Hasselt is om deze en nog andere zaken veel, ja zeer veel, aan die brave man verschuldigd.
Ongelukkig heeft hij ook al weinig dank voor zijn bewezen diensten genoten en moest hij gedurende zijn leven met een ieder in dat ongelukkig lot delen, dat men bijna altijd ondervindt wanneer men ten algemene nutte zijn leven en zijn genoegens opoffert.

Koning Lodewijk Napoleon.

Iedereen stond daarom als verstomd toen Z.M. zich de kaarten liet tonen en men hem het plan daarop aanwees van het kanaal van Zwolle naar Hardenberg vanaf de Zwolsevaart, en deze zei:
“A quoi bon ce triangle? Ce plan ne vaut rien.” (Waartoe die driehoek? Dat is geen goed plan.)
En op mijn plan wijzende, zei hij:
“C’est le chemin le plus court; repetez vos demandes” (Dit traject is veel korter; herhaal uw vraag), waarop de heer Tijl dit deed en het antwoord van Z.M. was:
“Toutes vos demandes sont accordées!” (Al uw vragen worden goedgekeurd.)
Nu stond iedereen verbaasd en de zaak was in orde.
Alleen heeft men nog weten te bewerken dat in het besluit gevoegd werd: “mits zich verenigende met de stad Zwolle.” Dit gaf aanleiding tot het maken van een overeenkomst waarbij bepaald werd dat ons kanaal niet voor de koophandel mocht dienen en ook niet met de rivier de Vecht verenigd zou worden. Het is mij gelukt met de regering van de stad Zwolle hierover spoedig een akkoord te treffen.

In de maand maart 1809 is het besluit van koning Lodewijk genomen en ik slaagde erin de overige punten weldra af te handelen, zodat op 9 juli van dat jaar de eerste schop bij Hasselt in de grond werd gestoken. Reeds in de herfst van dat jaar kwam het pand tot aan de herberg de Lichtmis nagenoeg af. Tot aan de boerschap de Hulst werd de grond boven afgebracht en in 1811 was het kanaal tot aan het Oosterhuizerveld bevaarbaar, een afstand van ruim vijf uren gaans van Hasselt.”

“Van Dedem.”


Den Hulst op een Franse kaart van ca 1813.

Het kanaal bereikt de hoge venen
De vaart, al in 1811 tot zover gekomen, had hier het punt bereikt waar de Katinger- en Oosterhuizervenen begonnen. Voor het oog van wie zich toen daar bevond breidden de venen zich uit als een oneffen oppervlakte, waarvan de rechterzijde aan de Hessenweg grensde en waarvan de linkerzijde aan de heidevelden van Drenthe grensde, terwijl hij in de verte de torens van Heemse, Hardenberg en Coevorden zag opblauwen.
Woest lag deze gehele, onafzienbare oppervlakte bedekt met de schrale heideplant en in de laagte met water, dat daar meerstallen vormde omdat het nergens een uitweg kon vinden.
Geen weg of voetpad had ooit over deze venen geleid. Alleen de stoutmoedige jager die het wild in deze schuilhoeken opzocht en de herder die zijn schapen de enkele sobere graskampjes liet zoeken die tussen de heide groeiden, hadden deze bodem betreden. Hier en daar werd nu en dan een enkel plekje geboekweit.
Toen het kanaal, waardoor deze woestijn in een vruchtbaar oord zou veranderen, deze streken bereikt had, was ook het plan al gevormd waarop de herschepping zou geschieden. In de geest van de ondernemer (Van Dedem) bestond de gehele kolonie al, wachtend om metterdaad te worden verwezenlijkt. Dit plan voor de kolonie getuigde, net zoals dat van de vaart, opnieuw van de kunde en het beleid van Baron van Dedem.
Zodra men met het hoofdkanaal in een te ontginnen veen is gekomen, begint men van weerszijden in het veen binnen te dringen door gruppen (sloten) te graven, welke men wijkraaien noemt. Eerst slechts 3 of 4 voet breed (= ongeveer 90 cm) en even diep, worden deze van jaar tot jaar dieper gedolven en breder gemaakt. Zij dienen ervoor het water af te voeren en de sponsachtige veengronden te laten bezakken. Zij zijn de aanzet van de wijken waarin zij bij voortgaande verbreding en verdieping veranderen. Uit de aldus ontstane wijken worden vervolgens naar weerszijden insnijdingen in het veen gemaakt, die onder de naam van bonk- of zijgruppen bekend staan.
De heer Van Dedem, die besefte dat de hele inrichting van de toekomstige veenkolonie en haar welvaart grotendeels van de aanleg van de wijkraaien afhingen, handelde daarbij zeer planmatig. De wijken in een veenkolonie moeten toch aansluiten op de vele kleinere kanalen waarlangs de turf naar de hoofdvaart afgevoerd en de bouwstoffen voor de op te richten huizen aangevoerd worden. Bij het voortgaande in cultuur brengen van de van veen ontblote ondergronden wordt de mest langs die wijken op de landen gebracht en de opbrengsten van de landen langs deze wijken afgevoerd.
De heer Van Dedem was er op bedacht om deze wijken op behoorlijke afstand van elkaar te leggen. Dat is niet te dicht bij elkaar en niet te ver van elkaar, zodat zij in het eerste geval niet te veel onnodige kosten veroorzaken en te veel oppervlakte weg nemen, en in het laatste geval het vervoer niet zullen bezwaren.
Van Dedem nam de zeer voegzame afstand van 40 tot 50 Rijnlandse roeden of 150 tot 170 Nederlandse ellen (= ongeveer 170 m), zodat het midden van een tussen twee wijken liggend vlak niet meer dan de helft van genoemde meters van het water verwijderd was.
Wanneer de venen die ontgonnen zullen worden slechts aan één eigenaar toebehoren, vindt dit weinig bezwaren. Zo’n eigenaar kan zijn wijkraaien leggen zoals hij verkiest. Is dit niet het geval en heeft een veen meer eigenaren, dan moet men bij de verdeling van de woeste gronden het zo schikken dat de bezitters van belendende venen maar één gemeenschappelijke wijk nodig hebben, waarvan zij tot de bovengenoemde einden samen gebruik kunnen maken.
De venen die op de aanleg van de heer Van Dedem wachtten – in de marken Arriën, Stegeren, Diffelen, Lutten enz. – waren meestal onverdeeld bezit van de markegenoten. Het lukte de heer Van Dedem niet alleen die verdeling tot aller genoegen uit te voeren, maar ook de bezwaren te overwinnen die de gewenste inrichting van het gebied in de weg lagen.


Een tweede, niet minder doelmatige inrichting bij de aanleg van de wijken verdient evenzeer opgemerkt te worden. Zij bestaat hierin dat de heer Van Dedem alle wijken niet onmiddellijk in het hoofdkanaal heeft laten uitlopen, maar voor elk blok een hoofdwijk heeft aangelegd, waarmee alle andere wijken met het hoofdkanaal in verbinding zijn gebracht. Immers als langs het hoofdkanaal een rijweg gaat, zou elke van die kant uit een blok in het hoofdkanaal uitlopende wijk die rijweg doorsnijden en dus zou over elk daarvan een til of brug moeten worden gelegd. Het leggen en onderhouden van die bruggen zal voor de eigenaren grote kosten veroorzaken. Die bruggen zijn voor de scheepvaart hinderlijk en veroorzaken voor de rijtuigen veel oponthoud en bezwaar. Dit alles vermeed Baron van Dedem. Hij kon, omdat hij op bovengenoemde wijze handelde, met één ophaalbrug toe en verkreeg een vaste en goede rijweg op de vaartwal.
Nog een ander voordeel werd door deze inrichting behaald. De eventueel aan te leggen dorpen in de veenkolonie konden nu een betere ligging krijgen. Omdat de gehele oppervlakte in zoveel mogelijk vierkante blokken verdeeld werd, hoefden de plaatsen geen lange, smalle strepen te vormen. Zij konden langwerpige vierkanten worden, zoals zij dan ook inderdaad zijn geworden.

Even voortreffelijk als deze inrichting van de veenkolonie zelf is die van het hoofdkanaal dat er naar toe leidde en vervolgens voorbij de veenkolonie voortgezet is. De aanlegger stelde zich als eigenschappen van een goede vaart voor:
Ten eerste dat zij bevaarbaar is voor alle soorten vaartuigen in de landprovinciën in gebruik, dat zij voor zodanige schepen de vereiste bodembreedte en diepte hebben, welke diepte hij op één Nederlandse el en 45 duimen (= 1,85 m) en welke bodembreedte hij op 6 Nederlandse ellen (= 4,15 m) bepaalde.
Vervolgens behoren over een goede vaart geen vaste maar ophaalbruggen te liggen en in een goede vaart horen geen sluizen met vallen maar met deuren te zijn, zodat de schepen met staande masten het kanaal kunnen passeren en geen oponthoud hebben.
Uiteindelijk dient een goede vaart geen gebrek te lijden aan water.

Bij de aanleg van meer dan een van de veenkoloniën in andere provinciën heeft men niet voldoende op het een en ander gelet en vele daarvan hebben, vooral in droge seizoenen, gebrek aan water. Zo staat de vaart van Smilde en die van Hoogeveen dikwijls genoeg geheel droog. Men schut maar eens om de drie of vier weken en dan geschiedt de doorvaart bij vloten.
Het is waar dat men geprobeerd heeft op de Smildervaart dit gebrek te verhelpen door het water, dat bij elke opening van de sluizen voor het bovenpand zou verloren gaan, uit de kolken van die sluizen voor het wegloopt weer in dat bovenpand op te malen. Kostbare machines, voor dat doel in de schutsluis bij Havelte aangelegd, hebben intussen niet de gewenste werking opgeleverd, zodat men uiteindelijk besloten heeft ze geheel weg te nemen. Als men nog eens beter in zo’n uitvinding mocht slagen, dan zou het toch alleen bij een vaart van toepassing kunnen zijn waarvan de benedenpanden van opzij toevoer van water ontvangen. Waar dit niet het geval is, zouden de vaarten, als ze uit het bovenpand geen water krijgen, spoedig door het gedurig openen van de lager liggende sluizen droog lopen.
Doelmatiger heeft men het kanaal van de Nijeroordse - en Ter Heidsevenen van water voorzien. Daar groef men naast het hoofdkanaal een evenwijdig daaraan lopende waterleiding uit het Leekstermeer en plaatste tegenover elke sluis van het hoofdkanaal een windwatermolen, die uit die waterleiding de massa van het door het gedurig openen van de sluizen verloren gaande water weer moet opmalen en aanvullen. Omdat het Leekstermeer een schier onuitputtelijke waterbron oplevert en men door deze inrichting zoveel water in het hoofdkanaal brengen kan als men wenst, is dit altijd genoeg voor handen.
Bij de Dedemsvaart intussen heeft men nog het ene nog het andere hulpmiddel beproefd. De aanlegger had dadelijk bij het begin de Vecht op het oog en hij voorzag dat men een keer deze rivier in het belang van de koophandel en de zeevaart een keer met de Dedemsvaart zou verenigen. Zolang deze verbinding niet kon worden toegepast, bediende hij zich van een ander hulpmiddel om het dagelijks verlies van water te vergoeden. Hij maakte gebruik van de Reest. Dit riviertje werd door een waterleiding, de Schotkampswijk, met het hoofdkanaal verbonden en aan weerskanten met een sluis afgesloten. Heeft de Dedemsvaart gebrek aan water, dan opent men die sluizen en tapt water af uit de Reest naar het hoofdkanaal. Stijgt daarentegen het hoofdkanaal te zeer door het water uit de venen, dan ontlast men een gedeelte daarvan in de Reest. Zo hoeft men niet alle overmatige toevloed van boven naar beneden door Hasselt te laten afwateren.
Dat de aanlegger zowel voor het ene als het andere gebruik van de Reest maakte, kan niemand onrechtvaardig voorkomen die met de vroegere staat van de afwatering van de voornoemde venen bekend is. De venen, die het hoogst zijn in het midden tussen de Vecht en de Reest, ontlasten de helft van hun water in de Vecht, maar de andere helft in de Reest. Dus ontvangt de Reest nu uit de Dedemsvaart geen ander water dan wat dit riviertje vanouds moest afvoeren, en, omdat de Dedemsvaart nu het grootste gedeelte opneemt, juist minder dan voorheen.
Voor de aan dit riviertje gelegen lagere venen in de Arriërmarke en in het aangrenzende Drenthe weegt tegen de schade die het verlies aan water uit de Reest zou kunnen veroorzaken het voordeel redelijk op dat ze nu door de nieuw aangelegde verbinding krijgen. Aan de bezitters van deze venen, die vroeger hun turf niet konden afvoeren, wordt door de Schotkampswijk daarvoor een mooie gelegenheid geboden. Zij brengen de turf nu gemakkelijk en snel naar het hoofdkanaal van de heer Van Dedem, waar zij een goede markt vinden, of waarlangs zij die kunnen bereiken.



Het peil van de Dedemsvaart
Intussen, om van deze uitweiding terug te keren, is het niet genoeg dat een dergelijke vaart steeds toevoer van water ontvangt. Nee, er is, wil zij doelmatig zijn, nog veel meer dat in acht genomen moet worden en door de aanlegger inderdaad ook in acht genomen is.
Hij begon met de gewone stand van het water in de zomer - of het zo genoemde dagelijkse water - op het Zwolsediep naar zee bij Genemuiden op te nemen. Die was één el en vijf en veertig tot vijftig duimen (= 1,9 m) boven de slagdorpel van de inundatiesluis in de stadsbinnengrachten van Hasselt, welke sluis tevens geschikt was voor waterlozing voor de daar achter gelegen landen. Dit peil nam Van Dedem voor het kanaal aan.
Vanaf de stad Hasselt tot aan de herberg de Lichtmis, een afstand van nagenoeg één en een half uur, was het terrein bijna zonder opklimming en bij de Lichtmis bedroeg deze nog geen Nederlandse el (= 68 cm).
Hier werd de eerste keersluis geplaatst. Maar daarmee was dit pand blootgesteld aan dezelfde fluctuatie waaraan de stadsgrachten van Hasselt onderhevig zijn. Deze kunnen bij aflandige wind spoedig zo droog lopen dat daarin soms slechts drie of drie en een halve voet (= 1 m) water achter blijft; maar zij kunnen ook even snel bij het weerkeren of bedaren van de wind weer tot aanmerkelijke hoogte stijgen. De aanlegger, die zijn vaart voor deze wisseling wilde bewaren, legde daarom een conservatie- of schutsluis in de mond van de vaart, die zo nodig veertig tot vijftig duim water (= 1,25 m) kan keren.

Hogerop nam de klimming langzaam toe en maakte even boven de plaats waar nu de Rollecate staat, een sluis nodig en kort voor de venen tegenover de Ommerschans stootte men op een flinke hoogte.
Toen Baron van Dedem het kanaal daar meer dan acht, negen of zelfs tien ellen diep (= 7 m) liet graven, terwijl de daarachter gelegen venen slechts drie tot zes ellen (= 6,4 m) boven de ondergrond uitstaken, werd hij door veel vlugge beoordeelaars zeer bekritiseerd. Men vroeg zich af: “waarom zo diep in de grond graven en niet liever een schutsluis meer aangelegd? Daardoor zou men die ontzaggelijke kosten en moeite hebben uitgespaard.” Zij begrepen niet dat, indien dit laatste was gebeurd, men het gehele doel gemist zou hebben. Trouwens dan zouden de er achter gelegen dalgronden onder water gezet en daardoor voor de cultuur ongeschikt zijn geworden.
Het te Hasselt eenmaal aangenomen peil moest de basis blijven en zou het dit blijven, dan moest men vandaar naar de doorgaande klimming van de ondergrond de sluizen leggen, zonder zich door de meerdere of mindere hoogte van het veen of van de zandheuvels in de war te laten brengen.
Behalve de twee genoemde sluizen werden er nog twee andere gelegd, die van de Lichtmis af ongeveer vijf el en vijftig duim (= 4,5 m) schutten, terwijl hoger in de venen bovendien nog twee sluizen vereist werden, indien men tot de Vecht bij het gehucht Ane komen zou en die rivier met de vaart verenigen zou. Die sluizen zijn later ook inderdaad aangelegd.

De veenkolonie Dedemsvaart ontstaat
Het was redelijk te voorzien dat in de venen, tot waar deze door zoveel kunst en moeite doelmatig aangelegde vaart leidde, een nieuw leven beginnen zou. Weldra verdrong dit dan ook de doodse stilte die zoveel eeuwen over deze streken had gezweefd.
Wijkraaien werden gegraven, verbreed en verdiept. Bonkgruppen werden uit deze wijkraaien naar weerszijden gegraven en in het bezakkende veen drongen duizend spaden om de turf te steken en duizend handen strekten zich uit om ze aan de lucht te drogen.

Schepen van verschillende grootte verzamelden zich om de turf te laden en gleden de vaart af om deze brandstof naar verschillende oorden van ons vaderland te vervoeren.
Langzaam maar zeker kwam de ondergrond voor de dag, die zoveel eeuwen door een ondoordringbare floers was bedekt en daarop daalden weer de verwarmende zonnestralen.
Het was treffend te zien hoe op elk weer aan het licht gebrachte hoekje hutjes oprezen en hoe de bodem die rondom de schamele woning lag eerst zo goed mogelijk werd bemest. Daarop tierde het brood van de armen, de aardappel, welig en de klaver schoot uit de grond, toereikend om een geit, het eerste melkdier in deze kolonie, te voeden. Het bleef niet bij dit begin. Uit de hutten werden huizen, uit de aardappeltuinen korenvelden en het klaverkampje van de geit werd weldra tot een mooi weiland vergroot.
Het afturven ging met zeer veel spoed voort. De turf van deze venen, die boven die van Hoogeveen uitstak en veelal die van Smilde evenaarde, werd zeer gezocht. Men kon deze, ook wanneer andere kanalen moeilijk of geheel niet te bevaren waren, langs de Dedemsvaart op alle tijden gemakkelijk afschepen.
De kolonisatie van de ondergronden hield dezelfde tred met de vervening omdat men, naarmate men meer turf afvoerde, ook meer geld ontving, die dan tot de aankoop van mest kon worden aangewend en ook zoveel mogelijk werd aangewend.

(…..)

Wanneer men van de zo mooi ontluikende kolonie de Dedemsvaart komt en zich wendt naar het kwartier Vollenhove, dan ziet men duidelijk de grote verschillen en gevolgen die de ontginning van de hoge en van de lage venen voor de Provincie Overijssel heeft gehad. Terwijl men door de baggelarijen (vervening door baggerturf) in het kwartier Vollenhove het vruchtbare land in woestijnen veranderde, ziet men aan de Dedemsvaart de woestijn tot een vruchtbaar veld herschapen.
Terwijl ginds de boerenplaatsen tot daglonershuisjes zijn verworden en uiteindelijk als hutten van armoede wegkwijnen, rijst hier de hut tot een huis en uiteindelijk tot een mooi gebouw omhoog. Terwijl ginds een hele kerkelijke gemeente ophoudt te bestaan, verheft zich hier een nieuwe met jeugdige kracht. Terwijl ginds zo de voorwerpen van de belasting verdwijnen, nemen zij hier dagelijks toe in waarde en aantal.
Zo wordt deze, in haar ontstaan geheimzinnige, veenstof, die aan Overijssel in het noordwestelijke deel van de Provincie zoveel nadeel en verderf berokkende, voor haar in het noordoostelijke deel tot zegen en geluk, en geeft, door de doelmatige onderneming van één man, de ginds verloren oppervlakte daar stapsgewijs weer terug!

Het is mogelijk dat er mensen zijn die de vraag opperen “of dan aan de inrichting welke de Maatschappij van Weldadigheid op de plaats en in de omgeving van de voormalige Ommerschans ten behoeve van bedelaars voor enige jaren heeft gesticht, niet hetzelfde belang moet worden toegekend voor de provincie Overijssel en voor de staat, en of zij dus niet gelijk gesteld moet worden met de veenkolonie de Dedemsvaart?”
Te ontkennen valt het geenszins dat de kolonie de Ommerschans groot voordeel oplevert. Zij neemt werkeloze armen op en houdt hen aan het werk, waardoor grote uitgestrekte woeste velden zijn gecultiveerd. Maar dit hele bedelaarsgesticht zou niet ontstaan zijn als het kanaal van Baron van Dedem er niet eerst was geweest. Zonder dit kanaal zou men naar die bijna ontoegankelijke streken de bouwstoffen niet hebben kunnen vervoeren, waaruit de belangrijke gestichten daar zijn vervaardigd. Zonder deze zou men de mest niet hebben kunnen aanbrengen, waardoor die landen vruchtbaar zijn geworden. Zonder de Dedemsvaart zou de Ommerschans evenmin kunnen blijven wat zij is en niet worden wat zij nog worden zal.
Bovendien veroorzaakt de Ommerschans jaarlijks aan de staat grote uitgaven, terwijl daarentegen de Dedemsvaart hoogst belangrijke geldelijke voordelen aan het rijk en het gewest Overijssel schonk en nog jaarlijks oplevert. Intussen moet men bij het nagaan van het belang van deze ontginning zich geenszins tot de veenkolonie zelf bepalen. De weldadige werking van de aanleg van het kanaal van Baron van Dedem verspreidt zich langs de hele vaart.
Zoals overal waar men straatwegen of kanalen aangelegd heeft, de vroegere woeste gronden gecultiveerd heeft en woningen voor mensen aangebouwd worden, zo had dat ook plaats in de streken waardoor de vaart van de heer Van Dedem en de rijweg op de wal van die vaart lopen. Daalt men die vaart af dan telt men in het Huizingerveld, waar voorheen geen enkel huis stond, nu reeds vanaf het schut tot aan het Katingerveen vijftig huizen. (= Balkbrug)
Het gehucht Den Hulst, dat voor de aanleg van het kanaal uit slechts twaalf woningen bestond, heeft er nu reeds zestig. In de nabijheid ervan spiegelt zich in de vaart het mooie buitengoed de Rollecate, aangelegd door de ondernemer Baron van Dedem op een vroeger onvruchtbare grond.
Onder de handen van de mensen die zich daar gevestigd hebben en komen vestigen gaan de aan de vaart liggende landen geleidelijk aan over van woeste grond in een bebouwde en ontvangen een waarde en bruikbaarheid die zij anders nooit zouden hebben gekregen. Deze werking beperkt zich niet alleen tot de onmiddellijk aan de vaart liggende landen maar zij strekt zich ook tot de verder binnenwaarts gelegen landen uit.
Rechts verspreidt zij door de Schotkampswijk en de Reest een weldadige invloed, terwijl zij door de geprojecteerde wijk naar IJhorst, wanneer die eens gegraven wordt, nog verder zal werken. Links oefent zij op de Ommerschans een weldadig bestaansvermogen uit, zoals reeds werd aangegeven.
Bovendien is zij door een zijtak naar het Jagtlust en vandaar door de Van Dedemsdijk met het aanzienlijke dorp Dalfsen in verbinding gebracht.
Verder het kanaal de Lichtmis voorbij afdalend, bereikt men aan de mond van het kanaal Hasselt. Deze stad, die in de eeuwenlange twist met Zwolle - een twist die meer dan eens in een kleine oorlog ontaard is - het onderspit had moeten delven en die in haar reeds lang kwijnende staat nog dieper stond weg te zinken omdat men de passage van Zwolle op Meppel, die vroeger over haar grond liep, bij het aanleggen van de straatweg over Staphorst en Rouveen moest brengen - in het belang van de kortheid en veiligheid van die weg - kreeg door de Dedemsvaart een nieuw leven. Hasselt werd immers de plaats van passage voor alle schepen die dit kanaal in- en uitvaren. Hasselt werd de aanzienlijke markt van turf uit de venen, die in de stad opgestapeld en verkocht werden. Zo ontstonden daar ter plaatse een levendigheid en vertier die nieuwe bronnen van welvaart en bloei voor dit stadje hebben doen ontspringen.

Verbinding met Zwolle
Groot is de weldadige invloed van deze onderneming. Maar hij beperkt zich geenszins tot het reeds beschouwde. Het is deze onderneming die de nodige impulsen tot aanleg van een andere vaart gegeven heeft. Een vaart die van het grootste belang is geworden voor de binnenlandse handel en die zeker voor de stad Zwolle van onschatbaar voordeel is: de Willemsvaart.
Eeuwen geleden was de stad Zwolle er op uit geweest om door een kanaal in directe verbinding met de naburige IJssel gebracht te worden en eeuwenlang was de vervulling van deze haar alleszins redelijke en rechtmatige wens gedwarsboomd door de invloed die Kampen op het vroeger bestuur van de provincie uitoefende.
Pas nadat de voormalige regeringsvorm van Overijssel onder het bewind van koning Lodewijk in 1809 al lang was verbroken, mocht Zwolle de concessie tot zo’n kanaal verwerven. Maar omdat ook dit plan van Lodewijk de goedkeuring van Zwolle’s machtige broeder niet wegdroeg, bleef het al begonnen werk bij de inlijving van ons vaderland met het Frans keizerrijk liggen, zonder dat iemand zich het aantrok. De stad Zwolle leek niet in staat te zijn om het kanaal te voltooien en de kostbare schutsluis in de IJsseldijk, en die welke in de stadssingel vereist was, aan te leggen. Dat dit onvoltooide plan weer werd opgepakt, met als gevolg dat de mooie Willemsvaart is aangelegd, is men aan de tussenkomst van de aanlegger van de Dedemsvaart verschuldigd.
Het was Van Dedem die een middel uitdacht dat tot dit doel leidde - na vergeefs alle andere middelen beproefd te hebben om de zaak, die ook voor zijn kanaal van het grootste belang was, weer tot leven te brengen. Het bestond uit het vervaardigen van een verzoekschrift aan Zijne Majesteit de koning, namens de kooplieden, factoors (= kooplieden die zich met de doorvoerhandel bezig hielden), ingezetenen van de steden Doesburg, Zutphen, Deventer en Zwolle en van de steenfabriekanten langs de IJssel, dat hij door hen liet tekenen en voor hen indiende. Dat verzoek stelde het belang van deze doorgraving zo duidelijk en treffend voor dat de zaak bij het landsbestuur bijval kreeg en nu ook bij het provinciaal gouvernement van Overijssel ondersteuning vond en ten uitvoer werd gebracht. Daartoe is bij uitspraak van zijne Majesteit op het rekwest van J. ten Haaft c.s. besloten.
Vanaf dat ogenblik werd het werk weer opgevat en de vaart, die vanaf de veertiende eeuw al vurig door Zwolle werd begeerd maar steeds door naijver, vooral van Kampen, was tegengewerkt, was, door één pennenstreek van Neêrlands eerste Willem werkelijkheid. Zij vereeuwigt in haar naam, Willemsvaart, de weldadigheid en wijsheid van de koninklijke macht.
Baron van Dedem had zich ingezet voor het slagen van dit belangrijke werk ten einde het product van de genoemde venen (= de turf) over Hasselt naar Zwolle en vandaar direct naar de IJssel te kunnen vervoeren en niet langer genoodzaakt te zijn om die rivier langs de verre en moeilijke omweg over Kampen, te zoeken. Intussen had hij ook meermalen zijn wens te kennen gegeven dat nog een andere verbinding tussen zijn kanaal en de stad Zwolle en vandaar door de Willemsvaart met de IJssel mocht worden geopend. Zo’n verbinding was toch gemakkelijk te verkrijgen. Men hoefde slechts een vaart van de Lichtmis naar de Vecht bij de Berkummerbrug te graven; een afstand van slechts twee uren.


De schepen zouden, de Dedemsvaart afdalende, bij de Lichtmis rechtstreeks naar de Vecht en zo door de zogenoemde Nieuwe Vecht naar Zwolle stevenen, waarvoor dan tegelijk een gedeelte van de stadsgracht verbreed en verdiept behoorde te worden, en vandaar door de Willemsvaart hun tocht naar de IJssel en langs die stroom kunnen vervolgen. Die verbinding zou voor Zwolle zeer voordelig zijn en althans een gedeelte van de voorrechten die Hasselt nu alleen genoot, omdat die tot dusver als enige de sleutel van de Dedemsvaart in handen had, mede op de hoofdstad der provincie overbrengen. Zwolle kon dan, net als Hasselt, een stapelplaats van turf uit de Avereestervenen worden en het kanaal de Dedemsvaart zou, omdat van deze aanleg meer transport naar de IJssel was te verwachten, aan de Willemsvaart meer doorvaartgelden opleveren en haar bestemming als verbindingsvaart voor een groot deel bevorderen.
Het waren dan ook deze en soortgelijke voorstellen die de regering van de stad Zwolle bewogen om zo’n verbindingskanaal te krijgen. Daartoe werkte een gunstige omstandigheid heel erg mee. De uitspraak namelijk van Zijne Majesteit in 1821 genomen, waarbij de richting wordt bepaald van de tweede zijtak van de grote weg van de eerste klasse Nr 1 over Zwolle, Rouveen, langs Staphorst, naar Meppel.
Het stedelijk bestuur van Zwolle verzocht dat ter gelegenheid van de aanleg van deze nieuwe straatweg tevens een kanaal zou gegraven worden in de richting van de Ordelerzijl - of zodanig ander punt van de toenmalige tolweg, als het meest geschikt zou bevonden worden - tot aan de herberg de Lichtmis. Zwolle gaf bij dit voorstel verder te kennen dat het graven van dit kanaal geen vermeerdering van kosten aan het reeds gevormde plan zou veroorzaken, althans niet wanneer de weg in de opgegeven richting werd aangelegd. Immers men kon de uit de vaart vrijkomende aarde tot het leggen van de aarden baan (zandweg) gebruiken en de weg zou, in een rechte lijn, aanmerkelijk korter worden. Dit voorstel ging gepaard met het aanbod door Zwolle om aanzienlijke opofferingen te doen in de kosten om de uit te voeren werken en de voltooiing ervan tot aan de Willemsvaart te bevorderen.
Het heeft Z.M. de koning dan ook goedgunstig behaagd in het jaar 1828 de door de hoofdstad van Overijssel gedane voorstellen goed te keuren. De koning bepaalde dat:
- Van gouvernementswege (door de provincie) de verbinding van de vaart van Hasselt, vanaf de Lichtmis langs de straatweg en verder door de Nieuwe Vecht tot aan de Willemvaart, tot stand gebracht zou worden.
- En dat de stad Zwolle, ter gemoetkoming in de kosten zoveel zou bijdragen ineens en voorts gedurende een zekere reeks van jaren, als door de raad van de stad was voorgedragen.
Intussen is tot nu toe dit plan slechts gedeeltelijk ten uitvoer gebracht. Wel is het kanaal van de Lichtmis tot aan de Vecht voltooid, maar de verbinding met de Vecht is nog niet tot stand gebracht. Ook moet de kapitale schutsluis in de dijk van de Nieuwe Vecht nog worden gelegd en dat watertje uitgediept en verbreed worden en er moet nog veel gedaan worden voor deze belangrijke verbinding zal zijn voltooid.
De verplichting tot het uitvoeren van een en ander van het rijk, die een tijdlang het eigendom van de Dedemsvaart bezat maar dat weer verkocht heeft, is overgegaan op de tegenwoordige bezitters van die vaart.

Tot zover Van Senden. Hij vervolgt zijn betoog met het noemen van allerlei mogelijkheden die kunnen ontstaan wanneer de Dedemsvaart verbonden wordt met nieuw aan te leggen kanalen richting Twente en Duitsland.


GERARD HEINRICH VAN SENDEN,
DE DOMINEE DIE ZOVEEL KENNIS HAD OVER DE DEDEMSVAART


“Van Senden was een van die godgeleerden die boven alles naar grondige en onwankelbare overtuiging zocht van de goddelijke oorsprong van de leer die hij predikte.”

Gerard Heinrich van Senden werd, als zoon van een predikant, op 23 december 1793 te Uphusen in Oost-Friesland geboren. In 1811 werd hij te Groningen ingeschreven als student. Tijdens zijn academiejaren overleed zijn vader en riep de Pruisische regering alle studenten op zich als vrijwilliger te melden in de strijd tegen keizer Napoleon, met daarbij gevoegd de waarschuwing dat wie weigerde elke aanspraak op kerkelijke en burgerlijke bediening verloor. Van Senden meldde zich aan maar hoefde niet mee te vechten. Hij ging niet terug naar de academie. Na zelfstudie haalde hij met veel lof zijn kandidaatsexamen.
Op 26 juli 1815 werd hij predikant te Nendorp aan de Ems. In 1816 trad hij in het huwelijk met de dochter van een rijke koopman te Emden. Uit het huwelijk werden tien kinderen geboren. De drie zonen zijn Mr. E.G. van Senden, Procureur te Zwolle, G.H. van Senden, Predikant te Leur en W.C. van Senden, Student in de Theologie te Leiden.
Na vijf jaar vertrok Van Senden naar Middelbert, een dorpje 6 km van Groningen, waardoor hij zijn studie over de geschiedenis van het christendom beter kon voortzetten. Vandaar verhuisde hij in 1832 naar Zwolle, waar hij de gemeente tot aan zijn dood heeft gediend.
Naast zijn werk als predikant deed Van Senden veel aan wetenschappelijk onderzoek en schreef en vertaalde hij veel gedichten en verzen. Daarmee stak hij ver boven zijn collega’s uit. Hij had een scherp verstand, een beminnelijk karakter, een flinke portie eerzucht. Hij behoorde tot de beste kanselredenaars.
In Zwolle heeft hij de belangrijke leraarsplicht, zijn leerredenen (preken) in druk uit te gegeven, met zorg uitgevoerd. Ze tonen hoe hij op een zeer treffende wijze de verschillende plechtigheden van de openbare godsdienstoefening heeft weten te leiden. Maar het preken was niet voldoende voor zijn leergierige geest en hij verdiepte zich in de aardrijkskunde van het Heilige Land en schreef daar over.
Zijn vurigste wens werd onverwacht vervuld toen bekend werd dat prinses Marianne der Nederlanden een reis naar het Heilige Land wilde ondernemen en hem verzocht om haar als geestelijke en aardrijkskundige te vergezellen. Zijn reisbeschrijving “Het Heilige Land, of mededeelingen uit eene reis naar het Oosten, gedaan in de jaren 1849 en 1850, in gezelschap van Hare Koninklijke Hoogheid de Princes Marianne der Nederlanden” verscheen in 1851 en was al meteen uitverkocht.
Maar toen verspreidde de treurige tijding van de dood van de schrijver zich door het land. Na een bezoek aan een zieke die aan mazelen leed, werd hij door dezelfde ziekte aangetast en stierf op 20 oktober 1851, nog geen acht en vijftig jaren oud.
Van Senden werd met veel pracht en praal en veel redevoeringen ten grave gedragen op de begraafplaats aan de Meppelerweg. Een reusachtige zuil herinnert daar aan de grote populariteit die hij binnen en buiten Zwolle genoot.



Ook anderen hebben een lans gebroken voor het gebruik van de mogelijkheden die de Dedemsvaart bood. Er zijn meerdere geschriften van tijdgenoten, zoals bijvoorbeeld van Mr. J.A. van Rooyen die in 1841 een redevoering hield over het “voortbrengend vermogen der provincie dankzij de ontginning onzer venen door middel van kanalen, die tevens als handelswegen dienen.”
Na Van Senden was het de ook in Zwolle woonachtige Mr. B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis, eveneens een man van gezag, die zijn visie gaf op het belang van de Dedemsvaart voor de ontwikkeling van de provincie.

OOK BARON SLOET TOT OLDHUIS VOELDE ZICH STERK BETROKKEN BIJ DE AANLEG VAN DE DEDEMSVAART

Mr. Bartholomeus Willem Anne Elisa baron Sloet tot Oldhuis (1807-1884, foto hieronder) was jurist, politicus, dichter en welvaarts-bevorderaar. Hij werd geboren in het Gelderse Voorst en stamde uit een adellijk geslacht uit het Land van Vollenhove. Hij heeft veel functies bekleed en gaf de aanzet voor tal van ontwikkelingen die hij goed achtte voor de provincie. Op zijn 25e was hij burgemeester van Hengelo. Daarna werd hij rechter van de rechtbank te Zwolle. Daarnaast had hij nog vele functies. Zo was hij van 1841 tot zijn dood voorzitter van de Overijsselsche Vereeniging tot Ontwikkeling van Provinciale Welvaart en redacteur van het Tijdschrift voor Staatshuishouding en Statistiek. Hij was ook de initiator en eerste voorzitter van de Nederlandsche Landhuishoudkundige Congressen. Hij woonde in Zwolle aan de gracht in een fraai huis aan de Eekwal nabij de Kamperstraat.
In zijn Tijdschrift voor Staatshuishouding en Statistiek, deel II (1844) publiceerde hij een uitvoerig artikel over De Dedemsvaart (p. 308 t/m 353). Daaruit nemen we hier een aantal interessante fragmenten over. Sloet verwijst o.a. naar “De leerrede” van Van Senden, “… die wij aan allen, die een staathuishoudelijk of geldelijk belang in deze kolonie hebben, niet genoeg ter lezing kunnen aanbevelen.”

De aanleg van onze dijken heeft de aandacht van onze veenkoloniën afgeleid, die evenzeer getuigen van noeste vlijt en waarvan we de verdere uitbreiding voor de nationale welvaart van het grootste belang achten. De Dedemsvaart behoort tot de laatste veenkoloniën. Zij is eigenlijk nog in ontwikkeling en zo bijzonder omdat zij volgens een vast plan is aangelegd en bestemd lijkt om met haar zijwijken een net van kleine binnenlandse vaarten over een wijd, woest turfveld uit te spreiden, groot genoeg en geschikt om een bevolking te laten ontstaan die een keer zo groot is als die van Overijssel en Drenthe. Zo’n verschijnsel verdient dat men daar de aandacht op vestigt, te meer omdat men aan de andere kant van de Zuiderzee deze onderneming als mislukt lijkt te beschouwen. Deze vergissing is des te nadeliger omdat daardoor de Hollandse kapitalisten afgeschrikt worden om hun geld in dit soort ondernemingen in de provincies te beleggen en dienstbaar te maken aan de uitbreiding van de cultuur gespreid over het hele land.
Van de kusten van Jutland, langs de Noordzee tot aan de rotsen van Normandië strekt zich een heidesteppe uit die hier en daar door enkele zandruggen en groene grasvelden wordt onderbroken; maar meestal is de oppervlakte bedekt met de heideplant die de groei van bijna alle andere planten verdringt. In deze steppe worden grote streken veengronden aangetroffen waarover de heide groeit, maar die soms ook overdekt zijn met zandheuvels. Overijssel en Drenthe behoren voor het grootste gedeelte tot die brede heidestrook.

Willem Jan baron van Dedem
Zo kon het gebeuren dat in het begin van deze (19e) eeuw een jonge man, met zijn jachtgeweer in de hand, in deze eenzame oorden ronddoolde. Een zware mist, zoals die uit deze moerassen opstijgt, bracht hem ongemerkt al verder en verder van de boekweitlanden langs de rand van deze venen, waar de veldhoen zich graag ophoudt. Toen hij tenslotte het spoor geheel bijster was ging hij vermoeid onder drie berkenbomen zitten, de enige bomen die uren ver in de omgeving waren te vinden. Maar nu verscheen geleidelijk aan de maan boven de verre horizon en liet de mist opklaren. Toen rees er een gedachte in de ziel van de jonge man op, een grote, scheppende gedachte die de toestand van deze bodem nog in de volgende eeuwen aan zijn naam zou verbinden. Zijn blik op de flonkerende sterrenhemel vestigend, vroeg hij zich af of die hemellichamen er behagen in schepten op deze woeste vlakten neer te kijken. Waarom zou hier de kracht van de mensen terugdeinzen voor de strijd met de natuur? Hoeveel duizenden mensen zouden hier hun inkomen kunnen vinden! Hoeveel meer brandstof zou in ons guur klimaat uit deze streken gehaald kunnen worden! Hier konden schepen varen, runderen grazen, woningen verrijzen, kortom, een heel nieuw toneel van nijverheid en leven kon zich ontwikkelen waar de grond nu slechts dood kapitaal vormde. Vol van dergelijke gedachten leidde een kronkelend schapenpad hem weer naar huis en de weg viel hem kort. Toen hij om middernacht weer thuis gekomen was en vertelde dat hij tot de berkenbomen was geweest waarover men de herders wel eens had horen spreken, zei zijn vader tegen hem: “Jongen! Hoe ver heb jij je wel niet gewaagd! Je had wel nooit weer terug kunnen komen!”
Die jonge man was Willem Jan baron van Dedem. De vader was Coenraad Willem van Dedem tot den Berg en Rollecate, Landdrost van Vollenhove, gehuwd met Jonkvrouw Susanna Leonore de Vos van Steenwijk. Die vader lijkt in veel opzichten een uitstekend vader te zijn geweest. “Wil je een rijpaard hebben,” zei hij tegen zijn zoon, “dan moet je eerst de omgang met het paard begrijpen. Wil je op jacht gaan, leer dan eerst de mechaniek van het geweer kennen, de weitas te ordenen en de honden af te richten. Heb je liefhebberij aan vissen, zorg dat je het vistuig leert vervaardigen.” Zo leerde hij zijn zoon al vroeg praktisch na te denken. Maar daarom hoefden de wetenschappen niet te worden verwaarloosd. Hij stelde er prijs op dat zijn zoon, na zijn studie aan de hogeschool te Leiden en Groningen, in het openbaar een dissertatie zou verdedigen, iets wat adellijke jonge lieden in die dagen meestal niet nodig achtten.

In “De Leerrede” van Van Senden kan men lezen welke moeilijkheden Van Dedem ondervond. Die zouden iedere andere afgeschrikt hebben, maar Van Dedem niet. Ten eerste bestond er geen wet op landonteigening en men kon alleen door minnelijke schikking met enige honderden landeigenaren bereiken dat die afstand van de gronden deden. Van Dedem wist maar al te goed dat men moeilijk met mensen als groep kon werken. Hij ging daarom nooit op jacht zonder conceptcontracten bij zich te hebben. Die liet hij afzonderlijk door de boeren in hun woning tekenen. In de landelijke kroeg zag men hem vaak bij de haard zitten, schijnbaar onoplettend, maar in werkelijkheid er op bedacht om uit de losse gesprekken de leiders van wie zich verzetten tegen zijn denkwijze en de reden van die weerstand te leren kennen. Door geen overredingsmiddel ongebruikt te laten, hoe tegenstrijdig ook, kwam hij tot overeenstemming met de landeigenaren en werd hij eigenaar van de benodigde gronden voor zijn kanaal.
Lastiger waren de problemen die hem door sommige lieden te Zwolle in de weg werden gelegd. Maar toen Van Dedem de vergunning voor het graven van zijn kanaal had gekregen, begreep hij dat hij zich in de eerste plaats de nodige waterbouwkundige kennis moest verwerven.
Het was niet alleen de bedoeling om een geschikt vaarwater naar de venen te graven waarlangs men de turf kon vervoeren, maar ook om als na verloop van tijd de turf was afgegraven goede mogelijkheden te creëren voor de vestiging van een landbouwkolonie. Naar het oordeel van alle deskundigen is de aanleg van de Dedemsvaart in beide opzichten een meesterstuk dat tot model kan dienen voor alle veenkoloniën die men nog zou willen stichten.

De Dedemsvaart
Nu, in 1844, kunnen we onze lezers tot gids zijn van de Dedemsvaart, van de stadsgracht te Hasselt tot in Ane, waar ze tot op enige schreden van de Vecht verwijderd is.
Hasselt is een klein stadje aan het Zwartewater, dat in vorige eeuwen nooit tot echte grote bloei was gekomen, maar dat zich in het begin van deze eeuw in een bijzonder noodlijdende toestand bevond. Wij hebben een geachte burger uit die plaats gevraagd welke invloed de aanleg van de Dedemsvaart op de welvaart van Hasselt heeft uitgeoefend.
“De weldadige invloed die de stichting van de Dedemsvaart op de bloei en de welvaart van Hasselt gehad heeft en nog uitoefent is zo overvloedig en veelzijdig dat men haar de tweede stichtster van die stad mag noemen. Voor haar aanwezigheid stonden veel huizen onbewoond en konden helemaal geen koper vinden of werden voor weinig geld verkocht. Nu werd een huis dat ongeveer een halve eeuw geleden voor veertig gulden werd gegund, voor honderd gulden verkocht. De fatsoenlijke klasse van de ingezetenen bestond behalve uit de talrijke ambtenaren en beurtschippers op Amsterdam voor het merendeel uit gepensioneerde officieren en onderofficieren, die hier hun woonplaats hadden gekozen om hun uitgaven op het inkomen af te stemmen. De ambachtslieden vonden er een sober bestaan. Vooral schilders, glazenmakers en straatmakers schenen er te ontbreken. De werkende klasse verdiende ‘s zomers met het gewone veldwerk en ’s winters met het maken van biezenmatten een gering loon, waarmee zij hun gezinnen ternauwernood van de eerste levensbehoeften konden voorzien. Handel en nijverheid waren onbekend, alleen de doortrek van buitenlandse werklieden gaf enige dagen in het jaar een luidruchtig vertier en getier.
Al in de eerste dagen van de aanleg van de Dedemsvaart ondervonden de inwoners van Hasselt de weldaad ervan voor hun stad. Er kwam werk voor allen die dat konden en wilden. De werkman kon zijn gezin een ruimer inkomen verschaffen en de eerste tekenen van beginnende welvaart waren weldra bij de winkelier zichtbaar. Het aantal bedeelden, tot achthonderd gestegen, zag men weldra tot de helft verminderen. Toen twee jaar later het graven tot in de venen was gevorderd en de scheepvaart begon, begon de bloei in de hele stad aanmerkelijk toe te nemen, vooral in dat gedeelte met de stadsgracht waarin de Dedemsvaart uitmondde. Ambachtslieden vonden ruimschoots werk en schilders, glazenmakers en straatmakers werden zelfs uit hun ballingschap teruggeroepen. De waarde van de huizen steeg zo snel dat het zojuist genoemde pand bij verkoop op dit ogenblik zeker tweeduizend gulden zou opbrengen. De bevolking vermeerderde zo snel dat het aantal van 1100 uit omstreeks 1810 zich heeft verdubbeld. Kalkfabrieken zijn opgericht, die aan vele handen werk verschaffen. Er is een gegoede burgerstand ontstaan. Verschillende schippers hebben zich hier met hun woning gevestigd. Er is een turfmarkt aangelegd, waar de ladingen turf uit kleinere vaartuigen worden neergezet, om later in grote aken of vaartuigen te worden geladen, veelal ten behoeve van de steenfabrieken langs de IJssel, Waal en Rijn. Daardoor ontstaat werk dat dagelijks vertier geeft en zowel voor de neringdoende burgers als voor de werkende klasse, die daarbij een ruim loon verdient, van groot belang is. Terwijl men aan de Dedemsvaart ook nog het bestaan en in stand houden van een veemarkt heeft te danken.
Ook voor de financiën van de stad zelf is de aanleg van het grootste belang. Niet alleen worden deze verstevigd door de gewone belastingmiddelen, maar ook door de schutsluis-, diep- en passagegelden, die betaald worden door de schippers die van de Dedemsvaart af komen en de stadsgracht passeren. Daarmee kan men niet alleen de werken bekostigen die tot nut en gemak voor de afvoer van de goederen van de Dedemsvaart dienen, maar ook om nieuwe aan te leggen en ondernemingen te ondersteunen, die de bloei en de welvaart van de stad en ingezetenen zo goed bevorderen.


Van Hasselt tot aan de herberg de Lichtmis doorsnijdt het kanaal een gebied dat reeds in cultuur gebracht was, maar het kanaal doet de waarde van de aan weerszijden gelegen landerijen aanmerkelijk stijgen door het bieden van een goede gelegenheid voor het vervoer van hooi en mest.
Bij de Lichtmis wordt de vaart door de straatweg van Zwolle naar Groningen en Friesland doorsneden. Deze plek is door Van Dedem heel gelukkig gekozen, want hierin wordt nu goede handel gedreven, zodat de herberg voor een vrij aanzienlijk bedrag verpacht is.
Op dit punt moest de vaart een bocht maken, maar om alle problemen te voorkomen wist Van Dedem die bocht in een daar aangelegde sluis te verwerken. En zoals niets aan zijn aandacht ontsnapte, ook geen schijnbare kleinigheid, plaatste hij de herberg zodanig dat men van daaruit ruim zicht over het kanaal kreeg. Het is werkelijk een aangenaam gezicht om in deze landelijke herberg in de verte soms vloten van een honderdtal met turf beladen pramen het kanaal te zien afzakken.
Men is in de laatste jaren begonnen met de linker zijweg met eiken te beplanten, wat het uitzicht van het landschap verbetert en in deze streken zonder houtgewas dubbel voordeel zal geven.
Aan de andere kant van het kanaal ligt alles nog woest, maar niettemin is de grond er van een zeer goede kwaliteit, maar nog onverdeeld en daarom onbenut. Wanneer de Rosengaardermarke, waar dit terrein toe behoort, kon besluiten om een strook grond van een halve bunder van dit punt af langs de vaart te verkopen, zou ze hiervoor een voordelige prijs kunnen bedingen. En dan zou daar al vlug een nieuwe buurtschap verrijzen. Maar er is niemand om zich deze zaak aan te trekken? Wij hebben er magere runderen hun sober voedsel zien zoeken en men vertelde ons dat ze op een stal horen die drie uur ver weg is.

Landgoed Rollecate

Het eerste wat daarna onze aandacht vraagt is het buitengoed van de aanlegger zelf, de Rollecate. Op deze plaats bevond zich aanvankelijk geen hoogveen, het was een wild en drassig oord. Nu ziet men mooie weilanden, die in kwaliteit alleen voor onze uiterwaarden onderdoen, en waarop jaarlijks met goed resultaat runderen worden vet geweid. De eik, beuk en populier vertonen buitengewone groeikracht. Ook vindt men er veel hakhout en vreemde heesters. Maar vooral verdient de tuin, als een van de grootste en mooiste tuinen van Overijssel, geroemd te worden. Deze is gevuld met een overvloed en rijke keuze van de beste fruitbomen en tegen de muren prijken uitstekende wijnstokken, waarvan de druiven met die van het Westland kunnen wedijveren.


De tuin is door een gracht omgeven en vormt met een wandelpad een eiland, waarop het huis met de stallen en een tuinmanswoning is gelegen. Vanuit het huis geniet men aan beide zijden van een mooi uitzicht op de vaart, waarop de talrijke turfpramen en ook al een beurtschip op Amsterdam, een trekschuit van Hasselt naar Hardenberg en marktschuiten op Zwolle en Meppel varen. Deze vaartuigen, getrokken of door de wind voortgedreven, zorgen voortdurend voor vertier.
Ook is dit de route in verschillende jaargetijden van vele duizenden buitenlandse arbeiders. Zo ziet men in maart de Duitse matrozen, die ter haringvangst gaan, hier voorbij treken. In mei komen dan de bleeksters die naar de blekerijen in Haarlem gaan. Dan volgen de grasmaaiers die eerst enige weken in de turf hebben gewerkt.
De gracht die achter langs het woonhuis loopt en door een beurtschip bevaren kan worden, wordt ook als bewaarplaats voor vis gebruikt, en zoals de eigenaar van alles gebruik weet te maken, is er van de uitgegraven grond een heuvel gemaakt. Die bedekt twee ruime kelders voor het bewaren van ijs en groenten. Daar bovenop bevinden zich de hokken voor verschillende soorten pluimvee, afgesloten door een rasterwerk, dat de heuvel en enkele bosjes omgeeft. De stallen komen bij het water uit om de aan- en afvoer van mest gemakkelijk te maken. Ook de inrichting van de stallen is zeer doelmatig. De paarden staan in aflopende vloeren, wat de zindelijkheid en daardoor de gezondheid van de paarden bevordert. Wij zagen er het boterkarnen, dorsen, doppen en hakselsnijden door één en hetzelfde werktuig uitvoeren. In één woord, men vindt hier het nuttige in alles met het aangename verenigd.

De ontwikkeling van het veengebied
Is men de Rollecate voorbij, dan komt men al snel op de afgeveende gronden. Men zou bijna geloven dat het een fabeltje was dat hier twintig jaar geleden nog een en twee el veengrond de bodem bedekte, als men niet zo hier en daar, tussen de bebouwde gronden, enige veenruggen ontwaarde, die als het ware zijn blijven staan om de oude bovenkant en de vorige natuurlijke situatie te tonen.
Eerst ziet men niet veel anders dan kleine hutten, waarvan dikwijls de wanden geheel uit turf bestaan. In elke maatschappij in ontwikkeling krijgt de vindingrijkheid van de mensen een prikkel, vooral als het gevoel zich aan hem opdringt dat men zich alleen moet redden; de behoefte maakt vindingrijk. Waarvoor men hier de turf al niet gebruikt! Wij hebben er kunstmatige turfbeschoeiingen gezien om de wallen van de vaart en de zijwijken staande te houden. En men vertelde ons dat deze bekistingen jaren lang hadden voldaan zonder enig onderhoud te eisen. Men gebruikt daarvoor grauwe turf, die zich, na eerst samengeperst, weer uitzet en daardoor een geheel gaat vormen.
Zelfs heeft men enkele putten van die grauwe turf gebouwd en ondervinding heeft geleerd dat het water uit deze putten net zo helder is als uit putten die van steen zijn opgetrokken.
Toch is ook in deze veenkolonie het drinkwater slecht. Het water in de vaart is zo met veenstof vertroebeld dat het een donkere koffiekleur vertoont wanneer het door de opengestelde sluizen bruist. Door het Zwartewater naar de Zuiderzee gevoerd, laat het water langs de inhammen langs de kust zijn plantaardige delen zinken en dat vormt, met het water uit de andere rivieren, de hoofdbestanddelen van onze vruchtbare landaanwas.
Maar laten we naar de hutten van de Dedemsvaart terugkeren. Haar bewoners vinden hun bestaan in het scheepsjagen. Om de landen te ontginnen, wat steeds voort gaat, werken ze op dagloon. Ze maken de grond klaar voor het zaaien van boekweit en bebouwen een klein stukje grond bij hun schamele woning.


Als we tot Kruizinga zijn genaderd, waar een weg naar de Ommerschans voert, dan vallen ons dadelijk de sierlijke en grote woonhuizen op. En van dat punt af neemt het aantal huizen langs het hoofdkanaal en de zijwijken voortdurend toe. Zo ver de blik maar reikt, tot diep in de venen, ziet men rond om zich heen de rode daken. De mooiste huizen behoren toe aan de veenbazen, die de aristocratie van de kolonie uitmaken. Omdat zij het beheer van de veenderijen uitoefenen en ruimschoots in de gelegenheid zijn om oneerlijke winsten te bestrijden, zijn de eigenaren van de venen wel verplicht om hen een hoge beloning toe te kennen, zodat veel van deze veenbazen van arme mensen, die ze waren, zelf verveners en zeer vermogende kapitalisten zijn geworden.
Het aantal huizen neemt jaarlijks toe en bedraagt al ongeveer 500. Er zijn al een Gereformeerde kerk, een Rooms Katholieke kerk en een Synagoge en drie scholen. Ook bezit de kolonie, behalve enige kalkovens, branderijen, grutterijen, scheepstimmerwerven, een mooie molen, die in opdracht van Van Dedem over een van de zijwijken heen is gebouwd, zodat de zakken graan uit de schuiten onder het midden van de molen naar boven worden gehesen en als meel daarin weer naar beneden zakken.
Over het algemeen gaat het vervoer hier met schuiten omdat de huizen her en der van elkaar verspreid liggen. Zo zagen wij op de vaart en de zijwijken in de vroege morgen schuitjes heen en weer varen, beladen met brood of met vlees en kruidenierswaren.
Wanneer men de toekomst van deze streken wil leren kennen, behoort men niet alleen de toestand van de grond, maar ook van de mens te bekijken. De bevolking is er een mengeling uit allerlei landen. Wij hebben zelfs in het register van ingezetenen lieden aangetroffen die in Rusland en Turkije waren geboren. Tussen zulke, aan elkaar geheel vreemde mensen, ontstaan niet meteen banden van onderlinge saamhorigheid, maar toch vallen hier niet meer vechtpartijen voor dan op andere plaatsen. De armoedige toestand van de nieuwe kolonisten brengt zijn eigen ondeugden met zich mee. Over kleine diefstallen hoort men regelmatig klagen en het misbruik van sterke drank loopt maar al te veel in het oog. Daarvan levert het aantal van 104 tappers en kroegbazen een al te treurig bewijs. Toch kan men niet zeggen dat deze bevolking niet vlijtig is. Men bespeurt er een zekere mate van gezond verstand, wij zouden bijna zeggen, van geslepenheid, die goede vrucht kan dragen als ze op de verbetering en uitbreiding van het dagelijks bedrijf wordt toegepast. De vermenging van verschillende volkeren en rassen doet meestal een naar ziel en lichaam krachtige bevolking ontstaan. Zou men hier in het klein niet dezelfde uitkomst mogen verwachten?
Voor de maatschappelijke en godsdienstige opvoeding van de jeugd wordt uitstekend zorg gedragen. Op welk zedelijk laag punt veel ouders ook stonden, de kinderen groeien er op tot beschaafde mensen, wat een belangrijke maatschappelijke vooruitgang is. In enkele jaren heeft zich ook aan de Dedemsvaart reeds een fatsoenlijke stand gevormd. Daarbij horen zelfs rijke personen. Er is een Franse school waarin wij 17 leerlingen aantroffen. Een nette modewinkel bewijst dat men uiterlijke smaak op prijs begint te stellen. Maar wat nog meer zegt: er zijn deze winter al concerten gehouden en er is zelfs een zanggezelschap ontstaan. En er hebben zich hier 4 geneesheren gevestigd. Het totaal aantal inwoners bedraagt 4500 zielen.

Tot zover de situatie van rond 1844, gezien door de ogen van baron Sloet tot Oldhuis.

S.J.H. BREUKEL,
HOOFDOPZICHTER VAN DE DEDEMSVAART


Door H. van Bommel

Na jarenlange besprekingen werd in juli 1809 eindelijk begonnen met het graven van een kanaal "van Hasselt naar de Avereester Veenen". Aan Willem Jan baron van Dedem was het vooral te danken geweest, dat na veel mislukte pogingen in maart 1809 tenslotte de concessie verkregen was. In die tijd, waarin nog louter met mankracht werd gewerkt, was het graven van een kanaal een tijdrovende zaak. Het duurde tot 1825, voor het kanaal voltooid was tot Lutten, over een afstand van ruim 30 kilometer. De Dedemsvaart was aanvankelijk particulier eigendom, maar door financiële moeilijkheden gedwongen verkochten de eigenaars de vaart in 1826 aan het rijk. Twee jaar later kochten Van Dedem en Heere de Dedemsvaart weer terug, maar ook daarna wilde het met de financiën niet goed vlotten. Zo kwam in 1845 de Dedemsvaart met aanhorigheden onder de hamer. De voornaamste gegadigde was de provincie Overijssel en voor een totale som van ƒ 455.554,17½ ging de vaart over naar de nieuwe eigenares. Hoewel de provincie Overijssel in 1845 een belangrijk waterstaatsobject rijker werd, had zij geen eigen waterstaatspersoneel. De waterstaat in deze provincie werd nog steeds behartigd door rijksambtenaren en het zou tot 1882 duren, voor er een eigen provinciale waterstaatsdienst kwam. Gedeputeerde Staten besloten echter in 1845 een hoofdopzichter voor de Dedemsvaart aan te trekken, die de status van provinciale ambtenaar zou krijgen. Aan hoofdingenieur J.W. de Thoméze werd verzocht een instructie voor de nieuwe ambtenaar op te stellen.

Zo werd op 18 december 1845 Stephanus Josephus Hendrikus Breukel benoemd tot "Hoofdopzigter bij de Dedemsvaart", voorlopig voor één jaar, met een salaris van ƒ 700,00 per jaar. Hij kreeg het genot van vrije woning aan de Balkbrug met het bruggeld, maar was verplicht op eigen kosten een knecht te houden tot bediening van de brug. Tevens werd bepaald, dat hij zich niet met vervening mocht inlaten en geen enkel soort nering mocht uitoefenen. De laatste bepaling was eigenlijk overbodig: het kanaal zou al de aandacht van de hoofdzichter opeisen. Jarenlang waren de kanaalwerken verwaarloosd en de sluizen en vaartswallen verkeerden in zeer slechte staat.
De nieuw benoemde hoofdopzichter was op 2 mei 1812 in Rotterdam geboren als zoon van een slijter. De Breukels kwamen oorspronkelijk uit Duitsland en hadden zich in de 18e eeuw in Rotterdam gevestigd. De jonge Steef Breukel had het timmervak geleerd en enige jaren bij een aannemer gewerkt.
Daarna had hij aangemonsterd voor de grote vaart om spoedig te ontdekken, dat er geen zeeman in hem stak. Tenslotte was hij op een Rotterdams architectenbureau terechtgekomen, waar hij zich bekwaamde als technisch tekenaar. Hij was op 22-jarige leeftijd gehuwd met Sophia Maria de Hoog en het echtpaar kreeg twee kinderen. Het vervolg was bijzonder tragisch, want binnen drie jaar verloor Breukel zijn vrouw en beide kinderen. Voordat hij in januari 1846 naar Overijssel kwam, was hij echter hertrouwd met een jongere zus van zijn eerste vrouw en in dit gezin waren intussen al weer drie kinderen geboren. Het moet voor het gezin een hele overgang zijn geweest van de drukke havenstad naar de rust van het veengebied in noord Overijssel.

Hoofdopzichter Stephanus Josephus Hendrikus Breukel op 91 jarige leeftijd in 1903.

Taken van de hoofdopzichter
De taak die de hoofdopzichter kreeg was geen sinecure. Hij kreeg het toezicht op ruim 30 kilometer kanaal en na de doortrekking tot Ane in 1854 werd dat 40 kilometer. Alle bruggen, sluizen, e.d. vielen tevens onder dit toezicht. Mettertijd werden de nodige zijwijken gegraven, waaronder de belangrijke Lutterhoofdwijk. Weliswaar had Breukel een onderopzichter om hem te assisteren, maar in zijn instructie stond het er duidelijk: "Hij zal persoonlijk menigvuldige inspectiën doen van de vaart en der zelver aanhorigheden".
Hij moest wekelijks een verslag sturen aan de hoofdingenieur en iedere maand moest er een rapport naar Gedeputeerde Staten. Van alle werken, die werden uitgevoerd, moest hij bestekken, tekeningen en begrotingen opstellen.
Hij diende erop toe te zien, dat de provinciale reglementen werden nageleefd en bij overtredingen moest hij proces-verbaal opmaken. Ook was hem het toezicht opgedragen op de balkmeester, de provinciale beambte, die bij de Balkbrug de diepgang van de passerende schepen moest controleren. Dit gebeurde op de volgende manier. Bij de brug hing een balk, dwars over de vaart, op een bepaalde diepte in het water. De turf- en andere schepen mochten bij het overvaren deze balk niet raken. Raakten zij de balk wel, dan waren ze te zwaar geladen en diende een deel van de lading verwijderd te worden. Te zwaar geladen schepen konden immers schade toebrengen aan het kanaal.
De inspectiereizen maakte Breukel in het begin te voet. In juli 1846 besloten Gedeputeerde Staten "aan den hoofdopzigter S.J.H. Breukel tot het houden van een paard voor het toezigt over de buitengewone werkzaamheden aan de Dedemsvaart toe te leggen de som van ƒ 75." Dit zal een aanmerkelijke taakverlichting betekend hebben.
Breukel stuurde maandelijks ook de overzichten van de scheepvaartbeweging naar Zwolle. Zij geven ons een inzicht in de intensiviteit van het scheepvaartverkeer op de Dedemsvaart in die jaren. In 1846 passeerden door de sluis aan Balkbrug 9.346 schepen. Dit aantal liep tot 1860 geleidelijk op tot rond de 10.000 om daarna jarenlang op dit niveau te blijven. Een uitschieter vormde het jaar 1858, toen 19.574 schepen werden genoteerd! Op zondagen werd er niet gevaren en in de wintermaanden was de scheepvaart soms gestremd door vorst. We mogen aannemen, dat in de vijftig jaar dat Breukel hoofdopzichter was gemiddeld zo'n 40 à 50 schepen dagelijks de Balkbrug passeerden.
De meeste schepen die het kanaal opvoeren waren leeg, de afvarende schepen waren voor het grootste deel geladen met turf. Voor deze laatste was afvaartsgeld verschuldigd, een soort retributie (een vergoeding van een dienst door de overheid) gegrond op het feit, dat de exploitatie van veenderijen in deze streek slechts mogelijk was dankzij de Dedemsvaart. Bij de berekening van het tarief werd o.a. rekening gehouden met het soort turf dat men vervoerde, sponturf of steekturf.
Behalve afvaartsgeld werden er uiteraard ook sluis- en bruggelden geheven. Al met al een ingewikkelde financiële administratie, waarop de hoofdopzichter een wakend oog diende te houden.

De hoofdopzichter en zijn superieuren
De verhouding van Breukel tot het provinciebestuur schijnt erg goed te zijn geweest. Minder goed was de verhouding met zijn onmiddellijke superieur, ingenieur L. van de Kasteele. In 1847, tijdens de werkzaamheden aan de Drentsche Wijk, schreef de ingenieur aan de hoofdopzichter, dat diens berichten over de stand van de werkzaamheden "vrij onjuist" waren geweest. Van de Kasteele twijfelde eraan of "de werkzaamheden door U nauwkeurig werden nagegaan".
Toen het jaar daarop een nieuwe sluis aan de Lichtmis werd gebouwd, had Breukel een verkeerde berekening gemaakt voor het draaipunt van de sluisdeuren. Van de Kasteele had, bij een bezoek ter plaatse, de fout ontdekt en gaf daarop de hoofdopzichter opdracht een nieuwe berekening te maken, "zodat ik alzoo niet genoodzaakt wezen zal af te keuren hetgeen door U is goed gevonden".
In maart 1850, nadat een advies van Breukel verkeerd gevallen was bij Van de Kasteele, schreef de laatste een brief aan de hoofdingenieur, waarin de volgende passage voorkwam: "Het komt mij voor, dat de opzigter Breukel door het doen van dit voorstel geen blijk heeft gegeven van nauwkeurige behandeling van zaken en van de noodige bekendheid der voorschriften van het bestek." Hij eindigde de brief met op te merken, dat Breukel "niet altijd die zorg voor de werken heeft, welke men van hem verlangen kan." Deze uitlatingen vormen een scherpe tegenstelling tot wat latere ingenieurs van de hoofdopzichter zouden getuigen.
Het provinciale reglement voor de Dedemsvaart, vastgesteld in 1848, was o.a. bedoeld om de dijken of wallen langs het kanaal te beschermen. Breukel kreeg opdracht om streng op te treden tegen overtreders en in mei 1849 stuurde hij zijn eerste proces-verbaal naar Zwolle. De scheepsjager Jan van Dijk, wonende te Hasselt, had zijn paard laten weiden aan de hooiweg langs het Lichtmiskanaal, hetgeen verboden was. De hoofdopzichter verzocht Van de Kasteele "hieraan het noodige gevolg te geven tot voorbeeld voor de anderen." Het proces-verbaal werd doorgezonden aan de officier van justitie en een vervolging werd ingesteld. De overtreder kreeg ƒ 2,00 boete of één dag gevangenisstraf.
Vanaf 1875 had Breukel als directe chef A. Déking Dura, ingenieur van de waterstaat in het Noordelijk Arrondissement van Overijssel. Deze wist de kennis en ervaring van de hoofopzichter naar waarde te schatten en de verhouding tussen hen is altijd bijzonder goed geweest. In 1882 werd Déking Dura de leiding toevertrouwd van de toen opgerichte provinciale waterstaatsdienst in Overijssel. In de positie van Breukel, die toen al 36 jaar in provinciale dienst was, kwam geen verandering.
Ook aan de administratie besteedde Breukel de nodige aandacht. Hij legde diverse registers aan, waarin de hele geschiedenis van de Dedemsvaart, vanaf het jaar 1809, werd opgetekend. In het zorgvuldige handschrift van Breukel vinden we daar afschriften van contracten, concessiën, e.d. Alle vergunningen betreffende de Dedemsvaart, verleend gedurende de 50 jaar dat hij in dienst was, werden door de hoofdopzichter in de registers ingeschreven! Vijf van deze registers worden nu nog bewaard in het Rijksarchief in Overijssel te Zwolle.

Het was onder meer om de kosten van deze bureauwerkzaamheden te bestrijden, dat het salaris van Breukel bij besluit van 26 augustus 1847 werd verhoogd tot ƒ 800,00 per jaar. Op een volgende verhoging moest hij zes jaar wachten; in 1853 werd zijn salaris verhoogd tot ƒ 900,00.
Elke positieverbetering was trouwens welkom, aangezien het gezin van de hoofdopzichter zich gestaag uitbreidde. Na de dood van zijn tweede vrouw in 1852 was Breukel getrouwd met de derde van de gezusters De Hoog (Maria Sophia Johanna, foto hierboven en na verloop van tijd telde het gezin 13 kinderen.
In 1870 werd het 25-jarig ambtsjubileum van de hoofdopzichter op gepaste wijze gevierd. Een zoon van de jubilaris, Henry Breukel, vervaardigde een feestgedicht, waarvan de slotregels het citeren waard zijn:

"Dat niets hoegenaamd U leed noch droevnis geven
Opdat g'in stille rust nog jaren moogt leven
Tot heil van vrouw en kroost, van eigen hot en haard
En tot den stillen bloei der dierbre Dedemsvaart".

65 jaar maar geen pensioen
Nadat in de volgende jaren het salaris was opgetrokken tot ƒ 1100,00, volgde in 1877 nog een belangrijke verbetering. Het besluit van Gedeputeerde Staten "tot toekenning eener persoonlijke toelage van ƒ 300 ‘s jaars aan den Hoofdopzigter van de Dedemsvaart, zoolang de tegenwoordige titularis die betrekking bekleedt" werd op 27 juli 1877 door Koning Willem III bekrachtigd. Breukel was toen 65 en naar huidige maatstaven aan zijn pensioen toe. Hij zou nog ruim 18 jaar zijn werk voortzetten! Of dit louter voortkwam uit liefde voor zijn werk, valt te betwijfelen. De hoofdopzichter had geen recht op pensioen, omdat op dit punt nog geen algemene regeling bestond. Wie zo gelukkig was, dat hem een pensioen verleend werd, moest er bovendien op rekenen, dat dit maar een gedeelte zou zijn van het vroegere salaris.
Het moet voor de hoofdopzichter wel een hele voldoening zijn geweest dat zijn oudste zoon, Stephanus Matthijs Cornelis Petrus Breukel, in zijn voetsporen was getreden. Ook hij was hoofdopzichter van de waterstaat geworden, aanvankelijk in Gelderland, later in Noord Brabant en Limburg.

In 1876 verscheen in de dagbladen een oproep voor sollicitanten naar de betrekking van "Opzigter bij de Dedemsvaart". Het ging om een opvolger voor J. van Dijk, die tot dan toe deze functie had bekleed als assistent van hoofdopzichter Breukel.
Er kwamen 37 sollicitaties binnen, waaruit er 6 werden geselecteerd. Eén van de opgeroepenen was Gerardus Stephanus Jacobus Breukel, 26 jaar oud, wonende te Feyenoord, de derde zoon van de hoofdopzichter, die op dat moment opzichter was bij de Rotterdamsche Handelsvereeniging. Aan de kandidaten werd een examen afgenomen door twee ingenieurs van de waterstaat. Naast de nodige technische kennis was vereist "een goed en sterk lichaamsgestel, zonder gebreken, gewend om velerlei vermoeienissen te kunnen doorstaan".
G.S.J. Breukel voldeed het best aan de eisen en met ingang van 1 januari 1877 werd hij benoemd tot opzichter van de Dedemsvaart onder de bevelen van zijn vader, met een salaris van ƒ 900,00 per jaar.
In juli 1877 werd de opzichter enige dagen verlof toegestaan "voor de voltrekking van zijn voorgenomen huwelijk te Gouda". De jonge Breukel en zijn vrouw betrokken de provinciale woning aan Sluis 7.
Maakte de oude Breukel zijn inspectiereizen veelal te paard, de jonge Breukel gebruikte in latere jaren de fiets. De vergoeding voor reizen per fiets was 3 cent per kilometer. Ging men te voet, dan werd een vergoeding gegeven van 1 cent per kilometer. Trouwens ook het openbaar vervoer deed weldra zijn intrede in het noorden van Overijssel. Vanaf 1886 onderhield de Dedemsvaartsche Stoomtramweg Maatschappij de verbinding (station) Dedemsvaart - Avereest, een lijn die later werd doorgetrokken, zowel in oostelijke als in westelijke richting.
In 1889 moest het gedeelte van de Dedemsvaart tussen de spoorbrug en de Lichtmis verbeterd worden. Het werd niet raadzaam geacht de hoofdopzichter of de opzichter, die toch al overbelast waren, ook nog het toezicht op dit belangrijke werk op te dragen. Er werd naar iemand gezocht, die voortdurend ter plaatse kon zijn om toe te zien op de goede uitvoering. Wellicht heeft de bejaarde hoofdopzichter de heren in Zwolle erop gewezen dat hij nog een zoon had, die wel geschikt was om dit werk op zich te nemen. Hoe het ook zij, er ging een brief uit van de hoofdingenieur van de provinciale waterstaat, Déking Dura, aan Gedeputeerde Staten, waarin de kwestie van de verbeteringswerken werd uiteengezet, waarna de schrijver vervolgde: "Gaarne werd ik daarom door Uwe Vergadering gemagtigd om als tijdelijk opzigter bij de werken der Dedemsvaart met 1 April a.s. in dienst te stellen op eene beloning van 50 gulden per maand Leonard Hendricus Stephanus Breukel, oud 20 jaar, jongste zoon van de hoofdopzigter. Deze is een geschikt en bekwaam jongmensch, die zijn opleiding als opzigter heeft genoten op de school van den heer Van Dijk alhier, alwaar hij steeds alle reden tot tevredenheid heeft gegeven".
De 76-jarige hoofdopzichter had nu twee zoons als opzichter onder zich en zo begon het toezicht op de Dedemsvaart steeds meer te lijken op een familie-N.V.
Tot begin 1893 bleef L.H.S. Breukel als tijdelijk opzichter bij de provincie in dienst. Ondertussen voelde de hoofdopzichter wel, dat hij een jaartje ouder werd en in 1895 was het dan eindelijk zover. In het waterstaatsarchief wordt nog de brief bewaard, die hij op 15 oktober 1895 schreef, op gezegeld papier, zoals toen gebruikelijk was wanneer men zich tot Gedeputeerde Staten richtte. Na opgemerkt te hebben, dat hij nu ruim 83 jaar oud was en bijna 50 jaar werkzaam was geweest als hoofdopzichter van de Dedemsvaart, vervolgde hij: "Dat hij zoo lang zijne krachten het toelieten, zijn betrekking naar beste vermogen heeft waargenomen; maar dat thans de gebreken van den ouderdom hem beletten zulks verder naar behooren te kunnen doen."
Tenslotte verzocht hij, hoewel hij geen recht op pensioen had, "om wel te willen bevorderen, dat hem gedurende de levensjaren welke hem nog resten een billijk pensioen worde toegelegd."


Het huis links op deze kaart van omstreeks 1900 was de woning van de hoofdopzichter. De balkmeester woonde in het tweede huis.

Op 21 november besloten Gedeputeerde Staten aan S.J.H. Breukel "als erkenning voor de vele en goede diensten in Uwe betrekking bewezen" een pensioen te verlenen van ƒ 1020,00 per jaar. Bovendien kreeg hij toestemming om aan de Balkbrug te blijven wonen. Ruim een maand later verzocht Déking Dura aan hoofdopzichter Breukel zijn dienst op 1 januari 1896 over te dragen aan de opzichter G.S.J. Breukel. Er zou geen nieuwe hoofdopzichter worden benoemd; voortaan zou het toezicht worden uitgeoefend door een opzichter. De hoofdingenieur verzekerde de scheidende hoofdopzichter "dat de zeer aangename wijze waarop wij gedurende 21 jaren tezamen hebben gewerkt bij mij steeds in dankbare herinnering zal blijven" en wenste hem toe "dat gij Uw welverdiende rust nog geruimen tijd zult mogen genieten."
De wens van Déking Dura ging in vervulling, nog 11 jaar heeft Breukel sr. van zijn rust genoten. Velen wisten hem in die jaren nog te vinden in zijn woning aan de Dedemsvaart, onder wie de gedeputeerden die een bezoek aan de vaart brachten. Ingenieur L.F. Teixeira de Mattos heeft, bij het verzamelen van het materiaal voor zijn boek*) over de Dedemsvaart, vaak zijn licht opgestoken bij Breukel. In het boek, verschenen in 1903, memoreert hij "de zeldzame trouw en plichtsbetrachting" van de "krasse grijsaard".

In een levensschets van hoofdopzichter Breukel, die rooms-katholiek was, mag niet onvermeld blijven, dat hij voor zijn kerk de nodige activiteiten ontplooide. Hij was pastoor A.I. Schaepman van de Ommerschans behulpzaam bij allerlei werkzaamheden. Toen deze aartsbisschop van Utrecht was geworden, ging hij, wanneer hij op reis was in Overijssel, nog wel eens op bezoek bij zijn vroegere medewerker in Avereest. Bij zijn gouden bruiloft in 1903 werd Breukel een pauselijke onderscheiding verleend, die hij vol trots droeg naast zijn eremedaille van Oranje-Nassau. Het is van hem bekend, dat hij een trouw kerkganger was, ook toen hij de 90 gepasseerd was, ofschoon de kerk een uur gaans van zijn huis verwijderd was.

Op 8 januari 1907 overleed Breukel op 94-jarige leeftijd te Avereest. In verschillende krantenartikelen werd zijn lof bezongen, naast die van de Dedemsvaart, "een der schoonste kanalen van ons land" (Het Centrum, 26 januari 1907). G.S.J. Breukel bleef het werk van zijn vader als opzichter voortzetten, tot ook hij in 1921 op ruim 70-jarige leeftijd met pensioen ging.

En toen tenslotte in de vijftiger jaren pionierswerk verricht werd in de Noordoostpolder, was het weer een opzichter Breukel die daar de familietraditie voortzette! Het was J.H.B. Breukel, een achterkleinzoon van de "grote Breukel".

*) Het standaardwerk “De Dedemsvaart” van Jhr. L.F. Texeira de Mattos werd in 1903 bij De erven J.J. Tijl in Zwolle uitgegeven “voor rekening der Staten van Overijssel”. Hierin is niet alleen de geschiedenis van het kanaal opgenomen maar wordt ook een zeer gedetailleerde beschrijving gegeven van alle kanaalpanden. Bij het bijna duizend pagina’s tellende boek behoort een kaartenatlas.

EEN WANDELING VAN EEN VERTELLENDE ONDERWIJZER

Wilhelmus Gerhardus Antonius Johannes Röring, die onderwijzer in Twente was, maakte aan het einde van de 19e eeuw een wandeling door Overijssel en deed daarbij ook onze streek aan. Hieronder delen uit zijn wederwaardigheden zoals die in 1890 in boekvorm verschenen.

We lopen van Hasselt langs de Dedemsvaart, volgen die ongeveer een uur tot we de Lichtmis bereikt hebben, waar het Lichtmiskanaal met de Dedemsvaart is verbonden. Gingen we daarna bij station Dedemsvaart het kanaal over, dan kwamen we in de gemeente Nieuwleusen. De dorpskom, die ongeveer een uur zuidoostelijk van het station ligt, bezoeken wij niet. Het zou ons te ver van de weg afleiden. Al voortwandelend kan ik u wel vertellen dat de gemeente Nieuwleusen niet erg groot is en in 1818 werd gevormd uit delen van Dalfsen, Staphorst en Zwollerkerspel. Het dorp zelf schijnt in de tweede helft van de 17e eeuw ontstaan te zijn, want de dorpskerk die in 1829 vernieuwd is, dagtekent 1660. De landbouw, het hoofdbedrijf van de bewoners, brengt de gemeente welvaart en ook het ver uiteen gebouwde dorp ziet er netjes en welvarend uit.
Bij het station Dedemsvaart hebben wij de grenzen van het laagveengebied van noordwest Overijssel bereikt. Vanaf station Dedemsvaart merkten we dat het landschap geheel van gedaante is veranderd. De zandgronden hebben de veengronden vervangen. Krachtig houtgewas – eiken, beuken en dennen – vormt bossen en omzoomt akkers en wegen. Rogge-, boekweit- en aardappelvelden wisselen af met weiden en bossen. Hier rijst de bodem, daar ligt een vlakte. Het eentonige van het landschap is verdwenen, er is meer afwisseling, wat onze wandeling aangenamer maakt.
Steeds houden wij het kanaal aan onze rechterzijde. Daar links ligt het fraaie buitenverblijf de Rollecate waar de ontwerper van de Dedemsvaart, mr. W.A. baron van Dedem tot den Berg, zijn laatste levensjaren doorbracht.
Hebben wij de buurtschap Den Hulst bereikt, dan wendt zich het kanaal en ook onze weg iets zuidelijker en doorsnijdt na ongeveer een half uur de gemeente Nieuwleusen, waarvan we nu spoedig de grens overschrijden om in de vrij uitgestrekte gemeente Avereest te komen.

Over veenderijen en kanalen
Niet minder belangrijk dan de textielnijverheid zijn in Overijssel de veenderijen waarin velen een bestaan vinden. Waar aanzienlijke oppervlakten veen worden afgegraven ontstaan veenkoloniën.
Het graven van een of meer kanalen is het eerste waaraan bij veen ontginning moet worden gedacht. Over deze kanalen moet de turf worden afgevoerd. Het aanleggen van landwegen die in alle jaargetijden bruikbaar zijn is in deze streken hoogst moeilijk, zo niet onmogelijk.
Langs de boorden van het kanaal verrijzen de woningen van de werklieden; eerst zogenaamde keten, later meer doelmatige woonhuizen. Er vestigen zich weldra ambachtslieden en neringdoenden tussen de veenarbeiders; een kerk en een school worden gebouwd. Er is een dorp ontstaan, gebouwd in de lengte van het kanaal.
De strook afgegraven veen wordt langzamerhand groter, er komt plaats voor landbouw. De dalgronden worden bemest met meststoffen uit de steden en zowel turf als mest en landbouwproducten worden over het kanaal en de later gegraven zijkanalen of wijken vervoerd.
Heeft de scheepvaart daardoor enige uitbreiding gekregen, dan wordt de scheepsbouw geboren, met daaraan verwante bedrijven. Bijzondere industrieën, zoals kalkbranderijen, glasblazerijen en aardappelfabrieken ontstaan en vooral door de ontwikkeling van de landbouw gaan dergelijke koloniën een mooie toekomst tegemoet. Dedemsvaart en Vroomshoop zijn ongeveer op deze wijze ontstaan en tot ontwikkeling gekomen.


Bezoek aan een veenstreek
Als wij het kanaal volgen dat van Almelo naar Coevorden loopt, dan vinden wij rechts uitgestrekte venen. Bezoeken wij deze veenstreek in april of mei, dan ontdekt het oog overal levendigheid en beweging.
Honderden personen uit de naaste en meer verwijderde gemeenten, mannen en vrouwen, ziet men dan van de vroege morgen tot de late avond bezig om voor hun gezinnen het dagelijks brood te verdienen met een arbeid die heel moeilijk is en gewoonlijk karig beloond wordt.
Men begint in de winter bij dooi weer het veen, waaruit lange turf zal worden gegraven, af te bonken, dat wil zeggen men verwijdert de bovenkorst die niet voor turf geschikt is. Het eigenlijke turfsteken, waarmee in april begonnen wordt, geschiedt door drie personen.
De een, voorzien van een brede, vierkante spade, steekt de turf los, die door de tweede met een spade wordt opgenomen en op een kruiwagen gezet. Een derde rijdt deze kruiwagen weg en weet de turf zo om te gooien dat hij rechtop blijft staan. Is de turf na enige dagen wat aangedroogd, dan wordt hij geringd, dat wil zeggen twee aan twee in lange rijen gezet, zodat de wind er vrij doorheen kan waaien. Dit werk wordt gewoonlijk door vrouwen verricht. Tenslotte wordt de turf in grote hopen gezet, verkocht en per schip naar elders vervoerd.
De arbeiders die de lange turf uit het hoogveen steken, worden per stok betaald en ontvangen daarvoor 15 à 16 cent. Een stok bevat 300 à 350 stuks, al naar gelang de grootte van de turven.
De lange turf wordt verkocht per dagwerk of per 1000 stuks. Een dagwerk, dat 45 stok bevat, kost ƒ 27,- à ƒ 28,-. Wie de lange turf droog maken, wat gewoonlijk door vrouwen gedaan wordt, ontvangen per dag 80 cent. De korte turf wordt berekend per roede, wat gelijk is aan 4 m3 veen en bevat 1500 turven.
De turfschippers varen de wijken op, kopen de turf van de verveners en brengen de brandstof naar verschillende, zelfs zeer ver verwijderde streken.
De Dedemsvaart mag niet met schroefstoomboten bevaren worden.
Een vereniging van schippers, naar de stichter “Schuttevaer” genoemd, die door het hele land afdelingen heeft en waarvan het hoofdbestuur in Zwolle is gevestigd, tracht ook in Overijssel de belangen der schipperij te bevorderen.

Het veen
In het begin van deze eeuw, zo rond 1800, was een reis door de streek waar thans de Dedemsvaart loopt verre van aanlokkelijk. Hadden we toen de streek bezocht, dan zou ons oog een onafzienbare woestenij ontdekt hebben, bijna geheel bestaande uit hoogveen, met hier en daar wat schraal bouwland waarop de bewoners, die in schamele hutten woonden, een armelijk bestaan vonden. Schrale dennen en berken braken met hun magere kruinen de eentonigheid van de onafzienbare vlakte. Zoals de grond was, waren ook de bewoners: armoedig en onbeschaafd. Het verkeer met de omliggende, meer beschaafde streken was zeer gering en omgekeerd bracht niemand, alleen als het hoogst noodzakelijk was, een bezoek aan deze wildernis.
En toch lagen in de bodem met zijn woest en schraal uiterlijk, grote schatten verborgen, die alleen op de flinke hand van mensen wachtten om aan het licht te komen. Het hoogveen moest zijn turf leveren, de landbouwer moest de vervener opvolgen om het afgegraven veen in vruchtbaar bouwland te herschepen.

Verandering door het kanaal
Uit deze woestijn kon dus een vruchtbaar oord, een welvarende veenkolonie geboren worden. Maar daar was in de eerste plaats het graven van een kanaal voor nodig. In 1809 begon de baron Van Dedem met het graven van de vaart, die naar hem de Dedemsvaart is genoemd. In 1827 was het werk voltooid, hoewel het kanaal toen nog niet, zoals nu, bij Ane met de Vecht verbonden was. Die verbinding kwam pas in 1852 tot stand, gedaan door de provincie, die in 1845 het kanaal van de erfgenamen van de baron Van Dedem had aangekocht.
Een reisje langs de Dedemsvaart leert ons wat het kanaal voor deze streken is geweest. Vruchtbaar bouwland, malse weiden, welige bossen hebben de plaats ingenomen van de vroegere venen. Een oppervlakte van 25.000 ha. veen is reeds afgegraven en vruchtbaar gemaakt door de nijvere handen van de mensen.
Nog steeds gaat men met de vervening voort want zeer aanzienlijk nog is de oppervlakte veen die ten zuiden van de vaart en ten noorden ervan, tot aan de Drentse grenzen gevonden wordt.
Er is een aanzienlijk dorp, Dedemsvaart, ontstaan, dat, met de overige aan het kanaal gelegen dorpen, 15.000 inwoners telt die in de vervening, landbouw, nijverheid, scheepvaart en handel hun bestaan vinden.

Het kanaal
De Dedemsvaart verbindt het Zwartewater met de Vecht. Die verbinding heeft plaats bij Hasselt en bij Ane. In het hoofdkanaal zijn in het geheel acht sluizen gebouwd. De afstand van de ene sluis naar de andere heet kanaalpand.
Een sluis is een hoogst eenvoudige, maar toch zeer vernuftige inrichting om de water aan- en afvoer op het kanaal te beperken of te vergroten. Hoe is die nu gebouwd? Stel je een ruimte voor in het kanaal, groot genoeg om een schip te bevatten, die is afgesloten aan de voor- en achterkant door een paar deuren die kunnen draaien en van schuifdeuren voorzien zijn. De ruimte binnen die deuren heet schutskolk.
Nu stellen we ons voor dat een schip van Hasselt naar Gramsbergen vaart en een sluis nadert. In het kanaal en de schutkolk staat het water even hoog. De sluisdeuren worden geopend en het schip vaart naar binnen.
Boven de sluis, dat wil zeggen, aan de andere kant van de schutkolk, is de waterstand hoger. Dit verschil is op alle kanalen niet hetzelfde en hangt hoofdzakelijk af van de watertoevoer. Het schip schijnt dus tegen een waterberg te moeten opvaren, iets dat toch heel eenvoudig in zijn werk gaat. De schuifdeuren worden namelijk geopend en er wordt zoveel water in de schutkolk gelaten dat dit gelijk staat met de waterhoogte in het kanaal. Door het water rijst dus het schip en dat vervolgt, nadat de sluisdeuren geopend zijn, zijn weg. Als je dit begrepen hebt, zal het ook niet moeilijk zijn te verklaren wat er gebeurt als een schip een sluis nadert op zijn reis van Gramsbergen naar Hasselt, dus van hoger naar lager gelegen kanaalpanden.
De Dedemsvaart wordt gevoed door het overtollige water van de langs het kanaal gelegen streken en dient daarvoor als afwateringskanaal. Ook door de Vecht wordt het kanaal van water voorzien. Bij Ane is namelijk, even beneden de kanaalmond, in de Vecht een beweegbare stuw gebouwd, waardoor het afstromend rivierwater wordt tegengehouden en meer zijdelings afstroomt naar het hoogst gelegen of bovenste kanaalpand.


Verbinding met andere kanalen en rivieren
Door haar verbindingen met twee belangrijke rivieren en door haar zijkanalen is de Dedemsvaart niet alleen verbonden met alle delen van de provincie, met Zwolle, Deventer en Almelo, maar ook met de drie noordelijke provincies.
Als zijkanalen van de Dedemsvaart moeten worden genoemd:

1.








2.





3.


4.

Het Lichtmiskanaal, dat in 1847 is voltooid. Het loopt uit de Dedemsvaart, bij Sluis II en staat door de Berkummersluis en een voorkanaal in verbinding met de Vecht. Een voortzetting van het Lichtmiskanaal is de Nieuwe- of Binnenvecht, in 1602 door de stad Zwolle gegraven, die door het Nieuwe Verlaat met de Vecht verbonden is. Zoals reeds gezegd is, voert de Nieuwe Vecht veel water af op het Zwartewater en staat zij te Zwolle met deze rivier in verbinding door de Wezensluis.
De Lutterhoofdwijk, die uit de Dedemsvaart in noordoostelijke richting naar Coevorden loopt. Oorspronkelijk had zij slechts een lengte van 5 km, later is zij tot Coevorden en van daar tot de Pruisische (= Duitse) grens doorgetrokken, waar zij in verbinding staat met de Pruisische kanalen.
Het Coevordens kanaal, dat uit de grachten van Coevorden naar de Vecht loopt, tegenover een van de panden van het Overijsselse kanaal.
Een kanaal, lopende uit de Dedemsvaart tot de straat van Ommen naar Hardenberg en hoofdzakelijk dient voor afwatering in de Vecht.

Bijna niet te tellen zijn de wijken die aan particulieren toebehoren en die uit de verschillende kanaalpanden naar de venen en de reeds afgeveende gronden lopen, zodat een kaart waarop de Dedemsvaart met al haar zijkanalen was getekend er uit zou zien als het geraamte van zo’n groot blad van een boom dat je waarschijnlijk wel eens hebt gezien.


Met het graven van het kanaal de Dedemsvaart heeft Willem Jan baron van Dedem een belangrijke bijdrage geleverd aan de ontwikkeling van dit gebied. In het voorgaande is dat wel duidelijk geworden. Aan het einde van zijn leven kon hij daarop terug zien als een leven met ups en downs. Zijn idealen zijn bereikt al ging dat wel ten koste van heel veel. Maar velen zijn hem dankbaar want hoe zou het hier zijn geweest als het kanaal niet was gegraven?

BIJ DE BEGRAFENIS VAN
WILLEM JAN BARON VAN DEDEM


Baron van Dedem overleed op 21 november 1851 op 75 jarige leeftijd op het Huis Rollecate in Nieuwleusen. In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van vrijdag 28 november 1851 lezen we:
"Op woensdag den 26 November j.l. werd op de begraafplaats te Dedemsvaart ter aarde besteld het stoffelijk overblijfsel van Mr. Willem Jan Baron van Dedem. Achter den eenvoudigen lijkwagen, die gevolgd werd door een rijtuig waarin de zoon en schoonzonen des overledenen gezeten waren, vormde zich allengs een talrijke stoet van vrijwillige volgers, welke plegtige schaar onophoudelijk aangroeide naarmate men verder vorderde.
De Lijkstoet, die zonder rangregeling, uit personen van alle standen der maatschappij gevormd was, en slechts bestuurd werd door de levendige zucht tot dankbare hulde, die allen bezielde, wendde zich van af de hoofdvaart naar de kalkwijk, waar zich onder anderen aansloten de leerlingen van het instituut des heeren Nierhof, met hunnen geachten onderwijzer aan het hoofd. Vandaar trok men langzaam voort naar de begraafplaats aan de Sponturfwijk. De weleerw. heer A. Hissink, predikant der gemeente te Dedemsvaart, plaatste zich dáár bij den grafkelder, die op een eenigszins verheven gazon, in het midden der begraafplaats was daargesteld, en wendde zich met eene treffende rede tot de bloedverwanten des overledenen en tot de groote schaar der overige volgers, die zich met ontblooten hoofde, in een ruimen kring gesteld hadden.

De indruk van het wel gesprokene evenaarde het treffende van het onderwerp, het plegtige van het oogenblik en de stemming der vele honderden van toehoorders.
De weleerw. heer G. de Koning, predikant te (Oud-)Avereest, vatte daarna het woord op, bragt in korte welluidende dichtregelen zijne hulde aan den ontslapene, met de dringende aansporing aan alle aanwezigen, om het voetspoor van den hooggeëerden stichter der vaart te volgen. De indruk dezer treffende plegtigheid zal onvergetelijk wezen voor allen die dezelve bijwoonden.
Men verneemt dat, na afloop der begrafenis, er eene bijeenkomst plaats gehad heeft, van ingezeten waarop voorstel van één hunner, met algemeenen bijval besloten is tot het benoemen eener commissie, om de middelen te beramen tot het oprigten van een blijvend gedenkteeken voor den hooggeachten daarsteller der Dedemsvaart. Tot leden dezer commissie zijn bij acclamatie benoemd de heeren: Mr. R.A. Kerkhoven, jonkheer Mr. G.C. Junius van Hemert, E.F. Meyeringh, H.L. van der Vecht, S.J.H. Breukel, B. Plomp jr. en H.A. Steenbergen, welke heeren gaarne hebben aangenomen.”

Het graf op begraafplaats de Mulderij in Dedemsvaart. Op de steen is de volgende tekst te lezen:

Hier rust
Willem Jan baron van Dedem
tot de Rollecate
Stichter der Dedemsvaart
Geboren te Zwolle 18 maart 1776
Overleden op den huize Rollecate
21 november 1851


Bij de begrafenis van Baron van Dedem streden twee dominees om de eer om als eerste het woord te voeren bij het graf. Hoe dit werd opgelost vinden we in het boekje "Hoe 't was, Hoe 't werd............." dat werd uitgegeven bij het eeuwfeest van de hervormde kerk in Dedemsvaart in 1934.
"Er was een meeningsverschil ontstaan tusschen de beide predikanten, die van Avereest en Dedemsvaart, over de vraag: wie hunner 't eerst het woord zou dienen te voeren bij de groeve. Eerstgenoemde meende dat dat hèm toekwam, als zijnde de overledene oud-Burgemeester van Avereest, terwijl de tweede de meening was toegedaan dat hij dat moest doen bij het graf van een oud-lid der kerkelijke gemeente Dedemsvaart. Dit geschil was nog niet opgelost toen het voorste der meer dan 600 meter lange begrafenisstoet eindweegs om den hoek op de kalkwijk was. Opeens verliet Ds. Hissink zijn collega, wipte bij v.d. Vecht, die daar op den hoek woonde, den winkel binnen, liep vlug door het lange huis en er achter weer uit en voegde zich vooraan in den stoet. De dominé van Avereest heeft niet geweten waar zijn collega gebleven was, maar aangekomen op het kerkhof zag hij, dat deze reeds de plaats vanwaar gesproken zou worden had ingenomen, en hij moest dus toezien hoe die daar het eerst het woord voerde".

HET GEDENKTEKEN VOOR
WILLEM JAN BARON VAN DEDEM


Al meteen na het overlijden van Baron van Dedem werd er een "commissie tot oprigting van een gedenkteeken" gevormd uit de vooraanstaande leden van de Avereester gemeenschap. Dat het initiatief werd ondersteund blijkt uit een ingezonden brief in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 29 november 1851:
“Ten volle beamen wij, wat in de Overijsselsche en Zwolsche Courant van gisteren werd gezegd tot lof van den op 21 dezer ontslapen stichter van de Dedemsvaart. Een inwoner van Overijssel, aan wien deze provincie zoo veel is verpligt als aan hem, zouden wij thans niet weten te noemen. In dit gevoelen zal worden gedeeld door allen, die slechts eenigermate bekend zijn (en wie zijn dat niet?) met genoemd kanaal en deszelfs aanhoorigheden, met het bestaan en de voordelen van en voor duizenden, daaruit ontsproten en met de groote sommen, hierdoor in de kassen van het rijk en de provincie vloeijende. Indien iemand het zich heeft waardig gemaakt, dat te zijner eere een deftig monument worde gesticht, dan heeft hij zulks gedaan.
Wij hopen en vertrouwen daarom, dat dit niet zal achterblijven, en wel, dat de Heeren Staten van Overijssel, naar ons bescheiden oordeel hiertoe het meest bevoegd en verpligt, op de vereerendste wijze der nagedachtenis van Mr. Willem Jan Baron van Dedem een gedenkteeken zullen doen oprigten, dat op eene alleszins waardige wijze aan den versten naneef kan toonen, hoezeer des mans arbeid en opoffering onpligtmatig werden gehuldigd door zijne tijdgenooten, opdat worde verhoed, dat het tegenwoordige geslacht door de nakomelingschap zoude zijn te beschuldigen van snoode ondankbaarheid jegens den hoogst verdienstelijken man."

Het gedenkteken dat al 150 jaar in Dedemsvaart staat.

Voorlopig kwam het echter nog niet tot een gedenkteken. Dat zou nog acht jaar op zich laten wachten. Het is niet bekend waarom dit zo lang duurde. Misschien heeft men bij nader inzien toch gemeend tot het jubileumjaar 1859 te moeten wachten. Als datum werd natuurlijk weer 9 juli gekozen, maar op 2 juli 1859 lezen we in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant:
"De onthulling van het monument van wijlen den heer W.J. Baron van Dedem, eerst bepaald op den 9 July aanstaande, is om verschillende redenen uitgesteld tot den 21 dezer maand".
De "Commissie van oprigting" bestelde het monument bij de ijzergieterij J.L. Enthoven & Co. in Den Haag, waarschijnlijk ook de ontwerper. Het gedenkteken bestaat uit een obelisk met daarop het beeld van de mythologische godin Faam, de godin die de daden van helden uitbazuint en daarom wordt uitgebeeld als een vrouw met vleugels en een bazuin aan haar mond. Het gedenkteken werd ongeveer midden op het toen veel kleinere marktplein in Dedemsvaart geplaatst. Toen in 1877 met de bouw van het belastingkantoor, later (oude) postkantoor werd begonnen, werd het gedenkteken verplaatst naar de huidige plek aan de Hoofdvaart.


Voor de samenstelling van dit boek is gebruikt gemaakt van:

De havezate Den Berg te Dalfsen: een adellijk huis en zijn bewoners, door A.J. Mensema. Uitgegeven te Zwolle door Waanders in 2004.

Deel 5 van de Bijdragen tot de huishouding van staat in het Koninkrijk der Nederlanden, door Gysbert Karel van Hogendorp. Uitgegeven te ‘s Gravenhage door Wed. Johannes Allart in 1820.

Bijvoegsel bij Leerrede ter inwijding van het kerkgebouw en ter vestiging van de Gereformeerde Gemeente aan de Dedemsvaart door G.H. van Senden. Uitgegeven te Zwolle door R. Boelens in 1834.

Levensbericht (over G.H. van Senden) door C. Hooijer, gepubliceerd in: Jaarboek van de Maatschappij der Nederlandse letterkunde 1852.

De Dedemsvaart in: Tijdschrift voor Staatshuishoudkunde en Statistiek, deel 2, 1844, door B.W.A.E. Sloet tot Oldhuis.

Het artikel over S.J.H. Breukel is overgenomen uit Transistor; contactblad provinciaal personeel Overijssel, 1975.

Beschrijving van Overijssel en Wandelingen door die provincie; een leesboek voor Dag- en Herhalingsschool, door W.G.A.J. Röring. Uitgegeven te Almelo door W. Hilarius in 1890.

Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant, 1851 en 1859.

Hoe ’t was, hoe ’t werd … Een terugblik bij het eeuwfeest der Ned. Herv. Kerk en gemeente de Dedemsvaart. Uitgegeven te Dedemsvaart door Drukkerij R. Spithorst in 1934.

De foto’s zijn afkomstig van:

Rijksbureau voor Kunsthistorische Documentatie, Den Haag
Stichting De Spiker, Schoonebeek
Het landbouwbedrijf in de veenkoloniën, door J. Kok. Uitgegeven te Deventer door A.E. Kluwer in 1919
De Franse kaarten van Drenthe en de noordelijke kust 1811-1813, door H.J. Versfelt en M. Schroor. Uitgegeven te Groningen door Heveskes, 2001
World Wide Web, diverse pagina’s waaronder Wikipedia
Archief Historische Vereniging “Ni’jluusn van vrogger”

Met dank aan het Historische Centrum Overijssel en de gemeente Dalfsen.



oh gattegat, wat is ‘t ok wat

oes kanaal det hef zien tied ehad

‘t wordt ofedaankt, zo zondermeer

en wi'j wel geleuven, det dut mi'j zeer

det geld verdienen is ofelopen

de schippers mut mar ‘n vliegtuug kopen

och, ‘t helpt aI niks of ik hellig bin

en dizze regelties hebt ok gien zin

daorum leg ik mien gaanzepen neer

maor van oes kanaal ... heur ie vaste wel weer!

Vrij naar Rie Overmars

Dit boek is samengesteld door de redactie van de
Historische Vereniging “Ni’jluusn van vrogger”,
bestaande uit G. Bartels-Martens,
G. Hengeveld-van Berkum, R.J. Klijn,
H. ter Wee-Westerman en
J.W. de Weerd (eindredactie).


Jaargang 27 nummer 3 september 2009


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina _________________________________________________________

Kanaal de Dedemsvaart in Den Hulst omstreeks 1957 gezien vanaf de Ommerdijkerbrug in Oostelijke richting.

* * *

MIJN KANAALVERHALEN _________________________________________________________

Henk Stroeve

Wanneer mijn jeugdherinneringen malen
Zie ik “de vaart”, een brug, een boot
Die vormen samen mijn kanaalverhalen
Ik was nog klein, de Dedemsvaart heel groot
En druk bevaren; wij woonden bij het spoor
Ons leven draaide om de brug
Dat ging de hele week zo door
De wereld draaide, leek het, minder vlug.


De trambrug omstreeks 1955.

Op zondag werd er alom rust genomen
Met vriendjes aan de waterkant verzinnen
waar al dat water toch naar toe zou stromen
En waar zou het kanaal beginnen
Hoe ver was toen mijn horizon
In mijn gedachten was het einde van de vaart
veel verder dan een mens ooit komen kon
Vast verder dan het einde van de wereldkaart
De vaart was ook ontzettend breed
Waarschijnlijk breder dan de breedste zee
Zodat je ook de Noordkant meed
Hoofdvaart-Zuidzijde daar leefden we tevree.

Nu leven we een generatie later
Je kunt de hele wereld overzien
Maar soms sta ik te dromen aan het water
Mis ik de kleinschaligheid, misschien?

* * *

DE DEDEMSVAART ALS RODE DRAAD _________________________________________________________

Stien Bosman-Geerts

Na het lezen van het boekje “Kanaalverhalen” realiseerde ik mij dat het kanaal een rode draad in mijn leven was.
Nadat mijn ouders Jan Willem Geerts en Anna Ganzeboer in 1935 waren getrouwd, woonden ze enkele jaren aan de “zaandkaante” van de Dedemsvaart in een huis met een dwarskap. Het stond ongeveer tegenover GEBO. Later woonde Jan Gerrits er die als bijnaam “zwarte Jan” had. Toen mijn ouders er woonden, woonde Jenne Bosman in het andere deel van het huis. Ze was al oud en werd “opoe” genoemd, hoewel ze niet tot de familie behoorde. In dat huis werden in het gezin Geerts enkele kinderen geboren, waaronder in december 1935 Stientje.

Mijn vader was rietdekker en de hele dag de boer op. Moeder verzorgde de kinderen, de tuin en een stukje land. Als ze daar bezig was nam ze het jongste kind wel mee in de kruiwagen. Opoe Bosman paste dan op de oudste. Zo was Stientje ook op een dag in juli 1938 bij opoe Bosman (foto). Deze was aan het bonen doppen en Stientje zat er vrolijk bij te kijken en te spelen. Op de een of andere manier kreeg ze het voor elkaar om in een onbewaakt ogenblik een boon in haar neus te stoppen. Die wilde er niet weer uit en omdat kleine kinderen niet snuiven maar ophalen, kwam de boon in of voor de luchtpijp terecht, waar die opzwol. Waarschijnlijk is de dokter er wel bijgehaald en die zal geadviseerd hebben om het kind naar het ziekenhuis in Zwolle te brengen. Dat is gebeurd met paard en wagen van buurman Borgers. In Zwolle is Stientje op 18 juli 1938 overleden.
Ik weet niet of mijn ouders er na dit voorval nog lang zijn blijven wonen. Mijn moeder was in verwachting en opoe Bosman zei: “Ach mien maagie, hoopt mar niet op een maagie, mar det het kiend mar gezond mag ween”. Het kind, een jongetje, kwam gezond ter wereld, maar ik weet niet of dat nog aan de Dedemsvaart was of dat ze toen al naar Nieuwleusen verhuisd waren. In elk geval ben ik daar wel geboren, achter de christelijke school aan het Westeinde, twee jaar na het overlijden van Stientje en ik kreeg dezelfde naam. Heel lang heb ik niet geweten dat ik een zusje met dezelfde naam heb gehad, dat jong gestorven is.

In 1953 werd mijn vader koster van de Rollecatekerk. Eerst ging hij vanuit Nieuwleusen er op de fiets naar toe, maar al spoedig kwamen we in de westelijke woning van “de kazerne” aan Sluis 3 te wonen. Hoewel ik wel blij was dat we aan Sluis 3 gingen wonen, was ik bang voor het water. Ik kon toen nog niet zwemmen. Het kanaal had dan ook altijd iets griezeligs, ook omdat het zo diep was.
Tot mijn zeventiende jaar heb ik aan Sluis 3 gewoond. Daarna ging ik drieëneenhalf jaar in betrekking in Rotterdam. In die periode leerde ik Hendrikus Bosman kennen en met hem ben ik getrouwd vanuit ons huis aan Sluis 3.


De “Kazerne” bij Sluis 3 omstreeks 1954.

Hendrikus woonde met zijn broers Peter en Gerrit, zijn vader Willem (die ook rietdekker was) en opoe Bosman (niet de hiervoor genoemde) in de Oosterhulst aan de Dedemsvaart. Zijn moeder was jong overleden en opoe Bosman verzorgde de huishouding.
Als Hendrikus en ik van Sluis 3 naar de Oosterhulst fietsten, dan reed ik altijd aan de wegkant. Later toen Hendrikus een brommer had en ik achterop mocht, kreeg ik elke keer te horen: “trek toch niet zo naar de weg en ga toch eens rechtop zitten.” De angst voor het water was er altijd.
Na ons huwelijk hebben we vijf jaar aan de Kanlaan gewoond in een kippenhok achter het huis van Jan Boesenkool. Daar werden onze eerste kinderen geboren. In 1966 zijn we naar de Oosterhulst verhuisd en kwamen we weer aan de Dedemsvaart te wonen. Dat was in het huis waarin we nog steeds wonen. Het huis was in 1959 als noodwoning gebouwd toen Gerrit Bosman met Jenny Boesenkool trouwde.
Toen we weer aan de Dedemsvaart woonden was de angst voor het water er nog steeds. Rondom huis werd dan ook alles met hekjes afgezet want ik was steeds bang dat er iemand in het water zou vallen. Ik kon toen nog steeds niet zwemmen. Dat heb ik pas geleerd nadat in Nieuwleusen het zwembad er was gekomen. Maar toen was het kanaal helaas al gedempt.

* * *

LEVEN LANGS DE DEDEMSVAART _________________________________________________________

Harm Borgers

Wie woonden er in mijn jeugd in de tweede helft van de dertiger jaren langs het kanaal in de buurt van Sluis 3 waar ik opgroeide? Ik geef een opsomming en begin vanaf de Schapendijk en volg het kanaal in oostelijke richting.
In de eerste boerderij woonden Bertus Mos en Diene met hun drie dochters Bertha, Antje en Geesje, later Jan Bisschop met zijn vrouw Griet; zij hadden geen kinderen. De tweede boerderij was eigendom van Hendrik Schoemaker (de vader van Henk Schoemaker van “De Viersprong”) en was in twee delen verdeeld. Daar woonden Jan Pellinkhof met Janna en hun twee kinderen Gerrit Jan en Geesje en Gerrit Mijnheer met vrouw en zoon Jan.


Sluis 3, situatie omstreeks 1960. In het midden de “kazerne”.

Dan kreeg je “de kazerne”. Daar woonden Hendrik Wennemers met Miene, Johan van Wilpe (ze noemden hem ook wel “de poot” of “de zeeman”) met Hillie en hun kinderen Henk en Joop (later trouwde hij met Jennigje Jonkers en samen kregen ze Jan en Ineke), Hendrik Annema met zijn vrouw Jenne en zoon Anne, Berend Stegeman met zijn vrouw Jentje en tien kinderen (Jan, Jo, Jaap, Klaas, Gerrit, Henk, Berend Jan, Jennie, Jannie en Aalt) en Jaap Borger met Suze en dochter Greta. Daarna kwam slager Beekman met vrouw en dochters Jannie en Riekie, later opgevolgd door slager Massier die trouwde met Jannie Beekman. Daarnaast woonde bakker Jan Visser met Janna en hun zoon Jan; later bakker Gerrit Beltman. Vervolgens kwam schilder Berend van de Voort met vrouw Geesje en dochter Eepke.


Nogmaals Sluis 3, nu omstreeks 1940. In het 2e huis van rechts woonde Jan Borgers.

Na de B.H. Spijkersweg woonde transporteur Jan Borgers met Hilligje en hun kinderen Hennie, Fennie, Harm (de auteur, red.), Jan en Henk. In de woning daarnaast woonden kapper Jacob Gijsen met Griet en hun kinderen Johanna, Lucas, Riekie en Koos, horlogemaker Bosgraaf met vrouw en hun zoons Eppi, Wiecher en Dick, en petroleumboer Willem Brinkman met Johanna en hun kinderen Henk, Koos en Jannie. In het volgende huis woonden de weduwe Wennemers, postbode Jan Houwer met vrouw en hun kinderen Sienie, Drienie en Siemen, en godsdienstonderwijzer Cornelis van Donkersgoed met Aaltje en de kinderen Jennie, Aaltje, Bertus en Hilbert.
Dan kreeg je de smederij van smid Jan Westrik met zijn vrouw Annegien en hun zoons Harry en Henk. In het huis daarnaast woonde schoolmeester Johannes Klinge met Geertje en hun kinderen Geertje (Puck) en Bert. Weer daarnaast woonde belastinginspecteur Tobsvoort met vrouw en dochter Femie. Dan kreeg je het postkantoor waar Mastenbroek met vrouw en kinderen Jannie, Dik en Albert woonden. Daarnaast woonde meester Meijer in het meestershuis van de christelijke school met zijn vrouw en hun kinderen Harry, Wubbo, Frits, Tiety, Tiny, Chris en Adriaan. Tenslotte had je de snoepwinkel van Mos, waar later Klomp woonde.


Hier woonden de gezinnen Gijsen, Bosgraaf en Brinkman. Foto uit 1988.

Tot zover de mensen die bij ons in de buurt woonden en waar mijn broer Jan en ik mee te maken hadden. Wij speelden met alle kinderen altijd in de omgeving van de sluis. Daar was veel te beleven. Sluiswachter Hein van Wilpe had een speelplaats gemaakt voor alle kinderen. Hij leerde ons zwemmen, eerst in de stroomduiker waar je kon staan en later in de sluis met een touw om je middel. Ook met de schepen was veel te beleven. Eerst zeilschepen, later met opduwers en motorschepen waar we ons ook wel door mee lieten slepen. Dat was wel gevaarlijk omdat er een zijschroef aan zat. We bedachten zelf spelletjes, zoals met je fiets zo hard mogelijk in het kanaal rijden en wie dan het verst kon komen. Daarna moest je de fiets weer opduiken, wat lastig was. Daar hadden we al snel wat op gevonden: een stuk touw aan de fiets en dan kon je hem er zo weer uittrekken.
Het spelen met elkaar was het mooiste wat er was. We haalden veel kattenkwaad uit zoals ‘s avonds ruitje tikken met een touwtje aan een speld en wat grind tegen de ruit en trekken maar. We roeiden in het bootje van Hendrik Heide en doken er onderdoor. Bij ons thuis kwamen altijd veel kinderen. Dat kwam ook door de vrachtauto’s die we hadden. Nog niet veel mensen hadden toen een auto.
Als we gestraft werden was iedereen gelijk. Dat werd door de andere ouders ook geaccepteerd. Die zeiden dan: “je zult het er wel naar gemaakt hebben.”
Wij zwommen veel in het kanaal. In de herfst had je last van aardappelwater dat van de fabriek uit De Krim kwam en dat verschrikkelijk stonk. Er dreef dan veel dode vis in het water en daar kwamen dan weer meeuwen op af. In de oorlog lag er een munitieschip van de Duitsers bij ons voor het huis. Ze deden hun behoefte in een emmer en leegden die door de inhoud overboord te gooien.
Wanneer er meer dan een schip was dat geschut moest worden dan was er tussen de schippers onderling altijd strijd wie het eerst aan de beurt was. Die strijd ging gepaard met veel verbaal geweld.
Tijdens het schutten ging men naar de winkels die rondom Sluis 3 aanwezig waren en waar eigenlijk alles te koop was. Naar kapper Gijsen ging men niet graag. Die knipte niet maar trok het haar bijna uit je hoofd. Zijn kanaries vond hij interessanter.
Op mooie zomeravonden zat iedereen op stoelen of in de vensterbank voor het huis met elkaar te praten. Er was veel eensgezindheid en men had in die tijd veel voor elkaar over.

* * *

DE DEDEMSVAART _________________________________________________________

A. Krol-Massier

De Dedemsvaart ons mooie kanaal
Weg is het allemaal
Geboren en getogen aan de vaart
Zijn het de herinneringen die je bewaart
Het schaatsen, het zwemmen, het vissen
We hadden het niet graag willen missen
En dan de schepen die langs kwamen
Vaak kenden we ze aan hun namen
Sommige schepen hadden al stoom, dat was fijn
Bij anderen moesten de vrouwen in de lijn
De man zat dan aan het roer, nooit andersom
Dat vonden wij als kinderen stom
Ook werd wel eens een scheepsjager ingehuurd met paard
Die trok dan het schip door de vaart
Als kinderen liepen we met de scheepsjager mee
Hij vertelde ons verhalen van wel en wee
Ook zeilen werd veel gedaan
Als de wind goed was gingen de zeilen mooi bol staan
De turf werd uit het veengebied gehaald per schip
Dat was altijd een hele trip
Ze legden op bepaalde plaatsen aan
En kon men aan het lossen gaan
De wintervoorraad voor vele huizen
Voor kachels en fornuizen
Alles kwam per schip: hout, zand, aardappelen en suikerbiet
Zelfs eierkolen en antraciet
Ook kunstmest voor de landerijen
Daar wou de oogst goed op gedijen
Pleziertochtjes werden ook gedaan
Zo kon je met Derk van Haarst naar Giethoorn gaan
En beurtschipper De Graaf met schip “de Strijd”
Bracht zijn vracht overal op tijd
Bij de sluizen was een winkel en café
Daar namen de schippers de boodschappen mee
Maar de tijd staat niet stil en zo kwam er meer en meer
Over de wegen het grote vrachtverkeer
En toen kwam in 1965 het bericht
De Dedemsvaart gaat voor de scheepvaart dicht
En wat met de schop was voltooid
Werd na 1967 met groot materiaal dichtgegooid
Een grote weg is er gekomen
En weg zijn alle oude dromen

* * *

SLUIS III ROND DE JAREN VEERTIG _________________________________________________________

Klazien Bijker-van Hulst

Hein woont an 't schut,
Aj kiekt is e vut.


Wie van de bewoners van Den Hulst uit die tijd herinnert zich niet dit fraaie stukje poëzie waarvan de eerste regel wel, maar de tweede totaal niet klopte. Zag je 't schut dan zag je Hein (van Wilpe) en zag je Hein dan zag je 't schut. Dat rijmpje kreeg je trouwens vaak te horen wanneer je “hè” zei, in plaats van “wat zeg je.”
De grijzende sluiswachter was op zijn stukje Dedemsvaart heer en meester en dat was hem zeer toevertrouwd. Hij kon met het water en de mechaniek van de sluis lezen en schrijven. Vol bewondering volgden wij de verrichtingen van Hein die, al naar believen, de schepen liet dalen en stijgen.
De grote meester regelde ook nog goeiig het water in de stroomduiker wanneer we op een warme zomermiddag wilden zwemmen, of liever gezegd plumpen in ondiep water.


Een schip wordt geschut in Sluis 3 in 1966.

Waarom die stroomduiker*) daar was is me nooit duidelijk geworden. Overtollig water? Het was een soort zijarm van de sluis. Daartussen was een schiereilandje met het dreghuisje dat door ons als badhokje werd gebruikt.
Ideaal kon je het “zwembadje” niet noemen, want de bodem was bedekt met scherpe, glibberige stenen die niet toelieten dat je ook maar een ogenblik stilstond. Bloed aan je tenen.
Zo kwam het dat we eerder konden watertrappelen dan zwemmen. Hoe intens konden we dan meeleven met die zielige circusbeer, die moest leren dansen op een gloeiende plaat!
Soms regelde Hein op een mooie zomerzaterdagmiddag met medeweten van onze ouders een fietstochtje met een aantal kinderen naar de vijver in het Staatsbos. Daar leerden we onder andere van hem hoe we ons drijvend konden houden op de rug. Oh wonder als het ook nog lukte! Tot slot kreeg je ook nog een lesje hoe je het handigst je rug kon afdrogen.
Ook nooit vergeten ben ik hoe Hein je troostte, wanneer de grote jongens je wel erg langdurig kopje-onder hielden... Rotjongn!
Hein, we zijn je nooit vergeten. Nog postuum bedankt.


Sluis 3 met rechts de stroomduiker omstreeks 1925.

*) Een stroomduiker diende voor de afvoer van het overtollige water zonder dat daardoor de scheepvaart via de sluis werd gehinderd.

* * *

DE SCHIPPERSFAMILIE VAN HAARST _________________________________________________________

Minie Buit-Zielman

De familie Van Haarst was een familie van schippers op de Dedemsvaart. Hun thuishaven was De Lichtmis. Voor dit verhaal werd mevrouw Hannie van Haarst-Ubels geïnterviewd. Zij kijkt met genoegen terug op het schippersleven.

De familie Van Haarst van De Lichtmis behoorde tot de laatste generatie schippers van de Dedemsvaart. Hun schepen de “Mercatura 1”, “Mercatura 2” en “Mercatura 3” waren bekende verschijningen op het kanaal tussen Hasselt en Nieuwleusen.
In 1914 trouwde Derk van Haarst in Nieuwleusen met Klazina Hendrika Bloemberg. Na de huwelijksvoltrekking ging het bruidspaar aan boord van hun zeilschip de “Koophandel”. Met dat schip van ongeveer 30 ton moest de kost worden verdiend, onder meer door zand en grint te vervoeren voor de Union, afdeling bouwmaterialen, in Nieuwleusen. Het zand moest toen vanuit de Vecht met de handbeugel gebaggerd worden in het ruim van het schip. Er werden ook sintels voor zandwegen vervoerd van de gasfabriek in Zwolle.
Daarna legden ze zich toe op de turfvaart. De zaken gingen goed en er werd een schip bijgekocht. Toen er kinderen kwamen werd er voor gekozen dat vrouw en kinderen, Willem, Gerrit en Hendrikje, aan de wal zouden blijven.
Aan De Lichtmis werd woonruimte gezocht, eerst in een woonark, daarna in een noodwoning. Het volle schip met turf werd ook bij De Lichtmis afgemeerd. Door Klazina werd de turf verkocht aan de boeren in de omgeving. Derk ging dan zelf met het andere schip weer een nieuwe vracht halen. Het waren toen nog zeilschepen. Van Haarst was één van de eerste schippers die een motor in het schip liet bouwen.

In 1933 schakelde Derk over op de passagiersvaart en werd het schip “Koophandel” omgebouwd voor passagiersvervoer. Er is nog een schip geweest met de naam “Twee Gebroeders”.

Wat er tijdens de oorlog gebeurd is aan De Lichtmis en met de schepen van Van Haarst, daar weet Hannie weinig van. Ze kende de familie toen nog niet omdat ze in pas 1951 met Gerrit trouwde. Maar er moet wel heel wat gebeurd zijn. Er zijn bombardementen geweest, er is gevochten en de omwonenden zijn aan het eind van de oorlog uit hun huizen verdreven. Hannie herinnert zich dat haar man nachtmerries had van een zwaargewonde man die naar het ziekenhuis is gebracht na een bombardement op De Lichtmis.
Omstreeks 1950 kocht Derk van Haarst het schip van De Graaf in Dedemsvaart dat toen de naam “Mercatura 3” kreeg. Gerrit en Hannie namen het schip over toen ze trouwden en vervoerden er zand, sintels en turf mee. In het toeristenseizoen werd het schip omgebouwd voor de pleziervaart. Er werd een vlakke vloer onder in het schip gemaakt en bovenop werd een opbouw geplaatst waar de passagiers buiten konden verblijven. In de maanden buiten het toeristenseizoen werd er weer met gewone vracht gevaren.


Motorschip “Koophandel” als passagiersboot, liggend aan De Lichtmis.

Willem van Haarst trouwde met Jacoba Duizendstra en ze gingen varen op de “Mercatura 2”.
In de vijftiger jaren had de firma zelfs drie passagiersschepen: “Mercatura 2”, “Mercatura 3” en de salonboot “Toerist“. Men verzorgde onder andere voor scholen en verenigingen plezier- en rondvaarten vanaf De Lichtmis naar onder meer het merengebied in Noordwest Overijssel. De beide Mercatura’s konden elk zo’n 110 passagiers vervoeren. De “Toerist” 80 personen.


Salonboot “Toerist” met Hannie en Gerrit van Haarst.

In die tijd was er werk genoeg. Vanuit het hele land werden er passagiers vervoerd, onder meer vanaf Zwolle naar de Heilige Stee, de bedevaartsplaats bij de Rooms Katholieke Kerk in Hasselt. De “Mercatura 3” is gebleven tot 1964. De firmanaam was Toeristenbedrijf D. van Haarst en zn. Rondvaart Lichtmis.
In 1969 toen Derk en Klazina al met pensioen waren, moest hun woning aan De Lichtmis wijken voor de uitbreiding van het viaduct. Daarop kochten ze een woning aan het Rakje aan de Dedemsvaart onder de rook van Hasselt. Het echtpaar mocht er in 1974 hun 60-jarig huwelijk vieren. Hun zonen Willem en Gerrit zetten het rondvaartbedrijf voort.

Het plakboek van Gerrit en Hannie van Haarst geeft een goede indruk hoeveel plezier hun gasten aan de tochten beleefden. De reizen bleken goed georganiseerd te zijn en het echtpaar was gastvrij.
In 1956 was er een reisje van acht dagen met een schoolklas van de openbare lagere school uit Willemsoord vanaf De Lichtmis naar Arnhem. Het was al het vierde jaar dat de school met de oudste leerlingen met de “Mercatura 3” en het echtpaar Van Haarst op vakantie gingen. In het dagboek, dat werd bijgehouden over die reis, komt naar voren hoe de kinderen er een onvergetelijke vakantie aan beleefd hebben.


Schoolkinderen uit Willemsoord aan boord van ”Mercatura 3” bij de Katerveersluis.

Over de Dedemsvaart werd er naar Hasselt gevaren en vandaar via het Zwartewater naar Zwolle. Daar ging het verder via de Willemsvaart naar de IJssel. Bij Hattem werd het Apeldoornskanaal genomen. Elke dag werden er uitstapjes op de wal gemaakt. In Vaassen werd de fabriek N.V. Industrie bezichtigd, waar in de kantine mooie muurschilderingen van Jan Dekkers te zien waren.
Aangekomen op de Rijn beleefden ze tussen Arnhem en Doorwerth één van de mooiste gedeelten van de tocht. Dit ondanks dat de verwoestingen van de slag om Arnhem nog goed te zien waren. Kasteel Doorwerth, waar toen het Airborne museum in ondergebracht was, werd bezocht. Ook het kasteel had zichtbaar geleden door het oorlogsgeweld.
Vanuit Renkum ging het met een bus naar Rhenen waar een bezoek gebracht werd aan de begraafplaats op de Grebbeberg waar veel gesneuvelde Nederlandse soldaten liggen begraven.
De volgende dag werd de terugtocht aanvaard. In Deventer werd aangelegd aan de kade. Op de Brink trad ‘s avonds circus Schneider op. Dat bestond geheel uit lilliputters.
Op de laatste dag werd in Zwolle nog het Provinciaal museum bezocht, waar vooral de mummie indruk maakte. Weer bij De Lichtmis aangekomen werd er afscheid genomen van Gerrit en Hannie van Haarst en werden de fietsen weer gepakt om terug te gaan naar Willemsoord. Het was voor de kinderen een onvergetelijke vakantie.

Naarmate het autogebruik meer inburgerde werd het werk in de rondvaarten minder. In 1968 werd nog het motorschip “Johanna" gekocht van Van Berkenpas uit Friesland.
Omdat de Dedemsvaart dicht ging voor scheepvaart, moest er een groter schip komen en dat werd in 1972 gekocht in Kerkdriel: de “Gerjo” voorheen “Catharina”, die in 1925 gebouwd was bij Patje en Zn. in Waterhuizen. Daarmee werd tot 1979 zand gevaren vanaf Deventer. Het thuisadres van de “Gerjo” bleef De Lichtmis Nieuwleusen.
De schepen “Johanna” en “Gerjo” waren voor reparatie en onderhoud bij de smederij van Egbert Doorn aan de Brouwersgracht in Hasselt. Aan Egbert worden goede herinneringen bewaard. Hij was een fijngevoelig mens en een goed vakman.

Gevraagd naar herinneringen aan bijzondere gebeurtenissen in haar leven herinnert Hannie zich de Watersnoodramp in 1953 nog goed. Ze lagen toen met hun schip aan De Lichtmis. Overdag waren de mannen nog op de fiets naar Zwolle geweest om te informeren naar vracht. Toen ze terug kwamen hadden ze niet hoeven trappen, de wind nam hen vanzelf mee.
Het water in de Dedemsvaart was onrustbarend gestegen en het schip dreigde de wal op te drijven. Door met de touwen steeds meer ruimte te geven is dat voorkomen. Daarbij was het vrieskoud. Er werd geprobeerd om de kachel aan te houden, maar door de zuigkracht van de storm kwam het vuur buiten boven de pijp uit.
Ook in de herinnering gegrift staat een schoolreisje in 1955 van de lagere school uit Willemsoord langs de Friese elf steden. Op de terugweg bij Ossenzijl werd het schip overvallen door een windhoos. Het werd een nachtmerrie voor het schippersechtpaar, de begeleiders en de kinderen. Gelukkig is het goed afgelopen. Het schip werd wel beschadigd maar er waren geen persoonlijke ongelukken.

In de strenge winter van 1963 hebben ze drie maanden met hun schip aan De Lichtmis gelegen. Toen eindelijk de motor weer liep klonk dat bij Hannie als muziek in de oren.
Gerrit en Hannie hebben gevaren tot 1979 en hebben daarna nog twee jaar gewoond in het huis van zijn ouders aan het Rakje. Daarna zijn ze verhuisd naar Rouveen waar ze zich thuis voelden en samen nog goede jaren hebben mogen beleven.


* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Meppeler Courant van vrijdag 9 februari 1940.

DEN HULST. Door de mist en sneeuw van Woensdag reed J. Visser, bakker en winkelier te Sluis 3 alhier, met zijn auto, nabij de Lichtmis, op het Kanaal. Daar gelukkig het ijs sterk genoeg was, kon hij met de auto keeren op het ijs en weer op de openbare weg komen.

* * *

IN VOLLE VAART LANGS DE VAART _________________________________________________________

A. Schoemaker-Ytsma

We schrijven rond 1938. Drie jonge ruiters uit Nieuwleusen zijn onderweg naar hun wekelijkse oefening bij de rijvereniging in Balkbrug. Ze steken bij de Dalvoordebrug (een draaibrug met H. Klein als brugwachter) over om aan de noordzijde langs de Dedemsvaart naar Balkbrug te rijden.
Ze horen de stoomtram aankomen en rijden een stukje een zandweg in. Daarna zetten ze hun paarden met de hoofden naar de tram, opdat ze niet zullen schrikken. Als de stoomtram voorbijrijdt roept de machinist ze toe: ”Za’k mar zeng’n daj d’r ankoomt?”
Dat lieten twee van de drie jongelingen zich niet zeggen en reden richting Balkbrug achter de puffende stoomtram aan en … er voorbij! Toen riepen zij: “Zull’n wi’j mar zeng’n daj d’r ankoomt?”
De machinist keek ze wat bedremmeld na. De ruiters waren eerder dan de tram in Balkbrug.


Vlnr: Harm Roze, Hendrik Schoemaker en Klaas Bijker, omstreeks 1938.

* * *

VISSEN IN DE VAART _________________________________________________________

Evert Jan Huzen

In mijn jonge jaren woonden wij aan het Pad, dat nu het Oosterveen heet. Als we in het kanaal wilden vissen moesten we er lopend naar toe, via een landweggetje met houtwallen met daarop bomen en struikgewas.
Tijdens het vissen mocht ik ook wel eens in het bootje van de familie Prins zitten. Als je aan het vissen was kwamen er ook wel schepen voorbij varen. Dat was dan niet zo leuk want door de golven kon je de dobber niet zo goed zien. Sommige schepen werden getrokken door mensen die een brede band voor de schouder en over de borst hadden, waaraan een touw zat dat met het schip verbonden was. Ook waren er al enkele schepen met een motor of zeil.
Er kwam ook wel eens een opa bij me kijken en vragen naar de vangst, die nooit zo geweldig was. Na het vissen vroeg je dan of je de vishengel bij hem mocht achterlaten tot een volgende keer. Die werd dan in de loods of op een paar spijkers aan de zijkant van de loods gelegd. Ik had nog geen hengel die je kleiner kon maken, maar een bamboe hengel aan één stuk.
Met een speelkameraadje die familie aan de vaart had wonen, ging ik op een middag samen vissen. Op een gegeven moment werden we geroepen om binnen te komen om wat te drinken. Het zal wel ranja zijn geweest want veel andere soorten frisdrank waren er toen nog niet. In die tijd reed de tram nog en ik had mijn hengel over de ene en onder de andere rail gestoken. Toen wij binnen zaten kwam de tram net langs. Teruggekomen bij de vaart zag ik de hengel die toen tweedelig was geworden. Dat gaf geen prettig gevoel en ik ging met de gebroken hengel op huis aan. Maar thuis viel het gelukkig nogal mee.
Zelf heb ik niet zoveel met visserslatijn, maar de verhalen van wat oudere personen over hun vangst, met uitdrukkingen als “een vis zo groot als een kettingkast en ogen als guldens”, maakten op mij als kind wel indruk.
Schepen die langs kwamen hadden namen als Nooitgedacht, Jacoba, Weltevreden en meer van die prachtige namen. Er kwamen ook turfschepen langs. Als schipper Krul met een volgeladen schip terug was gekomen, ging hij op de fiets bij de huizen langs om te vragen naar een bestelling. Als we turf nodig hadden, gingen we met paard en wagen naar het schip om een lading te halen. Soms waren daar wel vier of vijf klanten tegelijk. Die hielpen elkaar dan. De schipper telde de turven in de rieten manden en die werden dan door de klanten over de loopplank naar de wagen gedragen en daar opgestapeld.
Later vervoerden de schepen vaak bolsterturf dat als strooisel werd gebruikt. Vaak verpakt als turfbalen met daaromheen in de lengte houten latjes, waar omheen ijzerdraad was gebonden om de boel bij elkaar te houden. De turfstrooisel werd samen met stro gebruikt in de paardenstal en in de varkenshokken omdat het beter absorbeerde.

* * *

ZWARTE BEER TE KOOP _________________________________________________________

André Mijnheer

Ik was acht jaar toen we verhuisden van Ommerdijk 25 in Nieuwleusen naar Hoofdvaart 152 NZ te Den Hulst (NZ = NoordZijde). De woning stond voor de melkfabriek in Den Hulst. In datzelfde huis, waar men een dubbele woning van had gemaakt, woonden schilder Hendrik de Groot en zijn vrouw Pietertje Santing, die meestal Dina werd genoemd (beiden op foto hiernaast). Ze woonden gedeeltelijk ondergronds in de kelder en gedeeltelijk bovengronds.

Toen we daar gingen wonen was mijn vader al 24 jaar schilder bij De Groot. Hij regelde alle werkzaamheden voor De Groot, ook het werk opnemen en dat uitvoeren. De Groot deed de verkoop aan klanten vanuit zijn werkplaats voor verf en behang achter het huis. Ze hadden geen kinderen, maar Hendrik was wel gek met kinderen.
Als de kinderen naar school gingen, kwamen ze vaak langs en moest hij ze even knuffelen. Ook als hij zich ’s morgens nog niet geschoren had wreef hij met zijn stoppels langs de wang van een kind en zei dan: “Och wat heb ie toch een zacht wangie“. De kinderen schreeuwden het dan uit en hadden volop lol. Ze kregen een snoepje en dan zei De Groot: “En nou ophoepelen anders komen jullie nog te laat op school.“
De Groot had een soort schoolbord aan de weg staan tegen de voorkant van het huis met het opschrift “Zwarte teer te koop”. Die tekst was er met krijt opgeschreven. Hij verkocht vaak zwarte teer aan de schippers die langs kwamen varen door de Dedemsvaart.
Op een dag bedacht een van de schooljongens dat ze even een geintje moesten uithalen en zei tegen de andere jongens: ”We veranderen de T van teer in een B.” Zo gezegd zo gedaan en op het bord stond nu “Zwarte beer te koop”. De jongens hadden de grootste lol.
Na een paar dagen kwamen de kinderen ’s middags even weer aan om een snoepje te halen en lol te maken. Maar De Groot was ook niet van gisteren! Hij had zijn zakhorloge 10 minuten terug gezet. Na een poosje zei een van de jongens: “Kom op jongens, we moeten naar school.“
“Ach het is nog lang geen tijd”, zei De Groot, “het is nog maar kwart over één” en hij liet ze zijn horloge zien. Dus hield hij ze nog een poosje aan de praat tot het op zijn horloge vijf voor half twee was. Toen zei hij: “En dan nou ophoepelen anders komen jullie te laat.”
Daarop liep iedereen hard naar school, waar ze constateerden dat ze toch te laat kwamen. Zo pakte hij de kwajongens terug.


De openbare lagere school aan de Dedemsvaart omstreeks 1935.

* * *

EEN BORRELTJE HALEN _________________________________________________________

Aaltje Bril-Stolte

We woonden in de Oosterhulst aan de noordkant van het kanaal en gingen lopend naar school. Op weg daar naar toe kwamen we langs café De Oranjeboom waar Rijkman Wicherson caféhouder was. Zowel aan de oost- als aan de westkant van het café zat een toegangsdeur. Die werden beide wel gebruikt door scheepsjagers die er even snel een borreltje namen, de ene deur in en de andere deur weer uit. Ik was de jongste van het gezin en had oudere broers. Die liepen op weg naar of van school ook wel de ene deur in en hard door het café de andere deur weer uit. Wicherson werd dan altijd verschrikkelijk kwaad. Dit speelde zo rond 1910.


Café “de Oranjeboom". Vlnr: Rijkman Wicherson (geboren ca 1854 te Steenwijkerwold, overleden 1923 te Nieuwleusen), zoon Koos Wicherson en Albertje Govers (geboren ca 1860 te Avereest, overleden 03-02-1954 te Nieuwleusen) met wie Rijkman te Avereest op 15-05-1884 trouwde.

* * *

TE WATER GERAAKT _________________________________________________________

Lammie Lier-Kok

We woonden dichtbij café Nijmeijer bij de Ommerdijkerbrug, waar we vaak speelden. Ik zal een jaar of vijf geweest zijn toen we weer eens met een hele groep kinderen speelden bij het kanaal. Nabij de brug lag het schip van Krul afgemeerd. Jelle Bos had van een klompje een bootje gemaakt met een zeiltje er op en dat zou hij bij het grote schip laten varen. Ik kan me herinneren dat het klompbootje er heel mooi uitzag.
Om goed te kunnen zien of het bootje ook daadwerkelijk kon varen, ging ik vlak aan het water staan want ik wilde niks missen. Op een gegeven moment kreeg ik een duw en plons!, daar lag ik in het water. Ik kon niet zwemmen en het heeft niet veel gescheeld of ik was verdronken. Het was mevrouw Nijmeijer die me uiteindelijk uit het water wist te halen en me dus gered heeft van de dood. Toen ik in het water lag heb ik een prachtige tunnel gezien met o zo mooi licht. Het was zo mooi dat ik het me nog steeds kan herinneren en het beeld zo voor me kan halen.
Ik werd naar huis gebracht en daar op de “pompstraote” gelegd waar mijn moeder mij de natte kleren heeft uitgetrokken. Op dat moment kwam ik weer bij. Ik vertelde aan mijn moeder over de tunnel met dat mooie licht en het enige wat ze zei was: “Och kiend toch”. Er is verder nooit meer over gepraat, maar ik denk er nog vaak aan.


De Ommerdijkerbrug omstreeks 1960.

* * *

ANDERS DAN WIJ DACHTEN _________________________________________________________

Jan Witten

Het moet in het najaar van 1958 of 1959 geweest zijn. Ik weet nog wel dat ik het vreemd vond dat iemand in de Dedemsvaart zwom op een dag waarop het daarvoor al veel te koud was. We kwamen net uit school, de christelijke lagere school die toen nog aan de vaart stond. We waren door een onderwijskracht de drukke weg over geloodst toen we op ongeveer 200 meter afstand iemand in het water zagen spartelen. Het was zo ongeveer tegenover de notariswoning en steeds meer leerlingen die op weg naar huis waren stopten bij de plek des onheils.
Dichterbij gekomen bleek al gauw dat schoolgenoot Jansje Kappert van de Kievitshaar in het water lag. Ik meen dat het door de tas aan het stuur kwam maar ze was, hoe dan ook, met fiets en al in het donkere koude water terechtgekomen. Ze was in paniek en raakte steeds verder van de kant af. Ze kon niet zwemmen en sloeg wild met de armen.


De notariswoning aan de Dedemsvaart omstreeks 1950.

Wij stonden aan de kant verbijsterd toe te kijken. Sommige mede-leerlingen moedigden Jansje aan door haar naam te scanderen. Het leek wel alsof ze bezig was met het volbrengen van de één of andere sportprestatie. Niets was echter minder waar, Jansje raakte steeds verder naar het midden van het kanaal, was uitgeput, en stond op het punt te verdrinken. Niemand stak een hand uit, want niemand kon, voor zover ik weet, zwemmen. Het was eigenlijk luguber om daar iemand van je school, al huilend in het water te zien martelen.
Ineens kwam er iemand achter ons vandaan die op kousenvoeten met een gang op het kanaal af rende. Hij dook het water in en met een paar slagen was hij bij Jansje. Even later stonden beiden druipnat aan de kant. Met ontzag keek iedereen naar de held, die samen met Jansje verdere hulp kreeg in een huis aan de overkant van de weg. Achteraf bleek het een vertegenwoordiger die net met de auto was komen aanrijden en was gestopt omdat hij had gezien wat er aan de hand was.
Het is maar goed dat er een zwembad in Nieuwleusen is gekomen waar zwemlessen werden gegeven. Volgens mij kon in die tijd bijna niemand zwemmen en Jansje had zo maar kunnen verdrinken, voor de ogen van zoveel toeschouwers.

* * *

DEDEMSVAARTVERHALEN _________________________________________________________

Henk Mussche

Het was 5 maart 1956, een dag voor mijn zevende verjaardag. Samen met het mooie meiske Geesje Prins, die bij mij in de klas zat, fietste ik van school terug naar huis. Ik had meer aandacht bij haar dan bij de weg en zodoende kwam ik in aanraking met haar fiets. Het gevolg was dat ik met fiets en al in het ijskoude water van de Dedemsvaart terechtkwam. Ik ging kopje onder, kwam nog een paar keer weer boven en daarna niet meer. De zwemkunst was ik toen nog niet machtig. Later hoorde ik dat een buschauffeur mij uit het kanaal gehaald heeft. Zelf heb ik dat niet bewust meegemaakt.
Ik werd binnengebracht in het huis van de familie Henk van den Berg. De alleraardigste, van oorsprong Engelse, mevrouw des huizes ontfermde zich over mij. Daar kwam ik weer bij bewustzijn en toen het weer een beetje ging bracht mevrouw Van den Berg mij in haar auto naar huis.
Dit is zo ongeveer de eerste herinnering die ik aan de “vaort” heb. De latere en dat zijn er vele zijn een stuk positiever.


De boerderij van de familie Talen in de Oosterhulst, omstreeks 1960.

Naarmate ik ouder werd speelde de vaart een steeds belangrijker rol in mijn leven. Ik heb er heel wat afgevist. De plekjes waar ik viste weet ik mij nog aardig goed te herinneren. Bij Lubbert Talen in de Oosterhulst of bij Willem Bosman. Deze was rietdekker en woonde met zijn moeder (olde Gerregie) tegenover de Maatweg aan de zuidkant van het kanaal. Bosman had een prachtige houten vlonder die een klein stukje van de kant het kanaal in stak. Daar vanaf kon je prachtig vissen.
Bij klompenhandel Bril heb ik ook veel gevist samen met mijn schoolvriendje Wim Bril. Toen ik al wat ouder was ging ik vaak met mijn neef Klaas van Hulst vissen in de stroomduiker bij Sluis 3. Als we op paling wilden vissen, gingen we voor de boerderij van Bierma, die een eindje voorbij Sluis 3 richting De Lichtmis woonde. Iedereen zei altijd dat er bij Bierma veel paling zat. Waarom dat zo was is me eigenlijk nooit goed duidelijk geworden.
Vissen was niet het enige wat we deden in het kanaal. ‘s Zomers zwommen we ook in het kanaal. Eerst in een zwemband gebonden aan een touw en later, toen we de techniek van het zwemmen wat beter beheersten, zonder touw en zwemband.
Het schaatsen heb ik ook op het kanaal geleerd. Ik kan me herinneren dat we er met de lagere school ook wel wedstrijden hebben gehad. Onze school stond tenslotte ook aan het kanaal.
In die tijd schaatste er ook vaak een meneer De Lange op het kanaal. Hij had een geweldige reputatie omdat hij al zo oud was en nog zo goed kon schaatsen.
In de herfst lagen er altijd heel veel dode vissen in het kanaal. Als we vroegen hoe dat kwam, zeiden de volwassenen altijd: “aardappelwater” en daarmee was de kous af. Het werd toen als volkomen normaal beschouwd dat tijdens de aardappelcampagne bijna alle vissen dood gingen. Daar kijken we nu gelukkig toch wel een beetje anders tegen aan.
Als je zo terugkijkt heeft het kanaal toch heel veel betekend in mijn jeugd. Eigenlijk is het ontzettend jammer dat het gedempt is. Het karakter van het dorp is hierdoor helemaal veranderd en met het dempen ervan is de geschiedenis geweld aangedaan.


In de winter van 1953/54 probeerden Jan Prins en zijn kinderen Jan, Geesje, Klaas en Zwaantje (vlnr) het ijs op het kanaal voor hun huis in de Oosterhulst.

* * *

GEACHTE BARON _________________________________________________________

Klazien Bijker-van Hulst

(bij de herdenking van 200-jaar Dedemsvaart)

U moest wel weten waar u aan begon,
Zo'n levenswerk dat was een hele escapade.
Hoe aan uw geest zo'n plan ontspruiten kon!
Wat lei er in uw bron de eerste spade?
Sloeg pa Baron het plan met twijfels gade,
Uw manschappen, zij kregen elk een schop.
Pardon Baron, nee niets te uwer kwade,
Want zo begon een dedemsvaartje in de dop.

Die stoere werkers, mannen van beton,
Dag in, dag uit in touw voor kroost en gade,
- van schop tot schop - één moddermarathon –
Versleten zij zo spa na spade.
Baron, u sloeg het zeker met genoegen gade.
‘t Beginnend vaartje koos geleidelijk ‘t ruime sop.
Helaas, na jaren viel het plan in ongenade,
Want ach, ook bij baronnen raakt het geld soms op!

Magere jaren, schoppen met pensioen.
Al wondenlikkend schatte men de schade.
En toch ….. na lange tijd weer weten dat het kon;
Weer kwamen plannen dapper uit de lade.
De slijpsteen draaide vonkend aan de spade.
En nu … DE VAART ERIN, en dat non stop.
De schippers aan het roer, de winkels op de “kade”.
Eindelijk het doel bereikt, de vlaggen hoog in top.

Helaas, weer viel de Dedemsvaart in ongenade.
Beton, beton alom, soms files aan de kop.
Troost u, baron, wij kunnen niet meer op de barricade,
Maar hier en daar ligt ergens nog een vaartje in de dop.

* * *

Foto achterpagina _________________________________________________________

De Dedemsvaart met de watertoren aan De Lichtmis omstreeks 1950.






Jaargang 27 nummer 4 december 2009


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina _________________________________________________________

Kanaal de Dedemsvaart in Den Hulst omstreeks 1957 gezien vanaf de Ommerdijkerbrug in oostelijke richting

* * *

AN '’T KANAAL _________________________________________________________

Aly v.d. Hoek-Bril

Ook ik heb mijn hele jeugd "an 't kanaal" gewoond. Toen ik de vraag naar kanaalverhalen in de krant las, dacht ik: natuurlijk ik heb ook mijn kanaalverhaal. Niks bijzonders, maar toch ook weer wel bijzonder omdat er van die tijd en die sfeer zo weinig meer over is. Als ik zeg "an 't kanaal" dan blijkt al hoe klein ons wereldje was. Aan het kanaal, alsof dat het enige of belangrijkste kanaal in de wereld was. Zoals we ook naar “de bos" gingen, alsof dat hèt bos van Nederland was.

Maar goed, ik woonde "an 't kanaal" en als ik daaraan terugdenk, komt het woord "vissen" heel duidelijk boven. Mijn kanaalherinneringen hebben daar heel veel mee te maken. Mijn oudste zus heeft ook nog de ervaring van het leren zwemmen in het kanaal. Touw om de buik en maar spartelen tot je een slag te pakken had en boven water bleef, maar in mijn tijd was er net het nieuwe zwembad gekomen. Gelukkig maar, want als ik aan zwemmen in het kanaal denk, denk ik ook aan de dode biggetjes die erin dreven. Was dat echt of is het mijn verbeelding? De boeren moesten van hun dode dieren af en een enkele die het niet te nauw nam, gooide dan wel eens een biggetje in 't kanaal. Ik weet niet of dit waar is, maar het was wel één van de verhalen waarmee kinderen die samen zaten te vissen elkaar bang maakten. Ik kon in ieder geval leren zwemmen in het zwembad en niet in dat mysterieuze donkere kanaalwater.
Want dat aspect zat er voor mij ook aan. Dat donkere water van de Dedemsvaart had iets mysterieus. Je wist totaal niet wat zich onder dat glimmende of rimpelige oppervlak afspeelde. Je kon er heerlijk over fantaseren, bij wegdromen of enge verhalen bedenken.
Vissen in het kanaal heb ik veel gedaan, vlak voor ons huis. Nu denk ik dat het niet alleen vissen was wat ik daar deed, maar vooral ook mediteren. Kijkend naar m'n dobbertje dat in vaste cadans op de golfjes deinde, grasspriet in de mond, zo kon ik alles overdenken en op een rijtje zetten. Zo kwam er rust in mijn hoofd .... In mijn herinnering zat ik al vanaf m'n vierde jaar aan de waterkant voor ons huis.
Vooral op zaterdag werd er gevist, na schooltijd en natuurlijk in de vakanties. Neven en nichten kwamen speciaal bij ons logeren om dagenlang te kunnen vissen. Dan zat je daar met z'n allen op een rijtje. Wel een stukje ertussen natuurlijk want niets is zo erg als snoeren die met elkaar "in de knup" raken.
Het liefst zat iedereen bij een plek waar een paar vierkante meter waterplanten in het water dobberde. Logisch, denk je als kind: daar wonen die vissen zo'n beetje, dus daar moet je zijn als je er één wilt vangen.


De Dedemsvaart gezien vanaf de Ommerdijkerbrug in oostelijke richting. Rechts de woning en het klompenwinkeltje van Bril. Het derde gebouw is de schuur van de dorsvereniging en daarnaast had Masselink een schoenenzaak. Nu is hier Bos bedden.

Maar niet elke plek was vrij. Ook de buurkinderen hadden hun eigen stek en daar moest je niet gaan zitten. Dan maar bij een stuk wal zonder waterplanten. Een stek van een ander bezetten, dat deed je niet. Het was een ongeschreven regel die niet overtreden werd. Daar zat je dan: bamboehengeltje, draad, dobber, haakje met eraan een bolletje brood (dat we deeg noemden) of een pier. Het was stil, af en toe werd er wat gezegd. Allemaal keken we naar die dobber, soms stil, in kalm rustig water, soms golvend op kleine ribbelige golfjes waardoor je heel slecht kon zien wanneer dat ene opwindende rukje aan de lijn kwam.
In de vakanties begonnen we vaak al om halfzes of zes uur want dan bijten de vissen veel beter, zo werd er verteld. Zo vertelde ik het ook weer door. Als kind denk je: logisch, net wakker die vissen, ze hebben ook honger.
Als het regende was dat alleen maar voordelig. Dat paste ook in het mysterie. Vissen bijten beter als het regent. Logisch, denk je als kind, want ze houden van water. Vooral zo'n kalm, rustig regentje was mooi visweer. Als je dan met een vriendinnetje of nichtje daar zat, gooide je iets over beide hoofden, een zak, of een kleed? Ik weet het niet meer, maar het was intiem, leuk en spannend. Onder dat kleed kon je elkaar gemakkelijk de grootste geheimen, angsten en fantasieën vertellen. Zoals van die man (waar gebeurd) die ook steeds op een grasspriet kauwde. Daar kreeg hij kaakontsteking van en toen moest de helft van zijn kaak worden weggehakt. Echt waar! Ik gooide prompt de grasspriet weg die ik in mijn mond had. Bang was ik ook voor de waterratten die blijkbaar ook in het kanaal woonden. Soms zag je zo'n wegdraaiende rug en kolkte het water even hevig. Dan rende ik het straatje over naar huis, met het hart kloppend in mijn keel. Dan durfde ik even niet meer te vissen. Maar ja, het water trok en dus ging ik in de loop van de dag toch weer naar de waterkant.

Mijn ouders hadden een klompenwinkeltje met allerlei bij artikelen, waaronder visspullen zoals dobbers, loodjes, draad en haakjes. Het was allemaal heel dicht bij. Ging er een keer iets mis en verloor je je snoer of je haakje, dan mocht je in de winkel even nieuw spul halen. Als de winkelbel schelde riepen we "blijf maar" tegen huisgenoten die van plan waren te komen helpen. Dan haalden we achter de grote toonbank de doos met haakjes en loodjes tevoorschijn. Een haakje of loodje mocht ik zo wel pakken. Wilde ik een dobber dan moest ik het toch wel even vragen, geloof ik .... Wat een gepriegel om dat allemaal weer aan het snoer te krijgen. Soms beten de vissen niet zoals je gedacht had. Dan hielp het als je ze op mysterieuze wijze opriep om naar jouw haakje te omen door steeds het volgende versje op te zeggen:
                   Vissie, vissie biet.
                   Mien moe die heet Griet,
                   mien va die heet Jan.
                   vissie, vissie, biet ie dan?
Als een soort mantra zei je dat heel vaak achter elkaar op, natuurlijk met een geheimzinnige lokkende stem "vissie, vissie biet." ….
En ja dan had je geluk, de dobber wipte even op en het spannende "gevecht" van vis en vissertje begon: hoe houd ik jou aan mijn haakje? Natuurlijk niet te snel ophalen, maar zeker ook niet te laat. Vooral als je er een grote aan had, steeg de spanning en kwam iedereen meekijken. Toch lukte ons dat maar zelden. Meestal waren het voorntjes en stekelbaarsjes. Kleintjes gooiden we meteen weer terug in het water. Grotere, vanaf zo'n 15 centimeter, werden mee naar huis genomen. Ik herinner me hoe wreed sommige kinderen waren met een "schele posterd". Die is giftig, zo werd onder ons rondverteld. Sommigen interpreteerden dat als niet aanraken en sloegen het visje dat nog aan het haakje zat met grote zwiepen op de klinkers van het weggetje dood. Daarna moesten ze het alsnog aanraken, maar dat gaf blijkbaar niet. Wreedheid tegen dieren en bijgeloof is van alle tijden.


Gezicht op de Ommerdijkerbrug omstreeks 1965. Rechts het oude magazijngebouw van Union rijwielfabriek.

Paling was een verhaal apart. Als je op paling ging vissen, moest de worm (want paling lustte alleen wormen) dicht bij de bodem komen en dus schoof je de dobber hoog aan de lijn. Maar als je er een keer eentje op de kant had, begon de strijd pas goed want dan moest je hem eraf halen. Dat glibberige beestje presteerde het regelmatig om weer in het gras te vallen en razendsnel weg te kronkelen richting water.
Af en toe nam je dus een visje of paling mee naar huis. Die moest dan achter het huis worden geslacht en kwam in de koekenpan terecht. Dat slachten was ook één van de vaardigheden die je van oudere broers, zussen of buurkinderen leerde. Je zocht een steen en een scherp mes. Hoe de vis gedood werd, weet ik niet meer. Misschien heb ik dat verdrongen. Als hij dood was begon je met het afsnijden van de kop, dan de schubben eraf schrapen en de binnenkant schoonmaken. De zwemblaas die als een soort horizontale zandloper binnenin zat, staat me nog helder voor de geest. Nu snap ik niet meer dat ik dat allemaal zelf als kind gedaan heb. Maar het was een andere tijd, het slachten van dieren hoorde er gewoon bij. Er waren nog geen viskramen, dus zo'n lekker zelfgebakken visje dat in de sissende boter werd gebakken was heerlijk. Wel geloof ik dat het graatgehalte erg hoog was.

In 1969 werd het kanaal gedempt. Daarmee verdween langzaam het donkere mysterieuze water waaraan ik zoveel uren had zitten mijmeren. De waterstand werd steeds lager en grotere stukken van de bodem werden zichtbaar. Het mysterie werd ontmanteld. De vissen werden teruggedrongen tot in het midden, waar nog een geul met water was. Wij konden met onze hengeltjes op de bodem van het kanaal staan en sloegen de een na de andere grote vis aan de haak. Nooit hadden we met zoveel gemak zulke kanjers van vissen gevangen. Het was een toptijd, dachten we toen. Maar het waren de laatste dagen van een mooi en dierbaar stukje Den Hulst, denk ik nu.
Soms droom ik er nog over. Over het klinkerweggetje, de Ommerdijkerbrug, de rust die er heerste, het kalme geluid van de hoeven van een paard en wagen die eraan kwamen, de fluit van de Union die uitging. Dan word ik wakker met heimwee want ik heb een heerlijke jeugd gehad, daar "an 't kanaal".


De Ommerdijkerbrug over een dichtgespoten kanaal in 1969.

* * *

DE TRAM MET WAGONS _________________________________________________________

André Mijnheer

Gerrit en Theo waren twee vrienden. Als er ergens wat te doen was waren ze er bij. Ze waren leergierig en gaven hun ogen altijd goed de kost.
Het gebeurde kort na de Tweede Wereldoorlog. De tram kwam na de middag uit Zwolle en stopte zoals gewoonlijk bij de DSM-loods dicht bij de Ommerdijkerbrug. Dat was een gebouwtje naast de schuur van Kok. Er werden goederen uitgeladen en ingeladen. Theo daagde zijn vriend Gerrit uit en zei: “Durf jij deze twee wagons wel af te koppelen?“
Gerrit antwoordde: “Ik wel, maar dan moet jij een seintje geven als de machinist van de tram instapt.”
Ze letten goed op en na een poosje was het zover. Theo gaf het sein en Gerrit koppelde de tramwagons af. Hij had goed gezien hoe je dat moest doen.


Links op de foto het gebouwtje van de DSM, hier gezien vanaf de Ommerdijk. Jacobus Hoeke Bolhoven met zoon Henk en neefje Jan van der Vegte staan op de berg zaagsel van houtzagerij Brinkman. Op de achtergrond het gebouw van Union rijwielen.

De tram vertrok richting Dedemsvaart. Bij Brug 6 moest de tram langzaam rijden want daar ging de tramlijn met een scherpe bocht over de brug naar de andere kant van het kanaal. Pas daar ontdekte het trampersoneel dat er twee wagons misten. Er zat niets anders op dan achteruitrijdend terug te gaan om te zien waar de wagons waren gebleven. Zo moesten ze helemaal terug naar de halte bij de Ommerdijkerbrug om de beide wagons op te halen en dat kostte een hoop tijd.
Het trampersoneel gaf de door onbevoegden gepleegde afkoppeling door aan de veldwachters Van der Neer en Van Echten. Die moesten de daders opsporen, maar hoewel ze overal zochten, waren die nergens te vinden.

Gerrit was in de hooiberg gekropen en daar in slaap gevallen. Pas tegen de avond, toen het al donker werd, is hij naar beneden gekropen. Hij had wat horen roepen. Zijn moeder was erg ongerust, ze zei dat de veldwachters er waren geweest en dat ze hem zochten. En Theo, maar die was ook in geen velden of wegen te bekennen.

* * *

GROTE OORZAAK, KLEINE GEVOLGEN _________________________________________________________

Klazien Bijker-van Hulst

Ze hebben het met hun drieën met de grootste eerbied begraven, dat dode roodborstje, gevonden tussen de struiken. In een kleine optocht, werd het beestje in een jampotje naar zijn laatste rustplaats gebracht. Eerst een rondje om het huis; grafje gedolven met een opscheplepel uit de keukenla en wat gesteggel om het steentje: te klein; niet mooi; toch weer die eerste. Randje van kleine voorjaarsbloemen er omheen. Even later liggen ze op hun knietjes om het grafje, hoofd en ruggetje gebogen, handjes gevouwen.
“En, nog gehuild?”, vroeg ik na de plechtigheid.
'Nee hoor! Ja toch, Roos, Roos heeft nog gehuild!”, riepen de oudsten. “Dat was nephuilen hoor oma!”, zei Roos.

Het is hartje zomer en de eerste tuinoogst zit al veilig in de pot en onder het deksel: bessen, aardbeien, jam, sappen. Ook de pruimen beginnen kleur te krijgen en ook die oogst zal dit jaar overvloedig zijn. Ik maak alvast de balans op van de laatste lege potten en zie dat het toch wel krapjes wordt.
Tussen neus en lippen door vertel ik later dit probleempje aan mijn kinderen die net bezig zijn hun deel van de buit naar de auto te slepen. Ik vertel ook hoe dat potje met dat vogellijkje in de voortuin de zaak nog gered heeft ….
“Maar ma, heeft u dat potje gebruikt?”, vraagt mijn schoonzoon vol afgrijzen en ik kan de afkeer wel met lepels van z'n gezicht schrapen.
“Wel ja jongen, waarom niet! Ik heb het wel afgewassen hoor. Met soda”, voeg ik er geruststellend aan toe. “En het is er maar eentje, kleine kans dus ….”
Hij antwoordt niet en is te aardig om er nog wat van te zeggen, maar zijn gezicht spreekt boekdelen.
Om te voorkomen dat over een half uurtje ergens in Drenthe of Groningen de gevulde potten in de berm belanden, heb ik hun bij het vertrek toch maar de waarheid verteld. Want wie wil er nu met het imago van viezige schoonmoeder de geschiedenis in gaan.
Conclusie: als die baron niet op het illustere idee van die vaart was gekomen, was er geen Balkbrug geweest, was dat vogeltje daar niet begraven, was die pruimenboom niet geplant en was dit (ware) verhaaltje niet geschreven.
En zo ziet u maar: grote oorzaak, kleine gevolgen.


Zwemmen in de Dedemsvaart was lang een geliefde bezigheid.

* * *

VARKEN TE WATER _________________________________________________________

Klaas Jan Talen

Toen ik een jaar of dertien was, inmiddels al weer zo’n 45 jaar geleden, woonde ik aan de Hoofdvaart NZ 38 (nu Oosterhulst). Met enkele buurjongens was ik ’s middags aan het vissen, zoals we dat in die tijd na schooltijd en in de vakanties veel deden. Aan onze kant van de Dedemsvaart was een hoge wal, met betonnen beschoeiingplaten. Tussen de “drukke” weg en het kanaal was een circa twee meter brede berm en daar kon je prachtig zitten vissen. Aan de andere kant van het kanaal, de Zuid Zijde, was een “kleine” verharde weg en een minder hoge kanaalberm met een beschoeiing die uit houten paaltjes bestond. Langs die kant in het kanaal kon je soms ook staan, al naar gelang de waterstand, maar in de tijd dat dit verhaaltje speelt, was het kanaal goed gevuld met water.


De Dedemsvaart met Brug 5, nu Oosterhulst.

Opeens was er veel lawaai vanaf het erf tegenover ons, dus vanaf de overkant van het kanaal. De buurman, Hendrik Jan Prins riep: “Griep um, griep um!”. Vanaf het erf van Prins zag ik een “motte” aan komen rennen en daarachter een wild gebarende en schreeuwende Hendrik Jan. Het vrouwelijke varken was hier kennelijk bang voor en bedacht zich geen moment. De “motte” rende zo van het erf, dwars over de kleine weg, het kanaal in. Tot mijn verbazing kon het varken zwemmen, want het bleef niet alleen drijven op haar spek, maar trappelde zodanig met haar poten dat ze in een mum van tijd midden in het kanaal was en even later zelfs aan onze kant van het kanaal. Ada Kok was er niets bij. Hendrik Jan sprong er niet achteraan maar bleef vol ongeloof in de berm staan. Het varken kon aan onze kant natuurlijk nooit tegen de betonnen beschoeiing op komen, dus ze moest weer naar de overkant. Goede raad was duur want het varken liet zich vanaf de wal ook niet terugjagen. Ik heb mijn kleren uitgetrokken en ben in mijn onderbroek in het kanaal gesprongen om het varken naar de overkant te trekken of te duwen.


In het tweede huis van links (gedeeltelijk zichtbaar met schoorsteen) had horlogemaker Van de Velde uit Hasselt zijn Nieuwleusense filiaal. Rechts café de Unie en op de achtergrond bakkerij Bijker en de Ommerdijkerbrug.

Zoals velen van jullie zullen weten is er een uitdrukking “Hij is zo eigenwijs als een varken”. Die uitdrukking was letterlijk op deze “motte” van toepassing. Ik probeerde het varken aan de oren het diepe weer in te trekken maar het varken was sterker en had daar langs de kant een beetje grond onder de poten. De “motte” trok net zo hard de andere kant op, dus het lukte niet. Hendrik Jan had vanaf de overkant goede raad. “Trek um mar an de stat”. Zo gezegd, zo gedaan en warempel, toen ik dat deed ging het varken naar voren, het diepe weer in en zo naar de overkant. Ook daar kreeg het varken weer vaste grond onder de poten en Hendrik Jan pakte het beest aan de oren om het op de wal te trekken. Dat had Hendrik Jan niet moeten doen want het varken rukte zich los en ging het diepe weer in en weer naar de hoge walkant aan de NZ. Ik zwom ook weer naar de overkant. Daar het varken maar weer bij de staart gepakt en ook dit keer lukte het. Het dier zwom weer naar de overkant maar wist zich weer los te rukken toen het door Hendrik Jan aan de oren getrokken werd. Dat ging zo een keer of vijf. Gelukkig had het varken minder uithoudingsvermogen dan ik. Uiteindelijk lukte het mij om het varken een door Hendrik Jan aangereikt touw om de nek te doen. Pas toen lukte het Hendrik Jan om het varken aan de oren en met het touw om de speknek op de wal te trekken, terwijl ik het aan de staart en kont opduwde. Hendrik Jan heeft het varken aan de staart begeleid het hok weer ingedreven. Ik ben terug gezwommen naar mijn eigen kant waar de buurjongens mij de wal opgetrokken hebben, heb mijn kleren gepakt en ben naar huis gegaan.

’s Avonds bij het melken kwam Hendrik Jan mij uitgebreid bedanken. Hij vroeg: “Hej d’r ok wat an over ehoal’n?” Nee, dat had ik niet. Mij mankeerde niets en het varken ook niet. Hendrik Jan was erg dankbaar en heeft mij rijkelijk beloond, ik dacht met vijf gulden. Ik voelde me een held en was de koning te rijk. Pas de volgende morgen merkte ik dat er vocht in mijn net nieuwe horloge gekomen was, dus daar moest ik mee naar horlogemaker Van de Velde aan de Backxlaan. Dat grapje kostte me zes gulden en dus: “Ik had er niks an over ehoal’n.” Ik heb de overbuurman nooit verteld dat ik zo dom was geweest om mijn horloge om te houden.


Den Hulst in 1957 gezien vanaf de toren van de landbouwvereniging.

* * *

DE VROUW VEUR OOG'N HOALN _________________________________________________________

J.H. Harsta-Ardesch

’n Stillen zommeroavend
elk hef zien werk edoan
behalve ’t schipperswiefke
dat ’n jaagpad langs kump goan.

Zee trek ’n verfloos törfschip
de zeilen dee hangt slap
zee vordert mar heel langzaam
geet meujzaam stap veur stap.

’t Is zo te zeen geen weelde
doar biej die twee an boord
allich gin geld veur ’n jager
en ’n schipper mut toch voort.

Dus mos de vrouw in d’ liene
al valt eur dat ok zoer
de schipper met zien piepke
steet fluitend an ’t roer.

Oonz’n buurman den ’t begroot’n
van d’arme schippersvrouw
sprak, schipper iej moss’n ruil’n
en zelf is in het touw.

Zo ak ’t bekieke, teun iej
neet volle mededoog’n
de schipper sprak: mien leve man
ik hoal de vrouw veur oog’n.

Dit gedicht van J.H. Harsta-Ardesch uit Wierden werd gepubliceerd in “Gedichten van eigen erf”. Hengelo, Broekhuis, 1981.

* * *

LICHTMISKANAALVERHAAL _________________________________________________________

Roelof Stolte

Wij woonden aan het Lichtmiskanaal, aan wat toen Rijksweg heette en nu de Hermelenweg is. Aan de straatwegkant groeiden op de oever van het kanaal allemaal elzenstruiken. In het voorjaar broedden veel eenden er hun eieren uit. In het kanaal groeide veel kalmoes. Met een vlot van vier aan elkaar vastgemaakte olievaten gingen wij als jongens die kalmoes eruit trekken. Die werd dan verkocht aan de specerijfabriek van Ten Doeschate in Wapenveld. Zelf gebruikten we de kalmoes ook om er proppen van te schieten.
In het kanaal zat veel vis zoals paling, snoekbaars, blei en voorn. Ook zwommen er dikke ratten in. Vissen deden we met een bonenstok en voor het snoer gebruikten we “simtouw”. Als dobber deden een kippenveer en een kurk dienst, als haakje een veiligheidsspeld.
Er werd van alles in het kanaal gedumpt, van dode varkens tot prikkeldraad. Je kunt het zo gek niet bedenken, maar als je wat kwijt wilde, gooide je het gewoon in het kanaal en niemand zag er meer wat van.

Als het ’s winters hard genoeg gevroren had, schaatsten we op het kanaal. Wim Logtenberg, die aan de overkant van het kanaal woonde, was altijd een van de eersten die over het kanaal kroop om bij ons aan de Rijksweg te komen.
Als we konden schaatsen zongen we op school:
                   Meester, meester, beste man
                   Nu het ijs weer lijden kan
                   Mogen wij alstublieft met de hele rij
                   Vanmiddag een uurtje eerder vrij?

’s Zomers leerde de vader van Wim Logtenberg aan de jongens uit de buurt het zwemmen. Ze kregen een koetouw om de buik geknoopt en hup het water in en zwemmen maar. Het was altijd een veilig gevoel aan zo’n touw. Ging je kopje onder dan werd je zo aan de kant getrokken.

De Rijksweg was een smalle weg en door het toenemende autoverkeer werd het er steeds drukker. Er gebeurden veel ongelukken, vooral bij mist. Ik denk dat er in de loop der tijd zo om de 25 meter wel een auto in het kanaal is gereden.

Een takelwagen van garage Leerentveld uit Zwolle moet een te water geraakte vrachtauto uit het water halen. Een deel van de flessen sterke drank was al op de berm in veiligheid gebracht (foto R. Stolte).




Naast de Hooibrug kwam in de winter van 1964/65 een vrachtauto geladen met drank in het water terecht. Er kwamen natuurlijk mensen op af, ramptoeristen zouden we nu zeggen. Ik was daar ook een van en samen met andere omstanders maakten we goed gebruik van de situatie. Met flessen cognac en frisdrank heb ik mijn weg naar huis vervolgd.
Ook ging er een keer een vrachtauto geladen met flessen melk het kanaal in. De chocomelk smaakte lekker!
Een ander ongeluk wat ik me nog herinner is dat van een blauwe Renault 5 die in het kanaal terechtkwam. Een vrachtwagenchauffeur had het zien gebeuren en heeft de bestuurder van het Renaultje uit het water gehaald. Hij was student in Groningen en werd buiten kennis bij ons thuis op de deel gebracht. Met een ziekenauto werd hij naar het ziekenhuis vervoerd. Twee dagen later zijn mijn broer en ik hem daar gaan opzoeken. De student zat rechtop in bed en er omheen zat veel familie, die er een groot feest van maakte omdat het slachtoffer de volgende dag al weer naar huis mocht. Hoe het verder met hem is gegaan weet ik niet want het is bij een eenmalig bezoek gebleven.

Een eind verderop richting Zwolle woonde een familie Lohuis aan de zandweg aan de overkant van het kanaal. Men noemde het daar de Markte. Ze woonden ongeveer op de plek waar nu het gelijknamige benzinestation is. Vader Lohuis had een bootje waarmee hij vaak over het kanaal voer om een buurpraatje te maken met de familie Padberg. Deze had een rijwielzaak tegenover hen aan de Rijksweg. Op een keer hebben we een kwajongensstreek uitgehaald die Lohuis een wandeling van zo’n vier kilometer opleverde om weer thuis te komen. We hadden zijn bootje namelijk naar de overkant gevaren en het daar vastgelegd.
Op zaterdagavond kwamen de kwajongens uit de buurt samen bij de Steenweteringbrug, waar we ons dan zaten te vervelen. Meestal waren we met een stuk of vijf jongens. Bij de Steenweteringbrug was het kleine kruidenierswinkeltje met bakkerij van Padberg. De winkel was altijd open tot de familie naar bed ging. Vaak gingen we bij Padberg een rolletje drop van vijf cent kopen. We deden dat niet allemaal tegelijk, maar zo om het kwartier ging een van ons een rolletje halen. Zo waren ze altijd druk en eigenlijk was het ook wel een beetje gemeen van ons. Maar zo’n zestig jaar geleden was er verder ook niks te beleven aan het kanaal. Er was alleen de drukte van het verkeer dat na de oorlogsjaren steeds meer toenam. We keken er naar zoals men later speciaal naar de Rijksweg en daarna naar de autoweg kwam wanneer het TT-verkeer vanuit Assen weer naar huis terugkeerde.


Hannie van Haarst-Ubels aan de Rijksweg met naastgelegen fietspad bij het verkeersbord nabij De Lichtmis.

* * *

DEN HULST VAN TOEN _________________________________________________________

Klazien Bijker-van Hulst

-















-


-







-











-



-














-









“En an dizzen kaante blieven. Oppassen veur de weg en veur de voart”. Zie een kind met een karbiesje dat een boodschap moet doen voor haar moeder die waarschuwt dat er ook nog wel eens een auto langs kan komen.
De angst school bij mij echter meer in de schepen want dat was zo'n ander soort wereld. Dat waren mensen die onderweg waren en die namen wel eens kinderen mee! Dus even achter een struik als er eentje op komst was. Die angst was gauw over toen er af en toe voor enkele dagen bij ons schipperskinderen meedraaiden op school, gewone aardige kinderen. En toen vrouw Krul, de moeder van de jongens Krul ons zomaar naar binnen nodigde - omdat we nota bene door de ruitjes stonden te gapen - en ons alles liet zien, de slaapplaatsen, het woongedeelte en ook nog een en ander vertelde, zou je best een reisje willen meemaken met zo'n hartelijke vrouw aan boord.
Ach, die vaart, ons broertje ving er geregeld kleine visjes (schele post). “Aweer een schele bode”, riep hij dan al op het weggetje. Zelfs de kat haalde z'n neus er voor op.
Boodschap doen voor m’n vader, ik ben een jaar of zes zeven, zit net die bel te hoog. Al een tijdje vergeefs staan rekken, komt er een schip aanvaren met twee kinderen van ongeveer mijn leeftijd aan boord. Nou dat werd lekker jennen dus. Veilig op je boot, het water er tussen: “haaa, kan niet bij de bel komen, haaa, kan niet ….. “, vijf keer, tien keer, m'n kop steeds rooier en de bel steeds hoger.
Het huis staat er nog en de bel zit nog op dezelfde plaats.
Wanneer het ging vriezen, was het de meest gestelde vraag: “wanneer zol e, (de vaart) lien kunnen?”
En elk jaar weer was er diezelfde vader die het als eerste waagde om zijn twee dochters naar de overkant te brengen. Hoefden ze niet de brug rond. Dit alles onder ons toeziend oog! Werk aan de winkel voor Teunis Tempelman, de man die de schaatsen sleep want de eerste wedstrijdjes werden al gauw gepland. Je kreeg een middag vrij van school en dan op een gegeven moment was daar het geluid van de ijsbrekers. De mensen en dieren kregen voorjaarskriebels en met name de schippers en de boeren stonden te trappelen.
Ons schoolreisje in oorlogstijd: Klein Artis, een schip met opgezette dieren (en ik dacht ook enkele levende) heeft een tijdje voor de wal gelegen. Alle scholen in de gemeente konden er gebruik van maken.
Zoals nu het verkeer op de weg, vroeg ook destijds de Dedemsvaart zijn offers.
Zo was er het verhaal van mijn ouders: een boer wiens paard voor de wagen op hol sloeg en waarbij beiden, voerman en paard, in het kanaal terecht kwamen en niet op tijd gered konden worden. Evenmin als die moeder van jonge kinderen, op wie die donkere winteravond in de oorlog vergeefs werd gewacht. Verdronken. Alles moest immers zwaar verduisterd zijn. Dat werd ook die oudere man noodlottig, die zomaar uit het verlichte huis de duisternis instapte en, net iets te ver, in de vaart terecht kwam. De volgende morgen gevonden. Ook was daar op die gewone zondagmiddag die jongen van een jaar of veertien, die met zijn fiets in het water kwam en verdronk. En dat was alleen al in Den Hulst!
Als slot van deze toch wel vreemde potporie nog een verhaal van mijn vader met een positief tintje: “De bolle van Van Dedem.” Deze “mijnheer” heeft voor veel en goed nageslacht gezorgd onder de veestapel. Met name in Den Hulst en naaste omgeving werd tegen wat extra betaling door de boeren gebruik gemaakt van deze stier. Dat was generaties later nog te merken, nl: het vetgehalte van de melk, gemeten in de zuivelfabriek in Den Hulst, bleek hoger dan dat in de fabriek in Nieuwleusen. Dat werd dus op het conto van "De bolle van Van Dedem" geschreven.

* * *

PAARDEN OP HOL _________________________________________________________

Meppeler Courant 17 januari 1939

DEN HULST. Toen Maandagmorgen de landbouwers Blik en Klunder zich met de z.g. lankwagen op de weg bevonden om een vracht hout te halen, sloeg nabij Brug zes het dartele span paarden plotseling op hol. Blik, die het eerst gevaar duchtte, sprong al spoedig van de slingerende wagen en even later Klunder eveneens. De paarden holden echter verder en nabij de Stouwe - voordat er andere ongelukken gebeurden - ging het span met de wagen de Dedemsvaart in. Spoedig toegeschoten hulp gelukte het de vracht weer op de vaste wal te brengen. Een paard was echter niet genegen zoo maar het natte element te verlaten, zoodat Klunder er bij in ging en zoodoende het dier ook op het droge kon brengen. De heer Blik, die zooals gezegd van de wagen is gesprongen, kwam nog al onzacht op de weg terecht en bezeerde zich aan schouder en rug. Hij heeft zich onder geneeskundige behandeling moeten stellen. Verder liep het ongeval met de schrik en een nat pak, behoudens een lichte averij aan de wagen, goed af.

* * *

HET PAALTJE _________________________________________________________

André Mijnheer

Het was aan het einde van de Tweede Wereldoorlog. Er was een plan dat de Duitse bezetter de Ommerdijkerbrug op zou blazen zodra ze in het nauw kwamen. Daarom hadden ze al een paaltje geplaatst op de plek waar de afstandsbediening moest komen en dat was vlakbij de takkenbosmijt van bakkerij Bijker.
Gerrit, een jongetje van een jaar of vier vijf, hield de boel goed in de gaten. Hij woonde aan de overkant van het kanaal naast “de Unie”. Zijn vader was die dag aan het brandhout maken. Gerrit dacht dat het een mooi paaltje voor mijn vader zou zijn want die was toch aan het zagen. Hij haalde het paaltje weg en gaf het aan zijn vader die er direct brandhout van maakte. Zo, nu kunnen ze de brug ook niet kapot maken!
Een tijdje later kwam vrouw Bijker aangelopen, helemaal in paniek en overstuur. “Ze willen onze Jaap doodschieten want die kreeg de schuld dat het paaltje weg is. Ze hebben jullie Gerrit zien lopen met het paaltje.”
“Nou,” zei de vader van Gerrit, “dan moeten ze mij maar doodschieten want ik heb dat paaltje al kapot gezaagd.”
Gerrit moest direct aan de hand van zijn vader mee naar de overkant naar de Duitsers. Hij was heel erg bang dat ze zijn vader dood zouden schieten. Ze hebben in half Duits - half Nederlands uitgelegd dat Gerrit het paaltje had weggenomen en niet Jaap en dat het nu al brandhout was.
Daarna begonnen de Duitsers heel hard te lachen en zeiden dat ze wel een nieuw paaltje zouden maken. Toen was iedereen blij, vrouw Bijker en Jaap en ook Gerrit en zijn vader.
Een paar dagen later is de Ommerdijkerbrug over de Dedemsvaart toch opgeblazen en daar waren ze niet zo blij om!


Advertentie in de Leeuwarder Courant van 26 augustus 1845.

* * *

OVER DE DEDEMSVAART _________________________________________________________

Albert Voorhorst

Voor café Nijmeijer, later Vonder en Huzen, stond op de hoek van de Ommerdijk en de Hoofdvaart een klein huisje. Het was de brugwachterwoning waar ik ben geboren en waar we tot 1956 hebben gewoond. Toen zijn we verhuisd naar het dubbele woonhuis dat er nu nog staat op de andere hoek.


De brugwachterwoning op de hoek van Ommerdijk en Hoofdvaart op een ansichtkaart van omstreeks 1920.

Mijn moeder bediende de Ommerdijkerbrug. Toen ik 16 jaar was heb ik dat ook wel gedaan. In die jaren waren de schepen niet zo groot, ongeveer 100 tot 140 ton.
Mijn vader is sluiswachter geweest bij Sluis 2 aan De Lichtmis, bij Sluis 3 en bij Sluis 4 halverwege Balkbrug. In de zomermaanden werden de bruggen en sluizen bediend van halfzes ’s morgens tot ’s avonds negen uur. ’s Winters was dat van zeven tot zes uur. Toen ik nog naar de lagere school ging, moest ik mijn vader eten brengen aan De Lichtmis. Ik ging met de EDS-bus, dat ritje kostte twintig cent.


Mevrouw Voorhorst, met schort, bediende de Ommerdijkerbrug.

De Hulster schepen haalden turf uit Klazienaveen naar Den Hulst en als ze weer thuis waren kwamen de boeren met paard en wagen om turf te halen. Het was harde turf en ook wel bolsterturf. Ook voeren er schepen voor de landbouwvereniging in Den Hulst en voor de Union hout- en bouwmaterialenhandel.


Mevrouw Voorhorst laat een schip door de Ommerdijkerbrug.

Enkele keren is het kanaal helemaal dichtgevroren geweest, dat was in de jaren 1954, 1956, 1962/1963. In die laatste winter was dat van half december tot half maart.
In 1959 werd het 150-jarig bestaan van het kanaal de Dedemsvaart gevierd. Het was een heel droog jaar en voor de scheepvaart was het helemaal geen feest. Vanwege de lage waterstand was scheepvaart toen niet mogelijk.

De eerste berichten dat het kanaal gesloten zou worden kwamen in 1960. De schepen werden te klein voor wat vervoerd moest worden en vrachtauto’s namen het veelal over, ook al omdat die sneller op de plaats van bestemming konden komen. Omdat de weg langs het kanaal vrij smal was, kwam er behoefte aan een bredere weg. Het duurde nog tot 1965 voordat definitief besloten werd het kanaal te dempen. Daar waren we helemaal niet blij mee. In 1967/68 heeft mijn vader de laatste schepen nog door de sluizen gelaten. Daarna zijn we verhuisd naar Zwartsluis, waar mijn vader voor de plezierboten de recreatiesluis bediende. Dat heeft hij daar gedaan tot 1978, waarna mijn ouders weer naar Nieuwleusen teruggegaan zijn.


Brug 5, ook wel Withaarsbrug of Koeriersbrug genoemd, omstreeks 1962.

* * *

KATTENKWAAD _________________________________________________________

André Mijnheer

Het zal zo omstreeks 1950 geweest zijn. We kwamen om 12 uur uit school. Wie dichter bij de school woonde was lopend en wie wat verder weg woonde was op de fiets, zo ook die middag.
In het kanaal aan de steiger van de melkfabriek in Den Hulst lag een werkbok afgemeerd. Ik denk dat ze die gebruikten voor herstel van de beschoeiing. Een van de jongens van Katoele bedacht: die slepen we een eind verder mee aan de fiets. Zo gezegd, zo gedaan. Ze knoopten het touw vast aan de bagagedrager. Ze hadden de bok al iets afgeduwd en de fiets gelijk met de voorkant van de bok gezet. Bart stapte op de fiets en de andere jongens gaven hem een zetje. Het touw kwam strak te staan en Bart ging rechtsaf met fiets en al kopje onder het kanaal in. Kletsnat kwam hij weer boven water. Gelukkig was het kanaal aan de kant niet zo diep. De andere jongens hielpen hem weer op het droge en ook de fiets kwam weer op de wal.
Wat hebben we die middag gelachen. Het was best wel leedvermaak maar Bart was er toch niet boos om. Jammer dat er geen foto van gemaakt is.

* * *

SNEEUWSTORM EN EEN ALPINO _________________________________________________________

Gerrit van Faassen

Hoe verraderlijk opgewaaide sneeuw langs de waterkant kan zijn, wordt in dit verhaal duidelijk. Het verhaal speelt wel langs de Dedemsvaart, maar niet in Den Hulst. Toch had het hier evengoed kunnen gebeuren (en misschien is hier ook ooit wel eens iets dergelijks voorgekomen). Red.

Dit is een avontuur in de winter van negentienhonderdachtenvijftig. Achter in februari legde een sneeuwstorm het verkeer lam in het noordoosten van het land. In het zuiden was het dooi. De Dedemsvaart was niet dicht gevroren maar het leek wel of de vaart smaller was geworden door de opgewaaide sneeuw.
Wij woonden op Sluis 7. Mijn vader was daar sinds een jaar sluiswachter. Met ons drieën, mijn vader, mijn zus Alie en ik, bewoonden we het westelijke gedeelte van het sluiswachterhuis aan de Tottenhamstraat 19. Ik was in juni 1957 teruggekomen uit Nieuw-Guinea en was in een nieuwe buurt terechtgekomen. Ik ben geboren en getogen in Lutten, waar ik in 1935 aan de vaart geboren ben. Door het verenigingsleven had ik in Lutten meer binding dan op Sluis 7. Mijn beste kameraad Jan woonde ook in Lutten, in een oud boerderijtje in de bocht van de Krimvaart (Lutterhoofdwijk).
Op die dag, ik meen 25 februari, toen er zoveel sneeuw was gevallen, was er ’s avonds een repetitie van een toneelstuk in Lutten, ik dacht van de padvinderij, in het Jachthuis, maar ook dat weet ik niet zeker. Wel dat ik die bewuste avond, toen het sneeuwen wat minder was geworden, besloot om naar die repetitie te gaan, ondanks de goede raad van mijn vader om het niet te doen. De wegen waren eigenlijk onbegaanbaar. Ik zei: “Ik goa eerst noar Jan en dan bekieke wi’j het wel.”


Het 86 ton metende schip van Westerbaan uit Koudum wordt geschut in Sluis 7 in de Dedemsvaart te Lutten (foto van de schrijver).

Zo gezegd, zo gedaan. Laarzen en een dikke overjas aan, alpinomuts op en toen op weg. Het begon een beetje te vriezen en het was glad. Er was geen mens aan de weg en in de luwte van de huizen kon ik nog redelijk vooruitkomen op de fiets, maar op het kale stuk tussen Van de Vecht en bakker Schepers ben ik gaan lopen. Tot aan de brug van Schrijver kon ik nog fietsen maar toen was het gebeurd. Want na de brug moest ik linksaf de Krimvaart op, nu Stobbenplasweg. De noordenwind was zo sterk dat fietsen niet meer ging. Met de fiets aan de hand over de glad besneeuwde weg bereikte ik Jan z’n huis. Daar keken ze ook raar op toen ze hoorden van mijn plannen. Ook daar sloegen we goede raad in de wind en besloten om lopend naar Lutten te gaan. De fiets zou ik op de terugweg wel weer meenemen. Ook Jan pakte zich goed in en zette ook een alpinomuts op.
En doar gung ’t hen! Met de wind in de rug en op een sukkeldrafje slenterden we over de weg. Dan was de een weer een eind voor, dan de ander weer. Normaal lopen lukte niet. Bij Schrijver stoven we door de bocht, richting Lutten, en ik liep een eindje vooruit.
Opeens hoorde ik achter me Jan schreeuwen: “Help mi’j, help, ik zitte in de voart.”
Eerst dacht ik dat hij een grap maakte, maar hij schreeuwde opnieuw: “Help mi’j, schiet op man!”
Teruglopend zag ik dat het allesbehalve een grap was. Jan zat tot aan zijn middel in sneeuw en water en probeerde tegen de gladde wal op te kruipen, wat hem maar niet wilde lukken. Wat was er gebeurd?
Een windvlaag was er met z’n alpinomuts vandoor gegaan in de richting van de vaart en Jan was er niet op verdacht dat er zoveel sneeuw tegen de walkant lag en was via de berm in het ijskoude water geschoten.
Op mijn buik liggend ben ik toen heel voorzichtig op hem aangekropen, heb hem bij zijn handen gegrepen en langzaam op me aan getrokken, de wal op. Dat ging nog niet zo heel gemakkelijk. Ik had ook zelf in het water kunnen schieten.
Tegen de wind in zijn we toen weer naar Jan’s huis gesukkeld. Gelukkig was alles goed afgelopen en kon Jan thuis zijn stijf bevroren kleren uitdoen en weer warme kleren aan.
Na een kop warme koffie ben ik met de fiets aan de hand toen al gauw richting Sluis 7 gegaan, alwaar ik ons avontuur van die avond aan mijn vader en zus vertelde, toch heel, heel erg blij dat het allemaal goed was afgelopen.

De volgende morgen was Piet Dam van de kruidenierswinkel in Lutten al op tijd bij ons om bestellingen op te nemen. Hij had mijn kameraad Jan gesproken, die op zoek was naar zijn afgewaaide alpinomuts. Het heugt me niet meer of hij die ook weer gevonden heeft.

* * *

NIET LANGS MAAR IN DE VAART _________________________________________________________

Hendrik Kouwen en Janny Pessink-Kouwen

Het gebeurde omstreeks 1946. Ik, Hendrik, was een jaar of zestien. Het vee werd meestal nog met paard en wagen vervoerd en zo ook bij ons. Mijn vader handelde in varkens en natuurlijk werden wij als kinderen bij het werk betrokken.
Op de bewuste dag moest ik met paard en wagen een varken van Herman Blik halen. Herman’s zoon Jan zou me daarbij helpen. Mijn vader veranderde nogal eens van paard en zo kon het gebeuren dat we de ene keer een makker paard hadden dan een andere keer. We hadden op dat moment een zenuwachtig en gespannen paard en daar moest ik mee op pad. Aan de zuidkant van het kanaal waar wij woonden, was de weg nog onverhard. Het was winter, de grond was hard bevroren en op de vaart lag een laagje ijs. Hoewel de veewagen op luchtbanden liep, werd het paard toch erg zenuwachtig van het gerammel van de wagen op de harde grond. Het paard nam opeens een vlucht en ik moest het leidsel loslaten. Als ik dat niet gedaan had dan was het met mij niet zo goed afgelopen. Met de wagen achter zich scheerde het paard rakelings om de hoek van het huis en ging regelrecht op de vaart aan en vervolgens erin. Het ijs was nog lang niet sterk genoeg om te houden en dus verdween zowel het paard als de wagen in het water. Tussen de ijsschotsen door zwom het paard naar de overkant.
Daar waren de buren inmiddels op het rumoer afgekomen. Met man en macht is het ze gelukt om eerst het paard en vervolgens de wagen weer op het droge te krijgen.

Met datzelfde paard heb ik (Janny) ook wel gewerkt. Ik moest in de zomermaanden voor mijn vader het hooi schudden. Ik mocht dat werk graag doen. Achteraf heb ik gehoord dat mijn moeder wel haar bedenkingen heeft gehad om mij met dat paard te laten werken. Gelukkig is het verder allemaal altijd goedgegaan.
Het is al vaker gezegd en geschreven: de meeste mensen die aan het kanaal woonden leerden het zwemmen en schaatsen in en op de vaart. Wij waren geen uitzondering op die regel. Wat het zwemmen betreft, daar had onze vader geen tijd voor om ons daarbij te helpen. Hij was meestal “de boer in”. Wij kregen dan ook hulp van buurman Bouwhuis. We werden aan een touw geknoopt en Bouwhuis hield het touw vast terwijl wij het zwemmen probeerden machtig te worden. Als we zwemmend aan de overkant van het kanaal konden komen, mocht het touw af en konden we zwemmen.
Schaatsen hebben we zelf geleerd achter een stoel. Toen ik het een beetje kon mocht ik de zwierschaatsen van buurman Bouwhuis lenen. Ze waren me wel te groot, maar het lukte goed om er op te schaatsen. Later heb ik nog eens een paar schaatsen van mevrouw Goselink gekregen. Ze werden gekocht in ruilhandel: een paar schaatsen voor spek en graan. Zo ging dat in die tijd net na de oorlog. Er was toen nog niet veel te krijgen.
Het schaatsen heb ik altijd met veel plezier gedaan. Als ik er nu aan terugdenk, kan ik er nog van genieten.

* * *

VAN EEN STRENG WINTER EN EEN STRENG KRALLEN _________________________________________________________

M. Pouwels-Bos

Er zijn honderden verhalen over de Dedemsvaart, soms waar gebeurd, soms ook niet helemaal. In ons kwartaalblad heeft u er dit jaar van kunnen lezen. Sommige van die verhalen groeien uit tot een legende zoals onderstaand. Het is geschreven in het dialect van Hardenberg. Red.

Een kissieskerel gung met een grote vierkaante ladenkiste op de rugge in de strenge winter van 28/29 op de schaatsen over de Dedemsvoart van Lutten noar Coevorden. Hi-j dacht, met een bettie geluk lig het onder de brugge ok dichte, dan hoef ik ok niet te klunen en schöt 't better op. Bi-j 't Haantie nemp hi-j een flinke anloop, zet de biene noast mekare, bukt zich en wol zo onder de brugge deur. Maar deurdat hi-j zich bukte, kwaamp de kiste in de heugte en knalde hi-j tegen de brugge an en vleug met dezölfde gaank ok weer terugge, veul steil achterover en bleef bovenop de kiste liggen. Doar lag hi-j , 't was net een meikever die a'j uut de boom schudt en din dan met de poten in de heugte lig. Jongeluu die doar ok an 't scheuveln waren, hebt hum ehölpen, want alle lagies waren uut de kiste vallen en de negotie lag her en der op 't ies tot in 't luus toe.
De zommer doarop zat ter een jong stellegie te vissen bi-j 't Haantie. De jonge pakte ziene pierenpot nog is weer onder uut 't luus um opni-j weer een wörm an 't hakie te doen, maar zöt gelieke wat roods in 't water liggen. Hi-j zeg tegen zien deerntie: "Hoal mi-j is vaste bi-j de jasse dan probeer ik dat te pakken." "Pas op, valt niet in de voart, ie kunt niet zwömmen, straks verzoep ie nog", zeg zi-j. Maar het lukte, het was een streng bloedrode krallen, die hi-j met een dikke smok an zien deerntie gaf, niet begriepende hoe dat doar in 't water kon liggen.

* * *

INHOUD JAARGANG 27 _________________________________________________________





10 
12 
18 
19 
20 
22 
23 
24 
25 
28 
29 
34 
35 
37 
40 
41 
44 
45 
46 
48 
51 
51 
54 
55 
56 

Mijn kanaalverhalen
De Dedemsvaart als rode draad
Leven langs de Dedemsvaart
De Dedemsvaart
Sluis III rond de jaren veertig
De schippersfamilie Van Haarst
In volle vaart langs de vaart
Vissen in de vaart
Zwarte beer te koop
Een borreltje halen
Te water geraakt
Anders dan wij dachten
Dedemsvaartverhalen
Geachte baron
An ‘t kanaal
De tram met wagons
Grote oorzaak, kleine gevolgen
Varken te water
De vrouw veur oog’n hoaln
Lichtmiskanaalverhaal
Den Hulst van toen
Paarden op hol
Het paaltje
Over de Dedemsvaart
Kattenkwaad
Sneeuwstorm en een alpino
Niet langs maar in de vaart
Van een streng winter en een streng krallen
Inhoud jaargang 27



____________________________________________________


Jaargang 28 nummer 1 maart 2010


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina: _________________________________________________________

Boerderij Oosterveen 67 omstreeks 1985.

* * *

DE MELKBUS VERDWEEN _________________________________________________________

Gees Bartels

De melkbus. Af en toe zie je hem nog ergens staan – als nostalgische herinnering aan vroeger:

Gebeukt, gedeukt, toch hield je stand,
en was je de boer zijn rechterhand.
Weleer vaak blinkende een majesteit,
maar nu verdrongen door de moderne tijd.
Nu sta je na veel geploeter en gemier,
te roesten in de hoek, of te pronken voor de sier.
Maar weg is nu voorgoed je dienstbetoon,
slechts een simpel gedichtje is je loon.

M. Oonk uit Breedebroek schreef bovenstaand gedicht, dat werd gepubliceerd in het boek “De laatste melkbus”, in 1989 door Coberco uitgegeven toen de melkbus grotendeels was vervangen door de melktank. In dat boek wordt teruggekeken op de betekenis van de melkbus voor de melkveehouderij. Wij kregen het boek te leen van Hendrik Jan Pessink en hebben aan de hand daarvan een sterk verkort en op Nieuwleusen passend verhaal gemaakt. Daarom beginnen we met nog een gedicht uit dat boek, nu geschreven door mevrouw Prins uit Nieuwleusen.

Waor bleef de tied?

Waor is toch die tied ebleem,
dat een paar boeren kwamen bie mekaar.
Want um al heur melk te kaarnen,
die taoke worn heur toch te zwaor.

Een melkfabriek mos er komen,
de ritten worden uutbesteed.
Met peerd en wagen worn de bussen op’ehaald.
’t Bint dingen die’j niet gauw vergeet.

Melkgeld bracht de melkrieder
bie de vrouwe vaak in huus.
Hij kon zich dan ee’m warmen,
dronk een komme koffie bi’j ’t fornuus.

Mar nouw giet het leste jaor in
dat de melk in de bussen giet.
Want een melktank mut d’r koomn,
daor mee blief wi’j bij de tied.

De melktank raost dan langs de wegen,
het mut allemaol zo snel.
Dat ’t niet bie ’t olde kan blieven
wete wi’j ok allen wel.

Mar kiekt samen nog ies umme
in disse tied van veuruutgang.
Hoe ze vrogger samen warkten:
det was Onderling Belang.


De komst van de melkbus
Aan het begin van de 19e eeuw werden overal op het platteland melkfabrieken opgericht. Dat
betekende dat de melk vervoerd moest worden van de boerderij naar de fabriek. Tot die tijd
werkte men vaak alleen met melkemmers van waaruit de melk werd overgeschonken in
“balies” (ronde houten of koperen vaten die aan de binnenkant vertind waren). Deze stonden op een
koele plaats en dagelijks werd daarin de melk afgeroomd voor het maken van boter.
Met de komst van de melkfabrieken kwam de behoefte aan melkbussen om de melk naar de fabrieken te vervoeren.
Na wat geëxperimenteer in de beginperiode ontstond de uit staalplaat gemaakte, aan de binnenkant vertinde melkbus. Weer later werd het aan beide kanten vertinnen van het plaatstaal al toegepast voor de bus in elkaar gezet werd. De melkbus kreeg een standaard maat van 30 liter inhoud. De bussen werden veelal in een fabriek in Friesland gemaakt. De boeren kochten de bussen van de melkfabriek. Iedere boer had zijn eigen busnummer dat met koperen cijfers op de schuine zijkant van de bussen werd gesoldeerd.
De melkrijder
Het vervoer van de melk werd al snel door “melkrijders” gedaan. Daarvoor ging de melkfabriek over tot aanbesteding; het werkgebied werd in “ritten” verdeeld en wie een jaar lang dit werk wilde uitvoeren kon op een rit inschrijven. De ritten werden aan de laagste inschrijver gegund, maar bij heel slechte ervaringen hield het bestuur ook wel rekening met de betrouwbaarheid van een melkrijder en liet de tevredenheid van de boeren meespelen bij het gunnen.
Voor een melkrijder was het elk jaar weer een spannende tijd, want de melkfabriek betaalde natuurlijk zo laag mogelijk. Het was hard werken voor weinig geld, maar toch waren er altijd meer inschrijvers dan er ritten waren te vergeven, omdat voor kleine boeren deze neveninkomst vaak noodzakelijk was om eigen baas te kunnen blijven of om een “kidde” (klein paard) te kunnen houden. De melkrijders wilden hun rit graag houden, maar ze wilden elkaar er ook liever niet uitwerken en het gebeurde wel dat ze van tevoren over de inschrijving overlegden. Naast een paard moest de melkrijder ook een geschikte wagen hebben.
’s Morgens vroeg werd het paard gevoerd met gehakseld haverstro, vermengd met lijnmeel en water. Dan moest de boer de eigen koeien melken of dat gedeeltelijk overlaten aan de vrouw, dan melkrijden, lossen en laden bij de fabriek, daarna de lege bussen weer afleveren, tegen de middag weer thuis en dan het eigen boerenwerk oppakken. Zo ging dat vaak, tenzij er een zoon thuis was die het werk gedeeltelijk kon overnemen.
De melkfabriek kreeg de melk graag zo vroeg mogelijk aangeleverd en de boeren stonden wel vroeg op, maar natuurlijk liever niet midden in de nacht. Zo ontstond de regel dat de melkrijder om half acht bij de eerste boer met zijn rit mocht beginnen.
De boeren moesten de melkbussen aan de doorgaande weg zetten (er waren tot de ruilverkaveling in 1953 nog maar weinig verharde wegen). Meestal had een boer die wat verder van de weg af woonde een kruiwagen of een tweewielig handkarretje waarop de bussen naar de weg werden gereden.
Stonden de bussen langs de straat of de zandweg dan tilde de melkrijder met de knie tegen de zware bus (zo’n 10 kilo + ongeveer 20 kilo melk) deze met een zwaai boven op de wagen. Stonden de bussen op de wagen, dan sprong hij er zelf op om de bussen stijf in het gelid op de wagen te schuiven.
Op een melkwagen pasten zo’n 50 bussen. Die bussen moesten het liefst goed vol zijn om bij het schudden tijdens het rijden oproming van de melk te voorkomen. (De wagens moesten daarom ook voorzien zijn van een goede buigzame vering.) Het melkbussen rijden was zwaar werk en veel melkrijders kregen in de loop der jaren een stijve rug. Bij weer en wind moest er gereden worden en vroeg of laat kreeg je wel eens een natte rug; ook erg slecht voor de spieren.


Melkrijder Albert Stolte omstreeks 1930.

Maar het was niet alleen zwaar werk voor de melkrijder; ook het paard moest zijn uiterste best doen om de zware wagen met de houten wielen waarom metalen banden zaten door het mulle zand of de modderige zandweg te trekken, want er waren per jaar maar een paar maanden dat een zandweg goed berijdbaar was.
Het melkrijden was bovendien niet van gevaar ontbloot, want ook al was er niet zoveel verkeer, de melkwagen was in het donker en tijdens mist vaak een gevaar op de weg omdat er geen of slechte verlichting op zat. Pas met de komst van de tractor veranderde dat.
In de veertiger jaren kwamen er wagens met luchtbanden, waardoor het een stuk gemakkelijker ging en weer later, rond 1960, werd het paard vervangen door een tractor.
Toen werden de ritten ook langer omdat het sneller ging en omdat een tractor meer pk’s heeft. Er gingen ook meer, wel zo’n 100 bussen op een wagen. Loonwerkers gingen de ritten aannemen om de tractoren het hele jaar te kunnen gebruiken.
Maar altijd bleef het spanningsveld: voor de melkrijder om op tijd bij de fabriek te komen en voor de boeren om de bussen op tijd aan de weg te zetten. Moeten wachten op een boer gaf ergernis, maar te vroeg door de melkrijder opgejaagd worden was even vervelend.

Hygiëne
De melk werd in het begin één keer per dag – ’s morgens – opgehaald, later twee keer. In de zomer werd op zaterdag de melk ook twee keer per dag opgehaald maar op zondag werd er niet gereden. De zondagmelk werd ‘s zomers op maandagmorgen heel vroeg, eigenlijk ’s nachts, opgehaald.
Dat betekende dat de melk ’s avonds en ’s nachts zo goed mogelijk op een koele temperatuur gehouden moest worden; ’s zomers mochten de bussen niet te warm worden, anders raakte de melk zuur. De bussen werden aan de schaduwkant van het huis gezet of in de sloot gezet of in een bak met water waarin een slang met gaatjes lag waaruit koud water uit de kraan druppelde. Maar het bleef een riskante onderneming.
’s Winters mocht de melk niet bevriezen – de winters waren vaak veel strenger dan we ons nu nog kunnen voorstellen. Vaak werden de bussen buiten gezet om af te koelen en later weer binnen gehaald.
In ieder geval kwam er heel wat gezeul aan te pas om de melk af te leveren. Vooral ‘s zomers werd bij aankomst in de fabriek gemonsterd of de melk zuur was (met alcohol, omdat die meteen de zure melk liet schiften). Was de melk zuur, dan gingen de bussen vol terug naar de boer. Dat was een strop voor de boer, die alles moest weggooien en voor die melk geen cent beurde. En het werd enigszins als een schande ervaren, want er hing dan een kaart aan de bus en dat kon de buurt ook zien.
Bij de fabriek werden de bussen vanaf de wagen op de lossteiger voor de fabriek geplaatst en door werknemers van de fabriek aangepakt: deksel losmaken en schuin op de bus leggen.
Door het hossen en stoten tijdens het werk in de fabriek verbogen dekselranden nogal eens en daarom zaten de deksels soms muurvast – met een hamer of ander busdeksel werden ze dan losgeslagen.
Door twee mannen werden de bussen aangepakt, deksel eraf en omgekiept in de weegton.
Daarna werd op een briefje geschreven hoeveel kilo een boer aanleverde. Een doorslag ging tussen een deksel en bus mee terug naar de boer. De lege bussen werden naar behoefte op de boerderij gevuld met ondermelk, wei of karnemelk en dan gingen de bussen naar de laadsteiger en op de wagen.
Teruggebracht bij de boerderij kwam het werk voor de boerin. De ondermelk werd aan de varkens gevoerd en dan moesten de bussen vooral van binnen weer brandschoon gemaakt worden om te voorkomen dat de nieuwe melk vervuild of zuur zou worden. Dat betekende: eerst de bussen omspoelen, daarna met kokend heet sodawater de bussen met een harde borstel schoonboenen tot er geen enkele aanslag meer was te bekennen – vooral de lasnaden waren erg lastig schoon te krijgen – en dan nog weer goed spoelen.


Jannie Kouwen zo’n 60 jaar geleden bezig met melkbussen als noodhulp bij een boer in de buurt van Vreeswijk.

Dit gebeurde bij voorkeur buiten of op de “geute” en veelal met gebogen rug. Dus een dagelijks terugkerend inspannend karwei en het is wel duidelijk dat vroeger een boerin met “dameshandjes” een ongekend verschijnsel was.
Waren de bussen schoon, dan werden ze schuin ondersteboven op het melkrek gezet om uit te lekken en schoon te blijven. Ook de busdeksels, melkemmers en melkzeef werden er zo bij gezet. Zelfs op de leraressenopleiding Rollecate werd speciaal aandacht besteed aan het bussenwassen.

wordt vervolgd

* * *

HOEZO DE JUISTE NAAM _________________________________________________________

Jakob de Weerd

Het is bekend dat men het vroeger niet zo nauw nam met naamsvermeldingen. Na de invoering van de Burgerlijke Stand werden namen ook nog wel eens foutief geschreven. Het onderstaande is een voorbeeld van verschillende namen en/of schrijfwijzen voor een en dezelfde persoon.
Dit artikel kwam tot stand naar aanleiding van een vraag van Harry Zanting uit Maartensdijk. De gegevens komen uit zijn archief, uit Genlias en uit ons eigen archief.


Jan Ekkel en Jennigje Hendriks Ekkel trouwen op 09-05-1784 in Den Ham. Jan Ekkel, gedoopt in Den Ham op 07-03-1742, is een zoon van Harmen Hendriks Beernink en Marie Jans.
Jennigje Hendriks Ekkel is gedoopt in Den Ham op 19-02-1758 als dochter van Hendrik Arents Ekkel en Willemina Jansen Kerkdijk. Zoals dat wel vaker ging is Jan een “Ekkel” geworden dankzij zijn huwelijk met de Ekkel-dochter Jennigje.

Hendrikus Ekkels is schaapherder en woont in Radewijk. Hij is een zoon van Jan Ekkel, landbouwer en Jennigje Hendriks en is 33 jaar als hij op 13-06-1822 in de gemeente Ambt Hardenberg trouwt met de eveneens in Radewijk wonende Janna Blootens. Zij is dan 25 jaar en dienstmeid van beroep. Haar ouders zijn Gerrit Blootens, dagloner en Merrigjen Janssen.
Uit het huwelijk worden vijf kinderen geboren, waarvan de eerste drie in Den Ham waar het gezin dan woont: Jennigje op 07-07-1823; Mannes op 28-01-1827 en Jantje op 14-11-1829. Daarna verhuist het gezin naar Nieuwleusen waar op 27-09-1833 Gerritdina wordt geboren. Ze wordt gedoopt op 27-10-1833. Als beroep van haar vader is daghuurder vermeld. De naam van haar moeder wordt in de geboorteakte geschreven als Janna Blotens.
Op 16-08-1838 wordt er in Nieuwleusen nog een dochter geboren die de naam Geesje krijgt. In deze geboorteakte staat de vader vermeld als Hendrikus Nijman, daghuurder en de moeder als Janna Blodens. Geesje wordt op 02-09-1838 gedoopt. In het doopboek is vader vermeld als Hendrikus Nijman en moeder als Janna Bloemers.

Jennigje is de oudste dochter van Hendrikus Ekkels en Janna Blootens. Zij overlijdt als Jennigje Ekkel in Nieuwleusen op het adres A93 (nu Backxlaan 67) op 25-01-1896. Op 27 jarige leeftijd trouwt ze op 01-04-1848 in Nieuwleusen als Jennigje Ekkel met Jan Brouwer, 28 jaar, landbouwer, geboren te Nieuwleusen, zoon van Jan Brouwer en Jantje Jans. In de huwelijksakte zijn de ouders van Jennigje vermeld als Hendrikus Ekkel en Janna Blooten. Laatstgenoemde tekent de akte met J. Blotens.
Jennigje Ekkel en Jan Brouwer krijgen vier kinderen die allen in Oudleusen/Dalfsen worden geboren. De oudste is Jantien, geboren 25-09-1848, die 28-04-1870 in Nieuwleusen trouwt met Engbert Bosch, 28 jaar, arbeider, zoon van Johannes Willem Bosch en Klaasje Bulder.
Het tweede kind is Janna die op 09-01-1851 wordt geboren maar jong overlijdt. Daarna volgt Hendrik Jan, geboren op 01-22-1853.
Het vierde kind wordt eveneens Janna genoemd. Zij wordt geboren op 02-02-1857. Zij trouwt op 07-04-1881 in Nieuwleusen met Hendrik Krikke, 31 jaar, landbouwer, zoon van Jan Krikke en Jantje Vlekman.

De tweede dochter van Hendrikus Ekkels en Janna Blootens is Jantje. Ze is dienstmeid als ze als Jantje Ekkel op 23 jarige leeftijd op 17-12-1852 in de gemeente Avereest trouwt met Derk Boschman, 37 jaar, boerenknecht, geboren te Ruinen, zoon van Lugger Derks Boschman en Janna Karels.
In de huwelijksakte zijn de ouders van Jantje vermeld als Hendrikus Ekkel en moeder Janna Blooten.
Uit het huwelijk van Jantje Ekkel en Derk Bosman wordt in Avereest dochter Johanna geboren. Johanna is 26 jaar als ze op 11-10-1884 in Nieuwleusen trouwt met Hendrik Bosch, 26 jaar, geboren te Nieuwleusen, zoon van Johannes Willem Bosch en Klaasje Bulder.
Jantje Ekkel is 33 jaar als ze voor de tweede keer in het huwelijk treedt, weer in de gemeente Avereest. Ze trouwt op 08-09-1863 met Kristiaan Boxem, 51 jaar, arbeider, geboren te Smilde, zoon van Lubbe Peters Boxem en Koba Jans.
Het gezin woont in Tiendeveen in de gemeente Beilen als Jantje Ekkel op 26-02-1872 overlijdt.

Gerritdina is de derde dochter van Hendrikus Ekkels en Janna Blootens. Ze trouwt als Gerritdina in de gemeente Avereest als 20-jarige op 27-01-1854 met Harm Zantinge, 34 jaar, geboren te Zuidwolde, zoon van Albert Alberts Zantinge en Hendrikje Harms.
Op 05-03-1882 overlijdt Gerritdina Ekkel te Schut in de gemeente Hoogeveen. In de overlijdensakte is haar vader vermeld als Henderikus Ekkel en haar moeder als Janna Bladens. Waarvan akte!

* * *

EEN NIEUW KUNSTWERK _________________________________________________________

Op oudejaarsdag 2009 is Nieuwleusen een kunstwerk rijker geworden. Het is een gevolg van het feit dat twee vooraanstaande Overijsselse dichters in het jaar van de viering van het 200-jarig bestaan van het kanaal de Dedemsvaart Nieuwleusen verrasten met een gedicht. “Dichter bij Overijssel” Koos Geerds uit Dalfsen schreef een gedicht waarin bewondering voor Willem Jan baron van Dedem naar voren komt. Dat gedicht hebben we eerder opgenomen in het boekje “Kanaalverhalen”. Dichter Paul Gellings uit Zwolle schreef een gedicht vol weemoed over de omgeving van de Kerkenhoek waar museum Palthehof is gevestigd. De beide gedichten hebben een blijvende plaats in Nieuwleusen gekregen. Onze vereniging heeft de beide kunstwerken op de toegangspoort van museum Palthehof aangebracht.


Belangstelling bij de onthulling van het kunstwerk op 31 december 2009.

Realisatie was mogelijk dankzij dit geschenk van de dichters en een financiële bijdrage van Luinstra Watermanagement in Nieuwleusen, die vorig jaar haar 50 jarig bestaan vierde. Maarten Fijlstra graveerde de gedichten op plexiglasplaten. Op oudejaarsmorgen heeft de onthulling van het tweedelige kunstwerk door de beide dichters zelf plaatsgevonden.
De twee gedichten verwijzen naar Nieuwleusen-noord en Nieuwleusen-zuid. Door het aanbrengen van de gedichten op elk van de pilaren van de toegangspoort van het museum, wil de historische vereniging de verbondenheid van de gemeenschap van Nieuwleusen symboliseren.

willem jan van dedem tot den berg, baron,
keek door de bril van de verlichte tijd,
hij schuwde niet de lange taaie strijd
met achterdocht en hypocriet beleid,
hij slaagde waar een ander nooit begon,
omdat hij zich voortdurend op zijn doel bezon,
willem jan van dedem tot den berg, baron;
zo groef hij zich een vaart door angst en nijd,
volkomen aan zijn denkbeeld toegewijd;
hij zag de mensen wonen wijd en zijd
en dorpen bloeien in de zomerzon;
dit schiep de man die onze harten won:
willem jan van dedem tot den berg, baron.


Koos Geerds
Dichter Bij Overijssel 2009-2010

Nieuwleusen

In het donkere huis aan het Westeinde
omringd door bomen
en door rododendrons
zou ik een zomer kunnen wonen

's morgens schrijven in de achtertuin
over levens die ik hier vermoed
's middags in de lanen zoeken
naar de samenhang

is dit de kern misschien - een vijver
bij een bushalte, tegelijk oog en hart
ondoorgrondelijk en zwart

jammer dat de vriend die ik hier had
voor altijd slaapt onder een rots
aan een roomwitte hortensiarivier

en zwijgt over Nieuwleusen

maar er is genoeg om het een zomer
lang te doen met mijn vermoeden over
wat er speelt in huizen afgeschermd
door rododendrons en door bomen

's morgens schrijven in de achtertuin
's middags in de lanen zoeken
's avonds staren naar de viersprong
waar je nog alle kanten uit kunt

Paul Gellings




* * *

PROFESSOR JAN WATERINK _________________________________________________________

In het kwartaalblad van december 1984 schreven we al eens over hem: Jan Waterink, een man die landelijke bekendheid kreeg en in Den Hulst werd geboren. Dat was op 20 oktober 1890. Zijn vader was hier van 1 juni 1890 tot 18 september 1893 oefenaar van de Dolerende Kerk. Op laatstgenoemde datum gingen deze kerk en de Christelijke Gereformeerde Kerk samen verder als de Gereformeerde Kerk en vertrok de familie Waterink naar elders.
In het hiervoor genoemde kwartaalblad werd vermeld dat Jan Waterink ongehuwd bleef. Dat blijkt onjuist te zijn, hij huwde wel, maar zijn huwelijk bleef kinderloos.
Op 13 mei 1914 werd door de ambtenaar van de Burgerlijke Stand van de gemeente Schoterland (Heerenveen) het huwelijk voltrokken tussen:
Jan Waterink, oud drie en twintig jaren, predikant, geboren te Nieuwleusen, wonende te Haaksbergen, binnen de laatste zes maanden gewoond hebbende te Sleen, meerderjarige zoon van Hendrik Waterink, godsdienstonderwijzer, en Aaltje Timmermans, zonder beroep, echtelieden, wonende te Haaksbergen, en
Joukje van der Kam, oud twee en twintig jaren, zonder beroep, geboren en wonende te Heerenveen, meerderjarige dochter van Okele van der Kam, kleermaker, en Afke Dijkstra, zonder beroep, echtelieden, wonende te Heerenveen.

Professor Jan Waterink overleed in Amstelveen op 19 november 1966 en werd op 3 december begraven op begraafplaats Zorgvliet aan de Amsteldijk in Amsterdam. Zijn vrouw plaatste een overlijdensbericht in de krant, waarin te lezen is dat hij emeritus hoogleraar aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, Ridder in de orde van de Nederlandse Leeuw, Commandeur in de Huisorde van Oranje en Officier in de Kroonorde van België was.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Dit keer hebben we voor u een foto van de Huishoudschool uit het jaar 1956. De school was toen al gevestigd aan het Oosterveen, alleen was de naam De Olmen nog niet met de school verbonden.

Foto: 03763= BW045



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  

Alie Bouwman
Trijn Bruggeman
meester Ben Mulder
Alie Knol
Geesje Seine
Grietje Grooteboer
Femmie Schuurman
Aaltje Visscher">

9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  

juffrouw Bosman
Klaasje Veijer
Geesje de Weerd
Grietje Bloemhof
Dinie Klein
Jannie Zwiers
Klaasje Katoele
Geertje Harke">

17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
 

Hermien Kreule
Dinie Scholten
Minie Boerman
Annie Kouwen
Dicky Luten
Gerda Prins
Alie Schuldink

* * *

EEN BEROEP UIT DE JAREN VIJFTIG _________________________________________________________

Alie Lammertsen-Visscher

Mijn vader Roelof Visscher, gehuwd met Annie Kleen, was inseminator. Toen hij met dat werk begon was het nog een volkomen nieuw beroep. Hij was, samen met Hendrik Compagner uit Balkbrug, de eerste inseminator bij het K.I.station voor deze regio. K.I. is de afkorting voor kunstmatige inseminatie. Het werd in de vijftiger jaren voor het eerst toegepast bij koeien, later ook bij varkens.
Voor ze aan de slag konden, volgden ze eerst een cursus in Twente. Ze begonnen in Oud Avereest bij de Ten Katiger boeren. Daar stonden de stieren en daar werd het sperma opgevangen en gebruiksklaar gemaakt voor de koeien van de boeren in Nieuwleusen, Balkbrug en Dedemsvaart. Wanneer een boer meldde dat hij een tochtige of bollige koe had, gingen ze naar die boerderij. Daar werd de betreffende koe bevrucht met het opgevangen sperma. Daarvoor gebruikten ze een metalen buis met lichtje. Later gebruikten ze glazen of plastic pipetten die ze met hun blote of in plastic ingepakte arm rectaal inbrachten. (Na gebruik stak mijn vader de gebruikte pipetjes vaak bij de boeren in het rieten dak.) Daarna was het maar afwachten of de bevruchting met goed resultaat was gebeurd en de koe drachtig was geworden. Als de koe terugbolde volgde er een tweede en soms derde behandeling om te bereiken dat de koe na verloop van tijd een vaarskalf of stiertje baarde.
In het begin gingen de heren met een brommer op pad. Men bedacht, hoe kan het ook anders bij zo’n nieuw beroep, verrassende namen voor de inseminator. Zo hoorde je regelmatig: ”Daor giet de riedende bolle”, “de blikken bolle”, of “de riedende stier”. Daarna gingen de heren met een motor en toen met een Volkswagen Kever op pad. Tenslotte mochten ze zelf het merk en type auto kiezen.
Toen de man van de garage de eerste groene Volkswagen kwam brengen en mijn vader vroeg hem maar eens te proberen, trok die zijn klompen uit en reed daar gelijk overheen.


Personeelsleden en het wagenpark omstreeks 1955 van de K.I., destijds gevestigd bij de fam. Klomp aan de Hessenweg. Vlnr naast de auto’s: de inseminatoren Roelof Visscher, Hendrik Compagner (Balkbrug) en Klaas van Duren. Voor de auto’s: Jaap Bijl (hoofd), Arend Jan Wind (stierenverzorger) en onbekend (vermoedelijk een stagiaire).

Van Oud Avereest verhuisde men met de stieren naar de boerderij van de familie Klomp aan de Hessenweg bij Ommen en daarna verhuisden ze naar het nieuwe K.I.station bij Witharen, eigendom van de toen opgerichte B.O.N.O. (Balkbrug, Ommen, Nieuwleusen en Omstreken). Jaap Bijl had daar de leiding en Arend Jan Wind was er stierenverzorger. Er kwamen meer inseminators: Klaas van Duren, Jan Ester, Bertus Tibben en Evert Damman. En er kwamen meer stieren, zodat de boeren konden kiezen van welke stier zij het sperma wilden gebruiken en ook op papier konden aantonen dat hun koeien prima nakomelingen hadden.
In Ankum werd aan de Hessenweg nog een keer een nieuw station gebouwd, met daarbij ook een K.I.station voor varkens.
Als kinderen mochten we wel eens mee naar Witharen en ik vond dat die koeien zich, voor het opvangen van hun sperma, maar mooi beet lieten nemen op zo’n kunstkoe.
Het sperma werd vermengd met geel eidooier en op een koude houdbaarheidstemperatuur gebracht en, om de juiste temperatuur te behouden, door de inseminator in een soort thermosfles met stikstof meegenomen.


Roelof Visscher, inseminator van de K.I., aan het werk op zijn eigen bedrijf. Knecht Roelof Oosterveen houdt de koe in de gaten.

Kunstmatige inseminatie bestaat nog steeds. Het heeft de boeren wel goed gedaan. Je ziet overal prachtig stamboekvee in de wei lopen. Nu hebben grote boeren soms ook wel zelf een stier en zorgen zo zelf voor de uitbreiding van de veestapel.
Van de inseminators van het beginteam is niemand meer in leven. Wel zijn er nog enkele echtgenotes van de heren, die kunnen hierover ook van alles verhalen.
Het leek me leuk om het beroep van mijn veel te jong overleden vader nog eens onder de aandacht te brengen en het zo op papier vast te leggen.

De foto’s bij dit artikel zijn afkomstig van de schrijfster.

-

Herinneringen van Gees Bartels
Bij dit verhaal herinnerde ik mij weer sterk de stieren van mijn eigen jeugd. Toen ik vier jaar was brandde onze boerderij af. Bij de wederopbouw werd heel modern met betonnen vloeren en met gemetselde, met cement gestuukte muren gewerkt. Maar daardoor was er niet meteen geld om het voorhuis weer op te bouwen. Aan de zijkant van de deel werden de vertrekken voorlopig de slaapkamers van de kinderen. Dwars op de deel kwam, over de hele breedte van het huis, de nieuwe koeienstal. Mijn vader had inmiddels een baan bij de Plantenziektenkundige Dienst aangenomen en verkocht de boerderij met erf aan de K.I. Op de stal kwamen een viertal enorme stieren te staan. Dat ze gevaarlijk konden zijn, zagen we wel aan de dikke metalen kettingen waarmee ze waren vastgemaakt en waarvan ze een door hun neus hadden en aan de voorzichtige manier waarop de inseminators met de dieren omgingen. In afwachting van de koop van een huis in het dorp bleven we nog ongeveer een jaar in de boerderij wonen en ‘s nachts hoorden wij die enorme beesten snuiven en met hun kettingen rammelen als ze gingen verliggen. Wel spannend, al wisten we dat die stevige, nieuwe muren voldoende veiligheid gaven. Maar het blijft een wonderlijk idee dat wij zo dicht bij die grote beesten sliepen.
Wonderlijk toch ook dat twee vrouwen zulke sterke herinneringen hebben aan zo’n echte mannenwereld.


* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Meppeler Courant 10 juni 1950
NIEUWLEUSEN.
Prachtig resultaat. - De opbrengst van de muziekavond georganiseerd door de plaatselijke Krontjongclub Hidoep Moedah met medewerking van The Halona Hawaiians en de Zwolse Cowboys, is deze week overgedragen aan de Oorlogsgravenstichting en aan het Groene Kruis, afdeling Nieuwleusen (en dus niet aan het Rode Kruis, zoals eerder gemeld). Elk van beide instellingen mocht het mooie bedrag van ƒ 85,59 ontvangen. Voor Hidoep Moedah een prachtig begin. Verder rest ons nog te vermelden, dat het Hawaiian-ensemble nogmaals in Nieuwleusen hoopt terug te komen.

* * *

MIJN VERHAAL _________________________________________________________

Gosse Hoekstra

Omdat onze penningmeester in maart op de algemene ledenvergadering afscheid neemt als bestuurslid, leek het ons wel leuk om iets over hem in ons kwartaalblad op te nemen. De basis daarvoor is een verhaal dat hij destijds voor “Weet je Weetje” schreef. Gosse Hoekstra is als onze tweede penningmeester op 16 februari 1994 tot het bestuur van “Ni’jluusn van vrogger” toegetreden. Hij is dus 16 jaar in functie geweest.

Mijn naam is Gosse Hoekstra en ik ben in 1936 in Rinsumageest in Friesland geboren. In 1951 kwamen we naar NieuwIeusen. Mijn vader was bakker en kocht hier de bakkerij van bakker Willem Jonker aan het Westeinde. Voor bakker Jonker zaten de bakkers Teunis Mol en Albert Doggen in dit pand. Deze twee hadden naast de bakkerij ook nog een café. Vooral ten tijde van Teunis Mol is het café een echte verzamelplaats voor de jeugd geweest.
Mijn vader heeft de bakkerij later weer verkocht aan Bennie Dunnink en is toen weer naar Friesland verhuisd. Bakker Dunnink heeft enkele jaren later een nieuw pand laten bouwen. Nu is het gebouw in gebruik bij de Stichting Ora.

De eerste jaren dat wij in de bakkerij aan het Westeinde woonden, was er naast ons de klompenmakerij van Bril gevestigd. Ik kan mij nog herinneren dat Schuurman, die aan het Zandspeur woonde, bij hem klompenmaker was.
Bart Boerendans was al knecht bij bakker Jonker en bleef dat ook bij mijn vader. Wij ventten toen nog met paard en wagen, met alle ongemakken van dien, vooral 's winters. Veel boeren die toentertijd aan het “Pad” woonden, nu het Ruitenveen, hadden hun uitweg naar het Westeinde. Die uitwegen waren 's winters vaak niet veel meer dan modderige zandwegen.
We waren toentertijd een van de weinigen aan het Westeinde die telefoon hadden. Voor boodschappen bijvoorbeeld voor de veearts kwam men bij ons om deze te berichten.


Zo zag de bakkerij er uit kort nadat bakker Dunnink de zaak had overgenomen van bakker Hoekstra.

In die tijd was het bijna vanzelfsprekend dat je bij je ouders in de zaak kwam. Mijn vader was bakker, dus de zoon zou ook wel bakker worden. Ik ben toen in Wageningen gaan studeren aan het “Station voor Maalderij en Bakkerij”. Die studie, zowel de theorie als de praktijk, heb ik met goed gevolg afgerond. Daarna ben ik enkele maanden in een bakkerij werkzaam geweest, maar in 1957/1958 moest ik in militaire dienst. Ik heb anderhalf jaar gediend bij de huzaren van Sytsama. Na mijn diensttijd heb ik ook nog enige tijd in een bakkerij gewerkt.
Inmiddels had ik mijn huidige vrouw, Hennie Beekman, leren kennen. Zij had meer ambities met mode dan met de bakkerij en omdat haar ouders al een kledingwinkel hadden, hebben we voor dat vak gekozen. We hebben toen alle benodigde diploma's gehaald om de zaak voort te kunnen zetten.
In 1961 zijn Hennie en ik getrouwd. We hebben toen een aantal jaren samen met mijn schoonouders “Modehuis Beekman” gerund. Op een gegeven moment hebben mijn schoonouders zich uit de zaak teruggetrokken en hebben wij die zelfstandig voortgezet.
Ik heb toentertijd veel energie en tijd gestoken in het oprichten en uitgeven van het advertentieblad “De Marskramer”. In het begin was de naam “Middenstand Advertentieblad Nieuwleusen - Den Hulst”. Tegenwoordig is dit blad niet meer weg te denken uit NieuwIeusen en omstreken. Samen met nog een bestuurslid van de Middenstandsvereniging heb ik ook jaren achtereen de Paas-, Sinterklaas- en Kerstacties georganiseerd.


Modehuis Beekman zoals het was toen we trouwden.

Onze kinderen Menno, Marjan en Erwin waren inmiddels het huis uit en hadden zelf een gezin gesticht. Ze wonen allemaal in Nieuwleusen zodat we onze kleinkinderen veel zien.
Aangezien geen van onze kinderen ambities had om de zaak over te nemen, hebben we “Modehuis Beekman” in 1997 overgedaan aan Miny en Jan Mansier.
Daarna was het wel even wennen aan al die vrije tijd. De invulling ging echter moeiteloos. Ik was inmiddels penningmeester geworden van de historische vereniging. In die jaren was “Ni’jluusn van vrogger” volop bezig om een museum in Nieuwleusen te realiseren. Samen met de andere bestuursleden heb ik hierin veel tijd en energie gestoken. Het resultaat was dat in april 1998 museum “Palthehof” officieel werd geopend. Sinds die tijd steken wij allebei veel vrije tijd in het museum. Je blijft op die manier contact houden met mensen en dat vinden we belangrijk. We waren het immers in de zaak ook altijd al gewend. Na het beëindigen van mijn bestuursfunctie bij onze vereniging zullen we die contacten ook nog niet kunnen missen.

* * *

ODE AAN HET LICHTMISKANAAL _________________________________________________________

Wim Logtenberg

Na alle mooie verhalen over en van de Dedemsvaart wil ik wat vertellen van het Lichtmiskanaal, want dat is tenslotte het kleine broertje van de Dedemsvaart. Het Lichtmiskanaal is gegraven in 1835 om de Dedemsvaart te verbinden met Zwolle, waardoor de route naar Zwolle voor de turfschippers veel korter werd. Het kanaal was ongeveer vijf kilometer lang en liep kaarsrecht vanaf de Dedemsvaart tot aan de Hessenweg. Daar maakte het een bocht naar rechts om in de Overijsselse Vecht uit te komen. Daar lag een sluis en konden de schepen oversteken en via de sluis aan de andere kant van de Overijsselse Vecht (de Maatgravensluis die er nog steeds is) de Nieuwe Vecht binnenvaren en zo de reis naar Zwolle voortzetten om op de Turfmarkt hun lading te lossen.
Het Lichtmiskanaal had vier bruggen. De eerste lag bij de Lichtmis aan het begin van het kanaal en was een draaibrug. De tweede, een ophaalbrug, was de Hooibrug en deze lag tegenover de Meeleweg. De derde, eveneens een ophaalbrug, was gelegen bij de Steenwetering. Deze brug was een ontmoetingsplek voor de opgroeiende jeugd die er vooral in de weekends een plek vond. Dan had je de laatste brug bij het Planken Loodsje aan het eind van de Nieuwleusenerdijk.
Bij de Hooibrug en bij de brug bij het Planken Loodsje stond een brugwachterwoning. Ik kan me niet herinneren dat de bruggen bediend werden, want naar ik meen voeren de laatste schepen omstreeks 1930 door het kanaal.

Net na de oorlog was het kanaal nog behoorlijk schoon, maar van lieverlee groeide het dicht met waterplanten als de gele en witte plomp, biezen, kalmoes, riet enz. Aan de kant van de doorgaande weg stonden elzenstruiken. Naast de weg liep aan beide kanten een fietspad. Toen we schooljongens waren gingen we wel portemonneetjetrekken. Dat ging zo: een portemonnee werd aan een dun touwtje vastgemaakt en op het fietspad gelegd. Met het andere eind van het touwtje gingen wij in de vaartwal liggen achter de elzen. En dan maar wachten tot er een fietser aankwam. Meestal sprong die dan van de fiets als hij of zij de portemonnee zag liggen. Maar wij trokken snel aan het touwtje en de portemonnee was verdwenen. Roelof Stolte was een specialist in het portemonneetjetrekken.


Voorjaar 1961, zwanen in het voor een groot deel dichtgegroeide Lichtmiskanaal.

Het Lichtmiskanaal had ook een beroepsvisser. Het was Geerlich de Leeuw die met zijn zoon Gerrit elke herfst en winter paling ging vissen. Ze vingen behoorlijk wat. Wij keken vaak vanaf de wal toe hoe ze de paling uit de fuiken haalden. Bij tijd en wijle werd er vanuit een bootje kalmoes en biezen getrokken.
Natuurlijk speelden we vaak aan de waterkant. Mijn broer Gerrit maakte regelmatig een klomp met een zeiltje en liet dat aan een touwtje varen. Ook visten we veel met primitieve hengels en dat gebeurde met wisselend succes. Er zat behoorlijk veel paling, blei, voorn en snoek in het kanaal.
’s Winters werd er altijd veel geschaatst. Als het een beetje vroor probeerden we al snel of het ijs “lijden” kon. We schaatsten beide kanten op, zowel naar het Planken Loodsje als naar De Lichtmis. In de winter van 1956 schaatste ik naar De Lichtmis toen het ijs nog niet al te dik was. Toen ik daar bijna was zag ik een boer op de wal staan. Ik stopte om even een praatje te maken: “Mooi ies he?”
“Wat zeggie, wil i’j verzoepen? A’j mien zeune waren dan zol ik oe ik weet niet wat doen!”
Ik heb het gesprek maar niet voortgezet; de tocht voortzetten naar De Lichtmis leek me verstandiger.
Op het brede stuk Dedemsvaart bij De Lichtmis was een ijsbaan met verlichting. Er was daar een ijsclub die er in de winter van 1963 lange baan afvalwedstrijden hield.
In de kanaalwal hadden we een vonder of “stappe”. Daar vanaf konden we water uit het kanaal putten dat voor allerlei doeleinden werd gebruikt. Wanneer het kanaal dichtgevroren was, werd er een wak in het ijs geslagen om water te kunnen krijgen. Ik weet nog dat de familie Stolte, onze overburen, tijdens een lange strenge winter water uit het wak moest halen om het vee te kunnen “weteren” (= water geven). Dat was een heel karwei en moest een paar keer per dag gebeuren, net zolang tot men thuis weer pompwater had.

’s Zomers zwommen we ook veel in het kanaal. Dat gebeurde bij de Steenweteringbrug door alle jongens en meisjes uit de buurt. Later werd het zwemmen moeilijker omdat het kanaal ook daar dichtgroeide.


Wim Logtenberg (links) en Gerrit van de Kolk op het vlot. Daarvoor een klomp met een zeiltje.

Mijn vader had een vlot gemaakt van vier olievaten die met ijzeren beugels aan elkaar waren verbonden, waarop een schot was aangebracht. Het vlot was eigenlijk bedoeld als veerpontje, maar we konden ons als kinderen er ook heerlijk mee vermaken. We gebruikten het ’s zomers elke dag omdat we in een weiland aan de Vriezendijk moesten melken, voor ons dus aan de overkant van het kanaal. Het gebruik van dat vlot verkortte de weg natuurlijk behoorlijk omdat we anders over de Hooibrug of Steenweteringbrug moesten. Een keer is het helemaal mis gegaan met het oversteken. Mijn vader en ik waren op het vlot toen één van de tonnen losschoot uit de beugel, waardoor het vlot kapseisde. Wij konden zwemmend de wal bereiken, maar het melkgerei kwam op de bodem van het kanaal terecht. Vader kon goed zwemmen en zonder veel plichtplegingen trok hij zijn kleren uit en dook de emmers en bussen weer op.

In de jaren zestig veranderde alles. Met draglines werd het kanaal uitgebaggerd en daarna door een zandzuiger volgespoten met zand. Daarop werd rond 1970 de autoweg A28 aangelegd. Weg was ons mooie kanaal vol waterplanten en zwanen met jongen. Maar dat is nostalgie; vroeger was immers alles beter en mooier.

De foto’s bij dit artikel zijn afkomstig van de schrijver.

* * *

TOEN DE TRAM KWAM _________________________________________________________

Hendrik van Laar

Arm en rijk, elk vond het prachtig,
Dat de Dedemsvaartse tram,
Einde achttien zes en tachtig,
Tuffend van de Haardijk kwam.
“Willem Jan Baron van Dedem”, *)
’t Vonkenspuwend ijzeren paard,
Had veel spierkracht in zijn leden,
Al ontbrak hem kop en staart.

Men beschouwde ’t als een wonder,
Dat dat ding zo lopen kon.
Maar ’t had vlakke ijzers onder
Waardoor het in snelheid won.
Tevens kwam men te ontdekken,
Dat het door zijn reuzenkracht,
Soms wel vijftig man kon trekken,
En zes wagens, zwaar bevracht.
Als zij hijgend aan kwam rollen,
Langs het effen ijzeren spoor,
Gingen paarden, soms reeds knollen,
Met de wagen er vandoor.
Dwars door hekken en door sloten,
Ging het dan in vol galop.
Brak het beest dan nek of poten,
Dan hield ’t paardeleven op!

Pullen, Vrielink en Piet Jansen,
Kregen toen voorgoed gedaan,
Want de oude diligencen
Kwamen in een hoek te staan.
En de beide schimmelpaarden,
Niet door ouderdom of vocht,
Bleef men nu de zweepslag sparen,
Want ’t ging nu met sneller tocht!

Dat de voerman als trompetter,
Niet meer reed door Hardenberg,
Met zijn telkens zweepgeknetter,
Speet geen reizend burger erg.
Armen maakten toen geen reizen,
Want dat was voor hen te duur.
Ieder bleef zijn benen prijzen,
Lopend soms wel veertien uur!

Uit de bundel: Onder wijde luchten; uitgegeven te Hardenberg door A. Kremer, redacteur van het Sallands Volksblad, ter gelegenheid van de 80e verjaardag van Hendrik van Laar op 21 juli 1958.

*) De eerste locomotieven werden naar de oprichters genoemd.


De stoomtram in Den Hulst aan de overkant van het kanaal bij de Union fabriek.

* * *

REACTIES VAN LEZERS _________________________________________________________

In het boekje Kanaalverhalen is op bladzijde 44 sprake van een gondelvaart. Er zouden er twee geweest zijn, de eerste in 1935. Maar over het jaar van de tweede gondelvaart was niets bekend. Er werd geopperd dat het in 1938 zou kunnen zijn geweest; het jaar waarin prinses Beatrix is geboren.
Naar aanleiding van het hoofdstuk Gondelvaart in genoemd boekje kregen we een tweetal reacties. Uit een daarvan wordt duidelijk dat de tweede gondelvaart niet in 1938 is gehouden maar in het bevrijdingsjaar 1945.

Hendrik Jan Klomp reageerde:

Voor 1934 was er in Nieuwleusen een Vereniging Voor Volksvermaak. Dus al voor de Oranjevereniging werd opgericht. Ze exploiteerde bijvoorbeeld ook de ijsbaan in Den Hulst op het perceel waarvan Krale de eigenaar was. Na de komst van de Oranjevereniging heeft de VVV zich opgeheven. Of een van de gebroeders Muller voorzitter was van de Oranjevereniging weet ik niet, maar wel dat dierenarts Loman jarenlang voorzitter was en Klaas Kouwen penningmeester.

Bartje Boschman-Mostert reageerde:

Heel toevallig kreeg ik een oude krant in handen en daarin stond iets vermeld over de gondelvaart. Het stond in “Vaart en Vecht”, streekblad voor Noord Overijssel van vrijdag 21 september 1945:
Nieuwleusen. Vredesfeest. Het vredesfeest, georganiseerd door de V.V.V. op 24 en 25 dezer, belooft iets bijzonders te worden. Aantrekkelijke volksspelen staan op het programma. Beide plaatselijke muziekkorpsen zijn uitgenoodigd hun medewerking te verleenen en tal van attracties zullen op het terrein aanwezig zijn. Op 22 Sept. wordt des avonds een gondelvaart gehouden.

* * *

Foto achterpagina _________________________________________________________

Willem Alteveer en Jentje Dijk, gehuwd 13-06-1929 in Nieuwleusen. De foto is mogelijk gemaakt ter gelegenheid van hun huwelijk.




Jaargang 28 nummer 2/3 september 2010


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina _________________________________________________________

Soldaat Derk Zondervan (links) en zijn dienstkameraden.

* * *

EEN BRIEF AAN MIJN ZOON IN DE MOBILISATIE _________________________________________________________

A. Masselink

Het is winter hier buiten
Men hoort geen vogeltje fluiten.
Het vriest dat het kraakt
En sneeuw dekt de straat.
Vervlogen zijn slechts enkele dagen
Dat wij elkaars aangezicht zagen
Vraag daarom nog niet veel nieuws van mij
Doch een brief van thuis, dat maakt u weer blij
Heden is ‘t zondag en stil staan de zaken
Nu zal ik eens schrijven hoe wij het hier maken
Ik wil hiermee beginnen en zeggen terstond
Dat wij allen nog wel zijn en fris en gezond.
En uit uw schrijven is ons ook gebleken
Dat gij ook nog wel zijt in Brabantse streken.

De kanarie die zingt maar steeds door haar lied
En weet van geen kommer, zorg of verdriet.
Verleden donderdag was bij ons op het erf
De handelsreiziger Izak van de Werf.
Hij zag toen de kooi met de kanarie hangen
En kreeg daardoor een sterk verlangen
Om ook zo’n vogel te bezitten.
En vroeg of u hem er niet een kon beschikken.
Ik moest u er maar eens over schrijven
Maar zijn vrouw moest er nog buiten blijven.
Dus haar niet schrijven en er wel oppassen.
Hij wil zijn vrouw daar eens mee verrassen.
U moet maar eens zien, hoe gij dat doet
. Moet het iets meer kosten, dat is ook goed.
Kunt u er een krijgen, die is zeer fijn,
Dan mag het ook wel een rijksdaalder zijn.
U brengt hem maar mee en zo uit de trein
Naar hun huis toe, dat zal een verrassing zijn.

Ik heb gisteren bericht van Baier gekregen
Over die band, waar ik mee was verlegen.
Hij schreef de garantie, en dat vond ik lam,
Was niet bij hem maar te Amsterdam.
Bij ther Palmer Tijn, Stadhouderskade.
Daar moest de band zijn. En nu kunt u wel raden
Dat ik weer twintig cent over moest maken,
Zou die band bij de fabriek geraken.
Ik heb die twintig cent maar verzonden,
Die aan die onkosten waren verbonden.
Nu zullen wij verder maar wachten en zien
Of de oude weer terugkomt of een nieuwe misschien.

Nu moet ik nog schrijven over Hektor de hond
Die vreet wel weer aardig, maar is toch niet gezond.
Hij ligt nog te veel en is niet zo het moet,
Maar wordt wel wat vlugger en dat is toch goed.
Uw dochtertje is ook heel aardig en net
Zij lacht bijna telkens en dat is een pret.
Maar moeder heeft thans weer een koude te pakken
En wij hopen dat het spoedig weer wat af zal zakken.
En nu onze groeten nog tot een besluit
Want dichten valt niet mee en ik schei er mee uit.

* * *

EEN KAMP BIJ OMMERSCHANS I _________________________________________________________

In de Leeuwarder Courant werd in september 1895 een serie artikelen gepubliceerd over een legeroefening die in deze regio werd gehouden. Als basiskamp fungeerde de Ommerschans. De schrijver is een luitenant van het 1e regiment infanterie dat in Leeuwarden gelegerd was. Op onderhoudende wijze schrijft hij over de oefeningen en tegelijkertijd vertelt hij over de omgeving waarin deze gehouden werd. Dat geeft ons een beeld van onze regio dat we ons nu nog maar moeilijk voor kunnen stellen. Omdat misschien onze vaders, maar zeker onze grootvaders in hun diensttijd ook aan dergelijke oefeningen hebben deelgenomen, is dat een reden temeer om het artikel in een aantal delen in ons kwartaalblad op te nemen.

Ommen, 9 September 1895
Zeer vroeg in den morgen van den 9den September werden de Leeuwarders uit hun slaap gewekt, niet door een brandgeroep of troepjes vroolijke bruiloftsgasten, die den naasten weg naar huis niet meer konden vinden, maar door de vroolijke tonen der muziek, die de beide bataljons van het 1e regiment infanterie naar het station begeleidde.
Veel belangstelling mocht men niet eischen op zoo’n vroeg uur, toch zag men hier en daar een raam opschuiven, een deur openen om de voorbijtrekkende troepen, al was het ook met nog slaperige oogen, slechts eventjes te zien.
Langzamerhand had zich op het Stationsplein eene menigte volk verzameld en toen de trein gillend zijn afscheid floot, ging er in de massa een gejuich op, beantwoord door onze soldaten met het welbekende: “Strijd broeders voor het laatste, wij gaan naar de kamp van Zeist”.
Zoo gingen wij dan weder voor een paar weken naar de wijd en zijd bekende Ommerschans, Frieslands hoofdstad met haar gezellige straten en vroolijke drukte verre achter ons latende.
Aan het anders zoo rustige station te Dedemsvaart (station Dedemsvaart-Staats Spoor, gelegen tussen Den Hulst en Lichtmis, red.) heerschte dien dag een ongewone drukte. Verscheidene karren, pijpenladen, als men ze slechts in Drenthe en Overijssel ziet, met krachtige paarden bespannen, stonden tot het afhalen der bagage gereed. Eene menigte landslieden in hunne eigenaardige kleederdracht hadden zich aan het station verzameld om de aankomst der troepen af te wachten.
Nadat de troep opgesteld was, begaven beide bataljons zich, onder het persoonlijk commando van den kolonel Hofstede, op marsch, aan beide zijden omringd door de inboorlingen der Dedemsvaart.
Al onze soldaten waren verwonderd over dit volkje, dat hen met open mond aangaapte; menige kwinkslag en spotternij werd hun naar het hoofd gegooid, gelukkig dat deze brave landslieden niets van het Friesch verstonden en alzoo met dezelfde belangstelling de troepenbewegingen bleven volgen.
Het was best te begrijpen dat deze goede boeren en boerinnetjes onzen stevigen Frieschen jongens wat zonderling voorkwamen. De mannen in hun zwarte jassen en wijde broeken met Zeeuwsche knoopen bezet, de zijden pet op, de vrouwen en meisjes met den bonten doek voor de borst, het eigenaardige hoofdtooisel met gedraaide torentjes ter zijde van de slapen, zij geleken maar weinig op het krachtige Friesche ras. Mocht hierin afstamming zijn invloed doen gelden, men zou in dien zwakkeren lichaamsbouw ook kunnen zien een afspiegeling van de schraalheid van den bodem in die streken, waaraan de eerste levensbehoeften met zooveel zorg en moeite moeten worden ontwoekerd.
Daar lag dan die lange Dedemsvaart met haar groot aantal bruggen voor ons, wij hadden een flinken marsch voor de borst, een heelen pakriem af te stappen. De Septembernevels, die de vertrekkende troepen met een wazig grijs zoo somber hadden omfloerst, waren nu opgetrokken en een vroolijk zonnetje scheen aan den hemel om ons moed te schenken op onzen marsch, het was ons een goed voorteeken voor het aanstaand veertiendaagsch kampleven. Het was uitstekend weer om te marcheeren; onze soldaten waren zoo opgewekt, dat weldra van het hoofd tot aan den staart der colonne vroolijke liederen weerklonken. De rustige rust dezer oorden, slechts nu en dan opgeschrikt door het gesnor van de stoomtram, zij werd nu gestoord door de juichende soldatenliederen.


Wij marcheerden langs de Rollecate, het prachtige buiten van baron van Dedem, nu eens te midden van hooge boschperceelen, dan weder omringd door bouwgronden, veenderijen en heide. Maar langzamerhand werd het terrein eentoniger; de uitgestrekte vlakte met turfhoopen bezet, eindeloose heide, slechts hier en daar afgewisseld door een haag en enkele wilgen, kregen de overhand; de geest van den troep, de marschvaardigheid echter werden er niet minder om.
Nu en dan keek ik wel eens naar onze marketentster, die ongewoon aan het marcheeren op hare dunne pantoffels met het jenevervaatje voor haar lichaam meetippelde. Zij hield het goed vol; de soldatenvrouw zou hare jongens niet verlaten. En als dan een der jongens haar op den breeden rug klopte met de vraag: “Moeke mai ’k een slokje”, dan had zij behalve het gevraagde ook nog een grap voor hem over en toonde zij zoo’n goed humeur als zat zij te midden van hare twaalf kleinen aan de zijde van haren echtgenoot, den korporaal-waschbaas. Voor de weinige en nietige huisjes langs den weg stonden de bewoners om den troep te zien voorbijtrekken; zij hadden, hoewel het in ’t geheel niet warm was, emmers met drinkwater en kommen gereed staan om den troep te laven, zoo nu en dan kwam er ook wel eens een salvo van appelen en peren te midden van den troep terecht, die onze soldaten zich in dankbare stemming goed lieten smaken.
Na drie uren gemarcheerd te hebben bereikten wij de Balkbrug, een der oasen in de verlaten streken rondom de Ommerschans, hier betraden wij het oude kolonieterrein. Langs het op ruime schaal ingerichte rijksgesticht Veldzicht, waar men tracht de verwaarloosde jeugd op betere paden te voeren, ze op te leiden tot bruikbare leden der maatschappij, kwamen wij al spoedig aan de woningen, die het oude gesticht omringen.
Deze geheele stichting van Graaf van den Bosch, eertijds vol bedrijvigheid, al was het van gedwongen arbeid, nu zoo doodsch en verlaten, ze zou weder voor een paar weken getuige zijn van het soldatenleven, zich ontwikkelend in zijn kracht en nauwgezette plichtsbetrachting.
Wij, oudere zonen van het 1ste regiment, zagen al die plekjes, waar wij reeds zoo menigmaal voor manoeuvres en kampen vereenigd waren, als oude bekenden terug, maar toch ontging het ons niet, dat ook hier de tand des tijds zijn aandeel vroeg, dat steeds meer en meer steenen van bouwvallige woningen storten. Wij marcheerden langs het gesticht dat met de groote klok in den gevel van het voorfront daar ligt als een toonbeeld van verlatenheid en somberheid. De zalen waar eertijds de verpleegden de hangmatten streken om zich ter ruste te begeven, de werkzalen waar eenmaal schoenmakerij, weverij, mandenmaker en nog vele andere takken van ambachtsnijverheid werden uitgeoefend, ze zijn nu eene doorloopende ruimte geworden, eene groote stalling voor paarden en voertuigen.
Hier kwamen ons de officieren, die het voorkamp hadden betrokken tot het in gereedheid brengen van het kamp, tegemoet en heetten ons hartelijk welkom in ons buitenverblijf. Wij trokken vervolgens langs de officierscantine, het hospitaal, de kerk met pastorie, waarin de regiments-commandant, de kolonel Hofstede, met de regimentsstaf zijn kwartier zou nemen, langs de kampwacht en hier rechts afslaande zagen wij dadelijk het leger van tenten, die onze manschappen gedurende 14 dagen zouden herbergen. In een grooten rechthoek, door een breeden weg doorsneden en vier afzonderlijke perceelen weiland vormend, waren de tenten voor de vier veldbataljons opgeslagen. Daarvoor ontwaarden wij de keukens, waar de soep en het middagmaal voor manschappen bereid wordt. Wij zagen de koks in hun wit pak, de koksmuts op het hoofd, druk bezig; nu eens wakkerden zij met hunne ijzeren stangen het vuur aan en wierpen takkebossen als nieuw voedsel daarin, dan weer hingen zij potten met water aan de ijzeren staven, aan weerszijden rustend op aarden dammen, waartusschen het vuur besloten is.
Een gejuich ging in den troep op, toen onze stoere Friezen en Groningers daar dat tentenheir voor zich zagen, schitterend in felle witheid in de vroolijke Septemberzon.
Het was een aangenaam moment, toen wij uit zoovele kelen die juichtonen mochten vernemen, het deed ons goed dat ook onze soldaten met zooveel goeden moed het kampleven ingingen.


Door de kwartiermakers, die reeds Zaterdag te voren kampwaarts waren gemarcheerd, werden de compagnieën naar de voor hen bestemde tenten geleid. Spoedig waren de beide bataljons ondergebracht, hadden allen hun tehuis gekregen.
Twee uren later, te 2½ uur, kwamen de bataljons uit Groningen en Assen aan; deze waren te Hoogeveen uitgestegen en hadden van daar naar het kamp gemarcheerd, dus reeds een flinken marsch van vijf uren achter den rug.
Een kwartier vóór het signaal “eten halen” begaf schrijver dezes zich naar de veldkeuken, om als officier van den dag bij het uitgeven van het eten tegenwoordig te zijn. De grauwe erwten met spek smaakten uitstekend, de beste keukenprinses zou ze niet smakelijker kunnen bereiden. Toen de manschappen het eten ontvangen hadden, begaf ik mij in den compagniestraten. Neergehurkt voor de tenten, de eetketel tusschen de knieën, zaten de manschappen het eenvoudige maal te nuttigen. Hier en daar vroeg ik hoe de erwten smaakten en steeds was het antwoord: “Best luitenant”. Ik geloof dat geen epicurist zich aan een Lucullusch gastmaal meer zou te goed doen dan onze soldaten aan dezen eenvoudigen kost.
Nu begaf ik mij naar mijn tent om deze wat op orde te brengen. Dit is eigenlijk maar ironie, waarde lezers, want het geheele meubilair bestaat uit een krib met toebehooren, een driepoot met waschblikje, een kist en een vouwstoeltje, voilà tout. Een groen grastapijt vervangt het Smyrna tapijt.
Na mijn koffer ontpakt en mij wat verfrischt te hebben, begaf ik mij naar de officierscantine.
’t Is hier een jaarlijksche reünie voor al de officieren van de veldbataljons van het 1e regiment infanterie. Voortdurend zag men begroetingen van collega’s, die elkander in langen tijd niet gezien hadden, er heerschte een gezelligheid, een rumoer en lawaai, die slechts even onderbroken werden toen de kolonel met zijn adjudant zich in ons midden vervoegden. De officierseetzaal en cantine zijn de oude school van de kolonie. Daarvoor, op een groot grasperk gezeten, geniet men van een prachtig natuurtafereeltje, het is het mooiste plekje uit de geheele omgeving.
Belommerd door hoogopgaande beuken, heeft men het oog op een grooten vijver, waarachter allerlei boomgroepen in schilderachtige verscheidenheid oprijzen. Het trouwe dennegroen stak er scherp af tegen de reeds gelende bladeren van kastanjes en linden, die hun tooi al lieten vallen, treurend over vervlogen zomerpracht en zonneweelde.
En dit schoone herfsttooneel met al zijn kleurschakeeringen en nuances, zijn tintelingen van groen, geel en bruin, het koesterde zich in de laatste stralen van de ter kimme nijgende zon.
Mocht September ons nog verscheidene zulke dagen geven, dan zeker hadden wij alle redenen tot tevredenheid en konden wij vol verwachting, vol moed de manoeuvres den volgenden dag beginnen.

* * *

DDE MELKBUS VERDWEEN, slot _________________________________________________________

Gees Bartels

Begin van de automatisering
Dat alles was niet meer nodig toen er in de jaren zestig machines in de melkfabriek kwamen om de bussen te wassen en te drogen en het leegstorten van de melk geautomatiseerd werd.
Over een rollerbank werden de bussen naar het stortapparaat en de wasmachine getransporteerd. Er kwam geen hand meer aan te pas.
Tegelijk daarmee kwam het gekleurd merken van de bussen, zodat de melkontvanger goed kon zien wanneer er een serie bussen van een andere boer aankwam. Hij drukte dan op een knop, waardoor het storten in de ene bak werd afgesloten en de zwaaiarm naar de andere bak ging.
Voor de melkrijder was dit ook gemakkelijk; hij zag in een oogopslag welke bussen hij bij een boer moest afzetten en hoefde geen busnummer meer op te zoeken, zoals vroeger wanneer hij twijfelde. Het berekenen van de geleverde melk werd ook geautomatiseerd en de afrekening en betaling ging niet meer met melkzakjes die door de melkrijder bij de boer werden afgeleverd, maar via de lopende rekening bij de Boerenleenbank – toen al Raiffeisenbank genoemd.

Dat bussen wassen in de fabriek was voor de boerinnen een enorme verlichting. Maar omdat de bussen van binnen niet meer geschuurd hoefden te worden, gebeurde dat aan de buitenkant ook steeds minder en zo verdween de trots van de boerin: “het melkrek met de schoongeschuurde bussen”. Nu zien we alleen nog af ten toe een mooi Staphorster melkrek tegen een boerderijmuur staan, maar dat is dan in gebruik als bloemenrek.
Met de komst van de tractor werden de bussen vaak nog sneller roestig door de opspattende modder tijdens het harde rijden. Dat kon zelfs niet helemaal voorkomen worden door spatlappen op de tractor en een hoger schot aan de voorkant van de aanhangwagen te plaatsen.
Met de komst van de bussenwasmachine ontstond een logistiek probleem rond de levering van ondermelk en wei. Hoe de bussen uit de lopende band te halen waar dat in moest en hoe ze daarna weer op de goede plaats op de wagen teruggezet te krijgen?
Daarvoor kwam ook een oplossing.
De ondermelk terugleveren aan de boeren verdween nadat in 1948 de Comego in Gelderland en Overijssel de ondermelk opkocht bij de boterfabrieken om ze in condensfabrieken bij de bereiding van melkpoeder te gebruiken.
De kaasfabrieken gingen geleidelijk aan meer aan de weifabriek in Borculo leveren. De boeren kregen alleen nog schone, lege bussen terug.

Overgangsproblemen
In de tijd dat de levering van melk in bussen naar de fabriek ging was er (tot ongeveer 1950) nogal eens tbc onder het vee. Een groot voordeel van het bussensysteem was, dat wanneer er penicilline in de melk zat - waardoor die melk niet gebruikt kon worden - het vaak maar om een of enkele bussen melk ging. Die bus kon gemakkelijk apart gezet worden van de andere melk. Kwam, na de overgang op melktanks, de melk van zo’n koe in een melktank terecht, dan was alle melk in die tank onbruikbaar.


Het ontroomstation in Den Hulst omstreeks 1915, dat later werd omgebouwd tot directeurswoning van de melkfabriek. Dit is een foto van de achterkant van het gebouw.

De melktank verdringt de melkbus
Tegen het eind van de zeventiger jaren kreeg de opmars van de boerderijkoeltank zijn beslag dankzij een subsidieregeling.
Veel boeren hebben zich daar aanvankelijk hartstochtelijk tegen verzet, ook al omdat van hen een eigen investering werd verwacht. Voor een boer met 7 koeien zou het tankmelken zo’n ƒ 270,- per jaar meer kosten. Dat betekende voor veel kleine boeren dat ze een onvermijdelijke stap moesten maken: stoppen met melkvee houden of investeren.
Er kwamen geen compenserende maatregelen voor de bussenboeren; in tegendeel, de tankboeren wilden dat het arbeidsintensievere bussenwerk op die boeren werd verhaald door hen een lagere betaling voor de melk te bieden.
Ook was de stemming een beetje dat men verwachtte dat de kleine boeren waarschijnlijk binnen niet al te lange tijd toch wel zouden stoppen, gezien de schaalvergroting van de landbouw die toen al inzette.
Men ging normen bedenken en ging uit van een minimum aantal koeien als ondergrens voor een rendabel bedrijf. Om die kleinste bedrijven met 10 à 12 koeien een kans te geven, subsidieerde Coberco deze boeren bij de aanschaf van een kleine melktank.
Door de komst van de melktank verbeterde de kwaliteit van de melk zichtbaar omdat die onmiddellijk na het melken werd gekoeld. Ook kon de aflevering aan de fabriek nu over de hele dag gespreid worden en de boeren hoefden niet meer voor dag en dauw “onder de koe”.
Behalve een melktank moest de boer ook een goed ingericht melklokaal hebben en het erf moest toegankelijk zijn voor de tankauto die de melk kwam ophalen.
In mei 1983 viel het lang gevreesde besluit van het Coberco-bestuur: eind 1984 zou de laatste melkbus worden opgehaald.
De veehouders die per sé wilden blijven melken “in de bus”, konden overgaan naar een niet-Coberco-fabriek in Staphorst of Rouveen. (Daar werd het bussentransport nog ruim 20 jaar voortgezet, tot men er tenslotte in 2005 ook mee stopte.)
Met de komst van de tankwagens verdwenen de praatjes op het erf en in de keuken; de chauffeur van de tankwagen kan zelf de slangen op de melktank van de boer aan- en afkoppelen en op elk moment komen en gaan; zonder noodzakelijke actie van de boer – efficiënter en gemakkelijker, maar ook onpersoonlijker. Maar wie verlangt er nog terug naar al die zware lichamelijk inspanning. De melkbus verdween, maar een goed alternatief verscheen.

Tenslotte nog een gedicht van D.W. Nijkamp-Bosch uit Lochem.

Verdreet um de melkbussen.

Melkbussen glimmend en vol glans,
in oew goeie jaoren heel wat mans,
twintig, dertig liter ko’j bevatten,
van het kostelijkste nat aller natten.
Wat wa’w trots a’j stonnen an de weg,
te wachten in het vrögge morgenlech,
op de melkboer met peerd en wagen,
um oe naor de febriek te dragen.

A’j dan weer kwamm’n zo nao de koffietied,
begon het schoonmaken subiet,
Want die ondermelk en wei,
wörd soms zönnen vaste brij.
Dan maor schoer’n met soda en zand,
dat gebeur’n met straffe hand.
Blank op ’t rekke, netjes in ’t gelid,
daor wörden altied gruwelijk op ‘evit.

Toen is de bussenwasmachine uut’evonnen,
veur de vrouwleu was d’r vulle tied ‘ewonnen.
De bussen wörden ene bonke roest,
daor wörd ok neet meer op ‘epoetst.
Now he’j dan helemaol of’edaon
en ku’j naor ’t museum gaon.

Disse dagen staot de laatsen an de weg,
k’wette dat het menig traontje brech,
want wee neet met kan met het gemechaniseer,
dee dut het wisse zeer.
D’r is verdreet in menig gezin,
neet veur allen brengt de tank gewin.
Verantwoordelijk bint de eisen van hoger hand,
veur disse verandering bi’j de boerenstand.


* * *

DAAR DOE JE HET VOOR _________________________________________________________

Op 5 juni 2009 kregen de dienstdoende vrijwilligers in museum Palthehof zo rond kwart over vier een tweetal dames op bezoek, zo te zien moeder en dochter. Bij het betalen voor bezichtiging viel hun oog op het schilderij van de twee mannen naast de balie. De moeder meende iets te herkennen in een van de personen en vroeg wie het waren. Het bleken geen bekenden. Even later vroeg ze uit welk jaar de jubileum groepsfoto was die in de kinderhoek hangt en of ze die van dichtbij mocht bekijken. Het genoemde jaartal bleek niet te kunnen kloppen wat bekenden betreft want die woonden in die periode ergens in Groningen. Ze vertelde dat de naam van haar vader Winkel was en dat hij in het begin van de dertiger jaren opzichter geweest was bij de aanleg van de boswachterij Staphorst. Ze woonden destijds in de veengebieden achter Emmen en hij verbleef in de week in hotel Waanders in Staphorst. Zijn vrouw vond het maar niks dat ze haar man alleen maar eventjes in het weekend zag, want ze was in verwachting van hun jongste dochter. Dat was de moeder die het museum bezocht.
Gelukkig kwam er vanuit Nieuwleusen een oplossing. Het gezin vond onderdak in een dubbele woning midden aan de Ommerdijk (nu burg. Backxlaan). De oudere kinderen van het gezin gingen naar ”het schooltie”, wat de school aan het Oosteinde bleek te zijn. Ze liepen dan door de landerijen (omgeving Molenpad – Paltheweg) naar school.
De opmerking dat er misschien ook een schoolfoto zou zijn waar een of meerdere kinderen Winkel op konden staan, deed hen besluiten om na de rondgang door het museum de mappen van School A te bekijken. Een foto moest gezocht worden zo in de periode 1931 – 1935. Zelf kon de moeder er niet op staan omdat ze in 1932 was geboren. Groot was haar ontroering toen ze een zuster van haar ontdekte en even later op dezelfde foto een tweede. Het bleek dat geen van beiden meer in leven waren en dat de laatste een paar weken tevoren was overleden. Nu was ze zelf de laatste van de kinderen Winkel. Op een volgende foto werden vier broers en zusters aangetroffen. Er kwamen tranen in haar ogen.
“Een paar jaar geleden waren we met mijn zuster en zwager nog bij de school en vertelde mijn zus haar herinneringen van bijvoorbeeld hoe de kinderen moesten helpen bij het afwassen en hoe ze naar binnen keken door de hoge ramen, de een op de gevouwen handen van de ander staande. En hoe er een juffrouw was die foto’s maakte. Wat hebben we toen nog gelachen en nu zit ik hier met m’n tranen. Had mijn zus deze foto’s nog maar kunnen zien.”
Het mag duidelijk zijn dat ze de foto’s graag wilde hebben en die zijn dan ook besteld. Op groot formaat, als verlaat moederdagcadeau van haar dochter!

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Deze groepsfoto is van de openbare lagere school aan het Oosteinde en is van omstreeks 1934. Rechts: Foto BW045



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  

Gerrit Boer
Lukas Schiphorst
Roelof van Eldik
Stientje Brouwer
Arend Bijker
Jentje Katoele
Klaas Runhart
Aaltje Winkel
Mans Katoele
Hendrik Jan Oldeman
Harm Jan van den Berg
juffrouw Ten Hopen
Henny Wildvank

14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  

Aaltje Prins
Annigje Schuurman
Geesje Vossebelt
Hilligje Schuurman
Mina Vossebelt
Aaltje Bijker
Klaas van Spijker
Hendrikje Brouwer
Marie Brouwer
Grietje Winkel
Jentje Boer
Geertje Schutte

26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  

Hendrikje Vossebelt
Elsje Massier
Thijs Roddenhof
Gerrit van Eldik
Barteld Stolte
Harm Katoele
Hermannus Katoele
Herman van Eldik
Gerrit Jan Kuiper
Harm Brouwer
Hendrik Oldeman
Hendrik Jan van den Berg

* * *

DE MOLEN VAN WILHELM _________________________________________________________

Klazien Bijker

O, dat gasgeneratorvonkje, o, die brand, was dat niet in het oorlogsjaar 1943? Dat ze nu de trots van het dorp was, deze goeiige vierarmige moeke, nou nee, maar ze hoorde erbij als een touwtje bij de meelzak, oenze meule! (de molen van Wilhelm van den Berg aan het kanaal de Dedemsvaart, red.)

Het was hartje zomer toen er op een warme namiddag een luide jongensroep over het gymnastiekveld galmde: meester, meester, de meule braandt. De meule braandt! Het ging als een lopend vuurtje rond, de meule stiet in braandt!
Mochten we zomaar weg?
Al die mensen, waar komen ze opeens vandaan. Misselijk van angst en ontzag voor al dat vuur kijken we toe hoe de slangen worden uitgelegd in de Dedemsvaart.

Graaierig grijpt het vuur in het droge riet om zich heen. Een voor een komen de vlammende wieken naar beneden. De harde wind is er als de kippen bij om met het brandende riet te spelen, mee te nemen, los te laten?
“De huzen, oh God, oenze huzen". Overal mag het neerkomen, als maar niet….. Oh, asjeblieft! Serviezen en ander huisraad wordt in wilde paniek door de ramen naar buiten gesmeten (en later aan stukken weer opgeraapt).

De romp bleef nog gedeeltelijk gespaard. Was er later niet de maalderij in gevestigd?
Och, hoe vaak kwam die brand niet in angstige dromen terug!
De stank was nog niet uit het dorp verdwenen toen we al een opstel zaten te schrijven. Op oorlogspapier. En u raadt wel waarover.

* * *

ZWARE BRAND _________________________________________________________

Leeuwarder Courant 08-05-1943
Omstreeks half twee Woensdagmiddag geraakte een stapel brandhout, achter het huis van den heer G. te Den Hulst, in brand, door het vuur uit de gasgenerator van een vrachtauto. Een en ander bracht ernstige gevolgen met zich mede. Het rieten dak van den ouden molen van de Coöp. Landbouwvereeniging vatte eveneens eens vlam. Daar een der motorbrandspuiten van Nieuw-Leusden reeds gearriveerd was, kon weldra water gegeven worden. Ook de tweede motorspuit was spoedig ter plaatse, maar toch kon men het vuur niet meester worden. De molen geraakte in vollen vlam, terwijl ook de voor enkele jaren nieuw gebouwde silo door het vuur werd aangetast en uitbrandde. Inmiddels arriveerden nog de motorbrandspuiten van Avereest en Staphorst. Aan de eerste gelukte het het huis van den heer Mannen, aan den anderen kant van de Dedemsvaart gelegen, te behouden, hoewel het zware schade opliep. Ook bij de meer nabij gelegen woningen braken telkens kleine brandjes op de daken uit, die echter bestreden konden worden. De schade is aanzienlijk in het bijzonder voor de Coöp. Landbouwvereeniging Nieuw-Leusden en omstreken.

* * *

PAUS GEBOREN IN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Jakob de Weerd

Het is 14 februari 1911. In het huis waarin Geert van der Veer en zijn vrouw Loukje Hoekstra wonen, wijk C nummer 89 (nu Den Hulst 130) stijgt de spanning. Wat zal het worden, een jongen of een meisje? Dokter Risselada is inmiddels aanwezig om de nieuwe wereldburger te helpen om op de wereld te komen. Alles gaat goed en even later is er een zoon geboren.
“Hoe zal het kind genoemd worden?” vraagt de dokter.
“Benedictus, naar zijn grootvader van vaders kant,” antwoordt de trotse vader
“Dan ligt hier de paus!” roept daarop de dokter.

Het gezin Van der Veer woonde nog geen twee jaar in Den Hulst toen Benedictus geboren werd. Vader Geert van der Veer kwam op 21 april 1884 in Buitenpost ter wereld. In die plaats trouwde hij op 15 mei 1909 met Loukje Hoekstra, geboren op 3 maart 1889 te Kollumerzwaag. Het jonge paar nestelde zich na hun huwelijk in Den Hulst, waar Geert even tevoren werk had gevonden.


Geert was eerst boerenknecht geweest en na zijn militaire dienstplicht vervuld te hebben, was hij in februari 1906 aan het werk gegaan als leerling-kaasmaker in zuivelfabriek “De Eendracht” in Twijzel. Op 20 december 1906 werd hij bevorderd tot tweede kaasmaker. Na drie jaar wilde hij hogerop en solliciteerde naar de baan van eerste kaasmaker bij de fabriek van de Maatschappij “Rollecate” in Den Hulst. Omstreeks april 1909 kwam hij daar in dienst.


De maatschappij had een melkfabriek op het landgoed van Baron Van Dedem. Weliswaar is de fabriek al lang verdwenen, maar de plek waar het gebouw stond is bekend. De fabriek was vastgebouwd aan de nog bestaande woning Rollecate 26-28 en wel rechts achter aan. Op deze plek is nog een inham te zien in de zijgevel. Het zou gaan om een fabriekje van 8 bij 15 meter, een behoorlijke oppervlakte voor die tijd. In het boek “100 jaar melk an diek”, dat de Historische Vereniging Staphorst in 2005 heeft uitgegeven, wordt het bestaan van de fabriek genoemd. Willem Jan baron van Dedem had de melkfabriek in 1899 gesticht. In 1907 ging de fabriek over naar “Maatschappij tot exploitatie van het landgoed “Rollecate”, gevestigd te Nieuwleusen”. In 1923 werd het landgoed verkocht en kwam de fabriek in particulier bezit, waarna het gebouw in 1924 gedeeltelijk werd gesloopt en het restant in 1932.

Het dienstverband van Geert van der Veer bij Maatschappij “Rollecate” duurde bijna drie jaar. Op 8 maart 1912 verstrekte de Maatschappij aan Geert een getuigschrift toen hij met zijn gezin terugkeerde naar Friesland en in Drachtstercompagnie eerste kaasmaker werd.

Op 24 april 1913 werd het tweede kind in het gezin Van der Veer geboren, weer een zoon. Als felicitatie ontving het echtpaar een ansichtkaart van de “Ommerdijkerbrug a.d. Dedemsvaart”, met aan de adreszijde de volgende tekst: "Waarde vriend,
Wel gefeliciteerd met u zoon hier is alles noch al bij 't oude met de kaasmakers gaat het goed de boter is noch niet in orde maar wordt toch beter de koeien worden nu gewassen met een ontsmetting seep.
Groetend J. Belt"
Korte tijd nadat ze verhuisd waren, werd in Drachtster-compagnie een foto gemaakt van vader, moeder en de kleine Benedictus.

Bronnen:
Familie archief Geert van der Veer, Drachten.
J. Mulder Kzn., 100 jaar melk an diek. Staphorst 2005.

* * *

20 VENSTERS OP DE GESCHIEDENIS VAN NIEUWLEUSEN _________________________________________________________

Het boek “20 vensters op de geschiedenis van Nieuwleusen” is goed ontvangen. We ontvingen diverse positieve reacties, waarvan de meeste mondeling. Hieronder enkele van de schriftelijke reacties:

“Met plezier heb ik jullie papieren uitgave (van de canon, red.) doorgenomen. De vele illustraties maken dat het verhaal nog meer tot leven komt. Werkelijk schitterend.”

“Hartelijk dank voor de canon. Mooi uitgevoerd en overzichtelijk. Echt een waardevolle aanvulling op de toegankelijkheid van de geschiedenis van Nieuwleusen.”

“Het ziet er werkelijk heel goed uit, met heldere opmaak en mooie kleuren. Het betekent eigenlijk ook dat de reguliere 'Ni'jluusn van vrogger' er zo zou moeten gaan uitzien, hoewel dan de contributie wellicht omhoog moet omdat dan allerlei subsidies ontbreken die nu wel deze uitgave mogelijk hebben gemaakt.”

“Met veel plezier de 20 vensters op de geschiedenis van Nieuwleusen gelezen. Het ziet er zeer verzorgd uit. Hartelijk dank!”

“Geachte Historische Vereniging. Regiocontact Vecht Veluwe en IJsselstreek heeft van u "De Canon van Nieuwleusen" ontvangen. Daarvoor hartelijk dank. Ik wil mijn bewondering uitspreken over de leesbaarheid, de opbouw en de kennis, die hierdoor wordt doorgegeven aan bekenden en niet-bekenden van de historie van Nieuwleusen. Wij hebben er van genoten en onze kennis van Nieuwleusen vergroot. Een goed stuk werk.”


De uitgave is nog volop beschikbaar. Een lidmaatschap 2010 is voordeliger dan ooit: “20 vensters”, de kwartaalbladen en twee toegangskaartjes voor museum Palthehof, en het Unionboek als welkomstgeschenk. En dat allemaal samen voor maar vijftien euro!

* * *

DOMINEE SMITS _________________________________________________________

De Smitslaan in Nieuwleusen is genoemd naar dominee Hendrik Smits. Hij werd in 1891 predikant van de Hervormde gemeente in Nieuwleusen en bleef dat tot aan zijn overlijden.
Hendrik Smits was het derde kind uit het huwelijk van Frans Wouter Smits en Maaike van Schaardenburg. Zijn ouders waren op 8 juni 1859 in Dordrecht getrouwd. Hendrik werd geboren in Hellevoetsluis op 14 augustus 1866.
Toen vanuit Nieuwleusen op Hendrik Smits een beroep werd uitgebracht, was hij kandidaat bij het provinciaal kerkbestuur van Friesland. Zijn bevestiging in de morgendienst van 20 september 1891 vond plaats in de kerk van Nieuwleusen. Dit gebeurde door zijn vader, dominee Smits sr. en dominee C. ter Spil, de predikant van Avereest. ’s Middags deed Hendrik Smits zijn intrede.
In 1900 werd Ds. Smits zodanig ziek dat op 18 november een ziektevacature werd ingesteld. Op 27 februari 1901 was hij weer zover hersteld dat hij zijn werkzaamheden kon hervatten. In 1929 werd de dominee weer ziek. Op 4 maart overleed hij na een kort ziekbed.


Hendrik Smits werd op de begraafplaats aan de huidige Smitslaan begraven. Van deze begrafenis verschenen berichten in de krant. In de Nieuwe Rotterdamsche Courant van 11-03-1929 kunnen we het volgende lezen:

Onder groote belangstelling heeft Zaterdagmiddag de begrafenis plaats gehad van den overleden predikant der Ned. Herv. gemeente te Nieuwleusen, ds. H. Smits. Ds. Zoete, van Oud-Avereest, hield in het kerkgebouw een herdenkingsrede, waarin hij liet uitkomen hoeveel de overledene van zijn gemeente hield en hoe zeer hij door zijn gemeente, werd geacht en bemind. De overledene had bijna 38 jaren te Nieuwleusen gearbeid. Hij trad in het maatschappelijk leven weinig op de voorgrond, ambieerde geen andere betrekkingen dan het predikambt, alhoewel hij menigmaal voor hoogere kerkelijke functies werd aangezocht en zeer zeker daar goed werk had kunnen verrichten met zijn helder verstand. Ds. Smits was in alle opzichten een eenvoudig man; vaak heeft hij verklaard, dat, mocht hij zijn leven opnieuw beginnen, dan zou hij weer dominee zijn geworden en weer te Nieuwleusen.
Na het uitspreken van de herdenkingsrede zong men staande vers 7 van Ps. 27. Daarna ging de gemeente langzaam langs de kist om een laatsten groet aan haar geliefden predikant te brengen. Honderden schreden aangedaan langs het lijk. Op de begraafplaats sprak de oudste broeder van den overledene, de heer Jac. Smits uit Naarden, een woord van dank aan de zoovele belangstellenden, die hun dominee ten grave brachten.

Ds. Hendrik Smits

* * *

ZOEKPLAATJES _________________________________________________________

In ons archief bevinden zich meer dan 13.000 afbeeldingen. Daartussen zitten een aantal foto’s waarvan geen gegevens bekend zijn. Onze fotogroep tracht van dat soort foto’s de gegevens te achterhalen. Vaak lukt dat, soms ook niet. Dat laatste is het geval met de foto’s die we hier opnemen. Daarom leggen we deze foto’s nu aan u voor met de vraag: Wie staan er op deze foto’s en hoe oud zijn ze ongeveer. Aanvullende informatie is uiteraard ook welkom.
Reacties liefst schriftelijk naar redactie@palthehof.nl of Redactie, Westeinde 3, 7711 CH Nieuwleusen, of eventueel telefonisch tussen 18 en 19 uur op nummer 0523 649 206.


Foto 1: twee vriendinnen of zussen?


Foto 2: een gezin (?) tegen de achtergrond van een boerenschuur.


Foto 3: een gezin (?) tegen de achtergrond van een tuin of akker.


Foto 4: een meisje in klederdracht.


Foto 5: een vrouw in klederdracht bij een boerderij.

* * *

DAAR HOORT EEN MOOI SERVIES BIJ _________________________________________________________

Gezelligheid kent geen tijd.
Aan tafel genieten van goed gezelschap en lekker eten.
Daar hoort ook een mooi servies bij.


Serviezen
Hoe en waarop lekker eten geserveerd wordt, geldt voor veel vrouwen net zo zwaar als het eten zelf. Eten doen we dagelijks en dat we oog hebben voor sfeer, bewijst wel de grote verscheidenheid aan serviesgoed. Porselein en aardewerk gaat lang mee en dat speelt een grote rol bij de keuze van het servies. Kwaliteit is duur en daarom staat een servies vaak hoog op het lijstje van huwelijksgeschenken. Door lang te sparen of door meer mensen onderdelen te laten kopen, was en is het mogelijk om een mooi servies te kopen; een servies dat soms wel een heel huwelijksleven lang meegaat. Dat de keuze van een servies heel persoonlijk is blijkt wel uit de inzendingen voor de tentoonstelling van 2010: “serviesGOED, mooi op tafel”. Daarbij is geen enkel servies hetzelfde!

Begripsverwarring
Als er over serviezen wordt gepraat, willen de woorden terracotta, keramiek, steengoed, aardewerk en porselein nog wel eens voor verwarring zorgen. Daarom geven we hier een overzicht van de verschillen en overeenkomsten. Keramiek is een materiaal voor voorwerpen dat wordt gemaakt door het verhitten van klei, variërend in zuiverheid en baktemperatuur.
Er zijn twee hoofdgroepen keramiek: terracotta en steengoed.
Terracotta is altijd ongeglazuurd. Het wordt vooral in de beeldhouwkunst gebruikt.
Steengoed is altijd geglazuurd. Door zout of soda aan het einde van het bakproces toe te voegen ontstaat er een waterafstotende en glazuurachtige laag.
Klei is een heel geschikt materiaal om te gebruiken omdat het gekneed kan worden als het nat is. Maar veel kleien zijn te vet om zonder toevoeging mee te kunnen werken. Om aardewerk of porselein te maken voegt men er zand of kwarts aan toe.
Voor porselein gebruikt men zo wit mogelijke klei, meestal kaolien genoemd. Daar wordt zilverzand aan toegevoegd om de massa minder vet te maken en bij verhitting glasachtig te laten worden, en veldspaat om de baktemperatuur te verlagen. Dit gebeurt in de verhouding 2:1:1. Vervolgens wordt het water, dat toegevoegd was om de klei tijdens het bewaren gebruiksrijp te maken, uit de massa geperst.
Daarna wordt de kleimassa met behulp van mallen veranderd in borden, kopjes, schalen en kannen. Die worden gedurende drie maanden te drogen gezet en vervolgens tweemaal gebakken. De eerste keer bij 900 °C, waarna het zogenaamde biscuit ontstaat. Vervolgens wordt het glazuur aangebracht. Het gladbakken gebeurt bij ca 1400 °C en duurt anderhalve dag. Als de oven is uitgebrand en afgekoeld, wordt het porselein beoordeeld op kwaliteit. Daarna worden de voorwerpen nog beschilderd en gemoffeld in een oven bij 600-900 °C.
Bij het bakken ontstaat krimp doordat ongeveer 10% van de massa verdampt. Vroeger was dat een groot probleem en moest soms de helft van de productie als “misbaksels” worden weggegooid. Dat kwam door een te lage of te hoge baktemperatuur. Veel porseleinfabrieken hielden het dan ook niet lang vol en gingen failliet. Nu kunnen de elektrisch gestuurde en gasgestookte ovens heel precies op verschillende temperaturen en tijden worden afgestemd.

Theepot in Art Deco-stijl van een servies uit omstreeks 1930.
Dankzij de vooruitgang van de techniek maakte de aardewerkindustrie vooral in de periode tussen de Eerste en Tweede Wereldoorlog een enorme ontwikkeling door. Fabrieken als De Sphinx, Société Céramique en Mosa doorbraken de ouderwetse, negentiende-eeuwse mentaliteit en richtten zich massaal op de moderne vormgeving. Door enorme oplages, tot wel 100.000 exemplaren voor één servies, en lage prijzen werden de serviezen bereikbaar voor de sterk opkomende middenklasse. De variatie was bovendien indrukwekkend. In een periode van slechts enkele jaren werden meer dan 60 verschillende serviezen ontworpen en op de markt gebracht.

Bij de uitleg van het maken van steengoed hebben we porselein als voorbeeld genomen, maar als het om serviezen gaat, worden de begrippen aardewerk en porselein vaak door elkaar gehaald. Op veel punten komen ze met elkaar overeen, maar toch zijn er verschillen:

Aardewerk

Rood/geel-witbakkende klei
Nooit transparant
Zwaarder dan porselein
Dikker dan porselein
Doffe klank
Minder hard dan porselein

Porselein

Zeer zuivere, witte klei
Transparant, tot 4 mm dikte}
Lichter dan aardewerk
Dunner dan aardewerk
Heldere klank
Harder dan aardewerk


Koffiepot, melkkan en suikerpot van een servies uit omstreeks 1930.

Aardewerk
Aardewerk is vaak goedkoper dan porselein en dat komt vooral door het verschil in grondstoffen. Door het gebruik van verschillende kleisoorten is de dichtheid verschillend. Bij aardewerk is de scherf poreus, minder sterk dan porselein en beschadigt snel. Omdat bij aardewerk voor de dekkende glazuur verschillende kleuren mogelijk zijn en ook vaak worden gebruikt, valt “een scherfje eraf” meteen op. Kopen van aardewerk is daarom verleidelijker dan het kopen van porselein, maar in het gebruik geeft porselein vaak meer gebruiksplezier.

Porselein
Porselein heeft geen poreuze scherf, is dus sterk. Meestal wordt een transparante glazuur gebruikt, waardoor de kleur van de scherf zichtbaar blijft. Niet alleen voor serviezen, maar ook voor sanitair wordt porselein gebruikt. Dat komt omdat porselein hard is, glad, duurzaam, weers- en hittebestendig en een goede isolator. En omdat het daarom een slechte geleider is wordt porselein ook gebruikt als basismateriaal voor elektrische isolatoren. Vroeger zagen we de porseleinen potjes boven aan de elektriciteitspalen, waaraan de stroomdraden waren vastgemaakt. Nu wordt porselein ook veel gebruikt in de tandtechnische laboratoria bij het vervaardigen van kronen en bruggen. Ook hebben pompen en kranen tegenwoordig vaak een ceramisch binnenwerk. Porselein neemt geen reuk of smaak aan en verkleurt nauwelijks, ook niet als het enkele eeuwen in een scheepswrak op de bodem van de zee heeft gelegen. Porselein serviezen zijn meestal mooi dun, maar dat is niet altijd zo. Bijvoorbeeld hotelporselein is dik, maar daarmee ook bijna onbreekbaar.

Van Azië naar Europa
In de tijd van Marco Polo hebben de Nederlanders op hun verre reizen het porselein vanuit Azië meegenomen. Tot dan toe was er in Europa alleen maar aardewerk serviesgoed. Het porselein zag er zo verfijnd uit dat iedereen het wilde hebben. Het enige probleem was dat men niet wist hoe het was vervaardigd. Daarom kregen de schippers bestellingen mee om serviezen te laten maken, waarbij vooral blauw een veel gebruikte kleur was. De Fransen deden er alles aan om het materiaal te vinden waarmee ze als eersten in Europa het porselein zouden kunnen maken. Net buiten Limoges hadden vrouwen een steen gevonden om mee te wassen in de wasruimte. Het maakte alles stralend wit. Het bleek de grondstof voor het porselein te zijn die het de finesse en de blanke doorzichtige kleur gaf en die in China KaoLin werd genoemd. Maar het oudste Europese porselein komt niet uit Limoges, waar in 1771 de eerste fabriek met de productie van porselein begon. In 1708 ging Meissen in Duitsland al aan de slag en werd beroemd door zijn porseleinfabrieken. In Nederland ging men aan het einde van de 16de eeuw in Delft porselein fabriceren als goedkoop alternatief voor het blauw-witte Chinese porselein. Het “Delfts blauw” werd in korte tijd zeer populair. In de bloeiperiode, van 1650 tot 1750, waren er in Delft een honderdtal aardewerkfabrieken actief. Omstreeks 1750 kwam in Engeland de porseleinindustrie op gang en rond 1800 was de Nederlandse porseleinindustrie weggevaagd door de import van goedkoper aardewerk uit Engeland.

Vaatwasmachine vijand van antiek porselein
Oude serviezen zijn gekleurd na het bakken. Deze op het glazuur liggende kleuren slijten sneller dan de kleuren van een nieuw servies, waarbij de kleuren onder de glazuurlaag meegebakken worden. Bij elke afwasbeurt in een afwasmachine verdwijnt een beetje kleur door de agressieve zeep en het ontkalkingzout. Voor alle veiligheid kan een oud servies daarom maar beter met water en afwasmiddel en met de hand afgewassen worden.
Antiek serviesgoed; er is met veel zorg aan gewerkt en het is al door vele handen gegaan, het blijft mooi ondanks of juist dankzij kleine gebruikssporen.

* * *

KRUMMELS _________________________________________________________

Meppeler Courant 25 juli 1930
In den nacht van Dinsdag op Woensdag is door onbekende oorzaak brand ontstaan in de autogarage van den rijwielhandelaar A. Mensink alhier. Des nachts werd M. door zijn buurman Bijker gewekt, daar deze den brand be-speurde. Toen men ging kijken stond de garage vol rook. Op een gegeven oogenblik vlogen de garagedeuren met een knal open en sloegen de vlammen naar buiten. De in de garage aanwezige luxe-auto verbrandde geheel, evenals het houten beschot van het dak. De brandspuit was spoedig ter plaatse en bluschte den brand. Verzekering dekt de schade.

* * *

DE TAAL VAN NI’ôJLUUSN: VAN VROGGER? _________________________________________________________

Chris Canter

Aj uut Ni’jluusn vurt gaot, ziej an de kaante van de weg in verscheiden talen de groet “Tot ziens!” Wat aj niet ziet, is dizze groet in de oorspronkelijke taal van Ni’jluusn, ’t Nedersaksisch zoaw oeze streektaal vandage ok wel nuumt. Ie zollen dus kunnen zeggen det ’t d’r mit dizze taal niet zo best veur stiet.

Waor viende wi’j vandage nog de Ni’jluuseger streektaal? In de supermarkt is allend Standaardnederlaands te koop, en aj iene niet kent, zuj hum of heur niet gauw in de streektaal anspreken, al hej een aordig grote kaans det hi’j of zi’j ok uut de buurte kump, of oe best verstaon zal. Eschreven Ni’jluusns is slim zeldzaam. Zölfs in ’t blad van Ni’jluusn van vrogger viej bename Nederlaands; ’t kan dus wèzen det ze mient det zölfs veur wat as vandage töt ’t verleden beheurt, de standaardtaal gepaster is.

En aj in de streektaal schrieft, mut ’t eigenlijk een gedichien, een anekdotisch vertellegien of een tenielstok oaver vrogger wèzen, en muj as schriever niet jonger as vieftig wèzen. As ze bi’j uutzundering ies een schier boekwarkien oaver de streektaal samenstelt, gebeurt det in ’t geröststellende raamwark van ’t Standaardnederlaands: “Zo zegge wi’j det” van A tot Z! Woorden en gezegdes in het dialect van Nieuwleusen. ’t Gef an det de streektaal vandage aj ’t goed bekiekt een studie-object veur liefhebbers is, in plaatse van een lèventige taal veur iederiene.

De speuren die antoont det hier vrogger, veur een eeuw, ’t Nedersaksisch de standaardtaal was en ’t Nederlaands minder gebrukelijk, bint niet zo dudelijk. De straotnamen op en rondum ’t dörp, in de twintigste eeuw officieel vastesteld, bint ja Standaardnederlaands. Zo hej beveurbield de Kuitermansweg. Mar de olde, oorspronkelijke vörm van dizze femiliename is Kuterman. D’r is een uutzundering, now ja, een halve uutzundering. ’t Zandspeur zol in goed Nedersaksisch ja Zaandspeur wèzen, mit dubbele a.

Ik gebruke mit opzet de term Nedersaksisch, umdet ’t Ni’jluusns bi’j dizze taalfemilie heurt, die as in 1996 deur de laandelijke oaverheid erkend is in ’t kader van ’t Europees Haandvest veur regionaole talen of talen van minderheden. ’t Verwante Platduuts van Noord-Duutslaand is deur de Duutse oaverheid erkend volgens ’t zölfde Haandvest. Sund die tied, as gevolg van een veraandernde kiek op de weerde van streektalen, is ’t antal culturele utingen in de streektaal stark egruuid. Veural op muzikaal gebied kuj det marken. De band die – nao Normaal – van alle Nedersaksische bands nog ’t grootste success ehad hef, is Skik uut Zuudoost-Drenthe. Maank heur taal en die van Ni’jluusn hej niet zo barre veul verschil.

Mit de erkennige bint d’r ok initiatieven ekomen umme de streektaal ni’j lèven in te poesten. Zo hebt ze op ’t gemientehuus van Riesn in Twente een brödtien en draagt ze op ’t gemientehuus van De Wolden in Drenthe blikspelden die as oe neugt um an de balie de streektaal te gebruken aj det wilt. Op TV Oost hej een riege filmpies “Twents, doar is niks mis met!” En hier en daor geeft ze ok streektaallessies op schoele.

Sund de vrogge negentiende eeuw hej al Nedersaksische schrieveri’je. Een beroemd boek uut oeze contreien is Harm, boerenlèven an de Riest van de Vaorter Lucas Jonker. Een köppel schrievers van Ni’jluusn en de directe umgeving die as de streektaal gebruukt hebt, bint Berend van Duren, Klazien Bijker-van Hulst, Hendrik Sterken Rzn (van Stappest) en Jan Zantinge (ofkumstig uut Dwingel). Mar d’r bint now – veur ’t eerst – ok jongelu die as de streektaal op schrift gebruukt. Zo bint de mieste mitwarkers van de Nedersaksische Wikipedia, een encyclopedie op internet daoras iederiene an mitschrieven kan, jongkerels.

Tegelieke mit dizze gruuiende culturele belangstelling veur ’t Nedersaksisch, en ’t gebruuk van de taal op ni’je menieren (denkt ok an de ziepe-riege Van Jonge Leu en Oale Groond op TV Oost), gaot ’t algemiene gebruuk en de taalbeheersing achteruut. Aal minder mèensen kunt nog Nedersaksisch praoten, veural jongeren kunt ’t niet meer, en wie as ’t nog kan, dut ’t bi’j aal minder gelegenheden en streuit aal meer Standaardnederlaands deur de streektaal hen. As det zo verdan giet, hew oaver körte tied niet veule meer oaver as een regionaol accent. Dan is oeze eigen taal – oeze eigenheid – echt hielemaole wat van vrogger, krek now aw weet det de beheersing van een streektaal ’t taalgevuul vergroot, en det kiender de streektaal en ’t Standaardnederlaands prima naost mekare kunt leren.

Wat giet de gemiente Dalsen doen um oes taalkundige arfgoed te bescharmen en an te fietern? Niks doen, zo hew emarkt, stiet gelieke an de streektaal de nek umme dri’jen. Op de borden an de wegkaante zollen ze maank alle vrömde talen ok ies in oeze eigen taal kunnen zetten: “Goedgaon!”

* * *

BREEF VAN EEN DEERNE AN ZIEN JONGE _________________________________________________________

Leve Jan,
Ut dut mie leed mar ik mut oe schriev’n det mie va 't niet meer heb’n wil, de 'k met oe gao. En in de bibel steet: "Eert oe va en mo" en zonder hun zeeg’n kuw toch niet gelukkig weez’n. Ik blief oe toch altied liefhem en vergetten za’k oe nooit. Mar um de aolle luu te bedroov'n, det kank neet aover mie harte krieng.
Gao mar niet mer langs oons huus flaner’n, want as mie va oe dan zut, dan bromt he mie weer of.
Leve Jan, det wi' j toch wol veur mie doon hè? Ie wilt toch mien va gin vedreet doon hè?
Daorumme kuj better kom'n as 't al donker is, dan zutte oe neet. Maar komp dan stikum deur de achterdeure. Ik weet wel wao de sluttel van de veurdeure lig, maar ik wil mie va niet bedrieg’n en ik heb 'm belaofd dek de sluttel zal laot’n waor e was. Brek de bene neet aover de stoepe, want dan zoj mie va wakker maak’n en det zol ik neet geerne wil’n. Deurumme aj kompt do dan de schoon’n uut, zodêt oe gin mêense heurt.
Tut venaovend dan, leve Jan.
Oe leefheb’nde Rika.

Overgenomen uit “De Moespot” van december 1963.
(Inzending van B.M.van Dooremolen, RaaIte)

* * *

Foto achterpagina _________________________________________________________

Stientje Vonder-Kamerman.




Jaargang 28 nummer 4 december 2010


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto Voorpagina: _________________________________________________________

De ansichtkaart die G. Massier Jzn., gelegerd in de kazerne te Leeuwarden, in het begin van de vorige eeuw naar zijn kameraad F. Schiphorst in Nieuwleusen stuurde.

* * *

EEN KAMP BIJ OMMERSCHANS II _________________________________________________________

De doffe knal van het morgenschot deed mij den 10 September des morgens te halfzes ontwaken. Ik had moeite mij te bezinnen waar ik mij bevond, maar toen ik de oogen opsloeg en ik zag het spitse witte dak boven mij, de enge woning met bovengrondsche fundeering, toen herinnerde ik mij al spoedig dat ik den vorigen dag mijne vaste woning met eene zeer vluchtige had verwisseld, dat een eenvoudige tent mij eenige dagen tot verblijfplaats zou strekken.
Al spoedig kwam er beweging in de compagniesstraten. Het was de reveille van eene nijvere massa, gereed tot den arbeid.
Hier zag men een hoofd buiten de tent steken, met kennersblikken luchtgesteldheid en wind opnemend, daar eenige manschappen die water aandroegen, wasch en drinkwater voor de kameraden, die zoo versch uit het stroo gerold zich het hoofd wel eens wenschten te verfrisschen, al was dit niet door tactische nachtmerriën gepijnigd en gekweld.
Ginds kwamen groepjes soldaten de tenten uit om een laatste hand te leggen aan de reiniging van hun geweer, onmisbaar heilig ingrediënt voor den infanterist.
Zoo verdween de nachtelijke stilte in het luid opklinken van de rumoeren en bewegingen van den dagelijkschen arbeid.
Toen de soep genuttigd was, de kostelijke soep, waarop menig goed huismoeder zoo jaloersch is, klonken allerwege de signalen voor het aantreden over de weilanden, waarop die groote menschenmassa krioelde in onrustige bedrijvigheid.
Geluiden, stemmen, commandoos vloeiden samen in disharmonische geluidstrillingen, de lucht werd bezwangerd met een gegons, reeds op grooten afstand te vernemen.
En onder al dat wapenrumoer zag men de adjudanten in vollen galop zich naar hunne commandanten spoeden, stoven de ordonnancen op snuivende paarden de zich rumoerende troepen voorbij, om zich te melden en berichten over te brengen. En dit alles overstemd door het tromgeroffel, door de stooten en signalen op den hoorn!
Ten slotte ontstond er stilte, de troepen stonden gereed tot den afmarsch. Nu verlieten de bataljons in lange colonnes het kamp, om eerst in het late middaguur weer te keeren.
De eerste drie dagen zouden gewijd worden aan het oefenen der compagnieën. In deze periode zouden de compagnieën zich bekwamen in het manoevreeren op de geactiedenteerende terreinen rondom de Ommerschans, teneinde later met vrucht in bataljons en regimentsverband te kunnen optreden.
Gevechtsleiding, vuurleiding, het bewaren van de orde in het tactische onderdeel leveren in dergelijke terreinen, waar kleine onbeduidende verheffingen van den bodem het uitzicht soms totaal belemmeren, zoovele bezwaren op, doen zoo’n menigte onvoorziene moeilijkheden ontstaan, dat eenige voorafgaande oefeningen der kleine tactische eenheden hoogst wenschelijk, ja noodzakelijk zijn.
Het vormde eene inleiding tot de manoeuvres waarbij de drie wapens gecombineerd zouden optreden, het was het preludium tot het groote concert van den strijd.


Juist in de dagen als de Ommerheide zal daveren van het kanongebulder, wanneer de grond zal dreunen van de charges der cavalerie, dan zal de goede aanvoering en leiding van de kleinere hefboomen van het wapengeweld het meest gewaardeerd worden. Dien morgen marcheerden wij langs de Dedemsvaart naar het Huizingerveld, op ongeveer een half uur afstand van de Balkbrug. Het is een van de beide perceelen, welke door het ministerie van oorlog tot het houden der oefeningen gehuurd zijn. Op de kaart der officieren verstrekt, zijn deze gedeelten zeer duidelijk aangegeven, zoodat ieder aanvoerder het onmiddellijk zien kan, dat: “tot hiertoe en niet verder”, deze kwelling, die onafzienbare heide, waar slechts nu en dan eene kudde Drentsche schapen de eeuwige rust verstoord.
De heide had haar bruidskleed reeds weder afgelegd, de gloedvolle roodbruine tint, zoo treffend in hare oneindige verheid, ze was verdwenen en had plaats gemaakt voor het doffe toonlooze bruin der stervende crises.
Het was dien dag zeer warm, in golvende zuilen steeg de verwarmde lucht opwaarts, het duurde dan ook niet lang of het zweet droop onzen soldaten met stralen van het voorhoofd.
’t Zal misschien bij sommigen twijfel opwekken dat het marcheeren op de heide een zoo hoogst vermoeiend werk is. Ik kan het dezen echter aanbevelen, het staalt de spieren en wekt den eetlust op, het verdrijft alle ingebeelde ziekten. Een marsch over de heide door de heidestruiken, welke dikwijls tot kniehoogte reiken, nu opwaarts, dan omlaag, hier over een droge greppel, daar over een sloot, ze vermoeit over kleine afstanden den troep meer dan uren marcheeren over een goeden grintweg.
Op het Huizingerveld aangekomen, zou de frontaanval beoefend worden.
De verdedigende partij had stelling genomen in een boschrand, noordelijk van de Dedemsvaart, nu werd aan den aanvaller opgedragen den vijand te verdrijven, het bosch te bezetten en hem zoo mogelijk van zijn terugtochtsweg af te snijden door de Balkbrug te nemen voordat hij uit het bosch was teruggedreven.
De sterke boschrand, welke het voorgelegen terrein geheel domineerde, werd door den verdediger niet bezet, wel maakte hij van het bosch gebruik tot opstelling der soutiens en reserves. Zijn eigenlijke verdedigingslinie vond hij in eene loopgraaf voor staande schutters, die hij op een honderd meter voor den boschrand aanlegde.
Het is in de laatste jaren een voortdurende strijd tusschen projectiel en dekking. Nauwelijks is de dekking verzwaard of een nieuw projectiel treedt op den voorgrond, dat meerdere grondmassa tot bescherming eischt, dat zwaarderen arbeid van onze infanteristen, slechts met de Linnemanschop bewapend, vergt. Hier, in deze ongerepte heide, hadden onze soldaten eene prachtige gelegenheid zich te oefenen in het opwerpen van vluchtige versterkingen, en met pleizier arbeidden zij daaraan, zoodat na een half uur hun verdedigingsstelling gereed was. Het werd echter ook tijd, reeds waren vijandelijke patrouilles op de flanken der stelling gesignaleerd. Met den kijker gewapend ontdekte het oog van den commandant vijandelijke afdeelingen, welke zich in eene tirailleurlinie ontwikkelden. De linie, welke aanvankelijk slechts door eenige manschappen was bezet, werd nu met de noodige geweren bewapend. Daar knetterden de eerste salvo’s van den aanvaller over de heide, een weinig rook duidde zijne opstelling aan, overigens was hij nog onzichtbaar; het was aan de ongeduldige en zenuwachtige bewegingen der verdedigers te bemerken, dat zij gaarne zouden antwoorden. Hun strijdlust vlamde op, hun moed werd slechts in bedwang gehouden door het gevoel van plichtsbesef. De commandant der verdedigende stelling was spaarzaam met de munitie, hij was indachtig aan de hoogst moeilijke munitieaanvulling gedurende het gevecht en bewaarde zijne hoogste troeven voor de kritieke gevechtsmomenten.


Al meer en meer naderde de vijandelijke tirailleurlinie, onheilspellend in hare geringe kwetsbaarheid, met korter tusschenpoozen ratelden de salvo’s, steeds dichter werd het rookgordijn, dat den vijand gedurende verscheidene momenten aan het gezicht onttrok. Zoo nu en dan vernam men de schelle fluitsignalen, die het vuur voor een kort oogenblik deden staken. Nu naderde de aanvaller den verdediger te snel, te overmoedig. Een paar goed gerichte salvo’s deden den aanval voor enkele minuten staken, maar het was slechts een korte verademing voor den reeds zeer geteisterden verdediger. Nieuwe soutiens kwamen in de linie, die nu ongeacht het hevige vuur van den verdediger in den looppas voorwaarts stormde.
Plotseling ratelden er snel op elkander volgende salvo’s uit den boschrand op den rechterflank van den aanvaller, in vluchtige wolkjes verdween de rook in het geboomte. Eensklaps ontstond een ademlooze stilte op het terrein van den strijd.
Was de aanvaller omtrokken, werd zijn weg bedreigd?
Op het laatste moment had de verdediger, bevreesd voor zijn linkerflank, hier eene kleine afdeeling gedetacheerd, welke nu den aanval een oogenblik had tot staan gebracht, maar het was eene laatste opflikkering voor een zekeren ondergang, eene laatste krachtsinspanning, welke de nederlaag niet kon voorkomen. De reserve van den aanvaller had reeds stelling genomen en met haar vuur deze dappere kleine schaar verdreven.
De aanval werd steeds heviger, het geweervuur overstemde de commando’s en signalen; die levende muur, welke niets braakte dan vuur en verderf, ze kwam steeds nader en bedreigde den verdediger met totalen ondergang. Nog voor den laatsten stormaanloop ontstond in de rijen der verdedigers een paniek. De loopgraven werden verlaten en alles ijlde in wilde vaart naar den boschrand, het was een “sauve qui pent” als slechts de slagvelden laten zien.
Het vervolgend vuur van den aanvaller deed nog menigen verdediger vallen aleer het beveiligende bosch bereikt was. Daar klonk het signaal “ophouden met vuren”.
Het geweervuur hield op, het krijgsgeschreeuw verstomde, de rook trok op, zoodat duidelijk vriend en vijand waren te onderscheiden.
De afdeelingen werden nu verzameld en al de troepen samengetrokken op een gedeelte der heide, ten zuiden van den boschrand. De geweren werden aan rotten gezet, de schako’s aan de bajonetten gehangen en het ledergoed afgelegd.

Bij de meeste manoeuvres ziet men behalve de toeschouwers steeds een groot aantal reizende kooplieden, marskramers en ook wel landslieden, die van deze bijzondere gelegenheden gebruik maken om een klein winstje te behalen. Deze legervolgelingen, die na vermoeiende marschen en inspannende oefeningen ons met hunne lavende dranken steeds zoo welkom zijn, ze waren nu afwezig. Twee of drie venters, die slechts voorzien waren van groote brooden, hier “mik” genoemd, trachtten hun waar aan den man te brengen.

* * *

DE SMAAKMAKERTJES _________________________________________________________

Jan Zantinge

Jan Zantinge is in 1927 in Dwingeloo geboren. Zijn vader was boer. Tussen 1947 en 1950 was hij militair in Nederlands-Indië. Vanaf 1954 was hij onderwijzer en in 1956 werd hij hoofd van de openbare school in Den Hulst. Daar bleef hij tot zijn pensionering in 1983. Daarna begon hij vanaf 1986 te schrijven. Hij publiceerde gedichten en verhalen en schreef ook over de politionele acties in Nederlands-Indië.
Een van zijn eerste verhalen verscheen in: “Keuze uit de inzendingen voor het Proza- en Poëziefestival 1986 te Raalte.” Raalte; Guldemond, 1986. Dit verhaal nemen we hier over.


Dertig jaar heb ik voor de klas gestaan. Een paar maanden geleden ben ik met pensioen gegaan.
“U zult de kinderen nog wel ‘es missen?”, wordt me nu vaak gevraagd. Omdat ik ze inderdaad mis, ga ik graag zo nu en dan naar het parkje bij ons in de buurt. Op een bankje kan ik daar intens genieten van kinderen die er volledig opgaan in hun spel.
Zo zit ik er ook weer op deze wat verstilde nazomermiddag. Tussen het vermoeide groen hoor ik hoge kinderstemmen. Geritsel van onwillig bewegende takken.
“Paw, paw, paw …”
“Paw, paw, paw … tè, tè, tè.”
Tegelijk komen ze uit de struiken te voorschijn.
Ben en Jos, de ruim vijfjarige smaakmakende knulletjes van ons gezapige woonerf. Ben, mollig, met grote lichtblauwe ogen in een rond gezichtje. Z'n blonde haarpieken die geen kant en alle kanten op willen.
Jos, het slanke bruine jochie met z'n pagekopje en met vonkend zwarte ogen in een ovaalvormig gezichtje. Zijn voorouders waren Spanjaarden.
“Jij bent dood.”
“Hoe dan?”
“Dat geeft niet. Jij bent dood.”
“Je kon me niet eens zien.”
“O nee? Daarnet op die plek met licht, daar heb ik je geraakt.”
“Kan niet! Kan nooit! Bestaat niet!”
Dan zien ze mij. Ze komen naar me toe. Ben met korte, schommelende beweginkjes. Jos, soepel, haast sluipend. Ben heeft Jos geraakt, begrijp ik. Met hun griezelig echt lijkende plastic machinepistolen staan ze met de lopen op me gericht voor me.
“Zo jongens, wat zijn jullie aan het doen?”
Jos kijkt me dreigend alert aan als Ben zegt: “Jos is dood en nu wil hij niet.”
Met een fel uitschietend stemmetje reageert Jos daarop: “nietes, helemaal niet waar.” Ben met felrode vlekjes op z'n wangetjes, vindt blijkbaar dat ik dan maar nadrukkelijker moet worden ingeschakeld.
“Als je geraakt bent dan ben je dood hè?”
“Dat hoeft niet altijd, je kan ook gewond raken,” verkondig ik.
Z'n woorden met korte knikjes benadrukkend, grijpt Jos z'n kans: “Ik ben gewond, ik ben niet dood, je zegt zo maar wat.”
Ben, z'n buikje vooruit: “Maar dan ben je wel geraakt, je zegt het zelf.”
“Maar ik ben niet dood, dat is heel wat anders.”
Ben daarop, aandoenlijk nukkig: “Nou dan doe ik het niet meer.”
Hij laat z'n wapen zakken en trekt, met z'n vrije knuistje, z'n ongemakkelijk zittende spijkerbroekje met de omgeslagen pijpjes op.
“Zo doet hij nou altijd, als hij 't niet kan winnen,” sputtert hij nog. En dan Jos met een duister stemmetje: “Helemaal niet, helemaal niet waar.”
Ben nu fel en driftig: “O nee? En gisteren dan? Daar op die dunne weg dan?”
“Waar op die dunne weg?”
“Daar wou je ook niet dood zijn en je was pierdood.“
Er volgt een druk over en weer gepraat tussen ons drieën voordat ik weet dat de dunne weg de smalle weg tussen de weilanden is en dat “pierdood” ontleend is aan Ben's vader die het wel 'es over zo dood als een pier heeft.
Vanuit de veronderstelling dat de oorlog nu wel over is, meen ik pedagogisch aan de slag te moeten gaan door te vragen: “Jullie zouden toch ook een ander spelletje kunnen spelen.”
De grote ogen van Ben kijken me meer dan verbaasd aan en ook Jos laat perplex zelfs z'n wapen zakken.
“Het was geen spelletje, het was echt,” schettert Ben en hij rukt nu aan z'n jackje dat met drie kwart open rits op anderhalve schoudertje hangt.
Jos onderstreept - het helemaal eens met Ben - “Ja, 't was echt.”
“En omdat 't echt is, daarom ben je dood,” troeft Ben erover heen. Jos, vanuit z'n heupjes zich voorover buigend naar de wat kleinere Ben vraagt hem dan: “Weet je wat jij bent?”
Ben nergens op verdacht, nieuwsgierig: “Nou wat dan?”
“Je bent maf, hartstikke maf” en triomfantelijk rechtop staat Jos daar in z'n strakke, zwarte corduroybroekje en z'n donkergele jackje.
Ben kijkt me met niet begrijpende ogen hulpeloos aan.
Een schitterend gebruinde tiener komt nu op.
Haar bewegingen verraden dat ze een popidool imiteert. Nadat ze mij een tandpastareclameglimlach heeft geschonken, zegt ze: “Jos, thuiskomen, eten.”
“Nee, ik wil niet, ik wil niet eten,” antwoordt Jos, nog steeds heel zeker van zichzelf.
“Kom, opschieten joh, doe niet zo maf.”
Na deze verbale dreun van z'n grote zus capituleert Jos met bliksemende ogen. Naast elkaar lopen ze weg. Als ze een arm om z'n schoudertjes wil leggen weert hij die driftig schokkend af.
Ben loopt met mij mee. Na enige tijd merkt hij ernstig op: “Hij was wel dood en hij kan ook nooit tegen een grapje.”
Hem aankijkend knik ik wazig.
Voor z'n huis vraagt hij mij ontroerend gretig: “Ik ben niet maf hè?”
Z’n vochtige mondje en z'n grote hunkerogen nodigen uit tot knuffelen, maar ik geef hem een tikje tegen z'n klamwarme wangetje.
“Nee hoor, je bent niet maf en ga je nu morgen weer met Jos spelen?”
“Natuurlijk,” klinkt het opgelucht.
Hij huppelt het tegelpad op, in z'n ene handje het pistoolmitrailleur, met z'n andere knuistje rukkend aan z'n op de groei gekochte spijkerbroekje.

* * *

MIJMERING OP KERSTAVOND _________________________________________________________

Gé Hengeveld-van Berkum

Het is kerstavond en de drukte van de voorbereidingen voor kerst zijn voorbij. Het geeft een bevredigend gevoel en je hoopt dat de kerstdagen plezierig en goed zullen verlopen. Na het eten moet de hond nog even uitgelaten worden en als ik buiten kom straalt de kerstverlichting me van alle kanten tegemoet. Het ziet er allemaal erg mooi en gezellig uit. Maar ineens schieten me de kerstavonden van vroeger in gedachten, van zo’n ruim vijfenzestig jaar geleden in de oorlogsjaren toen alles aardedonker was. We woonden toen in ’t Veld en daar was geen straatverlichting. Bovendien moesten alle woningen in die jaren verduisterd worden, zodat er buiten geen enkel lichtstreepje te zien was.
Kerstavond werd met elkaar thuis doorgebracht met chocolademelk. Verder was er niets bijzonders. Een kerstmaal kenden we nog niet en de boodschappen daarvoor hoefden dus niet gehaald te worden. Die werden ook haast nooit gehaald omdat de kruidenier altijd met zijn venterswagen langskwam.
We hadden ook nooit een kerstboom of enige andere versiering. Er was geen kerstdienst in de kerk. Op kerstavond mocht je ook niet weg, dat hoorde niet. Je was thuis want “Derk met de hunties” liep buiten en daar moest je voor oppassen!
Zo dacht ik tijdens de wandeling met onze hond aan de kerstavonden thuis en ik vroeg me af of het verhaal van “Derk met de hunties” ook elders bekend was of dat het zich tot bepaalde streken in het dorp beperkte. Mijn man, die uit Berkum komt, kende het in elk geval niet. Hoe oud zou dat verhaal eigenlijk al zijn?

Toen ik thuis kwam was een dochter van ons aan de telefoon. Ze wou mij ook spreken en we kregen het over “Derk met de hunties”. Ook onze kinderen mochten op kerstavond niet weg en dat heeft wel zoveel indruk achtergelaten dat ze het nu nog weten. In de plaats waar zij woont is het verhaal totaal onbekend en ze wou er nu dan ook wel wat meer van weten. Ik weet niet meer dan dat Derk een man was die altijd in het donker met zijn hondjes buiten liep. Als hij je te pakken kreeg dan kon hij je wel ik weet niet wat doen. Zo werden wij als kinderen bang gemaakt.
Maar waar komt het verhaal vandaan en hoe is het ontstaan? Is het echt plaatselijk en bestaan er meer van dit soort verhalen? Wie kent ze van overlevering van ouders of grootouders? Vragen waarop ik wel eens een antwoord zou willen. Het is te bijzonder om dat soort verhalen verloren te laten gaan, dus moeten ze opgeschreven worden. Ik hoor het graag.
(Wilt u reageren op dit verhaal, dan kunt u contact opnemen met de schrijfster op telefoonnummer 0529 483 380. red.)

* * *

ZOEKPLAATJES _________________________________________________________

Van de zoekplaatjes in het vorige nummer kwam mevrouw Krale-Masselink met de oplossing van foto 2. Op die foto staan het echtpaar Albert Masselink en Geertruida Visscher met hun kinderen (vlnr) Margje, Jantje en Frans. De foto zal omstreeks 1905 gemaakt zijn.

Albert Masselink, zoon van Albert Masselink en Margje Evertsen, is op 8 december 1859 in Nieuwleusen geboren en daar overleden op 18 februari 1927. Zijn vader overleed al voordat Albert geboren werd en wel op 28 mei 1859, nog maar 29 jaar oud. Dat zal de reden zijn geweest dat Albert de naam van zijn vader heeft gekregen.
Albert trouwde op 24 februari 1887 in Nieuwleusen met Geertruida Visscher. Ten tijde van zijn huwelijk was hij landbouwer.
Geertruida Visscher, dochter van Frans Visscher en Jantje Jans, is op 23 oktober 1855 in Zwartsluis geboren. Ze overleed op 27 november 1920 in Nieuwleusen.
Voordat Geertruida met Albert Masselink trouwde was ze korte tijd getrouwd met Derk Bruggeman, bakker, geboren op 15 juli 1851 in Nieuwleusen, zoon van Jochem Bruggeman en Geertje van Duren. Het huwelijk van Geertruida en Derk vond plaats op 26 april 1884 in Zwartsluis en duurde tot het overlijden van Derk op 4 augustus 1885. Ze woonden toen op het adres B98 (Westeinde) in Nieuwleusen. Uit dit huwelijk werd op 14 maart 1885 in Nieuwleusen een kind geboren. Deze dochter, die de naam Geertje kreeg, overleed al op 11 februari 1891 in Nieuwleusen. Nadat Albert Masselink met Geertruida Visscher trouwde, is hij van beroep veranderd en bakker geworden. Toen het eerste kind van Albert en Geertruida geboren werd, woonden ze op het adres B98, hetzelfde adres waar Derk Bruggeman is overleden. Geertruida heeft de bakkerij van haar eerste man dus voortgezet en Albert Masselink is er “bij ingetrouwd” en bakker geworden.

Margje Masselink is geboren op 27 december 1887 in Nieuwleusen. Ze trouwde op 15 mei 1918 in Nieuwleusen met Hendrikus (Dieks) Velthuis, omstreeks 1896 geboren in Dalfsen, zoon van Lammert Jan Velthuis en Hendrikjen Roddenhof.

Frans Masselink is op 1 juni 1889 geboren in Nieuwleusen. Hij trouwde op 22 augustus 1914 in Nieuwleusen met Jennigje Roddenhof, omstreeks 1892 geboren in Dalfsen, dochter van Hendrik Roddenhof en Jennigje Koezen. Frans is bakker van beroep.

Jantje Masselink is op 9 augustus 1891 geboren in Nieuwleusen. Ze trouwde op 10 mei 1917 in Nieuwleusen met Jan van Duren, op 22 maart 1892 geboren in Nieuwleusen, van beroep klompenmaker, zoon van Derk van Duren en Janna Schiphorst.

Nieuwe zoekplaatjes
We hebben weer een aantal nieuwe zoekplaatjes voor u. Reacties het liefst schriftelijk naar Westeinde 3, 7711 CH Nieuwleusen of via email naar redactie@palthehof.nl, eventueel telefonisch tussen 18 en 19 uur op
nummer 0523 649 206.


Foto 6: twee kinderen met speelgoedhondje.


Foto 7: vrouw in een tuin.


Foto 8: vrouw bij een stoel.


Foto 9: drie vrouwen met hoed.


Foto 10: man bij een stoel.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Dit keer sluit de groepsfoto aan bij het volgende artikel. Omstreeks 1952/53 werd deze foto gemaakt van muziekvereniging "Crescendo". Deze muziekvereniging werd in 1905 in Den Hulst opgericht en fuseerde in 1969 met muziekvereniging “Excelsior” uit Balkbrug.
Beschermheer van “Crescendo” waren Willem Jan baron van Dedem en A. van Scherpenzeel, notaris in Den Hulst. Later werd Gulia Palthe beschermvrouwe.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

Sieben Kooistra
Gé Hoes
Wolter Kuterman
Hendrik Jan Brinkman
Gerard Compagner
Jan Runhart
Freddie Huisman
Aalt Bruggeman
Herman Kappert

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  

Arend Bruggeman
Jennie Schuurman
Dinie Bouwman
Hillie Wicherson
Henk Compagner
Jo Schuurman
Jan Boesenkool
Frits Klunder
Herman Garritsen

19  
20  
21  
 
22  
23  
24  
25  
26  

Geert Spin
Arend Compagner
Klaas Lindeman, dirigent
Anne Douma
Klaas Runhart
Arie Bruggeman
Hendrik Runhart
Berend Jan Brinkman

* * *

MUZIEKCONCOURS 1946 _________________________________________________________

Jakob de Weerd

Op 30 mei 1946, Hemelvaartsdag, werd er in Den Hulst een nationaal federatief muziekconcours gehouden ter herdenking van het 40-jarig bestaan van het fanfarekorps “Crescendo”. Bij die gelegenheid werd een feestgids uitgegeven die voor de prijs van 25 cent kon worden aangeschaft. De feestgids beslaat 48 bladzijden in een omslag en is voorzien van veel advertenties van bedrijven in Den Hulst en Nieuwleusen. Het boekje begint met een voorwoord:

Bezoekers van het Concours.
Gedurende de 40 jaren van haar bestaan heeft Muziekvereniging “Crescendo” steeds een belangrijke plaats in de harten van de inwoners van onze Gemeente Nieuwleusen ingenomen. Spontaan hebben wij dan ook een Comité gevormd om dit 40-jarig Jubileum van “Crescendo” op zoo waardig mogelijke wijze te vieren. De burgers en de Vereenigingen, die ons bij de voorbereidingen en bij de uitvoering van dit plan geholpen hebben, zeggen wij vanaf deze plaats onzen hartelijken dank. Zeer erkentelijk zijn wij ook voor de steun van het Eerecomité, waarvan de heer J. Ph. Backx, Burgemeester van Nieuwleusen, het Eerevoorzitterschap op zich heeft willen nemen.
Wij roepen U een hartelijk welkom toe en spreken de hoop uit, dat dit concours in alle opzichten aan Uw verwachting zal mogen beantwoorden.
Zeer tot onzen spijt is het ons door de tijdsomstandigheden niet mogelijk geweest, medailles voor de wedstrijden van het concours beschikbaar te stellen. Wij hopen, dat de prijswinnaars de door den Bond (Ned. Fed.) beschikbaar gestelde getuigschriften evenzeer zullen waardeeren.
Met vriendelijke groet aan allen, die eraan meewerken het concours te doen slagen en ook aan hen, die door hun aanwezigheid het feest helpen opluisteren.
Moge “Crescendo” in de toekomst nog vele roemvolle jaren toevoegen aan haar eervolle verleden.

HET COMITÉ

In de feestgids zijn ook de leden vermeld die in 1905 bij de oprichting van het fanfarekorps “Crescendo” waren betrokken: W. Kamerman, B.J. Stroink, F. Santing, B. Santing, D.J. van Duren, H. van Duren, H. Brinkman, H. Compagne, A.J. Katoele, D.J. Mensink, H. de Groot en D.J. Prins. Bestuursleden waren: J. Wicherson, voorzitter, L. Huisman, secretaris en G. Prins, penningmeester. Als directeur, nu zouden we zeggen dirigent, fungeerde Kröning.


In 1946 is Joh. Klinge de directeur, terwijl het bestuur wordt gevormd door M. Runhart, voorzitter, A. Bruggeman, secretaris, A. Compagner, penningmeester, B. Jonkers, bibliothecaris en K. Runhart, algemeen adjunct. Er zijn daarnaast 26 leden en 7 aspirant-leden.

Comités
In de feestgids is vermeld wie er allemaal zitting hebben in de diverse comités.
Erecomité: J.Ph. Backx, burgemeester (erevoorzitter); Ir. B.J. van den Berg, directeur Union Rijwielfabriek; G.R. Dekker, arts te Nieuwleusen; H.J. Muller, lid fa. Gebr. Muller te Brug 6; P.J.J. Versluys, arts te Den Hulst en L. Vos, directeur zuivelfabriek Onderling Belang.
Het feestcomité bestaat uit 14 personen: K. Bijker, Rf. Grooteboer, G. Oldeman, G. Massier, E. Slager, W.L. van Veenen en de leden van het werkcomité: G. Beekman, Sluis 3 (voorzitter), J. Mensink, Ommerdijk (secretaris), A. Douma, Den Hulst (penningmeester), H. Muller, Brug 6 (alg. secundus), Ir. H.G. van den Berg, Den Hulst, H. Mannen, Nieuwleusen, J. Wicherson, Den Hulst en M.J. Wildvank, Nieuwleusen.
Dan zijn er nog een aantal commissies.
In de Commissie van ontvangst zitten: H.J. Mensink, J.W. Klomp en Joh. Bouwman.
In de Commissie voor reclame en pers zitten: K. Bijker, J. Mensink en Rf. Grooteboer.


In de Commissie Vermakelijkheden zitten G. Massier Hzn., J. Wicherson, M.J. Wildvank en E. Slager.
In de Commissie Terrein, verlichting en buffet zitten Ir. H.J. van den Berg en G. Oldeman.
In de Commissie Loket zitten H. Muller, W.L. van Veenen en H.J. Brouwer.
Ook is er nog een Prijscommissie die wordt gevormd door de leden van het werkcomité.
Bepalingen
Voor het concours gelden zowel voor de bezoekers als voor de deelnemende korpsen een aantal bepalingen. In het belang van een goede orde wordt ieder verzocht zich aan de bepalingen te houden. Als de muzikanten van de deelnemende korpsen hun legitimatiekaart kunnen tonen, hebben ze recht op vrije toegang tot het terrein. Bezoekers moeten een toegangsbewijs kopen en dit bij zich hebben. Bij het constateren van het ontbreken van een toegangskaart kan men van het terrein worden verwijderd. Bij gebruik van andermans kaart wordt deze in beslag genomen. Bij het terrein is gelegenheid “tot berging van rijwielen. Ook is er goede plaatsing van auto’s en motorfietsen op het terrein”. Er mag niet worden gevent op het terrein. Personen die zich hinderlijk of onbehoorlijk gedragen worden van het terrein verwijderd. Wanneer de concertwedstrijd is afgelopen gaat het grote lunapark open.
Muzikanten van deelnemende verenigingen die niet op komen dagen, verliezen hun rechten. Om 11 uur op die Hemelvaartsdag moeten de korpsen bij het gemeentehuis aanwezig zijn. Daar worden de voorzitters en directeuren ontvangen door de erevoorzitter in tegenwoordigheid van het erecomité, de juryleden en het werkcomité. Ook heeft daar de loting van de concert- en marswedstrijden plaats. Direct daarna begint in de Kerkenhoek de marswedstrijd. Voorafgegaan door “Crescendo” zullen de korpsen om half twee afmarcheren naar het concoursterrein aan de Ommerdijk.


Programma vooravond
Voor het programma aan de vooravond van Hemelvaartsdag verlenen diverse verenigingen uit Nieuwleusen en Den Hulst hun medewerking. De Christelijke Muziekvereniging “De Broederband” onder leiding van directeur Wiersma zal zich om 7 uur in Den Hulst opstellen, daar enkele nummers spelen en dan marcheren naar het feestterrein. Het fanfarekorps “Crescendo” zal onder leiding van directeur Johan Klinge hetzelfde doen in de Kerkenhoek. Voor het feestterrein is een stuk land aan de Ommerdijk afgehuurd van G. Massier Hzn.
Om half acht zal L. Vos in de muziektent een openingsrede uitspreken. Daarna speelt “De Broederband” het Wilhelmus (waarbij men beleefd verzocht wordt dit met ontbloot hoofd en staande aan te horen) en vervolgens de Feestmars van J.R. v.d. Glas en de wals Bloemen uit Holland van F. Jakma.
Vervolgens is de beurt aan de Christelijk Gemengde Zangvereniging “Sursum Corda” onder leiding van directeur Smit. Zij zingen achtereenvolgens Grootvaders Klok en De Twee Jagers. Daarna is de beurt aan de Gemengde Zangvereniging ”Zanglust”. Zij zingen onder leiding van Johan Klinge de liederen Jagerslust en De Lindeboom.
Dan treedt de organiserende vereniging “Crescendo” aan met de Prinses Irene Mars van A.M. van Leest en Voix Roumaines (Valse de concert) van M.J.H. Kessels.
Onder leiding van Willem Boverhof zingen de Hazeuzangers hierna een tweetal liederen: Oorspronkelijk Bederf en Jezus, De Ware Middelaar.
Het muzikale gedeelte wordt tenslotte afgesloten door “De Broederband” met de Ciciliamars van A.M. van Leest en de Wilhelminamars.


Voor een optreden in de consumptietent heeft men toneelvereniging “Advendo” uitgenodigd. Zij spelen het stuk Hoog Bezoek van R.H. van Otterloo Jr. waarin G. Boverhof, Joh. Bouwman, H. Kamerman, B. de Liefde, J. de Liefde, Andr. Mijnheer en H. Schoemaker een rol voor hun rekening nemen.
Om ongeveer tien uur is dit alles afgelopen en is de opening van het lunapark.

Wedstrijden
Het concours begint met de marswedstrijd afdeling Fanfare. In de derde afdeling spelen mee “De Broederband” uit Beerzerveld, “Concordia” uit Sibculo en “Crescendo” uit Den Hulst. Het verplichte nummer is Picknick van S.P. van Leeuwen.
In de tweede afdeling spelen “Excelsior” uit Balkbrug en “Ons Genoegen” uit Genemuiden o.a. het verplichte nummer Vredesklanken van F. Bicknese.
De eerste afdeling kent maar een deelnemer: “Crescendo” uit Ruinen die De Kampioen van S.P. van Leeuwen als verplicht nummer speelt. In de concertwedstrijd afdeling Harmonie speelt “Woudklank” uit Zuidwolde in de vierde afdeling als verplicht nummer de ouverture Bloeiende Lente van A. Meijns Wzn.

De concertwedstrijd afdeling Fanfare kent meer deelnemers. In de vierde afdeling zijn dat er twee: “Concordia” uit Sibculo en het organiserende “Crescendo”. De ouverture Morgengloren van S.P. van Leeuwen is het verplichte nummer.
In de derde afdeling is de ouverture Bonne Fortune van dezelfde componist het verplicht te spelen muziekstuk. Deelnemers zijn: “Crescendo” uit Ruinen, “Excelsior” uit Balkbrug en “Ons genoegen” uit Genemuiden.
Als laatste speelt in de eerste afdeling “De Broederband” uit Beerzerveld de ouverture Sous La Feuillée van J.E. Strauwen en als eerste keuzenummer de dramatische ouverture Oreste van S. Vlessing.

Voor de behaalde punten van elk korps is in het boekje ruimte gelaten. Deze zijn echter niet ingevuld, waardoor wij de winnaars niet kunnen vermelden.

Het zal ongetwijfeld een feestelijke dag zijn geweest. Het is niet aangegeven in de feestgids, maar na afloop zal zeker de mogelijkheid hebben bestaan ook de Hemelvaartsdag af te sluiten in het lunapark.
Zoals het comité het eerste woord heeft, zo neemt ze achterin de feestgids ook het laatste woord:

Wij wenschen de deelnemende Vereenigingen en bezoekers bij hun vertrek naar huis een goede reis en behouden thuiskomst. Spreken de hoop uit dat het bezoek aan onze plaats en ons Concours U goed is bevallen en roepen allen een spoedig wederzien toe.

* * *

NIEUWLEUSEN IN 1908 _________________________________________________________

In het jaarboekje van de provincie Overijssel voor het schrikkeljaar 1908 vonden we over Nieuwleusen de volgende gegevens (het jaartal achter namen verwijst naar jaar van aftreden).

Het inwoneraantal:
op 31-12-1899: 2605
op 31-12-1906: 2824.
Het aantal kiezers dat in 1907 in Nieuwleusen heeft gestemd voor de Tweede Kamer der Staten-Generaal is 522, voor Provinciale Staten 521, en voor de Gemeenteraad 497.
Nieuwleusen valt onder het kiesdistrict Ommen voor het kiezen van leden voor de Provinciale Staten en heeft daarin 4 leden als haar vertegenwoordigers. Een daarvan is Mr. W.J. baron van Dedem, te Nieuwleusen 1910.

Burgemeester en secretaris: J. Bosch Bruist 1912. Jaarsalaris: ƒ 900,- + ƒ 300,- = ƒ 1200,-.
Ontvanger: B.J. van den Berg. Jaarsalaris: ƒ 400,-
Ambtenaar ter gemeentesecretarie: J.J.H. Bange.
Wethouders: K. Bijker 1908, H. Bouwman Kz. 1911
Raadsleden: H. Dijk Kz. 1909, K. Bijker 1909, A. Prins 1913, K. van Spijker 1913, H. Bouwman Kz. 1911, K. van Hulst Gz. 1911.

Kerkelijke gezindte van de bevolking volgens de uitkomsten der volkstelling op 31-12-1899:
Ned. Hervormd: 2324, Chr. Gereformeerd: 6, Ned. Geref. Kerken: 256, Rooms Katholiek: 4, Overig: 15.
Predikanten:
Ned. Hervormde gemeente: H. Smits – Classis Zwolle, ring Hasselt
Chr. Gereformeerde gemeente: vacature.

(Huis)arts:
M.L. Risselada; arts.
Nieuwleusen heeft nog geen vroedvrouw en geen dierenarts.
Gezondheidscommissies in Overijssel:
Zetel: Stad Hardenberg. Hieronder valt Nieuwleusen, met als bestuurslid D.J. Prins.

Onderwijzers en onderwijzeressen aan de openbare lagere scholen: Nieuwleusen valt onder het arrondissement Raalte met als inspecteur mr. C.H. Thiebout:

Nieuwleusen:
J. Frowijn (hoofd der school), J. Zoete, mej. J. Westerbeek, J.E. Witvoet.
Ruitenveen:
G. van Donkersgoed (hoofd der school), J.J. Musschen-hage, W.S. Bruinenberg.
Den Hulst:
A. Jonker (hoofd der school), J. Schröder, mej. J. Peere-boom, P.J.J. Ente.
De Meele:
H.A. Meijer (hoofd der school), A. Broekhuizen.

Onderwijzers aan school A in 1897: vlnr: Hendrik August Meijer, Jan Frowijn, hoofd van de school en Jacobus Zoete.

Nieuwleusen valt onder het Rechterlijke arrondissement Zwolle, kanton Zwolle.
Rijksveldwacht; 3e district, ressort van de arrondissementsrecht-banken te Zwolle, Almelo en Zutphen. Nieuwleusen valt onder het arrondissement Zwolle; Brigade Zwolle, met voor Nieuwleusen: Rijksveldwachter: F. Oljans brigadier-titulair.
Gemeenteveldwachter: A.J. Muller.
Notaris: A. van Scherpenzeel te Nieuwleusen (vallend onder Arrondissement Zwolle)
Kantoren ter bewaring der hypotheken en van het kadaster; voor Nieuwleusen is dat Zwolle.
Ontvangers der directe belastingen, invoerrechten en accijnzen; voor Nieuwleusen, vallend onder Inspectie Ommen, is dat D. Tjallingii.

Waterschappen:
Waterschap “Beoosten het Lichtmiskanaal”, gelegen in de gemeenten Nieuwleusen en Dalfsen. (Kon. Besluit van 19 nov. 1892, no. 17)
Voorzitter: J. Bijker Jz. 1913
Poldermeesters: H.J. Klein Scholten 1911, B.J. Scholten 1909.
Secr.ontvanger: J. Bosch Bruist te Nieuwleusen.
Waterschap “De Ruiten en Veenekampen”, gelegen in de gemeente Nieuwleusen. (Kon. Besluit van 1892, no. 17, en 28 aug. 1896, no. 45)
Voorzitter: D.J. Prins 1909.
Poldermeesters: K. Van Hulst 1911, H. Blik 1913.
Secr.ontvanger: J. Bosch Bruist te Nieuwleusen

Markten:
Op dinsdag 27 april was er een veemarkt in Den Hulst, de volgende dag, woensdag 28 april was er in Nieuwleusen een jaarmarkt en een half jaar later, op dinsdag 29 september was er opnieuw een jaarmarkt in Nieuwleusen.

Zuivelcommissie voor de provincie Overijssel:
Voorzitter: Mr. W.J. baron van Dedem te Nieuwleusen.
Regelingscommissie voor de paardenfokkerij in de provincie Overijssel:
Voorzitter: Mr. W.J. baron van Dedem te Nieuwleusen.
Bestuur der vereeniging tot verbetering van het paardenras in de provincie Overijssel:
Voorzitter: Mr. W.J. baron van Dedem te Nieuwleusen.

Brievengaarder aan het Hulp(post)kantoor:
L. Brouwer.
Nieuwleusen had nog geen post- of telegrafiekantoor.
Het hulpkantoor was opengesteld door de dienst der Rijks-Post-Spaarbank en aangewezen voor de behandeling van aangetekende brieven tot ƒ 12.000,-

Dedemsvaartsche Stoomtramwegmaatschappij (Lijnen Zwolle-Station Dedemsvaart, Dedemsvaart-Heemse, Jachthuis-Coevorden enz.):
Commissarissen: Mr. W.J. baron van Dedem te Nieuwleusen (president), E. Stork te Zwolle, H. Löhnis te Zwolle, Mr. M. Wijt Wz. te Avereest, G.H. van Senden te Baarn (secretaris).
Directeur: G. van Asselt te Avereest.
Districtinspecteur belast met het toezicht op stoom- en electrische tramwegen. District A (daaronder valt deze lijn): J. Rodenburg, standplaats Zwolle.

* * *

BENOEMING!? _________________________________________________________

Albert Visser

Mijn kosthuis was in Den Hulst bij Hendrik Jan Gerrits en Annigje Gerrits-van Ankum. Men wist al lang dat ik ‘s avonds altijd erg laat de bedstee opzocht en als gevolg daarvan er ‘s morgens maar moeilijk weer uit kon komen. Om 8 uur, als de fluit van de melkfabriek mij wekte, moest ik er echt uit, en dan moest mijn hospita er soms ook nog aan te pas komen! Als het zaterdag was, liet ze me maar met rust en dan sliep ik rustig door het luide fluitsignaal heen. Wat vond ik dat altijd een heerlijke ochtend, die zaterdagmorgen. Pas tegen de middag kwam ik tevoorschijn. Mijn hospita had dan het middagmaal gereed en daar kon ik haar toch niet mee laten zitten.


De Coöp. Stoomzuivelfabriek “Den Hulst” op een ansichtkaart met foutieve aanduiding. In het midden de fabrieksschoorsteen en links de woning van de directeur.

In oktober 1948 werd ik op een zaterdagmorgen al vroeg gestoord. Om acht uur stond mevrouw Gerrits bij het deurtje van mijn bedstee en maakte me wakker met de woorden: “Der uutkomen, der is volk veur oe”. Visite? Nou, dat was wel heel bijzonder, want ik kreeg nooit bezoek. En wie kwam er nu zo vroeg en wat zou er aan de hand zijn? Ik heb in alle haast mij de slaap uit de ogen gewassen en mij aangekleed.
In de keuken van mijn hospita zat mijn bezoek. Het was de heer Asse Visscher van de Meele. Hij woonde tegenover de openbare lagere school en was voorzitter van het schoolbestuur van de christelijke lagere school over het spoor. Ik kende hem wel, maar had geen flauw idee waarover hij mij wilde spreken. Hij vertelde mij wat ik ook al wist; dat meester Withaar, het hoofd van de christelijke school, een benoeming naar elders had aangenomen. En dat het schoolbestuur mij als zijn opvolger wilde benoemen! Ik denk dat ik hem met grote ogen heb zitten aanstaren, want deze boodschap overrompelde mij totaal. Ik dankte hem voor het in mij gestelde vertrouwen maar moest hem wel teleurstellen. Ja, ik wilde graag hoofd van een school worden, ook wel graag van de christelijke school op de Meele, en ik had de hoofdakte. Maar de lager onderwijswet schreef voor dat je vijf jaar in het onderwijs werkzaam moest zijn voordat je als hoofd benoemd kon worden. En ik had nog maar drie dienstjaren. Bovendien was ik met mijn 23 jaar vast en zeker te jong voor deze functie. De inspecteur voor het onderwijs zou zeker bezwaar maken tegen de benoeming. En dat was ook zo. Meneer Visscher gaf de moed nog niet op. Hij wilde het zo snel mogelijk met de inspecteur bespreken. En die haalde een paar dagen later een dikke streep door de plannen van het schoolbestuur. Ze mochten mij niet benoemen. Het bestuur plaatste een advertentie in de onderwijsbladen en er kwamen heel wat sollicitanten. A. de Boer uit Goes werd benoemd. De school had sindsdien een warm plekje in mijn hart en als ik er langs reed, keek ik er altijd geïnteresseerd naar en dacht dan: stel dat…..

Meester A. de Boer met zijn vrouw José en kinderen Anke en Marijke.
Hij kwam van Goes en vertrok later weer naar Middelburg.

* * *

DE MAANDEN VAN HET JAAR _________________________________________________________

Bewerking L. Blaauw
Overgenomen uit: De Scharrelaar, jrg 26, juli 1999

Louwmaand (januari)
In deze eerste maand van ’t jaar,
Is baden en wassen een groot gevaar.
Kom, doe als de oude wijzen:
Verwarm je met veel drank en spijzen.

Sprokkelmaand (februari)
Ge kunt nu kruien gaan de mest,
Vernieuw de bekken en de rest.
Want binnenblijvers gaan nu hoesten
En hun gewrichten gaan verroesten.


Lentemaand (maart)
Jaag wintervocht uit huis en lijf,
Uit schuur, uit slaap- en woonverblijf.
Ga snoeien struiken en de bomen,
Opdat nieuw leven gauw kan komen.

Grasmaand (april)
Als ’t voorjaar kriebelt in het bloed,
Besteed de tijd dan wijs en goed.
Ga karnen en verzorg de dieren,
Een middagslaapje kan plezieren.

Bloeimaand (mei)
Met een schone dame aan je zij,
Stroomt wild en snel het bloed in mij.
Je moet wel volgens oude boeken,
Voor rust een heel stil plekje zoeken.


Zomermaand (juni)
Ze zijn nu heel de dag in touw,
De boer, de meid, de knecht, de vrouw.
Wie vrucht van het juniwerk wil plukken,
Mag niet de dag verdoen met tukken.

Hooimaand (juli)
Hup, flink de zeis in ’t rond gezwaaid,
Het hoge gras moet nu gemaaid.
Benut de tijd, want de donderbuien,
Zij overvallen graag de luien.

Oogstmaand (augustus)
Het rijpe volle koren toont,
Dat zwoegen, werken wordt beloond.
Toch moogt gij zeker niet vergeten,
Dat hij die werkt ook goed moet eten.

Herfstmaand (september)
De dagen korten, maar je mag
Nog niet gaan rusten overdag.
Nog een keer ploegen, eggen, zaaien
Voordat de winterwind gaat waaien.


Wijnmaand> (oktober)
Nog is de wijn niet in de man,
Ze is zelfs nog niet in de kan.
Dus vul de tobben tot de kragen,
Om straks de zorgen weg te jagen.

Slachtmaand (november)
Spek nu de beurs en ga op ’t pad,
Verkoop je varkens in de stad.
Door hout te hakken weert de vrouwe
Straks uit je huis de winterkouwe.

Wintermaand (december)
Slacht voor jezelf een zwijn, mijn vriend,
En rust nu uit, ge hebt ’t verdiend.
Houd warm het lijf en laat je raden,
Bij kou niet wassen en niet baden.


* * *

INHOUD JAARGANG 28 _________________________________________________________




12 
13 
16 
19 
20 
23 
26 
28 
29 
30 
36 
39 
41 
44 
45 
46 
49 
50 
52 
54 
56 
57 
62 
64 
66 
69 
75 
78 
81 
83 
84 

De melkbus verdween
Hoezo de juiste naam
Een nieuw kunstwerk
Professor Jan Waterink
Een oude groepsfoto (Huishoudschool)
Een beroep uit de jaren vijftig
Krummels
Mijn verhaal (G. Hoekstra)
Ode aan het Lichtmiskanaal
Toen de tram kwam
Reacties van lezers
Een brief aan mijn zoon in de mobilisatie
Een kamp bij Ommerschans I
De melkbus verdween, slot
Daar doe je het voor
Een oude groepsfoto (OLS Oosteinde)
De molen van Wilhelm
Zware brand
Paus geboren in Nieuwleusen
20 vensters op de geschiedenis van Nieuwleusen
Dominee Smits
Zoekplaatjes
De taal van Ni’jluusn: van vrogger?
Breef van een deerne an zien jonge
Een kamp bij Ommerschans II
De smaakmakertjes
Mijmering op kerstavond
Zoekplaatjes
Een oude groepsfoto (muziekvereniging Crescendo)
Muziekconcours 1946
Nieuwleusen in 1908
Benoeming?
De maanden van het jaar
Inhoud jaargang 28



________________________________________________________________________________________________



Jaargang 29 nummer 1 maart 2011


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina: _________________________________________________________

Schutbladen van poesiealbums uit de dertiger jaren.

* * *

MIEN POESIEALBUM (1939) _________________________________________________________

Klazien Bijker-van Hulst


Wat hej vandage toch wat lûs-emaakt.
Ach jong, ie bint van kleur verscheûten.
De vassies hej wél al die jaoren goed
bewaakt,
maar gélig is et blad en wat vermuuid de bleute. (kaft)

't Album was in zien jonge dagen
maar weinig thuus, gedurig onderweg.
Een vlekkien, kom, niet over klagen.
Wat smoesterig terugge? ... nou, gewoon wat pech.

De vassies, platies, niet zo orgineel.
Maar dierbaar bint ze mi'j, die zute kleuren.
Det vastgeplakte hoekien van Moniek
det he'k metien weer lûs mut'n scheuren.

Hartzeer begunt te knagen en te zeuren
bij 't handschrift van Johanna, Betsie, Lien,
van huusgenoten, nichies en vriendinnen,
want stug gong ok de tied zien gang naodien!

Zo lig der op die olde geuren
een laog van weemoed en tragiek
um wat verdween, um wat nog giet gebeuren.
Want ieders levensloop is eindig en uniek.

Nee, det muk zeggen, ie ebt alles goed bewaakt,
maar oh, wat he'j wat lûs-emaaktl


* * *

DERK MET DE HUNDTIES _________________________________________________________

Gé Hengeveld-van Berkum

Het artikel “Mijmering op kerstavond” in het vorige kwartaalblad heeft veel telefonische en persoonlijke reacties opgeleverd.
Iedereen wist te vertellen dat ook zij op kerstavond niet naar buiten mochten, maar niemand die precies wist waar het verhaal vandaan kwam. Wel wisten de meeste te vertellen dat “Derk met de hundties” ongeveer halverwege aan de Jagtlusterallee woonde. Daar stond een woning waar de vrijgezelle Derk Klomp woonde. De woning is later afgebroken en nu is er niets meer dat aan die bebouwing herinnert.

Alie Stegerman vertelde: “Mijn moeder haalde mij uit school om naar orgelles te gaan bij Masselink aan het Westeinde. We fietsten dan over de Jagtlusterallee en als we dan zo halverwege waren zei ze: Hier woont Derk met de hundties”.
Niet duidelijk is waarom aan Derk Klomp de naam “Derk met de hundties” werd gekoppeld. Hij was dan wel vrijgezel, maar geen zonderling of kwaadaardige man. Bovendien is het niet waarschijnlijk dat hij honden had. Zijn familie kan zich dat althans niet herinneren. Merkwaardig is ook dat deze familieleden tot nu toe onbekend waren met het feit dat hij met “Derk met de hundties” werd vereenzelvigd.
In omliggende plaatsen is het verhaal van “Derk met de hundties” ook bekend, o.a. in Oudleusen. Soms had hij een andere naam en heette hij niet Derk maar Gait zoals in Lemelerveld. Of in deze plaatsen het verhaal ook betrekking had op een bestaand iemand is onduidelijk.
In het boek “Dalfser muggen” (Bedum, 2006, Profiel) van Ruben A. Koman staat een verhaal over postbode Lubbers die een geintje uithaalde met burgemeester Backx. Deze was op kerstavond bij Lubbers op het postkantoor gekomen toen die bezig was de post voor de laatste ronde gereed te maken. Backx waarschuwde Lubbers voor “Derk met de hundties”. Toen de postbode terug kwam van zijn ronde zag hij de burgemeester met een paar hondjes lopen. Hij sprong van zijn fiets, viel op zijn knieën en zei: “Derk, spaar mi’j, spaar mi’j.” Toen Backx hem vroeg wat hij mankeerde zei Lubbers: ”Oh burgemeester, ik dachte det ie Derk met de hundties waren.”

Uit alle verhalen die mij werden verteld is dus wel duidelijk geworden dat velen vroeger op kerstavond niet naar buiten mochten vanwege “Derk met de hundties”. Waarom Derk Klomp met deze Derk in verband werd gebracht is onbekend.
Uit het hierna vermelde blijkt dat het verhaal al lang bestond voordat Derk Klomp geboren werd. Op de een of andere manier is het oude volksverhaal ooit in verband gebracht met Derk Klomp.
Voordat we naar het volksverhaal gaan eerst nog wat over Derk Klomp (bron: Klompenvolk, een familiegeschiedenis door H.J. Klomp. Eigen uitgave, 1998).

Wie was Derk Klomp
Derk Klomp (foto) werd in Nieuwleusen geboren op 4 januari 1875 en was de oudste zoon van Hendrik Klomp en Janna Evertsen. Zij kregen zeven kinderen, allemaal jongens, waarvan de meeste op jonge leeftijd overleden.

Op 26 januari 1958 overleed Derk Klomp in huize “Avondlicht” in Dedemsvaart, waar hij vijf jaar heeft gewoond. Hij woonde daar nadat hij in mei 1953 met zijn fiets was gevallen nabij de melkfabriek in Den Hulst, waarbij hij zodanig werd gewond dat hij naar het ziekenhuis werd vervoerd. Voor dat ongeluk woonde hij aan de Jagtlusterallee, in een huis waarin ook het gezin van Berend Broekman woonde. Het huis verkeerde in slechte staat en mede om de kosten van het verblijf in “Avondlicht” te betalen, werden de onroerende goederen te gelde gemaakt en is het huis afgebroken.

De vader van Derk was Hendrik Klomp die in Nieuwleusen werd geboren op 03-02-1847 en daar overleed op 19-05-1925. Hij was een zoon van Roelof Klomp en Stientje Koops. Op 31-10-1872 trouwde Hendrik met Janna Evertsen, in Nieuwleusen geboren op 09-08-1848 en aldaar overleden op 16-07-1915, dochter van Derk Evertsen en Lubbigje Meijer.
Over Derk Klomp hebben we in ons kwartaalblad al eens een artikel van Janna Kragt-Timmerman gepubliceerd (jaargang 10, juni 1992). Daaruit nemen we hier een gedeelte over:

.… Mien olders wonen niet zo wied van de schoele of, een entie wieder 't Westeinde in. Ik weet nog det later toen ak naor de schoele mosse en 't arg glad was of der een dikke laoge sni'j lag, det Derk mi'j dan vake naar de schoele dragen.

In die tied gongen de mieste meensen lopend naar de karke. ….
As de karke uut gonk leupen ze in groepen naar huus toe. De ongetrouwde jonges veurop, die konden 't hardste. Daor een eintien achter de ongetrouwde maagies en daor weer een eintien achter kwamen de getrouwden. De jonges zungen onderweg psalmen en Hazeu varsies. Derk leup altied een paar meter veur de aandern uut en sleug de maote met een stok.

't Was toen zundagsmorgens nog arg stille en as ze bi'j de meule van Massier waren, ku'j ze al heuren zingen. As ik dan buuten was, dan gong ik gauw ien huus en dan zee ik altied: "De karke is uut, ik kan ze al heuren zingen." Der werd dan koffie ezet en ik gong gauw weer naar buuten um te luusteren want det vun ik zo mooi. As ze bi'j oens huus waren en Derk gonk de dam binnen, dan heult 't zingen op. De groep worren dan ok steeds kleiner.

Bi'j mien grofva vandaan is Derk naar Duutslaand egaone um te warken. Daar koj meer verdienen as hier. Later is hi'j terug ekoomm en venten nog wel ies met lappies veur een ni'je jurk of zo. Ien mien oogn was hi'j toen al old. As hi'j langs de weg fietsen en wi'j zeeden "Hoi Derk", dan zei e "Hoi kuukens". En umdat Derk veule kiender kennen zee hi'j vake: “Ie bint der iene van die en ieje iene van die."

As ik teegn mien moe zee det Derk Klomp ok nog oaver de straote fietsen, den zee ze altied: “Jullie plaogen hum toch niet hè, det mag ie nooit doen.” Det deden wi'j ok niet, al mossen ie wel ies um hum lachen. ….

Het volksverhaal
J.R.W. Sinninghe geeft in Overijsselsch sagenboek (Zutphen, 1936, Thieme) een verklaring voor het ontstaan van het verhaal over Derk met de hundties. Hij deelt het in bij de verhalen rond Luchtgeesten. Daarvan zijn de verhalen over De Wilde Jacht de meest voorkomende, met als kern dat plotseling De Wilde Jacht boven het hoofd voorbij rijdt. “Het was alsof er een grote zwerm vogels door de lucht vloog en daartussen door hoorden we verwijderd hondengeblaf.”
De Wilde Jacht wordt veroorzaakt doordat een jager het jagen niet kan laten. Ook op zondag gaat hij liever op jacht dan naar de kerk. Voor zo'n gebrek aan eerbied moet hij gestraft worden: God verdoemt hem tot de eeuwige jacht.
Vaak wordt in plaats van de zondag een specifiekere dag genoemd, zoals Kerstmis of Pasen.

Er zijn, globaal gezien, twee soorten verhalen over De Wilde Jager.
De ene soort, waarvan het hierboven beschreven verhaal een voorbeeld is, vertelt hoe een jager wegens oneerbiedig gedrag veroordeeld wordt tot eeuwig jagen. Meestal gaat het om een individuele jager, maar soms wordt hij vergezeld door een hond of door een aantal kompanen. Het christelijke element van eeuwige vervloeking als straf voor blasfemisch gedrag is ook terug te vinden in verhalen over De Vliegende Hollander, De Wandelende Jood en Het Mannetje in de Maan.

De andere soort bestaat uit verhalen, waarin De Wilde Jager als aanvoerder wordt beschouwd van De Wilde Jacht of Het Wilde Heir (Leger). Hierbij gaat het niet om een individuele jager die voor zijn eigen zonden moet boeten, maar om een groot gezelschap, inclusief paarden, honden, wagens en hoornblazers, dat met veel lawaai rondraast (meestal door de lucht) en daarbij de bevolking de stuipen op het lijf jaagt. Men moet, zeker als het stormt, zijn ramen en deuren goed dicht houden, anders bestaat de kans dat de hele groep dwars door iemands woning heen jaagt.

Het Wilde Heir bestaat niet noodzakelijkerwijs uit jagers. Meestal gaat het om een leger van doden; vaak bestaat het uit zielen van hen die geen natuurlijke dood zijn gestorven. Zij moeten ronddolen tot het tijdstip dat eigenlijk voor hun dood bepaald was. Het zijn bijvoorbeeld de zielen van soldaten die op het slagveld zijn omgekomen, de zielen van slachtoffers van de galg, de zielen van ongedoopte kinderen, zelfmoordenaars, vrijmetselaars, heksen, satanisten of ketters. Het is een vrij algemeen gegeven, dat in allerlei culturen voor komt. Bij de oude Grieken was Hekate de aanvoerster van een dodenleger. Maar ook de oude Indiërs geloofden in een dodenheir, dat raast door de lucht als het stormt.
Verhalen over het Wilde Heir worden vaak teruggevoerd tot het leger van de Germaanse dodengod Wodan (bijvoorbeeld door Grimm). Wodan wordt zelf ook wel De Wilde Jager genoemd.
Later kreeg ook de gevaarlijke Berend (of Bernhard) van Galen, bekend als een oorlogszuchtige “koeiendief” of “Bommenberend” als “Hakkelberend” deze rol toebedeeld in een Twentse variant, waarbij De Wilde Jacht vanaf de top van de Haeckenberg op bepaalde tijdstippen met een hoge snelheid en veel lawaai naar beneden komt razen.
In de Germaanse mythologie bestaat de voorstelling van een dodenverblijf in een berg. Bovendien voert Wodan een leger aan dat is samengesteld uit door hem gekozen mannen die in de strijd gesneuveld zijn. Dit leger komt af en toe uit haar berg tevoorschijn en kan dan door mensen worden waargenomen.

Omdat er zoveel verschillende verhalen bestaan rond dodenlegers of andere wilde gezelschappen, en uit verschillende landen en culturen, kan men niet alle verhalen die tegenwoordig bekend zijn in verband brengen met Wodan. Er zijn waarschijnlijk verschillende versies naast elkaar ontstaan, met of zonder wederzijdse invloed.

Verder staat De Wilde Jacht bekend als de “Jacht van Hänsken met de hond”. Sinninghe ziet een verband met de Franse naam “Chasse Helquin” of “Chasse Hennequin.” Dit gaat om een verdoemd jachtgezelschap dat gejaagd heeft tijdens de heilige mis en als een groep zielen op aarde moet blijven ronddolen als straf voor een zondig leven, steeds opgejaagd door demonen. Ze mogen alleen rusten bij een kruis.

Sinninghe noemt de vogeltrek als voornaamste inspiratiebron voor verhalen over De Wilde Jacht. Het lawaai dat de grote groepen ganzen, eenden en andere vogels maken, lijkt op het geluid van blaffende honden, roepende jagers en angstig wild.
Andere verklaringen worden gezocht in het fluiten, suizen en razen van de wind en het mysterieus klinkende geluid van de midwinterhoorn.

De Wilde Jager jaagt op wild, maar ook wel op heksen, witte wieven, bosnimfen, hoeren, zeemeerminnen, boze geesten, jonge maagden en veroorzaakt vaak ellende. Ten eerste natuurlijk storm, wat vernielingen met zich meebrengt, maar er worden ook wel eens mensen meegesleurd en later dood teruggevonden. Of al het wild in de omgeving wordt gedood of op de vlucht gejaagd, waardoor er voor de jagers in dat gebied niets meer te schieten valt.

Het optreden van De Wilde Jacht wordt vaak in verband gebracht met de 12 nachten tussen Kerst en Driekoningen, vóór het Christendom de periode van de midwinterfeesten (de “Jul-tijd”).
Zoals vaak gebeurd is, zijn Germaanse en christelijke gedenkdagen in deze tijd van het jaar met elkaar verweven geraakt. In deze tijd vonden onder andere dodenherdenkingen plaats. Maar het Wilde Heir doolt ook wel in de Paasweek rond, evenals op Goede Vrijdag, in de Vastentijd, Allerheiligen, Allerzielen en Pinksteren.

Een variant van de verhalen rond Luchtgeesten, die dichter staat bij het doen en laten van de gewone mensen, is het verhaal van Derk met de Beer. In de kerstnacht rijdt Derk met de beer (een everzwijn) door Twente. Wanneer de boer dan niet op tijd zijn kar en ploeg heeft binnengehaald, vertrapt het ruige everzwijn alles onder zijn sterke poten.
In dit verhaal zou de aanwezigheid van de heidense god Fro een rol spelen, want die wordt meestal afgebeeld met een borstelig everzwijn – het symbool van de zon. Vandaar dat Derk met de Beer op Zonnewende, 21 december, verschijnt.

Men vertelt ook dat een boer bij wie al het vee stierf, zo kwaad werd dat hij zijn geweer van de muur pakte, naar buiten liep en het recht omhoog afschoot; om onze Lieve Heer te raken. Tot straf werd die boer veranderd in Derk met de Beer.

In de omgeving van Ruurlo verschijnt Derk ook, maar dan is het verhaal veranderd in Derk met zien höndkes.

In augustus 2001 vertelde H.C. Nortier een verhaal aan het Meerstensinstituut in Amsterdam, dat zich o.a. bezighoudt met het verzamelen van volksverhalen. Dit verhaal is op internet opgenomen in verhalenbank.nl en hierna verkort weergegeven.

Een monnik te paard
Ten noorden van Kantens had je de Klinkenborg, ongeveer enkele honderden meters ten noorden van het dorp. Waarom het op die plaats en op die weg was weet ik niet. Men vertelde dat als je daar 's nachts om twaalf uur langs liep, ongeveer op dat punt van de Klinkenborgerweg waar enkele tientallen meters verder de restanten van de vroegere borg lagen, dat het dan kon gebeuren dat je een monnik met wapperende kleren op een paard door de lucht zag aankomen, samen met een paar honden, met name windhonden die hem begeleidden. Het verhaal was dat er een monnik in een klooster in Uithuizen was die zich op de een of andere manier niet goed had gedragen of een onkuis leven had geleid. Men zei dat die voor straf door de lucht zwierf op zijn paard met zijn twee honden bij zich.
Ik was op een avond op bezoek op een boerderij een kilometer verder en had daar nogal veel tot me genomen. Ik zou koffie drinken en een glaasje bier en daarna de Oldenburger paarden bekijken die iedere grote Groninger boer voor liefhebberij had.
Het was omstreeks twaalf uur toen ik op mijn fiets stapte en over de pikdonkere weg, de Klinkenborgerweg, naar Kantens terugging. Ik moest een sanitaire stop maken, het licht van mijn fiets doofde en ik stond langs de kant van de weg, doodstil. Vaag zag ik wat wolken en ineens kwam dat verhaal bij me op. Ik dacht bij mezelf hoe vatbaar kan een mens zijn dat die toch ineens dit verhaal bedenkt. Ik kon me voorstellen dat men zei “daar gaat 'ie, de monnik op zijn paard” en ik draaide met mijn hoofd mee. Maar het was natuurlijk helemaal niks en ik ben toen weer verder naar huis gefietst.
Kort daarna bedacht ik me, dat toen ik een jaar eerder (omstreeks 1949) een tijdje in Lemelerveld heb gewerkt, er daar een boer was die mij vertelde dat er een soort boemanfiguur was in de omgeving van Lemelerveld bij Lemele, Holten en Ommen. Dat was een figuur die heette Gait met de hunties. Ik dacht, verdraaid daar heb je die hondjes weer, hoe kan dat? Zouden die hondjes in Lemelerveld van Gait met de hunties te maken hebben met de monnik in de contreien van Uithuizen en Kantens die daar 's nachts door de lucht zwierf uit straf voor wat hij misdreven had.

* * *

EEN KAMP BIJ OMMERSCHANS III _________________________________________________________

’t Was Donderdag een sombere dag. Vanaf ’s morgens vroeg vielen de regenbuien in steeds grootere hevigheid op het kamp neer. Mistroostig kletterden de regenvlagen, door een sterken wind gedreven, op de natgrijze tenten, die in hun grauwe kleur bijna niet afstaken tegen de loodtinten van het uitspansel, dat den ganschen dag geen plekje blauw te zien gaf. De vroolijke kampdrukte, ze was plotseling verdwenen. Niemand stak zonder noodzaak den neus buiten de tent, allen zochten zooveel mogelijk bescherming onder de blauwgetopte daken. Slechts hier en daar verlieten eenige manschappen hunne tenten om met vluggen pas eene andere te bereiken. Nu en dan reden enkele ordonnansen in snellen galop door de kampstraten. ’t Was alsof de geheele legerplaats treurde, zoo droefgeestig en somber lag zij daar. Slechts het kletteren van den regen, het loeien van den wind werd gehoord. Toch zou de gewone morgenoefening gehouden worden. Vragende blikken werden uit verscheidene tenten naar de snel voortijlende wolkgevaarten gericht, maar geen zonnetje brak door. Tot aan den horizon was geen plekje blauw te onderkennen.

Het kampleven, vol eigenaardig genot onder al de vermoeienissen, vol afwisseling, het wordt eene ware plaag als de wolken ons voortdurend van hun overdaad toezenden, als de hemelgieter zonder ophouden blijft sproeien. Hoewel de tenten het water goed tegenhouden, beginnen zij op die plaatsen, waar zij nat zijnde worden gedrukt, te lekken. Hoe licht kan het niet gebeuren, bij voorbeeld bij het ontkleeden, dat de binnenwand door een der manschappen wordt geraakt. Het is dan als ontstaat daar een wond, waaruit steeds het hemelwater blijft neerdruppelen. In zoo’n regentijd wordt het ligstroo van onderen nat, bij lange vochtigheid begint het soms in de onderste lagen te rotten. Alle voorwerpen in de tent worden klam en vochtig, de grond wordt nat en modderig. En dit wordt niet alleen veroorzaakt door de vochtigheid van de atmospheer, door mogelijk inwateren, maar voor een groot gedeelte doordat de manschappen elken dag nat van de diensten terugkeeren. Onder- en bovenkleederen, schoeisel, alles gedrenkt met vocht, dat alles vindt zijn bergplaats in de tenten. Hadden de manschappen nog ondergoed om zich elken dag te verschoonen, dan werd ten minste het lichaam drooggehouden. Hiervan kan evenwel bij de beknopte uitrusting van den infanterist te velde geen sprake zijn; de regimentslinnenkast zou zeer veel moeten bevatten om iederen man onder dergelijke omstandigheden het noodige te verstrekken.
Dat zoo’n regentijd grooten invloed heeft op de gezondheid van den troep zal een ieder begrijpen, iederen dag wordt in zoo’n periode het aantal zieken grooter. Ook voor het bereiden der spijzen worden die regendagen verwenscht. Hoe dikwijls gebeurt het niet dat de koks, die ’s nachts te halfeen in de keukens komen, door de zware regenbuien en hevige windvlagen het vuur niet kunnen aanhouden, dat zij in die slechts door een afdak beschutte veldkeukens, tot op hun hemd toe nat, langen tijd vruchteloos pogen het vuur aan te wakkeren, dat telkens weer uitregent. Toch moet de soep den volgenden morgen gereed zijn, moeten hunne kameraden deze nuttigen alvorens hunne diensten te kunnen verrichten. En met bewonderenswaardig geduld, met mierenijver gaat de kok weer aan den arbeid totdat het hem eindelijk gelukt en rosse vlammen opflikkeren in het nachtelijk duister, waarin de koks in hunne witte pakken gelijken op rondwarende spoken. Bij enkele compagnieën zijn den kok en bijkoks oliejassen en zuidwesters verstrekt. Deze voldoen uitstekend in dien regentijd hoewel het keukenpersoneel dan meer gelijkt op de bemanning van een Egmonder bomschuit dan op den kok en bijkoks van een keuken.
De eerste dagen waren bijna alle terreinen te gebruiken, eene gunstige uitzondering met de beide voorgaande jaren. De regens van Donderdag en Vrijdag hebben echter weder verscheidene terreinen ontoegankelijk gemaakt. Verschillende gedeelten der heide zijn zoo week en modderig geworden, dat men tot aan de enkels daarin zinkt. De regens zijn zoo overvloedig geweest, dat nieuwe vennen ontstaan, uitgedroogde eene nieuwe watermassa hebben ontvangen, droge greppels tot slooten zijn geworden, holle wegen tot beeken. Maar toch blijven wij hier manoeuvreeren, als afstammelingen der Watergeuzen, bewoners van de polderlanden, inboorlingen van het land der kikvorschen en kooplieden blijven wij de Ommerschans nog deze week bevolken, ten spijt van regenvlagen en moerassige heidevelden.
Donderdagmorgen waren wij uitgerukt naar de heide ten zuiden van Avereest, de hevige regenbuien deden den dienst echter weldra staken en toen marcheerden wij weer naar het kamp terug. Het stortte dien morgen ontzettend, het water had spoedig mijn huid bereikt, ik waadde door de grootste plassen, droge voeten is in zoo’n geval een illusie. En de bosschen, die daar lagen te midden van de uitgestrekte heide, ze lagen levenloos met hun gelende tinten, bij tusschenpoozen door den wind geschokt; geen vogel vertoonde zich.
Dien middag werd de dienst afgelast en konden de manschappen hunne wapens en kleeding schoonmaken.
Vrijdagmorgen verlieten wij met nieuwen moed het kamp en werkelijk de hemel was ons gunstig. Nu en dan viel er een los buitje, dit hinderde ons niet, de sterke wind blies ons weldra droog. Het 2e bataljon marcheerde dien morgen naar de Withaaren, een terrein oostelijk van den Ommergrintweg, op een drie kwartier van de legerplaats verwijderd. De onderstelling luidde: “Eene colonne in oostelijke richting marcheerend moet de draaibrug over het scheepvaartkanaal passeeren; eene tegenpartij houdt deze brug bezet en zal trachten het gebruik daarvan aan de marcheerende afdeeling te ontzeggen.”
Door de verdedigende partij, twee compagnieën sterk, tot eene vereenigd, werd eene stelling vóór de draaibrug ingenomen.
Deze stelling was doordat zij zich op eene terreinverheffing uitstrekte en twee boerenhofsteden tot steunpunten had van bijzondere sterkte.
De boerenhofsteden werden in staat van tegenweer gebracht, in het centrum der stelling werden den loopgraven aangelegd, de afstanden in het voorterrein opgenomen, zoodat binnen korten tijd de verdedigingslinie gereed was den vijand op eene krachtdadige wijze het hoofd te bieden.


’t Duurde niet lang of de verdediger zag met het gewapend oog den vijand in marschcolonne uit het bosch aan de Withaaren deboucheeren. Deze had echter spoedig van zijne verkennende patrouilles het bericht ontvangen, dat eene vijandelijke afdeeling eene stelling voor de draaibrug had ingenomen. Binnen het werkzame vuur van den verdediger gekomen, ging de aanvallende voorhoede-compagnie van de marsch- in de gevechtsformatie over. En zoo naderde eene sterke tirailleurlinie, gevolgd door soutiens en reserves, om zich het bezit van de draaibrug met de wapenen in de hand te vermeesteren. Geen schot werd nog gehoord. ’t Was als een onheilspellende stilte, die den storm voorafgaat. Maar ’t zou niet lang meer duren of er zou wrijving, botsing ontstaan tusschen die twee wapenmachten, die elkanders ondergang zochten, botsing zich uitend in oorverdoovend geweervuur, in vlammenrijen der salvo’s, door den rook als met een geheimzinnig waas overdekt.
Achter de voorhoedecompagnie zag men reeds de hoofdmacht, door vlaggen gemarkeerd, gereed de voorhoede in haar aanval te steunen.
Eindelijk werd het vuur door den aanvaller geopend en spoedig daarop ratelden de salvo’s, knetterde het geweervuur allerwege over de anders zoo vreedzame heide. Het scheen den aanvaller moeite te kosten te naderen. Blijkbaar had hij reeds groote verliezen, want voortdurend werden soutiens in de linie gebracht, die in korten tijd tot enkele manschappen waren geslonken. Het vuur uit de verdedigings-linie was moorddadig, het maaide in het voorterrein alles weg, wat zich niet voldoende daartegen dekte. En steeds werden door den aanvaller nieuwe krachten ingezet om ten slotte het wreede spel te winnen; hij was nu tot op een 300 meter genaderd en maakte zich al gereed voor de laatste sprongen.
De regelmatige salvo’s waren reeds lang opgehouden, men hoorde niets dan het korte knetteren van het geweervuur, fluitsignalen en enkele commando’s. De bereden officieren waren afgestegen en leidden nu te voet den verderen aanval. Daar werd ook van eene andere zijde geweervuur vernomen.
Begunstigd door de bedekte terreinen op de rechterflank van den verdediger, was het aan eene afdeeling van den aanvaller gelukt dien vleugel te omtrekken. Van twee zijden besprongen, was het voor den verdediger onmogelijk langer stand te houden. Nog beproefde hij zijne reserve tegen den nieuwen vijand te wenden en voor een oogenblik den dreigenden ondergang te bezweren, ’t was evenwel reeds te laat. Van beide zijden was de aanvaller tot den stormloop overgegaan. Tegen deze aanrennende massa was hij niet meer bestand en in groote verwarring verliet hij de stelling. Een compagnie van de hoofdcolonne rukte nu voorwaarts om de draaibrug te bezetten, hetgeen na de totale nederlaag van den vijand zeer gemakkelijk gelukte. Het gevechtsdoel van den aanvaller was dus bereikt, de draaibrug vermeesterd en de marsch werd met waarneming van de verstrooide vijandelijke afdeelingen voortgezet.
Ondertusschen was het zonnetje vroolijk gaan schijnen. In opgewekte stemming bereikten wij ’s middags het kamp, verheugd dat nu eindelijk de natuur ons weder toelachte in al haar herfstschoonheid.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

BW070

In 1943 droegen de meisjes op de Huishoudschool nog een wit schort en hoofddoekje.



1  
2  
3  
4  
5  
6  

Geertje Boesenkool
Minie de Graaf
Jentje Schoemaker
Tinie Holties
juffrouw Thomassen
Stientje Schoemaker




10 
11 
12 

Gerrigje Toersen
Klaasje van Spijker
Margje Talen
Hennie de Jonge
Aaltje Belt
Hillie van Giessel

13 
14 
15 
16 
17 
 

Margje Timmerman Ldr.
Aaltje Krale
Hennie Mijnheer
Gerda Hengeveld
Luca Massier

* * *

EEN KAMP BIJ OMMERSCHANS IV _________________________________________________________

De Zondag met zijn eigenaardige rust en kalmte, de rustdag in den vollen zin des woords, wanneer een ieder krachten zamelt voor de volgende arbeidsdagen met hunne vermoeienissen en ontberingen, was aangebroken. Het was een dier kenmerkende herfstmorgens, de morgen van den 15den September. Dikke nevellagen werden langzamerhand door den wind verjaagd, een steeds wijderen horizon openend, de koude van den herfstnacht was nog merkbaar, dikke dauwdruppels deden de grassprietjes buigen onder hun parelend gewicht, het intensieve grijs der morgennevelen beheerschte nog de omgeving en bracht ons de schoone zomermorgens in herinnering, als het landschap zich verwarmt in de levenverwekkende stralen der zon; het was ons een wenk, dat de zomer met zijn gloedvol leven en overvloedige krachtsontwikkeling zich ten doode had gewijd, een voorbode van het strenge regime van den winterkoning.
En in dien ontwakenden dag lag daar het “tentenleger”, waarover een adem van rust en vrede streek. Langzamerhand ontwaakten de tentbewoners en werd eenige beweging in het kamp merkbaar, maar het was een geluid van wapengekletter, het was niet het gedreun van aanrennende ruiters, dat de rust van den Zondagmorgen stoorde, het was slechts eenig leven, noodzakelijk verbonden aan het verblijf van zoovele menschen op eene plaats.
Tegen half tien werden de signalen voor ’t kerkappèl allerwege door het kamp vernomen. De predikant Jas, uit Leeuwarden, zou dien morgen de godsdienstoefening leiden; deze werd gehouden op eene uitgestrekte weide door boomen omgeven. Met den rug naar het oude gesticht gekeerd was daar, aan beide zijden door hooge iepen beschaduwd, een eenvoudige preekstoel opgericht.
Verscheidene officieren, eene groote massa soldaten woonden de godsdienstoefening bij. Ware het niet dat men hier slechts uniformen aanwezig zag, dan zou men zich kunnen voorstellen een oogenblikje te verwijlen in het leven en streven onzer voorvaderen, men zou zich kunnen verbeelden tegenwoordig te zijn bij een hagepreek.
Dat eenvoudige spreekgestoelte, die groene weide door boomen van de omgeving geheel afgesloten, die zwijgende menschenmassa vol aandacht, dat alles gaf ons een beeld van die ernstige godsdienst-oefeningen in de eerste tijden der hervorming, ernstig omdat het veelal lijf en have gold, heilig tevens als het was een krachtige uiting van “hou en trou” aan een eenmaal verworven overtuiging, dikwijls slechts gewonnen door verbreking der dierbaarste banden. Maar het was noch Willebrordus, die op den “preekstoel bij Heiloo” eenmaal het woord verkondigde, noch Jan van Woerden, die in zijn vurige taal, beheerscht door godsdienstijver, zijn geloofsgenooten sterkte in zijn leer, die den kansel beklom, ’t was slechts een visioen, een beeld uit vervlogen tijden, dat voor eenige oogenblikken mijne gedachten in beslag nam.
De godsdienstoefening werd geopend met het oude Wilhelmus, gespeeld door de stafmuziek. Plechtig en ernstig ruischten de tonen van dit heerlijk lied, uiting van krachtig Nationaliteitsgevoel, beschermend den vaderlandschen bodem, over het kamp en deden onze soldatenharten zwellen van zelfbewuste kracht, schonken ons dat gevoel van eenheid, die overtuiging van solidariteit, de bewustheid als één man te staan om een heilig iets, het vaandel, den standaard, eene sterkende macht, zoo noodig bij de vele miskenning, die den soldaat ten deel valt.


En het harmonisch toongegolf, de vloeiende accoorden stierven weg in de plechtige stilte van dien herfstmorgen, terwijl die groote massa daar stond, onbewegelijk, geboeid door heiligen ernst. De rede van den predikant werd met aandacht, vol belangstelling door de aanwezigen gevolgd. Het “Wien Neerlands bloed” sloot de plechtige bijeenkomst en nu verspreidden allen zich over het kamp, zoodat dit in korten tijd weder vol leven was.
Gedurende de middaguren was het kamp door den kampcommandant voor de burgers opengesteld en het duurde dan ook niet lang of het kamp werd met burgers van allerlei rang en stand overstroomd. Het was voor den officier van de wacht geene gemakkelijke taak eenigszins orde te houden in die aanrukkende menigte.
Men zag allerlei slag menschen met kalmen pas, een pas waarmede men een museum doorwandelt, door de compagniestraten slenteren.
Men bemerkte er boeren, waar slechts een tochtje van beschaving langs was gestreken, die in hun eigenaardige kleederdracht trouw bleven aan de gewoonten der vaderen, conservatief in merg en been; de bewoners der gedeeltelijk van zoden opgezette woningen, welke op groote afstanden in de omringende veenachtige heidevelden verspreid liggen, eenvoudig in hun behoeften, weinig ontwikkeld als gevolg der levensomstandigheden. Lange rijen boerinnetjes, de geheele breedte van den weg beslaande, liepen giechelend, hier en daar toegeknikt door de soldaten, met wie zij wel eens gaarne een praatje aanknoopten, arm aan arm door de kampstraat.
Men zou medelijden krijgen met het zenuwgestel van dit jeugdig vrouwelijk geslacht als men deze meisjes ieder oogenblik, zonder aanleiding, in lachen ziet uitbarsten, wanneer men die uitbundige vroolijkheid ziet, waaronder zij het gelaat naar den grond wenden, de handen samenklappen, de knieën buigen, den rug krommen, wist men niet dat hier blooheid een zoo groote rol speelt, dat de aanwezigheid van zooveel soldaten hen timide maakt. Men ontmoette halfstadsche juffers uit Ommen en van de Balkbrug preutsch, gemaakt in haar manieren, zich stellend boven den boerenstand, in keurige kleedjes en mantels, die evenwel duidden op eene mode, reeds drie jaren door de dames der “haute chic” afgelegd.
Echte Zondagsgangers, een groenen hoogen hoed op ’t hoofd, verkleurde glacé handschoenen, door ’t werk verkromde handen bedekkend, aan de vingers, een geruite broek, die reeds zes jaar in de pronkkast had gehangen en alleen ’s Zondags wordt te voorschijn gehaald, rondom de magere beenen, groote sigaren, waarvan de meubels aanslaan, in den mond; deze heeren waren natuurlijk ook hier tegenwoordig en mengden zich bij voorkeur in het gezelschap der vroolijk schaterende boerinnetjes.
Ik zou deze beschrijving van die woelende menschenmassa verder kunnen uitbreiden, er zijn op dit thema verscheidene variaties mogelijk, ik zal het echter hierbij laten.
Dien middag gaf de stafmuziek van ’t regiment eene uitvoering aan de Balkbrug. Het wemelde hier van bewoners der Dedemsvaart, die zich met de vele militairen hier aanwezig in goede harmonie verstonden; men zag hier een prettige, eendrachtige ineensmelting van het burger en militaire element.
Maandag werden er oefeningen gehouden van twee bataljons tot één vereenigd, ’t was tevens de dag dat de artillerie en cavalerie in de legerplaats aankwam.
Dinsdag had eene legeroefening plaats nabij de Withaaren, onder commando van den regimentscommandant, waarbij de bereden wapens ook hun rol vervulden.
Woensdagmorgen te 7½ uur rukte het 3e bataljon uit om eene stelling te bezetten op de Kievietshaar; aan deze infanterie was eene sectie artillerie en eenige huzaren toegevoegd, die te zamen de westelijke partij vormden, de partij, die de verdediging voeren en trachten zou de oostelijke partij, welke zich op marsch bevond, in haren verderen voortgang te stuiten. Te 9 uur begaf de oostelijke partij zich op marsen met de cavalerie en het 2e bataljon in de voorhoede, waarachter het 1e bataljon, de artillerie en het 4e bataljon volgden.


Nog voordat het Huizingerveld bereikt was, werd de cavalerie, ter sterkte van een half escadron, ter verkenning vooruitgezonden, de voorhoede-infanterie verliet daar ter plaatse de marschcolonne en nam de gevechtsformatie aan.
De voorhoedecommandant gaf daarop der cavalerie de opdracht, de plaats der vijandelijke artillerie op te sporen, desnoods met opoffering van eigen krachten. De aanvallende cavalerie, die reeds op verscheidene plaatsen door de ruiterij van den verdediger was afgewezen, kon tenslotte den voorhoedecommandant berichten, dat de vijandelijke artillerie positie had genomen op den rechtervleugel der verdedigingslinie.
Nu koos de commandant der aanvallende partij, vergezeld van den commandant der artillerie, zijne artilleriestelling. Uit het verloop van het gevecht, door het voorhoedebataljon slepend gehouden, nam hij zijne beslissing omtrent het punt van aanval; hij gelastte het 1ste bataljon naast het voorhoedebataljon op te marcheeren in den tijd dat de artilleriestrijd zich afwikkelde.
Het 4de bataljon zou als algemeene reserve achter den linkervleugel de aanvallende beweging volgen.
De aanvallende infanterie was reeds op 1400 meter de vijandelijke stelling genaderd en nog had de verdedigende artillerie zich niet doen hooren, slechts enkele infanterie salvo’s uit de verdedigingslinie werden gehoord. Spaarde zij hare krachten tot de infanterie den beslissenden aanloop deed? Maar neen, op 1200 meter van de vijandelijke stelling gekomen deed de artillerie haar bulderende stem vernemen, daverende schoten deden de lucht trillen. Nu was echter het woord aan de artillerie van den aanvaller, met haar overmachtig vuur bracht zij den verdediger zulke ernstige verliezen toe, dat deze, wilde hij nog iets van zijne krachten bewaren om de eigen infanterie in de laatste gevechtsmomenten te steunen, zich moest terugtrekken, en werkelijk het artillerievuur aan de zijde van den verdediger verstomde, de artilleriestrijd, zoo machtig in zijn gevolgen, was ten gunste van den aanvaller beslist. De beide bataljons van den aanvaller, in gevechtsliniën ontwikkeld, naderden nu meer en meer de verdedigende stelling.
De cavalerie had hare functiën vervuld, de artilleriestrijd was tot het beslissende gevechtsmoment opgeschort, nu kwam de beslissende doorvoering van den strijd, de worsteling tusschen aanvallende en verdedigende infanterie, het hoofdmoment van het gevecht. De cavalerie volgde op den linkervleugel de aanvallende beweging, de artillerie zocht een tweede stelling, ten einde straks den laatsten aanloop der infanterie te steunen.
Met klimmende kracht drongen de aanvallende bataljons voorwaarts, ’t was een voortgezette beweging, steeds door nieuwe krachten gevoed, het geweervuur overstemde alles, nu en dan door het kanongebulder der artillerie geaccompagneerd, die in tweede stelling soutiens en reserves van den verdediger teisterde. De verdediger, bevreesd voor zijn terugtochtsweg, trok zich ten slotte terug in de boschachtige terreinen, achter de verdedigingslinie, maar geen oogenblik rust werd hem gegund, de algemeene reserve met eene sterke tirailleurlinie voor zich tastte hem aan en noodzaakte hem eene achterwaartsche stelling te bezetten en hoewel de verdedigende artillerie, zich opofferend, trachtte dezen terugtocht te dekken, het was verloren spel voor den verdediger, de aanvallende artillerie was tot in de linie der infanterie vooruitgerukt, bracht het vijandelijk artillerievuur tot zwijgen en maakte de verdediging der opnamestelling voor den verdediger onmogelijk. Deze, bovendien geleuterd door het vuur van het reservebataljon, kon zijne positie niet meer handhaven en de nederlaag ontaardde in een verwarde vlucht, nog voortdurend door het vervolgend vuur van den aanvaller bestookt, wachtte hem ten slotte de vervolging der cavalerie, die alle samenhang der afdeelingen zou oplossen, die van de goed gedisciplineerde troepen een ordelooze bende vluchtelingen zou maken. Nog voor het oogenblik van de vervolging der cavalerie aanbrak, werd het signaal, ophouden met vuren geblazen, daarna klonk het signaal “officiersappèl” bij alle afdeelingen en de officieren vereenigden zich, in tegenwoordigheid van den generaal-majoor Bloem, die de oefening had bijgewoond, ter bespreking van aanval en verdediging onder leiding van den regimentscommandant. Na afloop hiervan speelde de muziek, op het terrein aanwezig, eenige vroolijke marschen, terwijl de manschappen inmiddels rustten. Hoewel de oefening vermoeiend was geweest, keerde de troep opgewekt huiswaarts; het weer was ons gunstig, een koel briesje streek langs de heide en onder vroolijke soldatenliederen bereikten wij weder het kamp.


* * *

EEN AVONTUURLIJKE HUZAAR _________________________________________________________

Vrijdagnacht j.l. is ingebroken in café Masier te Den Hulst, gem. Nieuwleusen. Ontvreemd werden ƒ 65 en eenige flesschen drank. Daarna was de inbreker gegaan naar de slagerij van de firma Waanders, waar vleeschwaren gestolen zijn. De veldwachters kregen het spoor van den dader. Het bleek te zijn een huzaar, die voor eenige dagen uit zijn garnizoen te Deventer gedeserteerd was.
Hij is van Nieuwleusen naar Zwolle gegaan, heeft zich daar in burgercostuum gestoken en is vervolgens spoorloos verdwenen.

Tilburgsche courant 09-03-1926


In 1926 was Gerrit Massier uitbater van dit café.

De gedeserteerde huzaar gepakt
De uit het garnizoen Zutphen gedeserteerde huzaar W. G., die zich ook aan diefstal heeft schuldig gemaakt, is te Venray aangehouden. Per radio-omroep was zijn aanhouding en overbrenging verzocht.
Doordat hij te Zwolle in het kleedingmagazijn een nieuw beige costuum met hoed had gekocht, wist men precies zijn signalement.

Tilburgsche courant 11-03-1926

Uit een arrestantenlokaal gedeserteerd
De huzaar W. G., milicien van het garnizoen te Deventer, die zich heeft schuldig gemaakt aan een reeks inbraken en zooals gemeld in Venray was aangehouden, is in den nacht van 7 op 8 dezer uit het arrestantenlokaal aldaar ontvlucht. G. is een avonturier, die al veel achter den rug heeft meldt N.R.Crt. Eerder werd hij tot een jaar gevangenisstraf veroordeeld, maar de reclasseering wilde het met hem nog eens probeeren en kreeg gedaan, dat G. voorwaardelijk op vrije voeten werd gesteld.
Om G. wat voor te bereiden op het burgerleven en hem nog eenigen tijd onder toezicht te kunnen houden - het milieu, waaruit G. komt, is bijzonder slecht - stonden de militaire autoriteiten toe, dat G. weer bij de huzaren kwam. Daar kwam evenwel zijn avontuurlijke geest rare partij spelen. Met een kameraad, den vrijwilliger-huzaar F., sprak hij af, tegen de Riffi in Marokko te gaan vechten, in Franschen dienst. De moeilijkheid was aan geld te komen voor de reis naar Frankrijk, teneinde in het vreemdelingenlegioen dienst te kunnen nemen. F. wilde niet meedoen om het benoodigde geld te stelen. Dat zou G. alleen opknappen.
In een brief aan zijn kameraad F. vertelt G. nu zijn lotgevallen bij zijn inbraken. Hij liep van Deventer naar Olst en kwam daar bij den caféhouder-winkelier Hofmeyer terecht, wien hij vroeg om een koek. Hofmeyer ging dien koek uit den winkel halen en intusschen stal G. uit de toonbanklade in het café een gulden, waarmee hij Hofmeyer netjes den koek betaalde. Zoo kwam hij aan zijn ontbijt.
Zoo trof hij het beter dan in den vroegen morgen, toen hij in de cantine in Deventer inbrak en daar een leege toonbanklade aantrof en om zich te troosten, een pak sigaretten meenam. Van Olst ging G. naar Zwolle en vandaar naar Nieuwleusen. Des avonds brak hij eerst in bij een slager, waar hij weder geen geld vond, maar wel worsten. Toen brak hij dien avond in bij den caféhouder Massier, bij wien hij een goed gevulde portemonnaie kaapte. „Maar", zoo schreef hij aan F., „nog niet genoeg voor de reis van ons beiden naar Marokko". Bij een volgende inbraak dien nacht in den Coöper. winkel stootte hij in het donker zijn neus tegen een beschot en vond niets van zijn gading.
Den anderen morgen ging hij per tram naar Zwolle terug. Zijn medereizigers vertelden hem van de inbraak bij Massier en het daar gestolen geld. G. antwoordde: „Die kerel was zeker om geld verlegen". Hij begreep, zoo schreef hij, dat het nu tijd werd, om beenen te maken.
Per radio-omroep liet de militaire-politie te Deventer G's aanhouding verzoeken, wat te Venray geschiedde. Arrestantenlokaal en bewaking lieten daar te wenschen over, behalve voor G. zelf, die kans zag, weg te komen.

Tilburgsche Courant 13-03-1926

De huzaar weer gepakt
De huzaar W. G., die eenige diefstallen met braak heeft gepleegd, te Venray werd gevat en uit het arrestantenlokaal aldaar wist te ontsnappen, is na eenige omzwervingen in de richting van de Belgische grens te Horsten opnieuw aangehouden en thans naar Deventer overgebracht.

Het Vaderland 12-03-1926

Diefstal
De krijgsraad te ’s Hertogenbosch heeft den Duitscher W.G., huzaar te Deventer, die uit de cantine der cavaleriekazerne 500 sigaretten had ontvreemd, daarna had ingebroken in een slagerij te Nieuwleusen en er een partij worst stal, vervolgens uit een café ƒ 50 ontvreemdde, veroordeeld tot acht maanden gevangenisstraf.

Het Vaderland 24-06-1926

Omstreeks 1915 liet slager Waanders aan de Ommerdijk, tegenover de latere Baron Van Dedemstraat, zijn slagerij bouwen.

* * *

POEZIEALBUMVERSJE _________________________________________________________




                     Beste Aaltje,

Beveel gerust uw wegen,
Al wat uw harte deert,
Der trouwe hoede en zegen
Van Hem, die ’t Al regeert;
Die wolken, lucht en winden
Wijst spoor rm loop en baan,
Zal ook wel wegen vinden
Waarlangs uw voet kan gaan.

Ter herinnering aan
Mr. Siefers          

Nieuwleusen, 30 November 1939

* * *

ZOEKPLAATJES _________________________________________________________

Op de in deze rubriek geplaatste foto’s zijn tot dusver, met uitzondering van foto 2, helaas geen reacties binnengekomen.
Hieronder plaatsen we een aantal nieuwe zoekplaatjes:


Foto 11: jonge vrouw bij
stoel I.


Foto 12: jonge vrouw bij
stoel II.



Foto 13: een familie (?) met muzikant bij een boerenschuur.


Foto 14: militair bij
een hekje.


Foto 15: militair bij
tafeltje en stoel.

* * *

BRIEF GULIA PALTHE _________________________________________________________

Enige tijd geleden kwamen we in bezit van een brief die Gulia Palthe zo’n zeven weken voor haar overlijden schreef aan de familie Blik in Nieuwleusen. Het is daarmee één van de laatste, zo niet de laatste brief die ze naar haar rentmeester stuurde.

Oldenzaal, 9 Februari 1928
Familie Blik,

Uit uwen brief heb ik gezien, dat J. van Spijker het hout neemt voor 6,25 de vim. Gij vraagt over het zenden van dat geld, dat was het beste in een aangeteekenden brief, gij kunt ook een postwissel sturen aan mijn adres, dat is, het allergemakkelijkste, Massier wil u daar wel mee helpen of Aarten die weet dat wel. Ik had dan gaarne, dat gij dien postwissel wildet afzenden uit Nieuwleusen op een Donderdag, welke is hetzelfde, dan is die Vrijdag hier en kan ik dat geld Zaterdag door de boodschapman laten afhalen, die heb ik alleen Zaterdags. Wat de gezondheid betreft wil het nog niet vooruit en lig nog steeds te bed al ruim zeven weken, men zou de moed er haast bij verliezen en toch moet ik de moed er nog maar inhouden, want moed verloren is alles verloren. Van de Docter heb ik al een compliment gekregen, dat ik zoo tevreden en geduldig was en in alle narigheid nog steeds best te spreken. Hopenlijk komen er nog eens betere dagen, als het maar eens een zacht voorjaar wordt het beste maar hopen. De Docter komt nog elken dag en de Dominé tweemal in de week en dan zoo nu en dan eene kennis, niet te veel, dat is te vermoeiend. En nu familie Blik, moet ik sluiten, met heel veel hartelijke groeten

van uwe Landsvrouwe
die de laatste jaren al veel ondervonden heeft.

* * *

Foto achterpagina: _________________________________________________________

Marrie Borger (links) en Hennie Bruggeman op de Grote Markt in Zwolle omstreeks 1957.






Jaargang 29 nummer 2 juni 2011


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina: _________________________________________________________

In april 2007 werd de “Slag om Nieuwleusen” gestreden. Foto’s van dit evenement zijn gebruikt bij de artikelenserie ”Een kamp bij Ommerschans”.

* * *

UIT: DE GESCHIEDENIS VAN EEN BOERENJONGEN _________________________________________________________

Roelof Prins

In ons vorige kwartaalblad was in deel 4 van “Een kamp bij Ommerschans” sprake van een militaire oefening op de Kievitshaar. Rond 1900 woonde daar de familie Prins. Zoon Roelof werd geboren op 12 mei 1889. In 1965 - 1966 schreef hij zijn levensverhaal. Daarin beschrijft hij ook militaire oefeningen die volgens hem in 1894 werden gehouden. Het is niet helemaal duidelijk of dit dezelfde oefeningen zijn die beschreven worden in het genoemde artikel. Die spelen zich in het najaar van 1895 af. Hoe dan ook, zijn beleving van de oefening is te mooi om niet wereldkundig te maken. Zijn familie gaf ons toestemming het bedoelde stukje uit zijn levensverhaal te publiceren in ons kwartaalblad. Het tussen haakjes cursief vermelde is een toevoeging van de redactie.

….. In dat jaar gebeurden er belangrijke dingen op de Kievitshaar. De soldaten hielden oefeningen in het grote heideveld. Op een morgen hoorde ik ze schieten en toen ben ik eens achter het dennenbos gaan kijken. Ja hoor, op een kwartier afstand zag ik ze bezig met hardlopen en schieten met veel rook. Zo alleen was dat toch wel een beetje griezelig en ik ben toen maar op een draf naar huis gegaan. Onderweg mompelde ik maar steeds dat ik echte soldaten had gezien en toen ik thuis kwam heb ik dat verteld.
Vader vertelde ook weleens verhalen uit zijn soldatentijd. Hij was bij de Groene Jagers geweest in Den Haag. Zijn muts en ook de karwats waren nog in huis. Met de karwats kon je lelijk voor de broek krijgen als je iets gedaan had wat niet mocht. Ik kroop dat altijd gauw bij Ote (grootmoeder) achter de rokken want die hield mij de hand wel boven het hoofd.
Ik zocht de muts op en stapte daarmee rond met een stok op de schouders: net een echte soldaat.
Een week later kwamen ze weer en nu was het om de Kievitshaar te doen. De eerste groep, de “blauwen” met een blauwe band om de arm, moest de “stad” verdedigen. Ze begonnen meteen loopgraven te maken achter onze dennen, in de schapenstreek en bij de schaatsenrijdersplas. Met hun schopjes ging iedereen naast elkaar een kuil graven en de sloot was klaar. Dat werd tijd ook want de “rooien” kwamen er al aan om de stelling in te nemen. Toen waren de poppen aan het dansen en werd er zo erg geschoten dat horen en zien je verging.
Die dag lag alle boerenwerk stil. Je kon ook geen paard voor de wagen krijgen want ze sloegen meteen op hol. De hele “stad” van zo’n dertig man vond het mooi dat ze zo’n drukte maakten. Maar al gauw kregen wij het er thuis ook druk mee. Het was mooi weer en de jongens hadden snel de veldfles leeg en dus kwamen ze bij ons aan de pomp. In de loop van de middag was de put leeg en die moest nu eerst langzaam bijtrekken (de pomp stond dus op een welput). Toen gingen ze naar de buren. Die hadden nog een gewone put, dus daar kon je het zien als die leeg was.


De kuil die als lazaret gediend zou hebben is nog steeds aanwezig langs de weg door de Kievitshaar. Bomen en struiken hebben er nu wel een plek gevonden.
Bij ons in het dennenbos was een grote platte kuil van 15 x 10 meter en 2 meter diep. Daarin hadden ze een lazaret (ziekenboeg) ingericht voor de gewonden. Daar lagen de “blauwe” jongens met witte lappen om het hoofd en de benen en daar liepen de dokters rond. Ze hadden wel zin in een “kugje” (maaltijd) en dus kwamen ze bij ons vragen om pannenkoeken. Ote zette de pan op en ze heeft de hele verdere middag staan bakken. De jongens haalden ze zelf zo heet uit de pan op en dan mocht ik de lege borden terughalen. Ik vond het een mooi soldatenfeest. Ote was de enige in de “stad” die er goed aan verdiend heeft.
Vader vond het ook wel leuk. Het herinnerde hem aan zijn eigen soldatenleven.
Toen de soldaten ’s avonds wegtrokken, gingen de jongens (de kinderen) de loopgraven afzoeken naar lege patroonhulzen. Die moesten de soldaten wel inleveren maar ze hadden er geen zin in om al dat oude koper ook nog eens weer mee te slepen. Ik heb zelf gezien dat ze een kuiltje in het zand maakten en daar de patroonhulzen in deden. Ik bewaarde ze zuinig voor het soldaatjespelen en voor “prutswerk”, want ik kon alles gebruiken om er toch nog iets van te maken.
Jaren later, als we in de buurt van de paasvuurberg een stukje heide afbrandden, dan vonden we daar nog hulzen. …..

* * *

EEN KAMP BIJ OMMERSCHANS V _________________________________________________________

’t Werd Vrijdag. De laatste dag, de groote dag waarop alle krachten worden ingespannen, wanneer de gevechtsvaardigheid van den troep door oefeningen gedurende verscheidene dagen haar toppunt heeft bereikt, was aangebroken. Reeds voor het uitrukken klonk het vroolijk gezang der soldaten in de compagniestraten. Waren het krijgsgezangen, waarmede kameraden elkander opbeurden voor den heftigen strijd die dien dag zou gevoerd worden? Het was een jubelzang omdat het was “de laatste dag der maneuvels”, een vroolijke uiting dat morgen het garnizoen weder zou bereikt worden. Het was niet een slechte geest onder den troep, die hier aan ’t woord was. Gij zult het ons ten goede duiden, dat na een veertiendaagsch verblijf in ’t kamp de gemakken van het garnizoen ons toelachten, dat zoowel officieren als soldaten weder naar de goede stad Leeuwarden verlangden.


Het 1ste bataljon rukte dien morgen, voorzien van witte banden om de schako’s, reeds vroegtijdig uit. Het was bestemd om met de noodige markeerende vlaggen, een onmisbaar iets bij onze manoeuvres waarbij betrekkelijk kleine afdeelingen optreden, de noordelijke partij, de aanvalspartij uit te maken.
De onderstelling luidde: Eene troepenmacht, sterk drie bataljons infanterie, twee sectiën artillerie en één peleton cavalerie, in zuidelijke richting van Nolde op de Balkbrug terugtrekkende, wordt in haar weg door eene noordelijke partij, sterk vier bataljons infanterie, twee batterijen artillerie en één escadron cavalerie, bedreigd. Aangezien de zuidelijke partij de Reest moest passeeren en de bestaande steenen brug voor een dergelijke troepenmacht niet voldoende was, waren door de infanterie drie bruggen geslagen, twee oostelijk van de steenen brug, eene westelijk. Dit slaan van bruggen door infanterie is een zeer nuttige oefening. Hoe dikwijls toch kan het gebeuren dat colonnes, waarbij geen genie is ingedeeld, kleine rivieren moeten overtrekken en dan geheel aan eigen krachten zijn overgelaten. Hoewel deze bruggen van zeer primitieven aard waren, geconstrueerd van planken en balken, hier en daar op in den omtrek liggende boerenhofsteden bijeengegaard, toch bleken zij gedurende de oefening volkomen aan hare bestemming te voldoen en werden zij alle drie door de terugtrekkende infanterie gebruikt.
De positie van de zuidelijke partij was niet sterk, een overmachtige opdringende vijand in front, eene belangrijke terreinafscheiding, de rivier de Reest in den rug, zoodat zij hare geheele gevechtskracht wel zou moeten inzetten om haar marsch te kunnen vervolgen.
De zuidelijke cavalerie, hoewel sterk in de minderheid en daardoor op vele plaatsen door haren tegenstander afgewezen, signaleerde tenslotte kleine infanterie-afdeelingen in het boschachtig terrein ten zuiden van Nolde.
Al te stoutmoedige cavalerie-patrouilles van den aanvaller werden spoedig door infanterievuur verjaagd. Eindelijk deboucheerde (uit het bos tevoorschijn komen, red.) de noordelijke infanterie op de heide en kwam zoo al spoedig tot op een 1000 meter van den vijand, die met twee bataljons stelling had genomen achter een kleine wetering op het Nolderveld, ongeveer 1000 meter noordelijk van de Reest.
De voorhoede der witbanden trad in gevecht, ten einde eene openlijke verkenning te voeren, waarna de partij-commandant zijn gevechts-bevel uitgaf. Het doel van den aanvaller was de linkervleugel van den verdediger te omvatten. Te dien einde dirigeerde hij twee bataljons naar den rechtervleugel. Ondertusschen had het voorhoedeverband van den aanvaller opgehouden te bestaan en verscheurden de eerste kanonschoten de lucht. Terwijl de aanvallende infanterie langzaam avanceerde (naderde, red.), werd de strijd tusschen de noordelijke en zuidelijke artillerie gevoerd, de strijd, van welks uitslag zooveel zou afhangen.


Voortdurend donderde het geschutvuur over de heide, in de verte weerklinkend, dikke rookgordijnen hangend, hare opstelling aanwijzend. De geschutstrijd duurde lang, de metalen stem der artillerie beheerschte het slagveld. Ten slotte had de aanvallende artillerie de vuurmeerderheid verkregen. Hare tegenpartij, er op bedacht hare laatste krachten te sparen, staakte het vuur. Nu rukten de witbanden ten aanval voorwaarts in dichte tirailleurIiniën (naast elkaar, red.), gedekt door eigen vuur, stormden in den looppas op de vijandelijke stelling in en hoe ook gedund, steeds werden de verliezen aangevuld en werd de voorwaartsche beweging onderhouden, terwijl de artillerie bij tusschenpoozen haar machtig geluid deed hooren. In het gewoel van den strijd was geen commando meer verstaanbaar. Een chaos van geluiden bezwangerde de lucht, blauwgetint door den kruitdamp.
Rennende ordonnansen met berichten van den partijcommandant stoven langs soutiens en reserves. Gesloten afdeelingen naderden in den looppas om zich in tirailleurliniën uit te zwermen. Er was een leven, een beweging van die botsende menschenmassa’s, vuur en verderf spuwend, elkanders nederlaag, ondergang zoekend met al de kracht van den onbeteugelden strijdlust, met den moed der in ’t vuur gestaalde doodsverachting. De geest der vernieling waarde rond.


De verdediger zag zich genoodzaakt zijne stelling te verlaten, de overmacht dwong hem zich achter de Reest terug te trekken. Dit geschiedde met zeer veel spoed over de geslagen bruggen, die, nadat de eigen troepen gepasseerd waren, werden afgebroken. De aanvaller hechtte zich aan de hielen van den terugtrekkenden verdediger en trachtte met hem de bruggen te bereiken. Maar nauwelijks waren de eigen troepen er over of krachtige salvo’s weerklonken. Het was de reserve van den verdediger die hier zijn rol vervulde. Zuidwaarts van de Reest in een haag opgesteld, noodzaakte zij den aanvaller den overmoedigen renloop te staken en het vuur te beantwoorden. Maar ook de reserve moest tenslotte wijken, met sprongen onder voortdurend vuur terugtrekkend gaf zij de teruggetrokken bataljons gelegenheid zich te verzamelen. Zij had een moeilijke taak te vervullen. Onder het vuur van den vijand, die zich ten zuiden van de Reest ontwikkeld had, retireerde zij (terugtrekken, red.), terwijl de cavalerie op den vijandelijken linkervleugel voortdurend demonstreerde en haar ieder oogenblik met een aanval bedreigde. Zij zette hare achterwaartsche beweging voort tot aan den Katinger molen. Ondertusschen had de eigen artillerie nabij dit punt een tweede stelling gevonden en beschermde nu den terugtocht.
Het signaal “ophouden met vuren” deed de manoeuvres staken.

Bij deze oefening had de infanterie patronen met rookzwak buskruit, Troidorfbuskruit gebruikt. Dit kruit, dat aangemaakt zal worden voor de patronen van onze toekomstige kleinkaliber geweren en waarmede ook bij de artillerie reeds proeven genomen zijn, verspreidt een zeer lichtblauwen rook, die terstond optrekt; de knal van het schot is korter en scherper.
Toen de troepen waren samengetrokken, werden de geweren aan rotten gezet en werd de manschappen een kwartier rust gegund. Onderwijl speelde de muziek eenige vroolijke marschen. Men zag een bonte mengeling van menschen op het uitgestrekte bed van erica’s.

Van heinde en ver waren de bewoners dier streken saamgekomen; de meesten hadden reeds ’s morgens vroeg, voorzien van proviand, hun woning verlaten om de manoeuvres bij te wonen. De jeugd van eene naburige school had dien dag vacantie en woonde onder toezicht van meester, ondermeester en juffrouw dit voor hen zoo ongewone schouwspel bij.


Zoetelaars, marskramers, hadden zich met hunne koopwaren naar het manoeuvreterrein begeven, tuk op een klein winstje, met den fijnen neus van den handelaar, die speurt waar negotie te doen is. Moeders, geflankeerd door rijen kinderen, bezwaard door het gewicht van den kleinsten lieveling op den arm, vaders, de ega’s begeleidend, de ziel onder den arm, slechts pijpen rookend in den komkommertijd nu de oogst binnen is, jonge kerels, die er dezen dag het werk maar eens aan hadden gegeven, al deze menschen drentelden in verschillende groepjes vereenigd allerwege over het terrein rond, nu en dan opgeschrikt door de paarden der marechaussees, wanneer zij de troepen te dicht naderden.
En de meester gaf dien dag zijne discipelen les in de tactiek, ook de ondermeester en juffrouw, bijstanders in de schoone opvoedkunst, luisterden naar zijne woorden toen hij zijne beschouwingen ten beste gaf.
De toeschouwers waren zoo wijd over het terrein verspreid, dat wij eenige oogenblikken een groepje vrouwen met het eigenaardige witte mutsje op ’t hoofd, voor vijanden, voor witbanden hielden en er bijna op gevuurd hadden. Het jeugdige schoone geslacht was ook goed vertegenwoordigd. Met de belangstelling, die de vrouw vanaf de oudheid in den krijgsman stelt, volgden zij ons in de verschillende evolutiën en naarmate zij nu het hart bij den verdediger of aanvaller geplaatst hadden, treurden of juichten zij toen de zuidelijke partij moest terugtrekken.
Dien dag zaten wij als ingedeeld bij de reserve bij eene boerenhofstede. Rechts van ons liep het zandige terrein zachtkens op, gekroond door een rij jonge dennen. Tegen die dennen, half verscholen in ’t groen, lag daar een aardig groepje meisjes, die zich den voorraad uit hun valiesje goed lieten smaken en waar nu en dan de beker van de veldflesch op oud Germaansche wijze lustig rondging. Daar de voorhoede nog niet met den vijand in contact was, was er dus geen kwestie van dat wij hem konden zien, ook niet met den kijker. Daarom konden wij dezen, nu het vaderland nog niet in gevaar was, wel eens als tooneelkijker aanwenden en dit groepje, dat daar zoo bevallig tegen het heuveltje lag, eens nader bekijken. Niet dat wij het uiterlijk boven het innerlijk stellen; afkeerig zijn van een lief gezichtje is echter ook geen deugd. Wij richtten onze kijkers en zagen dit vroolijke kringetje nu meer van nabij, we zagen met welk een eetlust ze hun boterhammen aten onder vroolijk geschater. Echter .... daar ontstond een oogenblik stilte, de kijkers waren ontdekt, een seconde werd geconfereerd en floep, flap, daar gingen twee parapluies op, een zwart beschermend dak vormend, waarachter nu een uitbundig gelach werd vernomen. Juist werd het signaal “voorwaarts” vernomen, zoodat deze jeugdige schoonen zich niet langer tegen bespiedende blikken behoefden te beschermen.
Op de heide rondom den Katinger molen wemelde en krioelde het van menschen; soldaten, boeren en burgerstand mengden zich dooreen. Wij wandelden door die massa heen, hier en daar een gesprek aanknoopend met de landslieden.
Na de rust werd de dagorder van den kolonel, regimentscommandant, voorgelezen, waarin hij zijne tevredenheid betuigde over den ijver en de plichtsbetrachting, door allen gedurende den kamptijd betoond. Toen werd er aangeheven een “hoera” voor onze Koninginnen, dat uit die 1400 kelen klinkend, daverde over de rustige heide.
De troepen marcheerden vervolgens af, het vaandel in het midden en onder vroolijk gezang bereikten wij de Balkbrug, waar voor den kolonel gedefileerd werd.


Zaterdag morgen heerschte op een ongewoon vroeg uur veel bedrijvigheid in ’t kamp. De karren voor de bagage reden de compagnie-straten in om te laden. Dekens, lakens en tentbenoodigdheden werden ingenomen. De manschappen legden nog een laatste hand aan hun uitrusting, allen waren in de weer.
Te 7 uur verlieten de verschillende colonnes de legerplaats bij Ommen. Een klein detachement blijft achter om de tenten en het tentmaterieel weer in te nemen en op te zenden naar de centrale magazijnen, dit duurt ruim een week.
En dan zal de Ommerschans weer tot haar doodsche rust zijn teruggekeerd. Al die plaatsen, gedurende korten tijd vol leven en vertier, ze zullen slechts een enkele maal door den kampwachter worden bezocht, en de omgeving van het gesticht, waar de salvo’s der infanterie met het bulderend vuur der artillerie om den voorrang streden, waar de cavalerie tot op wijden afstand hare voelhorens uitstrekte, ze zal in hare stilte slechts gestoord worden door den herder met zijne vreedzame kudde.
Overtuigd van het nut der gehouden oefeningen, zoowel voor officieren als voor manschappen, keerden wij Zaterdagmiddag te 1 uur weder te Leeuwarden terug, door eene groote menigte opgewacht.




* * *

POEZIEALBUMVERSJES _________________________________________________________


Voor Trijnie

Als ik met Tobi wandelen ga,
loopt Tobi aan een touwtje.
Soms gaan we ook naar tante Mien,
maar dan loopt Tobi aan een riem;
geen groene maar een blauwtje.
En gaan we dan naar Grootje,
dan is het weer een roodje.

meester Vroom

23-03-1965


Bloemen verwelken
Een schip kan vergaan
Maar onze vriendschap
Blijft eeuwig bestaan

Beste Hendrikje

Indien dit klein geschenk
U naar genoegen is
Ontvang het dan van mij
Tot een gedachtenis.
Ter herinnering
Aan Jansje Eshuis
Geb: 25 Dec 1873

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

BS005

In 1968/69 brachten de kinderen van kleuterschool “De Paddestoel” een bezoek aan Sprookjespark “De zeven Provincien” in Hellendoorn.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  

Roelof Boverhof
Hendrik Jan van Duren
Betty van der Veen
Jan Boverhof
Roel Mijnheer
Roel van Holten
Karla Borgers
Eddy Veijer
Geke Brader
Jacob Brader
Juf Seubring
Juf Jansen
Alex Runhart
Wim Kleen
Rita Stegerman
Dick Boverhof
Jan Borgers
Jan Inberg

19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  

Giny Schra
Alita van Duren
Herman Seine
Jan Snijder
Arend Vos
Leida van der Veen
Alie Runhart
Roel Inberg
Jan Brinkman
Ruth Borgers
Ria Wildeboer
Sabrina Vogelzang
Ina Nijboer
Ria Hulzentop
Rianne Muller
Arend Muller
Henk Smink

36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  

Arjan Spin
Gea Slagter
Ageeth Nip
Evert Kappert
Janetta Hartman
Adrie Krul
Monique Wassing
Jan van Eldik
Nelleke Verboom
Erna Huzen
Mannie Seine
Gea Krul
Femmy Bouwhuis
Gea Klein
André Hoogenkamp
Henk Bouwhuis
Henri van Duren

53  
54  
55  
56  
57  
58  
59  
60  
61  
62  
63  
64  
65  
66  
67  
68  
69  

Erik van Duren
Janko Rabbinge
Anja Pinxsterhuis
Alice Sterken
Marga van Kuik
Geert Braams
Johan Poel
Jan Katoele
Arie Gerrits
Harma Dozeman
Janet Dozeman
Ellen Kouwen
Edward Zantinge
Wilma Dozeman
Yvonne Wassing
Bé Vos
Klaas Sterken

* * *

UIT DE GESCHIEDENIS VAN DE OMMERSCHANS _________________________________________________________

In 1928 verscheen in het jaarboek “Verslagen en mededelingen van de Vereniging voor Recht en Geschiedenis van Overijssel” een artikel over de geschiedenis van de Ommerschans als verdedigingswerk, geschreven door K.D. Hartmans. Daarin wordt naast de rol van de politiek ook aandacht besteed aan de huisvesting van de soldaten, het onderhoud van de schans en de relatie met de Lichtmisschans. In het overzicht zitten regelmatig perioden waarover niets bekend is en er komt ook een beeld naar voren van de toestand van het landschap. Een aantal van die onderwerpen hebben we er uitgelicht en hier samengevat.

Nadat keizer Karel V op 25 oktober 1555 afstand van de regering had gedaan ten behoeve van zijn zoon Filips II brak in de Nederlanden een treurige tijd aan. Gedreven door haat tegen het Lutheranisme liet Filips II ons land al spoedig over aan de stroop- en roofzucht van de Spaanse troepen. De Staten-Generaal besloten daarom in overleg met de Staten van de verschillende provincies verdedigingswerken aan te leggen, om zoveel mogelijk weerstand te bieden aan de plunderende troepen. In 1596 werd besloten in het noorden bij Coevorden, Bourtange en Bellingwolde forten te bouwen. Vervolgens bezocht de gouverneur van Coevorden in 1599 Avereest om te zien of daar ook een schans kon worden opgeworpen.
De schans kreeg nauwelijks betekenis want in 1621 werden in de kerk van Avereest dertig soldaten ingekwartierd om de doorgang naar de provincie Groningen te verdedigen. In dat jaar kwam er een eind aan het Twaalfjarig Bestand (1609-1621), een periode in de Tachtigjarige Oorlog waarin in de Republiek niet of nauwelijks werd gevochten.
In 1628 werd er een nieuwe schans ten oosten van Avereest opgeworpen, maar die was niet betrouwbaar genoeg voor de verdediging van de drie noordelijke provincies en daarom werden er plannen gemaakt om “tegen alle vijandts troepen ende loepers een fort te doen leggen opt Moer tusschen Ommen ende Oevereest”. In oktober 1628 was het nieuwe fort “opt Ommer Moer” gereed gekomen en in 1629 is er een “poortbrugge” gebouwd. Het onderhoud en bemannen van het fort kost geld en de Staten van Groningen en Friesland ruziën voortdurend over de kosten, met elkaar en met de Staten Generaal. De provincie Overijssel, die weinig belang heeft bij de schans, maakt zich wel zorgen over de wantoestanden van het onderhoud en de slechte zorg voor de soldaten en trekt regelmatig aan de bel. Ook de proviandmeester verzoekt regelmatig om verbouwingen en reparaties te betalen en een zekere hoeveelheid turf en kaarsen naar de Ommerschans te sturen.
In het Rijksarchief te Assen is in stukken uit 1665 te lezen dat er klachten zijn over de bijna onbegaanbare weg die naar de schans voert en het geringe aantal soldaten dat het garnizoen telt. Om de nood te lenigen werd naar de Ommerschans gestuurd: 1 last gemalen rogge, 600 pond beschuit, 60 kazen, 2 lood zout, 13 tonnen bier en 50 pond kaarsen. Overijssel verzoekt Drente beleefd doch dringend om het garnizoen zo spoedig mogelijk ook nog te voorzien van een hoeveelheid turf en stro “daer het volk onder den bloten hemel ligt”. Daarop kregen de ingezetenen van Echten en Pesse de opdracht er zorg voor te dragen ieder vier voeren stro naar de Ommerschans te brengen. En vanaf het verlaat bij Zuidwolde moesten drie pramen turf naar de schans worden vervoerd. Friesland werd gevraagd voor de op handen zijnde winter ijshaken en bijlen te sturen. Maar op 5 december lagen de drie pramen turf vastgevroren in het verlaat. Ook bleek het onbegonnen werk om voor de inval van de vorst vanuit Hoogeveen turf op wagens naar de schans te vervoeren. En het mislukte ook om een praam met turf vanuit Meppel via de Reest naar de Pieperij te laten varen, omdat het opeens ging vriezen. Toen na enige dagen de dooi intrad, kon toch niet aan verder vervoer worden gedacht, omdat de Reest ver buiten haar oevers was getreden en daardoor voor schepen die moesten worden getrokken, onbevaarbaar was geworden. Zo duurde de ellende in de schans voort. “Het enige wat kon worden gedaan, was kalm afwachten tot het moeder natuur zou behagen haar wilde streken in te binden”.
Friesland stuurde in 1666 een majoor naar de schans om de toestand in ogenschouw te nemen. Hij berichtte dat hij daar de in garnizoen liggende soldaten had aangetroffen in een toestand, waarvan een buitenstaander zich onmogelijk een juist denkbeeld zou kunnen vormen. De drie compagnieën bestonden uit ziekelijke en zeer verzwakte soldaten, waarvan een dertigtal nauwelijks in staat was te lopen, terwijl de overigen op de koude grond lagen, overgeleverd aan koorts en een leger ongedierte, dat een gemakkelijke prooi vond in deze weerloze mannen. Barakken waarin de zieken konden worden ondergebracht waren niet aanwezig. Het enige waarop de soldaten konden liggen waren enkele bossen vuil stro. Er was groot gebrek aan voedsel, brandstof en kaarsen om licht te maken.
Ook de toestand van de schans was allertreurigst. De wallen waren zo verzwakt dat een paard er met het grootst gemak een vol geladen wagen tegenop kon trekken. Er was geen kanon meer aanwezig. De enkele kleine stukken geschut waren door gebreken aan de affuiten en batterijen totaal onbruikbaar.
Omdat het bouwen van nieuwe barakken nog wel enige tijd zou duren, stuurde Friesland een aantal strohutten naar de schans voor de zieke soldaten.
Er kwam een conferentie waarbij de vier noordelijk provincies overeen kwamen de schans voortaan met vier compagnieën flinke soldaten te bezetten, waarop men, als het nodig mocht blijken, zou kunnen vertrouwen. Overijssel nam op de conferentie meteen de gelegenheid te baat om aan te kaarten dat de omwonende bevolking van de schans de terreinen naar eigen goedvinden onder elkaar hadden verdeeld en afgebakend door het graven van greppels en sloten, om daar boekweit te verbouwen. Wat vonden de Friese Staten hiervan?
Er werd besloten dat de Gedeputeerde Staten van Overijssel er voor zouden moeten zorgen dat de omliggende terreinen van de Ommerschans zo spoedig mogelijk weer in de oude staat zouden worden teruggebracht. (Hoe moerassiger, hoe moeilijker de doorgang voor de vijand zou zijn.)
Intussen was de politieke toestand in Overijssel weer spannend geworden. De vijand was via Vriesche Veen opgetrokken naar de havezate Schuilenborg bij Hellendoorn, vanwaar de weg naar Zwolle vrij was komen te liggen. Zoals uit de zojuist gegeven beschrijving al blijkt, was van de Ommerschans weinig hulp te verwachten. Daarom bleef er niets anders over dan te rekenen op een verdediging van de doortocht naar het noorden bij de Lichtmisschans bij Rouveen. Omdat daar bij lange na niet voldoende bezetting gelegerd was om ook maar iets tegen het vijandelijk leger te kunnen uitrichten, richtten Gedeputeerde Staten van Overijssel op 17 februari 1666 een dringend verzoek aan Friesland en Groningen om zoveel mogelijk soldaten naar Rouveen te zenden. Op 19 februari gaf Friesland sergeant-majoor Watze van Bourmania, die met zijn compagnie uit het leger van stadhouder Hendrik Casimir enige tijd eerder binnen Meppel was gelegerd, opdracht er zo snel mogelijk naar toe te gaan. Intussen was de toestand in de Ommerschans wel enigszins verbeterd, maar door het getouwtrek tussen de provincies over wie wat moest betalen of uitvoeren bleef de schans een zwakke verdediging.
1672 is bekend geworden als het Rampjaar. In dat jaar waren de provincies zich zeer bewust dat ze zich moesten voorbereiden op invallen van de Munsterse en Keulse troepen. Overijssel zou weinig kunnen doen tegen die invallen, maar Groningen en Friesland lagen achter de uitgebreide, onbegaanbare moerassen langs de noordgrens van de provincie Overijssel. De schans te Rouveen was hier een waardevolle vesting, die bij eventuele invallen bovendien nog gedekt werd door de Ommerschans, die de pas in noordwestelijke richting naar Meppel beheerste.
Maar buiten het bereik van het geschut van de Ommerschans lag een zandader, breed genoeg om er met ruiterij en kanonnen te passeren. De schans moest dus worden uitgebreid en daarom kwam er ten noorden van de Ommerschans een tweede verdedigingswerk, ongeveer op de plaats waar later het bruggetje over de Reest bij Dedemsvaart lag. Op 11 mei werd op een bijeenkomst te Meppel door de Drentse gedeputeerden en enige gecommitteerden uit de Generaliteit besloten de wegen bij Staphorst en Rouveen door te laten breken en te ruïneren, een dam te leggen in het Zwartewater bij Zwolle, het water bij het verdedigingsbolwerk daar op te stuwen en de sluizen bij Zwartsluis en Hasselt open te houden, zodat de toegang naar het noorden volkomen onmogelijk zou worden.
In allerijl werd besloten de Ommerschans aanzienlijk te versterken. Daartoe waren ongeveer 2000 palen, ter dikte van een zware balk, nodig van eiken-, berken, elzen-, of weekhout, elk 7 voet lang. Voor 14 mei moesten die geleverd worden door: Ruinerwold 250 / Zuidwolde 200 / Echten 100 / Pesse 100 / De Wijk 200 / Koekange 150 / Oosterboer 100 / Dwingeloo 150 / Kolderveen en Nijeveen 250 / Diever 250 / Wapserveen 250. Dat gebeurde en al snel konden de daarvoor opgeroepen inwoners beginnen met de werkzaamheden voor de verbetering van de schans. Voor het opwerpen van de versterking in de buurt van de schans werden ook nog eens 100 personen opgeroepen.
Maar de steden van Overijssel waren al snel in handen van de Munsterse troepen en direct na de overgave van Deventer op 21 juni 1672 trokken troepen Ommen binnen. Negen dagen moesten de inwoners zich de gruweldaden van de vijandelijke soldaten laten welgevallen. Toen werden de soldaten opgeroepen om naar Groningen te vertrekken.
Ondertussen trok het hoofdleger naar de Ommerschans en trof die tot hun grote verbazing volkomen verlaten aan. De manschappen waren vertrokken omdat ze meenden toch niets tegen de Munsterse troepen te kunnen uitrichten nu het leek of het hele land in handen van de vijand zou vallen. Kapitein Van Arkel had nog geprobeerd de verdediging te hergroeperen, maar had dat ook opgegeven. Zo lag voor het vijandelijke leger de weg naar het noorden open, vooral toen de schans te Rouveen het eveneens jammerlijk liet afweten toen de Munsterse troepen voor de poorten verschenen. De bezetting daar stelde niets voor en de vijand kreeg de schans gemakkelijk in bezit. Een jaar later waren de Munsterse troepen weer uit grote delen van het land teruggedrongen en begon men opnieuw plannen te maken voor het versterken van de schansen.


“Caerte van de te inunderen Moere tusschen Hassel en Coevorden”. Deze kaart behoort bij het rapport van Jan van Alberdingh uit 1681.

Vanaf 1675 viel het gebied rond de Ommerschans onder de Raad van State van de Verenigde Nederlanden. Niemand mocht meer binnen een zekere afstand van de vestingwerken het veen bewerken of boekweit verbouwen. Dit alles leidde tot conflicten met de omwonenden en tenslotte stelde de Raad van State een commissie in om een onderzoek te doen naar de toestand waarin de regio verkeerde. Ingenieur Jan van Alberdingh bracht een rapport uit: “Verbaal en Consideratien over het inundeeren der moerassen omstrent de Bourtange, Coeverden, Ommerschans …etc, de Ao. 1681”.
In “Het Verbael van Hasselt tot Coevoerden” staat: Van Staphorst naar Rouveen en verder naar de Lichtmis liep een weg waarin een groot aantal pompen lagen, welke dienden voor het aftappen van het water uit de moerassen rond de Ommerschans. Dat water werd vandaar door een duiker bij Hasselt in het Zwartewater gevoerd, waardoor plusminus 1200 roeden land bruikbaar was gemaakt voor het zaaien van boekweit. Om dit ook voor de bewoners van Staphorst, Rouveen en De Wijk mogelijk te maken, werden nu iets ten noordwesten van Den Hulst enige zogenaamde “leidijken” aangelegd. Het moeras bij de havazate “Oosterveen” te Nieuwleusen was nog niet drooggelegd. Om hieraan tegemoet te komen werd van de Lichtmis tot een eind voorbij Den Hulst een grift gegraven en daarlangs een weg aangelegd, lopende tot ongeveer 1000 roeden van de Ommerschans af, welke grift door de “Beentjesgraven” bij het “Strookeler Zijll”, iets ten zuiden van Hasselt gelegen, in het Zwartewater uitmondde. Bovendien werd nog een kanaal gegraven, “Den Grooten Hermel” geheten, vanaf een plaats, iets ten oosten van Nieuwleusen, tot het huis “Den Ordel” aan de Zwolseweg, welk huis op de plaats stond ongeveer waar nu de brug over de Vecht is gelegen.
Om de boeren gelegenheid te geven de landbouwproducten op wagens te kunnen vervoeren, legde men ook wegen aan, waarvan een der belangrijkste wel is die van Nieuwleusen op Zwolle en vandaar langs “De Ordel” en de Lichtmis naar Rouveen, Staphorst en Meppel. Aan de andere kant van de Ommerschans werd een weg gemaakt van Heemse naar Lutten. Het veen tussen Lutten en “Keesmanshuis” bij Ommen was vrijwel geheel met boekweit beplant en er waren een twintigtal boerenhuizen, alle door de bewoners zelf gebouwd. Het moeras “syn noch van een redelijcke diepte”, en bedroeg op een enkele plaats zelfs 5 voet. Aan de weg van Ommen naar de Ommerschans waren een tiental boerderijen, de buurtschap Arriën en “Kesemanshuys”, grenzend aan de zogenaamde “Turf Kuijlen” en het moeras “De Hare”. Dan kwam men aan een vervallen redoute (veldschans), op ongeveer 350 roeden afstand van het bij de schans aangelegde retranchement (verdedigingsbolwerk). Aan de westzijde hiervan leidde de weg, waaraan vijf à zes bolwerken waren opgeworpen die in een verregaande staat van verwaarlozing verkeerden, naar de schans. Ging men aan de oostzijde langs het retranchement naar het noorden, dan kwam men uit bij het muldershuis te Avereest. Bij de vervallen redoute lag nog een klein meertje, de “Coter Meerstall”, dat met enkele griften in verbinding stond met de Reest. Aan de westkant van de schans lag “de Woeste van Veersen”, een moeras waardoor een weg liep van Ommen naar Avereest.
Bij de “Consideratien over ’t Innonderen deser Moeren, en ’t leggen der Leijdijcken” lezen we dat er een dijk werd gelegd van Coevorden over Lutten en Hardenberg naar Ommen en vandaar over Nieuwleusen, De Lichtmis en Rouveen naar Staphorst, waarna de ring gesloten werd over De Wijk en Avereest en vandaar in noordelijke richting langs “de Gesencamp” en een meertje “Rijcks Meerstall” geheten, om te eindigen bij Bente, ten noorden van Coevorden.
In het Historisch Centrum bevindt zich het “Boek van Vrijwillige Zaken over de jaren 1692-1708”, waarin op 22 juni 1706 wordt vermeld dat het erf en goed “Ten Huisen tot Oosterveen” wordt verkocht voor een obligatie, groot 350 carolus guldens, ten profijte van den rentmeester der Ommerschans, Hendrik Spree, terwijl in hetzelfde stuk de opvolger van de schans wordt genoemd van kapitein Van Arkel, een zekere Hemstra.
Omdat de Ommerschans als verdedigingswerk geen grote rol speelde en klachten over overlast door de soldaten van de burgerij bleven aanhouden, besloot men in 1715 de op de schans staande gebouwen en het geschut te verkopen. De Stad Ommen kocht de gebouwen, maar moest toezien dat de Raad van State commandant Moespas had toegestaan de rest van zijn leven op de schans te blijven wonen, met het vruchtgebruik van de tuinen en weiden die bij de schans hoorden, die niet verkocht mochten worden. De stad Ommen maakte een eind aan het getouwtrek over de eigendomsrechten door de burgerij op te roepen zich zo goed mogelijk te bewapenen en samen op te trekken naar de schans. De commandant was natuurlijk niet opgewassen tegen zo’n overmacht en moest toezien hoe zijn huis totaal werd vernield. Moespas en de zijnen werden verjaagd en de schans met het omliggende terrein was weer in het bezit van de Stad Ommen. De stad liet er een nieuwe woning bouwen, die met de omringende stukken land werd verhuurd.
Rond 1740 werd opnieuw geïnvesteerd in het bouwen van een netwerk van schansen en daarbij hadden de nieuwe werken aan de Ommerschans weer heel veel geld gekost. Er was meer geld nodig en waar moest dat vandaan komen? Opnieuw zag men zich genoodzaakt de plannen voor een nieuwe schans voorlopig te laten rusten. Opnieuw is weinig bekend over de waarschijnlijk weer onbelangrijke rol van de schans, maar “de heerschappij der soldaten op de schans” bleef een voortdurende ergernis van de Stad Ommen.
Aan die ergernis kwam tenslotte in 1787 een eind. De 25 man sterke bezetting van de schans werd ’s morgens vroeg opgeschrikt door een compagnie van de Zwolse schutterij, die de schans veroverde en zich meester maakte van het oorlogsmateriaal, dat bestond uit kogels, bommen, geweren, buskruit en 24 stukken geschut. Alles werd nog dezelfde dag naar Zwolle afgevoerd. Hiermee was definitief een einde gekomen aan de Ommerschans als verdedigingswerk.
In november 1819 nam de Maatschappij van Weldadigheid de Ommerschans over van de regering en stichtte er een bedelaarskolonie.


Kaart van omstreeks 1825 van de bedelaarskolonie Ommerschans, getekend door H. Spilman.

* * *

EEN DAG UUT ET LEVEN VAN EEN KLEERMAKER _________________________________________________________

ohan van Dorsten

Et was winter en gemien kold. Et vreur al een hele tied aorig en umdet et 1934 was en iederiene der zuunig langs mos, was et bi’j Gait Jan de kleermaker ok gien vetpot. Hi’j ad weinig wark in dizze tied. "D’r lig nog wel wark in de boer", zei hi’j d’r zelf van, “mar ja, de boeren blieft liever in de warme stal dan een lappe naor de kleermaker te brengen."
“Daor schiete wi’j niks mee op", zei Derkien, "de schustien mut nou ok roken. Ie mossen mar ies op pad gaon. Aij dokter Schuringa nou ies vraogen of ie de rekenings rond magt brengen. As hi’j oe et postzegelgeld gef, hi’j toch een daghure.”
Det rondbrengen zol wel gaon, dach Gait Jan, mar hi’j mos eerst nog met de dokter een akkoord maken en daor hadde nou helemaole gin zin in. Hi’j kon er effen zo goed niet onderuut, want d’r kwaamp mar gien werk binnen. En zo truk e dan op een dag de stoute schoenen an. En verduld, de dokter zaag ter wel wat in. "Van mij mag je dat doen", zei hi’j, “en als je ook het geld meebrengt, dan geef ik je twee procent daarvan.”
Nou, dach Gait Jan, daor praote ik wel op an, want die boeren hebt vaste nog wel geld in et kammenet. Zie konnen de dokter toch ok zo weer neudig hebben. Zo fietsen Gait Jan met zien zeune op een kolde winterdag op een morgen van huus of. Zien zeune Jans zol meegaon: "Toe mar, ie hebt aanders ok niks te doen.”
Zie waren nog mar een entien op weg of Gait Jan zei al: "Zie kriegt mi’j al bi’’j de oren."
"Ja, et is gemien kold en wi’j mut een heel ende fietsen veur daw bi’j de eerste klaante bint.”
"Ik wil via et Westerhuuzigeveld op Rouvene an en wi’j begunt bi’j Jochem Heetebri’j. Dan kieke wi’j of Jannao de koffie bruun hef.”
Det was niet gek bekeken, want Fem had bi’j Jochem en Jannao ediend en det was dus kundigheid. Et kwaamp precies zo uut.

Toen ze bi’j Jochem kwamen, neudegen hi’j heur metiene uut um mee naor binnen te gaon. "Wi’j zult kieken of Jannao de koffie bruun hef."
"Vaste wel," zei Jans, want hi’j wus wel hoe et daor toe gunk. Jans had er ok al ies een zaterdag ewerkt en as e dan 's aoms naor huus gung, krege een dubbeltien. Det was naotuurlijk niet veule geld, mar ja, zo was de tied toen. Zie drunken koffie en toen Gait Jan de rekening ofgaf, zee hi’j metiene: "Ie kunt mi’j et geld ok wel metgeem heur."
"Jonge,” zei Jochem, toen hi’j de rekening ad bekeken, “det is nog al wat."
"Jao mar,” zei Jannao, “hi’j ef ier eel wat keern ewest. En ie geeft et Gait Jan mar mee, det bespaart oe een reize.”
"Nou ja", zei Jochem en hi’j gunk naor et kammenet en pakken et geld. Hi’j mos honderdvieftig guln betalen en toen Gait Jan de rekening voldeut, dache bi’j hum zulf: “Jonge det giet mooi, det is al drie guln veur oons."
Et leek hum iniens helemaole gien gek werk. Det was ies wat aanders as de hele dag op de kleermakerstaofel te zitten. Et mos ter scharp langs in dizze tied. An de Balk zat een kleermaker die nog een guln minder naamp veur een broek maken. En wat dach ie det de boeren der van zeiden: “Et is een alf uure fietsen naor de Balk en dan hek een guln in ‘t uur. Waor verdiene ie det in de winter?”

Zie drunken koffie en preuten aover et leste ni’js. Toen gungen ze wieder. Gait Jan wol binnendeur op Rouvene an. In et Staphorsterveld zat ok nog een klaante van de dokter. Zie wussen daor niet goed de weg, maar zie dachen wi’j gaot westert uut dan kunne wi’j nooit wied uut de koers raken.
De dag leek ietsie op te warmen. Zie adden niet meer zukke kolde oren as toe ze pas van huus fietsen. Nou ja, met koffie drinken en praoten was ok zo een uurtien weg egaon.
Zie vunnen nao een paar keer vraogen de boer uut Staphorst. Et waren aorige mensen. De vrouw zei metiene: “Ik make snert, aij een beetien geduld hebt, krieij een burd vol.” Nou det leek niet gek. Gait Jan had al eziene det er flink wat spek in gunk. Och en now de dag zo goed was begunnen umdet Jochem metiene had betaald, meuk hi’j hum ok niet zo druk meer. Zie preuten overal over en wat et veurnaamste was, ok dizze boer betalen metiene. Hi’j mos viefenzeuventig guln betalen en det was ook weer een daalder veur Gait Jan. De dag wurn wel goed, det hadde al lange bekeken.
Toe et halftwaalf was scheppen de vrouwe heur een dik burd vol snert op en zie deed er een stuk spek bi’j, daor koij op veuruut heur. Jans ad er een beetien muuite met, mar hi’j slikken et mar in ien keer deur. Et zol ok nog wel effen duren veurdet ze weer wat kregen.
Zie kwamen een uur later op Rouvene an. Daor had de dokter niet veule klaanten, mar et was een veurdeel det de beide boeren daor gien zin adden um helemaole naor Den Hulst te fietsen um te betalen. Toen Gait Jan zei, det hi’j et geld wel wol metnemen, kwaamp det mooi uut. Bi’j de iene boer beuren hi’j tachtig guln en bi’j de leste mar effen twiehonderdvieftig guln. Gait Jan ad et al wel bekeken, hi’j beuren vandage meer dan in een weke op de kleermakerstaofel. “Ja,” zee de boerinne vergoelekend, “hi’j hef hier wel verscheiden keer ewest."
Op de Meele wonen nog al wat klaanten van de dokter, mar overal zein ze: "Wi’j gaot wel effen naor de dokter toe um te betalen.”
Zie mossen ok nog een keer een heel ende achteruut en de weg naor die boerderije was wel zo slecht det ze et grootste gedielte mossen lopen umme der te komen. Oe de dokter daor dan met zien auto ekomen was, was heur een raodsel. Mar de vrouwe daor zeij metiene: “Koom ter mar in en ie mossen et geld mar metnemen, want der lig ok nog een rekening van de veurege keer.” Nou, det gunk mooi. Zie adden twie rekenings en saamn veur driehonderd guln. "Wi’j hebt de dokter al ezegd: wi’j zult een varken verkopen en dan krieg ie oe geld. Ja de eerste rekening is van de bevalling van oenze dochter, det gunk muuiluk en vergangen jaor ad et kiend alsmaor bronchitus en hi’j hef wel tien draankies ehad."
"En is et jonk er nou deur?" vreug Gait Jan.
"Jao helemaole beter ewurden, jao die man weet wel wat eur.”

Et was al een hele tied eleden det ze wat te drinken adden ehad en nao et burd snert adden ze ok niks gien eten meer ehad, zodet ze wel zin adden an een burd vol eerappels.
“Mar eerst et geld wegbrengen”, zei Gait Jan. De dokter was best te passe, hi’j zei: "Ziezo, het geld voor de woning is alweer binnen. Dat is mooi werk zo. Je moet maar alle rekeningen voor mij wegbrengen.”
"Nou, met alle plezier dokter, et kump oons goed uut want ik heb weinig werk in de winter.”
Gait Jan ad op Rouvene een stuk kantkoeke ekocht bi’j de bakker en daor aten ze een stuk van op en toen gungen ze op uus an. Zie waren zon twaalf ure onderweg ewest en zie adden best zin an eerappels. “In elk geval," zei Gait Jan, "kan de schustien weer een poossien roken.”

* * *

ZOEKPLAATJES _________________________________________________________

Tot dusver zijn er weinig reacties binnengekomen op de in deze rubriek geplaatste foto’s. Hoewel het kan dat de foto’s geen betrekking hebben op Nieuwleusen en omgeving, denken we toch dat er zeker een aantal zijn waarbij dat beslist het geval is. We roepen dan ook nogmaals iedereen op die denkt iets te weten om te reageren. Dat kan via redactie@palthehof.nl of Ni’jluusn van vrogger, tav de redactie, Westeinde 3, 7711 CH Nieuwleusen. Eventueel ook telefonisch tussen 18 en 19 uur op nummer 0523 649 206.
Dit keer plaatsen we enkele foto’s van ca 1968 van de jeugduitwisseling met St. Albans, gemaakt tijdens bezoeken aan Zwolle en Urk.


Op foto 14 zijn de derde en vierde van links herkend als respectievelijk Lammie Jonkers en Maja Schoemaker.


Helemaal links op foto 15 staat Jannie Buiter. Achteraan links van het midden met zonnebril is weer Maja Schoemaker. De beide zittende jongemannen in het midden zijn Ate Vos (met sigaret) en rechts voor hem Arend Veerman. Het meisje met bril achter hem is Hillie van Duren. Helemaal vooraan zit Hillie Oldeman. De jongen schuin achter haar met de handen in de zij is Theo van Duren.


. Op foto 16 is de tweede van links herkend als Arie Boschman.


De andere kinderen op de zoekplaatjes 14, 15 en 16 zijn waarschijnlijk allemaal Engelsen.

* * *

Foto achterpagina: _________________________________________________________

Johan Kappert was in 1972 niet alleen raadslid maar ook presentator van de door de Oranjevereniging jaarlijks georganiseerde autorodeo.




Jaargang 29 nummer 3 september 2011


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina _________________________________________________________

Het kleine huis aan het Pad waar Margje Key-Hendriks haar jeugd beleefde. Haar herinneringen aan die jaren worden in dit en de komende nummers van ons blad gepubliceerd

* * *

HET KLEINE HUIS AAN ’T PAD, 1 _________________________________________________________

Margje Key-Hendriks

De schrijfster van dit verhaal noteerde haar jeugdherinneringen om die door te geven aan haar kinderen en kleinkinderen. Ze bracht haar jeugd door in Nieuwleusen en wellicht omdat ze later naar Canada emigreerde kan ze zich heel veel uit haar geboorteplaats herinneren. Wij kregen haar aantekeningen onder ogen en vonden die dermate interessant dat we toestemming hebben gevraagd om ze te publiceren. Het verhaal is oorspronkelijk in het Engels geschreven en door de schrijfster zelf vertaald ten behoeve van de Nederlandse familie en vrienden. De beschreven jeugdherinneringen zijn niet op tijdsvolgorde gerangschikt, maar verteld zoals die haar dat op het moment te binnen schoten.
De redactie heeft de verhalen voor publicatie enigszins thematisch geordend en hier en daar aangepast aan het tegenwoordige taalgebruik.


Ons gezin
Mijn ouders Roelof Hendriks en Hendrikje Bruggeman zijn op 24 september 1931 in Nieuwleusen getrouwd. Ze waren toen respectievelijk 21 en 19 jaar oud. Moeder kwam uit Oudleusen en vader uit Nieuwleusen. In het begin van hun huwelijk woonden ze in bij de ouders van vader op het boerderijtje achter school “Siefers” (christelijke lagere school aan het Westeinde). Daar is op 23 februari 1932 Henk geboren. Hij is vernoemd naar vaders vader Hendrik Hendriks.
Toen Henk ongeveer een jaar oud was, is het gezin verhuisd naar het Pad, nu Ruitenveen 10. Daar is Trijntje Maria geboren, roepnaam Trijn. Ze is genoemd naar beide grootmoeders: Trijntje van Someren en Margje Ekkelenkamp. Dat was om de vrede in de familie te bewaren, al was het wel een beetje ongewoon om Margje te veranderen in Maria.

Trouwfoto van Roelof Hendriks en Hendrikje Bruggeman.

Op 26 januari 1937 ben ik, Margje, geboren. Ik werd vernoemd naar Margje Ekkelenkamp, de moeder van vader. Mijn zusje Nellie werd op 13 april 1940 geboren, net voordat in mei de oorlog uitbrak. Haar officiële naam is Peternella naar Peter Bruggeman, de vader van moeder. In de oorlog, op 1 augustus 1944, is Roelof geboren, vernoemd naar vader. Toen hij pas geboren was kon moeder niet beslissen hoe ze hem moesten noemen. Roelof was zo’n mondvol. Eerst was het toen een poosje “broer”. Later werd besloten om hem Roeli te noemen.

Tenslotte werd Hendrika nog geboren op 17 maart 1946. Zij werd naar moeder vernoemd. Alle bevallingen gebeurden thuis. We hadden dokter Dekker, die ook de bevallingen deed. Hij was een goede dokter maar wel een beetje ruw. Dokter Dekker was ook dokter in het leger geweest en ook een tijdje in Indonesië.
Hij bezocht de zieken aan huis, maar hield ook spreekuur bij hem thuis. Zijn vrouw maakte de zalfjes en pillen klaar. Die konden dan later op de dag gehaald worden. Het was geen probleem als zij er niet was, dan stonden de medicijnen op een rijtje klaar in de vensterbank. Waar je naam op stond nam je dan gewoon mee naar huis.
Toen Hendrika geboren werd, hielp dokter Dekker dus ook weer bij de bevalling bij ons thuis. Er lag toen een stuk worst op tafel. De dokter nam het mes en zou er een plak afsnijden maar wilde dat met de verkeerde kant van het mes doen. Vader zei toen: “Als u het mes omdraait gaat het beter.” Toen hij dat deed zei hij: “verdomd ja!”

Trouwfoto van dokter Geert Dekker en Netty Damen.

Dokter Dekker is altijd onze dokter geweest. Hij bezocht de patiënten op zijn motor.
Hij had dan een strak leren petje op met een riempje onder de kin.
Natuurlijk had hij ook een leren jas aan, net als leren laarzen en handschoenen.
Naast ons huis lag een “wieke”, een brede maar ondiepe sloot waar je zo door kon rijden. Alleen bij hoog water lag er een plank over. Op een keer zou de dokter met zijn motor over de plank rijden. Maar hij reed er naast en kwam in het water terecht. Het liep allemaal goed af.

De familie van moeders kant: Bruggeman
Mijn grootouders van moeders kant hebben eerst aan de Arendnevenweg gewoond, maar verhuisden in 1905 naar een boerderij aan de Kringsloot in het veld. De Kringsloot was toen nog geen verharde weg. Het veld werd zo genoemd omdat er maar een paar boerderijen stonden tussen uitgestrekte landerijen. Ik denk dat het zo’n anderhalf à twee kilometer van de Diek af was. De Diek was de straatweg die van Zwolle naar Nieuwleusen liep (Westeinde). Oude mensen noemden het de “straote”.
Het veld was altijd erg nat. Later, toen er grotere sloten werden gegraven, werd het beter. Vooral ’s winters waren de wegen erg slecht. Tante Hilligje wist zich te herinneren dat de melkwagen er haast niet door kon. Ze had medelijden met het magere paardje dat de wagen door de modder moest trekken. Er waren paaltjes langs het fietspad gezet, omdat dat pad anders zeker ook kapot werd gereden.

Peter Bruggeman en Trijntje van Someren.

Soms moesten ze die paaltjes toch ook weer weghalen, omdat het anders voor de melkwagen onmogelijk was om er door te komen. De aanwonenden moesten zelf de weg onderhouden. Er waren ook wel enkele andere paadjes om langs te lopen of te fietsen, zoals het “sikke weggie” en andere paadjes, die werden genoemd naar mensen die er aan woonden.

De ouders van moeder waren allebei kleine mensen. Hun kinderen waren ook niet groot. Moeders vader, Peter Bruggeman (1877-1968), was een zoon van Hendrik Bruggeman en Aaltje Bouwman. Moeders moeder, Trijntje van Someren (1883-1955), was een dochter van Derk Jan van Someren en Hilligje Kouwen.
De kinderen uit het huwelijk van Peter en Trijntje Bruggeman zijn Aaltje (1904-1997), Derk Jan (1906-1987), Hilligje (1910-2005), Hendrikje (mijn moeder dus, 1911-2002) en Trijntje (1916-2005). Er is nog een Hilligje geweest die in januari 1903 werd geboren en overleed op 7 oktober van datzelfde jaar. Moeder vertelde dat deze Hilligje aan een ziekte is overleden. Ook is er nog een Hendrik geweest (overleden 4 december 1915). Die is in een plas verdronken toen hij 1 jaar oud was. Misschien dat onze ouders daarom ons als kinderen wel bang maakten met ”niet bij het water komen, want daar zitten kikkers in en die trekken je er in.”
Peter Bruggeman had nog een zuster, tante Hendrikje, maar over haar weten we niets.
Trijntje van Someren had een broer, Derk, die op jonge leeftijd naar Amerika ging, ergens in Wisconsin. Moeder herinnerde zich dat hij één keer terug in Nieuwleusen is geweest. Ze was toen ongeveer twaalf jaar. Volgens mijn tante Hilligje was het huis aan de Kringsloot van hem.

Toen Derk van Someren nog jong was, raakte hij eens in gevecht met een andere man. Daarbij schoot Derk hem in een been. Die man liep zijn verdere leven mank. Of het zelfverdediging of een ongeluk bij het jagen was, is niet duidelijk. Misschien zou hij voor de schietpartij de gevangenis zijn ingegaan en om dat te voorkomen vertrok hij snel naar Amerika. Hoewel hij dus pas na jaren weer terugkwam in Nederland, was hij toch ongeveer drie weken te vroeg. Omdat de verjaringstermijn nog niet voorbij was, pakte de politie hem op. Hij werd echter niet gearresteerd.
Toen oom Derk vanuit Amerika in Nieuwleusen op bezoek was, bracht hij voor alle kinderen chocola mee. De chocola kwam in een doosje dat moeder altijd bewaard heeft. In dat doosje bewaarden wij later altijd plaatjes. Bij zijn bezoek kreeg moeder een mooie pop van hem. Na een kort verblijf vertrok Derk weer met de stoomboot naar Amerika. Niemand heeft hem ooit weer gezien.
Toen oom Derk nog thuis woonde, heeft hij ook een keer iemand van de verdrinkingsdood gered. Het gebeurde op een morgen toen hij nog in bed lag maar van een geluid wakker werd. Bij buurman Alteveer logeerde op dat moment een jongen die het erf bij Van Someren op kwam lopen. Hij was daar natuurlijk niet erg bekend en viel door het verrotte deksel in de waterput. Derk was er vlug bij en heeft hem uit de put gehaald.
Moeders ouders hadden aardig wat land. Dat werd Van Someren’s land genoemd. Toen moeder nog thuis woonde moest ze altijd helpen melken en op het land werken. Tante Hilligje deed naaiwerk voor anderen. Ook heeft ze wel pakken voor mannen gemaakt. De stof werd geknipt bij de “snieder”, de kleermaker.
Tante Hilligje kon geen patronen tekenen. Soms nam ze de maat van andere kleren. Als ze voor ons iets maakte, moest ze er een maatjurk bij hebben.
Ze had het naaien geleerd van Trijn (Triene) van der Kolk. Die kon ook geen zwaar werk doen want ze had een “bochel”, een hoge rug. Tante Hilligje kon geen zwaar lichamelijk werk doen omdat haar ene been korter was dan het andere. Later, toen mijn zus Trijn ouder was, ging ze een dag in de week naar tante Hilligje om haar te helpen met de was.
Tante Aaltje (Eultie), moeders oudste zuster, diende bij de boer. Tante Trijntje was moeders jongste zuster en die werd heel erg verwend. Ze zeurde altijd en kreeg dan haar zin.
Het water dat nodig was kwam uit een put. Het werd met een emmer aan de haak van een lange stok uit de waterput gehaald. Misschien heeft oom Derk die jongen er toen ook wel zo uitgehaald.
De boerderij was typisch Nieuwleusens, met de stal er aan vast. Het grote woonvertrek had een open haard met een grote ketel boven het vuur. Daar werd ook het meeste eten gekookt. Op de vloer was wit zand gestrooid en daar werden met de bezem figuurtjes in geveegd. Ik denk dat ze de klompen in huis aan hielden. Moeder vertelde dat ze altijd moesten oppassen dat de kat niet te dicht bij het vuur ging liggen. Het was bij anderen wel eens gebeurd dat de kat in brand was geraakt en toen in het stro was gekropen, waardoor alles was afgebrand.
Toen moeder nog jong was werd het voorhuis verbouwd. Tijdens die verbouwing moesten tante Hilligje en moeder op het zoldertje van het bakhuis slapen. Het bakhuis was een vrijstaand woonvertrek met een heel klein keukentje. Op een keer, toen de beide meisjes daar lagen te slapen, hoorden ze iemand aan de deur. Ze waren allebei erg bang. Tante Hilligje werd vreselijk zenuwachtig en zo hard ze kon riep ze: “mien va!” Haar vader hoorde het, maar tegen de tijd dat hij bij het bakhuis was, was de inbreker al lang verdwenen. Ze hadden wel een vermoeden wie het was, want waar hij langs holde blaften de honden. Jaren later hoorde ik eens vertellen dat sommige mensen in die tijd zo arm waren dat ze wel moesten stelen om hun gezin eten te geven.

Mijn moeder en haar broer en zusters gingen allemaal naar dezelfde school als waar wij later naar toe gingen. Voor hen was dat toen een eind lopen. Moeder en tante Hilligje liepen altijd samen naar school. Soms moesten ze bij de molen van Massier aan om veekoeken te bestellen voor de koeien en meel om “slobber” voor de varkens te maken. Ze hadden daar een hekel aan, want de molenaar was vaak helemaal boven in de molen. Dan moesten ze hard schreeuwen, anders hoorde hij hen niet. Het duurde wel eens zo lang dat ze bang waren dat ze te laat op school kwamen.
De openbare school had maar weinig leerlingen. Toen tante Hilligje klaar was met de achtste klas kwam de meester vragen of ze nog een jaar door mocht gaan op school. Grootvader vond dat wel goed.
Moeders broer was boer en al haar zusters trouwden met boeren. Haar moeder vond dat het voor mijn moeder ook beter was om met een boer te trouwen, maar ze trouwde met een timmerman. Liefde maakt immers blind. De familie keek wat op hen neer, want een timmerman telde niet zo. In latere jaren veranderde dat wel.

De familie van vaders kant: Hendriks
Vader was een zoon van Hendrik Hendriks en Margje Ekkelenkamp. Van de familie Ekkelenkamp weten we bijna niets en van de familie Hendriks weten we alleen dat er drie dochters en een zoon (grootvader) waren.
Het gezin van Hendrik en Margje Hendriks telde vijf kinderen: Jan (1898-1979), Jannes (1903-1976), Roelofje (1906-1976), Roelof (mijn vader, 1910-1974) en de jongste was Anton (1911-1977). Wij noemden hem “oom Too”. Er is nog een jongen geweest, maar die is als kleuter in een sloot verdronken. (Roelof op 4 augustus 1903 overleden op 3 jarige leeftijd, red.)
Hendrik en Margje Hendriks hebben eerst een tijdje in Zwollerkerspel gewoond, waar ze een boerderijtje huurden dat de naam “Slot” had. De naam doet denken aan een kasteel, maar ik denk niet dat het erg belangrijk was. Later zijn ze verhuisd naar Nieuwleusen en huurden ze daar een boerderijtje.


Hendrik Hendriks.


Margje Ekkelenkamp.

Op de markt in Zwolle in het begin van de 20ste eeuw.

Als Hendrik Hendriks met een grote mand eieren naar de markt in Zwolle ging, deed hij dat lopend. Soms kon hij met een wagen meerijden. Hij verkocht de eieren op de markt en nam op de terugweg stroop mee uit Zwolle omdat die daar twee cent goedkoper was dan in Nieuwleusen. Twee cent was in die dagen veel geld!
Ik heb deze grootouders nooit gekend maar naar men zei was hij een lange man en zij een klein vrouwtje. Toen mijn ouders trouwden zijn ze eerst bij zijn ouders ingetrokken. Vaders vader had een nierziekte. Toen mijn oudste broer Henk, die naar hem vernoemd is, geboren was, zou hij iets gezegd hebben in de trant van “de ouwe gaat en de jonge komt er voor in de plaats”. Hij is twee weken na Henk’s geboorte overleden. Ook de moeder van vader is jong overleden. Na het overlijden van zijn beide ouders zijn oom Jan en oom Jannes nog een tijd in dat boerderijtje blijven wonen.

Als vader in zijn jonge jaren eens uit was geweest en dan laat thuis kwam, zei zijn moeder de volgende morgen altijd: “Waar was je, ben je weer aan het ruiken geweest?”
Als de jongens van school kwamen, moesten ze allemaal een jaar bij een boer werken. Thuis was er dan een mond minder te voeden en bovendien verdienden ze iets, maar vaak werd er alleen maar voor de kost bij een boer gewerkt. Omdat mijn vader last had van astma, is hij bij een timmerman het vak gaan leren in plaats van bij een boer te gaan werken. Met al dat stof was dat misschien wel niet zoveel beter, maar waarschijnlijk was er geen andere keus.
Toen oom Jan bij de boer werkte, moest hij de emmers aan een juk dragen om de melk naar de melkbussen te brengen. Maar de boeren deden de emmers veel te vol. Oom Jan vertelde dat ze dat maar één keer deden, want dan morste hij expres veel.
Oom Jan heeft bij verschillende boeren gewerkt. Sommigen waren niet erg goed voor hun knechten. Ze stuurden je dan bijvoorbeeld ’s morgens vroeg naar het land en vergaten je ’s avonds te roepen.

* * *

OVER “ONDERLING BELANG“ _________________________________________________________

Jan R. Gerrits

De schrijver van dit artikel was staladministrateur/melkwinnings-adviseur bij melkfabriek “Onderling Belang” in Nieuwleusen. Na de fusie met de melkfabriek in Balkbrug werkte hij bij het gefuseerde bedrijf. Over de veranderingen in deze bedrijfstak schreef hij onderstaand verhaal.

Toen we in 1966 in Nieuwleusen kwamen wonen, waren er nog twee melkfabrieken in het dorp. De een was “Onderling Belang” in Nieuwleusen en de andere fabriek stond in Den Hulst. Ik solliciteerde in het voorjaar op de functie van staladministrateur bij “Onderling Belang”, tevens belast met controle op de kwaliteit van de bij de fabriek aangevoerde melk.
Van oorsprong kom ik uit Drenthe en ik wist toen nog nauwelijks waar Nieuwleusen lag. Op dat moment werkte ik als bacteriologisch laborant op de particuliere fabriek Lijempf in Zuidhorn. Bij de sollicitatie kwam ik op drietal te staan en toen kreeg ik een afvaardiging van de fabriek uit Nieuwleusen op bezoek. Dat waren Joh. Vos, de directeur van de fabriek, en de bestuursleden J. Bonen, J. Bunskoek en H. van Leussen.


Bedrijvigheid bij de melkfabriek omstreeks 1970. De trekker heeft zijn intrede gedaan.

Per 1 juni werd ik benoemd en gingen we wonen in een woning van de fabriek aan de Backxlaan.
Voor die tijd was het een fabriek van gemiddelde grootte die hoofdzakelijk kaas maakte. De aanvoer was toen 16 miljoen liter op jaarbasis. Later, na de fusie, ging ik naar Balkbrug waar 1,25 miljoen liter per dag werd verwerkt.
Toen ik bij “Onderling Belang” kwam waren er 19 melkritten en zo’n 420 melkleverende boeren. Hoewel het kleinschalig was, werd er in de fabriek hard gewerkt, met goede resultaten op kaaskeuringen. Van die 420 veehouders zijn er naar schatting nu nog maar een twintigtal over.
Schaalvergroting is aan de orde van de dag en is nodig geweest om als boer te kunnen overleven.

Jan Klomp van het Westeinde reed samen met zijn zwager Klaas Hekman met paard en wagen de grootste melkrit (melk ophalen bij de boerderijen, red.). De andere ritten werden door kleine boeren uitgevoerd die dit naast hun werk op de boerderij deden.
’s Zomers was er ook een rit langs de weilanden, die dan meestal door Hendrik Jan Lefers met de auto werd gedaan. Hij reed dan twee ritten. Dat was voor ons als controleurs niet altijd even gemakkelijk want we wisten dan nooit waar de boer geleverd had.
Zo eens in de veertien dagen werd de melk op een willekeurige dag op de fabriek bemonsterd. Ik deed dat samen met Gerrit Klein, de assistent-directeur. De kwaliteit liet in die dagen wel wat te wensen over. Niet iedereen had waterleiding om de bussen vol melk af te koelen. Ook werden de bussen soms gekoeld in de sloot. Dat water was evenwel bij de zomerdag niet koud genoeg.
Op zondag werd er geen melkrit gereden. Die melk moest dan door de boeren langere tijd gekoeld worden en dat ging niet altijd even goed. De boeren die wel waterleiding hadden deden dat met zogenaamde koelringen. Dat waren plastic ringen om de hals van de melkbus waaruit het water langs de bus sijpelde. Dat was niet altijd even effectief en daarom was het beter om de bussen in een put of bak met water te koelen.

Een melkrijder met paard en wagen doet zijn ronde in Vinkenbuurt.











Gerrit Klein in het fabriekslaboratorium bezig met de melkmonsters.

In de nacht van zondag op maandag werd de melk van de zaterdagavond en zondag ontvangen en natuurlijk gecontroleerd. We deden dat door te ruiken en dan met alcohol de zuurgraad te bepalen. Was de melk zuur, dan schiftte deze en werd ze teruggestuurd naar de boerderij. We voegden er dan een rode kleurstof aan toe om te voorkomen dat men die melk later nog eens mee zou sturen. Later mocht dat niet meer. Toen deden we er witte zuursel bij.
Sommige boeren probeerden van zuur geworden melk nog boter te maken, maar dat lukte niet erg omdat de melk zuur was geworden door rottingsbacteriën en niet door melkzuurbacteriën.

De sfeer “in de boer” was gemoedelijk. Vooral ‘s winters als de stalcontrole begon. Eens per jaar moest je het aantal stuks vee controleren. Was je dan zo rond oud en nieuw bij een boer, dan moest je natuurlijk de “knieperties” proeven en ook de oliebollen. Ook na nieuwjaar was je min of meer verplicht om een nieuwjaarsborrel te drinken. Veelal gebeurde dat bij boeren die ook zelf wel een slokje lusten.
De eerste tijd ging ik op de fiets de boer op en daarvoor kreeg ik een vergoeding van ƒ 2,50 per week.
Na de fusie met de melkfabriek in Balkbrug werd in het begin van de zeventiger jaren de fabriek aan de Backxlaan gesloten en ging de melk naar ”De Balk”. In die periode kwamen de eerste melktanks op de boerderij, ook al doordat er door de overheid een subsidie op de aanschaf werd verstrekt. Het gebruik van melktanks kwam de kwaliteit van de melk ten goede.
Internationaal werden steeds hogere eisen aan het eindproduct gesteld. De omschakeling van melkbus naar melktank verliep langzaam. De eerste jaren kon men de melk in bussen nog kwijt door te leveren aan een fabriek in Kamperveen. Deze ritten werden gecombineerd gereden door melkrijders met trekker en auto. Zo reed Anton Agteres samen met Klaas Kijk in de Vegte.


Melkfabriek “Onderling Belang” omstreeks 1970.

Ook ging een aantal boeren de melk leveren aan de melkfabrieken in Staphorst en Rouveen. Deze fabrieken hebben nog jaren bussenmelk ontvangen.
Maar ook daar kwam een eind aan en zo verdween de melkbus helemaal. Ze zijn schaars geworden.
Nu wordt de melkbus nog eens per jaar gebruikt, maar niet meer voor de melk. Met oud en nieuw doen ze dan nog dienst bij het carbidschieten.
Ook vroeger werden de melkbussen wel voor andere doeleinden gebruikt. Bij de melkontvangst kwam de melkontvanger soms van alles tegen: droge worsten, melkcontroleboekjes, de bestelde kaas die vergeten was uit de melkbus te halen, enz.
In het begin werden bijproducten als wei en ondermelk weer naar de boerderij geleverd. Soms ook water als men op de boerderij geen waterbron had die zuiver water leverde.

Nadat de melkfabriek gesloten was, is deze nog jaren in gebruik geweest voor opslag. Ook hebben er enkele winkeltjes in gezeten. De eerste jaren na de sluiting was er in de “paardenstal” een dependance van de gefuseerde fabriek. Daar kon men de certificaten halen die nodig waren als het vee naar de veemarkt moest. Ook kon men er boter en kaas kopen. Maar ook deze gezellige ontmoetingsplaats, waar boeren even konden bijpraten, bestaat al lang niet meer.
Zo is er in vijftig jaar enorm veel veranderd en bedrijvigheid verdwenen. De melkfabriek is afgebroken en op die plek staat nu het appartementencomplex met de naam Gulia Palthestate.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

BW052

Allereerst een rectificatie op de oude groepsfoto in het juninummer. Daar is bij nummer 50 een foutieve naam vermeld. De juiste naam is André Hoogenkamp. Zijn moeder en zijn dochter gaven ons deze correctie door, waarvoor onze hartelijke dank.
Nummer 28 werd herkend als Ruth Borgers. Ook voor deze aanvulling hartelijk dank.
De betreffende namen zijn aangepast

De groepsfoto van dit kwartaal dateert van 1983 en is van leerlingen van huishoudschool De Olmen aan het Oosterveen.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  

Henny Nijboer
Emmy de Weerd
Ineke van der Veen
Margreet Klein
Evelien Bangma
Carla van der Kolk
Annette Westrik

8  
9  
10  
11  
12  
13  

Arriëtte Hekman
Annet Kuterman
Renate Bredewoud
Alie Herder
Mireille Bartels
Jeanet Dunnink

14  
15  
16  
17  
18  
19  

Gonda Jans
Katinka van der Kolk
Thea Kleinlugtenbeld
Marjanne Bredewold
Vera Rijkhoek
Gea Brasjen

* * *

ARENDNEVEN _________________________________________________________

Jakob de Weerd

De woning Westeinde 46/48, een voormalige boerderij, is vanouds bekend als Arendnevenhoeve. Hoe kwam deze boerderij aan zijn naam? Hoe deze simpele vraag een interessante geschiedenis oplevert, leest u hierna.

Bij de invoering van de Burgerlijke Stand in 1811 was iedereen verplicht een achternaam te kiezen. Jan was een neef van Arend en zal dat aan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand bij de invoering van de achternamen hebben opgegeven: Arendneve. Of de naam toen al bestond is onbekend. Duidelijk is wel dat hij daarmee een unieke familienaam kreeg, die helaas geen generaties lang stand zou houden. Daarom mag het een goede gedachte genoemd worden om de door deze familie bewoonde boerderij de naam Arendnevenhoeve te geven. Ook de Arendnevenweg herinnert aan deze unieke familienaam.
Jan Arendneve, geboren omstreeks 1784 en overleden 6 februari 1836, trouwde met Janna Berends, geboren omstreeks 1774 en overleden 16 juli 1852. Het echtpaar kreeg in elk geval een zoon met de naam Hendrik. Hij was vermoedelijk enig kind. Waar het gezin toen woonde is onbekend, maar in 1824 bouwde men aan het Westeinde een nieuwe boerderij, die als Arendnevenhoeve bekend zou worden. Bij de boerderij hoorde een aaneengesloten stuk grond, van het kanaal de Dedemsvaart tot aan de Middeldijk.

Huwelijk
Hendrik Arendneve werd geboren op 11 januari 1814. Hij trouwde op 2 mei 1838 met Aaltjen Prins, geboren op 1 maart 1818. Zij was een dochter van Albert Prins en Evertjen van Hulst. De huwelijksakte is een bijzondere en geeft ons ook inzicht over de gang van zaken destijds.
Het huwelijk vond plaats om zes uur ’s avonds. Burgemeester Coenraad Willem van Dedem nam “de functien van Officier van den Burgelijken Staat” waar. De achternaam van Hendrik is oorspronkelijk


De Arendnevenhoeve veranderde weinig in de loop der jaren. Foto ca. 1950.

geschreven als Arendneven, maar de laatste letter n is in een soort uitglijdend dik streepje van de letter e veranderd. Kennelijk was er toen al onduidelijkheid over de naam. Ook bij de naam van zijn vader is dat het geval en misschien om het “gewoon” te laten lijken is achter zijn moeders naam Janna een ietwat dikkere uitloop van de letter a.
In de akte is vermeld dat Hendrik heeft voldaan aan de Nationale militie of in tegenwoordige benaming de militaire dienst.
De openbare afkondigingen van het huwelijk “zijn gedaan voor de hoofddeur van het gemeentehuis alhier op Zondag den twee en twintigste der maand April en Zondag den negen en twintigsten der maand April één duizend acht honderd acht en dertig, des voormiddags te Elf uren”. Hieruit blijkt dat de huwelijksafkondigingen dus niet meer vanaf de kansel gebeurden zoals daarvoor gebruikelijk was.

“Geen hinder of opspraak tegen voorschreven huwelijk ons beteekend zijnde, zoo is het, dat wij regt doende aan derzelver verzoek, na hun alle voorschreven stukken, mitsgaders het zesde hoofddeel van het Burgerlijk wetboek over Huwelijken te hebben voorgelezen, dezelde hebben gevraagd, of zij elkander voor Man en Vrouw aannamen, ieder afzonderlijk hiertoe zijne toestemming gegeven hebbende, verklaren wij in naam der wet, dat Hendrik Arendneve en Aaltje Prins door het huwelijk zijn vereenigd.” Bij deze naamsvermelding is e de laatste letter en er zit ook geen dikkere uitloop achter.
De akte eindigt als volgt: “Waarvan wij deze Akte hebben opgemaakt in tegenwoordigheid van Albert Prins van beroep landbouwer oud vijf en zestig jaren vader van de Comparante Bruid, Hendrik Klomp van beroep landbouwer oud vijf en vijftig jaren, Jan Kornelis Upper van beroep inlandsche Kramer oud een en vijftig jaren, Koop van der Woude, veldwachter, oud drie en vijftig jaren, alle wonende te Nieuwleusen En de drie laatsten goede bekenden van de Comparanten Bruidegom en Bruid, die na gedane voorlezing met de Comparanten Bruidegom en Bruid en ons hebben geteekend, behalve de moeders van de Comparanten dewelke verklaarden niet te kunnen schrijven als hebbende zulks niet geleerd.”
Vervolgens de ondertekening, waarbij Hendrik tekent met H. Arendneven!

Huwelijksbijlagen
Bij de huwelijksakte van Hendrik Arendneve en Aaltje Prins zijn een viertal bijlagen aanwezig. Allereerst een certificaat van de Nationale Militie van de provincie Overijssel, afgegeven door de Gouverneur der Provincie te Zwolle op 11 april 1838. Deze verklaart “dat Hendrik Arendneven (!), geboren te Nieuwleusen den 11 Januari 1814 van beroep landbouwer, zoon van wijlen Jan en van Janna Berends van beroep – (= geen, red.) binnen de gemeente Nieuwleusen & Avereest voor de Nationale Militie is ingeschreven; dat aan hem vervolgens bij de Loting is ten deele gevallen het Nummer 18 en hij vervolgens door den Militieraad, zitting gehouden hebbende te Zwolle, uit hoofde van te zijn kostwinner eener Weduwe, vijf achtereenvolgende jaren voor één jaar is vrijgesteld.” Hendrik behoorde tot de “ligting” 1833.
Omdat deze akte het signalement bevat van Hendrik, weten we ook hoe hij er uitzag: Lengte 1 El 113 Str., ovaal aangezicht, rond voorhoofd, blauwe ogen, platte neus, grote mond, ronde kin, blond haar en wenkbrauwen en pokdalig.

De tweede bijlage is een “Extract uit het Register van Acten van Geboorten van de Gemeente Dalfsen” van 12 april 1838, vermeldende dat Hendrik, zoon van Jan Arendneve en van Janna Berends is geboren op 11 januari 1814.
De derde bijlage is een “Extract uit het Register van Acten van Overlijden van de Gemeente Nieuwleusen” van 10 april 1838, waarin wordt vermeld dat Jan Arendneven op 6 februari ’s avonds om 9 uur is overleden. Een jaartal is daarbij niet genoemd.
De laatste bijlage is ook een “Extract uit het Register van Acten van Geboorten van de Gemeente Dalfsen” van 12 april 1838, vermeldende de geboorte van Aaltje Prins.
Uit de beide extracten van de geboorteaktes blijkt dat deze in Dalfsen zijn opgemaakt maar dat men in Nieuwleusen woonde. Deze gemeente bestond toen nog niet.

Kinderen
Uit het huwelijk van Hendrik en Aaltje werden twee kinderen geboren die allebei vroeg zijn overleden. Op 20 februari 1839 werd dochter Evertjen geboren, die zeven weken later op 14 april al overleed. Hendrik Arendneven staat bij de geboorte te boek als landbouwer, wonende te Nieuwleusen en oud 24 jaar. Hij is dan echter al 25 jaar.
Na een aantal jaren wordt op 9 april 1848 weer een dochter geboren, die eveneens Evertje wordt genoemd. Hendrik staat dan nog steeds vermeld als landbouwer en is 34 jaar oud. Ook deze Evertje wordt niet oud; ze overleed op 28 maart 1850 en hoewel ze dan nog niet helemaal zo oud is, staat ze vermeld als zijnde twee jaar.
Wellicht omdat het huwelijk verder geen kinderen voortbracht, besloten Hendrik Arendneven en Aaltje Prins om in 1872 aan de westzijde van het woongedeelte een kamer aan te bouwen, waarin ze gingen wonen. De boerderij werd toen verhuurd aan J. Bijker.
Aaltje Prins overleed, 64 jaar oud, op 14 januari 1883. Hun woning heeft dan het huisnummer A109.

Tweede huwelijk
Hendrik Arendneven trouwde na het overlijden van Aaltje Prins voor de tweede keer. Kennelijk kon hij niet alleen aarden, want het huwelijk werd binnen een jaar na het overlijden van Aaltje gesloten.
Op 15 november 1883 trouwden Hendrik Ateneven, 69 jaar, landbouwer, zoon van Jan Ateneven en Janna Beerens, weduwnaar van Aaltje Prins, en Janna Kragt, 67 jaar, dochter van Hendrik Kragt en Jantien Alberts, weduwe van Hendrik Schuurman. De huwelijksakte is opmerkelijk vanwege de naamsvermelding Ateneven en de ondertekening door Hendrik, die ook als zodanig tekende.



Overlijden
Hendrik Arendneven overleed op 19 oktober 1891. Op 20 oktober deden Willem Tempelman, 58 jaar en landbouwer, en Lambertus Mulder, 49 jaar en bakker, aangifte van het overlijden. Burgemeester Jan Bosch Bruist maakte de overlijdensakte op, waaruit we letterlijk het volgende overnemen: “dat Hendrik Arendneven, oud zevenenzeventig jaren, landbouwer, geboren en wonende te Nieuwleusen, zoon van Jan Zondervan Arendneven, en van Janna Beerens, beiden overleden, weduwnaar van Aaltje Prins, echtgenoote van Janna Kragt op de Negentienden dezer maand des voormiddags te tien ure in het huis staande in wijk A nummer eenhonderd en vijftien alhier is overleden.” De verschrijving van Zondervan is opmerkelijk.
Het blijft onduidelijk, maar was er misschien een familierelatie tussen Arendneven en Zondervan?
Aaltje Prins en Hendrik Arendneven liggen begraven op de oude begraafplaats aan het Westeinde. Beide graven zijn gemarkeerd met een grafsteen (foto hierboven), wat toen nog lang niet algemeen gebruikelijk was. Op de grafsteen van Hendrik is vermeld dat hij geboren is op 14 januari 1814. Uit alle gevonden aktes blijkt evenwel dat hij is geboren op 11 januari.

Schuurman
Na het overlijden van Hendrik Arendneven dacht huurder Bijker waarschijnlijk dat hij de Arendnevenhoeve zou erven. Dat was niet het geval en de boerderij werd verkocht. Koper was Hendrik Boerman, die de Arendnevenhoeve kocht voor zijn dochter Hilligje. Zij werd op 3 januari 1865 geboren en trouwde op 2 mei 1891 met Hendrik Jan Schuurman, die toen 22 jaar was en in de gemeente Avereest was geboren. Hendrik Jan en Hilligje gingen dus op de Arendnevenhoeve wonen. Hendrik Jan is een kleinzoon van Janna Kragt, de weduwe van Hendrik Arendneven, uit haar eerste huwelijk met Hendrik Schuurman.

Uit het huwelijk tussen Hendrik Jan Schuurman en Hilligje Boerman zijn negen kinderen geboren:

-

-

-
-


-


-
-

Femmigje op 5 maart 1893. Het huisadres is dan A 86.
de tweeling Hendrik en Hendrikje op 30 september 1895.
Jan op 15 mei 1897.
Arend op 4 september 1898. Het huisadres is nog steeds A86 maar als deze Arend op 6 maart 1899 overlijdt staat A87 als huisnummer vermeld.
de tweeling Arend en Aaltje op 25 juli 1900. Het huisnummer is dan gewijzigd in A116. Aaltje overleed al op 25 januari 1902.
Aaltje op 6 december 1904.
Hendrik Jan op 4 augustus 1907.

Aaltje Schuurman werd 95 jaar, op deze foto is ze ongeveer twintig.


Het graf rechts met grafsteen is van Hendrikje Schuurman, links zonder grafteken ligt Aaltje begraven. De foto dateert van 15 september 2005.

Vader Hendrik Jan Schuurman overleed op 15 februari 1945. Na de verdeling van de erfenis gingen zijn vrouw Hilligje en twee ongehuwde dochters, Hendrikje (geboren op 30 september 1895, overleden op 1 februari 1949) en Aaltje (zie hierna), in de aangebouwde “kamer" aan de westzijde van de Arendnevenhoeve wonen. Zoon Hendrik Jan Schuurman kreeg de Arendnevenhoeve in zijn bezit. Hij trouwde met Hendrikje Evertsen en overleed op 20 juni 1976.

Hendrikje Schuurman-Evertsen en haar zoon Willem bouwden naast de Arendnevenhoeve een nieuwe woning en gingen daar wonen. De ruim 150 jaar oude Arendnevenhoeve werd verkocht aan de familie Schuldink.

Aaltje Schuurman woonde haar hele leven in de Arendnevenhoeve, waarvan bijna 55 jaar in de aangebouwde “kamer”. Zij overleed op 95-jarige leeftijd op 28 december 1999 en is als laatste in de 20ste eeuw begraven op de Algemene Begraafplaats aan de Ds. Smitslaan in Nieuwleusen. Ze werd begraven in het graf naast dat van haar in 1949 overleden zuster Hendrikje.

* * *

MISPELS _________________________________________________________

B. Boschman-Mostert en A. Schoemaker-Ytsma
(samenstelling)

De mispel is bijna een museumstuk geworden. In de vorige eeuw stond er op veel boerenerven een mispelboom. In Nieuwleusen staan er in ieder geval nog twee die vanaf de openbare weg zichtbaar zijn: aan het Oosterveen en aan de Hulstkampenweg.
Nu de interesse in oude fruitsoorten groeit, lijkt het goed om deze boom en haar vrucht weer eens onder de aandacht te brengen.


In het dialect van Nieuwleusen kennen we de mispel van het raadsel: “Vief hart’n, vief start’n en ’n prik ien ’t gat. Ra, ra wat is dat?”
Het Nederlandse gezegde: "Zo rot als een mispel" intrigeert. Verderop begrijpt u waarom “zo rot als een mispel” niet eens erg hoeft te zijn.
De mispel is een plant uit de rozenfamilie en was een zeer belangrijke vrucht tijdens het Romeinse Keizerrijk. Als “geschenk uit de hemel” werd de mispel aan Saturnus opgedragen. In de Middeleeuwen, nog voor de introductie van andere fruitsoorten, werd de mispel aangeplant in West-Europa. In Nederland komt de mispel op enkele plaatsen in het wild voor. Ze hebben een niet te natte, kalkrijke grond nodig en zijn zonaanbidders. In mei - juni komen er witte, zoetgeurende 5-bladige bloemen aan de struik. Na 3 of 4 jaar geeft de struik vruchten.

De mispel is zelfbestuivend. De boom is in alle jaargetijden decoratief. Het hout is geschikt voor het maken van wandelstokken.


Bloeiende mispel


Pasgeplukte mispels

De vrucht van de mispel is een bron van vitamine C en kalium en is goed voor de maag en de spijsvertering. Mispels werken sterk laxerend maar je moet er niet te veel (van) eten want dan kan je er duizelig van worden. Mispels bieden ook verlichting bij menstruatiepijn. De vrucht bevat een grote hoeveelheid pectine. Deze stof haalt een aantal schadelijke metalen uit ons lichaam, onder andere lood en kwik.
Het vreemde aan de mispel is, dat ze overrijp het lekkerst is. Voor sommigen is de mispel een ware lekkernij.

Na de bloei worden er droge kleine harde goudbruine vruchten gevormd die in oktober rijp zijn. Ze zijn dan nog niet lekker, melig en wrang. De vruchten moeten lang aan de struik blijven hangen, wat uiteindelijk de smaak ten goede komt. Na de eerste nachtvorst worden ze zacht en bruin. Ze kunnen dan na een poosje wel gegeten worden. De vorst zorgt er namelijk voor dat het vruchtvlees zacht wordt.
Na de eerste nachtvorst kan er dus worden geoogst. Dan nog is het raadzaam de vruchten met de stelen rechtop een tijdje op een koele plaats te bewaren. Bij dit zogenaamde bletten lijken de vruchten wel rot te worden, maar zijn dit beslist niet. Ook kunnen de vruchten worden gegeten nadat ze enkele dagen in de diepvries hebben gelegen.
Zachte vruchten kunnen niet lang worden bewaard want na een paar dagen gaan ze echt rotten.


Mispel (op de voorgrond) aan het Oosterveen.

De gewone man eet de vrucht van de mispel door er de “vief starties” af te trekken. Vervolgens wordt met de duim het vruchtvlees door de ontstane opening geduwd of uitgezogen. Maar pas op: er zitten vijf harde pitten in. Het omhulsel wordt weggegooid.
De elite liet de vrucht uitlepelen en met een toefje slagroom serveren.
Door de grote hoeveelheid pectine in de mispel kan er ook heel goed jam of gelei van gemaakt worden. Deze krijgt een goede smaak en mislukt eigenlijk nooit. De gelei is een traktatie bij (water)wild en lamsvlees. De gelei wordt gemaakt door de vruchten in een pan onder water te zetten en ze op een laag vuur te stoven totdat ze gaar zijn. Giet vervolgens de vruchten uit door een zeef en voeg 500 gram suiker toe per 750 cc. Hierna de vloeistof inkoken tot de gewenste dikte en laten afkoelen.

* * *

ZOEKPLAATJES _________________________________________________________

Herkent u de personen die op de foto’s staan of de plek waar, reageer dan svp. Dat kan via redactie@palthehof.nl of Ni’jluusn van vrogger, tav de redactie, Westeinde 3, 7711 CH Nieuwleusen. Eventueel ook telefonisch tussen 18 en 19 uur op nummer 0523 649 206.


Deze vraag is geheel opgelost, zie volgende, en de foto staat ook in de beeldbank als nummer = HA103



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  

Hans Koning
Gert Talen
Gerrit Kappert
Rietje Gerrits
Hellen Oldeman
Jeanet Bruggeman
Ina Runhart
Gerry Boerman

9  
10  
11  
12  
 
13  
14  

Jeanine Meesters
Janneke Koning
Gerda Benning
Gerrit de Groot (De Spar, sponsor)
Ria de Groot -
Gerard Kamperman (voorzitter USV)

15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  

Carla Meesters
Esther Jansen
Regina Kappert
Gea Compagner
Tineke ? Oldeman
Susan van der Veen
Annemarie Meijer
Karin Seinen


Foto 18: Woonwagen op bouwlocatie

* * *

REACTIES _________________________________________________________

Op de vorige zoekplaatjes is een aantal keren gereageerd, waarvoor onze hartelijke dank. Op foto 14 zijn de derde en vierde van links herkend als respectievelijk Lammie Jonkers en Maja Schoemaker.
Helemaal links op foto 15 staat Jannie Buiter. Achteraan links van het midden met zonnebril is weer Maja Schoemaker. De beide zittende jongemannen in het midden zijn Ate Vos (met sigaret) en rechts voor hem Arend Veerman. Het meisje met bril achter hem is Hillie van Duren. Helemaal vooraan zit Hillie Oldeman. De jongen schuin achter haar met de handen in de zij is Theo van Duren. Op foto 16 is de tweede van links herkend als Arie Boschman. De andere kinderen op de zoekplaatjes 14, 15 en 16 zijn waarschijnlijk allemaal Engelsen.
Deze opmerkingen zijn bij de foto's vermeld.

Arend Veerman was een van de personen die reageerden. Hij voegde aan zijn reactie het volgende toe:

Aan Nieuwleusen (Den Hulst) bewaar ik leuke jeugdherinneringen en rij er, zodra ik in de buurt ben, nog wel eens doorheen. De landelijke sfeer van vroeger is echter al lang verdwenen. De eerste keer dat ik er kwam was in augustus 1947. Mijn oudste broer en twee zusters zijn er in de 2e wereldoorlog, tijdens de hongerwinter, bij familie en kennissen ondergebracht.

Van de eerste reis naar Nieuwleusen kan ik mij nog herinneren dat wij met een stoomtrein van Den Haag naar Zwolle reisden en dat er even voor Zwolle stukgeschoten treinstellen lagen. Van Zwolle reisden wij verder met de bus naar Den Hulst waar mijn oom Jan en tante Trijn, broer en zus die toen nog niet gehuwd waren, woonden in het boerderijtje achter de Union van mijn in 1946 overleden opa. Dat boerderijtje is jammer genoeg later wegens uitbreiding van de Union afgebroken.
Naast mijn tante woonde ene Margie met (echtgenoot?) Gait en zoon Klaas. Deze Klaas had een fors postuur die met zijn hoofd achter een dun boomstammetje kon wegkruipen en dan zei “Ieje kan mij niet zien”. Dan moesten wij altijd hard lachen. Klaas had ook een talent. Hij kon, ook al had hij ons meer dan een jaar niet gezien, de namen en geboortedatum van al onze familieleden opnoemen.

* * *

POEZIEALBUMVERSJE _________________________________________________________


* * *

Foto achterpagina _________________________________________________________

Trijntje Jansen (links) en Margje Talen op de Backxlaan met op de achtergrond de melkfabriek. Foto genomen in 1949 tijdens de landbouwdagen.






Jaargang 29 nummer 4 december 2011


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina _________________________________________________________

Ansichtkaart uit de dertiger jaren van de christelijke lagere school aan het Westeinde, de “school van meester Siefers”.

* * *

MEESTER VALK _________________________________________________________

Jakob de Weerd

Op 2 januari 2012 is het honderd jaar geleden dat de christelijke lagere school aan het Westeinde officieel van start ging. De school lag in wijk A en werd dan ook officieel CLS A genoemd, maar werd later beter bekend als de “school van meester Siefers”. Het honderdjarig jubileum zal in 2012 worden gevierd door De Wegwijzer, zoals de school heet sinds die in het nieuwe gebouw werd aan de Meidoornstraat is.

Op 26 januari 1891 werd de “Vereeniging voor Lager Onderwijs op Geref. Grondslag te Nieuwleusen” opgericht. Al op 21 mei van dat jaar werden de statuten goedgekeurd door koningin-regentes Emma. Het plan om te komen tot een christelijke school eiste echter heel veel geduld. Ook na 1902, toen een naamswijziging van de vereniging werd doorgevoerd om de hervormden eveneens mee te krijgen, bleef realisering van de school nog ver weg. Er kwam pas schot in de zaak nadat op 7 januari 1909 dominee S. de Vries voorzitter van de vereniging was geworden. Architect P.G. Mos uit Dwingeloo maakte bestek en tekeningen en aannemer J. Hof uit Assen begon op het intussen in 1907 aangekochte perceel grond met het bouwen van de school.
In augustus 1911 werd een advertentie geplaatst voor een hoofdonderwijzer. Uit de lijst met vijf kandidaten werd in september de heer J.W.P. Valk benoemd.
Jan Willem Pieter Valk werd geboren in Utrecht op 26 februari 1875. Hij werd niet oud want hij overleed op 26 september 1928 in Nieuwleusen op 53-jarige leeftijd. Zijn opleiding kreeg hij aan de normaalschool in Utrecht, waar hij als 19-jarige slaagde voor onderwijzer. Aan deze school begon hij zijn loopbaan, maar hij bleef er maar een jaar. Daarna vertrok hij naar een school in Bussum waar hij 16 jaar werkte. Van hieruit solliciteerde hij naar de functie van hoofdonderwijzer in Nieuwleusen. Op 1 januari 1912 begon, zoals hij het zelf zag, zijn levenswerk, dat bijna 17 jaar duurde.
Meester Valk kwam niet alleen naar Nieuwleusen. Hij was 30 jaar oud toen hij op 6 juli 1905 in Utrecht trouwde met de 25-jarige Alida Maria Swagerman.

Het gezin van meester Valk omstreeks 1913 met links Gerda, in het midden Wim en rechts Toos.















Er werden drie kinderen geboren zodat er een gezin van vijf personen in het nieuwe schoolmeesterhuis kwam wonen.
Meester Valk is waarschijnlijk een strenge onderwijzer geweest. Voor (sommige van) zijn eigen kinderen was hij ook niet altijd even makkelijk. Zijn jongste dochter sprak op latere leeftijd niet graag en heel weinig over haar vader.

In hoeverre het een gelukkig gezin was, is niet meer te achterhalen. Moeder was een ziekelijke vrouw en dat zal het er voor de meester ook niet gemakkelijker op hebben gemaakt. Financieel was het ook geen vetpot. In de kerk moest men op het armenbankje plaatsnemen.


Het schoolmeesterhuis met een gedeelte van de school omstreeks 1925.

Op school pionierde meester Valk en hij zag dit beloond door een forse toename van het leerlingenaantal. Bij de opening van de school op 2 januari 1912 waren dat er 40; drie jaar later al 92. De kinderen kwamen van heinde en ver. De school met twee lokalen was dan ook al snel te klein en in 1916 kregen de Gebr. Van Goor uit Dedemsvaart opdracht tot de bouw van een derde klaslokaal.

Het leerlingenaantal bleef toenemen, maar uitbreiding met nog een leslokaal was geen optie. In 1919 werd wel een lokaal gehuurd in wat men noemde de westerse school, de openbare school in Ruitenveen. Daar vonden toen 54 kinderen onderdak, terwijl in de eigen school 168 kinderen les kregen.

Gerda (Ger) Valk en Roelanda (Landa) van Diemen voor het schoolmeesterhuis.

In 1928 ging meester Valk met ziekteverlof. In september scheen het weer beter met hem te gaan. Maar plotseling, op de 26ste van die maand, trof zijn vrouw hem dood aan op het toilet.
In de krant verscheen een in memoriam waarin we lezen dat meester Valk veel heeft gearbeid voor een vaak karig loon. Zijn arbeidsveld bleef niet alleen tot het schoolwerk beperkt. In de politieke strijd stond hij vooraan, al was smaad en vergruizing zijn deel. De Jongelingsvereniging erkende zijn verdiensten door hem te benoemen tot erevoorzitter.

Als man van de praktijk had het gemeentebestuur zijn ervaring geëerd door hem te benoemen tot voorzitter van de Plaatselijke Schoolcommissie. De Scholenbond Dedemsvaart en omstreken diende hij als adviserend lid. Het christelijk onderwijs had alle liefde van zijn hart. Onvermoeid was hij steeds werkzaam.
Jan Willem Pieter Valk werd in Zeist begraven. Op zijn graf werd een steen geplaatst, waarvoor men in Nieuwleusen de gelden bijeenbracht. Op de steen staat: “De overledene was de 1e chr. onderwijzer en daardoor de pionier van het chr. onderwijs te Nieuwleusen. Zijn werk blijft aldaar bij zijne vele vrienden in dankbare herinnering.”
Van zijn graf werd een foto gemaakt die vermoedelijk onder de gezinnen van de leerlingen en/of financiers werd verspreid. In elk geval komt deze foto nog wel eens ergens tevoorschijn.
Na het overlijden van meester Valk vertrokken zijn vrouw en kinderen uit Nieuwleusen. Oudste dochter Gerda bleef ongehuwd en werd adjunct-directrice van het Zeister ziekenhuis, Wim trouwde en werd hoofd van het laboratorium van het Haarlemmer waterleidingbedrijf en jongste dochter Toos werd actief meewerkend domineesvrouw.


Oudst bekende foto van de schoolmeesterwoning (links) en de school met twee lokalen, vermoedelijk kort na de ingebruikname in 1912. Op de voorgrond de straatweg met de Binnendijksloot met daarover een bruggetje. Rechts (buiten de foto) zal ook zo’n bruggetje hebben gelegen dat toegang tot de school gaf.

Noot: Dit artikel kwam tot stand na een gesprek met Jet Verhoef en Joke Valk, kleindochters van meester Valk. De foto’s zijn van hen afkomstig. Verder is gebruik gemaakt van enkele krantenknipsels en de jubileumrede van meester Siefers bij het 25-jarig bestaan van de school.

* * *

HET KLEINE HUIS AAN ’T PAD, 2 _________________________________________________________

Margje Key-Hendriks

Langs de Diek
De Diek was de voornaamste weg naar het dorp Nieuwleusen. De weg begon aan de weg van Berkum naar Lichtmis, bij het Planken Loodsje. Dat moet vroeger een boerderij met houten wanden zijn geweest waar niet veel meer van over was dan een houten loodsje. Daarvandaan was het ongeveer 15 kilometer naar de Kerkenhoek in Nieuwleusen. Die hele weg noemde men de Diek. Het was een klinkerweg en met de fiets was het nogal hobbelig. Aan de zuidkant van de weg liep de buitendijksloot, die naar het dorp toe steeds smaller werd, en aan de andere kant de binnendijksloot. De weg lag een beetje hoger dan de omgeving, maar je kon het eigenlijk geen dijk noemen.
Aan de zuidkant van de Diek stonden niet zoveel boerderijen, maar als je dichter bij Nieuwleusen was dan verder het veld in wel weer. Daar waren ook de wat grotere wegen die naar de Hessenweg liepen en naar Dalfsen.
Als je van Zwolle naar Nieuwleusen ging dan had je eerst veel uitgestrekte landerijen die meestal als weide- en hooiland gebruikt werden. Bij de spoorwegovergang maakte de weg twee scherpe bochten. In deze omgeving woonde Van Lenthe die een lange oprit naar huis had. Verder woonden er Aalt van Duren, Jannie Brouwer en Berend Jan de Boer. Ook woonden er Jan Willem Pessink, Jantje Boer en Geesje Potjes. Geesje trouwde later met onze neef Wolter Bruggeman.
In deze streek waren veel boerderijen die dicht aan de Diek stonden. Een eindje verder was een boerencafeetje, het Grashekke dat van Bulder was, waar men een borrel kon kopen. Verdergaande kwam je langs Griet Pessink en Femmie, Thijs en Jannie Luten. Dan kwam je langs Lucas Scholten. Dit waren allemaal kinderen die bij ons naar school gingen. Naast Scholten woonde Schoemaker, de fietsenmaker, met zoons Geert en Koop. Geert is later met de motor verongelukt.
Daarnaast was café Koenders, daar kon je ook een borrel drinken.
Vlak daarbij stond een klein huisje waar Takken woonde.


Schematische plattegrond van Nieuwleusen en Den Hulst, getekend door de schrijfster.

Dochter Hennie vertelde dat haar moeder op het ene bed moest zitten om het andere op te maken.
Dan weer een aantal boerderijen en dan kwam je bij de openbare en christelijke school, die in hetzelfde gebouw zaten. Dat stond achter de huizen die aan de straat stonden. Meester Van Aarst, het hoofd van de openbare school, woonde in het huis dat voor de school stond. Aan de andere kant van de inrit naar de school woonde meester Hoek met zijn gezin, het hoofd van de christelijke school. In de tuin voor zijn huis had hij rozen. Ik kan me nog herinneren dat ze geplant werden, het waren de eerste theerozen die wij zagen.
Deze streek heet Ruitenveen. De zandweg die bij klompenmaker Beltman naar achteren liep, ging naar de daar gelegen boerderijen en het Pad. Daar woonde Seine. Er waren veel weggetjes die van de Diek noordwaarts liepen. Aan de weggetjes stonden de boerderijen achter elkaar, met een weilandje en een boomgaard ertussen. Na een paar boerderijen kwam je aan het Pad.
Vandaar liepen de weggetjes wel verder naar het noorden maar daar woonde niemand. Daar hadden de boeren hun wei- en bouwland. Ze hooiden er en verbouwden er rogge, haver, aardappels, bieten, knollen en ook spurrie, maar ik weet niet meer waar dat voor gebruikt werd. Ik meen haast dat het groenvoer was.

Als je van de school verder naar het oosten ging, kwam je langs weer een weggetje waaraan een boomgaard was met appels die we "griessies" noemden, een grijs stijf appeltje.
Verdergaande langs de Diek kwam je bij de boerderij van Dunnink, waar Schoemaker het andere deel van het huis bewoonde. Naast Dunnink lag weer een zandweg noordwaarts. Op de andere hoek van dat weggetje woonde Meulenbelt. Aan dit weggetje woonde Pierik met Janna Vonder. Daarachter woonde Reuvers en aan de andere kant van het weggetje wat verder westwaarts woonde Nijland en daarnaast Tempelman. Achter Reuvers stond de boerderij van Klaos Schoemaker en ons huis stond ernaast. Al deze boerderijen stonden in de lengte naast de weg, dus met de voorkant naar de Diek. Het Pad liep achter de boerderij van Klaos Schoemaker langs.
Over de Diek verdergaand op de Kerkenhoek aan kwamen we aan de rechterkant voorbij Frielink. Dat huis heeft vader helpen bouwen. Verder aan de linkerkant een paar weilanden en de Jagtlusterallee.
Verdergaand had je de smederij van Schoemaker. Naast bakker Jonker was een klompenmaker en er tegenover woonde Dekker, die getrouwd was met een vrouw uit de stad. Ze hadden twee kinderen, Free en Nellie. Naast Jonker was een weiland waar de kinderen van onze school naar toe liepen om te voetballen en te handballen. Meester Van Aarst leerde ons daar ook honkbal.
Verderop had je de smederij van Ten Kate.
Daar tegenover was de molen van Massier. De wieken zaten hoog boven de grond. Vader ging er met een zak graan naar toe om het te laten malen.
Van hier tot de Kerkenhoek stonden de huizen en boerderijen aan beide kanten van de Diek. Aan de zuidkant van de Diek, naast de molen, was de Veldweg die naar de Kringsloot liep en verder naar oom Derk Jan en naar het veld.


Schematische plattegrond, getekend door de schrijfster, van een gedeelte van de Diek en Het Pad, de woonomgeving van de familie Hendriks.

Een eindje verder aan de noordkant stond school “Siefers”. Daar achter was het huisje waar onze grootouders woonden. Verderop waren bakker Borger en het Schuttenkerkje. In die buurt woonde ook het gezin van Arend de Boer met zoons en dochters. Ze deden loonwerk voor de boeren. Zelf reed hij op een grote motor.
De boerencafeetjes waren zo klein dat de eigenaren er niet van konden bestaan. Ze hadden dan ook nevenfuncties. Een paar huizen voor de kerk was café Reuvers. Als de vrouwen ‘s zondags bij de winterdag naar de kerk gingen, namen ze de “stove” mee om de voeten warm te houden in de koude kerk. Ze gingen dan eerst naar café Reuvers om een paar hete kolen te kopen voor de stoof.
Vlak bij de Kerkenhoek was ook het doktershuis van dokter Dekker. Het gemeentehuis stond er naast met het wapen van Nieuwleusen in de voorgevel. Daar stond ook een aanplakbord waar onder andere de huwelijksaankondigingen werden aangeplakt.
De Kerkenhoek met de viersprong was het dorpscentrum. Naar links was de Ommerdijk, de straatweg naar Den Hulst, met op de hoek een smederij. Rechts op de hoek was de Hervormde Kerk. Daartegenover was het boerencafé Schiphorst.
Café en zaal Schoemaker zat op de andere hoek. De zaal werd verhuurd voor feesten en andere gelegenheden. Later gingen wij als vriendinnen (Jenni van Lente, Trijn en ik) daar naar dansles.
Langs de Ommerdijk waren de boerencoöperatie en de melkfabriek. Het kerkhof lag ook daaraan. Verder de winkel van Beekman, waar we de wol haalden om sokken te breien, en Katoele, waar we naar toe gingen om ons haar te laten knippen.
Op het kruispunt bij de kerk rechtsaf was de Dommelerdijk die naar de Kringsloot en Oudleusen liep. Naast de kerk stond de pastorie van de dominee. Daar was ook het Palthebos met paadjes en bankjes, dat vroeger van juffrouw Palthe was. Er groeiden daar veel rododendrons.
De Diek zelf liep verder naar de Vinkenbuurt, dat was nog een heel eind voorbij de Kerkenhoek.

Het Pad
Het Pad liep op ongeveer een kilometer afstand parallel met de Diek en was net breed genoeg voor een fiets. Het kronkelde langs boomgaarden en voor en achter boerderijen langs. Soms moest er een hek open en dicht gedaan worden om er door te gaan. Dit Pad was vooral gemakkelijk voor de bewoners om bij de buren te komen en ook voor de postbode en de dokter. Voor sommigen was het de enige manier om bij hun huis te komen, zoals bij ons.
Om bij ons huis te komen gingen we vanaf de Diek bij Dunnink naar achteren over de zandweg tot het huis van Klaos Schoemaker. Vandaar liepen we altijd vlak voor Klaos zijn huis langs en door het kleine weitje, langs de bijen en zo naar ons huis. Het Pad liep achter Klaos zijn huis langs bij de akkers. Een andere manier, van de andere kant, om bij ons huis te komen was langs de weg met de voorname naam Jagtlusterallee. Deze liep van de Diek naar de hoofdweg aan het kanaal de Dedemsvaart. Naast de allee stond het huis van Marten Schaapman. Het Pad ging voor zijn huis met boomgaard langs en ook voor dat van Ruinemans. Bij Prins, wiens huis wat verder naar voren stond, ging het naar links en weer naar rechts om de boomgaard heen. Voorbij de boomgaard liep het Pad door weilanden. Dan kwam je bij de “wieke”, dat was een grote ondiepe sloot. Het Pad ging door die wieke op een plek die met grond opgehoogd was. Als het hoog water was dan lag er een plank over. Er groeide veel riet in de wieke, dat gebruikten de boeren voor hun rieten daken. Vlak naast de wieke liep het paadje naar ons huis. Langs het Pad achter ons huis waren sparrenbomen, net als achter het huis van Klaos. Van diens schuur naar de Diek stonden andere bomen, waaronder eiken.
Als je de zandweg naast Klaos Schoemaker naar achteren volgde, kwam je na ongeveer twee en halve kilometer op de Meeleweg. Deze weg liepen we soms als we naar “oom Too” gingen die op de Meele woonde. Toen we nog van die “snotapen” waren, hebben we op dit zandweggetje en in de naastgelegen landerijen menig uur spelend doorgebracht.

Aan het Pad woonden allemaal boeren. Ze hadden een paar varkens en als ze zes of zeven koeien hadden, waren ze “groot boer”. Prins en Ruinemans waren grote boeren. Klaos Schoemaker was “klein boer” met drie of vier koeien.
Alle boeren hadden een paard om het werk te doen en sommige hadden er wel twee. De meeste boeren hadden alleen maar een boerenwagen en als ze uitgingen deden ze dat op de fiets. Een enkele boer had daarvoor een sjees. Dat was een tweepersoons karretje met de bak op veren, dus een meer luxe wagentje. Sommigen hadden een brik, een zwart dicht wagentje dat achterin ook nog zitplaatsen had.
Soms stonden de buren op zondag met elkaar te praten op de weg bij de aardappelhut van Klaos. Deze was daar vaak zelf ook bij. Gewoonlijk was hij van het stille soort, maar bij die gesprekken had hij wel een mening. De mannen bij Klaos thuis waren er ook en verder was “opa smakbeen” er bij. Dat was de ouwe De Boer die aan de andere kant van de weg woonde. Hij wist alles beter en stond altijd wijdbeens met de duimen achter het vest. Af en toe spuugde hij een straal bruine tabakssap op de grond.

Zondagsmiddags waren een aantal mannen vaak bij Klaos in het “bakhuus” aan het kaarten. Klaos Dunnink was er meestal ook bij. Wij stonden er weleens naar te kijken, vooral als Dunnink er bij was. Dan wachtten we er op tot hij zo nu en dan een geluid maakte dat iets was tussen een kuchje en een kreun. We schoten dan altijd in de lach, maar bleven wel uit zijn buurt want je kon nooit weten.
Op die bewuste zondag zaten de mannen weer te kaarten en wij speelden met een stel kinderen bij Klaos rond zijn huis. Toen ineens zagen we bij Prins de vlammen uit de hooiberg komen. We renden naar het raam van het bakhuis en schreeuwden: “de heuibarg van Prins stiet in de braand”. De mannen gooiden hun kaarten neer en snelden er naar toe.
De vlammen sloegen snel over van de hooiberg naar het huis. Gait Prins en Gaitdine waren de ouders die aan de ene kant in de boerderij woonden. Verder woonde er zoon Aornd die getrouwd was met Klaasje Pessink. Ze hadden vier kinderen, Dina, Jan, Gerda en de baby Freek.
Aornd Prins en Klaasje waren niet thuis. In het huis lag baby Freek te slapen. Gelukkig heeft iemand hem uit huis kunnen halen. Omdat het in de zomer was, liepen de koeien natuurlijk in de wei. Hoewel de mannen het volop probeerden, hebben ze niet veel uit het huis kunnen redden. De brandweer kon weinig uitrichten want er was niet veel water beschikbaar. Ze waren wel bezorgd voor ons huis, maar gelukkig hadden we een pannendak. Het huis en de stallen van Prins brandden tot de grond toe af. Alleen de stenen muren bleven staan. Wij hebben de hele middag op gepaste afstand naar de brand staan kijken.
Die avond liep Aornd Prins heen en weer over het Pad en zei steeds maar “o nou bint wi’j toch zo arm, nou bin ik zo arm”. Buurman Klaos gaf ze onderdak in zijn bakhuus en slaapplaatsen kregen ze op zijn deel. Ze hebben daar gewoond tot hun boerderij herbouwd was.


De boerderij van de familie Prins die afbrandde, nu Ruitenveen 6 en 8.

Nog even terug naar de Jagtlusterallee. Deze weg was in iets betere staat dan de meeste zandwegen. Ernaast liep een fietspad en aan beide kanten van de weg stonden eiken. De allee liep van de Diek naar de Rollecate, waar een brug over de Dedemsvaart was. Daarvoor had de allee de Meeleweg, een straatweg, al gekruist. Bij die kruising stond de Rehobothkerk.
Halfweg de Jagtlusterallee woonde Derk Klomp met zijn hondjes. Aan de andere kant van de weg woonde Kijk in de Vegte. Die had twee meisjes die wij later de modepoppen noemden.
Tegenover Schaapman aan de andere kant van de Jagtlusterallee woonde Bouwhuis. Verder stonden er aan de Jagtlusterallee geen huizen.
Verder naar het oosten aan het Pad woonden Huzen, de meester van de zondagschool, Geesje Brouwer en verderop Anna en Jan Bremmer, die bij ons op school gingen.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Was de vorige groepsfoto nog niet zo oud, dit keer kozen we voor de oudst bekende schoolfoto van de 100-jarige christelijke lagere school aan het Westeinde. De foto is van ca 1914.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  

Lubbert Stolte
Geert Stolte
Harm Witpaard
Jan de Boer
Jansje Gerrits
Hendrika Gezina Gerrits
Albert Stolte
meester Marle
Geertje Stolte
Willem van Oene
Willem Gerritsen
Lucas Petter
Jan Petter
Leentje de Boer

15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  

meester Valk
juffrouw Schaaf
Gerrit Jan Kappert
Jentje Stolte
Klaasje van Oene
Hilligje Gerritsen
Klaziena Stolte
Arend Jan Stolte
Klaasje Stolte
Jentje de Boer
Fennigje de Boer
Janna Scholten
Jentje Brinkman
Hendrik Jan Gerrits

29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
 

Hendrik Stolte
Frederik Jan Westerman
Hendrik Gerritsen
Gerrit Jan Gerritsen
Otto Scholten
Hendrikje Scholten
Willem Brinkman
Gerda Valk
Wim Valk
Jentje Westerman
Gerrigje Westerman
Jo de Boer
Thijs de Boer

* * *

BEZOEK KONIGIN BEATRIX AAN DE HULSTKAMPEN _________________________________________________________

Alie Lammertsen

Op 20 augustus 1991 was koningin Beatrix in Nieuwleusen. Ze bezocht er “De Hulstkampen” en “De Olmen”. Van het bezoek aan “De Hulstkampen” werd destijds een verslag geschreven dat in het orgaan “De Schakel” verscheen. Hieronder met toestemming het enigszins aangepaste verslag van medewerkster Alie Lammertsen.

Toen mij een tijd geleden werd gevraagd of ik als personeelslid aanwezig wilde zijn bij het bezoek van de koningin aan Nieuwleusen heb ik daar “ja” op gezegd, niet wetende wat voor een mooie dag mij dat zou brengen. Nu deze dag achter de rug is hoop ik dat het voor ons allemaal zo’n mooie dag is geworden. De drukte vooraf daar praten wij niet meer over en wat de Zwolsche Courant schreef was erg overdreven. Laten we eerlijk zijn, als we thuis bezoek krijgen willen wij ze ook netjes ontvangen.

Ik heb de nacht voor de 20ste augustus best geslapen. ’s Morgens om half acht moest ik bij de kapper zijn, waar ik werd ontvangen door de kapster met een oranje lintje op. Dat gaf al een heerlijk gevoel. Ze had zelfs voor de klanten voor bij de koffie “oranjekoekjes” besteld. Mijn dag begon dus goed.
Om half negen moest ik in “De Hulstkampen” zijn, om nog enkele klusjes te doen voor wij ons netjes moesten opstellen om de koningin te kunnen ontvangen. Toen we hoorden dat de helikopter was geland, pakten wij elkaar eens bij de hand (Alie Canter en ik). Alie had ijskoude handen, die van mij waren nat van het zweet. Alie zag er trouwens prachtig uit in haar Nieuwleusense klederdracht.
Mevrouw Klosse zat voor ons met het prachtige boeketje op schoot. Haar eigen oranje anjer vond ze ook prachtig.
Het duurde niet lang meer voor de koningin er was. Mevrouw Swarts en mevrouw Klosse gingen naar buiten waar laatstgenoemde de koningin het boeketje aanbood.


Wij maar kijken, “hoe ziet ze eruit, in welke kleur is ze, wat voor hoed heeft ze op?” Wij dachten eerst, dat ze een jurk aan had die ze al eerder had gedragen, maar dat was niet zo al leek het er verdacht veel op. Wat zijn Nieuwleusenaren toch nieuwsgierig hè, maar ja, het ging ook om de koningin. Volgens ons had de koningin de kleuren van haar kleding aangepast aan de kleur van het witte gips. Het stond haar prachtig.
Enkele reacties van bewoners waren: “Ze zag er doodgewoon uit, het was een luchtig jurkie en een mooi wit hoedtie” ; “Ik dacht dat ze wel een rede zou houden of iets zou zeggen, of dat ze daar een voorganger voor had”. De koningin was wat bleek en witjes. Dat is ook geen wonder, want ook zij kent moeilijke tijden, voor haarzelf en voor haar man. En de zonen waren ook vast niet altijd even gemakkelijk mee om te gaan. Veel bewoners vertelden dat ze heel aardig, gewoon en lief was. Dit is ook zo, dat hebben wij bij het informele gesprek ook ervaren. Ze komt heel rustig over.
Alie Canter heeft de koffie keurig geserveerd. Hare Majesteit had er best zin in. Zij had als eerste haar kopje leeg en wij durfden het kopje haast niet meer aan te raken. De meesten van ons die bij het gesprek aanwezig waren, hebben hun koffie anders gedronken dan we gewend waren. Of zwart, of zonder suiker. En de kopjes halfvol laten staan. Dit zeiden wij elkaar pas toen het gesprek achter de rug was.

De burgemeester nam de leiding en heette de koningin nogmaals welkom. Dat had hij in de zaal ook al gedaan. Mevrouw Timmerman moest eerst maar eens vertellen hoelang ze al in “De Hulstkampen” woonde. Ze zat als bewoonster bij het gesprek en had best haar woordje klaar. De heer De Jong, voorzitter van de Stichting, moest vertellen over de financiële kant van de ouderenzorg. De heer Bijl, voorzitter Stichting Welzijn Ouderen, kreeg ook een vraag: “Hoe financiert U alles?”
Mevrouw Van de Bosch-Schoemaker, bewoonster van een aanleunwoning, moest vertellen hoe ze daar woonde. Ze woonde er met plezier en een bovenwoning vond ze juist heel leuk. “Mooi uitzicht, niemand die je ziet. Ik zie prachtige groentetuinen waar men heel druk mee is en hoef zelf lekker niets meer aan zo’n tuin te doen.” En als bewoners houdt men elkaar goed in de gaten en let men op elkaar met ziekte enz. Ook het alarmeringssysteem kwam ter sprake, zowel dat voor noord als voor zuid.
Vrijwilligster mevrouw Westerman-Sterken kreeg vragen: hoeveel bewoners uit het tehuis er ‘s middags kwamen. En of ze als vrijwilligsters wel verzekerd waren als ze op pad gingen met bewoners.
Mevrouw Swarts kreeg allerlei vragen o.a. over de toekomst, nog meer vrijwilligsters of meer gediplomeerd personeel? En ik mocht vertellen of er veel verschil was tussen vroeger en nu. Of er nog bewoners meehelpen wanneer hun kamer een wekelijkse beurt krijgt.
Dit waren enkele van de onderwerpen die door de koningin werden aangesneden. Burgemeester De Jonge ging er als een rode draad tussendoor. Het was erg ongedwongen en iedereen voelde zich best op zijn gemak. De overige aanwezigen waren stil.
Bij ons aan tafel zaten ook de hofdame van de koningin, de kamerheer, de adjudant, de commissaris van de koningin in Overijssel en de heer Dijkstra, gedeputeerde van de provincie.
De koningin had heel goed begrepen dat mevrouw Timmerman van het gesprek maar weinig had gehoord omdat haar gehoor niet meer zo goed is. Ze vond dat erg jammer.
Daarna ging het op weg naar het appartement van de heer Harke, waar ook mevrouw Beltman aanwezig was. Volgens haar kon de heer Harke praten als een waterval. Zelf sprak ze veel met de hofdame. De koningin vond alles heel mooi, maar volgens haar zaten er te veel deuren in het appartement.

De tijd ging veel te snel voorbij en we zwaaiden de koningin gezamenlijk uit toen ze op weg ging naar “De Olmen”. De bewoners van de aanleunwoningen, die voor “De Hulstkampen” zaten, hebben haar goed kunnen zien toen ze heel langzaam voorbij reed met het raam van de auto open. Daarna hebben we samen onder het genot van een hapje en een drankje nog nagepraat in de zaal. Iedereen vond het een prachtige morgen!
’s Middags moesten wij allemaal aanwezig zijn in Olst, waar alle medewerkers van die dag samen kwamen om de koningin uit te zwaaien. Na een drankje en een hapje namen we afscheid van haar. Mevrouw Timmerman kreeg de boodschap mee om aan iedereen in “De Hulstkampen” de groeten te doen. Daarna vertrok de koningin per helikopter vanaf het parkeerterrein.

Het doel van het bezoek van de koningin was dat ze meer wilde weten over het “Ouderenbeleid in een plattelandsgemeente”. Wij hebben met plezier ons steentje hieraan bijgedragen. Allemaal waren wij het er over eens dat het een dag uit ons leven is om nooit te vergeten.

* * *

OVER BIJENHOUDERS EN BIJEN,1 _________________________________________________________

Jakob de Weerd

…. er kwam een bij bij
die vloog onder de deur door
over de weg weg …….

Het beroep van imker komt nog maar weinig voor. Er zijn nog ongeveer 8000 mensen in ons land die bijen houden, meestal als hobby. Vroeger oefenden veel boeren het nevenberoep van imker uit. Een ander woord voor imker is bijker. De familienaam Bijker komt in Nieuwleusen veel voor. Deze familienaam verwijst dus naar een voorvader die bijker of imker was.
Nieuwleusen kent een bijenhoudersvereniging die al bijna honderd jaar oud is. We komen daar later op terug.
Voor dit tweedelige artikel is voornamelijk gebruik gemaakt van Wikipedia.

Een imker houdt zich bezig met de bijenteelt voor de bestuiving van planten of de winning van honing en bijenwas. Lang voordat bijen door mensen werden gehouden, werd honing van in het wild levende bijen geoogst. De eerste berichten van bijenteelt dateren uit het oude Egypte. In de klassieke oudheid was het houden van bijen algemeen verspreid. De vroegste vormen van bijenteelt bestonden uit het vangen van bijenzwermen in uitgeholde boomstammen of aardewerken buizen, voor het oogsten van de honing moest het volk worden vernietigd.
Tot in de twintigste eeuw werden bijen in gevlochten bijenkorven gehouden. De methode van honing oogsten bleef hetzelfde. Omdat het bijenvolk daarvoor gedood moest worden, werd het zwermen aangemoedigd om aan nieuwe volken te komen.

De introductie van de bijenkast met verwisselbare ramen in de negentiende eeuw zorgde voor een radicale breuk met het verleden. Het was nu mogelijk afzonderlijke raten uit de volken te halen, dat maakte het oogsten van honing eenvoudig en het afzwavelen van bijenvolken overbodig.

Jan Groen met een door hem gemaakte bijenkorf in de vorm van Ambrosius.

Het houden van bijen
De bij is een over de gehele wereld, met uitzondering van de poolstreken, voorkomend insect.
In de westerse landen heeft de bijenteelt door de eeuwen heen een grote perfectie bereikt. De bijen die in Europa door imkers worden gehouden zijn veel tammer, ze steken minder snel en maken grote volken. De opbrengst in Nederland bedraagt ongeveer 30 kilo honing per volk per jaar.
Vooral ook de productie van bijenwas heeft vanaf de tijd van Karel de Grote in Europa bijgedragen aan de ontwikkeling van de bijenteelt.
Vooral in de kloosters werd het imkervak uitgeoefend. De was werd voor het maken van kaarsen gebruikt.

Patroonheilige
Ambrosius is de patroonheilige van de imkers. Een legende vertelt dat boven de wieg van Ambrosius, geboren in 339 in Trier, een zwerm bijen vloog. De bijen druppelden honing in de mond van de baby, vandaar dat men zegt dat de redevoeringen van deze heilige "zoet als honing" waren. Zijn feestdag is op 7 december. Ambrosius overleed op 4 april 397 en werd begraven in Milaan.

Bijenkorf
Een bijenkorf of bijenkast is een door de mens vervaardigd onderkomen voor de honingbij. Veel bijenkorven werden voorheen uit stro vervaardigd. Het nadeel hiervan is dat bij het verwijderen van de honing, het oogsten, de korven werden beschadigd. Ook zijn korven van stro moeilijk schoon te maken en hebben ze een beperkte levensduur.
Een bijenkorfvlechter is een ambachtsman die een bijenkorf maakt. Ze kwamen in Nederland vooral voor in het oosten van het land. De vlechters waren vooral in de winter actief, omdat er dan minder ander werk was. Korven werden meestal van langstrorogge gevlochten, maar soms ook van bentgras. Met behulp van behandelde bramenstengels, soms ook Spaans riet, werden rollen stro aan elkaar vastgemaakt in de vorm van een korf.

Bijenkast
Tegenwoordig gebruikt men in de bijenhouderij houten kasten met honingramen waarin de bijenraten zitten. Deze ramen hebben standaardafmetingen, zodat de imker ze kan uitwisselen tussen verschillende kasten. Het is daardoor mogelijk om tussentijds honing te oogsten. Het oude raam wordt daarbij vervangen door één met een stuk kunstmatig vel van bijenwas waar een honingraatpatroon in is aangebracht. Dit verleidt de bijen dit verder uit te bouwen met hun eigen honingraat.
Bij het bepalen van de afmetingen van de honingramen moet er rekening mee worden gehouden dat bijen openingen, waar ze zelf niet door kunnen, zullen afdichten met bijenlijm. Het is dus van belang dat er voldoende ruimte is tussen het raam en de wand van de kast, anders zal het uitnemen van een raam een lastig karwei worden. Een aantal korven of kasten die onder een afdak zijn verzameld noemt men een bijenstal of bijenhal.

Honingraat
De bijenraat of honingraat bestaat uit zeshoekige cellen die zich bevinden in een bijenkast, korf of nest. De raten zijn gemaakt van was en worden door de honingbijen zorgvuldig onderhouden. De afmetingen van een cel in een honingraat variëren tussen 2 en 5 mm. De cellen dienen als kraamkamer of voor opslag van stuifmeel en honing. Wanneer ze vol zijn, worden ze door de bijen afgesloten met een dekseltje.
De zeshoekige vorm van de bijenraat is geen toeval. Het is een soort natuurlijk proces. De natuur streeft er altijd naar om zo weinig mogelijk energie of plaats te gebruiken om een zo groot mogelijke opbrengst te bereiken. Op dit principe steunt ook de bijenkorf. Met zeshoeken kan je namelijk een oppervlakte het meeste benutten. Door de zeshoeken hebben de bijen dus de meeste ruimte om honing te produceren.

Bijen
Een bij is een insect dat behoort tot de familie van de vliesvleugeligen. Zij onderscheidt zich in deze familie door het dieet van nectar en stuifmeel, waarvan ook de bijenlarven leven. Er zijn ongeveer 20.000 bijensoorten bekend.
Bijen verkrijgen hun voedsel uit bloemen. Hierdoor is de bij een heel belangrijke schakel in de menselijke voedselketen. De bij is naast het bestuiven van bloemen vooral bekend om de productie van honing. De honingbij is hiervoor verantwoordelijk. Deze bijensoort heeft zich vanuit Afrika over Europa verspreid. Ze hebben de beschikking over een interne biologische klok die er voor zorgt dat ze de bijendans kunnen uitvoeren en beter kunnen navigeren en de taken binnen een volk verdelen.
Een bijenvolk is een sterke sociale eenheid, waarbinnen het individu niet telt. Er zijn binnen een volk drie typen bijen: een koningin, werksters en darren. De koningin is een vrouwelijke bij, die voor het nageslacht zorgt. De werksters zijn onvruchtbare vrouwelijke bijen, die al het andere werk doen. De darren zijn de mannelijke bijen, zij paren met de koningin en zijn daarna niet meer nodig. Darren worden gevoerd door de werksters. In het najaar als ze niet meer nodig zijn, worden de darren door de werksters doodgestoken. Dit heet de darrenslacht.


De koningin is de enige die in een volk de eitjes legt. Wordt er een nieuwe koningin geboren, dan gaat een deel van het volk met de oude koningin zwermen.
De koningin wordt veel ouder dan de werksters en de darren. Het hele volk overleeft de winter, maar als het voorjaar begint en nieuwe werksters worden geboren, dan sterven de oude. De koningin kan enkele jaren oud worden.

De werkster
De koningin legt eitjes in de cellen van de raat. Drie dagen later kruipt er een larfje uit het eitje. Dit larfje ontvangt voedsel van de werksters. Na zes dagen verpopt het larfje zich. De cel van de raat wordt door de werksters met een dekseltje van was afgesloten. In de gesloten cel vindt de gedaanteverwisseling plaats. Eenentwintig dagen na het leggen van het eitje knaagt de jonge bij het wasdekseltje stuk en kruipt uit de cel. Het larfje is nu uitgegroeid tot een werksterbij. Ze heeft, zoals alle insecten, een kop, een borststuk en achterlijf, zes poten en vier vleugels.
Direct nadat zij uit de cel is gekropen, begint haar werkzame leven. Haar eerste taak is het schoonpoetsen van cellen, enkele dagen later is zij ook in staat de nectar te bewerken. Na zes dagen kan zij jonge larven verzorgen en voeden.
Werksters rusten vrijwel nooit, hun arbeid gaat dag en nacht door. Als ze vijftien dagen oud is, gaan ze zo nu en dan bij de vliegopening kijken en helpen daar ook bij de bewaking van hun woning. Indringers zoals wespen of bijen uit andere volken worden verjaagd.
Als ze 21 dagen oud zijn, vliegen de werksters voor de eerste maal uit om nectar en stuifmeel te verzamelen. Van de vroege morgen tot laat in de avond, zolang het licht is, de bloemen nectar geven en de buitentemperatuur boven de 10 graden is, vliegen zij uit. Informatie over nieuwe voedselbronnen wordt door middel van een bijendans aan de andere bijen doorgegeven.
Door het zware werk en de enorme afstanden die de werkster aflegt, slijten haar vleugels. Ze vliegt op sommige dagen wel 250 km. Na ongeveer 800 km vliegen zijn haar vleugels versleten en moet de bij sterven. Dit verklaart ook de langere levensduur van een werkbij in de winter en van de koningin, want die vliegen vrijwel niet.

* * *

REACTIES _________________________________________________________

Het septembernummer leverde veel reacties op. Zo blijkt dat het aantal mispelbomen in Nieuwleusen nog minstens tien is. Ook op de oude groepsfoto kwamen leuke reacties binnen. Enkele namen blijken niet juist te zijn geschreven. Nummer 8 moet zijn Arriëtte Hekman, nummer 9 Annet Kuterman en nummer 15 Katinka van der Kolk.
Deze namen zijn aangepast in de lijst.

Het artikel van Margje Key-Hendriks blijkt erg in de smaak te zijn gevallen. Omdat daarin vermeld is dat Peter Bruggeman een zuster had waarover niets bekend was, kregen we over haar enige informatie aangeleverd door Hendrik Jan Klomp.

Hendrikje Bruggeman, dochter van Hendrik Bruggeman en Aaltje Bouwman, werd geboren in Nieuwleusen op 01-01-1876 en overleed in Ommen op 08-12-1950. Ze trouwde twee keer, eerst in Nieuwleusen op 15-04-1897 met Hendrikus de Graaf, zoon van Mannes de Graaf en Lambertdina van Eerbeek, geboren in Dalfsen ca 1871. Ze was vijf jaar met hem getrouwd tot hij overleed op 14-07-1902.
Uit dit eerste huwelijk van Hendrikje werden vier kinderen geboren:

-


-

-

-

Mannes, geboren Nieuwleusen 23-06-1897,
overleden Nieuwleusen 25-06-1897, nog maar 2 dagen oud.
Aaltje, geboren Nieuwleusen 09-06-1898,
overleden Nieuwleusen 22-11-1898, 5 ½ maand oud.
Mannes, geboren Nieuwleusen 18-04-1901,
overleden Nieuwleusen 01-08-1901, 3½ maand oud.
Hendrikus, geboren Nieuwleusen 26-10-1902,
overleden Nieuwleusen 29-04-1903, een half jaar oud.

Hendrikje Bruggeman trouwt voor de tweede keer in Nieuwleusen op 10-09-1903 met Hendrik Voschezang, zoon van Albert Voschezang en Femmigje Kouwen, geboren Nieuwleusen 30-09-1877.
Uit het tweede huwelijk van Hendrikje zijn voor zover nu bekend twee kinderen geboren:

-

-


-

Femmigje, geboren Nieuwleusen 24-09-1904,
trouwt 16-05-1929 met Willem Sterken.
Hendrik, geboren Nieuwleusen 15-09-1905,
trouwt 17-05-1933 met Jentje Evers,
geboren Dalfsen 16-12-1909.
Aaltje, geboren Nieuwleusen 02-12-1906,
overleden Nieuwleusen 27-11-1908.

Het artikel Arendneven is gebaseerd op een niet ondertekend A4tje met aantekeningen dat in 2005 is aangeleverd en zich sindsdien in ons archief bevindt. Het blijkt nu dat deze aantekeningen gemaakt zijn door Jan Schuurman die in 2002 is overleden.
In het artikel zijn op blz. 77 de kinderen van Hendrik Jan Schuurman en Hilligje Boerman vermeld. Van de op 15-05-1897 geboren Jan was het bestaan in de familie niet bekend. De overlijdensdatum is nu gevonden, hij overleed 10 jaar oud op 29-12-1907. Zoals vroeger vaak gebeurde zal er nadien niet meer over hem gesproken zijn.

Op Zoekplaatje 17 kregen we reacties binnen van Karin Huisman en Regina Brinkman. We kunnen nu alle namen doorgeven.
Zie ook beeldbank nummer 05764 = HA103.


Bovenste rij vlnr: Hans Koning, Gert Talen, Gerrit Kappert, Rietje Gerrits, Hellen Oldeman, Jeanet Bruggeman, Ina Runhart, Gerry Boerman, Jeanine Meesters, Janneke Koning, Gerda Benning, Gerrit de Groot en Ria de Groot (sponsoring) en toenmalig voorzitter Gerard Kamperman.
Voorste rij vlnr: Carla Meesters, Esther Jansen, Regina Kappert, Gea Compagner, Tineke Oldeman, Susan van der Veen, Annemarie Meijer en Karin Seinen.

Hartelijk dank aan allen die reageerden, we zijn daar erg blij mee.

* * *

INHOUD JAARGANG 29 _________________________________________________________




13 
16 
22 
25 
26 
28 
29 
31 
39 
41 
44 
52 
55 
57 
65 
69 
72 
79 
82 
83 
84 
85 
98 
101 
105 
110 
112 

Mien poesiealbum (1939)
Derk met de hundties
Een kamp bij Ommerschans III
Een oude groepsfoto (Huishoudschool 1943)
Een kamp bij Ommerschans IV
Een avontuurlijke huzaar
Poëziealbumversje
Zoekplaatjes
Brief Gulia Palthe
Uit: De geschiedenis van een boerenjongen
Een kamp bij Ommerschans V
Poëziealbumversjes
Een oude groepsfoto (De Paddestoel 1968/69)
Uit de geschiedenis van de Ommerschans
Een dag uit het leven van een kleermaker
Zoekplaatjes
Het kleine huis aan ’t Pad, 1
Over “Onderling Belang”
Een oude groepsfoto (De Olmen 1983)
Arendneven
Mispels
Zoekplaatjes
Reacties
Poëziealbumversje
Meester Valk
Een oude groepsfoto (CLS A, ca 1914)
Bezoek koningin Beatrix aan de Hulstkampen
Over bijenhouders en bijen, 1
Reacties
Inhoud jaargang 29






Jaargang 30 nummer 1 maart 2012


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina _________________________________________________________

Jakob de Weerd

Jan Hersevoort, de 5000-ste inwoner van Nieuwleusen in de armen van zijn moeder in het kraambed. links staat vader tijdens het bezoek van burgemester en mevrouw Mulder

* * *

DE VIJFDUIZENDSTE IS VIJFTIG _________________________________________________________

Jakob de Weerd

Het jaar 1962 was belangrijk voor de gemeente Nieuwleusen. In dat jaar werd het inwoneraantal van 5000 bereikt. Dat had voor de gemeente evenals voor de bestuurders belangrijke financiële consequenties. Het was dan ook niet voor niets dat de 5000ste van harte welkom was. In de loop van februari moest het gebeuren. Er waren twee gezinnen waarin een kind op komst was dat voor de 5000ste in aanmerking kwam. Jan Hersevoort werd de gelukkige; Arend Bouwman viste achter het net.
Jan Hersevoort werd in de loop van vrijdag 23 februari geboren. Hij werd het derde kind van Koob Hersevoort en Jentje Hersevoort-de Boer die op het adres Ruitenveen 10 woonden. Er waren al twee meisjes, Jenny en Janny, en later zou Arnold nog volgen.

De bevalling werd gedaan door dokter Dekker. Zuster Hulzebos was de kraamhulp die drie keer per dag kwam om moeder en kind te verzorgen. Voor verdere hulp was het gezin, zoals toen gebruikelijk, op familie of buren aangewezen.




Het gezin Hersevoort woonde vanaf 1953 aan het Ruitenveen, in het huis waarin ook de familie Hendriks (van de artikelen “Het kleine huis aan ’t Pad”) had gewoond. Van die kleine woning, gehuurd van Klaas Schoemaker, hadden ze het linker deel met een kamer en een slaapkamer tot hun beschikking. Het rechter deel, de keuken, werd nog bewoond door Jan Hendriks, die via een buitentrap op de zolder kwam waar zijn slaapplaats was.
Met de geboorte van Jan werd het wel erg krap in het gedeelte dat het gezin Hersevoort bewoonde. Omdat men dat van gemeentewege ook wel inzag, werd een verhuizing naar een nieuwe woning aan het Westerveen bespoedigd. Dat gebeurde in november 1962.

Dokter Dekker adviseerde vader Koob om op zaterdagmorgen maar zo snel mogelijk aangifte te doen. Dat de geboorte van Jan zo belangrijk was voor de gemeente, was niet bij het gezin bekend. Het was dan ook een hele verrassing voor Koob Hersevoort toen hij in het gemeentehuis werd opgewacht door een grote delegatie. Nadat de geboorteakte was opgemaakt en ondertekend, mocht Koob Hersevoort zelf de vaderlandse driekleur bij het gemeentehuis hijsen. Van de gemeente kreeg vader Hersevoort voor zijn zoon een spaarbankboekje met daarop ƒ 50,-- aangeboden, welk bedrag door de Coöperatieve Boerenleenbank werd verdubbeld. Daarna werd het saldo nog aangevuld door dokter Dekker, melkfabriek “Onderling Belang” en de plaatselijke middenstand.


Na de plichtplegingen in het gemeentehuis was het tijd om op bezoek te gaan bij de moeder en de jonggeborene. Er was daar inmiddels gezorgd dat er iets onder de kurk zat zodat er een borrel op het heuglijke feit kon worden gedronken. Coöperatie “Eendracht Maakt Macht” zorgde voor een doos gebak.



Het gezin Hersevoort met Jan in doopjurk. (foto’s op deze pagina: fam. Hersevoort)

Nadat de geboorte van de 5000ste bekend was, kreeg het gezin Hersevoort nog wel een en ander cadeau. Van Koob’s werkgever Union werd een kinderfiets in ontvangst genomen. Wellicht een beetje voorbarig, maar er werd kennelijk aan de toekomst gedacht. Voordat Jan er gebruik van kon maken, werd de fiets ingereden door zijn beide oudere zussen.

In de periode dat Jan naar de lagere school ging, werd hij zich bewust van het feit dat hij de 5000ste inwoner van de gemeente was. Dat kwam mede door zijn vader die hem vaak meenam als er boodschappen gedaan moesten worden. In de winkel was het dan van “hij is de 5000ste inwoner”, waarna Jan nog wel eens wat toegestopt kreeg. Het feit dat hij destijds een belangrijke inwoner van de gemeente werd, heeft hem in zijn verdere leven niets bijzonders opgeleverd. Na de lagere school volgde Jan een schildersopleiding. Toen zijn stage bij een schildersbedrijf in Nieuwleusen was afgelopen en Jan zijn diploma op zak had, kwam hij als schilder in dienst van een bouwbedrijf in Balkbrug, waar hij tegenwoordig een leidinggevende functie op de schildersafdeling heeft.

Jan is Nieuwleusen altijd trouw gebleven. Hij trouwde met Wilma Kappert en hun gezin telt twee kinderen, Marco en Anouk.


De 5000ste vijftig jaar later.

* * *

HET KLEINE HUIS AAN ’T PAD, 3 _________________________________________________________

Margje Key-Hendriks

Ons huisje
Het huis waar wij woonden stond aan het Pad. Het was een klein huis dat eigendom was van Klaos Schoemaker, die op de boerderij naast ons woonde. Misschien dat het oorspronkelijk een huisje is geweest voor een arbeider op die boerderij.
De achterdeur van het huis zat aan de zijkant en als je daar binnenkwam, dan kwam je op de “geute”. Daar zat op kniehoogte tegen de muur de enige kraan die in het huis te vinden was. Onder de kraan zat een gat in de muur waar het water door weg kon lopen. Dat liep dan via een gootje naar de wieke naast ons huis. In de hele omgeving had toen nog niemand een aanrecht met gootsteen. De afwas deden we in een teiltje op tafel. Op de geute had vader een aanrecht gemaakt voor de potten en de pannen. Er stonden twee petroleumstellen bovenop. Daar kookte moeder op. Op elk stel kon één pan staan. Het koken op de petroleumstellen duurde vrij lang, mede omdat moeder de pitten nooit hoog draaide, want dan konden ze beginnen te walmen en werd de pan vuil door het roet. Ook kookte moeder wel op de fornuiskachel in de woonkeuken en dat ging sneller.
Op de geute deden we onze klompen uit voor we naar de woonkeuken gingen. Daar stond in het midden een tafel. Als de stoelen niet aan tafel gebruikt werden, stonden ze in een rij tegen de wand. Onder de schoorsteen, tegen de middenmuur van het huis, stond een fornuiskachel en later ook wel een andere kachel. Op de schoorsteenmantel stonden blikken bussen, een wit koffie-thee-suiker stel met blauwe letters en nog een paar kleinere bussen. De voordeur zat in de voorgevel van het huis en als je daar binnen ging kwam je direct in de woonkeuken. In de tegenoverliggende wand zat een klein kastje dat aan de andere kant van de muur boven ons bed zat. Tegen die muur stond in de hoek, bij de buitenmuur, ook de spinde die gebruikt werd om etenswaren in op te bergen. Het grote kabinet, dat van oom Jan was, stond tegen de buitenmuur. Onderin dat kabinet zaten grote laden en bovenin twee deuren. De kuif daarboven was van mooi houtsnijwerk. Op de kast stonden vijf vazen, waarvan de middelste met een deksel.
Naast de schoorsteen zat de deur naar de kamer. Deze werd alleen gebruikt als er visite kwam. Toen er later meer kinderen kwamen, gebruikten onze ouders de kamer ook als slaapkamer, met in de hoek een kinderbedje. In de kamer stond ook een kast voor de kleren en het linnengoed, maar die was niet zo mooi en groot als het kabinet van oom Jan.
Tussen de beide ramen stond een mooi theekastje met glazen deurtjes. Daarin stonden twee mooie theeserviezen. Het blauwe, dat van de ouders van vader was geweest, werd nooit gebruikt. Het andere werd gebruikt als er visite kwam.
Onder de schoorsteen stond een hoge ronde kachel. De tafel in het midden van de kamer had een mooi tafelkleed met franje, die ik altijd ging vlechten. Eén keer heb ik de schaar genomen en er wat vanaf geknipt. Daar was moeder helemaal niet blij mee.
Midden in de kamer lag een kokosmat op de vloer.
Door de deur in de achterwand van de kamer kwam je in de slaapkamer. Deze was vrij lang en smal. Aan beide einden stond een tweepersoons bed met daartussen in de lengte een eenpersoons bed. Naast de deur stond een “hangkast” en dan nog was er ruimte genoeg om in bed te komen.
Eerst sliepen vader en moeder in het bed dat onder het raam stond links in de slaapkamer. Henk sliep in het eenpersoons bed en in het andere bed sliepen Trijn, Nellie en ik. Toen Roeli en Hendrika geboren waren, sliepen vader en moeder op een bed in de kamer.
Henk slaapwandelde wel eens. Het viel dan niet mee om hem wakker te krijgen. Vader en moeder zetten hem dan met zijn blote voeten op een natte dweil en dat hielp.
Als het ‘s nachts onweerde moesten we allemaal het bed uit en met kleren aan in de keuken wachten tot de bui over was. Dat was omdat als er wat zou gebeuren, we dan snel naar buiten konden. Moeder was altijd erg bang voor het onweer en dat waren Trijn en ik toen ook. Soms knetterde en weerlichtte het heel erg en dan was het onweer heel dichtbij. Ik weet nog dat het een keer is ingeslagen in een populier die dicht bij ons huis stond. De boom was helemaal gespleten.
Wanneer de onweersbui minder werd, ging vader altijd naar buiten om te kijken of we weer naar bed konden.

Oom Jan, die bij ons inwoonde, sliep op zolder. Om daar te komen moest hij buiten de ladder op. Die stond tegen de muur en was aan een platje, een balkonnetje, vastgemaakt. Het deurtje opende naar buiten. Links naast dat deurtje stond het bed van oom Jan. In de muur tegenover het deurtje zat een klein raampje.
Alle benedenramen hadden vensters (luiken) aan de buitenkant. Die moesten ’s avonds gesloten worden en dat was vaak een werkje voor de kinderen.
De vloeren waren van cement, dat donkerrood van kleur was. Elektriciteit hadden we niet. In de keuken en de kamer hingen boven tafel mooie koperen olielampen met een glazen kap met kralen franje. In de slaapkamer hing een klein olielampje aan de muur.

Rondom ons huisje
Buiten naast de achterdeur stond een melkrek dat bij ons niet zo werd gebruikt als bij de boeren die er de melkemmers en melkbussen op leggen. Moeder gebruikte het om de emmers, de wasketel en de balie (wastobbe) er ondersteboven op te leggen.
Achter het huis was een schuurtje met tussen beide een paar meter ruimte. Het “huusie” bevond zich in de schuur, vooraan in de rechterhoek. Achterin lagen turf, kolen en brandhout. De fietsen stonden er soms ook in.
Aan de andere kant van het huis stond bij de voorhoek het kippenhok. Vroeger zaten daar misschien kippen in, maar niet toen wij er woonden. Er zaten wel grote ramen in en vader gebruikte het als werkplaats. Zijn werkbank met gereedschap stond erin en meestal ook onze fietsen. Toch noemden we het altijd het kippenhok.
Achter het kippenhok was de bleek, een stukje gras dat gebruikt werd om de was neer te leggen. De witte was moest altijd op de bleek voordat het gespoeld werd. Het werd dan mooi uitgespreid op het veldje. Als het dan gebleekt was, werd het gespoeld en op de lijn gehangen om te drogen. Die waslijn was bij de bleek. Maar voordat de was op de lijn hing, had moeder al veel werk gedaan. Eerst moest


Ons huisje met kippenhok. De foto is van later jaren, vermoedelijk kort voor de afbraak.

de witte was een nacht in de week staan en dan ging het in de grote ketel op de kachel en werd aan de kook gebracht. Daarna moest vader natuurlijk helpen om de ketel naar buiten te dragen en in de balie te storten. Dan kon moeder beginnen met de was: op een plank met een borstel over het wasgoed boenen. ’s Zomers werd de was buiten op het straatje gedaan, ’s winters op de geute.

Het konijnenhok stond dicht bij de bleek en aan de andere kant van het draad was de bijenstal van Aornd.
De grote lindebomen voor het huis, die er maar een paar meter van af stonden, maakten het altijd donker in huis. Klaos Schoemaker, onze huisbaas, wilde nooit hebben dat we de lindebomen snoeiden. Maar als moeder wist dat hij weg was, dan gebeurde dat wel. Alle takken werden er dan afgezaagd en dan stonden er alleen nog de stompen en daar groeiden vanzelf weer nieuwe takken aan. Klaos was er nooit over te spreken als de bomen gesnoeid waren, maar dat ging wel weer over.
Voor de lindebomen was een buxusheg en daarachter gras. Tussen de grasveldjes liep een paadje van het huis naar de grote meidoornhaag die de tuin afsloot. Er kwamen nooit “maalappeltjes” (bessen) aan want de heg werd altijd geknipt.
Als het zomers warm weer was zette moeder soms een balie buiten in de zon op het gras. We deden die dan vol water en als de zon het een beetje opgewarmd had, konden we in bad.
Vader had voor en naast het huis een stuk van de tuin afgezet met gaas. Dat was om de kleintjes bij huis te houden. Het gaas zat ook nog een stukje in de grond, maar toch niet diep genoeg. Henk en Trijn hadden wel een zandbak en een kinderschopje, maar toch verveelde het gauw om de hele dag achter een meter hoog gaas te spelen. Daarom groef Henk een gat onder het gaas door, zo diep dat hij er onderdoor kon kruipen. Vervolgens trok hij Trijn er ook onderdoor en liepen ze naar achter op het land. Daar groeide en bloeide van alles en dat plukten ze dan. Als moeder ze dan zocht kon ze hen niet vinden, maar ze zei wel eens dat ze dan heel in de verte in het weiland of op het weggetje twee witte koppetjes zag. Soms werden ze opgehaald als ze bij de sloten zaten om daar kikkers te vangen.

Aan de ene kant van het paadje in de tuin stond een rijtje ouderwetse roze rozen. Langs het gaas was een strook bloemen met bijvoorbeeld lelies, duizendschonen en goudsbloemen. Tegen de grote haag aan groeiden sneeuwklokjes. In januari en februari keken we daar altijd al naar uit.
Achter de haag was weiland en soms ook bouwland met koren. Langs de zijkant van het tuintje liep de wieke. Daar tegenaan stond een oude pruimenboom die altijd maar een paar pruimen gaf. Ook stond in dit stukje gras een klein appelboompje waaraan “rooigies” groeiden. Vader entte wel eens appelbomen en ik dacht dat dit er ook eentje was.
Aan de andere kant van het middenpad stonden een paar seringen. Op de ene hoek bij het hek stond een steenperenboom. Gekookt hadden ze een mooie roodachtige kleur en smaakten ze heerlijk. Verder stond daar een appelboom, een Renet, een zure maar wel lekkere appel. Bij de bleek stond nog een Nobelste appelboom, maar die gaf nooit veel appels. Als kinderen vonden wij alle appels en fruit lekker.
Achter het huis was de groententuin met nog een paar jonge pruimenbomen. Aan het eind stond een appelboompje dat vader geënt had. Dat boompje zat altijd boordevol kleine appeltjes, maar het waren zure “krengen”. Wij vonden ze wel lekker, maar onze ouders niet. Ze bleven lang goed en als er in het voorjaar nog wat onder de bedden, waar de appels bewaard werden, vandaan kwam, dan aten we die nog wel op, ook al waren ze helemaal gerimpeld.
Naast de wieke bij de achterdeur stond een rij vlierbessenstruiken. De vogels pikten ze er wel af maar ons werd verteld dat ze giftig waren. Wat jammer dat ze toen niet wisten dat ze gekookt zo gezond kunnen zijn.
Langs het paadje dat van ons huis naar het Pad liep, stond een rij elzenbomen. Wij kauwden op elzentakjes en dan kregen we rode spuug. Onder de bomen groeide een wingerd met witte pispotjes er aan. Langs dat paadje was ook een plek waar alleen maar brandnetels groeiden. Daar maakte oom Jan thee van, die hij dronk voor de reumatiek.
Aan de andere kant van het pad waren de bouwakkers, die van allemaal verschillende boeren waren.


* * *

IN DE BRAND UIT DE BRAND _________________________________________________________

Henk Tiemens

In mijn kinderjaren woonde ik aan de Middeldijk bij de familie Van Loenen. Het was een kinderloos echtpaar, dat oorspronkelijk van elders kwam en meerdere pleegkinderen in huis had.

Vroeger kwamen geregeld venters aan de deur of schippers die in de winter wat gingen bijverdienen. Dat was heel gewoon in die tijd. Zo kwam er aan het einde van de winter in 1953 ook bij ons een venter met stoffen om daar kleding van te maken. Als je alle stoffen nam, kreeg je de koffer er gratis bij. Dat sprak mijn pleegmoeder wel aan. Maar er was nog iets, de lappen waren onbrandbaar en dat was heel bijzonder. De venter pakte een flesje met brandbaar spul en sprenkelde wat over de stof. Hij stak het aan en branden dat het deed! Toen zwaaide hij wat met de lap en uit was het, zonder een schroeiplek achter te laten. Ik zag mijn pleegmoeder denken “dat is wat voor de jongens” en dus ging de koop door. Ze beloofde ons allemaal een pak van die sterke brandvrije stof.
Maar toen kwam het. De zaterdagavond erna moest ik oppassen. Ik nodigde wat buurjongens uit en vertelde het verhaal dat ik een brandvrij pak zou krijgen. Maar ze geloofden mij niet. Ik zei “wacht maar” en ging naar het stookhuis. Daar pakte ik de petroleumbus want ik wilde laten zien dat ik gelijk had. Ik goot wat petroleum over de lap en stak de brand erin. Daarna kon ik zwaaien wat ik wilde, maar het vuur ging niet uit. Ik heb het toen maar uitgetrapt.
Het was nog meer schrikken toen ook bleek dat er een grote schroeiplek in de lap zat. Ik heb er toen een strook van wel 40cm. vanaf geknipt en de lap weer mooi opgevouwen en netjes terug in de koffer gedaan. Nadien was het toch wel spannend of ze er achter zouden komen, maar het is nooit opgevallen.
Zo kwam de dag dat ik mee moest naar kleermaker Van Dorsten. Hij woonde tegenover waar nu het zwembad is.
Ruim een week later moest ik er weer naar toe om het pak te passen. Mijn pleegmoeder moest toen toch nog even kwijt dat het onbrandbare stof was. Dat had ze beter niet kunnen zeggen, want toen de kleermaker tijdens de afwerking van het pak even koffie ging drinken, liet hij het strijkijzer op het pak staan. Het was immers brandvrije stof! Maar toen hij terugkwam had het hete strijkijzer een gat in het pak gebrand.
Er was geen stof over en toen heeft kleermaker Van Dorsten ons een nieuw pak beloofd. Dat konden we ophalen bij een bekende winkel in Enter. Dat was nog een hele opgave. Ik had nog nooit zo'n eind gefietst en dan ook nog achter mijn pleegmoeder aan die op de brommer ging.
In de winkel zijn we goed geslaagd. Het was een mooi pak dat ik kreeg. Daarna ging het weer op huis aan. Even voor Den Ham ging mijn pleegmoeder er als een speer vandoor. Ik kon me zelf wel verder redden zei ze. Zo is alles toch goed gekomen, al had ik misschien toch beter niet kunnen vertellen dat het onbrandbare stof was. Ik had dan makkelijker een nieuw pak gehad!

* * *

ZOEKPLAATJE _________________________________________________________


Foto 16: kinderen bij een schuur. Foto gemaakt door dokter Dekker, vermoedelijk in de jaren zestig. Reacties svp naar de redactie.

Zoekplaatje 16 uit het maartnummer 2012 is opgelost. De foto is genomen in de Stadhoek bij de familie De Boer. De kinderen links en rechts zijn Willy en Thijs de Boer (van caféhouder D.H. de Boer). In het midden neefje Rutger de Boer van de Stadhoek.

* * *

FEEST IN OORLOGSTIJD _________________________________________________________

Geertje Hengeveld-van Berkum

De oorlogsjaren waren geen gemakkelijke jaren, vooral de laatste twee jaar waren moeilijk. Je kon niet overal gaan en staan waar je wilde want er was spertijd en dan mocht je na acht uur ’s avonds niet meer buiten komen. Er was trouwens ook geen verlichting en als de verlichting in huis van buiten te zien was, moest alles worden verduisterd. Als er in die oorlogsjaren soms iets was wat je wilde vieren, dan probeerde je dat op een of andere manier toch te doen.

Mijn ouders, Berend van Berkum, zoon van Berend van Berkum en Klaasje Melenboer, en Marrigje Stolte, dochter van Hendrik Stolte en Geertje Zondervan, waren op 17 april 1919 in Nieuwleusen getrouwd. Op 17 april 1944 zouden ze dus vijfentwintig jaar getrouwd zijn en dat was op zich zeker reden voor een feestje. Ze wilden die dag dan ook niet ongemerkt voorbij laten gaan. Ze zouden het feest graag vieren met alle familieleden, maar sommigen woonden nogal ver weg: in Castricum, in Huizen en ook bij Leiden. Op een en dezelfde dag heen en terug te reizen was voor hen onmogelijk. Maar daar werd iets op gevonden. Alle familieleden kregen de boodschap om op de feestdag wel te komen. Er zou gezorgd worden voor voldoende eten en drinken voor de hele nacht, zodat ze tot de volgende dag konden blijven en na afloop van de spertijd weer naar huis konden.

Het feest werd gevierd in de boerderij in ’t Veld waar we toen woonden. Het was toen nog erg primitief; het “huusie” was buiten en het water kwam nog uit de pomp. Elektriciteit hadden we nog niet en dus zorgden petroleumlampen voor de verlichting. Alles, zowel de ramen van het voorhuis als de stalramen werden verduisterd zodat er geen lichtbundel naar buiten kon vallen. Er werd gezorgd voor voldoende zitplaatsen en serviesgoed. Voor het middageten werd soep gekookt in een grote fornuispot die buiten op het erf stond. Toen een poot van die fornuispot in de grond wegzakte en alles scheef kwam te staan, was er even grote consternatie. Maar uiteindelijk kwam alles toch goed en werd er een mooi feest gevierd ondanks de moeilijke tijd. Zelfs werd er achter de boerderij nog een foto van alle aanwezigen gemaakt (zie: Een oude groepsfoto, red.).

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Beeldbank 13532 = ZC012



Foto gemaakt ter gelegenheid van het 25-jarig huwelijksfeest van Berend van Berkum en Marrigje Stolte op 17 april 1944.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  

Jo Stolte
Carolien Stolte
Dina Stolte
Berendje van Berkum
Hendrik van Berkum
Jacob Schoenmaker
Koenraad Wielink
Arend Stolte
Ferdinand van Weeghel
Aaltje Visscher-Schoemaker
Gerrit Jan Visscher
Geesje Schoemaker-Visscher
Derk Jan Schoemaker
Derk Jan van Berkum
Hendrik van Berkum
Berend van Berkum

17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  

Hendrik Stolte
Jennie Bakker
Klaasje van Berkum
Fennie van Weeghel
Rieks van Berkum
Hendrik Jan Stolte
Evertje Stolte-Witten
Janna Wielink
Geertje Wielink
Geertje van Weeghel
Geertje van Berkum
Koba Nijkamp
Janna Schoemaker
Gerard van Berkum
Truida van Berkum-Bakker

32  
33  
 
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  

Lena Stolte-Gerrits
Margje van Berkum-van 't Veer
Rika van Berkum-Bosscher
Berend van Berkum
Berend van Berkum
Marrigje van Berkum-Stolte
Jentje van Weeghel-Stolte
Geertje Wielink-Stolte
Bé Wielink
Geertje Stolte
Jannie Stolte
Geertje van Berkum
Marrie van Berkum
Henk van Weeghel

* * *

OVER BIJENHOUDERS EN BIJEN, 2 _________________________________________________________

Jakob de Weerd

Voortplanting
Bij een bijenvolk is de voortplanting gericht op het volk. Er moeten dus meer volken komen. In het voorjaar groeit het aantal bijen in een volk. Veel planten bloeien dus er komt veel voedsel binnen. Op een gegeven ogenblik beginnen de werksters grotere cellen in de raten te maken en in deze cellen legt de koningin onbevruchte eieren. Uit deze onbevruchte eieren komen na 24 dagen de darren die na ongeveer een week geslachtsrijp zijn. Het wonderlijke is dat een dar geen vader heeft, maar wel een grootvader.
Als er eenmaal darren zijn, gaan de werksters langs de randen van de raten een aantal grote cellen maken en daar legt de koningin een normaal bevrucht eitje in. Als na drie dagen het larfje uit het eitje kruipt, krijgt dit larfje bijzonder voedsel: de zogenaamde koninginnegelei. Dit eiwitrijke voedsel maken de werksters met behulp van nectar, stuifmeel en een bijzondere klier in hun kop. Deze larven groeien heel snel en verpoppen zich na zes dagen.

Zwermen
Dertien dagen nadat de larve uit het ei is gekomen, wordt de nieuwe koningin geboren. Net voor haar geboorte waarschuwt de nieuwe koningin, door middel van bepaalde piepgeluiden, het zogenoemde tuten en kwaken, dat zij in aantocht is. De oude koningin vliegt met ongeveer de helft van het volk uit nadat de eerste koninginnecellen gesloten worden, namelijk tussen 7 en 1 dag voor de geboorte van de jonge koninginnen, en zoekt een nieuwe woning. Dit noemen we het zwermen van de bijen, zo’n eerste bijenzwerm telt meestal 10.000 à 20.000 bijen. De bijen hebben zich voor het verlaten van de woning helemaal volgezogen met honing en kunnen niet gemakkelijk steken. Een bijenzwerm is dus niet agressief. In het gehalveerde volk komen




Een honingbij op een bloem.

nu binnen enkele dagen nog verschillende koninginnen uit en telkens verlaat de oudste, met de helft van het resterende volk, de kast om een nieuwe woning te zoeken. Op deze manier splitst het volk zich op in 3 à 6 volken. De volken beginnen in hun nieuwe woning direct met het bouwen van raten, de nieuwe koninginnen maken na ongeveer drie tot vijftien dagen hun bruidsvlucht. In de namiddag vliegen zij uit en begeven zich naar een plaats waar de darren zich verzameld hebben. De darren achtervolgen haar en alleen de snelste kunnen met de koningin paren, dit gebeurt tijdens de vlucht. De koningin paart niet alleen met darren uit haar eigen volk, maar ook, en bij voorkeur, met darren uit een ander volk. Na de paring sterft de dar. De koningin paart met tien tot twintig darren en heeft dan voldoende sperma voor haar leven dat maximaal 5 jaar duurt. Als de bevruchte koningin terugkeert, blijft zij verder in de woning en ongeveer twee tot drie dagen later begint zij met het leggen van de eitjes. De koningin kan in het hoogseizoen tot 2000 eitjes per dag leggen, wat ongeveer het dubbele van haar eigen gewicht is, zodat het volk snel uitgroeit tot een gemeenschap van 40.000 tot 70.000 werksters.

Bestuiving
Bijen produceren honing en was, maar dat is niet hun belangrijkste taak. De bijen bestuiven de bloemen van alle planten die zij bezoeken. Het bijzondere van de honingbij is dat zij plantvast is. Dat wil zeggen een bij vliegt altijd maar op één soort plant. Pas als de bloemen van die plant geen nectar meer geven zoekt zij een andere plant. Op deze wijze ontstaat altijd een bestuiving met het stuifmeel van dezelfde soort plant. Tijdens de vlucht blijft het stuifmeel tussen de haren zitten. De bij laat de achterpoten met de stuifmeelkorfjes tijdens het vliegen losjes omlaag hangen.

De honing
Bijen maken de honing van de nectar die zij verzamelen op de bloemen. Planten produceren suikerhoudende plantensappen waaronder nectar, die wordt gevormd in de honingklieren van de bloem. De bij verzamelt de nectar in haar honingblaas, daarin worden bepaalde stoffen toegevoegd en begint het omzettingsproces. Als de bij in haar woning komt, wordt de nectar in de cellen van de raat gedeponeerd en vervolgens door andere bijen verder bewerkt. De bijen zorgen ervoor dat de nectar indikt en onder invloed van de enzymen uit de honingblaas ontstaat zo de honing.
Als het suikergehalte van de honing hoog genoeg is, zal de honing niet meer bederven en worden de cellen door de werksters afgesloten met een wasdekseltje. Zo is de honing bijna onbeperkt houdbaar en beschikbaar op momenten dat de bijen hem nodig hebben. Bij opgravingen in piramides is honing aangetroffen die al meer dan 2000


Dierenarts Loman bezoekt een koolzaadveld in de Flevopolder.

jaar oud was, maar nog steeds geschikt voor consumptie. De smaak en de geur van honing worden bepaald door de aromatische stoffen in de planten. Er zijn verschillende soorten, zoals heidehoning, lindehoning en koolzaadhoning.

Bijensuiker
Omdat een deel van een bijenvolk het hele jaar door leeft en zij tijdens de winter geen voedsel kunnen vinden, verzamelen de bijen honing als wintervoorraad. Maar aan het eind van de zomer haalt de imker de honingraten uit de bijenkasten om de honing te oogsten. Daarmee verdwijnt de wintervoorraad voor de bijen. De imker plaatst dan niet alleen de lege honingraten terug in de kasten, maar geeft de bijen bijensuiker als vervanging van de geoogste honing. Hij weet hoeveel suiker de bijen nodig hebben om de winter door te komen. Die suiker moet op zijn als de bijen in de lente weer uitvliegen, zodat er dan geen suiker vermengd wordt met de honing.

Varroamijt
De grote schrik van elke imker is de varroamijt. Deze komt sinds 1984 ook in Nieuwleusen voor. De levenscyclus van de varroamijt speelt zich vooral af in het "broed" van de bijen. Volwassen vrouwelijke varroamijten worden zowel in het broed als op bijen gevonden. Op de bij zitten ze vaak tussen de segmenten van het achterlijf. De mijten kunnen hier door de dunne laag chitine heen bijten om zich te voeden met het bloed van de bij.
Mijten kunnen zich alleen in bijenbroed vermeerderen. Als de bij het broed verzorgt, net voor het gesloten wordt, stapt de moedermijt de broedcel in om zich voort te planten. Hoewel de cel dan praktisch geheel door de bijenlarve gevuld wordt, werkt de mijt zich naar de bodem van de cel. Daar blijft zij onbeweeglijk in het voedersap zitten. Als de bijenlarve het voedersap op heeft wordt de mijt actief, zuigt zich vast aan de larve en voedt zich met het haemolymphe van de larve. Zestig uur na het sluiten van de cel legt de varroamijt haar eerste ei. Gemiddeld legt een vrouwtje drie tot vier eitjes in een cel. Als de jonge bij uitloopt verlaten ook de moedermijt en haar nakomelingen de cel, behalve jonge mijten en de mannetjes. Die


komen alleen in het broed voor. Een vrouwelijke mijt stapt ongeveer twee keer in haar leven opnieuw in een broedcel.
De varroamijt is oorspronkelijk een parasiet van de Indische honingbij. Door transport van besmette volken kon de mijt zich verspreiden. Voor een effectieve bestrijding moet tegenwoordig iedere imker het hele jaar door actief zijn. Omdat de varroamijt resistent is voor bepaalde bestrijdingsmiddelen wordt nu gewerkt met duurzame en geïntegreerde bestrijding. Daarbij worden, op het juiste moment, middelen gebruikt die zo min mogelijk nadelen hebben voor milieu en volksgezondheid.

Bijverdienste
Het houden van bijen is tegenwoordig voor het merendeel een hobby. Vroeger was het wel een bijverdienste en leverde het naast het inkomen uit het boerenbedrijf een extra centje op. Maar soms gaf het ook wel problemen. Vooral 's zomers als het druk was op de boerderij. De zwermtijd viel meestal samen met die drukke werkzaamheden en daardoor moesten ook de gezinsleden opletten wanneer de bijen gingen zwermen.
Voor ongehuwde boerenzoons konden de bijen ook wel eens een centje opleveren. Ze trokken in het voorjaar met korven naar de klei voor wilg- en koolzaaddracht. Ze zochten daar voor een week of vier een kosthuis en trokken daarna verder naar de boekweit of de heide.

Bijenhoudersvereniging Nieuwleusen
In het najaar van 2012 viert de Bijenhoudersvereniging Nieuwleusen en omstreken haar honderd jarig bestaan. Ter gelegenheid daarvan is er dit jaar in museum Palthehof een tentoonstelling over bijen en bijenhouders. In het volgende kwartaalblad kunt u over de geschiedenis van deze bijenhoudersvereniging lezen.


* * *

EEN DAGGIEN UUT _________________________________________________________

Johan van Dorsten

Et zol er dan toch van komen, Gait Jan zol een daggien uut gaon en zien zeune Jans mog met. Derkien had ezegd: "Ie mut in de morgen gaon”, mar daor kwaamp niet veule van. Gait Jan had een manchester pak emaakt veur een hele dikke boer, ja die was zo dikke det e in gien enkele manefacturenzake terechte kon. Gait Jan was niet weinig trots det hi’j der wel een broek veur kon maken en met de jasse was et etzelfde probleem. Gait Jan kon et alleenig passend kriegen as e d’r extra naoden in maken. Hi’j had er wel een goed gevuul aover, mar hi’j bedach det et beter was, as hi’j et pak zelf weg bracht, dan kon de boer et effen antrekken en as d’r dan nog wat an mankeren, dan kun hi’j et weer metnemen en dan ok sleug hi’j gien flater. Gisteraovend was de boer d’r ewest, mar toen mossen er nog een paar knoopsgaten in emaakt wurden en daorumme had Gait Jan ezegd: "Ik brenge oe et morgenvrog."
Gait Jan had et met opzet zo uutekiend, want hi’j wol det de boer et antruk en det kon e naotuurlijk niet van um vraogen in de werkplaatse. Det betieken wel det ze dan wat later zollen vertrekken. Jans had al evroagd: "As ie d’r weer bint gaon wi’j dan metiene weg?"
"Ja det kump wel goed."
Jans stund al wel een uur op de uutkiek veur zien va dan eindelik teruggekwaamp. Mar ja et wurden wel elf uur veurdet zien va terugge was. "Och ja jonge, mar zie wollen det ik koffie drunke en die boer had toch wel zo lange wark umme et pak an te trekken. Nou ja, et zat goed en ik heb nog een kwartien extra ekregen van de vrouwe en zie zeg tegen mi’j: “Gait Jan ik ben oe dankbaar want mien man kan nergens meer terechte en nou is hi’j weer een hele tied netties."
"Va asse wi’j dan nou mar metiene gaot", zei Jans.
"Niks d’r van", zei Derkien, “wat dach ie wel, nou gaoj eerst middageten heur."
En zo was et en zo kwaamp et det ze pas um ien uur dan eindelik op pad gungen. Et was gelukkig wel goed weer. D’r zaten wel wolken in de lucht mar va zee: "Daor kump gien regen uut."
Derkien twiefelen an zien oordeel, mar zie wol ze niet bange maken want zie had wel deur det Jans toch zo graag op pad wol.
"Nou ja", zei Gait Jan, "et is ok beter dette wi’j d’r nao de middag tegen een uur of drie ankomt, want die boeren staot elke morgen zo vrog op det ze 's middags een uur naor bedde gaot."
Jans zei niks, mar hi’j dachen bi’j humzelf: En nou gaon wi’j mar een halve dag uut en ie hadden beloofd det et een hele dag zol wezen.
Gelukkig bleef et dreuge, al weien er wel een fiene oostenwind. “Ai’j et kold kriegt”, zee Gait Jan, “dan doei’j de krage mar noar baoven."
Zie fietsen bei de Kerkenhoek rechtuut want zie gungen de stuwe aover. Nou det zol een belevenis wurden heur want et water van de Vechte det broesen daor van wonder en geweld. Jans vund et barre mooi. Et waoter kolken mi’j daor toch det hi’j er gewoon naor bleef staon kieken. Mar zien va reup: "Deurlopen, temee dan durf ie niet wieder."
"Hold oe goed vaste", schreeuwen hi’j effen later toen ezelf met de fietse d'r aover was, want ai’j daorin koomp, dan is et niet best.”
Jans had iniens deur det et echt wel gevaorlik was en toen e zich vaste heuld, vund hi’j et ok niet zo mooi meer. Hi’j leup mar gauw naor de overkaante.
Zie fietsen nou rechtuut rechtan op Dalmsholte an. Albertoom en Eulemeui’je hadden een ni’je boerderije ebouwd en toen Gait Jan et mooie gebouw zag staon, vreug hi’j zich of of e toch niet beter boer had kunnen wurden. Een boer mos hard warken, teminste det schreeuwen ze altied, mar hi’j bedacht det hi’j as kleermaker toch ok haoste gien vrei’je tied had. "Ie bint er hard op veuruut egaon", was et eerste wat hi’j zei nao de begroeting.
Albert zei zuunig: "Mar d'r zit wel een dakkien op heur."
"Nou ja", zei Gait Jan, “ik mosse ok drieduuzend lienen veur oons huus.”
"En ie hebt et olde huus laoten staon, dus nou hei ok al een schure d’r bei’j."
Jans begreep niks van et gesprek. Een dakkien erop? Op ieder huus zat toch zeker een dak. Zien neve was een jaor older en die snappen d’r ok niks van. Hi’j zei: "Zie bedoelt naotuurlijk det er pannen op zit.” Ja det zol et wezen. Zien neve gunk met hum aover al et land det ze hadden. Mar daor kwaamp over het weggien in et laand hun peerd an galopperen met zo’n geweld, dat zien neve reup: "Gauw onder de rikking deur.” Det deuden ze, mar Jans haoken nog net met zien zundagse blouse an et prikdraod. “Kiek is gauw reup e, zit d’r een scheure in?”
"Niet de mui’jte weerd heur."
Et zat Jans toch niet lekker want zien moe had hum goed de wacht anezegd. Va had gelukkig nergens arg in en Jans zurgen wel det e niet met de rugge naor hum toe kwaamp te staon.
De middag vleug umme want d’r was van alles te zien op de boerderije. D’r waren jonge biggen en kuukenties en Eulemeui’je vreug of ze wel een emmer vol eerappels wollen rooien. Die waren veur de zundag want zie kregen ‘s aomps eigen gebakken brood. Et smeuk goed mar Jans was na twie sneeën al zat.
Um zes uur gungen ze weer, want va wol weerumme aover Witharen gaon en dan ok bi’j oome Gait an. Det bezuuk veul Jans merakel tegen want daor waren allennig mar maagies. Jans speulen thuus wel ies met een buurmagien, umdet e die goed kennen, maar op schoele daor speulen gien iene jonge met een magien. Det kwaamp Jans goed uut want hi’j was toch wel zo bleu en velegen. Gaitome had allennig mar kippen en varkens. De kippen leupen lös op het erf. Det kon daor wel want et was allemaole bos um huus hen. Het nichien Fem daor preut Jans wel effen met, die vetellen det heur va een vermeerderingsbedrief had. "Bi’j iedere viefentwintig kippen leup een hane en de eier van oonze kippen gaot allemaole noar een bedrief det kuukens vekocht en zie hebt zelf ok een heleboel kippen."
“En eet ie dan zelf gien eier op?” vreug Jans.
"Nou ja d’r bint altied eijer die apart van maote bint, die magge wi’j zelf opeten."
Jans vreug: "Dan mui’j zeker hele beste kippen hebben?”
"Ja", vertellen ze, "de besten van de hele wereld."
Det leek Jans eigelik wel overdreven mar hi’j zei er niks van. Hi’j luusteren stillechies naor het gebabbel van zien nichien. En et duren toch zo lange veur va een keer weggonk, hi’j zat echt op zien praotstoel heur. De zunne was al onder toen ze eindelik op huus an gongen.
"Och," zee Gait Jan, "et is mar een kleine driekwartier en veur een keer mut det kunnen.”
Jans wurren aorig slaoperig en toen zien va deur een gat in de weg reed, veule zowat van de fietse of. Gait Jan gungk mar een entien lopen: "Dan wur ie wel weer wakker Jans.”
Mar toen ze weer op wollen stappen bleek toch de achterbaand leug te wezen. Zie stunnen d’r effen naor te kieken want nou was et een ander geval. Lopend naor huus toe gaon, nou, dan hadden ze wel een dik uur waark. De schemering was umme heur hen en et was al dik tien uur. “Tja," zei Gait Jan.
D’r blaffen een hond op een boerderije en meer leven was er niet in dizze buurte. "Nou ja", zei Gait Jan, “d’r zit niks aans op as lopen en in ieder geval val ie dan niet in slaop.”
Gait Jan zetten effen de fietse tegen een boom an um een piepe te stoppen. As e toch mos lopen dan kon e ok wel genieten van een piepien tabak. Jans leut zich in de berm zakken. Hi’j was zo muu det hi’j metiene in slaop veul. Hi’j bleef rustig deursloapen toen zien va wieder wol gaon.
"Det is nou ok wat," mopperen Gait Jan. Hi’j steut Jans an mar die sleup rustig deur. "Nou ja, dan musse et jochien mar achter op de fietse zetten. Et kossen muite mar et lukken, al zakken Jans wel aover et zadel hen. Et scheut niet op zo en Gait Jan stund effen stille en kloppen zien piepe weer uut want die smeuk hum niet meer.
Et veul niet mee. As et zo gunk, dan had Gait Jan nog wel twie uur waark um thuus te komen. Met iene haand an et stuur en de aandere um et jochien hen sukkelen e voort. Bi’j de Stouwe prakkezeren hi’j of e ok binnendeur kon lopen. Nee, det was ok gien oplussing, want deur et zaand lopen met een lekke fietsebaand en een slaopend jochien achterop, det zagge niet zitten. Dan mar gewoon wieder gaon. Hi’j leup weer een kilometer wieder en et zweet brak hum uut. Det leup hum aover de neuse en toen mosse toch wel effen zien zakdoek pakken. Iniens vreug Jans: "Waor binne wi’j nou va?" "Och keerltien bin ie d'r weer? Stap mar gauw of, wi’j bint zo bi’j huus."
En zo kwamen ze tegen twaalf uur an op de Ommerdiek. Derkien stund ongerust an de weg te kieken en zie vreug metiene: "Waorumme bint jullie zo late. Ik was toch zo ongerust. Et liekt toch ok nargens op, ik was al haoste naor de plietsie egaone.”
"Och nou ja,” zee Gait Jan, “et leup allemaole wat tegen. Det kuj toch niet veurzien."

* * *

DE PARABEL VAN OLDE ALBERT _________________________________________________________

J. Waterink (1890-1966)

Onder deze titel heeft dit verhaal in januari 1962 in het “Kerkblad van Overijssel”' gestaan in de vorm van een brief die de bekende professor Waterink op 2 januari schreef aan een vriend. Hij haalt daarin een voorval aan uit zijn prille jeugd en noemt het een parabel die, zo verzekert hij: ”vrijwel precies zo gebeurd is als ik het beschrijf”. De voorouders van Jan Waterink komen uit het gebied rond Hardenberg. Jan is in 1890 in Den Hulst geboren toen zijn vader Hendrik Waterink daar godsdienstonderwijzer was. Het gezin verhuisde naar Mariënberg en Jan ging als zesjarige jongen naar de christelijke school aan de Lage Doelen in Hardenberg. In 1962 schreef hij:

Iedereen in het Saksische land in de buurt van het door Ulfers bekend geworden Oostloorn weet wat een koehierde is. Dat is de koeherder die op de gemeenschappelijke gronden van het dorp de koeien weidt en bewaakt. Met zijn hond als gezelschap brengt hij ganse dagen door in het vlakke veld rond de Overijsselse Vecht. En ge hebt alle kans dat die hond “Siep” heet. Want natuurlijk moet de hond een naam hebben die anders is dan die van een koe; en geen boer zal zijn koe “Siep” noemen.
Rond het begin van deze eeuw was Albert Overweg de koehierde in het gebied tussen Rheeze en Brucht. Ik heb hem goed gekend. Ook herinner ik mij nog heel goed een typische eigenaardigheid van hem. Hij zei namelijk weinig uit eigen beweging, meestal antwoordde hij slechts op vragen en opmerkingen. En als hij dan antwoord gaf, leidde hij dat in met: “Hè joa.”
“Mooi weertje vandaag, Overweg.”
“Hè joa, mooi weer.”
“Ga je binnenkort ook aan de andere kant van de Vecht weiden?”
“Hè joa, ni-je wekke.” Natuurlijk sprak Overweg geen “hoog Hollands”. Hij heeft nooit in zijn leven “volgende week” gezegd. Maar een enkele keer sprak Albert Overweg meer dan een simpel antwoord. Overweg liet zijn koeien grazen aan de Rheezer kant van de Vecht. Ik was een jongen van een jaar of elf. Van het huis van mijn ouders naar een oom en tante in Rheeze was de weg niet lang als je aan de oever van de Vecht je kousen en schoenen uittrok en door het ondiepe water waadde. Maar dat kon alleen als het water erg laag was. Heel vaak ging het niet en bovendien kon het lang niet overal. Je moest de plekjes weten waar de ondiepten waren. Deze keer kon het en ik kwam bij Rheeze.

Toen Albert Overweg mij zag, groetten wij elkaar. Hij begon opeens te praten. Hij kende mij omdat mijn vader en hij elkaar goed kenden.
“Zo, mien jonge, ik bin bliede da'k oe zie. Ze zegt da'j domeneer wilt wörden. En now mu'k oe wat zeggen. 'k Heb 'r lange over noa edacht, maar umda'k ow va graag magge, wil ik tegen oe niet zwiegen. Ik wil niet aans as oe vertellen van mien wark. Dat kan ik doen umda'k maar een gewone koehierde binne want doarum heb ik zovölle verstaand van domeneerswark. Het zwoarste van 't wark van een koehierde is um de koppel koene bi-j mekare te holden. 't Is helenmoal gien kunst um hier tachtig koene bi-j mekare te hebben, maar de kunst is um te zörgen dat 't een kudde is. En dat is 't wark van mi-j en Siep. Joa, zonder de hölpe van Siep zol ik 't niet an kunnen, want soms begrep Siep de koene better as ikke. Hi-j kek mi-j an as ik domme dinge wil doen. Net as of e zeggen wil: “Ie bint now wel de herder en ikke maar een herdershond maar ie bint toch dom, baas, a'j dit keer niet doet wat ik denke dat 'r gebeuren mut.”
“Ik zal oe is wat vertellen van Siep. Verleden noajoar wol ik met de koene noar de overkaante. Toen was 't hoog water en ze mossen een endtie zwömmen. Maar ik kon ze niet in 't water kriegen, die koene. Die gundse bloarkop, doar veuran, is altied arg gewillig, maar hi-j deud het niet. Toen kwaamp Siep noar mi-j toe en hi-j blaften en leup een ende stroomop. De koene leupen achter hum an en doar, een ende stroomop, gung de bloarkop veurop en alle koene zwömden op die stee rustig deur de Vechte. Ik hebbe nooit helemoale begreppen woarum ze d'r doar wel deur gungen. Totdat ik 't aander veurjoar, toen 't water gung zakken, zagge wat ik veur die tied niet eweten hebbe.”

“Op die plase woar ik de koene d'r deur wol drieven, was een fosse prikkeldroad an espuuld, dat achter een paar paalties was blieven hangen. Het mut argens bovenstrooms lös eraakt ween. Joa, mien jong, soms wet een koppel koene better wat goed veur heur is as de herder. Ik passe al viefenveertig joar op de koene maar ik lere nog elke dag van Siep en ok van de koene. Joa, die bieste, zi-j hebt allemoale heur eigen meniere van doen. Ziej' die ginne bleskop? Die graast altied net zo'n elle of twintig, dartig, opzied van de kudde. Altied 'n bettie in de ienzaamheid. A'j hum d'r bi-j wilt jagen is 't net of e tussen de aandere koene gien vretten lust. As e maar allennig is dan hef e 't best noar de zin. Soms geef ik hum de kaans um helemaal achter te blieven. Dan laat ik hum dus zien gang gaan, maar och dan duurt 't niet lange of hi-j komp weer in de buurte van de aandern. In ieder geval weet ik wel da'k tegen Bleskop gien geweld mut gebruken. En zie’j die zwartbonte daar met zien iene of estötten heurn? Joa, da's een raar dier. Het vechten zit 'm in de botten. Soms gef e een koe die te dichte bi-j hum komp, zomaar 'n stöt in de ribben. Dan denk ie: wat döt die in een kudde? Maar bi-j gevaar dan is e ok veuran. Pas kwaamp de börgemeister met twie jachthonde hier langs stoeven. Nou, toen ha'j drekt 't vee op 'n biestern. Maar de zwartbonte met zien iene heurn vleug d'r drekt op of en as ik niet tussenbeide kommen was had 't er veur de börgemeister en zien beide honde niet best uut eziene. Ik zegge tegen de börgemeister: Koene bint net mensen, lastig in de karke, maar ie mut ze niet an de karke kommen. En zie’j dat kleine rooigien daar? Die mark ie hoaste nooit. Die löp altied maar nerig te grazen en wet overal grös te vinden, zölfs op't heideveld. En wa'j niet zult gleuven, zi-j gef best melk en hef 't hoogste vetgehalte van de hele koppel. Zo ku'j weer zien, mien jong dat 'r niet allennig 'stillen in den lande' bint maar ok stillen in de kudde.”
?Ik vroeg: “Maar Overweg, waar heb je nou de meeste last van?”
“Hè joa, met drie soorten, mien jong: met de hardlopers, met de achterblievers en ... met mi-jzölf. Kiek, as de dag komp dat ik gien last meer hebbe met mi-jzölf en a'k denke da'k Siep nie meer neudig binne, dan mu'k zien da'k op'n aandere meniere an de kost komme. Maar veur ien ding bin ik God dankbaar, elke dag weer, want as ik hier niet was, zal 't op de lange duur mis gaan met de kudde. Dan was 't noa 'n zettien gien kudde meer, maar 'n troep löslopende koene. He'j mi-j nou begreppen mien jong?”
Ik zei: “Ja, ik denk 't wel, Overweg, maar wie is in de kerk Siep, want dat begreep ik niet goed”. Toen zei Overweg: “Hè joa, da's een goeie vroage. Siep betekent heel völle veur de koene. Ie kunt hum vergelieken met een wieze olderling.”
Overweg overzag voor de zoveelste keer zijn kudde. Hij sprak Siep aan, maakte een gebaar in de richting van een zwervende koe en Siep haalde het dier terug. De koe had direct gevoeld dat het de hond menens was.
“Now jong”, zee Overweg, “a'j later domeneer bint, denk dan nog is an de olde Albert.”

* * *

REACTIES _________________________________________________________

Het decembernummer 2011 leverde een aantal reacties op, die we hieronder weergeven.

Klaas Voschezang miste bij de reacties in dat nummer de vermelding van zijn vader. Hendrikje Bruggeman trouwde in tweede huwelijk met Hendrik Voschezang. Voor zover bij de samenstelling van het decembernummer bekend, werden er twee kinderen uit dat huwelijk geboren. In totaal zijn er echter uit dit huwelijk drie kinderen geboren, twee meisjes en een jongen. Het bestaan van dochter Aaltje was bij de familie niet bekend.
Voor de volledigheid hieronder alle drie kinderen van dit echtpaar:

-

-


-

Femmigje, geboren Nieuwleusen 24-09-1904,
trouwt 16-05-1929 met Willem Sterken.
Hendrik, geboren Nieuwleusen 15-09-1905,
trouwt 17-05-1933 met Jentje Evers,
geboren Dalfsen 16-12-1909.
Aaltje, geboren Nieuwleusen 02-12-1906,
overleden Nieuwleusen 27-11-1908.

Jan Prins reageert naar aanleiding van het artikel “Het kleine huis aan ‘t Pad” als volgt:
In het betreffende artikel (blz. 96 van het decembernummer, red.) wordt gesteld dat tijdens de boerderijbrand op zondagmiddag 7 oktober 1945 mijn ouders afwezig zouden zijn geweest. In mijn beleving ligt het toch iets anders. In ieder geval waren mijn grootouders die middag op de boerderij aanwezig. Ik heb nadien vaak horen vertellen dat mijn grootmoeder (Gaitdine) mijn vader, die in de leunstoel in het voorhuis lag te slapen, wekte met de kreet “Aornd d’r is braand!”
Ik schrijf u dit omdat anders de indruk zou kunnen ontstaan dat mijn ouders een kind van nog geen 3 maanden alleen in de boerderij hadden achtergelaten. Temeer omdat in het artikel gesteld wordt dat “iemand” hem (Freek) uit het huis heeft kunnen halen. Ik hoop dat die indruk, mocht die zijn ontstaan, hiermee is weggenomen.

Voor de volledigheid wil ik nog opmerken dat het vee in de daarop volgende winter onderdak heeft gevonden bij de familie Ruinemans en de familie Schaapman en dat de kleine Freek liefdevol is opgenomen in het gezin van meester Hoek, het hoofd der school.
Overigens niets dan lof voor de artikelen van Margje Key-Hendriks.

Naar aanleiding van het artikel in het septembernummer over Mispels kregen we van mevrouw Kragt een potje mispeljam met daarbij het recept:
Ingrediënten: 2 kg rijpe mispels, twee citroenen (sap en schil), een halve liter water, 750 gram suiker en een theelepel speculaaskruiden.
Bereiding: Was de mispels en kook ze een half uur. Druk daarna de vruchten met de bolle kant van een pollepel door een grove zeef. Voeg de overige ingrediënten toe aan de mispelmoes en kook het geheel in tot jamdikte.

* * *

Foto achterpagina _________________________________________________________

Hilligje Massier-Alteveer en Derk Jan Massier






Jaargang 30 nummer 2 juni 2012


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina _________________________________________________________

Slager Levie Vomberg met de slagersmand voor op zijn fiets voor het huis van Jan Massier aan het Westeinde, ergens in de twintiger jaren.

* * *

DE JOODSE FAMILIE VOMBERG _________________________________________________________

Jakob de Weerd

In het blad “De Darde Klokke, drie moandeleks tiedschrift veur Ommen”, nummer 162 van februari 2012 staat een artikel over de Joodse gemeenschap in Ommen die in de Tweede Wereldoorlog is omgekomen, met daarbij een lijst van de weggehaalde inwoners. Op die lijst staan ook de leden van de familie Vomberg.

Levie Louis Vomberg was slager en had ook klanten in Nieuwleusen. Die bediende hij vanuit Dalfsen en later vanuit Ommen, waarheen het gezin tussen november 1929 en maart 1932 verhuisde. Ze woonden in de oorlogsjaren aan de Vecht op het adres Vechtstraat 1.

Vandaar moesten ze gedwongen vertrekken. Pas in november 1947 kwam er bericht van het Rode Kruis dat het gezin Vomberg in 1943 in Sobibor in Polen was omgebracht.

Aan de vooravond van hun vertrek schreef Levie Vomberg een briefkaart “Aan den heer R. Riphagen, controleur te Heerde”. Deze kaart bevindt zich in het archief van “Ni’jluusn van vrogger”. De briefkaart is afgestempeld in Ommen op 09-04-1943 en geschreven op donderdag 8 april. Een afzender staat er niet op, alleen de ondertekening L.V. Op de briefkaart staat:
Omranden:

Ommen, Donderdagavond.
Beste vrienden. Geluk gewenscht met uw Zoon. Moge de Moeder spoedig hersteld terugkeeren. Moge u vrede, geluk en zegen tot in hoge ouderdom uw deel zijn. Hierbij onzen laatsten groet, morgenvroeg vertrekken wij. We zullen mekaar allicht op deze wereld niet weer zien, dus dit is voor het laatst. Denk om de mantel van je lieve Moeder en de woorden van je grootvader. Gods zegen, het beste. L.V.


In ons archief bevindt zich een foto van het gezin, waarschijnlijk in 1941 of 1942 genomen. Vlnr: Mozes Hartog Abraham, Racheltje Vomberg-Vos, Levie Louis Vomberg en Manuel Mozes. Het hele gezin werd op 11 mei 1943 op transport geplaatst naar Sobibor waar ze allemaal op 14 mei 1943 om het leven kwamen. Ze waren respectievelijk 11, 53, 59 en 14 jaar oud.

Bij het speuren naar gegevens over de familie Vomberg vonden we onderstaande gegevens:

Manuel Vomberg wordt geboren in Dalfsen 29-05-1851 als zoon van Levi Vomberg, koopman en Pauline Friedman. Hij is koopman als hij op 18-07-1883 te Stad Ommen trouwt met Rebecca de Bruin, geboren Stad Ommen 09-11-1847, dochter van Simon de Bruin, vleeschhouwer en Mina van Cleef.
Dit echtpaar krijgt drie kinderen die allen in Dalfsen worden geboren: Levie Louis op 30-03-1884 en Mina Paulina 26-10-1885 en Paulina 31-12-1886.

Generatie 2
Levie Louis Vomberg, geboren Dalfsen 30-03-1884 is slager van beroep als hij op 11-08-1927 in Dalfsen trouwt met Racheltje Vos, geboren Dwingeloo 01-10-1889, dochter van Mozes Vos, koopman en Mientje Blein. Beiden zijn overleden in Sobibor op 14-05-1943. De overlijdensaktes zijn ingeschreven in Ommen op 29-12-1949.

Mina Paulina, geboren Dalfsen 26-10-1885 trouwt twee keer. Haar eerste huwelijk is als ze 30 jaar oud is op 31-08-1916 in Stad Ommen met de 55 jarige Abraham de Bruin, slager, geboren Stad Ommen 06-06-1861, overleden te Ommen 06-03-1930, zoon van Simon de Bruin en Mina van Cleef. Abraham is haar oom, de broer van haar moeder.
Mina Paulina trouwt vervolgens met de weduwnaar van haar zuster Paulina (zie hierna), Hartog Leman Vos. Wanneer en waar dit huwelijk is gesloten is niet bekend, maar in zijn overlijdensakte is vermeld dat hij laatstelijk gehuwd was met Mina Paulina Vomberg. Dat moet dus betekenen dat hij eerder getrouwd was. Hartog Leman is geboren in Dwingeloo op 26-10-1886 en overlijdt in Auschwitz (Polen) op 08-10-1942. Zijn overlijdensakte is in Dwingeloo ingeschreven op 27-10-1951.
Mina Paulina overlijdt in Auschwitz op 01-10-1942, dus een week eerder dan haar man. Haar overlijdensakte is in Dwingeloo ingeschreven op 14-12-1948.

Paulina, geboren Dalfsen 31-12-1886 trouwt in Dalfsen op 11-08-1927 met Hartog Leman Vos, koopman, geboren Dwingeloo 26-10-1886, zoon van Mozes Vos, koopman en Mientje Blein. Paulina overlijdt in Amsterdam op 09-07-1932. Haar overlijdensakte is in Dwingeloo ingeschreven op 15-07-1932.
Hierna trouwt Hartog Leman Vos dus met zijn schoonzuster Mina Paulina (zie hiervoor).

Alle drie huwelijken werden op niet meer zo jonge leeftijd gesloten. De oudste dochter Mina Paulina trouwt nog op haar 30ste, maar Levie Louis is al 43 jaar en zijn jongste zuster Paulina is 40 jaar.
Ook Racheltje Vos is al 37 jaar als ze trouwt.
Paulina en Levie Louis trouwen allebei in Dalfsen op dezelfde dag namelijk 11-08-1927. Ze trouwen ook met een broer en zus (uit Dwingeloo), namelijk Hartog Leman en Racheltje Vos.

Generatie 3
Uit het huwelijk van Levie Vomberg en Racheltje Vos zijn drie kinderen geboren.
Manuel Mozes, geboren Dalfsen 09-08-1928, overleden Sobibor 14-05-1943. De overlijdensakte is ingeschreven in Ommen op 29-12-1949.
Mietje Rebekka, geboren Dalfsen 12-11-1929 en aldaar overleden op 27-11-1929, 15 dagen oud.
Mozes Hartog Abraham, geboren Ommen 09-03-1932, overleden Sobibor 14-05-1943. De overlijdensakte is ingeschreven in Ommen op 29-12-1949.

* * *

IMKER _________________________________________________________

© lenze l. bouwers

De linde is zijn laatste voorkeursdracht;
zijn grote liefde na de bloesempracht
van fruitboomgaarden, korven middenin.
De raten in zijn hand, de honing lacht
hem toe; hij proeft, herkent zijn volk tot in
details, voorkomt het zwermen, houdt de wacht.
De linde is zijn laatste voorkeursdracht.
De werksters zijn er voor de koningin,
voor darren heeft de zomer enkel zin
met paringsdrift; hun werk is dan volbracht.
De winter schenkt hij suiker, bijvoerkracht,
totdat de lente straalt, een nieuw begin.
De linde is zijn laatste voorkeursdracht.

* * *

KUNSTWERKEN _________________________________________________________

Gees Bartels

In Museum Palthehof is in 2012 een tentoonstelling ingericht van schilderijen van schilders uit Nieuwleusen. Het geeft een verrassend beeld van het werk van een aantal schilders die hier woonden en werkten en in hun vrije tijd de schilderkunst beoefenden. Als toelichting op de tentoonstelling geven we hier een korte levensschets van de drie schilders waarvan het meeste werk voor de tentoonstelling is ingeleverd.

Evert Jan Masselink (Nieuwleusen, 23-06-1933 – 08-09-1997)
Evert Jan werd als jongste kind geboren in het gezin met vijf kinderen van Frans Masselink en Jennigje Roddenhof. Het gezin woonde B 117, nu Westeinde 116. Dat huis is inmiddels vervangen door een nieuwe woning. Gelukkig heeft Evert Jan nog een mooi schilderij gemaakt van zijn ouderlijk huis, zodat we kunnen blijven zien hoe dat er in zijn beleving uitzag. Na het overlijden van hun ouders bouwde hij met twee zusters een dubbele woning aan de overkant van de straat.
(Rectificatie:In het gezin van Frans Masselink en Jennigje Roddenhof werden in totaal acht kinderen geboren waarvan twee levenloos en een jong overleed. De andere vijf kinderen werden volwassen.)


Evert Jan Masselink: Bijenstal aan het Westeinde.

Daar woonde hij met zijn vrouw Hendrika Jantina Derks en hun dochter Jeanet op nr. 55 en zijn zusters Geertruida en Francien met haar man Harm Krale op nr. 53.
(Rectificatie: Geertruida Masselink woonde bij Evert Jan Masselink en Hendrika Jantina Derks op nummer 55.)
Evert Jan was een creatief multitalent. Hij was bijna zijn hele werkzame leven automonteur bij Boers. In zijn vrije tijd tekende en schilderde hij graag, meestal met olieverf. Het liefst tekende hij en werd een tekening geheel vervaardigd met een zwarte rotringpen. Daarbij kwam het hem heel precies, er mocht niets aan mankeren. Hij ontwikkelde een eigen, herkenbare stijl. Op de tentoonstelling zijn de boerderijen met erf en tuin meteen herkenbaar. Hij was een echte autodidact; van een opleiding of cursus nooit sprake geweest.
Zoals gezegd had Evert Jan nog meer talenten. Hij kon ook heel goed spelen op het huisorgel. Het muzikale talent komt ook weer naar voren bij zijn kleinzonen die heel goed piano, respectievelijk gitaar spelen. Zijn tekentalent is eveneens doorgegeven.
Evert Jan was een man van weinig woorden. Hij begaf zich al helemaal niet graag onder grote groepen mensen. Dat verklaart waarom hij ook niet met zijn werk te koop liep. Zelf hield hij er namelijk niet van om daarmee in het voetlicht te treden, een reden waarom er in het verleden maar spaarzaam tentoonstellingen van zijn werk zijn geweest.

Jan Masselink (Nieuwleusen, 10-08-1904 – 18-07-1989)
Jan Masselink is in Den Hulst geboren aan de Ommerdijk. Het geboortehuis stond naast café de Unie, nu Chinees restaurant, er als het ware tegenaan geplakt. Een paar jaar later zijn ze van hieruit een paar honderd meter naar het oosten verhuisd, aan de zuidkant van kanaal Dedemsvaart, in het huis waar broer Klaas later zijn winkel en schoenmakerij had. Dit huis staat er niet meer. Na de lagere school moest Jan direct aan het werk. Hij werd "jongste bediende" op het kantoor van de Union, tegenover zijn ouderlijk huis aan de Dedemsvaart. Dit bleek geen goede keus. Omdat hij reeds op de lagere school opviel door zijn uitzonderlijke tekenprestaties koos hij al snel voor het schildersvak. Hij volgde verschillende cursussen: reclametekenen, ontwerpen, hout- en marmerimitaties, letterzetten, enz. In de dertiger jaren bezocht hij de Nationale Schilderschool te Utrecht om zich verder te bekwamen in het schildersvak.
Jan Masselink trouwde met Trijntje Frielink. In 1937 vestigde hij zich als huis- en decoratieschilder aan de Ommerdijk C 176 (nu Burg. Backxlaan). Dat huis is in de tachtiger jaren verkocht en afgebroken


Jan Masselink aan het werk in zijn atelier in december 1978.

om plaats te maken voor het winkelcentrum. Naast de verkoop van verf en behang werden er ook tabaks- en drogisterijartikelen verkocht. Opmerkelijk dat hij, 30 jaar oud, praktisch tegenover zijn geboortehuis hier zelf zijn zaak begon.
In zijn vrije tijd begon hij reeds voor de oorlog met het schilderen van stillevens en landschappen. Hij kreeg les van twee gerenommeerde kunstschilders uit Zwolle: Evert Bomhof en Frans Huisman.
Naast het schilderen had Jan Masselink een tweede hobby: muziek. Hij bespeelde verschillende instrumenten, maar het liefst viool. In de vijftiger en zestiger jaren speelde hij in het Zwols Symfonieorkest.
Na zijn pensionering verhuisde hij naar Zuidwolde (Dr.) waar zijn vrouw oorspronkelijk vandaan kwam. Dagelijks zat hij uren op zijn atelier te werken. Tientallen schilderijen ontstonden hier.
In de zeventiger en tachtiger jaren deed hij zo nu en dan mee met landelijke studieprijsvragen van "Arti" te Alkmaar, de uitgever van het bekende tijdschrift "Palet en Tekenschrift". Regelmatig viel hij in de prijzen; enkele malen kreeg hij zelfs de eerste prijs. Hoewel hij liever niet op de voorgrond trad stond hij zijn werk wel af voor tentoonstellingen. Exposities vonden plaats o.a. in Nieuwleusen, Meppel, Raalte, Hoogeveen, Holten, Westerbork en Zuidwolde. Tientallen mensen in de regio prijzen zich in het gelukkige bezit van een schilderij van hem. In het gemeentehuis in Dalfsen hangen permanent enkele werken van zijn hand in de naar hem genoemde Masselinkzaal.
Jan Masselink en zijn vrouw Trijntje kregen een zoon, Klaas A.G. Die heeft “totaal geen tekenaanleg noch verstand ervan”, maar speelde al vanaf zijn achtste piano, klassieke muziek. Hij heeft tot zijn 20ste veel met zijn vader samengespeeld. Van de drie kinderen van Klaas speelt de oudste gitaar, met name blues, maar puur als hobby voor zichzelf.

Geen familie, of toch wel?
Bijzonder is dat bij Evert Jan Masselink en bij Jan Masselink sprake is van een dubbeltalent. Beide konden goed schilderen en musiceren. Het zit dus wel in de genen, al zijn de beide schilders geen directe familie van elkaar, maar gezien hun aanleg waarschijnlijk wel “in de verte”. Geïntrigeerd door een artikel van B. van Duren in "Ni'jluusn van vrogger" van september 1985 is Klaas Masselink al een poosje bezig met de stamboom van de familie Masselink. B. van Duren schrijft dat een zekere Jan Masselink uit Getelomoor (Uelsen, Bentheim, Dld) op 8 mei 1812 trouwt met Jantjen Willems Podt uit Nieuwleusen. Dit moet dan de "stamvader" zijn van de Masselink-tak in Nieuwleusen.

Als toelichting een zeer beknopte "stamboom" in de mannelijke lijn:
A. Jan Masselink 1904-1989.
B. Klaas M. 1874-1943.
C. Jan M. 1840-1919.
D. Janna M. 1813-1875.
E. "Stamvader" Jan Masselink (1780-1832)
F. Evert Jan Masselink 1933-1998
G. Frans M. 1889-1954
H. Albert M. 1860-1930
I. Albert M. 1829-1859

Jan Masselink (1780-1832) trouwt op 8 mei 1812 met Jantjen Willems Podt. Ze krijgen tussen 1813 en 1829 zeven kinderen. Janna ( D ) is de jongste. Albert ( I ) is de oudste.
Janna krijgt in 1840 een zoon: Jan ( C ). Vader onbekend en hij krijgt daarom de naam van zijn moeder.
Albert ( I ) trouwt in 1859 met Margje Evertsen (1831-1914). Hij overlijdt datzelfde jaar voordat zijn zoon Albert (H ) geboren wordt. In 1862 trouwt Margje Evertsen voor de tweede maal, nu met haar tantezegger Jan ( C ), de vaderloze zoon van haar schoonzuster. (Voor dit huwelijk was toestemming nodig van koning Willem III.)
Janna ( D ) is inmiddels in 1842 getrouwd met Hendrik Schoe(n)maker en krijgt er nog vier kinderen bij. Het gezin is later verhuisd naar Ruinen.
De grootmoeder van Jan Masselink ( A ) - Margje Evertsen - was de overgrootmoeder van Evert Jan Masselink ( F ).
Al met al stof genoeg voor een streekroman.

Arend van Spijker (Nieuwleusen, 14-04-1910 – 14-09-1999)
Arend werd geboren “in ’t veld, achteruut bij ’t Oosteinde”, dat wil zeggen, ergens rechts van het Oosteinde tussen de school en de Stouwe, waar zijn ouders een boerderijtje hadden. Arend was de tweede van vijf kinderen. Hij ging naar de “school van meester Katerberg”, ook aan het Oosteinde. Daarna werd hij huisschilder, eerst bij Karel de Liefde en later bij diens zoon Barteld de Liefde. Arend van Spijker trouwde in 1934 met Jennigje Bouwman en ze gingen aan de Ommerdijk wonen, nu Burg. Backxlaan. Het echtpaar kreeg twee kinderen: Arend (1937) en Alberta Gezina (1941). Waarschijnlijk dat Arend na zijn huwelijk de rust en de ruimte kreeg om zijn liefde voor het schilderen op te pakken, want zijn eerste schilderijen stammen ook uit dat jaar.
Voor de oorlog was het nog zo dat als er ’s winters voor huisschilders geen werk was er ook geen inkomen was en met “kostgangers” werd er daarom bijverdiend. In de oorlog was er ook geen werk en toen


Arend van Spijker: Kerkenhoek, naar een oude foto geschilderd in 1976.

werkte Arend op het distributiekantoor. In 1950 kreeg hij een aanstelling als conciërge bij de gemeente en het gezin verhuisde naar de Kerkenhoek, het derde huis links aan de Burg. Backxlaan, dat ook het derde huis voor de Landbouwcoöperatie was. Alle huizen daar zijn afgebroken om ruimte te maken voor een winkelcentrum (daarna voor de Grote Markt). Later bouwde hij een mooie witte bungalow aan de Dommelerdijk 107.
In 1975 ging Arend met pensioen en werd na 25 jaar trouwe dienst ereburger.
Kort daarna moest hij een zware operatie ondergaan, maar hij bleef opgewekt, werkte graag in de tuin of hielp rond de feestdagen in de bloemenzaak van hun schoonzoon en dochter met het maken van bloemstukken.
Arend was autodidact en schilderde in een herkenbare persoonlijke stijl, waarbij boerderijen met fijn geschilderde bloemen in de tuinen of bomen met bloesem z’n handschrift zijn. Ook maakte hij pentekeningen en decoreerde vazen, bordjes en schotels. Kinderen die de boerderij van hun ouders overnamen kwamen vaak met een melkbus en het verzoek daarop een schilderij van de boerderij aan te brengen. In museum Palthehof is daarvan een aanwezig, maar er moeten nog veel fraaie exemplaren onder de mensen zijn.
Arend had nog een tweede talent; hij kon goed dichten. Dat deed hij graag ’s avonds tijdens de lange raadsvergaderingen. Hij maakte veel gedichten voor huwelijken en partijen. Ook was hij goed in het bedenken van namen, o.a. van het weekblad De Marskramer.
Toen hij door een oogkwaal steeds slechter ging zien, kwam er een eind aan het schilderen, maar hij bleef nog gedichten schrijven, die zijn dochter dan beter leesbaar voor hem overschreef. Na een acute aortaperforatie overleed hij in het Sophia ziekenhuis in Zwolle.
Ook hier is sprake van doorgeven van talent; dochter Betty schildert eveneens niet onverdienstelijk.

* * *

LIMERICK OP NI’JLUSEN _________________________________________________________

Chris Canter

Een taandarts die boorde op Ni’jlusen
besleut naor De Balk te verhuuzen.
Waor kwaamp ’t op neer?
Daor snuupten ze meer.
Zo kreeg hi’j meer wark veur de kuzen.

* * *

HET KLEINE HUIS AAN ’T PAD, 4 _________________________________________________________

Margje Key-Hendriks

Klaos Schoemaker
Ons huisje was eigendom van Klaas Schoemaker. Die woonde naast ons in een kleine boerderij. Klaas was keuterboer, zoals men dat toen noemde. Op het huis zat helemaal een rieten dak. Andere boerderijen hadden wel riet op het achterhuis maar pannen op het voorhuis.
Klaas Schoemaker was getrouwd met Jentje Nijlant. We noemden hen altijd Klaos en Jaantie. Zij lachte niet zo vaak en ik denk dat dat was omdat ze hard moest werken en daarom misschien vaak moe was. In onze ogen waren het oude mensen, maar dat viel nog wel mee want ze waren rond de vijftig. Ze kleedden zich altijd in zwart of donkerblauw. In die tijd hadden de oudere vrouwen drie of vier rokken over elkaar aan, tot op de enkels. Daaroverheen hadden ze dan nog een schort. De mannen droegen een boezeroen en daarover een blauwe kiel. Nieuwleusen kende nog zijn eigen klederdracht. De zondagse kleren werden gemaakt van een goeie kwaliteit stof. De vrouwenkleren waren meestal met zwarte kant eraan. Grootvader en grootmoeder droegen die kleren ook. Later heeft tante Hilligje er poppenkleren van gemaakt. Mijn moeder heeft er een van haar gekregen die gekleed was zoals haar ouders als ze naar de kerk gingen. Die pop heb ik nu nog steeds in de kamer staan.
In grootmoeders tijd droegen de vrouwen witte kanten mutsen, die strak om het hoofd pasten, met een valletje over de schouders. Het wassen van zo’n muts was een secuur werkje en dat werd gedaan door een mutsenwaster. Die zette de muts ook weer in elkaar met alle vouwtjes op de juiste plaats. Toen moeder jong was raakte de klederdracht al een beetje uit de mode. Oudere vrouwen droegen het nog wel, vooral naar de kerk en als ze op visite gingen. Moeder vertelde dat als meisjes zestien werden, ze het lange haar mochten opsteken. Het werd eerst gevlochten en kwam dan met een knot achter op het hoofd. Jonge meisjes hadden het haar los hangen of in vlechten.

De dochter van Klaos en Jaantie was Janna, we zeiden altijd Jannao.

Klaas Schoemaker en Jentje Schoemaker-Nijlant met hun dochter Janna en schoonzoon Arend Schoemaker.


Ze was getrouwd met Arend, Aornd, Schoemaker, maar die was van een andere familie Schoemaker. Jannao en Aornd kregen pas een kind toen ze al een hele tijd getrouwd waren, Johanna. Voor die tijd waren wij eigenlijk ook hun kinderen omdat we bijna altijd bij ze waren. Toen Johanna een kleuter was kon Nellie altijd heel mooi met haar spelen. Ze noemde Nellie toen Nenne. Gerrit Jan was een zoon van Klaos en Jaantie; hij was vrijgezel en werd altijd Gait Jan genoemd. Er was nog een vrijgezel in huis, dat was Willem, een broer van Jaantie. Toen we pas aan het Pad woonden, woonde een andere broer van Jaantie ook nog bij hen in. Dat was Eppe Nijlant, die pas op latere leeftijd is getrouwd. We noemden hem altijd Eppe Ford want hij had een Ford vrachtwagen. Als we hem plaagden zei hij altijd dat als hij ons te pakken zou krijgen, dat hij ons dan zou likken. Hij stak dan zijn tong uit maar greep ons nooit. Toch bleven we wel een beetje uit zijn buurt.

Tussen ons huis en dat van Klaos hadden wij een paadje gemaakt met een overstap over zijn omheining. Direct aan de rechterkant stond de bijenstal van Aornd, de schoonzoon van Klaos. Hij had veel bijen en verkocht de honing. Wij kregen wel eens de raten waar nog wat honing in zat. We aten die dan helemaal op. Soms zagen we wel eens een zwerm bijen ergens in een boom hangen en dan riepen we Aornd er vlug bij. Hij kwam dan met een korf om de zwerm te vangen en dan had hij er weer een korf met bijen bij.
De bijenstal was een laag gebouwtje met een rieten dak. De open kant, waar de bijenkorven stonden, was aan de kant van het paadje. We liepen er altijd vlak voor langs, maar nooit hard. We wisten dat de bijen ons op die manier niet zouden steken.

Het huis van Klaos
Klaos had een typische Nieuwleusense boerderij met een bakhuus er naast. Door de voordeur kwam je in de grote woonkeuken. Een grote tafel in het midden met houten stoelen en rieten zittingen. Aan beide kanten van de kachel tegen de muur stonden wilgen leunstoelen. Klaos zat in de een die bij de bedstee stond en Willem meestal in de andere. Tegen de muren stonden twee grote kabinetten. De kamer was helemaal betegeld met Delftsblauwe tegeltjes. Wij telden vaak de verschillende motieven die er op stonden: vogels, bloemen, koeien en nog wel meer. Boven voor de schoorsteen zat een tableau van zes of acht tegels. Naast de kachel was een bedstee waar Klaos en Jaantie sliepen. In sommige huizen bewaarde men aardappels onderin de bedstee, maar bij Klaos denk ik niet omdat ze buiten een aardappelhut hadden.
Voor de bedstee hingen meestal gordijntjes met een typisch blauw of donkerrood patroon. Vaak hadden de lakens en kussenslopen hetzelfde patroon en kleur. De matras was meestal een strozak, maar sommigen, zoals onze grootouders, hadden een veren bed onder en ook een veren dekbed over. Dan was er ook nog een peluw, dat was een kussen ter breedte van het bed en daarbovenop lagen de kussens. In de meeste bedsteden zat nog een plank boven aan de muur om een olielampje op te zetten. Ook was dat de plaats voor de pispot. Als men ging slapen werden de deurtjes voor de bedstee dicht gedaan.
Aan de andere kant van de woonkamer was de opkamer met een trapje van een paar treden. De opkamer was het kamertje boven de kelder en omdat die niet zo diep was, lag de opkamer wat hoger. Daar sliepen Jannao en Aornd. Er stond een tweepersoons bed. Ik heb daar ook wel eens bij hen in bed geslapen. Aornd lag dan achteraan, Jannao in de midden en ik vooraan. Als ik daar bleef slapen dan gingen Jannao en ik voor we naar bed gingen eerst naar buiten om te plassen, maar niet naar het huusie. Wij gingen gewoon achter de hooiberg en hurkten daar naast elkaar neer. Dat was allemaal heel gewoon.
Toen er in de oorlog een meisje uit Utrecht bij hen logeerde omdat het in de steden zo slecht was, sliep die op een bed dat ook in de opkamer geplaatst was.
Vanuit de woonkamer was een deur naar de deel. Klaos had een grote deel met aan de zijkant baanderdeuren die ook alleen van boven open konden. In een donkere hoek, tegen de woonkamer aan, was de bedstee van Willem. Om zijn bed te verschonen was er altijd een lamp bij nodig.
Achter de deel was de stal voor de koeien, kalveren en het paard. Boven de koeienstal was een zolder, de “hilde”, waar je vanaf de deel op kon komen. Daar werd van alles opgeborgen, ook het meeste boerengereedschap zoals hooiharken en dergelijke. Maar op boerderijen waar de boer een meid of een knecht had, dan had die daar een kamertje.
De kraan zat op de deel bij de buitendeur. Daar werden de melkbussen en emmers geboend. Het water liep door een gootje naar buiten. Omdat het daarbuiten altijd nat was gingen wij daar wel eens “pieren wuppen” als we gingen vissen. We staken dan een vork in de grond en dan maar schudden, waardoor de pieren naar boven kwamen. De kippen wisten de wormen daar ook wel te vinden.
Door de zijdeur kwam je bij de hooiberg. Als het hooi daar hoog


De boerderij van Klaas Schoemaker zoals die er omstreeks 1990 uitzag. Deze is afgebroken en er staat nu een nieuwe woning.

Als er een hoop hooi in het gat lag mochten wij soms naar boven klimmen en dan op de hoop hooi in het gat springen. We hadden dan altijd veel plezier. Als de voorraad hooi minder werd, werd de kap van de hooiberg naar beneden gelaten. Op de grond onder het hooi lagen takkenbossen om het hooi droog te houden.
Bij Klaos hadden ze drie of vier koeien, een paard, een paar kalveren, een zeug en een paar varkens. Het varkenshok was in de wagenschuur. Omdat Klaos, net als de meeste boeren, geen beer had, ging de zeug altijd een keer per jaar een tijdje uit logeren naar een boer die wel een beer had.
De mest werd uit de stallen verwijderd met mestvork en kruiwagen. Door de achterdeur ging dat met de kruiwagen over een plank naar boven op de mesthoop. Dat afmesten deed Jaantie vaak. Oom Jan had wel eens medelijden met haar en hielp haar nog wel eens.
Op de deel was aan de andere kant nog een zijdeur naar het bakhuus. Naast deze deur was de deur naar de kelder, waarin in het voorjaar altijd water stond en waar dan kikkers in zaten. Trijn en ik moesten de kikkers dan vangen want Jannao had daar een hekel aan. De gevulde weckflessen stonden boven het water op een plank.

Rondom het huis
Het bakhuus was een klein huisje van steen met dakpannen. Ervoor stond een grote oude walnotenboom met laaghangende takken, waar we niet in mochten klimmen. Achter het bakhuus was de waterput met daarbij een “wichterboom”. Klaos zei altijd dat we niet bij de put mochten komen want daar zaten “joden” in. Dat was natuurlijk om ons bang te maken.
In het bakhuus was ruimte voor een tafel en stoelen en een fornuis om te koken en een kastje voor de etensspullen. Er zat aan de voorkant een raam en in de zijmuur een klein raampje. Het gezin woonde hier in de zomer; dan bleef het huis schoon. De deur stond meestal wijd open en de vliegen konden dan ook zo naar binnen. Als er eten op tafel stond moest je regelmatig de vliegen er af jagen voor je een hap nam, maar niemand ergerde zich er aan.

Als Jaantie brood sneed stond ze altijd bij de tafel. Met de ene hand hield ze de “stoete” (brood) tegen haar borst en met de andere sneed ze er plakken af met een scherp mes. Henk noemde dat altijd een “hellig” mes toen hij nog jong was. Hij kon toen nog niet goed praten en scharrelde wel eens bij Jaantie rond. Dan zei hij tegen haar “Jaje gaag een betie toffie”, wat betekende dat hij van Jaantie graag een beetje koffie wilde. Hij heeft daar toen al geleerd om koffie te drinken.
Achter het bakhuus, meer op de bijenstal aan, stond het huussie met daarachter de zwartebessenstruiken. Er was daar ook een klein grasveldje met een perenboom. In de tuin stonden ook appelbomen. Eén boom stond vlak bij de heg en als Henk daar achter liep, kon hij er met een lange stok bij. In die stok had hij een kromme spijker geslagen en daarmee haakte hij dan achter een tak met appels en trok die over de heg naar hem toe. Klaos had ook de ouderwetse Bellefleur appelboom, waarvan de appels laat in de herfst rijp waren. Ze waren prachtig rood van kleur en lekker zuur. Verder was er een krentenbos. Als ze het meeste er zelf af geplukt hadden, mochten wij de rest opeten.
Er liep een zandweg van de Diek langs Klaos zijn huis achter naar het land. Tussen die weg en de hooiberg was de aardappelhut. De grond er omheen was opgehoogd met daarboven een laag rieten dak. Soms klommen we op het dak en gleden dan naar beneden. Dat mocht niet omdat het dak niet sterk genoeg was. We deden het dan ook maar een enkele keer als we dat beslist niet laten konden.

Klaos had niet alle land bij huis liggen. Een paar stukken hooiland lagen ver in het Westeinde, nog over het spoor. Vanaf de Diek liep een weggetje naar het hooiland. Daar heette het “de Polle” en het was wel ongeveer zeven kilometer van zijn huis.
Een van de stukken hooiland was van Klaos zijn zwager Willem, die bij hem inwoonde. Beide stukken werden altijd tegelijk gemaaid en gehooid. Als het hooi binnengehaald moest worden gingen ze er altijd met twee wagens naar toe. Een wagen lieten ze aan de Diek staan omdat ze bang waren dat ze met twee volgeladen wagens wel eens vast konden komen te zitten op het kleine weggetje. Als beide wagens geladen waren, haakten ze die op de Diek aan elkaar en dan trokken de beide paarden de vracht naar huis. Klaos had maar één paard, het andere paard leende hij dan van een andere boer.
Soms mochten we ’s avonds na het eten wel eens mee om hooi te halen. Het hooi moest met een hooivork op de wagen geladen worden. De een stak het op en de ander zorgde dat het recht op de wagen geladen werd, zodat het onderweg niet zou verzakken. Niet iedereen kon een mooie rechte vracht laden. Moeder heeft wel eens verteld dat haar moeder dat heel goed kon.
Als de wagen geladen was, kwam er in de lengte een “bongel” overheen, een wezeboom. Die zat met een touw vooraan de wagen vast en werd aan het achtereind ook met een touw strak aangetrokken en vastgemaakt.
Het was altijd een feest als we op de terugweg bovenop de vracht hooi mochten zitten. Aornd zat dan ook bij ons en Willem en Gait Jan hadden een plekje op de bok. Willem mende de paarden altijd, want hij kon erg goed met die dieren omgaan.

Bij Klaos achter het huis was een zandgat. Direct achter zijn huis lag een hoog stuk land waar heel mooi wit zand in de grond zat. Dat groef hij er uit en verkocht het aan mensen die toen nog rode en blauwe tegels op de vloer in de mooie kamer hadden liggen. Daar werd eens in de week nieuw en schoon wit zand op gestrooid.
Henk speelde graag bij het zandgat. Toen vader niet ver weg aan het huis van Harm Frielink werkte, kwam hij tussen de middag altijd thuis eten. Henk moest dan ook thuis zijn, maar hij vergat altijd de tijd als hij aan het spelen was.
Vader floot een keer op zijn vuisten en dan nog was Henk vaak te laat.
Om te fluiten legde vader de ene hand op de andere, met de vingers strak aan elkaar. Hij maakte er een holletje van, met de duimen naast elkaar en daartussen een spleetje, waar hij in blies. Het leek op het geluid van een misthoorn, maar dan hoger en het was op grote afstand te horen.
Op een keer zeiden ze dat als Henk weer niet op tijd was, hij niets te eten zou krijgen. Kort daarop gebeurde het weer en kreeg hij niets op zijn bord. Half in de middag kreeg Henk zo’n honger dat hij om een boterham vroeg. Maar nee hoor, hij kreeg niks. De volgende keren was hij wel op tijd als er geroepen werd!

* * *

EEN EEUW BEZIG MET BIJEN, 1 _________________________________________________________

Gees Bartels

Dit jaar bestaat de bijenhoudersvereniging “Nieuwleusen en Omstreken” honderd jaar. Met een tentoonstelling in museum Palthehof wordt daar onder andere aandacht aan besteed.
In dit artikel geven we een overzicht van de ontwikkeling van de vereniging aan de hand van de Notulenboeken en van artikelen in het “Maandschrift voor Bijenhouders”. Aan de beginjaren van de vereniging wordt de meeste aandacht besteed, terwijl de latere jaren minder uitvoerig aan de orde zullen komen.

“Op 25 oktober 1912 kwamen in de cichoreifabriek van de heren Van Cleeff en Stork enige bijenhouders samen om te spreken over het oprichten van een onderafdeling of van een Afdeling van de Vereeniging tot Bevordering der Bijenteelt in Nederland.” Zo beginnen de notulen van de “Bijenhoudersvereniging Dedemsvaart S.S.”, die dit jaar het honderdjarig bestaan viert. De cichoreifabriek was gelegen aan de Dedemsvaart nabij het trein- en tramstation. Het lag dan ook voor de hand dat deze naam gekozen werd: Afdeling Station Staats Spoor Dedemsvaart, veelal afgekort tot St. S.S. Dedemsvaart of Dedemsvaart S.S., later ook Dedemsvaart N.S.
Toen er al lang geen halteplaats voor de trein bij het station Dedemsvaart meer was en de tramlijn langs het kanaal ook was opgeheven, leidde dat tot onduidelijkheid. Per 1 januari 1974 wordt de verenigingsnaam daarom gewijzigd in “Bijenhoudersvereniging Nieuwleusen en omstreken”.

Op de allereerste bijeenkomst wordt een voorlopig bestuur benoemd dat bestaat uit de heren J. van Leusen te Rouveen, K. Zondervan te Den Hulst en R. Bouwhuis in de Maat. Zij krijgen de opdracht om verdere stappen te doen om tot het doel te komen. Na een briefwisseling met de secretaris van de Afdeling Dalfsen en een advies van de secretaris van de landelijke vereniging, de heer L. van Giersbergen, wordt op 19 december 1912 om 3 uur een ledenvergadering gehouden in het naburige café van Huisman.



Als punt 1 staat de verkiezing van het bestuur op de agenda. Gekozen worden: C.J. Zebinder-Baggerman(De naam Zebinder-Baggerman komt verder in deze regio niet voor; mogelijk was hij betrokken bij de cichoreifabriek.), voorzitter, K. Zondervan, secretaris, E. Petter, penningmeester en G.J. van Ankum en R. Bouwhuis als leden. Het tweede punt is de vaststelling van een reglement. Nadat dat in de bestuursvergadering van 23 december 1912 is ondertekend, wordt het opgestuurd naar B. Wigman, de secretaris van de landelijke vereniging.
Omdat deze vooraf nogal bezwaren had tegen de oprichting van deze nieuwe plaatselijke afdeling, wordt er een uitvoerige toelichting aan het reglement toegevoegd. Op 31 december 1912 wordt de “Bijenhoudersvereniging Dedemsvaart S.S.” erkend door het hoofdbestuur.

De bijeenkomsten van de vereniging vinden bijna altijd plaats bij J. Huisman, caféhouder bij het Staats Spoor aan de Dedemsvaart; later Gebroeders Huisman, café F.W. Huisman, café Huisman en Herberg “De Uuthof”.
Vanaf het begin wordt een notulenboek bijgehouden van de bestuurs- en ledenvergaderingen en van praktijklessen en lezingen. Aan de hand van dit notulenboek hebben we geprobeerd een beeld te schetsen van de nu 100-jarige vereniging. En al heeft het er af en toe nogal om gespannen om de vereniging overeind te houden, het is inmiddels een van de oudste verenigingen van Nieuwleusen.

De heer C.J. Zebinder-Baggerman is de eerste voorzitter van de vereniging en blijft dat tot 14 januari 1920. Tijdens die vergadering wordt hij hartelijk bedankt voor alles wat hij geheel belangeloos gedaan heeft voor de vereniging en volgt zijn benoeming tot erevoorzitter. K. Zondervan wordt secretaris en blijft dat nog veel langer. Tijdens diezelfde vergadering in 1920 kondigt Zondervan wel aan te willen stoppen omdat, na het overlijden van zijn vrouw in 1919, hij meer tijd nodig heeft voor zichzelf. Op sterke aandrang van de aanwezige leden trekt hij het ontslag terug en belooft het nog een jaar te proberen. Hij blijft nog secretaris tot in 1923(Klaas Zondervan overlijdt in juni 1924 op vijftigjarige leeftijd.).

In de vergadering van 13 januari 1913, ’s avonds om 6 uur, nauwelijks drie maand na de oprichting, wordt de heer E. Stork(Evert Stork is geboren in Almelo-Stad en overlijdt in Heerde op 31 juli 1918 op 53-jarige leeftijd. Hij was medefabrikant van cichoreifabriek Van Cleeff en Stork.) tot erevoorzitter van de vereniging benoemd. Hij wordt tevens afgevaardigde naar de landelijke Gewone Algemene Vergadering. In dezelfde vergadering biedt Stork, wellicht als dank, een tweetal bijenkasten aan de vereniging aan, waarna men besluit deze op een nader te bepalen dag onder de leden te verkopen. Dat gebeurt op 6 maart wanneer men om 5 ½ uur weer vergadert. Ook wordt dan een boogkorf verkocht die door voorzitter Zebinder-Baggerman is aangeboden. De totale opbrengst van de kasten en de korf is ƒ 6,60.
In de bestuursvergadering van 11 april 1913 besluit het bestuur om nog elf Gravenhorster boogkasten aan te kopen en ook deze onder de leden te verkopen.








Advertentie uit 1916 waarin de helft van Stork’s bijenstand te koop wordt aangeboden.


Gravenhorster (Ravensberger?) boogkast uit de collectie van museum Palthehof.

Dat gebeurt op 25 april met een batig saldo voor de verenigingskas van ƒ 1,60.
De notulen van de vergadering van 19 september 1913, ’s avonds om 6 uur, beginnen als volgt: “De voorzitter opent de vergadering en richt allereerst het woord tot de erevoorzitter: Roept deze een hartelijk welkom toe. Brengt vervolgens nogmaals de dank der afdeling over voor de schenking van twee IJsselkasten en voor het beschikbaar stellen van 11 Gravenhorster boogkorven tegen de lage prijs van ƒ 1,50 per stuk zodat hierdoor aan verschillende leden de gelegenheid wordt verstrekt zich in de losse bouw te bekwamen.”
Nadat over aansluiting bij de op te richten Handelskamer is gesproken, geeft de erevoorzitter in die vergadering te kennen dat lidmaatschap van de vereniging, zijnde ƒ 10,00, het eerste jaar te schenken. “Deze mededeling wordt in hartelijke dank aanvaard en nu wordt zonder stemming besloten dat de afdeling Dedemsvaart S.S. zich bij de Handelskamer zal aansluiten.” Tot afgevaardigde naar de Handelskamer wordt erevoorzitter Stork benoemd.

Landelijke organisatie
De vereniging is aangesloten bij de Vereniging tot Bevordering der Bijenteelt in Nederland (VBBN), al sprak men in Nieuwleusen van de landelijke Algemene Vereniging, met een kantoor in Utrecht.
De VBBN is in 1897 opgericht dankzij de oplettendheid van het Nederlands Landbouw Comité. Dit comité is opgericht om de problemen die zich voordeden in de veel te lang durende landbouwcrisis te onderzoeken en waar mogelijk advies te geven voor verbeteringen. Dat er subsidie kwam voor een organisatie van imkers die de desolate toestand waarin de imkerij zich bevond zou kunnen verbeteren, was voor de imkerij van geweldige betekenis. Al meteen in het volgende jaar verscheen voor leden van lokale verenigingen het “Maandschrift voor de Bijenteelt”.


De Bijenhoudersvereniging vergaderde nagenoeg altijd in het café Huisman bij het spoor. Links zien we de kruidenierswinkel, rechts het café waar Huismannen jarenlang de scepter zwaaiden.

De vereniging in Nieuwleusen was zeer actief en sterk op de praktijk gericht. Het duurde daarom waarschijnlijk nog heel wat jaren voor hier alles volgens de officiële verenigingsregels was vastgelegd. De plaatselijke vereniging moest per lid per jaar 50 cent, later ƒ 1,- afdragen. Daarvoor ontvingen de leden het “Maandschrift voor Bijenteelt” en kon de vereniging gebruik maken van consulenten en deelnemen aan vergaderingen en lezingen. Vooral in de beginjaren, toen men nog weinig ervaring had met het organiseren van verenigingsactiviteiten, ging men bij elkaar te rade en af en toe bij elkaar op bezoek om zaken beter te kunnen uitvoeren. Omdat het per vereniging vaak om kleine ledenaantallen ging, voelde men zich soms machteloos hoe om te gaan met de richtlijnen die van de Algemene Vereniging uit Utrecht werden ontvangen.
Onder de landelijke vereniging waren provinciale afdelingen opgericht, maar in het noorden en oosten van het land was daarvan lange tijd nog geen sprake. De afdelingen Beilen, Oosterhesselen en Hoogeveen namen het initiatief voor de oprichting van een “machtige” regionale bond uit het noorden van het land, om door samenwerking meer invloed uit te oefenen op de Algemene Vereniging, “opdat onze belangen beter behartigd worden”. In 1921 werd het “Reglement van de opgerichte Ring van de afdeling ten noorden van de Overijsselsche Vecht” besproken en men besloot tot toetreding.

De NBBV, met haar lokale afdelingen, was een vereniging van bijenhouders, ijmkers, later imkers genoemd, die zich vooral sterk maakte voor beter vakmanschap en om door samenwerking een betere marktpositie te veroveren. Het streven van de vereniging lijkt wel veel op dat van de coöperaties die in die tijd groot werden en door samenwerking meer mogelijk maakten.

De afdeling Dedemsvaart Staats Spoor
De Bijenhoudersvereniging Dedemsvaart SS werd gevormd op basis van vrijwilligheid en de contributie was vrij laag. Daardoor voelde een deel van de leden zich niet zo verplicht om naar de bijeenkomsten en vergaderingen te gaan wanneer er geen eigenbelang aanwezig was. Regelmatig is daarom ook sprake van het instellen van een boete van vijftig cent voor wie niet aanwezig is. Dit omdat tijdens de vergaderingen meteen de financiële zaken werden afgewikkeld en men voor wie niet aanwezig was een reis naar het huis van die leden moest maken om het verschuldigde geld te innen. De boetes kwamen er wel, maar dat leidde er niet toe dat daarna bijna alle leden op de bijeenkomsten aanwezig waren.
Het ledenaantal schommelde vanaf de oprichting rond de 30 tot 35 leden. Meestal was de helft daarvan aanwezig tijdens de bijeenkomsten. Dat zouden we nu een prachtige score vinden, maar toen had men elkaar veel meer nodig om samen sterk te zijn. En bij kleine aantallen telt ieder lid! Dus is die zorg wel te begrijpen, al is het een beetje saai dit element door de hele geschiedenis van de vereniging steeds als een belangrijk punt terug te zien komen.

In het Maandschrift wordt voor 6 maart 1913 bij “Werkzaamheden van den Leraar” voor het eerst melding gemaakt van een lezing te Dedemsvaart Station SS bij J. Huisman. ’s Avonds om 5½ uur. Onderwerp: De behandeling der bijen in het voorjaar zowel in vaste als losse bouw.
Op 5 juli 1913 wordt in de vergadering van het HB (landelijk Hoofd-bestuur) vastgesteld dat het verzoek van de afdeling Dedemsvaart om het kanaalreglement gewijzigd te krijgen reeds in behandeling is genomen. Wat dat verzoek inhoudt is niet vermeld en ook in de verenigingsnotulen is daarover niets te vinden. Er komt pas duidelijkheid over als in het verslag van de HB-vergadering van 5 mei 1919 te lezen is: “Besloten wordt zoo spoedig mogelijk een adres aan de Staten van Overijssel te richten, met het verzoek, wijzigingen te willen aanbrengen in Art. 5 van het bestaande scheepvaartreglement voor de Dedemsvaart, in dier voege, dat schepen, geladen met bijen, niet alleen van een uur na zonsondergang tot een uur voor zonsopgang, doch ten allen tijde mogen vervoerd worden met recht van voorschutting en dat tevens geen vergunning meer nodig zij voor ’t vervoer van bijen op de Dedemsvaart.”

C.J. Zebinder-Baggerman schrijft in januari 1914 een brief naar het Maandschrift waarin hij zijn ongenoegen laat blijken over het feit dat plaatselijke afdelingen rechtspersoonlijkheid moeten bezitten om lid te kunnen worden van de handelskamer, terwijl de indruk was gewekt dat dit zou kunnen onder de vlag van de rechtspersoonlijkheid van de VBBN. (Later wordt dit inderdaad op deze wijze opgelost.)
Ook uit hij zijn bezorgdheid in november 1916 vanuit Huize “De Helmhorst” in een open brief aan het Maandschrift over het feit dat er over niets anders dan over examens wordt gepubliceerd.
“Toch moet het hoofdbestuur niet uit het hoofd verliezen dat onze vereniging is een verzameling van beroeps ijmkers, hoezeer ik persoonlijk ook goedkeur dat de ijmker zich algemene ontwikkeling eigen maakt, ’t is niet liefde tot de natuur alleen die hem drijft, doch voornamelijk de geldelijke “inkomsten” mijne heren, niet “het examen”! Help ons liever aan een goede handelskamer, geen examinandi, maar handelsmensen, die een plattelandsijmker geld helpt verdienen”. Dan volgt een rij van klachten over het slecht functioneren van de handelskamer en “In ons hoofdbestuur moeten beroepsijmkers zitting nemen. Ook in onze handelskamer. Welke accountant stelde die prachtige begroting der kamer samen? ’t Is met de klompen aan te voelen mijne heren en … de voorgeschoten gelden uit het suikerpotje, hoever zijn die ingeteerd? (….) Komt afdelingen, breng een en ander eens ter sprake; de winter is een heerlijke tijd om eens over de honing- en washandel te spreken. Met dank voor plaatsing.”
Uit de brief kunnen we opmaken dat de leden van de vereniging Bijenhoudersvereniging Dedemsvaart SS uit de verre omtrek kwamen, want Huize Helmhorst stond aan de (nu) Helmhorstweg, het verlengde van de Kuyerhuislaan, die van Berkum naar Herfte voert.
Uiteraard reageert het bestuur met onder andere: “Zonder kennis geen vooruitgang. Het examen prikkelt tot kennisneming en die komt later ’t algemeen ten goede.”
De Afdeling Handel, “handelskamer” genoemd, wilde bevorderen dat er prijsafspraken kwamen omdat de honing veel te weinig opbracht en dat de verenigingen gezamenlijk imkermaterialen zouden gaan aanschaffen, waardoor de invloed op kwaliteit en prijzen groter kon worden. De handel kwam op gang en ging via het Bijenhuis.

Ledenvergaderingen
De ledenvergaderingen vonden meestal twee keer per jaar plaats in café Huisman bij Dedemsvaart SS. In de beginjaren in januari en juli, maar later ook wel in andere maanden. Maar het karakter van de vergadering in de winter en het najaar bleef gelijk. De najaars-vergadering werd vooral gebruikt om de honingverkoop te regelen en de suiker te bestellen en te betalen.

Suikerbestelling was een belangrijk punt in de vereniging. Hoewel het nergens is te lezen, is gezamenlijke inkoop (en dus goedkoper) wellicht een aanleiding geweest tot oprichting van de vereniging.

Voor het eerst is er sprake van suikerbestelling in de notulen van de vergadering van 7 februari 1913.
Er werd een hoeveelheid van 350 kg voor 433 opzetters (volken) besteld. In de vergadering van 1 september 1913 van datzelfde jaar is dat 1900 kg voor 472 opzetters, waar in de vergadering van 19 september nog 200 kg bijkwam en 63 volken.



Fedde Huisman, eigenaar van café Huisman bij het spoor.

Dat er veel bijenvolken waren blijkt dus wel uit de bestellingen die geplaatst werden.

Nog enkele voorbeelden van suikerbestellingen:

september 1916
augustus 1917
augustus 1918
augustus 1919
juli 1920
augustus 1921
september 1925

2250 kg voor 650 volken
1550 kg voor 550 volken van 23 leden
2300 kg voor 25 leden = ƒ 520,--
2800 kg voor 30 leden = ƒ 557,--
4400 kg
1250 kg voor 491 volken van 22 leden
1600 kg voor 25 leden

In 1921 wordt ook een berekening voor de verkoop van honing gemaakt en geschat op 3000 pond geperste honing. De secretaris wordt gemachtigd de honing te verkopen. Deze procedure volgt men ook in de jaren daarna.

In 1914 bemiddelt de vereniging bij de in/verkoop van bijenkasten. Er worden 21 kasten verkocht aan de leden. De operatie levert de vereniging een nadelig saldo op van ƒ 14,60. Op 14 juli 1914 moet het bestuur bovendien meedelen dat de leverancier niet in staat was geweest om alle kasten te leveren. Men besluit daarom een nieuwe bestelling bij een andere leverancier te plaatsen.
Op 27 maart 1914 worden Simplec-kasten verkocht: 1 kast aan H. Zondervan voor ƒ 7,50. Die zou als proefkast voor de vereniging dienst doen. R. Bouwhuis kocht 8 kasten voor ƒ 31,25 en H. Compagner kocht een kast voor ƒ 4,50.
Op 15 december 1914 besluit men om door doelmatige reclame het gebruik van honing te bevorderen, onder andere door het plaatsen van advertenties.
Op 5 januari 1915 schetst de voorzitter het handelsklimaat: ijmkers lijden onder de druk der tijden, die de afzet bemoeilijkt. Maar het wordt gaandeweg beter en men kijkt met moed naar de toekomst. Om de kosten op te vangen die misschien gemaakt moeten worden, krijgt het bestuur het mandaat van de leden om bij de bestelling van suiker 1 opcent te berekenen, die alleen in rekening zal worden gebracht als het nodig is. Het mandaat blijft, ook als het niet nodig is die cent te berekenen.


Het café (links) van Teunis Mol met rechts zijn bakkerij en winkel. Voor Mol zat er Doggen, na hem kwamen Jonker, Hoekstra en Dunnink.

Lezingen
Op 18 februari 1915 ’s middags houdt H. Meertens uit Assen een lezing over het winnen van raathoning. Er zijn 22 toehoorders. Hij geeft aan dat raathoning volkomen blank moet zijn en dat er geen broed in de raat mag zitten. Vervolgens behandelt hij de verschillende typen korven, van ronde strokorf tot de Hollandse Magazijnkorf. Die laatste korf beveelt hij sterk aan.

Op 18 oktober 1915 is er ’s avonds om 6 uur in café van A. Dogger in Nieuwleusen (bedoeld is Doggen aan het Westeinde) een lezing georganiseerd door het hoofdbestuur over: Hoe kan men lichte bijenvolken het best en voordeligst door de winter brengen.
Op 28 februari 1916 houdt S. van Giersbergen een lezing over zwermen; het ontstaan, het bevorderen ervan en het beletten ervan, waarbij het voer steeds een belangrijke rol speelt. Vooral slordig omgaan met suiker is vaak de oorzaak van problemen.
Op 24 juli 1916 komt S. van Giersbergen nog een keer. Dit keer voor een serie praktijklessen. Om 10 uur begint men op het bijenpark Het Wilde van de heer Stork, waar ruim 100 Simplex-kasten staan, “door den leeraar een der best ingerichte standen van ons land genoemd”. Helaas is de opkomst zeer laag ten gevolge van de hooidrukte en het feit dat veel leden druk zijn met het zwermen van bijen in de eigen stal. Na de middag worden 2 stallen in Den Hulst bezocht, “waar de boekweit de beste dracht gaf en de heide zich prachtig liet aanzien”. en daar wordt les gegeven in vastebouw (dat is in strokorven). Verschillende kasten worden vergeleken: de kast van het Heeshuis beviel slecht en de NWJ kast van Breda, ook de simpele kast, liet zich goed aanzien.
Op 6 maart 1917 zou Van Giersbergen opnieuw komen om een lezing te houden, maar in plaats daarvan kwam er een telegram binnen met de mededeling “dat de trein was vertrokken en de leraar niet meegekomen was”. In 1916 en 1917 houdt “de bedoeling meer vastigheid te verkrijgen” van het H.B. de gemoederen bezig. (H.B. is hoofdbestuur van de Algemene Vereniging). In een brief dringt ze er bij de vereniging op aan statuten te laten maken en daarvoor koninklijke goedkeuring aan te vragen en te zorgen voor een ledenregister dat is ondertekend door de voorzitter en een afgevaardigde naar de Algemene Vergadering te benoemen. “Dan was ’t zaakje rond”, zoals de secretaris notuleert. Maar op voorstel van het bestuur wordt besloten niet op het voorstel van de H.B. in te gaan.
In het jaarverslag van 1918 lezen we dat de vereniging toch al een eigen rechtspositie heeft en zich heeft laten inschrijven bij de Kamer van Koophandel.

Perikelen
8 januari 1918 is een vergadering met een volle agenda.
Er wordt gesproken over de oprichting van een Coöperatieve honingzeemerij (maar daar is later in de notulen niets over terug te vinden). De afdeling Haaksbergen, uit de ring Doetinchem, vraagt aandacht voor een verbetering van de gedenatureerde suiker.
De heer E. Bulder, wonend bij Sluis 4 aan de Dedemsvaart, heeft een jaar lang tot ieders tevredenheid de taak van controleur waargenomen. Besloten wordt dat als het nodig mocht zijn, hij die functie weer zal waarnemen. En er wordt een jaarlijkse vergoeding van ƒ 10,- voor de secretaris vastgesteld. In december 1920 wordt die vergoeding verhoogd naar ƒ 15,-. Ook wordt in die vergadering van 1920 de contributie verhoogd van ƒ 1,- naar ƒ 1,50, omdat het hele bedrag van ƒ 1,- moet worden afgedragen aan het H.B. en de porto voor brieven en briefkaarten ook verhoogd is.


“Herberg De Uuthof”, het vroegere café Huisman omstreeks 1985, waar de Bijenhoudersvereniging tot aan de sluiting vergaderde.


In 1925 wordt een voorstel om te komen tot het splitsen van de vereniging in twee afdelingen wegens de grote uitgestrektheid weggestemd. Maar vanwege diezelfde uitgestrektheid wordt ook niet overgegaan tot de aanschaf van een wassmelter.

Op 7 januari 1927 neemt secretaris E. Boesenkool afscheid en wordt opgevolgd door D. Zondervan. Voor het niet verschijnen op vergaderingen wordt de boete op 25 cent bepaald. Hierna volgt een verkoping van imkergereedschappen die ƒ 16,20 opbrengt. Ieder van de 28 aanwezige leden krijgt daarvan 50 cent uitgekeerd. Er zijn nog “220 cent over. Ook dit werd nog verdeeld onder de leden door ze te tracteren op een sigaar.”
Op 21 januari wordt voor 30 personen een lezing gehouden door meester D.J. van der Meulen, hoofd der openbare lagere school te Ankum, over “Hoe de kleine imker op de voordeligst en practische wijze kan werken met zijn iemen”. Op de vergadering van 26 augustus 1926 had het bestuur al gezegd “dat het in eigen belang is lid te zijn en de vergadering bij te wonen en dat zij zo de suiker krijgen en dan moeten ze ook maar de moeite getroosten om een reisje er voor over te hebben”.
Op 6 december 1929 komt het probleem van nauwe betrokkenheid bij de activiteiten van de vereniging opnieuw aan de orde. Aanwezig zijn dan 13 leden, terwijl de vereniging inmiddels 50 leden telt. 33 leden betaalden de contributie van ƒ 1,50 en van de rest moest de contributie weer worden opgehaald. Besloten wordt aan hen ƒ 0,25 opslag in rekening te brengen. Bovendien wordt gewaarschuwd dat wanneer het bestuur ontdekt dat iemand suiker bestelt voor een buurman of vriend, hij de rijksambtenaar, belast met toezicht, op bezoek kan krijgen. ”En dan weet ieder lid wel die zulks doet, dat hij op de bon gaat. Men zij dus gewaarschuwd.”

* * *

ZOEKPLAATJES _________________________________________________________

Zoekplaatje nummer 16 leverde een reactie op. Men dacht kinderen Hekman van het Westeinde te herkennen. Maar de kinderen Hekman, herkenden zichzelf daarin niet. De vraag blijft dus nog open.


Foto 17: Boerderijtje aan straatweg. Rechts lijkt een bordje van een bushalte te staan, wat er op zou kunnen duiden dat deze woning aan het Westeinde gezocht zou moeten worden.


Foto 18: Een besneeuwde weg met de zon van rechts. Het lijkt het Westeinde maar gezien de breedte van de weg en de weinig sporen in de sneeuw is het de vraag of we het daar moeten zoeken.

* * *

EEN WILDEMAN _________________________________________________________

Uit: Voorwaarts, sociaal-democratisch dagblad van 27-05-1926

Een moeilijke arrestatie.
Zekere K. K. is te Nieuwleusen een berucht persoon, schrijft de N.R.Ct. De burgemeester en het hoofd der school hebben de laatste jaren veel onaangenaamheden met hem gehad. Verschillende malen is hij veroordeeld omdat hij weigerde zijn kinderen naar school te zenden. Eenige weken geleden werd hij veroordeeld tot 6 weken gevangenisstraf, wegens bedreiging van den rijksveldwachter Schaap. Hij had dezen een revolver voorgehouden, den trekker overgehaald, maar het schot ging niet af doordat de kogel in het wapen vastgeroest zat. Gisterenmorgen kwamen de gemeenteveld-wachter Holthuis (bedoeld is Holties, red.) en de rijksveldwachter Schaap bij K., die op het veld bij zijn huis was en zeiden hem, dat hij mee moest, om 6 weken te ondergaan.
“Dat verd.... ik”, zei K, trok een mes en stak naar Holthuis. Deze greep zijn pols en wist door zich te bukken het wapen te ontgaan, hij moest echter de pols loslaten en toen stormde K. op Schaap in, die hem echter ook wist te ontwijken. Schaap had intusschen zijn revolver getrokken en schoot K. recht voor het hoofd. Verbaasd, dat het schot geen uitwerking had, week Schaap achteruit, waarop K. in zijn huis ging en de deur sloot. De politiemannen gingen daarop den burgemeester halen, die onmiddellijk meeging, terwijl nog twee marechaussees zich bij hen voegden.
Bij de woning van K. gekomen, vonden zij de deuren gegrendeld. Op last van den burgemeester werd de deur ingerameid, waarna bleek, dat K. naar den zolder was geweken en de ladder had opgetrokken. De broer van K. slaagde er in hem te overreden naar beneden te komen en zich over te geven. Hij kwam daarna van boven, nog gewapend met het mes en een bijl. Deze werden hem afgenomen, waarna hij in het gemeentehuis te Nieuwleusen verbonden werd. Het schot was de linkerwang ingegaan, door de neus en zit vermoedelijk nog in de rechterkaak. K. is per auto naar het Paleis van Justitie te Zwolle gebracht, voor den officier geleid en daarna in het huis van bewaring opgenomen.

* * *

Foto achterpagina _________________________________________________________

Mandenmaker Evert Stolte omstreeks 1940 aan het werk op een boerenerf aan het Westerveen.






Jaargang 30 nummer 3 september 2012


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina _________________________________________________________

Imker Klaas Kreuleman, die in het Ruitenveen woonde, bij zijn bijenstal. De foto dateert van omstreeks 1965

* * *

EEN EEUW BEZIG MET BIJEN, 2 _________________________________________________________

Gees Bartels

Dit najaar viert de “Bijenhoudersvereniging Nieuwleusen en omstreken” zijn honderdjarig bestaan. In een tweetal artikelen belichten we de geschiedenis van deze vereniging, die een van de oudste plaatselijke verenigingen is. In het eerste deel dat in het juninummer is gepubliceerd, zijn de oprichting en de eerste ongeveer twintig tamelijk moeilijke en roerige jaren besproken. In dit tweede deel zijn de overige jaren aan de beurt.

De dertiger jaren
In 1931 is er een brief met de vraag van de Landbouwvereniging Nieuwleusen en Omstreken of de vereniging nog wil inzenden voor de tentoonstelling op 5 en 6 september. Er wordt besloten dat er enige potjes honing, raathoning en een stuk was zullen worden ingezonden.
In 1936 blijkt dat er weinig verandert in de vereniging. Op 20 maart zijn er ’s avonds om 7 uur aan het begin van de vergadering 16 leden aanwezig “wat later in de avond nog kwam op 29 leden.” In diezelfde vergadering maakt de secretaris de aanwezigen attent op het 25-jarig bestaan op 25 oktober 1937. Daarop wordt door de heer J. Steger-man voorgesteld om indien het dan mogelijk is dit jubileum niet ongemerkt voorbij te laten gaan. Later lezen we er niks meer over zodat er, waarschijnlijk mede door de crisisomstandigheden, geen aandacht aan dat jubileum is besteed.
Op 11 september 1936 vergadert men om 5 uur. Er zijn dan 15 leden aanwezig, dat later in de avond oploopt naar 49. Ook nu weer zijn er zoveel leden te laat en duidelijk alleen met de intentie suiker te bestellen, dat de voorzitter al zijn overredingskracht moet aanwenden om toch eerst de notulen te kunnen behandelen. Daarna wordt J. van de Berg te Kampen als bestuurslid gekozen. Hierna volgt de suikerbestelling: 3450 kg voor 544 volken.
De vergadering van 20 augustus 1937 begint om 7 uur “zomertijd” en er wordt 2900 kg suiker besteld. Het is een lange zit want de vergadering duurt tot 10 uur en “toen was het bestuur zover gevorderd


Frans Masselink bij zijn bijenstal.

dat ze weer eens konden gaan. Na lang rekenen en optellen was er toch een gulden op stap”.
Op 10 december zijn de bestuursleden Zondervan en Van Ankum aftredend. De voorzitter stelt voor ze bij acclamatie opnieuw te benoemen maar daar wordt door een paar leden bezwaar tegen gemaakt. Bij de stemming krijgt Bouwman meer stemmen dan Van Ankum en komt dus in het bestuur. De aanwezige leden gaan akkoord met het verzoek van secretaris Zondervan om zijn salaris met ƒ 5,- te verhogen.
In 1938 hamert het bestuur er nog maar weer eens op dat wanneer men niet voor 1 december het lidmaatschap opzegt, men voor een vol jaar aan de financiële verplichtingen vastzit.
Op 2 december 1938 wordt aan elk aanwezig lid “één keer een vertering” aangeboden. Later besluit het bestuur om dit elk jaar op deze vergadering te doen “als het tenminste kan”. Of dit een traditie is geworden is niet bekend, feit is evenwel dat anno 2012 de koffie op de ledenvergaderingen nog steeds uit de verenigingskas wordt betaald.
Dat de suikerbestelling erg belangrijk is, vernemen we ook uit de notulen van de vergadering van 5 september 1939 wanneer de leden weer verzoeken om vooraf suiker te bestellen. “Zodoende kreeg de secretaris geen gelegenheid tot voorlezen van de notulen of enige voorwaarden van de suikerlevering en -bestelling.” Er wordt ruim 2300 kg suiker besteld, zodat het bestuur de volgende morgen direct een bestelling plaatst en betaalt van 2400 kg. “En ’s avonds waren er weer enige leden die verzuimd hadden om suiker te bestellen. De één had dienst, een ander had het vergeten. En de derde was naar een begrafenis geweest. Een paar dagen later kwamen er anderen met nog weer andere redenen. Allen pleitten ze er voor om vrij te komen van de cent op de kilo die na de vergadering genomen moet worden. Mocht hier eens een einde aankomen”, verzucht de secretaris.

Tweede wereldoorlog
In de tweede Wereldoorlog probeert het HB de landelijke vereniging zelfstandig en los van de bezetter voort te zetten. In oktober 1942 wordt het HB echter al van zijn functie ontheven. In 1941 was al beslag gelegd op de goederen van de Afdeling Handel. Een ieder die bijen hield werd geacht lid te zijn van de vereniging die ressorteerde onder de Kleindierenteelt van de Nederlandse Landstand.
De suikerlevering blijft in 1942 en 1943 in stand en er wordt per imker een kilo tabak beschikbaar gesteld. Via het Bijenhuis wordt de distributie geregeld. De levering van honing moet gedeeltelijk via het Bijenhuis gebeuren, maar daaraan werken de meeste imkers niet mee. Immers, men heeft, nu de honing tijdelijk weer een belangrijke rol speelt als zoetmiddel, veel tevreden klanten dicht bij huis.
In de vergadering van 29 maart 1940, de laatste voordat de oorlog uitbrak, behandelt de vereniging een verzoek van het HB om bijen naar de fruitstreek te sturen. Omdat het te kort dag is om er op te reageren zal het verzoek in de najaarsvergadering worden behandeld.
Na de vergadering van 29 maart is het een tijdje stil, totdat het notulenboek als kop aangeeft: “Suikerbestelling voorjaar 1942. Zitting in de zaal F.W. Huisman te Dedemsvaart SS.” Een nieuw kopje dus boven de notulen. Dat komt omdat: “Daar er tegenwoordig geen vergadering mag worden gehouden of eerst moeten aanvragen, worden de stukken behandeld in een zitting van suikerbestellingen.” In dit tezamen zijn worden de bestuursvacatures, ontstaan door het overlijden van H. Compagner, april 1940, en J. Stegerman, voorjaar 1941, ingevuld door J. van Aarst, hoofd der school te Nieuwleusen, en R. Bovenhuis, landbouwer te Rouveen. Er worden twee imkerhand-boeken besteld, een voor Nieuwleusen en een voor Rouveen en er wordt 1050 kg suiker besteld. Of dit de enige keer in de oorlog is


geweest dat men bij elkaar kwam is niet bekend. Er zijn geen notulen meer uit die jaren. In elk geval ging de suikerverstrekking in die jaren gewoon door, zoals blijkt uit bovenstaande bon uit het bewaard gebleven “register van geleidebiljetten van suiker” uit 1944.

Na de oorlog
In de vergadering van 22 februari 1946 volgt de vereniging de aanbeveling op van het HB aan alle verenigingen om het huidige bestuur, dat zich wel opnieuw verkiesbaar mag stellen, af te laten treden. K. Bouwman, D. Zondervan, J. van Aarst en R. Bovenhuis worden herkozen. G. Schoemaker, al 27 jaar voorzitter, heeft te kennen gegeven dat hij zich vanwege zijn hoge leeftijd niet herkiesbaar stelt. In zijn plaats wordt zijn zoon A.J. Schoemaker gekozen. Daarna volgt de suikerbestelling. Daarvoor is de suiker al binnen omdat er, in verband met het hoge water, voor alle zekerheid al een bestelling was geplaatst.
Op 2 februari 1950 wordt meegedeeld dat J. van Aarst is vertrokken naar Wageningen en daar nu assistent is van de Rijksbijenconsulent. In zijn plaats wordt G.J. Klunder benoemd als nieuw bestuurslid. De andere bestuursleden zijn: A. Bouwman, voorzitter, H. Kijk in de Vegte en A.J. Schoemaker. D. Zondervan geeft aan dat hij niet langer dienst wil doen als secretaris, een taak die hij in 1927 heeft overgenomen van E. Boesenkool. Hij blijft echter nog zeventien jaar in functie.
In de vergadering van 22 februari 1952 zijn 43 leden aanwezig en er wordt door 32 leden 630 kg suiker à 58 cent besteld voor 164 volken. Maar er is nog een bijzondere reden om met zoveel leden aanwezig te zijn. De secretaris van het hoofdbestuur spelt namelijk tijdens deze bijeenkomst de Medaille van verdienste van de VBBN op de borst van jubilaris Derk Zondervan. Hij schetst Zondervan als een persoon die voor iedere imker altijd klaar staat. Van de eigen leden krijgt de


Secretaris Derk Zondervan met echtgenote Hendrina Zondervan-Van der Kolk bij zijn 25 jarig jubileum als secretaris.

jubilaris een rookstoel aangeboden. D. Zondervan maakt later zelf de notulen van de bijeenkomst en vermeld ook de benoeming van F. Masselink als voorzitter en dat de aanbeveling wordt gedaan om tijdens een gezellig samenzijn met de burgemeester te praten om houtgewassen in de verkaveling te plaatsen die ook honing geven. Bovendien schrijft hij: “Diep onder de indruk te zijn dat mijn werk door bestuur en leden zo gewaardeerd werd. En tenslotte voeg ik hier nog aan toe, of het nu bij deze notulen hoort of niet. Maar ik ben bijzonder blij met de waardering die mij deze avond werd toegeschikt van mijn 25-jarig jubileum der Afdeling Dedemsvaart SS en zeg nogmaals allen hartelijk dank die er aan meegewerkt hebben met gave en daad. Want mooier geschenk had mij de afdeling niet kunnen geven. Ik geniet er alle dagen van.” Op 3 maart 1953 geeft J. van Aarst een lezing over het leven der bijen; vooral leerzaam voor de jongeren. Bouman is wegens ziekte afwezig en H. Kijk in de Vegte wordt benoemd tot voorzitter.


Het briefje met de uitnodiging voor de viering van het vijftigjarig bestaan.

Na deze notulen is het (eerste) notulenboek vol. De behoefte aan een nieuw boek is kennelijk niet aanwezig, want gedurende een lange tijd is dat niet meer bijgehouden. Wel zijn er van een aantal jaren jaarverslagen opgemaakt, waardoor er toch wat bekend is over het gebeuren in die periode.

Onder grote belangstelling werd op woensdag 19 december 1962 in “de vernieuwde zaal van de gebroeders Huisman” het vijftigjarig bestaan gevierd. Secretaris D. Zondervan is in de geschiedenis van de vereniging gedoken en vertelt er over op deze bijeenkomst. Hij leest voor uit de notulen van de eerste vergaderingen van 1912 en 1913 en geeft dan “enige historische toelichting. Waar die bijenhouders bij elkaar kwamen was de voormalige cichoreifabriek waarvan nog ongeveer de helft staat. Twee van die fabrikanten, Stork en Baggerman, hebben er aan meegewerkt. Meneer Stork had zijn bijenpark, "Het Wilde" genaamd, hier aan de westkant voor het spoor. In het huis waar thans (1962) Willem Meijer woont, woonde toen Paul de Vries, die imker en tuinman was van Stork. Baggerman had zijn bijen bij zijn huis in de Watersteeg bij Zwolle.” Zondervan kan niet nagaan hoeveel leden er in de eerste opzet waren, maar vermeldt wel dat dokter Risselada daar ook toebehoorde.

In 1972 bestaat de vereniging 60 jaar en heeft 32 leden. Tijdens een feestelijke bijeenkomst, met vertegenwoordigers van het hoofdbestuur en gemeentebestuur ontvangen H. Hoes en K. Kreuleman,

Klaas Kreuleman in zijn betegelde woonkamer met aan de wand de gevlochten versiering die hij in 1978 kreeg bij zijn 60-jarig lidmaatschap van de vereniging.


die al 55 jaar lid zijn, van burgemeester Mulder een miniatuur gemeentevlaggetje op staander en van de vereniging een (H.H.) bijenkorf en (H.K.) bijenkast. Het bestuur bestaat uit H. Troost, voorzitter, H. Hoes, secretaris, H. Kreulen, G. Klunder en J. Groen.

In 1973 worden van 12 mei tot 9 juni 124 kasten geplaatst bij koolzaadvelden in oostelijk Flevoland. Van 29 juni tot 4 augustus worden er 72 op de dophei bij Ruinen geplaatst, maar dat leverde weinig honing op. Van 11 augustus tot 15 september plaatst men 203 kasten op de struikheide bij Wezep. Het levert wel wat honing op, maar toch komt men met veel lege kasten thuis.
Terugkijkend op het jaar moet men constateren dat de thuisblijvers evenveel of meer honing hebben vergaard dan de reisgenoten.
In 1974 hield J.J. Nijdam, hoofd van de Chr. Basisschool aan het Westeinde, in zijn hoedanigheid als amateur wijnmaker, een lezing over zijn hobby en kon daarbij de verschillende wijnsmaken laten proeven. De leden prezen de wijn in lovende bewoordingen.

De tachtiger jaren
In de tachtiger jaren treedt de vereniging actief naar buiten, o.a. met demonstraties en tentoonstellingen in de openbare bibliotheek en in de sporthal. Ook wordt met een versierde wagen aan optochten deelgenomen. In het Noorderpark (bij de Hulstkampen) prijkt sinds 1982 een Safora Japonica (honingboom) die door de vereniging is geschonken, nadat de in 1977 geplante boom het niet had overleefd.
Uit het jaarverslag van 1981 blijkt dat als stuifmeelbronnen gebruikt worden: wilgen in Zwartewaterklooster, koolzaad- en distelvelden in de Flevopolder en dopheidevelden. De koolzaadvelden zijn na het


Burgemeester Mulder plant in 1977 de honingboom in het Noorderpark. Links in het zwart Klaas Kreuleman, voor hem met pijp Jan Groen.

droogvallen van de Flevopolder in 1968 aangelegd ten behoeve van de grondverbetering en leveren plantaardige olie op. Het wegbrengen en ophalen van de korven naar het oostelijke deel van de Flevopolder gebeurt met vrachtauto’s van Borger uit Den Hulst of Mennink uit Balkbrug. Dat ging met de nodige risico’s gepaard, want het kon zomaar gebeuren dat wanneer de vrachtauto het veld inreed, die opeens wegzakte omdat de grond nog niet goed ingeklonken was. Er was dan een tractor nodig om de vrachtauto weer los te trekken en omdat er nog geen boerderijen in de omgeving waren, moest men dan helemaal naar Harderwijk om hulp te halen. Bij het wegbrengen kunnen de achterblijvers dan intussen de kasten al uitzetten, maar bij het ophalen is het veel problematischer. De korven zitten dan vol honing en bijen en bij de thuiskomst zijn de korven dan helemaal nat en warm. Bij het wegbrengen van de bijen moet men heel goed opletten waar in de wijde, kale polder de kasten worden neergezet omdat men ze later bij het ophalen ook weer terug moet kunnen vinden. Daarnaast brengt men tot in België de bijen weg. Dat moet steeds ’s morgens heel vroeg of ’s avonds laat gebeuren omdat de bijen dan in de kasten zitten.

Op 2 september 1982 zijn 19 leden ter vergadering aanwezig. De contributie wordt vastgesteld op ƒ 45,-. Er komt een werkverdeling voor de tentoonstelling van 10 tot 14 oktober in sporthal de Schakel ter gelegenheid van het 350-jarig bestaan van Nieuwleusen.
1982 is een dramatisch jaar voor de Nieuwleusense bijenhouders door bespuiting van de koolzaadvelden. De bijen werden al vroeg uitgezet en bij controle hangen de vliegbijen verkleumd in trossen aan de koolzaadplanten. Waarschijnlijk zijn ze niet geaccepteerd door de huisbijen. Er ontstaat een massale sterfte met lege kasten als gevolg. Gelukkig wordt in de loop van de zomer de schade in sterfte van de volken toch weer wat ingelopen dankzij de gunstige weersontwikkeling. De secretaris stuurt een lijst met vermelding van aangetaste volken van de ongelukkigen van de spuitschade op de koolzaadvelden op naar Wageningen.

Tijdens de feestelijke vergadering van 21 maart 1983 zijn traditiegetrouw ook de dames aanwezig. Hun meegebrachte bakproducten, met honing als belangrijk ingrediënt, worden gekeurd en de drie winnaressen ontvangen een slagroomtaart. De winnaar van de verloting ontvangt een bijenkorf “fabricaat Jan Groen”.
In de vergadering van 21 juni 1983 geeft spreker Hazenberg een gratis medisch advies ter smering van de gewrichten: ”Men neme een stukje verse bijenwas en een teentje knoflook. Hierop goed kauwen. Helpt beslist!” Jan Groen zegt ook een goed smeermiddel te kennen, maar wil zijn geheim niet prijsgeven.


Om vijf uur op een beetje mistige morgen in 1987 staat de stoet langs het Westeinde gereed voor vertrek naar de koolzaadvelden.


Op een mooie vroege morgen in 1987 op het terras bij de visboer in Elburg.

In 1984 is de varroamijt, de grote schrik van de imker, ook in Nieuwleusen beland. Deze mijt, die een jaar eerder al in Avereest was aangetroffen, is een parasiet die een heel bijenvolk in drie jaar kan uitroeien. Het “beroken”, een alternatief middel ter voorkoming van de komst van de mijt en geadviseerd door Het Bijenhuis, heeft geen effect.
In 1985 heeft de vereniging 24 leden met 149 volken. Kasten worden geplaatst bij wilgen, koolzaad (kosten koolzaadreis per kast ƒ 3,50), dopheide en struikheide. Plaatsing van de kasten bij Ruinen leverde een conflict op met “de Friezen”. Plaatsing op het schietterrein bij Oldebroek was niet meer mogelijk, maar het Gelders Landschap biedt een goed alternatief. Toch is er aan het eind van het seizoen sprake van een matige oogst vanwege de vele regen en te weinig warme dagen. Een van de leden moppert zelfs dat hij welhaast een bijstandsuitkering moet aanvragen, terwijl de bijen hem er doorgaans juist zo goed doorheen helpen en hij van de honingopbrengst tot dan toe zelfs wel eens een mooie reis naar een ver land kon maken.

Anekdotes en wetenswaardigheden
Vooral uit de tachtiger jaren bestaan veel anekdotes en wetenswaardigheden waarover de leden van de vereniging nog graag verhalen. Hieronder volgen er enkele:

Voor het vervoer van een bijenvolk is het belangrijk dat de kast of korf gesloten is zodat het volk bij elkaar blijft in hun eigen omgeving. Omdat ze ‘s nachts naar hun verblijf terugkeren, gebeurt het vervoer in de vroege morgenuren.


Als de bijenvolken weer naar de koolzaadvelden werden gebracht of daar stonden, was het gebruikelijk om visboer Hoeve in Elburg met een bezoekje te vereren. De vrouw van de visboer, waarvan de toenmalige voorzitter Hendrik Troost iedereen probeerde wijs te maken dat het zijn zuster was, opende de zaak dan ’s morgens om zeven uur speciaal een tijdje voor de imkers van Nieuwleusen. Terug ter plaatse werd vaak koffie gedronken bij imker Hoes aan de Staphorsterweg.


Soms was er wel een “te veel” geld in kas. Dat werd dan besteed aan een uitje dicht in de buurt of iets verder weg. In Oud Avereest was het kleine boerencafé Karsies, waar “opoe” Klaasje graag een drankje serveerde. In een kom werden stukjes droge worst rondgedeeld die ook gretig werden afgenomen. Als de nood hoog begon te worden, moesten de mannen naar buiten en zochten daar een “Hersi” reclamebord op, dat dan als spatscherm dienst deed.



“Potverteren” in café Karsies in Oud Avereest waar Klaasje Karsies (links) worst heeft uitgedeeld aan (o.a.) Gerrit Jan Schuurman en zijn vrouw Jentje Schuurman-Paasman.

Imkers roken meestal een pijp bij het dichtmaken van de bijenkasten. Onder de plaatselijke imkers waren stevige rokers; Jan Groen stond ook bekend als “Jan mit de piepe”. Hendrik Hoes vond zijn genot in pruimtabak.


Het gebeurde eens dat men in de polder stond met een lekke band. Een reserveband was niet aanwezig en daarom moest die thuis worden gehaald. Enige heren bleven bij de auto en kregen bezoek van enkele toeristen. Uiteraard werd er over bijen gepraat en de vraag kwam of de bijen ook staken. “Nou of ze steken, we hebben de band al lek!”


Om de bijenkasten op de gewenste plek neer te zetten moest eens over een smalle plank worden gelopen. Dat viel niet mee en op een gegeven moment kwam Jan Groen met een kast met bijen te vallen. Die raakten in paniek en belaagden hem daarom als verstoorder van de rust. Ze kropen overal, zelfs in zijn kleren. Dat was allerminst prettig. Maar Jan bedacht zich niet lang, trok alles uit en sprong spiernaakt in het water. Na enige tijd was de rust weer gekeerd, zowel bij Jan als bij de bijen.


Om op het militaire schietterrein te komen moest men eerst vragen of er geen oefening was. Bij de beheerder moest de sleutel van het toegangshek worden gehaald. Voor een vette worst kon nog wel eens wat worden geregeld. Het telkens halen van een sleutel was wel lastig; het was veel handiger als er meerdere sleutels in omloop waren. De sleutelmaker was snel gevonden.


De commandant gebruikte het schietterrein soms ook wel eens voor andere doeleinden. Een jachtpartijtje met vrienden is altijd leuk, maar als er dan een imker tussen de jager en een ree verschijnt bederft dat de vreugde behoorlijk. En op zondagmorgen is het een handig terrein om je dochter autorijles te geven, maar ook daarbij kan je imkers niet als pottenkijkers gebruiken!


Bijenkasten hebben een toegangsopening voor de bijen die meestal met een klepje kan worden afgesloten. Maar door uitdroging ontstaan er soms kieren in de kasten waardoor bijen kunnen ontsnappen. Hendrik Hoes had een methode gevonden om de kieren te dichten: met gras!


Bijenkorven zijn aan de onderkant open. Ze werden met een soort net dichtgemaakt, wat men opdoeken noemde. Met een spijker of ander puntig voorwerp werden de doeken aan de korf vastgemaakt. Voor zo’n doek had men ook een naam: een slet.


Op naar het honderdjarig bestaan
In de laatste circa vijfentwintig jaar gaat de vereniging gewoon zijn gang. Er zijn weinig hoogte- en dieptepunten. Helaas vermindert het ledenaantal regelmatig. Vanwege sluiting van café “De Uuthof”, tot dan toe de vaste vergaderlocatie, wordt vanaf 2004 enige tijd in café “Westeinde” vergaderd en sinds 2009 in museum Palthehof.
Het belang van bijen blijft. Bijen spelen een grote rol bij het overbrengen van stuifmeel van de ene naar de andere bloem. Dat is een voorwaarde voor een goede bevruchting en dus instandhouding van de plantensoorten. Einstein zou gezegd hebben: “Als de bij uitsterft, heeft de mens nog maar vier jaar te leven.” zo belangrijk is de bij voor de bestuiving van gewassen. De bijenhouders verenigingen kunnen altijd nieuwe leden gebruiken, want imker zijn is een ambacht van lange adem. Het kost veel geduld om alle facetten onder de knie te krijgen. Maar als je eenmaal het bijenvirus te pakken hebt, laat het je niet meer los. De bijenwereld is fascinerend. Het is elk jaar weer een verrassing te zien hoe de bijen zich ontwikkelen. Ze zijn afhankelijk van elkaar, belangrijk voor de biodiversiteit en sterk afhankelijk van weersomstandigheden en goede stuifmeeldragers.
Anno 2012 heeft de “Bijenhoudersvereniging Nieuwleusen en omstreken” nog maar 14 leden. Het zal dan ook mooi zijn als dit aantal in dit jubileumjaar, dat ook nog eens “Het Jaar van de Bij” is, wordt uitgebreid.


Oude schuur met bijenkorven op een erf aan het Ruitenveen.

* * *

ZOEKPLAATJES _________________________________________________________

Het boerderijtje van foto 17 is thuisgebracht als zijnde Oosteinde 45. Het stond op de hoek met de Paltheweg en is een aantal jaren geleden vervangen door nieuwbouw. Het werd o.a. bewoond door de familie Berend Stroink, de eerste (?) honderdjarige die Nieuwleusen kende. Daarna woonde er de familie Hendrik Kleen en vervolgens kwam de familie Kok er wonen.
Op de foto is een bushaltebordje te zien. Dit betekent dat er vroeger een buslijn over het Oosteinde liep. In de straat lagen toen nog klinkers zoals duidelijk op de foto te zien is. Deze zijn, naar men zegt, onder het asfalt verdwenen.

Foto 19: Opnieuw een opname van een boerderijtje. Zo te zien stond het niet direct aan een weg of het moet zijn dat de weg opzij van het erf lag. In elk geval zien we een weiland op de voorgrond met een sloot daarachter als afscheiding met de tuin. Het lijkt er op dat links van de boerderij een aardappelkelder of een persvoerbult ligt.


* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

BT005

De groepsfoto van deze keer is er een kleuterschool “Het Startblok”. Deze kinderen gingen er in 1968/69 naar toe.



1  

2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

juffrouw
Hetty Noppert
Hilda Scheiuit
Reinier Zaal
Henri Vasse
Tonny Buursema
Gertina Dunnewind
Thijs Klein
Anita van Lenthe
Erna Brinkman

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  

Gerrita Boer
Marijke Runhart
Gea Wienen
Jannie Boesenkool
Rita Massier
Ineke van den Berg
Bert ten Kate
Erna Schouten
Karla Groen
Frea van den Berg

20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  

Herman Schenk
Janneke Beldman
Irene Dijkstra
Janske Hofmeijer
Dini van den Berg
Jan Westerman
Roel Harke
Gerard Nijlant
Gerrit Kok

* * *

HET KLEINE HUIS AAN ’T PAD, 5 _________________________________________________________

Margje Key-Hendriks

Oom Jan
Onze oom Jan is nooit getrouwd. Toen hij nog jong was heeft hij wel eens een meisje gehad maar om de een of ander reden is de verkering uitgeraakt. Zij is later met een schoenmaker, een Masselink, getrouwd. Wij begrepen dat niet want wij vonden hem lang niet zo knap als oom Jan. Na die verkering hechtte oom Jan geen waarde meer aan vrouwen. Hij zei eens een keer “je kunt beter de broek scheuren aan de wieg dan een ouwe vrouw in bed beuren”.
Oom Jan woonde bij ons in huis, maar heeft ook een tijdje op kamers gewoond bij Steenbergen, verder naar het westen aan het Pad. Toen hij bij ons woonde, had hij twee witte duiven die in een kooi zaten die in de keuken boven de deur hing. De duiven maakten nogal lawaai en als moeder het zat was, hing ze een handdoek over de kooi. Ze had een hekel aan de duiven, want die maakten veel stof en de veren vlogen soms in het rond.

Tegeltableau met een duif in een kooitje.


Oom Jan ging ook vaak mollen vangen. Hij nam een schop mee en ging de weilanden in. Dan stond hij naast een molshoop en zo gauw hij daar beweging in zag, schepte hij de molshoop op en sloeg de mol dood. Toen hij bij Steenbergen woonde had hij ook een tijdje een hond waarmee hij op mollenjacht ging. Als hij de molshoop dan had opgeschept, greep de hond de mol. De velletjes van de mollen verkocht hij, maar eerst droogde hij ze op een plankje.

Oom Jan zette vaak strikken om hazen of konijnen te vangen. Dat mocht eigenlijk niet en daarom noemde men het stropen. Als je er een gevangen had, moest je die dan ook verstoppen op weg naar huis.
Toen oom Jan een keer ziek was, kon hij niet naar de strikken om te kijken of er wat in zat. Hij riep Henk bij zich en zei dat die het deze keer moest doen. Henk was toen twaalf jaar en oom Jan vertelde hem precies waar en wat hij doen moest. Hij moest een grote jas aan, met een riem om zijn middel, en de voor hem veel te grote rubberlaarzen van vader. Zo moest hij alle strikken langs aan de weg achteruit, door het land en langs de sloten. Henk vond dat hij een heel eind moest afleggen op die te grote laarzen en dat viel niet mee. Maar in één van de strikken zat een grote haas en dus was het allemaal niet voor niks. Die haas was goed voor een lekkere maaltijd!
Henk deed precies wat oom Jan hem gezegd had en deed de haas onder de jas om zijn middel. De zware haas bleef onder de riem op zijn plaats en zo sjouwde Henk met zijn vracht naar huis. Eén ding had oom Jan hem niet verteld, misschien wel met opzet niet, en dat was dat hij eerst de urine uit de haas had moeten knijpen. Omdat Henk dat niet wist, kwam hij helemaal nat thuis doordat de strak onder de riem zittende haas onderweg zijn lading verloor.

Oom Jan rookte altijd een pijp. Als hij de pijp niet in de mond had, dan had hij hem in de “tuk” (broekzak). In de oorlog verbouwde hij zelf de tabak.
’s Winters had oom Jan altijd strozolen in de klompen en dat was lekker warm. Ze waren van lang stro gevlochten en pasten precies in de klompen. Ook had hij “moffen” gemaakt aan het stuur van de fiets. Die waren gevoerd met konijnenvel van konijnen die hij zelf ving. Hij klaagde ook over reumatiek. Als hij daar weer eens last van had, maakte hij thee van brandnetels. Dat hielp, zei hij. Ook had hij iets met zijn hart.
Toen hij jong was moest hij in militaire dienst. Op een keer was hij met verlof en daarvan was hij niet op tijd terug. Hij wilde een ander militair leven en wilde bij de douane. Maar dat ene voorval was een reden om daarvoor geen toestemming te krijgen. Misschien heeft hem dat wat bitter gemaakt. We wisten allemaal wel dat hij een beetje eigengereid was, maar hij was toch onze beste oom.
Hij was erg naamziek. Henk was naar zijn vader genoemd, dus was dat een goeie. Hij trok wel veel met Henk op maar hij verwende hem niet. Hij hield hem wel altijd in de gaten.

Jan Hendriks met zijn onafscheidelijke pijp. Op de voorgrond Jennie Hersevoort.


Soms liet hij Henk wel eens met zijn geweer schieten. Hij was daar dan altijd wel zelf bij, want Henk was toen nog maar een “snotjong”.

Roeli was naar vader (zijn broer) genoemd. Die was nog beter en werd erg door hem verwend. Ik, Margje, was naar zijn moeder genoemd en was ook een beste. Trijn was naar de andere kant genoemd en hij noemde haar soms een “nust”. Misschien was ze ook wel een beetje eigenwijs, net als hijzelf.

Van oom Jan kregen we wel eens wat. Op een keer verraste hij ons allemaal met een paar nieuwe rubberlaarzen. Toen Henk ze voor de eerste keer aan had, kwam hij toch drijfnat tot aan zijn middel thuis. De oudste jongen van Seine had hem voor de gek gehouden. Die had een plank net onder het water in de sloot gelegd en stond er aan het eind op. Hij zei tegen Henk dat die er wel op kon lopen. Maar toen Henk dat deed sprong Seine er af en kwam Henk in het water terecht.

Oom Jan had altijd zijn eigen tempo. Hardlopers zijn doodlopers, zei hij altijd. Moeder en oom Jan waren het vaak niet met elkaar eens. Als hij de bokkenpruik op had liep hij altijd te fluiten. Moeder zei dan: daar hangt weer een bui. Als we dan aan tafel zaten te eten, ging hij met de knokkels van zijn vingers langs de tafel ratelen. Nieuwe aardappels noemde hij gladjassen, daar hield hij niet van.
Als oom Jan ging “poeren” en thuis kwam met een teil vol paling, maakte hij ze schoon en bakte moeder ze in de koekenpan. We hadden dan een heerlijke maaltijd.
Dat poeren mocht niet en gebeurde altijd stiekem als het donker was. Er werd dan een teil in het viswater gezet. Hij deed dan een nylonkous met wormen aan de stok naast de teil in de sloot en als de aal de tanden in de kous zette, trok hij op en liet ze in de teil vallen.
Later, toen wij al verhuisd waren, had oom Jan ook kippen. Hij bewaarde toen altijd een “lang” ei voor Roeli. In die tijd is er ook elektriciteit gekomen. ’s Winters, als de dagen kort waren, moesten de kippen extra licht. Hij maakte dan een wekker met een touwtje aan een lichtknop en zo ging het licht dan automatisch aan als de wekker afliep.

Herinneringen van mijn broer Henk
Toen Henk een jaar of vier was gebeurde er iets ergs. Hij logeerde soms bij oom Jan en oom Jannes, die in het huis van grootvader achter school “Siefers” woonden. Nadat hun ouders overleden waren, bleven de beide vrijgezelle broers daar nog een poosje wonen.
Oom Jan ging elke dag naar zijn werk en oom Jannes deed het werk thuis. In een zwart blik bakte hij grote stoeten die lekker smaakten. Als Henk er logeerde sliep hij in de bedstee met deurtjes er voor. Op een morgen toen hij al wakker in bed lag hoorde hij wat knetteren. Hij keek door het deurtje van de bedstee en zag dat er vlammen onder uit de schoorsteen kwamen. Het was een grote schoorsteen met een ijzeren plaat er onder. Die plaat kon er uitgehaald worden om de schoorsteen te vegen. Op de plaat viel nog wel eens roet en dat was nu in brand geraakt. Henk was alleen in huis. Oom Jan was al naar zijn werk en oom Jannes was ergens buiten aan het werk. Henk is toen uit de bedstee gestapt en in zijn pyjama naar buiten gegaan om oom Jannes te zoeken. Er lag sneeuw en het vroor zodat het bitterkoud was. Gelukkig vond hij oom Jannes snel bij de schuur. Hij vertelde dat er brand was en oom Jannes snelde naar binnen. Met een natte jutezak heeft hij het vuur weten te doven.
Hij zei tegen Henk dat die het goed gedaan had door hem te roepen. Maar hij mocht er niets van aan oom Jan vertellen en dat heeft hij ook niet gedaan. Maar toen ze ’s avonds aan tafel zaten te eten heeft oom Jannes het toch zelf aan zijn broer verteld.
Op een dag kwam oom Jan bij ons thuis aan het Pad. Hij bracht toen voor Henk een jong zwart hondje mee, met bruine vlekjes boven de ogen. Henk was wel blij met het hondje maar moeder niet zo erg. Henk liep veel met dat beestje te sjouwen en moeder zei wel eens: “waar Henk is, daar is de hond ook.” Vader was van mening dat Henk veel te veel met het hondje liep te sjouwen en dat het een “poesterd” zou worden.

Jan Hendriks in 1972.



Henk pakte wel eens de ovale wasbalie van het melkrek naast de achterdeur. Hij legde die dan op zijn kant en hij kroop er in, met het hondje op schoot. Zo kon hij er heerlijk mee schommelen. Maar ondanks dat heeft het hondje niet lang geleefd.
Later bracht oom Jan weer een hond mee. Die was bruin en luisterde naar de naam Nellie. Die hebben we wel lang gehad. Nellie wilde nooit luisteren en vader was er nogal eens kwaad op. Henk hield ook meer van het eerste hondje dan van Nellie, die niet zo aanhalerig was. Als moeder naar de winkel ging, kwam de hond haar altijd achterna en wilde niet weer naar huis gaan. Later kreeg Nellie schurft en werd de huid helemaal blauw. Vader heeft haar toen dood laten schieten door buurman Aornd. Thuis vertelde hij dat de hond weggelopen was. Heel veel later heeft hij wel verteld dat hij hem vanwege zijn schurft heeft moeten laten doodschieten.

Henk had ook een keer een jonge duif die nog niet oud genoeg was om zich alleen te redden. Hij deed hem in een kooi die buiten aan de schuur hing. De oude duiven kwamen de jonge in de kooi wel voeren. Ondanks dat hij wel een paar kilometer van het ouderlijk nest verwijderd was, konden ze hem toch vinden. Later begon de duif zelf wel te eten. Toen het winter werd, heeft Henk hem losgelaten in het kippenhok, het werkplaatsje van vader. In het voorjaar heeft Henk de duif zijn vrijheid teruggegeven. Maar hij was inmiddels tam geworden en kwam steeds weer terug. Later heeft Free Dekker deze duif geschoten met zijn katapult. Hij wist niet dat de duif van Henk was.
Henk moest leren fietsen en vader zou hem helpen. Er was niet anders dan een grote fiets en daarvan had vader het zadel op de stang gemaakt zodat Henk bij de trappers kon. Vader zou de fiets vasthouden maar Henk moest steeds lachen en kon zich niet concentreren. Toen dat maar steeds niet lukte werd vader kwaad en zei: “verrekte jong doe het zelf maar!” Tegelijk gaf hij de fiets een duw en die belandde met Henk in de wieke. Na die keer heeft vader hem nooit meer geholpen, maar Henk heeft het fietsen toch geleerd.
Trijn kon net fietsen op haar zevende verjaardag. Ze fietste in haar nieuwe jurk over het Pad naar de allee waar een beter fietspad was. Het ging zo goed dat ze ook even achterom wilde kijken. Maar toen ging het niet meer zo goed, want ze reed de sloot in. Ze kwam drijfnat en koud thuis, maar kreeg toch geen straf omdat ze jarig was.
Toen Henk zes jaar was, moest hij voor het eerst naar school. Het schooljaar begon toen nog in mei. Henk wilde niet naar school. De al wat oudere jongens van Mannen zouden hem meenemen, maar dan moest hij wel alleen naar de Diek lopen. Hij treuzelde dan zolang dat de jongens al weg waren en dan ging hij maar weer naar huis toe.
Moeder stuurde hem toen via de Jagtlusterallee naar de Diek. Maar hij vond het daar veel te koud en kwam weer terug naar huis. Toen moest Gait Jan van Klaos hem op de fiets naar school brengen.
Net in die tijd werd het huis van Harm Frielink gebouwd en daar was vader aan het werk. Hij zag Gait Jan met Henk op de fiets en kwam naar de Diek. Henk kreeg toen een pak slaag.
Vader was heel goed voor ons en als je van hem een pak slaag kreeg, had je het ook verdiend. Hierna mocht Henk weer bij Gait Jan op de fiets, die hem verder naar school bracht. In het speelkwartier kreeg Henk een draai om de oren van meester Van Aarst omdat juffrouw Visser hem had verteld wat er gebeurd was.
Vanaf die tijd ging Henk zelf naar school, maar nooit met plezier. Hij deed ook niet zijn best op school. De rekensommen vulde hij wel in, maar zette er zomaar wat achter, zonder er over na te denken. In het


De Jagtlusterallee tijdens verhardingswerkzaamheden in het kader van de ruilverkaveling in het begin van de vijftiger jaren. Links achter de bomen staat de boerderij van Marten Schaapman.

rapport kreeg hij de aantekening: “Henk is erg lui”. Voor rekenen had hij een twee. In de tweede klas is Henk blijven zitten en moest dat jaar dus overdoen.

Soms kwam Henk wel eens thuis met vlooien. Dan was hij bij Klaos geweest en had bij de kippen de eieren uitgehaald voor Jaantie. Vader kwam ook wel eens thuis met vlooien. Die bracht hij dan van mensen mee waar hij gewerkt had. Die beestjes zaten ook graag in het zaagsel. Ze beten vader nooit, maar ’s nachts had moeder er wel last van.

Tante Hilligje kwam af en toe een hele dag bij ons thuis om te naaien. Ze verstelde en vermaakte onze kleren omdat moeder dat niet kon. Ze maakte voor Henk een jas van een oude jas, waarvan de stof nog wel goed was. Het was zijn eerste jas en ook een goeie. Het was een zwarte en hij was prettig om te dragen. Ook met schaatsen droeg Henk hem graag.

Tijdens een warme zomer in de oorlogsjaren kreeg Henk last van eczeem tussen zijn vingers. Het werden grote blaren die kapot gingen en ontstoken raakten. Het duurde wel zes weken voor alles genezen was. Dokter Dekker wist ook niet wat er aan te doen was en liet Henk twee keer in de week komen om schoon verband aan te leggen. Toen hij weer eens bij de dokter was geweest zag hij op de terugweg dat de pruimen aan de boom bij Klaos rijp waren. De boom stond dicht bij de haag en was nog niet al te groot. Voorzichtig klom Henk in de boom om wat pruimen te plukken. Maar de tak scheurde onder zijn voet weg en Henk viel naar beneden. Het nieuwe verband van zijn hand haakte aan een tak en bleef in de boom hangen. Zijn vingers gingen behoorlijk bloeden en snel maakte hij dat hij thuis kwam. Moeder vroeg hoe dat nu weer kwam, maar Henk wist het niet: het verband ging er zomaar af!

* * *

ORANJEFEESTEN 1937 _________________________________________________________

Overgenomen uit Meppeler Courant 03-09-1937

Nieuwleusen. Dinsdag is hier op de meest prettige wijze en onder begunstiging van heerlijk zomerweer het door de Oranjevereniging georganiseerde kinderfeest gevierd. Van de verst afgelegen scholen waren de kinderen op vrachtauto’s, welwillend voor dit doel beschikbaar gesteld, aangevoerd, en toen om tien uur de Chr. Muziekvereeniging onder vroolijke marschmuziek het feestterrein opmarcheerde, waren ongeveer achthonderd schoolgaande kinderen aanwezig. Het feest werd geopend door onder begeleiding van “De Broederband” een uurtje volksliederen te zingen, waarvan een groot aantal ouders en kindervrienden hebben genoten. Onder de aanwezigen merkten we o.m. op de burgemeester en wethouders en verschillende raadsleden. De burgemeester was trouwens vrijwel de geheele dag op het terrein aanwezig en het was hem aan te zien hoe hij als een waar kindervriend met de kinderen meegenoot. Na afloop van de samenzang werden eerst de keeltjes eens duchtig gesmeerd, waarna onder leiding van diverse commissies diverse spelletjes werden gedaan, afgewisseld met tractaties, grabbelton en het optreden van Prof. Gortini met zijn aan het onmogelijke grenzende goocheltoeren.

De uitslag van de verschillende spelletjes was tenslotte, na soms vinnige kamp, als volgt:
Meisjes 6 tot 7 jaar, bal op lepel dragen: 1. B. Westrik en C. van Spijker; 2. J. Nijboer en W. Wildvank; 3. A. Schuurman en N. Kamphuis.
Jongens vlagjes op stoof zetten, een leuk spel waaraan de jongens zich met hart en ziel gaven. 1. J.T. Huzen en R. Kouwen; 2. W. van den Berg.
Eieren in dopjes zetten. Meisjes: 1. Jantje Groen en Tr. Muller; 2. Dina Boesekool en Janna Meulenbelt; 3. Kl. Bijker en A. Kuyers; 4. Gr. Kollen.
Jongens 8 tot 9 jaar, Koekhappen: 1. Willy Ganzeboer en Willem Mijnheer; 2. Henk Schoemaker en J. Krul; 3. Arend Bijker en H. Beltman.
Meisjes, touwtje springen, een echt meisjesspel: St. Schoemaker en Gerdina van Duren; 2. G. Willems en Margje Borger; 3. G. van Eldik en Greta van Marle.
Driebeenloopen voor jongens, een spel om de lachspieren eens een extra beurt te geven: 1. H. Oldeman en Jan Bijker; 2. G. Hekman en D. Alteveer.
Maakt dat je de trein haalt, een steeds terugkeerend vermakelijke geschiedenis, 1. Bep Hoek en A. Kollen; 2. Alb. Visscher en Kl. Schoemaker; 3. Fred. van Dorsten en J. Reurink.
Blokjes rapen voor meisjes van 10 tot 11 jaar: 1. E.J. Stolte en H.A. Kappert; 2. W. Timmerman en G.J. Krul; 3. E. Gerritsen en B. Timmerman.
Meisjes 10 en 11 jaar, waschophangen, een echt vrouwenwerk, dat met veel animo werd gedaan, 1. K. Kuterman en Bruggeman; 2 Boezekool en F. Meijer; 3. Deuzeman en Bouwman.
Zakloopen voor jongens 10 tot 11 jaar, een werkje dat niet alleen vlugheid, maar ook geluk vraagt, 1. Herman Mensink en H. Bouwman; 2. E. de Jonge en J. Hoek; 3. B. van Dijk en W. Nijboer.
Idem meisjes, koekhappen, 1. G. Kuiper en K. Brinkman; 2. G. Bouwman en Roelofje Boverhof; 3. H. Zelhorst en E. Bouwman.
Jongens 12 jaar en ouder, kussenslaan. Dit leek soms wel een ware kloppartij. 1. K. Schoemaker en R. Kuyer; 2. W. Meijer en G. Bouwman; 3. G. Klein en R. van der Veen; 4. K. van Spijker en J. Krul.
Stoelendans, meisjes van 12 jaar en ouder, een spel dat vooral opletten en vlugheid verlangt, 1. Eefje van Spijker, A. Kracht en J. Kracht; 2. Geesje de Groot, A. Schuurman en K. Nijkamp; 3. J. Timmerman en J. Boer; 4. Lena Massier en G. Smit.
Hardlopen met hindernissen voor jongens van 12 jaar en ouder. Hindernissen waren er meer dan genoeg, doch deze waren voor de prijswinnaars geen beletsel. 1. K. Huzen, J. Schuurman en K. Dunnik; 2. H. Schoemaker, H. Katoele en W. Dunnik; 3. M. Kappert, J. Kragt en W. Schuurman; 4. A. van Blanken, K. Hekman en G. Beltman.

Voor de verschillende spelletjes waren de groepen veelal te groot, waarom ze gesplitst werden, waardoor er meerdere eerste en tweede en derde prijzen

Jong en oud trok in 1937 naar het feestterrein. Hier zijn Jan Dekker (links) en een onbekende man op de Ommerdijk (Backxlaan) op weg er naar toe.

voor het zelfde spel kwamen. De clou van de dag was wel het oplaten en een achthonderdtal luchtballons in de nationale kleuren, gratis ter beschikking gesteld door de N.V. Union Rijwielfabriek v/h Fa. B.J. van den Berg te Den Hulst. Voor deze wedstrijd bestond natuurlijk - het is iets geheel nieuws hier ter plaatse – niet alleen van de zijde der kinderen maar ook van de ouders zeer veel belangstelling en toen de fraaie ballons, allen beschilderd met “Union Rijwielen, ge rijdt als vanzelf”, de lucht ingingen, werd er menige uitroep gehoord. Wie zou de eerste prijs winnen? Na afloop van de ballonwedstrijd had de prijsuitdeeling plaats en kreeg tenslotte elk kind een keurig aandenken aan dit zeer goed geslaagde feest mee naar huis. Het was voor de kinderen een onvergetelijke dag.
Het feest voor de grooten werd ‘s avonds ingezet met het optreden van het gezelschap Jan van Riemsdijk, bestaande uit Jan van Riemsdijk, Ceesje Speenhof, mijnheer Poré en prof. Langini, goochelaar-manipulator. De groote feesttent was tot in alle hoeken met belangstellende feestgangers gevuld en er heerschte een vrije, ongedwongen en opgewekte stemming. Het was een gezellige avond, die besloten werd met een geanimeerd bal.

Woensdagmiddag werd het feest der Oranjevereeniging voortgezet met verschillende Volksspelen. Tegen tweeën stroomde het publiek weer naar het feestterrein; de muziekvereeniging weerde zich dapper, het weer werkte geweldig mede en in de consumptietent en andere tentjes werden dunkt ons goede zaken gemaakt. Met veel élan werden de wedstrijden aangevangen; de regeling daarbij was in vertrouwde handen.


Foto bij het artikel in de Meppeler Courant: Een aardig nummer was “Hardloopen met hindernissen”, waarbij een tweetal autobanden, spriet (met kans in water vallen), schutting en tenslotte een netwerk van touw “genomen” moest worden. Het laatste ziet men hier.

De uitslagen waren als volgt:
Ringrijden met versierde wagen en gecostumeerd, versiering: 1 pr. R. Groteboer en Schuurman; 2e H. Koezen; 3e G. Boers; 4e H. van Spijker.
Mooiste costuum en de idee: 1e pr. H. van der Voorde; 2e G. Boers; 3e J. Krikke; 4e H. Koezen; 5e A. Bouwman; 6e R. Groteboer.
Ringrijden met paard en wagen: 1e pr. H. van der Voorde met mej. T. Goselink; 2e Klaas Hof met mej. F. Pessink; 3e J. Krikke met mej. J. Hekman; 4e G. Schuurman met mej. Klaasje Beltman.
Stoelendans te paard (voor de boerenstand een der meest geliefkoosde vermakelijkheden): 1. E. Groen; 2. J.B. Schuurman; 3. J. Krikke; 4. J. Bijker Jzn. Hardloopen met hindernissen, voor jongens boven 14 jaar: 1. H. Krikke; 2. G. Ossel; 3. W. Hagting en 4. H. J. Mensink.
Steltloopen voor meisjes, boven 14 jaar: 1. R. de Lange; 2. M. Nijman; 3. Jo Boers. Touwtrekken voor meisjes boven 17 jaar: 1. R. Veerman; 2. M. de Lange; 3. Jantje Koezen; 4. Kl. Groen; 5. Brasjen.
Mastklimmen voor jongens van 14-17 jaar: 1e pr. H. Krikke; de 2e en 3e prijs werden er niet uitgehaald; 4e H. van Spijker; 5e J. Kragt Jzn.; 6e J. Nijkamp; 7e Kl. Huzen Jzn.; 8e R. Boverhof: 9e E. Groen; 10e prijs werd er niet uitgehaald.
Ringsteken per fiets voor meisjes boven 14 jaar: 1. J. de Weerd; 2. J. Bouwman; 3. Jenny Mensink; 4, G. Emmink; 5. Eefje Meuleman; 6. L. Snijder; 7. M. Grit.

De verschillende wedstrijden werden door een groot aantal toeschouwers met aandacht gevolgd. Tegen ongeveer acht uur werd aan de Ommerdijkerbrug een Gondelvaart georganiseerd. Hiervoor bestond van de zijde van het publiek buitengewone belangstelling. Zelden zullen er te Den Hulst zooveel menschen bij elkaar zijn geweest. Voor deze gondelvaart hadden zich elf verschillende gondels opgegeven. De eene was nog mooier dan de andere. De jury, bestaande uit de heeren B.J. van den Berg en Loman met de dames Van Aarst en Boers, had om een eerlijke, onpartijdige beslissing te nemen, dan ook geen gemakkelijk werk. Toch meenden we te hebben geconstateerd, dat haar besluit over de toewijzing der prijzen, overeenkwam met de meening van het publiek. De volgende gondels werden met een prijs bekroond: 1e “Het Groene Kruis”, met een opwekking voor de te houden bazar (groep De Groot, Mensink en Nijman); 2e Hans en Grietje (groep de dames Ten Hoopen, Visser en Groenhuizen); 3e De Zwaan van G. Boers; 4e de kano van Notaris Uyt den Bogaard; 5e de groep Geloof, Hoop en Liefde van De Lange.


De zweefmolen is altijd een geliefde attractie op de kermis. Hier op een foto van omstreeks 1975.

Toen de gondels zich in beweging stelden, getrokken door de motorboot “Koophandel” van Van Haarst, waarop de muziek had plaats genomen, welke zich duchtig weerde, liep er zeer veel volk mede. Aan de Maatweg werd gedraaid en werd teruggevaren naar Sluis drie. Aan de Ommerdijk werd de sleep, met het spelen van ons mooie Volkslied, ontbonden.
Daarna trokken wederom dichte drommen naar het feestterrein, waar de Volendammers er nog steeds de stemming inhielden. Nadat tegen ongeveer twaalf uur Dr. van Ravenswaay nog eens een recht hartelijk slotwoord had gesproken en gememoreerd had de vele en prettige medewerking van alle kanten, de volksspelen iets noemde wat de samenwerking in onze gemeente zal bevorderen en dank bracht aan alle commissies en comité's voor hun belangelooze medewerking, ging hij over tot het uitreiken van de prijzen.
De heer Mensink bood namens zijn groep als winnaar van de eerste prijs met het Groene Kruis zijn prijs aan het Groene Kruis aan, als een bijdrage voor de straks te houden bazar. Dit voorbeeld vond navolging, want ook mej. Boers bood daarna de door haar gewonnen prijs bij de Gondelvaart aan het Groene Kruis aan.
De voorzitter van het Groene Kruis, Dr. A.J. van Ravenswaay, bracht de milde schenkers namens zijn mede-bestuurders dank voor deze onverwachte gaven en meende het met een dankbaar hart te moeten aanvaarden. Na de uitreiking der prijzen, bleef het nog geruime tijd gezellig in de feesttent en voor velen kwam nog te vroeg eigenlijk het sluitingsuur.
Resumeerende meenen wij te mogen constateeren, dat alles zeer vlot van stapel is geloopen, dat het bestuur der Oranjevereeniging heeft bewezen voor zijn taak bekwaam te zijn en dat het met zeer veel genoegen op dit eerste feest mag terug zien. Geen wanklank werd op beide dagen vernomen.

Noot: De namen zijn letterlijk overgenomen uit de krant!

* * *

KUNSTWERKEN, 2 _________________________________________________________

Gees Bartels

In het vorige kwartaalblad hebben we in het kader van de dit jaar lopende tentoonstelling in museum Palthehof aandacht aan een drietal schilders geschonken. In deze aflevering vertellen we meer over twee schilderessen die allebei met een vijftal werken in het museum zijn vertegenwoordigd.

Tonia Alida Bruggeman-Wesselius (01-07-1931 – 31-05-2008)
Toke Wesselius kwam in 1954 vanuit Zandvoort naar Nieuwleusen, waar ze benoemd was als onderwijzeres aan de christelijke school in Ruitenveen aan het Westeinde, nu “Het Kompas”. Ze kwam “in de kost”, zoals dat toen heette, bij Geesje van Spijker-Bruggeman, die ook aan het Westeinde woonde. Daar leerde ze de broer van Geesje kennen, Aalt Bruggeman, met wie ze op 3 mei 1956 in het huwelijk trad. Aalt was weduwnaar en vader van vijf kinderen. Na hun huwelijk werden er nog vijf vier kinderen geboren.
Toke was een creatieve duizendpoot en niets was haar teveel. Zo maakte ze zelf de kleding voor het gezin, naast het feit dat ze dagelijks voor de klas stond en de zorg had voor een hele schare kinderen. Nadat de kinderen een voor een het ouderlijk huis verlieten, kreeg ze meer tijd en mogelijkheden zich op creatieve wijze te ontplooien. Zij volgde diverse cursussen en maakte zich de verschillende technieken van de schilder- en tekenkunst eigen en behaalde zelfs de bevoegdheid om les te geven. Door de jaren heen maakte ze verschillende werken, waarbij ze gebruik maakte van verschillende technieken; krijt, olieverf en aquarel.

Marrigje Beekman-Westerhof (15-03-1916 – 30-01-2008)
Margje (die ook Martha werd genoemd) Westerhof woonde met haar ouders in Spoolde bij Zwolle en ging als coupeuse bij de mensen thuis hun kleding naaien. Dat was onder anderen in de nabij gelegen Veerallee, waar de gegoede burgers woonden. Margje werd verliefd op Jan Berend Beekman, die met “het pak” reisde. Dat wil zeggen dat hij met textielwaren bij klanten aan huis kwam. Op 27 april 1937



Links: Beekje van Toke Bruggeman.
Rechts: Veerallee van Margje Beekman.

trouwden ze en gingen ze in Nieuwleusen wonen, waar Jan Berend aan de Ommerdijk 4 de lampenwinkel van Schutte had gekocht. Ze begonnen daar met een textielwinkel, terwijl Jan Berend ook nog met “het pak” langs de klanten ging. In die tijd was er een breed assortiment van alle mogelijke textielproducten, waarbij vooral veel stoffen. Achter de winkel kwam meteen een naaikamer waar Margje, samen met meisjes uit het dorp die ze al doende het vak leerde, kleding maakte van de stoffen die de klanten in de winkel hadden gekocht. Vooral voor bijzondere gelegenheden liet men de kleding graag hier maken om er zeker van te zijn dat het goed paste. Er werden veel bruidsjurken gemaakt. Jan Berend haalde bij de koster of dominee altijd een lijstje op met de namen van de catechisanten die belijdenis zouden doen en nam met hen contact op voor eventuele aanschaf van nieuwe kleding voor die belangrijke dag.
In de oorlog ging Jan Berend met paard en wagen naar Twente om daar bij de textielfabrieken de stoffen in te kopen. Na de oorlog kwam er meer confectiekleding op de markt en gingen ze twee keer per jaar naar Amsterdam waar in Krasnapolski de nieuwe mode werd geshowd. Rekening houdend met de smaak van de vaste klanten werden de volgende dag de bestellingen geplaatst voor het komende seizoen. Er werd nu minder genaaid, maar handig was het wel dat er naast kleding ook stoffen konden worden besteld. Het kwam nogal eens voor dat een klant die een mantelpakje wilde kopen het jasje als confectie kocht en, als die klant wat breed in de heupen was, de rok uit de bijpassende lap stof werd gemaakt door de dames in de naaikamer.
Intussen werden er vijf kinderen geboren; Hennie was in 1938 de eerste. Ze kwam als veertienjarige al in de winkel, maar volgde ook nog cursussen voor het halen van akten naaien en handwerken en gaf tot haar huwelijk handwerkles op een drietal christelijke lagere scholen, namelijk op De Meele, in Ruitenveen (nu Het Kompas) en Nieuwleusen (nu De Wegwijzer). Na haar huwelijk in 1961 met Gosse Hoekstra nam ze de winkel over.
Margje en Jan Berend Beekman gingen aan de Dommelerdijk 5 wonen, hielpen nog wel mee in de winkel, maar bouwden dat langzaam af, tot ze er in 1976 helemaal mee stopten. Margje pakte een nieuwe hobby op: het Staphorster stipwerk. Jan Berend moest alle maten flesjes en flessen zwart maken en dan ging ze aan de slag. Later ging ze over op het moeilijker Hindeloper schilderen, een techniek waarbij bloemmotieven op houten voorwerpen worden geschilderd. Aan de Dommelerdijk was Arend van Spijker inmiddels haar buurman geworden en die zag dat Margje nog meer zou kunnen. Hij hielp haar met het schilderen van landschappen, boerderijen, figuren en andere onderwerpen. Ze had talent en had er plezier aan dat verder te ontwikkelen. Zo schilderde ze voor haar kinderen de huizen waarin ze gingen wonen. En er hangen schilderijen van haar in het appartementencomplex Hof van Leusen. Daar gingen ze in november 1997 wonen omdat Jan Berend niet meer zonder rolstoel kon en hun huis niet geschikt was voor het gebruik daarvan. Helaas heeft hij er maar kort gewoond, in maart 1998 overleed hij.
Na een druk leven in de winkel bleef Margje actief met schilderen, pottenbakken, vrijwilligerswerk voor de kerk en meehelpen bij ouderenbijeenkomsten. In 1980 werd een gedeelte bij de (nu) Ontmoetingskerk aangebouwd en toen wilde men graag liturgische kleden hebben voor de preekstoel. Margje werd gevraagd die te ontwerpen en te borduren. Toen de kerk in 1997 werd gerenoveerd wilde men ook kleden voor de avondmaalstafel. Die moesten passen bij die van de preekstoel. Haar kleden werden toen overbodig en zijn in overleg met de kerkenraad geschonken aan de Grote Kerk, waar ze sindsdien in gebruik zijn. Later ging Margje ook breien. Ze breide poppen in allerlei maten en kleedde ze aan met door haar zelf ontworpen gebreide kleding. Schilderen bleef ze nog lang doen.

* * *

Foto achterpagina _________________________________________________________

Kinderen Boesenkool op 28 februari 1957 voor hun huis aan het Zandspeur op de trouwdag van Berend Boesenkool en Bertha Kooiker.
Vlnr: achter: Gerrie en Jennie en voor: Dinie, Gea en Annie.
Geboortedata:
Gerrie: 19 mei 1932
Jennie: 16 september 1939
Annie: 5 augustus 1945
Dinie: 9 november 1946
Gea: 22 augustus 1950






Jaargang 30 nummer 4 december 2012


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina _________________________________________________________

De voormalige Gereformeerde kerk met pastorie aan het Westeinde omstreeks 1955.

* * *

EEN KAARTJE UIT DE PASTORIE _________________________________________________________

Jakob de Weerd

Nadat de afscheiding in Nieuwleusen in 1836 zijn beslag had gekregen, liet de afgescheiden gemeente in 1841 een pastorie bouwen aan het Westeinde (nu nr. 84). Deze werd een jaar later uitgebreid met een ruimte die als kerkzaal dienst ging doen. Na verloop van jaren was er behoefte aan een grotere ruimte en werd besloten om een nieuwe kerk te bouwen. Dat gebeurde in 1869. Toen werd er een kerkgebouw met vrijstaande pastorie gerealiseerd, niet ver vanaf de Kerkenhoek.
De voorgevel van het kerkgebouw was gericht naar het Westeinde. In het midden was de toegangsdeur en links en rechts daarnaast zaten twee grote boogramen. De toegangsdeur was voorzien van een bovenlicht. Midden boven in de gevel zat nog een rond raam. Tussen de deur en het ronde raam zat een gevelsteen met de tekst:

“De eerste steen
is gelegd door den
pred. K.H. TALEN.
8 Juli 1869.”



Op de op de vorige bladzijde afgedrukte oude foto is te zien dat er een gedenksteen in de gevel zit, maar de tekst is uiteraard niet te lezen. Dat we de tekst wel kennen is te danken aan een tekening van de voorgevel van het kerkgebouw en de pastorie op een briefkaart die gedateerd is op 2 juni 1903. Onder de tekening is geschreven: “Vele groeten uit de Pastorie te Nieuwleusen.” Er staan enkele letters als initialen op die moeten staan voor de tekenaar E.G.H.
In 1903 woonde dominee E.L. Harkema (Eppo Luurts, ook Eppo en Eppe) in de pastorie, dus het ligt voor de hand dat de kaart door hem of een van zijn gezinsleden is getekend. De kaart werd verzonden naar mejuffrouw H.E.G. Eggink in Leiden. De letters E.G.H. onder de tekening moeten staan voor Eltje Geziena Harkema, een dochter van de dominee die in 1876 in Winschoten is geboren. Zij bleef ongehuwd en overleed op 3 februari 1909 in Deventer.

Bij vergelijking van de foto en de tekening vallen enkele dingen op. Op de nok van de gevel van het kerkgebouw zat in het begin van de 20ste eeuw een windwijzer in de vorm van een haan. De verdieping van de pastorie werd in 1908 verbouwd en kreeg de huidige vorm waardoor die er heel anders uitzag dan in 1903. Toen had het huis nog een puntdak en een klokgevel, die dus bij de verbouwing verdwenen.
De kerk deed dienst tot de ingebruikname van een nieuwe kerk aan de Ommerdijk (Backxlaan), de huidige Ontmoetingskerk. Deze werd op 4 januari 1940 in gebruik genomen. De kerk en de pastorie aan het Westeinde werden verkocht aan Frederik Jan Westerman, die de kerk in gebruik nam als garage voor de vrachtauto’s van zijn transportbedrijf. Daarbij verdwenen het linker grote raam, de toegangsdeur en de gevelsteen. Een grote garagedeur kwam er voor in de plaats. In 2002 werd het voormalige kerkgebouw afgebroken om plaats te maken voor het appartementencomplex Paltheborg. De voormalige pastorie bleef bestaan.

MEJUFFROUW EGGINK
Wie was mejuffrouw Eggink? Helena Elisabeth Geertruida Eggink werd in Leiden geboren en was een dochter van Dirk Eggink en Helena Elisabeth Geertruida ter Hart. In 1903 woonde ze in Leiden, waarschijnlijk nog bij haar ouders thuis, maar in 1905 was de familie Eggink woonachtig in Amersfoort. Daar trouwde juffrouw Eggink op 23-jarige leeftijd op 8 juni 1905 met Aalko Harkema, zoon van Eppo Harkema en Bouwke (ook Bouke) Swieringa. Aalko is dan 29 jaar eerder geboren in Winschoten. Ten tijde van zijn huwelijk was hij boekhouder van beroep en woonachtig in Zwolle.
Het is dus de aanstaande schoondochter van dominee Harkema die het kaartje vanuit de pastorie in Nieuwleusen kreeg toegezonden.
Het kaartje werd enkele jaren geleden aangetroffen op een verzamelaarsbeurs in Utrecht. Waar de kaart zich momenteel bevindt is onbekend, maar in het archief van onze vereniging is een fotokopie van de kaart aanwezig.


* * *

DE NEUTEBOOM _________________________________________________________

B. Boschman-Mostert en A. Schoemaker-Ytsma (samenstelling)

Aanleiding tot dit artikel zijn de vele leuke reacties op ons vorige verhaal over de mispel (kwartaalblad september 2011). Er blijken nog meerdere mispelbomen in Nieuwleusen te staan. Maar hoe zit dat met de notenboom? We zijn eens rond gaan vragen of de walnoot hier vroeger ook voorkwam.

Naast de mispelboom kwam ook de notenboom voor op de boerenerven in Nieuwleusen. De vruchten van de okkernoot (Juglans regia) noemen we “neut’n”, die onder de naam walnoten te koop zijn in de supermarkt. De boom kan wel 25 meter hoog worden. Om vruchten te krijgen zijn twee bomen nodig, een mannelijk en een vrouwelijk exemplaar zodat er kruisbestuiving plaats kan vinden. Tegenwoordig zijn er ook zelfbestuivende rassen te koop. De walnoot is een steenvrucht die groeit in een eivormige, groene bolster. Ze heeft wel iets weg van de kastanje. Vaak splijt de vrucht al aan de boom, zodat de harde noot naar beneden valt en opgeraapt kan worden. Walnoten zijn lang te bewaren als ze op een koele, goed geventileerde plaats gedroogd worden.
Om de “neut’n” te kunnen eten moeten ze eerst gekraakt worden. De vruchtinhoud is dubbel beschermd door bolster en harde schil. Het eetbare deel van de noot lijkt op onze hersenen. Vandaar dat werd gedacht dat de walnoot goed voor de hersenfunctie is. De naam van de mix van deze noten en rozijnen, studentenhaver, herinnert daar nog aan.



De Latijnse naam Juglans is een samentrekking van “Jovis Glans”, wat betekent de noot van Jupiter oftewel een noot voor de koning der goden. De okkernotenboom geeft heerlijke schaduw, hoewel de kruin iets zonlicht doorlaat. De geur van de bladeren van de boom houdt insecten op afstand. Het hout wordt door meubelmakers heel erg gewaardeerd omdat het goed te bewerken is en een fijne structuur heeft. Van het hout worden ook geweerkolven gemaakt.
De walnoot is het oudst bekende boomvoedsel. Koning Salomo had al een landgoed met vele okkernotenbomen. De Grieken noemden de walnoot een “koninklijke noot”.
Uit een Spaans onderzoek blijkt dat walnoten een positieve rol vervullen binnen de voeding. Ze leveren een bijdrage aan het flexibel en elastisch houden van de aderen en verbeteren de conditie van de endotheelcellen op de binnenwand van de bloedvaten (o.a. goed voor het laag houden van cholesterol).
Uit een ander onderzoek blijkt dat walnoten bijna twee keer zoveel antioxidanten bevatten als amandelen, pinda's, pistachenoten, hazelnoten, paranoten, cashewnoten, macadamia's en pecannoten. Ze bevatten met name de mineralen fosfor, magnesium, zink, ijzer en kalium. Ook zijn ze een bron van vitamine B1, gamma-tocoferol (een vorm van vitamine E) en foliumzuur. Uit dierproeven is gebleken dat walnoten remmend werken bij borst- en darmkanker.

Uit walnoten kan ook olie geslagen worden. Michelangelo gebruikte walnotenolie opdat de verf van de plafondschilderingen in de Sixtijnse kapel sneller zou drogen.
Walnoten werden vroeger ook in de “paasbuul” gedaan. Een ander oud gebruik met Pasen is het “neutenschieten”. De noten werden daarvoor in een rechte lijn op gelijke afstand van elkaar gelegd. Met een ijzeren kogel gooide men dan vanaf een bepaalde afstand naar de rij en de noten die je van de lijn af liet rollen had je gewonnen. Op sommige plaatsen wordt deze paastraditie nog in ere gehouden.

* * *

DE STOOMTRAM LANGS DE DEDEMSVAART _________________________________________________________

Uit: Het nieuws van den dag, 25-12-1886

Zoo een reiziger uit Den Haag te Haarlem den trein verlaat, in de meening te Amsterdam te zijn, zal hij natuurlijk geen geringe teleurstelling ondervinden. Niet minder onaangenaam is de verrassing voor hem, die aan het station Dedemsvaart uitstappende, denkt te Dedemsvaart te zijn. Het dichtst bevolkte deel toch van de nijvere streek, die men naar het kanaal «Dedemsvaart» noemt, ligt drie à vier uren gaans van het Staatsspoor. Onbekendheid hiermede heeft reeds menige reiziger bij de aankomst doen schrikken. Wel was er eene diligence, die drie ritten per dag deed, waarvan er een zich uitstrekte tot het ruim zes uren van het station gelegen stadje Hardenberg, maar wie ziet in onzen tijd van stoom niet op tegen zoo’n tocht in het ouderwetsche voertuig. Menigmaal werden er dan ook reeds plannen gemaakt voor eene trambaan langs de Vaart, in welke zaak met eere genoemd worden de namen van de heeren Bosch Bruist, Berends, Boers en Lebaique en Ruijs, die achtereenvolgens concessie aanvroegen voor een deel van het traject of met inbegrip der Vechtstreek. Eindelijk werd het vorige jaar de Dedemsvaartsche Stoomtramwegmaatschappij opgericht met de Heeren Jhr. Mr. G. C. Junius van Hemert, Mr. W. J. baron van Dedem, G. de Meijier, C. Piek en H. van Barneveld tot commissarissen. Subsidiën werden verleend door de provincie en de belanghebbende gemeenten. Tot directeur werd de Heer A. Plomp gekozen, en op 11 Oct. l.l. kon reeds het voornaamste deel, dat van het spoorstation tot Avereest, lang 17 K.M. in gebruik worden gesteld. Met zeldzame eenstemmigheid werd er dien dag feest gevierd, en thans is het andere deel der lijn, lang 14 K.M., — dat van het tramstation Avereest naar Heemse, in de onmiddellijke nabijheid van Hardenberg, — voor het publiek opengesteld, zoodat men nu de sierlijke rijtuigen, uit de fabriek van de firma Beijnes te Haarlem, over een lengte van zes uren gaans van het oosten naar het westen ziet heen en weer rollen. Het deel van ons vaderland, door deze trambaan doorsneden, verdient ten zeerste nader gekend te worden.


Het tramstation (rechts) en het treinstation Dedemsvaart-spoor.

De tram rijdt af bij het station Dedemsvaart, dat nog in de gemeente Staphorst is gelegen, en reeds na eenige minuten heeft hij de gemeente Nw. Leusen bereikt. Ziet ge, hoe daar de vaart eene haast onmerkbare bocht heeft en vervolgens hare eerste richting hervat? Wel mag zij hier eene buiging maken! Het buiten, dat zij hier omspoelt, is de woning van den waardigen kleinzoon van den Baron van Dedem, die in 1809 bij Hasselt met den aanleg begon en daarmee den grond legde voor de welvaart dezer streken, die toen nog niets dan heide en woeste veengronden bevatten. In twee jaren tijds was er 20 kilometer uitgegraven. De venen begonnen hunne schatten af te geven, maar de energieke man had het lot van meer philanthropen, zijn fortuin won er niet bij. Nog bij zijn leven nam de provincie het werk over, en thans is het tot nabij Gramsbergen doorgetrokken. Wij passeeren deze villa, die «Rollecate» heet, volgen het fraaie geboomte en bereiken in een paar minuten de buurtschap «den Hulst».
Nauwelijks hebben we de grens der gemeente Avereest bereikt, of eene andere villa wordt ons gewezen. Ook daar woont een ware volksman, iemand, die als lid der Gedeputeerde Staten, jaren lang reeds deze streken ten zegen was. Het is waar, Jhr. Mr. Junius van Hemert is door partijzucht eenige weken uit de Statenzaal afwezig geweest, maar toen Deventer hem weder koos, vlagde men langs de Dedemsvaart. Laakbare partijzucht alleen deed hem van zetel verwisselen, want ook de anti-revolutionairen moeten zijne groote verdiensten erkennen. A propos! zoo onze locomotief niet den naam «Van Dedem» draagt, dan wellicht dien van «Junius van Hemert». Misschien vindt ge nu den weg wat eentonig en recht, maar ge hebt nog niet den tijd gehad om u te beklagen en b.v. te zeggen, dat ge niet van «recht voor allen» houdt, of ge zijt weer aan een druk plekje gekomen, de Balkbrug, waar de tram vrij zeker passagiers moet opnemen of uitlaten, want hier is een kruisweg.

Links leidt de weg naar Meppel en door het dorp, waarnaar de burgerlijke gemeente den naam draagt, door Oud-Avereest, eene zeer vruchtbare streek, dank zij het riviertje de Reest, met flinke bouwhoeven en eigenaardig natuurschoon; rechts op een kwartieruurs afstand, ligt het welbekend Rijksgesticht Ommerschans, dat weldra als «Gesticht bij Ommen» eene groote verandering zal ondergaan. Of het ook belang heeft bij den tram, kan men hieruit afleiden, dat de vlottende bevolking op het oogenblik omstreeks 1300 gedetineerden bedraagt, allen mannen; de vrouwelijke lotgenooten gaan naar Veenhuizen.
Hier te Balkbrug woont de hoofdopzichter van de Dedemsvaart, de Heer S.J.H. Breukel, aan wien deze streken niet weinig verplichting hebben, juist deze week zou de waardige man de 41-jarige vervulling zijner betrekking als provinciaal opzichter kunnen vieren.
Nu 20 min. geduld en wij hebben het tramstation «Avereest» bereikt. Merkt terloops de inscriptie op van een ingemetselden steen aan een huis nabij dit station. «Het eerste huis in dit Arrierveen gebouwd door R.H. en C. de Vos van Steenwijk 1818».
Hier is men eindelijk te Dedemsvaart, de volkrijkste en dichtstbebouwde plaats van alle dorpen en buurten langs het kanaal. De plattegrond loont in hoofdzaak twee evenwijdig loopende kanalen, in 't midden rechthoekig verbonden door de Kalkwijk. Tusschen deze twee gedeelten, de eigenlijke Dedemsvaart en de Langewijk, werd in 1881 een strijd gevoerd om 't bezit van den tram, waarvoor toenmaals de Heer Henri Boers concessie had verkregen. De tegenwoordige maatschappij heeft de route langs de Dedemsvaart gekozen: de andere zou eenige meters korter geweest zijn, maar o.a. het marktplein en het post- en telegraafkantoor gemist hebben. Vooral in deze plaats, die omstreeks 3500 inwoners telt, zal de tram zijn invloed doen gevoelen, want hier is handel en nijverheid, leven en vertier. 't Is waar, men treft er ook gevolgen van de algemeene malaise aan; voor twee jaren is er eene turfstrooiselfabriek opgeheven en de glasblazerij staat stil, maar daartegenover kunnen wij wijzen op eenige in volle werking zijnde kalkovens, twee aardappelmeel- en siroopfabrieken, eene steenbakkerij, eene sigarenfabriek, twee kaasmakerijen, eenige scheepstimmerwerven, eene drukkerij, waar o.a. een paar plaatselijke blaadjes en het weekblad «De Turf- en Steen-Industrie» verschijnen, en «last not least», de vooral ook in het buitenland beroemde boom- en bloemkweekerij «Tottenham» van den Heer A. M. C. Jongkindt Coninck. In den zomer verzuime de tramreiziger niet van het verrukkelijk uitzicht aan deze plaats te genieten.
De tuin, die verscheidene hectaren beslaat, staat door de welwillendheid van den eigenaar steeds voor iederen bezoeker open en is vooral in den zomer door de tallooze plantensoorten, die er met bewonderenswaardige zorgvuldigheid gekweekt worden, een waar verlustigingsoord voor den natuurliefhebber.
Na er met een bocht omheen gereden te zijn, stoomt de tram het dorp Lutten en daarmede de gemeente Ambt-Hardenberg binnen, waar hij nog een klein uur het kanaal volgt, langs eene rij van burgerhuizen, die er zeer welvarend uitzien en hier en daar alleen door nette tuintjes gescheiden zijn. Bij het Jachthuis verlaat de baan de Dedemsvaart en buigt zich naar het zuiden langs lage weiden, heide en veen. Een tijdlang blijven de huisjes klein en schaarsch, tot men met een korten zwaai het stedeke Hardenberg groet en in het dorp Heemse aan het eind der baan komt. Is het stadje het doel van den tocht, dan stapt men de Vechtbrug over, waar elken voetganger een cent bruggeld wordt afgevraagd, een gebruik, dat in Overijssel meer voorkomt.
Hier zal het nieuwe vervoermiddel geen geringe zegen zijn. De 1300 ingezetenen waren totnogtoe al te zeer geïsoleerd; zelfs de telegraaf, die tot Coevorden doorgaat, werkt hier niets uit, er is nog geen kantoor. Dat het er echter niet aan ondernemingsgeest ontbreekt, zal nu weldra blijken.
Met deze opening vangen nog twee nieuwe diligencediensten aan, dagelijksche (behalve Zondags), nl. Hardenberg-Gramsbergen-Coevorden en Jachthuis-De Krim-Coevorden en vice versa. Men denkt reeds aan verlenging der trambaan of naar de Duitsche grenzen of naar de Drentsche veenkoloniën, die sedert lang naar verbeterde communicatie-middelen hunkeren. In 't kort: er is een groot werk voltooid, dat ver uitziende gevolgen kan hebben.

* * *

DE TOESTAND VAN HET ONDERWIJS IN 1840 _________________________________________________________

In de loop van 1840 bezocht inspecteur Wijnbeek voor de tweede keer de meeste lagere scholen van Overijssel en deed daarvan op 28 februari 1841 verslag aan “Zijne Excellentie, den Minister van Binnenlandse Zaken”. Uit dat verslag hebben we hier de opmerkingen over Nieuwleusen, Oudleusen en de scholen aan de Dedemsvaart overgenomen. Het hele verslag is gepubliceerd door De Vereniging tot beoefening van Overijsselsch Regt en Geschiedenis in “Verslagen en mededelingen, 80e stuk 1965” met de titel: “Verslag wegens den staat der lagere scholen in Overijssel, bij het tweede bezoek van inspecteur Wijnbeek.”

Delen uit het verslag over het vijfde schooldistrict, waaronder Nieuwleusen valt
Schoolopziener Mr. H. Baron van der Wijck, rijksontvanger te Ommen, een ijverig schoolopziener. De geregelde invoering van het schoolfonds ten platten lande heeft bij de onderwijzers van dit district de vorige klachten wegens wanbetaling doen verminderen. Doch zowel in dit district als in de overige is de klacht der onderwijzers vrij algemeen, dat de prijs waarvoor zij de schoolbehoeften, boeken, lijen, papier, pennen en inkt moeten leveren (50 cents per leerling voor een geheel jaar) veel te laag is gesteld.

Gemeentescholen
Oud-Leuzen, gemeente Dalfsen.
Het onderwijs is hier aanvankelijk verbeterd sedert de kortelings in dienst getreden F. Andringa. Er zijn hier 84 kinderen.
Nieuw-Leuzen.
Tevoren door mij niet bezocht, omdat er, vanwege het onbruikbare lokaal geen school gehouden kon worden. Thans vond ik er een nieuw, goed lokaal, met het daglicht terzijden en achter. De bedaarde onderwijzer J. Eshuis, gaat een fikschen gang. Al weder de klankmethode op het bord, voorts een goede leestoon. De Pestalozzische ( Johann Heinrich Pestalozzi (1746-1827) was een Zwitsers pedagoog, hervormer en filosoof die wordt gezien als een pionier in de pedagogie. Hij streefde bij de opvoeding naar aanschouwelijkheid en aanpassing aan het werkelijke leven en vond dat de mens moet beginnen met de elementaire dingen te leren, zoals getallen, letters en klanken.) getalleer in alle gangen zeer geregeld behandeld en toegepast op het rekenen uit het hoofd. De nieuwe schrijfwijze met goed gevolg aangewend, het gezang recht gepast beoefend, van de onderste klasse bij opklimming tot de hoogste. Er zijn bijna 200 leerlingen.
Renterveen (Ruitenveen), gemeente Nieuw-Leuzen.
Er was geen school en de onderwijzer afwezig. Dit gebeurde meermalen. De schoolopziener was voornemens hem hierover te onderhouden. Het lokaal is matig.
De Dedemsvaart.
Had bij mijn vorig bezoek slechts één school. Thans zijn er twee, de beneden- en de boven- of nieuwe school, op een uur afstand van elkander. Daar de bevolking zich al verder en verder uitbreidt, zal een derde school, wederom een uur verder, nodig zijn. De benedenschool heeft het geluk in F. Jansen een verstandige onderwijzer te bezitten, die zijne leerlingen niet alleen onderwijst maar ook opvoedt. Zijne leerlingen onderscheiden zich door beleefdheid, worden goed ontwikkeld en voor hun (boeren) stand doelmatig opgeleid. Er zijn bijna 200 in getal. Het lokaal is schier vierkant en veel te klein.
De bovenschool heeft een goed, nieuw lokaal, bestaande uit twee zalen naast elkander. Deze nieuwe school was sedert zes maanden aan den gang. Ik vond H. de Boer als onderwijzer, een zeer bekwame kwekeling van Prinsen ( Met de opening van de kweekschool in Haarlem in 1816 ging de rijksoverheid zich actief bezig houden met het opleiden van onderwijzers. De kwekelingen werden daar met de nieuwste onderwijsmethoden en -technieken vertrouwd gemaakt. Pieter Johannes Prinsen (1777-1854), onderwijsvernieuwer, auteur van talloze schoolboekjes en ontwikkelaar van moderne onderwijs- en leermethoden, zwaaide er de scepter.). Ofschoon alles hier pas was aangevangen, droeg het onderwijs een stempel van doelmatigheid. Hier was de nieuwe schrijfleerwijze ingevoerd en zulks met goed gevolg. Er zijn hier 160 kinderen.
Ommerschans.
Het lokaal vond ik in dezelfde staat als tevoren. Alleen hingen er thans Engelse lampen voor de avondschool. Overdag wordt er school gehouden voor kinderen van 3 tot 13, ‘s avonds van 13 tot 21 jaar. De eersten zijn 130, de laatste 140 in getal. Er zijn geen Jodenkinderen meer. Deze zijn allen overgebracht naar Veenhuizen. De jongens dragen donkere buizen met een groene kraag. De onderwijzer H.J. Hoogstraten begon met een gebed, waarbij het zeer eerbiedig toeging. Hier vond ik de letterkast, waarvan een onderwijzer vrij goed gebruik maakte. De leestoon was zeer goed. Er was als hulponderwijzer zekere D.P. van Steenwijk, opgeleid tot predikant, volgens heel- en vroedmeester. Tevoren was hij aan de drank verslaafd. Thans is hij zeer geregeld van gedrag. Hij behandelde de rekenkundige ontleding uitnemend, de ontleding ook toepassende op de naamvallen. Doch de taalkunde werd verder weinig beoefend. De maten en gewichten waren niet voorhanden, doch hij oefende er desniettemin de leerlingen zeer goed in. Deze man is een grote aanwinst voor de school.

Het was thans in het midden van de zomer. De scholieren waren grotendeels aan de veldarbeid. Uit dien hoofde heb ik de inspectie in dit district waar niet minder dan 44 scholen zijn, niet verder uitgewerkt. Het district telt, Ommerschans niet meegerekend, 23.580 zielen en de schoolgaande kinderen belopen bijna 4000, dus meer dan 1 van de 6 zielen.


* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

BE026

Deze keer een foto van een schoolreisje in 1958 van de openbare lagere school in Den Hulst naar Zuidlaren Hellendoorn. Gelogeerd werd in Peize en in Zuidlaren werd "De Sprookjeshof" bezocht.



1  
2  
3  
4  
5  
6  

7  
8  
9  
10  

Joziena Krol-Massier
Rob Nagel, onderwijzer
Klaas Kreule
Harm Jan Toersen
Johan Sterken
Jan Zantinge, onderwijzer
Yda Zantinge-Edens
Gerard van Duren
Geertje Seine
Hannie Prins

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

Roelof Runhart
Henk Borger
Jannie Huisman
Aalt Kappert
Geesje van de Voort
Mieneke Groen
Berend Stoel
Bertha Kooiker
Johan Hoogenkamp
Johan Klein

21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  

Klaas Oosterveen
Roelien Sterken
Herman Bouwhuis
Janna Brinkman
Wim Seinen
Gerrit Kamerman
Aalt Stegerman
Marrie Schuurman
Hilly ter Horst
Jan van Wilpe

* * *

HET KLEINE HUIS AAN ’T PAD, 6 _________________________________________________________

Margje Key-Hendriks

Voorjaarsschoonmaak
In het vroege voorjaar maakte moeder, net als iedereen, het huis van boven tot onder schoon. Er werd geboend en geschrobd en alle bedden gingen naar buiten en de dekens kwamen aan de lijn. Wij hadden stromatrassen en daar kwam dan ook nieuw stro in. Je sliep daarna eerst op een hoog rond bed waar je bijna afrolde.
Als de kamer aan de beurt was, moesten wij buiten de stoelen met roodachtige wrijfwas poetsen tot ze glommen. De schilderijen kwamen van de muur en werden schoongemaakt. Het glas werd met spiritus opgewreven. Er was geen plekje dat geen beurt kreeg.
Als het wasdag was, gebeurde dat in de zomer ook buiten. Onze buurvrouwen Jannao en Jaantie hadden een grote balie op een kruk staan. Ze schrobden dan de kleren en het linnengoed met een borstel


Omstreeks 1962 bij Ruitenveen 10. Jentje Hersevoort-de Boer buiten aan de was in het bijzijn van haar dochters Janny (links) en Jenny.

of met de handen tegen elkaar. Trijn en ik mochten daar altijd helpen. We werden dan zelf natuurlijk ook wel nat, maar dat geplump in het water deden we graag. Thuis mochten we niet met de was helpen tot we ouder waren.

Soms deden we uit ons zelf ook wel eens werkjes. Op een dag vond ik een bus verf en een oude verfkwast. Ik heb toen de muur achter het kippenhok geverfd. Ik vermaakte mezelf heel erg totdat de verf op was. Toen zat ik er wel over in hoeveel brommen ik zou krijgen en ik dacht aan een pak slaag voor de broek of zonder eten naar bed. Ik kon dan ook haast niet geloven dat vader en moeder er alleen maar om lachten.
Als er ’s zomers veel vliegen in huis kwamen, moesten we moeder helpen om die er weer uit te jagen. De keuken werd dan helemaal donker gemaakt en de voordeur werd wijd open gezet. Dan gaf moeder ons wat ouwe lappen of wat takken met blad er aan en die moesten we goed in de rondte zwaaien. De vliegen gingen dan allemaal naar het licht van de open deur en zo naar buiten. Dat ging altijd aardig goed. We hadden ook wel een vliegenglas op tafel. Dat was net een omgekeerde glazen schaal op drie kleine pootjes. Erin kwam zeepwater en eronder een beetje suiker om de vliegen te lokken. Als de vliegen dan opvlogen kwamen ze in het gootje met zeepwater en verdronken.

Zo was het toen
Ons leven aan het Pad was goed en we waren daar gelukkig. Maar geld was er meestal niet. We zijn grootgebracht met op zijn Engels “make do” (je moet het er mee doen). Wat we echt nodig hadden was er altijd wel en we misten eigenlijk ook nooit iets. Onze ouders werkten hard om te zorgen dat er voor ons eten en kleren waren en alles wat we verder nodig hadden. Vader werkte voor Hendrik Jan Sterken in Den Hulst, dat was zes kilometer bij ons vandaan. Hij was een goeie timmerman, maar het werk betaalde niet zo goed. Het viel daarom ook niet altijd mee om de eindjes aan elkaar te knopen.
Misschien zei moeders moeder daarom wel tegen haar dat het beter was om met een boer te trouwen. Boeren hadden het aardig goed in die dagen, tenminste de grotere. Toch kregen wij af en toe ook wel eens wat moois. Ik kan me nog heel goed herinneren dat, toen ik een jaar of drie was, Trijn en ik allebei een nieuwe jurk kregen. Ik vond het de mooiste jurk die ik als kind ooit heb gehad. De jurk was wit met


Ansichtkaart van de Ommerdijk in Den Hulst omstreeks 1965. In de woning rechts woonde het gezin van Hendrik Jan Sterken. Zijn vrouw en een dochter zitten voor het huis. Achter de woning was de timmermanswerkplaats.

roze en grijze streepjes en voelde zacht en zijdeachtig aan. Later hadden we weer eens een witte jurk, maar toen met margrieten er op. Nellie kreeg er toen ook zo een. Maar die jurken waren van katoen. Ik denk dat tante Hilligje ze gemaakt heeft.
Soms hadden we ook wel eens een andere naaister, die dan een hele dag kwam. Ze woonde aan de Veldweg en had een “bochel” zoals we zeiden, een hoge rug. Ze maakte ook schoudertassen voor ons van bruin ribfluweel. Omdat moeder niet kon naaien, zei ze altijd dat Trijn en ik het wel leren moesten. Moeder breide altijd wel veel. In die tijd moesten alle meisjes leren breien. Het was vaak de enige manier om een nieuwe trui of sokken te krijgen. Toen ik elf of twaalf jaar oud was, heb ik voor mezelf een truitje van blauw katoenen garen voor de zomer gebreid met korte mouwen.
Het gebeurde in de oorlog dat moeder nog een streng wol had om sokken van te breien. Nellie was nog maar een kleuter. Toch had ze de wol gevonden en was er mee gaan spelen. Daarbij had ze het voor elkaar gekregen om de streng “allergriezeligst” in de war te maken. Alles moest toen weer uit elkaar gehaald en opgewonden worden. Avond na avond zijn we daar om beurten met z’n tweeën mee bezig geweest.
Als een van ons een gat in de sok had of een scheur in de broek of jurk, maakte moeder dat ’s avonds bij de lamp. Dan zat ze op de tafel met de voeten op een stoel en de olielamp helemaal naar beneden getrokken om beter te zien. De olielampen kon je aan een ketting omhoog en omlaag trekken.

Moeder vertelde dat grootvader ook wel sokken breide als hij de schapen liet grazen op de heide. Er was daar in het veld toen nog veel heide. Als de plaggen en turf gestoken waren, werd de grond uiteindelijk met veel mest omgevormd tot goed bouwland. Zo zijn tante Aoltie (moeders oudste zuster) met oom Lefert Lefers ook begonnen te boeren op de heide.
Grootvader bracht met de wagen ook heideplaggen naar huis en daar zat wel eens een slang in. Die plaggen stookten ze in het vuur. Toen wij aan het Pad woonden stookten wij vaak turf in het fornuis of de kachel. Maar soms waren ze niet droog en dan wilden ze niet goed branden. Dan mopperde moeder en porde steeds weer in de kachel waar het een beetje smeulde en alleen maar wat rookte.
Ik herinner mij dat moeder op een keer het fornuis aan het poetsen was om mooi zwart en glimmend te maken. Ze zong daarbij. Dat vond ik heel erg mooi en toen het liedje uit was vroeg ik haar nog meer te zingen. Dat deed ze toen ook. Het is de enige keer geweest, voor zover ik mij herinner, dat ik moeder heb horen zingen. Toen ze nog niet getrouwd was, zong ze in een zangkoor. Ik kan me niet herinneren dat ik vader ooit heb horen zingen, net zo min als Henk die gewoon zei: “ik zing niet en daarmee uit”.

Hoe zou hij dat op school hebben gedaan?
Onze ouders konden wel allebei mondharmonica spelen, mondorgel zoals we toen zeiden.

Vader rookte sigaretten en een enkele keer ook een sigaar, maar dat was dan een traktatie. Hij ging altijd op zijn fiets naar het werk. Zijn gereedschap bleef natuurlijk bij Sterken in de werkplaats staan. Daar vandaan moest het wel mee op de fiets naar de boer waar ze dan werkten. Ze bouwden veel voor boeren. Het was hard en zwaar werken. Als er cement gemaakt en gestort moest worden, gebeurde dat allemaal met de schop en de kruiwagen.
Bij sommige mensen aten ze ’s middags mee, maar bij anderen wilde vader niet eten. Hij nam dan een paar sneden “stoete” mee. Bij die mensen ging het er niet zo netjes aan toe en werd het bord bijvoorbeeld afgeveegd met de punt van het schort of gebeurde dat met de “wasseldoek”, de vaatdoek. Hij was daar vies van. Bij een andere boer was altijd amper genoeg te eten. Als alles op was zei de boerin “op en ook zat”.
Als we vader vroegen waar hij naar toe ging en hij wilde het niet zeggen, dan zei hij altijd “kraaien melken”. Wanneer vader en moeder over iets wilden praten dat wij niet mochten horen, zei hij “er zijn langoren bij”. Was vader kwaad, dan vloekte hij niet maar zei “blikskater”.
Ik was altijd erg bang als ik alleen in het donker was. Ik moest ’s avonds wel eens naar het huussie als het al donker was. Het was altijd op een moment dat ze allemaal bij de kachel zaten te lezen of te breien. Het viel dan niet mee om iemand mee te krijgen naar buiten. Soms ging vader wel met me mee of moest Trijn dat doen. Daar had ze een hekel aan en dan zei ze dat ik moest opschieten want volgens haar had ik te lang werk. Vaak moest ik er ook alleen naar toe, zonder lamp. Het was soms aardedonker en dan kon je geen hand voor ogen zien.
Bij een van de buren kregen ze een radio, ik meen dat het bij Tempelman was. Trijn en ik mochten met Jannao mee om daar de nieuwe aanwinst te bekijken. We zaten met z’n allen om de tafel te luisteren naar het geluid dat uit een grote houten kast kwam, dat was de radio. Ze wilden ons wijs maken dat er een man in de kast zat, maar dat geloofden wij niet.


Woonwagens. Foto: Bundesarchiv, Bild146-1987-107-62. (bron: Wikipedia)

Na de oorlog trokken er weer zigeuners door ons land. Niemand hield daarvan, want ze zeiden: “ze stelen je ’s nachts nog het wasgoed van de waslijn.” Ze kwamen altijd met z’n tweeën of drieën tegelijk aan de deur en dan werd je door een van hen aan de praat gehouden terwijl de anderen naar achteren slopen en bijvoorbeeld de eieren of een paar kippen uit het hok haalden.
Er waren ook wel anderen die in woonwagens rondtrokken. Zo’n woonwagen was niet erg groot en als er een groot gezin in woonde, sliepen de kleinste kinderen in een grote la onder de wagen. Ze hadden altijd een paard dat de woonwagen trok.
Aan het eind van de allee, bij de Diek, stond vaak zo’n woonwagen. Deze mensen deden niemand kwaad. Ze bleven een paar weken staan en trokken dan weer verder. De man repareerde de biezen matten van de stoelen. Moeder heeft hem onze stoelen ook eens laten maken. Hij leverde goed werk af.

Destijds gebruikte men nog een “stove”, een stoof. Dat was een houten bak met een open zijkant en gaten in de bovenkant. Daar zetten ze een “test” in met kooltjes vuur. Je zette je voeten dan op de stove om ze te warmen.

Vader heeft een keer een plaatstoof gemaakt van ongeveer 40 x 60 cm. Aan de bovenkant kwam een leisteen. Als er in die stoof kooltjes vuur gedaan werden, was dat lekker warm voor vier paar voeten. Voor we naar bed gingen, stonden we een poosje op de plaatstoof. Moeder hing ook een flanellen laken bij de kachel en deed dat om onze voeten als we in bed lagen. Als het erg koud was dan deed vader nog wel eens een paar oude jassen over de dekens en hadden we het nooit koud in bed.
’s Winters moesten we altijd een gebreide wollen borstrok aan. Die werd over het hemd gedragen en onder de jurk of trui. Soms moest ik ook een jurk dragen die eigenlijk nog te groot voor me was. Dan kreeg ik een riem om en trok de jurk goed omhoog om hem korter te maken. We droegen ’s winters lange gebreide kousen met bovenaan elastieken om ze op te houden. Later hadden we een soort gordel met jarretels.
Zo gauw het voorjaar was begonnen we te zeuren of we de borstrok en de lange kousen uit mochten doen. Dan kregen we eerst kniekousen aan en weer later sokken. Jongens droegen ’s winters altijd een korte broek met lange kousen. Jan de Boer, een broer van Wiechertje, droeg altijd een ouderwetse driekwart broek.
Als we nieuwe klompen nodig hadden, werden we naar de klompenmaker gestuurd. We gingen naar Beldman en later naar Bril, die zijn klompenmakerij naast Jonker had. Daar wachtten we dan tot de klompen klaar waren. We droegen ze ongeverfd en ook als ze nog niet goed droog waren.

Boodschappen
We deden ook vaak boodschappen voor moeder. We liepen dan over de Allee en een eindje de Diek op naar de bakkerij van Jonker. Daar verkochten ze van alles. Aan onze boodschappentassen hadden we


Kruidenierswinkel van Thijs Westerman aan het Westeinde omstreeks 1945.

een hele sjouw. Toen we ouder waren mochten we met de fiets de boodschappen doen. Jonker had een witte keeshond. Hij had een bakkersknecht uit Zwolle in dienst. Die was vrijgezel en ik meen me ook te herinneren dat hij bij Jonker inwoonde. Hij was een klein mannetje en heette Bart Boerendans. Als hij klaar was met bakken nam hij een grote zwabber en ging er mee naar de buitendijksloot om hem nat te maken en er daarna de oven mee uit te vegen. Moeder mopperde daar wel eens over en ergerde zich eraan dat hij dat in die smerige sloot deed.
Maar ze wist waarschijnlijk niet dat hij ook zijn nagels knipte met dezelfde schaar die hij gebruikte om het brood van boven te knippen. Dat heeft Henk wel eens gezien als hij ’s winters, als het koud was, met een paar andere jongens in de warme bakkerij op een vrachtauto wachtte die naar Zwolle ging. Het was net na de oorlog en Henk ging daar toen naar de ambachtschool. Ze konden met een EDS vrachtauto meerijden want een echte bus was er nog niet weer. De vrachtauto had houten bankjes langs de zijkant om op te zitten. Het was altijd een nogal hobbelige rit. Henk herinnert zich dat Kleus Kwartie soms ook mee reed naar Zwolle en dat ze dan wel een beetje bang keek als ze op dat wiebelige bankje zat.


Henk Brassien met het paard voor de venterswagen van kruidenier Thijs Westerman van het Westeinde omstreeks 1940.

Jonker ging ook met zijn wagen met boodschappen langs de deur, net zoals bakker Westerman dat deed. Moeder kocht van allebeide bakkers wel wat. Soms gaven ze een handjevol assies (pinda’s) voor de kinderen. Als Westerman de deur binnenkwam zei hij altijd op uitgerekte toon: “en mosternogwattewesthemvandage?”
De bakkers lieten paard en wagen aan de weg staan en liepen met een mand boodschappen naar de huizen. Zo gauw ze uit zicht waren verdwenen, klommen Dina of Trijn en ik op de wagen. Vlak vooraan stonden altijd grote emmers jam, stroop en appelstroop. Ze schepten van daaruit toen nog de potjes vol voor de klanten. Eenmaal op de wagen staken we onze vinger in een emmer en likten er wat van. We wisten best dat dit heel ondeugend was en we deden het dan ook niet zo heel vaak. Gelukkig zijn we nooit betrapt.

Als we boodschappen moesten doen, zagen we vaak Derk Klomp op de Allee of bij Jonker. Hij woonde met zijn twee of drie hondjes halverwege de Jagtlusterallee. Bij Jonker nam hij altijd de hondjes mee de winkel in. Daar had vrouw Jonker een hekel aan want ze snuffelden overal aan en ik geloof dat ze ook wel eens de poot opgetild hebben. We konden altijd wel merken dat ze die weer zo gauw mogelijk de winkel uit wilde hebben. Wij als kinderen vonden Derk een oude man. Sommige kinderen plaagden hem wel eens. Hij noemde ons “kukenkop” en zei altijd: “ie bint er iene van Hendriks”.

Hij kon wel zien op wie we leken. Nellie was bang voor hem en probeerde dan altijd achter iemand weg te kruipen. Henk vertelde dat Derk altijd kwaad werd als hij “Derk met de honties” zei. Soms wilde hij Henk dan met zijn stok slaan.


Gebreide borstrok uit de collectie van museum Palthehof.

* * *

ZOEKPLAATJES _________________________________________________________

Zoekplaatje 16 uit het maartnummer 2012 is opgelost. De foto is genomen in de Stadhoek bij de familie De Boer. De kinderen links en rechts zijn Willy en Thijs de Boer (van caféhouder D.H. de Boer). In het midden neefje Rutger de Boer van de Stadhoek.

Ook dit keer hebben we enkele nieuwe zoekplaatjes voor u. Het zijn weer foto’s die gemaakt zijn door dokter Dekker en vermoedelijk dateren uit de jaren zestig.


Foto 20: Een mooi plaatje van een boerenerf, ergens in Nieuwleusen of omgeving. Rechts tegen de schuur staat een slijpsteen. De boerenwagen is een zogenaamde stutkar, waarvan de bak achterover gekiept kon worden. De boerderij staat gezien de schaduw van de zon waarschijnlijk aan een weg die oost-west loopt. Op de foto is dus de zuidkant van de boerderij met schuur en hooiberg te zien. Op de achtergrond staat een tweede boerderij.


Foto 21: Ook deze boerderij staat ongeveer met de achterkant naar de zon. Rechts (op de foto) moet nog een schuur staan omdat er op de boerderij een schaduw van een gebouw te zien is.

* * *

RECTIFICATIES _________________________________________________________

In de artikelen Kunstwerken zijn enkele foutjes geslopen.
Blz 33: In het gezin van Frans Masselink en Jennigje Roddenhof werden in totaal acht kinderen geboren waarvan twee levenloos en een jong overleed. De andere vijf kinderen werden volwassen.
Blz 34: Geertruida Masselink woonde bij Evert Jan Masselink en Hendrika Jantina Derks op nummer 55.
Blz 90: Uit het huwelijk van Aalt Bruggeman en Toke Wesselius werden vier kinderen geboren.

Blz 75: Bij de foto van kleuterschool “Het Startblok” is bij nummer 28 een verkeerde naam vermeld. De juiste naam is Gerrit Kok.

Deze rectificaties zijn bij de tekst aangegeven

* * *

VAN OLD OP NEI _________________________________________________________

Janny Kok-Wolbers

Knieperties en rollegies
rozienestoet en sukelao
euliekrappen, appelflappen
de familie bij mekaor

Even achterumme kieken
wat 't olde jaor oes bracht
hier en daor met weemoed
an een groot verlies edacht

Dan slat de klok twaalf slagen
schieten heur ie hier en daor
zo iniens staoj met zien allen
op de drempel van 't neie jaor

Beste wèensen, handen geven
mèensen oet de naoberschop
borrelties een hartig happie
kinder gaot de diek ies op

Ik wens je veul heil en zegen
en wij hoopt er almaol op
mar dan ok de kop er veur holden
as 't in 't leven wat aanders lop

Geschreven in Drents dialect.

* * *

INHOUD JAARGANG 30 _________________________________________________________



10 
11 
12 
13 
16 
21 
24 
27 
29 
32 
33 
38 
39 
46 
58 
60 
61 
74 
75 
 
78 
85 
91 
93 
96 
98 
102 
105 
108 
117 
118 
119 
120 

De vijfduizendste is vijftig
Het kleine huis aan ’t Pad, 3
In de brand uit de brand
Zoekplaatjes
Feest in oorlogstijd
Een oude groepsfoto (25-jarig huwelijk Van Berkum-Stolte)
Over bijenhouders en bijen, 2
Een daggien uut
De parabel van olde Albert
Reacties
De Joodse familie Vomberg
Imker (gedicht)
Kunstwerken
Limerick op Ni’jlusen
Het kleine huis aan ’t Pad, 4
Een eeuw bezig met bijen, 1
Zoekplaatjes
Een wildeman
Een eeuw bezig met bijen, 2
Zoekplaatjes
Een oude groepsfoto (kleuterschool Het Startblok, 1968/69)
Het kleine huis aan ’t Pad, 5
Oranjefeesten 1937
Kunstwerken, 2
Een kaartje uit de pastorie
De neuteboom
De stoomtram langs de Dedemsvaart
De toestand van het onderwijs in 1840
Een oude groepsfoto (openbare school Den Hulst, 1958)
Het kleine huis aan ’t Pad, 6
Zoekplaatjes
Rectificaties
Van old en nei
Inhoud jaargang 30



____________________________________________________
________________________________________________________________________________________________



Jaargang 31 nummer 1 maart 2013


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina _________________________________________________________

De gebouwen van de Landbouwcoöperatie aan de Dedemsvaart met de silo waarin mannen van de Opruimings- en Reddingdienst instructieles kregen.

* * *

MENSEN AAN HET WOORD, 1 _________________________________________________________

Gees Bartels en Henny ter Wee

In dit nummer beginnen we met een nieuwe serie waarin we personen interviewen die in de recente geschiedenis naar Nieuwleusen kwamen of er uit vertrokken. In hun leven hebben ze de vele naoorlogse veranderingen meegemaakt. In dit eerste deel een portret van Ron Klijn.

Reinder Jan Klijn, beter bekend als Ron Klijn, kwam naar aanleiding van een advertentie voor de functie van gemeentearchitect, c.q. later directeur gemeentewerken van de gemeente in juni 1953 naar Nieuwleusen. In die tijd was Nieuwleusen nog een erg landelijke gemeente, waar weinig schokkende dingen gebeurden. We waren nieuwsgierig waarom iemand uit “het westen” solliciteerde naar deze baan en vooral naar hoe hij het werken en leven in onze gemeente heeft ervaren. Er is in de periode dat hij hier werkzaam was enorm veel veranderd. Zijn inbreng was daarbij van waarde en zijn achtergrond en opleiding speelden daarbij een rol. Bij zijn afscheid in 1985 werd hij benoemd tot ereburger van de gemeente Nieuwleusen. We begonnen met wat vragen over zijn leven voor hij naar Nieuwleusen kwam.

Kinderjaren

Ron Klijn is op 29 juli 1924 in Amsterdam aan de Linnaeusstraat 112 geboren als eerste kind van een Engelse moeder en een Hollandse vader. Zijn moeder, geboren in Kingston upon Hull, was in de Eerste Wereldoorlog verpleegster bij het Engelse leger in Frankrijk. Zijn vader, geboren op Vlieland in een familie van zeevarenden, zou net als zijn voorvaders ook kapitein worden, maar koos voor de techniek en werd scheepsbouwkundige. Zijn ouders ontmoetten elkaar bij een zuster van zijn moeder, die reeds met een Hollandse kapitein getrouwd was en ook in Amsterdam woonde. In 1925 werd Ron’s vader als technisch inspecteur voor enkele Hollandse scheepsrederijen in Hamburg benoemd en op 5 maart 1925 verhuisde de familie Klijn naar deze miljoenenstad.
Zo groeide hij op in een grote Duitse havenstad, met een vader die druk was met zijn werk en lange dagen van huis was en een Engelse moeder die het Nederlands nog aan het leren was en het Duits nog niet kende. Engels werd zijn moedertaal en van zijn vader leerde hij het Nederlands en dankzij de vriendelijke hospita leerden hij en zijn moeder al snel ook goed Duits spreken. Er was grote woningnood, maar ze woonden in een ruim appartement. De eigenaresse, een dame op leeftijd, had, zoals veel rijke families in die tijd, haar geld geïnvesteerd in Russische spoorwegen. Toen die aandelen niets meer waard waren moest ze een groot deel van haar huis verhuren om in haar levensonderhoud te voorzien.
Zes jaar oud ging Ron naar een Duitse privé-school. Met één mark schoolgeld per dag was het een zeer dure school met allemaal kinderen uit keurige Duitse gezinnen. In een stad vol communisten en nationaal-socialisten, waar zo nu en dan in straten werd geschoten, moest je zorgen dat je niet tussen de schietende partijen terechtkwam. Na vier jaar basisschool deed hij op tienjarige leeftijd toelatingsexamen middelbaar onderwijs. Na het Engels, Duits en Nederlands kwam er nu als vierde taal nog Frans bij. Als buitenlands gezin leefden ze vrijer dan de Duitsers en Ron had wel een leuke tijd, omdat hij als kind niets te maken had met politiek en Hitlerjugend. Thuis lazen ze een Engelse krant, de Daily Mail. Nadat Hitler in 1933 aan de macht was gekomen durfde niemand die krant te kopen. De leraar Engels vroeg Ron voorzichtig of hij de oude kranten mocht hebben en dat gebeurde.
Hamburg was een grote stad, als havenplaats internationaal georiënteerd, met uiteraard ook een Nederlandse en een Engelse club. Toch werd geleidelijk aan de oorlogsdreiging voelbaar. Het werd lastig om in de dokken voldoende plaats te krijgen voor het onderhoud van de schepen, want die werden steeds meer gebruikt voor onderzeeërs in aanbouw; vaak wel drie of zes per dok. Die werden in de aanloop naar de oorlog aan de lopende band gebouwd. Toen op 1 september 1939 Duitse troepen Polen binnenvielen was de oorlog een feit en moesten alle Hollandse schepen de haven uit. Het gezin Klijn ging terug naar Nederland, naar de zuster van zijn moeder in Bussum, waar ze voorlopig konden inwonen tot ze zelf een geschikt huis gevonden hadden. Het meubilair werd per goederenwagon nagestuurd en kwam totaal geblutst en gebroken aan.
Terug in Nederland was voor hem meteen heel vertrouwd dankzij de eerdere lange schoolvakanties in Bussum, waar Ron andere jongens in de buurt had ontmoet.

Jeugdjaren
Ron was inmiddels vijftien jaar oud en zou na het eindexamen middelbare school waarschijnlijk naar de zeevaartschool gaan. Maar toen de Duitse troepen Nederland dreigden binnen te vallen werd besloten dat zijn vader naar New York zou worden overgeplaatst. Op 13 mei 1940, Pinkstermaandag, de Duitse troepen waren nog niet tot de kust doorgedrongen, zat het gezin met snel bij elkaar geraapte bezittingen aan boord van een schip dat naar Engeland zou varen. Net buiten de pieren van IJmuiden torpedeerden Duitsers het schip. Ron werd van boord geslingerd en kwam in een zee vol stookolie terecht. Gelukkig had hij leren zeezwemmen en zodoende kon hij de kust bereiken. Aan boord van het Nederlandse oorlogsschip De Zeven Provinciën werd hij een beetje schoongeboend, maar hij was zwart als de nacht en het heeft nog weken en vele wasbeurten geduurd voor de zwarte olie helemaal uit huid en haar was verdwenen. Zijn vader kreeg een stalen scherf door een been en kwam in het hospitaal terecht. Zijn moeder en zuster kwamen in een reddingboot terecht en kregen onderdak in IJmuiden. Ron moest beslissen wat hij wilde; met een ander schip naar Engeland, waar veel familie woonde, en zijn moeder, zusje en zwaargewonde vader achterlaten, of blijven. Hij koos voor het laatste.
Zijn vader adviseerde hem daarop maar bouwkunde te gaan studeren. Na de oorlog hadden ze zeker bouwkundigen nodig en als je die opleiding volgde hoefde je niet naar Duitsland. Niet zo verwonderlijk dus dat heel veel jongens die opleiding wilden volgen. Na het afsluiten van een HBS-opleiding begon hij aan de opleiding in Amsterdam. Dat betekende dagelijks op en neer met de trein van het Gooi naar Amsterdam; vertrek zeven uur, acht uur aankomst centraal station, een half uur met de tram en dan nog even lopen naar school. Maar terug naar huis was een ander verhaal. Was er luchtalarm, dan moest je naar het station Muiderpoort, en vaak waren er in de buurt van het Naardermeer Engelse vliegtuigen die op de locomotief schoten. Achter de locomotief reed de kolentender en daar was een betonnen bunkertje in gebouwd waarin de machinist kon schuilen.

An Klijn-Eerdmans in 1985 tijdens een klederdrachtshow verkleed als werkvrouw.

Was het raak dan duurde het tijden voor er weer gereden – gekoppeld – kon worden. Je was blij als je om zeven uur thuis was.
Het eerste stagejaar begon in het laatste oorlogsjaar, 1944. Ron kon bij Rijkswaterstaat aan de slag, maar: “kom maar niet hier, we nemen je wel aan, maar ga maar onderduiken.” Hoe kon je onderduikadressen vinden? Als je geluk hebt doen zich soms onvoorstelbare situaties voor. Hun buurman was een Oostenrijker die een Oostenrijkse firma in Nederland vertegenwoordigde. Er werd nooit gecontroleerd of er in dat huis iets ongeoorloofds gebeurde, want hij was immers landgenoot sinds Oostenrijk een deel van Duitsland was. Ron heeft daar veel gelogeerd, had er een bed en kon via een aanwezige radio luisteren naar de Engelse zender en Radio Oranje en de opgevangen berichten doorgeven. Als er geen gevaar dreigde, bleef hij gewoon thuis.
In de oorlog mocht je bijna nergens komen, maar helemaal buiten in de bossen was een natuurbad dat de Duitsers niet kenden, en daar ontmoetten jongelui elkaar. Ron leerde daar Annie Jeanette Eerdmans kennen, zijn latere vrouw.

Na de oorlog
Na de oorlog volgde nog een stagejaar en een serieus examen, want zodra de oorlog was afgelopen was het meteen aanpakken. De stage bij Rijkswaterstaat, regio Gooi en Vechtstreken, kon ook weer van huis uit, maar zonder fiets, want die was eind april nog net door een Duitser afgepakt toen zijn zusje melk ging halen.
In juni 1947 kon Ron zijn opleiding bouwkunde, weg- en waterbouw-kunde met goed gevolg afsluiten. Zijn diploma utiliteitsbouwkundige behaalde hij bij het Koninklijk Instituut voor Ingenieurs in mei 1953, vlak voordat hij naar Nieuwleusen verhuisde.
De gemeente Amsterdam had na de oorlog veel personeel nodig, maar als nummer 5020 tewerk gesteld te worden beviel hem maar niets. Per 1 februari 1948 begon Ron als technisch ambtenaar bij de gemeente Huizen. Hij trouwde in 1950 en, zoals toen gebruikelijk, moest de jonge echtgenote haar baan als kleuterleidster opgeven. Voor haar zal het een dubbele opoffering zijn geweest toen ze als echtgenote ook nog het mooie huis met rietendak, zo’n echt “Goud-Elsje-huis”, moest opgeven om in 1953 met haar echtgenoot naar Nieuwleusen te gaan.

Nieuwleusen
Waarom naar Nieuwleusen heeft ze zeker gevraagd en ze heeft ook wel een traantje gelaten toen ze in het kale huis in de Wethouder Nijboerstraat haar spullen uitpakte. Maar Ron Klijn zag het als een uitdaging in een gemeente aan de slag te gaan waar nog alles van de grond moest komen. Het was een gemeente waar voor de oorlog een ruilverkaveling, een van de eerste van Nederland, was uitgevoerd en na de oorlog was dat ook weer gebeurd. Zo’n gemeente moest toch over ondernemende bestuurders beschikken, moet hij gedacht hebben en dus kwam hij hier naar toe om zijn kennis toe te passen die hij had opgedaan tijdens zijn studie en in de praktijk in Huizen.


De Wethouder Nijboerstraat gezien in de richting van de Backxlaan, ca 1960.

Huizen was een grotere gemeente dan Nieuwleusen en ook met een agrarische bevolking, maar ook met een haven en vissersvloot; een gemeente waar de infrastructuur al veel verder was en waar ze sinds de jaren twintig al met bestemmingsplannen werkten.

De tijdgeest
De overgang van vooroorlogse voornamelijk agrarisch ingestelde gemeente naar een moderne gemeente met een snelle bevolkingsgroei en een evenwichtige verdeling over landbouw, industrie en dienstverlening ging redelijk snel. Ron Klijn heeft als hoofd van de openbare werken en later als directeur gemeentewerken veel bijgedragen aan de kwaliteit van de gemeente als woon- en werkplek. “Wat ben jij toch een dure vent” werd een geuzennaam voor hem. Tot zijn pensionering in 1985 hebben er heel veel veranderingen plaatsgevonden. Daarvan geven we een overzicht in een volgend kwartaalblad.

Particulier initiatief
Naast de ambtelijke werkzaamheden heeft Ron Klijn in samenwerking met plaatsgenoten en echtgenote ook veel particulier initiatief getoond. Enkele voorbeelden daarvan zijn de oprichting van een zwemvereniging en de bouw van het zwembad, de oprichting van een nieuwe tennisvereniging en de aanleg van een tennisbaan achter het zwembad, de oprichting van de Stichting Oud Nieuwleusen en, vanuit de functie als gemeenteambtenaar, de modernisering van de brandweer en aanpak bescherming burgerbevolking.

Kleuterscholen
Mevrouw Klijn miste als kleuterleidster in Nieuwleusen een kleuterschool en zette zich met een groep andere moeders in voor de stichting van een kleuterschool. Die kwam er in 1955, eerst in een zaaltje van de Hervormde kerk. Bestuurders werden mevrouw Klijn en mevrouw Vos. Dominee E. Kempenaar werd voorzitter. Ron Klijn maakte een ontwerp voor een passende kleuterschool. De tekening werd goedgekeurd op 3 juni 1958 door de schoonheidscommissie en de inspectrice van het kleuteronderwijs, mej. Brands. Aannemer Firma de Blaauw en Folbert te Vriezenveen ging aan de slag en in september 1959 werd aan het Oosterveen de Hervormde kleuterschool “De goede Herder” geopend, met juf Geertje Huzen als leidster.


De boerderij van Gerrit Jan Kragt aan het Westerveen die door de Stichting Oud Nieuwleusen werd verworven.

Stichting Oud Nieuwleusen
Een gemeenschap kan niet zonder particulier initiatief. Vanuit de wens om meer belangstelling voor de geschiedenis van Nieuwleusen op te wekken werd op 20 december 1960 de oprichtingsakte van de Stichting Oud Nieuwleusen getekend door E.H. Mulder, P.J. van den Berg-Schröder, G. Boesenkool, R.J. Klijn, R.W.M. Loman-van Diemen, D.J. Massier, J. Mensink, A. Siefers en H. Schoemaker. De coöperaties doneerden geld en aan het Westerveen werd van G.J. Kragt een boerderij met een perceel van 5000 m2 grond gekocht. In die periode werden de seniorenwoningen aan de Wethouder Van den Berglaan gebouwd en Kragt was blij daar op comfortabele wijze zijn oude dag te kunnen doorbrengen.
Nog onbewoond had men er voor alle zekerheid het antieke tegeltableau uitgehaald. En dat was maar goed ook, want bij een noordwesterstorm, waarschijnlijk omdat een baanderdeur niet goed was afgesloten, ging het dak eraf en ging alles al snel tegen de vlakte.
De stichting kwam niet echt van de grond. Schoemaker had een boerderijtje opgenomen in zijn winkel-woonhuis aan de Burg. Backxlaan en daar omheen een museumpje ingericht, maar onduidelijk bleef wat particulier en wat stichting was. Toen in 1982 een nieuwe initiatiefgroep aan de slag ging voor een historische vereniging, voegden de leden van de stichting zich hierbij. De Stichting bleef nog bestaan maar werd uiteindelijk in 1989 opgeheven. De bezittingen werden overgedragen aan de historische vereniging die de grond enkele jaren later verkocht aan apotheker Sikkens en zo een behoorlijk startkapitaal vergaarde om de bouw en inrichting van museum Palthehof te realiseren.

Brandweer
Na de Tweede Wereldoorlog kwam de tijd van “de koude oorlog”, met grote spanningen tussen oost en west. In Huizen was Ron Klijn in het kader van de wet Bescherming Burger Bevolking met drie anderen opgeleid voor het managen en trainen van mensen voor opruimings- en reddingsdiensten en daar viel de brandweer ook onder. Dat kwam in Nieuwleusen goed van pas en hij kon hier ook meteen aan de slag als brandmeester bij de brandweer en ook hier de O en R-(opruimings- en reddings) dienst op poten zetten. Boven in de silo van de Landbouwcoöperatie aan de Dedemsvaart was een kamer waar instructieles werd gegeven voor de O en R-dienst. Je moest er met een trap helemaal naar boven. “Het was een heel leuk stelletje, vooral de brandweerlieden.” Er werd hard gewerkt en goed getraind en in de loop der jaren is er menig prijs gewonnen. Echter, zo kort na de oorlog was het nog een primitief zaakje.
Er was een bellenwagen. Dat was een uit de oorlog overgehouden kleine commandowagen van het Canadese leger, zoiets als een bestelbusje, maar dan met scherpe hoeken. Die kon in Den Hulst de aanhangwagen met spuit trekken. De brandweerwagen van Nieuwleusen was een aanhangwagen met spuit. Die stond bij Pinxsterhuis gestald en als er brand was moest die maar zien hoe hij aan een auto kwam die de wagen kon trekken. Dat de brandweer op die manier vaak weinig kon uitrichten bleek wel in september 1953 toen bij een brand bij de kruising Westerveen-Bouwhuisweg vier boerderijen afbrandden.
De ouderwetse brandslangen waren nog wel te gebruiken, maar er was geen druk op de brandkraan. Bij brand werd naar de Waterleiding Maatschappij Overijssel in Witharen gebeld om te vragen of ze de druk op de waterleiding iets wilden opvoeren. Om dat probleem te verhelpen had de gemeente een bluswagen besteld; een voormalige Amerikaanse legertruck, een drietonner waarop een tank werd gebouwd die 6 ton water kon bergen. Men beschikte nu wel over veel water en een zogenaamde hogedrukspuit, maar die heeft nooit gespoten. Want het ging bij de eerste actie meteen al mis. Bij een uitruk voor een blikseminslag net buiten de gemeentegrens bij De Stouwe kantelde de topzware wagen in de berm en kwam in de sloot langs De Stouwe terecht. Pinxsterhuis was met een been knel komen zitten en de boerderij brandde af.
In 1969 werd aan Ron vanwege Hare Majesteit de Koningin de Vrijwilligersmedaille verleend voor 15 jaar trouwe dienst bij de brandweer.

Zwemvereniging
Wie wilde zwemmen moest dat doen in de Dedemsvaart en toen die steeds minder gebruikt werd voor de scheepvaart, ging de kwaliteit van het water sterk achteruit. Er werden alle mogelijke activiteiten op touw gezet om gelden bijeen te krijgen om een zwembad te kunnen bouwen, dat op 29 mei 1965 geopend werd. Het bad had koud water en pas na een paar jaar kwam er een gemeentelijke subsidie voor een verwarmingsinstallatie. Vrijwilligers legden langs de Burg. Backxlaan vanaf de twee kernen een fietspad aan, zodat de kinderen veilig van en naar het zwembad konden fietsen.
In 1969 werd een Zwemvereniging opgericht met Jo Vos als penningmeester en Ron Klijn als voorzitter en er kwam een subsidie. Notaris Klein stelde gratis de stichtingsakte op.

Tennisclub
Tennissen deed een klein groepje notabelen op het terrein van de Unionfabriek. Daar kwam ook verandering in toen Ron Klijn het initiatief nam voor de oprichting op 27 juni 1969 van een tennisvereniging. Er kwam geld om op een weiland vlakbij het zwembad twee tennisbanen aan te leggen. Dat was achter de boerderij van de familie Stegerman. De boerderij werd later verbouwd en als “De Boerderij” in gebruik genomen door S.M.O.N. voor jeugdactiviteiten en buurtwerk. Ook kreeg de peuterspeelzaal er onderdak. Later werd het gebouw opgesplitst verkocht aan links het fitnesscentrum van Freddy Pauw, nu Helios, en rechts de familie Hengeveld.
Bij de tennisbanen voldeed een houten keet jarenlang als kleedruimte. Met de toename van de bevolking groeide de vereniging en kwam er een fatsoenlijk kleed- en clubhuis en werden er twee banen toegevoegd. De in- en uitgang kwam toen bij het parkeerterrein bij sporthal De Schakel.

* * *

EEN STADSJONGEN OP HET PLATTELAND _________________________________________________________

Ab Meester

In januari 1945 was ik 9 jaar oud. Vanaf mijn vijfde levensjaar was ik gewend aan de toen heersende oorlogsomstandigheden en wist niet beter. Mijn vader en moeder deden hun uiterste best om mij en mijn twee jaar oudere zusje in onze woonplaats Utrecht zo goed mogelijk door de ellende van vooral honger heen te helpen, maar de nood werd steeds nijpender. Tot die dag in januari toen mijn zus en ik in het donker in vrachtauto’s wegreden naar “ik weet niet waar naar toe”. Het zal wel goed zijn geweest want onze ouders hadden het geregeld dat we even op vakantie gingen. Alles moest in het donker gebeuren want geallieerde vliegtuigen konden de auto’s vanuit de lucht aanvallen.
Na een lange rit werden wij, en nog veel andere kinderen, afgezet bij een school in Zwolle. We kregen te eten en werden ondergespoten met witte poeder om luizenoverlast te voorkomen. Ook bleven wij slapen op matrassen op de grond. Enige tijd later vertrokken wij weer en kwamen in een plaatsje dat Nieuwleusen heette. In een plaatselijk gebouwtje, ik denk het dorpscafé, kwamen gastouders bijeen om hun tijdelijke kinderen op te halen. Ik kwam bij een familie van een postbode terecht met de naam Huzen. Hun huis stond voor aan de weg. Wat naar achter was een boerderij waar familie woonde. Beide gezinnen hadden veel kinderen waar ik mee optrok. Het was mijn eerste kennismaking met het boerenland: slootje springen en in de modder donderen, kievitseitjes zoeken, biggetjes één voor één uit de buik van het moedervarken zien komen. En het bijzondere gebeuren van de geboorte van een kalfje.
Mijn zus Paula was terechtgekomen bij een ouder boerenechtpaar aan de overkant van de weg. Helaas kwam aan mijn verblijf bij de postbodefamilie een vroegtijdig einde. De familie wilde graag meedoen met het opvangen van kinderen uit de grote stad, maar vermoedelijk was ik ook in huis gehaald om enige afleiding te geven aan het verdriet over een kortgeleden overleden zoontje van ongeveer mijn leeftijd. Iedere avond bracht de moeder mij naar bed met een foto van haar zoontje in haar hand en vertelde verhalen over hem tot zij huilde van droefheid. Hoogstwaarschijnlijk vond de familie dat dit niet was vol te houden.

Den Hulst
Ik vertrok onbewust naar het iets verder gelegen Den Hulst aan de Dedemsvaart en werd opgenomen in een nieuw gastgezin. De naam van de nieuwe familie was Van Egten. Het was een jong echtpaar en ik noemde ze al snel “oom en tante”. Zij hadden een kleine baby en er was een oma in huis. Oom was geen boer maar politieagent. Hij zal rijksveldwachter geweest zijn en droeg een soort marechaussee uniform. Oma ontfermde zich al snel over mij en verzorgde mij als een eigen kleinkind. Op het platteland had ieder kind wel een eigen tuintje. Ook ik kreeg achter het huis een eigen tuintje en verbouwde sla en aardbeien. Oma en ik hadden een prima taakverdeling. Zij wiedde het onkruid en ik at de aardbeien op! Oma was ook de baas van het kippenhok. Er moest een kip worden geslacht en ik zou haar wel helpen: kip vasthouden met kop op hakblok. Oma nam een bijl en sloeg met een ferme klap de kop er af. Ik schrok me wezenloos, liet de kip los die zonder kop naar achter in de tuin vloog.
Naast ons huis stond een graansilo. Daar woonde de familie Kouwen.


Links woonde de familie Van der Neer. In de dubbele woning woonde links de familie Van Egten en rechts de familie Goselink. (bron: Google).

Ik raakte bevriend met de zoontjes. Op het platteland is het wel gebruikelijk dat kinderen een eigen konijn hebben. Ik ging met de jongens mee naar een konijnenfokker. Hun konijn werd neergezet. Er kwam een konijn van de fokker bij. Die snuffelde wat rond en sprong plotseling boven op het buurkonijntje. Hij rilde wel van de zenuwen. En daar moest iets voor betaald worden! Later kon ik vermoeden dat dit mijn eerste seksuele voorlichting was. Ik ging ook naar de plaatselijke dorpsschool. Maar de Duitse bezetting sloeg ook toe voor de dorpsschool. De kinderen moesten er uit en de Duitsers gingen er in. Geen nood . . . wij vertrokken naar de Union rijwielfabriek even verderop. Rechts de schoolbanken en links het repareren en monteren van fietsen, voor zover dat nog mogelijk was. Verder ging het dagelijks leven gewoon door zoals pogingen om aan een touw te leren zwemmen in de Dedemsvaart. Ook hield ik me wel bezig in een timmermanswerkplaats die achter het huis was gevestigd. Van een oude klomp werd een bootje gemaakt en die lieten we varen in de vaart. Af en toe liep ik naar Nieuwleusen voor een bezoekje aan mijn zusje, of ze kwam naar mij toe. Een bijzondere gebeurtenis was dat onze moeder op bezoek kwam na een barre en gevaarlijke fietstocht vanuit Utrecht.

Angstige momenten
Ook op het platteland waren er angstige momenten. Niet altijd met de oorlog, maar bijvoorbeeld ook met hevig onweer. Ik lag in mijn bedje en de knalharde slagen van het onweer en felle lichtflitsen waren niet van de lucht. Naast ons huis stond de hoge silo en ik vreesde erg voor blikseminslag. Mijn jeugdige stoerheid kon ik niet handhaven en ik ging angstig naar de slaapkamer van mijn oom en tante. Ter geruststelling mocht ik tussen hen in slapen.
Maar ook de oorlog werd in Den Hulst heftiger. Op een nacht denderden de geallieerde vliegtuigen weer over het dorp. De volgende dag keken we heel raar op want er hingen parachutes in de bomen. Aan de overkant van de Dedemsvaart waren parachutisten geland die 's nachts waren doorgetrokken naar een groot bos dat achter Den Hulst lag. Wel lagen er nog zaken die voor jongens zeer interessant waren: chocolade, sigaretten, uitrustingsstukken etc. Het weiland werd echter inmiddels bewaakt door mijn oom en de naast ons wonende opperwachtmeester van politie Van der Neer. Ik was de allereerste die direct naar huis werd gestuurd. Het materiaal werd verzameld en opgeborgen in het celletje dat bij het huis van de opperwachtmeester was aangebouwd. Het gevonden materiaal werd later aan de bevrijders teruggegeven. Parachutes waren niet meer nodig. Mijn tante had voor mij een keurig bloesje gemaakt van parachutezijde.
Grote consternatie ontstond toen een, naar ik dacht Franse, verkenningseenheid vanuit de plaats Dedemsvaart Den Hulst binnenreed. Er werd gestopt en de bevolking dromde er omheen. Mijn oom communiceerde met de commandant en verstrekte inlichtingen. Toen de colonne was doorgereden klonken er schoten en de kogels vlogen ons om de oren. Meteen dekking zoeken en mijn oom kleedde zich snel om in burger. Het bleek dat ver achter in een weiland aan de overkant van de Dedemsvaart Duitsers zich hadden verschanst die niet op de militairen, maar wel op burgers durfden te schieten. Bij terugkomst van de verkenningseenheid werd deze gewaarschuwd waarna de Duitsers werden ingesloten en afgevoerd.
Vanuit hoog in de silo konden we ook naar gevechtshandelingen bij Nieuwleusen kijken. De bevrijding kwam er aan. Een detachement Canadezen werd ingekwartierd op een terrein achter de Union fietsenfabriek. Dat was prachtig voor de plaatselijke jeugd, waaronder ik. Ze stonden met hun voertuigen in carré opgesteld. Wij hadden geen honger maar schooiden wel voor eten dat wij nog nooit hadden geproefd. Dat kwam uiteraard van rantsoenen uit blik.
Achter ons huis lag een weiland waar de soldaten een voor ons onbekende sport beoefenden: honkbal. Was men aan slag dan werd


Het Union-complex in het begin van de vijftiger jaren.

de net opgestoken sigaret weggegooid. Wij natuurlijk peuken rapen, open maken en tabak verzamelen. Ik rookte een eerste sigaret en werd spuugmisselijk. Voortaan gebruikte ik de tabak alleen nog maar om te ruilen. Totdat tante mijn korte broek ging wassen en een panterdoosje met tabak vond. Het was gelijk afgelopen met het rapen van peuken. Het panterdoosje had ik van oma gekregen met een paar kleine spulletjes zoals een zakmesje. Het waren aandenkens aan haar overleden man. Ik schaam me nog steeds diep als ik denk dat ik die spulletjes stiekem ruilde met vriendjes voor gevonden hulzen en andere militairia.

Afscheid
Ik kan mij niet meer herinneren hoe we na het einde van de oorlog naar huis zijn vertrokken en wanneer. Wel is mij bijgebleven dat ik als stadsjochie uit Utrecht volledig werd geaccepteerd door de dorpskinderen van mijn leeftijd. Vermoedelijk hebben ouders uitgelegd wat de problemen van kinderen uit de grote stad waren.
En wat gebeurde er verder? Volgens latere informatie zou de familie Van Egten naar Canada zijn geëmigreerd. De Union fabriek is in vlammen opgegaan. De Dedemsvaart is gedempt. En de naam Den Hulst is opgegaan in Nieuwleusen. Er is uiteraard veel veranderd. Eén ding is echter gebleven: het respect voor - en de dank aan - de dorpsgenoten van toen.

* * *

RECTIFICATIE _________________________________________________________

De groepsfoto in het decembernummer 2012 van het schoolreisje in 1958 van de openbare lagere school in Den Hulst ging niet naar Hellendoorn maar naar Zuidlaren. De groep logeerde een paar dagen in Peize en van daaruit werd De Sprookjeshof in Zuidlaren bezocht, waar de foto werd gemaakt.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Op 1 juli 1978 bestond de afdeling Gemeentewerken 25 jaar. Ter gelegenheid daarvan werd deze groepsfoto gemaakt. Op de achtergrond enkele gebouwen die de dienst in gebruik had. Deze zijn afgebroken om plaats te maken voor de Grote Markt.
Kort nadat de dienst Gemeentewerken in het leven was geroepen kwam Ron Klijn bij de gemeente Nieuwleusen in dienst.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
 

Pieter van Staveren
Harm Jan Boerman
Henk Klein
Hilbert Jans
Harm Kragt
Mans Katoele
Johan Klein
Geert Jan Oosterhuis
Jan Jansen, badmeester
Henk de Wilde

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
 

Klaas Tuin
Geert Kuik
Jan Willem Huzen
Jan Talen
Klaas Upper
Harm Prins
Klaas van der Veen
Derk Jan Schuurman
Ron Klijn
Evert Evertsen, wethouder

21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
 
 

Willem Wienen
Thomas Meindertsma
Jan Thijs Seinen
Gerard van de Vegte
Albert Jonkman
Wiechert Bosgraaf
Joop Jans
Derk Bredewold
Hendrik Jan van der Hoek

* * *

HET KLEINE HUIS AAN HET PAD, 7 _________________________________________________________

Margje Key-Hendriks

De slacht
In het late najaar werd er bij Klaos Schoemaker altijd een varken geslacht. De slager kwam dan ’s morgens al vroeg om het dier te slachten en op de ladder te hangen. Het varken schreeuwde altijd en dat konden wij bij ons thuis horen. We hadden een hekel aan dat geschreeuw, maar nu weet ik dat een varken ook schreeuwt als hij iets niet wil.
Als het haar van het varken er was afgekrabd en de ingewanden er uit gehaald waren, werd het op een ladder gehangen. Die werd dan buiten gezet tot ’s avonds wanneer de slager weer kwam om de slacht af te werken. Vooral de vrouwen hadden daar veel werk mee.

Huisslachter Klaas van Dorsten (links) heeft een varken geslacht bij Berend Boerman aan de Middeldijk.

Er werd vlees geweckt en worsten gemaakt. Ook werd er bloedworst en leverworst gemaakt. Dat was toen van die groffe boerenleverworst, die in de koekenpan werd gebakken. De worsten en het spek werden in de schoorsteen gehangen om ze te roken. Meestal hadden de boerderijen toen nog een grote schoorsteen. Als er teveel roet in de schoorsteen zat, dan nam Aornd eerst zijn geweer en schoot er mee door de schoorsteen. Het roet viel dan naar beneden.
Met een ladder kon je in de schoorsteen om daar het spek en de worsten in te hangen. Was dat na een tijdje voldoende gerookt, dan hingen ze alles naast de schoorsteen aan de zolder in de hoek van de kamer achter een gordijntje.

Jacht
Aornd Schoemaker en buurman Dunnink gingen soms samen op jacht. Ze vertrokken dan op de fiets met het geweer op de rug en de honden bij zich. De ene hond was wit met zwarte vlekken en heette Presto; de andere was bruinachtig en dat was Flora. Meestal kwamen de jagers thuis met hazen of konijnen en soms ook wel eenden.
Als er een werkje gebeuren moest waar de mannen geen zin aan hadden, zoals bijvoorbeeld een geschoten dier slachten, dan wisten ze wel zo te praten dat Willem Nijland, de broer van Jaantie, uiteindelijk zei dat hij het wel zou doen. Als hij er mee klaar was, wreef hij zich vergenoegd in de handen en was trots op zijn werk.
Soms kwam de “ouwe Nijland”, de vader van Jaantie, ook bij de Schoemakers. Mijn broer Henk dacht dat hij daar toen ook een tijd woonde, maar dat kan ik mij niet herinneren. Ik weet nog wel dat hij eens tegen ons zei: “ik heb wat voor je” en dan zijn hand met de palm naar beneden naar je uitstak zodat je niet kon zien wat er in zat. Als we dan de hand uitstaken kregen we een vieze uitgekauwde tabakspruim in de hand. Hij deed dat ook een keer bij Henk, die toen kwaad werd. Zijn reactie maakte de oude Nijland ook kwaad. Hij wilde Henk pakken, maar die rende weg. Nijland achter hem aan, maar die kon hem natuurlijk niet krijgen.

Jagers met geschoten hazen en konijnen aan het stuur van de fiets.

De mannen bij Klaos Schoemaker in huis pruimden bijna allemaal tabak, alleen Gait Jan niet. Bij de winterdag zaten ze allemaal om en bij de kachel, Klaos altijd in de leunstoel achter bij de muur. Op de vloer stond een busje en af en toe werd daar van die bruine spuug ingespuugd. Niet altijd raak, maar in elk geval wel die richting op.

Aardappels
Vaak hebben we als kinderen om de beurt bij de Schoemakers aan tafel met hen meegegeten. Dan zaten we tussen al die grote mensen. Voor we gingen eten werd er gebeden; de mannen namen de pet af en hielden die voor het gezicht en zo gauw het bidden klaar was zetten ze die weer op het hoofd.
Willem, Aornd en Gait Jan moesten ’s avonds na het eten aardappels schillen voor de volgende dag. Op een keer waren Trijn en ik daar ook en de mannen waren aan het schillen. Wij keken ernaar, want het was iets dat wij ook elke dag moesten doen. Ik meende dat ze erg langzaam aan het schillen waren, vooral Willem, en zou het wel even voor doen. Ik nam het mes van Willem en zei: “zo moet je dat doen” en de schil was er zo af en ook nog dun. Daar hebben ze wel om gelachen, maar ik geloof niet dat ze er veel van geleerd hebben. Later werd ik er vaak mee geplaagd.
Als er in de zomer nieuwe aardappels waren, deed Jaantie ze in een emmer water en stootte er met de punt van een oude klomp in en dan gingen de vellen er af. Dat ging veel vlugger dan met een mes schillen. Nieuwe aardappels werden eerst gekookt en daarna in plakken gesneden en in spekvet gebakken. Bij ons thuis was dat altijd margarine.
Als de aardappels dan gebakken waren, werd de pan midden op tafel gezet en iedereen kon er met de vork uit prikken. Borden werden dan niet gebruikt. Henk kan zich nog heel goed herinneren dat hij bij de Schoemakers mee mocht prikken uit de pan. Thuis deden we dat ook wel vaak, maar bij een ander smaakte het altijd lekkerder, vooral bij al die grote mensen.
Achter het Pad had Klaos Schoemaker meestal een akker waar hij aardappels verbouwde. In de herfst moesten die gerooid worden en dan gingen de mannen eerst met een vork alle stammen los maken. Daarna met z’n allen op de knieën op een rij om de aardappels met de handen uit de grond te krabben. De vrouwen droegen bij dit vuile werk een jute schort. Een eindje voor de krabbers uit stond een rijtje manden waar de aardappels in gedaan werden. In de verschillende manden werden de aardappels meteen gesorteerd: poters, kleinen (meestal voor de varkens) en consumptie.
Na het rooien van de aardappels zaaide Klaos altijd een veld met knollen. Er waren twee soorten, de ene soort was geel en de andere was wit met paars. De witte waren wateriger. We trokken er wel eens een knol uit om zo op te eten.

Aardappelkrabben, Gerard van Berkum.

Vader huurde nog wel eens een stukje land, dat soms een eind weg lag, om aardappels te verbouwen. In de herfst kwamen de aardappels in een lange hoop achter het huis te liggen. Daar kwam een dikke laag blad over en daarover nog een laag zand. Om de aardappelhoop kwam een geultje voor het regenwater. Zo werden de aardappels bij ons in de winter bewaard. Wij hadden geen echte aardappelhut en ook geen kelder.
Henk, Trijn en ik moesten na schooltijd altijd dat blad harken en thuis brengen. Dat duurde verscheidene dagen. We namen een hark en zakken mee en gingen dan langs de weg het blad harken. Henk harkte het blad wat bij elkaar en hield dan de zak op. Trijn en ik moesten het blad dan met de handen oppakken en in de zak stoppen. Maar soms zat er hondenpoep tussen het blad. Ik denk dat Henk daarom ook liever de zak ophield.
Toen ik eens in die hondenpoep gegrepen had, moest ik dat steeds aanhoren. In die tijd was het al een poosje aan de gang dat ze allerlei scheldnamen voor me bedachten en dit was natuurlijk hun kans om er een bij te bedenken: “strontgrieper”. Tijdens het avondeten moest ik dat vaak aanhoren. Dat ging dan een tijdje door tot vader zei dat het nu wel genoeg was.

Thuis moesten we al op jonge leeftijd de aardappels schillen. In het voorjaar moesten we eerst alle kiemen van de aardappels trekken. Het schillen moest heel dun gebeuren. Moeder controleerde wel of we het goed gedaan hadden. Henk, Trijn en ik deden het vaak met ons drieën. Als het weer zover was, dan moest Henk altijd juist op dat moment naar het huussie en daar bleef hij dan altijd erg lang. Later toen Nellie oud genoeg was moest ze ook helpen en toen kwam Henk vrij van dit karweitje.
’s Zomers schilden we de aardappels buiten in het gras. Dan zaten we bij ons mandje met een emmer water een paar meter bij ons vandaan. De geschilde aardappels mikten we daar dan in. We misten nog wel eens en dan kwam er nogal wat gras mee in de emmer en daar was moeder niet zo blij mee.

Groente
In de tuin achter ons huis verbouwden we allerlei groente. Van de kool moesten wij altijd de rupsen zoeken. Vader spitte soms een stuk gras om en daar pootten we dan bonen in. We moesten het schoonhouden en het onkruid er uittrekken. Als de bonen rijp waren trok vader de stammen er uit en bond ze in bosjes. Wij moesten daar al het blad afplukken, want dan droogden ze beter. De bosjes werden aan een lijn gehangen. Als ze gedroogd waren kwamen de bossen in een jute zak en dan dorste vader ze met een vlegel. Dat is een lange stok met een kromming erin en aan het eind een platte kant. (Soms noemden ze een ondeugende jongen ook wel een vlegel.) Het platte eind kwam steeds met een smak op de zak en zo barsten de bonen uit de dop. Maar daarna moesten wij toch nog de bonendoppen nakijken of er soms nog wat bonen in waren blijven zitten.
Tussen de gedorste bonen zat nog kaf. Ze werden in een emmer gedaan en daarmee ging vader in de wind staan. Hij gooide alles van de ene emmer over in de andere emmer en daarbij waaide het kaf weg en bleven alleen de bonen over.

Appels
Als we appels van onze bomen plukten, werden die op kranten onder de bedden gelegd. Hoewel het eigenlijk niet mocht, pakten we ‘s avonds als we in bed lagen soms wel eens een appel van onder het bed om die op te eten.
De meeste boeren hadden een appelbongerd (boomgaard). Sommigen hadden zoveel appels dat het onmogelijk was om alles zelf op te eten. Maar weggeven hoorde er ook niet bij! Ze lieten de appels liever verrotten en die gingen dan in het voorjaar de mestbult op.
Als kinderen probeerden we van die overvloed wel eens wat appeltjes mee te pikken. Bij Marten Schaapman viel het niet mee om appels te pakken te krijgen. Daar waren geen gaten in de heg om door te kruipen. Je moest ook wel zorgen dat hij je niet te pakken kreeg, want dan was het niet best.
Toen ik nog erg klein was wilde ik heel graag met Henk en Trijn mee. Ze lieten me wel meegaan, maar op voorwaarde dat ik appels ging halen. Dat betekende dat ik bij boer Prins onder het draad door moest kruipen en de appels pakken die daar onder de boom lagen. Ik hoefde niet in de boom te klimmen, want er lagen er altijd genoeg onder. Ik ging dan plat op mijn buik onder het draad door en hoopte maar dat niemand me zag. Dan deed ik de appels in mijn schort die ik met één hand bij de punten vasthield, zodat ik met de andere hand de appels kon oprapen. De boom met de lekkerste appels, de Groninger Kroon, stond vlak bij de omheining.
Vaak als ik dan net bezig was, werd er op het raam getikt. Het was net of ze bang waren om een paar appeltjes te moeten missen en altijd voor het raam stonden te kijken. Ik nam dan gauw de benen en ging dan natuurlijk niet met een leeg schort weer onder het draad door. De appels gaf ik aan Henk, want hij was de baas.
In die tijd van het jaar was de wieke, op de kolk na, meestal droog. Uit de diepe kolk net naast het Pad aan de kant van het weiland, werd met een emmer het water geschept voor de koeien. Er lag een plank over de kolk om op te staan. We hadden een open plekje tussen het riet in de wieke dat zo’n beetje als onze voorraadschuur fungeerde. Daar hadden we een kistje staan en in dat open plekje tussen het riet kon niemand ons zien.
Het gebeurde in augustus of september ergens in de oorlog dat Henk had gezien dat bij boer Prins de appels begonnen te rijpen. Midden in zijn bongerd stond een boom met mooie gele appels. Op een avond toen het al een beetje donker werd, is Henk in die boom geklommen en plukte daar mooie appels die hij onder zijn blouse stopte. Daar zat elastiek onderin en dan bleven de appels daar zitten. Intussen ging bij Prins de deur open en ging Gait Prins een poosje buiten staan voor het huis. Henk kon geen kant op en moest in de boom wachten tot Gait weer naar binnen ging.
Toen Henk daar zat, begon vader op zijn vuisten te fluiten en dat betekende dat hij thuis moest komen. Henk kon eigenlijk niet naar beneden maar gelukkig liep het goed af. Gait deed de vensters dicht en ging naar binnen en toen kon Henk uit de boom klimmen. De appels stopte hij gauw tussen het riet in de wieke om ze de volgende dag beter te verstoppen.
Bij buurman Klaos stond een appelboom vlak bij de haag. De appels daaraan hingen allemaal hoog. Achter de haag was een veld met rogge. Henk liep tussen de haag en het roggeveld door naar de appelboom. Hij had een lange stok met aan het eind een kromme spijker bij zich. Met de spijker haakte hij achter de appel en met een ruk trok die dan over de haag naar zich toe. Op een keer, toen hij dat weer deed, had hij het gevoel dat iemand hem zat te bespieden. Ja hoor, oom Jan stond een eind verderop achter hem en zag wat Henk aan het doen was. Maar hij heeft nooit wat gezegd en wilde ook geen appel hebben, want hij zei dat hij die niet kon bijten.

* * *

FATALE SCHOTEN _________________________________________________________

Jan Huzen (bewerkt door Gees Bartels)

Verjaardagsvisite met een staartje

Jan Huzen, vroeger postbode in Nieuwleusen en wonend aan het Oosteinde 42, maakte ons attent op een verhaal dat staat in het boek “Verhalenbundel 1940-1945”, in 1995 uitgegeven door de Gemeente Dalfsen. Huzen heeft het verhaal toentertijd aangeleverd voor de verhalenbundel en weet het zich nog goed te herinneren, door wat hij er zelf van heeft gezien en door de verhalen van zijn grootouders en andere mensen uit de buurt. De gebeurtenissen uit het verhaal hebben een diepe indruk nagelaten. Het gaat over de onderduik van Henk Lubbers, die aan het Oosteinde 25 in Nieuwleusen woonde. Hij was een zoon van postbode Gerrit Willem Lubbers, die uit Dalfsen afkomstig was; de reden waarom dit verhaal in de Dalfser verhalenbundel is opgenomen. Omdat het boek inmiddels haast onvindbaar is, leek het ons goed dit verhaal nog eens opnieuw te vertellen en het te plaatsen in de tijd en omgeving waarin het zich voordeed.

Onderduiken
Gedurende de oorlogsjaren moeten veel Nederlanders om allerlei redenen onderduiken. In de eerste plaats zijn dat Joodse landgenoten, maar nadat de Duitsers op 22 maart 1942 verplicht stellen dat Nederlandse mannen ook in Duitsland moeten gaan


De boerderij van Broekema aan de Rechterensedijk 2 in Dalfsen
. (foto Hist. Kring Dalfsen)


werken, kiezen velen van hen er voor onder te duiken in plaats van zich vrijwillig te melden.
Tijdens een grote razzia in 1944 weet Henk Lubbers aan de greep van de Duitsers te ontkomen. Hij neemt de benen naar Dalfsen. Daar wonen heel wat mensen die zijn ouders goed kennen. Uiteindelijk vindt hij onderdak in de boerderij van Kees en Hiltje Broekema, aan de Rechterensedijk 2, vlak bij kasteel Rechteren. Henk is niet de enige onderduiker; hij deelt zijn lot met een jongeman uit het Drentse Beilen. Het tweetal slaagt erin maandenlang uit de greep van de bezetters te blijven. Na een bliksemrazzia zorgen beiden, hoe triest dan ook, voor de nodige opwinding.

Verjaardagsfeest
De fatale 17e november 1944 breekt aan. Het is de verjaardag van Henk. Pa en ma Lubbers stappen in Nieuwleusen op de fiets om hun zoon te bezoeken om hem te kunnen feliciteren. Maar wat een feest moet worden eindigt in een drama omdat het verjaardagsfeest grof verstoord wordt door een onverwachte razzia. Duitse soldaten zijn op zoek naar onderduikers en stappen brutaal en met het nodige geweld de boerderij van de familie Broekema binnen. Henk en de jongen uit Beilen zijn verrast, maar houden het hoofd koel en nog voor de Duitsers goed en wel binnen zijn, kiezen ze het hazenpad. Ze vluchten het veld in. Helaas niet helemaal onopgemerkt; met het geweer in de aanslag gaan een paar van de soldaten de beide jongens achterna. Er volgt een salvo geweerschoten. Daarbij wordt een van de twee gevluchte jongemannen doodgeschoten.

Identificatie
Inmiddels heeft een van de soldaten die in de boerderij zijn achtergebleven het persoonsbewijs van Henk Lubbers gevonden. Dat moet volgens hem de jongeman zijn die zo-even is gevlucht. De achtervolgers bevestigen bruut dat ze iemand hebben neergeschoten. Dat moet dus Henk wel zijn! Vader en moeder Lubbers zijn erg geëmotioneerd. Hun zoon is op de vlucht doodgeschoten. Vader Gerrit Willem gaat mee voor de identificatie. Een eerste blik op het slachtoffer leert hem dat het lichaam niet dat van zijn zoon is, maar dat het om iemand gaat die hij niet kent. Henk leeft dus nog!! Maar met betraande ogen bevestigt hij dat de neergeschoten jongeman zijn zoon is. Bij de familie Broekema zijn mogelijk meer onderduikers. Die wil pa Lubbers niet in verlegenheid brengen en hij blijft bij zijn woorden.

Afscheid
Het stoffelijk overschot van de jongen wordt uit het veld gehaald en in een houten kist gelegd. De volgende morgen wordt het opgebaard in


De woning aan het Oosteinde waar het gezin Lubbers woonde (links).

het ouderlijk huis van Henk Lubbers aan het Oosteinde in Nieuwleusen. Diverse familieleden en kennissen komen de overledene de laatste eer bewijzen. Zo ook oma Huzen, als buurvrouw die aan de overkant Oosteinde 44 woont. De kist is afgesloten met een houten deksel en iedereen vraagt zich af waarom ze hem niet nog even mogen zien. "Afgesloten op bevel van de Duitsers", luidt het antwoord. Niemand mag weten dat het Henk niet is, want daarmee zouden andere onderduikers bij Broekema zeker in moeilijkheden komen.

Onrust
In Dalfsen doen vervolgens allerlei geruchten de ronde. Er zijn wat mensen die vertellen dat ze de “doodgeschoten” Henk Lubbers ergens in de bossen rond Dalfsen hebben gezien. Binnen een mum van tijd gaat dit verhaal het dorp door en komt natuurlijk ook mensen in Nieuwleusen ter ore, en komt zo ook in het Oosteinde terecht. Het geweten van de ouders van Henk Lubbers heeft geen rust meer en ze gaan in beraad bij de plaatselijke dominee. Die brengt klaarheid in het geheel.
Op 20 november wordt bekend dat de neergeschoten onderduiker Willem Alberts uit Beilen is. Nu bekend is om wie het gaat, wordt de overledene naar zijn woonplaats gebracht.

Willem Alberts
(foto uit: Kroniek van de Oorlogsjaren 1940-1945 in de Gemeente Beilen)


Ik weet het nog precies. Op de dag van de begrafenis, zag ik een zwarte wagen in noordelijke richting via het Oosteinde wegrijden. Daarin het stoffelijk overschot van de jongen uit Beilen. Henk was ontkomen aan het geweld van de bezetters. Maar vraag niet hoe!! Het slachtoffer is diezelfde dag in zijn woonplaats Beilen begraven.

Afloop
In Beilen wordt op 28 november 1944 alsnog een overlijdensakte van de elders overledene opgemaakt. Aktenr. 89: Overledene: Willem Alberts, geboren te Beilen; beroep: landarbeider; overleden te Dalfsen op 17-11-1944; oud: 27 jaren, zoon van Hilbert Alberts, beroep: landarbeider, en Anna Stadman, beroep: zonder.
Na het incident aan de Rechterensedijk is Henk Lubbers elders ondergedoken. Na de bevrijding keert hij terug naar Nieuwleusen en pakt de draad weer op. Zowel Henk als zijn beide ouders zijn inmiddels overleden. Vader Lubbers begon naast zijn werk als postbode een klompenhandel en zoon Henk, die bij de Union ging werken, zette die klompenhandel voort in zijn huis aan het Zandspeur, waar zijn vrouw de zaken waarnam.
De familie Broekema heeft een en ander kunnen bevestigen. Zij hebben de gebeurtenis gelukkig ook overleefd.


De overlijdensakte die in de Beilen werd opgemaakt. Hieruit blijkt dat de schietpartij op 17 november om omstreeks 2 uur ’s middags plaats heeft gevonden.

Rechterensedijk
Zoveel jaren na de oorlog kunnen we ons nog steeds verbazen over de moed die veel mensen in de oorlog hebben getoond. Henk Lubbers woonde aan het Oosteinde betrekkelijk veilig, maar hij kon natuurlijk niet thuis blijven toen hij de leeftijd kreeg waarop hij verplicht in Duitsland zou moeten werken. Dat hij in Dalfsen bij de familie Broekema aan de Rechterensedijk 2 mocht onderduiken, getuigt van grote moed door deze mensen, want het vlakbij gelegen kasteel Rechteren was gevorderd door de Duitse bezetter en tussen station Dalfsen en de boerderij van de familie Broekema lag het werkkamp De Vecht, waar onder anderen op 25 april 1942 123 joodse werkloze mannen uit Amsterdam werden ondergebracht, en de boerderij van de familie Van der Stouwe.
Op 3 oktober 1942 werden de Joodse mannen met de trein naar Westerbork gebracht om vandaar naar de vernietigingskampen in Oost-Europa te worden gestuurd. Over deze ontruiming vertelde Van der Stouwe later: ”Op de dag voordat het kamp werd ontruimd is Sieg Polak, een man waarmee we wel contact hadden, ontsnapt. Hij heeft zich na overleg met mijn ouders op de deelzolder van onze boerderij verstopt. De Duitsers hebben hem overal gezocht maar konden hem niet vinden. Ze hebben zelfs met bajonetten in het hooi gestoken. Toen uiteindelijk de trein met de joodse mannen vanaf het station was vertrokken, hebben ze niet verder gezocht. Ik heb Sieg Polak later op mijn fiets naar het station in Heino gebracht. Daar heeft hij de trein genomen. Hij heeft de oorlog overleefd en is later nog een keer bij ons op bezoek geweest”.
Daarmee was de betrokkenheid van de familie Van der Stouwe nog niet voorbij. Eind augustus had kampcommandant Faure van Kamp Erika bij Ommen bij een razzia op hun boerderij een onderduiker aangetroffen, maar hij vermoedde dat er een paar anderen waren ontsnapt. Op 5 september kwam hij terug en toen ontstond er op het aardappelland een ruzie, waarbij Van der Stouwe een schotwond opliep. Ook Faure raakte gewond en ging terug naar het station van Dalfsen. Daar werd hij door een lid van een verzetsgroep doodgeschoten. Vader en zoon Van der Stouwe doken onder. Als represaille voor de liquidatie staken Duitsers op 28 september de boerderij in brand. In de bossen rond kasteel Rechteren vonden veel onderduikers een schuilplaats en het verzet had er een opslagplaats voor wapens, munitie en springstof. In de vroege herfst van 1944 hield de Grüne Polizei aan de zuidkant van de Vecht al eens een grote razzia.
En in die gevaarlijke omgeving had de familie Broekema dus ook twee onderduikers, die al die tijd niet ontdekt waren.
Die vrijdag 17 november was overigens voor heel veel onderduikers een fatale dag! In de vroege ochtend van die dag trokken in de Noordoostpolder de Duitsers met het geweer in de aanslag in tirailleurslinie de polder in, zodat niemand zou kunnen ontsnappen. Van de tweeduizend gevangen genomen mannen werden meer dan duizend afgevoerd naar Duitsland.

Bronnen:
http://www.joodsewerkkampen.nl
Beeldbank Historisch Centrum Overijssel.
Jan Sievers: Gebeurtenissen op Rechteren in de jaren 1940-1945. IN: Rondom Dalfsen nr. 49, p. 1035-1039.
Het boek “En de wereld werd groter dan De Weerd”, in 2009 geschreven door Gerhard Ekkelenkamp, geeft een goed beeld van de verzetsdaden en onderduikers in de omgeving van kasteel Rechteren.


* * *

ZOEKPLAATJES _________________________________________________________

Zoekplaatje 20 uit het decembernummer 2012 is opgelost. De familie Huzen kwam tot de conclusie dat dit het erf was van de boerderij van hun grootvader aan het Oosteinde 44.

De nieuwe zoekplaatjes zijn evenals de vorige gemaakt door dokter Dekker. Het zijn stuk voor stuk mooie winterfoto’s maar moeilijk te traceren. Toch willen we ook nu weer een poging wagen.


Foto 22: Boerenerf in de sneeuw.


Foto 23: Achter een boerenschuur.


Foto 24: Boerderij met geveegd pad naar openstaande deur. Gezien de stand van de zon zou dit de westelijke kant van de boerderij kunnen zijn.
Foto 24 op bladzijde 32 in het maartnummer werd aan de naast het huis staande slijpsteen en de waterton herkend. De foto is gemaakt op het erf van de familie Huzen aan het Oosterveen 71.
Er was wel wat twijfel omdat in het huis aan beide kanten van de deur een raam moest zitten dat op de foto niet zichtbaar was door de laaghangende ijspegels. Een vergroting van de foto leerde dat contouren van de ramen onder de ijspegels zichtbaar zijn.


Foto 25: Boerderij met bijgebouw (stookhok?) waaraan een kraan zit met in de vensterbank een pannetje. De ruimte tussen beide gebouwen is maar een paar meter. Links de deur naar de woonruimte van de boerderij. Voor het huis loopt de weg, daar staan melkbussen te wachten.

* * *

Foto achterpagina _________________________________________________________

Germien Bolhoven (links) en Jannie Stolte op de Ommerdijk met vlnr. slagerij Van Giesel, de winkel van Bos en de woningen van Brinkman en Frankemont, die later werden afgebroken om plaats te maken voor een nieuwe winkel van Jan Bos.






Jaargang 31 nummer 2 juni 2013


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina _________________________________________________________

Foto van de woning van de burgemeester met rechts de gemeentesecretarie. Deze werd als ansichtkaart door burg. Backx in de twintiger jaren verstuurd naar Gulia Palthe. Backx staat links voor de woning, op het gras vermoedelijk zijn dochters Mieke en Jopie met een huishoudster. De anderen zijn onbekend.

* * *

NIEUWLEUSEN OP WEG NAAR EEN NIEUW TIJDPERK _________________________________________________________

Gees Bartels, Henny ter Wee en Ron Klijn

Gemeentehuis
Het gemeentehuis heeft in de loop der jaren de nodige veranderingen ondergaan. De eerste verbouwing vond plaats omstreeks 1957 onder burgemeester Mulder. Aan weerskanten van de gang, met helemaal achterin de trap naar boven, was rechts vanaf de voordeur de kamer van de secretaris, daarachter de commissiekamer en daarachter de kamers van het kadaster en van de gemeenteontvanger en het sanitair. Links was de kamer van burgemeester Hoekstra en daarachter de secretarie met de kluis.
Boven was over de hele breedte de raadszaal en is daar steeds gebleven. Burgemeester Mulder wilde de kamer rechts van de gang en dat is na die tijd altijd de burgemeesterskamer gebleven.


De hal van het gemeentehuis gezien naar het Westeinde, ca 1950.

Bij de tweede verbouwing werd er een heel stuk achter aan het gemeentehuis bijgebouwd. Dat is zo in stijl gebeurd, dat wie het niet weet, ook niet kan zien dat dat deel van latere datum is. Halverwege de gang kwam een hal met rechts de trap naar boven en een ingang, met draaideur of tourniquet. Daarachter de kamer van de gemeenteontvanger.
Er kwam een ruime keuken met, voorschrift EHBO, een divanbed. Boven kwamen links een commissiekamer en een kamer voor de politie. Dat werd later de wethouderskamer.
Gemeentewerken, dat tot dan toe in de commissiekamer en de kadasterkamer was gevestigd, kreeg in 1955 een nieuw kantoor, garage en werkplaats achter het gemeentehuis, gebouwd door aannemersbedrijf Sterken. Daar is later een kantoor tussen gebouwd voor de afdeling financiën.
Bij de derde verbouwing werden de bijgebouwen afgebroken en kwam er een geheel nieuw kantoor voor alle ambtenaren, gebouwd door aannemersbedrijf Ruinemans, met een ingang voor het publiek en een tussensluis naar het gemeentehuis. Links van de gang in het gemeentehuis kwam een kamer vrij voor de raadsleden, waar ze de raadsstukken konden inkijken enz. Er was ook een buitendeur waarvan ze een sleutel hadden, zodat ze ook buiten de kantooruren hun werk konden doen. De kamer was dan binnen afgesloten van de rest van het gebouw. Na de gemeentelijke herindeling in 2001 is het kantoorgebouw weer afgebroken om ruimte te maken voor de nieuwbouw rond de Grote Markt.


Het nieuwe kantoor van gemeentewerken uit 1955.

Burgemeesterswoning
Burgemeester Mulder was de eerste die op een gegeven moment zelf een woning bouwde aan het Westerveen. De ambtswoning kwam zodoende vrij en heeft een aantal jaren als kantoor voor de ambtenaren dienst gedaan. Burgemeester Brink wilde weer in de ambtswoning wonen en burgemeester De Jonge heeft weer zelf een huis gebouwd/gekocht. De burgemeesterswoning werd toen verkocht aan de familie Marsman. Die hebben het huis goed en in stijl gerestaureerd, zodat het weer een huis van aanzien is geworden.

Gemeentewerf
Op de gemeentewerf achter het gemeentehuis kwam een werkplaats met garage en daar kreeg ook de brandspuit een plek. Daarna kwam er achter “gemeentewerken” een brandweerkazerne, met de uitrit naar het Westerveen. Het was de tijd van “Bescherming Burgerbevolking” en daarom werd er meteen ondergronds een noodbunker gebouwd; met voorportalen, maar zonder deuren, in afwachting van de noodzaak tot gebruik (bijvoorbeeld in geval van een nucleaire oorlog) werd de bunker nooit afgewerkt. In de tijd van de koude oorlog bleef het dilemma voor ambtenaren dat zij hun intrek in de noodbunker zouden moeten nemen terwijl hun gezinnen aan de “atoomgevaren” blootgesteld bleven. Gelukkig is gebruik nooit nodig geweest. Voorbereidend op de komst van de Grote Markt is alles afgebroken. Het Coöperatiepadtie herinnert nog aan de uitrit. De alarminstallatie, die iedere eerste maandag van de maand proefdraait, kwam er wel.

Gemeentereiniging
Van veel vuilnis was lange tijd geen sprake. Wie de ruimte had dumpte zijn afval op het eigen land of in de tuin, en ook wel stiekem in de Dedemsvaart of in andere sloten. Kappert kwam met paard en wagentje bij de burgers hun groenteafval halen en verwerkte dat op eigen wijze. In de vijftiger jaren ging de gemeente over tot de aanschaf van vuilnisemmers. Die werden geleegd op een aanhangwagen, die achter een tractor door de straten reed, en gestort op een daarvoor gekochte stortplaats, waar nu de Wethouder Van de Berglaan is. Daarna kwam er een stortplaats aan de Korenweg en toen die “vol” was werd er een perceel gekocht aan de Petersweg. De gemeente schafte een vuilniswagen aan waarin de vuilnisemmers werden leeggekiept. In de zestigerjaren werd het vuilnisophalen uitbesteed en bleef de stortplaats nog in gebruik voor tuinafval en

Een oud gietijzeren bord “Gemeente Nieuwleusen” met daarop bevestigd een bordje “Verboden toegang” markeerde jarenlang de ingang van de vuilstort aan de Petersweg.

groenafvoer van de plantsoenendienst. Maar er ligt nog wel meer in de grond, want na de brand van de Merinofabriek werd het puin van de restafbraak daar ook naar afgevoerd. Die stortplaats is inmiddels afgedekt en weer in gebruik als landbouwgrond.

Relaxte tijden
Zoals veel gemeenten had Nieuwleusen ook een eigen kwekerij. Van Dorsten was de eerste opgeleide hovenier bij de plantsoenendienst. Achter het gemeentehuis was ruimte voor een stuk tuin, waar tot 1985 dahlia’s en andere bloemen werden gekweekt. Daarmee werd de raadszaal opgefleurd tijdens vergaderingen, trouwerijen en andere bijeenkomsten. En in het hoogseizoen waren er op zaterdag ook boeketten voor het personeel.

Riolering
De open riolering werd aangepakt. Vuil water werd tot dan toe gewoon dicht bij de huizen en bedrijven geloosd op de sloten. Zo had de melkfabriek aan de Backxlaan een vloeiveld naast de fabriek, van de Backxlaan tot de Ds. Smitslaan. Dat vloeiveld bestond uit slootjes naast elkaar, waar het afvalwater in liep. Terwijl het water verder stroomde naar een sloot richting Oosteinde zonk het drab naar de bodem. Dat werd nooit weggehaald maar opgegeten door de vele ratten. En zo was het ook met de sloten langs de huizen. Het eerste stuk riool dat werd aangelegd begon aan het Westeinde bij de Viersprong en ging voor het gemeentehuis langs tot het einde van de bebouwde kom bij het Schuurmanslaantje. Daar hield het riool op en loosde in de sloot langs het Westeinde. In de bebouwde kom en bij de nieuwbouw kwam steeds meer riolering, maar alles kwam steeds weer ergens uit in een open sloot. Zo kwam de riolering van de nieuwbouw aan de Bosch Bruiststraat aan de achterkant van de tuinen in een sloot uit en werd van daaruit naar de sloot langs het Zandspeur gepompt. Later kwam er een pomp bij de Beatrixlaan.
Bij het Westerveen kon het rioolwater niet geloosd worden maar werd door een gemaal omhoog gepompt, zodat het op natuurlijke wijze naar het einde van de Goudenregenstraat kon aflopen. Om het rioolwater verantwoord te verwijderen werden uiteindelijk omstreeks 1970 alle lozingspunten gekoppeld en vanaf de Bijkersweg via een ondergrondse persleiding naar de waterzuiveringsinstallatie in Dalfsen gepompt. Nog weer later kwam er een gescheiden riolering voor huishoudelijk afvalwater en hemelwater, zodat bijvoorbeeld het regenwater in het hele gebied vanaf het Zandspeur nu naar de Hulsterplas wordt afgevoerd.

Woonwagens
Nieuwleusen had geen echt woonwagenkamp, maar jaarlijks, wanneer de tijd voor het aardappelen rooien aanbrak, kwam een min of meer vast aantal trekkers met hun wagens naar de Jagtlusterallee, waar ze tussen de Meeleweg en de Dedemsvaart in de brede berm tussen de dubbele rij bomen hun vertrouwde plekje opzochten. Daar waren geen sanitaire voorzieningen. Later verbleven ze ook buiten het seizoen langer op die plek en gingen ze, als tegenprestatie voor een ondersteuning, voor de gemeente bouwputten graven voor de te bouwen woningen in de nieuwbouw. Toen de plek nodig was voor


Woonwagenstandplaats bij de Prins Bernhardlaan, ca 1970.

uitbreiding van het industrieterrein, werd er in de buurt van de spoorwegovergang van de Nieuwedijk en de Oostelijke Parallelweg een nieuwe standplaats met waterleiding aangelegd. Maar dat was zo’n winderige plek, met veel voorbij denderende treinen, dat men er voor paste daar te gaan staan. Pas toen de verplichting kwam dat iedere gemeente woonwagenbewoners moest opnemen, kwam er omstreeks 1970 bij de Prins Bernhardlaan, aan de overkant van de brede sloot, een standplaats met fatsoenlijke sanitaire voorzieningen en bergruimte.

Nieuwe verharde wegen
De grote veranderingen na de oorlog waren ingezet door de ruilverkaveling. Tussen de van oudsher west-oost lopende hoofdwegen waren nieuwe dwarswegen aangelegd, die van wetzand, een soort asfalt, werden voorzien en daarna werden overgedragen aan de gemeente, evenals de watergangen. Toen kon je met gemak met een snelheid van 110 km over de Jagtlusterallee rijden. Later heeft de gemeente zelf de Meeleweg nog eens aangepakt. Die werd vanaf de A28 tot aan het spoor helemaal uitgegraven, zo diep dat je net het dak van de vrachtauto’s kon zien. De veenlaag werd weggehaald en het cunet, (een uitgegraven gedeelte in een niet draagkrachtige grondlaag) werd opgevuld met zand, en daarop kwam de nieuwe deklaag. En de bestaande klinkerweg vanaf het spoor tot aan Sluis 3 werd aangepakt en voorzien van een asfaltlaag.

Nieuwbouw
De overgang van vooroorlogse sfeer naar moderne gemeente ging redelijk snel. Bestonden de plannen voor de ruimtelijke ordening eerst enkel uit twee nieuwbouwstraten in Nieuwleusen en twee in Den Hulst, na het vertrek van burgemeester Hoekstra pakten de wethouders het voortvarend aan en met de komst van burgemeester Mulder bleef de vaart er goed in. Nieuwleusen werd een groeigemeente met visie op de toekomst. Er werden meerjaren-bestemmingsplannen opgesteld. Toen er zand nodig was om de Dedemsvaart te dempen, deed de gemeente een voorstel aan de provincie om het ter hoogte van de voormalige ijsbaan aan de Paltheweg geplande watergat dichter bij de kom van het dorp te graven en het dan tot Vijverpark te ontwikkelen. Daarmee veranderde het karakter van het dorp al enigszins naar forensendorp.
Inmiddels was Ron Klijn benoemd tot directeur van het gemeentelijk grondbedrijf. Er kwam een actief aankoopbeleid van landbouwgronden voor toekomstige nieuwbouw. Daarbij hadden prijsverschillen een positief effect. Landbouwgrond bracht ƒ 30.000 per bunder op. Dat is drie gulden per vierkante meter. Door vijf gulden voor vrijkomende grond te bieden, werd er vaak graag verkocht. Dankzij VANEG (Van Egten in Hasselt), die in de fabriek betonnen muren en vloeren produceerde, konden veel sneller dan voorheen woningen worden gebouwd. Omdat de gemeente Zwolle de bevolkingsgroei maar moeilijk kon bijhouden, kwam er al snel een verzoek om in Nieuwleusen meer woningen te bouwen.
De gemeente streefde naar betaalbare grondprijzen voor haar inwoners. Bij het vaststellen van een grondprijs spelen verschillende factoren een rol. Een belangrijke factor is de verrekening van bovenwijkse voorzieningen, zoals sportvelden, gymzalen, zwembad, speeltuinen, die doorberekend moeten worden in de vierkante meter grondprijs.
Het grondbedrijf van de gemeente maakte een raming voor het aantal percelen dat per jaar verkocht zou worden en daarop werd de verkoopprijs berekend. De percelen rond het Vijverplan werden veel vlugger verkocht dan was gepland en die aan het Zandspeur waren al weg zonder bordje “te koop”. Dat had weer een gunstige effect op de verdere nieuwbouw. Waar mogelijk werd rekening gehouden met het aantrekkelijk houden van de woonomgeving. Zo bleven de bomen tussen Parklaan-Zandspeur gespaard en die staan er nu nog.

Openbare kleuterschool
Voor de bouw van een openbare kleuterschool werd gebruik gemaakt van hetzelfde ontwerp dat gemaakt was voor de hervormde kleuterschool. De school, gebouwd aan de Van Dedemstraat door het aannemersbedrijf Guichelaar te Koekange, werd geopend op 8 juni 1960. Met een snel groeiende nieuwbouw vol jonge gezinnen kwam de noodzaak van meer kleuterscholen. Ron Klijn maakte in 1964 opnieuw een ontwerp, dit keer voor de tweede hervormde kleuterschool aan de Wethouder Zonnenbergstraat. Die werd in 1966 gebouwd door Gebr. Snijder. Maar de gemeente begreep ook dat er door de vele nieuwbouw in korte tijd een groeistuip plaatsvond die niet permanent zou doorzetten en koos daarom, na nog een permanent gebouwde kleuterschool bij de openbare Koningin Wilhelminaschool, voor de bouw van semi-permanente kleuterscholen. Dit is achteraf een goede greep gebleken, ook al omdat niet lang daarna de “basisschool” kwam.


Officiële opening van de kleuterschool aan de Van Dedemstraat in 1960.

Voetbal
Voetbalvereniging USV had een speelveld aan de Dedemsvaart achter School C, annex achtertuin van buurman Goselink. Daarna kwam er een voetbal- en trainingsveld aan de Paltheweg. Op een zaterdag ging een groep vrijwilligers van USV aan de slag en groef een sleuf vanaf het Oosterveen om de waterleiding aan te leggen.
Tijdens de ruilverkaveling was er zo hier en daar een stukje grond overgeschoten waar de gemeente een bestemming aan kon geven. SV Nieuwleusen kreeg een speelterrein met houten keet als kleedruimte op de plek waar nu het Noorderpark bij bejaardencentrum De Hulstkampen is.
Omdat er hoogspanningsleidingen dwars tussen de beide woonkernen liepen, was woningbouw in die omgeving niet mogelijk. Van de nood werd een deugd gemaakt en de tijdens de ruilverkaveling aangekochte gronden werden aangewend om sportvelden aan te leggen. Dit was het begin van wat rond 2012 zijn afronding kreeg in het sportpark, waar nu bijna alle sportverenigingen uit Nieuwleusen hun sport kunnen beoefenen.

Gymnastiek
Er kwamen twee gymzalen, aan de Goudenregenstraat en aan de Van Dedemstraat. Dat waren permanent geplande gebouwen, voorzien van een “zwevende vloer”; in die tijd een echte noviteit. Maar ze werden door de bouw van sporthal “De Schakel” in 1979 toch overbodig en niet lang daarna afgebroken, om ruimte te maken voor particuliere woningbouw.

Schaatsen
De schaatsbaan, een ondergelopen weiland nabij de Paltheweg en de Den Hulst, werd verplaatst naar een terrein met verlichting en keet langs de Prinses Beatrixlaan.

Bibliotheek
Na de ruil van 2000 m2 grond tussen de gebroeders Stolte, die landbouwgrond aan de Backxlaan hadden liggen, en de Stichting Oud Nieuwleusen die het grote boerenerf aan het Westerveen bezat, kon aan de Backxlaan, hoek Beatrixlaan na aankoop door de gemeente een openbare bibliotheek op dat perceel worden gebouwd. Toen die te klein werd, bouwde men aan de Ds. Van Diemenstraat een nieuw bibliotheekgebouw en trok de Streekmuziekschool in de voormalige bibliotheek. Toen de kleuterschool aan het Oosterveen leeg kwam, door de komst van de basisschool, trok de muziekschool naar dat gebouw en kocht Sikkens het gebouw aan de Backxlaan om af te breken en op die plek de eerste zelfstandige apotheek van Nieuwleusen te bouwen. Tot die tijd had de gemeente apotheekhoudende huisartsen.

De bibliotheek aan de Backxlaan kort na de ingebruikname. De Beatrixlaan was nog niet aangelegd.

* * *

SCHUTTE EN ZIJN KERKJE _________________________________________________________

Jakob de Weerd

Aan het Westeinde staat een gebouw dat, hoewel het tegenwoordig woonhuis is, nog steeds wordt aangeduid als het Schuttenkerkje. De naamgever is Jan Hendrik Schutte, timmerman in Nieuwleusen. Over zijn familie en het ontstaan van het Schuttenkerkje is in dit artikel te lezen.

De familie Schutte
Jan Hendrik Schutte, geboren 13 mei 1859 in Marle, gemeente Hellendoorn, is het zevende kind van Evert Schutte en Jenneken Bakhuis. In juni 1877 laat Jan Hendrik zich inschrijven in de gemeente Ambt Ommen. Hij blijft daar niet zo erg lang want bij zijn huwelijk in maart 1885 woont hij al tenminste een half jaar in de gemeente Avereest. Daar zal hij Grietje Bruins hebben leren kennen. Ook zij


De achterkant van de woning aan het Westeinde waar Jan Hendrik Schutte zijn timmerwerkplaats had. Op deze foto uit ca 1985 is het woongedeelte vervangen door nieuwbouw. Het geheel is in de negentiger jaren afgebroken. Op deze plek is nu de toegang tot het appartementencomplex Paltheborgh.

Vlnr: Jan Hendrik Schutte, onbekend, Grietje Schutte-Bruins en Jan Schutte omstreeks 1910.

verblijft al minstens een half jaar in Avereest. Grietje, geboren 12 april 1860 in Zuidwolde, is een dochter van Jan Bruins en Jentje Linde. Ze heeft haar moeder nauwelijks gekend want die overlijdt al op 6 oktober 1862 als Grietje nog maar twee jaar oud is. Haar vader overlijdt op 1 mei 1876 als ze net 16 jaar is.
Het huwelijk van Hendrik Jan Schutte, die timmerman is, en Grietje Bruins wordt gesloten op 31 maart 1885 in Avereest. Al op 24 juni van dat jaar wordt hun eerste kind geboren. Het is een dochter die de naam Jennigje krijgt. Niet veel later verhuist het gezin naar het Westeinde in Nieuwleusen. Daar wordt op 9 maart 1888 zoon Jan geboren.
Jan Hendrik Schutte en zijn vrouw Grietje Bruins zullen hun beide kinderen overleven. Dochter Jennigje wordt maar twintig jaar oud. Ze sterft ongehuwd op 12 februari 1906 in Nieuwleusen.
Zoon Jan trouwt op 12 november 1912 in Avereest met Aaltje Velsink, dochter van koperslager Hindrik Velsink en Alida Wilhelmina Nijkels, die al is overleden als Aaltje trouwt.

Jan Schutte en Aaltje Velsink.

Jan kiest een ander beroep dan zijn vader. Hij wordt boekhouder en vindt op enig moment een baan in Alkmaar, waar het echtpaar ook gaat wonen.


Trouwfoto van Jan Schutte en Aaltje Velsink. Tweede van links zit moeder Grietje Schutte-Bruins en helemaal rechts zit vader Hendrik Jan Schutte.

Ze wonen daar ook als na ruim drie jaar huwelijk Aaltje alleen achter blijft. Haar man Jan Schutte overlijdt op 25 maart 1916. De overlijdensplaats is Nieuwleusen, waar hij ook is begraven.
Aaltje Velsink, de weduwe van Jan Schutte, trouwt vervolgens met de in Staphorst geboren Hendrik Mijnheer. Hij is onderwijzer en het huwelijk vindt plaats in Nunspeet op 11 oktober 1918.

Jan Hendrik Schutte en Grietje Bruins blijven met z’n beiden achter totdat Grietje op 10 februari 1921 overlijdt. Haar graf (nummer 1B388) op de begraafplaats aan de Ds. Smitslaan krijgt een houten zerk (foto) met uitgebeitelde tekst en afgedekt met een stuk blik om inwateren te voorkomen.
Jan Hendrik Schutte overlijdt, eveneens in Nieuwleusen, op 30 april 1937. Hij wordt ook op de begraafplaats aan de Ds. Smitslaan begraven maar niet naast zijn vrouw. Zijn graf (nummer S19) krijgt een zerk van steen. Uit een brief blijkt dat die vijftig gulden heeft gekost, inclusief de plaatsing. Het opschrift luidt: “Hier rust onze gel. broer en oom J.H. Schutte, wedn. van Grietje Bruins, in den ouderdom van bijna 78 jaren. Zijn heengaan was vrede. Nwln, 30 april 1937. De familie.”


Het Schuttenkerkje tijdens de laatste dienst op 11 juli 1995.

De erfgenamen zijn Johanna Schoten-Schutte, de jongste zuster van Jan Hendrik, en Margje Kremer-Hein, dochter van Margje Hein-Bruins, de al overleden zuster van Grietje Bruins. De onroerende goederen worden publiek verkocht op een veiling bij inzet op 22 november 1937 in café Schoemaker en bij toeslag twee weken later in café Schiphorst. Er zijn ook enkele legaten. Zo krijgt o.a. zijn huurder Jan Nijlant ƒ 400,-- (hij koopt ook de woning). De Theologische School en de Emeritus Kas van de Christelijk Gereformeerde Kerk krijgen ieder ƒ 100,--.

Het Schuttenkerkje
De gereformeerde gemeenschap in Nieuwleusen had aan het Westeinde een eigen kerk waar rond 1900 dominee E. Harkema de voorganger was. Die kerk had geen orgel voor de zangbegeleiding maar kende een voorzanger. Door vertrek moest er een nieuwe voorzanger komen, waarvoor G.J. Zonnenberg werd gekozen. Niet iedereen was het daar mee eens en de twee stromingen die toen binnen de gereformeerde kerk bestonden, speelden danig mee in het conflict. Dat werd de aanleiding tot een kerkscheuring die op 1 februari 1902 zijn beslag krijgt. Een aantal mannen en vrouwen



Interieurfoto’s van het kerkje in juli 1995. De linker foto met zicht op de preekstoel is genomen vanaf de galerij boven de ingangsdeur. Daar stond ook het elektronische orgel. De rechter foto is van de oostelijke zijmuur met de collectezakken.

“verklaren te zijn en blijven leden van de Christelijk Gereformeerden en staan in generlei betrekking met de zich noemende Gereformeerde Kerk in Nederland.” Tot de ondertekenaars van deze verklaring behoren Jan Hendrik Schutte en zijn vrouw Grietje Bruins.
Het ontbreekt de Christelijk Gereformeerde Kerk in Nieuwleusen echter aan een kerkgebouw. Maar al spoedig wordt aan de overkant van de woning van Hendrik Jan Schutte (die diaken van het kerkgenootschap is) aan het Westeinde een perceel grond van hem gekocht. Daarop wordt een eenvoudig kerkje gebouwd, dat begin 1903 al in gebruik genomen wordt. In de volksmond zal al spoedig de naam Schuttenkerkje zijn ontstaan.
Maar ook binnen de Christelijk Gereformeerde Kerk in Nieuwleusen is het niet altijd pais en vree. Dat leidt er in 1952 toe dat men zich aansluit bij de Oud Gereformeerde Gemeenten.
Het Schuttenkerkje blijft in gebruik tot 11 juli 1995. Dan vindt er de laatste dienst plaats. Het gebouw wordt daarna verkocht en ongeveer tien jaar later verbouwd tot woonhuis.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO _________________________________________________________

Dit keer een foto van de openbare kleuterschool in Den Hulst. De foto is van het jaar 1955/56.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
 

Willie Groen, juffrouw
Matty Zwaga, juffrouw
Janny Keizer
Hilda Meesters
Dicky Groen
Marinus Blok
Harrie de Graaf
Eef Krul
Jennie Kappert
Gerda Blik
Martha Toersen

12  
13  
 
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  

Arie Stegerman
Margje de Boer, juffrouw
Ineke Kuiper
Gezien Massier
Sientje Brand
Bé Vonder
Henk Schoemaker
Willie Schoemaker
Jan Bosman
Jan Kappert

22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
 

Theo van Buren
Wim Kappert
Miny van 't Zand
Bertus Huisman
Jan Huzen
Klaas van Spijker
Trijntje Smink
Henny Oosterveen
Roelien Prins
Herman van Voorst
Douwe Douma

* * *

HUISHOUDELIJKE RICHTLIJNEN _________________________________________________________

Maria Ennik werd op 25 november 1892 geboren aan De Lichtmis. Ze was een dochter van Jan Ennik en Geesje Bos. Tot haar trouwen op 19 juni 1919 met Hendrik Mannen werkte ze als schoonmaakster bij de Opleidingsschool voor leraressen landbouwhuishoudonderwijs op Huize Rollecate in Den Hulst. Of ze ook lessen bij mocht wonen of dictaten mocht overschrijven, van leraressen of studenten, weten we niet. Maar ze heeft, in een mooi regelmatig handschrift, de richtlijnen opgeschreven waaraan ze zich in haar verdere leven als goede huisvrouw kon spiegelen.
Nu komt dit bij ons allemaal heel naïef en kinderlijk over, maar in die tijd vond een democratisering plaats, waardoor meisjes en jonge vrouwen, die al die kennis niet konden opdoen tijdens een dienstbetrekking bij gegoede burgers, zich via onderwijs konden scholen in het opzetten van een goede huishouding.
Als voorbeeld nemen we hier de les “De keuken” over. In latere kwartaalbladen zullen we nog wel eens iets uit haar schrift plaatsen.

De keuken
Het vertrek waarin we ons voedsel bereiden moet zindelijk zijn. Om het goed zindelijk te kunnen houden is het gewenst:
1.     dat de vloer gemaakt is van hout of van steen, zodat deze goed schoon gemaakt kan worden. Wijde naden moeten op tijd dicht gemaakt worden, omdat zich daar gemakkelijk vuil in ophoopt. Matten en kleden die niet dagelijks geklopt kunnen worden horen in de keuken niet thuis.
2.     de wanden moeten liefst zo gemaakt zijn dat ze met water kunnen worden schoongemaakt; tegels zijn heel mooi, maar duur. Muren met cement bedekt en daarna geverfd of gewit zijn ook heel goed. Behangen muren zijn in een keuken minder gewenst.
3.     de keuken moet goed licht zijn, omdat in een licht vertrek onreinheid eerder opgemerkt wordt dan in een donker en dus ook eerder verwijderd zal worden. Bovendien hebben we bij het werk ook licht nodig.
4.     als de ruimte in huis het toelaat, moet de keuken alleen gebruikt worden voor het bereiden van voedsel. Moet er in de keuken geslapen en gewoond worden, dan is aan te raden na het koken goed door open ramen en deuren te luchten en te zorgen dat er zo weinig mogelijk stof van de bedden en kleren en rook met het eten in aanraking komt. Kleren en schoenen moeten nooit in de keuken geborsteld worden.
5.     in de keuken moeten zich enkel voorwerpen bevinden die nodig zijn bij het klaarmaken van het voedsel, het schoonmaken enz. Overtollige voorwerpen maken het schoonhouden van de keuken lastiger en geven daardoor aanleiding tot ophoping van stof.
Verder is het gewenst dat de keuken geriefelijk is. Daarvoor is het nodig dat er voldoende kasten aanwezig zijn, waarin alles op zijn vaste plaats kan geborgen worden, zodat we niet hebben te zoeken.
Pomp met gootsteen moeten zich het liefst in of anders dicht bij de keuken bevinden.
Daar er bij het koken dikwijls veel waterdamp, verschillende geuren, stof, rook in het vertrek verspreid worden, is het nodig dat er gelegenheid is tot luchtverversing. Het beste heeft dit plaats door ramen, die opgeschoven, of nog beter opengeslagen kunnen worden. Ook de schoorsteen kan zo ingericht zijn dat hij hierin goed meehelpt.
Tenslotte heeft degene die in de keuken werkt zorg te dragen dat de keuken zo zindelijk mogelijk blijft. Zij kan dit doen door:

a.

b.

c.
d.

e.

netjes te werken. Wordt er gemorst, dan moet dit dadelijk en goed verwijderd worden.
te zorgen dat dadelijk na het gebruik alles weer schoongemaakt en op zijn plaats geborgen wordt.
geen etensrestjes in de keuken te laten staan.
door op te passen dat er zo weinig mogelijk as en rook in het vertrek komt.
de keuken geregeld schoon te maken.

Er is ook een schrift van Stien Mannen, dochter van Maria Ennik en Hendrik Mannen, waarin op perfecte wijze patronen voor het maken van kleding zijn getekend en geplakt, met daarbij aantekeningen met de maten, waarmee het patroon tot stand kwam. Ook hiervan geven we een voorbeeld en we nemen daarvoor een kledingstuk dat in zijn ouderwetse vorm nogal tot de verbeelding spreekt: de directoire of damesonderbroek, tegenwoordig vanwege zijn grootte ook wel tent genoemd.

De directoire
Voor een directoir heeft men nodig maten welke zijn:
Heupwijdte
Zithoogte
Zijlengte.
De directoir kan gemaakt worden van katoen, flanel, tricot, zijde, wol.
Teken de directoir op de genomen maat. De heupwijdte nemen we 1½ maal voor de hele broekwijdte. Het patroon wordt zo getekend dat wij een halve voor en een halve achterkant aan elkaar krijgen daar de broek zonder zijnaad gemaakt wordt. De naden worden afgewerkt met platte naden. Bij wollen flanel stikt men de naad plat naar weerszijde om dikte te voorkomen.


Patroon van een directoire. De dunne lijnen zijn schaduwlijnen van het patroon dat op de andere bladzijde was getekend.

* * *

HET KLEINE HUIS AAN HET PAD, 8 _________________________________________________________

Margje Key-Hendriks

Tradities
De meeste mensen deden wel mee aan de vele tradities die er toen waren. Kerstmis was voornamelijk een heilig feest. Er lagen geen cadeautjes onder een kerstboom, die de meeste mensen ook niet eens hadden. Alle zondagschoolkinderen kwamen zondagsavonds bijeen in de Hervormde Kerk in de Kerkenhoek en daar werd Kerstmis gevierd. Voor in de kerk stond een grote, mooi versierde kerstboom met echte kaarsjes. Het kerstverhaal werd verteld en natuurlijk werd er ook gezongen. Aan het eind van de avond kregen we snoep en een boek of een plaat. Daarna moesten we in het donker naar huis lopen, ongeveer twee en een halve kilometer. Op kerstavond was niemand op straat, dat was de Heilige Nacht.

Op Palmzondag kregen de kinderen een haantje op een versierd stokje en daar liepen we mee rond. Misschien moest er ook een liedje bij gezongen worden maar dat herinner ik mij niet meer. Het had iets te maken met het bijbelverhaal van Petrus toen de haan kraaide. Het lopen met een haantje op een stokje werd al niet zoveel meer gedaan toen wij kinderen waren.

1961 “Haantie op een stokkie” met vlnr: Jannie de Graaf, Marianne Karel, Aly Kreule en Lucina Kok.

Een paar weken voor Pasen waren alle kinderen al begonnen om in de buurt van alles bij elkaar te zoeken wat maar branden wilde. We gingen bij de mensen langs de deur voor hout, kranten en van alles wat ze maar voor het paasvuur konden missen.
We sleepten takken bij elkaar en maakten bij iemand op het land een grote hoop. Vaak werd het een hele grote paasbult, die dan op paasmaandag ’s avonds, als het donker begon te worden, werd aangestoken. Dan waren er ook ouders bij.
Op paaszondag ging iedereen gekookte eieren eten. Moeder moest al een tijdje de eieren opsparen om er die dag genoeg te hebben. Gewoonlijk aten we niet zo vaak eieren, maar op die dag mochten we er zoveel eten als we lustten. ’s Avonds na het eten kwamen alle buurkinderen bij elkaar en dan hoorden we wie de meeste eieren gegeten had. Vooral de jongens probeerden er altijd meer te eten dan de anderen. De grote jongens aten er soms wel twaalf of meer.
Biddag voor het gewas viel op de tweede woensdag in maart. Dan ging men tijdens een kerkdienst bidden voor een goeie oogst in dat jaar. Op de eerste woensdag in november, als de oogst binnen was, hadden we Dankdag. Het waren geen vrije dagen; trouwens vakanties kende men ook niet. Hooguit af en toe eens een keer een dag uit. Schoolkinderen hadden in de zomer drie weken vakantie, in het voorjaar één week, net als in de herfst. Dat was de aardappelrooi-vakantie. De kinderen konden dan meehelpen met het rooien van de aardappelen.

Sint Nicolaas en Zwarte Piet kwamen op 5 december. Als de kinderen goed opgepast hadden kregen ze een cadeautje. Ondeugende kinderen kregen een paardenkeutel of ze gingen in de zak van Zwarte Piet. In ieder geval werd daar mee gedreigd. Ik geloof dat mijn broer Henk een keer een paardenkeutel in de klomp gekregen heeft, maar allicht zat er ook wel een cadeautje bij. Men vertelde dat Sinterklaas met de stoomboot uit Spanje kwam. Hij reed op zijn witte paard en Zwarte Piet moest altijd maar lopen met die zware zak. Op Sinterklaasavond zetten wij een schone klomp onder het opgeschoven raam. Na een poosje zei vader dat hij nog even naar Klaos moest. En dat zou je altijd zien, net in die tijd kwam Sinterklaas bij ons. Hij gaf dan een pakje onder het raam door en noemde de naam voor wie het was. Hij liet het niet los totdat we zeiden: “dank je Sinterklaas”. Soms kwam Sinterklaas ook ’s nachts en dan keken we ’s morgens direct in onze klomp. Meestal kregen we een kleurboekje met kleurkrijt. Ik herinner me dat mijn broer Henk eens een kleurboek kreeg met waterverf. We zaten er naar te kijken toen hij in dat kleurboek een goudvis verfde. Toen wij ouder waren kregen we ook waterverf.

Sinterklaas Henk van Bremen en Zwarte Piet Jan Katoele op bezoek in De Viersprong bij een feestavond van de ponyclub, ca 1975 1955.

Er was altijd Sinterklaas-avond op school bij meester Van Aarst. De ouders kwamen met alle kinderen, ook de jongsten, want iedereen mocht komen. Sommige kinderen moesten dan naar voren komen. Ik hoopte altijd maar dat ik niet hoefde komen en dat gebeurde ook niet. Meestal waren het de ondeugende kinderen die naar voren werden geroepen. Wanneer Sinterklaas en Zwarte Piet weggingen strooide Piet altijd pepernoten. De kinderen graaiden die dan van de vloer.
Soms deden de oudere kinderen een toneelstukje, waarvoor ze dan al wekenlang geoefend hadden. Ook hadden we een keer een film over een gezin met een Duitse herdershond. Die hond kreeg de schuld dat hij de schapen dood maakte en sommige mensen wilden hem schieten. Het jaar daarop lieten ze het tweede deel van de film zien. Het einde was dat de hond het niet gedaan had en we waren blij dat het zo goed afliep. Dit was de eerste film die wij ooit zagen en we praatten er dagen lang over.
Aan het eind van zo’n avond werd er van alles verloot. Moeder won eens een groot speculaashart en wij wonnen andere kleinere dingen, waar we erg blij mee waren.

Na de kerstdagen werd het natuurlijk nieuwjaarsdag, maar oudejaarsdag gaf minstens zoveel plezier. Omdat het de laatste dag van het jaar was werden er oliebollen gebakken. Wij noemden ze oliekrabben, omdat ze niet altijd rond waren. Moeder bakte ook altijd oliekrabben. Dat was altijd de laatste maaltijd van het jaar. Het deeg werd van meel en gist gemaakt en moest rijzen. Met een paar lepels werden bolletjes gemaakt die ze in een pan met hete olie liet vallen.
Moeder bakte ze op andere tijden ook wel eens als verrassing voor vader. Ik weet zeker dat hij het buiten al lang geroken had als hij thuiskwam, maar dat zei hij nooit.

Op de laatste dag van het jaar schoten de mensen het oude jaar “weg”. Daar werd een oude verfbus voor gebruikt, waar in de bodem een gaatje werd gemaakt. Men deed er wat karbit in, spuugde daar een keer op en deed dan het deksel er op. Dan plaatste men de bus onder een voet en hield een brandende lucifer voor het gaatje. Even later vloog het deksel er met een knal af. Sommige mensen gebruikten een grote melkbus, maar daar gebeurden wel eens ongelukken mee.
Moeder maakte ook altijd kniepertjes voor nieuwjaar. Ze maakte het koekjesdeeg klaar en zorgde dat er een goed heet kolenvuur in de kachel brandde. Het kniepertjesijzer bestond uit twee ronde platte ijzeren platen met daaraan twee lange stelen. Wij deden een balletje deeg tussen de ijzers, knepen dat dicht en hielden het een poosje in de kachel. Als het kniepertje gebakken was, kwam er een plat rond wafeltje tevoorschijn.
Op nieuwjaarsdag gingen de kinderen bij alle buren langs om gelukkig nieuwjaar te wensen. Overal werden we uitgenodigd om binnen te komen. Dan kregen we een kniepertje met een glaasje weck, vaak bessen, pruimen of aardbeien.
De volwassenen gingen zo’n beetje de hele winter door op nieuwjaarsvisite bij de ooms en tantes in het veld. Ze deden dat vaak als het lichte maan was en de wegen niet te modderig waren. De smalle fietspaden op die achterwegen waren nogal eens slecht in de winter. Ze hadden wel verlichting aan de fiets maar in het donker was het toch oppassen. De kinderen mochten niet mee op die visites.
Op de avond dat alle ooms en tantes bij ons kwamen, stond de plaatstoof klaar met een kooltje vuur er in. Daar konden de tantes dan hun voeten op warmen. Het was allemaal familie van moeders kant: tante Aoltie met oom Lefert Lefers, tante Hilligje met oom Jan de Weerd, tante Trientie met oom Jan Willem Hogenkamp en oom Derk Jan Bruggeman met tante Hendrikje Knol. De tantes brachten allemaal de breikous mee. De mannen rookten een sigaar en dronken een borrel. Wij mochten dan ’s avonds wat langer opblijven. Moeders ouders kwamen niet naar deze visites. “Gropmoe” kwam soms zo eens een keer bij ons maar “grofva” kwam nooit. Als je bij grofva op visite ging moest je altijd een borrel drinken en ook de tweede want op één been kon je niet lopen.
Ik geloof niet dat de familie van vaders kant aan nieuwjaarsvisite deed. Als vader en moeder op visite gingen, kregen wij een oppas. Dat deden Hennie en Trijn Lefers een keer, de oudste dochters van tante Aoltie. Het waren toen nog jonge meisjes en ze maakten ook gekheid natuurlijk. Mijn zuster Trijn vertelde dat Trijn Lefers eens een trui van haar nam en daar haar eigen schoenen mee oppoetste. Trijn was daar erg kwaad over en heeft het natuurlijk de volgende morgen aan moeder verteld.

Op visite
Eén keer per jaar gingen vader en moeder op visite bij oom Too en tante Aoltie. Die woonden op een boerderij bij Brug 6 aan de Dedemsvaart en hadden drie kinderen: Margje, Femmie en Henk. Tante Aoltie’s moeder woonde ook bij hen in. Oom Jan zei altijd: “Met al die wieven in huus hef Anton niks te zeggen” en daar had hij denk ik wel gelijk in.
Ook naar vaders zuster Roelofje gingen ze één keer per jaar op visite. Tante Roelofje was getrouwd met oom Aart van de Vegt. Ze hadden drie kinderen: Jan, Henk en Corrie, die van ongeveer dezelfde leeftijd waren als Henk, Trijn en ik. Ze woonden dicht bij Zwolle in Langenholte en we gingen er altijd op de fiets naar toe. Oom Aart had daar zijn werk op een gemaal. Als het hoog water was moest hij zorgen dat het water werd weggemalen.
Toen vaders broer Jannes nog niet getrouwd was, woonde hij bij oom Aart in. Op latere leeftijd, ik meen me te herinneren dat hij toen al 47 jaar was, is hij nog getrouwd met tante Margje.
Wij logeerden vaak een paar dagen bij oom Aart en tante Roelofje. We hadden daar altijd veel plezier. Aan de ene kant van het huis was een grote sloot en aan de andere kant een riviertje, de Aa, met een gemaal waarin een groot scheprad zat. Achter het gemaal was een grote kolk met een sluisbruggetje. Vanuit de kolk liep het water naar een grote rivier, het Zwartewater.
Aan de andere kant van de dijk waarover de weg liep, was de stadsvuilnisbelt, die we meestal de “reiniging” noemden. Vanaf de dijk liep een paadje naar beneden naar het huis. Soms gingen we naar de reiniging om te kijken of er nog wat moois te vinden was.
Ik kan me herinneren dat in de wei achter de grote sloot een klein soort Frittelaria met gespikkelde klokjes groeiden, ze werden kievietsbloemen genoemd.
Er was altijd wel wat om ons te vermaken. We gingen vaak kikkers vangen, soms hadden we bijna een emmer vol. Daarna lieten we ze een eindje bij de sloot vandaan weer los. Het was dan net een wedstrijd met al die kikkers die terug naar de sloot sprongen. Tante Roelofje was altijd een beetje bang van die springende diertjes.
Over de grote sloot lag een plank. Op een keer stonden Trijn, Corrie en ik op die plank te springen toen Corrie in het water viel. Ze was drijfnat en kreeg thuis natuurlijk brommen.
We namen ook vaak de roeiboot en gingen dan met ons drieën roeien op de Aa, waar we vaak een paar zwanen zagen. Op een keer kwamen we terug met de boot en Corrie en Trijn waren al aan wal toen ik nog uit wilde stappen. Met één been in de boot en de andere gereed om uit te stappen dreef de boot van de wal en plonsde ik in het water. Ik kon niet zwemmen en voelde ook geen grond onder me. Oom Aart stond met een andere man bij de schuur te lachen. Corrie en Trijn hielpen me uit het water. Ik moest toen de rest van de dag andere, voor mij veel te grote, kleren aan.

Op een keer mochten wij drieën met oom Aart mee in de roeiboot naar het Zwartewater. Zonder hem mochten we daar nooit met de boot naar toe omdat in die rivier ook grote schepen voeren.

Een mooie foto uit ons archief maar helaas met onbekende personen in een roeiboot en op een onbekende plek.

Toen we daar aankwamen wilde oom Aart dat wij zongen. Trijn en ik waren niet van die zangers en we kenden het liedje ook niet dat Corrie zong. Maar ik herinner het mij nu nog goed. Het ging zo:

Wordt wakker ’t zonnetje is al op
De bloempjes kijken uit de knop.
De haan kraait voor de tweede keer
’t Is buiten alles in de weer.
Wordt wakker, wordt wakker, wordt wakker,
wordt wakker, wordt wakker, wordt wakker.

De moeder van oom Aart woonde in de stad Zwolle. Als ze naar oom Aart kwam ging ze lopende en dat was een heel eind, zo’n zes kilometer. Kee, zo heette ze, kwam door het land en over de dijk. Soms kwam ze als het al donker was.
De jongens maakten altijd gekheid met en om haar. Ze hield zelf ook wel van een lolletje. Een vriend van Henk en Jan was er ook altijd bij, dat was Wiechert Soer. Hij hield ook wel van wat gekheid. In de herfst maakten ze uitgeholde pompoenen met gekke gezichten er in gesneden. Die zetten ze op de leuning van het bruggetje over de Aa. Maar Kee was niet zo gauw bang.
Op een keer hadden de jongens een oud vals gebit gevonden op de reiniging. Toen Kee een keer een nacht bleef slapen hadden de jongens wat moois verzonnen. Nadat ze al in bed was verwisselden ze haar tanden, die in een bakje met water stonden, met het gebit van de reiniging. Ik weet niet hoe dat afgelopen is, maar dat zal wel mooi geweest zijn.
Toen Kee eens haar verjaardag vierde, moesten wij er allemaal naar toe. We kregen daar zoveel gebakjes te eten dat ik er ’s nachts misselijk van was. Na die tijd hield ik niet meer van slagroom.
Op een andere keer toen we weer bij Corrie waren, zou er ook nog een ander meisje komen. Ik geloof dat het een nichtje was of iemand anders uit de stad. Corrie had daar niet veel zin in en toen verzonnen we een gemeen plannetje. We zouden een spelletje spelen om een koeienvlaai heen en aan het eind van het liedje dat meisje er in trekken. Het meisje kwam echter niet en dat was misschien maar goed ook.
Soms bleef Corrie ook wel bij ons slapen. Dan moesten we met z’n vieren in één bed slapen. Twee aan het hoofdeind en twee aan het voeteneind en dat ging ook altijd goed.

* * *

EVEN VOORSTELLEN _________________________________________________________

Op de Algemene Ledenvergadering van 18 maart j.l. zijn drie nieuwe leden in het bestuur van de vereniging gekozen. Het leek de redactie een goed idee om ze aan u voor te stellen. We hebben ze gevraagd om dat zelf te doen middels een klein verhaaltje.

Theo Post

Ik ben Theo Post, 51 jaar oud en al ruim 25 jaar werkzaam aan basisschool De Zaaier aan het Zandspeur te Nieuwleusen als leerkracht in de bovenbouw. Ruim tien jaar ben ik gelukkig getrouwd met Hendriek Pessink. We zijn woonachtig in de wijk Westerbouwlanden.

Mijn geboorteplaats is Lemmer, een prachtig stadje aan het IJsselmeer. Op mijn zesde ben ik verhuisd naar het Friese Bergum en daar opgegroeid. In 1985 bracht mijn vaste aanstelling aan De Zaaier mij naar Nieuwleusen en ik woon hier nog steeds met veel plezier.
Tot november vorig jaar was ik voorzitter van volleybalvereniging Flash. Na 22 jaar bestuurlijke activiteiten binnen deze prachtige club vond ik het tijd worden voor "nieuw bloed en een frisse wind" en daarom heb ik mij niet herkiesbaar gesteld.
Eind december werd ik door Jakob de Weerd benaderd of ik een bestuursfunctie wilde gaan bekleden binnen de historische vereniging "Ni’jluusn van vrogger", een vereniging met een totaal ander karakter dan een sportvereniging. Het is mijn interesse in de (plaatselijke) historie en meerdere geschiedkundige onderwerpen als archeologie, kunsthistorie en genealogie wat de doorslag gaf om positief te reageren op het verzoek. Ik hoop samen met de huidige bestuursleden op een goede samenwerking en zodanig een positieve bijdrage te kunnen leveren aan de rijke historie van Nieuwleusen.

Joke Bos

Ni’jluus’n mien dörpien, ik holle van oe - sinds 1976 -

Ik bin geboor’n ien Rotterdam ien 1953, as oldste van vier kiender, ien een tuundersgeslacht. Mien vaders femilie hef altied met plant’n kweek’n, tuunanleg & onderhold et brood verdiend. Deurdet mien olders zo’n fijne ‘speulplaatse’ bi’j oes achter et huus hadd’n, heb ik nooit et gevuul had ien een grote stad te woon’n. Mien moeder Teuntje hef in d’oorlog as evacué de hongerwinter deurbracht ien et Emslaand ien Ommen. Op 26 februaori 1945, heur 14de verjaordag, waar’n zi’j en heur breurtie Hugo van 9, met een tante en twie nichies te voet vertrökk’n uut Rotterdam. Zi’j woll’n naor Hoogevene waor ze onderdak kon’n krieng’n via de kärke. Nao tien daang’n loop’n ien ’n kolde winter, wörd’n Hugo ziek, hi’j kon nie wieder, en met ’n beid’n bleem’n mien moe en hi’j ien Ommen bi’j de femilies Winters en Willems an de Paarhuusweg.

Vanof mien 11de jaor göng’n wi’j alle schoelvekaansies naor Beerze, waor we logeer’n bi’j Leida Willems en Derk-Jan Bremmer op de boerderi’je. Daor heb ik et boer’nleem’n leer’n kenn’n: Zi’j hadd’n koeën en heb ik leer’n melk’n, bi’j de värk’ns heb ik eziene det een goeie motte wel 16 biggies krieng’n kan ien één wörp, wi’j leer’n de kipp’n verzörg’n en slacht’n, mar ok heui schudd’n, mei’n met de zende, en nog veule meer. Ik wol dier’narts wörd’n. Met hard leer’n haal’n ik wel mien diploma veur de middelbare schoele, mar deur oeze verhuuzing van Rotterdam naor Beerze, is de studie d’r niet van ekoom’n. Ik was 18 jaor en göng ien opleiding veur landmeetkundig ambtenaar bi’j et Kedaster ien Zwolle, en ik kreeg daor verkering met Andries, nou al 39 jaor mien man.

Wi’j hebt eerst twie jaor ien Ommen ewoond mar det beveul niet zo goed, en ien juli 1976 kocht’n we een boerderi’je ien Ni’jluus’n. Det wörd’n echt oes plekkie: oeze beide dochters bint hier geboor’n, wi’j hebt er al die tied oeze eing’n gruunt’n en fruit verbouwd, en huus en tuun hebt al hiel wat anpassing’n ondergaon. Andries is imker, net as zien va was. Wi’j hebt schaop’n had, melkgeit’n, Shetlandpony’s, en zelfs nog twie Jersey koeën. Mar nou heb wi’j weer vief zwartbles-schaop’n, met dit ‘veurjaor’ elf lammegies: twie drieling’n, twie twieling’n, en een éénling.

Wi’j woont net op de grens van Vink’nbuurt en Ni’jluusn, een fijne buurt: de buur’n en wi’j kriegt van beide et goed met, en et verkeerde kriege wi’j niet met, want daorveur woont wi’j ‘te wied weg’.
Ik heb ien 1989/ 1990 bi’j de post ien Ni’jluusn ewarkt, mooi op de fietse et dorp rond, umdet Eric Huzen in militèère dienst mos. Ansluut’nd he’k 23 jaor as docent Engels ien Zwolle en Dedemsvaort veur de klas estaone, en ien de vri’je tied en vekaansies vermaak’n wi’j oes ait opperbest. Andries en ik mag graag fiets’n en wandel’n, wi’j hebt op die meniere al heel wat van Europa eziene. Wi’j hebt ok twie kleinkiender die graag bi’j opa en oma logeert, en nou stiet et veurjaor weer veur de deur en een ni’je bestuursfunctie.

Jan Huzen

Zoals wel meer bestuursleden ben ik ook niet in de gemeente Nieuwleusen geboren, maar er wel dichtbij. Mijn wiegje stond in december 1953 gereed in de gemeente Staphorst aan de Schapendijk, waar vroeger de stalenramenfabriek was gevestigd.
Ik was nog geen jaar oud toen mijn ouders al verhuisd zijn naar Nieuwleusen en sindsdien daar niet meer zijn vertrokken. Mijn vader heeft, net als veel Nieuwleusenaren, jarenlang bij de Union rijwielfabriek gewerkt.
Na ons trouwen zijn we in Nieuwleusen gebleven en we wonen er nog steeds met veel plezier. We hebben twee kinderen.
Na de kleuterschool en de lagere school, de Julianaschool op de hoek van de Van Sandickstraat en de Van Dedemstraat, ben ik naar de Ulo aan de Den Hulst gegaan. Daarna heb ik nog een blauwe maandag op de MEAO in Zwolle gezeten. Daar hield ik het al gauw voor gezien. Ik ben toen gaan werken bij V&D in Zwolle. Die baan moest ik onderbreken omdat ik in militaire dienst moest. Toen ik uitgediend was ben ik gaan werken bij de Rabobank in Hasselt. Na verschillende fusies werk ik nu met veel plezier bij Rabobank Vaart & Vechtstreek.
Ik heb heel veel hobby's: voetbal, fietsen, tuinieren, reizen en we hebben op dit moment (maart, red.) twee schatten van kleindochters. Verder heb ik een omvangrijke verzameling coca colablikken die ik wel eens wil laten zien.

* * *

ZOEKPLAATJES _________________________________________________________


Foto 26: meisje


Foto 27: twee kinderen


Foto 28: Moeders met kinderwagens buiten bij het Groene Kruisgebouw voor een bezoek aan het consultatiebureau, ca 1958.
De moeders met kinderwagens bij het Groene Kruisgebouw zijn vlnr: Mien Veerman-Stoffer, Jentje Blik-Kragt, Jentje van der Veen-Schoemaker (met Antje in de kinderwagen) en Grietje Schoemaker-Feitsma (met Janneke in de kinderwagen).


Foto 29: In het zonnetje voor een boerenschuur.
Foto 29 op bladzijde 64 in het juninummer werd (o.a.) herkend door de maker van de foto. Hij kiekte zijn familieleden bij de schuur in de Vinkenbuurt in 1948. De namen zijn vlnr: Wolter Knol (geb. Staphorst 17-04-1875, overl. Ommen 12-01-1958), Janna Knol-Katoele (geb. Nieuwleusen 14-11-1868, overl. Ommerschans 30-09-1949) en Geertje Knol (geb. Rouveen 09-11-1874, overl. Ommerschans 29-04-1949). Ze werden alle drie naast elkaar in Nieuwleusen begraven.

De vorige zoekplaatjes van boerderijen in de sneeuw hebben helaas geen reacties opgeleverd. Dit keer schotelen we u een aantal onbekende personen voor. U kunt reageren naar: redactie@palthehof.nl.

* * *

Foto achterpagina _________________________________________________________

Een vriendengroep uit Den Hulst op de hei in het Staatsbos in 1957.
Vlnr: Marten Huisman, André Mijnheer en Jan Mensink.






Jaargang 31 nummer 3 september 2013


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER ___________________________________________________

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina _________________________________________________________

De woningen (ook wel blokwoningen genoemd) van de woningbouw-vereniging in het midden van de Burg. Backxlaan zoals ze er omstreeks 2000 uitzagen na te zijn gerenoveerd.

* * *

MENSEN AAN HET WOORD, 2 _________________________________________________________

Gees Bartels

In deze serie, waarin we personen interviewen die in de recente geschiedenis naar Nieuwleusen kwamen of er uit vertrokken en in hun leven de vele naoorlogse veranderingen meemaakten, dit keer een portret van Alberta Gezina (Betty) van Dorsten-van Spijker.

Betty van Spijker werd op 12 januari 1941 geboren. Ze is de dochter van Arend van Spijker en Jentje Bouwman. Haar vader was een goede amateur-schilder van wie in ons museum tijdens de tentoonstelling van 2012 verschillende schilderijen te zien waren. Ze heeft een drie jaar oudere broer: Arend (Arie).
Het gezin woonde aan de Ommerdijk 34 in de Molenbuurt in een van de “blokwoningen” aan de oostkant van de straat tegenover de boerderij van Stegerman en het Groene Kruisgebouw. De Ommerdijk heet tegenwoordig Burg. Backxlaan en in die buurt zijn nu het zwembad, fitnesscentrum Helios en enkele woonhuizen.

Vanaf noord gerekend woonden in de blokhuizen: Luten, Vrielink, Van Spijker en Brouwer.
De families Luten, Van Spijker, Brouwer en Stegerman vierden ieder jaar samen het Sinterklaas-feest; om en om bij een van hen thuis. Luten was dan Sinterklaas. Hij had ook echt een stem die daarbij paste. Betty’s vader was Zwarte Piet.
In de oorlog waren bij Brouwer en Van Spijker Duitsers ingekwartierd. Die werkten in een loods die in het land achter de boerderij van Stegerman stond. Daarin stond apparatuur waarmee ze vijandige vliegtuigen moesten opsporen.
Toen er bij Betty thuis een keer iemand op bezoek kwam die een wichelroede bij zich had, een Y-vormige tak waarmee sommige mensen verborgen waterbronnen kunnen opsporen, wilde Luten dat ook wel eens proberen. En het was meteen raak! Al snel werd Luten erbij gehaald om de goede plaats te bepalen wanneer ergens een waterput gegraven moest worden. Hij was venter bij de Coöperatie, maar hij had nog meer gaven. Als magnetiseur of strijker kon hij blokkades in het energieveld van mensen oplossen. In zijn huis werd naast de woonkamer een behandelkamer ingericht. Als Luten spreekuur had stonden er rijen auto’s en fietsen bij het huis.

School
Betty ging naar de school van meester Siefers, de christelijke lagere school aan het Westeinde. Ze fietste daar op een oud rammelfietsje naar toe, samen met Roelie Boesenkool, een “buurjongen” die dichter naar de Kerkenhoek in een van de twee huizen tegenover de begraafplaats woonde. In die tijd at iedereen tussen twaalf en een uur de warme maaltijd en daarom fietsten zij tussen de middag ook samen op en neer om thuis te eten. Als kinderen hadden ze geleerd netjes af te stappen wanneer er een begrafenisstoet van de kerk naar de begraafplaats ging.

Betty van Spijker (rechts) met haar rammelfietsje en buurjongen Roelie Boesenkool.

Op een dag kwam er een stoet zonder eind van de begraafplaats en ze bleven bij de melkfabriek keurig staan wachten tot de hele stoet voorbij was. Toen ze eindelijk thuis kwamen vertelden hun ongeruste ouders hen dat die eerbied alleen nodig was wanneer de rouwstoet met de overledene van de kerk naar de begraafplaats toe ging.

Kinderen ontwikkelen vaak samen de vreemdste spelletjes. Zo maakten Betty en Roelie er een sport van wie op weg naar huis de meeste kraaien kon tellen. “Soms zag ik er ook wel eens één twee keer”, biechtte Betty alsnog op.
In de eerste klas kreeg ze les van juffrouw Klerk. Die was niet zo aardig en gaf haar het gevoel dat ze niets kon. Ze was bang voor haar en moest ook een keer in de hoek staan. Waarom? Geen idee! En natuurlijk kwam toen juist meester Siefers binnen.
Alles veranderde gelukkig toen ze les kreeg van meester Wiersma. Die maakte met kerst altijd een prachtige tekening op het schoolbord. Bij hem bleek al snel dat ze best wel goed kon lezen en toen durfde ze ook meer. In klas 4 en 5 kreeg ze les van meester Bijl en in klas zes van meester Siefers, die les gaf aan kinderen van klas 6 t/m 8. Betty herinnert zich nog dat ze op een keer met Kerst een nieuwe rode jurk kreeg die haar moeder zelf had gebreid. Die had een prachtige klokrok waarmee je heerlijk rond kon zwieren en een gevlochten ceintuur met twee mooie pompoenen, gemaakt van restjes grijze en blauwe wol. Van een oude jas maakte Marie Brouwer, later getrouwd met Klaas Brassien, een mooi nieuw manteltje.

Kerkenhoek
Toen Betty tien jaar oud was verhuisde het gezin naar de Kerkenhoek, ook aan de Burg. Backxlaan. Vanaf de Coöp. Landbouwvereniging, richting kruispunt, kwam eerst het huis van Brassien, dan kapper Katoele en dan hun huis. Het stond ongeveer op de plek waar nu op de Grote Markt de kunstboom staat.

Het gezin Van Spijker omstreeks 1947 met vlnr: moeder Jentje van Spijker-Bouwman, Arie, Betty en vader Arend van Spijker voor hun (blok)woning aan de Ommerdijk.

In die tijd was het nog gebruikelijk dat veel meisjes naar de huishoudschool gingen en jongens naar de landbouwschool of technische school. In de zesde klas kregen vanaf april vier leerlingen na schooltijd bijles van meester Siefers als opstapje naar het middelbaar onderwijs. Hendrik Jan de Weerd, Hillie Westerman en Roelie Boesenkool gingen naar een school in Zwolle en Betty ging naar de MULO in Dedemsvaart. Alie Zomer, dochter van Wolter Zomer, de directeur van de Coöperatie, zat al in de tweede klas van deze MULO. Samen met haar fietste Betty via de Burg. Backxlaan naar Den Hulst. Daar kwamen alle scholieren uit Nieuwleusen en Den Hulst bij de brug bij elkaar en dan fietste de hele groep gezamenlijk naar Dedemsvaart.
Op zaterdagmorgen moesten ze ook nog naar school. Wie lid was van de korfbalclub moest op zaterdagmiddag nog wedstrijden spelen. Voor de uitwedstrijden gingen ze met een bus van Boers naar Zwolle, Kampen, Emmeloord enz.
Betty was dertien jaar oud toen ze voor het eerst met vakantie ging. Met haar ouders en broer Arie ging ze op de fiets naar Leiderdorp, waar een oom en tante woonden. Het plan was om in Harderwijk op de trein te stappen. Maar het ging zo goed, dat werd besloten door te fietsen naar Amersfoort. In Amersfoort voelde het nog zo goed dat ook daar doorgefietst werd, zodat ze aan het eind van de dag al bij oom en tante op de stoep stonden.
De volgende dag gingen vader, moeder en Arie weer terug. Betty mocht blijven logeren en werd een week later door oom en tante teruggebracht. Dat gebeurde met de trein want oom werkte bij de spoorwegen en dus mochten ze vrij reizen.
Tijdens een middelbare schoolvakantie ging ze met een groepje vriendinnen op de fiets naar een kampeerboerderij in Nijverdal en een jaar later op de fiets naar Harlingen om van daar met de boot naar Terschelling te gaan.

Vervolgopleiding
De schriftelijke examens werden op school afgenomen maar voor het mondelinge examen moesten gedurende twee weken dagelijks van verschillende scholen uit een grote regio enkele leerlingen naar Hoogeveen. Na afloop van het examen hoorde je dezelfde dag of je was geslaagd en dan was het ’s avonds thuis feest. Wie pas dagen later examen moest afleggen, moest er wel rekening mee houden niet teveel slaaptekort op te lopen.


Het noodgebouw achter de winkel van Nelis Boers dat als kleuterschool werd gebruikt.

Alie Zomer en Betty werden vriendinnen. Later, toen haar vader politieagent werd in Nieuwleusen, kwam Dinie Mulder daar ook nog bij.
Veel vertier was er niet. Een keer per week naar de catechisatie, zingen in het koor van Sursum Corda onder leiding van Willem Huzen en een enkele keer naar de Cefa-film in het Jeugdgebouw van de Hervormde kerk.
Toen Alie Zomer naar de Christelijke kleuterkweekschool in Zwolle ging vertelde ze volop over knutselen, zingen, vertellen en omgaan met jonge kinderen en daardoor werd Betty ook enthousiast. Kleuterleidster leek haar een beroep waarin ze haar creatieve vaardigheden goed kon gebruiken. Op de bromfiets, soms ook met de bus, ging ze naar Zwolle, waar ze op woensdag ’s middags en ’s avonds tot negen uur les had. De andere vier dagen liep ze als leidster stage op de Hervormde kleuterschool in Nieuwleusen bij juf Geertje Huzen en in Den Hulst bij juf Hengstman. Die twee kleuterscholen waren er nog niet zo lang en bestonden uit één speel-werklokaal. In Den Hulst was het nog een noodgebouwtje achter de elektriciteitswinkel van Nelis Boers. Daar kon je via een zandpaadje langs de christelijke lagere school komen.
Betty had in haar MULO-tijd al orgelles gehad van Hendrik Masselink van het Westeinde, die organist was in de Hervormde kerk. Met koster Willem Huzen oefende ze de liedjes die ze voor haar kleuterleidster-examen moest kennen. Met plezier denkt ze terug aan hoe prachtig haar stem toen klonk in de ruime hal van de kleuterkweekschool. ’s Maandags had ze examen gedaan en dinsdags stond ze in Dalfsen al als leidster voor de klas. Dat betekende elke dag vanuit Nieuwleusen met de fiets op en neer naar Dalfsen. Een keer per maand fietste ze naar het huis van de penningmeester van de school in de Ruitenborghstraat om het salaris van ƒ 85,50 op te halen. Na een jaar kwam er in Den Hulst (tegenwoordig Nieuwleusen-noord) vlak bij de Raiffeisenstraat een nieuwe kleuterschool en daar werd Betty hoofdleidster. Ze kreeg het salaris van leidster tot ze het diploma voor hoofdleidster echt op zak had. Nu moest ze maandelijks haar salaris ophalen thuis bij Hendrik Jan Klomp aan de Burg. Backxlaan.
De school had grote klassen, aan het eind van het schooljaar vaak wel 40 kleuters. Toch werd daarmee in groepjes gewerkt en gespeeld, slechts bijgestaan door een stageleidster. Maar dat ging uitstekend want in die tijd waren de kleuters nog vrij rustig en bedeesd.

Op weg naar een nieuw leven
Betty was het zich niet bewust, maar door haar moderne aanpak kwam ze in aanraking met haar toekomstige echtgenoot. Wereldoriëntatie was een nieuw fenomeen op de kleuterscholen en Betty ging er af en toe met de kleuters op uit; bijvoorbeeld naar de bakker en de bloemist. Dat kon, want Henk van Dorsten was in Den Hulst een bloemisterij begonnen. Daar ging ze met de kleuters rondkijken en kocht narcissen voor in school. Terug op school werden er door de kleuters narcissen geknipt en geplakt. En als dank voor de ontvangst en rondleiding ging het groepje nog een keer naar de bloemist om zo’n mooi werkstukje af te geven.

Henk van Dorsten, geboren in 1934, groeide op aan het Zandspeur als oudste van acht kinderen. Zijn vader had een kleine boerderij en het karig inkomen werd aangevuld met de verdiensten van klompen verkopen, slachten bij boeren en drager zijn bij begrafenissen.
Meester Meijer adviseerde zijn ouders om hem verder te laten leren, maar daar kon geen sprake van zijn. Henk begon als tuinjongen op de Horte bij Dalfsen en werkte later op de stadskwekerij de Kranenburg bij Zwolle. Ondertussen bezocht hij de tuinbouwschool in Dedemsvaart en vervolgde dat met cursussen zoals handelskennis, reclame en bloemsierkunst. Omstreeks 1957 werd hij hovenier bij de gemeente Nieuwleusen. Maar Henk wilde vooruit en hoewel zijn vader dat niet zo’n goed idee vond, wilde hij zelfstandig worden. In 1960 kocht hij een perceel grond aan de rand van de bebouwde kom van Den Hulst aan de Burg. Backxlaan, naast de twee huizen ten zuiden van De Smeule. Daar vestigde hij een kwekerij met een kas met voorin een winkel. De kas met winkel is er nu nog. Tijdens het bezoek van Betty met haar kleuterklas sloeg de vonk over en ze kregen verkering. Na een paar jaar kwamen er trouwplannen, maar de aanvraag voor de bouw van een woonhuis bij de kwekerij kon niet gehonoreerd worden omdat er volgens het bestemmingsplan geen lintbebouwing mocht komen.
Betty kreeg in 1963 een benoeming als hoofdleidster van een drie-klassige kleuterschool in Coevorden en toen ze daar een geschikt pand voor een bloemenzaak zagen werd de zaak in Nieuwleusen verkocht en openden ze in november een zaak in Coevorden. Inmiddels waren Betty en Henk in februari 1964 in Coevorden getrouwd met alle kleuters erbij.


Bruidspaar Henk van Dorsten en Betty van Spijker in de auto op weg naar “het grote moment”.

Meehelpen in de winkel
In januari 1964 stopte Betty als kleuterleidster en ging meehelpen in de winkel. Maar daar was ze niet voor opgeleid en steeds vragen om klanten goed te kunnen helpen leverde al snel frustraties op. Dus ging ze een dag per week met de trein naar Zwolle om aan de tuinbouwschool een opleiding voor bloemist te volgen. ’s Morgens plantenleer, grondbemesting enz. en ’s middags kleurenleer, stijlleer en praktijk bloemsierkunst: bruidsboeketten, corsages en bloemstukken maken.
Het werd een drukke tijd met steeds meer klanten en personeel. Op maandagmorgen kwamen de grossiers hun bestellingen afleveren. Op enig moment kocht Henk een besteleend, waarmee hij ’s morgens om vijf uur naar Lent bij Nijmegen reed om zelf bij de kwekers bloemen en planten in te kopen. Samen gingen ze naar beurzen om op de hoogte te blijven van de nieuwste ontwikkelingen.
Een keer per jaar gingen ze met de medewerkers op stap en bezochten onder andere de pottenbakkerij van Mobach in Utrecht en Zaalberg in Leiderdorp. Dat werd het begin van een verzamelhobby. Henk en Betty hebben nu een grote collectie werk van deze pottenbakkerijen. Daarvan was in 2011 het een en ander te zien tijdens de tentoonstelling in het Tinnenfiguren Museum in Ommen.
Het waren lange, drukke dagen. Overdag de winkel en ’s avonds de bestellingen maken, etalage verzorgen, bloemstukken, bruidsboeketten maken enz. In december kwamen de ouders van Betty uit Nieuwleusen om mee te helpen. Vader hielp met het maken van kerststukjes, moeder nam het huishouden waar en broer Jan hielp met het bezorgen van de bestellingen.

Giethmen
Intussen hadden ze in 1968 in Giethmen bij Ommen een boerderijtje met 2 hectare grond gekocht, waar ze de weekeinden in de vrije natuur konden doorbrengen. En hoe goed de bloemisterij ook liep, Henk miste met zijn kwekershart een eigen kwekerij.
Toen er in 1972 een kleuterschool geopend werd in Ruitenveen solliciteerde Betty. Met het vaste hoofdleidstersalaris durfden ze de stap naar weer een nieuwe onderneming te maken. Ze stopten met de zaak in Coevorden en Henk begon in Giethmen een kwekerij voor het leveren aan bloemisten en tuincentra. Hij kweekte sempervivum. Dat zijn vetplanten die door variërende kleuren en vormen zeer aantrekkelijk zijn om in de tuin te gebruiken.


Kleuterklas van “het Kompas” bij de opening van het nieuwe schoolgebouw op 23 augustus 1974.

Er kwam een verwarmde kas voor tropische kamerplanten, met vooral de prachtige oranje columnea.
Betty stond nog niet zo lang weer voor de klas toen zich het onmogelijk geachte voordeed; ze was zwanger. Niet zo lang daarvoor zou dat ontslag betekenen, maar nu was een werkende moeder maatschappelijk geaccepteerd. Iedereen was gelukkig met het aanbod van haar ouders om op de baby te gaan passen, zodat ze kon blijven werken en zo gebeurde. In juni 1973 werd Gerben geboren. Alle kleuters kwamen met een groepje moeders op kraamvisite. Terug in de klas gingen moeder en baby ’s morgens naar de Dommelerdijk en bleef Gerben daar. Tussen de middag nam Betty de paar overblijfkinderen mee om bij haar ouders een broodje te eten en na schooltijd ging ze weer met de baby naar huis. In mei 1975 werd Arjen geboren en toen heeft Betty afscheid genomen van de school. Opnieuw was er kraamvisite van kleuters en moeders en de meisjes van de lagere school kwamen mooie handwerkjes brengen, gemaakt onder leiding van juf Monteiro. De vaders brachten een prachtig groot klimhuis voor Gerben en Arjen. Later, toen de twee zonen al naar school gingen, is ze nog regelmatig ingevallen op scholen in Ommen.
Toen Gerben in de derde klas van de MAVO zat, ging hij op schoolreis naar Polen. Een jaar later kwamen Poolse scholieren naar Ommen en logeerden bij gastgezinnen. De jongen die bij Gerben had gelogeerd kwam een jaar later opnieuw bij hen logeren, nu samen met zijn ouders. Zijn vader was voorzitter van een koor en Betty zocht contact met het koor uit Vilsteren (het koor in Ommen had al een jumelage) en zo ontstond een uitwisselingsprogramma dat in 2013 het vijfentwintig jarig jubileum viert.
Inmiddels zijn de zonen volwassen. Gerben heeft, na de middelbare tuinbouwschool in Nijmegen, grond gekocht naast het bedrijf van zijn ouders en heeft daar een kwekerij met palmen, olijven, andere exoten en vetplanten. Arjen volgde een HBO-opleiding milieukunde en heeft onder andere voor het reismagazine Columbus gewerkt. Nu beheert hij eigen websites, zoals Nederlandsevakanties.nl en Verzamelaars.net. Betty en Henk genieten van hun vrije tijd, als verzamelaars van pottenbakkerswerk, werken in de tuin, jam maken, imker zijn en misschien gaat Betty nog wel weer schilderen.

Knotwilgen. Schilderij van Arend van Spijker dat hij maakte ten tijde van de geboorte van dochter Betty.

* * *

REACTIES

In het kwartaalblad van juni schrijft Margje Key-Hendriks op bladzijde 59 dat ze zich het liedje “Wordt wakker, het zonnetje is al op” nog goed herinnert.


Hierop kregen we een reactie van Jan Prins. Volgens hem heeft mevrouw Key de twee coupletten door elkaar gehaald.
Het liedje “Wordt wakker het zonnetje is al op” is van de hand van Hendrika van Tussenbroek (foto). Ze was een Nederlandse componiste die leefde van 1854 tot 1935 en was ook zang- en pianolerares in Amsterdam en Utrecht. Een aantal van haar liedjes werden opgenomen in de bundel “Kun je nog zingen, zing dan mee”, waarvan de eerste druk in 1906 verscheen.

Wordt wakker het zonnetje is al op

Wordt wakker het zonnetje is al op,
De bloemen kijken uit hun knop,
De vluggen leeuw'rik zingt allang,
De zwaluw sjilpt haar morgenzang
Wordt wakker, wordt wakker, wordt wakker
Wordt wakker, wordt wakker, wordt wakker

Het duifje strijkt zijn veertjes glad
En trippelt vrolijk over 't pad.
De haan kraait voor de tweede keer,
't Is alles buiten in de weer.
Wordt wakker, wordt wakker, wordt wakker
Wordt wakker, wordt wakker, wordt wakker


In het bijschrift bij de foto op bladzijde 55 bij het genoemde artikel is een foutje geslopen. De foto is van omstreeks 1955.

* * *

NAAR DE SPEELTUIN

Jakob de Weerd

Af en toe gaan pa en moe
Met ons naar de speeltuin toe
Dat is voor ons kinderen het fijnste wat bestaat
't Is een eind bij ons vandaan
Daarom gaat de karavaan
's Morgens al op weg, dan zijn wij er niet zo laat


Aan dit liedje moest ik denken toen we onlangs kort na elkaar van twee verschillende families een fotoalbum te leen kregen met o.a. foto’s van een speeltuinbezoek die we mochten scannen. Meestal werd een speeltuin bezocht tijdens een schoolreisje. Maar zo rond 1950 kon je ook zegeltjes sparen bij de winkeliersvereniging waarmee je dan op een zaterdag naar de speeltuin in Hellendoorn kon. Vaak vertrokken er meerdere bussen tegelijk.


Op de glijbaan, onderaan Klaas van Dijk.


In de luchtschommel, Dineke van Dijk (links) en Cor Loman.


Op de schommel, vlnr: Tina Jans, Alie van Spijker, Klaasje Willems en Maja Hoogenkamp.

In de tweede helft van de vijftiger jaren kregen we thuis pas een radio. Het liedje “Naar de speeltuin” was daarop wel eens te horen. In welk programma weet ik niet, maar de naam van zangeres Heleentje van Cappelle kan ik me nog herinneren. Ze was de dochter van Frans van Cappelle die accordeonist en muzikaal leider van een orkest was.
In 1951 nam Heleentje, ze was toen zeven jaar, samen met het kinderkoor “De Karekieten” en het “Orkest Zonder Naam” het liedje “Naar de speeltuin” op. Het liedje is de Nederlandstalige versie van

Henk(links) en Cor Loman in de rolton.


“Pack die Badehose ein” van het Duitse kindsterretje Conny Froboess. Volgens de oudste hitparade van ons land stond het op 1 februari 1952 op de hoogste positie, waar het drie maanden bleef staan. Deze eerste hitparade, die van de KRO, begon in november 1951. Het is niet meer bekend wie er in november, december en januari op nummer een stond, maar in februari, maart en april was dat “Naar de speeltuin”.

Varen in een trapbootje, Cor Loman (links) en Klaas van Dijk.


Het liedje werd gevolgd door een gelijknamige LP. In 1952 werd er een korte film gemaakt eveneens getiteld “Naar de speeltuin” met Heleentje van Cappelle in de hoofdrol.
Daarna werden er nog enkele liedjes van haar bekend, maar al in 1953 verdween ze uit de publiciteit. Het liedje “Naar de speeltuin” kent nog bijna iedereen van de generatie die toen jong was. Heel af en toe hoor je het nog wel eens ergens.

Een drietal jongens van openbare school C in Den Hulst op de schommel tijdens een schoolreisje omstreeks 1958.


* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO

BG003

Dit keer een foto van leerlingen van de openbare lagere Emmaschool op De Meele. In 1973 gingen ze op schoolreis naar Appelscha en werd deze foto gemaakt.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
 

Harm Borger
Hein Hoes
Anja Westerman
Hennie de Boer
Gerda Pluim
Gerrit Kappert
Sijbe Pluim
Rita Brasjen
Wilma Scholten
Yvonne Brasjen
Jenny Brasjen
Lucas Brinkman
Rudie Brasjen

14  
15  
16  
 
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  

Klaas Brasjen
Arie Ganzeboer
Constant van Saltbommel
Gert Luttel
Germo Veltmaat
Hennie Brasjen
Irma Zweers
Klaas Brinkman
Johan Luttel
juffr. Berga-Bosscher
Dinie Ganzeboer
Henk Brasjen

26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
 

Jannie ten Wolde
Nettie de Boer
Minus Ganzeboer
René Zwiers
Bennie Oosterveen
Gerben Schuurman
Gea Slagter
meester Jan Schuiling
Arnold Brasjen
zoon van juf Berga
Anna Oosterveen
Henk Schuurman
René Pluim

* * *

NATIONALE RESERVE

Hendrik Jan Klomp

Toen in 1940 jonge mannen aan de beurt waren om gekeurd te worden voor de militaire dienst, brak de oorlog uit en werd Nederland bezet door de Duitse Wehrmacht. Nederlandse soldaten waren toen niet meer nodig en het keuren van rekruten vond niet meer plaats. Ik was ook één van die lichting en daardoor vrijgesteld van keuring en eventuele opkomst voor de militaire dienst. Wel werden we later alsnog buitengewoon dienstplichtig verklaard.
Na de oorlog, ’t zal in 1948 of 1949 geweest kunnen zijn, kregen we een schrijven van burgemeester Backx, waarin nadrukkelijk gewezen werd op het dreigende gevaar vanuit het oosten. Er werd toen ernstig rekening gehouden met de mogelijkheid dat de Rus onze kant wel eens op zou kunnen komen, met alle gevolgen van dien. Daarom werd het wenselijk geacht dat wij ons alsnog bekwaamden in het omgaan met een geweer of een ander wapen. We zouden dan huis en haard enigszins kunnen beveiligen en verdedigen.
Dit was dus een ernstige oproep van de burgemeester om ons aan te sluiten bij de Nationale Reserve. Wat die Nationale Reserve voorstelde volgt hierna.

De Nationale Reserve
Als oprichtingsdatum geldt 15 april 1948. De verdediging van huis en haard is de mens niet vreemd. Zeker de Nederlander is het niet vreemd, als wij de geschiedenis van ons land daarop naslaan.
Het Korps Nationale Reserve is in zijn grondgedachte dan ook veel ouder dan het bestaan doet vermoeden. Zo heeft bijvoorbeeld de Bataafse Republiek in 1798 al een Gewaapende Burgermagt georganiseerd. Deze is blijven bestaan tot in 1806 de Schutterij wordt geformeerd. Dat was toen keizer Napoleon zijn broer Lodewijk op de troon zette van het Koninkrijk Holland. Zelf benoemde koning Lodewijk Napoleon zich tot kolonel-generaal van deze Schutterij. De oorspronkelijke taak van territoriale verdediging werd na de Russische veldtocht losgelaten.


Afdeling Nieuwleusen van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm omstreeks 1935 op een toogdag in Zwolle. Vlnr: Mannes Seinen, onbekend, Hendrikje Seinen-Lefers, onbekend, Frans Masselink, onbekend, Jennigje Masselink-Roddenhof, Gerrit Jan Beldman, Margje Dunnink-Prins, Peter Alteveer, Gerrit Jan Witpaard, Klaas Dunnink, onbekend, Klaas Kuterman, Hendrik Petter, Lukas Petter en Gerrigje Petter-Timmerman. Het vaandel is in bezit van museum Palthehof.

Op 27 februari 1815 wordt een nieuwe organisatie opgezet van dienstdoende en rustende bataljons (500 tot 1000 man) van de Schutterij. Bestonden de rustende bataljons slechts op papier, de dienstdoende bataljons werden wekelijks geoefend en verrichtten bepaalde wachtdiensten. Door de omstandigheden gedwongen wordt in 1830-‘31 de bestemming “territoriale verdediging” opnieuw losgelaten en gaan 20 mobiel gemaakte bataljons van de Schutterij aan de Tiendaagse Veldtocht deelnemen, om met koning Willem I de Belgische Opstand te onderdrukken.
De Schutterij wordt in 1907 opgeheven. Het uitbreken van de Eerste Wereldoorlog maakt echter duidelijk dat er toch behoefte blijft bestaan aan vrijwillig bemande territoriale eenheden. Deze worden dan ook in allerijl opgericht. Bij beschikking van de minister van 5 augustus 1914 wordt de mogelijkheid geschapen dat niet-dienstplichtigen zich beschikbaar stellen voor de gewapende dienst in oorlogsjaren. Hierdoor ontstaat de Vrijwillige Landstorm. In 1940 worden alle bestaande korpsen door de Duitse bezetter opgeheven en na de bevrijding niet meer heropgericht.
In de tweede helft van de jaren veertig wordt de Nederlandse regering geconfronteerd met het probleem dat zij genoodzaakt is een aanzienlijke krijgsmacht in Nederlands-Indië gestationeerd te houden, teneinde daar orde en vrede te herstellen. Daardoor ontbreekt het aan mankracht om de territoriale verdediging op een in deze tijd van ‘koude oorlog’ aanvaardbaar niveau te brengen. Verontrust door de ontwikkelingen rond de zich steeds sterker manifesterende


communistische expansie, plegen verschillende groepen, voortgekomen uit de Bijzondere Vrijwillige Landstorm en de voormalige paramilitaire verzetsorganisaties, onderling overleg voor initiatieven tot daadwerkelijke steun aan de wettige regering. Daarbij zijn ook vertegenwoordigers van de voornaamste politieke partijen betrokken. Op 5 oktober 1948 verschijnt het Staatsblad waarin in art. 2 staat: “als onderdeel van de Koninklijke Landmacht wordt opgericht de Nationale Reserve, waarvan de organisatie door de Minister wordt vastgesteld.”

Steun Wettig Gezag
Het overleg van hen die steun aan de regering wilden geven in het moeilijke jaar 1948 mondde uit in het “Nationaal Instituut Steun Wettig Gezag”. In het bijzonder was dit instituut tot stand gekomen door samenwerking van de Bijzondere Vrijwillige Landstorm, Volksweerbaarheid, de voormalige Binnenlandse Strijdkrachten, Nationale Bijstand, Organisatie Nationale Hulp en de Vereniging van Vrijwillig Politiepersoneel. De doelstelling luidde: Te bevorderen tot – en steun verlenen aan – de door de regering, ter handhaving van de openbare orde en veiligheid te vormen organen van vrijwilligers en heeft tot taak de regering te adviseren omtrent de opbouw en functionering van deze organen; ook met betrekking tot de maatschappelijke en sociale belangen van de vrijwilligers. Het instituut strekte zijn belangstelling en werkzaamheden uit over de volgende vrijwillige diensten: Nationale Reserve. – Reserve grensbewaking. – Korps Luchtwachtdienst. – Reserve Rijks- en Gemeentepolitie.
Er was een eigen oefenkamp voor de vrijwilligers van de Nationale Reserve, Golf Links te Arnhem. Leden van de locale vrijwilligers konden in dat kamp ook een zekere tijd oefenen, met meer voorzieningen en daardoor beter dan plaatselijk mogelijk was.

De plaatselijke afdeling
Een (klein) aantal van de jonge mannen van de lichting die bij het uitbreken van de oorlog niet gekeurd waren had gehoor gegeven aan de oproep van de burgemeester zich te melden bij de Nationale Reserve. Daarnaast vonden een aantal oudere mannen – al of niet militair geweest – het ook een goede zaak om zich bij de Nationale Reserve aan te sluiten.


De vrijwilligers, zoals die op een bepaald moment deel uitmaakten van het korps Nieuwleusen met vlnr: Bovenste rij: Willem Westerman, Klaas Bouwman, Hendrik de Boer en Jan Seinen. Middelste rij: Lambertus Johannes (Bert) van Marle, Hendrik Jan Snijder, Asse Visscher, Rikkert van de Galiën, Egbert Willem Timmerman, Hendrik Jan Klomp en Jan Petter. Voorste rij: Berend Dekker, sergeant-majoor C. Spanhak, Hendrikus Lammertsen, Hendrik Jan van Duren en Albert Jan Weelink. Teunis Braams ontbreekt op de foto.

Op een wekelijkse avond kwamen de vrijwilligers bij elkaar in de voormalige Openbare Lagere School in het toenmalige Den Hulst. Daar werd instructie gegeven door sergeant-majoor Spanhak. Het geweer, een Lee-Enfield, hadden de vrijwilligers thuis en het werd door hen meegenomen naar de oefenavond. Daar werd het tot in den treure uit elkaar genomen en vervolgens weer in elkaar gezet.
Meestal waren er tijdens de oefenavond ook een bren en een sten aanwezig. Die werden dan besproken, maar bleven in bewaring bij de instructeur. Van tijd tot tijd werd er met de genoemde wapens ook geoefend op de schietbaan bij Zwolle.
Naast het oefenen in vaardig omgaan met de wapens werd er ook geoefend in het veld, met de eigen groep, maar af en toe ook samen met vrijwilligers uit de buurt. Van Nieuwleusen zijn er ook wel vrijwilligers naar het oefenkamp Golf Links te Arnhem geweest.


Foto genomen tijdens een oefening samen met vrijwilligers uit de buurt. Vierde van links in geknielde houding: Hendrik Jan Klomp, vijfde: Egbert Willem Timmerman en zesde: Teunis Braams. Daarvoor links Klaas Bouwman en rechts Albert Jan Weelink. Staande links een onderofficier en aan de rechterkant een officier.

Op de foto is te zien dat de uniformering gelijk was aan die van de Koninklijke Landmacht. Dat was ook het geval met de uitrusting. We vielen ook onder de bepalingen van de Krijgstucht, waarvan wij geacht werden de bepalingen te kennen uit een in ons bezit zijnd boekje.
In Nieuwleusen was ook een Korps Luchtwachtdienst. Die hield zich in de regel op de silo van de Coöp. Landbouwvereniging in Den Hulst bezig met het waarnemen en herkennen van overvliegende vliegtuigen. En een plaatselijk korps Reserve Rijkspolitie assisteerde op bepaalde momenten en gelegenheden de lokale- of regionale politie.

De wapens


Een Lee-Enfield met bajonet.

De benaming van dit type geweer is samengesteld uit de naam van de uitvinder van het magazijn, de Amerikaan Lee, en de plaats waar de geweren werden ontworpen en gemaakt: Royal Ordnance Factory te Enfield. Het geweer werd gebruikt door het Britse leger van 1895 tot 1956. Het was het standaardwapen gedurende de eerste helft van de twintigste eeuw. Het werd verschillende malen gemoderniseerd, zodat er een aantal verschillende uitvoeringen in gebruik werden genomen.


Bren; ook wel Brengun genoemd.

De bren is een Britse volautomatische lichte mitrailleur. Het vuurwapen werd van 1938 tot 1958 gebruikt door het Britse leger en andere legers. De bren onderscheidde zich van andere wapens doordat de patroonhouder boven op het wapen zat.


Sten; ook wel Stengun genoemd.

De sten is een pistoolmitrailleur. De sten was zo ontworpen dat voor de productie zo min mogelijk specialistische kennis nodig was. Bij de val van Duinkerken in 1940 had het Britse leger nagenoeg al haar wapens en voorraden moeten achterlaten. Er moest daarom snel een nieuw wapen komen dat voldoende kwaliteiten bezat. Ongeladen was het gewicht 3,18 kg. De lengte was 76 cm en er konden 32 patronen in het magazijn. Het ontwerp is tijdens de oorlog nog voortdurend verbeterd.

In 1958, na 10 jaar als geoefend vrijwillig soldaat, vond ik het welletjes. Het Korps Nationale Reserve bestaat nog steeds. Het wordt vooral ingezet voor bewakings- en beveiligingstaken en bij crisis- en rampenbestrijding, zoals bij de bestrijding van de watersnood in 1953, de MKZ-crisis, de vuurwerkramp in Enschede en in 2003, in de aanloop naar de Irak oorlog, verleende het Korps enkele maanden militaire bijstand aan het Amerikaanse leger, dat grote hoeveelheden materieel via de Rotterdamse haven naar het oorlogsgebied verscheepte.

* * *

HET KLEINE HUIS AAN HET PAD, 9

Margje Key-Hendriks

Kindervisite
In de zomervakantie gingen we altijd een dag naar elke tante. Alle neven en nichten kwamen daar dan tegelijk op visite. We gingen ’s morgens al vroeg weg. Ze woonden allemaal in het veld en wij moesten het verst van allemaal lopen. We gingen dan eerst bij gropmoe aan en dan zei ze tegen Henk: “Kon je de broek weer niet an kriegen?”, omdat ze vond dat we laat waren.
Tante Hilligje en oom Jan de Weerd woonden aan de Kringsloot in hetzelfde huis als onze grootouders. Ze hadden vier kinderen Jan, Peter, Aaltje en Trijn. Grofva was boer, maar in zijn hart was hij timmerman. Hij had een werkschuurtje achter het huis voor zijn timmerwerk en daar was hij heel vaak te vinden. We gingen daar wel eens kijken. Henk herinnert zich nog dat grofva een houten wiel aan het nakijken was en daarbij zei: “Ja, tegenwoordig kunnen ze dat zo niet meer”. Er waren in die tijd nog geen elektrische machines; alles werd met de hand gedaan.
Als grofva bezig was op het land en het was tijd voor het middageten, dan ging gropmoe achter het huis staan met beide handen om de mond en zo hard ze kon riep ze dan “Oeoeoe”. We moesten daar altijd om lachen. Grofva wilde elke dag bruine bonen eten. Hij at ze met aardappels en vlees of ook wel door de pap. Rauwkost zoals sla en dergelijke at hij nooit; dat werd vroeger ook niet veel gedaan. Wij aten altijd wel sla.
Toen we al jaren in Canada woonden vroeg onze Trijn een keer aan tante Trijn of ze ook sla lustte. “Nee”, zei ze, “daor kan ik gien sloek op kriegen”. Bij tante Hendrikje aten ze ook wel rauwkost, maar over oom Derk Jan zei ze “nee det ette niet”. Hij heeft het ook nooit geprobeerd: wat een boer niet kent, dat eet hij niet!
Bruine bonen werden veel gegeten en ze waren erg gezond. Moeder kookte ze ook geregeld. Dan deed ze er ook wat in een schaaltje en dan moest een van ons er de velletjes afhalen. Ze sopte ze in melk en voerde dat aan de baby. Ik denk dat we allemaal dat soort babyvoeding gehad hebben. Toen kwam het nog niet uit een potje!
Gropmoe had ook een mispelboom. De vruchten moesten eerst haast verrot zijn voor je ze kon eten. Ook stonden daar verschillende appelbomen. Eén ervan was een Bouwmanreinet. Dat waren hele grote appels met bruine stippen er op.

Oom Derk Jan Bruggeman en tante Hendrikje Knol woonden op een boerderij een eind aan de Veldweg achteruit. Ze hadden drie kinderen Peter, Wolter en Trijn. Als we naar hen op kindervisite moesten keken we altijd uit of er ook een “bolle”, een stier, in de wei liep, want daar bleven we dan wel bij uit de buurt.
Toen oom Derk Jan daar pas woonde, was er een stuk land met daarin een hoogte. Dat wilde hij niet langer zo hebben en toen het winter werd nam hij drie man aan om dat heuveltje weg te werken. Dat deden ze met de schop en de kruiwagen. Toen het februari werd was het werk nog niet klaar maar begon het geld van oom Derk Jan aardig op te raken. Het was toen nog zo dat als er geen geld was je ook niets kon laten doen of kopen. De werklui kregen te horen dat één van hen weg moest. Deze besloten toen dat ze voor minder geld zouden gaan werken, want geen van hen wilde zonder werk komen. Zo kwam het karwei toch klaar.

Ook gingen we een dag naar tante Trientie en oom Jan Willem Hogenkamp. Daar hadden ze vijf kinderen Margje, Peter, Derk, Thijs en Trijn. Op hun boerderij was geen grote deel maar een geute.


De “Groote Beer” waarmee de familie Hendriks naar Canada vertrok.

Als wij er waren gebeurde het middageten in de koeienstal omdat er te veel kinderen waren om in de keuken te eten. De koeien liepen in de wei en de stal was in het voorjaar schoongeboend. De koeien werden ook in de wei gemolken. Als het niet dicht bij huis was gingen ze er met de wagen naar toe of ook wel met een “melkfiets”. Dan moest de bus met melk ook op de fiets mee naar huis. ’s Zomers als het warm weer was zetten de boeren de bussen melk vaak in de sloot om koel te houden.

Het verste lopen was naar tante Aoltie. Ze was getrouwd met oom Lefert Lefers en had vijf kinderen, Hendrik Jan, Hennie, Trijn, Nella en Aaltje. Ze woonde ruim zes kilometer bij ons vandaan en om er te komen moesten we vanaf de Kringsloot over een paadje dat bij de boeren over hun erf liep. We moesten ook nog hekken open en dicht doen en oppassen voor de honden.
Tante Aoltie woonde erg achteraf. Toen ze daar begonnen te boeren was het nog allemaal heide. Ze moesten eerst het land ontginnen en dat was veel werk. Als we er waren was Hendrik Jan er nooit. Hij was al wat ouder en werkte bij een boer in de buurt. Als we bij tante Aoltie brood aten en een paar kruimels op het bord lieten liggen, zei oom Lefert: “Opeten, krummels is ook brood”.


Aankomst van de familie Hendriks in april 1955 bij de familie Jans in Canada. Vlnr: Achter: Dientje Jans, Hendrikje Hendriks-Bruggeman en Roelof Hendriks. Midden: Nellie en Roeli en voor: Trijn, Hendrika en Margje.

Bij tante Aoltie hadden ze ook rode bessen en kruisbessen. Daar mochten we wel van eten, net als we dat ook wel mochten bij tante Hilligje.

Reisjes
Na de oorlog organiseerden onze ouders eens een reisje voor ons naar de dierentuin in Emmen. We zouden er met z’n allen op de fiets naar toe. Het was een heel eind en we zouden de hele dag gaan. Vader leende de tandem van “Toeten”, dat was oom Aart. Zij hadden een tandem omdat tante Roelofje niet zo goed meer kon zien en daarom was dat de enige manier voor haar om te fietsen. Een andere tandem huurde vader van “Tukket”, de fietsenmaker. Hoe we het verder deden met de fietsen weet ik niet meer. We gingen ’s morgens al vroeg weg. Onderweg begon het te regenen en toen hebben we ergens in een kippenhok geschuild. In Emmen bleef het droog en we hadden een mooie dag. We mochten ook op een ezel rijden, maar die wilde slecht lopen. Roeli ging er achterstevoren op zitten en hield hem bij de staart.
Later zijn we nog eens met Eppe Ford (Nijland) in zijn vrachtwagen naar Emmen geweest. Hij had een paar banken langs de kant in de vrachtwagen gemaakt waar we op konden zitten. Henk Jan en Corrie van oom Aart mochten ook mee, nadat ze eerst al bij ons overnacht hadden. Misschien dat er nog anderen meegingen, maar dat kan ik me niet herinneren. Wel weet ik dat het een hobbelige rit was. Maar dat we door elkaar rammelden vonden we niet zo erg, we hadden een mooie dag.

Een keer per jaar huurde de school een bus van Boers en gingen alle kinderen, met enkele ouders als begeleider, een dag op schoolreis. De avond voor de grote dag konden we niet slapen van de opwinding. Op schoolreis gingen we meestal ergens naar een dierentuin, zoals in Arnhem of naar Artis in Amsterdam. Onderweg stopten we natuurlijk een poosje bij een speeltuin. Ook gingen we een keer naar Schiphol om de vliegtuigen te bekijken. Er werd een foto van de hele groep gemaakt, vlak bij een vliegtuig. Ook zijn we een keer naar Amsterdam en het winkelcentrum de Bijenkorf geweest, maar ik geloof dat we daar niet veel aan vonden. Een andere keer gingen we naar Rhenen, naar de begraafplaats van de Canadese soldaten.

Burenplichten
Als vroeger een gezin nieuw in een buurt kwam wonen, was het de gewoonte om aan vier van de dichtstbijzijnde buren te vragen of ze hen wilden aannemen als buren. Toen onze ouders aan het Pad kwamen wonen, gingen ze ook naar Prins om dat te vragen. Maar Prins zei dat ze dat niet wilden. Ik denk dat we niet “goed genoeg” voor hen waren. Ze keken ook neer op buurman Klaos.
Onze “officiële” buren werden Reuvers, Klaos, Ruinemans en Schaapman.
Niemand had toen nog telefoon en als er een bericht was dat iedereen in de buurt moest weten, dan was daar maar een manier voor om dat door te geven. Wij kregen zo’n bericht door van Klaos en moesten het daarna aan Prins verder vertellen.
Toen er bij Reuvers iemand overleden was moest moeder naar Prins om dat te zeggen. Vader was toen naar het werk. Moeder ging er onder melkenstijd naar toe. Ze ging achter naar de stal waar Gait en Gaitdine waren. Toen ze moeder zagen aankomen grepen ze, ieder aan een kant, een melkbus en liepen weg. Moeder vertelde snel wat ze zeggen moest en toen ze merkten dat moeder een boodschap had, zetten ze de melkbus neer en veranderden hun houding een beetje.
Vader en moeder moesten bij Reuvers ook helpen toen daar iemand was overleden. De buren moesten de overledene kleden in pyjama en in de kist leggen. Het was de gewoonte om van elk raam één venster (luik) ernaast op de grond te zetten en het andere venster dicht te doen. Voor het raam kwamen witte lakens te hangen.


In dit huis in Canada ging de familie Hendriks in september 1955 wonen.

Omdat er op een begrafenis vaak veel mensen kwamen, zorgden de buren dat hun tafels en stoelen in het sterfhuis kwamen. De begrafenissen gebeurden vanuit huis.
Toen de oude Schaapman, in de derde boerderij aan onze linkerkant, was overleden, brachten vader en moeder er een tafel en stoelen naar toe. Ze hielpen ook met koffie schenken. Hoewel ik in Nieuwleusen nooit naar een begrafenis ben geweest, heb ik wel gehoord dat het er heel somber aan toe ging. Er werd ook niet gepraat en het condoleren gebeurde fluisterend.
Lachen mocht natuurlijk helemaal niet, dat was oneerbiedig.
De kist met de overledene werd op een boerenwagen naar het kerkhof gebracht. De mensen liepen achter de wagen aan. Toen gropmoe begraven is ging dat ook zo, maar toen later grofva overleden was maakte men gebruik van auto’s.
Diezelfde mensen die zo somber waren op begrafenissen konden heel anders zijn op een feestje. Dan konden ze ook wel plezier maken. Grofva was een heel serieuze man, maar als hij naar een feest ging was hij altijd een van de laatsten die naar huis gingen. Als hij zelf visite had moest die altijd wel twee borrels drinken.
Toen er bij tante Aoltie iemand ging trouwen hielden ze de bruiloft op de deel. Henk en Trijn mochten er naar toe, maar ik was nog te klein. Op die bruiloft hebben ze veel plezier gehad. Men maakte er toen ook meer van dan later, zoals een gedicht of toneelstukje en men zong veel. Later werden dit soort feesten in Nieuwleusen meestal in zaal Schoemaker in de Kerkenhoek gehouden.

Vroeger hadden mensen andere manieren dan nu. Ze hadden diepe kommetjes zonder oortjes om koffie uit te drinken. Die gingen al gauw uit de mode toen wij nog kinderen waren, maar ik kan me toch herinneren dat ze daar uit dronken. Thee dronk men wel uit kopjes met schoteltjes. Als de thee heet was goten de mensen een beetje in het diepe schoteltje en met beide handen dronken ze van het schoteltje. De schoteltjes waren vaak ook dieper dan nu.

* * *

WIE WEET WAAR

Tijdens een vakantie in Griekenland kwam de familie Roze in gesprek met een Nederlandse vrouw die vertelde dat ze als kind in Nieuwleusen had gewoond. Haar vader was er onderwijzer geweest en ze woonden in Huize Maria, tegenover een slijterij.

Inmiddels weten we dat haar vader, meester J. Ph. Ilmer, onderwijzer was aan de O.L.school D aan de Meele. Op deze school was het aantal leerlingen te weinig geworden voor drie leerkrachten en omdat er “voorlopig geen kans op toename van leerlingen bestaat, stellen B. en W. de raad voor met ingang van 1 januari 1941 J.Ph. Ilmer eervol ontslag te verlenen. De heer Ilmer komt dan op wachtgeld en blijft voorlopig als volontair aan de school werkzaam.“

Meester Ilmer (foto) is een tiental jaren aan de school werkzaam geweest. Op de laatste schoolmiddag werd hij in zeer waarderende woorden toegesproken door het hoofd der school, meester W. van Rooselaar. Ter herinnering aan zijn werkzaamheden ontving hij van de collega’s een leren portefeuille. De leerlingen vereerden hun meester met een mooie staande schemerlamp. Meester Ilmer bleef voorlopig in Den Hulst wonen.

In december 1940 was hij nog een van de mensen die zich bereid verklaarden, toen het voor het Volksonderwijs onmogelijk was geworden de uitlening van haar bibliotheekboeken in de O.L.scholen te doen, die winter “te hunnen huize deze uitreiking te doen plaatsvinden.” Meester Ilmer deed dat in Den Hulst, meester Meyer op De Rollecate, meester Katerberg in Ruitenveen en H. Ennik aan De Lichtmis.
Deze info hebben we gevonden in de Prov. Ov. en Zwolsche Courant.
In de Zeeuwse Courant lazen we dat J. Ph. Ilmer uit Sint Annaland op 14 juli 1927 in Zierikzee is geslaagd voor het Kweekschoolexamen. Hij is dus al vrij snel helemaal van Zeeland naar Nieuwleusen gekomen; in de crisistijd geen ongewone zaak. Onderwijzers solliciteerden door het hele land om ergens een benoeming te krijgen.

En nu onze vraag, waarop we zelf geen antwoord hebben gevonden.
Wie weet waar Huize Maria stond? Reacties kunnen gemaild worden naar: redactie@palthehof.nl.
Op onze vraag in het vorige nummer van ons kwartaalblad waar Huize Maria had gestaan hebben we een aantal reacties ontvangen. Het huis, dat inmiddels is afgebroken, stond aan de Burg. Backxlaan op de huidige parkeerplaats van de supermarkt. Makelaar Boertjes had er een kantoor in gevestigd. In het huis, dat inderdaad tegenover de slijterij stond, woonde na meester Ilmer nog korte tijd juffrouw Raadsveld. Daarna woonden er Klompjan en diens schoonzoon Ten Kate, die er een sloperij exploiteerden. Vervolgens werd in het pand een bromfietszaak gevestigd door Rijkeboer om tenslotte aan Boertjes als laatste een onderkomen te bieden.
De naam Maria was in de topgevel van het huis aangebracht. Deze is later verdwenen, maar op onderstaande foto is nog te zien waar die gezeten moet hebben. Midden boven de beide verdiepingsramen en onder het nokraampje is een lichtere kleur van de stenen zichtbaar.


Huize Maria nadat er een winkelruimte was aangebouwd. De foto is van omstreeks 1975 toen Rijkeboer er zijn bromfietszaak had.

* * *

ZOEKPLAATJES

Er zijn in de afgelopen periode twee zoekplaatjes opgelost. Foto 24 op bladzijde 32 in het maartnummer werd aan de naast het huis staande slijpsteen en de waterton herkend. De foto is gemaakt op het erf van de familie Huzen aan het Oosterveen 71.
Er was wel wat twijfel omdat in het huis aan beide kanten van de deur een raam moest zitten dat op de foto niet zichtbaar was door de laaghangende ijspegels. Een vergroting van de foto leerde dat contouren van de ramen onder de ijspegels zichtbaar zijn.
Foto 29 op bladzijde 64 in het juninummer werd (o.a.) herkend door de maker van de foto. Hij kiekte zijn familieleden bij de schuur in de Vinkenbuurt in 1948. De namen zijn vlnr: Wolter Knol (geb. Staphorst 17-04-1875, overl. Ommen 12-01-1958), Janna Knol-Katoele (geb. Nieuwleusen 14-11-1868, overl. Ommerschans 30-09-1949) en Geertje Knol (geb. Rouveen 09-11-1874, overl. Ommerschans 29-04-1949). Ze werden alle drie naast elkaar in Nieuwleusen begraven.

* * *

Foto achterpagina

Gemeentebode Arend van Spijker met op de arm Evertien Klaasje Kok (Karin, dochter van Gerrit Kok en Hilly Kok-Runhart) bij de huwelijksvoltrekking van Evert Runhart en Aaltje Lefers in 1971.






Jaargang 30 nummer 4 december 2013


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina

USV-ers op de tribune van hun voetbalclub.

* * *

PROMOTIE IN EEN BIJZONDERE VERPAKKING

Op paasmaandag 16 april 1990 zou het gebeuren: USV zou de wedstrijd tegen RKO winnen en daarmee promoveren naar de vierde klasse. Winst op RKO, nummer laatst, was immers een formaliteit. Het liep echter anders. Nadat Paul Scholten het eerste USV-doelpunt had gemaakt, kwam de stand gelijk en daarna op verlies. Bert van Lente wist de eindstand nog op 2-2 te brengen. Maar daarmee kon het geplande feest, waarvoor alles al was geregeld, niet doorgaan. Een week later kon USV alsnog promoveren na een 1-0 zege tegen ASVD, waarmee het tweede werd achter kampioen SC Hanze.
Over deze promotie is nog lang gesproken. In het clubblad van USV van april 1990 verscheen er een artikel over, dat we hieronder overnemen. De auteur is onbekend. Dennis Wildvank was op paasmaandag pupil van de week. Hij schreef ook een verhaaltje voor het clubblad.

USV terug in de 4e klasse
USV terug in de 4e klasse van de KNVB, de plaats waar het thuishoort. Op zondag 22 april 1990 kwam dit feit tot stand, na een 1-0 zege op het bezoekende ASVD uit Dronten. Volop feest en rumoer in blauw-witte kringen, vooral bij spelers, trainer, leider, verzorger en de honderden supporters. Eigenlijk een feest in etappes, want het feest van een week daarvoor kende een katerige rand, omdat werkelijk niemand de niet toereikende 2-2 eindstand had verwacht. De voetbalsport blijft gelukkig haar kenmerken van grilligheid en onberekenbaarheid niet verliezen, want nogmaals werd aangetoond hoe gedurfd het is om festiviteiten in voorbereiding te nemen als de beer nog niet is geschoten. Het was de ploeg van RKO uit Rutten, die op 2e paasdag de show maakte en vele USV-ers door een ellendige barrière trok, waardoor dit zoetzure feest toch nog gevierd kon worden en verwerkt. Om dit laatste ging het vooral; in menig huiskamer moesten brokken worden weggeslikt, want eigenlijk had dit allemaal niet kunnen plaatsvinden. Hoe was het mogelijk, dat het inmiddels gedegradeerde RKO kans had gezien de "onzen" zomaar van promotie af te houden? Diep weg bestond echter de zekerheid dat de met veel zorg opgemaakte salades weliswaar te vroeg waren opgepeuzeld, maar dat het z'n bedoeling niet zou missen. Immers met nog twee wedstrijden voor de boeg, ontbeerde USV slechts één winstpuntje.

Met veel zorg werd daarom de volgende thuiswedstrijd tegen ASVD tegemoet gezien, ondanks het feit dat tussendoor Oldemarkt in de 3e bekerronde van tafel was geveegd (6-1). De jongens uit Dronten hadden ons het vorig jaar immers ook de das omgedaan, nietwaar?
Nu pakte dat anders uit. In een goed gespeelde wedstrijd, met een kanjer van een doelpunt van Arne Meesters werd het pleit beslecht en veroverde USV geheel op eigen kracht de fel begeerde promotie. Proficiat spelers, proficiat Wiebe, Henk en Wim, proficiat supporters. Het nu zorgvuldig ingepakte feest en de verstopte bloemen kwamen uit holen en gaten tevoorschijn en voor de tweede achtereenvolgende


Bedrukte gezichten na afloop van de wedstrijd op paasmaandag. Vlnr: Achter: Jan van der Kolk, Wiebe de Boer, Willem ten Brinke, Bert van Lente, Bert Ruinemans, Peter Meijerink, Hilco Kouwen, Johan Bijker, Bennie Schuurman, Hendrik Ruinemans en Jan Kok. Voor: Dennis Wildvank (pupil van de week), Hans Koning, Gerjan Kok, Paul Scholten, Cor Kremer, Fred Bouwknegt, Arne Meesters en Koop Krul.

week stond het USV-clubgebouw op z'n kop. De besturen van USV en supportersvereniging gaven enkele uren geheel vrij drinken weg en dat alles kreeg nog een extra opwaardering door het deze dag behaalde kampioenschap van het 6e elftal (een knappe prestatie, intussen).
Binnen een week werden alle rechtgeaarde USV-ers heen en weer geslingerd van het ene uiterste naar het andere uiterste en dat was op z'n minst vreemd, maar ook bijzonder. Zeker heeft USV in haar jubileumjaar geschiedenis geschreven; over deze gebeurtenissen zal nog jarenlang nagepraat worden. Wat kan de voetbalsport mooi, maar tevens te gek zijn, maar daarom heeft het juist aantrekkingskracht op velen en gelukkig maar.

Pupil van de week (Dennis Wildvank)

Paasmaandag 16 april was ik aan de beurt om pupil van de week te zijn. Ik vond het best een beetje spannend, maar gelukkig werd het gauw één uur en kwam John me halen en gingen we naar de kleedkamer, waar alle spelers al zaten. Iedereen was wel een beetje zenuwachtig voor deze belangrijke wedstrijd. Daarna gingen we naar buiten om foto's te maken en om een beetje te trainen en warm te lopen. Toen weer richting kleedkamer voor de bespreking. De trainer zei dat de jongens goed moesten voetballen en hun best doen en vooral scoren. De wedstrijd begon en ik mocht de munt gooien welke kant USV ging spelen. Ik ging in de dug-out zitten met de leider en de verzorger. Het werd een spannende wedstrijd. Met rust was het 1-0. Maar onze jongens konden het niet winnen en met het einde was het 2-2 gelijk.
Na de wedstrijd kreeg ik nog patat en appelsap en was het al een feest in de kantine met de boerendisco. Tegen vijven werd ik wel een beetje moe en wilde graag naar huis. Ik vond het leuk om een keertje pupil van de week te zijn, dus iedereen hartstikke bedankt!!!


Voorlopig is er nog weinig tijd beschikbaar geweest om wat verder vooruit te kijken, daar zijn wij nog niet aan toe. Wel weten wij enkele zaken van dit moment. De jammerlijke blessure van André Hoogeveen, de volgende bekerronde tegen Balkbrug (uit) en inmiddels achter de rug, de geplande bekerfinaledag op ons sportpark, de aanstormende wereldkampioenschappen, de bekende grote toernooien Horeca en Combi, allemaal zaken, die wijzen in de richting van een afsluitend seizoen. Reeds nu moet de organisatie voor het volgend jaar onder ogen worden gezien.
Vaststaat echter dat USV met haar hoofdmacht terug is in de KNVB. Dan wordt er iets anders van ons verlangd, een andere benadering van zaken en een andere omgeving. Nieuwe tegenstanders, kortom een nieuwe uitdaging, maar daarom ging het allemaal.
Wij als USV-ers mogen tenslotte met tevredenheid terugzien op een mooi seizoen, weliswaar ging de kampioenstitel naar SC Hanze, maar de geboden mogelijkheid om via de tweede plaats rechtstreeks te promoveren, werd in een spannende finale ruimschoots benut. Een prima erkenning voor allen die daaraan, op welke wijze dan ook, een bijdrage hebben geleverd. USV was er aan toe weer eens op een sportief succes te kunnen bogen, daarmee kunnen en willen wij verder.
Het was dwaas, te gek, zoetzuur met een randje, uitbundig in het kwadraat, maar hoe dan ook, het doel is bereikt.


Voetbalvereniging VIOS (Vooruitgang Is Ons Streven) was de voorloper van USV. Vlnr: Achter: scheidsrechter Popma, bestuursleden Kooi en Smit, Janse, De Vries, Boesenkool, Berend Zandbergen, Elsinga, Cees Stolte en bestuurslid Van der Hulst. Voor: Gerard Südholter, Boling, Jo Meijer, Veneman en Andries Mijnheer. Foto omstreeks 1930.

* * *

MENSEN AAN HET WOORD, 3

Interview Gé Evertsen-Boer

In deze serie ditmaal een interview met Trijntje van Berkum-Booi. De door haar geschreven gedichtenbundel “’t Eerste baksel”, dat in 2001 uit kwam, is een boekje in Gaellemuniger dialect. Het werd in dat jaar in Nieuwleusen gedrukt en dat riep nogal eens vragen op. Hoe kan het dat gedichten in het dialect van Genemuiden in Nieuwleusen zijn uitgegeven? Dit interview geeft daarop een antwoord.

Trijntje Booi kwam op 17 januari 1931 ter wereld in Genemuiden. Ze werd geboren uit het tweede huwelijk van haar moeder Klaasje Pierik. Die was op 6 april 1916 getrouwd met Harm Post, die al na drieëneenhalf jaar huwelijk op 27 jarige leeftijd overleed. Nog in het eerste huwelijksjaar werd een zoontje geboren, dat maar bijna twee jaar oud mocht worden. In juli 1918 werd weer een zoontje geboren: Hendrik.

Trijntje Booi en haar halfbroer Hendrik Post omstreeks 1934.

Na het overlijden van haar man ging Klaasje met haar anderhalf jaar oude zoontje weer bij haar ouders wonen. Na zeven jaar weduwe te zijn geweest, trouwde ze op 19 augustus 1926 met Albert Booi, die bakker in Genemuiden was.
Albert Booi kwam uit een familie van turfschippers. Zijn ouders waren ook schipper en Albert is ook op een schip geboren in een groot gezin.
Omdat er niet voor iedereen plaats was, werd Albert ondergebracht bij zijn grootvader die bakker in Genemuiden was. Zodoende werd Albert ook bakker.
Uit het huwelijk van Albert Booi en Klaasje Pierik werd in januari 1930 een levenloos meisje geboren. Een jaar later werd er weer een meisje geboren, die de naam Trijntje kreeg, naar haar grootmoeder. Halfbroer Hendrik, toen twaalf jaar oud, was dolgelukkig met zijn kleine zusje.

Bakker
Als het bakken gedaan was, ging vader Booi op pad om het brood, de koek en de beschuit uit te venten. Later, toen die ouder was, kreeg hij hulp van (stief)zoon Hendrik. Ze gingen dan elk een kant op, zowel in het dorp als in de buitengebieden.
Moeder Booi runde de bakkerswinkel en was daar altijd druk mee. In 1940 was zoon Hendrik in dienst en moest strijden tegen de vijand. Dat bracht een geweldige spanning met zich mee. Moeder had niet veel op met de Duitsers en zo kon het gebeuren dat een Duitser in de winkel kwam die heerlijke kadetjes wilde kopen. Maar dat wilde ze niet en ze zei dat de kadetjes besteld waren. Ook ander brood kon de Duitser niet van haar kopen.
Omdat moeder alle tijd nodig had voor de winkel, liep Trijntje na schooltijd wel eens verloren op straat. Ze doorliep acht klassen van de lagere school, al was in het laatste schooljaar de school vaak dicht vanwege de oorlogsomstandigheden. Ze was veertien jaar toen ze van school ging en thuis kwam helpen, zowel in de huishouding als in de winkel.
In 1950 stapten Albert en Klaasje Booi uit de zaak. Zoon Hendrik nam de bakkerij over, hij was toen inmiddels vijf jaar getrouwd. Albert bleef nog wel gewoon in de zaak werken. Trijntje ging met haar ouders in een nieuwe woning wonen en ze namen grootmoeder Trijntje Pierik bij zich in huis. Zij kon, nadat ze ernstig ziek was geweest, niet meer zelfstandig wonen. Ze overleed twee jaar later op 93-jarige leeftijd.

Verloren
Als Trijntje na school weer eens verloren op straat liep, zocht ze vaak haar grootmoeder Trijntje Pierik op en bleef daar dan een tijdje. In de jaren 1945 tot 1950 verbleef Trijntje zelfs dag en nacht bij grootmoeder omdat die toen helemaal doof was.
Als klein kind hield Trijntje al van schrijven. Grootmoeder las de Stadskoerier en omdat Trijntje vaak bij haar was, keek zij daar ook in. Niet dat ze dat zo interessant vond, maar er stonden altijd wel woorden in dialect in de krant. Het begon haar aan te spreken op hoeveel verschillende manieren je een en hetzelfde woord kon schrijven en zeggen. In elke plaats en ook vaak binnen een dorp was er verschil in het dialect en dat intrigeerde haar. Grootmoeder vertelde veel, heel veel en vaak over vroeger. Trijntje schreef veel van die verhaaltjes in korte zinnetjes op. Later, zo begin jaren tachtig, las haar broer die aantekeningen en die stimuleerde haar om die zinnen uit te werken tot echte verhalen. Daaruit is het boek “Pierik’s Erve” ontstaan. Dat werd door haar in 1994 in Nieuwleusen uitgegeven.

Nieuwleusen
Vriendinnen van Trijntje Booi zongen bij een zangvereniging in Genemuiden. Soms deed men mee aan een zangconcours, zoals die keer in Hasselt. Daar ontmoetten een aantal jongens van elders en meisjes van de zangvereniging elkaar. Trijntje was daar niet bij aanwezig. De jongens beloofden na een week naar Genemuiden te komen. Dat gebeurde op 26 augustus 1953. Toen ontmoetten Trijntje Booi en Marten van Berkum (geboren op 2 mei 1934) elkaar en ze vonden elkaar best wel aardig. Dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven. Marten woonde in Herfte en werkte bij loodgieter Lammers in Zwolle. Na zijn diensttijd kwam hij in dienst bij de IJsselcentrale en in 1958 vond hij werk in Nieuwleusen.
Nadat ze zes jaar verkering hadden gehad trouwden Marten van Berkum en Trijntje Booi in augustus 1959 en gingen ze aan het Zandspeur wonen.

Marten van Berkum en Trijntje van Berkum-Booi.

Uit het huwelijk werden drie kinderen geboren, een meisje en twee jongens. Inmiddels hebben ze acht kleinkinderen en drie achterkleinkinderen. Ze zijn Nieuwleusen altijd trouw gebleven en wonen er met z’n beiden nog steeds.

Schrijven
Omstreeks 1986 is Trijntje begonnen met verhalen schrijven over dagelijkse beslommeringen. Een nicht van Trijntje, Riek van der Wulp uit Heerde en ook afkomstig uit Genemuiden, vroeg haar na het lezen van enkele verhalen of ze geen lid wilde worden van de Gaellemuniger Taelkrink. Omdat Trijntje daar ook vandaan kwam, leek haar dat een aardig idee en toen is ze daar lid van geworden. De tien deelnemers stimuleerden elkaar bij het schrijven, gaven commentaar en suggesties voor verbeteringen. Dat kwam de kwaliteit van de verhalen ten goede. Regelmatig publiceerden ze hun werk. Trijntje schreef onder de schuilnaam ”’t Schrievertien” ook voor de Stadskoerier, de weekkrant van Genemuiden, bijvoorbeeld het verhaal ”Klein koeriertien”. Dat ging over haar ervaringen tijdens de Tweede Wereldoorlog. Toen moest ze als veertienjarig meisje het clandestiene blaadje dat haar ouders steeds van de dominee kregen, wegbrengen naar de schilder. Normaal zat het blaadje in de mantelzak, maar toen er een razzia gaande was en het blaadje toch het huis uit moest, was dat veel te gevaarlijk. Gelukkig had ze schoenen “op de groei”. De zooltjes en watten om ze passend te maken werden eruit gehaald en het illegale krantje kwam er voor in de plaats. Onderweg werd een meisje door twee dronken Duitsers op een bakfiets klemgereden tegen een schuurdeur. Het meisje gilde van angst en Trijntje raakte in verwarring. Wat moest ze doen? Helpen, met het risico opgepakt te worden, in bezit van het clandestiene blaadje of …? Gelukkig kwamen er mensen uit het huis op het geschreeuw af en kon ze doorlopen. Ook schreef ze voor de Stadskoerier gedichten bij foto’s van verdwenen stadsgezichten.
Lange tijd ging Trijntje een keer per maand naar de IJsselacademie in Kampen, waar schrijvers uit verschillende plaatsen werden gestimuleerd in hun dialect te schrijven. Zo kregen ze bijvoorbeeld opdrachten om teksten uit het Nederlands in hun eigen dialect te vertalen, of moesten ze bij een opgegeven titel een verhaal of gedicht schrijven. Bij de opdracht “oud” zag ze in herinnering haar grootmoeder weer voor zich en maakte daarover een gedicht. Dat werd later opgenomen in “Pierik’s erve”, het boek dat vertelt over de familie van haar moeder en in grote aantallen is gekocht, ook door de familieleden die in Canada wonen en anderen die zijn uitgezworven over de hele wereld. Ook de gedichtenbundel “'t Eerste baksel” is een succes gebleken.
Met het schrijven leg je iets van jezelf in de verhalen en gedichten. Als je ergens naar toe bent geweest wat je emotioneel raakt en daar later over schrijft, dan kun je in de gedichten je gevoelens goed kwijt, is Trijntje’s ervaring.
Op de vraag waarom ze niet in het Ni'jlusigers schrijft zegt ze dat er te veel uitdrukkingen in zitten die ze niet van nature zelf spreekt en dan is het moeilijk om dat op papier te zetten, ook al omdat de klanken van de woorden vaak verschillen en het niet klopt met zoals het in haar hoofd opkomt.
Trijntje schreef vooral verhalende gedichten over het leven in de vorige eeuw, die het dagelijks leven van haar ouders en grootmoeder beschrijven en hoe die geleefd hebben, en ze combineert dat met de emoties die aan die herinneringen verbonden zijn.
Trijntje is inmiddels 82 jaar oud en schrijft nu nog alleen in het Nederlands. Daar kan ze meer mensen mee bereiken. Ook schrijft ze nu nog voornamelijk religieuze gedichten.

Tot slot nemen we hieronder een gedeeltelijk op waarheid berustend verhaal op dat ze omstreeks 1990 in Gaellemuniger dialect schreef.

NOG NET BI’JTIEDS!

‘t Was zoaterdagmiddug. In de kleine dörpskerke draefde Dina, de köstersvrouwe, bedrievig rond. Zie stund vandaege allienig veur et kerkewerk, want eur man, köster Jan, laag in et zieknuus in de stad. I’J was ofgeloopm weeke oppereerd an un breuke, mer maekte et gelukkig iel best. Umdat i’j zodoende uuteskaekeld was, mos zien vrouwe now werkn veur twieje en dat völ eur niet mee!
Zundaggemörn was d’r nog deupm óók, dat beteeknde nog un bietien extra meer werk an de winkel. En vanoamd, tussn zeum en achte, keek eur man ook weer uut noar eur komst. Dus gaw voortmaekn maer. Nog eem fris deupwaeter in et deupvoont gietn en de stoeln veur de deupoolders kloor zettn. Ziezo …… Dina keek de kerke rond en zaag de skiemerige al gruuin in de oekn. Maer zie kon trots ween op et resultaat want de boel laag d’r weer knap bi’j, al zee ze ’t zelf.
Gaw nog eem met un zachte wriefdoek over et al glaanznde beeldouwwerk van de oolde preekstoel met zien bloemerankn en dan kon ’t wel lukkn. Un blek op eur polsorlozie vertelde eur dat et al bi’j alf vieve was.
In de gerfkaemer (consistoriekamer) kamde ze veur et kleine spiegeltien eur oor op, dan dee ze de skulk in de tasse en noadat ze eur jasse anetrökkn ad, leup ze noa de buutndeure, greep de klinke en …… op slot!
Op slot? Oe kon dat now? Zie was toch deur disse deure binn’n ekoomm? Et zwiet brak eur uut. Doar stund ze now. Achter eur was de stille donkere kerke en veur eur de potdechte deure die ze tevergeefs probeerde um lös te kriengn.
Ook de aandere deurn gung ze bi’jlanges, maer de sleutels doorvan öngn bi’j eur tuus in et sleutelkaessien, alliennig de sleutel van de gerfkaemerdeure ad ze bi’j eur ad en die was an de buutnkaante in et slot bliemm zittn. Ad um d’r iene ummedraeid of was et slot achter eur dechte eklekt? Zeg et maer.
Opesleutn zat ze. Zie zol maer probeern umme contact te kriengn met veurbi’jgangers, bedachtte ze, deur op de veurste kerkdeurn te boonzn en iel erg erd te roepm. Maer et ölp eur allemoale neks, gieniene reageerde. Zelfs tekte ze met de lange raemstok op de ooge kerkeraemm, maer et leverde neks op.
Onder de bedriemm was et al ielemoale donker ewörn. Buutn waarn de stroatlanteerns al anegoan en dat bracht eur op et idee urn in de kerke ook alle laampm an te doen en zo skeen et lecht volop uut alle raemm. Maer de dörpelingn waarn eurnde doof en ziende bliend.
Mistroostig zakte ze neer op de achterste baangke en keek ies weer op eur orlozie. De tied gung voort en as ze niet op skeut dan zol eur man tommee tevergeefs uutkiekn noar zien vrouwe.
En wéér leup ze noar et veurpetoal um et nóg un keer te probeern met kloppm en roepm. En toe iniens völ eur ooge op et kleine deurtien dat toegaangk gaf noar de toorn. Met un paer grote stappm stund ze in de ruumte onder de toorn en toe ze door óók et lecht an edoan ad, zaag ze eur reddege zittn in de vörm van un grote skakelaar. "Aak doorop drukke, dan kump d’r wel volk urn mi’j deruut te loatn". Eem skruukelde ze nog maer dan gung eur aand as vanzelf noar de knoppe en zie drukte erd.
Ooge boom eur eufd kwaamm de klokkn in bewegege en begossn bimbamklaankn uut te streuin over de donkere daekn van et stille dörp. Maer lange stille bleef et niet. Verskrekt kwaamrn de meisn noar buutn toe. Was d’r erns braand? Of wat gebeurde d’r toch? Woorumme luddn de toornklokkn op zo’n ongewone tied? D’r was vaste wat biezunders gebeurd.
Et iele dörp kwam in rep en roer, overal stunn’n gruuppies meinsn te proatn en keekn met wat bange gezechtn rond. En d’iene zee dit en de aander zee dat, maer gieniene wus oe of de vörke in de steel zat. De domeneer, in de pasterie noast de kerke, zat an zien beró met zien preeke veur um toe de klokkn begossn te luddn. Verbiesterd beurde ie zien eufd op en luusterde ……wat raer! Woorumme gungn die klokkn zo tekeer op zoaterdagoamd? Door mos ie op of.
I’J trök un jasse an en leup deur de grote tuun en op de kerke toe. Et laampelecht stroalde uut alle kerkeraemm maer alle deurn zaatn stief op slot; de grote veurdeure, maer ook de twiej zieddeurn. Boom et grieze eufd van de verwonderde domeneer druundn de klokkn maer deur. An de achterkaante was de gerfkaemerdeure, miskien was dié lös. Maer nee eur, ook dié was op slot.
Toe skeut um te binn’n, dat ie in uus un sleutel van disse deure ad, die in de zak van zien zunnese jasse zat. Zo gung dan eindelijk veur Dina de deure lös. De domeneer drukte eingnandig de skakelaar uut en langzaam verstomdn de klokkn. Zie aan eur taak volbracht, allienig veur Dina aan ze disse keer eludt. In eur oolde jurk en zonder eetn in de boek, zat ze eem laeter in de busse, die eur gaw noar eur zieke man bracht.
Et grote roasel van de verdween’n sleutel ef gieniene ooit op kunn’n lössn. Allienig die smiesterd van un buurjonge wus ’t antwoord. I’J ad ‘s middus, uut spuulsigeid achter Dina eur rugge de sleutel umedraeid en in zien broekzak estopt. Laeter op de middug was ie druk an ‘t spuuln egoan met zien beide zussies en ad an gien sleutel meer edacht. Totdat de klokkn begossn te luddn. Toe was um de skrek um ‘t erte eslaengn en durfde ie zien doad niet ongedoan te maekn. Want zien buurvrouw Dina was niet veur de poes en as zien vaejer et gewaer zol wörn dan was de boot an. Toe et laeter in de oamd ielemoale donker en stille was ewörn leup ie de tuun in en begraefde de sleutel onder un struuke. En met un skief eugien keek ie op noa de donkere toornspitse die vermaenend noa boom wees.
Nooit is de sleutel weer veur de dag ekoomm want de buurjonge zweeg in alle taeln, i’j zol zien kwoajongensstreek gerust niet an de grote klokke angn.

* * *

HANDSCHRIFT MARGJE ENNIK

Aartje Schoemaker

Bij het opruimen van een kast vond mijn schoonvader een paar losse velletjes papier met kinderhandschrift. Hij gooide het gelukkig niet in de oud-papierdoos maar bracht het bij mij. Het zijn door Margje Ennik beschreven velletjes papier.

Margje Ennik is in Giethoorn geboren in 1866. Ze is een dochter van Jan Ennik en Geesje Bos. In 1874 verhuist het gezin naar Genemuiden waar haar vader veldwachter wordt. Later gaat het gezin aan De Lichtmis wonen, maar dan is Margje al overleden. Ze overlijdt in Genemuiden op 21 september 1878.



Margje beschrijft de velletjes papier in 1876. Ze is dan tien jaar en zou nu in groep 6 of net in groep 7 zitten. Wat heeft ze er haar best op gedaan. Hierbij een afdruk van een van de velletjes. De tekst is met kroontjespen en inkt geschreven. Het soort schrift wordt ‘staand’ schrift - schuin - genoemd, omdat elke letter goed afgewerkt moet worden. Al geldt dat nu voor ons ‘lopend’ schrift - licht rechtshellend - ook in verband met de leesbaarheid.
Toen ze in Giethoorn leerde schrijven deed de juf of meester het waarschijnlijk zelf heel fraai voor. Het is voor haar te hopen, dat ze in Genemuiden op dezelfde manier schreven of dat ze haar eigen handschrift mocht blijven voeren. Daar kom ik op door een eigen verhuiservaring op negenjarige leeftijd. Ik had rechtop leren schrijven en op de nieuwe school werd nog schuin en met kroontjespen geschreven. Die pen was het probleem niet, maar die vooroverhellende letters vond ik slordig staan en wilde die liever niet schrijven. Zelfs niet als het met groene of rode inkt mocht. Ter vergelijking een briefje met het handschrift van een tienjarig meisje in juli 2013. Esmé heeft aan het eind van groep 2 met Schrijfdans I gewerkt en vanaf groep 3 met Novoskript (licht rechtshellend). Ze werkt op blanco papier van hetzelfde formaat en heeft voor een balpen gekozen. De verschillen in uitvoering tussen de beide handschriften van een tienjarige zijn goed te zien.


* * *

DE WEGWIJZER

© Lenze L. Bouwers

(schoollied basisschool in Nieuwleusen)

Wie kan ons als een reisgids wijzen
de weg om samen op te reizen?
Waar vinden wij de wijzer staan
om vrij de toekomst in te gaan
op school bij rekenen en taal,
geschiedenis met tof verhaal?

Bij welke eindstreep wacht de zege,
een kruispunt biedt ons vele wegen;
het groene licht springt weer op rood,
de mensenwereld is zo groot;
weet jij de rechte koers misschien,
wie leert de ene hoofdweg zien?

Ik ben de Weg, laat bij mij komen,
de groten, kleuters met hun dromen,

zei Jezus, sprekend met zijn hart
omarmde Hij elk kind apart.
Hij opent de gesloten poort
voor wie de stem vol liefde hoort.

Wie kan ons als een reisgids wijzen
de weg om samen op te reizen?
Als kind van God voel ik een hand
die vasthoudt naar het nieuwe land:
de stad met Vader op de troon,
de poort geopend door de Zoon.

(melodie psalm 105)

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO

BA138

Tijdens een reisje van de Openbare Lagere School aan het Oosteinde omstreeks 1954 naar Ouwehand’s Dierenpark in Amersfoort Rhenen werd deze groepsfoto gemaakt.




1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
 
16  
17  

Klaas Klunder
Evert Jan Reuvers
Gerrit Groen
Jannes Kragt
Jan Willem Brinkman
Jan Klein
Jan Stegerman
Arend Jan Everts
Jan Reuvers
Gerrit Prins
Jan Tinus Katoele
Wolter Lefers
Gerrit Jan Huzen
Aalt Bruggeman
Hendrikje Huzen-Evertsen
meester Katerberg
meester Boon

18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  

Hennie Pot
Hennie Stegerman
Tan Dekker
To Ganzeboer
Annie van Oenen
Geertje Huzen
Annie Zandink
Hendrik Toersen
Jentje Katoele
juffrouw Wilmink
Hendrika Brasjen
Willemien Dunnewind
Diny van den Berg
Marrie Katoele
Alie de Weerd
Hennie Schoemaker
Aafke Pot
Leida de Weerd

36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  

meester Gossink
Liny Pruntel
Bertha Mijnheer
Fenny Pessink
Diny Schuurman
Mien Veerman
Koop Krul
Wim van Holten
Henk Katoele
Evert Jan Kappert
Derk Jan Evertsen
Arie Huzen
Albert Kragt
Henk Ganzeboer
Jo Doggen
Arie Blik
Jan Krikke
Albert v.d. Berg

* * *

KOEIEN MELKEN

Meppeler Courant van 16 sept. 1927

Waorumme, toen de zwartbonte koe d’ iene morgen de melk wegsleug, d’ andre morgen de rooie ’t net zoo dee.
(Historisch gebeurd op een dorp in onze omgeving.)

Jan was een fiksche jonge, zoodat boer Knelis hum mar wat graag in ’t wark had. Alle zomers kwam hi’j dan ook vaste zes weeken te heuien. Toen Jan wat older wordde en ook de magies zachies naor de hakken begunde te kieken, gebeurde ’t wel ies, dat hi’j ’s aovens niet te vrog op bedde kwam. D' aandre morgen was hi’j dan niet altied vlogge. Zoodat ’t wel ies gebeurde dat hi’j vaker as ienmaol eroepen mos worden. Iens op een keer was hi’j ’s aovens weer aordig late op bedde kommen. Hi’j had weer wat lange praot mit een buurmagien, waor hi’j wel wat aordigheid an schiende te hebben.


Anna Ganzeboer-Düntgens en Hendrik Ganzeboer omstreeks 1945 aan het melken.

D' aandere morgen onder ’t melken was Jan dan ook warkelijk wel een beetien sufferig. ’t Was sien beurte um die morgen de zwartbonte, die enkelties wel wat prikkelbaar was, te melken. Hi’j had um zoowat uut, toen deurdat hi’j misschien niet al te goed bi’j was, of ’t kan wezen wel wat knikkebolde, de zwartbonte iensklaps een slag tegen de melkummer gaf, zoodat Jan mit melk en alles onderste boven rolde. Hi’j kwam niet op zo’n mooie plaasse terechte. Now is hi’j in iens klaor wakker en mak as den drommel, dat hi’j overende komp. Ook Jansien, d' olste dochter van boer Knelis, die ’t zet, meent um ’t geval een beetien te mutten mopperen en vrag Jan of hi’j ’s aovens nog niet wat langer bi’j Triente wil blieven. Jan mompelt wat, doch zeg niks. Hi’j wil echter mar wat geern wraak nemen.

D’ heele dag zit hi’j hierover te prakkezeeren en een plan wordt emaakt. Hi’j zal wachten tot d’ andre morgen. As Jansien onder de rooie giet zitten, zorgt Jan dat hi’j naost heur komp. As hi’j zet, dat Jansien d' ummer zoowat vol melk hef, grep hi’j op zied, knep de rooie in sien vel, ’t biest schrikt, slot tegen d’ ummer, Jansien valt en ook zi’j is de melk kwiet en komt op een onaangename plaasse terechte. Jan, die van niks of schient te weten, vrag heur mit een onneuzel gezichte: "of bi’j gisteraovend misschien late op bedde komen?”
Jansien zeg niks, doch denkt bi’j zich zulf wel, niet zoo gauw weer argens wat van zeggen.

Mar uut bovenstaonde ku’j toch zien, hoe ’t meugeluk is, dat as de zwartbonte slat, ook de rooie dit kan doen.


Geertje Post (links) en Janna Timmerman tijdens een melkerscursus.

* * *

OUDER EN WIJZER

Albert Visser

‘t Was in de herfst van 1948. We hadden ‘s avonds een vergadering over het jeugdwerk van de Hervormde gemeente van Nieuwleusen. De vergadering werd gehouden in de consistorie, die ingebouwd was in de pastorie. De pastorie stond naast de kerk aan het Westeinde, waar nu de parkeerplaatsen zijn. De vergadering zou om half acht beginnen, maar de meeste genodigden waren er al eerder en toen gebeurde het …!
Ik had in Nieuwleusen nog nooit met iemand ergens enig ongenoegen over gehad, maar nu was het er plotseling. Het gesprek ging over de preek die dominee Verbeek-Wolthuys ‘s zondags had gehouden. Op zichzelf is het wel een goede zaak als er nog eens over de preek wordt nagepraat, maar deze keer liep het helemaal mis. Derk Kleen, ouderling van de gemeente, was het helemaal niet eens met die preek en hij stak zijn kritiek niet onder stoelen of banken – integendeel!! Nu was ik goed bevriend met de dominee en dat zal ook wel de reden zijn geweest dat ik goed nijdig begon te worden. En omdat niemand van de aanwezigen Derk Kleen in de rede viel, deed ik dat.
Hoogstwaarschijnlijk heb ik toen niet de juiste woordkeuze gebruikt, want Derk Kleen ontstak in woede en binnen de kortste keren hadden we de poppen aan het dansen. Het werd een nogal luidruchtige woordenwisseling en het werd nog erger toen dominee Verbeek-Wolthuys binnenkwam en in de gaten kreeg dat de woordenstrijd over zijn preek ging.

Hij deed meteen een flinke duit in ‘t zakje en de zaak dreigde uit de hand te lopen. Toen ging de deur van de pastorie, die toegang gaf tot de consistorie, open en dominee Ybema (foto) kwam binnen. Het werd even stil en dominee Ybema had kennelijk in zijn huiskamer al het een en ander vernomen, want hij maakte meteen een eind aan de woordenwisseling door te zeggen dat we later op een andere plaats maar verder moesten discussiëren. Derk Kleen was het daar wel mee eens, maar hij wilde toch het laatste woord hebben en beet mij toe: “Met oe proat ik nog wel ies. Wat denk ie wel!”
De vergadering begon onder leiding van dominee Ybema, maar ik weet van die vergadering niets meer. Ik had de gedachten er helemaal niet bij. Ik had veel liever nog een poosje verder willen bekvechten. De zaak was immers nog lang niet uitgepraat en dat zinde mij niet. Nadat de vergadering was gesloten, sprak ik meteen Derk Kleen aan en vroeg hem: “Waar en wanneer wou u mij spreken?” Hij keek mij even verbaasd aan en zei toen: “Zondagavond, bij mij an huus.”
Ik beloofde te zullen komen.
De zoon van meester Hoek van het Westeinde, Dirk Hoek, was ook op de vergadering aanwezig en had kennelijk een zwaar hoofd in de afloop van die ontmoeting. Hij bood aan met mij mee te gaan. Hij zou op het Westeinde onder een lantaarnpaal – de derde of vierde vanaf de Kerkenhoek – op mij wachten en dan zouden wij samen zuidwaarts een weggetje inslaan naar het huis van Derk Kleen. Dat huis zou ik alleen in het donker nooit gevonden hebben, maar Dirk Hoek wist precies de weg. Zo kwamen we bij Derk Kleen en zijn vrouw over de vloer.
In die tussentijd waren Derk Kleen en ik, ieder voor zich al tot de conclusie gekomen dat als je verschil van mening hebt, je dat ook best zonder verhitte woordenwisseling kunt uitspreken. Wij hebben daarom op die zondagavond ook niet veel woorden vuilgemaakt aan die kwestie en Dirk Hoek streek heel behendig de laatste plooien glad. Onder het genot van een kopje koffie, met iets lekkers waarop mevrouw Kleen ons trakteerde, sloten wij vrede. Zo liep alles gelukkig nog met een sisser af.
Vergeven en vergeten? Vergeven wel, maar vergeten was ik het niet toen ik meer dan 25 jaar later Derk Kleen weer meer dan eens heb ontmoet. Hij was toen pastoraal medewerker bij de buitengewone wijkgemeente De Rank te Staphorst en kwam veel bij mijn broer over de vloer, die daar op Beugelen woonde. Oude koeien heb ik niet weer uit de sloot gehaald. We waren immers in de tussenliggende 25 jaren ouder en wijzer geworden. Ouder en wijzer? Ouder wel, of ik ook wijzer was geworden weet ik niet. In ieder geval wist ik inmiddels dat je elkaar in een dorp vroeg of laat weer tegenkomt en dat een oude kwestie zich dan altijd even laat voelen.

* * *

VERHUUR VAN EEN BOERENERF

Gé Hengeveld-van Berkum

Tot de bezittingen van Jan Arend Palthe behoorde het huis met erf, bouw- en weiland dat tegenwoordig bekend is als Oosteinde 60. Door vererving kwam het in bezit van Gulia Palthe, die in 1911 een huurcontract sloot met timmerman Hendrik Jan Stolte, die op 2 mei 1912 trouwde met Evertje Witten. Tot die tijd was het perceel in huur bij Stroink.
Het huurcontract werd gesloten voor 6 jaar, ingaande 1 mei 1912. Zowel de verhuurster als de huurder hadden het recht de overeenkomst tussentijds te beëindigen op 30 april 1915, mits daarvan voor 1 november 1914 schriftelijk kennis zou worden gegeven. De jaarlijkse huurprijs werd bepaald op ƒ 85,--, telkens achteraf te voldoen op of voor 1 mei ten kantore van notaris Visscher in Nieuwleusen. Stolte mag het gehuurde niet van aard of bestemming veranderen. Bij vertrek mag hij de helft van het bouwland inzaaien, maar twee vijfde van de opbrengst zal dan voor verhuurster zijn. Gehele of gedeeltelijke onderhuur is niet toegestaan.


Foto van het huis uit het album van Gulia Palthe, ca 1915.

Niet inbegrepen in de huur is het op het gehuurde staande houtgewas, waarover de verhuurster naar goeddunken kan beschikken. Stolte moet gedogen dat in de maanden januari, februari of maart de houtgewassen worden gekapt of gehakt en ter plaatse worden verwerkt of verkocht. De vruchtbomen vallen niet onder de bepaling van het houtgewas en daarover kan hij dus volledig beschikken.
Wanneer juffrouw Palthe wil, dan kan ze ten allen tijde het verhuurde bezoeken om zich er van te overtuigen of Stolte zijn verplichtingen nakomt. Die is ook verplicht tot onderhoud aan de bestaande wegen en waterleidingen op het gehuurde, die steeds in “schouwbaren staat” moeten worden onderhouden. Wanneer dat niet gebeurt, zijn de bekeuringen en boetes voor de huurder.
Een bijzondere bepaling is de volgende: “Ingeval van reparatien aan de geleverde gebouwen is de huurder verplicht, ook indien die reparatien ten laste van verhuurster zijn, de arbeiders den kost te geven en hen zooveel mogelijk behulpzaam te zijn.”
Stolte moet altijd stipt aan zijn verplichtingen voldoen, anders kan Gulia Palthe de verhuur met onmiddellijke ingang beëindigen. Hij is al in gebreke door het enkel verloop van de bepaalde tijd of het enkele


De zuidelijke sloot langs het Oosteinde met rechts achter de bomen het huis dat Stolte huurde. Links, net buiten de foto, staat de school. Foto uit het album van Gulia Palthe, ca 1915.


Hendrik Jan Stolte en Evertje Stolte-Witten in 1955.

feit van de overtreding zonder dat er voor het een of ander enige “inverzuimstelling” nodig is. Verder moet hij alle voorzienbare zowel als onvoorzienbare “toevallen” voor zijn rekening nemen.

Tot aan haar overlijden verhuurde Gulia Palthe het huis met erf en grond aan Hendrik Jan Stolte. Daarna verkreeg hij het in eigendom. Het huis ziet er tegenwoordig iets anders uit maar het is nog goed te herkennen. Uit de voorgevel zijn de linker deur en het raam verwijderd. Hierachter had Stolte zijn timmerwerkplaats. Deze deur en raam zijn bij een latere verbouwing vervangen door een raam.

* * *

HET KLEINE HUIS AAN HET PAD, 10

Margje Key-Hendriks

Ziektes
Mijn zuster Trijn kreeg roodvonk toen ze nog heel jong was. Je kreeg dan “van hogerhand” een papier op de deur geprikt waarop “besmettelijke ziekte” stond. Dit was om iedereen te waarschuwen hier weg te blijven.
De eerste week was Trijn erg ziek en wilde ze haar eten niet opmaken.
Moeder at het dan maar op want weggooien, dat kon niet. Na een paar dagen had moeder ook roodvonk. Dokter Dekker mopperde en was er allerminst over te spreken. Henk en ik moesten toen naar gropmoe en grofva. We bleven daar zes weken. De eerste twee weken mocht Henk niet naar school voor het geval hij ook roodvonk zou hebben. Toen hij dat niet kreeg mocht hij weer naar school. Hij moest dan de hele Veldweg aflopen en dan nog een eind over de Diek. Tussen de middag moest hij op school blijven want het was te ver naar huis. Als de school uit was moest Henk de Veldweg weer teruglopen. Jan Massier kwam hem dan op zijn fiets achterna. Hij pestte en duwde Henk en zocht ruzie. Henk was bang voor hem en omdat hij dat wel in de gaten had, maakte dat het alleen maar erger. Na een tijdje dacht Henk er iets op gevonden te hebben en ging hij over de Dedemsweg achteruit en dan schuin door de weilanden naar de Kringsloot.
Vader kwam ons wel eens opzoeken bij gropmoe. Toen hij weer kwam nam hij Henk apart en vroeg hem of hij bang was voor Jan Massier. Hoe hij daar achter gekomen was weten we niet. Hij wilde dat beslist niet hebben en zei: “of ie slaot der op of ie kriegt van mi’j klappen as ie weer op de loop gaot veur Jan Massier.” Henk had weinig keus en moest de Veldweg weer over. De volgende dag kwam Jan Massier weer achter hem aan en begon hem weer te sarren. Henk dacht, dan moet het nu maar gebeuren, want vader heeft hardere handen dan Jan. Hij heeft hem geslagen en geschopt tot Jan de fiets pakte en er vandoor ging. “Zie zo, dat is winst en zo kan het dus ook”, dacht Henk en de angst was verdwenen. De dag erna trof hij Jan Massier toch weer. Henk dacht dat het weer vechten zou worden, maar nee, Jan had een mooie appel voor Henk meegebracht. Vanaf die tijd waren ze vrienden. Het was toen overal zo dat als je op een vreemde plaats kwam er eerst altijd wrijving was.

Iedereen wordt verkouden, de een erger en vaker dan de ander. Ik was ’s winters vaak verkouden. Het duurde altijd lang om die snotneus kwijt te raken.
We kregen allemaal de mazelen, de waterpokken en de bof. Toen ik 18 jaar was kreeg ik roodvonk. Roeli had vaak bronchites toen hij klein was. Moeder zei dat hij daarom een beetje verwend werd. Soms moest Trijn hem wassen. Daar moest hij niets van hebben en dan werd hij kwaad. Het was toen een driftig mannetje.
In en kort na de oorlog hadden we ’s winters vaak last van zweren. Henk had ook steenpuisten in de nek. Daar zat een harde “steen” in en als die dan rijp was, konden ze die er uitdrukken. De zweren kwamen zo maar op de armen, handen en benen en begonnen met een gele pukkel die als maar groter werd. We deden er vaak een schoon geraniumblad op en scheurden repen katoen van een oud laken en bonden die er omheen. Soms gingen we hondsdrafblaadjes zoeken onder de heg. Die waren ook goed om de ontsteking er uit te halen. Daarna was er nog een poosje een open wond. Het verband zat er soms zo vast aan dat we met de ontstoken handen of voeten in warm water moesten om het er af te weken. Als ik een keer viel en het vel was er af, ging dat altijd zweren.
In de oorlogsjaren kregen we niet het juiste eten en ook niet de vitaminen die we nodig hadden. Dat was dan ook de reden voor al die narigheid. Soms, als het heel erg was, gaf dokter Dekker ons er kleine pilletjes voor en dan gingen de zweren weg. Soms zaten mijn ogen ook vol “drek” (etter), zoals we dat noemden. Als ik dan ’s morgens uit bed kwam wilden de ogen niet open. Moeder waste ze uit en dan ging het beter.

Die zweren waren een narigheid, maar het ergste was schurft dat we in die jaren ook eens kregen. Men zei dat we het van de soldaten kregen en die liepen het in de koude natte loopgraven op. Het begon met uitslag en hele erge jeuk op de buik. Je kon het niet laten om te krabben. Het ging verder over het hele lichaam, behalve het gezicht. De dokter gaf ons er zalf voor en daar moest vader ons allemaal mee insmeren. Dat moest er 24 uur op blijven zitten en we moesten er ook mee naar school. Het stonk allergriezeligst. De volgende avond werden we gewassen en kregen we alles schoon aan. Dat was een hele opluchting: we waren genezen.
Die dag moest moeder dan alle beddengoed wassen en wat niet gewassen kon worden mocht zes weken lang niet gebruikt worden. Het was heel erg besmettelijk. Op school bleven we bij iedereen uit de buurt omdat we ons er voor schaamden. Moeder zal er best moeite mee gehad hebben om zoveel schone kleren en beddengoed en van alles voor iedereen te moeten hebben.
De meeste kinderen op school kregen wel een keer schurft. Meester Van Aarst vroeg eens wie er wel eens schurft had gehad. Er gingen heel wat armen omhoog, maar ik dacht bij mezelf: “daar heb je niets mee te maken” en ik vertikte het om de hand op te steken.

Egmond aan Zee
Na de oorlog ging de dokter bij de scholen langs en werden de kinderen onderzocht. Toen het mijn beurt was zei dokter Dekker tegen moeder: “ze blijft maar fijntjes.” Hij bedoelde dat ik bleek en mager bleef. Het zou me goed doen als ik zes weken naar zee ging. En zo kwam het dat moeder in het voorjaar van 1947 een koffertje voor me inpakte met daarin een extra stel kleren met mijn naam erin en dat ik naar Egmond aan Zee vertrok.



Er waren meer kinderen die daar naartoe gingen. We kregen een man mee als begeleider om ons daar naar toe te brengen. Eerst gingen we met de bus naar Zwolle en vandaar met de trein. We moesten een paar keer overstappen. Ik kon maar niet begrijpen hoe de man wist waar we op die grote stations naar toe moesten. Het was mijn eerste keer dat ik in een trein zat. Ik was negen jaar oud en herinner me dat we door steden kwamen waar gebouwen nog in puin lagen van de oorlog. Soms zagen we een kerk waarvan alleen de muren nog overeind stonden.
In de namiddag kwamen we aan in Egmond aan Zee. Het was een mooie zonnige dag. Het grote huis waar we naartoe gingen heette Zwartendijk. Het stond midden in de duinen, niet ver van het strand en het ouwe stadje en van de bloeiende tulpenvelden. Er waren alleen maar meisjes in ons huis. In de buurt waren nog twee huizen en daarvan was er één voor jongens.
Via de voordeur kwamen we in een ruime hal. Een dokter onderzocht ons. Daarna moesten we naar de douchekamer, waar we allemaal in de rij moesten staan wachten op onze beurt. Een zuster zeepte ons in en een andere zuster drukte ons onder de douche. Dat sneed je de adem af, het was ijskoud. Ik denk dat er geen warm water meer over was omdat we met zoveel kinderen in een keer onder de douche moesten, want de volgende keer was het water wel warm. Na de douche droogde weer een andere zuster ons af. Onze haren werden gekamd met een luizenkam.
We gingen in groepen van 16 tot 20 kinderen op een slaapzaal. De bedden stonden tegen de muur rondom in de zaal. In het midden was een rij wasbakken met kranen. Daar moesten we de tanden poetsen. Als we ’s morgens uit bed kwamen moesten we met ons washandje allemaal in de rij gaan staan bij de wasbakken. De zuster nam het washandje en maakte onze borst en rug nat met koud water. We moesten de armen omhoog doen en rond draaien en daarna droogde ze ons af. Het was niet bedoeld om ons te wassen maar het koude water gaf je meer weerstand en was gezond. Het wassen deden we zelf.
Vervolgens moesten we ons bed opmaken en dat moest heel netjes gebeuren. Als we klaar waren gingen we naar de eetzaal, of, als het nog te vroeg was, naar buiten om een beetje gymnastiek te doen. Altijd liepen we, overal waar we naartoe gingen, twee aan twee in een rij, met de leidster achteraan.
De eetzaal was groot genoeg voor alle kinderen. We zaten aan lange tafels, voor elke groep één. Al met al waren er tien of twaalf tafels. Het ontbijt bestond uit brood met een beker melk. Het waren bekers die in elkaar pasten. Op een keer zaten er vellen in mijn melk en ik had het niet opgedronken. Na het ontbijt moesten we altijd de lege bekers in elkaar zetten en doorgeven. Toen de juffrouw ontdekte dat er een beker niet leeg was, moesten ze allemaal terug en kreeg ik de beker met vellen weer voor me. Ik moest het opdrinken! Het ging met veel huilen en kokhalzen. Gelukkig was het een van de weinige keren dat er vellen in de melk zaten.
Om twaalf uur kregen we warm eten. Het vlees was altijd fijn gemaakt en daar had ik geen moeite mee. Maar de groente was vaak gekookte andijvie of bladgroente en daar had ik een hekel aan. Toch moesten de borden helemaal leeg! Na het middageten moesten we een uur naar bed. Ik sliep zelden en omdat ik me anders verveelde ging ik verhaaltjes fantaseren, want dan ging de tijd vlugger. Daarna gingen we weer naar de eetzaal en kregen we wat te drinken en een biscuit. Dan marcheerden we in de rij naar het strand. We gingen het pad af en kwamen langs de beide andere huizen en verder door de nauwe straten van Egmond aan Zee. Een eindje verder was het strand. We zongen vaak de hele weg.
Op het strand hadden we altijd plezier. We mochten niet in het water, ook niet met de voeten. In die zes weken dat we daar waren mochten we maar een keer met de voeten in het water. Ik meen me te herinneren dat we een apart stukje strand hadden, dat een eindje weg was van waar de toeristen in hun hoge rieten stoelen zaten.
Op een zaterdagavond zouden we na het eten een lange wandeling maken. We gingen met twee groepen. Eerst door het dorp en toen een heel eind over het strand vlak langs het water. Maar de vloed kwam op en ineens hadden we water aan beide kanten van ons. We hadden op een hoger stuk zand gelopen en niemand had er erg in dat het water stiekem om ons heen kroop. We moesten vlug een eindje terug om op het droge strand te komen. De leidsters wisten misschien wel hoe gevaarlijk het was, maar waren zelf ook nog maar ergens voor in de twintig. We zijn toen verder door de duinen gelopen en ik denk dat we verdwaald waren, want toen we na half elf eindelijk thuis kwamen was het al haast donker. Gewoonlijk lagen we om negen uur in bed. De leidsters zullen er wel een standje voor gekregen hebben.
We gingen bijna elke dag naar het strand. Alleen op de middag dat iedereen gekamd moest worden voor luizen gingen we naar het dal. Daar was een afdak waar het gebeurde en waar we in het gras konden spelen.
Als we aan het strand waren wanneer het net eb was, lagen er grote kwallen. Ons werd verteld dat we er niet met blote voeten op moesten trappen, want dat kon gaan jeuken. In tegenstelling tot thuis, waar ik altijd op klompen liep, liep ik hier elke dag op schoenen.
Moeder had een geblokt katoenen zakje voor me gemaakt om schelpen in te doen. Dat zakje ging vol schelpen en parelmoer mee naar huis.
Ik was eigenlijk wel graag in Egmond aan Zee en heb nooit heimwee naar huis gehad. Ik wist immers dat we na een tijdje weer naar huis gingen. Toen dat na zes weken het geval was, was ik zes pond aangekomen. De meeste kinderen gingen toen naar huis, maar enkelen moesten nog zes weken blijven. De man die ons gebracht had kwam ons ook weer halen.
In 1949 moest ik nog een keer zes weken naar Zwartendijk. Deze keer hadden ze eigenlijk Nellie gekozen, maar moeder vond dat ik het harder nodig had. Ze sprak erover met de dokter en die was het met haar eens. Hoewel ik er graag naar toe ging, miste ik toen wel weer een paar weken van school. Na die tijd was ik zo gewend om Hollands te praten dat ik het een beetje raar vond om weer op het dialect over te gaan. Dat duurde niet lang, want dat taaltje vergeet je toch eigenlijk nooit!

* * *

ZOEKPLAATJES

Er is weer een zoekplaatje opgelost. Mevrouw Van der Veen gaf via haar dochter Antje de meeste namen door van foto 28 op bladzijde 64 in het juninummer 2013. De moeders met kinderwagens bij het Groene Kruisgebouw zijn vlnr: Mien Veerman-Stoffer, Jentje Blik-Kragt, Jentje van der Veen-Schoemaker (met Antje in de kinderwagen) en Grietje Schoemaker-Feitsma (met Janneke in de kinderwagen).

* * *

WIE WEET WAAR, 2

Op onze vraag in het vorige nummer van ons kwartaalblad waar Huize Maria had gestaan hebben we een aantal reacties ontvangen. Het huis, dat inmiddels is afgebroken, stond aan de Burg. Backxlaan op de huidige parkeerplaats van de supermarkt. Makelaar Boertjes had er een kantoor in gevestigd. In het huis, dat inderdaad tegenover de slijterij stond, woonde na meester Ilmer nog korte tijd juffrouw Raadsveld. Daarna woonden er Klompjan en diens schoonzoon Ten Kate, die er een sloperij exploiteerden. Vervolgens werd in het pand een bromfietszaak gevestigd door Rijkeboer om tenslotte aan Boertjes als laatste een onderkomen te bieden.
De naam Maria was in de topgevel van het huis aangebracht. Deze is later verdwenen, maar op onderstaande foto is nog te zien waar die gezeten moet hebben. Midden boven de beide verdiepingsramen en onder het nokraampje is een lichtere kleur van de stenen zichtbaar.


Huize Maria nadat er een winkelruimte was aangebouwd. De foto is van omstreeks 1975 toen Rijkeboer er zijn bromfietszaak had.

* * *

INHOUD JAARGANG 31

1  
10  
15  
18  
24  
30  
33  
42  
47  
 
50  
53  
60  
63  
65  
75  
76  
79  
82  
89  
95  
96  
97  
101  
108  
110  
111  
114  
116  
118  
121  
126  
127  
128  

Mensen aan het woord, 1 (Ron Klijn)
Een stadsjongen op het platteland
Een oude groepsfoto (gemeentewerken 1978)
Het kleine huis aan het pad, 7
Fatale schoten
Zoekplaatjes
Nieuwleusen op weg naar een nieuw tijdperk
Schutte en zijn kerkje
Een oude groepsfoto (openbare kleuterschool Den Hulst ‘55/56)
Huishoudelijke richtlijnen
Het kleine huis aan het pad, 8
Even voorstellen (nieuwe bestuursleden)
Zoekplaatjes
Mensen aan het woord, 2 (Betty van Spijker)
Reacties
Naar de speeltuin
Een oude groepsfoto (OLS De Meele 1973)
Nationale reserve
Het kleine huis aan het pad, 9
Wie wat waar, 1
Zoekplaatjes
Promotie in een bijzondere verpakking
Mensen aan het woord, 3 (Trijntje van Berkum-Booi)
Handschrift Margje Ennik
De Wegwijzer (schoollied)
Een oude groepsfoto (OLS Oosteinde, ca 1954)
Koeien melken
Ouder en wijzer
Verhuur van een boerenerf
Het kleine huis aan het pad, 10
Zoekplaatjes
Wie wat waar, 2
Inhoud jaargang 31




_





Jaargang 32 nummer 1 maart 2014


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina

Café-Restaurant De Viersprong met zicht op de Ommerdijk, de huidige Burg. Backxlaan, omstreeks 1950.

* * *

DE PAP STOND AL KLAAR

Otto Broug

Dat ons kwartaalblad op veel plekken in de wereld gelezen wordt blijkt maar weer eens uit deze (enigszins door ons hier verkorte) mail van Otto Broug uit Australië.

Geachte Heer/Mevrouw,

Niet lang geleden kwam ik in het bezit van Uw boekje "Ze waren van honger gegaan …". Zelf schreef ik ook een boekje over mijn ervaringen gedurende de tocht die mijn broer en ik in de Hongerwinter, in april 1945, van Rijswijk Z.H. naar Overijssel maakten. Het boekje is in het Engels geschreven omdat ik al meer dan 55 jaar in Australië woon. Mijn verslag is van dag tot dag geschreven en berust op correspondentie tussen ons tweeën en onze ouders. De beschrijving laat ook zien hoe deze oorlogservaringen ons verdere leven hebben beïnvloed.
Voor u zijn de bijgevoegde pagina’s 17 t/m 23 waarschijnlijk het meest interessant. Mocht iemand het van belang vinden het hele boekje in het Nederlands te vertalen, dan kan ik alsnog een CD sturen van het gehele boekje.

Kindest Regards Otto Broug

Otto Broug heeft een exemplaar van de eerste druk van zijn boek “A matter of survival” ( Otto J. Broug, A matter of survival. Reprinted with additions and corrections June 2011. ISBN 9780646513300 ) destijds aan het Historisch Centrum in Zwolle gegeven, waar het in de collectie is opgenomen en kan worden geraadpleegd. Inmiddels heeft onze vereniging ook een exemplaar voor het archief ontvangen.
We hebben na overleg met de auteur een samenvattende vertaling van de hiervoor genoemde pagina’s gemaakt. Deze pagina’s gaan over de aankomst in Zwolle tot en met het vertrek vanuit Balkbrug.
Otto Broug werd geboren op 29-09-1932 en was dus twaalf jaar toen hij met zijn twee jaar oudere broer Walter (05-12-1930) op hongertocht ging. Het is een interessant verslag dat laat zien hoe hoog de nood was en hoe de kinderen moesten afzien voor ze eindelijk weer een gewone boterham konden eten. Opvallend is dat de kinderen die hongertocht nog zo vlak voor het einde van de oorlog moesten afleggen. De bevrijding van dit gebied kwam op 13 april, maar later in het westen.

De pap stond al klaar
Dit was voor alle kinderen die doodmoe en verhongerd op 29 maart 1945 Nieuwleusen kwamen binnenlopen, toch wel heel belangrijk. En toen we weggingen stonden er ineens drie platte boerenwagens klaar, die ons toen naar Balkbrug brachten. Twee momenten in mijn leven die ik nooit meer vergeet. Alsnog mijn heel hartelijke dank aan al die vrouwen en mannen, die toen zo buitengewoon goed voor ons zorgden en wiens namen we nooit zullen weten.

Ons gezin woonde in Rijswijk, vlak bij Den Haag. De nood was hoog en daarom stelde vader op enig moment voor dat de beide oudste kinderen van de waarschijnlijk laatste mogelijkheid die de kerk bood gebruik zouden maken om naar het oosten van het land te gaan. Zo gebeurde. Nico, de jongste die op 13-04-1936 was geboren, bleef met vader en moeder thuis. Het beschikbare voedsel behoefde dus na ons vertrek maar onder drie personen te worden verdeeld.
Op donderdag 22 maart 1945 scheepten ongeveer 35 jongens, in leeftijd variërend tussen de 7 en 15 jaar, zich in aan boord van de Spes Mea, die als thuishaven Kampen had. Het schip had aardappels naar het westen gebracht en ging terug naar de thuishaven. De reis ging naar Amsterdam en verder over het IJsselmeer naar Kampen. Vandaar voeren we verder via Zwartsluis en Hasselt naar Zwolle.

Dag zeven; woensdag 28 maart 1945
We waren op dinsdag in Zwolle aangekomen. Ik werd op woensdag wakker tussen een grote groep hongerige jongens in de tabaksfabriek van de firma Wed. C.D. van den Helm aan de Thorbeckegracht 6-8, waar we op stro hadden geslapen, dat op de vloer van het magazijn was neergelegd. We kregen maar een beetje eten en later op de dag werd ons verteld dat we de volgende morgen heel vroeg zouden vertrekken naar een klein dorp, Balkbrug genaamd.


De weg naar Balkbrug in de Oosterhulst met links een klein stukje van Brug 6 en rechts de maalderij van de Gebr. Muller “Molen De Vlijt”. De foto is uit de tweede helft van de vijftiger jaren.

Dag acht; donderdag 29 maart 1945
Om 4 uur werden we gewekt omdat we om 5 uur zouden vertrekken. Het was nog aardedonker en waarom we zo vroeg moesten opstaan, weet ik nu nog niet, want we vertrokken pas enkele uren later. Als ontbijt kregen we vier heel dunne plakjes brood; niet meer en niet minder. Ongetwijfeld was er in die tijd in Zwolle ook een groot voedseltekort.
We zouden met paard en wagens naar onze volgende bestemming gaan, maar er kwam maar één paard en wagen voorrijden. Daarmee werden de bagage en de jongste kinderen vervoerd en voor ons zat er niets anders op dan, samen met twee vrouwelijke vrijwilligsters, achter de wagen aan te lopen. Waarschijnlijk is er vanuit Zwolle naar Nieuwleusen gebeld dat we moesten lopen en veel later, vermoeid en hongerig, zouden aankomen.
Aan het eind van de morgen, na een tocht van 15 km, kwamen we in het dorpje aan. Al vlug kwamen we op een viersprong waar, op de rechter hoek, een typisch Hollands café stond. Lange houten tafels stonden al gedekt met schalen waarop dikke plakken vers brood lagen. Maar eerst kregen we allemaal een grote kom havermoutpap.


Deel van de brief aan zijn ouders die Otto Broug dateerde op 29 maart maar voor het merendeel de volgende dag in de bossen rondom Veldzicht schreef. ( De schrijver schonk deze brief aan museum Palthehof.)

Er was meer dan genoeg boter en kaas voor op het brood, net zo goed als er veel melk stond om te drinken. Opvallend was ook dat de mensen niet alleen heel vriendelijk waren, maar ook begrip hadden voor onze benarde positie. Ze hadden genoeg paarden en wagens georganiseerd, zodat niemand van ons de nog resterende 10 km moest lopen.
Omstreeks twee uur kwamen we in Balkbrug aan bij een oprijlaan met een prachtig groot ijzeren hek, met daarachter grote gebouwen in baksteen (Veldzicht, red.). Toen we het hoofdgebouw binnenkwamen, werden we meteen meegenomen naar de slaapzalen, waar, tot onze grote verbazing, echte bedden stonden. Terug in de hal kregen we een late lunch. We konden eten wat we maar wilden en ’s avonds kregen we nog een echte maaltijd. Omdat het vlak voor Pasen was, zouden we hier tot dinsdag blijven.

Dag negen t/m twaalf; vrijdag 30 maart t/m maandag 2 april 1945
Ik werd op Goede Vrijdag wakker in een prachtig gebouw te midden van hoge bomen en mooie bossen. De bewoners waren vertrokken naar veiliger oorden, maar het personeel was gebleven om de kinderen op te vangen die vanuit het westen hier naar toe kwamen, in afwachting van een plek in een pleeggezin. Er werden films vertoond (waarschijnlijk de eerste die ik ooit zag) en we werden meegenomen voor een wandeling in de bossen. Daarbij moesten we opeens plat op de grond gaan liggen omdat er een vliegtuig aan kwam, dat verschillende rondjes vloog over de omgeving.
Op de tweede dag van ons verblijf mochten we ook zelf gaan wandelen. Naast de weg naar het dorp lagen verschillende schepen te wachten op het einde van de oorlog. Voor we het wisten waren we al uitgenodigd voor een beker warme melk en een dikke snee roggebrood. Mijn broer kreeg diarree, natuurlijk door het vele heerlijke eten. Omdat het Pasen was kregen we prachtige, in verschillende kleuren geverfde eieren. Onderweg naar het dorp zagen we regelmatig terugtrekkende Duitse soldaten, in kleine groepjes of grotere konvooien. We waren natuurlijk heel blij dat ze zich terugtrokken.
Op 1 april stuurde ik een kaart naar mijn ouders. Die ontvingen ze pas op 11 juni; zeventien dagen voor we weer thuis kwamen.

Dag dertien; dinsdag 3 april 1945
Ons ontbijt was weer zeer overvloedig, met havermoutpap, brood, boter, kaas en melk. Er was weer een paard en wagen voor de bagage en jongste kinderen. De oudere kinderen zouden de 18 km naar Slagharen moeten lopen. De dames die ons begeleidden hadden een lijst met adressen van mensen die bij de kerk hadden aangegeven dat ze wel een kind wilden opnemen en onderweg klopten ze bij die adressen aan om te vragen of ze een van onze groep kinderen in huis wilden nemen. Zo werd de groep steeds kleiner. Na zo’n 12 km ten oosten van Balkbrug gingen we langs “een wieke” naar een boerderij, gelegen in een mooi landelijk gebied, met in de groene weiden grazende koeien, zo heel anders dan de grauwe straten in Den Haag en Rijswijk die ik veertien dagen eerder had verlaten, en daar was ik de gelukkige die mocht blijven! De anderen trokken verder richting Slagharen.

* * *

DENKEND AAN PASEN

Klazien Bijker-van Hulst

Denkend aan Pasen
zie ik de vele brandjes
vrolijk langs schrale
slootwallen gaan.
Droog en gewillig
luisterend, tot
aan de einder,
naar ons, pyromaantjes.

En wij kwamen
door geuren
van rokende pluimen
en feestelijk nagloeiend,
(want de lucht hing er laag
en geen eeuwige rampen)
als geblakerde
rookworstjes thuis.

op "Denkend aan Holland", van H. Marsman

( Het is nu verboden, maar vroeger zag en rook je overal in het vroege voorjaar de brandjes van het opruimen van ruigte langs de sloten en greppels. Wij kinderen hielpen daar graag aan mee.)

* * *

ONDERDUIKEN IN NIEUWLEUSEN

David Aalbregt

David Aalbregt werd geboren in Honselersdijk op 18 november 1923. Hij vertelde zijn herinneringen aan de Tweede Wereldoorlog aan zijn kleinzoon Richard. Die heeft daar een boek van gemaakt en dat in eigen beheer uitgegeven. Onze vereniging heeft daarvan een exemplaar ontvangen, evenals de toestemming om daaruit de delen die zich in deze omgeving afspelen in het kwartaalblad weer te geven.

Mijn onderduikadres
Op mijn negentiende werd ik goedgekeurd om in Duitsland te gaan werken. Ouderlingen van de kerk gaven aan wel een onderduikadres te hebben indien ik daar onderuit wilde komen.
Alsof we wel naar Duitsland zouden gaan, stapten we in juni 1943 ’s morgens heel vroeg in Honselersdijk met vijf jongens op de fiets en vertrokken met onze bagage naar een plaats van bestemming die we toen nog niet wisten. We reisden blind vertrouwend op onze gids. Die mochten we niet aanspreken, alleen op afstand volgen. Met de koffer in de ene hand en met de andere hand aan het stuur reden we naar het station in Den Haag, waar we de fietsen in de stalling zetten. Die werden later opgehaald.
In de stationshal stond een hele groep jongens te wachten. We werden toch wel een beetje angstig. Namen werden afgeroepen en toen alles compleet was gingen we allemaal naar de trein die klaar stond voor vertrek naar Duitsland. De meeste jongens hadden als bestemming een boer of tuinder in de omgeving van Wiesbaden. Maar wij kregen andere orders van onze gids. Onder het lopen naar de trein zei hij zo onopvallend mogelijk tegen ons: “In Utrecht eruit.” Aangekomen in Utrecht stapten we uit de trein. De jongens waarmee we waren ingestapt riepen: “Hee, je moet er hier niet uit. Hee, we zijn nog niet in Duitsland!”
We keken niet op of om, liepen achter onze gids aan naar de trein die naar Amersfoort bleek te gaan. Voor mijn gevoel reisde het veel rustiger zonder al die jongens naar Duitsland. In Amersfoort, op

Persoonsbewijs uit 1941 van David Aalbregt. (bron: boek Aalbregt)

afstand achter de gids aan, gingen we naar een ander perron en stapten in de trein naar Zwolle. Zo ver waren we nog nooit van huis geweest. Alles was vreemd.
In Zwolle was aan de overkant van het station, voor de Buitensociëteit, een bushalte, waar we alle koffers in een bagagerek boven op de bus moesten leggen. Dat moet toch wel opgevallen zijn. Ik begon hem te knijpen want er stonden ook landwachters in uniform bij de bushalte. Dat waren bewakers uit kamp Erika bij Ommen.
Onze bestemming bleek Nieuwleusen, een mooi gebied voor een jongeman die uit een tuindersgebied kwam. Mooi geelblond rijpend koren van haver en rogge en grazende koeien in groene weiden wisselden elkaar af. Onze gids had adressen van boeren waar we terechtkonden, maar hij was hier ook vreemd. Hij ging in het café vragen waar we moesten zijn. Nogal amateuristisch achteraf. Ik ging naar Albert Kleen (Albert Kleen, geboren 24-10-1885 en overleden 22-07-1980 aan het Westeinde), tegenover de christelijke school van meester Siefers, waar de jongste zoon Albert nog naar school ging. De moeder leefde niet meer (Annigje Kleen-Brinkman, geboren 13-10-1887, overleed al op 15-07-1932.). Zoon Willem was een paar jaar ouder dan ikzelf en dochter Mina, een struise boerenmeid, deed de huishouding. Er was ook nog een, in mijn ogen, oud vrouwtje, Henderkien, een zuster van Albert Kleen.

Ik had veel moeite met het dialect. Maar dat wordt al snel gewoon als je niets anders hoort en leer je snel en gaat het dan zelf ook spreken.
Met Willem kon ik goed opschieten en meestal werkte ik met hem samen. Behalve twee keer per dag koeien melken deed ik mee bij al het andere werk op het land en op de boerderij. Er waren twaalf koeien, een paar kalfjes, een paard, een varken, kippen en konijnen.


Winterse foto van het huis van Albert Kleen aan het Westeinde, het onderduikadres van David Aalbregt. (foto A. Lammertsen-Visscher).

Na het middageten was er tot drie uur een rustpauze. Met een paar sneden brood met daarop roggebrood ging het daarna op weg naar het land. Als we naar het land gingen moesten we de straatweg oversteken, de enige weg die verhard was met klinkers. Verder waren het allemaal zandwegen. Daarnaast lag een fietspad, zo vastgereden dat je er éénbreed op kon fietsen. Grasmaaien om hooi te krijgen was het eerste werk. De maaimachine werd getrokken door het paard. Het hooien was afhankelijk van het weer. Als het hooi goed droog was moest het bij mooi weer binnengehaald worden. Het ging in de hooiberg.
Een stukje verderop was de boerderij van Freek Jan de Weerd (Frederik Jan de Weerd was getrouwd met Hermientje Visscher ), een jonge boer met kinderen, waar zijn schoonzus Dina Visscher hulp in huis was omdat er een kleine was geboren. Als wij er langs kwamen en zij zat buiten aardappels te schillen, zei Willem wat tegen haar dat ik niet verstond, maar ik zag wel dat ze kleurde en lachte. “Een mooi deerntje, vind je niet?”, zei hij dan tegen mij.
Willem had een meisje in Lemelerveld. Maar je kon je ’s avonds niet zomaar op straat begeven. Als je naar buiten wilde moest je wachten tot het donker was. We zijn op een donkere avond, geen lantaarnpalen en zonder licht, naar het huis van dat meisje gefietst. Over een stuw zijn we de Vecht overgestoken, met de fiets aan de ene hand en de andere aan de leuning. Het ging me helemaal boven de pet wat Willem, zijn meisje en haar ouders allemaal zeiden en ik had geen idee van tijd. Op de terugweg was het voor mijn gevoel nog veel donkerder dan op de heenweg. Na verschillende keren, tot grote hilariteit van Willem, naast het smalle fietspad omgevallen te zijn, kwamen we weer thuis. Het was doodstil in de donkere nacht, zonder een enkel lichtpuntje.

Zo gingen de dagen voorbij, wel vrij, maar toch heel beperkt in je beweging. Naast de boerderij stonden struiken, zodat je vanaf de weg niet was te zien. Maar je kon door het groen wel op de weg kijken, met daarop fietsende meisjes, vrolijk lachend en pratend, met mooi geverfde klompen. Dan voelde ik me echt opgesloten.
Buren hadden wel in de gaten dat ik bij Kleen was, want toen de boeren een dag met paard en wagen naar Meppel moesten om daar


Naoorlogse foto van het huis van Albert Kleen aan het Westeinde (foto D. Kleen-van Dorsten).

te gaan werken, zeiden ze tegen hem: “Het is voor jou makkelijk zat om een dag hier te gaan werken, want jouw werk gaat toch wel door met die jongen die je daar hebt lopen.”
Soms riep de boer plotseling midden op de dag: “De moffen.” De eerste keer schrok ik mij wezenloos en vluchtte als een haas het korenveld in. Daar kwam ik niet weer uit tot ze mij gevonden hadden. Kleen zei toen: “Dit was een oefening, maar je moet er altijd vanuit gaan dat het werkelijkheid is.” Toen wist ik nog niet dat het drie weken later wel echt zou zijn.

Razzia
Op een vrijdag in augustus 1943, om ongeveer twee uur ’s nachts, klonk er opeens hevig geschreeuw: “Open maken!” Er waren twee deuren in de rechterzijgevel, twee in de linkerzijgevel en drie aan de achterkant. Bij iedere deur stond een Duitser met een geweer. Ontsnappen was onmogelijk. Ik schrok me te barsten en kroop in hemd en onderbroek over de hooizolder naar voren, naar een dunne houten vloer. Daarop lag nog een pak stro en daar lag ik achter. De Duitsers zochten overal en kwamen van lieverlee ook naar de zolder. Willem zei toen: “Daar kun je niet op, daar zak je doorheen!” Ze pakten hem beet en stopten hem in een bedstee en deden de grendel erop. In de slaapkamer was ook nog een bedstee, waar Henderkien sliep. Mina had, net voor de Duitsers in de kamer kwamen, de clandestiene radio uit de kast gehaald en bij haar onder de dekens gestopt.
Uiteindelijk ontdekten ze mij natuurlijk toch, bibberend in mijn hemdje en onderbroek. De koffer waarmee ik was aangekomen had ik verstopt in een oude schuur met stro van gedorst graan. De meegekomen Nederlander (Dat was waarschijnlijk fotograaf Heukels uit Zwolle die vanwege zijn werk in de omgeving goed kende.), vroeg voor de Duitsers: “Heb je geen bagage, kleren of zo?” Ja, dat had ik wel. Meekomen en aanwijzen. Geen minuut werd ik alleen gelaten. Koffer gepakt en mee in de overvalwagen. De boer moest ook mee. Er waren banken achter elkaar en vijf soldaten met geweren tussen de knieën.
Opeens werd er gestopt. Het bleek dat ze de weg kwijt waren. Een bakkersknecht, ‘s nachts op weg naar zijn werk, waarschijnlijk met een vergunning om vroeg te kunnen beginnen met brood bakken, heeft waarschijnlijk onraad gevoeld en ze de verkeerde kant opgestuurd. Vliegensvlug is hij mensen gaan waarschuwen waarvan hij wist dat daar ook een onderduiker was. Dat alarm werkte goed. Pas na lang zoeken hadden ze een tweede prooi. Dat was Cor van der Houdt, die zat ondergedoken bij een weduwe, op een heel achteraf gelegen boerderij. Uit angst praatten we niet met elkaar in de overvalwagen. Vermoedelijk werd er met de zoektocht gestopt omdat er inmiddels al volop daglicht was en de hele buurt wel gewaarschuwd zou zijn. We hadden geen idee waar we heen gingen en konden ook niets zien.

Ineens stopten we. Waarom? De wagen reed op houtgas en de twee rijen Duitsers zaten dommelend vlak bij de warme ketel, vlak achter de cabine. Ik moest eruit. Ik had weg kunnen lopen, maar waarheen? Mijn gedachten sloegen op hol. Die onbeschrijfelijke angst van het vluchten in een totaal onbekende buurt, in een straat met huizen en dichte voordeuren. Waar was de bestuurder? Waar moest ik heen en naar wie?
De bestuurder kwam terug en we gingen weer rijden. Het bleek dat we in Arnhem waren, op weg naar “De Koepel”, de beruchte gevangenis.
Alle gevangenen werden meteen uit elkaar gehaald en we kregen elkaar niet meer te zien. Na drie dagen werd ik naar de gevangenis in Rotterdam gebracht en daar ondervraagd over de ouderlingen die voor mijn onderduikadres hadden gezorgd, maar die kende ik echt niet. Vervolgens kwam ik in Kamp Amersfoort terecht, met beesten van bewakers. Op zeker moment kon ik “vrijwillig” naar Duitsland.
In de omgeving van Berlijn en ook in Oostenrijk had ik het geluk redelijk fatsoenlijke mensen te treffen. Zo werd ik opeens afgekeurd en teruggestuurd naar Nederland. Waarschijnlijk heeft een arts waar ik werkzaamheden voor moest verrichten, daarvoor gezorgd.

Weer onderduiken
Thuis moest ik al snel weer onderduiken en na ontsnapt te zijn aan een razzia besloot ik te proberen weer naar Nieuwleusen te komen. Met Piet Hamel, de vriend van de zus van mijn meisje, ging ik op een maandagmorgen in de eerste week van januari om vier uur op pad, in het pikkedonker, op een fiets met aan repen gesneden autobanden. Het had eerder gesneeuwd en op de rijweg waren door het opvriezen rijsporen ontstaan, waarin je met een beetje behendigheid al fietsend overeind kon blijven. Naast de weg was een spoorbaan en op een gegeven moment hoorden we een trein aankomen. Achter de locomotief waren platte wagens. Daar lagen vier raketten op. “Zie je dat?”, zeiden we tegen elkaar. Die V1’s werden op verschillende plekken afgevuurd. Ze werden regelmatig van plek gewisseld, omdat men bang was dat ze ontdekt zouden worden.
Af en toe stopten we even en wisselden van fiets omdat onze konten het nauwelijks aankonden. Na uren kwamen we bij de Amersfoortse kei. Opeens stonden er twee meisjes te roepen: “Stop, stop. Er is net een razzia geweest, nog geen uur geleden.” We hadden dus geluk en waren niet in de fuik gereden. Wat moesten we? We zijn toch maar verder gereden.
Nog voordat we Amersfoort uitreden zag ik bij een bushalte vijf SS’ers staan. Ik verstijfde van schrik. Daar stond Kotälla, de beul van Amersfoort! Bang voor herkenning draaide ik mijn gezicht weg en het ging goed, maar dat de schrik er bij mij zo diep in zat, had ik niet voor mogelijk gehouden.
Via de Zuiderzeestraatweg richting Zwolle moesten we voor acht uur ’s avonds onderdak vinden, maar er waren zoveel mensen op voedsel en onderdak uit dat we overal “Nee” te horen kregen. Tegen halfacht hadden we geluk, kregen eten en mochten in een bedstee slapen!
Voor de brug over de IJssel gaven ze ons weinig kans en de rivier werd zo streng bewaakt dat niemand meer mensen durfde over te zetten. Toch maar verder naar de brug. Het sneeuwde en de wind kwam uit het westen. Dat was achteraf gunstig voor ons.
Die IJsselbrug was schrikbarend lang. Er stonden vijf betonnen muren op, ongelijk opgesteld, zodat je er zigzaggend doorheen moest fietsen. De moed was bij mij wel verdwenen, maar wat wil je? Tegen Piet zei ik: “Ik weet niet wat jij wilt, als je niet durft neem ik je niets kwalijk, maar we zijn al twee dagen bezig om hier te komen.”
“We gaan”, zei hij.
Fietsen, niet te hard en ook niet te langzaam. Voor de eerste muur stond niemand. Nee, logisch de wind kwam uit het westen. Die schildwachten stonden aan de oostkant in de luwte en keken op onze rug als wij voorbij kwamen. Eerste versperring voorbij. Geen halt, geen schot. Tweede voorbij. Het was heel stil, we spraken niet met elkaar. Ik durfde niet om te kijken of er wel wachten stonden. De derde, de vierde. “Zal het lukken,” vroeg ik me af. Ook de vijfde versperring voorbij. Niets te horen, totale stilte. Piet deed het van angst in zijn broek. Nu over de brug. Ik durfde weer normaal adem te halen.
“Waar slapen we vannacht?” Ik had geleerd niemand meer te vertrouwen en durfde alleen heel oude mensen aan te spreken om de weg te vragen. Het was al zes uur geweest en donker toen een ouder echtpaar ons verwees naar een school waar alle mensen onderdak kregen en een bord roggepap.
De volgende morgen mochten we niet voor negen uur weg uit die school, maar dan: Door de Diezerstraat Zwolle uit, over de Vechtbrug door een oneindig kaal landschap, eindeloos wit, zover je kon zien. Heel koud en met verschrikkelijk veel bergen stuifsneeuw. Over de spoorlijn. De weg naar Nieuwleusen was heel lang. Bij een cafeetje hebben we nog wat warms gedronken.
Hoe vaak Piet wel niet vroeg: “Zijn we er bijna?” “Er zit een knik in de weg; dan is het net of de weg daar ophoudt. Bij die knik staat aan de rechterkant een molen zonder wieken. Dan nog vijfhonderd meter, daar staat de boerderij van Albert Kleen.”
Over de achttien kilometer vanuit Zwolle hebben we ruim vier uur gedaan. Ik kreeg door al die stuifsneeuw natte voeten waar ik na een paar dagen verschrikkelijk jeukende wintervoeten aan heb overgehouden.

Weerzien met Albert Kleen
Onvoorstelbaar zoals de gastvrijheid en hartelijkheid van die mensen was; alsof het de gewoonste zaak van de wereld was. We mochten gewoon blijven. Ook al die mensen die op doortocht waren voor voedsel en bij hen aanklopten, werden geholpen. Maar als ze bleven slapen moesten ze alles zolang afgeven, want toen Willem een keer onderzoek deed, zag hij in een tas, tot zijn grote schrik, foto’s van Duitse militairen.
Kleen had nog wel elektra. Dat was nodig om licht te hebben bij het melken en dus was er ook licht in huis. Dan zaten we in een kring om de kachel, ieder met zijn verhalen. Op de vloer lagen ruwe kokosmatten en dan stopte ik mijn voeten onder de stoel en haalde mijn rode wintertenen zo hard mogelijk over de mat, tot bloedens toe. Een oude man zat dat aan te kijken en zei tegen Mina: “Zet een halve emmer water op het fornuis.” Toen het water goed heet was zette hij die emmer voor me neer, met een emmer koud water ernaast. “Zet je voeten er maar in.” Ik keek hem eens aan en naar die emmer heet water. “Eerst in die koude emmer en dan hup in die hete emmer. Vlug heen en weer.” Omdat de voeten koud waren geworden kon je ze ietsje langer in het hete water weken. Zo ging dat een poosje door.

Albert Kleen voor zijn woning (foto A. Lammertsen-Visscher).

Het hielp goed tegen het jeuken. “Je moet er wel mee doorgaan, wil je van dat vervelende jeuken afkomen”, zei hij toen hij ’s morgens weer wegging. Het was een probaat middel.

Op een dag kwam Mina naar me toe en vroeg of ik naar een ander adres zou willen. Zoon Anton, die in Groningen was ondergedoken, was weer thuis gekomen en met Piet Hamel en mij erbij werd het een beetje te druk. Piet of ik? “Jou kennen wij al zo lang en die razzia met vader. Jij hebt eigenlijk de meeste rechten om hier te blijven. Maar aan Piet en aan zijn spraakgebrek, zijn we net een beetje gewend.” “Leuk is het niet, maar vooruit maar”, zei ik tegen Mina.

Naar Van Duren
Mina ging op een stikdonkere avond met mij op pad naar een nieuw adres, ook weer over zandwegen en een smal zandpad. Het vroeg, vooral in het donker, veel behendigheid om overeind te blijven. Ik was totaal onbekend, maar Mina wist goed de weg en zo kwamen we op de Evenboersweg aan bij Hendrik van Duren en zijn vrouw Jantien ( Hendrik van Duren, geboren 09-12-1909 en overleden 23-12-2001, trouwde met Jantje Visscher, geboren 06-08-1910 en overleden 06-12-1988.). Ze hadden een zes jaar oud zoontje, Hendrik Jan, en er was net een meisje geboren, Hillie genaamd. Daarom hielp een zus van de boerin mee in de huishouding en bij het koeien melken ‘s morgens en ’s avonds. Dat was Dina, die ik al kende van mijn eerste onderduiktijd, toen ze bij De Weerd meehielp toen daar een baby was geboren. Jantien van Duren was een Visscher en vrouw De Weerd was haar


Het gezin Van Duren, waar het nieuwe onderduikadres was. Vlnr: Hendrik van Duren, Hillie, Jantje van Duren-Visscher en Hendrik Jan omstreeks 1946.
(Foto H. Visscher-van Duren).


zuster. Dina Visscher is na de bevrijding in het Sophia ziekenhuis in de verpleging gegaan. Dat vond ik toen wel jammer, want ze was een gezellig praatmaatje.
We praatten veel over de toekomst. Hoe gaan we de bevrijding beleven. De Duitsers hadden de bruggen over de IJssel en de Vecht opgeblazen. Heel Holland zat klem. Hoe lang zou het nog duren?
Toen de dokter op bezoek kwam om naar de baby te kijken, zei hij tegen mij: “Je kijk zo zeer”. “Nou, ik heb al dagen kiespijn”. “Ik kan de kies er wel uittrekken, maar ik heb geen verdoving en ook geen tandartsenstoel”. “O”, zei ik, “als die pijn maar over is.” “Dan kom je vanavond als het donker is maar naar mij toe. Van Duren weet de weg wel.”
Wij erheen. Het was hartstikke donker. In de spreekkamer pakte de dokter een stoel, zette die een stukje van de muur af en kieperde die, terwijl ik erop zat, achterover tegen de muur. Tang erbij en hopla, kies eruit.

De boerderij waar het gezin Van Duren aan de Evenboersweg woonde ziet er nog praktisch net zo uit als in de oorlog. (foto H. Visscher-van Duren).


De boerderij van Van Duren lag niet ver van het staatsbos. In het bos zat de ondergrondse, onvindbaar ingegraven. De Duitsers hadden wel een vermoeden en hebben geprobeerd hen op te sporen. Iedere avond omstreeks zes uur vloog er bij ons in de buurt een vliegtuig over en met overvalwagens hebben ze het bos ook doorzocht, maar zonder succes.
Omdat de Duitsers steeds meer in het nauw kwamen, werden ze steeds agressiever. Toen er parachutisten waren gedropt en ze niets konden vinden moest Staphorst het ontgelden. Ze staken boerderijen in brand, met alles er nog in. Je zag dikke rookwolken en er was een enorme stank.
Boeren werden bang, ook aan het Westeinde, waar bij de molen nog een post met Duitsers was. Van de families Visscher en De Weerd kwam de boodschap of ik kon helpen om het huisraad op wagens te laden en het veld in te rijden. De omgeving zag er toen nogal bosachtig uit. Om ieder stuk land was een houtwal.
Toen we ’s morgens vroeg met de wagens wegreden, waren we door de angst vergeten etenswaren mee te nemen. “Ik ga het wel halen”, zei ik. “Weet je wat, ik kan ook wel eieren bakken en meenemen”, dacht ik. Toen ik een stapeltje klaar had, hoorde ik heel zacht iemand lopen. Opeens stonden er vreemde militairen in de hoek van de keuken. Ze staken hun neus in de lucht en maakten een gebaar van lekker en ik een gebaar van eten maar. Dat deden ze en ze gingen weer net zo stilletjes weg als ze waren gekomen. Met brood, worst en kaas terug in het veld, vertelde ik wat me was overkomen. Achteraf is alles voor niets geweest. De Duitsers bij de molen hadden de benen genomen, want de voorposten van de bevrijders kwamen steeds dichterbij.

Bevrijding
Begin april waren wij vrij. De tijd van goed of verkeerd was aangebroken. NSB’ers en zwarthandelaren werden opgepakt en achter slot en grendel gezet, onder andere bij Staphorst in kamp Conrad, genoemd naar het riviertje. Ik liep daar wacht, maar had boer Van Duren beloofd dat ik, als ik vrij had, terug zou komen om op de boerderij te helpen. Dat heb ik ook gedaan.
’s Morgens voor dag en dauw waren Dina en ik al op het land om met een riek, een viertander, mesthopen uit elkaar te slaan. Ze was er net zo bedreven in als ik. Het gaf een goed gevoel om zo te werken. Je kreeg er honger van. Om acht uur gingen we naar de boerderij om te eten. We zaten met ons vieren om de tafel, met een grote koekenpan in het midden. Daar zaten de restjes van de vorige dag in, met uitgebakken spekjes. Dina en ik hadden stiekem een afspraakje. Wij deden wel eens een scheutje melk in onze afgedamde portie. Dina zou dat nu ook in onze helft doen en dan zou ik de dam naar de andere helft doorsteken. “Gadverdamme”, zei de boerin, gooide haar vork neer en schoof de pan meteen naar onze kant.
Met de Canadezen kon je wel lachen. Fietsen konden ze niet, maar dat wilden ze wel eens proberen, in ruil voor sigaretten. ”Oké”, zeiden we. We hielden ze dan aan de bagagedrager vast en stuurden ze het Dedemsvaartkanaal in. Dolle pret en sigaretten toe. Zo ging de tijd voorbij.

Op een keer was ik zo hard de brug over het kanaal opgefietst dat ik onderuit ging, met als gevolg gaten in de knie van mijn enige broek. Daar kon ik eigenlijk niet mee naar de kerk. Een kennisje, een knap meisje, Linie Snijder genaamd (foto), werkte bij manufacturenwinkel Beekman en daar vertelde ze het verhaal. “Nou, hier heb je een lap stof voor een broek, maar die kan ik niet maken”, zei de eigenaar, meneer Beekman. “In Den Hulst woont een kleermaker. Zeg maar dat ik je gestuurd heb.” Dat en die lap stof hoefde ik niet te betalen. Zo ging het ook met de klompenmaker in Den Hulst.

Veel jongens die in Duitsland te werk gesteld waren, kwamen terug naar Nederland, maar liepen vast voor de IJssel. Ze werden opgevangen in scholen, ondervraagd en gecontroleerd op gezondheid enz. Vaak hadden ze, door de slechte omstandigheden waaruit ze terugkeerden, tbc, schurft of luizen enz. In de christelijke school aan het Westeinde waren ook jongens ondergebracht. Piet Hamel was nog op zijn onderduikadres bij Kleen en nog groener dan gras. Hij wist niet wat er aan de hand was. Hij zag bekenden uit Loosduinen, ging er een praatje maken en zo kwam de familie Kleen onder de luizen te zitten. Als je een half uurtje bij die jongens zat, zaten de luizen ook bij jou.

Het wachtlopen in kamp Conrad was saai. Als de mannen buiten het kamp moesten werken, ging ik er met een bootje achteraan. Verschillende polders hadden onder water gestaan, zo ook de Mastenbroekerpolder en de Noordoostpolder, waar de Staphorster boeren veel land hadden, waar ze klavergras maaiden.
Omdat er niks te beleven viel, zocht je de spanning een beetje op.
“Ga je mee naar de kerk”, vroeg ik mijn maat, die ook geen Staphorster was. Wij wisten dat mannen en vrouwen apart zaten. De koster stond bij de ingang en zag dat wij vreemden waren. Daarom liep hij met ons mee om ons een plaats te wijzen, maar ik ging met mijn maat in het vrouwenblok zitten. Dat gaf beroering. De koster gebiedend: “Je gaat daar zitten, of eruit!” Daar was het nou helemaal om begonnen. Wij naar buiten, de zon in. Maar mijn naam van Hollander en reputatie was daarmee gevestigd.
Toen ik eens vrij van wacht in Nieuwleusen was, hield dominee Wassink (E.J. Wassink was van 1939 tot 1946 predikant van de Gereformeerde kerk.) mij op straat aan. Hij kende mij nog van mijn onderduiktijd bij Albert Kleen, “Hé Daaf”, begon hij. “Dominee”, zei ik, voor hij klaar was met zijn vraag, “ik heb ruim drie maanden vastgezeten. Nu ben ik vrij en krijgen de lui iets terug. Een klein beetje maar, hoor dominee” en toen praatten we verder.

Wat ik helemaal niet had verwacht was dat mijn vader op zijn fiets, helemaal vanuit Honselersdijk kwam om zijn kinderen op te zoeken. Zus Hannie zat in Berkum, zus Hennie in Genemuiden en ikzelf in Nieuwleusen. Maar om mij te bezoeken dat zat hem een beetje tegen. Eerst naar Albert Kleen aan het Westeinde, toen naar Van Duren aan de Evenboersweg en toen nog helemaal voorbij Staphorst naar kamp Conrad. Ik was heel blij hem te zien. In de kantine zaten enkelen een stengun schoon te maken en te oliën. Een deel van onze groep wilde als militair naar Indië en eigenlijk was ik dat ook van plan. Maar de reactie van mijn vader was: “Je bent toch niet helemaal gek geworden? Twee keer ondergedoken, heelhuids uit Amersfoort en Duitsland gekomen. Kunnen we nog weer over je in de rats zitten! Kom naar huis. Er is werk zat.”

Achteraf heb ik naar hem geluisterd en ontslag genomen bij de Binnenlandse Strijdkrachten en een pas aangevraagd om over de IJsselbrug te mogen.
Omdat ik nog niet weg kon, ben ik voor Van Duren, die een rayon toebedeeld had gekregen om de melk van de boeren naar de melkfabriek te brengen, gaan melkrijden. Hij had mij een trucje geleerd om de volle bussen op de wagen de tillen. De bus bij de twee oren vastpakken, ietsje optillen, ietsje schommelen en een, twee, drie, omhoog op de wagen. Je kreeg er wel spierballen van.
Bij de melkfabriek zag ik ook vrachtwagens met grote tanks op de laadbak, die melk kwamen halen voor het lege en uitgehongerde westen van ons land. Met een van die tankwagens kon ik meerijden. De Canadezen hadden een baileybrug over de IJssel gelegd; de langste die ze gemaakt hebben. Daar was het eenrichtingverkeer. We moesten heel lang wachten voor onze kant aan de beurt was. Ik zat achter op de tankwagen, verstopt in een kist tussen cabine en tank. Steenkoud en zo stijf als een plank kwam ik in Loosduinen aan. Lopend naar Honselersdijk kwamen de benen langzaamaan weer los.

Ik had Van Duren beloofd na drie of vier weken terug te komen om met de aardappeloogst te helpen, als dank voor de onderduiktijd.
Bij de groenteveiling keek ik uit naar een vrachtauto uit Overijssel, want in Berkum was ook een groenteveiling en zo kon ik weer mee terugreizen. Dit keer voorin in de cabine. Dat was een stuk comfortabeler en het was nog gezellig ook. In Berkum aangekomen vroeg de bestuurder: “Waar moet je eigenlijk zijn?” “Den Hulst,” zei ik. “Dat komt goed uit voor jou”, zei de bestuurder, “als ik hier klaar ben, ga ik naar huis in Balkbrug, dus dan kom ik langs de Union en zet ik je daar af.”
Van daar was het nog wel even een stukje lopen naar Van Duren aan de Evenboersweg. Daar keken ze met grote ogen op toen ze mij zagen. “Dat had ik toch beloofd,” was mijn reactie.

“Wat gaan we doen?” Om te beginnen grasmaaien om in te kuilen. Ook ging ik mest rijden. Ik spande het paard voor een kar met drie wielen; een grote bak tussen twee grote wielen en een klein wiel vooraan. Daar kon je op zitten alsof je op een balk zat. Gewoon je evenwicht bewaren. Met de wagen vol mest geladen ging ik langs een heideveld achter de bosrand en loste de mest in hoopjes op het land. Het was een slim paard. De kar was leeg en het paard rook de stal. De weg terug ging veel sneller dan heen. Maar er moest nog een lading naar het land en je kon aan het trage lopen zien dat het dier daar helemaal geen zin in had.

In de vrije natuur werken. Als er één was die van zijn vrijheid genoot, dan was ik het wel. De tijd vloog om en op een gegeven moment ging ik weer naar huis. Ik wilde geen geld, want ik had gewerkt voor de kost en als dank voor de goede tijd, maar ik kreeg toch pakjes eierpoeder, pakjes boter en broden mee, omdat het westen nog hongerde.

* * *

KRUMMELS

Toen er nog melkfabrieken waren, lieten die drie keer per dag de stoomfluit horen. Dat gebeurde om 8, 12 en 17 uur. Dit was onder andere een teken voor de boeren. ’s Morgens dat de melkbussen aan de weg moesten staan, ’s middags dat het etenstijd was en tegen de avond dat het weer tijd was om de koeien te gaan melken. In Nieuwleusen stonden twee melkfabrieken. Vos was directeur van “Onderling Belang” aan de Burg. Backxlaan. Als de toeter, zoals de stoomfluit meestal werd genoemd, ging dan zei men ook wel: “ze trapt Vossien weer op de staart”.

* * *

Foto voorpagina WIE WEET WIE

Naar aanleiding van het artikel “Wie weet waar” in het kwartaalblad van september 2013 kregen we een drietal foto’s aangereikt die afkomstig zijn van meester Ilmer.
Het gezin van meester J. Ph. Ilmer woonde in huize “Maria” aan de toenmalige Ommerdijk. Er waren twee kinderen, een jongen en een meisje. In 1942 is het gezin vanuit Nieuwleusen vertrokken naar Winterswijk. Daar was meester Ilmer onderwijzer tot 1955, waarna het gezin naar Zeist is verhuisd. Hij werd toen onderwijzer in Den Dolder en bleef er tot aan zijn pensioen. Meester Ilmer bereikte de leeftijd van 93 jaar.

In Nieuwleusen was meester Ilmer vanaf 1931 onderwijzer aan de openbare lagere school De Meele (school D). Op twee van de drie foto’s staat de meester zelf ook op. De foto’s zijn allemaal gedateerd in 1937. Van de derde foto kennen we de namen. Wie er op de beide andere foto’s staan is de vraag die we graag aan u willen voorleggen.


Foto 1 met meester Ilmer achter zijn lessenaar.


Foto 2 met meester Ilmer (nr 10) temidden van zijn leerlingen.



Foto 3 van een groepje leerlingen van meester Ilmer. Vlnr: Achter: Henk Huisman, Hendrikje Jonkers, Koop Kollen, Nellie Ennik, Klaasje Rumpf en Siemen Vonder. Voor: Geesje Huls, Jennigje Jonkers, Jansje Ekkelenkamp en Hennie Prins.

* * *

HET KLEINE HUIS AAN HET PAD, 11

Margje Key-Hendriks

Kinderwerkjes
Thuis hadden we altijd een paar konijnen die van oom Jan waren. Hij had ook het hok gemaakt. Wij, de kinderen, moesten elke dag gras plukken voor de konijnen. Daarvoor moesten we soms wel aangemaand worden, anders kregen ze alleen maar aardappelschillen.
’s Zaterdags plaatste moeder een teil met water op het stoepje. Dan moesten Trijn en ik met een borstel de klompen schrobben. Ik denk dat we allemaal twee paar klompen hadden want we liepen nooit op blote voeten. Moeder keek altijd na of we het goed gedaan hadden. Als ze klaar waren hingen we ze aan een afgesneden tak in de vlierbos, om daar te drogen.
Als de klompen klaar waren, moesten we de schoenen poetsen voor de zondag. We hadden allemaal een paar schoenen en die werden alleen gedragen als we naar de kerk of de zondagsschool gingen of als er iets aparts te doen was. De schoenen en kleren gingen van de oudsten over naar de jongeren, totdat ze versleten waren.
Op zaterdag moest om het huis alles geharkt worden, ook al lag er niets. Er moesten streepjes op de grond zijn, dan was het mooi. Alles moest schoon zijn en er netjes uitzien voor de zondag.
Trijn moest altijd sokken stoppen. Ze kreeg daarvoor een cent per gat dat ze stopte. Ik moest dat soms ook doen, maar omdat ik jonger was kon ik dat nog niet zo goed en daarom kreeg ik er ook niet voor betaald.
Als er een baby in de kinderwagen lag en die huilde, moest een van ons de wagen schudden. Zo gauw we dachten dat de baby sliep, slopen we op onze tenen de deur uit. Maar het gebeurde vaak dat we weer terug moesten omdat we er te gauw tussenuit geknepen waren. Toen Nellie een baby was moesten Henk en Trijn om de beurt schudden. Toen het eens Trijn’s beurt was, had ze al een paar keer geprobeerd snel weg te sluipen, maar dat lukte niet. Toen werd ze zo kwaad dat ze het handvat greep en er een forse ruk aan gaf. De kinderwagen bleek prima veren te hebben want de baby vloog er uit


Kinderen leren in 2013 sokken stoppen in museum Palthehof tijdens het schoolproject “Terug naar 1910”.

en kwam met deken en al op de grond terecht. Moeder vond Nellie tussen de dekens op de vloer terug. Gelukkig mankeerde ze niets maar moeder was wel kwaad en Trijn kreeg een flink pak voor de broek.
Als er een baby kwam, gingen wij allemaal naar een tante of naar onze buren. Wanneer we dan de volgende dag weer thuis kwamen lag moeder in bed. Vader zei dan dat we in de kinderwagen moesten kijken, maar ik wist allang wat daarin lag. We waren daar eigenlijk helemaal niet zo blij mee, want dan moesten we er weer een schudden en lopen leren. Niet dat wij niets om elkaar gaven, dat deden we echt wel, maar het was meer om het werk dat we ermee hadden. Na een bevalling kwam gropmoe ook wel helpen. Als ze weer naar huis ging zei ze altijd tegen ons: “nou moe’j vlietig wezen heur en moeder goed helpen”.
Onze oudste nicht Hennie Lefers kwam een poosje op de dinsdagen om moeder te helpen met de was. Als we jonge katten hadden, waren die altijd verdwenen als Hennie er geweest was. Ze heeft ook een keer ons haar geknipt met een schaar die stomp was en dat trok verschrikkelijk. Gewoonlijk liepen we altijd naar de kapper in de Kerkenhoek. Dat was Katoele en die knipte het haar altijd goed kort, maar er kon nog wel een strik in, bovenop het hoofd.
’s Avonds na het eten moesten we melk halen bij Ruinemans. We namen altijd een melkbusje met een deksel er op en hengsel er aan mee. We gingen meestal met z’n tweeën. Het was de tweede boerderij aan de linkerkant van ons huis. We gingen altijd melk halen als ze bij Ruinemans aan het melken waren. In de winter was het dan donker. Als we met z’n tweeën waren vond ik dat niet erg. Ze hadden een hond, een grote Duitse herder, die wat gemeen was. Ze kwamen ook niet altijd direct, want de koe moest natuurlijk eerst uitgemolken worden.
Op een keer in de oorlog toen Henk melk moest halen, werd hij door de hond in een vinger gebeten. De hoektand veroorzaakte een diepe wond. De vinger raakte ontstoken en er groeide wild vlees in de wond. Henk moest daar geregeld mee naar de dokter om dat weg te laten branden. Het voorval gebeurde in de winter en het was augustus voordat de vinger weer geheeld was.

Wat we nog meer deden
Het liefste gingen we achteruit de weg op en door de wei en langs de sloten om wilde bloemen te plukken. We kwamen altijd met wat thuis, ook al waren het maar hondefoeken (paardebloemen). Trijn en ik konden daar uren mee bezig zijn.


Een weiland vol met hondefoeken.

In het vroege voorjaar waren er de meibloempjes, later de pinksterbloemen en margrieten. Bij de sloot groeiden vergeet mij nietjes, smeerwortel, valeriaan, iris en nog veel meer en in de wei waren viooltjes.
Een eind achteruit groeide zelfs zonnedauw, die vliegjes eet. Verder was er blauwe knoop (scabiosa succisa) en achter de schuur bij Klaos groeide het wilgenroosje. Ook was er een plek waar de gele brem groeide. In de roggevelden groeiden de blauwe rogge- of korenbloemen. We plukten ze aan de buitenkant van het veld of we liepen door de voor in het midden en plukten alleen de bloemen waar we bij konden komen. Soms vonden we een enkele witte of roze korenbloem. In de wieke groeiden russen, die we plukten en er mee vlochten, meestal met een riem als resultaat.
In het vroege voorjaar liepen we door de weilanden om eieren te zoeken. Vooral de kievit- en grutto-eieren, omdat die wat groter waren en daardoor de moeite waard om mee te nemen. Die vogels leggen de eieren op de grond in een nest. Het was een sport om in het voorjaar het eerste kievitsei te vinden. Thuis deden we de eieren altijd in het water om te zien of ze goed waren: als ze bleven drijven waren ze “voel”. Gingen ze onder, dan kookten we ze en aten ze op.
De jongens klommen in bomen om de eieren uit de ekster- of kraaiennesten te halen. Dan sloegen ze de benen om de stam heen en trokken zich omhoog. Eerst gingen ze bij iemand in de gevouwen handen staan om zo dicht mogelijk bij de onderste takken te komen. Henk was vaak degene die in de boom klom. Op een keer was hij met een stel jongens aan de Diek voor het huis van Klaos Dunnink waar hij helemaal boven in de boom zat voor een eksternest. Hij deed de eieren in zijn muts en hield die tussen zijn tanden vast. Toen hij halverwege beneden was, braken er een paar eieren. Die gooide hij toen meteen maar uit zijn muts. Maar hij wist niet dat veldwachter Bredewold er aan was komen fietsen. Toen ze hem zagen liepen de jongens allemaal weg. Henk had niks gemerkt tot hij de kapotte eieren naar beneden gooide, waarbij ook spetters op het uniform van de veldwachter terecht kwamen. Henk bleef daarom mooi in de boom zitten totdat de veldwachter eindelijk weg ging.
Op een andere keer, Henk en Trijn waren toen nog maar acht en zes jaar, gingen ze met z’n beiden eieren zoeken. Ze waren aan de andere kant van de Diek, al door heel wat weilanden geslenterd en ver van huis, helemaal voorbij de boerderij van oom Derk Jan. Daar was ergens ook een bos, maar ze waren bang om daar door te lopen. Ze hadden ooit gehoord dat iemand zich daar had opgehangen.
Ze waren de tijd helemaal vergeten. Vader had natuurlijk allang op zijn vuisten gefloten, maar ze hadden niks gehoord. Toen ze eindelijk op weg naar huis waren, zagen ze vader aankomen en wisten dat er iets dreigde. Dit gebeurde in de oorlog en iedereen moest toen om acht uur binnen zijn. Maar het was al veel later! Ze zagen dat vader het bos in ging en terugkwam met een twijg in zijn hand. Henk en Trijn gingen ieder aan een kant van de weg lopen en dachten dat hij er dan maar een kon raken. Maar vader ging in het midden achter hen lopen en zwiepte met de twijg de rest van de weg naar huis van de ene kant naar de andere kant. Hij had een goeie reden om boos te zijn, want als de Duitsers je zagen was het niet best.

Soms vonden we onder een haag of een struik een egel. Heel voorzichtig pakten we het diertje op. Het rolde zich direct in een stekelige bal. We deden het in de schort die we bij de punten ophielden. We vonden het hele mooie beestjes en wilden er graag een als huisdier. We brachten de egel op de geute, waar het diertje ’s nachts kon blijven. De volgende morgen lag hij altijd opgerold in een klomp. We hebben er ook wel eens een buiten in een doos gehad. Uiteindelijk ging ons stekelvarkentje er altijd weer vandoor. Hij wilde nooit blijven, maar misschien gaven we hem niet het juiste eten.

In het voorjaar waren er altijd een paar weken scharrewevers (meikevers). We hadden dan een jampotje met gaten in het deksel. Op weg naar school schudden we aan alle eikenboompjes en dan vielen de scharrewevers op de grond. Trijn herinnert zich dat er enkelen waren die spikkels hadden. Ze hielden van eikenblad en dat deden we dan ook in het potje. Soms ruilden we er ook wel wat.

Een enkele keer, als we wat langer mochten opblijven, vroegen we de manlui bij Klaos om ons in de wei te helpen vangen. Dan waren we met vader, Aornd en Gait Jan aan het vangen en zelfs Willem kwam om te helpen. Als het donker begon te worden vlogen de scharrewevers (foto) rond. We hadden zo een potje vol als de mannen ze met de pet vingen. Ze hadden net zoveel plezier als wij!
Op zondagmiddag, na de zondagsschool, speelden we vaak bij Klaos “overlopen” of “schipper mag ik overvaren”. Als we een poosje zeurden deden de grote mensen ook wel eens mee. Jannao, Aornd en Gait Jan deden dat dan altijd. Willem konden we nooit zover krijgen, maar hij bleef wel zitten kijken. Aan Jaantie en Klaos vroegen we het nooit, want die waren te oud. Dat dachten we toen tenminste, want hoewel ze nog maar in de vijftig waren, leek Jaantie met haar lange zwarte rokken en Klaos in zijn donkere kiel en boezeroen toen al oud.

Alleen spelen
Toen Trijn voor het eerst naar school ging was ik net vier jaar oud. Ik moest toen alleen spelen en mezelf vermaken. We hadden nooit veel speelgoed maar Trijn en ik hadden wel ieder een pop. Eigenlijk misten we dat speelgoed helemaal niet en met de poppen speelden we ook


Een aantal klederdrachtpoppen uit de verzameling van koningin Juliana op de poppen- en berententoonstelling in 2008 in museum Palthehof.

weinig. Ik weet niet meer wat ik met mijn pop gedaan heb, maar wel dat die niet zo heel lang heeft geleefd. Trijn was veel zuiniger op haar pop. Als ze naar school was nam ik haar pop wel eens. Die pop kon huilen als je hem voorover hield. De ogen konden ook open en dicht en dat vond ik wel interessant. Ik wilde graag weten hoe dat ging en daarom probeerde ik altijd om mijn vinger er in te steken, om te zien wat er achter die ogen zat. Als ze thuis kwam uit school was Trijn kwaad als ik de pop had en dan noemde ze mij een vernielhond. Ik heb haar pop niet vernield, maar toch ging hij kapot. Het huildoosje dat er in zat heeft Trijn goed bewaard. Als ze ander speelgoed had dan legde ze de schreeuwdoos erbij, want dan kwam Nellie niet bij haar spullen omdat die bang was voor dat ding.
Soms ging ik alleen huisje spelen. Tussen de haag en het kippenhok was daarvoor een mooi plekje. Daar had ik een stel oude pannen en oude bussen. Die oude pannen waren al vaak gerepareerd voor ze werden afgedankt. Als de pannen lek waren kwam er een stop in, zodat ze nog een tijdje gebruikt konden worden. In mijn pannen kookte ik soep met water uit de wieke. Er ging gras in en wat hondefoeken, die mooi gingen krullen in het water. Het was natuurlijk geen echt eten, alleen maar modder, stokjes en gras.
Soms als ik gezelschap wilde hebben, ging ik naar het huis van Klaos en zocht ik Jannao op. Ze was voor ons net een tweede moeder. We mochten daar altijd komen en gaan wanneer we wilden. Zonder hen als buren zou het leven voor ons heel anders zijn geweest. Als we bij Aornd op de knie zaten, kietelde hij ons tot we moe waren van het lachen.

Klaos zat soms onder de wichterboom (pruimen) om de zeis scherp te maken.

Dan zette hij het haarspit vast in de grond en legde daar de zeis op. Met een hamer tikte hij er op en dan hoorde je lang het eentonige tik, tik, tik.
Zeis haren ….. tik, tik, tik.

* * *

ZOEKPLAATJES



Foto 30a (boven) en foto 30b met in totaal vier onbekende dames die bij elkaar horen, mogelijk vriendinnen. De rechter dame op de foto boven heeft plaats gemaakt voor de linker dame op de onderste foto. Ook de plaats waar de foto is gemaakt hebben we nog niet thuis kunnen brengen. Reacties naar de redactie, liefst schriftelijk per email.

* * *

TIJD

Anoniem

De tijd lijkt wel te kruipen
als je op iets moet wachten
dan zou je zachtjes willen sluipen
naar de klok en met al je krachten
tegen de wijzers willen duwen
roepend dat je sneller wil
maar wat voor moeite je ook verspil
de seconden tikken langzaam verder.

Maar als je uitziet naar iets fijns
en de tijd is dan gekomen
zodat je rondloopt met een grijns
blijken de wijzers weg te stromen
van dat heden naar het verleden
zodat je de tijd wil stoppen
kan je het niet verkroppen
dat de wijzers verder gaan.

Vasthouden wil ik het heden
de toekomst maakt me bang
achter me laten dat verleden
ik kom erachter dat het niet kan
heden en verleden vloeit in elkaar
ik kan er geen grip op krijgen
het beangstigt me, ik zal maar zwijgen
over wat er in me omgaat.

Hebben andere mensen daar geen last van
dat ze vast willen houden sommige dingen
gaat iedereen gewoon z'n gang dan
zouden ze die gedachtes verdringen
denk ik hier te diep over na
of is het de waarheid
waar niemand tijd aan wijdt
want tijd dat is waar ik het over heb.

* * *

Foto achterpagina

Het echtpaar Karel de Liefde (Albert Jan Karel) en Riek de Liefde-Buitenhuis (Hendrika Johanna) voor hun woning aan de Burg. Backxlaan.






Jaargang 32 nummer 2 juni 2014


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina

Sluis 3 met de brug naar de Meeleweg en daarachter “de kazerne”.

* * *

MENSEN AAN HET WOORD, 4

Interview Gé Evertsen-Boer

In deze serie ditmaal een interview met Koop Oosterveen dat eind 2012 plaats vond. Koop werd op 19 december 1927 geboren in Den Hulst. Daar woonden zijn ouders Albert Oosterveen en Trijn Koning, die afkomstig was uit Dedemsvaart, bij Sluis 3 in "de Kazerne”. Later is het gezin verhuisd naar de Ommerdijk, de huidige Burg. Backxlaan.
In het gezin Oosterveen werden acht kinderen geboren. De oudste is Berend die in de meidagen van 1940 mee heeft gevochten op de Grebbeberg. Later was hij bij de Binnenlandse Strijdkrachten en hij heeft ondergedoken gezeten in de boswachterij Staphorst, hierna het Staatsbos.
Dan kwamen er drie meisjes: Martha, Hennie en Minie en daarna werd de tweeling Harm en Albert geboren. In de oorlogsjaren werkten die in de Noordoostpolder, waar ze ook waren ondergedoken.
Koop was het zevende kind in het gezin en tenslotte kwam zus Trijntje nog ter wereld.


De kinderen gingen naar de openbare lagere school aan de Hoofdvaart in Den Hulst. Daarna ging Koop naar de ambachtsschool in Zwolle, waar hij een opleiding voor automonteur-rijwielhersteller kreeg. Op vijftienjarige leeftijd trad Koop in dienst bij autobusonderneming Schutte in Zwolle. Dat duurde tot de bezetter de bussen begon te vorderen, waarna het gedaan was met het werk.
Hierna werd Koop opgeroepen om te gaan werken bij de Todt (Organisation Todt was een Duitse overheidsorganisatie. In het kader van "Bouwen aan een nieuw Duitsland" gaf ze leiding aan de bouw van de Atlantikwall. Op vrijwillige basis en in het kader van de Arbeitseinsatz werden arbeiders aan het werk gezet. Ze bouwden onder andere bunkers, kustversterkingen en wegen.). Dat gebeurde op aanwijzing van de directeur van de melkfabriek in Den Hulst ( Duif ), die Duitsgezind was. Koop moest meehelpen met het graven van loopgraven in Streukel en Genne. Hij ging daar elke dag op de fiets naar toe. Het middageten kregen ze via een mobiele gaarkeuken.
Toen dat werk klaar was, werd Koop naar Vilsteren gedirigeerd. Daar moesten de startbanen voor de V1 raketten worden aangelegd. Om daar plaats voor te maken moesten er in het bos dennen worden omgezaagd en op stapels worden gelegd om te kunnen worden afgevoerd. Het afvuren van de V1 raketten heeft Koop ook meegemaakt. Dat was niet zo prettig, zeker niet als een lancering mislukte en de raket weer bij de afvuurplaats terugkwam. Ook tijdens de werkzaamheden in Vilsteren ging Koop elke avond naar huis. Hij ging per fiets altijd via De Stuw in Oudleusen van en naar zijn werkplek.

Onderduiken
In de loop van 1944 kregen veel jongemannen het bericht dat ze in Duitsland tewerkgesteld zouden worden. Velen zijn toen ondergedoken omdat ze dat niet wilden. Zo ook Koop, die daarom in dat najaar onderdook in het Staatsbos. Hij sloot zich daar aan bij de verzetsgroep van Jos Bonvanie, waar ook broer Berend bij was. De schuilplaats was niet meer dan een gat in de grond dat zorgvuldig met takken was afgedekt. ’s Avonds ging men naar de boerderij van Kist in het Westerhuizingerveld, waar men zich kon opwarmen. Daar kregen ze ook de warme maaltijd en ’s nachts sliepen ze er, waarna ze ’s morgens vroeg weer naar de schuilplaats in het Staatsbos vertrokken. Vanuit hun schuilplaats werden af en toe acties ondernomen. Zo herinnert Koop zich wapendroppings en ook de landing van Franse parachutisten in een van de laatste oorlogsdagen. Ze kwamen niet allemaal op de juiste plaats terecht, maar landden ook aan de zuidkant van het kanaal tussen de boerderijen van Klaas Evertsen, vlakbij de Hulstkampen, en Tiemen Kroon aan de Bosmansweg. Daartussen was toen nog geen bebouwing aanwezig.
Omdat de parachutisten naar het Staatsbos moesten, werden ze ter hoogte van de notariswoning over de Dedemsvaart gezet. Een aantal wapens die de Fransen bij zich hadden werd eerst verstopt in de kelder van het ouderlijk huis van Koop, maar later ook naar het Staatsbos gebracht.
Tijdens zijn onderduikperiode zijn er in het Staatsbos ook minder prettige zaken gebeurd, maar daar is Koop nooit bij betrokken geweest. Wel zijn hem de verhalen verteld, maar toen is de afspraak gemaakt om er nooit meer over te praten en daar houdt hij zich nog steeds aan.
Omdat Koop aan de NBS ( De Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, de NBS (in het spraakgebruik meestal tot BS afgekort), was een bundeling van de verzetsgroepen in de oorlog. De BS werd al in de oorlog opgericht, maar trad vanaf de bevrijding pas naar buiten op. Ze werden toen o.a. ingezet voor het bewaken van kampen waar NSB-ers waren ondergebracht. ) deelnam, werd hij na de oorlog aangesteld als bewaker bij Kamp Conrad in Staphorst, waar ook zijn broer Berend werkzaam was. Jos Bonvanie was er kampcommandant. In kamp Conrad moest Koop zorgen voor de bewaking van de NSB-gevangenen, die o.a. aardappels moesten rooien bij de boeren in de omgeving. Ook is hij een keer mee geweest om gevangenen per schip weg te brengen naar Kamp Westvaart in de Noordoostpolder. Op zich vond hij dat wel een mooie tocht.

OVW-er
Net zoals veel NBS-ers meldde Koop zich na de oorlog aan als oorlogsvrijwilliger (OVW (OVW-ers werden aan het eind van de oorlog en in de periode daarna geworven, aanvankelijk voor inzet in Europa. Door de noodsituatie in Indië werden deze militairen door de Nederlandse regering daar naar toe gestuurd) ). Hoe kwam hij er toe om zich vrijwillig aan te melden om naar Nederlands-Indië te gaan?
Thuis was het geen vetpot. Als ze op schoolreis gingen, werden er schoenen bij de buren geleend. Een jeugd hebben we eigenlijk niet gehad, zegt Koop. Dat kwam natuurlijk mede door de oorlogsomstandigheden. Door soldaat te worden dacht Koop te kunnen beschikken over voldoende eten en drinken, kleding, schoenen, enz.
De opleiding kreeg Koop in de Margrietkazerne in Harderwijk. Hij was daar ingedeeld bij de 2e Compagnie 1-11-RI, die was opgericht op 12 juli 1945. Dit “Sallandse (Veel manschappen kwamen uit Salland )” bataljon was op Engelse leest geschoeid en op bevel van Prins Bernhard gevormd door de commandant van de NBS van het gewest Overijssel, majoor B. Doppen (zijn verzetsnaam was Herman). Het bataljon telde 800 man en werd omdat het in de Prinses Margrietkazerne in Harderwijk was gelegerd al gauw “bataljon Margriet” genoemd. Na de capitulatie van Japan in augustus 1945 en de uitroeping van de republiek Indonesië, werd het bataljon als een van de eersten uitgezonden en beleefde daar enkele zware jaren.


De 2e Compagnie 1-11-RI in opleiding in de Margrietkazerne in Harderwijk. Koop Oosterveen zit in de derde rij van onder, de vierde van links.

Toen de opleiding afgelopen was, begon de lange reis. In de plaats Reading in Engeland kregen ze nog een korte vervolgopleiding. Daar ook, in de legerplaats East Hampsteadt Park, werden ze ingeënt tegen allerlei ziektes, waaronder natuurlijk malaria. Ze werden er “lekgespoten”, zoals de jongens het noemden.
Vanuit Reading gingen ze op 28 oktober 1945 met 5000 man aan boord van de “Nieuw Amsterdam” die hen naar Nederlands-Indië zou brengen. Slapen deden ze in hangmatten die in de ruimen waren opgehangen.
Medio november kwamen ze aan op Malakka (nu Maleisië) waar het bataljon werd gelegerd in Sungei Patani.
Vanuit Malakka moest de compagnie naar Java. Het schip zou er enkele dagen over doen, maar dat werd wel een week. De voedselvoorraad was daar niet op berekend en op het laatst was biscuit met jam het enige eten dat er nog was. ’s Morgens, ‘s middags en ’s avonds altijd hetzelfde menu. Gelukkig was het van korte duur.

Om slachtingen tegen te gaan die Indonesische opstandelingen zouden kunnen aanrichten nam een patrouille van het bataljon, waaronder Koop, in mei 1946 deel aan een grote zuiveringsactie.


Afscheid nemen van de zes omgekomen manschappen.

Omdat Koop wel deel nam aan die actie maar op enig moment geen munitie meer bij zich had, gaf hij zich niet over maar ging er vandoor. Hij heeft het gelukkig gered.
Bij deze actie sneuvelden zes manschappen. Een van de mannen die omkwam was korporaal Verdam. Koop is zijn opvolger geworden.
Een van de manschappen redde zijn leven door zich in het water te laten glijden. Met een rietje kreeg hij lucht. Zo overleefde hij de actie.
Later op de veteranendag zei hij altijd als hij wat te drinken kreeg: “Met een rietje”. De jongens moesten hier dan altijd om lachen.

Het eten was eigenlijk altijd wel goed. Meestal was het rijst maar dat vond Koop wel lekker. Om eten op te halen hadden ze een speciaal blik. Het was altijd opletten of het veilig was, ook tijdens het eten ophalen. Als ze in de rij stonden werden ze soms beschoten.

Veel waardering was er voor een hospitaalsoldaat die operaties verrichtte. Hij verwijderde in z’n eentje kogels. Om ontstekingen te voorkomen gooide men jodiumpoeder in de wond en dan was die snel weer dicht.
Koop vertelt ook over zelfdoders. Dat zijn kleine vliegtuigjes die als doel hebben een bombardement uit te voeren. Ze storten dan bijvoorbeeld op een schip neer waarbij de hele boel ontploft. De bemanning van de vliegtuigjes komt daarbij ook om het leven.

Afgezien van de oorlogshandelingen was het ook anders wel eens gevaarlijk. Bij het zwemmen moesten ze altijd oppassen. In het water zaten kaaimannen, een soort krokodillen. Ze gooiden dan eerst een handgranaat in het water, waardoor de kaaimannen verdwenen.

Het gebeurde een keer dat een van Koop’s maten om een of andere reden in een sloot terechtkwam. Het leek blijkbaar niet zo goed met hem. De aalmoezenier kwam en vroeg of hij hem moest bedienen. Maar omdat hij niet van katholieke huize kwam, was dat niet aan de orde.

Slapen deden de manschappen op zogenaamde tampatjes. Dat zijn gekruiste latten met sterk linnen ertussen. Je kon ze makkelijk opvouwen en meenemen.

De kapitein van de compagnie was een fijne man waaraan Koop goede herinneringen bewaart.

Die man kwam hij later nog wel eens tegen omdat hij toen leraar was op de MAVO in Dedemsvaart, waar Koop’s zoon naar toe ging. Zo bleef er contact.
Ook zat er nog iemand uit Nieuwleusen in de compagnie waarin Koop zat. Het was Harm Wicherson, die ook nog een keer gewond is geraakt.


Koop Oosterveen (links) en Harm Wicherson


Post
Maar een keer in de drie maanden kregen ze post. Zijn vader stuurde een keer geld, vijftig gulden nog wel. Dat was heel veel geld want zoals gezegd, het was thuis geen vetpot.
De moeder van Koop schreef altijd trouw een brief, steeds met dezelfde aanhef: “Geliefde zoon”. Daarna volgden dan de nieuwtjes uit de familie en uit de buurt. Koop schreef ook steeds terug, maar vanwege een verwonding kon hij niet altijd zelf schrijven. Er waren wel behulpzame verpleegsters die dat wilden doen, maar hij heeft dat nooit in de brieven laten weten. Toen hij later weer thuis was en een keer met zijn broer Albert alleen was vroeg die: “Zeg Koop, wie heeft die brieven eigenlijk geschreven? Jij toch niet?”
Het was dus wel opgemerkt dat het niet zijn handschrift was, maar blijkbaar heeft moeder Oosterveen het nooit in de gaten gehad.

Eens kreeg Koop een grammofoonplaatje opgestuurd. Ouders van Indiëgangers kregen toen de gelegenheid om een boodschap in te spreken op een grammofoonplaatje en dat op te sturen naar hun zoon. Koop was heel bij met het grammofoonplaatje waarop zijn moeder een korte tekst had ingesproken: “Hallo jongen, hier ben ik, hoe gaat het met jou? ….. “Hij beluisterde het vaak en haalde er ook wel grapjes mee uit door het sneller te draaien.

Helaas is het plaatje verloren gegaan toen de plunjezak waarin het zat in het water is gevallen en verdween.

Konden de jongens wel praten met de plaatselijke bevolking?
Ze kenden, evenmin als Koop, toch geen Maleis? Dat ging prima zegt Koop, dat leer je wel. Hij kreeg er zelfs kennis aan een meisje.


OVW-er Koop Oosterveen op een helaas beschadigde foto.


Van dat vriendinnetje bewaart hij nog een brief. Af en toe denkt hij nog wel eens aan haar; hoe zou het met haar gegaan zijn en zou ze nog leven? In april 1951 is Koop met Margje Brasjen getrouwd, zijn Nieuwleusense vriendinnetje.

Weer thuis
Eind april 1948 kwam het verlossende bericht dat het bataljon op 14 mei met de "Waterman" naar huis terug zou keren. Ze kwamen helaas niet allemaal terug. 33 kameraden zijn gesneuveld en werden begraven op Indonesische erevelden, die nog steeds keurig worden onderhouden. In het boek van Inge Klumper-Eleveld, “Een zoektocht naar Jan de foerier van 1-11-RI”, is het leven van de jongens beschreven. Ook ds. Slomp, alias Frits de Zwerver wordt daarin genoemd. Hij diende ook in Nederlands-Indië.

Koop moest huiswaarts zonder zijn verloren gegane plunjezak. Bij thuiskomst moest hij zijn legerkleren inleveren. Voor datgene wat hij miste moest hij een vergoeding betalen.
Gedurende zijn tijd in Nederlands-Indië ontving Koop natuurlijk soldij. Hij ging daar zorgvuldig mee om en had bij thuiskomst een aardig spaarcentje. Dat kwam wel heel goed uit! Zijn moeder lag thuis in bed na een ziekenhuisopname.

Ze waren niet verzekerd en dus werden de spaarcenten van Koop aangesproken om het ziekenhuisverblijf te betalen. Er bleef nog wat over en daarvan ging hij voor zijn zuster Trijntje nieuwe kleren kopen bij Peek en Cloppenburg in Amsterdam omdat hij daar nog een tegoedbon van had.

Koop Oosterveen bij terugkomst bij zijn ouderlijk huis aan de Ommerdijk in Nieuwleusen.

Koop had geen werk toen hij terug kwam uit Nederlands-Indië. Bij Bart Mensink kon hij aan de slag om aan huurwoningen dakgoten te maken. Maar de onrust zat hem blijkbaar in het bloed want Koop gaf zich op als vrijwilliger voor Korea. Hij heeft daar toch van af gezien. Daarna kon hij weer terecht bij zijn eerste oude baas, autobusonderneming Schutte in Zwolle.

Jaarlijks is er een bijeenkomst van veteranen. Koop gaat er nog elke keer naar toe. Hij heeft een speciaal veteranenpetje dat hij dan op zet. De bijeenkomsten vindt hij heel gezellig. Er worden altijd leuke herinneringen opgehaald en nare verhalen worden niet verteld.

Koop is trots op zijn oorkondes die her en der in huis aan de wand hangen. Hij heeft er veel gekregen, zelfs een van prins Bernhard. Jaren later, nu zo’n jaar of tien geleden, kregen oorlogsvrijwilligers een gouden speld. Die waardering was prima, maar na afloop van de bijeenkomst moest er voor het aperitief wel € 7,50 worden betaald!

Een familielid van een van de veteranen hoorde daarvan en vond het onterecht dat ze dat moesten betalen. Hij heeft van iedereen die toen een speld gekregen had de adressen opgespoord waarna hij ze allemaal uitgenodigd heeft in zijn restaurant. Hij liet ook een legervoertuig aanrukken met een dweilorkest. Op die manier trakteerde hij ze. Dat was een zeer gewaardeerde benadering. Die hele dag heeft het hun geen cent gekost.

Koop zit nog steeds vol van zijn tijd in Nederlands-Indië. Zijn kinderen zijn er wel aan gewend, terwijl de kleinkinderen de verhalen van grootvader heel erg boeiend vinden.

Koop Oosterveen met naast hem twee kameraden uit zijn tijd in Nederlands-Indië met wie hij nog steeds contact heeft.

* * *

MUSEUMVOORWERPEN, 1

Jakob de Weerd

In museum Palthehof zijn veel voorwerpen te vinden. Sommige daarvan zijn vrij bekend, andere wat minder. Het leek ons wel een goed idee om in het kwartaalblad eens wat te vertellen over verschillende voorwerpen.

Bij de ambachten in het museum liggen een tweetal lange ijzeren staven. De een heeft een soort lepel aan een kant en aan de andere kant een gat. De andere staaf heeft ook dat gat, maar in plaats van de lepel een soort pen. Bij de staven behoort een aantal losse lepels. De lepels hebben de vorm van een in de lengte doorgesneden buis, het boorgedeelte.
Met enige regelmaat wordt de vraag gesteld waar deze materialen voor dienden. Hoewel er een afbeelding bij ligt, is het niet voor iedereen duidelijk wat het is. We hebben het hier over zogenaamde “pompboren”. Dat is een uit de kluiten gewassen lepelboor, die gebruikt werd om uit een boomstam een pomp te maken.

Op enig moment werden de houten pompen op de boerderij verdrongen door ijzeren of koperen exemplaren. De pomp stond meestal op de zogenaamde “pompestraote”, ook wel “geute” genoemd, of buiten op het erf.
Ze speelden een belangrijke rol in het dagelijkse leven van onze voorouders. 's Morgens ging men zich aan de pomp wassen. Het benodigde water voor de maaltijden en het veevoeder werd er mee


opgepompt en ook dat voor de was en de afwas. Dankzij het houten lichaam verschafte de pomp zeer fris water. Dat werd dan ook van enige diepte uit de grond opgepompt of het kwam uit een put waarop de pomp was geplaatst. De houten pomp was een onmisbaar gebruiksvoorwerp.
Het maken van een pomp was evenwel geen heel gemakkelijk karwei.
Het was meestal de timmerman, de wagenmaker of de pompboorder die dit werk uitvoerde. In een sloot of waterplas had hij een aantal boomstammen liggen van zo’n vijf meter. Die moesten worden “gewaterd” voordat ze konden worden gebruikt. Dat duurde een tot enkele jaren en diende om de boomstam te “verstevigen” zodat die niet zou gaan barsten.
Een boomstam voor een pomp moest behoorlijk recht zijn. In ieder geval moest de stam een rechte middellijn hebben van ongeveer 25 centimeter. Om een pomp te maken werd op beide uiteinden van de stam de middellijn uitgetekend. Met het smetkoord, dat is een touw ingestreken met lammerzwart, werd over de gehele lengte van de stam een lijn gezet, de zogenaamde richtingslijn of smetlijn. Aan een kant werd nu met een voorganger een gat geboord van 10 à 15 cm diepte. Hierin werd de pompboor ingebracht.
Een pompboor of pompijzer, meestal 4 à 4,5 meter lang, is dus een boor die bestaat uit een stang met onderaan het boorgedeelte (de lepelboor) en bovenaan een handvat. Onderaan de lepelboor zit vaak een haak waar een ketting aan vastgemaakt kan worden, waardoor er ook nog tijdens het boren aan de boor getrokken kan worden.
Nadat de pompboor in het voorgeboorde gat was ingebracht, konden drie mannen met het zware boorwerk beginnen. Twee mannen draaiden de boor, de derde hield de boor in de richting van de smetlijn. Na 4 à 5 uur zwaar werk was de boom doorboord met een holte van 5 cm diameter. Nu werd een boor van 6 cm op de lange pompboor aangebracht en de opening werd opnieuw doorboord.
Daarna werd aan de bovenkant het boorgat over een lengte van zo’n 1,25 m tot 8,5 cm verbreed. De overgang tussen de opening van 6 cm en 8,5 cm werd enigszins trechtervormig. Hierin kwam het ventiel dat moest verhinderen dat de pomp leegliep. Dit ventiel werd met hennep omwonden en in dierlijk vet gedrenkt, waarna het in de schacht werd gebracht en aangestampt.
Daarboven werd het pompemmertje gehangen dat aan de zwengel werd bevestigd. Het emmertje was van hout met leer aan de zijkant.


Midden in het emmertje zat een met leer bevestigde klep die sloot wanneer de zwengel omlaag werd geduwd (pompen). Een eindje van de bovenkant van de pomp werd een gat gemaakt waarin de tuit werd bevestigd waardoor het water de pomp verliet. In deze streken werd dat ook wel de pomplul genoemd.
Aan de onderzijde van de pomp werd de schacht over enige lengte van het uiteinde weer dichtgemaakt met een houten stop. Net daarboven werden in de wand een of twee gaten geboord waardoor het water in de schacht kon komen.

Lepelboren werden ook in de scheepsbouw en molenbouw gebruikt. Eveneens maakten klompenmakers gebruik van lepelboren voor het uithollen van klompen. Ze werden gebruikt voor het vergroten van boorgaten. Allereerst werd met gewone handboren en ronde boortjes een steeds groter gat gemaakt, dat daarna met lepelboren in oplopende diameter groter werd gemaakt.

* * *

ZOEKPLAATJE


Foto 31: Vrouw in klederdracht in een rieten stoel in de tuin. Ze heeft mogelijk in het gebied Kringsloot / Middeldijk gewoond.
De redactie ziet uw reactie graag tegemoet.

Zoekplaatje 31 was binnen een dag na het verschijnen van het kwartaalblad al opgelost:

Groot was de verassing toen ik “Nijluus’n van vrogger” van juni 2014 opende. Mijn overgrootmoeder!!
Het fijne weet ik er niet helemaal van maar het is de moeder van mijn oma Janna Stolte die getrouwd was met Johan van der Graaf.
Dus zij moet getrouwd zijn geweest met een Stolte. Ik weet haar meisjesnaam niet. Ze komen inderdaad uit de buurt van de Middeldijk/Kringsloot. Ik weet dat ze in ieder geval 2 kinderen had: Jan en Janna (mijn oma). Er kunnen er dus meer geweest zijn. Dit is wat ik weet, wat mij vroeger verteld is. Hopelijk heeft u er wat aan. Met vriendelijke groet,
Sabrina Vogelzang

Met dit gegeven in de hand was het niet meer zo moeilijk om uit te zoeken hoe haar naam is. Het is Willemina Stroink, geboren op 16 januari 1867, dochter van Rutgert Stroink en Janna Bouwman. Ze trouwde op 15 maart 1894 met Barteld Stolte, zoon van Jan Stolte en Hilligje Schoemaker.
Nadat Barteld Stolte op 27 augustus 1905 was overleden, trouwde Willemina op 30 september 1909 met Jan Kragt.
Willemina Stroink overleed op 25 maart 1944, nadat ze ook haar tweede echtgenoot had overleefd.

* * *

TOEN EN NU, 1


Hoek Burg. Baron van Dedemstraat / Burg. Backxlaan, ca 50 jaar geleden en in 2014.


* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO

Dit keer een foto van de examenklas uit 1964 van de christelijke MULO in Den Hulst. Deze was gevestigd in het voormalige schoolgebouw van de christelijke lagere school. Toen die school een nieuw gebouw kreeg aan het Zandspeur, de Zaaier, nam de MULO er zijn intrek. Later kreeg de MULO een nieuw gebouw aan de Zwaluwlaan, het huidige Agnietencollege.
Het schoolgebouw aan Den Hulst bestaat nog steeds. Er zijn nu woningen in gemaakt.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  

Hubrechtse, leraar
Hilly Gerrits
Peter Kreule
Fenna Stolte
Gerrie Bovenhoff
Bertus van Ankum
Henk Kreule
Scholten, leraar

9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  

Riekie Kamerman
Klaasje Visscher
Jenny Timmerman
Dini Luten
Marrie van Duren
Gea Wiersma
Janny ter Wee
Freja Westerman

17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
 

Bouwman, lerares
Dick Broer, leraar
Willem Prins
Henk Stegerman
Roel Kouwen
Bert Zomer
Arend Knotters

* * *

EEN NIEUWLEUSENAAR EN DE STORMRAMP VAN 1916

Jakob de Weerd

Het jaar 1916 was nog maar enkele dagen oud toen ons land werd getroffen door een stormramp. Hoewel het aantal slachtoffers beperkt bleef, was de schade enorm. Zoals altijd bij rampen werden ook bij deze stormramp militairen ingezet om te helpen. De Eerste Wereldoorlog was in 1916 volop aan de gang, maar ons land bleef neutraal. Wel was ons leger gemobiliseerd. Jan Willem Brinkman uit Nieuwleusen deed in die periode dienst in het leger. Er is een kaart van hem bewaard gebleven van 18 juni 1914 waaruit blijkt dat hij toen in de legerplaats Oldebroek gelegerd was.

Hoewel er in 1916 dus geen oorlogshandelingen van ons leger waren, was er toen wel iets bijzonders aan de hand. Op 20 januari 1916 stuurde soldaat Jan Willem Brinkman een ansichtkaart met daarop het interieur van een kazerne aan zijn vrouw Janna Brinkman-Brasjen.



Op de kaart schreef hij: “Deze goed bewaren”, wat naar alle waarschijnlijkheid slaat op de krant waarover hij schrijft.
De tekst op de kaart luidt als volgt:

L bij O 20-1-19/16 Geliefde Vrouw en kinderen. Ik ben gistermorgen van D naar Zw gefietst de trein ging net voor mijn neus weg maar ik was toch vroeg genoeg wel vrij (veel) tegenwind u zult zeker de courant ook wel ontvangen want ik stuur hem U tegelijk mee af. ‘t Is vreselijk hoe de storm gewoed heeft. allen de Hartelijke Groete van Mij de Melicien J W Brinkman Sectie A L bij O.

De stormramp van 1916
Op 11 januari was het begonnen te stormen en die storm met zware windstoten hield enkele dagen aan. Het water in de Noordzee kon door de noordwester storm niet goed weg. Het gevolg was dat het de Zuiderzee werd ingeblazen, waar het steeds verder werd opgestuwd. Op 14 januari wakkerde de storm aan tot ruim 100 km. per uur. Het water aan de zuidelijke rand van de Zuiderzee steeg zo hoog dat er dijken doorbraken. Bij Spakenburg kwam het tot bijna drieënhalve meter boven NAP. Door de gaten in de dijken, o.a. bij Eemnes, Nijkerk, Elburg en Volendam kon het water zo het land in stromen. Het eiland Marken, dat alleen maar lage dijken had, werd overspoeld. Er vielen daar 16 doden te betreuren. Ook elders kwamen mensen om het leven.
Op sommige plaatsen stond het water tot vier meter boven het maaiveld. De schade was immens.
Ook elders ondervond men wateroverlast. In Friesland braken dijken door in de buurt van het Tjeukemeer en de omgeving rond Wolvega stond onder water. Bij Zwolle en Zwartsluis liepen dijken over en ook bij het Zwartewater en de Overijsselse Vecht bleef het water niet binnen de dijken. Langs de Gelderse Zuiderzeekust stroomden alle dijken over. Door de vrij hoge ligging bleven grote delen van de Veluwe gespaard. Ten noorden van Elburg werd een gat in de dijk geslagen, hoewel deze niet geheel doorbrak. Ook ten oosten en westen van Nijkerk braken de dijken door. In Amersfoort stond het blank. De hele Biesbosch liep onder en in de grote rivieren stond het water tot boven aan de dijk.
Hoewel de ellende niet te overzien was, heeft deze stormramp ook zijn goede kant gehad. Het heeft de regering aangespoord toch tot de afsluiting van de Zuiderzee over te gaan. Plannen daarvoor waren er al eerder, maar tot dan toe gebeurde er weinig. Niet iedereen was het trouwens eens met de afsluiting van de Zuiderzee. De Groningse herenboer Mansholt vond de afsluiting een onzinnige en gevaarlijke zaak, die nieuwe rampen zou veroorzaken.
Het plan tot afsluiting van de Zuiderzee en inpoldering van de zee was


De overstroomde Spoortstraat in Elburg (Internetfoto).

afkomstig van Ir. C. Lely. Op aandringen van Lely, die een aantal keren Minister van Waterstaat was, had koningin Wilhelmina in de troonrede van 1913 al meegedeeld dat de tijd gekomen was om de afsluiting en droogmaking van de Zuiderzee te ondernemen. De Eerste Wereldoorlog gooide echter roet in het eten. Maar op 13 juni 1918 werd dan toch het wetsontwerp aangenomen om de Zuiderzee droog te maken.

Jan Willem Brinkman uit Nieuwleusen moet een van de militairen zijn geweest die zijn steentje bijdroeg bij het herstel na de stormramp van 1916. Hij was geboren op 28-07-1888 en toen dus 27 jaar. Het is niet bekend of hij toen nog voor zijn nummer in dienst was of dat hij was opgeroepen vanwege de mobilisatie of de omstandigheden.


De kaart die Jan Willem Brinkman op 18-06-1914 naar zijn vrouw stuurde. Hij is de tweede van links. Helemaal links is Jan van Spijker (van de Coöperatie). De anderen zijn dienstkameraden.

Genealogische gegevens van Jan Willem Brinkman

1






2






3






Jan Willem Brinkman, geb. Dalfsen 28-07-1888, overl. 16-11-1962, zoon van Gerrit Jan Brinkman en
Gerrigje Frielink, landbouwer, trouwt Nieuwleusen 25-04-1912 met
Janna Brasjen, geb. Nieuwleusen 24-03-1891, overl. 29-09-1977, dochter van Hendrik Brasjen en
Jentje Klein.
Gerrit Jan Brinkman, geb. Dalfsen 30-06-1850, overl. Dalfsen 07-07-1922, zoon van Johannes Brinkman en Berendina Brinkman, landbouwer, trouwt Nieuwleusen 08-04-1886 met
Gerrigje Frielink, geb. Nieuwleusen 10-11-1860, overl. Oudleusen (Dalfsen) 15-03-1915, dochter van
Willem Frielink en Femmigje Brouwer.
Johannes Brinkman, geb. Welsum (Dalfsen) 29-06-1813, overl. Dalfsen 10-12-1889, zoon Jan Brinkman en Margjen Berends, boerenknecht, trouwt Dalfsen 20-04-1843 met
Berendina Brinkman, geb. Oudleusen (Dalfsen) 27-01-1817, overl. Oudleusen (Dalfsen) 10-03-1880, dochter van Jan Brinkman en Marrigjen van Lenthe.

Genealogische gegevens van Janna Brasjen

1






2






3









Janna Brasjen, geb. Nieuwleusen 24-03-1891, overl. 29-09-1977, dochter van Hendrik Brasjen en
Jentje Klein, landbouwster, trouwt Nieuwleusen 25-04-1912 met
Jan Willem Brinkman, geb. Dalfsen 28-07-1888, overl. 16-11-1962, zoon van Gerrit Jan Brinkman en
Gerrigje Frielink.
Hendrik Brasjen, geb. Nieuwleusen 14-09-1860, overl. Nieuwleusen 04-11-1912, zoon van Klaas Brasjen en Fennigje Witpaard, landbouwer, trouwt Nieuwleusen 15-04-1886
Jentje Klein, geb. Nieuwleusen 30-01-1861, overl. Nieuwleusen 19-03-1936, dochter van Thijs Klein en Janna Snijder.
Klaas Brasjen, geb. Nieuwleusen 22-10-1826, overl. Nieuwleusen 30-04-1866, zoon van Hendrik Brasjen en Aaltje Berends (Pander), landbouwer, trouwt Nieuwleusen 12-03-1859 met
Fennigje Witpaard, geb. Nieuwleusen 28-09-1838, overl Nieuwleusen 17-02-1905, dochter van
Koop Witpaard en Hendrikje Ganzeboer.
Fennigje trouwt na het overlijden van Klaas Brasjen in Nieuwleusen op 22-06-1867 met Willem Borger (1832-1890), zoon van Jan Wichers Borger en
Klaasje Brinkman.

* * *

HET KLEINE HUIS AAN HET PAD, 12

Margje Key-Hendriks

Zondagschool
Op zondagmiddag kregen we onze “goeie” kleren aan en de “maagies” een grote strik in het haar. We mochten dan ook schoenen aan. We liepen altijd naar school en naar de zondagschool, ook al omdat we niet allemaal een fiets hadden. Ik mocht eerder naar de zondagschool dan naar school. Trijn ging er toen al een tijd naar toe en ik kon met haar mee. Ik mocht bij haar in de bank zitten. Er waren twee klassen, de “groten” en de “kleinen”. Hoewel ik de liedjes die gezongen werden niet kende, deed ik wel mijn best om mee te zingen. Maar Trijn stootte me aan en zei: “Hou je stil, je kunt niet zingen”. De eerste keer naar zondagschool verliep dus anders dan ik had gehoopt.
Maar het duurde niet lang of ik kon liedjes als “Daar ruist langs de wolken”, “Als g’in nood gezeten” en “Scheepke onder Jezus hoede” ook meezingen. Ik ging graag naar de zondagschool, die in de school werd gehouden. Er waren een jonge vrouw en een man, Hendrik Huzen, die ons leerden. Hij woonde aan het Pad, niet zo ver bij ons vandaan.
Wanneer we thuis kwamen van de zondagschool kregen we altijd chocolademelk en een paar koekjes of koek. Vader en moeder zaten dan altijd bij de tafel of naast de kachel een boek te lezen. Vader las vaak boeken van Max Brand. De boeken kwamen van school, waar een bibliotheek was. Henk ruilde de boeken en bracht een boekenlijst mee naar huis en daar konden onze ouders een paar boeken uit kiezen. Na een tijdje werden alle boeken van de schoolbibliotheek geruild met andere scholen en zo kwamen er steeds andere boeken. Mijn eerste boek uit de bibliotheek was Robinson Cruisoë. Ik vond er niet zoveel aan. Een van de oudere meisjes had het voor me uitgezocht, maar ik was er nog te jong voor.

Op zondag gingen we nooit naar de kerk. In die tijd werden de plaatsen in de kerk verhuurd en iedereen had een eigen plaats. Vijf minuten voordat de kerkdienst begon ging er boven de deur een rood lampje branden en dan kon iedereen die geen gehuurde plaats had gaan zitten waar nog plaats was. Vader wilde niet staan wachten op dat rode lampje om een vrije zitplaats te hebben en we hadden geen geld om er voor te betalen. Toen we wat ouder waren wilde hij toch hebben dat we naar de kerk gingen en dat deden we dan meestal een keer in de maand. Toen we later in Canada woonden gingen onze ouders wel altijd naar de kerk en misten ze bijna geen zondag. Daar werden de banken niet verhuurd en men gaf wat men betalen kon.
De meeste Nieuwleusenaren gingen naar de Hervormde Kerk in de Kerkenhoek of de Gereformeerde Kerk aan de Ommerdijk. Verder waren er nog een paar kleine kerkjes. Aan de Diek was het “Schuttenkerkje”. Het kerkje aan de Allee bij de Meele was “Rehoboth”. Sommige mensen waren erg “fien”, wat betekende dat men op zondag bijvoorbeeld niet mocht fietsen of zwemmen.
Later op school kregen we op maandagmiddag een uur catechisatie. Er kwam dan een dominee om ons te leren. Elke week moesten we een tekst of een versje uit het hoofd kennen.

De lagere school
Het schooljaar begon in mei. Er was nog geen kleuterschool en je mocht naar de lagere school als je zes jaar oud was. In school moest iedereen Nederlands praten. Thuis spraken we niet anders dan het Nieuwleusens dialect.
Toen ik naar school mocht, had ik thuis al geoefend om een huisje te tekenen en ook geleerd een huisje met een kruisje te maken. Dat moest in een onafgebroken lijn gebeuren en je mocht geen twee keer over dezelfde lijn. Ik wist toen nog niet dat het ook een betekenis had: ieder huisje heeft zijn kruisje!
Ik ging samen met Trijn naar school. Ze zat in hetzelfde lokaal, maar in een hogere klas. De hoofdonderwijzer heette Van Aarst. Hij was wel aardig, maar je moest niet iets verkeerds doen want dan was hij streng. Ik herinner mij dat een van de grotere jongens eens een verkeerd woord zei en daarom flink klappen kreeg. Daarvoor gebruikte hij zijn handen. Meester Van Aarst kwam oorspronkelijk uit Kampen. Mensen die daar vandaan kwamen werden Kamper uien genoemd, wat betekende dat men ze een beetje dom vond. Soms vertelde hij moppen over de Kamper uien en dat vonden de kinderen prachtig, vooral omdat hij daar zelf ook bij hoorde.
De eerste woorden leerden we lezen met het leesplankje. Daar stonden plaatjes op en we moesten met letters de woorden er onder leggen. Dan moesten we het opzeggen: Aap, Noot, Mies, Wim, Zus, Jet, Teun, Vuur, Gijs, Lam, Kees, Bok, Weide, Does, Hok, Duif, Schapen.
We leerden schrijven op een lei met een griffel. Later schreven we met potlood op papier en toen we ouder waren met pen en inkt. Daar had je ook vloeipapier bij nodig. In het tafeltje zat een inktpotje en een ondeugende jongen probeerde wel eens om daar de vlecht van het meisje dat voor hem zat in te stoppen. De oudere klassen moesten ook met een stompe pen leren schoonschrijven. Het was toen belangrijk om netjes en met duidelijke letters te schrijven.
De school begon ’s morgens om negen uur en duurde, met tussendoor een speelkwartier, tot twaalf uur. Tussen de middag liepen we naar huis om te eten. De school begon weer om half twee en duurde tot half vier. De kinderen die ver weg woonden bleven tussen de middag op school om hun “stoete” op te eten.
De school was in een gebouw met twee scholen. Wij gingen naar de openbare school, die in de linkerhelft van het gebouw was. In de rechterhelft was de christelijke school. Laatstgenoemde school werd steeds groter en de openbare steeds kleiner. Toen Henk voor het eerst naar school ging had de openbare school nog drie lokalen, maar toen ik op school kwam waren er maar twee lokalen met elk vier klassen. Een paar jaar later was er maar een lokaal over, waarin alle acht klassen zaten.


De school te Ruitenveen met onderwijzerswoning kort nadat deze in 1917 gebouwd werden.

Bij de christelijke school was een stuk aangebouwd met een plat dak. In het oude gedeelte zaten de ramen boven dat platte dak. Die ramen konden met een lange stok, met een haak eraan, worden geopend. Op een keer toen wij speelkwartier hadden, klom Gait Jan Pessink met een keutel in een krant op het platte dak. Hij mikte die door het open raam precies op de lessenaar van de meester. Dat was achteraf niet zo geslaagd want de hele school moest nablijven. Meester Van Aarst wilde weten wie het had gedaan, maar iedereen hield zijn mond en dus kwam hij het niet te weten.

Als er ’s winters sneeuw lag, waren er nogal eens sneeuwballen-gevechten tussen de twee scholen. Met natte sneeuw bleef er nog wel eens grind in een sneeuwbal plakken en dan dacht men dat dit expres gedaan was. Ook maakten ze de sneeuwballen een dag van te voren en lieten ze ’s nachts bevriezen. Het was dan net of ze met stenen gooiden. Om ruzies te voorkomen werden de tijden van het speelkwartier van de beide scholen na elkaar gehouden.

Planten verzorgen
Op school kreeg iedereen in het voorjaar een plant mee naar huis om op te kweken. Alle scholen in de omgeving deden er aan mee. Als ze weer meegenomen werden naar school waren er prijzen voor de mooiste planten. Elke klas kreeg een andere soort. De kinderen in mijn klas kregen dat jaar een fuchsia. De klas van Trijn kreeg een Calceolaria, maar van Henk weet ik het niet meer. In het voorjaar kregen we stekjes met wortels er aan en les om de plantjes op te potten. Dit gebeurde achter de school. Eerst moesten de potten in een emmer water geweekt worden, zodat ze niet droog waren. Dan voorzichtig het plantje in de met grond gevulde pot zetten waarna we ze mee naar huis konden nemen. De hele zomer moesten we er zelf voor zorgen, maar moeder vertelde wel hoe we dat doen moesten.
In de herfst brachten we de planten terug naar school. Deze zorgde er voor dat alle planten naar de zaal in café Schoemaker in de Kerkenhoek werden gebracht. Die zaal stond dan vol bloeiende planten en iedereen kon komen kijken. Trijn had de derde prijs voor haar plant en voor mijn fuchsia kreeg ik de tweede prijs.
Toen ik in de tweede klas zat hadden Trijn en ik juffrouw Eskes. Ze gaf les aan alle vier klassen in ons lokaal. In het voorjaar zei de juffrouw dat we de namen van wilde planten moesten leren. Alle kinderen van de vier klassen moesten zoveel verschillende planten zoeken en meebrengen als we konden. Dan vertelde zij ons de namen en schreef die op een van de borden. Achteraf vind ik het jammer dat we toen de Latijnse namen niet leerden, maar toch waren het prima lessen. Als juffrouw Eskes de naam niet wist zocht ze die op.
De eerste paar weken bracht iedereen planten mee en ook veel dezelfde natuurlijk. Toen begon het af te zakken, terwijl het bord nog niet vol was. Toen iedereen er genoeg van had deden Trijn en ik nog door want dit was juist iets wat wij graag deden. We hadden veel plezier van het urenlang zoeken en vonden steeds weer andere soorten. In de herfst was het bord helemaal volgeschreven met plantennamen. De meeste hadden Trijn en ik meegebracht. We kregen er helaas geen cijfer voor op ons rapport.
Juffrouw Eskes was een goede onderwijzeres. Toen ik in de vierde klas zat is ze getrouwd en weggegaan. Soms stuurde ik haar een ansichtkaart en dan stuurde ze er altijd een terug. In de vijfde en zesde klas kreeg ik meester Van Aarst. Trijn ging toen al naar de huishoudschool in Den Hulst.
In de tweede klas moesten de meisjes op woensdagmiddag leren breien. We leerden dat net zo als iedereen het leert: tien steken op een pen en dan insteken, omslaan, doorhalen en af laten gaan. Ik had er nogal moeite mee. De ene toer was veel te strak en in de volgende rij waren de steken veel te lang. Ik kon ze niet mooi gelijk krijgen en kreeg ook maar een vijf op het rapport. Uiteindelijk heb ik het breien toch goed geleerd omdat we het thuis ook altijd moesten doen. Later leerden we sokken breien en dat moest met vier pennen, wat helemaal een geharrewar was. Maar na een tijdje leerde je dat ook wel.
Voor dictee kreeg ik altijd een goed cijfer en ook rekenen kon ik goed tot de zesde klas. Toen verhuisden we naar Den Hulst. Daar waren ze al een eind verder en ik kon het niet meer inhalen.

In juli 1944 kreeg ik mijn laatste rapport van dat jaar. Daarna werden er Duitsers in de school gehuisvest en moesten wij thuis blijven. Wel kregen we wat boeken en de griffeldoos mee naar huis. Ook in de school in Den Hulst kwamen Duitsers, maar daar kregen de kinderen les in de Unionfabriek.
Vrijdagmiddag was het altijd het leukste op school. Dan kregen we tekenen en dat deed ik heel graag. Geschiedenis interesseerde me niet en ik deed ook niet mijn best om de jaartallen te leren die we moesten afratelen.
Het rapportboekje kregen we drie keer per jaar mee naar huis, steeds hetzelfde boekje van de eerste tot en met de achtste klas. Mijn rapport van december 1945, toen ik in de derde klas zat, zag er als volgt uit: voor gedrag, vlijt en netheid elk een acht, voor lezen, schrijven en tekenen elk een zeven, voor rekenen en taal een zevenenhalf en voor zingen en handwerken allebei een vijf.

Schoolkinderen
Het was voor ons niet ver om naar school te lopen. We droegen altijd klompen, een schort over de jurk en een strik in het haar. We liepen altijd vlak voor het huis van Klaos langs naar de weg en zo naar de Diek. Daar kwamen we langs Jannao Vonder. Ze woonde bij Pierik aan de wegkant en kon iedereen aan zien komen. Zodra we langs haar huis liepen kwam ze naar buiten en begon ons van alles te vragen. Ze was nogal nieuwsgierig maar dat was misschien de enige manier voor haar om te weten te komen wat er in de buurt omging.
Aan de andere kant van de weg, dichter bij Klaos, woonden Nijlant en Tempelman naast elkaar. Bij Tempelman was een meisje dat TBC had. Ze lag in een huisje met grote ramen dat wij een tentje noemden. Trijn en Henk moesten altijd bij Nijlant aan om Jan, die erg verlegen was, mee naar school te nemen.
Er waren drie jongens die Jan Nijlant heetten. Om ze uit elkaar te houden noemden we ze Jan van Jan, die dicht bij ons woonde, Jan van Marten, die achteruit bij ten Kate woonde en Jan van Gait die bij Koenders achteruit woonde. Het waren neven van elkaar.
We kenden alle kinderen op school en er zijn er altijd een paar die je nooit vergeet. Zo was er een jongen die mager was en zijn familie was

TBC-huisje in 2005 kort na de verplaatsing naar museum Palthehof.

niet zo schoon. Hij was soms ook wat doof en dan zei meester Van Aarst tegen hem dat hij naar de dokter moest gaan om zijn oren te laten uitspuiten. Daarna kon hij dan weer beter horen.
Dan zat er in de rij naast mij iets verder naar achteren een jongen, die, als ik achterom keek, altijd een lange groene snottebel onder de neus had hangen. We noemden hem wel eens de baviaan omdat we vonden dat hij daar op leek, maar we waren niet zo gemeen om dat tegen hem te zeggen. Vader en moeder zeiden dat we dat niet mochten doen omdat het niet mooi was en hij het zelf niet kon helpen.
Er was ook een kleine magere jongen die mooi kon zingen.
Sommigen zeiden dat een meisje op mij leek en dat vond ik niet zo leuk omdat ik haar een verwend nest vond. Een jongen was een beetje een wijsneus en een ander was een stille jongen maar wel aardig. Femmie Luten was mijn vriendin en ze zat naast me in de klas. Een ander meisje noemden we luzebos. Ze had mooi dik rood haar, maar met luizen er in. Haar broertje was een bazige pester. Hij zat altijd te sarren en te dreigen. Hij was veel groter dan ik en ik was bang voor hem. Op een keer zei hij tegen me: “Als je me geen kwartje meebrengt geef ik jou een pak op de balg”. Toen heb ik maar een kwartje uit mijn spaarpot gehaald en heb het hem gegeven. Daarna dacht ik, dat is te gek, dat doe ik nooit weer.
Als de school ’s morgens begon en de kinderen het lokaal binnen kwamen, moest iedereen netjes zitten met de armen over elkaar. Als de school uitging rende iedereen naar de weg en de jongens naar de Buitendijksloot, waar ze dan op een rijtje naast elkaar stonden te plassen. Ze probeerden dan wie het verste kon komen.
Als we een verjaardag hadden mochten we ’s morgens eerst naar bakker Jonker om een “puntbuultie” snoep te kopen. Moeder zei altijd dat we iets moesten kopen waar we goed van delen konden. Op school moest de jarige voor de klas staan en dan zongen de kinderen “Er is er een jarig, hoera”. Daarna konden we trakteren en gingen we met de zak snoep alle rijen langs om iedereen er een snoepje uit te laten pakken.
Thuis was ons verjaarscadeautje vaak een potlood. Ik kan me herinneren dat vader de knopendoos voor de dag haalde en daar een potlood uit haalde voor mijn verjaardag. Dat zal wel in de oorlog geweest zijn, toen er van alles niks te krijgen was. Iedereen had een knopendoos waar de van versleten kleren afgeknipte knopen in werden bewaard tot ze weer gebruikt konden worden. De ouwe kleren die echt niet meer opgelapt konden worden, werden opgespaard voor de lompenboer die soms langskwam. Hij kon de lompen weer aan een fabriek verkopen, waar ze er papier van maakten.

Spelletjes
Kaatsballen was een van de spelletjes die we speelden. Soms was dat met twee of drie, een enkele keer ook met vier ballen, maar die moesten dan wel allemaal even groot zijn. Het “Spel van Twaalf” was één van de kaatsbalspelletjes met twee ballen en dat ging als volgt:
De beide kaatsballen om de beurt gewoon tegen de muur kaatsen en tot twaalf tellen. Bij stap twee moest dat overhands, stap drie: met de rechterhand, stap vier: met de linkerhand, stap vijf: onder de knie door, stap zes: onder de andere knie door, stap zeven: na elke twee ballen omdraaien, stap acht: met de rug naar de muur over het hoofd. De stappen negen tot en met twaalf ben ik vergeten, die haalde je ook niet zo vaak omdat je alles twaalf keer moest doen. Als je een bal liet vallen moest je helemaal opnieuw beginnen. Wanneer je het spel met twee ballen helemaal goed kon, probeerde je het met drie ballen.

Op school gingen we vaak touwtjespringen. Je speelde het met meerdere kinderen en moest een lang touw hebben, waaraan aan beide einden iemand stond te draaien. De jongens deden ook wel


Touwtjespringen in 2013 bij museum Palthehof.

vaak mee. Dan deden we twee op twaalf en dat betekende dat er elke twee tellen iemand in het touw sprong, totdat het er zes waren. Dan ging de eerste er weer uit en die sloot weer achter in de rij aan. Als er iemand op het touw trapte was het diens beurt om te draaien.

Hinkelen was een spel dat op verschillende manieren gespeeld kon worden. We speelden het met zes blokken boven elkaar, waarvan het vijfde blok aan beide zijden een extra blok had (totaal dus acht blokken). Je moest dan een platte steen in een blok gooien en op een been in alle blokken hinkelen, behalve in dat blok waar de steen in lag. Dat moest je overslaan en op de terugweg de steen onder het hinkelen oppakken en in dat blok een kruisje zetten.

In de herfst kwamen de tollen tevoorschijn. Eigenlijk was dat niet de meest geschikte tijd, want de tollen verdwenen wel eens in het afgevallen blad. Het werd meestal bij school gedaan omdat daar op het schoolplein voldoende ruimte was.
Met duim en wijsvinger gaf je de tol een draai en dan moest je hem met een zweep aan de gang houden. De zweep was gemaakt van een stokje met daaraan een hard dun touw. Je kon ook het touw om de tol winden en hem dan weggooien, als het ware van het touw trekken, om hem aan de gang te maken.
Sommige kinderen hadden gekochte tollen. Die waren ongeveer acht centimeter lang en drie centimeter dik en altijd geverfd.
Anderen hadden tollen die gemaakt waren van garenklosjes. Daarvoor werd in een half garenklosje een stokje gemaakt met van onderen een scherpe punt. Je had liever een gekochte tol, omdat die het beter deden dan een zelfgemaakte.
Met kleurkrijt kon je de tollen mooi kleuren wat een mooi effect gaf als ze draaiden.

Hoepelen deden we alleen maar bij huis. Het was heel eenvoudig en werd meestal door kleinere kinderen gespeeld. Je had een hoepel nodig, meestal de velg van een fietswiel, en een stok. Deze hield je in de gleuf van de velg en door er hard achteraan te lopen liet je de hoepel draaien.

Er waren verschillende spelletjes waarbij we elkaar een hand gaven en zo in een cirkel rondliepen. Zo’n spel was bijvoorbeeld “In Holland staat een huis” dat met een grote groep kon worden gespeeld. Bij het begin van het spel stond er één kind (de heer) in het midden van de cirkel (het huis). De kinderen zongen dan het liedje en als dat uit was koos de heer een vrouw, die dan ook in de kring ging. Vervolgens koos de vrouw een kind, het kind koos een meid, deze een knecht, deze weer een hond, die weer een kat en zo kon het een poosje doorgaan. Na elke keus werd er weer gezongen:

In Holland staat een huis 2x
In Holland staat een huis ja ja
Van je singela singela hopsasa
In Holland staat een huis 2x

In dat huis daar woont een heer 2x
In dat huis daar woont een heer ja ja
Van je singela singela hopsasa
In dat huis daar woont een heer 2x

En die heer die kiest een vrouw 2x
En die heer die kiest een vrouw ja ja
Van je singela singela hopsasa
En die heer die kiest een vrouw 2x

En zo verder.


We speelden ook tikkertje, wegkruipertje, haasje over en nog wel andere spelletjes. Ook speelden we “landpikkertje”, meestal thuis. Je maakte een vierkant op de grond en deelde die in tweeën. Elk van de beide spelers kreeg een helft en dat was je land. Dan moest je proberen land te winnen van je tegenstander. Je hield een puntig mes boven diens grond en liet dat vallen. Als het in de grond bleef staan trok je een rechte lijn in het land van je tegenspeler en dat werd dan toegevoegd aan je eigen land. Je speelde het om beurten, waarbij je land won en weer verloor. Als je alle land had verloren was je af, maar het kon heel lang duren voor het spel zo eindigde.

Het spel “Schipper mag ik over varen” werd gespeeld met twee strepen op ongeveer twintig meter van elkaar. De schipper stond tussen beide strepen en de andere kinderen stonden aan een kant achter de streep. Er werd gezongen: Schipper mag ik overvaren, ja of nee? en nadat de schipper ja zei: Moet ik dan ook tol betalen, ja of nee? De schipper antwoordde weer met ja en met wat de tol was, bijvoorbeeld hinkelen of achteruit lopen naar achter de andere lijn. De kinderen deden dat dan en ondertussen kon de schipper er één aftikken, die vervolgens de schipper werd.

* * *

Foto achterpagina

Twee schattige meisjes omstreeks 1958. Links Gerrie Scholten en rechts Arina van Spijker.






Jaargang 32 nummer 3 september 2014


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina

Luchtfoto van de boerderij van de familie Ruinemans aan het Ruitenveen omstreeks 1948.

* * *

HET KLEINE HUIS AAN HET PAD, 13

Margje Key-Hendriks

Buurkinderen
Vaak waren we met een groep kinderen uit de buurt bij elkaar. Henk, Trijn, die door iedereen zus werd genoemd, ik en Dina Prins, die mijn vriendin was maar eigenlijk niet met mij mocht omgaan. Haar ouders hadden liever dat zij met Mina Bouwhuis omging, maar ze konden onze vriendschap niet stoppen. Een boerendochter telde meer dan een timmermansdochter. Mina was er wel altijd bij. Dan waren er de jongens van Ruinemans. Bart was de oudste en van dezelfde leeftijd als Henk. Dan kwamen Hendrik, die gauw op zijn achterste benen stond, Tinus en Jan, die kromme benen had. Bij Ruinemans waren nog meer jongens, maar die waren allemaal jonger.
Gait Jan Huzen en Harm Jan Frielink waren vrienden van Henk. Harm Jan had een broertje die aan een kant van het gezicht verbrand had door het gebruik van een stoomapparaat voor zijn astma. Soms waren er nog andere kinderen in de groep.


Het gezin van Jan Willem Ruinemans en Aaltje Ruinemans-Sterken in 1947 met opa Hendrik Sterken. De kinderen vlnr: Jan, Hendrik, Johan, Wim, Bart en Tinus.

Wat we graag deden was vuurtje stoken achteruit langs de weg. Een enkele keer ging vader op zondagmorgen wel eens met ons mee. Dan stak hij het dorre gras aan en wij zorgden dan dat het verder kwam door een handvol dood gras te laten branden en verderop neer te gooien. We wachtten niet altijd tot vader mee ging. Soms namen we stiekem lucifers mee, die thuis op de schoorsteenmantel lagen.
Op een dag zouden we ook vuurtje stoken zonder vader. We kwamen bij een grote hoop opgedroogde aardappelrangen. Eerst waren we een beetje bang om die in brand te steken maar we deden het toch. Het brandde erg hard en we werden erg bang.
Op een andere keer kwam Gait Jan op de fiets kijken wat we uitspookten. Hij zei: “Nou maken jullie het toch te gek. Je hebt zo’n groot vuur gemaakt, stel je eens voor dat het water in de sloot begint te branden, wat dan?” Ja, daar hadden we niet aan gedacht. Hij maakte ons daarmee wel erg bang!

Vermaak
Het gebeurde vaak dat we de tijd vergaten als we ergens bezig waren of een eind op de weg achteruit waren. Als het tijd was om naar huis te komen floot vader altijd op zijn vuisten. Het was op grote afstand te horen, maar toch kwamen we vaak te laat thuis.

De meeste kinderen probeerden net als wij wel een keer om sigaretten te roken. Het was toen eigenlijk normaal dat een jongen van veertien begon te roken. Meisjes en vrouwen rookten niet. Als ze dat deden werden ze scheef aangekeken. Soms werd er wel gezegd dat roken niet goed was, maar verder vond iedereen het gewoon dat er gerookt werd.
Kinderen mochten natuurlijk niet roken. Op onze manier wilden we het toch proberen. Uit huis namen we lucifers, een krant en wat opgedroogd bonenblad mee en dan gingen we de weg achteruit. Daar maakten we het bonenblad fijn, rolden dat in een stukje krant, likten er een keer langs en we konden de “sigaret” aansteken. Eigenlijk vonden we er niks aan. Ik ben er zelfs een keer duizelig van geworden.
Wat we wel graag deden was in de zomer bramen plukken, of brummels zoals wij ze noemden. Daar konden we ook uren mee bezig zijn. Als er veel bramen waren plukten we ze ook wel voor moeder om te wecken. Ze groeiden hier en daar in het wild langs de landerijen.


Bramen of brummels zoals wij ze noemden.

Als het ‘s zomers lang droog weer was, waren de zandwegen erg stoffig. Als een paard er over liep stampten ze een wolk stof op. Dat vonden we wel mooi. Trijn en ik verbeeldden ons dat we paarden waren en stampten ook door het mulle zand. Dan kregen we de klompen vol zand en op zijn minst de sokken vuil. We wisten wel dat moeder zou foeteren en daarom maakten we de klompen zo goed mogelijk schoon en sloegen de sokken uit. Hoewel we toch brommen kregen, hadden we wel plezier gehad!

Op een zomerdag liepen Trijn, Nellie en ik op de Dedemsweg. Nellie was toen een jaar of vijf. De sloten langs de weg waren “rodolmsloten”; ze hadden bruin water van het ijzer dat in de grond zat. In de verte zagen we een paard en wagen aankomen, maar het paard was op hol, “op de loop” zoals we dat noemden. We beseften dat we van de weg af moesten. De enige mogelijkheid was over de sloot springen. Nadat we een flinke aanloop hadden genomen sprongen Trijn en ik er over. Omdat de sloot behoorlijk breed was durfde Nellie niet zo goed. Toen paard en wagen dichterbij kwamen kregen we Nellie toch zover dat ze ook sprong. Ze kwam in het water terecht en wij trokken haar op de wal. Nadat het paard met schuim op de bek langs gedaverd was, vonden we een plek waar de sloot niet zo breed was en waar we terug de weg op konden. We trokken Nellie haar kleren uit en spreidden die in het gras om ze in de zon te laten drogen. Het duurde echter veel te lang en Nellie moest toch in natte kleren naar huis. Ook waren de kleren bruin van het water en het vergde thuis wel enige uitleg.


Water in een rodolmsloot.

Winter
We hebben allemaal op de wieke naast het huis leren schaatsen. Vader maakte zelf voor ons wel eens de schaatsen. Hij kocht de ijzers en maakte zelf het hout en de leren riemen er aan. We hadden krulschaatsen en we moesten die onder de laarzen binden. Dan achter een oude stoel schuiven en zo hebben we het geleerd. Vader kon goed schaatsen maar moeder niet. Ze wist zelfs niet dat er verschil was in een linker en rechter schaats.
Later gingen we ook wel op bevroren plassen schaatsen, waarvoor we dan eerst een eind moesten lopen. Als er ijs was kreeg je van school vaak ’s middags vrij om te schaatsen.
De laatste winter van de oorlog was erg koud, met veel sneeuw. We hadden nog nooit zoveel sneeuw gezien als toen. De belangrijkste wegen probeerde men schoon te houden. Daar hadden ze een houten schuif voor, in de vorm van een V, die door een paard werd getrokken.
Op klompen door de sneeuw lopen viel niet altijd mee. De sneeuw bleef er soms aan plakken en dan kreeg je dikke kluiten onder de klompen.

Sneeuwhut (internetfoto).

We maakten in die winter een sneeuwhut op de wieke. Ook probeerden we wel eens sneeuwballen in de schoorsteen te gooien. Je moest goed kunnen mikken. Het was toch niet zo’n goed idee, want het maakte een natte roetbende in huis en daar was moeder beslist niet blij mee.

In het water
We konden geen van allen zwemmen en toch speelden we veel bij het water. De meeste sloten waren niet erg diep, maar in de wieke waren hier en daar wel diepe gaten, kolken, tussen het riet. Het gebeurde op een zondagmiddag toen Hendrika ongeveer twee jaar was. Na de zondagschool kwamen we met de buurkinderen bij elkaar en speelden allerlei spelletjes, waaronder wegkruipertje, dat we bij de wieke en aan het Pad deden. Opeens was er veel geschreeuw: “Hendrika is er in gevallen!” Iedereen rende naar de kolk. Trijn kon vanaf de plank nog net het vlechtje van Hendrika grijpen en zo trok ze haar uit het diepe gat. Ondertussen waren vader en moeder er ook bijgekomen. Het liep goed af maar Hendrika was wel erg geschrokken. Na die tijd was ze zo bang voor water dat ze niet eens haar handen wilde wassen. Het duurde een hele tijd voor dat over was.

Oom Jan zou Henk, Trijn en mij leren zwemmen. Hij nam ons mee naar de zandkant van de Dedemsvaart. We kregen alledrie een touw om ons middel geknoopt, dat hij in de hand hield en hij ging in de berm zitten. Henk ging wel een eindje het water in, maar Trijn en ik bleven dicht bij de kant. Het was ook de enige keer dat we het zo probeerden. Er was ook weinig gelegenheid om het zwemmen te leren. Toen Henk naar de ambachtsschool in Zwolle ging, leerde hij daar zwemmen.


De oude vijver in het staatsbos op een schilderij van Berend Withaar.

Toen we al aan het Zandspeur woonden zijn we een keer gaan zwemmen in de vijver in het staatsbos. Henk kon het toen al en hij zwom in het diepe water. Roeli liep ook het water in en wilde zo naar Henk toe. Hij dacht dat hij zo kon zwemmen. Gelukkig konden we hem bijtijds van zijn plan afbrengen.

In de zomer gingen we ook wel eens vissen. Eerst gingen we bij Klaos wat “pieren wuppen” naast de geute. Als hengel gebruikten we een stok met er aan een touwtje. Ik weet niet of we ooit wat vingen.
Meer plezier hadden we met “zwart maken”. We maakten dan twee dijkjes in de buitendijksloot. Op onze blote voeten gingen we dan in het water tussen die dijkjes lopen. Als we goed in de modder roerden werd het water zo vies dat de vissen naar boven kwamen en konden wij ze pakken. Ik geloof dat het blei was die we dan vingen. Henk maakte ze schoon en moeder bakte ze in de koekenpan.

In de meeste sloten stond water en het was een sport om daar over te springen. We kwamen niet altijd aan de andere kant maar ook wel eens in de sloot terecht. Dan moesten we proberen om de sokken en klompen droog te krijgen voor we weer naar huis gingen. Dat lukte niet altijd en dan kregen we brommen van moeder.
Sommige jongens sprongen wel met een polsstok over de buitendijksloot. Vaak raakte de stok vast in de modder en kwam de jongen in het water terecht.
Voor het huis van Frans Masselink stond een wilgenboom naast de buitendijksloot. Daar konden wij als kinderen mooi de takken grijpen en met een goeie zwaai van de ene kant van de sloot naar de andere kant springen. Aaltje Nijland zou dat ook eens doen, maar ze wist niet dat een kwajongen de tak bijna afgesneden had. De tak brak af toen ze met een goeie zwaai boven de sloot was. In de sloot was het erg modderig en daar lag ze te baggeren. Toen ze de wal opkroop zat ze van top tot teen onder de modder. Zo moest ze naar huis, bij Koenders de weg achteruit.

Obben en fluitjes
In het voorjaar maakten we obben en fluitjes. Dan zat er volop sap in de takken en zat de bast niet erg vast. We sneden een stukje tak van zo’n tien tot vijftien centimeter lang en zo dik als een potlood. De lijsterbes was daar het meest geschikt voor. Je sneed er op vijf centimeter van het eind een ring in en stak dat in je mond om het nat te maken. Dan legde je het stokje op je knie en met het heft van een mes klopte je er op. Onder het kloppen moest je het volgende versje opzeggen:

Iepe sappe siepe, wanneer bin ie riepe
Achter in de meimoand, as de veugelties eigies legt
Wat legt ze dan, wat legt ze dan
Niks as lege doppen, zo dik as kinderkoppen
Wil ie d’r dan nog niet af, sniet um dan de kop mar af.

Als het versje uit was moest de bast er afglijden. Dat is dan de obbe. Aan het ene eind moest dan ongeveer een centimeter van de buitenbast af geschraapt worden. De binnenbast moest blijven zitten en de obbe was klaar om er op te blazen. Om uitdrogen te voorkomen moesten de obben ’s nachts in het water staan.
Er werden ook wel brulobben gemaakt, maar dat was veel meer werk. Die maakten wel veel meer lawaai.
Fluitjes werden ook zo gemaakt, maar dan moest er een stukje hout in met een platte kant van boven en schuin afgesneden van onderen. Ook moest er een gaatje in gemaakt worden.

Berkenwijn
In het voorjaar, als de berkenbomen uitliepen, hingen we die takken in flessen. Eerst was van de takken een stuk afgesneden, waardoor het sap er uit kon lopen. De volgende dag haalden we de volle flessen op en dan zat er lekker zoet sap in. We dronken het gewoon op want het is gezond.
Op een keer hadden we zoveel sap vergaard dat vader berkenwijn zou maken. Hij deed het sap in flessen en die met stro er tussen in een kist. In de tuin, bij de seringenstruik, groef hij een gat en daar begroef hij de kist. Hoelang die kist daar lag weet ik niet maar toen hij eindelijk weer werd opgegraven dachten we dat er iets heel lekkers tevoorschijn zou komen. Het enige wat ik mij daarvan herinner is dat het een grote teleurstelling was. Ik vond het jammer van al dat lekkere sap.


Berkenbomen langs de Wethouder Bijkersweg.

* * *

EEN BEURTVEERREGLEMENT UIT 1850

Jakob de Weerd

De ontwikkeling die Den Hulst heeft doorgemaakt, dankt zij vooral aan de Dedemsvaart. Dit kanaal was een belangrijke levensader, met name in de tijd dat het vervoer over land nog volop in ontwikkeling was. Schepen zorgden niet alleen voor de afvoer van de in het veen gegraven turf, ze verleenden ook hun diensten voor de aanvoer van de vele materialen die deze omgeving nodig had. Van alles werd met volle scheepsladingen aangevoerd. Den Hulst was door zijn ligging meest een dorp waar de schepen passeerden. Maar ook veel schepen legden aan in Den Hulst of hadden daar hun bestemming. De plaats profiteerde mee van de welvaart die de scheepvaart bracht.
Ook stukgoed werd per schip vervoerd. Dat leverde wel eens moeilijkheden en vertraging op; immers voor bijvoorbeeld een paar biezen matten kon een schipper niet van Genemuiden naar Den Hulst varen. Beurtschippers zorgden voor een oplossing van deze problemen.


Beurtveer
Tegen het midden van de 19e eeuw oordeelde men het gewenst om vanuit Avereest een beurtveer op Amsterdam in het leven te roepen. Amsterdam was ook al een belangrijke handelsplaats voor buitenlandse goederen en een regelmatige verbinding kon wel eens voordeel bieden. In haar vergadering van 5 mei 1850 stelde de Raad van de gemeente Avereest een reglement en tarief voor dit beurtveer vast, terwijl de Raad van Amsterdam dat op 5 juni deed. Gedeputeerde Staten van de betreffende provincies moesten daarna een en ander goedkeuren. In Noord-Holland gebeurde dat bij resolutie van 27 juni en in Overijssel van 11 juli 1850.
Alvorens echter in werking te kunnen treden, moest er in beide plaatsen nog afkondiging van worden gedaan. In Amsterdam gebeurde dit slechts één keer vanuit het stadhuis en wel op 20 augustus, terwijl er een tweetal afkondigingen plaats vonden in Avereest en wel in de kerk op de zondagen 1 en 8 september.


Huis Rollecate waar Willem Jan Baron van Dedem woonde en waar hij vanuit zijn kantoor aan het water zijn levenswerk kon overzien.

Reglement
Het "Reglement en Tarief der Vrachtloonen voor het Beurtveer tusschen de Gemeente Avereest en de Stad Amsterdam", zoals de volledige naam luidt, werd in Amsterdam gedrukt "Ter Stads-Drukkerij, in de Nes" en in 1850 uitgegeven. Een tijd geleden kwam ik in het bezit van een exemplaar van dit reglement dat een vijftiental artikelen bevat en waarna alfabetisch een opsomming van de tarieven wordt gegeven voor de verschillende goederen.
Aanvankelijk moet één schipper, door het plaatselijk bestuur van Avereest te benoemen, eens per 14 dagen de reis ondernemen. Wanneer blijkt dat er wekelijks of nog vaker behoefte aan een beurtveer is, dan kunnen beide plaatselijke besturen dit in gemeenschappelijk overleg regelen. Het recht van Amsterdam om de helft van de schippers te benoemen dient hierbij wel in acht te worden genomen.
De tijd van afvaart vanaf Avereest is vastgesteld op donderdagmorgen om negen uur en vanaf Amsterdam op woensdagavond "op den gewonen tijd vóór boomsluiten (afsluiten van het IJ?)".

Een prachtige foto van een zeilschip in het kanaal met daarnaast duidelijk zichtbaar het jaagpad waarop o.a. de paarden liepen om bij windstil weer het schip te trekken.


Wanneer weer en wind dit de zeilschepen niet beletten, moeten deze tijden stipt in acht genomen worden en is daarin slechts verandering mogelijk met vergunning van het bestuur van de plaats waar wordt afgevaren.
De namen van de plaatsen waartussen gevaren wordt, moeten met witte "werw" aan beide zijden van het roer duidelijk leesbaar zijn aangebracht. Verder zijn de schippers verplicht hun schepen goed te onderhouden en deze jaarlijks op hun kosten door iemand, door de besturen van Amsterdam en Avereest te benoemen, te laten onderzoeken en keuren.
In beide plaatsen zullen vaste ligplaatsen voor de beurtschepen worden aangewezen. De schippers zijn verplicht op deze en niet op andere plaatsen aan te leggen.

Voorwaarden
Ook aan de bemanning werden bepaalde eisen gesteld. De schipper moest een bekwame knecht in dienst hebben, waarvoor hij in alle opzichten verantwoordelijk was. Zij waren verplicht om een ieder, met wie ze als beurtschipper te doen hadden, beleefd en bescheiden te behandelen. Dronkenschap moet worden voorkomen. Omdat dit met name werd genoemd, is het mogelijk dat er wel de beurtschippers waren die een stevige borrel lustten.
Een reglement en een tarievenlijst moest aan boord aanwezig zijn. Overtredingen konden een geldboete van ƒ 1,-- tot ƒ 25,--, behoudens schadeloosstelling der benadeelde partij, tot gevolg hebben.
Alle goederen die werden aangeboden moesten worden meegenomen, voor zover althans dat niet schadelijk kon zijn voor de lading. Het systeem van wie het eerst komt het eerst maalt, was van toepassing. Deklast mocht alleen met toestemming van een commissaris worden vervoerd.
In beide plaatsen was zo'n commissaris aangesteld. De goederen moesten door hem worden aangetekend, waarna hij op verzoek een gratis bewijs aan de afzender diende te verstrekken. Het aantekenen zelf was overigens niet kosteloos. In Avereest was de prijs die daarvoor betaald moest worden een stuiver en in Amsterdam 10 cent.
Alle aangeboden goederen had de commissaris in een gedagtekend register te omschrijven, met aanduiding van de merken, de afzender, de geadresseerde, alsmede de vrachtprijs. De schipper kreeg van hem een nauwkeurige lijst van de te verzenden goederen. Deze lijst en het register dienden beiden voor de afvaart voor akkoord te tekenen.
Een andere taak van de commissaris in de plaats van aankomst was te zorgen voor een accurate bezorging van de goederen, zulks met in achtneming van de reglementen en tarieven die daarop van toepassing waren.
Zodra de boot geladen was, was de schipper voor de goederen aansprakelijk. Hij had een borgtocht vanƒ 500,- voor eventuele schade moeten stellen bij het bestuur dat hem had aangesteld.


Het kanaal vanaf Sluis 3 in de richting van de Ommerdijkerbrug.

De tarieven die de schipper mocht berekenen, waren in een uitgebreide tarievenlijst vastgesteld. Hiervan mocht niet worden afgeweken, behalve in de periode van 6 december tot 2 februari, wanneer een kwart meer mocht worden gevorderd. Was dit een slappe periode voor de beurtschippers en mochten ze daardoor iets extra's berekenen of had het te maken met ijsgang? In het laatste geval is evenwel onduidelijk waarom de periode begin februari reeds afliep.
De tarievenlijst draagt als titel "Tarief voor het beurtveer van Amsterdam op Avereest. Vice versa". Hieruit mag blijken dat de meeste goederen vanuit Amsterdam werden verscheept. Overigens mocht de schipper wel personen en goederen meenemen die bestemd waren voor plaatsen gelegen tussen Amsterdam en Avereest, mits er met deze plaatsen geen vaste veerverbinding was.

Goederen
Wat kon er zoal per beurtschip vervoerd worden en tegen welke prijs? Je kunt het zo gek niet opnoemen of het komt wel voor in de rij tussen aardappelen en zwartsel. Het zou te ver voeren alles op te sommen, vandaar dat er een willekeurige greep uit de 14 bladzijden is genomen.
Passagiers werden in het ruim geplaatst en hadden 25 Nederlandse pond bagage vrij. Zij betaalden één gulden voor de overtocht.


Baggerwerkzaamheden in het kanaal.

Vele soorten groenten, fruit en vis komen op de lijst voor. Een mud aardappelen, peren, appels, een mandje kersen of 50 pond amandelen gingen voor 35 cent mee. Een ton haring, een baal noten of "castagnes", een kist citroenen of "China's appelen" werden voor 50 cent vervoerd.
Een mand inhoudende 44 lege flessen kon voor een kwartje verscheept worden; een partij van 100 stuks voor 40 cent.
Geld of geldswaarden van ƒ 100,- of minder nam de schipper voor twee kwartjes mee, terwijl voor iedere ƒ 100,- of meer een kwart procent moest worden betaald.
Een hond mocht voor 80 cent meevaren, een schaap voor 60 cent evenals een varken, doch indien dat vet was kostte dat een gulden en was het nog een big dan 50 cent. Voor een vet kalf moest ƒ 1,30 worden neergeteld en voor een nuchter kalf 40 cent. Voor een koe of os en een paard ƒ 3,50 en ƒ 2,00 voor een ezel.
Het vervoer van 100 paar klompen kostte 70 cent, van een kabinet ƒ 3,60 (en als dat van vurenhout was een gulden minder), van een dozijn stoven 30 cent en van een kruiwagen 40 cent. De schipper nam 50 pond haar mee voor zeven stuivers, 50 pond koehorens voor een halve gulden en 50 pond hazenvellen voor een hele gulden.
Het duurste was het vervoer van een rijtuig als koets en dergelijke, namelijk ƒ 9,00, doch voor een boerenwagen was dat maar ƒ 3,50 en een "chais" of kar mocht al voor ƒ 3,00 mee.
Het goedkoopste tarief was één cent, maar wat had je nu aan een lege kruik.


(Dit is trouwens sluis 2, sluis 1 is in Hasselt...)

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO

02586 = BC001

Dit keer een foto van de openbare lagere school in het Ruitenveen van omstreeks 1940 toen meester Katerberg er nog onderwijzer was. Later werd hij hoofd van de school aan het Oosteinde.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  

Jan Willem Seinen
Jan Boerman
Berend Jan Scholten
Matthijs Spittel
Gezienes Mannen
Jan Brouwer Kzn
Gerrit Jan Krul
Gerard Evertsen
Jan Brouwer HJzn
Berend Jan de Boer Azn.
meester Katerberg
Jan de Boer Kzn.
Johan Seinen
Miena Tempelman
Heintje Boer
Klaasje Nijlant
Jannie Brouwer Kdr.

18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
 

Nellie van den Heuvel
Mientje Prins
Grietje Pessink
juffrouw Visser
Fré van den Heuvel
Henk Bijker
Gerrit Jan Pessink
Mina Boer
Eef Grooteboer
Hendrikje Krul
Aaltje Nijlant
Aaltje Schoemaker
Aaltje Bijker
Klazien Kuiterman
Geert Schoemaker
Koop Schoemaker

34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
 

Trijntje Hendriks
Geertje Krul
Jantje Boer
Geesje Brouwer HJdr.
Dina Seinen
Jan Nijlant
Willem Mannen
Henk van Duren
Henk Hendriks
Thijs Scholten
Jan Sterken
Jan Thijs van Duren
Jan Willem Pessink
Jan Bremmer
Hendrik Jan Pessink
Arend Jan Scholten

* * *

OLS RUITENVEEN TER ZIELE

De school in Ruitenveen was vroeger gedurende een aantal jaren zowel een openbare als een christelijke school. Door afname van het leerlingenaantal van de openbare school, werd die gesloten en werd het een geheel christelijke school, die later de naam “Het Kompas” kreeg. Onlangs kregen we een krant in handen waarin een journalist verslag doet van de sluiting van de openbare school te Ruitenveen. We nemen dat verslag, dat op 27 februari 1957 in de krant verscheen, hieronder over. Het is niet duidelijk uit welke krant het precies is.

Laatste acht leerlingen officieel uitgeleid.
Als een stokoud mens zonder bepaalde ziekteverschijnselen uit het leven is heengegaan, schrijft de dokter op het overlijdensbriefje "marasmus senilis", dat is algemene aftakeling. Gistermiddag om drie uur stierf er in Ruitenveen ook zo'n oudje en er was ook een dokter bij, die het schrijven echter aan ons overliet. Hij vertelde echter, dat de overledene in haar laatste dagen, zo'n schoon mens was geweest, iemand waar een huiselijke en gezellige sfeer van uitging en die hij graag in het leven had willen houden. Met de andere omstanders betreurde hij derhalve het verscheiden, maar de dode, die overigens de eerbiedwaardige leeftijd van 129 jaar bereikte, had helaas haar tijd gehad en men moest er zich dus bij neerleggen. De gestorvene heette: school B, in haar jeugd onderwijscentrum van Nieuwleusen-West en tevens een van de oudste scholen in de gemeente.

Vijf knusse miniatuurklasjes
De chauffeur van de EDS-bus liet ons gistermiddag uit in Ruitenveen, waar twee scholen in één gebouw zijn ondergebracht. Ons horloge wees echter pas 20 over 12 aan en er was geen sterveling te bekennen, maar de school lag ons nog vaag in het geheugen en omdat de deur openstond, leek het ons wel aardig nog eens even weer in de nauwe banken te gaan zitten. Daar zaten we dan in het kleine lokaaltje met zijn somberen aankleding, dicht bij de afgeschermde kachel, die al dadelijk jeugdherinneringen opwekte,



want die van ons was vroeger net zo, alleen stond daar in 't Frans op, dat zij de hele winter brandde en dat konden we er in Ruitenveen niet op terug vinden. Toch scheen het zwarte beestje lekker af en toen meester J.F. van Rugge een uurtje later binnen trad, gevolgd door zijn acht discipelen, die nog wel over vijf miniatuurklassen verdeeld waren, voelden we ons al helemaal een met dit knusse geval en devoot leefden we mee, toen meester aan de hand van de “Open vensters” tekst en uitleg gaf van een serie aantrekkelijke plaatjes. Tijdens deze zg. zaken- of ontwikkelingsles, zo heet het, menen we, hebben we vol verwachting zitten luisteren naar de antwoorden van het achttal, die wat schuchter klonken, maar ze waren goed en daar kwam het tenslotte maar op aan.

Er bleef niets anders over
Toen ging de deur open en trad een aantal dames en heren binnen. De dames, zes in getal, waren ouders, tevens vertegenwoordigende de oudercommissie en de heren officiële personen, naar Ruitenveen gekomen om de school, waarvan de opheffing juist deze week was goedgekeurd, met enige plechtigheid te sluiten. Burgemeester J. Hoekstra met de wethouders Th. de Boer en J. Reuvers, gemeente-secretaris G.H. Krol, de inspecteur van het lager onderwijs in de inspectie Ommen, J. Bos en de schoolarts J.M. Schuringa.
De burgemeester vertelde ons; dat er na de goedkeuring van de opheffing nog gedurende een zekere termijn beroep op de Kroon open staat. De enige leerkracht, die 5 ½ maand geleden de taak van meester De Ruiter overnam, werd ingaande 1 maart a.s. echter te Vriezenveen benoemd, zodat er eigenlijk niet anders overbleef dan de deuren te sluiten. De acht leerlingen zullen vandaag, wel ergens anders in een school te vinden zijn, maar waar, dat wisten ze gisteren nog niet.

Uit de "goeie" oude tijd
Burgemeester Hoekstra, op de plaats des meesters staande achter de hoge lessenaar, vertelde aardige bijzonderheden uit de historie van school B, die volgens de schrifturen in 1828 herbouwd zou zijn. Volgens latere notulen zou zij echter in dat jaar zijn opgericht. In 1843 was men het er echter nog niet over eens, wie de grond, waarop de school gebouwd was, in eigendom behoorde. Wijlen Klaas Grooteboer beweerde dat hij het was en op zekere dag rooide hij de peppels, die meester D.J. Neurink rondom de school geplant had. Gemeenteraad en Gedeputeerde Staten kwamen er aan te pas, maar het slot was, dat de gemeente zestig gulden als koopsom moest neertellen.
Toen dat geschied was, moesten de vroede vaderen zich andermaal met school B bemoeien, want de meester hield, naar de mensen



beweerden, zo ongeregeld school, hij was wel eens laat, maar dat kwam omdat de goede man zo weinig salaris had. Hij moest n.l. ’s ochtends eerst wel eens met een boer mee om een voer hooi te halen, teneinde zijn inkomsten een beetje te verruimen.
De scholen A en B telden in 1851 tezamen 360 leerlingen, dat wil zeggen 's winters, want 's zomers bedroeg hun aantal de helft of nog minder. In de winter moesten de kinderen een turf meenemen, doch later werd aan de meester vijftien gulden vergoeding toegekend voor aanschaffing van de benodigde brandstof. Desondanks is hij geen man in bonis geworden, maar toch heeft Nieuwleusen meester Neurink in ere gehouden, want toen er een ruilverkavelingsweg kwam langs de plaats waar zijn huis heeft gestaan, is dat de Neurinkweg geworden en de naam van de Ruitenveense schoolmeester zal dus blijven voortleven.

Waardering
Nadat de burgemeester er nog op gewezen had, dat het gemeentebestuur de school, die door de nieuwe dorpsindeling ontvolkt is, zo lang mogelijk in stand heeft willen houden - hij uitte ook zijn waardering jegens de heer Van Rugge en de oudercommissie - werd achtereenvolgens nog het woord gevoerd door de inspecteur van het lager onderwijs en de schoolarts. Eerstgenoemde prees de schoolmeesters uit het verleden, die soms 80 of 100 leerlingen in één lokaal moesten onderwijzen en er ook nog in slaagden hun lezen en schrijven bij te brengen, maar sprak ook zijn waardering uit voor de jonge meester, die de acht leerlingen van school B kennis heeft meegegeven.
Die waardering bleken ook de ouders te koesteren, getuige de woorden van mevr. Schoemaker, die vervolgens sprak en die de heer Van Rugge namens de leerlingen en de ouders enkele mooie cadeaus aanbood. De heer Van Rugge dankte haar en de autoriteiten. Het speet hem, dat hij het schooltje te Ruitenveen moest gaan verlaten, zo zei hij.

Gerrit van Donkersgoed was hoofdonderwijzer van 1901 tot 1914. Hij trouwde met Petronella Hendrika Kuylman.


Foto uit de krant: Burgemeester J. Hoekstra en onderwijzer J. F. van Rugge nemen met een handdruk afscheid van de acht leerlingen van de opgeheven school. Vlnr: burg. Hoekstra, Johanna Schoemaker, Harm Jan Luten, Gerrit Hekman, Jan Luten, Annigje Nijlant, Gerrit Jan van Veen, meester Van Rugge en achter hem links Geertje Boer en rechts Harmanna Hekman.

Uittocht met handdruk
De burgemeester had nog een tractatie voor de leerlingen meegebracht en toen die door een hunner was rondgedeeld, kon het achttal heengaan: Jan Luten, Gerrit Hekman, Johanna Schoemaker, Gerrit Jan van Veen, Harm Jan Luten, Geertje Boer, Annigje Nijlant en Harmanna Hekman. Aan de deur stonden de burgemeester en de heer Van Rugge en met een handdruk namen ze stil afscheid van hun oude school, die leeg en verlaten achterbleef.

* * *

’t ACHTUUR

Klazien Bijker-van Hulst

Rammelende bussen,
Koej'n al an t 'hek,
Sloaperige koppen,
Alle hens an 't dek.

Kold zo teeng november,
Modderige grond,
't Vee zûcht dan de warmte;
... uiers in de stront.

Elk zien eigen bankien,
Elk zien eigen koe, ...
Bussen weer op ’t karregien,
Nor de warmte toe.

Wassen bi'j de pompe,
Haand'n schroal en guur.
.......
Brood en varse koffie,
Samen an 't achtuur.

----------

tijdsbeeld voor ca. 1960
‘t achtuur = het ontbijt

* * *

DE BURGEMEESTER IS TE MOE

Een 25-jarig huwelijksjubileum verdient aandacht. Kennelijk had burgemeester Backx de gewoonte om op die dag zijn persoonlijke felicitaties over te brengen aan het echtpaar. In juni 1947 werd het hem eventjes te veel. Hij stuurde zijn visitekaartje met daar achterop de tekst:

Hartelijk gefeliciteerd met de 25-jarige echtvereniging.
Ik heb vanmorgen den geheelen morgen moeten schouwen en ben nu te moe om nog naar de Meele te komen.
Ik hoop dan ook, dat ge met dit kaartje genoegen wilt nemen.
         Met vriendel. groet,

In elk geval ging burgemeester Backx niet alleen op pad om de schouw te doen. In een fotoalbum van juffrouw Palthe zit een foto waarop vlnr: wethouder Gerrit Jan Zonnenberg, veldwachter Hermannus Holties, wethouder Berend Jan van den Berg en burgemeester Johannes Philippus Backx tijdens een gemeenteschouw (of slootschouw).

* * *

GAIT JAN KUMP TIED TEKURTE

Johan van Dorsten

Et was helemaole veurjaor ewurden en Gait Jan, die al bijtieds was opestaon, wol d’r een paar minuten van genieten. Nou et veurjaor was deurebreuken had e veule werk binnen ekregen. Er waren twee jonge boeren ekomen die wurden aneneumen en die wollen allebeide een ni’j pak an laoten meten. Gelukkig waren ze mooi op tied ekomen, want det maken hi’j ok wel iens aanders mee. Hi’j hoefen zich niet apart te haosten, mar hi’j wol er wel zo gauw mogelik an begunnen, want ie wussen nooit wat er soms tussen kwaamp. Derkien had al ezegd: "Ie mutten gien karweigies annemen ai met een pak an de gank bint, want det lup oe altied uut de haand". Ja, det was zonder meer waor, maar ja, as Beekman kwaamp met een pak waor wat an mos gebeuren veurdet hi’j et of kon leveren, wat doei dan? Die keerl was ok nog altied rojaal. As hi’j een karweigien had waor haost mee was gave soms zomar een gulden aover. Derkien zei d’r bi’j: “as et giet umme een broek kurter maken, dan doe ik det wel effen."
Eigelik had Derkien helemaole gien tied um te helpen. Ja, zie was neister ewest mar et grote gezin vreug feilik al heur andacht. En Gait Jan kon nooit nee zeggen as d’r een klaante kwaamp. En hi’j naamp volgens Derkien et werk ok altied te licht op. Det hi’j af en toe niet aover kwaamp, det lag an het feit det hi’j akelig sekuur was. Peerehaor in revers det mos ie d’r eerst op stikken aanders gunk et later toch soms trekken. Nou ja, zo had hi’j et eleerd.
Hi’j stak een piepien op. Dizze morgen wol Gait Jan effen van et mooie weer genieten en kuieren hi’j effen et meulenweggien of. Et was nog zo vrog det et muldertien um tegen kwaamp. Hi’j had ok metiene al preuties. "Ah, ie neemt et er nog effen van, kleermaker?"
Gait Jan wol eigelik niet met die krompraoter in discussie gaon en hi’j zeg: “Gao ie nou maar zurgen det ie het maal veur de boeren mooi fien hebt.”
"Ah, ok al annebraand he, ja det hi’j met die mensen die d’ele dag op eur gat zit.”
Gait Jan leup wieder mar nao een paar stappen gong hi’j toch al weer terugge. De piepe was hum uut egaon en de woorden van et muldertien hadden hum duudelik emaakt, det der nog heel veule mos gebeuren. Gisteraovend was er nog een bonke werk bi’jekomen. Van Duren uut de Oosterhulst gunk op 1 mei trouwen en nou had hi’j een lappe ekocht veur een pak. “Kiek kleermaker, mien moe hef de lappe ekocht, wat dunkt oe daorvan?”
Gait Jan had al eziene det et een goeie wollen lappe was. As hi’j et effen tussen doem en vinger anvuulen dan wus hi’j der alles van. "Mien moe zeg gaot bijtieds naor kleermaker Gait Jan hen want hi’j zal nog wel meer mutten maken.”
"Ja det klopt wel, ik heb werk zat maar tegen mei mut det wel lukken.”
Gait Jan leggen effen de ellestok naost de lappe want die koopluu wollen nog wel is wat te zuunig ofmeten.
Et vul mee, de lappe was wel driemetertwintig, mar wacht is effen, de lappe was schuuns ofeknipt. Ja heur an de iene kante was de lappe driemeter vieftiene. "Et kan mar net Van Duren, ie bint niet dikke aans zol et er ginnie uutkunnen want de koopman hef der de scheere schuuns deur laoten gaon.”
"O ja, daor had mien moe et ok al aover."
"Ie hebt er ok gien voering bi’j zie ’k wel."
"O, is det neudig kleermaker?"
"Ja, ie wilt der toch ok wel zakken in hebben?”
"Nou ja, netuurlik, mar kun ie det er dan niet bi’j doen?”
Gait Jan naamp de maote en hi’j zeg: "Ik zal oe wel waarschuwen as ie passen mut."
Toen de jonge egaon was, begunnen Gait Jan te rekenen. Et was een dikke veertien dagen veur de trouwdaotum. Verduld et zol d’r nog umme spannen. D’r lag ok nog een lappe veur die beide boerenjonges die beliedenis wollen doen. Eigelik mos hi’j de komende tied niks aandes doen as an die pakken warken. Hi’j zol er metiene an begunnen. Hi’j knippen ze beide tegelieke. Daor gung de veurmiddag mee hen, mar now was et ok gebeurd. Hi’j wol nao de middag wieder gaon, mar det leup heel aans. Hi’j had net de stikziede in de naalde edaon of daor haai de veearts. Det was een jonge dikke keerl die meestal op de motor reed. Die keerl kwaamp hier aanders nooit, dus Gait Jan was barre ni’jsgierig. Hi’j bracht een grote lappe manchester mee. "Kleermaker," zee hi’j, “als je me hier twee pakken uitmaakt, geef ik je een gulden extra, maar dan wel deze week, wat dunkt je zou dat gaan?"
Die gulden extra leek heel goed, mar ja, de tied. De man zei: "Vanwege mijn postuur kan ik geen confectie dragen. Nou, wat dunkt je, zou het wel lukken deze week?"
"Ik zal mien beste doen," zei Gait Jan, "ik zal oe de maote nemen."
Ik laote hum niet gaon, dacht Gait Jan, want hi’j kon ok zo wel naor Gait Jan Witpeerd gaon. Veurzichtig zei hi’j: "Iene zol misschien wel gaon meneer."
"Nou ja dan eerst maar een, de tweede die komt dan wel."
Et was ok echt een apart dik keerltien, daor mog hi’j nog wel goed rekening mee hollen. Hi’j mos in de broek wel een extra naod maken.
Toen de man wegegaon was, kwaamp Derkien uut de kamer; zie had alles eheurd.
"Ie kunt gien extra wark annemen Gait Jan, dan krieg ie die pakken niet klaor.
"Hi’j wil een gulden meer geven as e d’r met een weke iene klaor hef."
"Ja, een gulden extra, det koj niet hen laoten gaon, mar och, ie hebt helemaole gien tied man. Die pakken van die jonges daor kun ie niet mee wachen, zie doet beliedens en die daotum stiet al vaste.'”
”Ja, mar een gulden extra..."
"Ja umme det of te slaon det was ok nog al wat."
"Weet ie wat, knip det pak mar, de broek die nei ik wel inmekare."
Gait Jan gunk metiene an et knippen. Et was gien zundagspak, det et kwaamp niet op een mieliemeter an. Nog veur de middag waren de beide pakken eknipt.
Derkien was neister ewest en zie kon er mee voort heur. Zie warken wel iens zo gauw as Gait Jan. Mar et had ok een naodeel. As Gait Jan deur warken tot elf uur 's aomps, dan gung e naor bedde en een kwartiertien later sleup hi’j al, maor as Derkien een hele dag eneid had, dan lag ze ‘s aomps tieden wakker. Derkien had dizze weke een broekien veur heur jongste willen maken, mar dan mos ze det mar een weke uutstellen. Gait Jan gonk an et knippn, mar nou was de naomiddag toch ok al zo weer umme. Toen et aomp was had Derkien de broek veur de veearts al in mekare eneid.
“Nou de knopen en de knoopsgaten morgen nog en dan hi’j een broek klaor.”
Gait Jan nikken alleenig mar, hi’j was al lange bliede det zie hum wat uut de haanden eneumen had. Hi’j warken die dag deur tot elf uur en toen had e et peerdehaor in de revers estikt. Nou kon e daor morgen zo met wieder gaon en op de neimachine et goed vaste neien.
Gait Jan vul metiene in slaop mar Derkien lag nog een tied wakker te prakkeseren: zie vund det ze een knecht mossen zien te kriegen. Et wark kwaamp altied ongeliek lös, daor koi gien verandering in brengen mar as de mensen te lange mossen wachen, dan leup ie de kaans det ze naor een aander gungen. Derkien preut er de volgende morgen metieme aover.
"Eigelik mos ie een knecht hebben Gait Jan, ie kunt nooit al et wark op tied klaor maken."
“Ja,” zei Gait Jan, “daor zeg ie wat.”
Hi’j had er zelf ok al wel aover edacht, mar nou Derkien der aover begunnen, vreug e: "Zok dan iens een advertentien in de Möppeler kraante zetten?"
"Ik zol et mar doen Gait Jan."
Gait Jan schreef metiene een brief naor de kraante veur een advertentie. Now det besluut eneumen was leek et wark hum nog beter van de haand te gaon. Et scheut merakels goed op die dag. Toen et aomp was kon et iene pak wel epast wurden. Hi’j sturen Jans naor de mensen toe want die had er nooit muite mee um de mensen te vinnen. Gait Jan leggen uut waor de mensen wonen en toe fietsen hi’j d’r zo naor toe.
Jans vertellen: "Die keerl kump vanaomp al va en zien breur vreug waorumme hi’j dan nog niet mos passen."
"Det wurdt een weke later,” mompelen Gait Jan. Det mos wel gaon lukken, mar Gait Jan had buuten de warkelijkheid erekend. Die weke kwaamp er toch een bonke wark binnen! Een keerl met een lappe veur een manchester broek en een lappe veur een kiele. Beekman brach twie pakken die inekort mossen worden. Derkien zag et bezurgd an. Zokke karweigies kossen altied veule wark. Ie mossen naoden lus halen, et pak inkurten en dan weer vaste neien en dan mos der et striekiezer ok nog weer overhen. Mar ja, et heuren d’r bi’j. Diezelde weke kwaamp er ok nog een boer met een lappe, die zien vrouw an de deure ekocht had. Zie had uuterekend det heur zeune en heur man er beiden wel een pak uut konnen laoten maken. En zie hadden edacht det et wel mooi zol wezen as die pakken met Paosen klaor waren.
"Ik heb veule werk," zee Gait Jan, "ai aover veertien dagen weer koompt kan ‘k oe wel zeggen wanneer et giet lukken."
Dit was et vaste antwoord van Gait Jan as et druk was, mar de klaante vund det niet zo mooi. "Nou ja, Gait Jan, et is zo, det de lappe al effen d’r lig, mar ie mossen mi’j toch mar een beetien veurrang geven. Twie teglieke det is voor oe toch ok mooi?"
Derkien zei altied: “Over veertien dagen kun ie ok nog niet zeggen wanneer et uutkump. Ie hebt wel veur drie maond wark en elke dag kump er wat bi’j."
Een weke naodat de advertentie ien de kraante stund kump er zomar een jonge vent de kleermakerije in en vertellen det e altied bi’j Kunnekes in Meppel had ewarkt en hi’j now wol e wel bi’j Gait Jan komen. Gait Jan vuulen zich in ien keer merakels opgeruumd. "En wat kun ie dan allemaole wel?"
“Eigelik kan ik alles”, vertellen hi’j, "mar as Kunnekes een pak mos maken, dan maken ik meestal de broek en et vest en hi’jzelf de jasse."
“Niet gek,” dach Gait Jan en zo kwaamp Douwe Jongsma bi’j heur. Hi’j kon metiene begunnen en zo kwamen die weke de pakken veur de jonges die beliedenis wollen doen op tied klaor. "Net op tied," zei Derkien, “as Douwe niet ekomen was had ie et niet ered.”
Det was waor en Gait Jan zei er niks op. Soms dan koj beter zwiegen as spreken. Ondertussen kwaamp er die dagen nog weer wark bi’j. Een olde boer wol zien trouwpak laoten keren. Gait Jan bekeek et pak van zwat laken. Hi’j was nooit gek op een pak keren, mar hi’j had nou een knecht en die kon hi’j daor mooi anzetten. Douwe was nou met de machester broek van de veearts an de gank en Gait Jan had al eziene det e wel uut de voeten kon met et wark.
"Hi’j kan wel wat," vertellen e an Derkien. Die had det al lange eziene. "Die jonge hef et in de vingers Gait Jan en ie mut hum ‘s aomps nao et eten vri’j geven, aans hef zo’n jonge vent hier toch niks?"
Derkien had geliek en Gait Jan begreep det e de eerste weke wel teveule van de jonge had evargd. Toen et die aomp halfachte was zei hi’j: "Stop er mar met Douwe, ie gaot morgen mar wieder.”
"Mooi", zei Douwe, “dan gao ‘k de umgeving iens bekieken."
Al kwaamp er met de nije knecht wel iens zo veule wark klaor as aans, toch wurn et wark niet minder. Een probleem wurden et pak veur Van Duren. Twie dagen veur zien trouwdag was hi’j ewest passen. “Niks an de haand," zei Gait Jan, "et past allemaole en ik breng oe et pak an huus."
De jonge gong gerust naor huus, maar Derkien was er niet gerust op. "Ie hebben nog drie dagen wark man en aover twie dagen giet e trouwen."
"Och det valt wel met", grommen Gait Jan. Hi’j warken driftig voort en toen er weer een klaante kwaamp met een lappe veur een ni’j pak, leute Douwe et anmeten. "Ie mut alles leren Douwe en dan kan ik deurwarken."
Douwe lachen d’r umme. Et bevul hum hier wel en hi’j had al lange ezien det er wark zat binnen kwamp.
Et schelen wel det Gait Jan zo deur kon warken mar toch vleug de tied umme. De aomp veur de trouwdag van de jonge Van Duren mos er nog zoveule an et pak gebeuren det Douwe besleut um ok maar deur te warken. Gait Jan nikkoppen dankbaar. Tegen tien uur bakken Derkien veur allebeide twie eiers op, zie malen ni’je koffiebonen en zo zaten de beide kleermakers te smikkelen. Pas tegen de morgen was et pak klaor.
"Gao ie mar naor bedde", zei Gait Jan tegen Douwe, “en ie kiekt zelf mar wanneer ie d’r weer uutkoomt."
Gait Jan stak een piepe op en met et pak achterop de fietse reed e naor Van Duren. Et was een uur of zesse; uut de sloten kwaamp damp op mar de zunne was er ok en et zol gauw genog wat warmer wurden. Et was een mooie morgen vund Gait Jan en nou ja, hi’j had een nacht deurewarkt, mar nou zag ie de wereld ok nog iens van een aandere kaante. En ….. hi’j had woord eholden want et pak was op tied klaor ekomen. Bij Van Duren waren de keerls naor et melklaand, mar de vrouwe zei met bliede stemme: "Wel verduld daor he’j de kleermaker, was et oe gisteraomp te late wurden? De jonge zeg al: Hei zal et toch wel op tied brengen?"
"Och nou ja", zei Gait Jan, "de hele nacht is er mee henegaone."
"Het is toch niet waor, heb ie de hele nacht der an ewarkt? Nou mar ik zette oe koffie, ie kriegt van mi’j koffie met koeke heur. Of heb ie liever zo vrog op de morgen een boterham met keeze?"
"Geef mar een boterham", zei Gait Jan.
Bedrievig schunk ze Gait Jan een kuppie koffie in en ze leggen d’r een boterham bi’j waor de keeze aover de randen krullen. Et smaken Gait Jan barre best. De keerls kwamen weer en die keken ok net zo verwonderd. "Nou Willem trek iens gauw et pak an dan kow zien of de kleermaker ere van zien wark hef."
Et pak zat goed heur. "Nou ie hebt ere van oe wark Gait Jan en oeveule geld krieg ie?"
"Elf gulden van et maken en zestig cent veur de voering.” "Schenk die keerl een borrel in', zei de olde Van Duren. "Ik dache det wi’j boeren wel iens hard mossen warken mar ie kunt er ok wat van heur."'
Gait Jan drunk twie borrels op et geluk van et jonge stel en toen hi’j naor huus fietsen was e wel een beetien zweverig. De zunne kwaamp now goed deur en hi’j had een klaante ehulpen. Zie waren merakels te passe en daor gunk et umme.

* * *

ZOEKPLAATJES

Zoekplaatje 31 was binnen een dag na het verschijnen van het kwartaalblad al opgelost:

Groot was de verassing toen ik “Nijluus’n van vrogger” van juni 2014 opende. Mijn overgrootmoeder!!
Het fijne weet ik er niet helemaal van maar het is de moeder van mijn oma Janna Stolte die getrouwd was met Johan van der Graaf.
Dus zij moet getrouwd zijn geweest met een Stolte. Ik weet haar meisjesnaam niet. Ze komen inderdaad uit de buurt van de Middeldijk/Kringsloot. Ik weet dat ze in ieder geval 2 kinderen had: Jan en Janna (mijn oma). Er kunnen er dus meer geweest zijn. Dit is wat ik weet, wat mij vroeger verteld is. Hopelijk heeft u er wat aan. Met vriendelijke groet,
Sabrina Vogelzang

Met dit gegeven in de hand was het niet meer zo moeilijk om uit te zoeken hoe haar naam is. Het is Willemina Stroink, geboren op 16 januari 1867, dochter van Rutgert Stroink en Janna Bouwman. Ze trouwde op 15 maart 1894 met Barteld Stolte, zoon van Jan Stolte en Hilligje Schoemaker.
Nadat Barteld Stolte op 27 augustus 1905 was overleden, trouwde Willemina op 30 september 1909 met Jan Kragt.
Willemina Stroink overleed op 25 maart 1944, nadat ze ook haar tweede echtgenoot had overleefd.

* * *

TOEN EN NU, 2


De Viersprong, ca 50 jaar geleden en in 2014.


* * *

Foto achterpagina

Arie (links) en Egbert Boschman omstreeks 1954.






Jaargang 32 nummer 4 december 2014


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina

Winters landschap op de hoek Oosterveen-Bouwmansweg.
(Vermoedelijk) Jan Blik omstreeks 1960 rijdend op een stutkar. Op de achtergrond de boerderij van Herman Kreule.

* * *

EEN OUD SCHRIFTJE

Jakob de Weerd

Sinds 2006 is museum Palthehof in bezit van een oud schriftje waarin het oudst vermelde jaartal 1773 is. Het schriftje is op enig moment in Westerbork opgedoken en van de ondergang gered. Het bleek afkomstig te zijn uit Nieuwleusen. Hoewel het al de jaren niet ongehavend heeft doorstaan, is nog een redelijke hoeveelheid tekst te lezen. Over dit schriftje gaat dit artikel, dat niet kon worden geschreven zonder dankbare medewerking van Albert Booij en Klaas Masselink.

Van Nieuwleusen naar Westerbork en terug
Op 15-02-1946 overlijdt Lambert Kinds in Westerbork op 67-jarige leeftijd. Hij is getrouwd met de dertien jaar jongere Roelofje Speelman, die uit Zweeloo afkomstig is.
Lambert Kinds is op 07-07-1878 geboren in Zwiggelte (gemeente Westerbork). Hij is een zoon van Geert Kinds en Grietje Vissius. Zijn moeder komt al vrij snel te overlijden, waarop zijn vader hertrouwt met Jantje Annen. Uit dat huwelijk wordt onder andere op 16-02-1887 zoon Egbert geboren. Egbert Kinds is dus een halfbroer van Lambert.

Egbert Kinds, schilder van beroep, trouwt op 01-05-1915 in De Wijk met de uit Staphorst afkomstige Annigje Kloeze, die naaister is. Zij is geboren op 07-04-1881 in Staphorst en overlijdt op 07-10-1956 in Wapserveen. Het huwelijk van Egbert en Annigje Kinds-Kloeze ( Egbert en Annigje Kinds brengen hun huwelijksjaren door in Wapserveen. Ze wonen daar op diverse adressen. Egbert is daar ook kerkvoogd. In de klok, die sinds 1948 in de klokkenstoel in Wapserveen hangt en die de in 1943 weggehaalde klok vervangt, is zijn naam vermeld: “Ik ben in 1948 voor Wapserveen gegoten, toen kerkvoogden waren: R. Hessels, J. Kuiper en E. Kinds.” (bron: Wapserveen, bewoners en huizen).), is naar alle waarschijnlijkheid kinderloos gebleven. Na het overlijden van Annigje gaat Egbert Kinds op 18-05-1957 in Westerbork inwonen bij Roelofje Kinds-Speelman, de vrouw van zijn overleden halfbroer Lambert.
Als een van de kinderen van Lambert Kinds zijn huis opruimt als hij gaat verhuizen, staat een container gereed voor diverse oude paperassen. Op het moment dat er weer een stapel in zal verdwijnen, komt buurman Albert Booij een praatje maken. Hij kijkt vragend naar de oude papieren en krijgt als opmerking: “allemaal oude papieren, ik weet er niks van en het zegt me ook niks”. Uiteindelijk krijgt buurman Booij, die interesse in geschiedenis heeft, de oude papieren mee naar huis. Bij die papieren zit een schriftje dat, zoals later zal blijken, uit Nieuwleusen afkomstig is. Maar hoe komt een schrift uit Nieuwleusen in Westerbork terecht? Daarvoor gaan we op zoek naar een familierelatie met Nieuwleusen. De familie Kinds blijkt allemaal uit Drenthe te komen, dus via die lijn komen we niet verder. Dan maar verder zoeken via de andere lijn.

Annigje Kloeze die met Egbert Kinds trouwt, is een dochter van Wicher Kloeze, geboren 26-08-1849 te Hoogeveen, en Jantje Hendriks, geboren 29-09-1855 te Staphorst.

We volgen nu de lijn van Jantje Hendriks. De vader van Jantje Hendriks is Hendrik Hilberts Hendriks, die op 20-09-1822 in De Wijk is geboren als zoon van Jentien Hendriks en een onbekende vader.
Daarom krijgt Hendrik de achternaam van zijn moeder. Als Hendrik Hilberts Hendriks 28 jaar is trouwt hij op 23-11-1850 in Staphorst met Mientje Schoemaker. Deze Mientje is op 29-11-1825 geboren in Nieuwleusen als dochter van Hendrik Schoemaker en Janna Kips.


Het schriftje is duidelijk afkomstig van deze Hendrik Schoemaker want hij schrijft daarin: “in het jaar 1823 ben ik Hendrik Schoemaker getrouwd met Janna Kips”.

De link met Nieuwleusen is dus gelegd. De weg die het schriftje heeft gevolgd is dus van Hendrik Schoemaker via zijn dochter Mientje Schoemaker naar Jantje Hendriks en vervolgens naar Annigje Kloeze en via haar man Egbert Kinds naar de erfgenamen van diens (half)schoonzuster Roelofje Kinds-Speelman in Westerbork, die bij huisopruiming het kleinood in de container zouden doen belanden.
Gelukkig is het schriftje gered door Albert Booij. Omdat hij geen levende nakomelingen van Hendrik Schoemaker en Janna Kips kon vinden, schonk hij het in 2006 aan museum Palthehof.

Samenvatting van de reis die het schriftje heeft gemaakt:

1. Nieuwleusen:

2. Nieuwleusen/Staphorst:

3. Staphorst/Wapserveen:

4. Staphorst/Wapserveen:

5. Wapserveen/Westerbork:

6. Westerbork/Nieuwleusen:

Hendrik (Geerts) Schoemaker (1768-1841)
Mientje Hendriks-Schoemaker (1825-1898)
Jantje Kloeze-Hendriks (1855-1931)
Annigje Kinds-Kloeze (1881-1956)
erfgenamen Kinds (1956-2006)
museum Palthehof (2006)

Het schriftje
Het schriftje heeft een harde omslag en een schutblad die niet oorspronkelijk zijn. De inhoud bestaat uit 38 sterk vergeelde bladzijden. De laatste bladzijde is zo verkleurd dat de tekst niet meer te lezen is. De randen van de bladzijden zijn behoorlijk gehavend en van enkele bladzijden ontbreekt een deel. Met wit garen zijn de originele bladzijden in het omslag gehecht.
De bladzijden waren van oorsprong ongelinieerd. Op de meeste is geschreven, een enkele is leeg gebleven. Door een kinderhand zijn later met een rood potlood op enkele bladzijden strepen en letters getekend.
Hoewel het merendeel van de tekst geschreven is door een en dezelfde persoon, lijkt het er op dat enkele stukken door iemand anders zijn geschreven. Duidelijk is dat Hendrik Geerts Schoemaker het schriftje is begonnen omdat hij schrijft: “Dit is mijn Eggen Hand sch Hendrik Geerts”. Het andere handschrift is, in elk geval voor een deel, van zijn zoon Hendrik. Dit kunnen we afleiden uit de aantekening van de geboorte van een dochter in 1844. Hendrik Geerts Schoemaker was toen al overleden.

De inhoud
De eerste dertien bladzijden bevatten teksten uit de Bijbel. Er zijn wel data vermeld, maar geen jaartal. Bij sommige data is een feestdag vermeld zoals Hemelvaartsdag. Omdat deze dag altijd op een donderdag valt, is op onlinekalender.nl gezocht naar een Hemelvaartsdag die op 9 mei viel. We komen dan uit in 1782. Dat klopt ook met de vermelde data 19 en 20 mei voor Pinksteren. De meeste andere data bij de bijbelteksten vallen in 1782 op zondagen.
Op bladzijde 8 is echter vermeld: “Den eersten wonsedag in den Meert den 6 Meert.” 6 maart 1782 viel inderdaad op woensdag. Mogelijk was het toen Biddag, maar dat valt (althans tegenwoordig) op de tweede woensdag in maart en niet op de eerste.
Op bladzijde 5 is nog een keer paasmaandag vermeld bij 6 april. Die notitie moet van later datum zijn, namelijk van 1795 toen het op 5 en 6 april Pasen was.

Op de bladzijden 14 tot en met 21 zijn hoofdzakelijk aantekeningen te vinden van arbeidsovereenkomsten. Op bladzijde 14 is het oudst vermelde jaartal 1773 te vinden.
De bladzijden 16, 18 en 22 zijn leeg. Dan volgen op bladzijde 23 aantekeningen over trouwbeloftes en op bladzijde 24 de vermelding dat broer Arend in 1766 is geboren.
Bladzijde 25 gaat over landwerkzaamheden, bladzijde 26 en 27 over zijn eerste vrouw Hijlgien Egberts en de volgende bladzijde over de geboorte van vier kinderen.
Bladzijde 29 vertelt over het overlijden van vader en moeder en de geboorte van een kind. Op deze bladzijde is ook vermeld: “Kreegen wij die Engelse Huusaren”. Dit was in het jaar 1795, de tijd van de Franse revolutie.
Bladzijde 30 is leeg, bladzijde 31 bevat gegevens over de verkoop van rogge en boekweit, bladzijde 32 vermeldt nog geboorten en samen met bladzijde 33 aantekeningen over werk op het land.
Bladzijde 34 gaat over geboorte en overlijden van kinderen en bladzijde 35 over landbouwproducten.
Bladzijde 36 bevat familieaantekeningen, o.a. over het tweede huwelijk van Hendriks Geerts met Janna Kips en vervolgens een geboorte en overlijden. Ook staat er nog een aantekening over rogge op. De daaropvolgende bladzijde is leeg en tot slot de laatste, bladzijde 38, die het jaartal 1791 bevat maar waarvan de tekst op het donkere blad zo is verbleekt dat die onleesbaar is.

Personeel
In 1773, Hendrik Geerts is dan pas twaalf jaar, schrijft hij dat Jan Essies is aangenomen als scheper. Naast geld (Agt rier ( Rier, soms ook door Hendrik Geerts als reer geschreven is een rijder (rijer), een gouden of zilveren munt met de afbeelding van een ruiter.)) krijgt hij een paar schoenen, twee hemden, een hemdrok en twee broeken. Ook is Wolter Boers Aaltien in dienst genomen. Zij krijgt naast geld (16 rijer) een paar schoenen, twee hemden, een omslagdoek van vlas, een grijs slond (schort) en ook de kost.
In 1774 is Vossen Jan als scheper aangenomen voor negen gulden en twee schelling (?(Sommige woorden zijn onduidelijk geschreven, vandaar het vraagteken)), een gespe (?), twee hemden, twee broeken, een hemdrok, een paar schoenen en een pond wol.

In 1789 treedt Lukas Geerts in dienst als knecht voor geld (30 rier), drie hemden, een hemdrok, twee broeken en een paar schoenen.
Ook als knecht is Jan (geen achternaam vermeld) aangenomen voor 36 rier, drie hemden, een hemdrok, twee broeken en een paar schoenen. Jan Snor is aangenomen voor bijna dezelfde beloning. Hij krijgt echter een rijder meer.
Een jaar later, in 1790, komt Goossen in dienst voor 8 rijder, twee hemden, twee broeken, een hemdrok en “1 schortebroek en 2 schelgen tot een gospennig”. Onduidelijk is wat daarmee bedoeld wordt. Ook Geert is in dat jaar “gewonnen” voor 23 rijder, een gestreepte hemdrok, twee broeken, twee hemden en een paar schoenen.

Een paar bladzijden verder vinden we nog meer aantekeningen over werknemers met soortgelijke beloningen. Daarbij is geen jaartal vermeld. Genoemde namen zijn: Jan Beerents, Koop Beerents, de jonge Beerents en Janna. Jan Beerents blijkt een liefhebber van “terbak” (tabak) want hij krijgt diverse keren zijn loon op die manier in natura uitbetaald.

Werkzaamheden
In 1790 en 1791 zijn berken geplant "in die Kampt voor het huis op die meiderwal (?)". In 1791 is men begonnen boekweit te zaaien in “die Heije Kampt”, die door Hendrik en Hijlbert daarvoor gereed is gemaakt. In 1791 zijn verder wilgenstekken gepoot door Hendrik Geerts “en die bij het schot ook”. In 1792 zijn ook berken geplant in “die tweede Kamp in die honger Kamp”.(Kadastrale kaarten uit het begin van de 19e eeuw (1832) maken duidelijk dat de familie Schoemaker land had in de buurt van het kruispunt Westerveen/Buldersweg, ongeveer 500 meter ten oosten van de Jagtlusterallee. Het land liep meestal van daaruit in smalle stroken naar het noorden tot het Zandspeur. De meest zuidelijke strook bestond uit grasland, daarna bouwland en aan de noordkant was heidegrond. Aan het einde van de 19e eeuw bevonden zich tussen de spoorlijn Zwolle-Meppel en de Stouwe meer dan 40 schaapskooien. Ze lagen bijna allemaal een kilometer ten zuiden van de toenmalige Dedemsvaart.)
In 1797 poot Hendrik Geerts nog weer eens wilgenstekken en wel in die “gooren an die wessen Hand” (de westkant van de tuin of akker).
In maart van hetzelfde jaar zijn er telgen gepoot langs de kant van de dijk en ook zijn er toen haagbomen geplant in de westerse kamp. “Dit is gedaan door Hendrik Geerts”.

In het jaar 1787 heeft Geert Hijlberts in september iets gedaan, maar wat is niet duidelijk. Op de tiende is Klaas in de hongerkamp begonnen met het graven van een sloot en een jaar later, in 1788, is er aan die kant van de kamp een pad aangelegd. Verder is in 1789 de steeg aangelegd (“bepaadt”).
In juli 1795 ging Hendrik Schoemaker (Hier wordt voor het eerst de naam Hendrik Schoemaker gebruikt (blz 31) ipv Hendrik Geerts.) naar Zwolle om rogge en boekweit te verkopen. De vijf schepels rogge worden verkocht voor
"4 Guld. en 12 st." per schepel. De vier schepels boekweit brengen
"3 Guld. en 3 st." het schepel op. Twee weken later kost de rogge
“4 Guld en 10 st.” het schepel.
In 1807 heeft Hendrik Schoemaker een ton aardappels gekocht, wat hem zeven gulden kostte. De prijs van de boekweit was toen vier gulden en tien stuiver en die van de rogge drie gulden en tien stuiver.

Engelse huzaren
Op bladzijden 29 vinden we de volgende aantekening: “in het Jaar 1795 en dat in de maand Januari den 10 desen is vader ( Wie wordt bedoeld met “vader” is onduidelijk. Zie hoofdstuk “Vraagtekens”.) gestorven smorgens om half sessen uur den 16. desen is begraven smidag.
Die selfde dag Kreegen wij die Engelse Huusaren.”
We leven in de Franse tijd en hier raakt een stukje landelijke geschiedenis aan die van Nieuwleusen. Wat is het geval?

Nadat Joan Derk van der Capellen tot den Pol (De Pol was een havezate onder IJhorst, die ook wel Esphorst of Respers werd genoemd.) in 1781 zijn pamflet “Aan het volk van Nederland” had verspreid, was er sprake van een tweetal stromingen, de Patriotten en de Prinsgezinden.
Toen prinses Wilhelmina in 1787 in Goejanverwellesluis werd aangehouden door de Patriotten, ging het mis. Haar broer, de koning van Pruisen, kwam te hulp en veel Patriotten vluchtten naar Frankrijk, waar ze in 1789 de Franse revolutie meemaakten. Daardoor ontstond bij hen de hoop op terugkeer naar Nederland om ook hier alsnog een succesvolle revolutie te ontketenen. Onder leiding van Herman Willem Daendels werd een Bataafs legioen opgericht, samengesteld uit uitgeweken Nederlandse Patriotten. In 1794 viel Frankrijk Nederland binnen.
Naast steun uit Pruisen kreeg Nederland ook steun van Engelsen. Maar de bondgenoten moesten zich steeds verder terugtrekken.
Op 10 januari 1795 trekken de Franse troepen de Waal over en op 16 januari bezetten zij Utrecht. Stadhouder Willem V vlucht op 18 januari naar Engeland en een dag later wordt de Bataafse Republiek uitgeroepen.
Op 16 januari 1795 passeren de zich terugtrekkende Engelse huzaren Nieuwleusen. Ze zullen hier een of hooguit twee dagen ingekwartierd zijn geweest bij de boeren. Ook het gezin van Hendrik Geerts Schoemaker kreeg daar dus mee te maken op de dag dat vader werd begraven.

Trouwbeloftes en huwelijk
Hendrik Geerts schrijft op bladzijde 23 (zie foto op de volgende bladzijde) dat hij geboren is op 22 januari 1761. Als hij 25 jaar is heeft


hij verkering en komt het tot een trouwbelofte : “Anno 1786 Den 14. Meij heeft mij Hendrikkien Arents van steenbergen troubelooft s aavens om 9 uur bij handtassehge en Eet gezwooren wij beijde om troutehouden”. (Op 14 mei 1786 ’s avonds om negen uur heeft Hendrikje Arents van Steenbergen mij trouw beloofd door haar hand te geven en we hebben beiden gezworen elkaar trouw te blijven.)
Toch gaat er iets mis want het komt niet tot een huwelijk.

Nog geen jaar later schrijft Hendrik “Ao 1787 Den 3. Februari Heeft mij Hijlgien Egbers uit Den Huls Troubelofte (gedaan) s avons om 10 uur of half 11 en ik Haar ook in gelijk en bij Handtassenge belooft om te trouwen. Dit is mijn Eggen Hand sch(rift) Hendrik Geerts Broekhors (Dit is de enige keer dat de toevoeging Broekhors voorkomt) . Ik Hendrik Geerts bijn gebooren in het jaar 1761 den 22. Januari.”
Een jaar later op 30 maart 1788 trouwt Hendrik Geerts met Hilligje Egberts van Hulst. Zij is geboren omstreeks 1771 en is dan nog maar ongeveer 17 jaar. In een akte komt haar naam ook voor als Hilligje Klaas. Haar vader was Gerrit Klaas van Hulst.
“in het Jaar 1788 den 12 Maart hebbe wij ons in laaten schrijven en dat den 30. Maart getroud, ik Hendrik Geerts met Hijlgien Egberts Anno 1788 in den Huls. Dit is geschreven door Hendrik Geerts.”
“in het jaar 1789 is onze zoon Geert gebooren en dat wel in die maant Januarens den 15 en dat snagts tussen Donderdags en frijtagst om half drie uuren dit is geschiet op den15 Januarens. In het jaar 1790 is onze zoon Egbert geboren en dat wel in die maant Augustus en dat wel op den 3. August dingsterdag savons om half Elffen.”
“in het Jaar 1792 is onze zoon Hermen gebooren en dat wel in die maant Februarie den agten wonsedags voor des midags om 11 uur.” “in het Jaar 1793 is dese bovenstaande Hermen gestorven in die maand Junius den 19 smorgens om half 3 uur wonserdag.”
“in het Jaar 1794 is onze Dogter Grietien geboren in die maand januari (doorgestreept) den 6. Februarius donderdags savons om 1 uur.”
“in het jaar 1796 is onze zoon Hermen gebooren in den maand April en dat wel den 7 op een Donderdag … (verder onleesbaar).”
“in het jaar 1798(?) is onze dogter Stijntje gebooren en dat wel den 19. Augustus sondag morgen ........ te 10 uur.”
In 1799 wordt er weer een kind geboren, dat hetzelfde jaar sterft. Deze tekst is hieronder weergegeven en op de puntjes onleesbaar:
“……… en dat in het jaar 1799 is geboren dat is in het Jaar 1799 gestorven in ……. Junius den 13 …… om half 6 uur …… morgens.”
“in het Jaar 1800 is onsen dochter Stijntgen gebooren en dat wel in die maand Junius 22 sondags smorgens om 10 uur.”
“onse zoon Gerriet is gebooren in het Jaar 1804 den 4. Februarie wonsedags smorgens om 6 uur.”
“onse Dochter Hijelgien is gebooren in het jaar 1807 Den 12. April sondags savons om 9 uur.”

Hendrik Geerts (Schoemaker) en Hilligje Egberts kregen dus tien kinderen (De aanvullende genealogische gegevens zijn uitgezocht door Klaas Masselink.) :
1  Geert, geb. 15 januari 1789, overl. 6 november 1847
2  Egbert, geb. 3 augustus 1790, overl. 2 januari 1863
3  Hermen, geb. 8 februari 1792 en overl. 19 juni 1793
4  Grietien, geb. 6 februari 1794, overl. 23 mei 1875
5  Hermen, geb. 7 april 1796, overl. 10 januari 1882
6  Stijntje, geb. 19 augustus 1798(?) en overl. voor juni 1800
7  nn, geb. in 1799 en overl. 13 juni 1799
8  Stijntjen, geb. 22 juni 1800, overl. 27 juni 1862
9  Gerriet, geb. 4 februari 1804, overl. 1 december 1874
10 Heijlgien (Hilligje), geb. 12 april 1807, overl. 3 mei 1886

Het huwelijk van Hendriks Geerts en Hilligje Egberts eindigt op 20 oktober 1820 door het overlijden van Hilligje, 49 jaar oud: “in den Jarie 1820 Den 20. october is mijn vrouwe na Euweg Russte in gegaan met volle seekerheid sij konde die satan schellen en seggen tot hem gaat weg van mij gij hebt an mij niet meer toen stonsie so gemoedig in het gelove dat sij seide dat haar anker daar gelofe gevesstig was in den Heemle dat hebbe ik haar hooren segge. wij hebben te saamen getroud geweest 32 Jaar 6 maanden en 3 weeken.”


Op heden den eenentwintigsten der maand october des jaars achttienhonderd en twintig, compareerden voor ons Reiner Saris van der Gronden, Schout der gemeente Nieuwleusen, Provincie Overijssel, waarnemende de functien van Officier van den Civielen Staat, des voormiddags ten tien uren, Gerrit Bouwmeester, landbouwer, oud drie en vijftig jaren, en Gerrit Bulder, landbouwer, oud zes en dertig jaren, beide wonende te Nieuwleusen,
dewelke ons hebben aangegeven, dat Hilligje Egberts, landbouwersche, oud negen en veertig jaren, huisvrouw van Hendrik Schoemaker, wonende te Nieuwleusen, op den twintigsten dezer overleden is, des voormiddags ten elf uren, ten haren huize staande te Nieuwleusen, No. 3.
Ten gevolge van welke aangave wij deze Akte hebben opgemaakt, dewelke na gedane voorlezing is geteekend door ons en de comparant Gerrit Bouwmeester, verklarende Gerrit Bulder niet te kunnen teekenen.

Tweede huwelijk
Na ruim twee jaar weduwnaar te zijn geweest trouwt Hendrik Geerts Schoemaker met Janna Kips: “in het Jaar 1823 op Den 1. July ben ik Hendrik Schoemaker weer (?) getroud met Janna Kips geboren te Ulsen en wij zijn (?) te ulsen getroud door die Dommieneer Kelppen Berg toen waarie ik in mijn 62 Jaaren oud en mijn vrouw in haar 34 Jaar oud.”
Het is een intrigerende vraag hoe Hendrik Geerts Schoemaker uit Nieuwleusen en Janna Kips uit Ülsen elkaar hebben leren kennen. Ze wonen per slot van rekening niet bepaald bij elkaar in de buurt. De meest waarschijnlijke en ook logische verklaring is de volgende. Op kadastrale kaarten uit 1832 is te zien dat de boerderijen en het land van Hendrik Schoemaker en ook van zijn zoon Harm(en) Schoemaker grenst aan de boerderij van Jan Masselink.
De Schoemakers wonen op de nummers 50 en 51. Jan Masselink woont op nummer 54. De totale oppervlakte van het land van de Schoemakers bedraagt ruim 20 bunder (ha). Het is dan ook geen wonder dat ze personeel moeten inhuren. Jan Masselink heeft 10 bunder. In het kadaster is zijn beroep vermeld als timmerman.

Maar wie is Jan Masselink en wat doet hij in dit verhaal?
Jan Masselink (Marselink) is geboren op 10 maart 1780 in Giethel (= Getelo, kerspel Ülsen) in Duitsland. Hij trouwt op 8 mei 1812 met Jantje Willems Podt uit Ruitenveen, toen nog Zwollerkerspel (De gemeente Nieuwleusen werd pas in 1818 gevestigd) , en blijft in Nieuwleusen wonen. Het is zeker dat hij in 1818 nog contact heeft

Standbeeld van een hannekemaaier met zeis op de rug in Ülsen (Duitsland).

gehad met mensen in Ülsen. Hij is daar dan o.a. om zaken te regelen in verband met zijn verblijf in Nederland.
Waarschijnlijk is Jan Masselink als hannekemaaier (Hannekemaaiers waren seizoenarbeiders uit Duitsland die in de zomer te voet naar Nederland kwamen om op het te land werken. De term hannekemaaier is afkomstig van de naam Johannes, doorgaans afgekort tot Hannes en is ontleend aan de dag van traditionele in-dienst-treding, Sint Johannesdag (24 juni). De eerste hannekemaaiers kwamen om gras te maaien. Toen bekend werd dat Nederlanders geïnteresseerd waren in Duitse koopwaar, begonnen sommige Hollandgangers om wat extra geld te verdienen deze waren mee te nemen in op de rug gedragen manden. In Groningen werden dit kiepkeerls genoemd. Naar schatting 140.000 uit het huidige Duitsland afkomstige hannekemaaiers hebben zich tussen 1815 en 1850 blijvend in Nederland gevestigd.) naar ons land gekomen en hier blijven hangen. Als zijn buurman Hendrik Schoemaker in 1820 weduwnaar is geworden speelt hij waarschijnlijk een rol bij het vinden van een nieuwe partner voor zijn buurman. In Ülsen woont Janna Kip, een ongehuwde vrouw van in de dertig. Jan Masselink zal haar gekend hebben of via familie of kennissen van haar bestaan weten. Mogelijk komt Janna Kip eerst als dienstmeid bij Hendrik Geerts Schoemaker in huis. Hoe dan ook, het resulteert in een huwelijk tussen beiden.
Janna Kip is rond 1790 in Ülsen in het Duitsche graafschap Bentheim geboren. Haar vader Harmen Kip is op 12 oktober 1761 in Veldhausen geboren en overleden op 8 december 1797 in Ülsen. Hij trouwt met Willemina Schroven, geboren en overleden in Ülsen, respectievelijk op 22 februari 1764 en 19 december 1839.
Een huwelijksafkondiging in Nieuwleusen is niet te vinden. Die in Ülsen vindt plaats op 15 juni 1823, waarna Hendrik Geerts Schoemaker op 1 juli trouwt met Janna Kip. In het Nederlands komt er een s achter en is het Janna Kips. Na het huwelijk blijft Hendrik in Nieuwleusen wonen, maar nu met Janna als zijn vrouw.
Met zijn 28 jaar jongere echtgenote krijgt hij nog drie kinderen:
“in het Jaar 1824 is onsie zoon geboren op den 18. April sna die middags om 3 uur Hendrike een soon van mijn vrou Janna Kip.” (Hendrik Schoemaker (1824-1858), de oudste zoon van Hendrik Schoemaker en Janna Kips trouwt op 24 september 1842 met Janna Masselink (1813-1875), de oudste dochter van Jan Masselink en Jantje Willems Podt. Janna is dan 29 jaar, is niet gehuwd en heeft een zoon van twee jaar. Het jongetje heeft de achternaam van zijn moeder: Jan Masselink (1840-1919). Deze Jan Masselink vertelt aan zijn kleinzoon (Jan Masselink, 1904-1989) dat hij in zijn jonge jaren een bijnaam heeft, namelijk Jan Kippies. We weten nu dat dit te maken moet hebben met de naam van zijn "Duitse" oma: Janna Kips (bron Klaas Masselink).)
“onsie Dochter Mientien is gebooren in den Jaarie 1825 op den 29. November sacter smiddags om half vier uur.”
Tenslotte wordt er nog een levenloos zoontje geboren op 15 maart 1828. Hendrik Geerts Schoemaker, die dan al 67 jaar is, maakt daarvan geen melding in het schriftje.

Vraagtekens
Niet alles is even duidelijk. De eerste 13 bladzijden bevatten teksten uit de Bijbel, maar waarom die werden opgeschreven is niet duidelijk. Op bijna alle bladzijden zijn data vermeld. Het begint op 2 februari en eindigt op 23 juni. Een jaartal ontbreekt.
Dan staat op bladzijde 13 nog geschreven: "Den 9.Junie heeft die dome... (Dat moet dominee zijn, maar het hoekje van de bladzijde ontbreekt. Omdat deze vermelding op bladzijde 13 staat, kort voor het oudst vermelde jaartal 1773, is de dominee waarschijnlijk Ds. Palthe die hier van 1754 tot 1803 stond. ) na zijn lant geweest en heeft die olde meester geleezen uit Psalm 36, vas 8. Hoe dierbaar is uwe goedertierenheid o God.” Was de dominee ook boer en moest hij op die zondag hooien? Nam daarom de oude schoolmeester de kerkdienst waar?

Op bladzijde 21 is vermeld “ik Hendrik Geerts Hebbe die Erste steen tot muule gehaald en dat wel in die maand Februa den 13. Ao 1798 van het grashekke.”

Dit zou kunnen betekenen dat Hendrik Geerts de eerste stenen voor een te bouwen molen opgehaald heeft van het Grashek, waar ze mogelijk via de Grote Hermel per boot werden aangevoerd.

Ook de vermeldingen op bladzijde 29 roepen vraagtekens op: “in het Jaar 1792 en in die maand November Den 12. savonds om halft 7(?) uur is moeder gerust en den 20. November begraven.
in het Jaar 1795 en dat in de maand Januari den 10 desen is vader gestorven smorgens om half sessen uur den 16. desen is begraven smidag.”
De ouders van Hendrik Geerts Schoemaker zijn Geert Hilberts Schoemaker (1717 – 1765) en Grietje Alberts (1722 of 1725 – 1766).
Het kunnen dus niet zijn eigen ouders zijn die in 1792 en 1795 zijn overleden. Een optie is dat het zijn schoonouders betreft van zijn eerste huwelijk of dat het zijn eigen pleegouders zijn.
Hendrik Geerts Schoemaker heeft een broer, waarvan hij in het schriftje op bladzijde 24 vermeld: “Broeder Arent is gebooren in het jaar 1766 den 13. Januarie.” Als we het jaartal bekijken dan zien we dat de vader toen al overleden was en dat de moeder in het geboortejaar van Arent overleden is. Het zou in het kraambed kunnen zijn. Wie er vervolgens voor de beide jonge kinderen, resp. 5 en 0 jaar, heeft gezorgd, is helaas onbekend.

Tot slot
Op bladzijde 36 wordt vermeld: “vader is overleden den 20. september 1841 (Volgens de akte van de Burgerlijke Stand is de overlijdensdatum 21 september 1841.).” Het is niet duidelijk wie dat geschreven heeft, maar in elk geval een van de kinderen van Hendrik Geerts Schoemaker. Dat zou zoon Hendrik kunnen zijn want hij schrijft op bladzijde 32 ook iets waarvan het jaartal in eerste instantie niet te lezen was: “onze dochter is Gebooren op den 3 November zondag 1…... midag 2 uur Hendrikje.”
Deze vermelding zorgde wel voor veel verwarring omdat we eerst dachten dat dit ook door Hendrik Geerts Schoemaker zou zijn geschreven. Nadere bestudering leerde echter dat het een ander handschrift is. Het moet van Hendrik zijn, zijn oudste zoon uit het huwelijk met Janna Kips. Die krijgt namelijk een dochter die volgens de geboorteakte op 3 november 1844 om twee uur geboren is.
Een paar jaar later is nog vermeld: “In het jaar 1847 toen heeft het zoo een duur zomer geweest toen koste de roge 4 Gulden het scheepel en de boekwijte 3 Gulden het scheepel.” Ook dit moet door zoon Hendrik zijn geschreven.

Hendrik Schoemaker is 81 jaar als hij op 21-09-1841 om vier uur ’s morgens in Nieuwleusen overlijdt. Zijn beroep is vermeld als landbouwer. Het opmaken van de overlijdensakte gebeurt door burgemeester Coenraad Willem van Dedem die fungeert als ambtenaar van de Burgerlijke Stand. De aangifte is gedaan door Arend Boerman en Jan Masselink, volgens de akte “goede bekenden van den overledene”.

Janna Kips overlijdt op 75 jarige leeftijd op 07-10-1865 om zes uur ’s middags in Nieuwleusen. Jacob Bijker is dan de ambtenaar van de Burgerlijke Stand en de aangifte wordt gedaan door Klaas Meijer en Klaas Krul, “goede bekenden van den overledene doch aan haar niet verwant”.

Het schriftje is een “kostbaar” kleinood met aantekeningen die enig licht geven op het leven in het laatste kwart van de 18e en de eerste helft van de 19e eeuw in Nieuwleusen. Het is daarom belangrijk voor de plaatselijke geschiedenis.

* * *

DE PERSOON HENDRIK GEERTS

Aartje Schoemaker-Ytsma

In het voorgaande artikel heeft u het verhaal gelezen van het oude handschrift dat oorspronkelijk aan Hendrik Geerts Schoemaker heeft toebehoord. De redactie verzocht de Nieuwleusense grafoloog Aartje Schoemaker een studie van het handschrift te maken om op die manier een beeld te krijgen van de persoon van de schrijver.

Op verzoek van de redactie heb ik grafologisch gekeken naar het handschrift van Hendrik Geerts Schoemaker. Omdat dit teruggevonden en van de vuilnis gered handschrift eigenhandig en op ongelinieerd papier geschreven is, leent het zich heel goed voor een grafologische analyse. Ik heb een pagina gekozen, waarin hij ‘gewoon’ schrijft en niet de pagina’s waarop hij kalligrafeert. Tijdens het kalligraferen ben je zo op sturing tot een bepaalde vorm gefixeerd, dat daardoor andere impulsen worden afgesloten. Het is dan voor een grafoloog moeilijker om de persoonlijkheid vast te stellen. Iemand laat dan letterlijk zijn mooiste kant zien! Wel zegt dat iets over de spierbeheersing en het waarderen van schoonheid.

Wat voor persoon was Hendrik Geerts? We laten zijn handschrift spreken: Hendrik was geïnteresseerd in mensen en beleefd en prettig in de omgang. Hij had nogal wat personeel en dat zal hij streng, maar rechtvaardig behandeld hebben. Hij was aanspreekbaar voor ze, maar ze moesten wel hun plaats weten. Hij voelde zich wel ‘baas’.
Hendrik Geerts wist wat zijn maatschappelijke positie was. Die koesterde hij en probeerde die uit te breiden. Hij kon zich ook in andere kringen presenteren.
Hij had een verbale aanleg waardoor hij ook formeel kon overkomen. Zijn echte ik kreeg je niet gauw te zien, aangezien dat op gezette tijden onzeker was.
Aan de ene kant hechtte hij aan de meegekregen waarden en was conservatief ingesteld, maar aan de andere kant stond hij wel open om naar andere meningen te luisteren. Hij dacht er dan goed over na. Hij was zelfbewust en voorzichtig bij het nemen van besluiten. Hij genoot wel van wat aandacht voor zijn persoon. Hij was weerbaar en telde graag mee.
Hendrik had een groot uithoudingsvermogen dat door zijn wil ondersteund werd. Tegenslagen waren voor hem moeilijk te pruimen, maar ook om die te overwinnen. Met wie niet kon (bijv. wegens ziekte), kon hij echt meevoelen, maar voor wie niet wilde had hij geen pardon. Hij komt plichtsgetrouw over en staat voor zijn bedrijf, zijn mensen en zijn mening. Twijfelen deed hij inwendig wel eens, maar dat liet hij niet aan zijn omgeving merken.
Zijn instelling was arbeidzaam en ijverig. Fysiek was hij sterk en hij vroeg (soms te?) veel van zichzelf. Hij was opmerkzaam en had een goed opnemingsvermogen en geheugen. Hij kon flexibel denken in een gematigd tempo en wilde zich wel verder ontwikkelen. Hendrik had een goed overzicht over het reilen en zeilen van zijn boerenbedrijf. Orde werd boven spontaniteit gesteld. Dat gaf rust en ieder wist daardoor waar hij aan toe was.
Hendrik Geerts schrijft met vlotte, vaste hand, met een goede regelmaat en goed leesbare vormgeving. Dat geeft een beheersing van spieren, denken en gedrag aan.

Samenvattend zien we in Hendrik Geerts Schoemaker een fysiek sterke man, die op haast patriarchale wijze zijn boerderij bestuurt. Hij genoot graag aanzien en liet zijn innerlijke twijfels niet blijken. Het was moeilijk om zijn gevoel en verstand in balans te krijgen. Naar buiten toe overheerste het verstand, waarbij hij zijn besluiten goed kon beargumenteren en presenteren. Hij was zelfstandig en verlangde naar waardering. Hij was actief en verwachtte dat ook van anderen.

* * *

TOEN EN NU, 3


Ruitenveen, ca 50 jaar geleden en in 2014.


* * *

ZOEKPLAATJES


Foto 32: Ongetwijfeld een gezin maar helaas nog onbekend.

Foto 32 kwam op de dag dat het kwartaalblad van december in de bus viel al tot een oplossing. Zowel Fenna Schoemaker-Stolte als Roelof Stolte reageerden dat dit het gezin van hun oom en tante was. Ook Harry Bril herkende de foto en reageerde. Op de foto staat het gezin van Herm en Klaziena Brink-Stolte. In jaargang 19 (2001) van ons kwartaalblad vertelde Klaziena over haar familie in de artikelenreeks “Uit Stolte’s verhalenboek”. Harry’s moeder Aaltje Bril-Stolte is de enige nog levende zus van Klaziena.
Herm Brink en Klaziena Stolte trouwden op 18 mei 1928 in Ambt Hardenberg, respectievelijk 25 en 26 jaar oud. Klaziena was afkomstig uit de Oosterhulst in Nieuwleusen. Het landbouwersgezin Brink-Stolte woonde in Lutten waar behalve de kinderen die op de foto staan in 1941 nog een levenloos kindje werd geboren. De foto is gemaakt in 1947 of 1948. Achteraan staan vlnr de kinderen Gerrit Jan, Willem en Klaas en vooraan Jannie, Harrie en Alie.
Na de oorlog werd het plan opgevat om naar Canada te emigreren. Doordat Gerrit Jan in oktober 1948 op 19-jarige leeftijd overleed ging dat plan niet door en bleef het gezin in Lutten wonen. Later trok zoon Klaas toch de stoute schoenen aan en emigreerde alsnog. Na enige jaren besloten beide ouders om hun zoon in Canada eens op te zoeken. De reis werd per boot gemaakt en duurde zes weken. Zoals ze na terugkeer vaak vertelden, beleefden ze met deze reis de mooiste reis van hun leven.


Foto 33: Twee stellen (echtparen? / vrienden?) gefotografeerd in een schitterende studio-omgeving.

* * *

HERMANNUS ZWIJZE, HOOFD-ONDERWIJZER TE RUITENVEEN

Gerrit Jan van Faassen

In het kwartaalblad van september was een krantenartikel opgenomen van de sluiting van de openbare school te Ruitenveen. Daarin is vermeld dat de school 129 jaar heeft bestaan. De oprichting moet dus in of omstreeks 1828 hebben plaatsgevonden. Een van de hoofdonderwijzers van deze school was Hermannus Zwijze.

Hermannus Zwijze werd geboren op 08-02-1827. Zijn geboorte vond dus ongeveer gelijktijdig plaats met de oprichting van de school in Ruitenveen. Hermannus werd evenwel niet hier geboren maar in Loozen, een buurtschap tussen Hardenberg en Gramsbergen. Zijn ouders hadden daar ter hoogte van het verdedigingswerk de Loozensche linie een boerenbedrijf. Het waren vrije boeren en de familie Zwijze was invloedrijk in deze omgeving.
Hermannus was de laatste van negen kinderen van Herman Zwijze en Jennegien Kampert. Zijn broers en zussen trouwden, net als dat al generaties lang gebeurd was, met partners uit eveneens invloedrijke families uit de omgeving. Familielijnen doorkruisten elkaar dan ook nog al eens en zodoende konden bezittingen worden vergroot en veilig gesteld.
Of Hermannus niet geschikt was voor het boerenbedrijf weten we niet, in elk geval koos hij een andere richting. Hij leerde voor onderwijzer. Hij begon als hulponderwijzer in Dedemsvaart. Maar hij wilde hogerop en solliciteerde daarom verschillende keren naar de betrekking van hoofd van een school. Zo stond hij in mei 1859 op zestal voor de school te Giethoorn. Hij was een van de 19 sollicitanten waarvan er 18 waren opgekomen voor een proefles.
In augustus 1859 stond hij op zestal voor de school te Zuidveen bij Steenwijk. Daar waren 17 sollicitanten waarvan er 13 een proefles kwamen geven.


In april lezen we in de krant dat Hermannus Zwijze op 18 april 1860 door de raad van de gemeente Nieuwleusen benoemd is tot onderwijzer aan de school in Ruitenveen.

Toen Hermannus aangesteld werd in Ruitenveen was hij ongetrouwd. Hoe hij zijn vrouw heeft leren kennen is niet duidelijk, maar zij kwam niet uit de kringen waar de andere Zwijzes hun partner vonden. Maria Catharina (Mientje) Schuman werd geboren op 08-09-1828 in Amsterdam als dochter van Heinrich Ludwig Schuman en Aaltje Drost. Mogelijk kwam de familie Schuman van oorsprong uit het Duitse grensgebied bij Loozen en kende beiden elkaar daar van. Mientje en Hermannus waren niet zo jong meer toen ze op 9 november 1865 in Amsterdam met elkaar trouwden. Het huwelijk bleef enkele jaren kinderloos, maar als Hermannus 41 jaar is en zijn vrouw 39, wordt op 1 juni 1868 zoon Hermannus Marinus geboren.
Mientje hersteld niet snel na de bevalling en daarom plaatst Hermannus een advertentie in de krant voor hulp in de huishouding en de verzorging van moeder en kind.

Hermannus Zwijze en Maria Catharina Schuman


Mientje hersteld echter niet en overlijdt op 30-08-1868. Zij wordt begraven op de begraafplaats aan het Westeinde.
Hermannus zal zijn vrouw niet lang overleven. Hij overlijdt nog geen half jaar later op 22-01-1869, waarna hij zijn laatste rustplaats krijgt naast zijn vrouw.


Geboorteakte van Hermannus Marinus Zwijze

Hermannus Marinus is nog maar een baby als zijn ouders overlijden. Hij wordt ondergebracht in Gramsbergen bij de broer van Hermannus en diens vrouw, Gerrit Zwijze en Hermina Everdina Tibert.
Of de jongen ziekelijk was is niet duidelijk, maar op 09-04-1871 komt er aan zijn jonge leven een einde. Hij overlijdt in een huis in de Koestraat in Zwolle, waar waarschijnlijk een ziekenhuis is gevestigd. De kleine Hermannus Marinus wordt bij zijn ouders begraven.

Op de begraafplaats zijn de stenen nog aanwezig. Ze bevinden zich langs het middenpad.





Een paar weken nadat Hermannus Zwijze is overleden wordt er een openbare verkoop gehouden van de inboedel uit zijn nalatenschap. In de krant verschijnt deze advertentie.


* * *

HET KLEINE HUIS AAN HET PAD, 14

Margje Key-Hendriks

De oorlog
Op vrijdag 10 mei 1940 zouden vader en Henk de aardappels gaan poten. Vader had een stukje land gehuurd van een boer op Staphorst. Dat lag aan de weg achteruit bij de Theresiafabriek, ongeveer zeven kilometer bij ons huis vandaan. Het land was al geploegd en de aardappels konden er zo in. Het poten moest gebeuren voordat vader naar zijn werk ging. Om drie uur in de morgen klom Henk bij vader op de stang voorop diens fiets en gingen ze er naar toe. De zak aardappels en een schop werden achterop de fiets gebonden.
Vader maakte een kuiltje in de grond en Henk deed daar een aardappel in. De volgende rij ging net zo maar dan gooide vader het zand op de aardappels in de vorige rij kuiltjes. Zo waren ze mooi bezig toen er van oost naar west een heleboel vliegtuigen overkwamen, in groepen van zeven. Een poosje later hoorden ze ook harde knallen, maar ze wisten niet wat er aan de hand was.
Er kwam een Staphorster boer langs fietsen. Die vertelde dat het oorlog was en dat het Duitse vliegtuigen waren. Toen ze dat hoorden besloot vader om direct naar huis te gaan. Ze waren al een eindje op de Jagtlusterallee toen er een heel harde knal klonk. De hele weg hoorden ze steeds knallen en het geluid van de overvliegende vliegtuigen. Later hoorden ze dat het leger met die harde knal de Rollecatebrug had laten springen om zo de Duitsers tegen te houden.
Toen ze thuis kwamen was moeder aan het pannenkoeken bakken. Ze had al een hele grote stapel op een bord liggen, maar was van de zenuwen gewoon door blijven bakken.
Die dag hebben ze bij Schoemaker in de aardappelhut een schuilplaats gemaakt met stro er in. Zo’n hut was een aarden wal met een rieten dak er op. Later hebben ze wel eens gedacht dat als ze daar in hadden gemoeten en de hut was in brand geraakt, dat ze dan weinig kans hadden gehad om er goed uit te komen.

In Nieuwleusen had men eigenlijk weinig last van oorlogshandelingen. Wel kwamen er in de loop van de oorlog allerlei beperkingen. Zo mocht na acht uur niemand op de openbare weg zijn en moesten de ramen verduisterd worden. Alle volwassen mensen moesten een persoonsbewijs hebben, dat ze op verzoek moesten laten zien. Als de Duitsers dat wilden zien schreeuwden ze “halt!”.

Het voedsel kwam op de bon en de bonkaarten moest men eens per maand halen op het distributiekantoor. Dat was gevestigd in de Kerkenhoek en daar werd Henk meestal naartoe gestuurd. Hij ging dan ’s morgens al vroeg weg want dan kon hij met de melkwagen “metvaren”. De melkwagen was een boerenwagen met een paard ervoor waarmee de bussen melk, die bij de boeren aan de weg stonden, werden opgehaald om naar de melkfabriek te brengen. Henk klom dan achterop de wagen en kon zo ongeveer drie kilometer meerijden. Als hij geluk had kon hij ook weer terug met dezelfde melkwagen. Dat lukte niet altijd, want soms was het zo druk op het distributiekantoor dat hij wel een paar uur moest wachten.
Om de bonnen zo goed mogelijk te benutten ruilden de mensen ze soms met elkaar. Moeder kocht zelfs alle snoep waar ze bonnen voor had omdat dat beter was dan niets.

Brugwachteres Hilligje de Bruin-Snor draait de Rollecatebrug op. Rechts achter de brug de rijwielzaak van Zandbergen en daarnaast een woonwagen.

Op een voorjaarsdag in de oorlog waren we met een stel buurkinderen bij elkaar. Er waren ook oudere jongens bij zoals Henk en Bart Ruinemans. We gingen de weg achteruit waar één van hen in de boom klom, met een groot nest van een kraai of een ekster. Daar werden de eieren uitgehaald en die bleken goed te zijn, zodat we ze konden opeten. Iemand vond een ouwe bus waarin we water uit de sloot konden doen om de eieren te koken. Aan de kant van de weg waar geen bomen stonden werd een vuurtje gemaakt dat goed brandde. Enkele kinderen waren het geploegde land aan de andere kant van de weg opgegaan. Op een gegeven moment zagen we een paar vliegtuigen komen. Eerst vonden we dat gewoon, maar toen zagen we ze recht op ons af komen. We renden zo hard we konden en doken onder de bomen in de sloot. De vliegtuigen begonnen te schieten. Hendrik Ruinemans, die ook op het bouwland liep, voelde wel iets langs zijn broek gaan toen hij wegrende, maar niemand werd geraakt. Even later verdwenen de vliegtuigen weer net zo snel als ze gekomen waren. De schrik zat er goed in bij ons en snel werd het vuur gedoofd. De eieren lieten we maar voor wat ze waren.
Op weg naar huis vertelden we bij Klaos wat ons was overkomen. Ik dacht niet dat ze ons geloofden, maar toen we het verhaal thuis vertelden werden we daar wel geloofd. We kregen dan ook geen brommen.

De Duitsers hadden een raket die ze V1 noemden. Ze werden in de buurt van Zwolle afgeschoten, maar de meeste ontploften in de lucht. Je zag dan een rookkolom in de lucht en hoorde gefluit. Je wist dan dat er even later een harde knal zou volgen.
Later kwamen de V2 raketten en die waren gevaarlijker. Je hoorde ze niet komen en ze ontploften dan ook onverwachts. Dat was altijd schrikken.
Op een middag moesten Henk, Trijn en ik bruine bonen doppen. Dat deden we toen op zolder, waar we met een ladder via een balkonnetje konden komen. We waren druk bezig toen er ineens een ontzettende knal was, zo erg dat de zolder golfde. Dat was natuurlijk schrikken en we wilden zo gauw mogelijk naar beneden. De klompen gooiden we naar beneden en via de ladder waren we alle drie snel op de begane grond. Even later hoorden we dat er een bom was gevallen bij Steenbergen. We zijn er heen gegaan om te kijken en zagen vlak voor het huis een groot gapend gat. In het huis was ook de nodige schade en daarom is oom Jan toen bij ons komen wonen.

Geheim
Oom Jan had een vuurbuks waarmee Henk onder zijn toeziend oog al eens had mogen schieten. Later mocht je zoiets niet meer hebben van de Duitsers. Oom Jan zei toen dan ook dat hij de buks niet meer had.
In het voorjaar nestelden bij ons altijd mussen en spreeuwen onder de dakpannen. Henk haalde altijd de eieren uit en oom Jan hielp hem daar weleens mee. We zagen onder de nok van het oude schuurtje wel eens spreeuwen uitvliegen en Henk zei dan ook tegen oom Jan dat ze dat nest ook moesten uithalen. Maar die bleef maar volhouden dat daar helemaal geen nest zat. De volgende dag toen oom Jan er niet bij was, haalde Henk toch de ladder en ging daar kijken. Hij zag wel degelijk een nest met eieren, maar ook de kolf van de vuurbuks. De eieren haalde hij uit het nest en de dakpannen legde hij weer netjes op hun plaats. Oom Jan had wel gezien wat Henk gedaan had, maar Henk zei niet wat hij gezien had en oom Jan vroeg niks. Later was de buks wel weg. Een tijdje later heeft oom Jan hem wel gevraagd wat hij daar gezien had. Henk heeft het hem toen verteld en ook gezegd dat hij het nooit aan iemand heeft verteld, ook niet aan vader en moeder.

Eén van de jongens van Ruinemans fietste in de buurt toen er een Duitse soldaat aan kwam lopen die zijn fiets afpakte. Hij huilend naar huis met zijn verhaal. Een tante van hem, die ernaast woonde in hetzelfde huis en zelf ook nog vrij jong was, was daar zo kwaad over dat ze de Duitser op haar eigen fiets achterna ging. Hoe ze het voor elkaar heeft gekregen weten we niet, maar een poosje later kwam ze terug met beide fietsen.
Later in de oorlog werden de fietsbanden steeds vaker opgelapt, want nieuwe waren niet meer te krijgen. Als het helemaal niet meer ging kreeg je een massieve strook rubber als band. Wij hadden ook een fiets met zulke banden. Ze gaven niks mee en je rammelde dan over de straat. Sommigen reden ook wel gewoon op de velgen.

Op een morgen schreef meester Van Aarst op het bord dat er een prinses was geboren. Hoe hij dat wist weet ik niet, misschien had hij een radio verstopt, want die mocht je toen niet hebben. Koningin Wilhelmina was in Engeland en sprak geregeld via de radio. Prinses Juliana woonde in Ottawa en daar werd op 19 januari 1943 prinses Margriet geboren.
De ouders van twee kinderen op school waren NSB-er. Eén van beide kinderen werd er van verdacht het doorverteld te hebben aan de ouders. De volgende morgen werd meester Van Aarst opgepakt en pas na zes weken lieten ze hem weer vrij.

Regelmatig vlogen er veel vliegtuigen vanuit Engeland over ons land naar Duitsland om daar de bommen te laten vallen. Het eentonige geronk ging soms dag en nacht door. Ze vlogen altijd erg hoog in groepen van ongeveer 25 bij elkaar. Soms probeerden we ze op de heen- en terugreis te tellen om te zien of ze allemaal terugkwamen.
Er was ook een keer een luchtgevecht in de buurt. We renden allemaal naar Klaos om daar achter zijn huis te kijken. We zagen twee vliegtuigen om elkaar heen cirkelen. Na een tijdje zagen we een aantal mannen aan een parachute naar beneden komen. Dat vliegtuig zal ook wel neergestort zijn, maar ik weet niet meer hoe het verder is gegaan.

Moeder zou haar tanden laten trekken en een nieuw gebit krijgen. Oom Aart had een kennis die altijd bij hem paling kocht en die was tandarts. Die zei dat hij wel kon zorgen voor een goed gebit maar dan moest moeder ook boter meebrengen. Dat hadden we natuurlijk niet en het zal wel van grofva gekomen zijn.
De tandarts woonde in Zwolle en moeder moest er een paar keer naar toe. Ze ging met de bus maar op een keer was de laatste bus al vertrokken toen ze klaar was. Bussen reden toen niet zo vaak. Er zat niks anders op dan de vijftien kilometer naar huis te lopen. Toen vader bemerkte dat ze niet met de laatste bus was meegekomen, ging hij haar tegemoet. Al met al heeft ze er toen meer dan drie uur over gedaan om thuis te komen. Ze was erg moe want ze droeg ook niet de gemakkelijkste schoenen: puntschoenen met half hoge hakken.

Opgepakt
Op een dag kwam vader niet op de normale tijd terug van zijn werk. We konden wel merken dat moeder ongerust was. Die dag was er namelijk een razzia geweest en hadden de Duitsers mannen opgepakt. Ook vader en zijn baas Sterken waren opgepakt. Alle mannen werden in de grote zaal van café Niemeijer samengebracht. Degenen die de Duitsers konden gebruiken, moesten zich de volgende dag in Hasselt melden om loopgraven te maken, vader ook. Hij heeft dat een tijd moeten doen. Ze kregen daar wel te eten en ’s avonds mochten ze een half brood en wat boter mee naar huis nemen.

Hasselt op uit prent uit ca 1850

. Steeds meer mannen besloten om niet meer naar Hasselt te gaan en ook vader twijfelde op een morgen of hij wel of niet zou gaan. Als je niet ging en ze kwamen je halen, dan was het niet best. Ik zei tegen vader: “als ze je komen zoeken dan kun je wel onder het bed kruipen.” Hij is toch maar gegaan, maar onder het middageten kwam er toch met veel geweld een SS-er binnen. Hij vroeg aan moeder waar haar man was en ze zei dat die naar Hasselt was om voor hen te werken. De SS-er, een Hollander die op Duitse hand was, geloofde dat niet en zocht het hele huis door. Toen hij naar de slaapkamer ging, liepen we er allemaal achteraan. Ook daar vond hij natuurlijk niets. Hij weer naar de kamer en wij achter moeder en hem aan. Toen ik tegen moeder zei dat hij helemaal niet onder het bed had gekeken, trok ze zo’n lelijk gezicht dat ik wist dat ik mijn mond moest houden.
Vader moest ook een tijdje naar Vroomshoop om daar te werken en later naar een vliegveld bij Leeuwarden. Hij kwam toen niet vaak thuis en alles kwam op moeder neer. Er was niet zoveel meer te eten en veel dingen die je dagelijks nodig had, waren niet meer te krijgen. In de winkels was weinig meer in voorraad omdat mensen die genoeg geld hadden aan het hamsteren geslagen waren. Daardoor konden anderen niet veel meer kopen. Gelukkig hadden wij boeren in onze familie.

Behelpen
In de laatste paar jaar van de oorlog moest men zich met steeds minder behelpen Het brood kwam op rantsoen en dat werd steeds minder. Ik herinner mij dat we één snee stoete kregen en dat we verder onze honger met aardappels moesten stillen. Daar was dan niks bij, geen vlees of iets. Een enkele keer kregen we bruine bonen of een stukje vet. Moeder vertelde mij dat men zei dat als je geen vlees kreeg dat nog niet zo erg was, als je nog maar wel een beetje vet kreeg.
Ik weet ook nog dat we moeder een keer moesten helpen om stroop te maken van suikerbieten. Die werden fijn geraspt en gekookt tot het een zwarte “soppe” was. Het was erg veel werk voor een klein beetje eten.

Henk moest wel eens met vader mee naar het veld om daar bij grofva een zakje koren te halen. Het moest in het donker gebeuren en zoveel mogelijk langs achterwegen. Toch moesten ze een eindje over de Diek, waar vaak Duitsers waren.
Die keer was het midden in de winter en bitter koud. Nadat ze bij grofva vertrokken waren, allebei met een “poemeltje” achter op de fiets, moesten ze op de Veldweg lopen omdat die spiegelglad was. Op de Diek konden ze weer gaan fietsen, vader voorop en Henk achter hem aan. Henk deed het licht van de fiets aan en dat scheen precies op het zakje dat vader achter op zijn fiets had. Dat was natuurlijk helemaal verkeerd en vader werd kwaad: “blikskaters jonk, doe dat licht uut!” Je mocht om die tijd niet op de weg zijn en al helemaal geen licht aan hebben.
Moeder had ook een keer een zakje meel waar wormen in zaten en dat erg draderig was. Er was niets anders en daarom heeft ze er toch brood van gebakken, zonder aan iemand te vertellen dat het meel niet goed meer was.

Aren lezen
Elke boer moest op een stuk van zijn land graan verbouwen voor de Duitsers. Daarvan mocht hij één zak houden voor zichzelf. Had de boer een groot gezin, dan was dat meer. Als het graan gedorst werd, stond er altijd een controleur bij om te zien of de regels werden nagekomen.

Jan Prins maait rogge met de zeis. Een logee maakt met een welhaak de gemaaide rogge tot bossen. Dat was meestal vrouwenwerk.


De dorsmachine ging bij de boeren langs en alle buren hielpen. Als het tijd voor koffie was ging iedereen naar binnen, ook de controleur. Die koffie was maar surrogaat, gemaakt van cichorei; het was een zwart stroopje in een flesje. Daar werd een beetje van in een kopje gedaan en dan kokend water er op. Vaak bleef er tijdens het koffiedrinken wel iemand stiekem bij de dorsmachine en dan werd er wat graan ergens anders opgeborgen.
Voor het dorsen was het koren al gemaaid met de zeis. Wanneer boer Dunnink zijn koren maaide, bond zijn vrouw dat in garven. Henk hielp daar wel eens mee. Ze lieten expres meer aren op de grond liggen dan normaal, want anders ging het toch allemaal naar de Duitsers.
Als het erg warm weer was deed de boer vaak de broek uit en werkte hij in de lange onderbroek. De mannen droegen die altijd ‘s zomers en ‘s winters.
De garven werden aan hokken gezet en later opgehaald met paard en wagen en aan een bult of boven in de hooiberg opgeborgen. Als alles van het land was mochten wij de aren oprapen die waren blijven liggen. Moeder hielp ons daar soms ook wel mee. Ik herinner me goed dat we met een zak het hele land overgingen. Ook bij Klaos mochten we dat doen en ook bij boer Prins. We haalden zo heel wat aren op. Die dorste vader dan met een dorsstok. Dat was een lange, gladde zware stok met een kromming en aan het eind een platte kant waarmee je op het koren sloeg.

De molen van Massier aan het Westeinde.

Het graan werd naar de molen van Massier gebracht die er meel van maalde. Dat moest natuurlijk ook stiekem gebeuren, want als de Duitsers er achter kwamen was je alles kwijt. Moe maakte er brood van, maar bakte het niet. Ze deed het in een schaal en zette die in kokend water om het deeg te stomen. Er was geen gist en daarom smaakte dat soort stoete toen veel beter, het was niet zo droog en hard.

* * *

INHOUD JAARGANG 32

1  
6  
7  
21  
22  
24  
31  
32  
33  
42  
45  
46  
47  
50  
55  
65  
73  
79  
82  
87  
88  
89  
95  
96  
97  
112  
114  
115  
116  
120  
128  

De pap stond al klaar
Denkend aan Pasen (gedicht)
Onderduiken in Nieuwleusen
Krummels
Wie weet wie
Het kleine huis aan het pad, 11
Zoekplaatjes
Tijd (gedicht)
Mensen aan het woord, 4 (Koop Oosterveen)
Museumvoorwerpen, 1 (Pompboren)
Zoekplaatjes
Toen en nu, 1 (Van Dedemstraat/Backxlaan)
Een oude groepsfoto ( MULO 1964)
Een Nieuwleusenaar en de stormramp van 1916
Het kleine huis aan het pad, 12
Het kleine huis aan het pad, 13
Een beurtveerreglement uit 1850
Een oude Groepsfoto (OLS Ruitenveen ca 1940)
OLS Ruitenveen ter ziele
’t Achtuur (gedicht)
De burgemeester is te moe
Gait Jan kump tied tekurte
Zoekplaatjes
Toen en nu, 2 (Viersprong)
Een oud schriftje
De persoon Hendrik Geerts
Toen en nu, 3 (Ruitenveen)
Zoekplaatjes
Hermannus Zwijze, hoofdonderwijzer te Ruitenveen
Het kleine huis aan het pad, 14
Inhoud jaargang 32




_





Jaargang 33 nummer 1 maart 2015


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina

De burg. Backxlaan ca 1970 met, van voor naar achter, de ijzerhandel van Brinkman, schoenmakerij Bolhoven, Bos textiel, slagerij Kouwen en van Zoelen en café De Unie.

* * *

MENSEN AAN HET WOORD, 5

Interview Gé Evertsen-Boer

Dit keer is de beurt aan Jelle Bos. Hij werd op 10 maart 1939 geboren aan de Ommerdijk in Den Hulst en heeft een mooie jeugd gehad. Zijn ouders hadden in de oorlogsjaren veel tijd om met hun zoon door te brengen. Foto’s getuigen daarvan. Zo is er een foto van Jelle met zijn vader in de zandbak.
Het gezin Bos was niet rijk maar op een bepaalde manier ook weer wel. Veel geld hadden zijn ouders niet, maar het gezin had het wel goed. Het was een fijn nest waar Jelle in opgroeide.

De ouders van Jelle zijn Jan Bos (18-08-1899 - 29-7-1982) en Jeltje Boersma (16-07-1910 - 12-10-1998). Toen Jan vier jaar was, kwam het gezin vanuit Dantumawoude in Dedemsvaart wonen. Jan voelde er niets voor om boer te worden zoals zijn vader.
Na de school werd Jan handelsreiziger. Hij begon zijn carrière als loopjongen bij de firma Hoogeveen in Dedemsvaart. Later werkte hij in Dokkum en in Zwolle bij de firma Wieringa. Ook werkte hij wel samen met Kooi, een goede bekende uit Vroomshoop, die daar een manufacturenzaak had. Nadat deze was overleden, vroeg zijn weduwe of Jan Bos compagnon in haar zaak wilde worden. Zo gebeurde.
De handel lag Jan heel goed. Zijn droom was evenwel een eigen winkel.
Nadat hij in 1938 trouwde met Jeltje Boersma uit Rinsumageest werd die droom gerealiseerd. Ze kochten een winkel met woonhuis aan de Ommerdijk (de huidige burg. Backxlaan) in Den Hulst, gemeente Nieuwleusen. In dat pand is nu de Evangelische Boekhandel gevestigd.
De zaak werd vooral door Jeltje gedreven. Omdat Jan Bos voorlopig nog compagnon was in Vroomshoop, bracht hij daar vier dagen in de week door. Jeltje redde zich prima in de winkel, al was het best wel wennen. Ze kwam van het Friese platteland en moest hier zomaar in de winkel staan. Het dialect dat hier gesproken werd was ook heel anders. Maar van lieverlee leerde zij dat wel. Zij paste zich snel aan en kreeg al gauw een paar vriendinnen. Ook was ze best wel creatief want ze wist altijd wel ergens weer wat van te maken.


Vader Jan Bos met zoon Jelle in de zandbak.

Toen Jelle vijf jaar was, kreeg hij een zusje met de naam Jelske. Het was in de laatste oorlogsjaren en niet zo’n beste periode. Vader Bos kon maar moeilijk aan textiel voor de winkel komen. Zo af en toe ging hij met collega Beekman uit Nieuwleusen naar Twente in de hoop daar wat te kunnen kopen. Ze waren al blij als ze met wat knotjes wol weer terugkwamen. Jan Bos heeft later wel eens gezegd: “Hoe we de oorlogstijd zijn doorgekomen weet ik niet, maar toch hadden we altijd wat te eten”. Om wat te kunnen kopen moest men bonnen hebben.
De winkel zag er nooit leeg uit. Hij stond altijd vol met dozen. Die waren meest leeg maar dat zag je aan de buitenkant niet. In die periode was de winkel ook niet altijd open.

De oorlog
Van de oorlog kan Jelle zich weinig herinneren. Wel weet hij nog dat er ‘s nachts vliegtuigen over vlogen. Hij keek dan stiekem langs het verduisteringsgordijn door het raam naar de lucht. Ook liep hij wel eens met andere kinderen achter de Duitsers aan, maar als moeder dat zag haalde ze Jelle snel van straat. Ze vond dat veel te gevaarlijk.
In die tijd moesten veel mannen naar Hasselt om te helpen spitten aan verdedigingswerken. Moeder was daar tegen, maar vader vond het te riskant om niet te gaan en is dus toch maar een paar keer gegaan.
Toen de Ommerdijkerbrug zou worden opgeblazen werden er planken voor de winkelruiten gespijkerd. Zijn ouders vonden het toen niet meer vertrouwd om thuis te slapen en dus gingen ze naar kennissen. Jelle vond dat wel gezellig. Hij sliep daar bij de kinderen in bed.
Maar toen de brug daadwerkelijk werd opgeblazen was het gezin wel thuis. Alle ramen waren kapot maar verder was er gelukkig geen schade.
De bevrijding was een groot feest van zingen en spelletjes doen. Zoiets stelt nu niet zo veel meer voor maar voor die tijd was het een geweldig gebeuren. Volgens Jelle kan je van de grote feesten van nu niet méér genieten dan van de bevrijdingsfeesten. Van de welvaart die na de oorlog kwam zijn we nooit gelukkiger geworden, aldus Jelle. Wel hebben we er natuurlijk van geprofiteerd.

Na de oorlog
Na de oorlog kwam alles weer langzaam op gang, hoewel alles nog jarenlang schaars en op de bon was. Voor de winkel kon in elk geval weer wat worden ingekocht en dus ook verkocht. Vader Bos kocht ook wel eens spullen bij de militaire dump. Zo kwam hij een keer thuis met 140 paar handschoenen waarmee hij heel erg in zijn schik was. Toen het allemaal linkerhandschoenen bleken te zijn, zei hij: “Ach het had veel erger gekund. Men zegt toch altijd: hij heeft twee linkerhanden, wat moet je dan met rechter handschoenen?”

Toen de winkel weer aardig begon te lopen kreeg moeder een meisje in de huishouding zodat zij zich volledig op de winkel kon richten. Dat meisje, Aaltje Wink, was meer een deel van het gezin dan een gewone hulp.

Jelle met zijn zusje Jelske

Eigenlijk was ze een tweede moeder en ze deed dan ook wel eens spelletjes met de kinderen. Na haar is dat met de hulp nooit meer zo geweest. De kinderen werden toen natuurlijk ook groter en gingen steeds meer hun eigen gang.

School
In 1946 ging Jelle, hij was toen zes jaar, naar de christelijke school in Den Hulst. Die werd de school van meester Meijer genoemd omdat die daar lange tijd hoofd was. Moeder had voor Jelle een nieuw pakje gemaakt om in naar school te gaan. Het was van bruine stof en het mocht natuurlijk niet vies worden. Jelle vond het een vreselijke kleur, maar dat durfde hij niet te zeggen. Zijn moeder was er immers zo druk mee geweest en daarom moest hij er heel zuinig op zijn en niet al te wild doen met spelen. Op het schoolplein werd Jelle uitgejouwd omdat hij niet mee kon doen vanwege dat pakje. Na een paar keer wilde hij het niet meer aan.
Jelle zegt geen hoogvlieger te zijn geweest maar dat hij altijd wel mee kon komen. Hij had ook veel belangstelling voor andere zaken. Aan zijn jeugd bewaart Jelle fijne herinneringen. Er woonden veel jonge gezinnen aan de Ommerdijk en dus had hij altijd vriendjes om mee te spelen. Veel tijd brachten ze door bij de Unionfabriek. Daar lag allerlei oud materiaal zoals een wiel van dit en een as van dat.
Eens wilde Jelle een kar maken, maar er ontbrak nog een as. Een stang van het fietsenrek voor de winkel was eigenlijk heel geschikt. En ach, er zaten meer stangen aan dat rek dus kon hij er best een afzagen. Zo gebeurde en de kar kwam klaar. Maar toen vader Bos de kar zag was hij natuurlijk wel kwaad. Maar dat draaide wel bij, hij vond het ook wel erg vindingrijk van zijn zoon!

Jan Bos en Jeltje Bos-Boersma wandelend over de Ommerdijk

. Hoepelen deden ze met een velg van een fietswiel. Dat was maar wat mooi. Echt speelgoed hadden ze weinig, maar de kinderen fantaseerden zelf van alles bij elkaar en daar genoten ze van.
Alleen met Sinterklaas en met je verjaardag kreeg je een cadeautje. Je wist niet anders en daarom genoten ze daar misschien wel meer van dan later toen de welvaart toenam.

Vervolgstudie
Als kind mocht Jelle nooit in de winkel komen. Moeder vond dat dat te veel afleidde. Naast school had Jelle echter ook andere belangstelling. Hij was links maar moest wel leren om rechts te schrijven. Dat heeft hij ook geleerd!
Vader Bos vond dat Jelle na de lagere school verder moest leren. “Als dat niet lukt, kun je altijd nog in de winkel komen”, zei hij.
En zo ging Jelle na de lagere school van 1952 tot 1956 naar de MULO in Dedemsvaart. Net als iedereen in die tijd natuurlijk op de fiets en hij zegt zelf dat ze er beslist niet minder van zijn geworden. Ze fietsten er elke dag met een groepje van vijf kinderen naar toe. Na de MULO kwam Jelle direct bij zijn ouders in de zaak.

Er was grote gemeenschapszin vlak na de tweede wereldoorlog. Men had elkaar nodig. Wat je zelf niet had dat leende je. Die saamhorigheid van toen daar kan je vandaag de dag jaloers op zijn.
Vroeger leefde je meer ontspannen. Geen last van werkdruk al had je wel druk werk. Nieuwleusen was een vrij gesloten gemeenschap en Zwolle was ver weg. Een enkele keer ging Jelle logeren bij een oom en tante in Dedemsvaart.
Het kanaal de Dedemsvaart was een bron van vermaak. Omdat de Ommerdijkerbrug was opgeblazen, lag er tijdelijk een houten noodbrug, een pontonbrug. Het middenstuk kon er uit gevaren worden. Het was een sport van de jeugd zo lang mogelijk op de brug te blijven voor je er afsprong wanneer die werd uitgevaren. Eens was Jelle te overmoedig en plonsde hij midden in het kanaal. De langsvarende schipper zag het en waarschuwde de brugwachter. Die viste Jelle met een stok uit het kanaal. Jelle heeft het toen behoorlijk benauwd gehad en er daarna nog heel lang over gedroomd. Moeder was kwaad natuurlijk en zei: “Als het weer gebeurt ga je direct naar bed.”

Jelle op de noodbrug over de Dedemsvaart.

Toen Jelle de volgende dag weer met een nat pak thuis kwam, zei hij tegen Aaltje: “Ik geloof dat ik direct maar naar bed ga!” Zwemmen is nooit Jelle’s hobby geworden.
De jeugd van Jelle was heel ontspannen. Hij miste het niet dat zijn ouders druk waren met de winkel. Aaltje was er immers altijd. Toch hadden zijn ouders wel tijd voor hem. Dat blijkt ook uit de redelijke hoeveelheid foto’s die er van Jelle met zijn ouders zijn. Van zijn zusje Jelske zijn er in de periode na de oorlog veel minder foto’s van haar met vader en moeder. Die waren toen weer druk met de winkel.

De Korea crisis
De Koreaanse oorlog begon in 1950 met een aanval van Noord-Korea op Zuid-Korea. Deze oorlog eindigde met een wapenstilstand in 1953.
Als gewapend conflict was deze oorlog onderdeel van de Koude Oorlog.
Omdat men bang was voor weer een wereldoorlog, begon men opeens volop te hamsteren. Het werd druk in de winkel en iedereen wilde stoffen kopen. Met drie man stonden ze achter de toonbank.
Een klant wilde vijf meter flanel voor een pyjama. De volgende wilde dat ook en zo ging het maar door. De rollen flanel werden erg snel verkocht. Een andere klant vroeg naar borstrokken met korte mouw, maar die hadden we alleen maar met lange. Dat was geen probleem: “Dan knip ik ze wel af”, aldus de klant.
Aan het eind van de dag wist vader Bos niet of hij nu lachen moest of huilen. Er was nog nooit zoveel verkocht, maar voor hetzelfde geld kon hij het ook nooit weer inkopen.
Wanneer het eens wat minder was zei vader Bos: “Ach het is niet zo druk geweest maar heeft ook niets gekost.” Moeder Bos ging dan samen met het winkelmeisje wat anders aanpakken. Men was zuiniger met alles, net als wij zelf in de winkel. Als er nog geen klant was dan deden we het licht nog maar niet aan. Dat kon nog wel als de eerste klant kwam.
Concurrentie was er alleen in het dorp. De winkeliers kenden elkaar allemaal. Natuurlijk had je wel liever dat ze bij jou kochten maar ja, dat gebeurde natuurlijk niet altijd.

Militaire dienst
Van 1958 tot 1960 was Jelle “onder de wapenen”, met andere woorden, toen moest hij zijn militaire dienstplicht vervullen. Het was voor het eerst dat hij wat verder van huis ging. Zijn opleiding kreeg hij in Tilburg. Daar was hij vier maanden voor van huis.
Daarna moest hij naar Nunspeet, waar hij bij de A.A.T. (aan en afvoertroepen) kwam. Hij moest zich melden op de foerierskamer waar gebrek aan personeel was. Omdat Jelle textielman was, kreeg hij het hele PSU (Persoonlijke Uitrusting) gebeuren op zijn dak. Op zich lag dat hem wel, maar omdat hij er geen opleiding voor had gehad, ging er nogal eens wat fout. Hij moest overal voor tekenen maar wist soms helemaal niet wat dat allemaal inhield.
Drie maand later had de foerierskamer weer de juiste bezetting en werd Jelle in feite overbodig. Daar had hij moeite mee en daarom wilde


Jelle Bos (links) met een dienstkameraad voor de kazerne, gereed om met de motor met verlof te gaan

. hij graag chauffeur worden. Dat is ook gebeurd. Je moest je eigen auto verzorgen, een drietonner. Jelle zegt er veel geleerd te hebben. Je leerde wel voor jezelf opkomen. De dienstperiode is heel belangrijk geweest. Je ging met mensen uit alle delen van het land om en merkte dat iedereen anders was. Toch was het in dienst niet voor iedereen even gemakkelijk. Jongens die een grote mond hadden, lagen ’s nachts in bed te huilen van heimwee. Jelle had daar geen last van.
Wanneer ze terugkwamen van een oefening werd er gecontroleerd of alles van de uitrusting nog aanwezig was. Als je iets kwijt was moest je zelf zorgen voor nieuwe, dus paste je wel goed op je spullen.

La Courtine
In 1959 werd besloten dat de Koninklijke Landmacht moest oefenen op de militaire oefenterreinen van het in Frankrijk gelegen plaatsje La Courtine. Ook Jelle moest daar in dat jaar naar toe. Die oefening duurde zo’n twee maanden. In het najaar moest hij er als chauffeur nog een keer naar toe om allerlei spullen op te halen.
Ze hadden kussentjes met zeegras. Op een keer waren ze allemaal weg; opgestookt in de kachel omdat het zo koud was. Het zeegras wilde goed branden. Straf hebben ze daarvoor echter niet gekregen.
Ook het stoeltje van Jelle was op een keer verdwenen. Daar heeft hij wel een mouw aan gepast: iemand zijn stoeltje in gebruik nemen, dan hij maar dat van iemand anders. Je moest wel.

Elke zondag was er een kerkdienst. Jelle ging daar naar toe en een van zijn maten, die nooit naar een kerk ging, wilde wel mee. Op diens vraag wat “PX” op de preekstoel betekende, antwoorde Jelle: “O, dat is een bekend soort preekstoel”. Hij maakte er maar wat van.
Om de dienstplichtigen te vermaken kwamen er ook artiesten uit Nederland optreden. Van o.a. Ria Valk weet Jelle nog wel welke liedjes zij zong.

Soldaat-chauffeur Jelle Bos.

Jelle zorgde er voor dat de auto altijd startklaar was. Als kameraden of anderen dan vroegen wie er mee kon, was dat Jelle. Hij vond die tochten wel fijn. Hij maakte zich niet zo druk om het oliepeil; een paar kilometer erover leverde niet zo gauw problemen op.
Nadat ze een week of acht in La Courtine waren geweest, werden er vijf vrijwilligers gevraagd voor nog een karwei. Jelle vond dat hij toch al zo lang van huis geweest was dat er nog wel een of twee weken bij konden. Na die oefening kreeg je dan extra verlof. En hoewel zijn dienstkameraad niet wilde, heeft Jelle hem toch omgepraat zodat ze daarna ook samen weer naar Nederland konden.

Weer thuis
Na zijn dienstplicht vervuld te hebben kwam Jelle in 1960 weer terug in de winkel. Ook toen moest hij nog veel leren. In zijn vrije tijd studeerde hij verder en zo behaalde hij het middenstandsdiploma, het algemeen textiel diploma en verschillende vakdiploma’s. Alle verschillende dingen die je verkocht waren in afdelingen onderverdeeld en voor elk daarvan moest je een brevet halen. In de tijd van zijn ouders was dat er nog niet en tegenwoordig zijn al die diploma’s ook niet meer nodig. Dat vindt Jelle de grootste fout die er gemaakt is. Je kreeg er vakkennis door, o.a. door stoffen te ontleden. Jelle heeft altijd lapjes uit die tijd bewaard. Ook het kruideniersdiploma heeft Jelle nog eens behaald.

Langzamerhand veranderde er een en ander in het winkelgebeuren. Dat was altijd een bedieningszaak geweest. De eerste zelfbediening was een standaard met dames nylons van het merk “Nur Die”. Daarna kwamen er steeds meer van dat soort dingen. Alles is in de loop der tijd veranderd. Als je vroeger een nieuw overhemd kocht, dan moest je daar heel lang mee doen. Tegenwoordig koopt men er direct twee.

Bos textiel omstreeks 1965.

Door alle veranderingen en een groter assortiment werd in 1960 besloten de winkel grondig te verbouwen en uit te breiden.
Jelle kreeg verkering met Iet Meeuse uit Amsterdam, die onderwijzeres was bij school “De Zaaier” aan het Zandspeur. Op 12 december 1969 trouwden ze, waarna ze twee dochters kregen: in 1970 Margreet en in 1973 Adeline.
Vanaf 1971 liep de winkel steeds beter. Jelle had het altijd druk, ook al omdat hij nevenactiviteiten had in de vorm van bestuursfuncties.
Tot 1980 was de textiel hoofdzaak van bestaan. Jelle’s vrouw Iet was de stabiele factor in het bedrijf. Net als Jelle’s moeder kwam zij zo maar in de winkel, zij het dat Iet voor de klas had gestaan en wel uit een middenstandsgezin kwam. Jelle besefte later dat alles bij hen altijd heel soepel verliep. Wanneer hij eens wat laat was, dan was dat nooit een probleem. Er was nooit gezeur over.
Jelle zat altijd vol met ideeën. Dat was in de textielzaak ook wel nodig. Zijn vrouw stuurde hem wel bij als het eens te veel van het goede was. Het succes van de zaak heeft hij dan ook hoofdzakelijk aan zijn vrouw te danken. Helaas is zij in 2010 overleden.
De concurrentie werd steeds groter, ook al hadden ze een breed assortiment in de zaak. En er kwam als het ware mode in allerlei dingen. Kwam er een andere kleur badhanddoeken op de markt dan wilde iedereen die kleur. Maar de badhanddoeken die ergens anders al weer uit de mode waren wilden ze in Nieuwleusen nog wel hebben. Jelle haalde auto’s vol van de leverancier en ze raakten ze zo weer kwijt.
Van kleding kon je geen vrachten tegelijk kopen want de mode veranderde heel snel. Spijkerbroeken waren een gewilde handel en vanwege de vraag moest Jelle daar elke week wel een lading van ophalen uit Amsterdam. Daar werden de spijkerbroeken in kleine naaiateliers gemaakt. Ook de nieuwste jeugdmode kwam daar vaak vandaan.
Jelle hield zoveel mogelijk rekening met de wensen van de klanten. Zo hadden ze zelf een naaister die de kleding korter of nauwer kon maken.

Bedden
In 1979 werd begonnen met de verkoop van bedden.

Op de plek van de schuur van de dorsvereniging (achter de mast midden op de foto) werd de nieuwe beddenzaak geopend. Later werd de schoenmakerij van Masselink (links) er bij getrokken.



In Zwolle opende Bos eveneens een zaak in bedden. De eerste jaren ging het niet zo geweldig met de beddenverkoop. De textiel bleef toen nog de bron van bestaan. Toen tenslotte de beddenzaak in Zwolle niet meer ging heeft Jelle die met veel geldelijk verlies van de hand gedaan. De zaak in Nieuwleusen moest de klap opvangen.
Gelukkig begon de beddenzaak vanaf 1984 steeds beter te lopen en dat bleef zo doorgaan. Daarom werd in 1992 een nieuw pand in gebruik genomen dat gebouwd werd op de plek aan Den Hulst waar de loods van de dorsvereniging had gestaan. Een gedeelte van het pand werd verhuurd aan Bennink die er de eerste fotowinkel in Nieuwleusen had.

Toen de textielzaak 50 jaar bestond werd besloten daarmee te stoppen. Jelle heeft er een jaar voor uitgetrokken om helemaal over te gaan op bedden. Zo kon het personeel ook rustig uitkijken naar iets anders. Het is allemaal heel goed gegaan en in 1991 werd de textielzaak verkocht.

In 2001 werd de beddenzaak weer verbouwd en verhuurd aan Lubertus Talen. Die was al een aantal jaren compagnon en geleidelijk aan nam die de dagelijkse gang van zaken over en na enige tijd het hele bedrijf. Jelle heeft nu niets meer met de zaak te maken. Hij mist het niet want hij is nog volop actief in de maatschappij. Het Grammofoonmuseum is zijn grote hobby, daar beleeft hij nog veel plezier aan.

* * *

ZOEKPLAATJES

Foto 32 kwam op de dag dat het kwartaalblad van december in de bus viel al tot een oplossing. Zowel Fenna Schoemaker-Stolte als Roelof Stolte reageerden dat dit het gezin van hun oom en tante was. Ook Harry Bril herkende de foto en reageerde. Op de foto staat het gezin van Herm en Klaziena Brink-Stolte. In jaargang 19 (2001) van ons kwartaalblad vertelde Klaziena over haar familie in de artikelenreeks “Uit Stolte’s verhalenboek”. Harry’s moeder Aaltje Bril-Stolte is de enige nog levende zus van Klaziena.
Herm Brink en Klaziena Stolte trouwden op 18 mei 1928 in Ambt Hardenberg, respectievelijk 25 en 26 jaar oud. Klaziena was afkomstig uit de Oosterhulst in Nieuwleusen. Het landbouwersgezin Brink-Stolte woonde in Lutten waar behalve de kinderen die op de foto staan in 1941 nog een levenloos kindje werd geboren. De foto is gemaakt in 1947 of 1948. Achteraan staan vlnr de kinderen Gerrit Jan, Willem en Klaas en vooraan Jannie, Harrie en Alie.
Na de oorlog werd het plan opgevat om naar Canada te emigreren. Doordat Gerrit Jan in oktober 1948 op 19-jarige leeftijd overleed ging dat plan niet door en bleef het gezin in Lutten wonen. Later trok zoon Klaas toch de stoute schoenen aan en emigreerde alsnog. Na enige jaren besloten beide ouders om hun zoon in Canada eens op te zoeken. De reis werd per boot gemaakt en duurde zes weken. Zoals ze na terugkeer vaak vertelden, beleefden ze met deze reis de mooiste reis van hun leven.

Nieuwe zoekplaatjes
Man en paard noemen, dat is een bekend gezegde maar helaas gaat dat bij deze foto’s niet op; ze zijn ook al vrij oud. De foto’s 34, 35, 36 en 37 komen uit het album van Gulia Palthe en hebben mogelijk met haar pachters te maken. Ze moeten gedateerd worden in het eerste kwart van de vorige eeuw want juffrouw Palthe overleed in 1928.


Foto 34: Man en paard voor een boerenschuur.


Foto 35: Man en paard bij een boerderij met bakhuis.


Foto 36: Man en paard in de hof.


Foto 37: Militair met bespannen wagen op kazerneterrein.

De redactie ziet uw reacties op de zoekplaatjes graag schriftelijk tegemoet, per brief of per email naar redactie@palthehof.nl.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO

02827 = BF014

De foto is deze keer van de christelijke lagere school in Den Hulst (CLS C) en dateert van 1954. Een aantal namen is nog niet bekend. Graag zien we deze aangevuld. U kunt uw reactie sturen naar redactie@palthehof.nl.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  

Jan Stolte
Klaas Talen
Gerrit Lammertsen
Albert Spin
Gerrit Boers
Gerard Gerrits
Wim Stolte
Jan Schuurman
Jan Bouwmeester
Jan Gerrits
meester Scholten
meester Geitenbeek
juffrouw Boertien
juffrouw Oepts
Aaltje van Duren
Jennie Talen
Corrie van Empel

18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  

Minke Boers
Riekie Pierik
Dinie Geerts
Aaltje Luten
meester Meijer
Bertha Witpaard
Germien Bolhoven
Aaltje Dunnink
Jannie Witpaard
Gea Boers

Jantje Hekman
Jennie van Duren
Alie Luten
Geesje Visscher
Gerrie Boers
Ewalda Bolhoven

35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  

Annie Stolte
Geeske Talen
Maasje van Empel
Marinus Spin
Jan Mulder
Henk Hekman
Luuk Petter
Henk Visscher
Willem Hekman
Jan Prins
Roelof Gerrits
Asse Visscher
Henk Bouwmeester
Gerard Schuurman
Bart van Empel

Jan Lammertsen

* * *

HEUR BEVRIJDING

Jan Zantinge

(Eerder gepubliceerd in: “Is ’t noe dat ’t pas begint?”, Kampen, 1989, IJsselakademie)

Op die veurmiddag in april viefenvèertig - 't leste jaor van de bezetting - zit Henk veur zien hol van takkebossen achter de wagenschure. Net as iederene in heur buurtschap is hij wat in de warre. Der wordt verteld dat now iedere dag de Canadese soldaoten kunt komen. De Canadezen, die heur zult bevrijden van de Duutsers. De mèensen verlangt naar de komst van de bevrijders, mar veule bent ook bange, dat eerst de Duutsers nog zult komen um mèensen dood te scheten en de boerderijen in braand te stikken. Der bent dorpen waar de Duutsers det ook edaone hebt, vlak veur de Canadezen kwamen.
Henk slat zien arms um zien opgetrökken benen; steunt zien kin op zien kneien. Over de akkers mit de greune veurjaorsrogge kek hij naar de bos. In de bos hebt Gerd van buurman Mulder en hij heur hutte. Gerd is zien beste kameraad. Zij bent even old: vieftiene. Zij gaot al mit mekaar umme vanaf dat ze kunt lopen.
Henk deenkt an die middag in de veurige haarfst.
Gerd en hij leupen in de bos. Ieneens stund Gerd stille en zee: "Wij blieft altied kameraoden hè? En wij zult mekaar nooit verraoden."
Hij keek Gerd verwonderd an en zee: "Ja vanzölfs bliefe wij altied kameraoden en zulle wij mekaar nooit verraoden."
"Erewoord?" vreug Gerd toen.
"Ja, èrewoord", antwoordde hij vlot.
Henk strek mit een haand deur zien haor en kek opzied naor de boerderije van buurman Mulder. Gerd zien va is doonde bij de heuibarg. Gerd zien va is N.S.B.er. In de eerste tied van de bezetting zee Gerd zien va vake: "'t Is good veur Nederlaand, dat de Duutsers ekomen bent. Deur de Duutsers zult ook de boeren 't beter kriegen."
Naodat de Duutsers de jeudse mèensen uut 't dorp weg-ehaald hadden, zee buurman Mulder det niet mèer.
Henk zucht depe. Zien va mut niks van N.S.B.ers hebben. Zien va zeg al een hele tied niks meer tegen buurman Mulder. Zien mo mak over de hege nog wel ies een praotien mit Gerd zien mo.
Henk kek wèer naor de bos. Vanaf half mèert koomt Gerd en hij niet mèer in de bos. Gerd zien va hef Gerd verbeuden um der nog te komen. Zien va en mo hebt ook mar lever dat hij der niet meer komp. Gelokkig hebt zien va en mo hum de umgaank mit Gerd nooit verbeuden.
Wel hebt ze de leste tied vake tegen hum ezegd, dat hij nooit mit Gerd mag praoten over de mannen die 's aovends bij heur koomt um melk en eier te halen.

De twei mannen kwamen veur 't èerst bij heur op een aovend in mèert; now zo'n veer weken elene. De ene, mit de donkere ogen, heette Johan. De aandere mit det stuurse gezichte was Erik.
Hij vund Johan een aordige vent. Johan wol altied mit hum boksen. Veur Erik was hij bange. Erik kèek altied zo streng.
Zien va vertelde hum ies dat Johan veur dokter studèerde en dat Erik bij de politie was. Umdat ze heur in de bos verbörgen hölden, dacht hij dat Johan en Erik gewoon onderdukers waren. Dat ze bij een verzetsgroep heurden, krèeg hij de veurige weke pas deur.
Stiekum was hij op een middag toch naor de bos egaone. Op de veersprong stunden ze ieneens veur hum: Johan, Erik en een oldere man mit gries haor. 't Waren heur waopens, waor hij ’t meeste van schruk. Pistoolmitrailleurs, de lopen schuin naor boven, veur heur borst.
"Hé, kiek now ies, wie wij daor hebt. Wat koom ie hier zeuken?" 't Was Johan die het vreug.
"Ik wil naor oonze hutte toe", zee hij.
"Oonze hutte? Van wie is die hutte dan nog mèer?" snauwde Erik.
"Van Gerd", zee hij geschrukken.
"Gerd? Wie is die Gerd?" vreug Erik kortof.
"Gerd van buurman Mulder en Gerd is mien beste kameraod", antwoordde hij.
"Is Gerd een zeune van die N.S.B.er Mulder?" wol toen die oldere man weten.
Hij veulde dat hij een kleur krèeg en hij worde kwaod. Mit een overslaonde stemme schrouwde hij: "Gerd is gien N.S.B.er en zien mo en zien zussies bent het ook niet. Gerd hef er niks mit te maken."
Ze keken hum strak an; zwegen. Hij wus niet hoe hij 't had. Waorumme zeden ze now niks? Hij had toch niks verkeerds edaone? Op zo'n gemene toon heurde hij Erik toen zeggen: "Weet ie, wat ze mit die N.S.B.ers mussen doon? Zij mussen ze dood maken, ja dood maken, allemaole."
Hij stund daor mar, mit van die braanderige ogen: hij was bange. 't Was Johan die hum nog wèer wat op zien gemak stelde.
Johan legde een haand op zien scholder en zee: "Ach joh, zo bedole wij dat niet. Mit Gerd zal niks gebeuren. Gao now mar wèer naor huus."
's Nachts droomde hij dat Gerd dood was. Hij zag hum blodend op de grond liggen; bij heur hutte. Hij worde wakker deur een haand op zien scholder. 't Was zien mo, die op zien schrouwen was of-ekomen.
Hij schrikt op uut zien gedachten as Gerd ieneens veur hum steet. "Moi", zeg hij.
"Moi", zeg Gerd mit een doffe stemme.
Gerd geet naost hum zitten.
Zij zit wat veur heur uut te staren; zegt niks. As hij opzied kek zet hij die vrömde uutdrokking op Gerd zien gezichte. Hij veult dat Gerd wat dwars zit.
"Wat heb ie?" vrag hij nao een posien.
"Ikke? ... Och niks, 'k heb niks", mompelt Gerd.
"Ja, ie hebt wel wat, kan ik zo an oe zeen", zeg hij.
Gerd schokscholdert. 't Blef even stille.
Dan heurt hij: "Der zit ondergrondsen in de bos hè?"
Hij kek naor de grond as hij zeg: "Ja, det zegt ze."
"Ie weet 't wel zeker, is 't neet?", holdt Gerd an.
"Zeker? Now ja, zowat zeker", zeg hij.
"Now as ze der zit, dan zit ze der niet lange mèer, want de Duutsers koomt um ze dood te scheten. Hef mien va eheurd van de borgemèester."
De N.S.B.borgemèester, deenkt hij geschrukken.
Verallerèerd kek hij Gerd an.
"Wanneer koomt ze?" vrag hij schrom.
"Vanmiddag of vanaovend."
't Blef even stille. Dan vrag Gerd: "Gaoj ze 't now vertellen?"
"Wie?"
"Now die mannen in de bos. Gaoj 't heur now vertellen dat de Duutse soldaoten koomt?"
Hij kek naor de bos; trekt even zien scholders op en mompelt binnensmonds: "'k Weet et niet, 'k deenk et niet."
Gerd kek hum zo sneu an. Hij begrep et niet. Ze zit zwiegend naast mekaar.
Dan heurt hij zien zussien ropen: "Henk, eten!"
"Ja, ik kome!" röp hij weerumme.
Zij koomt overende; staot tegenover mekaar. Hij lacht Gerd toe; gef hum een stomp tegen zien scholder en zeg: "Ik zee oe vanmiddag nog wel hè?"
"Ja, 'k deenk et wel", zeg Gerd zachies en löp vut.
Nao 't middageten löp hij zo hard as hij kan over 't zaandweggien tussen de akkers naor de bos. Op de veersprong staot now veer mannen. Johan en Erik bent er ook bij.
"De Duutsers koomt veur oe", brengt hij hichtend uut.
"De Duutsers? Wie hef dat ezegd?" schrouwt Erik tegen hum. "Ik ... ik heb 't vanmorgen ... eheurd", hakkelt hij.
"Verrek joh, det is gien antwoord. Ik wil weten wie 't ezegd hef", snauwt Erik hum toe.
Hij beeft helemaole, veult wèer die drok achter zien ogen en hij wil niet sjanken.
Dan wèer die gemene stemme van Erik: "Dus dat mooie vriendtie van oe, die Gerd, die hef oe dat verteld. Ja of nee?"
Hij knikt; veult traonen over zien wangen glieden. Hij hef Gerd verraoden. Gerd, zien beste kameraod. Deur zien traonen hen kek hij naor Johan.
Johan knipoogt naor hum en zeg heel gewoon: "Bedaankt Henk, heel arg bedaankt en gao now mar gauw weer op huus an. "
Hij knikt, dreeit hum umme en löp vut.
"En niet bezorgd maken over Gerd hè", röp Johan hum nog nao.
"Nee zal 'k niet doon", zeg hij mit zo'n vrömde stemme.
In de late naomiddag koomt de Duutse soldaoten.
In het dorp, niet in heur buurtschop.
Zij heurt het geknetter van automatische waopens. Later heurt ze dat de Duutsers alle mannen en jonges, die toevallig buten waren, bij mekaar edreven hebt. Toen de soldaoten haostig weer vertrökken waren, lagen der elf lieken op de Brink.
Onder 't èten zeg zien va: "As beesten hebt ze ze of-emaakt, die rotzakken."
De volgnde morgen heurt hij dat buurman Mulder dood is. Ene hef hum evunden in een roggeakker an de bosraand. De dokter en zien va haalt buurman Mulder mit peerd-en-wagen op.
Hij zet het witte laken waor Gerd zien va onder lig. Zien mo is bij Gerd zien mo. Hij kröp vut in zien hol van takkebossen. Het maalt hum allemaol deur 't heufd. Die moordpartij op de Brink, gisteraovend. Gerd, die hij verraoden hef en die now niet mèer zien kameraod zal wèzen. De woorden van Erik: "Die N.S.B.ers, zij mussen ze dood maken, allemaole."
Good, zij hebt Gerd dan wel niks edaone, Johan hef woord eholden, mar Gerd zien va hebt ze wel dood-emaakt. Hij veult hum ongelokkig.
Zo viendt zien mo hum. Hij zet heur verdretige gezichte.
"Kom Henk, kom mar mit", zeg ze.
An de keukentaofel zit zien mo en hij tegenover mekaar. Hij wet niet hoe hij 't hef as ze vertelt: "Buurman Mulder klaagde al een hele pose over zèerte in de borst. Gisteraovend had hij 't weer heel arg; hij was ook helemaole kapot van wat de Duutsers in 't dorp edaone hadden. Tegen de morgen zee hij tegen buurvrouw, ik lope even de frisse locht in, maakt oe over mij mar niet ongerust. Gerd zien va is overleden an een hartverlamming."
"Een hartverlamming?" ontvalt hum. Zien mo zucht en knikt.
"Och," geet ze wieder, "och, Gerd zien va was gien slechte man. Hij mus al heel lange niks meer van de Duutsers hebben. Eigenlijk was hij allend nog N.S.B.er um zo nog in kontakt te kunnen blieven mit de N.S.B.borgemèester. Van die borgemèester heurde hij vake dat de Duutsers zullen komen. Buurman Mulder hef verscheidene onderdukers 't leven ered deur ze op tied te waorschouwen veur de komst van de Duutsers."
Zij schudt heur heufd en veg mit een haand deur heur ogen.
Hij zit heur mar an te kieken. Het enige wat hij wet te zeggen is: "Gerd? ... Ik kan dus gewoon mit Gerd umme blieven gaon."
Het verdretige lachien um de mond van zien mo as ze zeg: "Och jonge, wat is 't toch wat mit oe beiden. Gerd vreug mij ook al of hij now oen kameraod nog wel kun blieven. Vanzölfs kan dat, waorumme zul det niet kunnen?"
Wat hij in lange tied niet hef edaone, dat döt hij now. Hij löp naor heur toe, slat zien arms um heur hals en gef heur een kus.
In de naomiddag koomt de Canadezen. In tanks en jeeps riedt ze naor het dorp. Mit zien va, zien mo en zien zussen steet hij an de straote.
Zij zwaait naor de lachende soldaoten. Zo now en dan kek hij naor het huus van buurman Mulder. Daor is gien mèense te zeen. Zoals altied as ter ene overlèden is bent de vèensters dichte.
As ze weer in huus bent vrag hij: "'k Gao naor Gerd toe, is det good?" Zien va kek hum eernsachtig an en zeg: "Good Henk, doe det mar, juist in tieden van groot verdreet laot echte vrienden mekaar niet in de steek."
Zien mo röp hum nog nao: "Zegt mar tegen Gerd zien mo dat oen va en ikke strakkies ook nog koomt!"
Pas in de darde weke van mei koomt Gerd en hij weer in de bos.
Heur hutte is verneeld. Mit de haanden in de buze staot ze der zwiegend naor te kieken.
Ienene vrag Gerd: "Weej nog wel dat ik oe kwam vertellen, dat de Duutsers zullen komen um de mannen van die verzetsgroep dood te scheten."
"Ja, det was op de dag veur de bevrijding", zeg hij.
"Ik mus oe det komen vertellen van mien va. Mien va wus wel dat die mannen bij oe in huus kwamen."
"Dacht ik wel", zeg hij.
Gerd kek hum niet begriepend an.
"Mien mo hef mij verteld, dat oen va wel meer onderdukers en zo op tied hef kunnen waarschuwen as de Duutsers zullen komen veur een overval. Oen va was niet slecht."
Hij zet de opgelochte uutdrokking op 't gezichte van zien vriend.
As ze weer op huus anloopt vrag Gerd: "Oorlog is arg hè?"
"Ja," zeg hij, "ja, oorlog is heel arg, 'k hope dat er nooit weer oorlog komp."

* * *

HET KLEINE HUIS AAN HET PAD, 15

Margje Key-Hendriks

Oorlogsgeweld
In Langenholte, niet ver bij oom Aart en tante Roelofje vandaan, lag een schip met munitie in het Zwartewater. Het was om vijf minuten over acht in de morgen van 28 april 1943 dat er vliegtuigen over cirkelden. Tante Roelofje stond er voor het raam naar te kijken. Opeens begonnen ze het schip te beschieten. Er volgde een ontploffing, waarna het huis van oom Aart ook in puin lag. Het was een vreselijke knal want bij ons thuis, toch zo’n vijftien kilometer er vandaan, schudde alles. In de huizen dichter bij Zwolle vielen zelfs de lampen van het plafond naar beneden. Tante Roelofje kreeg toen glas in haar ogen en gezicht en heeft een tijdje in het ziekenhuis gelegen. Het is nooit weer helemaal goed gekomen en later was ze zo goed als blind.
Het huis werd al gauw weer opgebouwd. In de tussentijd woonden ze in een noodwoning waarin veel ramen zaten. Slapen deden ze toen in de schuur.
Toen tante Roelofje weer thuis was, zijn we er met zijn allen op de fiets naar toe geweest. Ook oom Jan ging mee en ik zat bij hem achterop. Regelmatig vroeg hij aan mij: “ku’j wel mee komen?” Af en toe beurde hij zijn achterste op om een wind te laten, maar dat vond ik niet zo fijn. Henk zat bij vader achterop en Trijn voorop op de stang. Nellie zat bij moeder achterop in een mandje. Op de terugweg naar huis kreeg vader een lekke band. De fiets werd ondersteboven gezet en de band, die al zo vaak gelapt was, werd weer gedicht.

Omdat er steeds minder te koop was, werd men steeds vindingrijker. Toen we niet meer aan lampolie en kaarsen konden komen, gebruikten we een carbidlamp. Ik had een hekel aan dat ding en zat dan liever in het donker. Die lamp was altijd moeilijk aan de gang te krijgen en plofte altijd. Als vader hem aanstak ging ik altijd in de verste hoek van de kamer zitten. Wanneer de carbidlamp eindelijk goed brandde, gaf hij wel mooi helder wit licht.

Geallieerde vliegtuigen op weg naar Duitsland in januari 1945.

Stedelingen
De winter van 44-45 was bitter koud met veel sneeuw. Men moest de eindjes aan elkaar zien te knopen en het maar doen met wat ze nog hadden. Turf, kolen en brandhout was bijna niet meer te krijgen. Als we langs de weg takken vonden, sleepten we die mee naar huis voor de kachel.
In de grote steden verhongerde men. Duizenden kwamen er naar het platteland om voedsel te zoeken. Die mensen werden “trekkers” genoemd en als je die eens gezien hebt vergeet je dat nooit weer. Meestal waren het vrouwen en oudere mannen die met oude kinderwagens, fietsen en karretjes, of van alles waar maar een wiel onderzat, op zoektocht gingen. ’s Nachts sliepen ze in een hooiberg of schuur en als ze geluk hadden soms in een bed. Het ergste was dat als ze wat voedsel bij elkaar gezocht hadden, ze ook het hele eind weer terug naar huis moesten. Net aan de andere kant van Zwolle moesten ze over de IJsselbrug en daar stonden altijd Duitsers die het voedsel vaak weer van de trekkers afpakten.
Ik herinner mij nog goed die keer dat we ’s middags aan het eten waren toen er twee vrouwen aan de deur kwamen. Moeder liet ze binnen en we deelden ons eten met hen. We hadden aardappels en een stukje vet. Zelfs toen lustte ik geen vet en ik gaf het aan de beide vrouwen die er erg blij mee waren.
Er kwam ook een keer een vrouw bij ons aan de deur die moeder een duur gouden horloge wou geven in ruil voor een zakje graan. Maar moeder wilde haar horloge niet hebben en bovendien hadden we ook geen graan.
Soms kwamen er ook mensen die om turf of brandhout vroegen. Op een morgen voordat vader naar zijn werk ging, klaagde moeder dat we bijna geen turf meer hadden. Later diezelfde dag kwamen er een paar vrouwen en die vroegen om brandstof. Moeder ging naar het schuurtje, pakte een zak en deed er turf in en gaf dat aan de vrouwen mee. Ik stond er bij te kijken en dacht bij mezelf: “vanmorgen zei je dat het bijna op was en nu geef je het weg”. Van moeder leerde ik die dag een heel belangrijke les!

Vanwege de toestand in de steden kwamen sommige kinderen een tijdje op het platteland logeren. Bij tante Aoltie verbleef een vrouw met twee kinderen.
Ze kwamen uit Den Haag en hun naam was Van de Berg. Jaren na de oorlog kwamen ze ’s zomers altijd nog een poosje ogeren.
Bij Klaos hadden ze een meisje en ze heette Corrie Knijf. Haar broer Jan verbleef bij Massier aan de Diek. Ze kwamen uit Utrecht. We speelden altijd wel met Corrie, maar ze was een echt stadsmeisje en lachte ons soms uit om de manier waarop wij praatten en hoe wij alles deden. Dat namen we zo maar niet en daarom hadden we een rijmpje verzonnen: “Corrie Knijf, oud wijf, stok stok stijf”. Dat riepen we altijd als we “hellig” op haar waren.


Via café Schoemaker gingen de kinderen uit het westen naar hun logeeradres in Nieuwleusen en Den Hulst.

Ik was wel jaloers op de sandalen van Corrie. Veel stadsmensen droegen ze; een houten zool met leren riemen om de hak en gekruist over de voet. Ik heb lang geprobeerd om er zelf een paar te maken, maar dat lukte niet. Ik probeerde het steeds maar weer, want ik moest en ik zou ze ook hebben. Op een paar plankjes met touw er om heen liep ik dan wel een poosje, maar mijn kleppers waren ook niet zo mooi als die van Corrie. Bij Klaos noemden ze me een tijdje “klepmanie” omdat Nellie mij toen Manie noemde.
Jan Knijf kwam ook een keer bij ons. Hij sloeg met een stok op de dakpannen en brak er een paar. Toen we daar wat van zeiden, zei hij: “Oh, die zijn verrot”.

Bevrijding
Tijdens de bevrijding waren er in het westen van Nieuwleusen gevechten. De Canadezen beschoten de Duitsers die daar in boerderijen zaten. De mensen waren bang dat hun huis in brand zou gaan en al voor dag en dauw pakten ze hun spulletjes in kussenslopen. De meubels en andere spullen werden voor het huis tegen de heg gezet, met witte lakens er over. Zelf zochten ze een veilige plaats op. Een aantal boerderijen is afgebrand en een oude man, die niet uit huis wilde, is daarbij omgekomen.
Thuis zochten we ook een veilige plek. Moeder liep met ons de weg achteruit, Roeli in de kinderwagen. We vonden daar niks en gingen weer naar huis.
Vader en oom Jan gingen ergens anders kijken en groeven een schuilhut in de grond. Er werd stro op de grond gelegd, dat ze bij Klaos haalden. Daar hebben we die hele dag ingezeten, behalve oom Jan die ergens anders naar toe ging, maar niet wilde zeggen waar naar toe.
Roeli was toen acht maand en sliep in het stro. Het was een mooie zonnige dag en daarom had vader een deken over de kuil gespannen, zodat hij in de schaduw kon liggen. We hadden de lees- en kleurboeken meegenomen om ons te vermaken. Later in de middag vroegen we aan vader wanneer ze ons huis zouden gaan beschieten. Gelukkig gebeurde er niets en tegen de avond hoorden we dat voor deze streek de oorlog voorbij was. Pas later dachten we er aan dat Nellie die dag jarig was.
De Canadese soldaten verbleven een tijdje aan de Rollecate. Henk, Trijn en ik mochten er lopend naar toe om te kijken. We konden nu vrij gaan en staan waar we wilden want de oorlog was voorbij. We liepen bij de tentjes langs en keken naar binnen. Een soldaat kookte bieten voor het avondeten. Een andere soldaat stond zijn tanden te poetsen met water in een tinnen beker. We zagen een legertruck met achterin soldaten. Een soldaat had een half sneeuwwit broodje in de hand. Zulk brood hadden we nog nooit gezien.

Kort na de oorlog kwam er een vrouw bij ons thuis met een grote koffer vol jassen. De jassen kwamen uit Amerika en ze werden verdeeld onder mensen die ze nodig hadden. Trijn kreeg een bruine jas en mij paste een beige jas met een kort strookje gevlekt bont bovenaan. Met een band kon je hem dichtknopen en ik vond het een hele mooie jas en hij was lekker warm.
Toen we weer naar school gingen kregen alle kinderen een plaat met de Hollandse vlag er op. Die plaat heb ik nog steeds.
Een tijdlang kregen alle kinderen op school elke morgen een sinaasappel. We namen die altijd mee naar huis en deelden ze met de kleine kinderen thuis. Het waren Jaffa sinaasappels die uit Israël kwamen. Sommige waren rood van binnen en smaakten heel lekker. Moeder kocht ook een keer een banaan, waar we allemaal een stukje van kregen. We hadden toen nog nooit een banaan gehad! We hadden ook Engelse biscuit, een hard koekje dat we erg lekker vonden. Ik meen dat vader er een keer mee thuis kwam. Ook bracht hij eens noga mee, dat smaakte naar marsepein maar was heel hard. Nadat er weer tandpasta verkrijgbaar was kocht moeder een doosje en een tandenborstel, waarmee we om beurten onze tanden poetsten. Sommige mensen hadden in de oorlog heel veel geld verdiend met zwarte handel. Na de oorlog moest iedereen zijn geld inleveren en kregen alle volwassenen en kinderen tien gulden van het Rijk. Iedereen had toen hetzelfde om opnieuw te beginnen.


Het “tientje van Lieftinck” dat iedere Nederlander in 1945 kreeg.



Feest
Een paar maand na de oorlog was er een groot feest. Het was een Oranjefeest en we gingen er allemaal naar toe, net als bijna iedereen. Het feest was in het weiland naast Sterken. Vader was daar de hele dag in de werkplaats, waar hij samen met iemand anders een fietsenstalling had.
’s Morgens liepen we eerst naar school en vandaar gingen we met paard en wagen naar het feestterrein in Den Hulst. Eerst deden de kinderen verschillende spelletjes en daarna mochten we in de zweefmolen. We hadden wel een klein beetje geld bij ons, maar niet zo veel, want ook na de geldwisseling was er bijna nergens geld voor. Trijn en ik hadden al gauw ons geld op. We gingen toen naar vader die in de werkplaats van Sterken de fietsenstalling had en geld kreeg van elke fiets die er gebracht werd. Hij gaf ons ieder een dubbeltje en we konden weer in de zweefmolen. Daarna gingen we nog een paar keer naar vader voor nog een dubbeltje, maar tenslotte zei hij dat het geld op was.
Toen het tijd werd om naar huis te gaan, kwamen de wagens ons weer halen. Er waren zoveel wagens met paarden dat ik niet wist welke ik moest hebben. Wel riepen ze de namen van de scholen af, maar niets kwam mij bekend voor en ik was te verlegen om het te vragen. Toen alle wagens weg waren stond ik daar nog te wachten.


“Trees heeft een Canadees” was een aantal keren een geliefd onderwerp voor een versierde wagen tijdens optochten na de oorlog. Hier in 1995.

Gelukkig kwam Anna Bremmer er aan en die zei dat haar vader haar zou komen halen met de brik. Samen met Anna mocht ik meerijden achter in het zwarte wagentje. Tegen de tijd dat we bij hun boerderij waren, was het donker en moest ik vandaar alleen door de duisternis naar huis. Ik moest langs het wegje verder naar achteren lopen, tot het Pad en dan nog langs boerderijen waar ze honden hadden. Maar ik was banger voor de duisternis dan voor die honden. Je kon bijna geen pad zien. Ik kwam heelhuids thuis en moest natuurlijk uitleggen waar ik zolang geweest was.

Tot besluit
Na de oorlog hebben we nog een paar jaar in ons huisje aan het Pad gewoond. Omdat we allemaal groter werden, was het huisje op een gegeven moment te klein. In die tijd was er een tekort aan huizen. De gemeente bouwde dubbele huizen in Den Hulst en wij hadden het geluk er een van te krijgen. In januari 1949 zijn we daar naartoe verhuisd. Dat vonden we natuurlijk fijn, maar het was ook wel heel erg jammer om ons huisje aan het Pad te verlaten. Sommige mensen dachten vast wel dat wij daar arm waren. We waren ook niet rijk maar we woonden daar gelukkig en dan ben je niet arm. Ons leven aan het Pad was goed!


* * *

REACTIES

Van Jan Haasjes kregen we een aanvulling op de foto die in het vorige nummer op bladzijde 121 is afgedrukt. Daarbij is vermeld dat Zandbergen een rijwielzaak had achter de Rollecatebrug. Haasjes kon zich herinneren dat Zandbergen daar eerst een timmerwerkplaats had en langzamerhand ook wel fietsen verkocht en repareerde. In zijn timmerwerkplaats maakte hij melkmonsterkistjes. Dat zijn kistjes waarin flesjes kunnen die door de monsternemer gevuld werden met melkmonsters van de koeien. Per koe een flesje waarop de naam en nummer kwamen.
Nadat een emmer melk was gewogen werd daaruit een kleine hoeveelheid in het flesje geschept. In een boekje werd het aantal liters melk per koe genoteerd. Het kistje ging met de melkrijder mee naar de fabriek, waar de melkmonsters werden onderzocht op vet- en eiwitgehalte. Deze gegevens werden bijgeschreven in het boekje en zo kreeg je een overzicht per koe.


Een melkmonsterkistje.

Later had Gerrit Zandbergen wel een echte rijwielhandel. Er is een ansichtkaart van omstreeks 1950 waarop de tekst “Rijwielhandel” op de winkelruit te lezen is.

* * *

TOEN EN NU, 4



Sluis 3, ca 50 jaar geleden en in 2015.




* * *

Foto achterpagina

Jan Boers bezig met werkzaamheden voor de stroomvoorziening van het G.E.B. (Gemeentelijk Energie Bedrijf).






Een link naar de onderhelft van de omslagafbeelding
Jaargang 33 nummer 2-3 juni 2015

* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

DE JAREN 1940 - 1945 IN NIEUWLEUSEN





"hou moed ons land
zal nooit een duitse provincie worden"











2e druk
herzien en uitgebreid








© 2015 Historische Vereniging Ni'jluusn van vrogger








Deze 2e druk van "De jaren 1940 - 1945 in Nieuwleusen" verschijnt als de nummers 2 en 3 van het kwartaalblad 2015, jaargang 33, van de Historische Vereniging Ni'jluusn van vrogger te Nieuwleusen.

© Copyright: Ni'jluusn van vrogger – 1995, 2015.
Niets uit deze uitgave mag worden verveelvoudigd, opgeslagen in een geautomatiseerd gegevensbestand, of openbaar gemaakt, in enige vorm of op enige wijze, hetzij elektronisch, mechanisch, fotokopie of op enige andere manier, zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de uitgever.
No part of this book may be reproduced in any way whatsoever without the written permission of the publisher.



* * *

Inhoud:

Oorlogsmonument Nieuwleusen;
Nieuwleusen in de oorlog
Jeugdherinnering uit de oorlogsjaren
Kennen kinderen geen gevaar?
Oorlogsjaren dicht bij het spoor
Te werk gesteld in Duitsland
Het leven van een onderduiker in Nieuwleusen
van 1943 tot 1945
Een neergestorte bommenwerper
De bemanning van de bommenwerper
Ontmoeting na 42 jaar
Brieven van Bart van der Graaf
Herinneringen aan de oorlog 1940-1945
Een mislukte overval
Een Utrechtse evacuee in Nieuwleusen
Etenhalers en geschaad vertrouwen
Dankbare etenhalers
De verzetsgroep van Het Schot,
de boswachterij Staphorst en de bevrijding
De periode van 6 tot 14 april 1945
De bevrijding in deze regio
De Nieuwleusener NBS bij de bevrijding
Met bevrijders op de foto
De toestand in bevrijd Nieuwleusen
Bevrijdingsherinneringen
De oorlogsjaren van Albert Klein
Verslag van het verzet in Nieuwleusen
Plank met kogelgat
Nieuwleusenerstraat in Cadzand
H.A.R.K. in Nieuwleusen
Yad Vashem onderscheiding
Uit de Meppeler Courant
Voorwoord burgemeester Backx Oranjefeesten 1945
Bijlagen
Colofon

5
11
30
33
36
43

55
60
64
67
69
77
92
95
103
104

111
120
122
123
127
129
132
134
158
166
167
171
172
176
178
180
183

* * *

OORLOGSMONUMENT NIEUWLEUSEN

In 1959 werd in de hal van het gemeentehuis een gedenkplaat aangebracht met daarop de namen van acht gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog. Daarna is er elk jaar op 4 mei een bijeenkomst gehouden om deze slachtoffers te gedenken.
Burgemeester E.H. Mulder meende in 1965 dat het passend zou zijn om juist in het jaar dat de Nationale Dodenherdenking voor de twintigste keer zou worden gehouden, op de groenstrook ten noorden van de Hervormde kerk een eenvoudig monument te plaatsen dat de gedenkplaat in de hal van het gemeentehuis verving. De namen van de acht op de plaat vermelde gevallenen werden op acht in de voet van het monument geplaatste stenen aangebracht. De vervaardiging van het oorlogsmonument kon worden betaald uit de opbrengsten van de bijdragen van degenen die jaarlijks de herdenkingsbijeenkomsten hadden bijgewoond.

Op 4 mei 1965 luidden de kerkklokken 's avonds van kwart voor acht tot 30 seconden voor acht. Om even voor acht uur onthulde burgemeester E.H. Mulder het monument. Na de onthulling werden kransen gelegd. Aansluitend aan de twee minuten stilte werd in de Hervormde kerk een herdenkings-bijeenkomst gehouden. Tijdens deze bijeenkomst werd het woord gevoerd door de beide plaatselijke predikanten en de burgemeester.

Driedelige gedenkplaat in de hal van 't Olde Gemientehuus. Waarschijnlijk is het onderste deel iets later toegevoegd.

Het oorlogsmonument van Nieuwleusen zag er in zijn oorspronkelijke vorm iets anders uit dan nu. De voet was van baksteen met daarin acht staande zwarte stenen, waarop de namen zijn vermeld van evenzoveel Nieuwleusenaren die de bezetting niet hebben overleefd. Op het voetstuk stond een staande witte zandsteen zuil.
Tegenwoordig bestaat het monument uit een voet van blokken natuursteen met daarin de acht stenen met naam, bedekt door een zwart natuursteen plateau met daarop een tweedelige staande zuil van witte zandsteen. Op het bovenste deel staat een kruis en op het onderste deel de tekst "Ter gedachtenis aan de gevallenen 1940 - 1945". Het monument werd opgericht tot blijvende herinnering aan hen die in de oorlogsjaren hun leven lieten voor een vrij Nederland.

De namen op het monument voor de gevallenen 1940-45 zijn:

1








2



































3







4















































6







7








8

















Jan van Ankum, geboren 25 februari 1923, zoon van Jan van Ankum en Hilligje Hekman, afkomstig van De Meele. Hij was onderduiker en werd opgepakt en naar kamp Erika bij Ommen gebracht. Daar is hij bij een beschieting van het kamp door Engelse vliegtuigen om het leven gekomen. Dat gebeurde op 14 januari 1945. Zijn graf bevindt zich op de begraafplaats aan de Ds. Smitslaan in Nieuwleusen.

Willem Beldman, geboren 7 april 1924, zoon van Gerrit Jan Beldman en Hendrikje Brouwer. Zijn ouders woonden aan het Westeinde. Willem diende bij een boer op het Kampereiland. Als gevolg van de meistaking was de melkrijder aan de Kamperzeedijk op 1 mei 's morgens al zonder een liter melk bij de fabriek aangekomen.

's Avonds werd hij opnieuw op pad gestuurd samen met een NSB’er. Zodra de melkrijder bussen op de wagen geladen had, werden deze door een groepje jongelui, waaronder Willem Beldman, weer afgeladen. Op een gegeven moment escaleerde dat. Het heeft uiteindelijk aan vier mensen het leven gekost. Willem werd korte tijd later door de Grüne Polizei opgepakt toen hij bij zijn ouders in Nieuwleusen op bezoek was. Hij heeft gevangen gezeten in kamp Vught en later in kamp Amersfoort. Daar vandaan werd hij naar een kamp in Duitsland gebracht. Daar werd hij ziek. Bij het einde van de oorlog ontfermde Zweden zich over de mensen in concentratiekamp Neuengamme. Voor Beldman kwam dat echter te laat. Op 5 juli 1945 is hij in Borås, dep. Älvsborg in Zweden overleden. Hij werd daar begraven, maar vond zijn laatste rustplaats uiteindelijk op het Nederlandse ereveld op de begraafplaats Vestre Gravlund bij Volvat in Oslo, Noorwegen (foto).

Hendrik Brasjen Jzn. van de Jan Visschersweg, geboren op 25 juli 1924, zoon van Jan Brasjen en Bertha Jansen. Hij moest in het kader van de Arbeitseinsatz in Duitsland gaan werken en wist daarvoor geen vrijstelling te verkrijgen. Hij overleed bij een bombardement op 22 maart 1945 in Lager Langer Morgen in Hamburg-Wilhelmsburg.

Lucas Gijsen, geboren 16 april 1924, zoon van Jacobus Gijsen, kapper in Den Hulst, en Grietje Holthuis. Hij werd bij een razzia in Den Ham opgepakt en naar Duitsland overgebracht, waar hij verplicht werd werkzaamheden te verrichten. Hij kwam bij een bombardement in Neuengamme om het leven op 28 april 1945. Pas in de zomer van 1951 kwam er duidelijkheid over zijn lot.

Herdenking van de gevallenen in 1987. Vlnr: gemeente-secretaris Fokko Praamstra, burgemeester Aat de Jonge en wethouder Bertus van Ankum.

Monument bij het voormalige kamp Amersfoort.

5 Barteld van der Graaf, geboren op 27 februari 1922, zoon van Johannes van der Graaf en Janna Stolte, wonende aan de Ommerdijk (burg. Backxlaan). Barteld was bakker en woonde in Ommen. Hij was ondergedoken in Apeldoorn. Voor een verjaardag bezocht hij zijn ouders. De terugreis naar zijn onderduikadres maakte hij per bus. Tijdens deze rit werd hij opgepakt. Barteld heeft o.a. in kamp Amersfoort gezeten en werd later naar Duitsland gebracht. Hij overleed bij een bombardement in München op 20 januari 1945. Het duurde tot het najaar van 1950 voor er duidelijkheid over zijn lot kwam.

Gerrit Jan Luten, geboren op 1 april 1912, zoon van Jan Luten en Aaltje Pessink en echtgenoot van Jentje Timmerman. Tijdens een razzia bij hem aan het Ruitenveen werd hij op heterdaad betrapt bij het verbergen van een radio. Hij werd opgepakt en naar kamp Amersfoort overgebracht. Daar werd hij ziek en overleed op 5 april 1945.

Hendrik Schoemaker Gzn., geboren op 4 september 1890, zoon van Geert Schoemaker en Gerrigje Pessink. Hij was gescheiden van Aaltje Kleen en woonde in één van de boerderijen aan het Westeinde die bij de bevrijding van Nieuwleusen in brand werden geschoten. Hierbij kwam Schoemaker op 10 april 1945 om het leven. De Canadese bevrijders dachten dat daar nog Duitsers verscholen zaten, wat niet het geval was.

Hendrik van der Sluis, geboren op 22 september 1915 te Ommen, zoon van Egbert van der Sluis en Antje Veenstra. Het gezin woonde aan de Dommelerdijk.

Hendrik had zich in mei 1939 verloofd met Jacoba Catharina Karemaker die op de Herengracht in Amsterdam woonde. Nog vóór de oorlog ging Hendrik als militair naar Nederlands Indië. Hij voer als stoker op Hr. Ms. Jan van Amstel dat onder commando stond van luitenant ter zee De Greeuw. Toen het schip op weg was naar Australië om in veiligheid gebracht te worden, werd het in de avond van 8 maart gespot door een Japanse torpedobootjager die het vuur opende en de Jan van Amstel in de Straat Madoera tot zinken bracht. Door deze aanval kwamen 23 opvarenden om het leven, onder wie Hendrik van der Sluis op 9 maart 1942. Hij kreeg een zeemansgraf. Zijn naam komt voor op de Erelijst van Gevallenen 1940-1945 (foto), die sinds 1960 in de hal van de Tweede Kamer der Staten-Generaal ligt.

In 1994 is het monument vernieuwd en "uitgebreid" om de inwoners te herdenken die in de periode tussen 1945 en 1950 in Nederlands Indië het leven lieten. Ook hun namen werden op zwarte stenen aangebracht onder een eveneens staande witte zandsteen zuil.
Op dit monument staan de volgende namen:

1







2





3






Jan Bijker Jzn., geboren op 3 juni 1926, zoon van Jan Bijker en Albertina Geertruida Meesters, afkomstig van het Oosteinde nabij De Stouwe. Hij kwam op 8 maart 1947 te Gekbrong op Java om het leven "aan de gevolgen van een geschoten voorhoofdswond" door een ongeluk met een geweer. Hij werd in Nederlands Indië begraven.

Hendrikus Bloemhof, geboren op 3 maart 1927, zoon van Hendrik Bloemhof en Gerrigje Bosman, afkomstig van De Meele. Hij kwam op 10 augustus 1948 te Karangendah om het leven ten gevolge van een auto-ongeluk. Ook hij werd in Nederlands Indië begraven.

Hendrikus Mensink Janszn., geboren op 25 augustus 1925, zoon van Johannes Mensink en Roelofje Dekker, kwam uit Den Hulst. Tijdens een gevecht sneuvelde hij op 21 juli 1947 te Kampaegsawah bij Leuwiliang op Java door een geschoten hoofdwond. Hij werd in Nederlands Indië begraven.


De graven van drie in Nederlands Indië omgekomen plaatsgenoten.

4

Jan van der Sluis geboren op 20 februari 1920, zoon van Egbert van der Sluis en Antje Veenstra. Hij was een jongere broer van de eerder genoemde Hendrik van der Sluis van de Dommelerdijk. Toen de oorlog was afgelopen ging Jan naar Nederlands Indië om zijn broer Hendrik te zoeken. In november 1945 schrijft hij aan zijn ouders dat hij voor zijn broer het ergste vreest. Jan is dan al ziek en verblijft in een ziekenhuis, waar hij lopend patiënt is. Vader Egbert van der Sluis laat dat in een brief aan een familielid weten. "Hij is niet meer in Saigon (Indo China), maar ze zijn per schip vervoerd naar Singapore (Malakka). We hebben hem geschreven dat (als het kan) hij zo spoedig mogelijk naar Holland moet komen om bij ons weer aan te sterken.
We hopen toch zo dat onze Hendrik ook nog in leven is, men kan toch nog niet weten. Wat die mensen daar onder de Jappen door hebben moeten maken, dat moet vreselijk geweest zijn. Als Jan eens thuis komt zal de bom wel springen. Nu kan of wil hij er nog niet veel van loslaten.”
Jan van der Sluis keerde nog steeds ziek terug in Nieuwleusen. Hij ging naar Davos in Zwitserland voor herstel, maar overleed daar in Chur op 26 februari 1951. Zijn graf bevindt zich op de begraafplaats aan de Ds. Smitslaan in Nieuwleusen.

* * *

NIEUWLEUSEN IN DE OORLOG

"10 mei 1940 ging Brug 6 de lucht in." Waarom die brug en wat gebeurde er met de andere bruggen? Voor de inwoners van Nieuwleusen die het allemaal meemaakten is veel zo vanzelfsprekend, dat de verhalen voor anderen vaak onduidelijk en onvolledig zijn. Dat komt omdat er intussen zoveel veranderd is dat we de gebeurtenissen niet meer juist kunnen plaatsen.

Toen Duitsland in september 1939 Polen binnen viel, werd in Nederland de mobilisatie afgekondigd. Tijdens de mobilisatie werden verkeerspunten die van belang waren voor het doorgaande verkeer in ons land, versterkt en verdedigd. Langs de Dedemsvaart waren dat:
Brug 6 (omdat daarover de provinciale straatweg van de zuidzijde over de brug naar de noordzijde van de vaart ging), de Baanbreker bij De Krim (samenkomst van wegen) en de brug bij Gramsbergen. Men was tijdens de mobilisatie blijkbaar alleen beducht voor de oost-west verbindingen, want wonderlijk genoeg werd het Lichtmisviaduct niet bewaakt. Tijdens de bouw waren in de betonnen palen nissen ingebouwd, waar in geval van nood dynamiet ingestopt kon worden, maar ook dat is niet gebeurd. Pas aan het einde van de oorlog hielden de Duitsers het viaduct bezet.
Op vrijdag 10 mei, om ongeveer 4 uur 's morgens, vernietigden de militairen het draaiwerk van Brug 6, waarna ze zich terugtrokken richting IJsselbrug. Tegen half zes kwamen de vliegtuigen terug uit het westen. Ze werden daarbij achtervolgd door Nederlandse vliegtuigen. 's Middags trokken 23 Duitse cavaleristen langs de Dedemsvaart. Ze hadden mitrailleurs bij zich, die in kisten aan weerszijden van de paardenruggen hingen. Ze trokken langs het kanaal maar bij de spoorlijn was de weg geblokkeerd door een wegversperring voor tanks en voertuigen. Daar stonden ijzeren palen in houders in de grond, voorzien van prikkeldraad. Ze gingen daarom over de Leidijk naar Staphorst richting Friesland, waar bij de Afsluitdijk hevig is gevochten.


Nadat Brug 6 was opgeblazen werd er een noodbrugdek aangebracht.

Op 12 mei, eerste Pinksterdag, ging in omgekeerde richting een wagen met gesneuvelde en gewonde Duitse soldaten terug naar Duitsland. In de buurt van de Rollecatebrug werd enige tijd rust gehouden, waarbij muziek moest voorkomen dat men in de omgeving het kreunen en kermen van de zwaargewonden zou horen. Tweede Pinksterdag reden twee of drie Duitse tanks langs de zandkant van de Dedemsvaart.
De gemeente ontving kort daarop, zoals overal, een verordeningenblad waarin de bezetter alle maatregelen aankondigde die moesten worden uitgevoerd, gecontroleerd en nageleefd.

Na de capitulatie in 1940 kwamen de militairen weer naar huis. Grietje Kreule vertelt dat ze nog heel goed weet wat een angstige dagen dat voor haar moeder waren, omdat haar vader niet terug kwam. Als haar moeder op een bepaalde plek bij de boerderij ging staan, kon ze zien en horen of de bus van Zwolle bij het station Dedemsvaart stopte. Ze liet zich daar niet vanaf brengen door een ongeduldig, vragend kind. Telkens kwam er niemand en begon een volgende periode van onzekerheid. Tot de dag dat haar moeder weer voor het huis stond te kijken en te luisteren en haar vader het achterhuis binnenstapte. Oma kwam aanrennen, roepend dat hij weer thuis was.


Briefkaart vanuit Everdingen van Jan Logtenberg aan zijn vrouw waarin hij op 20 mei schrijft dat hij spoedig weer thuis zal zijn. Maar omdat de trein niet verder dan Amersfoort rijdt, zou hijzelf best wel eens eerder thuis kunnen zijn dan de kaart. De militairen mochten naar huis wanneer ze een brief konden tonen van de burgemeester, waarin die verklaarde dat betrokkene thuis onmisbaar was.

Waarom zoveel dagen later? Hij was bij de cavalerie en de paarden zo aan hun lot over laten, dat konden de mannen niet over hun hart verkrijgen. Pas toen de zorg over de paarden was geregeld, kon de terugkeer naar huis beginnen.
Hij vertelde nog hoe ze op hun paarden van Brabant naar de Grebbelinie voortdurend beschoten waren.

In de eerste jaren van de oorlog kwam slechts een enkele keer een Duitse bezetter de gemeente controleren en kwamen Duitse officieren de piloot van het in de omgeving van Brug 6 neergeschoten vliegtuig ophalen. Toen vroegen neergeschoten vliegeniers nog waar ze zich moesten overgeven en burgers wezen hen de weg naar het gemeentehuis!
Een neergeschoten vliegtuig betekende "jacht" voor de bevolking. Al vlug waren verrekijker, kaarten, parachutes en andere waardevolle zaken verdwenen.

14 Hoe was de situatie vlak voor de oorlog?
Er waren geen werklozen maar wel veel dagloners en er was armoede. De gemeente kende B-steun, die bestond uit aanvullende bonnen waarmee je bijvoorbeeld vlees kon kopen.
De diaconie van de kerk hield jaarlijks extra collectes bij de mensen thuis en gaf aan de postbode enveloppen met geld mee voor de mensen die zonder die bijstand niet konden leven. Het ging allemaal in stille beslotenheid en onzichtbaar voor buitenstaanders.
De directeur van de zuivelfabriek in Den Hulst was een groot voorstander van de nieuwe orde en ging veel bij mensen op bezoek om hen te overtuigen van de noodzaak van politieke veranderingen. Hij kreeg veel medestanders en hierbij waren, zoals overal, mensen die de Nationaal Socialistische ideeën overnamen maar daarbij de gemeenschap niet nodeloos in gevaar brachten. Er waren anderen die actief afdwongen dat regels van de bezetters werden uitgevoerd en die er op uit waren mensen aan te geven wanneer ze meenden dat die het "grote belang" achterstelden en de bevelen van de bezetters tegenwerkten. Naïef, omdat niet vermoed werd dat daarmee mensen in gevaar gebracht werden, werd zo 's zondags getrouw de kerk bezocht en gecontroleerd wat de dominee zei en gerapporteerd aan de partij wat gehoord was.


Spelende kinderen op het schoolplein van de christelijke school op De Meele.

Er was stil verzet. Mensen wisten wat er gebeurde en praatten daar alleen over met wie ze kenden en vertrouwden. Daarbij probeerde iedereen die niet goed op de hoogte was, natuurlijk achter de waarheid te komen. Gepraat wordt er altijd, ook in de oorlog.
Het verzet was een puur persoonlijke zaak, waarin mensen van verschillende godsdiensten en maatschappelijke functies zaten.

Meester Oldenbeuving, hoofd van de christelijke school op De Meele, speelde een sleutelrol in het verzet. Zo vertelde Grietje Kreule: "Ik heb nog met Ed van Thijn gespeeld." Die kwam bij hen thuis logeren, waarbij de kinderen geacht werden niet te weten dat het om een onderduikerskind ging. Ze was toen ongeveer 6 jaar oud en zei tegen haar moeder zoiets als: "Oh, maar ik weet wel wie dat is, want op school mag hij in de pauze met ons spelen." "Oh, die meester Oldenbeuving is soms toch ook zo roekeloos," hoorde ze haar moeder toen mompelen. Kort daarop kwamen er Duitse soldaten om een inkwartiering te regelen, die de kinderen ook het een en ander vroegen en daarbij Edje, omdat ze wel zagen dat het geen gewoon boerenkind uit de streek was, extra veel aandacht gaven. "Wat een aardige mensen waren dat," zei hij na afloop tegen haar moeder, maar die wist wel beter en nog dezelfde middag werd hij naar een vertrouwd adres gebracht. Gelukkig liep dit alles goed af.

De christelijke school op De Meele lag dicht bij de spoorlijn en regelmatig vlogen vliegtuigen laag over om treinen te beschieten. De eerste keer dachten de kinderen dat de wereld verging, maar later wenden ze eraan. Meester floot en dat betekende: snel allemaal op de grond gaan liggen. Eén keer was de schrik weer enorm, toen vlakbij een bom ontplofte. Er is weinig geraakt en vernield als je nagaat hoe vaak er beschietingen plaats vonden. Toen de bombardementen toenamen werd de school gesloten omdat het een te gevaarlijke plek werd en bleven de kinderen thuis.

Betrekkelijk in het begin van de oorlog kwam een verdwaalde bom in het Westerveen terecht en ontplofte vlak bij het huis van Egbert Steenbergen en Jansje Gerrits. De ruiten sprongen en Jansje kreeg daarbij een glassplinter in het oog, Dat oog moest ze later missen.

In de loop van de oorlog kwamen er steeds meer mensen die moesten onderduiken. Sommigen onttrokken zich aan de verplichting om in Duitsland te werk gesteld te worden, anderen omdat ze actief waren in het verzet. De Duitsers zochten actief naar die onderduikers om hen of naar Duitsland te sturen om te werken of om op te sluiten in een concentratiekamp. Wanneer er een onderduiker bij jou thuis gevonden werd, dan werd je zelf ook opgepakt. Het was dan ook beslist niet zonder gevaar om onderduikers te verbergen. Toch waren er mensen die dat risico durfden te lopen. Het waren niet alleen boeren die onderduikers hadden. Zo zijn er bij dierenarts Loman gedurende langere tijd meerdere onderduikers geweest. Ze waren zogenaamd assistent van de veearts. Wiep van Werven, zoon van de directeur van kinderwagenfabriek Van Werven en de Germaan fietsenfabriek, was een van hen. Ook Kees Huizinga uit Murmerwoude bij Dokkum verbleef lange tijd bij Loman onder de schuilnaam oom Piet.
Van Wiep van Werven is bekend dat hij ook deelnam aan het verzet, evenals Loman en zijn vrouw. Zij was vaak op pad als koerierster. Helaas is haar schuilnaam niet meer bekend.
De band tussen beide onderduikers en de familie Loman was zo goed dat ook na de oorlog nog contact werd onderhouden. Zo werd het echtpaar Loman na de oorlog uitgenodigd toen Wiep van Werven en Tine Buisman in Groningen trouwden. Het contact eindigde nadat Wiep van Werven door een ongeluk om het leven kwam.

Ook bij het huwelijk van Kees Huizinga werd de familie niet vergeten. Kees en zijn Tine gingen in Beverwijk wonen waar hij directeur van het postkantoor werd. De kinderen Loman hebben daar wel gelogeerd. Dit contact is altijd blijven bestaan.




Trouwfoto van Kees en Tine Huizinga

Toen de Duitsers weer eens op zoek waren naar onderduikers en ook bij Loman zochten, vonden ze niemand. Dat namen ze niet, want er moest toch iemand zijn. Ze bonden mevrouw Loman vast aan een boom voor het huis en dreigden: "Of je vertelt ons waar je die onderduikers hebt verstopt of anders steken we je huis in de fik, dan komen ze er vanzelf wel uit." Daarop antwoordde ze: "Je steekt het huis maar in de brand, als je eerst mijn kind er maar uit haalt." Ze nam daarmee een groot risico, maar gelukkig voegden de Duitsers de daad niet bij het woord.

Vanaf 1943 verscheen een ondergronds blaadje: LUCTOR ET EMERGO. Het werd uitgegeven met de bedoeling de mensen beter voor te lichten, aangezien de berichten in de Zwolse Courant "getint" werden weergegeven. Er waren plaatselijke uitgaven.
Op een eenvoudige schrijfmachine werd de tekst uitgetikt en daarna op een eveneens eenvoudige stencilmachine afgedrukt. Dat gebeurde op papier dat afkomstig was van de melkfabriek. In het begin besloeg de tekst niet meer dan één velletje. Het blaadje werd verspreid door koeriersters, die het in hun directoire verborgen. Zij brachten het onder andere naar Meppel, Ommen, Zwolle, Balkbrug en Dedemsvaart. Later werd het ook in Drenthe verspreid, waarbij het ook daar op enkele adressen werd vermenigvuldigd.



Op 31 augustus 1944 verscheen nummer drie van de tweede jaargang op oranje papier.
Op 4 september 1944 verscheen er een extra nummer met een "Byzondere boodschap tot het Nederlandsche volk". Die avond heeft Radio Oranje vanuit Londen een boodschap van koningin Wilhelmina laten horen. Daarin is meegedeeld dat Prins Bernhard is benoemd tot opperbevelhebber van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten (NBS, hierna ook BS, red.). Hiermee krijgen de ondergrondse strijdkrachten feitelijk een officiële erkenning.
Nadat Nieuwleusen op 13 april 1945 is bevrijd, kan men zonder angst voor oppakken vermelden wie er achter de krant zitten.
In het nummer van 25 april 1945 staat: Er wordt bericht over de voedseldroppingen in West Nederland, en "NIEUWLEUSEN: De jongens van de NBS zijn na de bevrijding van Nieuwleusen gedetacheerd naar de IJssellinie. Ze mochten daar op 14 april 1945 Wilsum binnentrekken als de eersten van de geallieerde strijdmacht. Ze worden in Wilsum gezien als de bevrijders van die plaats. Daarna trokken ze vóór de Canadezen uit Kampen binnen en kwamen daar als eersten die plaats binnen". "VLAGGEN IN. De Plaatselijke Commandant maakt bekend, dat het vlaggen met ingang van heden is geëindigd. De vlaggen moeten ingenomen worden en kunnen op 30 April 1945, verjaardag van H.K.H. Prinses Juliana, weer worden uitgehangen."
Op 5 mei 1945 komt nummer 28 uit in gedrukte vorm. De ondertitel is dan: Blad voor Overijssel en Drenthe. De administratie is gevestigd op Brederostraat 43 in Zwolle. Dat was het woonhuis van Frans van Westen, voor de oorlog en tot 1942 hoofd van de Koningin Emmaschool in Zwolle en daarna betrokken bij de Noordoostpolder.

Van belang voor nu is het ook te weten dat er in 1939 een grote mond en klauwzeer epidemie onder het melkvee uitbrak, waaraan veel koeien bezweken. In deze noodsituatie moesten de boeren zich in september 1939 laten registreren om bonnen voor veevoer te kunnen krijgen. Later werd men via deze weg verplicht melk te leveren, die zoals alles op de bon kwam.
Voor dit systeem was in elke gemeente een Bureauhouder aangesteld, die ressorteerde onder het Ministerie van Voedselvoorziening. In Zwolle zat de Provinciale Voedselcommissaris. In Nieuwleusen was Schiphorst bureauhouder, eerst met kantoor aan huis, later met kantoor aan de Ommerdijk (burg. Backxlaan) in de Molenbuurt.
Bij de meistaking in 1943 kwam ook een landelijke actie waarbij de boeren weigerden nog langer aan dit systeem mee te werken. Burgemeester Backx stond achter de boeren en weigerde de maatregelen uit te voeren.
Eens werd een dorsmachine in brand gestoken. De gedachte achter die daad was, dat men dan geen koren voor de bezetter kon dorsen. Maar daarmee werd ook de eigen bevolking getroffen.
Vanwege zijn weigering de verordeningen uit te voeren, werd burgemeester Backx door de Duitse autoriteiten ontslagen. Hij wist uit het gemeentearchief een dossier met bezwarende stukken tegen NSB’ers te lichten. Op 14 mei 1943 dook hij veiligheidshalve, samen met zijn vrouw, onder in Hemmen bij Arnhem, de gemeente waar hij voordien ambtenaar was geweest. Hij zou daar later als gevolg van oorlogshandelingen tijdens de Slag om Arnhem al zijn bezittingen verliezen, waaronder kostbare fotoalbums.
Wethouder W. Nijboer moest op 1 februari 1943 ontslag nemen op aandrang van de Duitse autoriteiten. Na de bevrijding, op 25 april 1945, hervatte hij zijn ambt. Vanaf 14 mei tot 22 september 1943 was wethouder H. Prins locoburgemeester. Hij maakte de bevrijding niet meer mee, want hij overleed op 12 maart 1945.
Per 13 oktober 1943 werd J.D. van Arkel benoemd tot burgemeester. Nieuwleusen had het geluk door de benoeming van Van Arkel niet iemand te krijgen die een actief onderdrukkingssysteem instelde maar die meer dom was dan echt slecht voor de bevolking. Op een dag kreeg hij toevalligerwijze post in handen, in een dienstenveloppe verstuurd, waarin tekst voor een blaadje van de ondergrondse zat die bestemd was voor meester Oldenbeuving, die toen al weg was naar Drenthe. Die post heeft hij teruggestuurd naar de anonieme afzender (die hij meteen herkende als het handschrift van Van Aarst, hoofd van de christelijke school te Ruitenveen, die beroepshalve over dienstenveloppen beschikte), met het verzoek dergelijke post in het vervolg niet meer in overheidsenveloppen te versturen. Post in enveloppen van een steenkoolhandel uit Den Haag bevatte blaadjes voor de ondergrondse. Dat wisten de mensen die met de post omgingen, maar ze bezorgden die gewoon, wetend bij wie ze verder terecht kwamen.

Veldwachter Holties met op zijn pet het wapen van de gemeente Nieuwleusen. De foto is waarschijnlijk van rond 1930.

Hermannus Holties was al vanaf 1920 gemeenteveldwachter in Nieuwleusen en woonde aan het Oosteinde 8. Hij was opgegroeid in de omgeving van Emmen, had zijn opleiding in Duitsland gehad en was Duitsgezind, maar geen voorstander van de ideeën van de bezetters. De publieke opinie was echter wel tegen hem en pesterijtjes, ook al waren ze niet persoonlijk bedoeld, raakten hem.
Op verschillende plaatsen in de gemeente stonden bordjes "Zum Bürgermeister" en op de gemeentegrens bij Avereest werd dat bordje wel eens de verkeerde kant opgezet en op een dag viel het in de sloot. Wel wetend wie dat gedaan had, hield Holties de volgende dag een man aan toen die met een vracht hooi over het Westeinde op huis aan reed. "Heb je daarvoor vergunning?" "Nee, dan ga je mooi op de bon, want jou vrouw heeft ... " Moest je voor hooivervoer dan vergunning hebben, vragen wij ons nu af of was het alleen terugpesten?

In de oorlog was alles wat de boeren aanging geregistreerd. Controleurs van de CCD (Crisis Controle Dienst) moesten dat doen; de hoeveelheid koeien, de melkproductie, de aardappelen, rogge, haver enz. die geoogst werd. Er waren regels hoeveel procent de boer zelf mocht houden en hoeveel verplicht en tegen vastgestelde prijzen verkocht moest worden aan de overheid.
Deze controleurs waren mensen uit het dorp, die door de oorlog geen ander werk meer konden vinden of geen klanten meer hadden voor het beroep dat ze uitoefenden. Ze gaven wel de goede raad vóór de registratie meer weg te zetten dan toegestaan was. "Meer is er niet afgekomen dan wij bij de controle zien", was hun houding. De van buiten het dorp aangestelde controleur was juist heel fel in het precies registreren van waar de overheid meende recht op te hebben. Boeren verkochten, net als iedereen die de kans kreeg, buiten die verplichting om, omdat de prijzen slecht waren en de nood hoog. Ook was er veel ruilhandel.

Terug naar veldwachter Holties: Er werd in de oorlog veel clandestien geslacht en als hij dacht dat een boer daar weer aan toe was, controleerde hij dat niet om ze aan te geven, maar liep tegen die tijd eens langs met een opmerking als: "De pot moet eens weer gevuld worden". Die boer wist dan dat hij voor Holties niet meer bang hoefde te zijn en ook wel wat hij bij hem binnen de deur moest zetten. Toen Holties 25 jaar veldwachter was, kwamen NSB-superieuren om dat met hem te vieren. Die wees hij de deur: "Als je daar voor komt, kun je wel weer gaan, dat vier ik met de mensen uit de gemeente", of woorden van die strekking, heeft hij gezegd.

In 1941 werden de persoonsbewijzen ingevoerd voor alle inwoners van 15 jaar en ouder. Op vertoon van dat bewijs kon je bonkaarten krijgen.


Voor- en achterkant van het in 1941 ingevoerde persoonsbewijs dat je verplicht was bij je te hebben.

Hoewel in Nieuwleusen geen Duitse militairen of ambtenaren aanwezig waren, kon de bezetter door die persoonsbewijzen toch wel bepalen wat ze van de mensen wilde en in 1943 moesten mannen ouder dan 16 jaar zich melden om te werken voor de overheid. Veel jonge mannen doken onder en de mannen van de Landwacht, Nederlanders in Duitse uniformen, hadden de taak hen op te sporen. Later werden ook de hoofden van scholen aan de tand gevoeld over de verblijfplaats van "zoekgeraakte" personen.
Zo trok meester Siefers altijd "het veld in" als er wat gebeurde of als er razzia's waren. Hij had dan niets gezien en kon ook niets vertellen.
Op een dag was hij bij de familie Van Berkum aan de Kringsloot, waar ze "in de geute" rond de tafel zaten, het oog op het Westeinde omdat de razzia's altijd vanuit Zwolle werden georganiseerd. Er waren verder nog een oom, een zoon en een neef aanwezig. Opeens gerammel aan de achterdeur en paniek. De zoon er toch maar naar toe. Bleken het Duitsers te zijn die uit de richting van Oudleusen waren gekomen en eieren wilden. Hij ging met ze mee naar het kippenhok en gaf alle eieren mee. Zo liep alles goed af.
Grietje Kreule vertelde hoe haar vader en moeder eens 's morgens op weg naar het weiland om de koeien te melken een groep Duitse soldaten tegenkwamen. Persoonsbewijzen werden gecontroleerd en ze mochten verder gaan. Met hen was het goed afgelopen, maar thuis sliepen de grootouders, de kinderen en de "gasten" nog en dit kon razzia betekenen. Wat te doen? Bij het weiland aangekomen ging haar moeder dwars door de weilanden en over de sloten naar huis om te waarschuwen en daarna weer dezelfde weg terug. Na het melken gingen ze samen weer de gewone weg naar huis. Er waren geen Duitsers meer te zien en thuis was niets gebeurd. Zo kon op de meest onverwachte momenten de schrik toeslaan.

Hendrik Jan Meijerink, die in mei 1943 vanwege de Arbeitseinsatz in zijn ouderlijk huis aan de Rollecate onderdook, vertelde dat hij 's morgens bij het leeggooien van de aslade regelmatig mensen van de Sicherheids Dienst vanuit kamp Erika bij Ommen langs het kanaal richting Friesland zag rijden om opgepakte onderduikers op te halen.
In juni 1944 werd het thuis te gevaarlijk en daarom vertrok hij naar een oom in Ankum. Daar liep hij de NSB-burgemeester van Dalfsen, op inspectie naar een goede plaats voor een lanceerinrichting voor de V2's, tegen het lijf. "’t Liekt me dat ze hier niet zo beschermd staot", zei hij heel gewiekst. "Nee, dat lijkt mij ook niet", was het antwoord. "Wist je wel wie je daar tegen kwam", werd hem naderhand gevraagd. "Nee, maar 't leken me wel belangrijke, dus gevaarlijke, mensen en zo heb ik het maar gedaan."
Ook kwam hij een keer een koerierster tegen die op weg was naar een huis in het Sterrebos aan de andere kant van de Vecht, waar burgemeester Winia van Alkmaar was ondergedoken en daar een illegale drukkerij voor de ondergrondse had. Ze vroeg of het veilig was in Dalfsen. Dat was afhankelijk van de situatie en of er Wehrmachtmensen op de brug stonden. Met adressen voor een veilige schuilplaats is ze verder gegaan.

Op 6 maart 1943 werden twee Engelse vliegeniers, sergeant Arthur Charles Loveland en sergeant Alfred David Leyshon, krijgsgevangen gemaakt. Ze maakten deel uit van de bemanning van een Halifax MK.II bommenwerper, die neerkwam bij de Leidijk-Dekkersweg. Daarbij kwamen drie bemanningsleden om het leven. Die werden in Rouveen begraven. (zie bijlage 1)

Vlak achter het oude jeugdgebouw aan de Dommelerdijk, bij de ingang van het Palthehos, was in de oorlog nog een vijver, wat meer een modderpoel was. Op een dag ontdekte de ondergrondse Duitse verkenners of spionnen. Bij de achtervolging vluchtte een van hen in die modderpoel en bleef daar lange tijd, door een rietstengel ademhalend. Later is hij toch gevonden. Ook is een Duitser eens gepakt die door het inslikken van een pil zelf een einde aan zijn leven maakte.
De verzetsgroep uit het Staatsbos kwam eens binnen bij een NSB-boer bij Brug 6 om een fiets op te eisen. Een van de zoons die juist de aslade in de handen had, raakte in paniek en smeet de nog hete inhoud richting verzetsgroep. Geschrokken werd er geschoten en daarbij werd de zoon zodanig geraakt dat hij overleed. De Duitsers kondigden op aanplakbiljetten represaillemaatregelen aan als de daders zich niet melden.
Toen op de Dommelerdijk eens een semimilitaire vrachtauto door een Amerikaans vliegtuig werd beschoten, kroop een van de twee inzittenden onder de auto en werd daardoor doodgeschoten.


De Dommelerdijk met het oude jeugdgebouw.

In de winter van 1944 is een boerderij aan het Lichtmiskanaal door mensen van het verzet in brand gestoken om de bewoners te straffen. Daar zijn voor de bevolking geen represaillemaatregelen uit voortgekomen. Wel is aan de gemeente de opdracht gegeven ƒ 40.000,= te betalen voor de bouw van een nieuwe boerderij. Dat geld is nooit betaald, maar de boerderij is wel weer opgebouwd. De verzekering betaalde na de oorlog als er bewijzen waren dat een brand gesticht was door een georganiseerde verzetsbeweging.

In mei 1943 kwamen 36 evacués uit de zogenaamde Schilderswijk in Den Haag per trein naar Nieuwleusen. De bezetter zorgde er voor dat de trein met deze evacués nog een keer stopte op het al midden jaren dertig gesloten station Dedemsvaart.
Langs de kust wilde de bezetter een bredere onbewoonde strook hebben en daarom werden daar huizen ontruimd. Het waren meest vrouwen met kinderen en oude mensen. De gemeente moest maar zien een onderkomen voor hen te vinden. Burgemeester Backx, die als pek en vuur met de notaris was, vond dat in het grote huis van de notaris ook wel mensen ondergebracht konden worden en was ongevoelig voor de mening van de notaris, dat hij ze dan zelf ook in huis kon nemen. De notaris wist met een wethouder te regelen dat er toch geen mensen in zijn huis kwamen "omdat hij dat voor zijn kantoor nodig had".
De evacués kregen geld van de gemeente, die dat weer declareerde bij het rijk. Evacués werkten ook wel en moesten dan hun inkomen opgeven bij de gemeente zodat dit op de uitkering kon worden ingehouden. Dit moest gecontroleerd worden, want dat gebeurde niet vanzelf.

Na de opmars van de geallieerden in Limburg kwamen daar vandaan ook evacués, die werden ondergebracht in school C in Den Hulst.
In de laatste oorlogswinter werden honderden kinderen uit de grote steden van het westen hier bij boeren ondergebracht. Bijna huis aan huis was wel een kind en soms twee, als er sprake was van een jonger broertje of zusje.
Na de oorlog zijn er contacten gebleven met evacués. Hoeveel is ons niet bekend, maar voor iedere eerste zondag van het nieuwe jaar ontving de familie L. Kok een brief van een evacuee. Toen die opeens een keer niet kwam was de moeder heel ontdaan en ongerust. Wat een verrassing toen die zondagmorgen de briefschrijfster zelf met haar kinderen op bezoek kwam! En zo is het gebleven. Nog ieder jaar komt ze de eerste zondag van het jaar op bezoek (1995).


Extra verklaringen Distributiekaarten
In 1939 werden de distributie-stamkaarten door de regering uitgereikt.

Al voor de oorlog verstrekte de regering een distributie-stamkaart aan de bevolking. Deze kaart zou voor het verkrijgen van bonkaarten gebruikt moeten worden. Zwangere vrouwen kregen op vertoon van een "Bewijs van voorrang" extra bonkaarten.
In 1943 brak ook een dysenterie-epidemie uit in Nieuwleusen. Binnen een uur was het eerste slachtoffer overleden. Op een dag waren er zes doden te betreuren. Bij de toegangswegen van het dorp werden borden geplaatst met de waarschuwing dat het ging om besmet gebied waar dysenterie heerste. Rond de bevrijding werd het dorp ook nog getroffen door een difterie-epidemie.

Ook in 1943 kwam er een door Duitse militairen bemande luchtwachtpost nabij de Ommerdijk. Pas toen kwamen er in het dorp vier Duitse militairen. Ze werden aan de overkant ingekwartierd in de huizen in de Molenbuurt. Vanuit deze post, een houten barak die streng werd bewaakt, werden de vluchten van de geallieerde luchteskaders doorgegeven. Deze post hebben de verzetsmensen uit het dorp nog willen bezetten, maar onder druk van anderen hebben ze hiervan afgezien. De motieven waren dat de represaillemaat-regelen andere leden van de plaatselijke bevolking zouden treffen en niet de verzetsmensen.
Vlak voor de bevrijding kwamen twee mannen van de verzetsgroep uit het Staatsbos, gekleed in Duits uniform, naar de burgemeesters-woning de auto van de brandweer vorderen.
Na de oorlog heeft burgemeester Backx een brief naar het Ministerie van Binnenlandse zaken gestuurd om geld te krijgen voor vervanging van de "gevorderde en kapotgeschoten brandweertrekker".

W. ten Kate uit Balkbrug vertelt in de Zwolse Courant van 10 april 1985 hoe hij op 7 april 1945, nadat drie Canadese tanks vanuit Dedemsvaart richting Balkbrug waren gepasseerd, voor de Canadezen naar Dedemsvaart moest. Op de terugweg, toen hij van de Zuidwoldigerstraat bij de Langewijk aankwam, reed daar juist een tank langs waarop onder andere de NSB-burgemeester Van Arkel van Nieuwleusen en de boerenleider uit Balkbrug zaten, die gevangen genomen waren.
Toen 9 april 1945 het gerucht ging dat de Canadezen al in Balkbrug waren en verder trokken richting Den Hulst en De Meele waren er mensen die uit nieuwsgierigheid hen tegemoet gingen. Zo ontstond er een samenscholing bij de boerderij van de familie Visscher op De Meele, ongeveer 100 meter ten westen van de Jagtlusterallee. Dit groepje werd door de inmiddels in hun gevechtswagens gearriveerde Canadezen voor Duitsers aangezien en het vuur werd op hen geopend. Luuks Kok werd door de fiets geschoten die hij aan de kant had gesmeten toen hij zelf in de sloot was gesprongen. Men kon het later bij thuiskomst nog goed zien. Hij zat helemaal onder het kroos. Een kogel had de velg van de fiets doorboord en de band was lek.
Berta Hoogezand is daarbij gewond geraakt en naar het ziekenhuis in Coevorden gebracht. Ze heeft het goed overleefd.
De kogels vlogen ook dwars door het dak van de boerderij van Visscher en daarbij raakte op de deel een hoopje stro in brand. De oude mevrouw Petter, die daar ook in huis was, had gelukkig de tegenwoordigheid van geest om dat meteen te blussen. Op de boerderij werd gauw een witte vlag geplaatst.

Hoewel de Canadezen langs de Dedemsvaart al tot de Rollecatebrug waren gekomen, trokken ze zich 's avonds weer terug omdat de Duitsers De Lichtmis en de spoorlijn met tankgeschut bezet hielden. Voor ze verder trokken moesten ze eerst weten hoe groot de sterkte van de Duitse groepen daar was. Via radiocontact met Balkbrug, waar zich een grotere eenheid ophield, werd vliegbasis Volkel ingeschakeld om ter plaatse verkenning te doen. Het bleek toen dat er zich aan De Lichtmis nog ongeveer 80 Duitse soldaten bevonden, die in bezit waren van antitankwapens.

De Canadezen schoten een keer richting De Meele toen ze daar vijandelijke beweging meenden waar te nemen. De granaten, die je langs hoorde vliegen, kwamen bij de twee boerderijen van Koop en Luuks Timmerman, aan de zandkant van de Dedemsvaart tussen de Rollecatebrug en het staatsspoor terecht.
De Rollecate was nadat de Canadezen zich op Balkbrug teruggetrokken hadden weer een tijdje niemandsland. De Duitsers onderzochten dan 's avonds de zandsporen en vroegen waar de "Tommies" waren gebleven.
Het laten springen van het viaduct aan De Lichtmis door de Duitsers was tot in de wijde omtrek te horen. De explosie verrichtte slechts enkele gaten in het viaduct waardoor de geallieerden er binnen de kortste keren over konden.
Aan het Westeinde, tegenover waar vroeger bakker Dunnink woonde, stonden in een bosje (dat er toen nog was) twee Duitse tanks verdekt opgesteld. Toen ze vluchtten voor de geallieerden hebben de Duitsers een tank meegenomen en de andere in brand gestoken. Daar vlakbij, iets verder het veld in, is ook een vliegtuig neergekomen dat niet ontploft is, maar zich helemaal in de grond heeft geboord. Hoe dat ontmanteld is weten we niet, maar veel mensen hadden nadien een stuk rubber als buitenmat voor de deur liggen.

Het opgeblazen viaduct aan De Lichtmis.

Gevechtscommando's die op 10 april via Oosteinde en Westeinde in westelijke richting trokken, stootten in de nabijheid van de Hoevenbrug op een groep bezetters. Geen nood, de commando's schoten vanuit hun gevechtswagen met lichte granaten dwars door de boerderijen heen. De bewoners moesten maken dat ze wegkwamen. Men weet zich te herinneren dat ze door een sloot kropen. Anderen weten nog dat ze een nacht ergens anders hebben geslapen en dat de dag daarop alles weer rustig was. Eén bewoner, Hendrik Schoemaker, kwam in zijn in brand geschoten boerderij om het leven.
Grietje Kreule herinnert zich dat haar moeder 's avonds, toen ze hoorde dat er aan het Westeinde boerderijen in brand geschoten waren, geen rust meer had en er op de fiets naar toe ging omdat haar broer met zijn familie daar woonde. Bij de Koedijk kwam ze hen tegen, op weg naar de familie Van Leusen voor onderdak, omdat de boerderij inderdaad was afgebrand. Gerustgesteld dat het met de mensen goed was afgelopen ging ze weer naar huis.

* * *


JEUGDHERINNERING UIT DE OORLOGSJAREN
_____

Arend Kreule

In de bezettingsjaren waren er in Nieuwleusen kinderen uit het westen van het land die hier logeerden omdat daar niet genoeg te eten was voor iedereen. In 1943, toen ik 14 jaar was, hadden we met een tiental jongens, onder wie ook westerlingen, een luchtvaartclub opgericht met als doel modelzweefvliegtuigen bouwen en er mee te vliegen. De modellen hadden een lengte van ca. 75 cm. en een vleugelbreedte tussen 100 en 150 cm. Het vliegen hield in, het toestel met een touw, waaraan een ring bevestigd was, tegen de wind in omhoog te trekken. De ring zat achter een haak onder aan het vliegtuigje en wanneer dit ongeveer recht boven je was, gleed de ring vanzelf van de haak en vervolgde het vliegtuig met de wind mee zelf zijn weg.


Jongens van de luchtvaartclub omstreeks 1943 met hun zelfgebouwde zweefvliegtuigen op de hei in de boswachterij Staphorst.

31 Op ongeveer 200 tot 300 meter westelijk van de plek waar zich nu de tennisbanen van Nieuwleusen bevinden, hadden de Duitsers een zgn. luchtwachtpost gebouwd. Dit was een houten gebouw waar grote kijkers en andere apparatuur waren opgesteld om het luchtruim af te zoeken op vliegtuigen. Als er vijandelijke bommenwerpers vanuit Engeland richting Duitsland koersten, werden allerlei gegevens zo snel mogelijk doorgegeven aan het overal opgestelde afweergeschut, zodat die paraat waren om de vliegtuigen neer te schieten.
Op een mooie zomeravond in juli 1943 hadden we weer gevlogen op een stuk schoon hooiland ongeveer 1 kilometer ten westen van de luchtwachtpost. Het lukte vrij aardig, maar de balans liet wat te wensen over omdat de neus te licht was, zodat het toestelletje een wat golvende vlucht maakte.
's Avonds gingen we op tijd naar bed. In de zomertijd was er genoeg te doen op de boerderij en zoals mijn vader altijd zei: "Het is morgen weer vroeg dag". Omstreeks een uur of elf hoorde ik gerammel aan de buitendeur en een mannenstem die in het Duits vroeg de deur open te maken. Mijn vader kwam op het geluid af en opende de deur voor een drietal Duitsers.

Arend Kreule met zijn zelfgebouwde vliegtuig.

Ik sliep in een bedstee voor op de deel en hield de deurtjes op een kier zodat ze mij niet konden zien, maar ik wel kon volgen wat er gebeurde. Het kwam er op neer dat ze het zweefvliegtuig wilden zien dat in de afgelopen avond op de achterliggende landerijen was geland. Mijn vader begreep het eerst niet goed maar Roelof Hoogenkamp, die toen bij ons werkte, kwam er bij en vertelde dat het om mijn zweefvliegtuigje ging. Mijn vader vond toen dat ik er ook maar bij moest komen. Ik ging het gezelschap voor naar de stal waar het toestel lag. Ze namen het in de hand en barstten toen in lachen uit!
Wat was er gebeurd? De persoon die 's avonds dienst had op de luchtwachtpost had het zweefvliegtuigje in de kijker gekregen en gedacht dat het een Engels vliegtuig was, dat door zijn golvende vlucht door een onervaren piloot bestuurd werd en dat het in de buurt geland was. Hij heeft toen onmiddellijk naar Zwolle gebeld om versterking. Er kwam een motor met zijspan, waarna ze op de landerijen aan het zoeken zijn gegaan. Vanzelfsprekend vonden ze niets, maar ten slotte stootten ze wel op Roelof, die naar zijn ouders was geweest die ongeveer een kilometer achter ons woonden. Ze vroegen hem of hij een vliegtuig had zien landen. Nee, dat had hij niet, maar toen ze er nog wat over door praatten, vertelde hij de Duitsers dat de jongens wel met zo'n klein vliegtuigje bezig waren geweest. Nu, dit wilden ze dan wel eens zien en Roelof moest hen de weg wijzen. Toen ze het modelzweefvliegtuigje zagen hadden ze in de gaten dat dit het bewuste vliegtuig moest zijn. Het gevolg was wel dat ik niet weer mocht vliegen en dat het voor mijn vader nog een hele toer was om de Duitsers zonder een al te groot stuk spek de deur weer uit te krijgen!

* * *


KINDEREN KENNEN GEEN GEVAAR?
_____

Gé Brouwer-Slager werd in maart 1935 geboren in Rouveen. Kort na haar geboorte overleed haar moeder en werd ze opgenomen in het gezin van haar oom en tante Mijnheer-Slager. Die hadden een boerderij in de Vinkenbuurt aan wat nu de Koloniedijk heet, recht tegenover de Derde Schansweg. Ze ging in Balkbrug naar school.
Van de oorlog herinnert ze zich de dingen zoals je die als kind van een jaar of acht – negen oppikt en de spanning zoals ze die beleefde rond zaken die ze niet altijd helemaal begreep. De boerderij lag tussen twee bedrijven waar de bezetter actief was. Er liep een kabel van de ene boerderij naar de andere om met elkaar te kunnen communiceren. Die kabel werd wel eens doorgeknipt en dan hing er een tijdlang een spannende sfeer over de gevolgen.
Ook hoorden ze 's nachts dat er vrachtwagens langs reden. Als die vast kwamen te zitten, werd er op de ramen gebonkt en geschreeuwd dat er paarden nodig waren om ze los te trekken. Maar dan sliep iedereen zo diep, dat ze echt niets hoorden.

Antiradarsneeuw*
* Antiradarsneeuw is een antiradartechniek waarbij door militaire vliegtuigen grote hoeveelheden zilverachtige foliereepjes uitgeworpen werden. De reepjes folie weerkaatsen een deel van de radarbundel, waardoor het radarsysteem werd ontregeld. Doordat de wolk foliereepjes vrij groot kon zijn en de reepjes dicht op elkaar dwarrelden, ontstond er een compleet "gordijn" waarachter vliegtuigen zich konden verschuilen of uit de voeten maken.

In de laatste oorlogsjaren vlogen er soms vliegtuigen over die reepjes zilverpapier uitstrooiden. Dat was een mooi gezicht als de zon scheen, want dan glinsterde dat in het zonlicht. De bedoeling was om de radar van Duitse stellingen te verblinden en daardoor te ontregelen en het radioverkeer van de vliegtuigen te storen. De kinderen probeerden die stroken te verzamelen, want het was mooi speelgoed.
Dan was er de angst voor bommen en daarbij fosforbommen. Hoe dat zat, wist Gé niet goed, maar nu weten we dat witte fosfor zelfontbrandend is en de inhoud van zo'n bom door een kleine explosie kan worden verspreid. Er kwam er eens een neer op het rieten dak van de bakkerij aan de Koloniedijk. Het pand brandde gedeeltelijk af maar kon weer worden hersteld.
Dat niet alle neergekomen bommen ontploften, bleek jaren later nog maar eens. Omdat de boerderij door de nieuwe eigenaar nogal werd uitgebreid, waarschuwde Gé ervoor de omgeving te laten onderzoeken om te voorkomen dat een landbouwwerktuig op een onontplofte bom zou stuiten, met alle gevolgen van dien. Inderdaad heeft de Explosieven Opruimingsdienst toen nog een 500 ponder bom gevonden en onschadelijk gemaakt.

Grünen*
* Door het dragen van groene uniformen stond de Ordnungspolizei van nazi-Duitsland ook bekend als Grüne Polizei, kortweg Grünen genoemd.

Men waarschuwde elkaar wanneer er Grünen op pad waren, bijvoorbeeld om fietsen of paarden te vorderen. De fietsen werden dan snel via een ladder op de hilde achter het stro verstopt.
Op een keer toen haar (pleeg)vader aan het melken was, kwam er een Grüne en die zag dat er verse paardenmest in de stal lag; het bewijs dat er een paard was! "Ja, inderdaad," zei vader heel koelbloedig, "maar dat is net weggehaald."
Daar kwam hij mee weg, terwijl zijn zoon met de paarden in "de woeste" afwachtte tot de kust weer veilig was.
De Grünen kwamen ook een keer op bezoek toen vader naar de markt in Ommen was. Bij thuiskomst vertelde moeder dat ze van alles hadden meegenomen, ook zijn koperen tabaksdoos. Boos beweerde hij toen dat dit zeker niet was gebeurd als hij thuis was geweest. "Nou," zei moeder daarop, "daorum ben ik maar wat bliede da'j niet thuus waren."
Omdat er een Duitser binnen was, verstopte Gé zich eens achter de "stromiete" en ze durfde pas naar binnen toen hij weer was vertrokken. "Nou," zei moeder, "ie hebt mooi pech, want de mof hef oe de soep opèten."

Hol
Achter de boerderij werden de weilanden afgesloten door een "wiekswal", een verhoogde boswal met struiken en bomen. Op een dag ging ze daar met een vriendinnetje lelietjes van dalen plukken. Thuis gekomen vertelde ze triomfantelijk dat ze daar een groot hol hadden gevonden, gemaakt van takkenbossen en dat er een laken en deken in lagen. Er werd haar op het hart gedrukt hier met niemand over te praten. De volgende dag was hun onderduiker vertrokken.
Die onderduiker was een broer van Alie Jans-Hoes, die dat hol, samen met nog een andere onderduiker, gebruikte als er gevaar dreigde. Alie vertelt daarover: Mijn broer, Berend Jan Hoes, had de leeftijd waarop hij tewerkgesteld kon worden in Duitsland. In die tijd ging ik nog niet naar school. Ik wist wel dat mijn broer soms ook wel thuis was ondergedoken. Moeder zette dan eten in het achterhuis "voor de katten". Als de andere kinderen naar school waren, kwam hij ook wel naar beneden. Alie heeft daar niets van tegen de andere kinderen gezegd en daar is haar broer haar altijd dankbaar voor gebleven.
Als Berend Jan thuis was geweest fietste een andere broer, in vrouwenkleren, met hem mee naar het onderduikadres. Dat kon niet meer toen "een verkeerde" hen eens samen zag fietsen en die broer, verkleed en wel, toch herkende.


Dit plakkaat was een middel om de Duitsers af te schrikken.

* * *


OORLOGSJAREN DICHT BIJ HET SPOOR
_____

Hennie Bloemhof was zeven jaar oud toen de oorlog uitbrak. Ze groeide op, twaalf jaar jonger dan de jongste zus, in een gezin met twee broers en twee zusters, op de boerderij aan de zuidkant van de Dedemsvaart, tegenover "het rooie dorp". Na de oorlog, toen de jongste broer de boerderij overnam, hebben haar ouders ernaast een huis gebouwd, waar ze met Hennie zijn gaan wonen. Nu is daar een fietsbrug over het kanaal en het fietspad loopt langs de boerderij, maar toen woonden ze nogal afgelegen van de bewoonde wereld. Er was een sintelpaadje door het weiland naar de Midden-Meeleweg (Van Marleweg) en er liep een zandweg om hun land heen naar die weg. Met een bootje onderhielden ze het contact met de overkant van het kanaal en dagelijks werden de melkbussen naar de overkant gebracht, vanwaar ze door de melkrijders naar de melkfabriek werden gebracht. Lopen of fietsen deden ze ook wel langs het tramspoor dat tussen hun boerderij en het kanaal liep. Met paard en wagen moesten ze rond rijden, via de Midden-Meeleweg naar de brug bij de Lichtmis, over de zandweg vol gaten en wagensporen. 's Winters stonden vaak grote delen van de omgeving onder water. Zo gebeurde het een keer dat toen vader Bloemhof een gevorderd paard bij de Lichtmis moest afleveren, hij bij een grote waterplas kwam, het paard om de hals pakte en dacht: "Zo houd ik wel droge voeten". Maar halverwege de plas ging het paardenhoofd naar het water en … ja ... toen gleed hij naar beneden, stond midden in de waterplas en kreeg toch nog natte voeten.
In de oorlog reed de tram weer langs de Dedemsvaart. Die is halverwege hun huis en de Lichtmis twee keer ontspoord en in de naastgelegen sloot terecht gekomen.


De nabijgelegen spoorlijn met op de achtergrond in het midden station Dedemsvaart Spoor en rechts daarnaast het tramstation.

Doordat ze zo afgelegen woonden, was het er in de oorlog betrekkelijk veilig, met weinig huiszoekingen en controles, maar het was ook een gevaarlijke plek, omdat het in de omgeving van het spoor was. In de loop van de oorlog werd het spoor regelmatig beschoten door "jagertjes", vliegtuigen die de bijnaam "Vrolijke Frans" kregen. Die vond Hennie helemaal niet vrolijk maar juist angstaanjagend. 's Nachts zagen ze vanuit hun huis tijdens beschietingen van het spoor en het station vlammen en vuur. In het laatste oorlogsjaar zijn er in het weiland rond de boerderij drie grote bommen terecht gekomen. Die lieten grote kraters achter, groter en dieper dan een ruime huiskamer.
Wanneer men wist dat er vliegtuigen in aantocht waren, werd er bij het seinhuis aan het spoor een vlag gehesen, zodat men een veilig heenkomen kon zoeken.
Op een dag waren Hennie, haar moeder en zus alleen thuis. Toen ze allemaal zwarte stipjes in de lucht zagen, renden ze naar de "stromiete" achter op het erf om te schuilen. In de stroberg was een grote ruimte gemaakt. Daar was je veilig voor bomscherven, omdat die door het stro werden opgevangen. Hennie was er bijna toen de bom ontplofte. Ze zat onder het zand en modder toen ze de berg invloog en in veiligheid was. "Je moest toen zo verschrikkelijk huilen", vertelde haar zus later.
Een andere keer zaten ze net aan tafel om te gaan eten. Moeder had het vlees al over de borden verdeeld toen er vliegtuigen in aantocht waren. Meteen renden ze het huis uit, naar het huisje achter in het land, waar een broer woonde. Toen ze terugkeerden zagen ze dat alle ramen eruit waren en dat door de hele kamer glasscherven lagen, ook op de tafel en in de borden. De boerderij zelf is nooit geraakt, maar toen Hennie een keer niet snel genoeg weg kon komen en plat op de grond tegen het huis aan was gaan liggen, zag ze de muren zo erg heen en weer bewegen dat ze het een wonder vond dat het huis overeind bleef staan. Er zaten nadien wel barsten in de muren. Ook herinnert ze zich nog goed het angstaanjagend, lang achter elkaar knallen van kettingbommen.
Na een beschieting, waardoor de trein niet verder kon rijden, werden er enkele dagen veertig Duitse jonge soldaten bij hen ondergebracht. Veel van de jongens huilden omdat ze de oorlog verschrikkelijk vonden en graag naar huis wilden. Hennie's moeder wilde wel aardappelen voor hen koken, maar die moesten ze dan wel zelf schillen. En ze kookte tarwepap voor ze.

Haar ouders hadden ook land vlakbij het spoor aan de overkant van het kanaal. Twee keer beleefde haar broer op weg naar huis, na het werk op hun land, een spannende rit met paard en wagen. Een keer kwamen er vliegtuigen over en omdat hij nergens kon schuilen, ging hij plat op de dissel van de wagen liggen. Toen schrok het paard van het lawaai van de vliegtuigen en sloeg op hol; tot aan de Meeleweg. Een andere keer was hij juist het kanaal rond, toen er een brandend vliegtuig naar beneden kwam. Dat was het vliegtuig dat bij de Leidijk/Dekkersweg neerkwam. Hij is er met een zus op de fiets naartoe gegaan. Ze zagen een van de overleden bemanningsleden in een sloot liggen.
Hennie vraagt zich nu nog steeds af of er niet ergens nog onontplofte bommen in de grond in of rond de spoorsloot liggen. Op een zonnige dag na de oorlog, stond haar vader een praatje te maken met Deusien, die de bermen langs de tramweg maaide. Opeens vloog zijn kiel in brand. Bleek dat Deusien fosforbommetjes had opgepakt en die ontbrandden toen alsnog door de warmte van de zon. Hennie zag, ook na de oorlog, samen met de kinderen waarmee ze speelde, soms ergens nog niet ontplofte munitie liggen en daar zaten ze dan ook wel met de handen aan. Gelukkig zijn daar geen ongelukken van gekomen.

De oudste broer was al in militaire dienst geweest en moest tijdens de mobilisatie weer opkomen in de buurt van de Grebbelinie. Toen hij wacht liep, kwam er een officier controleren en hij zag dat de man tranen in zijn ogen had. Kort daarop moesten ze uitrukken, maar ze hoefden niet te vechten want halverwege kwamen hen militairen tegemoet die zeiden dat de oorlog was afgelopen en dat het leger zich had overgegeven. Die officier wist dat waarschijnlijk al.
Ondertussen waren ze thuis heel ongerust, want er was geen communicatie en ze wisten niet of hij nog leefde. Omdat hij was ingekwartierd om paarden te verzorgen, mocht hij pas later terug naar huis. Kort daarna moest hij nog even in dienst, maar mocht al snel naar huis omdat hij nodig was op de boerderij.

Toen de oorlog begon staken Duitsers op paarden de spoorlijn over, stopten aan de andere kant van het kanaal bij het rooie dorp en vroegen om drinken bij Veldman. Die woonde in het hoekhuis van de rij huizen. Toen vrouw Veldman hun wat te drinken aanbood, moest ze daar zelf eerst van nemen.


Naoorlogse foto van de boerderij waar het gezin Bloemhof woonde.

De spoorlui die in het rooie dorp woonden zijn gaan onderduiken. Zij werden vervangen door twee Duitsers, Bruno en Walter, en twee Oostenrijkers, Franz en Jozef. De Duitsers haalden 's avonds vaak melk op de naastgelegen boerderij van de oom van Hennie en de Oostenrijkers kwamen met een bootje over het kanaal om bij haar ouders melk te halen. Die twee moesten niks van de oorlog hebben, maar konden alleen maar hopen dat ze er zonder al te veel ellende van af kwamen. Franz was getrouwd en kon heel mooi zingen. Hij vroeg Hennie vaak om op het orgel te spelen. Hij zong dan Sah een Knab ein Röslein stehn, of Stille Nacht, … en dergelijke geliefde liedjes. Hennie kon, zo jong als ze was, al orgel spelen. Haar moeder zong ook graag en vaak en haar broers speelden mondharmonica. Hennie's talent was ontdekt bij haar twee jaar oudere vriendinnetje Marietje Dijkstra, die in het rooie dorp woonde. Bij Marietje hadden ze een huisorgel en toen bleek dat Hennie daar zo graag en goed op speelde, kochten haar ouders voor haar ook een huisorgel. Ze speelde uit het hoofd. Na de oorlog is ze muziekles gaan nemen om ook het notenschrift te kunnen lezen. Ze is jarenlang organist geweest in de Rehobothkerk en bij de vrouwenvereniging en speelt nog steeds met veel genoegen.
Van de twee Duitsers was Walter een "echte Duitser" en die ging veel om met Rovers, die ook in de huizenrij woonde. Toen de oorlog tegen het eind liep was hij kennelijk begonnen met opruimen, want er was het een en ander uit het raam gegooid. Zijn drie dochters waren toen al groot en Hennie en twee vriendinnetjes zagen mooie poppetjes in de tuin liggen. Die hebben ze verrast opgepakt en meegenomen, maar al snel realiseerden ze zich: "Dit zijn NSB-poppetjes en die willen we toch niet hebben" en op de Dedemsvaartweg hebben ze de poppetjes helemaal kapot getrapt.
Toen de Canadezen in aantocht waren vroegen de vier spoorlui Hennie's vader of hij dacht dat ze zich veilig konden overgeven. Die heeft toen eerst meester Oldenbeuving gevraagd hoe ze het beste konden handelen. Omdat ze niets anders hadden gedaan dan het uitvoeren van de hun opgedragen taken, adviseerde die: Laat ze zich, zonder wapens, verstoppen in het hol van de hooiberg. Vlak daarop kwamen er Duitsers op het erf om te vragen of ze wisten waar de Duitsers van het spoor waren gebleven. "Ja", zei Hennie's vader, "die heb ik die kant op zien lopen, richting Zwolle". Zonder verder de boerderij te doorzoeken, zijn de Duitsers toen ook die kant opgelopen en zo ontsnapte het gezin weer door het oog van de naald. De vier hebben zich na de komst van de Canadezen overgegeven. Jaren later zijn twee van hen nog een keer teruggekomen om te kijken hoe het hen over en weer was vergaan.
Nog even over de familie Dijkstra: Marietje had twee broers. Die zijn in de oorlog opgepakt omdat ze een radio hadden en naar Duitsland zijn getransporteerd. Gooitsen mocht weer naar huis, maar was toen ziek en is later overleden. Cor is in Duitsland verongelukt met een boot.
Bart Huisman en zijn ongetrouwde broer Willem, beiden van café Huisman, woonden in een huisje verderop richting Den Hulst, omdat het in het café te gevaarlijk werd; vanwege de bommen of omdat ze in het verzet zaten? In ieder geval kwamen ze 's nachts vaak naar de boerderij om in het hol in de hooiberg te slapen. Het was vaak pikkedonker als ze naar de boerderij kwamen. Een keer is Bart met de fiets in het kanaal beland. Gelukkig kon hij er zelf weer uit komen.

Er was geen honger omdat het gemengde bedrijf voldoende opbracht. Dat er aan de bezetter geleverd moest worden herinnert Hennie zich niet, maar wel dat er clandestien werd geslacht, maar of dat ook bij hen thuis gebeurde? Een keer ging het een beetje mis. De koffie, die haar moeder in een melkbus had verstopt, werd ontdekt en meegenomen. Wat was ze daar boos over!


Dankzij het eigen bedrijf kon men hier zorgen voor de eigen voedselvoorziening.

Er kwamen een enkele keer wel etenhalers, maar die trokken veel meer langs de straat aan de overkant van het kanaal. Op een keer kwam er een echtpaar met een klein jongetje. Hennie's ouders boden aan dat het jongetje bij hen kon blijven totdat ze hem op de terugweg weer zouden ophalen. Zo gebeurde. Hennie vond het prachtig, want ze had nooit een jonger broertje of zusje gehad. Maar de ouders kwamen hun kind al snel weer ophalen omdat het verder gaan zonder hem toch niet goed voelde.
Een ongeveer vijftienjarige jongen, zonder ouders uit het westen gekomen, heeft wel langere tijd bij hen gewoond.
Er waren regelmatig onderduikers, meestal maar voor een of twee nachten en vaak jongens uit de buurt. Hennie wist wel dat meester Oldenbeuving in het verzet zat. Toen haar vader hem daar een keer ongerust over vroeg, zei hij: "Maak je maar niet ongerust. Hennie, die zegt niks." Na de oorlog heeft ze het er wel over gehad met een nichtje en die wist echt van niets. Hennie ging naar de christelijke lagere school op de Meele. Ze zat bij Freek Kok in de klas. En terwijl Grietje Kreule-Kok, zijn iets jongere zus, nog precies kan vertellen hoe Ed van Tijn in de buurt en bij hen was ondergedoken, heeft Hennie daar weer helemaal niets van opgepikt.

Hennie was twaalf jaar oud toen de oorlog was afgelopen. Haar ouders kregen het advies haar naar de ULO school te laten gaan. Maar ze wilde of durfde niet alleen naar een school in Zwolle en ging naar de huishoudschool. Daar verveelde ze zich, ook al omdat ze, nog op de lagere school, op dinsdagmiddagen al naailessen had gevolgd. Haar twee jaar oudere nichtje ging daar naartoe en Hennie wilde dat ook graag. Meester vond dat wel nuttig voor meisjes en daarom kreeg ze die middagen vrij om de naailessen te volgen.

Toen ze veertien jaar oud was kreeg ze verkering met de negentienjarige Klaas Kuiper van de Schapendijk. Hij was de tweelingbroer van Hendrik. Een van de twee moest in dienst. Hun vader vond dat ze samen maar moesten uitmaken wie van hen tweeën dat zou doen. Omdat Klaas al een vriendin had bood Hendrik zich aan. Hij moest naar Nederlands Indië en is daar zonder ongelukken van teruggekeerd. Later moest Klaas alsnog zijn dienstplicht vervullen.
Maar al met al is de familie van beide kanten de oorlog goed doorgekomen; Klaas omdat hij nog net te jong was om opgeroepen te worden en Hennie omdat zij en haar familie veel geluk hebben gehad.

* * *


TE WERK GESTELD IN DUITSLAND
_____

Voor de oorlog, toen in ons land nog de economische crisis heerste maar men in Duitsland veel arbeidskrachten nodig had om het land in ijltempo op te bouwen, werkten daar al, vrijwillig, Nederlanders. In het najaar van 1940 begon de bezetter actief met het werven van meer Nederlandse arbeidskrachten. Vervolgens werd in januari 1942 de Arbeidsdienst ingesteld, die jongemannen verplichtte om in Duitsland te gaan werken, veelal in de oorlogsindustrie. Harm Veerman woonde aan het Zandspeur in Den Hulst. Hij was een van de jongemannen die in 1942 werden verplicht om in Duitsland te werken.

Harm Veerman, geboren in 1920, werkte bij de Union rijwielfabriek. Na de oorlog keerde hij er terug. Op zaterdag onderhield hij de tuin bij dierenarts Loman aan de Ommerdijk (burg. Backxlaan). Hij bouwde een goede band op met het gezin. Die band blijkt ook uit de brieven die Harm hen vanuit Duitsland stuurde.

De brieven die bewaard zijn, worden hier weergegeven. De eerste brief is geschreven op 4 juli 1942, de laatste op 14 maart 1943.




Wervingsposter om als vrijwilliger in Duitsland te gaan werken.



Harm Veerman moest in Düsseldorf aan het werk. Het is niet precies bekend bij welk bedrijf hij terecht kwam, maar waarschijnlijk was het een bedrijf in de metaalsector dat voor de oorlogsindustrie produceerde. Harm woonde met vijf metgezellen op een kamer in een huis aan de Howeweg 10. Hij noemt daarvan Knoppert en Westerhof, alsof die ook uit deze omgeving kwamen. In de fabriek werd in ploegendienst gewerkt, ook 's nachts.
Er vonden met grote regelmaat luchtaanvallen plaats. In Düsseldorf kwamen daarbij gedurende de hele oorlog ongeveer 5000 burgers om het leven. De helft van de gebouwen werd vernietigd en van de andere waren er vele beschadigd. Harm schrijft maar in een brief over een bombardement. Ook vertelt hij niets over de omstandigheden waaronder hij moet werken. Het zal niet gemogen hebben er openlijk over te schrijven; de brieven werden door de Wehrmacht geopend en gecensureerd. Uit de brieven blijkt een sterk verlangen om weer thuis te zijn en dat verlangen wordt alleen maar sterker naarmate hij langer in Duitsland verblijft.

Düsseldorf, 4-7-1942
Mijnheer en Mevrouw en Hendrik (de in 1937 geboren zoon),
Ik wil maar eens even laten horen hoe het hier is. Het is hier heel goed en het werk dat wij moeten doen dat leert al. Het is niet in de tuin zoals bij u, maar dat doet er ook niet toe. Het staat mij goed aan. Mijnheer ik heb al wat brieven weggestuurd maar ik heb er nog maar twee ontvangen uit Holland. Dat is nog niet veel. Ik heb er een van mijn vader en van mijn meisje gekregen. Ik hoop dat u ook eens schrijft, dan krijg ik tenminste nog eens wat te zien en horen hoe het daar is. Ik heb nu ook weer een brief voor mijn vader klaar en heb hem al gevraagd of hij mij niet een roggebrood kan sturen. Dat zal wel niet zo hard meevallen, maar ja als het niet kan dan is het ook niet zo erg hoor. Ik kan er wel om maar het is zo mooi erbij voordat je 's avonds naar bed gaat, daar wordt je nog eens weer wat anders van. Wij krijgen hier ook 2000 gram in de week en een rantsoen middageten. Over het eten wil ik maar niet meer schrijven, alleen dat wij morgen nieuwe aardappels krijgen en met een stukje spek erbij. Dat is anders dan bij ons thuis. Maar overal is verschil in en zo is het hier ook. Wij kunnen hier ons rantsoen ook wel op en zij geven ons ook wel zoveel als ze kunnen. Daar ben ik niet bang voor en met het werk ook. De bazen die wij hebben zijn ook heel goed. Altijd als wij wat hebben staan ze klaar en dat is wel wat waard.
Ik kon er eerst niet best over toen ik hier was, de tranen zijn mij wel over de wangen gelopen. Maar nu ik eens een brief heb gehad gaat het best hoor. Nu weet ik tenminste hoe het daar is en dat ze allen goed gezond zijn, dat is heel wat waard want ik maak het zelf ook best. Hoe is het met Hendrik? Ik zie hem hier zo wel eens lopen maar ja dan droom ik hoor. Verder weet ik niet meer en het is ook al tien uur geweest. Dan gaan wij naar bed. Wij zitten hier in mooie nieuwe huizen, dat is wel voor elkaar hoor. Nu allen gegroet van Harm en tot ziens.

19 juli 1942 schrijft Harm:
Ik heb uw brief ontvangen. Ik vind het fijn dat ik nog eens een brief van u kreeg. Ik had het nog niet gedacht dat ik er nu al een van u zou hebben want het duurt zo af en toe wel 9 a 10 dagen voordat de brief over is. Ik heb Hendrik zijn briefje ook gelezen. Ik vind dat heel fijn want het is zo'n leuke jongen en dat hij nog eens aan mij denkt. Ik vergeet hem ook niet hoor maar ik zit zo ver van Den Hulst af dat ik iedere week niet over kan komen. Dat is nog wel jammer maar niets aan te doen. Ik hoop ook wel dat ik weer gauw terug kom maar dat zal nog wel even duren.
Ik zit hier zo af en toe weleens wat raar te kijken en dan denk ik was ik maar weer bij mijn vader thuis. Vooral als ik alleen op de kamer ben, want wij drieën moeten om een andere week 's nachts werken en dat hebben wij niet tegelijk. Als ik daags werk gaan Knoppert en Westerhof 's nachts. De volgende week, dus morgenavond, dan moet ik weer beginnen om 7 uur tot dinsdag 7 uur en overdag naar bed. Dat is niet wat voor mij. Dan zit ik mij ook wel eens wat te vervelen. Dat kun je natuurlijk wel bedenken. Maar het werk dat staat mij nog wel goed aan hoor. Als het niet anders wordt, dan komen wij er wel. Ik moet het werk wel leren maar dat is niet zo erg als ik er de tijd voor krijg. Dan kunnen wij nog wel even, voordat je dat werk kent dan moet je wel twee jaar aanstaan, maar dat is niet zo erg? Het is hier anders erg mooi hoor, het is een hele grote stad. Daar is nog wel wat te zien. Wij zitten aan de oostkant van de stad en in mooie nieuwe huizen. Dat is hier goed voor elkaar.

Harm Veerman in 1942. De foto moet gemaakt zijn kort voordat hij naar Duitsland moest.







Wij zijn hier met 6 man op een kamer, twee uit Hengelo en een uit Deventer en wij met ons drieën. Drie zijn er van getrouwd en de andere drie ongetrouwd. Ik kan hier best met de jongens opschieten. Dat moet ook wel anders heb je hier ook niets. Wij zijn hier nog niet veel uit geweest want het is hier nu al twee weken regen en dan blijven wij maar thuis. Vandaag voor een week zijn wij naar de kerk geweest, die staat hier dicht in de buurt. Anders zijn wij nog nergens naar toe geweest. Wel eens een eind lopen maar anders niet. Wij moeten hier eerst maar eens beter bekend zijn, dan gaat het wat beter.
Ik heb weleens wat last van mijn maag als die niet goed vol is, maar dan gaan wij maar naar bed tenminste als wij voorin de week te veel brood opgemaakt hebben, want wij krijgen niet meer dan ons rantsoen en daar moet je het mee doen. Mijn vader wil mij ook een pakje sturen maar dat duurt zo lang want hij heeft het in Ommen aangevraagd maar dat hoeft hij niet weer te doen want Knoppert heeft ook al een pakketje gekregen en dat is ook niet aangevraagd en dat is 4 dagen onderweg geweest. Dat is niet erg lang, dat gaat vlugger dan een brief hoor. Ik hoop dat het pakje van mijn vader maar vlug komt. Als dat ook vier dagen onderweg is dan kan het ook. En ik heb gezien dat Hendrik (een broer van Harm, red.) bij u in de tuin is geweest om te werken. Dan heb je toch een nieuwe weer die een beetje helpt met het werk en kleine Hendrik die kan ook al gauw helpen dan heb je het voor elkaar.
Maar ik hoop dat ik er gauw weer bij u in de tuin kom te werken. Ik verlang er wel naar maar het zal nog wel even duren. Ik hoop dat je nog eens terug schrijft want naar post verlang ik nog meer dan naar eten. Als ik 's avonds van de fabriek kom is het eerst of er post is voor mij. De eerste weken was dat wat, toen kreeg ik niets en de jongens kregen wel wat. Maar het was steeds maar nee maar de laatste twee weken gaat het wel, tenminste kreeg ik deze week 11 brieven. Dat ging wel, maar nu moet ik weer afwachten of er nog meer zijn die eens schrijven. Dan heb ik eens weer wat nieuws. Ik weet anders niet meer wat ik u zal schrijven want het is hier toch nog niet erg veranderd. Ik wens u dat met je drieën toe, de hartelijke groeten van H. Veerman. Tot ziens.

Op 1 augustus 1942 heeft een van de zwaarste bombardementen op Düsseldorf plaats. Hoewel vooral het zuidelijke stadsdeel wordt getroffen moet Harm er toch wel iets van gemerkt hebben.
In zijn brief van 8 augustus maakt hij er evenwel geen enkele verwijzing naar:

Nu wil ik de pen maar eens even op het papier zetten en dat ik goed gezond ben en hoop van jullie hetzelfde te mogen horen. Het is hier nogal hetzelfde, het verandert hier niet veel. Ik heb er nu weer een week op zitten. Als je 's nachts werken moet is het wel mooi want dan ben je zaterdags en 's maandags vrij. En als het zaterdag is dan moeten wij winkelen en dat valt niet mee want het is nogal druk. Ik heb vanmorgen weer aardappelen opgehaald voor morgen. Die laten wij hier koken anders krijgen wij zondags niets. Ik ben nu al een hele poos wakker geweest want ik ben vrijdagmiddag om half een opgestaan en ben nog niet weer naar bed geweest. Maar ik heb geen slaap hoor. Ik heb eergister uw pakje met het tarwebrood gekregen dus de 6-8-42 is het aangekomen en de 7-8-42 opgehaald van de douanepost. Daar moeten wij het afhalen. Ze hebben niets gezegd als dat je er een brief bij in gedaan had. Dat mag niet, maar hij heeft er niets van gezegd en ze ook niet gelezen. Maar ik moest naar Holland schrijven dat je er geen brief bij in mocht doen. Het brood was goed gebleven en de smaak was goed. Ik heb er net van gegeten. Ik heb het nog niet half op, ik wil er morgen ook nog van eten. Mevrouw, je hebt het goed gebakken hoor, dat doen ze je allemaal zo niet na. Ik heb twee pakketjes gekregen.

Ze kwamen een dag na elkaar. Mijn vader zijn was 5-8-42 aangekomen en daar zat ook brood in. Maar dat was roggebrood en een stuk kaas. Daar kan ik nu een paar dagen met mijn ander brood verder mee komen want dat kort voor deze maand ook al aardig in. Maar nu kan ik de maand wel rondkomen want ik denk dat ik de vijftiende met verlof kom. Ja, dat is nog niet vast maar ik hoop er wel op. Je kunt er nog niet veel op aan want de ene week is het zo en de andere week is het anders. Ik verlang er ook aardig naar. Als het niet mag dan doe je er niets aan. Als ik kom wat zal Hendrik (foto) blij zijn als ik kom. Je moet hem er niets van zeggen hoor want als ik kom dan zal ik aankomen want ik vind het heel mooi dat hij zo aan mij denkt. Ik denk ook altijd aan Hendrik. Je ziet hier ook veel van die kleine jongens en dan denk ik wel eens hoe zal hij het hebben omdat hij altijd bij mij was. Ik heb dan gisteren de brief ook gelezen en toen kon ik mijzelf niet houden, toen rolden mij de tranen over de wangen. Daar heb ik nog wel eens last van. Maar daar is niets aan te doen. Wij zitten in het bootje en wij moeten maar varen. Ik denk maar zo na deze tijd komt weer een andere tijd en zo gaat het maar door. Vandaag heb ik erwtensoep gehad met een stuk spek er in en dat smaakt best hoor. Dat krijgen wij zaterdags altijd en daar ben ik toch een liefhebber van. Ik heb mij vanmiddag ook lekker zat gegeten. Ik schrijf nu wel de brief maar ik hoop erop dat ik er vlugger ben dan de brief. Dat zou mooi zijn. Anders weet ik ook niet veel te schrijven want nieuws is hier ook niet veel. Dat zult je zelf wel denk ik ook wel weten. Maar voordat ik het vergeet moet ik jullie nog heel vriendelijk voor bedanken en hoop dat ik vlug eens in Den Hulst kom. Nu met je drieën het allerbeste gewenst en tot ziens. Vergeet Hendrik niet hoor want dat doe ik ook niet. Schrijf maar eens vlug terug als ik niet kom.
H. Veerman, Düsseldorf 10, Howeweg 10, Duitsland.

Uit de brief van 4 oktober 1942 blijkt dat Harm toch niet naar huis is geweest. Hij heeft het er erg moeilijk mee en zijn verlangen is groot:

Ik heb het potlood in de handen en ik wist niet wat ik doen moest. Nu zal ik je nog eens schrijven en wel dat ik goed gezond ben en hoop van jullie hetzelfde. Ik heb een brief van jullie gelezen van 16 juli die je mij gestuurd hebt. Je weet misschien nog wel waar Hendrik ook een briefje geschreven heeft en daar schreef je nog in dat je een foto van mij had gekregen en dat Hendrik ook nog schreef als ze overgestuurd mogen worden. Ik weet niet of ik het jullie al eens geschreven heb maar ik heb hier al een paar foto's gekregen, een van mijn kameraad en een van mijn meisje. Die zijn goed overgekomen. Als je er een over hebt van Hendrik dan stuur je hem maar. Ik denk nog weleens aan jullie, maar het is zo jammer dat wij zo ver van elkaar zitten. Alles schrijven dat valt niet mee hoor en dat kan ik ook niet want brieven schrijven dat kan ik niet. Hoe is het met Hendrik. Hij zal het nog weleens over mij hebben. Ik zou ook graag eens naar huis willen, maar ik kan geen verlof krijgen. Ik zal het nog eens weer proberen maar of ik het krijg dat weet ik niet. Wij moeten maar afwachten. Ik ben ook al ziek geweest. Ik heb het met de maag maar ik ben al weer aan het werk. Ik kan anders hier op het ogenblik aardig goed tegen maar je moet nergens aan denken want dan is het mis. Knoppert is nog niet terug. Hij is ziek, misschien weet u het al wel. Ik heb ook net een brief voor mijn vader klaar. Mijn vader heeft ook een nieuw paard hè. Ja, dat heeft hij mij al geschreven. Toon is niet meer bij de Kok, dat wist ik ook al. Niet van mijn vader maar van G. Vonder. Je weet misschien wel uit Staphorsterveld van W. Vonder. Daar krijg ik ook wel eens een brief van en dat ze bij van de Berg een jonge zoon hebben en de vrouw van E. van de Berg is overleden.

Dat weet ik niet zeker, maar ik meen dat ik zoiets gehoord heb. Je kan wel nagaan dat ik nog wel wat uit Den Hulst hoor. Anders weet ik ook al niet veel nieuws meer. Ik heb nog geen brief van jullie gehad nadat ik dat pakje van jullie gekregen heb. Ik hoop alle dagen ook dat er een brief van jullie komt want daar verlang ik erg naar. Dus schrijf mij maar eens. Ik heb jullie wel geschreven nadat het broodje is aangekomen, maar ik weet natuurlijk niet of die over zijn gekomen. Ik heb ook al naar huis geschreven dat ik graag een nieuw pak wil hebben, maar ik weet niet of ze er een krijgen kunnen. En een nieuwe winterjas want het wordt hier al erg koud. Anders weet ik ook al niet veel nieuws. Ik hoop dat jullie vlug terugschrijven. Nu wil ik maar eindigen wens ik jullie drieën het allerbeste en tot spoedig weerziens. Dit vel papier is uit het blok dat ik van jullie gekregen heb, de ander heb ik al op. H. Veerman.

Het is Harm gelukt om verlof te krijgen. In zijn brief van 30 oktober 1942 schrijft hij:

Het is nu al weer zaterdag. Ik kan het mij haast niet indenken dat ik de vorige week in Den Hulst geweest ben. Ik ben goed overgekomen toen ik terug ging. Ik was hier om half zes al maar dat werk dat viel mij tegen. Daar ben ik nu weer zo een beetje door. Ik had eerst geen zin om te beginnen maar het moest. Nu moet ik morgen ook alweer werken, dat is minder mooi. Mijnheer en mevrouw wat is het wat als je een paar dagen (thuis) bent geweest en als je dan weer weg moet. Ik heb mij nogal zo'n beetje goed gehouden toen ik dinsdag weg ben gegaan, maar ik kon zo af en toe niet meer praten. Ik weet ook niet of ik ze allemaal nog een hand gegeven heb. Ik heb eerst wel een eind in de bus gezeten voordat ik wat kon zeggen. Jan Mijnheer was nog een poosje bij mij toen ging het nog al maar anders had ik daar alleen achter in gezeten. Het valt voor mijn vader ook niet zo erg mee, dat kon ik wel aan hem zien maar ik heb niets gezegd.
Nu zal ik er maar even wat bij op zetten. Het is nu zondagavond. Ik ben er net weer van het werk. Ik heb de hele dag gewerkt. Ik ben het nu ook wel zat, maar ik moet nu eerst schrijven want anders komt er niets van. Het pakje is goed aangekomen maar het brood was niet goed meer. Als je wat stuurt moet je geen tarwebrood sturen want dat lijkt wel dat dat niet zo goed gaat als roggebrood. De boter heb ik met Westerhof doorgesneden. Het pakje dat mijn vader afgestuurd heeft met ondergoed dat is niet overgekomen. Dat is jammer want daar zat nogal wat in. Maar daar is niets aan te doen. Veel weet ik ook al niet te schrijven want het is nog maar een paar dagen geleden dat ik daar geweest ben. Ik moet er nog meer schrijven. Nu wil ik maar eindigen.
Wees met je drieën hartelijk gegroet van Harm.

De volgende brief schrijft Harm op 29 november 1942. Hij wil nog graag voor het einde van het jaar met verlof naar huis. Veel post heeft hij in november ook niet gekregen terwijl hij er zo naar verlangt:

Ik heb net je brief in gezondheid ontvangen en gezien dat jullie het daar nogal goed maken. Dat is het voornaamst. Ik had al lang op post gewacht maar er kwam maar niets. Eindelijk kwam er een van jullie en nu zal ik maar gauw terugschrijven. Ik heb drie brieven gekregen nadat ik met verlof geweest ben. Dat is niet veel hè. Ik had er een van Jan Mijnheer en een van W. Vonder uit Staphorsterveld en nu een van jullie. Het is hier op het ogenblik erg koud dat ik kom vandaag niet buiten. Net even eten halen maar dat is maar even over de weg anders niet. Het heeft hier ook al een beetje winter geweest, het ijs lag hier op het water dat op de weg stond. Overdag dan ging er wel weer wat van weg maar alles niet. Nu maar weer verder. Wij hebben het eten net op en nu kan ik wel weer. Er verandert hier anders niet veel. Je schreef over de kerstdagen, maar dan kom ik niet met verlof, dat mag niet. Misschien kom ik nog wel voor de kerstdagen, maar dat is nog niet vast. Als ik kom dan zullen ze het wel zien. Kleine Hendrik die heeft ook weer zijn best gedaan hè. Dat is toch erg leuk van hem en vooral dat hij mij niet vergeet. Want de meesten vergeten je als je weg bent. Ik wil zelf ook wel graag terug maar dat gaat nu eenmaal niet en dan zullen wij maar afwachten. Ik heb ook gezien dat je er twee (onderduikers?, red.) bij krijgt. Dat zal je ook niet meevallen in deze tijd. Die mensen die kunnen er ook niets aan doen. De wereld staat toch op de kop en dat zal ook wel een keer aflopen. Veel heb ik wel niet te schrijven maar dat is niet zo erg. Westerhof die is met verlof geweest dat weten jullie al dus dat is geen nieuws meer. Ik kan denk ook wel komen maar ik wacht altijd nog twee weken of dat het verandert dat ik met de kerstdagen nog kom. Vonder is ook getrouwd hè, ja dat stond in de krant die Westerhof vanmorgen hier kreeg. Ze gaan daar allemaal maar trouwen. Wij blijven hier wel rustig hoor. Zondag zijn wij naar Bouwman geweest hier in Düsseldorf. Dat is familie van Bouwman De Kleine Winst. Dat was nog weer eens wat anders dan op de kamer bij elkaar, maar zo'n zondagmiddag is niet veel. Ze waren al bang dat wij het er niet goed afgebracht hadden met het bombardement omdat wij zo lang weg waren gebleven maar dat was nu zo. Ik ben er met Timmerman naar toe geweest, die uit Delden, je weet wel die daar ik zoveel van gehad heb. Wij moesten nog maar eens terugkomen. Anders weet ik ook al niet veel meer en ik moet nog naar huis toe schrijven. Ze moeten eens weer proberen punten voor mij aan te vragen. Ik moet nog zien dat ik een nieuwe overjas krijg want het is hier niet warm. Ik hoop dat je mij weer eens vlug terugschrijft. Wees dan nu verder met je drieën gegroet van H. Veerman.
Mijnheer en mevrouw ik wens jullie nu maar vast een vrolijk kerstfeest en een voorspoedig nieuwjaar, want ik weet natuurlijk niet of ik nog kom voor die tijd. Ik hoop van wel, maar daar hangt zo veel vanaf.

Het lukt Harm om in de eerste helft van december 1942 met verlof naar Den Hulst te komen. Als hij terug is schrijft hij op 16 december:


In deze straat in Düsseldorf woonde Harm Veerman. Howeweg 10 is de hoekwoning helemaal links achterin. De huizen zijn in 1942 gebouwd.

Ik ben maandag goed overgekomen. Ik was om half acht over maar was erg moe. Dat ik ben vroeg naar bed gegaan. Toen ik maandag aan de Ommerdijk was, had ik nog al plezier maar nu niet meer. Alles staat mij tegen, maar dat zal weer beter worden. Dat is altijd zo als je met verlof geweest bent. Ik was nog met een vriend meer, maar die was ook al net zoals ik. Wij hebben wel twintig keer gezegd laten ze ons maar weer terugsturen. Daar hadden wij niets op tegen. Vandaag ging het al weer aardig beter. Nog wel niet zo hard maar de tijd ging toch wat beter en dat is het voornaamst, anders duurt de dag zo lang. De jongens waren al weer blij dat ik er was. Ze hebben mij van de tram gehaald want de koffer was ook erg zwaar en ik had er nog een van een jongen hier. Die had drie koffers en zodoende heb ik er maar een van hem overgenomen. Toen ik uit Zwolle ben vertrokken had ik er weer een uit Heino die moest ook naar Duitsland. Dat was een winkelbediende, nu in Duitsland niet, daar heeft hij ander werk, kalk lossen en dat viel hem niet zo erg mee, dat was hij niet gewoon. Anders weet ik ook al niet veel nieuws meer want ik ben hier nog maar weer twee dagen. Ik weet nog niet of Westerhof komt want je hoort niets, ik geloof er nog niet veel van. Ik hoop dat hij maar weg mag want anders heeft hij hier ook al niets. En nu wil ik dan maar eindigen. Wees dan verder met je drieën hartelijk gegroet van Harm en tot ziens. En nog vriendelijk bedankt voor het brood en de bonen.

Uit de laatste brief, door Harm geschreven op 14 maart 1943, blijkt dat hij weer een keer thuis geweest is en dat het voor hem steeds moeilijker wordt om in Duitsland te werken. Het is alsof hij de moed laat zakken.

Nu zal ik jullie maar eens even schrijven. Ik ben op het ogenblik goed dapper. Ik ben dinsdag goed overgekomen. Ik heb tot nu toe nog nergens van gehoord, het zal nog wel goed aflopen. Dinsdagavond waren wij om half zes hier. Ik was het reizen ook al zat. De jongens die waren al blij dat ik weer terug was. Wij hadden de eerste nacht al weer feest en nog wel vijf maal alarm in een nacht. Ik heb er niet veel van gehoord want ik was erg moe. De jongens hadden mij al een paar keer wakker gemaakt, maar dan draaide ik mij om en sliep weer gewoon door. Ik moest woensdag al weer aan het werk en dat viel mij nog niet zo erg mee. Ik ben dan ook elke dag nog een paar uur eerder weggegaan want ik (had) nog geen zin om weer aan het werk te gaan.
Vandaag is het zondag en nu moet ik vanavond al beginnen. Ik heb brandwacht dus zit er weer op dat ik deze week 77 uur moet werken en dat valt niet mee. Ik ben er nu kok bij want ik moet even wat aardappels koken anders krijgen wij vandaag niets. Het is hier erg stil op de kamer. Wij zijn maar met ons tweeën en er zijn er nog twee in bed. Die hebben vannacht gewerkt. Anders is het hier ook al hetzelfde, er verandert niet veel. Veel weet ik ook al niet te schrijven maar ik verlang al weer naar verlof want ik heb hier geen zin meer. Je kunt beter met verlof gaan dan heb ik nog wel zin, maar anders niet. Ik hoop dat ik maar gauw kom met groot verlof, dan zijn wij er vanaf. Dat zal misschien nog wel een poosje duren. Ik weet op het ogenblik niet meer te schrijven, ik moet nu eerst maar eens wachten tot ik weer een brief van jullie krijg en dan wil ik nu eerst maar eindigen. Wees met je drieën hartelijk gegroet van Harm.

Na deze brief is er geen brief meer bekend en waarschijnlijk ook niet door Harm geschreven. Het is dan ook niet precies duidelijk hoe het hem daarna is vergaan.
Vanaf 1943 namen de bombardementen op Düsseldorf toe. Mogelijk is de fabriek waar Harm werkte ook getroffen en kon hij er toen niet meer werken. Of hij toen in opdracht van Arbeitseinsatz ergens anders moest werken is niet duidelijk. In de familie gaat het verhaal dat hij gevlucht zou zijn. In elk geval kwam Harm bij een Duitse boer terecht, waar hij tot het einde van de oorlog heeft gewerkt.
Toen de oorlog was afgelopen probeerde iedere tewerkgestelde zo snel mogelijk weer naar huis terug te keren. Men sprong op treinen en alles wat maar rijden kon om zo snel mogelijk naar Nederland te komen. Het merendeel van de afstand werd echter lopend afgelegd. Hoelang Harm er over gedaan heeft is niet bekend, maar op een gegeven moment kwam hij bij Enschede de grens over. Daar werden de terugkerende arbeiders opgevangen. De meesten van hen zaten onder de luizen en hadden schurft. Voordat ze verder naar huis konden werden ze daar eerst ontsmet. Hierna kwam Harm gelukkig heelhuids weer thuis, zij het dat hij erg vermagerd was. De oorlogsperiode was voor Harm Veerman een onuitwisbare, nare herinnering die hem de rest van zijn leven niet heeft losgelaten.

* * *


HET LEVEN VAN EEN ONDERDUIKER IN NIEUWLEUSEN VAN 1943 TOT 1945
_____

Chris Vreugdenhil

Het was 1943 en ik was tuinarbeider in het Westland, in Honselersdijk. Ik ben in 1923 geboren en iedereen van mijn leeftijd moest naar Duitsland. Bij de Gereformeerde kerk waren de namen bekend van iedereen die naar Duitsland moest en een ouderling kwam met mij praten over wat ik zou gaan doen.
Al snel bleek dat de ouderling er voor was dat ik zou onderduiken en dat heb ik toen ook besloten te doen.
Ik heb me nog wel laten keuren voor Duitsland en ik heb het geld aangenomen dat je kreeg als je naar Duitsland ging.
Op zondagmiddag moesten we na de kerkdienst bij de kerkenraad komen en toen werden we toegesproken door de dominee.
We moesten op maandag 12 juli om 7 uur bij de bus staan die ons naar Den Haag zou brengen. We waren met z'n drieën en de schilder van het dorp, Rien Honselaar. Hij bracht ons weg, maar we moesten doen alsof hij niet bij ons hoorde. In Den Haag moesten we een treinkaartje naar Zwolle nemen. We wisten helemaal niet waar we naar toe gingen en mijn meisje (nu mijn vrouw) en ook mijn ouders wisten het niet.
We zijn in Zwolle aangekomen en van daaruit met de bus naar Nieuwleusen gegaan. We kwamen aan in de Kerkenhoek en hebben daar iets gedronken. Wij vroegen daar waar Albert Kleen woonde en nadat het ons was uitgelegd, zijn we naar hem toegegaan. Wij zagen daar bij aankomst een bus karnemelk staan en hij vertelde ons dat die melk voor het vee was. Daar snapten we niets van want bij ons in het westen was karnemelk op de bon. Albert Kleen nam de deksel van de bus en goot hem vol en wij maar drinken. David Aalbrecht bleef bij Kleen, Cor van der Hout ging naar weduwe Westerman aan het Oosteinde en ik ging naar Gerrit Jan Visscher aan de Veldweg. Gerrit woonde bij zijn ouders in en ik ben daar heel hartelijk ontvangen.

Hij was die dag jarig en 's avonds was het feest op de deel. Het was voor mij allemaal nieuw. Arend Jan Bouwman was ondergedoken bij Derk Jan Schoemaker en wij trokken veel met elkaar op. Het is jammer genoeg erg kort geweest, want in Honselersdijk hadden ze onze stamkaarten gevonden met de adressen waar we verbleven. Cor van der Hout werd opgepakt. Mevrouw Westerman was ze net te snel af en wist gelukkig te ontkomen. Daarna gingen ze naar Albert Kleen. Albert Kleen en David Aalbrecht werden opgepakt en ingeladen. Willem Kleen was ook thuis maar hem namen ze niet mee. Hij werd opgesloten in zijn kamer, maar hij had wel gehoord naar welk adres ze verder gingen. Hij heeft de deur van zijn kamer ingetrapt en is door het veld naar ons toegekomen om ons te waarschuwen. De dekens werden van mijn bed gehaald en op hun bed gelegd. Arend Jan en ik zijn als de weerga naar het bos gegaan en daarna in de haver gekropen. We waren er nog maar net toen we hoorden dat ze er waren. We bleven in de haver en daar werd ons het eten gebracht en 's middags kwam dominee Wassink ons stichtelijk toespreken. Toen hoorden we ook dat Gerrit Visscher was meegenomen. Ja, dat was een spannende dag. Mevrouw Visscher heeft wel ik weet niet hoeveel keer gezegd dat ze niet gelogen had, want op dat moment was ik er niet. Voor de naam Visscher hadden ze andere voorletters dan G.J., dus ze waren op het verkeerde adres.
Later ontdekte de familie Visscher dat op de eerste bladzijde van mijn bijbeltje mijn naam en adres geschreven stonden. Die bladzijde is er meteen uitgescheurd. 's Avonds kwam Jan Kleen me ophalen want ik moest naar een andere plaats. Ik kwam terecht bij Derk Jan Veldman in Oudleusen, waar ik ongeveer een week in het kalverhok heb gebivakkeerd. Daarna ben ik naar Hekman achter de christelijke school in Den Hulst gegaan. Ik werd er heen gebracht door Jan Kleen. Mijn kamer was in de hooiberg. Om in deze kamer te komen moest ik door het hondenhok kruipen. Ik nam het schot weg en als ik dan in de kamer was, zette ik het schot terug. Geen mens kon me dan vinden. Ik dacht lekker te kunnen slapen, want er stond ook een bed, maar ik kreeg toch een jeuk! Die was op het laatst niet meer te harden en ik dacht: ik moet eruit, want hier wordt ik gek van. De hond deed erg vervelend. Hij kende mij niet en ik kende hem niet. Ik heb hem toen een schop gegeven en gelukkig kon ik naar buiten kruipen.


De boerderij van Derk Jan Massier aan het Oosteinde op een foto van omstreeks 1960.

Ik ben op de boerenwagen gaan liggen en 's morgens mocht ik in het bed van de boer en de boerin slapen. (Die jeuk kwam door hooimijt.)
Ik heb daar gewoon op het land gewerkt en het beviel me goed. Na ongeveer 10 weken had de boer geen werk meer. Toen kwam ik terecht bij Wolter Zomer aan de Ommerdijk. Daar kreeg ik zoveel boeken te lezen dat ik dacht: ik wou dat ik maar bij een boer was. Ook ben ik nog bij dominee Wassink geweest, waar ik op de vliering tabaksbladeren heb zitten rijgen.
Gelukkig kwam er weer uitkomst en kwam ik bij Jente Visscher aan de Kringsloot. Na mijn verblijf aan de Kringsloot kwam ik bij Derk Jan Massier aan het Oosteinde. Na een poosje daar doorgebracht te hebben kwam ik bij Albert Kruithof aan De Meele. Daar waren nog meer onderduikers. Dat was wel fijn.
We kregen catechisatie bij Petter aan de spoorlijn. Samen met Sjoerd Kok, die bij Willem Westerman was, en Anton Bisschop hebben we genoten van de shag van vader Bisschop. Die was bij de spoorwegen en hij kreeg daar de shag. We werden wel eens 's nachts uit ons bed gehaald en dan liepen we heen en weer. Koud dat je het kreeg en ook slaap. Ook hebben we op een sloot geslapen waar een hek op lag. Met veel stro en zakken probeerden we nog een beetje warm te blijven. We hebben zelfs, ook in zakken, onder de roggegarven geslapen. Later ben ik naar Asse Visscher gegaan en daar heb ik ook een goede tijd gehad, totdat we op een morgen gewaarschuwd werden voor razzia's. De hele dag hadden we niets gezien. Samen met de jonge Asse ging ik met paard en wagen het veld in om knollen te plukken. Toen we terugkwamen stond de landwacht op het erf van Willem Westerman. Wij hielden het paard stil en wilden weglopen, maar de kogels vlogen ons al om de oren. Toen zijn we maar teruggelopen. Daar kregen we een flinke draai om de oren. Ik begrijp nog niet wat Asse Visscher toen tegen de landwacht heeft gezegd, maar hem hebben ze niet meegenomen. Jan van Ankum was al opgepakt en nog een paar onderduikers van De Meele. We gingen naar het café tegenover de Union en daar lagen we in het stro. We moesten zoveel mogelijk kleren meenemen, want we zouden naar vliegveld Eelde gaan. Na een dag of wat werden we in een auto geladen en ging het richting Meppel. Daar werden we met z'n vijven in een cel gestopt die eigenlijk voor één persoon bedoeld was. Bij ons in de cel was ook de godsdienstleraar Boelens uit Nieuwleusen en hij heeft ons geholpen en gesterkt. Na ongeveer 10 dagen werden we in een vrachtwagen gejaagd en gingen we richting Ommen, naar kamp Erika. Dat kamp zal ik verder maar laten rusten.
Op zondag 14 januari hadden we bezoek in het kamp. Asse Visscher had het geluk om dat weekeinde naar huis te mogen en was er dus niet bij. We hadden appel en werden in twee groepen gescheiden. Voor de ene groep was er bezoek en voor de andere niet. Toen kwamen er ineens vliegtuigen over die begonnen te schieten. Wij mochten niet weglopen, maar opeens rende iedereen toch. Ik dook weg achter een strobaal en riep Jan van Ankum nog toe: "Joh, ga liggen." Ik weet niet wat er toen met hem gebeurd is, maar later hoorde ik dat hij overleden was.
Ik was door mijn arm geschoten en lag met mijn hoofd op mijn armen. Mijn ene arm hing erbij. Dit gebeurde om 1 uur 's middags en 's avonds om 7 uur zijn we met een vrachtauto van de Wehrmacht naar Zwolle gebracht. Ik heb daar tot één week voor de bevrijding gelegen. De lopende patiënten werden ondergebracht bij mensen in Zwolle. Ik kwam terecht bij Dirk Pierik over de spoorlijn. De schuren waren daar allemaal gevorderd door de Duitsers. Op vrijdag at ik nog biscuitjes van de Duitsers en zaterdags rookte ik sigaretten van de Canadezen.
Met de bevrijding wilde ik weg uit Zwolle omdat er gezegd werd dat de stad beschoten zou worden. Dat is gelukkig niet gebeurd omdat een Canadese verkenner (Leo Major) de nacht voor de aanval ontdekte dat de Duitsers in alle stilte vertrokken waren.
Ik zou weggaan uit Zwolle maar omdat ik helemaal geen weg wist, bracht Dirk Pierik me weg. We kwamen opeens bij een spoorlijn en ik was zo blij, want ik dacht: als we die volgen, dan kom ik vanzelf wel bij De Meele. Dat was ook zo, maar ik had niet gedacht dat het zo ver was. Maar we waren vrij en het was een vriendelijk weerzien.
Ik kon nog niet naar huis, want het westen was nog niet bevrijd. Ik ben nog een weekje hier en een weekje daar geweest, totdat ik de IJssellinie over mocht.
Nadat ik was weggegaan ben ik na twee dagen reizen veilig en wel aangekomen bij mijn ouders en mijn meisje.

Dit is mijn verhaal over de belangrijkste momenten uit een bange maar ook gezellige tijd die ik mijn hele leven niet zal vergeten, want daarvoor heb ik teveel meegemaakt.
Ik heb heel veel te danken aan veel mensen uit Nieuwleusen en ik kom er nog graag. Ik heb er ook van alles meegemaakt, zowel trouwerijen als begrafenissen. Ieder jaar kom ik wel even naar Nieuwleusen en ik hoop dat, zolang als het gaat, vol te houden. Je kunt wel zeggen dat ik in twee dorpen leef.

* * *


EEN NEERGESTORTE BOMMENWERPER
_____

Hendrik Schoemaker

Op 15 maart 1944 stortte er een Amerikaanse bommenwerper neer aan de Stouwe. Dat gebeurde omstreeks half één in de middag. We zaten aan tafel te eten toen we ineens een vreselijk lawaai hoorden. Buiten gekomen zagen we dat er een vliegtuig in brand stond. Er vielen stukken af. Het staartstuk kwam bij Snel aan de Stouwe terecht en een motor viel bij De Weerd tussen het huis en de hooiberg.
Toen wij zo stonden te kijken, zagen we ook nog iemand aan een parachute naar beneden komen. Die vertelde later dat hij op dat moment niet bij kennis was. Wonder boven wonder ging de parachute toch open en het bemanningslid kwam neer op zo'n 100 meter achter het huis van Gerrit Jan Prins. Daar moest hij zo snel mogelijk weg.
Timmerman Arend Jan Schuurman woonde in het Oosteinde aan de straat. Hij had een en ander ook gezien en liep de richting van de piloot op. Ondertussen wenkte hij de neergekomen parachutist dat hij zo snel mogelijk in zijn richting moest lopen. De man deed dat gelukkig. Het bleek te gaan om de Amerikaanse piloot David Talbott. Na de kennismaking bracht Schuurman hem naar de afgebrande woning van Brouwer aan de Middeldijk en verborg hem daar onder de heg.

De Engelse taal vormde echter een barrière tussen beiden en daarom werd Sybe Post er bij gehaald. Hij was onderduiker ij Meulman aan het Oosterveen 79 en kwam uit Huizum bij Leeuwarden. Sybe had kennis van de Engelse taal.


Dit toestel stortte op 15 maart 1944 neer aan De Stouwe.

Besloten werd dat Talbott 's avonds zou worden opgehaald en de nacht bij Meulman zou doorbrengen.
David Talbott kwam in november 1943 naar Engeland waar zich de bases bevonden vanwaar bombardementsvluchten op Duitsland werden uitgevoerd. Hij ontving zijn opleiding tot piloot in Amerika. Met een toestel van het type B-24 werden de missies naar nazi-Duitsland ondernomen. Aan boord waren tien bemanningsleden. Negen vluchten had men al gemaakt en de bemanning was er van overtuigd dat ook na de tiende vlucht het toestel weer veilig op de Engelse basis aan de grond kon worden gezet. Het zou echter anders uitpakken. Nadat de bemanning bommen had laten vallen op Hamburg en Hannover, werd de machine op de retourvlucht plotseling aangevallen door Duitse jagers. Waarschijnlijk nog boven Duitsland werd de B-24 geraakt.
De vlammen sloegen uit het toestel en de piloot kon zijn toestel niet meer onder controle houden. Talbott beval de overige bemanningsleden het toestel te verlaten. Twee van hen, de 25-jarige tweede luitenant Arthur Goldman en de even oude ook tweede luitenant Clifford Moriarty, overleefden dat niet. Talbott werd uit het exploderende toestel geslingerd en kwam in een weiland terecht.
Een paar dagen bracht Talbott door bij Meulman. Daarna is hij opgehaald en naar Meppel gebracht, gekleed in kleren van Post.

De boerderij van Meulman aan het Oosterveen.

17:19 16-2-2021 Daar werd hij van valse papieren voorzien. Na twee weken werd hij op de trein naar Amsterdam gezet. Het was bekend dat er op die dag weinig controle was in de trein. Iemand van het verzet vergezelde Talbott. De afspraak was dat als er gevaar dreigde deze man op zou staan, waarna Talbott zijn maatregelen kon nemen. Na aankomst in de hoofdstad werd Talbott op de trein richting Deventer gezet. Ook die rit verliep zonder problemen. In Deventer kreeg Talbott een adres waar hij moest wachten op bericht om verder te kunnen reizen.
Op een gegeven moment kwam dat bericht en kon hij, weer per trein, doorreizen naar Heerlen. Dat was een spannende reis. Er zaten Duitse soldaten in de trein en zelfs in dezelfde coupé als Talbott. Deze besloot te doen alsof hij sliep, maar ze tegelijkertijd goed in de gaten te houden. In Heerlen aangekomen werd Talbott opgewacht door iemand die hem naar een onderduikadres bracht. Daar verbleef hij drie weken, waarna hij via Maastricht naar de Belgische Ardennen kon ontsnappen.
Daar aangekomen ontmoette hij een andere Amerikaan die ook probeerde om weer naar Engeland te komen. Samen zijn ze een heel eind door België gelopen. Op een gegeven moment kwam zijn maat te vallen en brak een been. Toen moesten ze natuurlijk hulp hebben. Er kwam een gezin aanlopen, man, vrouw en een paar kinderen, hond bij zich, en men waagde het er op hulp te vragen. De man bleek een onderwijzer te zijn. Hij sprak ook Engels en door zijn bemiddeling is toen hulp vanuit een klooster geregeld. Daar is de patiënt ondergebracht en heeft hij de bevrijding van België afgewacht.
Via een pad, dwars door de Duitse linies, dat door Fransen gebruikt werd om drank naar België te smokkelen, kwam Talbott in Frankrijk. Daar werd hij twee dagen verhoord om te zien of zijn verhaal juist was en hij geen spion was. Nadat zijn verhaal in Engeland was gecontroleerd, waar hij als vermist stond vermeld, kon hij zijn tocht naar Engeland vervolgen.

Toen die vliegmachine daar aan de Stouwe lag, zijn wij er op een zondagmiddag naar wezen kijken. Er zaten toen een paar jonge Duitsers van een jaar of 16 à 17 achter een mitrailleur. Omdat ik zelf bij de mitrailleurs was geweest in militaire dienst zag ik wel dat het nog een goede was. We besloten die op te halen. Op een avond zijn mijn broer en ik er naar toe gegaan, maar helaas die goede mitrailleur was weg. Ik heb toen net zolang gezocht tot ik er een vond die nog een beetje redelijk was en waar nog een deksel op zat.
Overal op het land lagen hele ritsen patronen voor die mitrailleurs. We hebben ze aan gordels om ons lijf gewonden om zoveel mogelijk mee te krijgen naar huis. Toen we daar kwamen, hoorden we dat de kust niet al te veilig was en werd de buit zo snel mogelijk in het hol onder het hooi gestopt.
Het van de mitrailleur ontbrekende deel hebben wij een tijdje later bij Pinxsterhuis bij laten maken. Die vroeg of het een onderdeel voor een dorsmachine was, waarop bevestigend werd geantwoord. "Ja, dat dacht ik al," zei Pinxsterhuis.

De mitrailleur is later opgehaald door de groep van Jos Bonvanie en door hen op een auto gemonteerd. Zij wilden een overval plegen op een Duitse post. Ik zou de mitrailleur moeten bedienen, maar gelukkig is dat niet doorgegaan. Later werd de mitrailleur bij "Het Wiede Gat" in de grond gestopt, maar vrouwen hadden dat gezien en Duitsers hebben hem daarna gevonden.

Een week eerder, op 8 maart 1944, stortte een Amerikaanse bommenwerper van hetzelfde type neer aan Den Oosterhuis nabij Balkbrug. Dit is een foto van het toestel dat daar neerkwam.

* * *


DE BEMANNING VAN DE BOMMENWERPER
_____

Op 15 maart 1944 werd om ongeveer 12.20 uur de Amerikaanse viermotorige B-24 bommenwerper "My ass'am dragon" aangevallen. Op de terugweg van Duitsland werd het aangevallen door een viertal Duitse jagers. Een van de vier motoren werd geraakt en het toestel raakte in brand. Zeven leden van de bemanning, waarvan enkele gewond, kwamen aan een parachute naar beneden en landen op diverse plekken in de buurt van Ommen. Twee bemanningsleden kwamen om. Om 12.25 uur explodeerde het toestel. De bewusteloze gezagvoerder kwam als door een wonder nabij De Stouwe aan een geopende parachute naar beneden.

Het officieel opgestelde rapport van de crash luidt:
At approximately 12:20 at 52°35' N. 06°40' E, AlC No. 332 was hit by the first attack from four FW 190's who came in from 10:00 o'clock out of the sun and from out of contraiIs and in a steep dive, firing on AlC No. 332 which was in the low left element. Number 3 engine burst into fIames which soon spread over the aircraft. Seven (7) chutes were seen to open at 12:24 and two more were seen going through the clouds without chutes open, presumably making a delayed jump. The aircraft was then seen to go into a tight spin and exploded at approximately 12:25.

De bemanningsleden van de B-24 waren:
1e luitenant David E. Talbott, kapitein bij de 8ste Airforce, 44ste bombardementsgroep, gezagvoerder.
2e luitenant Lemoine Henry Clausen, copiloot.
Sergeant Ernest Wayne Arbon, boordwerktuigkundige.
Sergeant Raymond E. Swick, marconist.
2e luitenant Arthur Goldman, navigator (omgekomen, foto links).












2e luitenant Clifford F. Moriarty, bombardeur (omgekomen, foto rechts).
Sergeant Jack D. Williamson, borstvensterschutter.
Sergeant Herman Carl Gasser, borstvensterschutter.
Sergeant Sammy Wayne Haddock, buikschutter.
Sergeant Cecil H. Sympson, staartschutter.
De beide omgekomen vliegers werden op 17 maart op het nieuwe gedeelte van de Algemene Begraafplaats begraven. Zij kregen een rustplaats op het in de noordoost hoek gelegen gedeelte algemene graven. Op hun graven werd een houten kruis geplaatst, voorzien van hun naam en herkenningsteken. Op 20 februari 1946 werden hun stoffelijke overschotten overgebracht naar de Militaire begraafplaats te Margraten.



De graven van Arthur Goldman en Clifford Moriarty op de begraafplaats aan de Ds. Smitslaan.


Deze tekening werd in 1946 gemaakt van het grafteken dat op het graf van de omgekomen vlieger Arthur Goldman stond op de begraafplaats te Nieuwleusen. Of de datum 14 maart 1944 ook op het kruis stond of dat dit een vergissing is, is niet meer te achterhalen. De bijgeschreven tekst luidt:
"Hier rust de trouwe vlieger en bevrijder ARTHUR GOLDMAN. Ver van zijn ouders, ver van zijn land weggerukt uit hun midden. Lang heeft deze vlieger evenals anderen om de VRIJHEID gevlogen. Hij gaf zijn leven voor de VRIJHEID."

(Zo wist mevrouw T.C. Schoemaker-Muller nog iets te vertellen over de bemanning van de neergestorte bommenwerper (blz. 64). De beide omgekomen vliegeniers werden door de buurmannen Hendrik Jan Muller (de grootvader van mevrouw Schoemaker-Muller) en Hendrik Knol uit Oosterhulst op een boerenwagen naar de Algemene Begraafplaats gebracht.)


* * *


ONTMOETING NA 42 JAAR
_____

In september 1986 bracht David Talbott, piloot van de aan De Stouwe neergestorte bommenwerper, weer een kort bezoek aan Nieuwleusen. Samen met Sybe Post haalde hij toen herinneringen op. Ze bezochten de boerderij van Meulman waar Talbott in 1944 enkele dagen verbleef. Hij wist nog precies de plek waar hij verborgen was. Boven in de nok van de boerderij was tussen het hooi en stro een ruimte gemaakt die via een gangenstelsel tussen de stropakken door bereikt kon worden. Het daglicht kwam via een klein raampje naar binnen.
Na drie dagen in die schuilplaats te hebben doorgebracht werd David Talbott in kleren van Sybe Post en op een fiets naar Meppel gebracht. De verzetsgroep daar zorgde voor valse identiteitspapieren en zo kon hij met de trein naar Amsterdam gebracht worden.


Aan de achterkant van de boerderij van Meulman in de nok was de schuilplaats gebouwd. Door het kleine raam onder de punt van het dak kwam het daglicht binnen.


Sybe Post (links) en David Talbott met hun echtgenotes achter de boerderij van Meulman aan het Oosterveen.

Van daar werd hij op de trein naar Deventer gezet en later ging hij naar Heerlen. Via de Belgische Ardennen bereikte hij na enige tijd de geallieerde linies.

Het "kamertje" in de nok van de boerderij aan het Oosterveen was ook de schuilplaats van Sybe Post, die ongeveer drie-en-half jaar in Nieuwleusen ondergedoken zat. De kinderen van Meulman mochten van niets weten en alleen als die naar school waren en 's nachts kon hij zijn schuilplaats verlaten. Dan mocht hij in de woonkamer komen, maar ook dat was niet altijd zonder gevaar. Toen de Duitsers eens een inval deden verborg Sybe zich in de bedstee achter grootmoeder Meulman, die daar ziek in bed lag.
Sybe Post was onder de naam Gait Jan actief in het verzet. Buiten op het erf van Meulman was in de hooiberg een radio verborgen en ook illegale pamfletten waren daar opgeborgen.

* * *


BRIEVEN VAN BART VAN DER GRAAF
_____

Barteld, roepnaam Bart, van der Graaf, geboren in Nieuwleusen op 27 februari 1922, was knecht bij bakker Wind in Ommen. Hij moest onder andere brood naar kamp Erika brengen. Daarom beschikte hij over een door dit kamp uitgegeven Ausweis.
Toen Bart van der Graaf moest onderduiken vond hij een schuilplaats bij een bakker in Apeldoorn. In 1944 bracht hij ter gelegenheid van een verjaardag een bezoek aan zijn ouders aan de Ommerdijk in Nieuwleusen. Op de terugreis naar Apeldoorn is hij bij een controle in Epe uit de bus gehaald en gevangen genomen. Hij werd overgebracht naar de strafgevangenis in Arnhem, waar strenge regels golden.
Vanuit Arnhem, waar hij niet zo lang is geweest, werd hij overgebracht naar kamp Amersfoort. Daar verbleef hij ongeveer vijf maanden en omstreeks augustus 1944 werd hij op transport gesteld naar Duitsland. Bart van der Graaf schreef enkele brieven naar zijn ouders.


Toegangspoort gevangenenkamp Erika (foto: Stichting OudOmmen.nl).

Deze correspondentie is bewaard gebleven, evenals enkele brieven die zijn kameraden na de oorlog aan zijn ouders schreven. In zijn brieven liet Van der Graaf zich hoegenaamd niet uit over de toestanden in de kampen, dit om zijn ouders niet te verontrusten. Nu weten we hoe verschrikkelijk het daar geweest moet zijn.

De familie verleende ons toestemming de brieven op te nemen. De eerste brief draagt het poststempel 29 juni 1944:

Amersfoort.

       Beste Vader en Moeder,
       Broers en Zusters.

B.v.d. Graaf.
Block 107 nr. 10729.

Hierbij laat ik jullie weten dat ik nog goed gezond ben en hoop van jullie hetzelfde. Het is alweer een hele tijd geleden dat ik voor het laatst thuis ben geweest. Ik heb de brief die jullie geschreven hebben in Arnhem ontvangen maar het geld nog niet. En hoe is het thuis, heeft vader nog altijd werk. En hoe is het in Apeldoorn, zijn ze daar nog allemaal gezond? Nou ik heb hier niks te klagen in het kamp hoor. En jullie mogen ook geld sturen, maar niet meer als twintig gulden per maand. En dan mag jullie ook weer terug schrijven. Dus ik verwacht zo spoedig mogelijk een brief. Het weer is nog niet zo mooi naar de tijd van het jaar. En gaat Johan nog altijd naar de ambachtsschool? Nou verder heb ik ook al niet veel nieuws, dus maar weer tot de volgende brief.
Allemaal de groeten van Bart.
- - - - - -

     Beste Ouders en Br. en Zuster.

Hierbij wil ik jullie nog een briefje schrijven, dat ik nog steeds dezelfde ben en hoop van jullie hetzelfde. Ik heb gehoord van wachtmeester Van Soest dat Mienie er geweest is met nog één meer, dat was Klaasje zeker. Nou ik kom niet weer op Soesterberg, dat is voorgoed afgelopen want er is bij ons een gevangene weggelopen en nu mogen wij niet meer uitrukken. Maar ik zit op het ogenblik bij de Luftwaffe, nou dat is lang niet best hoor, wij krijgen haast geen eten. Ik zit bij het munitiedepot. Wij met ons vijven en wij doen niets anders dan bommen laden in de vliegmachines, nou dat is een gevaarlijk werk. Verleden week is er bij ons een ernstig ongeluk gebeurd. Er is een bom ontploft en dat is iets vreselijks.
Ik ben niet gewond maar wel geschrokken, ik kan er nu nog haast niet van schrijven. Er waren vijf doden en wel mijn beste kameraden. Ja, jullie mogen mij niet bezoeken want daar mag geen mens komen waar wij werken, dus spaar de moeite. Ik vond het heel mooi dat jullie mij opgezocht hebben. En dat Mienie en Klaasje voor niets gekomen zijn dat is erg jammer. En ik heb mijn schoenen ook gekregen en mijn scheergerei, dus daar ben ik ook weer mee onder de kap. En nu nog iets anders, als jij nog een roggebrood of wat anders hebt, moeder, nou dan is dat hartelijk welkom want ik krijg hier niet veel en het is hard werken. Dus als je nog wat bij elkaar kunt trommelen dan heel graag. Misschien heeft Wind ook nog wel wat voor mij, want met die man werk ik hier op het werk, dus dan komt het wel bij mij terecht. En doe ook de groeten in Apeldoorn en bedank ze voor die shag enz. Nu ik moet eindigen want er is onraad.
Nu allemaal de hartelijke groeten van Bart en
hou moed ons land zal nooit een duitse provincie worden.
Doe ook de groeten aan de verdere familie en kennissen en ook aan Wind.
Stuur het pakje naar
      J. Smeuding
      Schimmelpenningstraat 43
      Amersfoort.


Onderstaande brief is omstreeks augustus 1944 geschreven en door iemand uit de trein gegooid. Langs de spoorlijn werd deze laatste brief van Bart van der Graaf gevonden.

Aan den Heer Joh. v.d. Graaf
Ommerdijk 69
Nieuwleusen (Overijssel)

        Beste ouders.
Hierbij wil ik nog een paar woordjes schrijven, ik ben goed gezond en hoop van jullie hetzelfde. Wij zijn op het ogenblik onderweg naar Berlijn en waar wij verder naar toe gaan dat weet ik nog niet maar dat schrijf ik later wel als ik op de plaats van bestemming ben. Wij mogen geen koffers ontvangen, dus wij weten nog niet waar wij heen gaan. Maar ik moet weer eindigen want die mijnheer moet de brief meenemen. Nu de groeten van Bart en hoop tot spoedig weerziens

daaaag.

- - - - - -

Na de oorlog vroeg de familie aan enkele personen die met hem gevangen zaten om informatie over de omstandigheden waaronder Bart was overleden. Uit de ontvangen brieven wordt de ware toedracht duidelijk.

Amsterdam 17 Juli '45.

Weledele Heer.

Daar mevrouw v/d Berg gisteravond bij mij thuis geweest is, en ik helaas niet thuis was, zal ik U persoonlijk maar even een briefje schrijven.
Verleden jaar September heb ik Uw zoon leren kennen in Spremberg, waar wij in een bekledingslager moesten werken. Uw zoon heeft mij toen zijn belevenissen verteld. Zo hij vertelde werd hij gegrepen toen hij van huis naar Apeldoorn terugkeerde, waar hij bij een bakker was ondergedoken. Na in Arnhem in de strafgevangenis te hebben gezeten werd hij overgeplaatst naar Amersfoort. Of U van zijn verblijf in het concentratiekamp op de hoogte bent, weet ik niet, mocht u echter daar iets van willen weten dan schrijft u maar, dan zoek ik de kampgenoten van hem wel op. Van Amersfoort werd Bertus naar Berlijn gestuurd.


Het door kamp Erika uitgegeven Ausweis van Bart van der Graaf.

Daar ik goed met hem bevriend was, weet ik dat hij wel naar huis heeft geschreven, doch nooit een antwoord terug heeft ontvangen. Bertus was toen geen gevangene meer en mocht gaan en staan waar hij wou. In Januari werden wij plotseling teruggeroepen naar Berlijn, vanwaar wij naar Dachau bij München werden getransporteerd. Wij werden van Dachau uit in troepen naar andere plaatsen gestuurd. Bertus kwam toen in München terecht, waar hij puin moest ruimen in een kazerne. Op een stormachtige dag is toen een schoorsteen omgevallen, met het U bekende treurige gevolg. Volgens de jongens die daar bij hem werkten, heeft Bertus niet geleden, daar hij op slag dood was. Ook was hij niet verminkt, zodat het wel leek of hij van schrik was overleden.
Mocht U nog verdere inlichtingen willen hebben, dan schrijft U maar even terug, daar ik, indien mogelijk, U gaarne alle gewenste inlichtingen zal geven.
        Hoogachtend,
        J. ten Hoorn Boer.

Amsterdam 22 Aug. 1945.

     Weled. Heer.
Daar ik enige tijd niet thuis ben geweest, heb ik uw brief niet kunnen beantwoorden. Ik zal dat nu nog even doen.
U vraagt of wij na Sept. nog post ontvingen. Jazeker, alhoewel niet veel. Er zijn zelfs nog brieven aangekomen, die in Jan. '45 geschreven waren. Ik echter heb mijn laatste brief van October ontvangen. Over zijn familie had Bertus het vaak, vooral als we samen luchtbeschermingsdienst hadden en we brieven hadden zitten schrijven. Hij had ook nog enige foto's bij zich. U vraagt verder of ik ook weet waar Bertus begraven is. Op die vraag zal niemand U antwoord kunnen geven. Bertus zou op een Woensdag begraven worden en enige vrienden mochten mee gaan. Hij zou vanuit de kazerne begraven worden, dus wij daar heen. Daar lag hij echter niet en men stuurde ons naar het ziekenhuis. Daar was hij wel geweest, doch reeds naar het kerkhof gebracht. Toen wij daar kwamen en naar hem vroegen, wisten ze echter van niets, doch ze dachten dat zijn rustplaats in een massagraf zou zijn, daar er dagelijks enige honderden werden begraven. Ik heb nog gevraagd hoe die werden begraven en ze vertelden mij toen, dat het met veel plechtigheid ging en met veel bloemen. Over de eigendommen van Bertus hoop ik u nog eens iets te kunnen schrijven. Ik weet wie ze heeft, doch ik kan niet op de naam van die man komen. Die man was een fascist, dus ik denk wel dat hij hier of daar in een kamp zal zitten, zodat hij niet weg kan lopen. Mocht ik die naam te weten komen, dan schrijf ik wel weer even. Mocht u nog iets willen weten, schrijft u dan maar gerust. Zover ik kan zal ik u dan antwoorden. Verders vele hartelijke groeten,

J. ten Hoorn Boer
Warmondstraat 44h.
Amsterdam (W).
- - - - - -

Spanbeek, 10 Sept. 1946.

Geachte familie.
Naar aanleiding van uw schrijven over uw zoon Bertus wil ik u gaarne enige inlichtingen verstrekken. Ik ben in April 1944 in het kamp Amersfoort terecht gekomen. Daar heb ik Bertus leren kennen. Daar hebben we samen gewerkt in het buitencommando en zo hebben we daar 5 lange maanden doorgebracht totdat we naar Duitsland gebracht werden, waar ze ons te werk stelden, eerst naar Berlijn.
Daar hebben we gewerkt in een bekledingslager. Het was er wel hard werken, maar ja, we waren 's avonds vrij, we konden de stad in en 's avonds om 10 uur moesten we weer in het Lager zijn. Het eten wat we kregen was wel goed maar veel te weinig, maar ja, we deden het er mee. Daar zijn we geweest tot omstreeks Januari 1945. Toen zijn we naar München gebracht en daar hebben we gewerkt aan de afbraak van huizen en daar is Bertus gebleven. Ja beste mensen, het valt mij zwaar u te schrijven hoe hij is overleden, maar omdat u gaarne inlichtingen over hem had, zal ik dit ook proberen te schrijven.
We gingen op een morgen met een groep jongens weg om een school af te breken die gebombardeerd was. We waren naast elkaar aan het werk op ongeveer 5 meter afstand en er was die dag nogal een beetje wind en er stond nog een schoorsteen op dat huis en die stond helemaal vrij en die schoorsteen is omgewaaid en Bertus is er onder geraakt. Ik was het eerst bij hem, maar helaas hij was al dood. We hebben hem naar binnen gedragen en de dokter kwam, maar er was niets meer te doen.
Ja beste mensen, u neemt het me toch niet kwalijk dat ik dit niet eerder geschreven heb, maar heus ik had er de moed niet toe u dit te schrijven, totdat er een vrouw uit Apeldoorn bij ons kwam. Die heb ik gevraagd of ze die mensen kende. Ze zei toen "Nee, maar ik kan wel navragen waar ze wonen". Toen heb ik die foto meegegeven en haar gezegd dat hij in Duitsland is overleden. Ik heb daar toen alles van Bertus moeten inleveren, alles wat hij bezat en toen hebben ze gezegd "Dit alles sturen we naar zijn huis", maar ik vertrouwde het niet en heb me deze foto van Bertus eigen gemaakt en zijn vulpenhouder, die heb ik nog altijd in mijn bezit. Ik wil u deze gaarne teruggeven, maar ik wist nog steeds geen goed adres. Als u zo goed wilt zijn schrijft u me dan nog een brief. Hierbij sluit ik die foto maar weer in de brief. Als u nog een foto van Bertus hebt, stuurt u mij s.v.p. een.
        gegroet
        P. Franssen
        Hoeve A 19 Spanbeek. (L).


Het Ministerie van Justitie verschafte in september 1950 definitief duidelijkheid over het lot van Bart van der Graaf.

Na de oorlog werd het Ausweis van Bart van der Graaf aangetroffen in het Sophia-ziekenhuis in Zwolle. Hoe het daar terecht is gekomen, is niet duidelijk. De familie kreeg het teruggestuurd met dit briefje:

Mijnheer v.d. Graaf,

Ingesloten een Ausweis, gevonden in onze administratie, als een "zoete herinnering" aan voorbije oorlogsjaren. De Lagerführer Diepgrond*
zal thans wel met z'n handen in het haar zitten.
                Gem. Sophia-Ziekenhuis
                Zwolle
______________________________________
* Karel Lodewijk Diepgrond, een voormalige politieagent, werkte aanvankelijk als tolk voor de Duitse Sicherheitsdienst. In 1941 werd hij benoemd tot commandant (Lagerführer) van het concentratiekamp Erika bij Ommen. Als gevolg van moord, mishandeling, ziekte en ondervoeding kwamen hier tussen 1942 en 1945 zeker 170 gevangenen om het leven. Diepgrond maakte ook deel uit van de zogeheten knokploeg van Erika, die vanaf september 1944 de wijde omgeving van Ommen terroriseerde. Bij deze razzia’s vielen ten minste negen dodelijke slachtoffers.
(bron: OudOmmen.nl)

* * *


HERINNERINGEN AAN DE OORLOG 1940-1945
_____

Klaas Borgers

10 mei 1940, 's morgens tegen 4 uur hoorde ik vliegtuigen overkomen. Ik ben vlug uit mijn bed gestapt, naar buiten gerend en zag eskaders Duitse oorlogsvliegtuigen vanuit het oosten westwaarts overvliegen. Al spoedig kwamen er meer mensen naar buiten. Sommigen meenden dat ze naar Engeland vlogen om daar de boel plat te gooien.
Thuis werd vlug de radio aangezet en uit de berichten bleek dat de vliegtuigen wel degelijk tegen Nederland werden ingezet. Zo overviel Duitsland ons verraderlijk, ondanks regelmatige verzekeringen dat onze neutraliteit geëerbiedigd zou worden.
Onze gedachten gingen allereerst uit naar mijn broer die als soldaat gelegerd was in de Grebbelinie. Hoe zou dat aflopen? We hadden er nog geen idee van dat de oorlog vijf lange jaren zou duren. Behalve dat Brug 6 werd opgeblazen en 23 Duitse militairen te paard richting Lichtmis trokken (de volgende dag deed het gerucht de ronde dat ze allemaal waren doodgeschoten vanuit de Hasselter toren, wat sommigen ook nog geloofden), merkten we de eerste dagen niet veel van de oorlog. Alleen de radio gaf weinig opwekkende berichten door.
Ook op de Pinksterdagen 12 en 13 mei was het stralend weer, maar de oorlog verliep steeds ongunstiger. Toen het bericht kwam dat koningin Wilhelmina naar Londen was vertrokken, waren we verbijsterd en begrepen dat onze jongens voor een verloren zaak vochten.
Toch ondervonden de Duitsers meer tegenstand dan waarop ze hadden gerekend en omdat de capitulatie van Nederland niet snel genoeg ging, bombardeerden ze Rotterdam.
De regering begreep dat verder bloedvergieten zinloos was en het Nederlandse leger onder generaal Winkelman capituleerde. Daarna was het een angstig afwachten hoe onze jongens het er hadden afgebracht. Na enkele weken kwamen ze terug uit krijgsgevangenschap en het leven nam weer zijn normale loop.


Wanneer je voor je beroep een fiets nodig had, kon je een vrijstelling krijgen zodat jouw fiets niet gevorderd kon worden.

De pakhuizen in het westen zaten boordevol waardevolle importgoederen. Grote hoeveelheden van deze goederen werden door de Duitsers gevorderd en naar de "Heimat" gesleept. Zo werd bijvoorbeeld tweederde van de aanwezige tabak naar Duitsland uitgevoerd. Geleidelijk kwamen steeds meer goederen op de bon. Vooral fietsbanden werden schaars. Banden waren zeer belangrijk voor de mensen, want praktisch iedereen was afhankelijk van de fiets.
Ook benzine werd schaars en je zag steeds minder auto's. De paardentractie kwam daarvoor in de plaats. Op gezette tijden werden door de Wehrmacht paarden gevorderd. De boeren kregen er wel een goede prijs voor, maar dat geld kwam wel uit de Nederlandse schatkist.
Steeds meer auto's werden uitgerust met zogenaamde gasgeneratoren, achterop de auto gebouwd of op een karretje gekoppeld aan de auto. De generatoren werden gestookt met hout, turf of antraciet. De druk van de Duitsers, bijgestaan door uitsgezinde personen zoals NSB'ers, werd steeds groter. De militaire successen van het Duitse leger waren zeer groot en sommige mensen dachten dat Duitsland de oorlog zou winnen, maar het overgrote deel van de bevolking was ervan overtuigd dat Duitsland het op de duur zou verliezen.
Op 22 juni 1941 viel de Duitse Wehrmacht de Sovjet Unie binnen. Ook hier grote successen. Tot aan Stalingrad. Daar werden de Duitse troepen definitief tot stilstand gebracht en tot de terugtocht gedwongen. We dachten dat de oorlog nu wel niet zo lang meer zou duren, maar wisten niet dat het Duitse oorlogspotentieel zo groot was en de tegenstand zo taai zou zijn.


Brief van burgemeester Backx aan de gemeenteraad waarin hij meedeelt dat deze wordt afgeschaft en vervangen door een commissie van vijf raadsleden. Het briefpapier van de gemeente was links onder voorzien van het nummer K2665. Zie voor de betekenis daarvan bijlage 2.

In december 1941 viel Japan bij Pearl Harbour de Amerikaanse vloot aan. Ook Nederlands Oost-Indië werd door de Japanners bezet en enkele jongens uit Nieuwleusen raakten in krijgsgevangenschap en moesten werken aan de Birmaspoorlijn. Met hen in contact komen was vrijwel onmogelijk. Alleen lukte het soms via het Internationale Rode Kruis. De familie en verloofden verkeerden gedurende de hele oorlog in grote onzekerheid.
Geleidelijk werd de weerstand tegen de bezetter groter en kwam de ondergrondse tot stand. De bezetter kreeg gebrek aan arbeidskrachten en riep jongens van 18 jaar en oudere werknemers op. Velen voelden er niets voor om als dwangarbeider naar Duitsland te gaan en doken onder. De ondergrondse was hierbij ook zeer actief en onderduikers uit Nieuwleusen en van elders werden hier ondergebracht.
Het grote aantal onderduikers bracht een nieuw probleem met zich mee; ze ontvingen geen distributiekaarten maar moesten wel eten. Overal in het land werden distributiekantoren overvallen. Ook op het distributiekantoor van Nieuwleusen werd een overval gepleegd, die helaas mislukte.
Geleidelijk aan kwam de geallieerde oorlogsmachine op gang en begonnen Engelse bommenwerpers 's nachts Duitse steden te bombarderen. Eerst zeer bescheiden, maar na verloop van tijd in grote aantallen. Later kwam ook de Amerikaanse luchtmacht in actie en begon overdag Duitse steden te bombarderen. Op de terugweg werden de vliegtuigen bestookt door Duitse Messerschmitts en Focke-Wulfjagers. Veel bommenwerpers, zowel Engelse 's nachts als Amerikaanse overdag, werden neergeschoten. Soms vonden luchtgevechten plaats tussen Duitse en geallieerde jagers. Aanvankelijk waren ze tegen elkaar opgewassen, maar na verloop van tijd werden de Engelse Spitfires en Amerikaanse Thunderbolts sneller en waren beter bewapend. Ze kregen de overhand in de lucht en werden tenslotte heer en meester boven West-Europa. Bij een luchtgevecht boven Nieuwleusen werd een Amerikaans vliegtuig getroffen door een Duitse jager en stortte neer vlak bij de boerderij van de familie Klunder-de Weerd. Gelukkig vloog het toestel niet in brand en bleef de schade beperkt.


De bezettende macht kwam steeds meer in het nauw en nam steeds strengere maatregelen. De druk op de bevolking werd steeds groter en de jacht op onderduikers intensiever, daarbij vlijtig geholpen door de Landwacht.
In mei 1943 kwam het bevel dat alle voormalige militairen terug moesten in Duitse krijgsgevangenschap. Grote onrust was hiervan het gevolg. Begrijpelijk. Uitgezonderd werden diegenen die in het bezit waren van een zogenaamde Ausweis.
Deze Ausweisen werden uitgereikt aan personen die onmisbaar waren voor de voedselvoorziening en nog enkele categorieën. De uitgifte ervan werd verzorgd door de plaatselijke bureauhouder van de voedselcommissaris. In Nieuwleusen was dat F.A. Schiphorst, die zijn kantoor had aan de Ommerdijk. Drukke tijden braken aan voor hem en zijn assistenten, want plotseling was iedereen betrokken bij de voedselvoorziening. Die beperking werd zeer ruim genomen en ik geloof niet dat iemand teleurgesteld werd. De bezetter had wel bepaald dat een functionaris van de Landstand met zijn handtekening zijn fiat moest geven. Die heeft daar, voor zover ik weet, nooit moeilijk over gedaan.
De Landstand was een door de bezetter in het leven geroepen organisatie waar iedere boer automatisch lid van was. Naar zijn mening werd niet gevraagd. Ongevraagd werd ook elk "lid" een weekblad toegestuurd.


De kranten werden steeds kleiner en het papier voor andere doeleinden schaarser, maar het blad van de Landstand werd ruim van papier voorzien. Het was allemaal propaganda. In het begin stuurden veel boeren de krant terug, vaak met het verzoek van toezending verschoond te blijven. Tevergeefs, en op den duur stopten ze met het terugzenden. Het was ook nog wel gemakkelijk een beetje papier in huis te hebben. Onze buurman, Jan de Lange, heeft consequent tot het laatst toe de krant teruggezonden. Zodra de krant bezorgd was, klom hij op zijn fiets en bracht het blad terug naar het postkantoor.
Voor de Landstand moest betaald worden en iedere "abonnee" kreeg een aanslag toegestuurd. Velen weigerden te betalen. Diverse aanmaningen werden verstuurd en toen dat onvoldoende hielp, werd gedreigd met de deurwaarder. Maar de toestand werd steeds penibeler en van de dreigementen kwam niets terecht.

Het was niet zo dat de mensen in zak en as verkeerden, zelfs niet in het begin toen Duitsland nog onoverwinnelijk scheen. Er waren wel mensen die het niet meer zagen zitten, maar verreweg de meesten waren er van overtuigd dat Duitsland zou worden verslagen, vooral toen Amerika bij de oorlog werd betrokken. Er werd ook gelachen en ontelbaar was het aantal moppen dat de ronde deed. Vooral Hitler moest het ontgelden.


Brief van burgemeester Backx aan de Boerinnenbond dat de vergadering toch door kan gaan omdat die uitgaat van de Landstand.

Eén mop vond ik goed gevonden: "Weet je hoe Hitler in Friesland genoemd wordt?" "Jelle Gapstra." "En in Rusland?" "Slarotdiemof." "En in China?" "Hang Kreng Hang." "En in Spanje?" "Donderop." "En in Portugal?" "Lopez de zee in."
En zo waren er nog wel enkele namen.

Toen de geallieerde luchtmacht de heerschappij in de lucht had veroverd, werden veel strategisch belangrijke doelen onder handen genomen. Vooral het spoorwegverkeer moest het ontgelden. De locomotieven werden kapot geschoten en opeens was machinist en stoker een levensgevaarlijk beroep geworden. De stations werden gewaarschuwd als Amerikaanse jagers boven ons land werden gesignaleerd. Ze staken dan een geel-blauwe vlag uit als waarschuwing voor de reizigers, die dan zoveel mogelijk achter in de trein gingen zitten.


Station Dedemsvaart-Spoor werd in de oorlogsjaren flink gehavend.

Op een keer moest ik met de trein van Heino naar Zwolle. Hoewel de waarschuwingsvlag uithing, dacht ik: "Ik ga maar in het voorste rijtuig zitten. Op zo'n klein eindje zal er wel niets gebeuren." Ik wilde net in de trein stappen toen er een oorverdovend geknetter weerklonk: een vliegtuig nam de locomotief onder handen. Ik zocht zo snel mogelijk dekking, maar je voelt je niet lekker als aan weerskanten de kogels in de grond slaan. Gelukkig liep bijna alles goed af. Een paard, dat voor het station stond, werd getroffen en moest worden afgemaakt. Ik nam me voor niet meer per trein te reizen, maar daar is niet veel van gekomen.
Ook het verkeer over de weg werd beschoten. Er werden putten naast de weg gegraven waarin zo nodig geschuild kon worden. Kon je in geval van beschieting achter een dikke boom schuilen, dan zat je goed. Wel moest je er voor zorgen aan de schaduwkant van de boom te gaan staan, want de vliegtuigen vielen altijd aan met de zon in de rug.

In mei 1943 brandde de molen in Den Hulst af ten gevolge van vonken uit een gasgenerator. Er woei een strakke noordoosten wind en alles was kurkdroog en de brandspuit kon weinig tegen de vlammenzee beginnen. De brandweer van Staphorst werd nog te hulp geroepen, maar het was al te laat. Wel bluste deze brandspuit de brand van het huis van Arend Mannen aan de overzijde van de Dedemsvaart. Het huis was door overvliegende vonken en stukken gloeiend zink van de molen in brand geraakt. Alleen een gedeelte van het dak ging in vlammen op en zo had de Staphorster brandweer toch nuttig werk gedaan.

Het oorlogsgeweld kwam steeds nader. Reikhalzend keken we uit naar de invasie vanuit het westen. De Engelse zenders stelden die steeds maar weer in het vooruitzicht. Het duurde allemaal zo lang meenden wij, niet wetend welk een gigantische voorbereiding zo'n invasie vergde. Het moest allemaal tot in de perfectie georganiseerd worden, want als de invasie mislukken zou, dan was de ellende niet te overzien.
Op 6 juni 1944 was het dan eindelijk zover. De geallieerde troepen kwamen in Frankrijk aan wal. De invasie werd door de bevolking met groot enthousiasme ontvangen, behalve door degenen die met de Duitsers samenspanden. Maar Hitler beloofde door middel van een geheim wapen de krijgskansen te doen keren. Vooral de V2 was een geducht wapen, dat in en rond de havens van Antwerpen en Londen grote schade aanrichtte. Ze werden vanaf een betrekkelijk kleine lanceerinrichting afgevuurd.


De molen met het molenaarshuis in Den Hulst.

Zo'n lanceerinrichting was er in de bossen van Hessum, in de buurt van speeltuin Madrid ten zuiden van de Vecht tussen Dalfsen en Vilsteren.
Ook werden V2's afgevuurd vanaf het landgoed Mataram bij Dalfsen. Ongeveer 10% van de lanceringen mislukte en dan kwam zo'n V2 met donderend geweld weer naar beneden.
Nadat er zo'n honderd raketten waren afgevuurd werd de lanceerplaats ontmanteld en ergens anders weer geformeerd. Zo heb ik de verlaten lanceerplaats in Hessum eens bezocht. Het stelde niet veel voor. Een plek van misschien 25 meter in het vierkant. Het stonk er enorm naar spiritus. Ik neem aan dat de raketten aangedreven werden door alcohol. In de grond zaten wat schuilplaatsen, vanwege de kans op ongelukken. De eigenlijke lanceerinrichting was vanzelfsprekend al verdwenen.
Op 17 september 1944 landde een grote troepenmacht bij Arnhem met het doel de brug over de Rijn onbeschadigd in handen te krijgen. De Duitsers en degenen die met hen samen werkten, raakten in paniek en velen vluchtten naar het noorden om het vege lijf te redden. Maar de Duitse Wehrmacht herstelde zich en de hele operatie, genaamd Market Garden, mislukte. De verliezen aan mensen en materiaal waren enorm.


Een V2-raket op transport.

De teleurstelling onder de bevolking was zeer groot. Wat nu? Door de regering in Londen was opgeroepen tot een spoorwegstaking. Deze werd algemeen opgevolgd en de treinenloop lag stil. Door Duits personeel op de treinen te zetten bleef het militaire verkeer gedeeltelijk mogelijk. Maar burgerlijk verkeer en vervoer van goederen was taboe. Dit had verschrikkelijke gevolgen voor de burgerbevolking in het westen, want die bleef van aanvoer en distributie van goederen uit het noorden en oosten van het land verstoken. De rantsoenen werden steeds kleiner en al spoedig was er in het westen niets meer op de bonnen te verkrijgen. Alleen wie over heel veel geld of ruilmiddelen beschikte, kon via de zwarte handel nog aan eten komen. Een grote hongersnood was het gevolg.
Vanuit het westen trokken duizenden de IJssel over om bij de boeren eten op te scharrelen. Alles wat wielen had werd hiervoor gebruikt:
bakfietsen, handkarren, kinderwagens, fietsen enz. Gewone luchtbanden waren zeer schaars en door haast niemand te betalen. Maar de mens is vindingrijk en uit oude autobanden werden smalle repen gesneden en om de velgen gelegd. De uiteinden werden door middel van ijzerdraad aan elkaar verbonden. Het trapte wel zwaar, maar men was gered.
De "trekkers", zoals de etenhalers werden genoemd, troffen ook nog een strenge winter. Het vroor behoorlijk en er lag veel sneeuw.
Ongelooflijk wat door die mensen werd gepresteerd. Per dag werden grote afstanden afgelegd.

Een probleem was ook het slapen. Iedere avond kwamen mensen om onderdak vragen.
Hieraan werd wel voldaan, maar de meesten moesten op de deel in het hooi slapen, zo goed mogelijk toegedekt. Ze waren overal tevreden mee.
Het werd steeds moeilijker om aan de vraag naar eten te voldoen. De voorraden tarwe en rogge raakten op, maar gelukkig hadden we nog voldoende aardappelen. Een bord aardappelen, wat groente en een stukje spek was voor de trekkers een feestmaaltijd, maar ze moesten alsmaar verder naar het oosten en het noorden om nog wat eten te bemachtigen.
Vaak werden de fietsen te zwaar beladen, waardoor het achterwiel het begaf. Dat was een ramp. De fietsenmakers deden, meestal belangeloos, hun uiterste best om de fietsen weer gangbaar te maken.
De beschietingen vanuit de lucht werden steeds intensiever. Op alles wat bewoog werd geschoten. Niets en niemand werd ontzien. Het heeft ook trekkers het leven gekost.
De Duitsers dreigden de IJsselbrug bij Zwolle voor burgerverkeer af te sluiten, wat op 1 maart 1945 ook gebeurde, en controleurs namen uit wraak vergaarde levensmiddelen in beslag. Toen was het praktisch afgelopen met het eten halen en in het westen werd de hongersnood steeds nijpender.
Na de oorlog maakten sommige mensen de boeren in oost en noord Nederland uit voor uitbuiters en zwarthandelaren. Altijd en overal zijn mensen die misbruik maken van de nood van de medemens, maar ik kan rustig zeggen dat dit uitzonderingen waren. Ook het overgrote deel van de inwoners van Nieuwleusen heeft haar burgerplicht naar vermogen vervuld.

In het najaar van 1944 kwam het bevel om bij Hasselt langs de oostelijke oever van het Zwartewater versterkingen aan te leggen. De uitvoering hiervan was in handen van de organisatie Todt. Iedere morgen trokken koppels arbeiders, zelfs vanuit Dedemsvaart, per fiets naar Hasselt. Men kon ze al op grote afstand horen aankomen, want de meesten reden op "antiplofbanden". 's Avonds was de optocht in omgekeerde richting. Naast een behoorlijke betaling kregen de "dwangarbeiders" een warme maaltijd, een welkome aanvulling op het zeer karige rantsoen.
De loopgraven en versterkingen zijn nooit gebruikt, want de bevrijders kwamen niet uit het westen, zoals de Duitsers verwachtten, maar vanuit het oosten.

In de late avond van 7 april werden in deze omgeving groepen parachutisten afgeworpen om strategische punten te bezetten en de opmars van de bevrijdingstroepen te bespoedigen. Een aantal kwam onbedoeld aan de zuidzijde van de Dedemsvaart terecht. De afgedwaalde parachutisten verzamelden zich bij de boerderij van Gerrit Schoemaker aan het Zandspeur. Deze kon hen de gevraagde informatie niet verschaffen. De taal was een barrière. Daarom bracht zoon Derk Jan er een paar naar ons toe, denkend dat ik wel met ze kon praten.
Het bleken Franse parachutisten te zijn die helaas alleen Frans spraken en mijn kennis van het Frans was maar zeer beperkt. Later kwamen de anderen van de groep ook naar ons toe en daarvan sprak er een wat Engels. Toen verliep de conversatie wat beter.


De vijver in het Staatsbos in 1941.

Intussen waren Hendrik Heite en Jan de Lange gewaarschuwd, want de afspraak was, dat wanneer er iets bijzonders aan de hand was, we elkaar zouden waarschuwen.
De opdracht voor de parachutisten was optrekken naar IJhorst om de weg Balkbrug - Meppel vrij te maken. De stafkaarten die ze bij zich hadden stamden van ver voor de oorlog. De (Staphorster) Staatsbossen stonden nog niet op de kaart. Dat gebied was nog aangegeven als woeste grond en heidevelden en de Reest was aangegeven als een vrij brede rivier. De jongens waren moe. Daarom werden snel eieren gekookt, die er met smaak ingingen. Wij kregen een flesje whisky en een paar stukken chocolade.
We overlegden wat te doen en stelden voor de jongens naar de verzetsgroep in de Staatsbossen te brengen. Daar konden de para's wel mee instemmen. De moeilijkheid was om over de Dedemsvaart te komen, want de Ommerdijkerbrug en de brug bij Sluis 3 waren door de Duitsers opgeblazen. Gelukkig lag in de nabijheid het schip van De Vries aan de wal. Het gezin had het schip verlaten omdat ook schepen regelmatig vanuit de lucht werden beschoten. Hiermee werd de overtocht gemaakt en toen ging de groep, bestaande uit ongeveer 12 personen met als gidsen Willem Borgers, Hendrik Heite en Jan de Lange, via de Spijkersweg en de Kanlaan naar de schuur in het Staatsbos. Tot hun grote vreugde troffen de para's hier een viertal kameraden aan die nog vermist waren. Groot was de vreugde van het weerzien.
's Morgens vroeg lagen op de weilanden parachutes en munitie verspreid en de mensen gisten wat er die afgelopen nacht gebeurd was. Ze hadden wel wat gehoord, maar het rechte wisten ze er niet van. Wij hielden ons wijselijk stil, want het gevaar bestond, dat als bekend werd wat er gebeurd was, collaborateurs dit zouden verraden aan de Duitsers en die waren heel radicaal. Wij zouden de kogel krijgen, want de Duitsers waren nog steeds de baas. In Drenthe waren al enkele mensen dood geschoten die parachutisten hadden geholpen.
In de Staatsbossen vond ook een groep van de ondergrondse, waarvan twee broers die Loichot heetten, elkaar weer. Die vier waren door veearts Loman en zijn assistent naar de Staatsbossen gebracht.
's Zondags is een van de broers Loichot, tezamen met de verzetsstrijder Kees de Roos, dood geschoten toen ze op een motor op weg waren naar een afwerpterrein om achtergelaten spullen op te halen.

Een week van onzekerheid brak aan. Via Balkbrug trokken de Canadezen in noordwestelijke richting Meppel en niet verder naar het westen. Zo nu en dan kwamen een paar brencarriers hier om de boel te verkennen, maar daarna gingen ze ook weer terug. En dan zag je weer een paar Duitsers. Nee, erg safe voelden wij ons niet, want als de Duitsers je pakten, kwam je voor het vuurpeloton.
In de Kerkenhoek stuitte een Canadese patrouille, die vanuit Balkbrug naar het zuidwesten trok, op een aantal achtergebleven Duitsers, waardoor een vuurgevecht ontstond. Een bruidspaar, dat zich per rijtuig naar het gemeentehuis begaf, kwam tussen de strijdende partijen terecht en moest in allerijl dekking zoeken achter de bomen.
Gelukkig liep alles goed af. Ook in Ruitenveen vond een vuurgevecht plaats en daarbij werden zes boerderijen een prooi der vlammen.
Op 13 april was Nieuwleusen helemaal vrij van Duitsers en de bevrijding werd uitbundig gevierd.


* * *


EEN MISLUKTE OVERVAL
_____

Omdat goederen als voedsel, kleding en andere zaken steeds schaarser werden, werd een distributiesysteem ingevoerd dat met bonnen werkte. Het distributiekantoor zorgde voor de verspreiding van de bonnen. Dat kantoor was ondergebracht in het spieker dat tussen de kerk en 't Witte Peerd stond. Later werd het daar te gevaarlijk en verhuisde men naar de raadszaal van het gemeentehuis. Men zat daar onder politiebescherming. Geesje de Groot herinnert zich dat het met het personeel onderling wel een gezellige tijd was. Zij kwam in 1942 in dienst.


Het personeel van het distributiekantoor kwam in 1943 op de foto. Vlnr: achteraan: Anton Kleen, Evert Boesenkool, Lammy Kok, Johan Bouwman, Geertje Mijnheer, Henk Schoemaker, Geesje de Groot, Dirk Witten en Jan Waanders

Van enig verzet was tot halverwege de oorlog weinig te merken. Dat veranderde toen in het midden van 1943 degenen die in 1940 krijgsgevangen waren geweest, zich opnieuw moesten melden. Tot de medewerkers van het distributiekantoor behoorde ook Van der Vegt. Hij was beroepsmilitair geweest en weigerde zich te melden. Daardoor was hij genoodzaakt onder te duiken. Zijn collega's verzocht hij om voor zijn vrouw te zorgen, dat wil zeggen te zorgen dat zij over voldoende bonkaarten kon beschikken.
De bonnen werden in steeds grotere getale achterover gedrukt. Op een gegeven moment waren dat er wel 100 in één distributieperiode. Er moest wat gebeuren want anders liep het spaak. Henk Brassien reisde samen met meester Van Aarst naar een knokploeg in Meppel, waar een plan tot overval op het distributiekantoor werd uitgewerkt. De overval, die op 25 januari 1944 plaats had, mislukte echter.
De sleutel van de kluis waarin de bonnen bewaard werden, werd 's avonds aan agent Holties gegeven, die hem in een linnen zakje deed en van een lakzegel voorzag. Hij nam daarop de sleutel mee naar huis en bracht hem 's morgens terug.


Onder begeleiding van twee politieagenten (links Bredewold) brengen Jan Katoele (midden) en Jan Snorrewind distributiebonnen naar het distributiekantoor. De bonkaarten werden 's nachts bewaard in de kluis van het gemeentehuis.

Holties was Nederlander, maar Duits gezind. Van de NSB moest hij echter niets hebben. Hij leefde gescheiden van zijn vrouw, die hem een paar dagen voor de overval zou plaats vinden, nog bezocht. Tijdens dat bezoek kregen ze ruzie en Holties gooide zijn vrouw van de trap, waarbij zij een been brak.
Op de dag van de overval werd Holties op het distributiekantoor aan de praat gehouden tot het donker was. Bij zijn huis werd hij opgewacht, waar hij zou worden overvallen en gekneveld. Het toeval wilde dat hij op weg naar huis zijn dochter ontmoette. Samen liepen ze naar huis en daar aangekomen zette zijn dochter haar fiets in de schuur. Daar zag ze één van de overvallers met een revolver staan en sloeg alarm. Holties kwam er op af en de overvaller schoot op hem. Op 4 februari overleed Holties in het ziekenhuis in Zwolle.
De dag na de mislukte overval deed het gerucht de ronde dat Holties te pakken was genomen door de familie van zijn vrouw. Er is nooit een onderzoek naar het voorval ingesteld.


Bonkaarten voor de periode 1 oktober tot 25 november 1944.

* * *


EEN UTRECHTSE EVACUEE IN NIEUWLEUSEN
_____

Tiny Weyers

Het volgende verhaal is geschreven door mevrouw Tiny Scharrenburg-Weyers uit Bunnik, die als 21-jarige de laatste oorlogsmaanden in Nieuwleusen doorbracht. Nog iedere eerste zondag in het nieuwe jaar komt het echtpaar Scharrenburg bij Tiny's vroegere "kostbaas" op bezoek, waarbij nog menige herinnering wordt opgehaald (1995).

In januari 1945 kwamen mijn oom en tante tijdens een voedseltocht in Nieuwleusen terecht. Toen ze op De Meele waren, kregen ze pech met de handkar en aangezien die eerst gerepareerd moest worden, moesten ze daar noodgedwongen overnachten. Dat gebeurde bij de familie L. Kok. Tijdens dat bezoek werd de overkomst van mij en mijn nichtje Riek geregeld.
We vertrokken op 12 februari, begeleid door oom Jo. De koffers werden op zijn fiets geladen en zo gingen we lopend vanuit Utrecht richting Zwolle. De eerste dag kwamen we tot Nijkerk, waar we bij familie de nacht doorbrachten.
Daarna begon de ellende. Onze voeten waren al kapot gelopen en in de regen en natte sneeuw werd dat er niet beter op. Regenkleding hadden we niet en goede schoenen evenmin. We sjokten door tot Nunspeet, waar we de nacht in een klaslokaal van een school verbleven. We zaten daar met z'n allen, mannen, vrouwen en kinderen, in het op de grond uitgespreide losse stro. De kinderen krijsten van de honger. Gelukkig kregen ze laat in de avond nog een boterham van het Rode Kruis. Om te voorkomen dat de een er met de spullen van de ander vandoor zou gaan, was de school afgesloten. Sommigen waren al op de terugweg naar huis en zij hadden al wat etenswaren bij elkaar gehaald.
Midden in de nacht hoorden we de vliegtuigen overkomen. Ze wierpen lichtkogels af die het lokaal in een spookachtig licht zetten. We waren erg bang dat we gebombardeerd zouden worden, want dan zouden we als ratten in de val zitten.
Onder de aanwezigen was er een die op een gegeven moment een kaars aanstak midden tussen het kurkdroge stro. Ik zal maar niet zeggen wat voor woorden hij naar zijn hoofd geslingerd kreeg, maar het was niet veel moois. Hij wist dan ook niet hoe snel hij de kaars weer moest doven.
Zo ging de nacht voorbij zonder dat we al te veel konden slapen. De volgende ochtend togen we verder richting Zwolle. Onderweg zagen we veel ellende; moeders al maar sjokkend achter de kinderwagen met daarin hun huilende kinderen, mensen met kapotte fietsen en karretjes waarvan een wiel was afgelopen. En het regende maar door!
Toen we eindelijk in Zwolle aankwamen, werden we ondergebracht in een tabaksfabriek. We kregen daar iets te eten en sliepen er op de vliering, dit keer op strozakken. Bij een post van het Rode Kruis kon je je blaren laten doorprikken. Daar kreeg ik later spijt van want de wonden raakten flink ontstoken. Ik heb er veel last van gehad omdat door de hongeroedeem de wonden niet goed genezen wilden.
Die nacht was er een inval van de Duitsers, die de mannen weghaalden voor de Arbeitseinsatz. Hun vrouwen raakten in paniek; zij stonden er vanaf nu alleen voor!


Met handkarren op hongertocht.

Of we de volgende morgen nog iets te eten kregen, weet ik niet meer, maar wel kan ik mij nog herinneren dat die laatste dag de zwaarste was van de hele reis. Tegenwoordig stelt de afstand Zwolle - Nieuwleusen met de auto niets meer voor, maar als je uitgehongerd bent en kapotte voeten hebt, lijkt er geen eind aan te komen. Toen we op de Meeleweg aangekomen waren, was ik zo vermoeid dat ik tegen elke boom eventjes moest rusten.
Eindelijk kwamen we zo 's middags tegen etenstijd aan bij de familie Kok (later zou ik ze Rika en Luuks noemen), totaal uitgeput. Het was 15 februari. Hun zoon Johannes vierde die dag zijn zesde verjaardag. Besloten werd dat mijn nichtje Riek op de boerderij zou blijven en dat ik de volgende dag met de melkrijder naar Griet en Gerrit Klein in Nieuwleusen (zuid) zou gaan.
Na ongeveer een week bleek dat ik beter op de boerderij bij de familie Kok zou kunnen zijn, omdat ze daar meer, vooral naaiwerk, voor mij te doen hadden. Ik vond het best. Op de boerderij waren vier kinderen en dat leek mij wel wat. Dus zo kwam ik bij Rika en Luuks en ging mijn nichtje Riek naar Griet en Gerrit. We kwamen elk weekend bij elkaar, de ene week ging ik naar Nieuwleusen, de andere week kwam Riek naar De Meele.
Zoals in die tijd wel vaker gebeurde, woonden de ouders van Rika ook op de boerderij. Opoe was een kwieke oude vrouw die de hele dag bezig was en opa, die een hartkwaal had, zat meestal bij de kachel.
Bij de familie Kok hebben we veel gelachen. Luuks had er lol in om je onverwachts op een koe te zetten. Als stadse vond ik dat doodeng. Ook heeft hij me eens het land ingestuurd met een kalfje dat aan een lang touw geweid moest worden. Dat beestje begon daar te springen en te rukken! En de hele familie maar roepen: "Hou vast, hou vast!" Maar toen de koeien, nieuwsgierig als ze zijn, aan kwamen hollen, liet ik het kalfje voor wat het was en rende het land uit. Later hebben we er nog menigmaal smakelijk om kunnen lachen.
De eerste weken bleef ik maar eten. 's Morgens acht boterhammen en twee borden pap en als we dan om tien uur melk dronken (koffie was er natuurlijk niet meer), was ik blij als Rika koek gebakken had. Ik rammelde dan alweer van de honger. Waar ik het allemaal gelaten heb, is nu onbegrijpelijk.


De boerderij van de familie Kok aan de Meeleweg.

Pas na een week of zes was ik verzadigd en was het afgelopen met het vele eten.
Van al dat eten groeide ik helemaal dicht. De kleren scheurden me letterlijk van het lijf. Als ik op zaterdag brood moest halen bij bakker Klosse, zei hij: "Deern, deern, wat bi'j alweer egroeid". Dat klopte ook wel want vier maanden later bleek dat ik van 55 kilogram, die ik woog toen ik op De Meele kwam, was gegroeid tot 70 kilogram.

Zo gingen de weken voorbij met naai- en verstelwerk voor de kinderen en 's avonds breien, babbelen en melk drinken en om negen uur naar bed. Ik sliep met Grietje in de bedstee in het kleine kamertje, waar Thijs ook in zijn ledikantje lag.
's Zaterdags was het mijn taak om de schoenen te poetsen en de kinderen te wassen. Eens per maand kwam Jantie, de wasvrouw, om de grote was te doen. Die was daar dan de hele dag mee bezig. Er werd gebleekt op het veldje achter de moestuin en wanneer de was droog was, was er altijd wel wat te herstellen. Ik moest ook de was strijken met een bout die van binnen hol was. Daarin moest je een stuk ijzer doen dat in de kachel heet gemaakt was. Met een tang moest je dat ijzer uit het vuur halen en in de bout schuiven. Dat strijken vond ik een beroerd karwei. Het strijkwerk werd nooit echt mooi omdat de bout snel afkoelde.
Omdat voor Rika niet meer zoveel herstel- en naaiwerk te doen was, ging ik ook naar anderen om daar mee te helpen. 's Morgens vroeg trok ik er dan al op uit. Heerlijk in de vroege ochtendzon door het land lopen!
Op zondag was het altijd rustig. We gingen 's morgens naar de kerk en als we terugkwamen had opoe de melk met een stuk koek erbij klaar staan. Het was dan altijd heel gezellig en er werd over een en ander nog wat nagepraat. Als mijn nichtje Riek er was, gingen we 's middags een eind wandelen. Bij slecht weer zaten we vaak in de hooiberg te zingen.
We hadden het goed, meer dan goed zelfs. In het westen werd de toestand steeds slechter en al gauw werd de brug over de IJssel gesloten en konden er geen voedseltochten meer plaatsvinden. Vanaf dat moment hadden we geen enkel contact meer met onze familie. Daarvoor kon je nog weleens een brief meegeven aan mensen die eten kwamen halen. Het was heel erg te weten dat je familie bijna niets te eten had en dat jij daaraan geen gebrek had. Wat had ik graag wat overgestuurd, maar helaas, dat kon niet.
Zo tegen Pasen had ik een doos vol met levensmiddelen verzameld die ik met naai- en verstelwerk had verdiend. Er zat van alles in: boter, eieren, brood enzovoort. Een vrachtrijder zou de doos meenemen, maar helaas, de rit ging niet door. Toen ik weer thuis was hoorde ik van mijn moeder dat ze juist met Pasen helemaal niets te eten hadden gehad!

Het was ook hier niet alleen maar pret. We hebben wel eens angstige momenten gehad als ze de spoorlijn bombardeerden. Ik herinner me de keer dat ik bij Arend van Ankum, die vlak bij de spoorlijn woonde, met naaiwerk bezig was toen er weer gebombardeerd werd. Het was zo erg dat de schilderijen van de muur vielen.
Bij een ander bombardement waren er bij ons twee vrouwen uit Den Haag met paard en rijtuigje. Het was echt angstig. De beide vrouwen stonden hardop te bidden en opoe lag op haar knieën in de hooiberg.
Voordat de IJsselbrug gesloten werd, was het een komen en gaan van mensen die om eten kwamen vragen. We hadden vaak eters aan tafel want Rika stuurde niet gauw iemand zonder eten weg.


De boerderij op De Meele waarin het gezin van Arend van Ankum woonde.

Luuks werkte van de vroege ochtend tot de late avond en vaak moest Rika hem wel drie keer roepen om te komen eten. Dan dacht ik: "Man, kom nou toch eens, ik verga van de honger".
Er was ook een onderduiker bij ons op de boerderij. Hij noemde zich Piet, maar dat was niet zijn echte naam. Later hoorde ik dat hij uit Beilen kwam. 's Nachts sliep hij in de hooiberg op het erf.

Langzaam maar zeker naderde de bevrijding. Onze bevrijders kwamen steeds dichterbij, waardoor de spanning met de dag steeg. Soms kwamen de granaten gierend over. De koeien loeiden alsof ze in doodsnood verkeerden.
Op een avond zagen we dat er in de verte in zuidelijke richting boerderijen in brand stonden. Toen brandde ook de boerderij af van de broer van Rika in het Westeinde.
De geruchten gingen dat de Canadezen al aan de Dedemsvaart waren en Luuks, nieuwsgierig geworden, moest er zo snel mogelijk naar toe. Hij wilde de Canadezen met eigen ogen zien. Bijna zou hij nooit weer iets gezien hebben, want toen hij dichtbij was, werd er geschoten. Door met een snoeksprong in de sloot te springen, wist hij het vege lijf te redden. Na een tijdje kwam hij weer thuis, danig geschrokken en van top tot teen onder het eendenkroos. Natuurlijk konden Rika en ik het lachen niet laten. Het was ook geen gezicht, die stoere boer bleek van schrik en onder het kroos. Luuks was meteen genezen van zijn nieuwsgierigheid.
Eindelijk op 14 april, een prachtige voorjaarsdag, ratelden de tanks over de Meeleweg. Wat een heerlijk gevoel! De weg werd totaal kapot gereden, maar dat hinderde niets. We waren vrij! Ik weet nog dat ik met krulspelden in het haar en tranen in de ogen op het erf stond te kijken naar de gezichten van de mannen, die vermoeid door hun verrekijkers de omgeving afspeurden naar eventueel achtergebleven Duitsers.
De radio werd weer tevoorschijn gehaald. Die was verstopt onder de keldertrap bij opoe in de kamer. Ik hoorde toen pas dat de familie elke avond naar de Engelse zender had geluisterd. De radio en het luisteren er naar was zo goed geheim gehouden dat ik er nooit iets van gemerkt heb.

Nu wij bevrijd waren konden we weer vrijelijk luisteren. We hoorden dat de nood in het westen erg hoog was en dat veel mensen van de honger omgekomen waren. En dan ben je bang om je familie, waar je al een hele tijd geen contact meer mee hebt gehad. Hoe zou het met ze zijn? Zouden ze het goed overleefd hebben? Al dat soort vragen komen dan bij je op.
Na de vreugde hernam het leven zijn gewone loop. NSB'ers werden onder het oog van een stilzwijgende menigte opgebracht naar het gemeentehuis in Nieuwleusen. Grote groepen Nederlandse arbeiders die in Duitsland te werk gesteld waren, kwamen op eigen gelegenheid uit Duitsland terug. Ze werden tegengehouden en ondergebracht in de school in Den Hulst. We gingen daar vaak heen om te vragen of ze misschien mijn broer kenden die ook in Duitsland had gewerkt. Dat was natuurlijk zoeken naar een speld in een hooiberg.
Op datzelfde schoolplein kon je ook naar nieuws uit het westen gaan luisteren. Op een avond hoorden we van de voedseldroppings en we waren blij dat ook voor onze familie de redding nabij was. En eindelijk, eindelijk op de vijfde mei, hoorden we klokgelui. Ik was binnen bezig toen opoe in de deuropening verscheen, de handen in de zij en riep: "Deern, 't is vrede. De oorlog is afgelopen!" Dat moment vergeet ik nooit. Wat een vreugde, eindelijk, v r e d e ! Ondanks het feit dat we het hier goed hadden, wilden we daarna zo snel mogelijk naar huis, naar onze familie. Maar helaas, daar was voorlopig geen sprake van. In verband met besmettingsgevaar voor de sterk ondervoede bevolking daar mocht er niemand naar het westen. Maar eindelijk, op 15 juni 1945, konden we met de melkauto van de fabriek naar huis. Ik zal die periode in mijn leven nooit vergeten!


Een winterse foto van de Meeleweg omstreeks de oorlog.

* * *


ETEN HALERS EN GESCHAAD VERTROUWEN
_____

Dat de goeden altijd onder de slechten moeten lijden, blijkt uit het volgende verhaal.

In september 1944 kwamen hier de eerste etenhalers. Volkomen verbijsterd keken de tafelgenoten naar de hoeveelheid roggepap die de etenhalers "naar binnen werkten". Konden mensen zoveel honger hebben? Dagelijks herhaalde zich dat patroon.
's Nachts mochten ze op de hilde (dat is de zolder boven de koeien) slapen, maar met één strenge voorwaarde; ze mochten er 's nachts niet meer af omdat de boer zelf ook rustig wilde slapen. Ze moesten dus naar de wc voor ze gingen slapen en daar 's morgens mee wachten tot de bewoners wakker waren. Dat ging lang goed, tot op een nacht toch iemand naar beneden sloop en de konijnen doodsloeg, meenam en wegliep. De boer was in het diepst van zijn ziel getroffen en liet geen etenhalers meer op zijn erf. "Weg van mien erf, of ik steek oe aan de greepe" was vanaf die dag het dreigende parool.


* * *


DANKBARE ETENHALERS
_____

Door het grote aantal etenhalers uit het midden en westen van het land dat naar het oosten trok, raakten de voorraden in de dichtbijgelegen plattelandsgebieden ook steeds meer op. Dat dit niet de enige reden was voor de etenhalers om helemaal naar Overijssel en de noordelijke provincies te trekken wordt duidelijk uit enkele bewaard gebleven brieven. Hieronder volgen er een paar van etenhalers uit Utrecht aan de familie Blik aan het Oosteinde.

Donderdag 25 januari 1945

Geachte Familie Blik,
Nu mijn zwager en ik weer behouden in Utrecht zijn aangekomen, kan ik niet nalaten u nogmaals hartelijk te bedanken voor de gastvrijheid die wij bij U hebben mogen genieten. Ik denk nog terug aan die heerlijke pap en aan dat lekkere eten met spek. Wat smaakte dat toch lekker! Ja, wij hebben het verschil van mensen nu goed ondervonden, hoe of ze zijn boven Zwolle of meer hierop aan, dat verschil is werkelijk te groot. Een glaasje water werd me nog geweigerd, dus behoef ik u verder niets te vertellen.
De reis naar huis is naar omstandigheden tamelijk goed verlopen, alleen de sneeuw heeft wel wat moeilijkheden meegebracht. Toen we zaterdagmorgen bij u vertrokken, hebben we helemaal moeten lopen tot Zwolle en kwamen we daar om ongeveer 5 uur aan. We dachten toen bij onze kennissen te kunnen logeren, doch toen we Zwolle binnenkwamen werd ons gezegd dat we vóór 8 uur 's avonds de IJssel over moesten zijn, anders kwamen we er niet meer over. Dat vond ik heel erg, want ik was doodmoe en had kletsnatte voeten. We hebben toen 50 pond rogge in Zwolle gelaten, want onze vracht was te zwaar, we konden het niet langer torsen. Toen maar weer verder de IJssel over!
Toen we dan weer 4 kilometer gelopen hadden kwamen we bij een R.K. kerkje in Hattemerbroek. We gingen toen maar bij de pastoor aan om onderdak want er kwamen duizenden mensen de IJssel over en zochten onderdak bij boeren. Wij konden dus nergens meer terecht. Onderhand was het al donker en half zeven geworden. De pastoor kon ons geen onderdak geven, zijn halve huis was ingenomen door de Duitsers. Wat moesten we toen doen? We konden nergens meer terecht. Inmiddels waren er nog méér mensen bijgekomen die daar slapen wilden. Na lang bidden en smeken mochten we in de kerk gaan zitten, die natuurlijk steenkoud was en wij waren zo koud en zo nat. Toen dacht ik aan het warme stoofje wat ik direct van U kreeg! Wat een verschil!
Toen we een paar uur in die koude kerk gezeten hadden (we waren toen met zijn zessen) en verstijft waren van de kou, kwam de pastoor en mochten we in een verwarmde kamer zitten. We kregen ook nog een beker koffie en mochten toen 's nachts in die kamer blijven zitten. U begrijpt dat er van slapen niet veel kwam, want de kachel ging al gauw uit, zodat het koud werd in de kamer en geen dekens genoeg en op een stoel kan men toch niet slapen.
Zondagmorgen, nadat we om 8 uur naar de kerk geweest waren, ben ik nog even terug gereden naar Zwolle om die rogge te halen, want we dachten aan deze kant van de IJssel staat ie beter dan aan gene kant. Het staat nu dus nog in Hattemerbroek. Mijn zwager moet, als het weer wat beter wordt, het daar gaan halen.
Daarna zijn we maar weer met frisse moed op stap gegaan, alhoewel het niet mee viel door die sneeuw. Maar het was één troost, er waren er duizenden met ons die haast niet meer voort konden. Ach, ach, wat hebben we toch een ellende gezien. Werkelijk, ik heb soms zitten huilen op de fiets om de narigheid die er langs de weg is, 't is niet aan te zien! Wij zijn zondag dan ook niet verder gekomen dan Nunspeet, maar om dáár onderdak te krijgen, dat heeft wat in gehad. We hebben bij een boer op de knieën moeten gaan liggen en staan huilen om in het hooi te kunnen slapen. We waren daarom maandagmorgen helemaal niet fit om te fietsen. De schoenen en kousen waren nog nat, zelf waren we nog koud en de moed zat ons in de schoenen. We zijn toen ook niet verder gekomen dan Harderwijk. Daar hebben we gelukkig goed onderdak gekregen bij particulieren. Daar kregen we ook nog een beetje warm eten, zodat we dinsdagmorgen weer zoveel moed hadden om tot Utrecht te fietsen en dat liep allemaal heel vlot als mijn zwager bij Soesterberg geen lekke band gekregen had.


Dat was erg jammer want er was niemand die hem wou maken, zodat we vandaar af naar huis moesten lopen. Dat was ongeveer 13 kilometer. We kwamen dan ook doodvermoeid om 7 uur thuis. Maar ach, dat leed werd gauw vergeten, vooral toen we het koffertje uitpakten en mijn zuster en de kinderen dat spek, worst en eieren zagen. Dat was natuurlijk een verrassing! Dat spek vinden ze toch zo lekker! 't Is net of het veel lekkerder is dan vroeger!
Als mijn zwager die rogge in Hattemerbroek gaat halen en hij mag nog de IJssel over dan komt ie beslist nog even bij u aan om u persoonlijk nog eens te bedanken, want dat kunnen we niet genoeg doen. Ik wou dat ik u ook eens ergens een genoegen mee kon doen! Maar misschien komt dat nog wel eens. Ik vergeet u toch niet en als ik kan en mijn fiets is goed, dan kom ik in februari of maart, als het weer wat beter wordt, toch nog eens bij u aan. Als u het tenminste goed vindt, maar daar twijfel ik niet aan!
Nu beste luitjes ga ik eindigen na u nogmaals ook namens mijn zwager de heer Perenboom, hartelijk bedankt te hebben voor al het liefs wat u voor ons gedaan hebt. Doet u vooral heel veel groeten aan Mien en Lex. Als u kunt schrijft u dan eens terug?
Een spoedig weerziens!

Mejuffr. B. Bouten

- - - - - -

Utrecht, 13 februari 1945

Geachte familie,
Nu wij gister weer behouden in Utrecht zijn aangekomen, kan ik niet nalaten u over onze thuiskomst even te schrijven. Vermoedelijk zal de brief wel zeer lang onderweg blijven en zou het nog wel eens kunnen gebeuren dat zelve weer eerder in Nieuwleusen zijn als deze brief, doch ik waag het er maar op.
Vooreerst bericht ik u dan dat wij zondagmorgen tegen half negen in Zwolle waren en daar om 9 uur reeds ter kerke konden. Wij zijn aldaar weer tegen elf uur weg gereden en bereikten met enige strubbelingen bij het passeren van de IJsselbrug tegen half twaalf de overzijde. De controle was zeer streng, dat wil zeggen iedereen moest de controle der CCD passeren. Wij zijn echter langs een omweg op de brug gekomen en hadden alléén controle van de Duitsers, die ons echter direct lieten doorgaan. Dat was boffen. De reis van IJsselbrug naar Nunspeet verliep ook zeer gunstig en we waren tegen 3 uur aan ons eerste rustpunt Nunspeet. We werden bij de bewuste boer ook zeer goed ontvangen, doch is het ons nog gelukt om bij een villa een onderdak te bekomen, met elk een bed. De ontvangst wat het eten echter betreft is aldaar niet te vergelijken met N.Leusen. Dat verschil is te groot om er ook maar met één enkel woord over te schrijven.
We hebben echter toch nog kunnen ontbijten bij de bedoelde boer en zijn maandagmorgen om 8 uur op weg gegaan naar Utrecht. Eerst verliep alles gunstig doch onder Putten kregen we een lek bandje. Ik heb dit zelve gemaakt en vooruit ging het weer. Het liep tegen 12 uur en begon vies te regenen, wat aldoor erger werd. We hebben echter vol moed doorgezet en waren om half zes thuis, alwaar de vreugde over de behouden thuiskomst groot was. Ik zelve was bij lange na niet zo vermoeid als mijn schoonzuster, die er ditmaal veel meer weet van heeft als de vorige keer. Op het ogenblik is het bijna twaalf uur, doch ze ligt nog steeds in bed. Enfin, de reis was gister inderdaad ook zwaar, vooral met zulke volgepakte fietsen. Het graan echter wat in Hattemerbroek stond, hebben we nu ook thuis en dat is een hele geruststelling. We hebben gisteravond nog lekker gesmuld van die heerlijke koek met koffie en MELK. Deze melk heb ik in Nunspeet nog kunnen kopen bij de bedoelde boer.
Tot slot wil ik u allen ook namens mijn schoonzuster nogmaals hartelijk bedanken voor het méér dan vriendelijk onthaal en tehuis wat wij bij u gevonden hebben en hopen spoedig nog eens te kunnen overkomen, want in N.Leusen komen we echt op verhaal. Ik groet u allen hartelijk en verblijf als steeds, uw toegen.

J. Perenboom

- - - - - -

Utrecht, 2 maart

Beste familie Blik,
Ik kan niet nalaten nog een paar woorden van dank bij te voegen voor het buitengewoon gulle onthaal wat wij bij u genoten hebben en niet minders ook namens mijn zuster voor de heerlijke koek die u ons hebt meegegeven. Lieve hemel, wat was die lekker, ik vond hem en ook alle andere nog lekkerder dan vorige keer, klopt dat? We hebben 's avonds direct een sneetje genomen al was het bij een kopje zwarte koffie, het smaakte verrukkelijk! De kniepertjes zijn ook goed overgekomen en wilt u zo vriendelijk zijn om de familie Reuvers hiervoor ook nog eens te bedanken?

Over de wetenswaardigheden van de reis heeft mijn zwager u reeds geschreven en ik ben weer dolblij dat ik weer thuis ben, alhoewel ik wel een paar weken bij u had willen zijn, maar dat gaat nu eenmaal niet en ik ben al dankbaar dat ik toch enkele dagen zo heerlijk gegeten en gedronken heb.
In de oorlog maakte smid H. Stolte kniepertjesijzers met teksten als "Ik hou van Holland" en "Oranje Boven".

Ja, dat valt me nu wel een beetje af en kan nu niet meer zo veel eten als ik wil, niettegenstaande de trek naar eten buitengewoon groot is, maar dat moet ook maar weer wennen.
Voor de aardigheid zend ik u hierbij een paar foto's. Op die ene ziet u eerst de kinderen, ik, mijn moeder en mijn zuster. Deze foto is bijna 6 jaar oud, dus de kinderen zijn nu heel wat groter. De andere foto is nog een jaar ouder. Latere foto's hebben we niet, want zolang de oorlog al duurt, is er geen lust geweest om foto's te maken. Op de derde foto ziet u wel dat mijn zwager heel wat dikker geweest is, niet? Maar hij hoopt nog steeds dat ie zijn 30 pondjes terug zal krijgen, maar dan zal de oorlog toch niet lang meer moeten duren hoor!
Nu beste luitjes, ik hoop werkelijk dat ik u weer heel spoedig terugzie. Zo gauw de gelegenheid zich voordoet zullen we daarvoor ook ons best doen. Wilt u vele groeten overbrengen aan de familie Reuvers, uw broer, de familie Blik en ook uw zuster en zwager en de familie Meulman en verdere bekenden. Ontvangt u nu tot slot vele hartelijke groeten, ook van mijn zuster en de kinderen, van uw toegenegen

B. Bouten

- - - - - -

Utrecht, 16 maart 1945

Geachte familie, Ons schrijven van begin maart, waarin wij u onze behouden thuiskomst berichtten zult u inmiddels wel ontvangen hebben en zijn wij verlangend eens iets van u te vernemen. Nog vaak denken wij terug aan de prettige dagen, welke wij bij u mochten doorbrengen en spreken er dikwijls over. Jammer dat we niet meer kunnen overkomen, dat wil zeggen, we kunnen mogelijk nog wel komen, doch niets mee terug nemen. Laten we hopen dat de tijd spoedig anders moge worden en we dan de gelegenheid krijgen u hier in Utrecht te ontvangen. De toestand hier is er intussen niet beter op geworden al kunnen we, althans voor ons, ook niet van een verslechtering spreken. Het merendeel der mensen echter lijdt werkelijk honger. Wel hebben we nog een buitenkansje gehad door de goederen van het Zweedse Rode Kruis, waarvan wij per persoon 1 brood (wittebrood!!) en een pakje margarine ontvingen. Volgende week ontvangen we weer elk een half wittebrood en margarine. U begrijpt dat zoiets zeer welkom is. Hoewel we met alles zeer zuinig aandoen, begint de boter toch te slinken en eveneens de eitjes. We zorgen er echter angstvallig voor dat we met de paasdagen nog Nieuwleuser eieren kunnen eten.
Hoe gaat het met de andere bekenden zoals de fam. Reuvers, Meulman, Klunder en anderen? Wilt u vooral bij Reuvers onze beste groeten overbrengen? Ook u allen groet ik zeer hartelijk, mede namens mijn verdere huisgenoten en verblijf steeds uw toegen.

J. Perenboom

- - - - - -

Er zijn veel etenhalers in deze regio geweest. Velen daarvan hebben na de oorlog nog contact gehouden met Nieuwleusen.
Bij dierenarts Loman hebben ook enkele etenhalers enige tijd onderdak gevonden. Zo was er Gideon van den Boetzelaar uit Utrecht, een jongen van een jaar of negen, die daar in 1944 kwam en meer dan een jaar bleef. In 1946 schreef hij aan Henk Loman:
"Maar ik wou je vragen of je in de zomervacantie bij mijn kwam. Ik ben al een hele tijd bij jullie geweest. Dan zal ik je heel Utrecht laten zien."
Ongetwijfeld zijn er meer brieven naar Nieuwleusen gestuurd waaruit dankbaarheid blijkt.











Voedseldropping boven het westen van ons land.

* * *


DE VERZETSGROEP VAN HET SCHOT, DE BOSWACHTERIJ STAPHORST EN DE BEVRIJDING
_____

De uit Almelo afkomstige politieman H.(Jos) Bonvanie was in Brabant wachtmeester bij de politie geweest en overgeplaatst naar Staphorst. Daar kwam hij in augustus 1944 in contact met de verzetsbeweging. Op 19 augustus 1944 zag hij kans in zijn eentje de bonnenvoorraad en het bevolkingsregister van Staphorst weg te nemen. Hij bracht de buit naar de grasdrogerij in het Staphorsterveld, een toen nog heel dun bevolkt ontginningsgebied. Hij werd daarna naar de knokploeg van Steenwijk gebracht. Daar werd het te gevaarlijk en de Steenwijker KP’ers (KnokPloeg) besloten, met goedvinden van de kampbeheerder, onder te duiken in het kamp "Het Wiede Gat" aan de Kanlaan vlak bij de Staatsbossen aan de spoorlijn Zwolle-Meppel.
Omdat alles na de landing in Normandië op 6 juni er nog op wees dat de geallieerden fors zouden doorstoten naar ons land, begonnen mensen van de BS zich overal voor te bereiden op hun taak in het slotoffensief tegen de gehate vijand en waar mogelijk werden de krachten gebundeld. Zo ook hier.
In het kamp "Het Wiede Gat" kwamen eind augustus een aantal leidinggevende verzetsfiguren bijeen om dit te bespreken. De Staphorster- en Steenwijker groep sloten zich aaneen, waardoor een gevechtsgroep van circa 30 man sterk ontstond.
De groep nam haar intrek in dit kamp. Dag en nacht werd er wacht gelopen en op 5 september 1944, Dolle Dinsdag, bracht men zelfs een zware mitrailleur voor het kamp in stelling. Alles wat "fout" was raakte die dag in paniek en velen vluchtten via Staphorst en Meppel richting Noord-Duitsland.
Op 6 september kreeg een personenauto pech, vlakbij het kamp en een inzittende vroeg om hulp. De twee inzittenden waren, zo bleek achteraf, SD-officieren en er ontstond een vuurgevecht waarbij één sneuvelde en de ander wist te ontkomen. De 15 KP’ers vluchtten naar het Westerhuizingerveld. In de boerderij van Johannes Kist kregen ze onderdak.
Inderdaad kwam kort daarop een grote groep Duitsers het kamp binnenstormen. De kampbewoners werden duchtig aan de tand gevoeld en omwonende boeren kregen rake klappen, maar de Duitsers keerden onverrichter zake terug.
Koerierster Nel herstelde het contact met de ondergrondse buitenwereld, waarvan "De Groene" (Beernink) in Zwolle een centrumfunctie innam. De Steenwijker groep besloot terug te gaan naar Steenwijk en de Staphorster groep besefte dat, na de mislukte landing bij Arnhem op 17 september, de bezetter genadelozer dan ooit op zoek was naar gezinnen die illegale werkers onderdak boden. Eerst dacht men dat Berkum een goede schuilplaats zou bieden, maar door de grote concentratie Duitsers in die buurt viel dat meteen weer af.
Begin oktober werd contact gezocht met boswachter Van Veenen van het Staatsbos. Deze wees in het bos een geschikte, redelijk verscholen plek aan waar een tent voor ongeveer 20 personen opgezet zou kunnen worden. Hout voor het geraamte was in het bos aanwezig, stro werd bij bevriende boeren opgehaald, dekkleden "leende" men op het stationsemplacement van station Dedemsvaart van de Duitse spoorwegen en dekens kreeg men van "Het Wiede Gat". Het onderkomen werd gecamoufleerd met dennentakken en sporen werden steeds weggewerkt.
Elke avond begaf men zich na "spertijd" per fiets, voorafgegaan door Nel, naar de boerderij van Kist om de door en door verkleumde lichamen op temperatuur te brengen. Overdag moesten de KP’ers, om niet gezien te worden, in de hut blijven. Het regende veel, maar hoewel het koud was, mocht er niet gestookt worden omdat de rook hen zou verraden. De Duitsers hadden twee bemande uitkijktorens op ’t Schot. In de spertijd waren de Landwachters veel op pad om slachtoffers te vinden voor de Duitse SD (Sicherheits Dienst).
Omstreeks die tijd stopte een Duitse legertrein, die door geallieerde jagers onder vuur werd genomen, vlakbij het Staatsbos. Drie Luftwaffemilitairen namen de benen en hielden zich enkele weken in leven met wat op het land groeide. Ze schuilden en sliepen onder hun camouflagezeiltjes. Een werknemer van "Het Wiede Gat" ontdekte ze en bracht hen naar de KP’ers.
Het bleken drie Poolse jongens van 18 en 19 jaar oud te zijn. Tijdens een razzia in Potsdam waren ze van straat geplukt en ingelijfd in het Duitse leger. Dokter Van der Sterre in Balkbrug heeft hen weer opgeknapt. Ze werden bij boeren aan de rand van het bos ondergebracht en hebben daar de bevrijding meegemaakt. Hun uniformen zijn aan de KP gegeven. Omstreeks 1990 bezochten twee van de drie Polen, vergezeld van enkele oud-verzetsstrijders, nog eens de schuur waar ze enige tijd in ondergedoken hadden gezeten.
Van de illegaliteit uit Zwolle kwam de opdracht een lid van de Landwacht in de buurt van het Staatsbos te liquideren, omdat hij levensgevaarlijk was voor het verzet. Gestoken in Duits uniform voerden KP’ers hun opdracht uit.
Eind oktober hoorden de 12 KP’ers dat het bos door de vijand uitgekamd zou worden. Meteen werd overlegd wie naar welk adres zou gaan en ze vertrokken.
Op 1 november werd het hele bos afgegrendeld en onder leiding van de Sicherheits Dienst uit Meppel uitgekamd. Iedereen die er in of uit wilde, werd naar de schuur van de boswachterij gebracht en ondervraagd. Ook boswachter Van Veenen werd er van verdacht onder één hoedje te spelen met de "terroristen" en danig aan de tand gevoeld. Op een haartje na werd hij niet overgebracht naar de SD-gevangenis in Meppel.

In de boerderijen aan de rand van het bos werd alles overhoop gehaald; ook de drie boerderijen waar de Polen ondergedoken zaten. Eén Pool werd opgepakt, maar wist in de schuur weer te ontsnappen.
De KP’ers wisten dat het bos niet meer veilig was en ze mochten zich in een onbewoonde schuur in het veld schuil houden. 's Avonds gingen ze weer naar de boerderij van Kist omdat het ook hier weer veel te koud was. Overdag werd de schuur alleen verlaten om sabotagedaden uit te voeren, in opdracht van "Zwolle". Daarbij gingen ze zo weinig mogelijk door het gevaarlijke bos.
Toen dat op een dag toch moest, vroegen twee "boeren" hen te helpen de boerenwagen te herstellen. Dichterbij gekomen moesten ze de handen omhoog steken. Een van de twee KP’ers had een hand met daarin een pistool in de zak en schoot dwars door de jas heen op één van de twee "boeren". Door de ontstane paniek konden ze vluchten.
De strenge winter van 1944 dwong de KP’ers in de eerste helft van december een ander onderkomen te zoeken. Ze kregen dat bij drie boeren in De Stapel en later bij boeren in Staphorst.
De KP’ers hielden zich, tot de bezetters rond de jaarwisseling de IJsselbrug afsloten, bezig met de etenhalers. Ze probeerden op woekerwinsten beluste boeren zo weinig mogelijk voet aan de grond te laten krijgen, door bij bevriende boeren rogge, aardappelen en erwten op te halen. De mensen van de CCD werkten mee. Het voedsel werd naar boeren gebracht die het tegen normale prijzen verkochten. Toen de voorraden opraakten moesten de etenhalers verder naar het noorden trekken.
Ook gingen de KP’ers regelmatig op de fiets naar Zwolle om daar opdrachten voor sabotagedaden te halen.
Op 8 februari werd "De Groene" in Zwolle doodgeschoten. Benno Smit, een ondergronds contact uit Meppel, werd op 8 maart gearresteerd. De KP’ers wisten niet hoever het netwerk verraden was. Om geen gastfamilies in gevaar te brengen, werd opnieuw boswachter Van Veenen opgezocht. Hoewel verdacht door de Duitsers werkte hij toch weer mee een zo goed mogelijke plek te vinden. Er werd weer een hut en ook een kookhut gebouwd en gecamoufleerd met dennentakken. Deze keer was er ook een wel met schoon water.
Het was in 1945 een mild voorjaar, waardoor alles beter uitpakte. Nu hadden de KP’ers ook een op een accu werkende radio, waarmee de Engelse zender beluisterd kon worden. De groep werd gepromoveerd tot een mobiele gevechtsgroep waaronder de gemeenten Hasselt, Zwartsluis, Nieuwleusen en Staphorst ressorteerden. In Balkbrug kon men de hand leggen op een aantal stenguns. Halverwege maart kwam uit Zwolle het bericht dat ze vanuit de lucht bevoorraad zouden worden met wapens en dergelijke. Er werd, niet ver van het kampement, een heideveld uitgezocht waar in het nachtelijk duister de parachutes met containers gedropt konden worden. Instructies en inspecties van leidinggevende verzetsmensen volgden n uit Twente kwam op 25 maart de wapendroppingspecialist Koos, met achterop zijn fiets een seintoestel. Zou hij aangehouden zijn door Duitsers, dan was het mis geweest.
Op 27 maart leek alles te gaan gebeuren, maar twee laag overvliegende Lancasters deden niets. In de vroege morgen werden de KP’ers gewekt door het schieten met mitrailleurs. Toen bleek dat Duitse troepen op het droppingsveld oefenden hoe de aanwalsende geallieerde overmacht te keren.
Drie dagen later, 30 maart en Goede Vrijdag, hoorden ze opnieuw hun code-zin op de radio. Omstreeks 11 uur 's avonds liet op ongeveer 700 meter hoogte een Lancaster bommenwerper zijn lading vallen en begon de herrie van klapperende parachutes en neervallende kisten. Een tweede toestel kwam verkeerd op het doel af en de parachutes dreven uit de richting. Het heeft de mannen uren werk gekost om alles terug te vinden; eerst de fel gekleurde parachutes wegwerken, de containers halen en verzamelen en met paard en wagen naar de gegraven kuilen brengen en verstoppen. Ook de spullen van de kapot gevallen containers moesten verzameld worden. 57 containers waren gedropt met wapens, waarbij handleidingen in vele talen, rookartikelen, voedsel en zelfs paaseieren. In één keer hadden de KP’ers de beschikking over 10 mitrailleurs, 200 stenguns, een flinke portie geweren, houders met patronen, springstoffen, antitankwapens, handgranaten, revolvers, brandbommen enz.
De nu uit 10 man bestaande groep besloot een beroep te doen op de reserve krachten uit Staphorst en gebruiksklaar gemaakte wapens werden naar verzetsgroepen gebracht; een uitermate riskante onderneming. De groep zelf heeft op het droppingsveld een oefening gehouden met antitankgeschut.
De KP uit Hasselt voegde zich bij de groep in het Staatsbos, die daarmee op 25 man kwam. Omdat de groep "mobiel" moest zijn, besloot men dat de fiets te langzaam was om snel te kunnen opereren.

Eén van de KP’ers trok een Duits uniform aan en ging, vergezeld door één van zijn makkers, richting Nieuwleusen. Volgens een reeds van te voren gemaakte afspraak werd de in de garage van het gemeentehuis staande brandweerauto (zonder de daarachter te koppelen spuitwagen) geruisloos ingelijfd in de gelederen van de Binnenlandse Strijdkrachten in Staphorst.
Op de terugweg werden de KP’ers bij de brug over de Dedemsvaart aangehouden door Duitse militairen. Die waarschuwden hen dat de brug op het punt stond om opgeblazen te worden. Ze werden naar de verderop gelegen brug verwezen die nog niet aan de beurt was. De hier postende schildwacht hield zijn vermeende collega's staande en gaf na enig heen en weer praten toestemming om door te rijden. Snel ging het richting het kampement, waar de auto gebruiksklaar werd gemaakt. Enkele dagen later werd de auto hier door een Engels jachtvliegtuig onherstelbaar vernietigd omdat het niet met de goede schutkleur was afgedekt. Om mobiel te blijven heeft één van de mannen toen direct de brandweerauto van Staphorst "in naam der koningin" gevorderd. (Deze is op de laatste oorlogsdag in Staphorst bij een gevecht op het kruispunt bij Waanders in brand gevlogen, evenals het hotel en achttien boerderijen.)
Op 7 april was het kanongebulder duidelijk te horen. De nu 30 KP’ers deden armbanden om, om herkend te worden als burgers met militaire bevoegdheden. De antitankwapens kregen een plaats op de brandweerauto.

Kort na middernacht vlogen Lancaster-bommenwerpers laag over. De vliegtuigen behoorden tot de No. 38 Group van de RAF die in de driehoek Groningen-Coevorden-Zwolle diverse groepjes Franse parachutisten dropten, behorende tot de 2e en 3e Regiments de Chasseur Parachutistes. Het was hun taak om achter de Duitse linies bruggen ongeschonden in handen te krijgen, om de snelle opmars van de Canadezen en Polen zo ongestoord mogelijk te laten verlopen. Verder moesten ze verwarring zaaien onder de Duitse troepen, die zo niet meer zouden weten welke kant ze op moesten vechten, en ze moesten informatie zien te krijgen voor de voorop gaande eenheden van de bevrijdingstroepen.
Jan Mannen klopte even later bij Van Veenen aan omdat hij de KP’ers wilde waarschuwen over de gelande parachutisten. Koerierster Nel ging met hem naar het kamp en onderweg praatten ze volop met elkaar. Deze vrouwenstem heeft voorkomen dat de in het bos gelande parachutisten op hen schoten. Was Van Veenen meegegaan, zoals hij van plan was, dan was het anders afgelopen.
De KP’ers besloten uiterst voorzichtig te werk te gaan, om eerst te weten te komen of het geen Duitse valstrik was. Jos Bonvanie ging met Mannen en Nel terug naar het boswachtershuis. Even later kwam hier ook dierenarts Loman uit Den Hulst met de parachutist Henri la Garde en de uit Meppel afkomstige, in Den Hulst bij Loman ondergedoken Wiep van Werven.
Twee KP’ers gingen, zoals afgesproken, wat later op weg naar het boswachtershuis en werden toen beschoten door Franse parachutisten, die niet wisten dat er een verzetsgroep in het bos zat. Een van de gewonden riep "maquis Hollandais" (Nederlandse verzetsstrijders) en toen viel er geen schot meer. De Fransen verleenden eerste hulp bij een knieschot en een geraakte voet en toen werden de twee weer naar het kamp gebracht, waar ze eerst beter door Loman en daarna nog weer door de huisarts uit Staphorst werden verzorgd.
Ook uit Nieuwleusen werden Franse parachutisten gebracht en 8 april was de groep op één na compleet. Kees de Roos en Yves Loichot zouden op een motor nog gedropte spullen gaan halen en stopten aan de Dekkersweg voor de boerderij van de familie Santing. Ze waren hier onbekend en wisten niet dat daar een NSB-familie woonde die de avond daarvoor een verjaardag had gevierd. Juist op dat moment wilden zoon Harm en de landwachter die meegekomen was, weer terug gaan naar Zwolle. Daar stond opeens iemand in een vijandelijk uniform in de baanderdeur. Een vuurgevecht ontstond waarbij Kees en Yves omkwamen.


Twee kruisen aan de Dekkersweg markeren de plek waar beiden omkwamen.

De landwachter ontsnapte naar Zwolle.
De KP’ers in het bos stonden op het punt met enkele Canadese gevechtswagens een aanval te doen op de brug bij de Dedemsvaart die nog door Duitsers werd verdedigd, toen een dochter van de familie Spijkerman kwam vertellen wat er gebeurd was. Onder commando van de Fransen werd naar de boerderij getrokken, waar ze met geweervuur werden begroet. Het gevecht ging door tot in de boerderij, waarbij de vader en de drie zonen het leven lieten. De aanval op de brug daarna mislukte omdat de vijandelijke overmacht te groot was. Een parachutist werd geraakt.
De Canadese verkenningswagens beheersten overdag de omgeving, maar trokken zich 's avonds ver terug. (Lutten was definitief in handen van de Canadezen maar Ommen zat nog bomvol SS'ers. Hardenberg en Gramsbergen waren op 6 april al bevrijd, maar de grote legermacht kwam pas op 11 april via Ommen in Balkbrug.)
119 De Franse para's beseften dat ze 's avonds een gewild doelwit voor wraakacties konden worden. Ze besloten daarom de vijand-welgezinde lieden, waarvan verwacht kon worden dat ze ook nog wel bij het scheiden van de markt levensbedreigende informatie aan de vijand wilden verschaffen, op te pakken. Na het oppakken van zeven personen besloot men, na verhoor, ijf vast te houden en toen ging één er vandoor en wist te ontsnappen. Welke contacten had hij, wat zou hij gaan doen? Men besloot een veiliger onderkomen te zoeken en de vier overgebleven gevangenen zouden daarbij zo'n risico betekenen dat tot een vuurpeloton werd besloten. Een zwarte bladzijde aan de goede kant van de oorlog.
De volgende dag kwamen de orders om Balkbrug te bezetten, op dat moment een belangrijk punt in de as waarlangs de 2e Canadese divisie wilde oprukken en waar op zondag 8 april al een Poolse afdeling was gearriveerd. Tevens was het één van de weinige punten waarlangs het SS-garnizoen uit Ommen nog zou kunnen ontsnappen. Twee volle dagen en nachten liepen de KP’ers patrouille bij de tactische punten en wegen, met de dreiging aan de SS-overmacht het hoofd te moeten bieden.
Op dinsdag 10 april werd er tussen de Poolse voorhoede uit Balkbrug en de Duitse bezetting in Ommen bij Witharen gevochten. Drie boerderijen brandden af.
Vanuit Den Ham kwamen de Canadezen die de Duitsers uit Ommen verdreven. In de nacht was het oorlogsrumoer dichtbij, maar de SS trok zich langs een andere weg terug.
Woensdag 11 april werd Balkbrug definitief bevrijd. Onafgebroken kwamen vanuit Ommen jeeps, tanks en zwaar geschut, die via Balkbrug naar Hoogeveen gingen en 12 april werden Beilen en Kamp Westerbork bevrijd. De Franse para's gingen terug naar hun onderdeel en de KP’ers moesten naar De Wijk.

(Samenvatting van een viertal artikelen "De partizanen van 't Schot" door Wim Bakker in de Meppeler Courant; april 1983. Overgenomen met toestemming van de auteur.)

* * *


DE PERIODE VAN 6 TOT 14 APRIL 1945
_____

Hoe zit dat nu? Hoe kan NSB-burgemeester Van Arkel nu al op 7 april afgezet en afgevoerd zijn als Nieuwleusen op 13 april pas bevrijd is?
Jan Dirk van Arkel was naast burgemeester van Nieuwleusen sinds 13 juni 1944 ook waarnemend burgemeester van Avereest. Hij verbleef dus niet uitsluitend in Nieuwleusen, waar hij bij café "De Viersprong" in pension was.
Nieuwleusen is bevrijd door het 10e peloton van het Toronto Scottish Regiment en die behoorden tot de grote legereenheden die opereerden in het Duits-Nederlandse grensgebied. Er waren twee grote legereenheden die naar het noorden optrokken; de 2e en de 3e Canadese Divisie (zie kaartje). Omdat de 3e Divisie niet zo'n snelle voortgang maakte is Overijssel vooral door compagnies van de 2e Divisie bevrijd.
Verkenningseenheden werden vooruit gestuurd om af te tasten wat de sterkte van de Duitse garnizoenen was. Ze trokken daarbij ver vooruit en ook ver opzij, om te kijken of er nog flankaanvallen van Duitse troepen te verwachten waren. Dit gebeurde uitsluitend overdag. 's Avonds trokken ze zich terug achter de eigen hoofdlinie. Dat was hier helemaal in Lutten en Hardenberg, want ook Dedemsvaart en Balkbrug hadden 's nachts dezelfde "niemandsland"-situatie als Nieuwleusen.
Uit een gevechtsverslag van het Toronto Scottish Regiment blijkt dat ze op 13 april enorm hebben rondgezworven en dat de brencarriers op deze dag enorm ver van elkaar hebben geopereerd. Ze waren in Assen en Vries, zowel als in de omgeving van Meppel.
"De C-compagnie verlaat in konvooi het hoofdkwartier; het 9e peloton gaat naar Vilsteren, het 8e peloton gaat naar Den Hulst en het 10e peloton naar Nieuwleusen, waar de commandant omstreeks 6 uur 's avonds Nieuwleusen tot bevrijd gebied verklaart. Er zijn veel mensen voor de kerk. De klokken van de Hervormde Kerk worden geluid en op het gemeentehuis wordt de vlag gehesen. De bevolking stroomt toe, dol van vreugde." De A-compagnie veroverde die dag Meppel.


* * *


DE BEVRIJDING IN DEZE REGIO
_____

Op 6 april werden Gramsbergen en Hardenberg door de eerste Poolse divisie bevrijd. De Wijk volgde op 8 april, Lutten en Slagharen op 9 april en Dedemsvaart op 10 april.
Ommen, Witharen, Balkbrug en Heemse bij Hardenberg werden op 11 april door de Canadese Tweede Infanterie Divisie bevrijd.
Op 12 april werden Steenwijk, twee vliegvelden bij Havelterberg, Vledder en Heino bevrijd en op 13 april Havelte, Ruinerwold, Meppel, Nijeveen, Dalfsen, Wijhe, Olst en Nieuwleusen.
Toen de KP’ers na het vuurgevecht bij Staphorst versterking gingen zoeken bij de Canadese brigades, waren er bij Bloemberg, De Wijk, Balkbrug, Ommen en Den Hulst geen of onvoldoende Canadezen om mee te gaan. Ten einde raad reden de KP’ers naar Nieuwleusen. Daar zegden de Canadezen toe met enkele gevechtswagens te zullen uitrukken. Toen ze aankwamen was het gevecht echter al ten einde. Zwolle werd op 14 april bevrijd door de zevende Canadese brigade die via Raalte vanuit Heino kwam. Daarna kwam de derde Canadese tankdivisie, die langs de IJssel van Zutphen, Deventer, en na enig oponthoud, via Zwolle op 15 april door Staphorst trok richting Friesland en de Afsluitdijk.
Genemuiden en Hasselt werden op 14 april bevrijd.
Toen Staphorst op 15 april werd bevrijd, vonden de KP’ers van het Staatsbos elkaar hier weer en bleven daar een week. De bevrijding van Zwartsluis was eveneens op 15 april.

* * *


DE NIEUWLEUSENER NBS BIJ DE BEVIJDING
_____

Hendrik Schoemaker

Meester Oldenbeuving was de man achter het verzet in Nieuwleusen. Ook Jan Snorrewind, werkzaam op het distributiekantoor, maakte deel uit van de groep. Hij woonde aan de Jan Heereweg en omdat het daar nogal wat afgelegen lag, werden daar altijd onze samenkomsten gehouden.
Toen het dan zover was dat de Canadezen bij Coevorden kwamen, werden de mensen van het verzet 's middags opgeroepen om naar Jan Snorrewind te komen. Daar werd besloten dat Brug 6 veilig gesteld moest worden. De brug aan Balkbrug was al gesprongen. Daar konden de Canadezen dus niet over om naar IJhorst en De Wijk te komen. Ze zouden eerst naar Brug 6 moeten om het kanaal over te komen en dan weer aan de zandkant terug naar Balkbrug.
De wapens werden bij elkaar gezocht en Sybe Post en ik zijn als eersten op pad gegaan. Wij naderden de maalderij van de gebroeders Muller vanuit richting Oosterveen. Vanuit de kelder van het maalderijgebouw konden wij de Duitsers in de mitrailleurpost aan de andere kant van de brug zien liggen. De bedoeling was om de Duitsers uit te schakelen als de Canadezen er aan kwamen.

De mannen van de NBS waren herkenbaar aan een band om de arm. De groep Nieuwleusen had er een stempel van de gemeente op staan.

Maar een paar dagen voor het zover was, trokken de Duitsers zich terug naar Zwolle. Ze hebben wel de brug laten springen, dat wil zeggen de beide ophaalbomen van de brug. Het tegengewicht klapte daardoor naar beneden. Omwonenden hebben met touwen de balans van de brug opgetrokken en daar een paar omgezaagde eikenbomen onder gezet. Omdat het brugdek onbeschadigd was, zouden de Canadezen daar toch over kunnen. Voordat het zover was zijn wij naar Talen in de Oosterhulst gegaan, waar we een paar dagen gezeten hebben voor het geval dat de Duitsers terug zouden komen. Op 12 april moesten we ons terug trekken op Balkbrug. Dat vonden de mensen in de buurt eigenlijk niet zo mooi, want stel dat de Duitsers nog eens terug kwamen.

Die nacht sliepen we in de oude drukkerij van Veldzicht. De andere morgen vertrokken we op de fiets richting Nieuwleusen, tegelijk met de Canadezen. Toen we in de Kerkenhoek aankwamen, waren daar een heleboel mensen op de been. Ik had een blauw pak aan. Het was eigenlijk een oud soldatenpak dat geverfd was. Het was een beetje uitgelegd en er zaten wat strepen over de rug. Een van de omstanders zei: "Moe'j kieken, hi'j hef de braandstrepen al over de rugge".
Om de arm hadden we een band met de letters NBS, Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten. Dat leek allemaal wel mooi maar van diezelfde letters kun je ook NSB maken. Diezelfde man van de brandstrepen maakte ook de nog minder mooie opmerking:
"Moe'j kieken, nog beroerder soort."
Bij oom Hendrik in café "De Viersprong" werd ons hoofdkwartier ingericht. Dat klinkt heel groot voor zo'n koppeltje. Nu de bevrijding er eenmaal was, waren er jongens zat die zich aanmelden. Zij wilden ook wel met een geweer rondlopen, maar daar had je weinig aan, er moest wat gedaan worden.

Na de bevrijding van Nieuwleusen kreeg de BS de opdracht een aantal NSB'ers op te halen. We hebben dat ook gedaan, maar over de manier waarop heb ik achteraf mijn twijfels.
Op een avond kwam er een man van de knokploeg uit Zwolle namens de Canadezen om vrijwilligers te vragen die aan de IJssel wilden liggen. We zijn toen met de groep op weg gegaan. In Zwolle zagen we een hele club NSB'ers die met hun handen in de nek werden opgebracht. Ze moesten luidkeels het "Oranje boven" zingen.
's Avonds om elf uur kwamen wij aan in Wilsum. We werden daar opgewacht door mensen die ons beschouwden als hun bevrijders. Later trokken we voor de Canadezen Kampen binnen.
In Wilsum hadden wij de taak een deel van de IJsseldijk in de gaten te houden. De Duitsers zaten nog aan de overkant van de IJssel. 's Nachts om één uur kregen Hendrik Klein en ik de eerste wacht in dit voor ons onbekende terrein. Wij moesten aan de binnenkant langs de IJsseldijk lopen richting Kampen, tot Uiterwijk, waar de jongens van Staphorst zaten. Omdat we niet meer zulke beste schoenen hadden en het nogal dauwde, hadden we binnen een kwartier natte voeten. Toen we een eindje op weg waren, hoorden we opeens gesuis en een doffe plof.
Vanaf de Veluwe werd nog een kanon afgeschoten. De granaat gierde over ons heen en kwam in het riet aan de andere kant van de dijk terecht. Wij lagen natuurlijk direct op de grond en toen waren wij helemaal nat.
We hadden gehoord dat er Duitsers met een bootje over de IJssel kwamen en een eind verder zag ik in het donker opeens twee figuren staan met naast hen in het water een bootje. Wij dachten: "’t Is raak" en beduiden elkaar dat we er plat op de buik naar toe moesten. Toen wij dichtbij waren gaf ik een schreeuw en we vlogen overeind met de stengun klaar om te schieten. De figuren bleven stokstijf staan. Dat klopte ook wel want ze waren van hout; het waren twee grote meerpalen.
Op de terugweg hoorden wij over de dijk iemand aan komen lopen. Wat zou dat wezen? Na het "sta of ik schiet" stak de man meteen de handen in de lucht. Het bleek iemand van de B.V.L. (Bijzondere Vrijwillige Landstorm) te zijn die op weg was naar hun hoofdkwartier in de school.
De volgende dag hebben wij daar kennis met hen gemaakt. Ze hadden samen nog een geweer overgehouden, een Nederlands infanteriegeweer, waarin een kogel vast zat. Jannes Groen dacht hem er uit te krijgen, stopte er een nieuwe patroon in en knalde door de bomen de lucht in. Een spreeuw viel dood naar beneden.
Op een keer werden twee Duitsers in de richting Zalk gesignaleerd. We zijn daar toen achteraan gegaan en hebben nog op hen geschoten. Ze waren al dicht bij de IJsseldijk en toen wij daar waren, zwommen ze al midden in de rivier richting 's Heerenbroek. Daar zijn ze gevangen genomen.


In 1990 kwam de groep die bij Wilsum aan de IJssel lag nog eens weer bij elkaar. Bij die gelegenheid werd deze foto gemaakt waarop vlnr: Hendrik Schoemaker, Gerrit Groen, Albert Klein, Jan Mannen, Jannes Groen, Sijbe Kleen, Jan Sikkema en Sybe Post. Vooraan vlnr. Jan Klein, Hendrik Brassien, onbekend en Hendrik Klein.

(Van de vermelde namen bij de foto op blz. 126 was er een onbekend. De familie Schoemaker wist deze naam te achterhalen. Het is Gerrit Evink uit Wilsum. Deze had een winkeltje tegenover de school waar de groep uit Nieuwleusen was ondergebracht. Evink zat ook in het verzet. De foto is vijf jaar ouder dan aangegeven en dateert uit 1985. Op de foto staat o.a. Jannes Groen. Hij is op 6 september 1985 overleden.)br/>br/> Naast nare dingen is er ook nog wel een aardige gebeurtenis te melden. Jannes Groen was bij mensen ingekwartierd waarvan een dochter zou trouwen. Mij werd gevraagd het paard op te vlechten en op te kammen. Als beloning mochten wij met z'n beiden de andere avond het bruiloftsfeest op de deel meevieren.

* * *


MET BEVRIJDERS OP DE FOTO
_____

Voor zover bekend zijn er niet veel foto's gemaakt van de intocht van de Canadezen in Nieuwleusen. Toch kunnen we hier enkele foto's plaatsen. Ze zijn allemaal gemaakt in de Kerkenhoek.


Een tank midden op het kruispunt, met links de smederij van Westerveen en rechts café De Viersprong.
De vier mannen die links staan zijn vlnr: Gerrit van Spijker, Arend van Spijker, Gerrit Knol en Gerrit Jan Schiphorst.
De vrouw midden op de foto is Jantje Posthumus-Bos, de echtgenote van meester Posthumus van de school aan het Oosteinde. Net boven haar zien we Aaltje Jans. De drie zittende jongens op de tank zijn vlnr. de eerste onbekend, in het midden Jan Thijs Huzen en rechts, met het lichte overhemd, Klaas Krul.


Belangstelling voor de Canadezen bij de bevrijding van Nieuwleusen. Op de achtergrond vlnr: het gemeentehuis, de woning van smid Westerveen en café De Viersprong. De man in het midden is Arend van Spijker en de vrouw bij het legervoertuig is Jantje Posthumus-Bos.


Op deze foto staat links Arend van Spijker, met naast hem Jan Willems en Jan Brouwer, zittend achter op de fiets.

* * *


DE TOESTAND IN BEVRIJD NIEUWLEUSEN
_____

Hendrik Jan Meijerink

Op vrijdag 13 april 1945, 's avonds om zes uur, is Nieuwleusen bevrijd. Op de vele formulieren en vragenlijsten vanwege het Militair Gezag, de Commissaris van de Koningin en de verschillende ministeries, heeft de gemeente altijd dit antwoord gegeven. Overheidsinstellingen stelden die vragen om zicht te krijgen op de situatie met betrekking tot de huisvesting, de volksgezondheid, de voedselvoorziening, kleding en schoeisel, de financiën, de brandweer en veel andere zaken.

Op 7 april 1945 werd burgemeester J.D. van Arkel opgepakt en overgebracht naar kamp Erika bij Ommen. Daarna begon de OD (Ordedienst) met het interneren van 31 personen die de bezetter goed gezind waren geweest. Vijf personen werd huisarrest opgelegd en zij moesten zich dagelijks melden. Bij de internering werden negen bedrijven en woningen in beheer genomen.
Omdat er geen bestuur was, stelden J. van Aarst en H. Oldenbeuving voor om de plaatsen van de wethouders in te nemen, waardoor er weer stukken getekend konden worden en daardoor betalingen plaats konden vinden. Beide mannen waren schoolhoofd en voormannen van de plaatselijke BS. Het ambtenarenapparaat stemde evenwel niet met dit voorstel in. Er werd gewacht tot burgemeester Backx en wethouder Nijboer hun functie weer hadden ingenomen.
Met de financiën was het in de eerste dagen van de bevrijding niet al te rooskleurig gesteld. Het contact met de Bank van Nederlandse Gemeenten was nog niet hersteld omdat het westen nog bezet gebied was. De plaatselijke Boerenleenbank hielp daarom de gemeente aan geld om betalingen te kunnen doen.


Het gemeentehuis omstreeks 1940.

De winkeliers hadden weinig voorraad en moesten die zelf aanvullen door ze op te halen uit Zwolle, Hengelo etc. Ook de Union fietsenfabriek had geen materiaal meer in voorraad om nieuwe fietsen te kunnen maken. Alleen de maalderijen en zuivelfabrieken mochten overdag elektriciteit gebruiken.

Er moesten 9 geheel verwoeste woningen worden geregistreerd, terwijl er 18 herstelbaar beschadigd waren. Daarnaast kenden 28 woningen alleen glas en pannenschade. Maar …. er was geen materiaal om dit alles te herstellen.
Auto's zag je niet. Voor plaatselijk verkeer was men op de fiets en de wagen aangewezen. Enkelen, zoals dokter G.R. Dekker in Nieuwleusen en dokter P.J.J. Versluys in Den Hulst, hadden nog een motorrijwiel van 125 cc tot hun beschikking.
Het postverkeer ging erg langzaam. Bij de gemeente werd de post de eerste tijd gebracht door een motorordonnans van het Militair Gezag. Telefoonverkeer was alleen in een gebied langs kanaal de Dedemsvaart mogelijk.
Van 15 mei tot 14 juni 1945 werd op het land van H. ter Wee en in de villa aan de Rollecate een onderdeel van het Canadese leger ingekwartierd. De militairen genoten grote belangstelling.


De huidige situatie aan de Rollecate met op de achtergrond de boerderij waar H. ter Wee woonde.

Alles bij elkaar genomen is Nieuwleusen de oorlog redelijk goed doorgekomen. Er zijn weinig oorlogshandelingen geweest. In het bijzonder kort voor de bevrijding vonden schermutselingen plaats.
Aan voedsel heeft het de bevolking niet ontbroken. Er was zoveel dat men hier in de Hongerwinter aan mensen uit het westen van het land nog voedsel kon uitdelen. Veel voedsel werd zelf verbouwd en de boeren hadden natuurlijk koeien voor melk en boter.

* * *


BEVRIJDINGS- HERINNERINGEN
_____

Henk Schoemaker

Aan het einde van de Tweede Wereldoorlog was ik 18 jaar. Omstreeks 6 april 1945 ontmoette ik in Zwolle een leraar van de Muloschool (Cele-school). Ik zei: "Hallo meester Heuving", maar hij schudde zijn hoofd en legde een vinger op zijn mond ten teken dat wij elkaar niet kenden. Dit maakte mij duidelijk dat hij bij de ondergrondse was.
Enkele dagen later ontmoetten we elkaar weer en hij vroeg mij of ik iets voor hem wilde doen. Ik moest de volgende dag het Westeinde af fietsen en daarbij zo dicht mogelijk bij de positie van de Duitse soldaten een kijkje nemen. Ik mocht niets opschrijven maar moest alles onthouden en het aan hem vertellen. Ik rapporteerde onder andere dat er op esteinde 198 een vijftal Duitse soldaten waren gelegerd die in het bezit waren van pantservuisten.
Nadat ik meester Heuving alles had doorgegeven, vertelde hij mij dat de Canadese soldaten de volgende dag om tien uur zouden komen om Nieuwleusen te bevrijden. In die dagen werkte ik op het distributiekantoor als chef van de afdeling Handel.


Winterse foto omstreeks 1950 van het Westeinde met uiterst links het spieker of Palthehuis en daarnaast café ‘t Witte Peerd.

Vanuit het kantoor, dat gevestigd was in het spieker of Palthehuis, had ik een goed uitzicht op het Oosteinde, waar de Canadezen vandaan moesten komen. Klokslag tien uur zag ik ze aankomen: ongeveer dertig soldaten die werden begeleid door twee tanks. De soldaten liepen links en rechts van de weg achter de bomen langs. Meester Heuving had plaats genomen in de eerste tank en was hun gids. Ondanks het feit dat de meeste Duitse soldaten al vertrokken waren, namen de Canadezen geen enkel risico. Jammer genoeg werden er in het Westeinde zes boerderijen verwoest. De families die daar woonden waren van tevoren gewaarschuwd en werkten zogenaamd op het land. Een oude man wilde zijn huis niet verlaten en is omgekomen.
Na deze actie kwamen de Canadezen terug in het centrum van Nieuwleusen, met hun helmen gevuld met eieren die ze van de bevolking hadden gekregen. In die dagen waren mijn ouders de eigenaren van café restaurant De Viersprong. De Canadese soldaten kwamen naar ons toe en vroegen of ze de keuken mochten gebruiken om de eieren te bakken. Bij ons logeerde een jonge politieman die de Engelse taal verstond. Hij realiseerde zich niet direct alles wat er gebeurde en het duurde dan ook enige minuten voor hij precies begreep wat ze vroegen. Daarna liep alles van een leien dakje.
Moeder en de zussen kregen chocolade en andere dingen die we lange tijd niet meer gehad hadden. Vader, de politieman en ik kregen blikjes sigaretten van de Canadezen. Dat was een echte traktatie, want de enige tabak die we sinds lange tijd hadden, was zelfverbouwde tabak, die in de schuur gedroogd werd. Als vloeitjes gebruikten we krantenpapier.

* * *


DE OORLOGSJAREN VAN ALBERT KLEIN
_____

Luuk Klein

Vooraf Het navolgende is het oorlogsdeel van het levensverhaal van mijn vader dat ik gedurende een periode van ongeveer twee jaar uit zijn mond heb opgetekend. Hij verbleef toen beurtelings in het ziekenhuis en een verpleegtehuis in Hoogeveen. Geleidelijk aan werd hij lichamelijk gesloopt door een aantal kwalen, maar tot het laatst toe was er geestelijk geen sprake van noemenswaardige achteruitgang. Hij overleed op 22 juli 2006.
In ongeveer vijftien sessies heeft hij zijn levensverhaal verteld. Soms liet zijn geheugen hem wat in de steek, in het bijzonder bij het opdiepen van namen van personen die in zijn leven een rol hebben gespeeld. Het is dus mogelijk dat er hier en daar sprake is van onvolledige gegevens. Lang niet alles was in andere bronnen te controleren op juistheid. Dit verhaal beoogt dan ook niet om volledig te zijn. Het is gewoon het verhaal zoals mijn vader dat verteld heeft en dat ik heb opgetekend. Eigenlijk had hij het verhaal zelf altijd al willen schrijven, maar hij is er nooit toe gekomen. In het navolgende is de ik-figuur dan ook de persoon van mijn vader Albert Klein.

Inleiding
Ik ben op 1 januari 1923 geboren op de Hoek in het centrum van Staphorst, als vierde van vijf kinderen in het gezin. Jan Klein en Femmigje Tromp zijn op 27 februari 1915 in Staphorst getrouwd. Hun eerste kind werd in 1916 dood geboren. Daarna werd op 26 december 1917 Geertje geboren, op 25 december 1919 Hen(dri)k, op 10 juli 1921 Klaas, op 1 januari 1923 Albert (ik dus) en op 13 augustus 1925 maakte Jan het gezin compleet.
Het gezin vertrok in 1928 naar Duitsland, waar vader Jan Klein werk vond als knecht op een grote herenboerderij dichtbij Soest, dat in de buurt van Dortmund ligt. Toen de situatie als gevolg van het aan de macht komen van Hitler steeds bedreigender werd, besloten Jan en Femmigje in 1935 met hun gezin weer terug te keren naar Nederland. Dat is het tijdstip waarop dit verhaal begint.

Voor de oorlog
Tot 1936 bezocht ik de lagere school in Staphorst (Oosterseschool). Daar hadden we net uit Duitsland komend natuurlijk eerst wel wat aanpassingsproblemen. Toen ik bij een leesbeurt door een paar klasgenoten werd geplaagd vanwege mijn leessnelheid en uitspraak, had de onderwijzer de tegenwoordigheid van geest om een Duits boekje uit de boekenkast te trekken en dat voor de neus van een van die jongens te duwen met de opdracht dat maar eens voor te lezen. Daarna hebben ze me nooit meer geplaagd.
Vanaf de zomer van 1936 bezocht ik op aandringen van het hoofd van de lagere school de MULO in Meppel. In 1938 verhuisden we naar het Zandspeur in Nieuwleusen, waarna het elke dag een behoorlijke fietstocht naar Meppel was. In 1940, net aan het begin van de oorlog, behaalde ik mijn Mulodiploma.

De eerste oorlogsjaren
In 1941 kreeg ik een dienstbetrekking op het distributiekantoor in Nieuwleusen. Ik werd door burgemeester Backx aangenomen voor de administratie en de loketdienst. Later, in 1943, werd burgemeester Backx door de Duitsers afgezet.
Eind 1941 moest er een aparte beheerder voor het bonnensysteem voor heel Nieuwleusen worden aangewezen en dat werd ik. Het betekende dat ik 's morgens de loketten moest bevoorraden en later op de dag alle bonkaarten weer moest innemen. Voor elk loket was er op het distributiekantoor een uitreikingsploeg. Van iedereen werd een stamkaart bijgehouden. Elke stamkaart had een inlegvel waarop precies werd bijgehouden hoeveel bonkaarten aan de desbetreffende persoon waren afgegeven. In 1943 kwamen daar de persoonsbewijzen en de bijbehorende administratie bij.

Boerenstaking 1943
In het voorjaar van 1943 was er een grote staking (april/meistaking) die een paar dagen duurde. De voormalige militairen van het Nederlandse leger werden opgeroepen om weer in krijgsgevangenschap te gaan. Het werd ook wel de boerenstaking genoemd, omdat de boeren weigerden melk te leveren. De ongeveer 30-jarige Jan Snorrewind en ik waren lopend op weg naar het distributiekantoor, toen we een melkrijder tegenkwamen die toch werkte voor een aantal NSB-boeren. We hielden hem aan en dwongen hem met zijn werk te stoppen. De melkbussen die hij al op de wagen had werden afgeladen en aan de kant van de weg gezet. De melkrijder kreeg het consigne onze namen beslist niet te noemen en daar heeft hij zich ook steeds aan gehouden.
Toen we op kantoor kwamen, kregen we een telefoontje van de bedrijfsleider van fietsenfabriek Union (van oorsprong een Duitser), die vroeg of we wel aan het werk waren. Ik nam op en liet hem weten dat we ons bij de staking hadden aangesloten. Vervolgens verlieten we het distributiekantoor en gingen naar het kantoor in Dalfsen. Daar werd nog wel gewerkt. We riepen de medewerkers daar op om zich bij de staking aan te sluiten. Ze vertelden echter dat ze dat niet durfden omdat ze gehoord hadden dat iedereen die staakte gevangen genomen zou worden.
Op zondag liep de staking af, wat betekende dat die dag weer melk geleverd zou moeten worden. Mijn vader weigerde echter op zondag te leveren. Dat bleef zonder gevolgen.
De werkzaamheden op het distributiekantoor werden daarna hervat alsof er niets gebeurd was. Een van de medewerkers op kantoor, een zekere Van der Vegt, was militair geweest. Omdat hij zich moest melden, dook hij onder in Meppel. Hij was de eerste onderduiker van het kantoor en misschien wel van heel Nieuwleusen. Aan de anderen op het kantoor vroeg hij om de distributiekaarten voor zijn gezin te verzorgen. Ik heb hem later nooit weer gezien, maar wel vernomen dat hij de oorlog heeft overleefd. De bonkaarten voor zijn gezin werden door mij als kassier achterovergedrukt.


Personeelsleden van het distributiekantoor. Vlnr: achter: Jan Katoele, Aly Snijder, Jentje Massier, Siena Houwer en Hein Bras. Voor: Hendrik van Dorsten en Jan Snorrewind.

Karel Daniël Fleurke, de baas van het distributiekantoor, vroeg zich op een gegeven moment af of we door het verdwijnen van die bonkaarten niet in de problemen zouden komen. Het ging ondertussen toch wel om zo'n 25 bonkaarten per uitreikingsdatum. Hij vond dat het beter was dat er niet meer dan 10 verdwenen. Ik hield echter vol dat het wel kon en dat ik ervoor zou zorgen dat het zo in de boeken werd verwerkt dat niemand het zou merken. Fleurke was overigens heel goed te vertrouwen.
Een van de meisjes bij de uitreikingsploeg hielp mee om bonkaarten achterover te drukken. Haar naam was Geesje de Groot.
Er was op het distributiekantoor ook een NSB’er werkzaam. Op zekere dag waren er vanwege het slechte weer weinig kaarten uitgereikt. Er waren echter wel veel kaarten achterover gedrukt, waardoor hij wantrouwend werd. Als verklaring werd gegeven dat er die dag veel woonwagenbewoners om bonkaarten waren gekomen. Zij mochten die halen in de plaats waar ze toevallig waren.
Op verzoek van de vrouw van die NSB’er heb ik kort daarna op een avond een gesprek gehad bij hem thuis. Hij was evenwel niet te vermurwen maar beloofde om niets tegen de plaatselijke bevolking te ondernemen of wie ook maar te verraden.


Brief waarin is vermeld dat de fiets van Geesje de Groot, medewerkster op het distributiekantoor, vrijgesteld is van vordering.

In 1944, toen meer bekend werd over de gruweldaden van de Duitsers, heeft hij zijn NSB-lidmaatschap opgezegd. Na de bevrijding werd hij gevangen genomen, maar al snel weer vrijgelaten.

Voordat de bewuste NSB’er op het distributiekantoor werkte, gingen op een gegeven moment al drie medewerkers "ondergronds". Het waren Henk Brassien, Jan Snorrewind en ik. We hadden anders als dwangarbeiders naar Duitsland gemoeten. Op het gemeentehuis hadden we verteld dat we afgekeurd waren. De Ariërsverklaring die van iedereen in overheidsdienst werd geëist, was door geen van ons getekend. Vermoedelijk had iemand anders voor ons getekend, omdat we dat zelf geweigerd hadden.

Luctor et Emergo
Om de foute berichtgeving van de Duitsers te ontzenuwen, besloten Henk Brassien en ik een pamflet te maken. De eerste uitgave verscheen in 1943. Het blad heette Luctor et Emergo en de redacteuren waren Henk Brassien en ikzelf. Het blad verscheen gemiddeld een keer in de twee weken. Al na enkele weken voegde meester Oldenbeuving, hoofd van de christelijke school op De Meele, zich ook bij de redactie (Ed van Thijn, de latere burgemeester van Amsterdam, heeft een poosje bij hem ondergedoken gezeten). Oldenbeuving werd hoofdredacteur en werd af en toe ook als redacteur ingeschakeld. Het blad werd door koeriersters (Mies van Giessel en Gerda Hengeveld) onder goede Nederlanders verspreid. Het verspreidingsgebied was oorspronkelijk alleen Nieuwleusen, maar vanwege de vraag breidde dat zich later uit tot Meppel, Dalfsen, Balkbrug en nog later ook tot Zwolle. De redactie werd uitgebreid met Jan Snorrewind en meester Van Aarst, die zo ongeveer het hoofd van de ondergrondse in Nieuwleusen was. Meester Oldenbeuving was het hoofd van de ondergrondse van De Meele en Den Hulst. Het blad werd meestal gestencild bij Henk Brassien thuis en verscheen tot in 1945.

Razzia september 1943
In september 1943 kreeg ik van een politieagent het bericht dat er een razzia zou worden gehouden. Hij vertelde dit via een kettingactie door aan andere betrokkenen. Verschillende onderduikers werden op die manier van het bericht op de hoogte gesteld.
De razzia werd nog dezelfde avond uitgevoerd door de landwacht van Steenwijk. Ik was nog bezig met waarschuwen en was net bij slager Belt, toen ze daar binnenvielen. Ik werd naar de kamer gedirigeerd en moest tegen de muur gaan staan. Mijn Ausweis, een vals exemplaar waarop stond dat ik officieel in Hasselt bij de stellingbouw werkte, moest ik laten zien. De Ausweis was echter niet meer geldig, omdat ze er daar allemaal een rode streep door hadden gekregen. Slager Belt had geen Ausweis en werd meteen opgepakt. Buiten stond al een aantal opgepakte onderduikers. In colonne ging het naar café Niemeijer in Den Hulst. De opgepakte onderduikers zouden naar kamp Erika bij Ommen gebracht worden. Alleen de mannen die getrouwd waren mochten weer naar huis, onder de belofte dat ze voor de Duitsers zouden gaan werken.
Aan het begin van de nacht waren zo'n 60 opgepakte personen in het café verzameld. Met Jan van Ankum en Asse Visscher, een paar goede bekenden, besprak ik of we zouden vluchten. Niemand durfde en toen probeerde ik het maar alleen. Ik deed alsof ik last had van de stoelgang en ging dus om de haverklap naar het toilet. Er ging altijd een bewaker mee naar de gang. Toen ik hoorde dat die een andere zaal inging, ging ik er via de keuken vandoor. Eerst ging ik naar huis en toen met broer Henk naar Rouveen, naar boer Krale, waar Klaas werkte.
Toen Henk en ik onderweg waren naar Rouveen, hoorden we twee vrouwen praten over de razzia. De ene zei dat Klein van het distributiekantoor ook was opgepakt, waarop de andere zei dat dat niet waar kon zijn, omdat ze me op datzelfde moment zag fietsen.
Het verzetswerk werd na een paar dagen vanuit Nieuwleusen voortgezet, nog steeds vanuit het distributienetwerk.
Nadat NSB’er Van Arkel in oktober 1943 als burgemeester was aangesteld moest iedereen beurtelings bij hem komen. Aan de hand van de persoonsgegevens controleerde hij of we eigenlijk niet in Duitsland hadden moeten werken. Ik vertelde hem dat ze me vergeten waren.
Op het distributiekantoor waren er drie die voor dwangarbeid in aanmerking kwamen. Dat waren Henk Brassien, Arend Dijk en ikzelf.

We zijn toen direct ondergedoken. Ik ging naar de familie Ten Cate in Ruinerwold.
Na enkele dagen liepen de werkzaamheden op het distributiekantoor in het honderd. Baas Fleurke (foto) kwam toen vragen of we het wilden wagen om als onderduiker terug te komen. Dat zou dan gebeuren buiten medeweten van de NSB-burgemeester. Zo hebben we tot in 1944 nog enkele maanden op het distributiekantoor gewerkt. Arend Dijk kwam niet terug op kantoor.

Ontstaan verzetsgroep
Langzamerhand ontstond op die manier in Nieuwleusen een verzetsgroep, met als deelnemers Henk Brassien, Jan Snorrewind, meester Van Aarst, meester Oldenbeuving, Jan Mannen, ikzelf en nog anderen. Het verzetswerk bestond uit hulp aan onderduikers en het plaatsen van onderduikers op onderduikadressen. Daarvoor was soms veel overtuigingskracht nodig.
Op een gegeven moment moest er iemand geplaatst worden die gestudeerd had. Het bleek Wiep van Werven te zijn, de zoon van de directeur van de Germaan-fabriek in Meppel. In de avonduren ging ik naar dokter Versluys. Na veel praten lukte het me om de jongeman daar onder te brengen.


De bewaking van de spoorlijn werd opgedragen aan de inwoners. Deze brief is getekend door burgemeester Van Arkel.


In de nacht van 6 op 7 april 1945 werd de spoorlijn Zwolle-Meppel nabij Nieuwleusen opgeblazen door enkele Zwolse verzetsmensen, waarbij er een sneuvelde.

Enkele dagen later kwam Versluys bij ons thuis aan het Zandspeur met de vraag of ik geen ander adres wist (na de oorlog bleek dat Ed van Thijn ook de familie Versluys noemt als een van de adressen waar hij ondergedoken heeft gezeten). Versluys stelde voor om het eens te proberen bij dierenarts Loman. Toen ik het daar probeerde, vroeg die waarom we in vredesnaam niet eerder bij hem gekomen waren. Wiep van Werven is tot na de oorlog als zogenaamde dierenartsassistent bij Loman gebleven.

Ander verzetswerk was het vernielen van telefoonkabels. De opdrachten daarvoor kwamen van Zwolle. Bovengrondse kabels moesten worden doorgezaagd en de ondergrondse worden opgespit en in de Dedemsvaart gegooid. Ook hebben we geprobeerd spoorlijnen te saboteren, maar dat is niet gelukt. De bewaking was zo streng dat we dat plan hebben opgegeven.

De contacten met de verzetsgroep Meppel liepen via Van Aarst vooral met de familie Gunnink, die eerst nog in Staphorst woonde en later aan de Schuttevaerstraat in Meppel. Vader Gunnink had samen met zijn zoons en vrienden een knokploeg in Meppel. Ze pleegden onder meer overvallen op distributiekantoren in Staphorst, Ruinerwold, Oldemarkt en andere plaatsen. Ook de bonnen die ik op het distributiekantoor achterover had gedrukt, gingen via hen naar bepaalde adressen. Op het laatst liep het aantal achterovergedrukte bonkaarten op naar vijftig per maand.

De Gunninks kwamen vaak bij ons thuis aan het Zandspeur. Gunnink was een boer die was ondergedoken. Moeder vond eens een kogel in de kamer waar ik met ze gepraat had. Ze gaf hem aan mij maar zei verder niets.
Op een keer fietste ik met de Gunninks via de Lichtmis naar de velden bij Rouveen. Plotseling dook er een eend op uit een sloot. Een van de Gunninks wilde schieten maar gelukkig wist ik dat te voorkomen.
Toen we in het vrije veld waren zei ik dat ik ook wou leren schieten met het pistool. Gunnink liep daarop naar een paal, tekende er een cirkeltje op en zei dat ik die maar moest proberen te raken. Ik raakte niets. Hij leerde me toen hoe je moest schieten. Gunnink deed het voor en schoot twee kogels zo scherp dat ze in hetzelfde gat terecht kwamen. Er waren in de groep verschillende mannen die zeer scherp konden schieten.

Overval distributiekantoor
Ongeveer in diezelfde periode was de tijd rijp om een overval op het distributiekantoor in Nieuwleusen te plegen. Dat gebeurde op 25 januari 1944. Het aantal onderduikers nam steeds toe en daarom waren er veel meer bonnen nodig.
In samenwerking met Gunnink en consorten van de knokploeg Meppel werden plannen gesmeed om het distributiekantoor te overvallen. Op een donkere avond gingen Van Aarst en ik naar Meppel, waar we ons moesten melden op een adres in de Emmastraat. Het was regenachtig en we waren behoorlijk nat toen we daar aankwamen. We werden door twee oudere mensen opgevangen die ons van droge kleren voorzagen. Om precies acht uur moesten we uit dat huis vertrekken in de richting van de Stationsstraat. Nog in de Emmastraat werden we door een "Duitser" opgevangen, die ons in zuiver Nederlands vroeg: "Komen jullie uit Nieuwleusen voor de kraak?" We bevestigden dat, waarop hij zei dat we mee moesten komen. We gingen via het Zuideinde naar de Werkhorst, waar we een woning binnen gingen. Toen het licht aanging herkende ik de zogenaamde Duitser als Gerrit Gunnink, een medescholier van de MULO. De overval werd toen met de hele groep tot in de finesses voorbereid. Deelnemers waren de leden van de knokgroep Meppel. Het zou allemaal op een nader te bepalen dag en tijdstip moeten gebeuren. Later werden bij ons op de boerderij aan het Zandspeur met de Gunninks en enkele anderen nog allerlei details besproken.

In het midden Marga Gerrits en rechts Jentje Massier op het distributiekantoor.




Toen er een nieuwe voorraad bonkaarten op het kantoor afgeleverd was, werd besloten om de overval daadwerkelijk op die bepaalde dag uit te voeren.

Het was mijn taak om de sleutels van de kluis waarin de bonnen werden bewaard elke avond te verzegelen en aan politieagent Holties te overhandigen. Hij bewaarde die dan 's nachts bij hem thuis.
Holties was erg fel. Hij woonde samen met twee dochters aan het Oosteinde, niet ver van het kruispunt. Een van zijn dochters was invalide en daarom waren de beide meisjes eigenlijk altijd samen thuis als Holties er zelf niet was.
De afspraak was dat ik Holties op de bewuste avond aan de praat zou houden door met hem in discussie te gaan over de oorlog. Toen het donker was geworden, zei ik tegen Holties dat ik naar huis ging. Holties zei dat hij ook nodig naar huis moest omdat de meisjes op hem wachtten. Toen ik de sleutels aan hem had afgegeven, vertrok hij. Onderweg trof hij in de Kerkenhoek zijn dochter die nog even een boodschap had gedaan. Dat was echter niet voorzien, want het plan was Holties alleen in een hinderlaag te lokken.
Gezamenlijk liepen Holties en zijn dochter naar huis. Zij liep achterom om haar fiets op te bergen. Daar stond een van de jongens van de knokploeg te wachten met het pistool in de hand. Het meisje zag hem en schreeuwde: "Pappa, pappa, ze schieten!"
Holties zou juist de sleutel in het slot steken, toen hij zich door het geschreeuw gealarmeerd met de revolver in de hand omdraaide. Een van de jongens die dichtbij in de bosjes was verborgen, stond al klaar om Holties op zijn nek te springen en te knevelen en niet om hem dood te schieten. Maar door deze situatie kon hij niet anders dan op Holties te schieten. Het was bekend dat die altijd een schubbenpantser droeg. De schutter trof Holties met twee schoten in de keel.
Henk Brassien, Jan Snorrewind en ik stonden voor het gemeentehuis te wachten. We hoorden de schoten en beseften meteen dat het mis was. Ik ging direct naar café Schoemaker op de hoek van de Ommerdijk en het Oosteinde om te vragen of ze daar wisten wat er gebeurd was. Daar vertelden ze dat Holties was doodgeschoten. We zijn toen onmiddellijk naar commandant Van Aarst gegaan voor verdere instructies. Omdat ik de laatste was die met Holties had gesproken, was de vraag wat ik moest doen. Er werd besloten dat ik de volgende dag gewoon naar kantoor zou gaan en dat er wel iets zou worden verzonnen. Die dag ging het gerucht, dat door Van Aarst werd verspreid, dat Holties vermoedelijk was neergeschoten door familie van zijn vrouw, van wie hij gescheiden leefde.
Door deze gang van zaken was de overval mislukt. De sleutels werden weer aan mij gegeven en Jan Snorrewind, Henk Brassien en ik bleven gewoon op kantoor alsof er niets aan de hand was. Het toppunt van dit voorval is wel dat ik door de Duitsers nooit verhoord ben.

Deserteur Herman
Het was eind 1944 toen Gerard Schuurman, een buurjongen van ons aan het Zandspeur, op een middag bij ons kwam vertellen dat ze een jongeman hadden gevonden die op het land rondzwierf. Zijn naam was Herman en hij wilde onderduiken omdat hij uit Duitsland gevlucht was. Hij is bij ons ondergedoken en werkte mee op de boerderij. Maar moeder vertrouwde hem op een gegeven moment niet meer, omdat ze merkte dat hij haar niet recht in de ogen durfde te kijken. Op een middag heeft Henk, die inmiddels ook in het verzet zat, Herman meegenomen naar het land. Ik heb thuis zijn kleren doorzocht en vond een brief van een meisje dat al een paar keer bij ons thuis was geweest. Ze zat in een kamp in Rouveen en schreef dat ze er zwart op aangekeken werd dat ze verkering had met een soldaat.
Toen Herman terugkwam van het land confronteerden Henk en ik hem met deze informatie. Hij gaf toe dat hij bij de Nederlandse SS had gezeten. In Den Haag was hij bij een geheime verzetsactie opgepakt door de Duitsers en voor de keuze gesteld om te tekenen voor de SS of doodgeschoten te worden. Hij zei dat hij onder dwang getekend had en bij de slag om Arnhem met een vriend was gevlucht.
Onmiddellijk daarop vroegen we Herman waar hij zijn wapens had gelaten. Hij zei dat die ergens in een bos bij Balkbrug begraven waren, samen met de wapens van de vriend met wie hij gevlucht was. Besloten werd dat Henk samen met Herman naar de plaats zou gaan waar de wapens waren verstopt. Volgens Herman lagen ze ergens onder een struik verborgen. 's Avonds kwamen beiden zonder wapens terug; ze hadden ze niet gevonden. Ze besloten de volgende dag opnieuw een poging te wagen.
Die avond kwamen twee als Duitsers verklede mannen in uniform en met geweren op de rug aanfietsen. Het waren Henk en Herman. Onderweg waren ze een groep Duitsers tegengekomen. Met de Hitlergroet zijn ze elkaar gepasseerd.
Op de terugweg hadden ze dorst gekregen. Henk kende op een boerderij in IJhorst een meisje aan wie ze wel om water konden vragen. Het meisje herkende Henk niet. Om de "Duitsers" weg te krijgen zei ze dat ze wel melk konden krijgen in plaats van water.

De wapens die Henk en Herman meebrachten werden verstopt in onze boerderij aan het Zandspeur. De geweren en de uniformen kwamen in de ruimte tussen het dak en de zolder boven de deel. De helmen pasten daar niet in en daarom werden die op zolder verstopt onder een stapel turf.
Henk en ik zochten contact met de commandanten van de ondergrondse om te vragen wat er met Herman gebeuren moest. Besloten werd dat we hem in de richting Dedemsvaart moesten sturen. Hij zou dan in de veronderstelling verkeren dat hij ergens door iemand opgevangen zou worden. In werkelijkheid zou hij onderweg geliquideerd worden. We hebben Herman weggestuurd maar 's avonds kwam hij terug met de mededeling dat hij niemand aangetroffen had en dat hij daarom maar weer was teruggekomen.
Hierop nam ik contact op met meester Oldenbeuving. Die vertelde dat hij in de bespreking zijn mening had doorgedrukt om de man niet dood te schieten. Daarop werd Herman opgesloten bij een boer in Nieuwleusen. Hij mocht met niemand contact hebben, ook niet met zijn meisje.


Personeelsleden van het distributiekantoor voor de deur van het gemeentehuis.
Vlnr: Marga Gerrits, Siena Houwer, Albert Klein, onbekend en Jentje Massier.


Op een keer fietste ik in Den Hulst toen de leider van de Landwacht van Nieuwleusen me achterop kwam. Hij zei dat hij me nooit meer op het distributiekantoor zag en vroeg wat ik tegenwoordig deed. Ik antwoordde dat ik nu op het Landbouwhuis in Zwolle veel belangrijker werk deed voor de voedselvoorziening.
In 1947 ontmoette ik diezelfde Landwachtman eens in Ossenzijl. Hij had na de oorlog gevangen gezeten, was weer vrijgelaten en beweerde spijt te hebben van wat hij in de oorlog gedaan had.
Het zal 3 of 4 januari 1945 zijn geweest dat ik thuis was in verband met mijn verjaardag. Vader, moeder, Henk, Geertje met een vriendin en ik zaten in de kamer toen er plotseling hard op deuren en ramen werd gebonsd. Vier mannen van de Duitse SD kwamen binnen en vroegen direct waar Herman was. We zeiden dat we geen Herman kenden. Vervolgens werden vader, Henk en ik om de beurt in een andere kamer verhoord. Vader hield zich van den domme en Henk kwam ook al snel weer terug.
Omdat we allemaal ontkenden, zei de Duitse commandant dat ze "haar" maar moesten ophalen. Toen de vriendin van Herman binnenkwam, wist ik dat het geen zin had nog verder te ontkennen. Op de vraag aan de vrouw of dit de mensen waren, gaf ze bevestigend antwoord.
In de deuropening kwam ik Henk tegen die me aanstootte, waardoor ik de indruk kreeg dat hij iets had losgelaten. Ik werd vervolgens voor de tweede keer verhoord. Onder bedreiging zei ik dat Herman bij ons was geweest, maar dat we niks meer met hem te maken wilden hebben en hem weggestuurd hadden in de richting Dedemsvaart.
Het hele huis werd doorzocht en ook de zolder waar de helmen lagen. Een Duitse SD'er scheen met zijn lantaarn over de helmen, die ondertussen bloot waren komen te liggen, maar hij zag ze niet.
Toen alles was afgelopen werd ik meegenomen, waarschijnlijk omdat de vrouw via Herman wist dat ik het meest actief was in het verzet.
De achterblijvende familieleden hebben de wapens, uniformen en helmen in de buurt van de boerderij in de grond begraven.

De vrouw had ook de naam van Gerard Schuurman genoemd en daarom werd die ook opgehaald. We werden samen naar het Huis van Bewaring in Zwolle gebracht. We kwamen in een cel terecht met ongeveer 12 mannen. Een oudere man waarschuwde me onmiddellijk dat ik niets moest zeggen omdat er vermoedelijk een verrader onder ons was.
De volgende dag werd ik verhoord. Het ging er gemoedelijk aan toe. Het verhoor, een direct vraag-en-antwoordspel, vond plaats in het Duits. Toen werd hen duidelijk dat ik ondergedoken was. Op de vraag waarom zei ik dat ik niks tegen de Duitsers had, maar dat ik bang was voor de Engelse bommen.
Na ongeveer een week met verschillende verhoren kreeg ik te horen dat, als ik niet zou zeggen waar Herman was, ik nog dezelfde week zou worden doodgeschoten. De vraag of ik wist waar Herman was, bleef ik ook toen nog ontkennend beantwoorden.
Na enkele dagen ging de celdeur open en verscheen er een man in de deuropening die zei dat Klein en Schuurman moesten meekomen en al hun spullen moesten meenemen. De oudere al eerder genoemde medegevangene, zei dat we niet bang moesten zijn en dat we de gevangenis uit zouden gaan. Bij de wacht aangekomen stonden daar twee Nederlandse politieagenten ons op te wachten. We kregen alle spullen terug die ons eerder waren afgenomen en met de beide agenten gingen we de gevangenis uit.
Buiten gekomen vroeg ik waar we naar toe gingen. Daarop zei een van de agenten dat we geen gekke dingen moesten doen. We zouden naar een strafschool gaan, waar we bij de haven zouden moeten werken. Ik kon het niet laten om te zeggen dat ik niet snapte waarom men dat werk wilde doen.

Naar kamp Erika
Samen met Gerard Schuurman werd ik dus overgebracht naar een strafkamp in Zwolle, van waaruit we in de Zwolse haven moesten helpen met het lossen van schepen. In dat strafkamp maakten we mee dat een medegevangene via de regenpijp ontsnapte. Hij werd echter gepakt en verschrikkelijk afgeranseld. Hoe het verder met hem is afgelopen weet ik niet.
Na enkele dagen werden we op transport gesteld naar Ommen. Na een heel eind lopen werden we op vrachtwagens geladen en naar kamp Erika gebracht. Daar vond ook weer een verhoor plaats. We werden ingedeeld in verschillende groepen, Gerard in de boerenploeg en ik in de bosploeg. Dat was de strafploeg. Dag in dag uit moesten we gekapte bomen uit het bos naar de weg slepen.


Kamp Erika werd met de grond gelijk gemaakt. Alleen dit monument in de bossen bij Ommen herinnert nog aan de plek waar eens het kamp was.

's Middags was er voor familieleden en vrienden af en toe gelegenheid om ons te bezoeken. Ze namen dan vaak wat te eten mee, want het voedsel in het kamp was mondjesmaat en slecht. Bovendien kreeg je, als je bezoek had, geen eten omdat men er vanuit ging dat het bezoek wel eten had meegenomen.
's Morgens kregen we een stukje brood en daar moesten we het ook 's avonds mee doen. De meesten hadden het brood echter 's morgens al op. 's Middags kregen we een of andere stamppot met kool, maar dat hield ook niet over.
Als je 's middags aan het eten was, kon het gebeuren dat iemand van je familie of kennissen vroeg of ze je even mochten spreken. Zo is mijn vader een keer bij me geweest en hij liet me toen beloven om geen vluchtpoging te wagen. Hij vond het veel te gevaarlijk.
Mies van Giessel en Roelie Huisman, twee koeriersters uit Nieuwleusen, kwamen ook een keer op bezoek. Zij namen een brief mee van een gevangene voor iemand die in hun buurt woonde.

Het werk was erg zwaar. De bewakers waren meestal afgekeurde SS'ers, onder wie ook de beruchte Bikker. Als de bewakers zagen dat twee mensen een boomstam droegen die volgens hen eigenlijk te licht was voor twee personen, dan lieten ze voor straf die boom door één man dragen. Heel vaak bezweek iemand onder die vracht.
Het kampleven was zwaar. Zelfs in hartje winter was er 's morgens appel, waarna iedereen het op een rennen zette naar de washokken. Maar daar waren de leidingen meestal bevroren.

Bevrijding uit kamp Erika
Op een middag in februari kwamen Jan Mannen en Wiep van Werven op bezoek in het kamp om me te waarschuwen. Er waren wapens gevonden aan het Zandspeur in de buurt van ons huis, de door mijn familie verstopte wapens dus. In combinatie met mijn arrestatie en verblijf in het kamp voorspelde dat weinig goeds. Afgesproken werd dat ik zou proberen te vluchten. In het bos hadden ze een overall voor mij verborgen. Ze zouden aan de weg met een fiets wachten tot ik zou komen.

Een poosje later vroeg ik aan de bewaker of ik even het bos in mocht om "wat te doen". Het commando was dat ik niet te ver mocht gaan. Toen ik bij de overall kwam, kon ik de bewakers nog op afstand zien. Ik verstopte me achter een lage dichte dennenboom en trok snel de overall over mijn gevangenispak aan. Ik ben toen snel naar de weg gelopen, er angstvallig voor zorgend dat het dennenbos zich steeds tussen mij en de bewakers bevond. Vervolgens liep ik door tot de plek waar volgens afspraak een fiets stond. Jan Mannen en Wiep van Werven stonden op enige afstand te wachten.
Ik wou op de fiets springen maar de trappers schoten door. Fietsen waren in die tijd niet best. Ik riep naar de beide vrienden en Van Werven kwam naar me toe. Ik kreeg zijn fiets, waarna ik ervandoor kon gaan. Van Werven liep met de kapotte fiets naar een boerderij in de buurt om hem te repareren.
Het gebeurde allemaal op veilige afstand van de SS-bewakers. Met Jan Mannen ben ik naar Lemelerveld gefietst waar een onderduikadres voor me was geregeld. Bij aankomst bleek echter dat de betreffende boerderij die dag door de Duitsers bezet was. We moesten dus verder naar een ander onderduikadres. Dat was in Heino bij Datema, het hoofd van de school. Die wist dat ik uit Ommen kwam. Twee dochters die verpleegster waren, waren thuis. Ze hebben me onder handen genomen want ik zat onder de luis. Ik werd grondig gewassen en kreeg schone kleren aan.

De volgende dag heeft de onderwijzer me naar de boerderij van Slotman aan de Brink bij Heino gebracht. Die mensen mochten niet weten dat ik in Ommen gezeten had, omdat ze anders te bang zouden zijn voor de Duitsers. De zoon des huizes heeft me later die informatie toch ontfutseld, maar hij beloofde me om zijn ouders niets te vertellen. Later is de zoon nog ingeschakeld bij de verspreiding van Luctor et Emergo.
Voor zover ik een beetje verstand had van het boerenwerk, ging ik bij boer Slotman op het land werken. Maar de boer zei dat ik er niet was om te werken. Ik werd door hem bij de aardappelkuil geplaatst om de etenhalers uit het westen aardappelen te geven. Ik kreeg de opdracht om de aardappelen gratis weg te geven als ik merkte dat men geen geld had. Iedereen kreeg een mand vol aardappelen. Dat ging zo ongeveer een week door tot de kuil leeg was.

Gedropte wapens
Zo verliepen de dagen bij de boer bij Heino in alle rust. Een keer ging het gerucht dat de Duitsers paarden zouden gaan vorderen. De boer stuurde mij met een wagen met twee paarden naar een afgelegen stuk land om de paarden te verstoppen. Ik had van paarden helemaal geen verstand maar het ging allemaal goed. De vordering is inderdaad doorgegaan en die avond haalde de boer me weer op.
Vanuit Nieuwleusen werd ik bij boer Slotman vrij geregeld bezocht door de koeriersters en door Oldenbeuving, die zelf ook ondergedoken was. Ik zei dat ik met Pasen graag naar huis zou willen. Afgesproken werd dat twee koeriersters, Roelie Huisman en Dickie Snorrewind, me op zouden halen. Bij Dalfsen moesten we de brug over. De koeriersters zouden vooruit fietsen en wanneer op de brug alles veilig was, zouden ze met een zakdoek zwaaien zodat ik er ook over kon. We kwamen veilig in Nieuwleusen aan.
Thuis hoorde ik dat er die avond een vergadering van de ondergrondse was bij de weduwe Snorrewind. Bij de Snorrewinds heb ik in mijn onderduikerstijd diverse keren op de divan geslapen. De weduwe harkte iedere avond het terrein rond haar huis aan om later te kunnen zien of er die nacht onraad was geweest.
Op de vergadering van die avond werd afgesproken dat er op paaszondag 1 april wapens uit de Staatsbossen bij Staphorst gehaald zouden worden. We waren met een man of dertien. Het ging om gedropte wapens. We wisten dat de geallieerden op komst waren.
We kregen ieder een stengun en voor de hele groep een machinegeweer en voldoende munitie voor een aantal dagen. De banden van de fietsen die we hadden kwamen van de Union-rijwielfabriek. Ik had met de directeur gesproken dat we fietsbanden moesten hebben. Hij zei dat ik ze maar moest pakken als ik ze kon vinden. Twee van onze vrienden die op de fabriek werkten, hebben op een nacht de voor de Duitsers bestemde fietsbanden gestolen.

In de Staatsbossen kregen we allemaal de fietstassen vol met wapens. Op de terugweg kreeg ik op de Schapendrift een lekke band. Henk Brassien heeft toen mijn fietstassen over de fietstassen op zijn fiets gedaan en zo gingen we met z'n allen verder. Toen we aan het kanaal de Dedemsvaart kwamen, besloot de commandant om te stoppen.


De Rollecatebrug met links de rijwielzaak van Zandbergen en op de achtergrond de boerderij van H. ter Wee.

We moesten een eindje over de verkeersweg langs het kanaal naar de Rollecatebrug. Besloten werd om dat twee aan twee te doen.
Als de eersten over de brug waren gingen de volgende twee. Op het laatst bleven er nog drie over, Henk Brassien, de commandant en ikzelf. Het was middernacht. Vanwege de lekke band besloten de commandant en ik het laatste stuk te lopen. Henk moest maar vooruit fietsen omdat hij een dubbel stel wapens in de fietstassen had.
De commandant zei tegen me dat hij bewapend was en dat ik moest maken dat ik wegkwam als er wat gebeurde. Toen we een eindje langs het kanaal hadden gelopen, stopte er plotseling een auto met gierende remmen naast ons. Ik besloot meteen om mijn fiets in de sloot te gooien en daar overheen te springen. Het was bij de boerderij van Ter Wee. Ik vluchtte het land in. Er klonken schoten. Ik dacht dat ze de commandant te pakken hadden gekregen en dat hij zich verdedigde. Onmiddellijk daarop klonken er machinegeweerschoten over het land. Ik hoorde de kogels fluiten. Bij de gracht aangekomen die achter het weiland liep, sprong ik er in. Er klonken nog enkele salvo's toen ik naar de overkant zwom. Daarna werd het stil en hoorde ik niks meer. Ik ben toen achterlangs de vroegere zuivelfabriek van Van Dedem naar Sluis 3 gelopen. Daar heb ik een tijdje bij de slagerij van Beekman gewacht.
Toen ik ook daar niets meer hoorde ben ik de brug over gelopen en via een weg achterlangs naar ons huis aan het Zandspeur gegaan. Ik wekte mijn ouders en die vroegen wat er gebeurd was. Moeder zorgde snel voor droge kleren. Ik vertelde dat we aan de Rollecate overvallen waren door Duitsers.
De volgende morgen ben ik na spertijd naar het afgesproken verzamelpunt gegaan. Dat was de boerderij van Jan Petter dicht bij de spoorlijn. Toen ik er aankwam, was de eerste vraag: Waar is Van Aarst? Ik vertelde wat er gebeurd was en hoe ik ontsnapt was. Henk Brassien vertelde dat de kogels hem ook om de oren gevlogen waren omdat hij op dat moment de Rollecatebrug nog niet over was.
Direct nadat het licht geworden was, gingen twee jongens naar de plek waar de overval had plaatsgevonden. Ze vonden de fietsen in de sloot en namen ze mee. Die hadden de Duitsers dus niet gevonden. Maar Van Aarst bleef spoorloos. In de loop van de middag kwam er echter bericht uit Staphorst of ze met een fiets wilden komen om Van Aarst op te halen. Dat gebeurde en na zijn terugkomst vertelde Van Aarst dat hij zich direct had verstopt en na de overval verder de andere kant opgelopen was. Bij de Rollecatebrug bleek alles afgezet door de Duitsers. Hij was toen dwars door de landerijen naar een bevriend adres in Staphorst gegaan en had daar de nacht doorgebracht. Toen hij weer veilig terug was, werd zijn vrouw gewaarschuwd dat hij ongedeerd was.

Canadese bevrijders
Een paar dagen later in april rukten de Canadezen vanuit Balkbrug op naar de spoorlijn. Als verzetsgroep kwamen we onder bevel van de Canadezen te staan. De contacten liepen via de commandant. 's Avonds gingen de Canadezen weer terug naar Balkbrug. Onze groep ging dan terug naar Den Hulst, waar we bij boeren sliepen. Op de tweede dag dat de Canadezen bij de spoorlijn waren, kwam er bericht van boer Bloemhof dat er bij zijn boerderij een groepje Duitse soldaten was die zich wilde overgeven. Na overleg met commandant Van Aarst besloten we met een man of vier naar de boerderij te gaan. De Duitsers leverden onmiddellijk hun wapens in en vroegen ons wel te beloven dat ze door de Canadezen als gevangenen beschouwd zouden worden. Bij hen leefde de overtuiging dat ze bij gevangenneming doodgeschoten zouden worden. Een grappige omstandigheid was nog dat ik met de commandant van de Duitsers in het Duits sprak, terwijl hij Nederlands kon spreken. De Duitsers werden door de Canadezen met een vrachtwagen vanuit Balkbrug opgehaald.

Op een van de laatste dagen die we bij de spoorlijn verbleven vloog het Lichtmis-viaduct door toedoen van de Duitsers de lucht in. Omdat er huizen tussen de Lichtmis en de spoorlijn stonden, was niet goed te zien wat er gebeurd was. De Canadese commandant vroeg of er iemand in de groep was die aan De Lichtmis durfde te gaan kijken wat er gebeurd was. Snorrewind stelde zich direct beschikbaar en ging via de weilanden naar De Lichtmis. Toen hij daar dichtbij was, werd hij vanaf De Lichtmis beschoten. Gelukkig bleef hij ongedeerd.
Snorrewind keerde terug met een tekening van de toestand van het Lichtmis-viaduct. De verbinding tussen Meppel en Zwolle was voor zwaar geschut niet meer begaanbaar. De Canadese commando's bleven vervolgens bij de spoorlijn. De hele tijd waren er een paar man van de verzetsgroep als tolken bij hen, waaronder ikzelf.
Ondertussen waren Den Hulst en Nieuwleusen door de Canadezen bevrijd. Aan het Westeinde in Nieuwleusen vond nog een vuurgevecht plaats waarbij een inwoner, een oudere man, sneuvelde?. Na de bevrijding werden de NSB'ers direct gevangen genomen. In de omgeving vond op 8 april nog een tragisch voorval plaats (Op deze punten wijkt het verhaal van Albert Klein af van andere versies elders in dit boek en in andere bronnen, red.). Daar woonde een NSB-gezin waarvan de vader en een zoon bij de Landwacht zaten en een andere zoon bij de SS. Die laatste was op dat moment thuis. Onze mensen die in de bossen zaten, besloten dit gezin te arresteren. Een Fransman (Loichot) en een Nederlandse ondergedoken politieagent (Kees de Roos) gingen op de motor op weg naar het huis van dat NSB-gezin. Voor de boerderij gekomen werden ze vanuit de bovenverdieping doodgeschoten. Nadat de groep in het bos door een buurmeisje gewaarschuwd was, besloot commandant Jos Bonvanie onmiddellijk er met een groep op af te gaan. Ze omsingelden de boerderij en namen die onder vuur. De boer en zijn zoons werden in het vuurgevecht doodgeschoten en de boerin werd gevangen genomen. Toen zij in het kamp aankwam werd ze daar door de broer van de omgekomen Fransman doodgeschoten.


Een groep BS’ers bij de school in Wilsum. Vlnr: achter: Sybe Post, Gerrit Groen, Jannes Groen en Henk Brassien. Voor: Wim Willemsen, Hendrik Schoemaker (op de grond liggend), Piet Jongejans, Albert Klein en Jan Klein.

Bevrijding
De bevrijding was op de avond van 13 april. Alle NSB'ers werden opgepakt en gevangen gezet. Onze groep BS'ers zou deelnemen aan de bewaking maar daar hadden we weinig zin in.

Vanuit Zwolle kwam het verzoek of we met de groep bij Kampen de IJssellinie wilden bezetten. Daar zouden de Duitsers vaak 's nachts de rivier over komen om vee te roven. We gingen op die avond met de groep naar Zwolle, waar we onze identiteitspapieren kregen. 's Nachts vertrokken we richting Kampen.
Bij een boerderij onderweg naar Kampen werden we door Canadezen opgewacht. De Canadese commandant verbaasde zich erover dat we vanaf Zwolle waren komen fietsen. Het vermoeden bestond namelijk dat er onderweg nog ergens Duitsers zaten.
We werden naar het dorp Wilsum gestuurd. De bedoeling was om een stuk dijk langs de IJssel te bezetten. We werden voor de nacht ondergebracht bij inwoners van Wilsum, waar we ook aten. Ook zaten we bij NSB-boeren die gedwongen werden om mee te werken. Overdag hielden we kwartier in een school. 's Nachts moest om de beurt wacht gelopen worden. We hebben echter nooit een Duitser ontdekt die de rivier overgestoken was.
Op een morgen werd er vanaf de overkant van de IJssel gewenkt, waaruit we de conclusie trokken dat de Duitsers vertrokken zouden zijn. We vonden een inwoner van Wilsum bereid om ons met een boot over te zetten. Hij was zelf als hospik in het leger geweest en nam de uitrusting mee die hij nog had. Aan de overkant aangekomen hoorden we dat de Duitsers 's nachts vertrokken waren. We hebben ze nog achtervolgd richting Oldebroek, maar hadden slechts vanuit de verte vuurcontact. Daarop besloten we om richting Kampen te gaan. Daar aangekomen werden we feestelijk binnengehaald als de eerste bevrijders. De BS'ers in Kampen waren al bezig om de NSB’ers op te halen. In de loop van de middag gingen we terug naar Wilsum. Met tien man in een van de Duitsers gepikte auto zochten we contact met Nieuwleusen. Daar zochten we onze commandanten op. Langzamerhand keerde de een na de ander terug naar zijn eigen werkzaamheden.


Deze plaat kreeg Albert Klein bij zijn huwelijk aangeboden door zijn verzetsvrienden.

* * *


VERSLAG VAN HET VERZET IN NIEUWLEUSEN
_____

J. van Aarst

Over wat er zich in de Tweede Wereldoorlog in Nieuwleusen heeft afgespeeld is lange tijd veel onduidelijkheid geweest. Gelukkig kunnen we inmiddels veel persoonlijke herinneringen raadplegen. Nu is ook het verslag beschikbaar dat J. van Aarst kort na de oorlog naar het NIOD stuurde. Dit is een goed ijkpunt voor al die verhalen.
In de oorlog waren Den Hulst en Nieuwleusen nog twee afzonderlijke dorpen, gescheiden door een ruim gebied van akkers en weilanden. Elk dorp had zijn eigen verzetsgroep.

In het verzet werd veel met codenamen gewerkt om mensen zo veilig mogelijk hun gevaarlijke werk te kunnen laten doen. In het verslag van Van Aarst zijn die codenamen ook gebruikt.
Jan van Aarst = Van Beek. veldwachter Blom = Boertje.
Hendrik Brassien = Lex. Fleurke = Ruurd van Wisse.
Jamier Groen = Marcel. Hulsteyn = J. v.d. Berg. Albert Klein = Kees.
Sijbe Kleen = Teun. Jan Mannen = KonKoos.
meester Oldenbeuving = Van Weert. Sybe Post = Gerrit.
Hendrik Schoemaker = Benny. Hessel v.d. Sluis = Jan Bakker.
E. v.d. Vegt = Grossfeld.
Koeriersters: Mies van Giessel = Leida. Mej. Huisman = Annie.
Met eigen naam genoemd zijn: Jos Bonvanie en de koeriersters Gerda Hengeveld en Dirkje Jonkers. Alleen met voornaam genoemd worden de koeriersters Geesje, Henny en Riek en koerier Wolter.
Verder ontbreken er sommige eigen namen en voornamen. Wie zijn Hilbert (werkte op het distributiekantoor), Nico, Arend-Jan, Koos, Flappe, oom Hein, Dick, Piet de Graaf, Tempelman, Hoogezand, Jas en Van Dijk?
Het verslag van Van Aarst begint op de volgende bladzijde.

Naar het illegale werk
FInhoud Jaargan 't Is niet gemakkelijk achteraf een volledig overzicht te geven van het illegale werk te Nieuwleusen. We leefden van gebeurtenis tot gebeurtenis en het tijdsbesef ontbrak bijna geheel. 't Begon al toen de regering haar zetel verplaatste naar Londen: Hoe moeilijk was het de mensen te overtuigen dat H.M. de koningin en de regering de enigst mogelijke weg hadden gekozen; een dure plicht en bittere noodzaak. Opvallend was dat wie de voornaamste rol speelden bij de koninklijke feestdagen, nu het verbitterdst waren.
Het werd een tijd van steeds bij de radio rondhangen om enige richtlijnen te ontvangen over wat we zouden kunnen doen. Door de gelijkschakeling waren ook de plaatselijke politieke- en vakverenigingen geliquideerd, maar het contact onderling bleef. Er werd geprotesteerd tegen de Winterhulp, waardoor de opbrengsten zeer gering werden. Maar er moest meer actie komen en daarom zocht Jan Bakker contact buiten de gemeente, samen met Grossfeld, die personen kende die op dat gebied al werkzaam waren. Langzamerhand is dat contact gelegd en in prettige samenwerking gebleven tot het goede einde. Daarbij was Hilbert "de man". Hieruit is het OD-werk (Ordedienst) gegroeid.

Met Den Hulst, waar ook een groep voor onderduikers werkte, werd overeenstemming bereikt om stappen te doen en zich te richten op Meppel, vanwaar ze via Van Beek ook reeds bonkaarten betrokken. Met Steen, Van Giessel, Hengeveld, Tempelman en Hoogezand werd toen de OD nader geregeld, waarbij ze toetraden.

Daarvoor stonden enige jongelui, die voor dit werk alles over hadden, dadelijk klaar. Er werden lijsten aangelegd van mensen die te zijner tijd de volledige groep konden vormen en ….. weer vernietigd. We kenden ze toen.



Verzetsman en onderwijzer Jan van Aarst.

Toen in 1943 de stroom van onderduikers op gang kwam, met alles wat daaraan vast zat, waren we klaar om alles zo vlot mogelijk te verwerken. De groep: Jan Bakker, Nico, Arend-Jan, Koos, Benny, Lex en Kees, had toen al heel wat werk verzet. De te plaatsen jongelui konden worden ondergebracht en eventueel doorgezonden. Er kwamen tientallen en aan de meesten hebben we prettige herinneringen, maar er waren er ook waarvan we met plezier onze handen hebben afgetrokken, maar we slikten veel.

Bonkaarten en distributiekantoor
In bovengenoemde groep waren drie personen werkzaam op het plaatselijk distributiekantoor en die hebben onnoembaar nuttig werk gedaan. De bonkaarten kwamen via Hilbert. Wie zijn papieren nog had kon langs "legale" weg zijn bonkaarten krijgen. En wat moest er toen niet allemaal vervalst worden: persoonsbewijzen, formulieren voor banden, schoenen, textiel. Gestempelde exemplaren konden worden verstrekt, ingevuld en geplaatst (ingeleverd) bij vertrouwde adressen.

Het gebeurde regelmatig dat er bonkaarten over waren van overvallen. Die konden niet direct op opplakvellen worden geplakt, die ingeleverd moesten worden om toewijzingen te krijgen voor het kunnen kopen van artikelen, maar waren nodig (werden gebruikt) als er een storing kwam in de (ondergrondse) bonkaartenvoorziening. Winkels zoals van Wstm en Z. van EMM (Westerman en Zomer van coöperatie Eendracht Maakt Macht, red.) stonden steeds klaar met hun medewerking.

Personeelsleden van het distributiekantoor tijdens een stoeipartijtje voor de deur van het gemeentehuis met Marga Gerrits (links), Karel Daniel Fleurke en Siena Houwer.

Ook hebben diverse stempels langs deze weg een lange reis gemaakt langs plaatsen in Overijssel en Drenthe.
Inmiddels waren de verbindingen uitgebreid. Een ambtenaar van het Departement uit Den Haag, die op het gemeentehuis de dienstplichtigen moest controleren, bleek bereid inlichtingen te verstrekken betreffende maatregelen die ten aanzien van militairen genomen zouden worden. Ik nam op mij, die in ruimere kring door te geven. Hierdoor kwamen we in contact met "De Vries", ambtenaar van het CDK (Centraal Distributie Kantoor), dat werd overgeplaatst naar Zwolle. Hij heeft tot het tijdstip van zijn onderduiken waardevolle informatie doorgegeven.
Dit contact met Den Haag kon worden voortgezet en verbreed. De maatregelen tegen de militairen leidden ertoe dat er in Den Haag een bespreking werd gehouden tussen Hilbert, Flappe en Van Beek enerzijds en Het Kleintje, Maat 47 en Van den Berg uit Den Haag, ten huize van Van den Berg.
Door interne moeilijkheden bij de voorziening van bonkaarten en omdat zij hun eigen KP(KP = Knokploegen. De KP overviel distributiekantoren, kantoren van de burgerlijke stand en politiebureaus.) nog niet klaar hadden, werd er een regeling getroffen dat Meppel hun bonkaarten verstrekte tegen eventueel andere tegenprestaties. Contactpunt in Nieuwleusen werd Van Beek. Honderden bonkaarten gingen langs deze weg. Jan v.d. Berg verzorgde de ophaaldienst met dames die dikwijls in hoogzwangere toestand de terugreis aanvaarden. Als tegenprestatie kwam een grote zending sporthemden voor onderduikers en vliegeniers, afkomstig van een overval op een transport voor de DWM (Deutsche Wehr Macht). De koeriersters Geesje, Henny en Riek, en koerier Wolter hebben deze veilig en wel per fiets verder verspreid.

Het plaatselijk distributiekantoor zou ook een beurt krijgen voor een aderlating. Nico, Kees en Lex namen de situatie op. De KP in Meppel zou de kraak uitvoeren. Van Beek stelde zich in verbinding met de ambtenaar van de burgerlijke stand, om met de distributiebescheiden ook het bevolkingsregister, de persoonsbewijzen en de zegels te laten verdwijnen. Onder bedreiging werd eerst medewerking van de ambtenaar verkregen om zijn afdeling zodanig te plaatsen dat vergissing uitgesloten was, maar deze trok zich de laatste dag terug met de mededeling dat hij, als het doorging en hij aan een verhoor zou worden onderworpen, hij alles zou moeten uitbrengen. De zaak werd afgelast. Kees, die als kassier van het distributiekantoor over de sleutel van de kluis beschikte, zou de sleutel verstrekken en onderduiken.
Het tweede plan, een half jaar later, werd geregeld tussen Kees en Van Beek, in overleg met oom Hein, Hilbert en de betrokken KP. Aan de Zwolseweg werd een en ander geregeld. De gemeenteveldwachter, zeer pro Duits, had de sleutels nu in bewaring. Bij zijn thuiskomst na de sluiting van het gemeentehuis, zouden hem de sleutels afhandig gemaakt worden. Bij hem thuis zaten al twee personen te wachten om hem onschadelijk te maken. Een dochtertje dat buiten de berekening om gelijktijdig thuis kwam, merkte onraad en waarschuwde haar vader. Deze wilde van zijn vuurwapen gebruik maken, maar hij kwam te laat. Hij werd neergeschoten en is dodelijk verwond enige dagen later in het RK-ziekenhuis in Zwolle overleden.
De overval was weer mislukt. Dankzij de "speurzin" van de plaatselijk gestationeerde marechaussee liep ieder spoor dood.

Illegale pers
Langs meerdere wegen hadden we een assortiment aan illegale lectuur om van te watertanden. Parool, Trouw, Je Maintiendrai, Strijdend Nederland, Ons Volk en andere kranten kwamen betrekkelijk regelmatig voor plaatselijk gebruik en doorzending. Na de radio-inlevering gingen Kees en Lex er toe over plaatselijk een blaadje te stencilen: "Luctor et Emergo", waarmee diverse mededelingen de bevolking bereikten. Deze uitgave nam zo'n grote vlucht dat Van Weert de leiding op zich nam en dat de verspreiding zich uitstrekte naar Zuid Drenthe, de Vechtstreek en geheel Noordoost Overijssel. Duizenden exemplaren gingen wekelijks weg. Dit werd zo bezwaarlijk dat ertoe werd overgegaan om op meerdere plaatsen te gaan drukken en met elkaar kopij uit te wisselen. Vooral Nico, Van Weert, Lex, Kees en Koos hebben met de koeriersters Leida, Annie en Gerda hier een flink stuk werk verzet. Van Beek verzorgde de plaatselijke radiovoorziening.

Eind 1943 moest Jan Bakker onderduiken. Hij kreeg bezoek van de SD uit Rotterdam, maar die trof hem gelukkig niet thuis. Waarvoor hij gezocht hebben we niet kunnen achterhalen, maar vermoedelijk was er sprake van verraad via een ex-onderduiker.

Actief verzet
Er kwam via Van Weert een verbinding tot stand tussen het plaatselijk verzet en Friesland. Hieruit ontstond de verzetsgroep der RVV (Kort voor de april-meistakingen in 1943 werd een nieuwe landelijke illegale organisatie opgericht, de Raad van Verzet (RVV), die de verzetsgroeperingen moest overkoepelen en helpen hun landelijke operaties beter te doen slagen, wat betreft sabotage (inclusief stakingen) en gewapend verzet. De aangesloten verzetsgroepen hielden hun zelfstandigheid.). Leden waren Van Weert, Ruurd de Wisse, Lex, Benny, Gerrit, Koos, Nico, Teun, Marcel, Dick, Piet de Graaf. Er werd contact gehouden met Van Beek, die er later als plaatsvervangend commandant direct bij betrokken werd. Hierbij werd contact gelegd met Jas, Boertje en Van Dijk en anderen.
Zo werd het oorspronkelijke OD-werk gekoppeld aan het actief verzet.
Ruurd van Wisse, Lex, Benny, Gerrit, Koos, Nico, Teun, Marcel, Dick en Piet de Graaf hebben enige opdrachten kunnen uitvoeren, zoals PTT kabels en Wehrmacht lijnen doorsnijden. De verjaardag van H.M. de koningin (foto uit 1942) werd in augustus gevierd door het beschilderen van straten en het verspreiden van pamfletten. Nico, Kees, Lex en Kobus voerden de "bevrijdingsactie" uit.
In september werden enkele afgeworpen postduiven door Van Weert met diverse inlichtingen in vrijheid gesteld. Nico maakte een situatietekening van het viaduct "Lichtmis", die ook naar geallieerde zijde verdween.
Bij de razzia's werd een alarmsysteem toegepast waarbij meerdere personen zo spoedig mogelijk de betrokkenen waarschuwden. Dit werkte ten slotte zo perfect dat iedereen meedeed. Als een lopend vuurtje was het nieuws spoedig verspreid en vingen de mensenjagers bot. 's Nachts was het niet zo eenvoudig, maar wanneer iets er op wees dat het 's nachts mis zou gaan, werd de betrokkenen aangeraden niet thuis te slapen. Zo is Nieuwleusen er betrekkelijk zonder slachtoffers vanaf gekomen.

In maart 1944 kwam er een vliegenier neer. Die werd opgevangen en via Van Weert doorgezonden naar het noorden en vandaar verder langs goed functionerende kanalen. Uit een van de vliegtuigen kon Benny een paar machinegeweren buit maken. Die zijn door Jos gebruikt.
Tijdens paardenvorderingen hebben de controleurs van de PVC (Plaatselijk Voedsel Commissaris) het initiatief genomen om de paardenlijsten te laten verdwijnen. Dit is goed geslaagd.
De moffen hebben diverse huiszoekingen verricht, maar dat had gelukkig geen gevolgen voor de daarbij betrokken illegalen.

Eind van de oorlog
De RVV en OD, die praktisch al hun directe medewerkers had ingeschreven bij het directe verzet, uitgezonderd de groep Den Hulst, werd omgezet in BS (Binnenlandse Strijdkrachten (BS), officieel NBS, is de op 5 september 1944 officieel opgezette bundeling van de drie belangrijkste, weinig samenwerkende verzetsgroepen OD, LKP en RVV. De BS was zeer slecht bewapend. Dit werd verbeterd door geallieerde wapendroppings. De BS was verdeeld in Stoottroepen, die afkomstig moesten zijn uit het gewapend verzet, en Bewakingstroepen.) verband. Van Weert werd de plaatselijke commandant en Van Beek plaatsvervangend commandant en commissaris van het NSG (Niet Strijdend Gedeelte), die eventueel de NSB-burgemeester zou vervangen tot de burgemeester die in 1943 werd afgezet, de functie weer kon aanvaarden. Groepscommandanten werden Van Wisse en Nico.
In april kwam, vermoedelijk door een vergissing, een groep Maquis (Franse verzetsstrijders) in Den Hulst terecht. Dadelijk waren meerdere BS’ers aanwezig en met hun hulp kwamen de Maquis op de bestemde plaats. De afgeworpen munitie kon, onder de ogen van de Duitsers die langs de Dedemsvaart lagen, worden verzameld en via Jos achterna gezonden worden. De voedselpakketten konden we voor de BS houden en daar hebben we, omdat we van toen af aan in gewapend verband (bij elkaar) bleven, veel plezier van gehad. De wapens waren ongeveer veertien dagen voor de Maquis landden in het Staphorsterveld afgeworpen en na een nachtelijk transport in onze handen gekomen.
Daarbij hadden Kees en Van Beek nog een kleine ontmoeting met de moffen, maar ze bleven buiten schot.
Wij bleven bij elkaar, omdat we reeds verbinding hadden met de Canadezen, die over de Dedemsvaart naderden, maar niet verder opereerden dan Balkbrug. Van Wisse verzorgde het contact per telefoon en heeft daarvoor veel werk verzet. Nieuwleusen was het verst vooruitgeschoven punt dat telefonisch bereikbaar was. Er zijn veel inlichtingen per draad verstrekt. Daarvoor was een uitgebreide spionnenstaf actief, waar de koeriersters Leida, Annie, Gerda en Dirkje het leeuwenaandeel in hadden.
Het mooiste ogenblik was toen bij Heuving vanuit Zwolle het bericht kwam dat een afdeling uit Balkbrug Nieuwleusen zou bezoeken, waar de moffen een paar punten bezet hielden. 6 april, 's morgens om ongeveer 10 uur kwamen de gevechtswagens vanuit het Oosteinde de Kerkenhoek ingereden. Met Heuving als tolk op de tanks ging het toen voort naar Ruitenveen om de post bij de Dalfser grindweg (nu Van Dedemweg) onschadelijk te maken. Hierbij gingen een zestal boerderijen in vlammen op. Een oude man kwam hierbij om het leven. De moffen trokken zich terug achter de spoorlijn. In Den Hulst kwam een andere colonne en die kon nabij station Dedemsvaart enkele moffen gevangen nemen. Een week later, na nog enige tankbezoeken, waarbij velen uit de burgerij op verkenning konden worden uitgestuurd, kwam een definitief eind aan de bezetting en de volle bevrijding op 13 april 1945. 's Avonds om zes uur werd door Van Weert en Van Beek de vlag gehesen, met een toespraak door Van Weert voor een grote menigte toehoorders. Na het zingen van het Wilhelmus kon iedereen zich aan de herkregen vrijheid wijden. De volgende dag, zaterdag 14 april, werd de schoonmaak ingezet. De bevolking hield zich stipt aan de uitgevaardigde bepalingen en heeft zich ordelijk gehouden.

* * *


PLANK MET KOGELGAT
_____

P. van Beekhuizen

Wij woonden bij het Lichtmiskanaal aan de Hooiweg in Nieuwleusen. Langs het kanaal liep de Rijksweg van Zwolle naar Meppel (nu parallelweg langs de A28). Het was een belangrijke verbindingsweg van het zuiden naar het noorden van ons land, die in de oorlog veelvuldig werd gebruikt. De geallieerden wisten dat natuurlijk en beschoten regelmatig Duitse auto's die over de Rijksweg reden. De even verder oostwaarts gelegen spoorwegverbinding was eveneens regelmatig doelwit. Dicht bij onze boerderij stond langs de Rijksweg een rij hoge bomen. Wanneer er weer eens een beschieting was, schuilden daar regelmatig Duitse legerauto's onder.
Op een zomerse zondagmiddag in 1943 was het weer eens raak. Vader maakte met mijn broer en mij een wandeling. Moeder was alleen thuis gebleven. Op afstand zagen wij wat er gebeurde. Het was een en al gekletter van kogels rondom het huis. We konden niet anders doen dan een schuilplek zoeken, terwijl we ons ernstig zorgen maakten over hoe het met moeder zou gaan.
Door al dat geschiet was ze zo bang geworden dat ze het op een gegeven moment niet meer in huis uithield en naar buiten vluchtte, terwijl de kogels haar om de oren vlogen. Wonderwel is ze niet geraakt en kon ze ongeschonden bij de buren komen.
Toen het weer veilig was, wisten we niet hoe snel we weer thuis moesten komen. Gelukkig bleek dat er niemand gewond was geraakt. Later die middag hebben we ongeveer 235 lege hulzen in en rond de boerderij gevonden.

In ons huis en de schuren zaten de nodige kogelgaten.
Als herinnering aan deze vreselijke middag is een stukje plank van de kippenren bewaard gebleven. Hierin zit een van de vele kogelgaten.

* * *


NIEUWLEUSENERSTRAAT IN CADZAND
_____

Op 24 januari 1945 vond in Tilburg de oprichtingsvergadering van de Landelijke Hulpactie Roode Kruis plaats. De werkzaamheden van de H.A.R.K. beperken zich in eerste instantie tot de bevrijde gebieden in Zeeland, Noord-Brabant, Limburg en Gelderland.

In november 1945 krijgen de burgemeesters en de voorzitters van de H.A.R.K.-comités in West-Zeeuws-Vlaanderen een schema van adoptie van gemeenten in Overijssel, dat is opgegeven door de inspecteur voor West Overijssel (onbekend van welke organisatie). Daarin is o.a. vermeld dat Nieuwleusen Cadzand adopteert, Dalfsen Hoofdplaat, Ommen Sluis en Dedemsvaart IJzendijke.


Op 29 november 1945 schrijft de waarnemend burgemeester van Cadzand in een brief aan de burgemeester van Nieuwleusen o.a.: "Het zal wellicht bekend zijn hoeveel ons 'landje van Cadzand' door het oorlogsgeweld geleden heeft. Als laatste vesting van de Atlantikwal heeft deze gemeente bij den strijd om den Scheldemond ongeveer een maand onafgebroken onder artillerievuur gelegen. De gevolgen zijn niet uitgebleven. 56 woningen zijn totaal verwoest, alsmede 20 boerderijen, terwijl alle andere woningen min of meer ernstig beschadigd zijn. ………. Vele gezinnen hebben alle huisraad verloren, zoodat nog dringend behoefte is aan meubels, vloerbedekking, keukengerei, petroleum-stellen en ledikanten. ………. Ik besef bij de opsomming van dat alles terdege, dat Uwe gemeente eveneens de 5 lange bezettingsjaren heeft moeten doorworstelen, doch ik breng slechts het vorenstaande ter uwer kennis, teneinde U een inzicht te geven van de nog in deze gemeente heerschende nooden. ………."
Burgemeester Backx antwoordt op 4 december dat hij de brief heeft doorgegeven aan dominee S. de Vries, voorzitter van de H.A.R.K. Deze stuurt op 7 december zijn antwoord naar Cadzand. Hij verzoekt de waarnemend burgemeester om op 27 december naar Nieuwleusen te komen om over de toestand in Cadzand te vertellen. Men wil in die week een inzamelingsactie houden die zal beginnen met een film over de toestand in Nederland en "een spreker die de nood van Cadzand op het hart bindt". Enkelen vanuit Nieuwleusen willen ook naar Zeeland, maar de moeilijkheden om er te komen zijn te groot. "We zouden een auto moeten hebben en dan leek het ons nog de vraag of wij in twee dagen uit en thuis zouden kunnen zijn. Misschien dat u hierin nog licht ziet, anders willen wij, hoe wenschelijk het ook zou zijn, van dit plan maar afzien."
De waarnemend burgemeester van Cadzand antwoordt op 18 december dat het hem vanwege familieomstandigheden niet mogelijk is naar Nieuwleusen te komen. Hij heeft "n.l. bericht ontvangen dat mijn zoon in krijgsgevangenschap in Ned. Indië is omgekomen." De gemeentesecretaris heeft het te druk om te komen vanwege zijn werkzaamheden. Maar de heer Lijk, ambtenaar ter secretarie, zal gestuurd worden om op 27 december een korte lezing te houden.

De actie wordt uitgesteld, wat blijkt uit een telegram dat dominee De Vries op 22 december naar Cadzand stuurt. Op 21 januari volgt weer een telegram met de vraag of de heer Lijk op maandag 4 en dinsdag 5 februari 's avonds zou kunnen spreken.

Op 25 januari stuurt de waarnemer uit Cadzand een brief waarin hij meedeelt dat de heer Lijk in december al op weg was naar Nieuwleusen en met veel moeite op de hoogte gesteld kon worden dat de lezing toen niet door kon gaan. Vanwege de grote reismoeilijkheden zal hij nu ook niet komen.
De actie in Nieuwleusen gaat desondanks door. Op 30 maart 1946 schrijft J. van Aarst, penningmeester van de H.A.R.K. te Nieuwleusen, aan de gemeente Cadzand dat de hulpactie ƒ 18.021,70 heeft opgeleverd. Daarvan is ƒ 7.500,= in contanten opgestuurd en de rest overgemaakt naar de Boerenleenbank in Oostburg.
Pas op 29 juni komt er antwoord uit Cadzand. De dan inmiddels aangestelde burgemeester bedankt voor de verleende hulp. Er heeft een bespreking plaatsgevonden over de besteding van de gelden.
".......... Men was algemeen van oordeel dat het weinig zin had om dit mooie bedrag te verdeelen onder de gedupeerden, doch dat men het bedrag beter kon aanwenden voor een blijvende herinnering aan de prachtige hulp die door uw gemeente verleend is. ………."
Voor een bedrag van ƒ 804,37 is van het geld een podium gemaakt in de gymnastiekzaal van de O.L. school, die ook gebruikt wordt voor kerkelijke doeleinden.
"………. In voornoemde bijeenkomst is men voorts tot de conclusie gekomen, dat men – met uw goedkeuring – beter het leeuwenaandeel van het resterende bedrag kan bestemmen b.v. voor den bouw van een nieuw gemeentehuis. ………. Voor den bouw van het gemeentehuis zou men gaarne beschikken over een bedrag van ƒ 12.217,33. Mocht U hiermede accoord gaan, dan verzoek ik U aan den raad dezer gemeente een schrijven te willen richten, waarin U voornoemd bedrag aanbiedt namens de bevolking van Nieuwleusen – voor den bouw van een nieuw gemeentehuis in de toekomst. ………."

Op 16 mei 1949 vergaderen B&W van Cadzand. Uit de notulen blijkt dat "aan de raad zal worden voorgesteld aan het voor de 6 woningwet-woningen aangelegde straatje, benevens aan de toegangsweg en de toekomstige uitbreiding, de naam 'Nieuw Leusdenerstraat' te geven. Deze naam wordt gekozen als dank aan de gemeente Nieuw Leusden die destijds Cadzand heeft geadopteerd. In beginsel wordt besloten aan de bestaande straten naambordjes te bevestigen". De raad gaat met dit voorstel akkoord.


Aan een van de huizen in de Nieuwleusenerstraat in Cadzand is door de woonstichting een bordje met een toelichting aangebracht.

Ruim een jaar later, op 30 november 1950, komt J.P. Backx in actie nadat hij vanuit Cadzand van een en ander op de hoogte is gesteld. Backx is dan al geen burgemeester meer en woont in Wageningen. Hij schrijft: "Het deed me bizonder goed Uw brief te ontvangen en eens iets over het besteden van het indertijd door de Nieuwleuseners bijeengebrachte bedrag te vernemen. …. Mag ik U en Uwen Raad zeer hartelijk danken, dat zij een der nieuwe straten in Uwe gemeente naar Nieuwleusen willen noemen? Beleefd merk ik nog op dat de d niet in de plaatsnaam voorkomt en de straat dus Nieuwleusenerstraat zal moeten heeten, dus zonder d."
Op 18 december 1950 besluiten B&W van Cadzand dat de naam van de straat Nieuwleusenerstraat zal zijn en dat er nieuwe straatnaambordjes zullen worden aangebracht.

* * *


H.A.R.K. IN NIEUWLEUSEN
_____

In het voorgaande artikel is de door het Nieuwleusener comité georganiseerde hulp aan Cadzand beschreven. Dat dit niet de enige plaatselijke hulp voor de H.A.R.K. was, blijkt uit een artikel in het dagblad Trouw van 28 juli 1945:

Nieuwleusen – H.A.R.K.-collecte. De collecte op 20 Juli 1945 heeft de mooie som opgebracht van ƒ 13.442,35. Daarnaast is op wedstrijden van U.S.V. een bedrag bijeengebracht van ƒ 750,=, zodat totaal voor de "H.A.R.K." gecollecteerd is een bedrag van ƒ 14.192,35.
Direct na den oorlog is voor eigen slachtoffers in de gemeente ruim ƒ 13.000 bijeengebracht, zoodat aan geld door de gemeente voor ruim ƒ 27.000 is opgebracht. Dit is een mooi bedrag, in het bijzonder doordat ook veel goederen beschikbaar zijn gesteld.
Het comité bestaat thans uit de volgende leden: eerevoorz. Burgemeester J. Ph. Backx, voorz. Ds. S. de Vries, secretaris J. Bos, penningm. K.D. Fleurke en leden: mevr. R. Loman-van Diemen, Dr. G.R. Dekker en Joh. v.d. Graaf.


Kop van het dagblad Trouw waaruit blijkt dat het in Nieuwleusen verschenen illegale blad "Luctor et Emergo" in deze krant is opgenomen.

* * *


YAD VASHEM ONDERSCHEIDING
_____

Op dinsdag 16 maart 1993 ontving Gerrigje van der Vegt-Westerman in het gemeentehuis van Nieuwleusen de Yad Vashem onderscheiding. Haar overleden man Jan van der Vegt kreeg de onderscheiding postuum. De toenmalige burgemeester van Amsterdam, Ed van Thijn, was bij de uitreiking aanwezig. Yad Vashem is de officiële, in Jeruzalem gevestigde staatsinstelling van Israël voor het herdenken van Joodse slachtoffers van de Holocaust en de redders van Joden.

Ed van Thijn kwam in september 1944 op zijn 18e onderduikadres bij het echtpaar Van der Vegt aan de Kampendwarsweg. Het was een plek waar wel meer onderduikers waren geweest. Ed was al op een paar adressen in Nieuwleusen geweest, maar omdat het daar te gevaarlijk werd, werd hij naar Van der Vegt gebracht. Hij had, zo vertelde hij later, op deze boerderij de gelukkigste tijd van zijn hele onderduikperiode. Hij speelde buiten, kon goed eten en werd goed bevriend met de andere onderduiker Roddenhof die werkzaam geweest was bij de spoorwegen.

Maar hoewel de boerderij wat afgelegen lag, werden de onderduikers toch opgemerkt. Er was verraad in het spel en op 27 november werd hij, samen met Roddenhof en Jan van der Vegt, opgepakt en naar de gevangenis in Zwolle gebracht. Hij was daar de jongste gevangene.



Jan van der Vegt en Gerrigje Westerman.

In januari 1945 werd hij naar kamp Westerbork overgebracht, waar hij de bevrijding op 12 april meemaakte.

Tijdens de plechtigheid in het gemeentehuis werd de onderscheiding uitgereikt door de ambassadeur van Israël, de heer Z.E.M.N. Bavly. Hij sprak mevrouw Van der Vegt toe met de woorden: "De wereld moet vandaag, evenzeer als welke periode dan ook in het verleden, worden herinnerd aan de gevaren van fascisme, het racisme, het antisemitisme en aan de manier waarop menselijke moed, al is die nog zo zeldzaam, de confrontatie daarmee aangaat. Als wij dan naar u kijken, zien we hoe hard het nodig is dat de wereld aan u wordt herinnerd, dat uw goede voorbeeld wordt voorgehouden. U herinnert ons eraan hoe we zouden willen dat de wereld er uit ziet. U wordt vandaag als Rechtvaardige erkend door het Yad Vashem Instituut in Jeruzalem, uit naam van heel het Joodse Volk."

Nadat ze de onderscheiding in ontvangst had genomen en daarvoor bedankt had, vertelde mevrouw Van der Vegt nog over de gebeurtenis in 1944:
In september 1944 is Ed bij ons gekomen, de datum weet ik niet meer precies. Mijn zwager heeft hem op de fiets van De Meele naar Oudleusen gebracht. Wij woonden daar nogal wat afgelegen. Hij moest op De Meele weg omdat het daar niet meer veilig voor hem was. Hij was 10 jaar en het was daar zijn 17e adres. Hij had nogal last van astma, maar de dokter zei: "dat komt bij jullie wel weer goed." Ed zijn vader en moeder waren ook ondergedoken. We hadden nog twee onderduikers maar dat waren volwassenen.

De rust was van korte duur. Op een zaterdagmorgen kwamen er vier of vijf personen van de groene Polizei. Wat ze wilden wisten wij niet. Ze bleven buiten bij de stromijt telefoneren en zo meer, maar ze kwamen niet in huis. Ed zat in zijn schuilplaats in de kast. Alles ging goed en ze verdwenen weer.
Het ging goed tot op 27 november. Op die maandagmorgen was ik boodschappen wezen doen. Ik was nog een eindje van huis toen ik de overvalwagen al zag staan. Dan gaat er in dat kleine eindje heel wat door je heen; wat vind ik zo meteen in huis.


Tijdens de uitreiking van de Yad Vashem in de raadszaal van Nieuwleusen met in het midden Gerrigje van der Vegt-Westerman en links Ed van Thijn.

Ik werd meteen onderhanden genomen, maar zei geen woord. Toen kwam mijn man uit de kamer. Hij zat onder het bloed. Zijn mond bloedde omdat hij een klap onder tegen zijn kin had gekregen. Hij moest mee de overvalwagen in. Ed en Roddenhof zaten er al in, maar Jan had wat getreuzeld om mij nog te spreken. Dat lukte nog met een paar woorden en daarna gingen ze naar de gevangenis in Zwolle. Wat de overvallers achterlieten was in een woord een bende. Ze hadden alles op de kop gezet. Maar dit alles was nog niet genoeg.
Een kleine 14 dagen later kwamen ze weer. We waren toen met de slacht bezig en het was bijna klaar. Ze hebben het allerbeste er uit gehaald en meegenomen. Daarna zijn ze nog naar De Meele gegaan naar mijn zuster en zwager en daar hebben ze nog drie stuks vee meegenomen. Wij hadden mond en klauwzeer op de schuur staan en daar waren ze bang voor.

Op 23 december kwam mijn man weer thuis, het was al tweedonker. Jan en Roddenhof waren allebei vrijgelaten maar Ed moest blijven. Wat was de vreugde groot. Maar dat er van de drie een was die niet mee mocht, dat temperde de vreugde toch wel. Ed was toen ook heel erg verdrietig want hij was zijn steun weer kwijt. We hoorden af en toe iets van hem omdat gevangenbewaarder Spijkerman nog wel eens eten kwam halen en die hield ons op de hoogte. Zodoende wisten we dat hij voor de 2e keer weer in Westerbork zat. Ed is daar gebleven tot de bevrijding. Toen kregen we een kaart van zijn ouders dat ze weer herenigd waren en weer in vrijheid konden leven. Ze zijn daarna samen een keer bij ons geweest, wat een vreugde was dat.
De laatste keer dat hij met zijn a.s. vrouw bij ons is geweest, wilde hij zo graag het huis en die kast weer zien. Na al die jaren wist hij het nog goed. Ik was thuis en heb ze hartelijk ontvangen. Ed heeft mij nog eens weer hartelijk bedankt. We zijn toen ook nog naar het kerkhof gegaan. Bij de begrafenis van mijn man was Ed ook aanwezig. Dat is nu ruim tien jaar geleden.

Jan van der Vegt overleed op 22 november 1982, ruim tien jaar voordat hij de onderscheiding postuum kreeg toegekend. Gerrigje genoot nog ruim negen jaar van haar onderscheiding. Ze overleed op 9 mei 2002.


Een deel van de eregalerij in Israël met de namen van Nederlanders die de onderscheiding Yad Vashem kregen. Hiernaast de uitsnede met de namen van Jan en Gerrigje van der Vegt.

* * *


UIT DE MEPPELER COURANT
_____

Na sinds juni 1942 niet meer uitgegeven te zijn, verscheen op dinsdag 17 april 1945 de eerste editie van de Meppeler Courant na de bevrijding. In de krant van vrijdag 27 april werd verslag gedaan van de bevrijding van Nieuwleusen en de terugkeer van burgemeester Backx.
Dezelfde artikelen verschenen in “Het nieuwsblad voor Nieuwleusen en Den Hulst”. Nummer 1 van de 1e jaargang werd op diezelfde dag uitgegeven. De kop vermeldt verder: Redactie: Bureau N.B.S. ten gemeentehuize, Dalfsen. Administratie: Prinsenstraat 11, Dalfsen.




Voorwoord van burgemeester Backx in een boekje dat aan de schoolkinderen werd uitgereikt bij de Oranjefeesten in augustus 1945.

                                Nieuwleusen, 31 Augustus 1945


                     Aan

de schoolkinderen van

                      NIEUWLEUSEN



                     HOLLAND IS WEER VRIJ!

Ons Vorstenhuis is weer teruggekeerd.
Vandaag de vlaggen weer uit en Oranje boven!
Geen vrees voor den bezetter meer.
Ootmoedig buigen wij het hoofd en zeggen de regelen van
het zesde vers van het aloude schoone "Christelick liet",
het Wilhelmus:
                     ..Mijn schilt ende Betrouwen
                     ..Zijt Ghij, 0 Godt, mijn Heer!
                     ..Op U zoo wil ick bouwen.
                     ..Verlaet mij nimmermeer.
                     ..Dat ick doch vroom mag blijven
                     ..U dienaer t'aller stond,
                     ..De tyranny verdrijven,
                     ..Die mij mijn hert doorwondt.

                          Het bestuur van de Oranje-vereeniging,
                               De Eere-voorzitter,

                                J.Ph. BACKX, Burgemeester.












BIJLAGE 1: Halifax MK.II bommenwerper, neergekomen bij de Leidijk-Dekkersweg.

De Engelse Halifax Mk.II behoorde tot het 78ste squadron van de RAF en had als thuisbasis Linton on Ouse (Yorkshire). Het toestel nam op 5 maart 1943 deel aan een aanval op Essen. Van de 442 vertrokken toestellen keerden er 56 door technische mankementen vroegtijdig terug naar hun basis. De aanval werd in drie fases uitgevoerd en de 94 Halifax toestellen waren aangewezen voor de eerste fase. In de rapporten staat dat de aanval uccesvol was. De Kruppfabriek werd zwaar beschadigd maar er vielen ook slachtoffers onder de burgerbevolking. Honderden woningen werden vernield.
Veertien toestellen keerden niet terug, waaronder drie Halifaxes. Daarvan is het toestel met serienummer HR687- EY-G om 21.35 neergestort nabij de Leidijk-Dekkersweg in de gemeente Staphorst.
Van de achtkoppige bemanning zijn er drie omgekomen (KIA=Killed In Action) en vijf gevangen genomen (POW=Prisonar Of War). In "The Halifax File" staat achter het nummer van het toestel "failed to return, 6 maart 1943". Die datum klopt omdat het om een nachtaanval ging waarbij de toestellen op 5 maart vertrokken en op de ochtend van 6 maart terug werden verwacht.
De Halifax was een zware viermotorige bommenwerper die normaal een zevenkoppige bemanning had. De achtste man, Leyshon, ging als extra schutter mee. De bemanning bestond uit:
John Rawson Thompson, Pilot Officer - Pilot, KIA, 21 jaar, graf nr 4 Rouveen.
Kennith William Mercer, Sergeant- Co-pilot, POW, gearresteerd in Deventer.
Arthur Charles Loveland, Sergeant - Navigator, POW, gearresteerd onder Dalfsen.
Arthur Edward Blackwell, Fligt Sergeant - W-operator/Air Gunner, KIA, 20 jaar, graf nr 3 Rouveen.
Otto Vance Proctor, Sergeant - Fligt Engeneer, POW, gearresteerd onder Staphorst?
Alfred David Leyshon, Sergeant - Bomb Aimer, POW, gearresteerd onder Dalfsen.
Douglas Raymond Chiswell, WO2 - Air Gunner, POW, gearresteerd bij Nijeveen.
Edward Charles Bert Williams, Sergeant - Rear Air Gunner, KIA, 23 jaar, graf nr 2 Rouveen.

(bron: P.C. Meijer, Den Ham en www.teunispats.net)



BIJLAGE 2: K-nummers op drukwerk.

Veel drukwerk uit of vlak na de oorlog is voorzien van een KNummer, ook wel "Kennummer" of "Kengetal" genoemd. Het was een maatregel van de bezetter om het papierverbruik te beperken. Het K-nummer was uniek. Iedere drukker diende ofwel zijn K-nummer ofwel zijn naam te vermelden op het drukwerk dat hij produceerde. Op drukwerk dat bestemd was voor de export naar Duitsland moest de letter V worden toegevoegd aan het Kennummer, bijvoorbeeld VK1823.
Het besluit van 15 juli 1941 tot beperking van papierverbruik luidde:
Vervaardigers van drukwerken moeten op alle papier- en cartonwaren, die door hen worden bedrukt, of hun firmanaam of hun kennummer aanbrengen. Het kennummer wordt hun op aanvraag door het Rijksbureau voor de Verwerkende Industrieën, Sectie Grafische Industrie toegezonden en komt voor op een lijst, welke bij dit Rijksbureau berust.
Op 26 juli 1941 maakte het Rijksbureau voor de Grafische Industrie tevens aan alle drukkerijen bekend: Vanaf 22 juli 1941 moet dit No. op al het drukwerk, dat u vervaardigt, worden vermeld, ook op het familiedrukwerk. Hier kan en mag niet van worden afgeweken. Indien u werk vervaardigt voor derden, dan moet hierop uw kengetal worden vermeld.
Het briefpapier van de gemeente Nieuwleusen had als nummer K2665. Dit was het nummer van Drukkerij Tijl in Zwolle.

Colofon

ISSN:

1384-0940

Uitgave:

Historische Vereniging "Ni'jluusn van vrogger"
Westeinde 3
7711 CH Nieuwleusen

Samenstelling:

Redactie Ni'jluusn van vrogger:
G. Bartels-Martens, G. Hengeveld-van Berkum,
R.J. Klijn, H. ter Wee-Westerman,
J.W. de Weerd (eindredactie).

Met dank aan:





en aan:

W. Bakker, K. Borgers, K. Brassien, H.J. Bijker,
R. Folkerts, A. Klein, A. Kreule, G. Kreule-Kok,
H.J. Meijerink, T. Scharrenburg-Weyers,
H. Schoemaker, W. van Spijker-Kreule,
H.J. Sterken, J. Sterken-Kouwen,
M. Vogelzang-van der Graaf, C. Vreugdenhil.
familie Blik, familie Beldman, P. van Beekhuizen,
G. Brouwer-Slager, A. Jans-Hoes, J. Katoele,
L. Klein, familie Logtenberg, H. Kuiper-Bloemhof,
H. Schoemaker, F. Wierbos-Klein, C.J.H. Loman,
familie Van der Sluis, familie Veerman.





Jaargang 33 nummer 4 december 2015


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina

Brug 5, ook wel Koeriersbrug genoemd, in de Oosterhulst kort voor het dempen van het kanaal in 1969.

* * *

HET LEVENSVERHAAL VAN BEREND VAN BERKUM EN MARRIGJE STOLTE, 1

Geertje Hengeveld-van Berkum

Dit is het levensverhaal van Berend van Berkum en Marrigje Stolte, twee mensen die kort voor negentienhonderd zijn geboren en samen een gezin stichtten. De gebeurtenissen zijn beschreven zoals ze ons zijn verteld en zoals wij ze hebben beleefd en er later bij het opgroeien tegenaan keken.

Berend van Berkum is geboren op 10 juni 1898, aan de Hoevenweg in Dalfsen. Hij is de derde zoon van Berend van Berkum en Klaasje Melenboer. Over zijn jeugd is niet veel bekend.

Marrigje Stolte is geboren op 7 maart 1895, aan het Westeinde in Nieuwleusen. Ze is het vierde kind en de eerste dochter van Hendrik Stolte en Geertje Zondervan. Ze woonden in het huis waar later Hendrik Mannen woonde (nu Westeinde 98). Hendrik Stolte was timmerman. Later werden er nog meer kinderen geboren.




Vlnr: Berend van Berkum en Klaasje Melenboer, Hendrik Stolte en Geertje Zondervan.



Westeinde 98 (links) en Westeinde 84.

Marrigje ging ergens in het Ruitenveen in of bij een boerderij naar school. Ze kon zich later niet meer herinneren waar het precies was. Vanuit hun huis kon ze in het veld de molen op de meulenbeIt zien draaien. Het was een grondmolen, gebouwd door de familie De Graaf, later gekocht door de familie Massier en omstreeks 1900 verplaatst naar de Lichtmis. Tijdens haar schooltijd zijn ze verhuisd naar (nu) Westeinde 84.
Als er weer een baby geboren was, moesten er kinderen naar opa en


De familie Stolte omstreeks 1918. Vlnr: Geertje, Hendrik Stolte (vader), Gerrit, Albert, Marrigje, Hendrik en Jentje. Op het tafeltje staat een foto van de overleden moeder Geertje Stolte-Zondervan.

oma Zondervan om dat te vertellen. Die woonden achter de Rollecate in een arbeidershuisje van baron Van Dedem. Opa was daar arbeider en ze moesten daar lopend naar toe.
Toen Marrigje oud genoeg was om te gaan werken, ging ze in betrekking bij de familie Steenkamer. Die hadden op de Agnietenberg een theehuis. Ze was één keer per maand een dag vrij en dan liep ze naar het ouderlijk huis in Nieuwleusen. Daar deed ze ongeveer drie en half uur over. Marrigje heeft ook nog gewerkt bij dokter Rissalada in Nieuwleusen. Daar heeft ze heerlijk leren koken. Toen haar moeder in 1915 overleed, moest zij thuis komen om voor het gezin te zorgen.

In die tijd leerde zij Berend van Berkum kennen. Als hij bij haar kwam, was haar broertje Hendrik, geboren 2 juli 1909, er meestal bij. Ze had dan niet zoveel vrijheid, maar daar werd iets op gevonden. Hendrik kreeg pepermunt van hen en ging dan spelen. Dit vertelde tante Lena, die later met Hendrik is getrouwd.
Berend en Marrigje trouwden op 17 april 1919, maar feest werd er niet gevierd. Even op de fiets naar het gemeentehuis en weer naar huis en aan het werk. De volgende dag, op 18 april, ik meen op Goede Vrijdag, zijn ze in de kerk getrouwd. Ze zijn toen verhuisd naar Lutten en daar is 15 november van datzelfde jaar Klaasje geboren. Het was toen volop winter en je kon al over de dichtgevroren Dedemsvaart lopen.



Berend van Berkum en Marrigje Stolte.


Over het werk van Berend en wanneer ze precies weer terug keerden naar Nieuwleusen weten we niets, maar ze zijn toen bij Derk-oom (Stolte) en Hendrikje-meuje (Velthuis) ingetrokken, omdat Hendrikje-meuje ziek was en verzorgd moest worden.
Daar werd Hendrik op 24 september 1921 geboren. Ook nadat Hendrikje-meuje in 1924 was overleden zijn ze daar blijven wonen.
Berend deed toen allerlei werkzaamheden, zoals stobben rooien in de Vinkenbuurt toen de “wuuste” ontgonnen werd. Ook ventte hij met de bakkerswagen van bakker Mol.
Op 25 april 1923 werd weer een zoontje geboren. Die kreeg de naam Berend, naar zijn opa. In die tijd heerste de gevreesde kinderziekte kinkhoest en die trof ook hun gezin. Ze hadden toen nog een open vuur en dat gaf veel te veel rook. Daarom moesten ze op advies van de dokter een kachel aanschaffen, maar dat mocht voor baby Berend niet meer baten. Hij overleed op 12 juni 1923.
Toen op 22 maart 1927 weer een zoon werd geboren, kreeg die opnieuw de naam Berend (foto), zoals gebruikelijk was in die tijd.

Als Derk-oom naar de markt of ergens anders naar toe ging, moest moeder de geit verzorgen. Dat ging niet altijd goed, want geiten zijn soms erg eigenzinnig. Die wilde dan niet drinken. Als Derk-oom weer thuis kwam, moest hij dan alsnog de geit drinken geven. Hij nam dan dezelfde emmer met drinken, roerde er met zijn hand door en zei: “Nou, kom nu maar” en dan dronk de geit wel.
Derk-oom is overleden op 27 oktober 1928. Berend en Marrigje erfden het boerderijtje.
Maar de zorgen om het bestaan waren er en bleven er ook. Op 26 augustus1929 werd het gezin opnieuw groter door de geboorte van Gerard, genoemd naar oma Geertje Stolte-Zondervan.

Wonen op de Kievitshaar
Er werd opnieuw gezocht naar een beter bestaan. Dat dachten ze te vinden op de Kievitshaar. Daar werd dus opnieuw een start gemaakt. Vader Berend en moeder Marrigje (in het vervolg in het verhaal vader en moeder genoemd) kochten een plaatsje met dertien bunder land. Het was er erg eenzaam, donker en afgelegen. Vol goede moed en hoop op een betere toekomst trokken ze er heen. Het huis was vanaf Nieuwleusen gezien het laatste huis op de Kievitshaar en het was eigenlijk te klein. Zeker toen zich nog een baby aanmeldde. Aan de zijkant van het huis werd een stukje aangebouwd, zodat er meer ruimte kwam om te wonen. Moeder hield veel van bloemen en ze zaaide portulaca. Dat zijn bloemen die veel op ijsbloemen lijken en die het daar op de zandgrond goed deden. Opa Stolte zei altijd, als je mooie bloemen wilt zien, dan moet je naar Marrigje gaan.
Vader moest ook nog turf steken als brandstof voor de kachel. Verder


Berend van Berkum en Marrigje van Berkum-Stolte voor hun woning op de Kievitshaar met links de aanbouw.

was het hard werken en weinig verdienen. Moeder verzuchtte later:
“Het maakt een groot verschil of je om centen werkt of met centen”.
Ze bedoelde daarmee dat ze niet op konden tegen de boeren in De Maat, die wel geld hadden om kunstmest te kopen om op het land te strooien. Daar hadden zij geen geld voor. Zij hadden alle geld nodig om het gezin en het vee eten te kunnen geven.
Op 26 november 1933 werd ik, Geertje (foto)
, schrijfster van dit verhaal, geboren. Klaasje werkte toen bij meester Meijer in Den Hulst en bracht babykleertjes mee.

De crisistijd en werkverschaffing
Omstreeks 1930 was er een grote economische crisis. In die tijd werd de grond voor het staatsbos ontgonnen en dat moest ook aangeplant worden. Het meeste land bij ons boerderijtje was nog heideveld. Er waren alleen een paar akkertjes bouwland. De rest moest nog ontgonnen worden. Maar vader wist al gauw dat het bestaan niet vol te houden was met alleen opbrengsten uit de boerderij. De opbrengsten waren te laag en er moest wat bijverdiend worden. Hij ging op zoek naar werk en zo kwam hij aan het werk bij het staatsbos. De verdiensten waren in die tijd niet zo goed. Meestal verdiende vader ƒ 8,-- in de week en het werk was zwaar, vooral als je bedenkt dat de oude vijver in het Staatsbos met schop en kruiwagen werd uitgegraven. Later verdiende men iets meer, soms ƒ 10,-- in de week.
In de ontginning waren ook mensen uit het westen aan het werk. Ze kwamen uit Amsterdam en uit de buurt van Leiden. Zij verdienden veel meer dan de mensen van hier. Overdag schaftten zij in keten die dicht bij ons huis stonden. Daar lieten zij hun brood achter dat ze over hadden. Dat werd dan ‘s avonds opgehaald voor de varkens. Contact met deze mensen was er niet. Zij kwamen om te werken en om geld te verdienen. Belangstelling voor de mensen die hier woonden hadden ze niet.
Zo was het een eenzaam leven op de Kievitshaar, met alleen de buren om je heen. Een enkele keer kwam er familie op bezoek, maar niet

Reçuutje van een bon van de bijenhoudersvereniging Nieuwleusen waaruit blijkt dat Berend van Berkum een zak suiker van 50 kg voor zijn bijen kocht.



vaak, want die hadden ook hun werk en hun eigen zorgen voor het bestaan. Uitgaan was er eigenlijk niet bij. Alleen als er Koninginnefeest was, ging je op de fiets door het mulle zand over de zandwegen naar Nieuwleusen.
Terwijl vader uit werken ging, bleef moeder thuis met de jonge kinderen en verzorgde de koeien, varkens en kippen. Ze hielden ook bijen en dat is mij vooral bijgebleven, want in de zomer gingen die zwermen. Als dat gebeurt kan er bijna een heel volk wegvliegen en dat wilden ze natuurlijk niet. Die zwerm moest daarom zo snel mogelijk “geschept” worden. Soms duurde het wel eens te lang voordat dat gebeurde en dan gingen ze opnieuw vliegen en zochten ze een andere plaats. Je moest proberen dat tegen te gaan door met water te gooien en met deksels te rammelen. Dit was om een regen- of onweersbui na te bootsen, want bijen trekken altijd op huis aan als er een regenbui op komst is. Vaak hebben we staan kijken als ze terugkwamen. Dan zat de hele voorkant van de korf soms vol met bijen. Omdat de vlieggaten klein waren, konden ze niet allemaal tegelijk naar binnen. Later kwamen er bijenkasten en kon men het zwermen beter onder controle houden. Daardoor regelt men tegenwoordig het zwermen veel beter en is de kans op verlies van een zwerm kleiner. Bijen waren erg belangrijk in die tijd. Men had dan zelf honing en dat was een lekkernij op brood. Maar ook als geneesmiddel werd het vaak gebruikt, vooral bij hoest. Dan werd er honing in de melk gedaan. Ook werd er wel een alcoholische drank gemaakt door honing en water te laten vergisten. Die noemde men “mee” of “mede”, maar die vond ik niet zo lekker. De bijen leverden ook bijenwas. Daar werd wrijfwas van gemaakt.

Zo deed je dat voor je bestaan
Op een keer toen vader thuis kwam, was hij zijn portemonnee kwijt, met daarin zijn hele weekloon. Dat was heel erg en dus moest hij de hele weg terug om te zoeken. Gelukkig kwamen er niet zoveel mensen langs en werd de portemonnee teruggevonden.
Geld voor vlees was er niet altijd en er kon niet te vaak een varken of kip geslacht worden, want er was altijd wel iets dat betaald moest worden of iets anders dat met het geld gedaan moest worden. Dan ging vader het veld in om een haas of konijn te schieten. Dat mocht natuurlijk niet, maar soms was het bittere noodzaak. Moeilijk werd het als de veldwachter iets had gezien en dan op wacht ging staan om zo mogelijk de stroper te pakken. Want de veldwachters wisten heus wel dat er gestroopt werd. Het werd dan wel eens heel laat voor vader thuis kwam. Soms was hij dan doornat, omdat hij door een grote sloot of door een turfgat moest lopen om niet gepakt te worden. Ook durfde hij zijn buit niet altijd direct mee te nemen naar huis. Die liet hij dan achter in het veld en ging hem later ophalen, wanneer de veldwachter weg was. Op een keer was de veldwachter wel heel dichtbij en moest hij zijn geweer en de buit verstoppen. De veldwachter is ook een keer bij ons thuis geweest om naar het geweer te zoeken. Het was verstopt tussen een dubbele wand. Hoewel Gerard toen zei: “ik weet wel waar het geweer is”, is het toch goed afgelopen.
Soms werkte vader ook wel met iemand samen. Ze gingen dan met een lichtbak op stap. Als vader weg was om iets te schieten, was moeder doodsbang dat ze hem zouden pakken. Maar dan was er ‘s zondags voor het gezin wel vlees in de pan en daar ging hij voor; geen veldwachter die hem tegenhield. Moeder was altijd wel blij als er weer een stukje vlees in de pan lag. Zo deed je dat voor je bestaan.

Gerard, Henk en Berend van Berkum.

Omstreeks 1934 is Klaasje als boerenmeid naar Mastenbroek gegaan, naar de familie Kok. Ze mocht één keer per maand naar huis. Ze had een nieuwe fiets gekregen om dan over De Lichtmis en het Hasselter pand naar Mastenbroek te fietsen. Toen ze eens thuis kwam, zei ze tegen vader: “Je moet eens naar de fiets kijken, want die fietst zo zwaar.” Met de fiets bleek niets aan de hand te zijn, maar met Klaasje wel. Ze was ziek en moest drie maanden kuren. Ze had pleuritis opgelopen en moest apart slapen en verzorgd worden. Dat was weer een probleem dat opgelost moest worden. Niemand van ons mocht bij haar komen. Als moeder naar haar toe ging, moest zij zich omkleden en die kleding moest ook in die kamer blijven. Alles wat Klaasje gebruikte, zoals kopjes, borden en bestek, moest apart afgewassen worden.
Intussen was Henk bij de landbouwvereniging aan het werk gegaan. Maar het geld dat hij verdiende werd er bij vader weer afgetrokken. Dus dat hielp ook niet mee om iets aan de welvaart te verbeteren. Hij is toen als boerenknecht naar Ruinerwold gegaan.

Klompengeld
De al wat grotere kinderen moesten naar school. Daarvoor moesten ze ongeveer anderhalf uur lopen naar Den Hulst. Voordat ze ‘s morgens weggingen, bakte moeder pannenkoeken, zodat ze goed gevoed waren voor de lange tocht naar school. Ze moesten ‘s morgens al vroeg op weg en kwamen ‘s avonds laat terug. ’s Winters liepen ze dan vaak in het donker. Zo gebeurde het een keer in de winter dat het op de lange weg naar huis begon te ijzelen. De kleren werden door een dikke laag ijs bedekt en het lopen ging hoe langer hoe moeilijker. Eindelijk kwam er, na een lange tijd wachten en uitkijken, één kind thuis. De ander was aan de kant van de weg gaan zitten. Hij was zo moe van het lopen dat hij niet meer verder kon. Toen moest hij door vader worden opgehaald, anders was hij bevroren.
“Klompengeld”, zo werd het in de volksmond genoemd. Maar wie weet nu nog wat klompengeld is? Misschien enkele ouderen nog wel en degenen die het vroeger zelf kregen, maar verder is het toch niet zo bekend. Zelfs bij de officiële instanties weet men niet meer wat het is. Wie kwamen er voor in aanmerking? Dat waren kinderen die meer dan vier kilometer moesten lopen om op school te komen en ouders hadden met een begrensd inkomen.


De Kievitshaar met slechte zandwegen.

Dit alles was vastgelegd in artikel 13 van de Wet op het Lager Onderwijs. Men kon deze vergoeding aanvragen bij de gemeente waarin men woonde. De Kievitshaar hoort bij de gemeente Avereest en daarom vroegen mijn ouders in 1932, samen met de andere buurtbewoners op de Kievitshaar, bij de gemeente Avereest een vergoeding aan voor de aanschaf van klompen voor hun kinderen die in Den Hulst naar school gingen. Zij lichtten hun verzoek toe aan de gemeente en die moest bepalen of ze voor een vergoeding voor de aanschaf van klompen voor de schoolgaande kinderen in aanmerking kwamen. De gemeente Avereest gaf veldwachter Piel opdracht een onderzoek in te stellen omtrent de afstand. Maar wat hield dit nu in? De veldwachter moest lopend van de Kievitshaar naar Den Hulst bekijken hoe groot de afstand was. Hij kwam op de fiets aan en nam die aan de hand mee, zodat hij de terugweg fietsend kon afleggen. Enige tijd later kregen de bewoners van de Kievitshaar bericht dat hun verzoek was ingewilligd. Evenwel niet voor diegenen die hun kinderen naar de school in Oud-Avereest stuurden. Dat was te dichtbij. Men kreeg ƒ 10,-- per leerplichtig kind. In die tijd was het toch een mooi bedrag. De klompen kostten in die tijd 80 á 90 cent per paar. Maar met vijf keer per week ongeveer drie uur lopen was een paar klompen al snel versleten.

Verdwaald in de mist
Wie kwamen er nog meer naar dit afgelegen oord? Niet zo erg veel mensen trokken naar de Kievitshaar. Het waren Kamerman, die ventte voor bakker Bijker, en Leeman, op de fiets met zijn “pak” met allerlei textiel en naaigoed, want er moest zo nu en dan wel wat nieuws komen. Ook Johannes de Groot wist met brood en kruidenierswaren de weg te vinden. Hij kwam één keer per week met paard en wagen. Maar als hij eindelijk op de Kievitshaar aankwam was het vaak al ver in de namiddag en soms was het al donker. Dat was ook een keer het geval toen het zo verschrikkelijk mistig was dat je niet meer kon zien waar je was. Het was intussen pikdonker geworden en alle bomen en heideplanten leken op elkaar. Toen kwam die splitsing van wegen. Het paard wilde de ene kant op. “Nee”, zei de baas, “We moeten de andere kant op”. Dus werd het paard die weg opgestuurd. Maar opeens, wat was dat? Het paard kon niet meer verder. Baas en paard waren verdwaald en in het moeras tussen de veengaten terechtgekomen. Goede raad was duur, hoe kwamen ze hier weer uit? De Groot begon te roepen: “Hoi, hoi, hoi.” Misschien dat iemand hem zou horen. Thuis hadden ze het over wat een dikke mist het toch wel was.
“Ik ga eens even buiten kijken,” zei vader. Hij is nog maar net buiten of wat hoort hij daar? “Hoi, hoi, hoi.” Hij komt weer binnen en zegt: “Maak gauw de stormlamp klaar, want er is iemand verdwaald. Hij zit ergens midden tussen de veengaten.” Maar hoe vind je elkaar in die dichte mist? Naar elkaar roepen! Weer klinkt over het heideveld “Hoi,


Bij Brug 5 had Johannes de Groot zijn winkel (midden op de foto).

hoi, hoi”, dan weer luisteren, opnieuw roepen, naar elkaar luisteren. Komt het geluid al dichterbij of klinkt het verder weg?
Zo gaat het door tot ze bij elkaar zijn. En dan samen de weg terug. Later zei De Groot: “Had ik het paard zijn gang maar laten gaan, dan was er niets gebeurd. Het paard wist in de dichte mist feilloos de weg te vinden.”

Een jeugd ver van alles
Hoe beleefde de jeugd daar het leven? Natuurlijk woonde je overal ver vandaan. Vertier was er niet. Maar daar tegenover stond de grote vrijheid die je had, dat was ongelofelijk. Je kon uren dwalen zonder iemand tot last te zijn. Je kon er boompje klimmen, in het voorjaar kievitseieren zoeken, ‘s winters schaatsen op de Haarplas, dat was een heerlijk festijn. Maar verder was er niets.
In zo’n kleine gemeenschap was je helemaal op de buren aangewezen. Die omgang met de buren was goed. Je kon op elkaar aan als het nodig was, in blijde en droeve dagen. Zo zou één van de buurvrouwen komen helpen bij de buurvrouw waar een baby op komst was. Toen het zo ver was, kwam de buurman haar halen, maar ze kon niet, want haar kinderen waren ziek. Toen moest er iemand anders helpen. Moeder ging, maar had nog nooit bij een bevalling geholpen. Toen ze bij de kraamvrouw aankwam zei de jonge vader: “Wi’j hebt er al iene!!” Dus ze kon zo aanpakken. Maar toen moest de vroedvrouw nog gehaald worden en daarvoor moest de vader op de fiets naar Dedemsvaart. Het duurde dan zeker nog anderhalf tot twee uur voordat de vroedvrouw er kon zijn. Zo zijn er nog veel meer herinneringen aan de tijd dat wij daar woonden.
Maar nog was de crisistijd niet voorbij. Het ging niet goed, het bestaan werd steeds moeilijker. Wat je in je kindertijd meemaakt, blijft heel lang hangen, soms je hele leven. Zoals toen er een muur vervangen moest worden. Het dak was gestut en alles aan die kant lag open. Ik weet het nog zo goed omdat er een onweersbui kwam opzetten en het noodweer werd. Moeder vroeg: “Het kan toch geen kwaad hè, nu de muur eruit ligt?” Maar het kwaad was al geschied. Als er weer een onweersbui aan kwam, wist ik niet waar ik blijven moest. Door al die turfgaten was er op de Kievitshaar heel vaak zwaar onweer. Water trekt het onweer aan. Gelukkig is de angst voor onweer later wel veel minder geworden, maar nog steeds krijg ik, als er een bui in de verte zit, een heel raar gevoel van binnen en zodra de bui dichterbij komt, ben ik beneden en drentel steeds heen en weer. Dat is iets wat blijft.
Op een zondag, toen moeder naar de kerk was en vader oppaste, ben ik weggelopen. Ik was toen drie of vier jaar oud, dus nog klein. Ongerust ging vader me overal zoeken. Op een gegeven moment zag hij de strik, die in mijn haar zat, net boven de heidestruiken uitkomen en toen was het met mijn vrijheid gedaan.
Soms mocht ik mee achterop de fiets. Dan zag ik de takken van de struiken voorbij flitsen. Zo was het ook op de Maatweg. Dat waren allemaal klinkers. Maar door steeds maar naar beneden, naar de straatstenen te kijken, werd ik misselijk, zodat ik moest overgeven en daarom moest ik in het vervolg maar thuis blijven. Zoiets zou je tegenwoordig wagenziek noemen.
Gerard moest zes weken naar Egmond aan Zee, om aan te sterken. Toen hij terugkwam vroeg hij: “Wat hebben ze gedaan met de Dedemsvaart? Waarom is die zoveel kleiner geworden?” En bij de Beentjesgraven wist hij zeker dat die kleiner geworden was. Hij had de grote zee gezien en in zijn ogen was dit nu allemaal erg klein.

* * *

ZOEKPLAATJES

In de vorige Zoekplaatjes, (maart 2015) namen we een viertal foto’s op van een man met een paard. Het waren oude foto’s die afkomstig waren uit het album van Gulia Palthe en dus van voor 1928 moesten zijn. Al vrij snel na het verschijnen werden twee zoekplaatjes opgelost.


Foto 34: Hierop reageerde Tini Bredewoud-Russchen. Het is de opa van haar man Jaap. Zijn naam is Gerrit Kappert (19-03-1899 - 30-10-1981). Hij trouwde met Albertje Remken (27-07-1900 - 27-12-1989). Gerrit had een klein boerderijtje aan de Jagtlusterallee en was melkvaarder. Later woonde hij aan de Rollecatebrug en weer later aan de Backxlaan. De foto dateert van omstreeks 1920.


Foto 35: Op deze foto kregen we een reactie van Gretha Nijstad-Schaapman. De man op de foto is haar opa Albert Schaapman (22-03-1883 - 15-04-1937), die woonde aan de Jagtlusterallee. Hij trouwde met Hendrikje Koezen (18-01-1887 – 10-11-1968). Deze foto dateert van omstreeks 1910.

Nieuwe zoekplaatjes
Ook de volgende foto’s komen uit het album van juffrouw Palthe en dateren dus ook van voor 1928.

Foto 38: een meisje met haar kleine broertje aan de hand.












Foto 39: een echtpaar in klederdracht in de tuin bij een boerderij. Links op de foto is een rek waarop melkemmers enz. liggen.












Foto 40: een jonge vrouw in een laantje in het Palthebos met op de achtergrond het Palthehuis, het zomerverblijf van juffrouw Palthe











De redactie ziet uw reacties op de zoekplaatjes graag schriftelijk tegemoet, per brief of per email naar redactie@palthehof.nl.

EEN OUDE GROEPSFOTO
Op de foto van de christelijke lagere school in Den Hulst in het maartnummer kregen we reacties van Alie Luten, Dinie Gerrits, Asse Visscher en Gerard Schuurman (via zijn dochter).

De hierna volgende aanvullingen/aanpassingen moeten op de naamlijst worden aangebracht. Alleen nrs 28 en 50 zijn nu nog onbekend.

1  
7  
20  
21  
26  
31  

Jan Stolte
Wim Stolte
Dinie Gerrits
Aaltje Luten
Jannie Witpaard
Alie Luten

36  
44  
48  
50  
51  

Geeske Talen
Jan Prins
Gerard Schuurman
onbekend
Jan Lammertsen

* * *

OUDE GROEPSFOTO'S


Wie herkent de dames van deze in een school gemaakte foto. De omschrijving die we hebben is: “Matrassennaaisters”. Rechts zou Hilligje de Boer-Prins zijn.

Onderstaande groepsfoto is een winters plaatje met leerlingen van de christelijke lagere school De Meele. De foto is van ongeveer 1941.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  

Jentje Winkels
Aaltje Stegeman
Grietje Dunnink
Jantina Katgert
Hilligje Compagner
Sophie Klein
Geertje Harke
Marleentje Oldebeuving
Jan Bruggeman
Willem Zieleman

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
 

Jan Willem Klein

Piet Linde
Gerrit Katgert
Jan Linde
Bertus Stroeve
Roelof Konterman
Gerrit Jan Vasse
Arend Konterman

* * *

DE BOERDERIJ VAN GERRIT JAN KRAGT

In het kwartaalblad van maart 2013 plaatsten we op bladzijde 7 een foto van de boerderij van Gerrit Jan Kragt aan het Westerveen, die door de Stichting Oud Nieuwleusen werd aangekocht. Hierop kregen we onlangs een reactie van mevrouw H. Blik-van Spijker. Zij wist een en ander te vertellen over de bewoningsgeschiedenis.
Als laatste was deze boerderij eigendom van Gerrit Jan Kragt. Hij woonde er met zijn huishoudster Jantje Bosma. Ze woonden er ongeveer tien jaar, waarna de boerderij overging naar de Stichting Oud Nieuwleusen. Toen kwam die leeg te staan en raakte vervolgens in verval. Tijdens een storm werd de boerderij ernstig beschadigd, waarna tenslotte afbraak volgde.
Voor Kragt was de boerderij enige tijd bewoond door het gezin van Jan Brouwer en Mina Dommerholt. Zij woonden er tijdelijk omdat hun


De boerderij aan het Westerveen.

eigen huis door een storm onbewoonbaar was geworden.
Hiervoor was de boerderij eigendom van Jan Thijs van Spijker. Hij woonde er met zijn vrouw Hendrikje Luiten en hun zeven kinderen. Vermoedelijk hierdoor werd de boerderij later ook wel eens aangeduid als “Het Spieker”, wat enige verwarring geeft omdat het huis van juffrouw Palthe aan het Westeinde ook zo werd genoemd.

Gerrit Jan Kragt
Gerrit Jan Kragt werd geboren in Nieuwleusen op 23 november 1881 als zoon van Jan Kragt en Geesje Runhard. Gerrit Jan was 30 jaar toen hij in Nieuwleusen op 4 april 1912 trouwde met Roelofje Bloemhof, geboren in Staphorst op 31 juli 1891 als dochter van Hilbert Bloemhof en Jantje Kuiers. Gerrit Jan was bij zijn huwelijk, net als zijn schoonvader, spoorwegarbeider.
Gerrit Jan Kragt overleed op 1 september 1967. Zijn vrouw Roelofje Bloemhof was al op 18 juli 1943 in Ommen overleden.
Het huwelijk van Gerrit Jan Kragt en Roelofje Bloemhof heeft veel verdriet gekend. Er werden elf kinderen geboren die of levenloos werden geboren of kort na de geboorte overleden.
Jan werd op 12 mei 1913 geboren en overleed op 18 mei, 6 dagen oud.
Op 25 februari 1914 werd een levenloos kind geboren.
Geesje werd op 8 juni 1915 geboren en overleed een dag later.
Op 6 april 1916 werd er weer een levenloos kind geboren.
Op 25 maart 1917 gebeurde dat nogmaals.
Op 15 oktober 1919 werd weer een levenloos kind geboren.
Geesje werd op 27 september 1921 geboren en overleed op 2 oktober, 5 dagen oud.
Op 28 augustus 1922 werd weer een levenloos kind geboren.

“Gerrit Jan Kragt melkt een schaap, omdat hij schapenmelk zo lekker vindt in de koffie, zegt hij” *)




















Op 25 april 1925 werd in het ziekenhuis in Zwolle een levenloos kind geboren.

Op 18 februari 1926 werd weer een levenloos kind geboren.
Tenslotte werd Jantina Gesina in het ziekenhuis in Zwolle geboren op 21 augustus 1930, maar zij overleed daar al een dag later.

Jantje Bosma
werd in Opsterland geboren op 19 juni 1890, overleed op 31 mei 1975 en werd in Nieuwleusen begraven. Zij trouwde in Opsterland op 28 oktober 1909 met Heine Hut, geboren in Zevenhuizen omstreeks 1882. Het is niet bekend wanneer hij overleed, maar in elk geval na


“In de oude boerderij van Saksisch type, waarin de landbouwer Kragt woont, schept zijn huishoudster nog de room van de schapenmelk, omdat deze de koffie zo lekker maakt. Zij doet dit in het bijzonder mooi betegelde woonvertrek.” *)

“….. Hij (burgemeester Mulder) gaat dan naar de boeren, zoals oude Kragt in het scheefgezakte Saksische boerenhuis met de fraaie tegelplateau’s, zoals die nog in vele huizen te vinden zijn. …..” *)

*) Dit zijn citaten uit het weekblad De Spiegel van 4 juli 1959. Daarin schreef Bas den Oudsten een artikel over moderne ontwikkelingen in Nieuwleusen onder de titel “De haand’n uut de buse!”

het overlijden van hun zoon in 1944. Ze woonden toen in Leek.
Op enig moment kwam Jantje Bosma als huishoudster bij de Nieuwleusenaar Gerrit Jan Kragt in huis, wanneer is niet bekend. Ze woonden samen tot het overlijden van Gerrit Jan Kragt op 1 september 1967. Na verkoop van de boerderij in december 1960 woonden ze in een bejaardenwoning.



De door een storm verwoeste boerderij.

De familie Van Spijker
Jan Thijs van Spijker werd in Nieuwleusen geboren op 25 mei 1877 als zoon van Willem van Spijker en Hermina Schuurman. Jan Thijs was 20 jaar toen hij op 28 april 1898 in Nieuwleusen trouwde met Hendrikje Luiten. Zij werd geboren in Nieuwleusen op 4 oktober 1878 als dochter van Lucas Luiten en Hendrikje Huzen. Jan Thijs van Spijker overleed in Nieuwleusen op 22 mei 1921 en Hendrikje Luiten op 28 februari 1947, eveneens in Nieuwleusen.
Jan Thijs van Spijker en Hendrikje Luiten kregen acht kinderen, twee jongens en zes meisjes waarvan er een jong overleed.
van Spijker werd geboren op 30 oktober 1898 en overleed op 25 januari 1967. Zij trouwde op 16 november 1917 in Nieuwleusen met Koop Massier, geboren in Dalfsen op 24 december 1895 en overleden op 23 september 1965.
Hendrikje van Spijker werd geboren op 19 augustus 1901 en overleed op 25 december 1971. Zij trouwde op 20 mei 1929 in Nieuwleusen met Jan Thijs Alteveer, geboren in Nieuwleusen op 23 maart 1901 en overleden op 17 oktober 1963.
Leentje van Spijker werd geboren op 11 juli 1904 en overleed op 31 juli 1906.
Leentje van Spijker werd geboren op 31 maart 1907 en overleed op 18 juni 1984. Zij trouwde in Nieuwleusen op 19 januari 1928 met Koop Kleen Scholten, geboren in Nieuwleusen op 31 oktober 1903 en overleden op 1 december 1973. (NB. Op de grafsteen staat als geboortejaar van Leentje ten onrechte ook 1903 vermeld.)
Wiegertje van Spijker werd geboren op 19 oktober 1909 en overleed op 26 augustus 1971. Ze trouwde in Nieuwleusen op 18 augustus 1932 met Evert Nijboer, geboren in Nieuwleusen op 14 mei 1908 en overleden op 28 mei 1976.
Willem van Spijker werd geboren op 10 december 1912 en overleed ongehuwd in Nieuwleusen op 3 december 1936.
Anna van Spijker werd geboren op 15 maart 1915 en overleed op 31 augustus 1995. Zij trouwde met Pouwel Bloemhof, geboren op 27 november 1916 en overleden op 15 november 2011.
Lucas van Spijker werd geboren op 13 januari 1917 en overleed ongehuwd in Zwolle op 15 december 1948. Hij woonde nog alleen met zijn herdershond op de ouderlijke boerderij, als laatste van de familie van Spijker. Zijn moeder overleed bijna twee jaar eerder dan hij.

* * *

BOELDAG IN NI’JLUUSN

A. Schoemaker-Ytsma

Ie kunt 't geleuven of nie, mar Diena hef vandage weer wat besunders belèèfd. Zi'j is naor 'n boeldag ewest. Ie weet wè: de notaris stiet dan op 'n boerenwagen achter 'n olde boerderije umme spullegies bi'j opbod te verkopen. En det gebeurt niet meer alle dagen.
Van negen tot tiene kuj' de boel bekieken. En det is nou net 't mooiste. Diena wet niet waor ze nou 't liefste naor kik, de mèènsen die d'r op af koomt of d'olde spuIlegies.
't Was 'n heldere zaoterdagmorn in april. 't Zunnegien schien al dapper, mar 't had 's nachts flink evreuren. 't Vertrapte grus rond 't boerderijgien kleuren zwart op. Diena vund 't heerlijk umme 'n paar warme straalties zunne op heur wangen te vulen.
Mar nouw bi'j met menaere barre nijsgierig ewurren wat Diena daor allemaole ezien hef! Eerst butenumme: twie olde ploegen, 'n iezeren (rood verroest) en 'n holten met 'n wiel van 'n krulewagen d'r an. Tja, vrogger keken ze niet zo krek. Tied kosten nog niet zo veule geld as in dizze tied. 't Laand kwaamp d'r mit umme en det was 't vernaamste. HoeveuIe zweetdruppelties 't ekost hef, kon d'olde ploeg niet meer vertellen. Zwiegend stund e daor met 'n nummertien op-eplakt. Vanwege 't nood-breekt-wet-wiel leup de museumkerel em ok a veurbi'j. Verder olde krulewagens, 'n olde stutkaore, olde eggen. Rustig stunnen ze in 't ochtendzunnegien te wachen. Ze verblikken of verblosen niet onder de nijsgierige en hebberige blikken van de kiekers, daor d'r steeds meer van kwamen. O ja, 'n partije olde straotklinkers stunnen d'r ok nog. Hoeveule klompen zollen d'r niet oaver eklept wèèn.
Veule wurren Diena niet wiezer van die olde spullegies, mar ien dink wurren steeds duudlijker. Wat konnen de mèènsen zich vrogger oaveral toch zelf met redden!
Hè, dachen Diena, daor hej' ok 'n paar Stappersen. Die koomt vaste op de beide kammenetten of. En ja heur, Diena truf ze eempies later in de veurkamer van 't olde spul. D'r was net een kerel uut 't durp die d'r verstaand van had en die zee dat 't Fries gebeugen kammenetten waren. D'iene was aorig krakkemikkerig. As de la lus etrukken wurren vullen de ziedkaanten naor binnen. Een goldmijntie veur 'n restaurateur. D'aandere kaste was nog wel aorig schier, dachen Diena. Boven in de toog ontbrak de vaze. Diena kon zich iets as 'n deurbreuken fronton herinneren; dit was vast zoiets. Diena kon 't niet laoten eem de deure van 't kammenet lus te doen. Spinnekoppels en stof knipperden onwennig tegen 't daglicht. Ze dut de deure mar gauw weer toe. Wat zol ién zo'n kast al niet vertellen kunnen. Wat die allemaol ezien hef van 't leven in det kamertien ...
De blauwe en broene tegelties an de waand waren wat terugholdend en keken vol verbazing wat 'r niet 'n verschil an mèènsen rondIeup. Een stads mèènse warmen de verkleumde haanden boven de gaskachel. Wat 'n 'service' dat die branen! Wat zuchen zo'n opgedirkt mèènse in zo'n boerenbedoeninkie? Hebzucht? De wasknippe van heur neuze had ze veur dizze gelegenheid thuuselaoten. Aanders kik zo iene ok niet naor de boerenstand umme.

Op de pompestraote leek 't wè 'n reünie. Olde buren kwamen menare weer tegen. Det warmen Diena's harte meer as die madam bi'j de kachel. Det was 't volk wat wus van de veule muuiten die bi'j 't boerenleven heuren en toch genieten konnen van de kleine vreugden. Die waren helemaole op heur stèè tussen d' olde meidenkassies.
Diena gunnen heur gien tied umme te bedenken wat 'r allemaole inelegen had, want umme tien uur zol de verkoop begunnen en zi'j was nog niet uutekeken. Ze leup vlugge naor de dele. Gien geblaat meer van koeën. 't Kiekersvolk had 't in bezit eneumen. D'iene wus nog bèter as d'aandere waor 't olde gerei veur gebruukt wurren. Diena ontdekken de nije domeneer in de gruppe. Want daorlangs stunnen allerhande deuzen met kleiner spul d'r in. 'n Olde gieter wurren deur de jonge domeneer uut 'n deuze epakt. Diena dachen te zien dat 't 'm wel wat leek. Mar wat mut det nouw in zo'n ni'jmoedse pastorie? Zien suede jassie vult op tussen de blauwe overals met de gele klompen.
len 'n schemerig hukien - achter de deure die van de dele naor de stal gonk - ontdekken Diena 'n holten bakkien op 'n gammel teufeltien. Iederiene gonk op de grote deuzen laangs de gruppe of en zo kon Diena es eempies in 't bakkien snuien. En of d'r wat olds in zat!
Olde loden bottergewichten! Van begun 1800. Olde kranen, die d'r dwars overhen lagen, mos de koper op de koop toe nemen samen met 'n olde gesmede spieker en 'n heel old varkenskramtangegie en zo allerhande gerief. 'n Bikkeltien lag d'r ok nog in. Wie zol die olde gewichten nog meer ezien hebben?
Diena leup weer naor buten. 't Zunnegien was in tied warmer ewurren. Een patien kronkelen deur 't grus naor de buren. Dus contact was d'r meer ewest dan allennig met de naoberplichten. Dat koj' zo zien. Diena geneut. Wat vrouwlu stunnen onder de bluujende pareboom te praoten.
'n Blauw melkbussien - zonder deksel - lag vergeten achter heur onder de hege. De deure van 't husien stund lus. De zitplaanke was al van de plee ofesloopt. 't Bakhusien leunen d'r tegenan. Det was echt an zien èènde. Onder 't riet van de daoken an de veurkaante waren wat lappen tussen edrukt. Zol 't daor etocht hemmen? Of tegen de vleermuzen? Echt van die verweerde 'Jopie Huisman'-lappen.
Diena had in dat uurtien al weer zoveule eziene dat ze 't tied vund umme naor huus te gaon. Dark zol de koffie al wè klaor hemmen. Ze had heel wat ni'jgies veur Dark!
Later heuren ze dat 't rietdekkers gerei bi'j 'n dekker terecht ekomen was. Dat stund heur merakel an. Zo iene wet teminste wat ze d'r vrogger met deuden. An de waand in 'n dure villa komt zulks minder tot zien recht. Daor hoeft nie met 't bloed, zweet en traonen van de kleine man epronkt te wurren.
De koffie smeuk Diena allebassens goed nao heur kolde uutstappien.

(Letterlijk overgenomen uit “In Thuus”, 1992)

* * *

CACAOBOTERFABRIEK THERESIA

In “Ni’jluusn van Vrogger”, jaargang 21 nummer 4 van december 2003, hebben we een artikel opgenomen over “De vroegere koestal van Dedem”. Daarin wordt gezegd dat de Meppeler Courant meldt dat de bestemming “landbouw” is gewijzigd in “industrie” en dat er in 1927 een begin is gemaakt met het bereiden van cacao in de fabriek “Theresia”, Wijk M 71 aan de Schapendijk, Den Hulst. Eveneens is vermeld dat in 1931 gevraagd is om uitbreiding van het ketelhuis, de stoomketel en de schoorsteen, en dat “Nestradi” zich er na de oorlog vestigde.
Naderhand vonden we op internet meer informatie over deze cacaofabriek, of liever cacaoboterfabriek (1 “De kroniek van de familie Minke” door Ernest en Juriën Minke: http://www.familieminke.nl ). Daarbij wordt in “De vierde generatie - tak “Rheezerend” - van Dedemsvaart via Nieuwleusen naar Voorburg” aandacht besteed aan deze fabriek. Daarover wordt het volgende verteld.

Je had in Dedemsvaart de vervenersfamilie Minke die op “Truiswijk” aan het Rheezerend woonde. Omdat er ter plaatse geen katholiek voortgezet onderwijs was, werden traditiegetrouw de jongens van Rheezerend naar het internaat “Ruwenberg” ( Ruwenberg was een door fraters geleid internaat in Sint-Michielsgestel.) gestuurd. Het echtpaar Martin Minke en Dora Minke-Wolters had drie zoons; Jan, Martinus en Antoon.
Jan Minke was een vrolijke man. Hij was erg actief, o.a. lid van het bestuur van de Kamer van Koophandel in Avereest en penningmeester van het Spoorwegcomité Ommen-Hoogeveen. Samen met zijn broers Martinus en Antoon vormde hij een hecht driemanschap. Groot was de klap toen hij onverwachts overleed op 13 juli 1911. Zijn kinderen Martin en Jet, 22 en 21 jaar, waren nog thuis, terwijl Jan jr. 19 jaar, Theo 16 jaar en Herman 13 jaar, op het internaat zaten. Martin was in het familiebedrijf werkzaam en Jet hielp mee in de huishouding.
Martin leerde tijdens zijn diensttijd in Arnhem de acht jaar jongere Ans Schouten kennen, dochter van een stoeterijhouder uit Elden in de Betuwe. Een jaar na het overlijden van opa Minke trouwden Martin en Ans op 1 juni 1920. Ze kregen 5 kinderen.

Opa Martin Minke, die op “Truiswijk” woonde, had zich al uit de zaak teruggetrokken, maar zijn inbreng en gezag was nog heel voelbaar, zeker na het overlijden van zijn oudste zoon Jan. Hij voorzag problemen en in een akte van 30 januari 1919 zorgde hij ervoor dat de zaken voor zijn dood nog goed geregeld waren. Maar na zijn overlijden verslechterde de verhouding tussen de twee generaties (broers Martinus en Antoon en neef Martin) toch. “Truiswijk” werd verkocht en de ooms besloten dat Martin het naastgelegen huis “Sonnevanck” zou overnemen.
De samenwerking tussen oom Martinus en de jonge Martin verliep echter niet van harte. Gezien het leeftijdsverschil kon Martin de plaats van zijn vader niet vanzelfsprekend innemen.

De periode 1925-1930 kenmerkte zich als turbulente jaren vol spanningen in de familie. Besloten werd tot een zakelijke scheiding in het familieveenbedrijf tussen de takken “Marjo” (Martinus) en “Julianastraat” (Antoon) enerzijds en “Rheezerend” (erfgenamen van Jan) anderzijds. De tak Rheezerend kreeg een deel van de veenderij in Daalerveen (gem. Emmen) toegewezen en tevens de veenderijen in Klazinaveen en Zwartemeer. Martin ging namens de tak Rheezerend als vervener zijn eigen weg. Maar een vervener in hart en nieren was hij niet.

De Cacaoboterfabriek
Aangemoedigd door het enthousiasme van zijn jonge neef Antoon Kappers en suikertechnoloog Theodoor Siero, begon Martin (1888-1966) in 1927 een cacaoboterfabriek in Nieuwleusen. Om dit financieel van de grond te krijgen verhuurde hij eerst bij gedeelten de veenderij aan oom Antoon, die het later opeenvolgend van hem kocht. Daarnaast kon Martin op deze veengronden gemakkelijk credit krijgen, waarvoor tevens zijn moeder borg stond.


Cacaoboterfabriek “Theresia”.

Bij een veiling van het erfgoed van de familie Van Dedem van de Rollecate te Nieuwleusen in 1923, werd o.a. een groot stenen stallencomplex voor ongeveer 200 koeien geveild, met het daarbij behorende kantoorgedeelte, laboratorium, de voedselbergplaats, een schaftlokaal en een grote zolder. Tevens was daarbij een nieuwe stal met groenland, bosgrond en een weg aan de Schapendrift, met een totale oppervlakte van 113 hectare. Dit alles was door een zekere Van den Berg ingezet voor 8.000 gulden. Martin zal wel een hoger bod gedaan hebben want dit erfgoed is door hem aangekocht om hier de cacaoboterfabriek te kunnen beginnen. ( Union rijwielfabriek kocht op de veiling de “koeienstal met bosgrond” voor ƒ 9000,--. Maar omdat het een renteloze investering was, probeerde Van den Berg er vanaf te komen. Dat kostte nogal wat moeite maar uiteindelijk lukte de verkoop. (Bron: Union 1904-1954 in archief museum Palthehof.))

Uit het verzoekschrift voor het oprichten van een cacaoboterfabriek blijkt dat het nog vier jaar heeft geduurd voordat de fabriek kon gaan draaien. Die aanvraag, gedateerd op 16 februari 1927, werd gedaan door Martin Minke samen met zijn neven Antoon Kappers, oud 23 jaar, en Theodoor Siero, oud 31 jaar. Siero werd tot directeur aangesteld. De vergunning werd verleend op 27 april 1927.
Martin, toen 38 jaar oud, was een erg godsdienstige man. Hij noemde de fabriek de “ N.V. Theresia”.
Volgens de bijbehorende tekening van de fabriek was er een grote hal waarin een aantal dubbelwandige tanks en ketels stonden opgesteld. Deze ketels werden op temperatuur gehouden, nodig voor het vervaardigen en opslaan van de half vloeibare cacaomassa. Daarnaast waren er enkele persen, die met behulp van een elektrische motor werden aangedreven, voor het vermalen van de cacaobonen. Het geheel was verzorgd en hygiënisch ingericht. De fabriek gaf werk aan ongeveer vijftien personen.
Uit overlevering weet men dat het altijd erg warm was in de fabriekshal en dat de werknemers er de gehele dag transpirerend hun werkzaamheden verrichtten.
In aanmerking genomen dat de cacaobonen van de Rotterdamse haven moesten worden aangevoerd, terwijl het eindproduct, de halffabricaten, grotendeels naar klanten gingen als Verkade in Zaandam en Droste in Hoofddorp, lag de cacaoboterfabriek in Nieuwleusen geografisch niet zo gunstig, zeker als men bedenkt dat de infrastructuur nog maar in de kinderschoenen stond.

Het einde
In de eerste jaren werd goed verdiend en al snel werd zelfs uitgebreid met een extra stookgedeelte. Maar in de crisisjaren maakte de cacaoboterfabriek een zware tijd door. Door een onverwachte gruwelijke val op de termijnmarkt en kort daarvoor duur ingekochte cacaobonen, moest, om erger te voorkomen, het bedrijf worden beëindigd. Omdat Martin niemand te kort wilde doen, wilde hij niets weten van een faillissement. Hij besloot het bedrijf te stoppen en het grote verlies voor zich te nemen. In 1935 is de fabriek gesloten.
Dat daarmee veel geld verloren is gegaan mag wel duidelijk zijn. Dit had ernstige financiële gevolgen voor de tak Rheezerend. Gelukkig kreeg Martin hulp van zijn broers Jan en Herman. Die troffen met hem een financiële regeling, waarbij zij de veengronden met twee arbeiderswoningen ter grootte van 17 hectaren overnamen. Jan en Herman, die niets met vervening van doen hadden, vonden wel dat Martin nog het in cultuur brengen van die gronden voor zijn rekening moest nemen. Daarna hebben Jan en Herman deze gronden eerst verpacht aan een landbouwer, die deze gronden later heeft overgenomen.
Na sluiting heeft de fabriek lang leeg gestaan (Pas in 1947 zijn het gebouw en de in=boedel geveild.). Pas na de Tweede Wereldoorlog vestigde stalenramenfabriek “Nestradi” zich er. Weer later heeft het pand nog dienst gedaan als tijdelijke opslagruimte voor materialen van de Bescherming Burgerbevolking. Het gebouw staat er nu nog, al heeft het in de loop der jaren vele veranderingen ondergaan.


De voormalige cacaoboterfabriek “Theresia” aan de Schapendijk anno 2014.(de tweede foto is uit 2020.)

Na het debacle van de cacaobonenfabriek is Martin Minke door bemiddeling van zijn zwager Joop Schouten, die Mr. Referendaris en adviseur van de minister was, als districtcontroleur bij het Ministerie van Sociale Zaken in Den Haag terecht gekomen op de afdeling voedselvoorziening. Later werd hij o.a. belast met de kledingvoorziening van sociale instellingen, die via het ministerie van Sociale Zaken bevoorraad werden. Dit waren vooral kindertehuizen, jeugdgevangenissen en psychiatrische instellingen. In oktober 1935 verhuisde het gezin naar Voorburg.

* * *

DE JAREN 1940–1945 IN NIEUWLEUSEN, ENKELE AANVULLINGEN

Op de verschijning van bovengenoemd boek zijn positieve reacties ontvangen. Ook kwamen er enkele aanvullingen binnen. Zo wist mevrouw T.C. Schoemaker-Muller nog iets te vertellen over de bemanning van de neergestorte bommenwerper (blz. 64). De beide omgekomen vliegeniers werden door de buurmannen Hendrik Jan Muller (de grootvader van mevrouw Schoemaker-Muller) en Hendrik Knol uit Oosterhulst op een boerenwagen naar de Algemene Begraafplaats gebracht.

Van de vermelde namen bij de foto op blz. 126 was er een onbekend. De familie Schoemaker wist deze naam te achterhalen. Het is Gerrit Evink uit Wilsum. Deze had een winkeltje tegenover de school waar de groep uit Nieuwleusen was ondergebracht. Evink zat ook in het verzet.
De foto is vijf jaar ouder dan aangegeven en dateert uit 1985. Op de foto staat o.a. Jannes Groen. Hij is op 6 september 1985 overleden.

De familie Mannen deelde mee dat de op blz. 158 vermelde schuilnaam Kon niet juist is en Koos moet zijn. Koos was de schuilnaam van Jan Mannen.

* * *

INHOUD JAARGANG 33

Deze jaargang bestaat uit een speciale uitgave onder de titel “De jaren 1940-1945 in Nieuwleusen” en twee reguliere nummers (maart en december) met de volgende inhoud:

Blz.
1  
12  
15  
18  
24  
31  
32  
33  
 
45  
48  
50  
55  
58  
63  
64  


Mensen aan het woord, 5 (Jelle Bos)
Zoekplaatjes
Een oude groepsfoto (CLS Den Hulst)
Heur bevrijding
Het kleine huis aan het pad, 15
Reacties
Toen en nu, 4
Het levensverhaal van Berend van Berkum en Marrigje Stolte, 1
Zoekplaatjes
Een oude groepsfoto (Matrassennaaisters en CLS De Meele)
De boerderij van Gerrit Jan Kragt
Boeldag in Ni’jluusn
Cacaoboterfabriek Theresia
De jaren 1940 – 1945 in Nieuwleusen, enkele aanvullingen
Inhoud jaargang 33

Winter 2003

.




_





Jaargang 34 nummer 1 maart 2016


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina

Detail van de ontdekte tekening van havezate Oosterveen in Nieuwleusen.

* * *

TEKENING HAVEZATE OOSTERVEEN, EEN ONTDEKKING

René Fokkert

Tot dusver was er geen afbeelding van de havezate Oosterveen bekend. Eind vorig jaar ontdekte René Fokkert, een van de leden van onze vernieuwde werkgroep Genealogie, op internet een tekening die zijn aandacht trok. De tekening bevindt zich in de Bibliotheek in Rotterdam. Na bestudering van de tekening, eerst via internet en daarna tijdens een bezoek aan Rotterdam, is de conclusie dat dit de havezate Oosterveen in Nieuwleusen is. De pentekening wijkt af van de afbeelding op de avondmaalsbeker die in bezit is van Hervormde gemeente Nieuwleusen en van de naar aanleiding van een glazenmakersrekening gemaakte tekening in het boek “Heeren van de Ligtmis” en van de maquette in museum Palthehof.

In december 2015 vond ik via internet een pentekening in de erfgoedcollectie van de Bibliotheek in Rotterdam met het onderschrift ”Oosterveen bij de Ommerschans”. De naam Oosterveen wekte mijn belangstelling, maar bij de Ommerschans? Ook de bij de tekening gevoegde tekst gaf geen duidelijke aanwijzing dat hier sprake zou zijn van Oosterveen in Nieuwleusen. Er was dus nog wel wat onderzoek voor nodig om met zekerheid te kunnen zeggen dat dit een pentekening van de havezate Oosterveen in Nieuwleusen is. De havezate behoorde tot de bezittingen van de familie Van Haersolte.

Omschrijving van de Bibliotheek Rotterdam bij de tekening: Onder deze tekening van Jacobus Stellingwerf staat Oosterveen bij de Ommerschans. Oosterveen ligt in Junne (tussen Hardenberg en Ommen). In 1640 wordt het een havezate, maar in 1759 had het die status niet meer. Vroeger hoorde het huis bij Nieuwleusen, maar het wordt in 1759 heringedeeld bij Junne (Gemeente Ommen). Het huis werd in 1862 afgebroken en is nu een boerenerf. Wat de opmerking Ommerschans betreft, bedoelt Stellingwerf misschien dat de havezate vroeger bij de vestingwerken rond de schans uit 1625 behoorde. De Ommerschans wordt rond 1625 gebouwd om de Noordelijke Nederlanden te verdedigen tegen plunderende troepen uit het zuiden. Rond 1650 wordt zij verder versterkt. De schans maakt deel uit van een hele linie van verdedigingswerken, zoals De Lichtmis, Coevorden, Bourtange en Bellingwolde. Deze laatste drie werden gebouwd door Groningen, als verdedigingswerken in het oosten van het land. Het grensgebied tussen Overijssel en Drenthe bestond in de 17e eeuw voornamelijk uit een moerassig veengebied. De Ommerschans lag langs een zomerweg die door dit gebied liep van Ommen naar Zuidwolde. De schans is meerdere malen veroverd en heroverd. Begin 1800 verliest zij haar militaire betekenis en er wordt een bedelaarskolonie gesticht door de Maatschappij van Weldadigheid. Van de oorspronkelijke Ommerschans is naast het natuurgebied weinig meer over gebleven dan een deel van de omgrachting. Wanneer de tekening gemaakt is, is niet bekend.

Van Haersolte en Oosterveen
De familie Van Haersolte was een zeer invloedrijke adellijke familie. Sweer of Sweder van Haersolte was eigenaar van de havezate Haerst, gelegen aan de Overijsselse Vecht in de buurtschap Haerst bij Zwolle. Ook was hij voor een zesde deel eigenaar van de Leusener Compagnie. De havezate Oosterveen werd gesticht op het grondbezit van de familie van Haersolte in de van de Leusener Marke afgesplitste “achterste grootte veenen”, ook wel het Oosterveen genoemd. Al kort na de verdeling van de gronden in dit gebied in 1639 werden er de eerste boerderijen gebouwd.

Het wapen van de familie Van Haersolte.

Het in bezit hebben van een havezate gaf de eigenaar bijzondere rechten. Die kon zich dan laten inschrijven in de Ridderschap van Overijssel en daardoor politieke invloed uitoefenen op het bestuur in de provincie. Om de macht van de familie Van Haersolte te vergroten was het gewenst om belangrijke bestuurlijke functies te bekleden. Sweer van Haersolte had als Drost van Salland de belangrijkste functie in het bestuur in deze regio. Zijn zoon Rutger was als landrentmeester van Salland ook niet onbelangrijk.
Een van de voorwaarden om een goed als havezate erkend te krijgen was dat het “adellijk betimmert” moest zijn. Het moest dus een huis zijn van enige allure en de minimale waarde voor het totale landgoed moest 25.000 gulden zijn, een enorm bedrag in die tijd.
In 1640 kregen de Van Haersoltes het bij de Ridderschap en Steden van Overijssel voor elkaar om het recht van havezate van het goed Dieze, gelegen in de buurtschap Emmen bij Dalfsen op de plaats waar nu Mataram is, te verschrijven naar het nieuw te bouwen huis Oosterveen (Nieuwleusen). Volgens verschillende rekeningen die bewaard zijn gebleven in het archief Batinge in Drenthe, werd er in augustus 1643 nog glas geplaatst in het huis Oosterveen. We mogen er daarom vanuit gaan dat het huis in dat najaar bewoonbaar was.
De oudste afbeelding van mogelijk de havezate Oosterveen is uit 1647. Het is een boerderijachtig gebouw dat op de avondmaalsbeker van de Hervormde gemeente Nieuwleusen te zien is.

`



De avondmaalsbeker van de Hervormde gemeente Nieuwleusen met de daarop gegraveerde afbeelding.

In 1649 werd er een grachtenstelsel om het huis gegraven. In de gracht was een dam met waarschijnlijk een gemetselde duiker om toegang tot het huis te krijgen. Ook de singels, tuinen, boomgaard en lanen werden in die jaren bij het huis aangelegd.
Vanaf de bouw tot 1663 was Rutger van Haersolte eigenaar van het landgoed. In dat jaar schonk hij de havezate Oosterveen met alle grond, boerderijen en al wat daarbij hoorde aan zijn neef Elbert Antonie van Pallandt. In de akte waarin dit alles beschreven is, werd vermeld dat het huis in de toekomst nog “gebeneficeert (= verbeterd of verbouwd)” wordt. In 1663 woonde dominee Arnoldus van Berkum in het huis en werden er ook kerkdiensten in de havezate gehouden. De adellijke bezitters van de havezate verbleven zelf waarschijnlijk niet vaak op het Oosterveen. Zij hadden meerdere en grotere huizen elders in de provincie en dit huis lag toch erg afgelegen in een veengebied waar verder niet veel vertier was.
Omstreeks 1675-1680 vond er een flinke verbouwing plaats. Aan de voorzijde werd er een verdieping aan toegevoegd, maar desondanks bleef het altijd een van de kleinere havezaten. In die tijd was Elbert Antonie van Pallandt eigenaar en heer van Oosterveen. Hij had een belangrijke functie in Drenthe, waar hij o.a. drost was, en woonde in Dwingeloo op het landgoed Batinge. Daar overleed Elbert Antonie in 1701, zijn vrouw overleed er in 1721. Door vererving kwam het goed Oosterveen in handen van een andere Van Pallandt, namelijk Carel Willem. Deze schonk op zijn beurt in 1728 de havezate aan Frederik Willem Floris van Pallandt. Hij verkocht het al in 1730 aan zijn broer August Leopold, die het, na 17 jaar in zijn bezit te hebben gehad, in 1747 overdeed aan Wolf Bentinck, die al snel na de koop overleed. Vervolgens kocht August Leopold van Pallandt het weer terug.
In 1759 werden de rechten behorende bij de havezate Oosterveen overgeschreven van Nieuwleusen naar het nieuw gestichte goed erve Hoijers in Junne bij Ommen. Er is dan sprake van een huis Oosterveen in Nieuwleusen en een havezate Oosterveen in Junne.

De tekening
Op de gevonden tekening is een kasteelachtig gebouw te zien dat omringd is door een gracht. Als onderschrift is vermeld “Oosterveen bij de Ommerschans.” In de hoek rechtsonder naast het onderschrift is


Tekening van Jacobus Stellingwerf in de erfgoedcollectie van de Bibliotheek in Rotterdam.

vaag de signatuur van de tekenaar te lezen, bestaande uit de letters J:St:. De tekening is ondergebracht in de erfgoedcollectie van de Centrale Bibliotheek in Rotterdam met de stad als eigenaar en is mogelijk al in 1759 verworven. De signatuur J:St: of ook J:S: is van Jacobus Stellingwerf(f).
Uit het onderzoek van Bert Kolkman (destijds werkzaam bij de Bibliotheek Rotterdam) naar de tekeningen van Stellingwerf komt onderstaande informatie.

De tekeningen van Stellingwerf zijn zeer herkenbaar. Hij tekende in pen en penseel in grijs en nam zijn voorbeelden nauwkeurig over. Waar die niet duidelijk waren wist hij de leemtes handig op te vullen. De tekeningen waren ongeveer 135 x 195 mm groot. Aan de onderzijde werd tussen de tekening en de kaderlijn een strook van ca. 15 mm open gehouden voor een korte beschrijving en, als dat bekend was, het jaar


waarin zijn voorbeeld gemaakt was. Die onderschriften zijn meestal door Stellingwerf zelf, maar ook wel door anderen, bijv. Brouërius van Nidek, geschreven. Kenmerkend voor Stellingwerfs tekeningen zijn de door hem eigenhandig met loodstift geschreven letters J:St:, rechts onder in de titelbalk. Ze zijn vaak nauwelijks meer leesbaar.
J:St: en J.S. staan voor resp. Jacobus Stellingwerf en Antonina Houbraken. Sinds mei 1723 een echtpaar en daardoor was Jacobus hoofd van de huwelijksgemeenschap. Men kan aannemen dat Antonina daarom haar tekeningen signeerde met de initialen van haar man. Maar omdat ieder zijn eigen stijl had was er het verschil tussen J:St: en J.S. In 1729, als zij weduwe is, signeert zij weer met haar eigen naam, Antonina Houbraken.


Bron Wikipedia: De tekenaar Jacobus Stellingwerf(f) of Jacob Jansz(oon), geboren in Amsterdam op 2 februari 1667 en begraven aldaar op 29 december 1727, was een Noord-Nederlandse tekenaar van landschappen en topografische objecten. Hij was een zoon van de knopenmaker Roelof Stellingwerff en van Catharina of Cathalijntje van Hoorn. Stellingwerff was niet opgeleid als tekenaar. Hij was goudsmid evenals zijn grootvader van moederskant. Pas op latere leeftijd (vanaf ongeveer 1722) werd hij een kopiist, die tekeningen maakte in opdracht. Zijn opdrachtgevers waren de oudheidkundigen Matheus Brouërius van Nidek en Andries Schoemaker. Stellingwerff kreeg aangeleverde schetsen en maakte daar zijn tekeningen naar. Naar schatting maakte hij meer dan 2.500 tekeningen voor Brouërius van Nidek en meer dan 800 voor Schoemaker. De kritiek dat de tekeningen van Stellingwerff niet altijd historisch juist waren klopt. Dat heeft te maken met het feit dat de door derden aangeleverde schetsen, die hij gebruikte voor zijn tekeningen, niet altijd betrouwbaar bleken te zijn.
Stellingwerff trouwde in 1703 met Margarieta van Nierop en hertrouwde in 1723 met Antonina Houbraken, dochter van de schilder Arnoldus Houbraken (1660-1719). Zij tekende evenals haar man en zette na zijn dood zijn werkzaamheden voort en signeerde soms met de naam van haar overleden man.


Detail uit de “Caart der moeren en passagien tusschen de steden Coevorden en Hasselt” uit waarschijnlijk 1727. Hier wordt de ligging van de havezate Oosterveen (als 2 torentjes) weergegeven ten opzichte van de Ommerschans.

De havezate Oosterveen was gelegen in een gebied dat tot in de verre omgeving omringd was door woeste gronden. De Ommerschans was het dichtstbijzijnde bouwwerk van naam in dit veengebied. Het is dus niet zo vreemd dat de tekenaar de ligging van het Oosterveen aanduidde als “bij de Ommerschans”.
We mogen aannemen dat op de tekening de voorkant van het gebouw is weergegeven, dus gezien vanaf het Oosteinde. Alle gebouwen in die omgeving hadden toen een uitweg naar het Oosteinde.
Als toegang tot het huis tekende Stellingwerf een bruggetje over de gracht. Zoals we hiervoor hebben gezien was het gebouw via een dam bereikbaar. Omdat we weten dat Stellingwerf werkte vanaf schetsen die anderen hem aanleverden, zal hij zo hier en daar wel wat artistieke vrijheid gebruikt hebben in zijn tekeningen. Ook de drie getekende hoektorentjes op het hoogste deel van het gebouw zouden daarvoor in aanmerking kunnen komen.


De maquette in museum Palthehof.

Datering van de tekening
Het huis zou er zo uit gezien kunnen hebben als op de tekening. De afbeelding op de avondmaalsbeker is van eerdere datum en de maquette in museum Palthehof kent geen voorbeeld waarnaar hij is gemaakt. De tekening in de Bibliotheek in Rotterdam komt waarschijnlijk het dichtst in de buurt van hoe de havezate Oosterveen er echt uit heeft gezien.
De omschrijving die in de Bibliotheek in Rotterdam aan de tekening is toegevoegd klopt niet helemaal. De havezate Oosterveen is nooit onderdeel geweest van de vestingwerken Ommerschans. Zij lag er hemelsbreed ongeveer zes kilometer vandaan. Ook de tekst “maar het wordt in 1759 heringedeeld bij Junne (Gemeente Ommen). Het huis werd in 1862 afgebroken” is niet correct.


René Fokkert met de tekening van de havezate Oosterveen in de Erasmuszaal van de Centrale Bibliotheek in Rotterdam.

De toren links op de tekening van Stellingwerf zou volgens een beschrijving in het boek “Heeren van de Ligtmis” in 1680 zijn opgehoogd met een verdieping. Dat maakt dat de tekening gemaakt is tussen 1680 en 1727, het jaar van overlijden van de tekenaar.
Zoals we hebben gezien werd tekenaar Jacobus Stellingwerf pas in 1722 kopiist. Hierdoor is de tekening dateerbaar tussen 1722 en 1727 (en eventueel 1729 omdat Antonina Houbraken het werk van haar man nog een paar jaar na zijn dood heeft voortgezet).
Van Stellingwerf is bekend dat hij niet op locatie werkte maar zijn tekeningen maakte op basis van door anderen aangeleverde schetsen. Deze kunnen ook van voor 1722 zijn.
De verschrijving van het recht van havezate naar Junne was in 1759, 32 jaar na het overlijden van Stellingwerf. Hij kan dus nooit het toen verschreven huis Oosterveen in Junne hebben getekend.
Er blijft dus maar een conclusie over en dat is dat de tekening met het onderschrift “Oosterveen bij de Ommerschans” een afbeelding is van de havezate Oosterveen in Nieuwleusen!
Het huis Oosterveen in Nieuwleusen werd in of kort voor 1789 afgebroken. In dat jaar werd de vroegere huisplaats op een publieke veiling verkocht samen met het toen nog wel bestaande bouwhuis en grond. Het is bijzonder dat er na meer dan 225 jaar na afbraak van de havezate nu toch een afbeelding is gevonden.

Overige bronnen: A.J. Gevers en A.J. Mensema: De havezaten in Salland en hun bewoners. Alphen aan de Rijn, 1983.
Wim Visscher: Heeren van de Ligtmis. Gouda, 2005.


* * *

HET LEVENSVERHAAL VAN BEREND VAN BERKUM EN MARRIGJE STOLTE, 2

Geertje Hengeveld-van Berkum

Oudewetering
Omdat mijn ouders het op de Kievitshaar niet vol konden houden, werd er weer gezocht naar iets anders. Vader vond toen in het tijdschrift de Boerderij een advertentie van boer Gerrit de Wit uit Oudewetering in Zuid-Holland, die een arbeider zocht. Ze kwamen tot een akkoord. Dat hield wel in dat voor we konden verhuizen er eerst erfhuis gehouden moest worden, want niet alles kon mee. Toen dat achter de rug was, bracht vrachtrijder Willems, “de Snorre”, ons naar Oudewetering. We kwamen toen van Leimuiden over een smal weggetje bij een pont die ons naar de overkant moest brengen. Doodsbang was ik, want zo’n groot water kenden we toch helemaal niet. Gelukkig ging alles goed.
Bij die boer werkte nog een arbeider uit Nieuwleusen. Dat was Willem Timmerman. De andere buren waren Hollanders. Op een dag riep één van die buurvrouwen naar moeder: “Ik ben mijn asvarken kwijt. Heb jij hem misschien gezien?” “Nee, die heb ik niet gezien,” zei moeder. Maar ze wist ook niet wat het was. Later riep de buurvrouw: “Ik heb hem terug hoor” en ze liet hem zien. Wat was het nu? Een gewone stoffer.
Maar moeder had watervrees en dat viel niet mee daar in dat waterrijke landschap, zo aan de rand van het Braassemermeer. Ze had het daar niet naar haar zin en ze had heimwee naar Nieuwleusen. Wel leuk was dat toen het meer was bevroren, koningin Wilhelmina met prinses Juliana dicht bij hun huis kwamen schaatsenrijden. Ook Gerard vond het daar toen wel leuk, zo kon je er prachtig priksleeën.

Oorlogstijd - terugkeer - Kringsloot
Toen in 1940 de oorlog uitbrak stonden de mensen buiten te kijken en te praten. Tot er een auto langs kwam en iemand tegen hen zei: “Mensen ga naar binnen want je staat hier levensgevaarlijk.” Wat was het geval? In het riet langs het Braassemermeer lagen watervliegtuigjes verscholen en daar werd door de Duitsers op geschoten.

Watervliegtuigjes.

Op 1 juni 1940 werd Marrie geboren. Overijssel bleef lokken. Misschien ook wel meer doordat de boer waar vader voor werkte ook paardenhandelaar was en contacten had met Hendrik Schoemaker en Huzen en moeders broer Hendrik Jan Stolte, allemaal paardenhandelaars uit Nieuwleusen.

Na twee jaar in Oudewetering gingen we weer terug naar Nieuwleusen, waar onze ouders in de Meente een klein boerderijtje hadden gekocht. Het was niet groot, één groot raam en een voordeur en twee kleine raampjes aan de voorkant. Ze kochten er een stuk land bij en in 1941 werd de terugreis gemaakt. Klaasje bleef achter in Oudewetering, want ze had daar Jaap Schoenmaker leren kennen.
De verhuisspullen kwamen met de boot over het IJsselmeer. Hoe wij teruggekomen zijn weet ik niet meer zo goed. Wel dat we met de bus aankwamen in de Kerkenhoek. Daar stonden fietsen. Daarmee gingen we over de Dommelerdijk en de Kringsloot naar ons boerderijtje. Voor mijn gevoel waren het prachtige huizen waar we langs kwamen en ik vroeg steeds maar weer: “Is dit het dan, waar we gaan wonen?”

Berend van Berkum en Marrigje van Berkum-Stolte met Marrie op de arm.

Steeds kreeg ik te horen, nee dit is het niet. Ik weet niet meer of ik erg teleurgesteld was toen we er waren. Als kind ben je dat ook gauw vergeten. Bovendien waren we wat dat betreft ook niet verwend. Toch was die tijd daar in het veld wel een mooie tijd. We moesten naar school, lopend, want een fiets had je niet en de kans was ook groot dat je fiets werd afgepakt.
Marrie was een nakomertje en als ik naar school ging, moest ik niet vergeten haar een kusje te geven. Hoe ver ik ook weg was, als ik het vergat dan moest ik terugkomen. Ze was erg mager en wilde niet goed eten. Maar ze ging wel mee als er gemolken moest worden en kreeg dan een kop warme melk, zo van de koe.
Vooral in de herfst en winter was de weg naar school een grote opgave, want dan stonden de wegen en de landerijen onder water. Soms waren het grote modderpoelen en kwam je met natte voeten op school. Toch was het wel een mooie tijd daar in het veld. We gingen met de kinderen uit de buurt hout slepen voor het paasvuur. Wanneer de dorsmachine in de buurt kwam, moest je bij de buren helpen met stro binden of de banden van de garven doorsnijden. Soms moest je op de balken het stro weer naar binnen helpen brengen. Er woonden ook nogal wat jonge gezinnen in de buurt en daar gingen we oppassen als er buurvisites waren. Meestal wisten de jongens ook wel wanneer er een los huussie was. Het was best wel spannend wie er dan kwamen opdagen.

Vader had meestal een melkrit - melk van de boeren naar de fabriek brengen - want het boerderijtje alleen leverde niet genoeg op om van te bestaan. Daar kwamen nog verschillende dingen bij, zoals de geheime huisslachtingen en boter naar Zwolle brengen.

Dan ging hij met de bus en zo snel mogelijk weer terug. Een keer is hij in Zwolle bij een razzia bij het station bijeengedreven en door goed op de bewakers te letten is hij er tussenuit geknepen, de vrijheid tegemoet. Ook ging hij naar Amsterdam om daar ondergoed, theedoeken en handdoeken te kopen. Die werden weer verkocht of geruild voor boter of iets dergelijks. Ook haalde hij er serviesgoed vandaan. Zo kwam er een ruil met iemand die hele dunne kopjes had, maar gebrek had aan daagse kopjes. Die kopjes heb ik nog steeds in mijn bezit (foto).

Ook moest er wacht gelopen worden langs de Hessenweg. Vader ging wel altijd weg, maar of hij werkelijk wacht liep weet ik niet. Ook kwamen er onderduikers bij ons thuis. Mijn oudste broer Hendrik was er en een onderwijzer uit Appingedam, die met een nichtje getrouwd was. Als er een razzia was, kwamen oom Albert Stolte en meester Siefers ook bij ons. Een keer, toen er in NieuwIeusen en Oudleusen weer een razzia was, konden ze niet thuis blijven en moesten ze zich verstoppen. Ze kregen de boodschap mee dat ze ergens in het open veld moesten gaan en niet in de buurt van bosjes of struiken. Maar die razzia duurde heel lang. Ze konden niet komen eten en het was ook niet vertrouwd om eten te brengen.


Berend van Berkum en Marrigje Van Berkum-Stolte bij hun 25 jarig huwelijk. Vlnr: Jennie Bakker met Henk, Klaasje met Jaap Schoenmaker, Gerard, Geertje en Berend. Vooraan links opa Berend van Berkum en tussen vader en moeder zit Marrie.

Toen ze thuis kwamen hadden ze honger. Moeder had hachee gekookt. Henk at veel te veel en moest later overgeven. Nadien heeft hij nooit meer hachee gegeten. Dat lustte hij niet meer. Het huis waar we woonden stond met de voorkant richting Nieuwleusen en je kon iedereen zien aankomen. Ook de Duitsers, meenden wij. Wat een grote schrik toen er toch opeens soldaten aan de zijdeur stonden. Ze waren toen vanuit Oudleusen gekomen. Gerard ging kijken wat ze wilden. Ze wilden eieren en hij heeft ze meegenomen naar het kippenhok en alle eieren meegegeven.

Na de bevrijding
Toen half april 1945 de bevrijding in aantocht was, kwamen opa van Berkum, oom Rieks en tante Trui met hun gezin bij ons schuilen. Het was veel te gevaarlijk aan de Hoevenweg en de boerderijen in het Westeinde waren toen al in brand geschoten. Het was mooi weer, de hooiberg was leeg en de narcissen stonden in bloei.
Na de oorlog ging vader werken aan de wederopbouw bij Nijmegen.
Klaasje en Jaap Schoenmaker kwamen na de oorlog vanuit Oudewetering naar Nieuwleusen en zijn hier op 11 juli 1945 getrouwd. Er was toen nog niets te koop wat betreft bruidskleding, maar vader had nog een grote lap stof, weliswaar zwart, en daar werd, samen met een stuk kant, een trouwjurk van gemaakt. Voor ons zusjes was een stuk zeildoek op de kop getikt. Daaruit werden hartstikke leuke jurken genaaid en geborduurd.

Klaasje van Berkum en Jaap Schoenmaker voor het gemeentehuis van Nieuwleusen. Op de deur hangt een wervingstekst om zich aan te melden als oorlogsvrijwilliger (OVW-er).

Helaas was de zijde niet kleurecht en de eerste de beste keer dat de jurken gewassen werden, liepen alle kleuren door elkaar. Klaasje en Jaap zijn na hun trouwen in Oudewetering bij tante Ma boven gaan wonen. Ze hadden daar een prachtig uitzicht op de Drecht. Later zijn ze aan de Veerstraat gaan wonen. Daar is Marry geboren.
Gerard had zijn schooltijd ook volbracht en begon als monsternemer. Daarvoor moest hij twee keer per dag bij verschillende boeren tijdens het melken melkmonsters nemen. Later ging hij in militaire dienst en is beroepsmilitair gebleven. Hij moest veel leren en studeren en ging ook veel met vrienden op pad, op zoek naar een meisje. Moeder zei wel eens: “Je helpt iedereen aan een vrouw en zelf krijg je er geen.” Ze was altijd bang wanneer hij weg was, vooral als de sloten boordevol water stonden en de wegen overstroomd waren. Hij ging ook graag dammen en was lid van de damclub. Vaak ging hij naar Peter Kreule om te dammen. Op een keer was het zo verschrikkelijk mistig, dat je geen hand voor ogen kon zien. Er was ook geen verlichting en het was pikdonker toen hij via het schoolweggetje terug naar huis ging. Hij moest daarvoor over de buitendijksloot, die helemaal vol water stond. Toen hij bij het bruggetje kwam, probeerde hij voorzichtig of hij op de planken stond. En ja, dat lukte en nu moest hij er verder overheen. Alles leek goed te gaan. Hij dacht recht over de brug te lopen, maar ging er schuin overheen en kwam in de sloot terecht. Zo kwam hij kletsnat thuis, maar gelukkig was het goed afgelopen. Gerard heeft lang gezocht naar een meisje. Velen passeerden de revue, maar de enige echte vond hij niet snel. Hij leerde Willy kennen via een meisje waar hij eigenlijk wel verder mee wilde. Hij kreeg verkering met WilIy en ze trouwden op 3 januari 1957 in Zwolle, waarna ze in Enschede gingen wonen. Ze kregen één zoon. Hans, die nu in Spanje woont.
Geertje. Ook voor mij kwam de tijd dat ik niet meer naar school hoefde. Ik ging in Dalfsen naar de huishoudschool. Daar leerde ik koken en naaien. Maar na een half jaar kon moeder opeens niets meer. Ze had versleten heupen en liep met twee stokken. Dus toen kwam ik thuis en moest meehelpen op het boerderijtje. Koeien melken, kippen en varkens voeren, mest strooien, rogge en haver binden en aardappels rooien. Ook moest ik de varkenshokken en de koeienstal uitmesten.
Later heb ik nog even bij een boer in de Marshoek gewerkt, maar dat was maar van korte duur. Op een avond ging ik met een vriend naar een bazaar in gebouw Pniël in Dalfsen. Daar werd ik midden op de avond door de politie aangesproken op verdenking van diefstal. De boer was naar de veemarkt geweest en was zijn portefeuille kwijt. Dat was niet zo fijn, omdat ik een goed geweten had. Later op de avond kwam alles weer goed. De boer had zijn portefeuille ergens neergelegd, maar wist niet meer waar. Maar de verstandhouding tussen ons was niet goed meer.
Hendrik, later Henk, ging als boerenknecht naar Ruinerwold. Daar was hij ook al geweest voor de verhuizing naar Oudewetering. Daar heeft hij Jennie Bakker leren kennen. Ze zijn getrouwd op 30 december 1948. Omdat er in die tijd geen woningen beschikbaar waren, lieten ze in Zwolle een noodwoning bouwen op grond van de Nederlandse Spoorwegen aan de Assendorperlure. Maar dat was van korte duur. Het mocht niet van de gemeente Zwolle. Ze hebben toen ingewoond bij de familie Melenhorst en later in een gedeelte van een huis aan de Assendorperlure. Van daar zijn ze gaan wonen in de Eigenhaardstraat in Zwolle. Veel later zijn ze samen naar een aanleunwoning in Berkum gegaan en later is Jennie naar verzorgingshuis Berkumstede gegaan.
Berend is na zijn schooltijd bij de melkfabriek in de kaasmakerij gaan werken. Maar daardoor kreeg hij bronchitis en dus moest er wat anders gezocht worden. Hij werd boerenknecht bij Kiezebrink in Herxen bij Wijhe. Tijdens zijn militaire dienst lag hij in Steenwijk. In februari 1948 moest hij naar Nederlands-Indië. Er werd altijd vol spanning uitgekeken naar de brieven. Hij had inmiddels Gre van der Meij leren kennen. Zij was in de oorlog uit Rijnsburg gekomen, toen daar niets te eten was. Samen met haar zus Nel hadden ze een betrekking gevonden in Nieuwleusen. Toen Berend in 1950 terugkwam, zijn ze in september datzelfde jaar getrouwd in Rijnsburg. Eerst was Gre bij haar ouders in Rijnsburg. Marrie is geboren in Leiden. Berend werd arbeider bij een boer in Barendrecht. Daar woonden ze in een huisje onderaan de dijk. Eigenlijk was het te klein. Je moest met een laddertje naar boven om te slapen. Van daar zijn ze naar Berkum verhuisd, naar een zomerhuis bij het ouderlijk huis. Berend ging bij Niemeijer werken in de wegenbouw. Later zijn ze naar Hattem verhuisd. Daar zijn de meeste van hun kinderen geboren. Maar Nieuwleusen bleef trekken en ze vonden er een woning aan het Oosterveen. Van daar gingen ze naar de Koningin Julianalaan en later samen naar de Hulstkampen.

Vader en moeder. Nadat Berend en Gre getrouwd waren, ging het toch allemaal nog niet zo voorspoedig, omdat het boerderijtje niet genoeg op leverde. Vader en moeder zochten naar iets dat toch een beter bestaan opleverde. In 1953 verhuisden ze naar de Agnietenberg in Berkum, dicht bij het theehuis waar moeder vroeger had gewerkt, naar een soort zomerhuis (foto). In de kelder stond een pomp die op elektriciteit draaide en voor water zorgde. Bij dit huis stonden kippenschuren. Er werden kippen gehouden en de eieren werden geleverd aan Satink in Zwolle. Het voer werd gekocht van Beltman. Vader ging als timmerman werken bij Gerrit Hoogezand op De Meele. Hij werkte ergens bij de Koedijk, toen hij aangereden werd door een motor en daarbij zijn been brak. Intussen ging het met de kippen ook niet zo goed. Ze werden ziek en gingen dood. Dit was opnieuw een tegenslag.


Berend van Berkum (links) als timmerman aan het werk. Rechts Arend Compagner.

Lambert Hengeveld en Geertje van Berkum. (60 jaar getrouwd)

Marrie en ik waren in die tijd nog thuis. Ik ging werken bij een gezin in de Veerallee met twee kinderen, een jongen en een meisje. Het meisje wilde of kon eigenlijk niet eten. Ik moest haar voeren, ook als ze het eten uitgespuugd had. Dat vond ik verschrikkelijk. ‘s Middags ging ik nog naar een andere mevrouw in het bos bij de Agnietenberg.
Daarna ben ik bij een advocaat en zijn gezin gaan werken. Daar waren twee zoontjes. Dat was wel leuk. Het werk doen, eten koken, wandelen met het jongste zoontje in de omgeving en in park Eekhout en het Terpelkwijkpark. Ook moest ik truien breien voor de jongens. Dit was mijn laatste betrekking. Op 1 augustus 1957 ben ik getrouwd met Lambert Hengeveld, in het gemeentehuis van Zwollerkerspel aan de stadsgracht in Zwolle en in de Plantagekerk daar dichtbij.

Terug naar Nieuwleusen
In 1959 overleed Gerrit Stolte, de broer van moeder. Hij woonde in het boerderijtje waar opa Stolte vroeger woonde en waar moeder ook de nodige tijd had doorgebracht (Westeinde 84). Hij had geen kinderen en omdat vader en moeder toch graag weer naar Nieuwleusen wilden, hebben ze het boerderijtje gekocht. Het was zo oud en vervallen dat het eigenlijk niet bewoond kon worden. Het is toen afgebroken en opnieuw opgebouwd. In 1960 zijn ze er gaan wonen. Alleen Marrie was toen nog thuis.
Toen Marrie en Henk van Gelder op 22 juni 1961 trouwden, kwamen zij er te wonen. Daarna kwamen Wim en Trien de Weerd, die verlegen zaten om woonruimte, bij hen inwonen. Vervolgens Dick en Gerrie Visscher. In 1970 gingen Lambert en ik er met ons gezin wonen.
Toen vader op 29 mei 1973 op 74 jarige leeftijd kwam te overlijden, bleef moeder nog op de oude stek. Maar omdat ze door haar oogziekte steeds slechter ging zien en ze merkte dat we haar niet meer alleen thuis wilden laten, nam zij het besluit om naar de Hulstkampen te gaan. Daar heeft zij tot haar overlijden op 2 juli 1986 gewoond. Ze is 91 jaar geworden.



Marrigje van Berkum-Stolte en het geborduurde familiewapen van de Stolte’s.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO

In deze rubriek hebben we dit keer een recente foto voor u. Eind vorig jaar werden de gastvrouwen en –heren van ons museum samen met het bestuur (B) op de gevoelige plaat vastgelegd. Helaas was niet iedereen aanwezig zodat ze er niet allemaal op staan. De foto werd gemaakt door onze nieuwe hoffotograaf Anne Jan Haak.


Vlnr: achterste rij: Theo Post (B), Thijs Visscher, Hilbert Jans, Klaas Dunnink, Gina Potze, Alie Hulleman, Jannie Wierenga, Egbert Beltman (B), Gosse Hoekstra en Jan Huzen (B).
Voorlaatste rij: Hennie Dragt, Alie Jans, Mini Ganzeboer, Lammie van Berkum, Gé Brouwer, Jannie Kouwen, Gees Bartels, Klaas Dijk, Jenni Veijer en Liesbeth Stolte.
Zittend: Ron Klijn, Jannie Mijnheer, Grietje Kreule, Roelof Stolte, André Mijnheer en Dries Veijer.
Vooraan: Joke Bos (B), Jakob de Weerd (B), Dickie Brasjen en Hennie Hoekstra.

* * *

DE CHRISTELIJKE LAGERE LANDBOUWSCHOOL TE DALFSEN

“Met de hand aan de ploeg, het oog omhoog gericht,
kan men de stormen des levens het hoofd bieden.”

We hebben het voornemen een serie artikelen te publiceren over de “Landbouwvereniging Nieuwleusen en omstreken”. Omdat daarin nogal eens wordt gesproken over de “Bond van oud-leerlingen in Overijssel”, leek het ons goed eerst aandacht te besteden aan de christelijke lagere landbouwschool te Dalfsen. Deze school heeft door de overdracht van kennis veel invloed gehad op de ontwikkeling van de landbouw in deze omgeving. Hendrik Jan Klomp, oud-leerling van deze school, heeft in 1997 de geschiedenis van de school op uitstekende wijze beschreven in het boek “Met lof gesproken over de school”. De vele informatie die hij in dat boek heeft samengebracht vormt de basis voor dit artikel. Wij zijn hem dankbaar voor het mogen gebruiken van dit boek voor het samenstellen van dit overzicht.

Oprichting standsorganisaties
In de negentiende eeuw zijn verschillende pogingen gedaan om “verenigingen tot ontwikkeling van de landbouw” op te richten. Zo werd in 1871 de “Twentsche Landbouw Maatschappij” opgericht, met bestuurders uit de bekende textielgeslachten die zich ook als herenboeren hadden ontwikkeld. Deze maatschappij werd in 1896 omgedoopt in “Overijsselse Landbouw Maatschappij” (OLM). Die heeft een grote, stimulerende rol gespeeld in de ontwikkeling van de landbouw in Overijssel. Een van de vele activiteiten van de OLM was in 1902 het oprichten van de Commissie van onderwijsbelangen.
Landelijk beleid
In 1886, aan het begin van de Landbouwcrisis, constateerde een door de regering benoemde “Landbouwcommissie” dat gebrek aan vakkennis een van de oorzaken was van de slechte staat van de landbouw. Landbouwwinterscholen en -cursussen werden genoemd als middel ter verbetering van de landbouwkennis en –kunde. De regering nam dit voorstel niet over maar er werd in 1892 wel een “Inspecteur voor het middelbaar onderwijs, belast met het toezicht op de landbouwscholen” benoemd.
In die tijd waren verschillende organisaties bezig met het aanleggen van proefvelden en de regering stelde daarvoor vervolgens geld beschikbaar.

Catalogus van de tentoonstelling ter gelegenheid van het 25-jarig bestaan van de Twentsche Landbouw Maatschappij in 1896.

Omdat bleek dat die proefvelden het beste functioneerden onder deskundige leiding, werd in 1893 besloten tot de aanstelling van rijkslandbouwleraren. Deze leraren werden belast met de landbouwvoorlichting, het houden van voordrachten, het opleiden van onderwijzers voor de lagere akten land- en tuinbouwonderwijs en het houden van toezicht op de avondcursussen voor land- en tuinbouw-onderwijs.
Deze landbouwwintercursussen werden gegeven door onderwijzers aan openbare scholen die een landbouwakte hebben gehaald.
In 1893 trok de regering voor het eerst geld uit voor de oprichting van landbouwwinterscholen, met dagonderwijs. Een aantal van de rijkslandbouwleraren werd naderhand belast met de directie van deze scholen. In 1894 werden in Hellendoorn, Avereest en Vollenhove de eerste landbouwwintercursussen georganiseerd.

Tijdgeest
Rond de eeuwwisseling is er sprake van grote verzuiling. De Katholieke Volkspartij (KVP) heeft sterke banden met de Aartsdiocesane Boeren- en Tuindersbond (ABTB), opgericht in 1917, en de Christelijk Historische Unie (CHU) maakt zich sterk voor de Christelijke Boeren- en Tuindersbond (CBTB), opgericht in 1918.
Op 12 november 1919 worden de boeren in Overijssel uitgenodigd voor een samenkomst in “De Harmonie” te Zwolle om de mogelijkheden voor de oprichting van een provinciale afdeling van de CBTB te bespreken. De animo is niet groot. Men vindt oprichting van een andere bond naast de OLM overbodig.
Tijdens de bijeenkomst brengt prof. dr. P.A. Diepenhorst ook de mogelijkheid ter sprake om via de CBTB christelijke landbouwscholen op te richten. Op het gebied van landbouwonderwijs heeft Overijssel een achterstand. De landbouwcursussen zijn niet erg populair. Veel boeren zien er het nut niet van in. Ze kunnen hun zonen thuis goed gebruiken en melken leren op school? Nee, dat hebben ze thuis al geleerd. Schoolgaan is tijd vermorsen.
Toch weten de onderwijzers tijdens de wintercursussen heel wat boerenzonen nuttige kennis bij te brengen. Maar in de cursussen komt ook de evolutieleer van Darwin aan de orde en voor de leerlingen die thuis met het scheppingsverhaal uit de bijbel zijn opgevoed, roept dit vragen op waarvoor geen afdoende antwoorden komen.
Het gelukt Diepenhorst de zaal te overtuigen en er wordt een afdeling Overijssel van de CBTB opgericht.
Een van de eerste activiteiten van de CBTB-Overijssel is te trachten in Noordoost-Overijssel een christelijke landbouwwinterschool op te richten. Al in 1921 lukt dat in Hardenberg.

Vereeniging tot bevordering van het Land- en Tuinbouwonderwijs
Vanaf 1921 wordt er door de minister jaarlijks geld vrijgemaakt voor de oprichting van 10 lagere landbouwscholen, verdeeld over vier rooms-katholieke, drie neutrale en drie protestants-christelijke scholen. Daarvoor overlegt hij met de drie landbouworganisaties (ABTB, OLM en CBTB) om te beslissen waar de scholen zullen worden toegewezen.
In 1927 wordt de eerste CBTB-landbouwschool in Overijssel in Kampen opgericht.
In 1929 belegt de afdeling Berkum van de CBTB een vergadering met het doel de tweejarige landbouwcursussen te vervangen door een school met vier leerjaren. Om wat meer gewicht in de schaal te leggen om dat doel te bereiken wordt besloten om de afdeling “Berkum” uit te breiden en te wijzigen in “Zwolle en omstreken”.
In de eerste ledenvergadering op 18 juni 1929 blijkt dat uit Dalfsen 187 personen lid zijn geworden en uit Zwollerkerspel en Heino samen 165.


Machinaal dorsen in de jaren dertig in Nieuwleusen.

Er komen statuten voor een “Vereeniging tot bevordering van het Land- en Tuinbouwonderwijs op Christelijken grondslag voor Zwolle en Omstreken”. Die worden bij Koninklijk Besluit goedgekeurd op 7 november 1929.
Men gaat spreekbeurten houden om propaganda te maken, begunstigers en leerlingen te werven enz. Er komen bovendien landbouwwintercursussen die door onderwijzers worden gegeven in de christelijke scholen te Berkum, Laag Zuthem, Hessum, Emmen en te Ankum (daar worden de lessen gegeven door P. van Engen uit Nieuwleusen, maar na een cursusseizoen vertrekt hij in 1930 naar Giessen-Nieuwkerk).
De onderwijzers van deze cursussen zagen de komst van de landbouwschool als een bedreiging. Ze dachten dat ze wel konden ophouden met het geven van cursussen omdat de jongens naar school zouden gaan. Maar de school en de cursus kregen ieder een eigen plaats. De landbouwschool werd een dagschool en lang niet alle boeren


Bond van Oud-Leerlingen op reis omstreeks 1940. Vlnr: Achterste rij: Berend Jan Scholten, Hendrik Klunder, onbekend, Harm Kragt, Albert Boverhof, Derk Sterken en Hendrik Oldeman. Middelste rij: Engbert Ganzeboer, Engbert Kragt, Koop de Weerd, Klaas Bijker en Hendrik Massier. Voorste rij: Klaas Hof, Klaas Bijker, onbekend, Willem Sterken, Hendrik Bijker, Jan Bijker Jzn, Koop Bijker en Berend Jan Sterken.

konden zich de luxe veroorloven om hun zoon naar een dagschool te sturen. Daarom bleven de zoons van kleine boeren en de boerenknechten de cursussen trouw.

Bond van Oud-leerlingen in Overijssel
De leerlingen van de landbouwcursussen en later ook de landbouwscholen, blijven elkaar ook na afloop van de cursus ontmoeten en overal in het land ontstaan in de jaren twintig bonden van oud-leerlingen. In Overijssel is dat de “Bond van Oud-leerlingen in Overijssel” (BOO), met plaatselijke afdelingen. De oud-leerlingen in Nieuwleusen geven hun afdeling de weidse naam “Verdere Ontwikkeling Zij Ons Streven” (VOZOS).
In de beginjaren is het een vereniging voor (jonge) mannen die zich tot doel stellen het niveau van de landbouw omhoog te brengen. Belangrijke activiteiten door de jaren heen waren: lezingen, cursussen, excursies, het keuren van gewassen, vee- en bedrijfskeuringen. Er is veel samenwerking met het landbouw-onderwijs en directeuren van de landbouwcoöperaties en veeartsen traden op als adviseur van de vereniging. Na de Tweede Wereldoorlog gaat de aandacht geleidelijk over naar meer culturele- en sportieve evenementen.

Toewijzing
Op 20 april 1931 ontvangt de voorzitter van de “Vereeniging tot bevordering van het Land- en Tuinbouwonderwijs op Christelijken grondslag voor Zwolle en Omstreken” een telegram met de mededeling dat de Minister van Binnenlandse Zaken en Landbouw aan de vereniging een christelijke lagere landbouwschool heeft toegewezen en besloten heeft subsidie te verlenen voor de stichting ervan. Op de vraag waar de school moet worden gevestigd, blijkt dat het de bedoeling is dat de school in Dalfsen gebouwd zal worden. Hoewel een enkel bestuurslid meent dat de school voor een afdeling “Zwolle en omstreken” dan wel enigszins in een uithoek van het verenigingsgebied komt te staan, meent men dat, nu de school is toegewezen, men hierin toch moet berusten. Met algemene stemmen wordt besloten de ministeriële beschikking te aanvaarden.
Bij de keuze van de plaats zal het grote aantal leden van de vereniging in deze gemeente en daarmee het eveneens te verwachten grote aantal leerlingen hebben meegespeeld.
Op 9 mei 1931 vergadert de gemeenteraad van Dalfsen en daar klinkt o.a.: “…dat het zeer veel aanbeveling verdient op het voorstel van B. en W. in te gaan, want een dergelijke kans krijgt Dalfsen waarschijnlijk nooit weer.” Op de vraag van de heer Von Martels of het een neutrale school is zegt de voorzitter dat “de school wordt gesticht op christelijke grondslag, doch alle richtingen het onderwijs kunnen volgen”.
Tijdens de ledenvergadering op 29 mei 1931, waar wordt meegedeeld dat de Minister aan de vereniging een christelijke landbouwschool heeft toegewezen, spreekt de heer P.J. Kolijn, hoofdbestuurslid van de CBTB de gedenkwaardige woorden: “Met de hand aan de ploeg, het oog omhoog gericht, kan men de stormen des levens het hoofd bieden”.
Er volgt overleg met de inspecteur, die aangeeft dat de school bij voorkeur in de buurt van de zuivelfabriek wordt gevestigd. Er wordt grond gekocht voor de bouw van een school en directeurswoning aan de Wilhelminastraat / hoek Brethouwerstraat. De gemeente geeft de proeftuin in bruikleen aan de vereniging.
In de Dalfser courant van 18 maart 1932 wordt een advertentie geplaatst.

Advertentie
“Het Gemeentebestuur van Dalfsen en het Bestuur van de Vereeniging tot bevordering van het Land- en Tuinbouwonderwijs op Christelijken grondslag, aldaar, zijn voornemens aan te besteden, in twee percelen:
a. het bouwen van een landbouwschooltje en onderwijzerswoning op een vrij terrein, schuin tegenover de Boterfabriek;
b. de uit te voeren glas-, verf- en behangwerken enz.
Bestek en teekeningen, zoolang de voorraad strekt, bij ondergeteekende verkrijgbaar van beide perceelen, na ontvangst van ƒ 5,00, alsmede nadere inlichtingen te bekomen op 29, 30 en 31 Maart ’32. Inschrijvingsbiljetten worden ingewacht ten kantore voor of op 1 April ’32.
Fa. K.A. Hakkert, Architecten – Dedemsvaart.

Hoofd der school
Oenze Hoekstra wordt per 16 augustus 1932 benoemd als hoofd der school. Hij is geboren 14 december 1894 te Tietjerksteradeel, genoot zijn opleiding aan de Christelijke Normaallessen te Bergum (Fr.) en behaalde in 1913 zijn onderwijsakte te Leeuwarden. Hij heeft op verschillende scholen les gegeven, ook als hoofd der school, het laatst te Berlikum en behaalde de akten land- en tuinbouw en een aantekening voor pluimveeteelt.
Op 27 september 1932 geeft de hoofdopzichter van de Waterleidingmaatschappij het bestuur en hoofd der school inlichtingen over mogelijkheden van watervoorziening in school en woning. Er volgt aansluiting op het waterleidingnet, kosten ƒ 200,-, welke gelijk verdeeld worden door de vereniging en de school.
De aanleg van een schooltuin wordt aanbesteed, er is een inschrijving voor de levering van kachels en er komt een kippenhok, waarin een “schooltoom” wordt gehuisvest.

Schoolgeld en lesrooster
Er komt een schoolgeldregeling: Leerlingen van ouders met een jaarinkomen van minder dan ƒ 1.000,- zijn geen schoolgeld verschuldigd. Bij een jaarinkomen van ƒ 1.000,- tot ƒ 1.500,- is het schoolgeld ƒ 5,- per jaar. Tot ƒ 2.000,- ƒ 7,50 en boven ƒ 2.000,- ƒ 15,-.
Bij een tweede kind wordt 50% korting op het schoolgeld toegepast en voor meer dan twee kinderen uit hetzelfde gezin hoeft geen schoolgeld te worden betaald.
Op 20 augustus 1932 nemen de lessen een aanvang. Er zijn 48 leerlingen, verdeeld over twee klassen. De leerlingen kwamen van heinde en verre. Uit Dalfsen, Heino, Haerst, Wijhe, Raalte, Lemelerveld, Ommen, Nieuwleusen en Staphorst.
In mei 1933 komt er een tweede leerjaar en in 1935 een derde klas. Er zijn in dat jaar 80 leerlingen.
Het lesrooster van klas 1, met les op maandag en vrijdag, omvat: Natuurkunde, Nederlandse taal, Plantkunde, Rekenen, Aardrijkskunde, Scheikunde, Dierkunde en Geschiedenis.
Het lesrooster van klas 2, met les op woensdag omvat: Natuur- en scheikunde, Nederlandse taal, Plant- en dierkunde, Rekenen, Geschiedenis en Aardrijkskunde.
Het lesrooster van klas 3, met les op donderdag, omvat: Natuur- en scheikunde, Veeteelt, Dierkunde, Zuivel, Plantenteelt, Grondkennis.
Het lesrooster van klas 4, met les op dinsdag, omvat Bemesting, Veeteelt, Plantenteelt, Landbouwboekhouding, Bedrijfsleer.
Meester Hoekstra baseerde zich wel op de lesboeken, maar maakte zelf de dictaten. Dit waren gestencilde lesbladen die de leerlingen in een klemmap konden opbergen.
“Het landbouwonderwijs aan dagscholen stond nog in de kinderschoenen en daaruit vloeide voort, dat er geen ruime keuze was op het gebied van leerboekjes. Ik had ze natuurlijk wel, maar mijn ervaring was, dat de jongens er niet gemakkelijk uit leerden. Mijn stelregel is altijd geweest, dat het onderwijs op een behoorlijk peil moest staan. De jongens moesten iets leren waar ze later plezier van zouden kunnen beleven. Naar mijn mening stonden de boekjes dat streven in de weg. Daarom verving ik de boekjes door dictaten, die ik zelf schreef en op stencil vermenigvuldigde. In die dictaten nam ik de leerstof op, waarvan ik meende: dat hebben de jongens nodig. Ik hanteerde een stijl, die de jongens begrepen. Al gauw werkte ik voor bijna alle vakken met dictaten en ik heb er nooit spijt van gehad. Maar het bezorgde me wel veel werk en het kostte machtig veel tijd.”, aldus meester Hoekstra.
In 1935 melden zich 35 leerlingen aan. Ook die komen uit een grote regio en een aantal daarvan moet zeker een uur heen en een uur terug fietsen om de lessen te kunnen volgen. De gemeente Raalte en de gemeente Heino geven ƒ 20,- subsidie per leerling. In 1937 betaalt de gemeente Wijhe ƒ 30,-, Staphorst ƒ 10,- en Zwollerkerspel ƒ 20,-.
De gemeente Nieuwleusen betaalt over de jaren 1937 t/m 1939 jaarlijks ƒ 50,- subsidie. Over het jaar 1940 is dat ƒ 100,-.
De belangstelling voor het landbouwonderwijs groeit en in 1938 zijn er 42 aanmeldingen van nieuwe leerlingen. Dat is meer dan de school aan kan en er worden 8 leerlingen afgewezen.

Eenmansschool
Kwam bij u misschien de vraag op over andere leerkrachten? Uit het lesrooster blijkt dat meester Hoekstra (foto) niet alleen hoofd was, maar tevens onderwijzer, die in zijn eentje, verdeeld over de verschillende dagen van de week, les kon geven voor alle vakken in alle vier klassen.
Praktijklessen gaf hij in de tuin en in de boomgaard, die naast het schoolgebouw waren aangelegd. Er stonden vruchtbomen en er groeiden frambozen en kruisbessen. Hij bracht er zijn leerlingen de kunst van het snoeien bij. Het was dus van groot belang, en voor de school een groot geluk, dat meester Hoekstra een goede onderwijzer was. Uit de verhalen van oud-leerlingen blijkt steeds veel respect en waardering.
Naast het lesgeven op deze school gaf Hoekstra, in opdracht van het Departement, ook enkele uren les aan de landbouwwinterschool in Hardenberg. In 1935 mocht hij van het bestuur ook nog les geven op de huishoudschool in Dalfsen.
Opvallende punten gedurende de eerste jaren van de school: Er worden excursies gehouden naar proefvelden en een hengstenstation en er wordt een pluimveecursus gegeven. De BOO organiseert jongveekeuringen.
Meester Hoekstra deed als geneesmiddel tegen likzucht enkele druppels van een kopersulfaatoplossing op een snee roggebrood. Likzucht kwam voor bij kalveren, rundvee en schapen en ontstaat wanneer de dieren te weinig mineralen binnen krijgen. Ze gaan dan aan alle mogelijke voorwerpen likken. Dat probleem werd opgelost door de introductie van likstenen. Die bevatten keukenzout en de sporenelementen magnesium, koper, kobalt en jodium.
In 1933 regelt meester Hoekstra dat als de Chilisalpeter-Maatschappij te Rotterdam voor de leerlingen een film wil vertonen, daarvoor ook de ouders en het bestuur worden uitgenodigd.
Rond 1936 gebruiken de boeren bijna uitsluitend graanmeel voor hun koeien. Meester Hoekstra probeert de veehouders vertrouwd te maken met meel van gemengde samenstelling. Hij noemt als eenvoudig en goed mengsel, wat niet duur is, (kilo’s) 200 maïs, 200 rogge, 150 grondnoten, 150 soja met een toevoeging van 7 kg geslibd krijt, 7 kg fosforzure voederkalk en 3 ½ kg keukenzout. Voor de laatste drie bestanddelen achtte hij het nog beter het mineralenmengsel kant-en-klaar te kopen van het Centraal Bureau (verkrijgbaar bij de Landbouwverenigingen).
In 1932, toen de school geopend werd, was het instituut van de landbouwvoorlichting nog onbekend. Toch was er behoefte aan voorlichting en daarom duurde het niet lang of de boeren kwamen met hun vragen bij meester Hoekstra en het aantal vragen steeg naarmate de school in Dalfsen dieper wortel schoot.
"Door die vragen kreeg ik regelmatig te maken met bemestings-problemen. Het was in de dagen dat stikstof in dit gebied nog taboe was. De boeren gebruikten wel kali en fosfaat, maar van stikstof moesten ze niets hebben. De bepaling dat er geen stikstof mocht worden gebruikt, kwam veelvuldig voor in verhuurcontracten. Heel geleidelijk werd de weerstand overwonnen.
Ik had een goede dag als een boer tegen me zei, dat hij het toch 'es met stikstof zou proberen. Zo'n man was goud waard, want hij kon z'n buren de resultaten laten zien. Stemden de resultaten tot tevredenheid dan kwamen er meer verzoeken om 'es te komen kijken naar het gras, naar het vee of naar het aardappelveld.
Van mij werd op de duur verwacht, dat ik voor elk probleem een oplossing in de zak had. De boeren zeiden: "Je hebt meer letters gegeten dan wi'jluu". lk, die zoveel letters had gegeten, moest het naar hun mening allemaal precies weten." (Meester Hoekstra)


De leerlingen van de eindles in 1941. Op de eerste rij 3e van rechts is R. Kuiper. Op de derde rij 6e van links is B.J. Hoes. Op de bovenste rij 4e van links is H. Kreule en rechts naast hem H.J. Klomp. De overige leerlingen zijn niet afkomstig uit Nieuwleusen. (foto: H.J. Klomp)

In en na de oorlog
Als “boerenleider” Roskamp in 1941 de door de bezetter ingestelde nationaalsocialistische “Landstand” wil opzetten besluit het provinciaal bestuur de CBTB op te heffen en adviseert de leden “en bloc” te bedanken. Het bestuur blijft daarna af en toe in het geheim bijeen komen. Het onderwijs gaat wel door, maar in 1945 wordt er geen eindles gehouden omdat er in de achterliggende tijd te weinig lessen zijn gegeven; er was aan zoveel gebrek en er dreigde vaak gevaar.
In de Algemene Ledenvergadering van 23 februari 1949 wordt besloten tot opheffing van de oude afdeling “Zwolle en omstreken” van de vereniging, omdat die feitelijk niet meer bestaat, en de school over te dragen aan de provinciale CBTB in Overijssel.
Na de oorlog is er een groot gebrek aan paarden en tegelijk wordt de oppervlakte bouwland uitgebreid. Via de Marshallhulp komen er uit Amerika tractoren beschikbaar. In 1952 worden leerlingen voor het eerst tijdens de eindles ondervraagd over landbouwwerktuigen.

40-jarig jubileum
“Langzaam maar zeker groeide de belangstelling voor de school. In de beste jaren waren er honderd leerlingen. Er waren boeren met zes zoons. Ik spreek nu over de tijd toen de opleidingsmogelijkheden op het platteland gering waren. Die mogelijkheden zijn er op de duur wel gekomen. Ik kon het op de landbouwschool merken aan de achteruitgang van het aantal leerlingen."(Meester Hoekstra).
In 1953 is meester Hoekstra met ziekteverlof. Op 1 september 1953 wordt in besloten kring zijn 40-jarig onderwijsjubileum herdacht. Naast het lesgeven schonk hij ook veel aandacht aan ander werk op landbouwkundig gebied. Zo was hij jarenlang voorzitter van de provinciale CJBTO, voorzitter van de plaatselijke afdeling van de CBTB en adviserend lid van de Overijsselse CBTB, voorzitter van de Vereniging voor Bedrijfsvoorlichting voor Dalfsen en omgeving en had hij steeds een belangrijk aandeel in de organisatie van de jaarlijkse fokveedagen. Het door hem geschreven boek “Plantenteelt op zand- en dalgrond" wordt zowel door de boer als op scholen en cursussen en door studerenden voor de landbouwakte gewaardeerd om de praktische bruikbaarheid.

Uitbreiding
Per 1 september 1958 wordt H. Jansma benoemd tot tweede leerkracht, als gevolg van een andere opzet van het landbouw-onderwijs. Het jaar daarop komen er nog drie nieuwe leerkrachten bij; A. S. Lageveen, W. Vogelzang als praktijkleerkracht veeteelt, met inbegrip van melken, en L. Fernhout, als praktijkleerkracht techniek en akker- en weidebouw. De praktijklessen worden gegeven op bedrijven van ouders van leerlingen.
Met ingang van 1 september 1958 moeten de leerlingen in het eerste leerjaar 5 dagen per week naar school, in het tweede en derde leerjaar 2 dagen en in het vierde 1 dag per week.
In 1959-1960 wordt de school geheel vernieuwd en verbouwd. Het nieuwe gebouw bevat twee grote en twee kleine lokalen en is in twee verdiepingen opgetrokken. De oude tweeklassige school is als een vleugel van het nieuwe gebouw gehandhaafd en geheel gemoderniseerd. Op 30 augustus 1961 vindt de officiële opening plaats.
Waren de kosten van de bouw van de school destijds rond de ƒ 13.225,- nu is de bouw gegund aan Plegt te Langweer voor ƒ 341.277,65. Bovendien: “Teneinde te voldoen aan de eisen die het huidige onderwijs stelt, is het noodzakelijk de bouw nog uit te breiden met een melklokaal.” De kosten hiervan zijn ƒ 15.000,-. Dat lokaal wordt tegen het oude gedeelte aangebouwd.

Veranderingen in het onderwijs
Er komt een kunstkoe in een leslokaal, voor de lessen melken in de winter. Daarbij bestaat de melk uit zeepsop. Het gaat vooral om te leren hoe de handen en vingers de tepels moeten bewerken. ’s Zomers worden echte koeien gemolken in de wei op bedrijven van ouders van leerlingen.
In 1961 doen de leerlingen die opgeleid zijn volgens het nieuwe lesprogramma eindexamen. Dat is veel breder van opzet en meer afgestemd op de praktische en totale vorming. De leerlingen moeten ook een schriftelijk examen doen en in een 5-minuten speech een proeve van bekwaamheid afleggen over onderwerpen als aardappelteelt, kunstmatige inseminatie of emigratie.
Door onverwachte ziekte van de directeur, de heer Klaassen, lijkt het schooljaar 1962-1963 problemen te geven, maar dankzij het invallen van oud-directeur Hoekstra kunnen de leerlingen toch hun eindexamen afleggen.
In 1965 worden er voor het eerst streekexamens gehouden, waaraan alle lagere landbouwscholen deelnemen.
Met ingang van 1 augustus 1968 wordt de wet op het Voortgezet Onderwijs van kracht (Mammoetwet). Dat brengt ook de nodige consequenties mee voor het landbouwonderwijs.

Het einde
In 1973 gebeurt wat men 10 jaar daarvoor niet heeft kunnen voorzien: door de grote terugloop van leerlingen wordt de school opgeheven. Op 27 juni 1973 wordt het vonnis officieel voltrokken. Bestuur van de Overijsselse CBTB, Commissie van Toezicht, onderwijzend personeel, leerlingen en hun ouders zijn getuige van de opheffing van de school tijdens een bijeenkomst in de kantine van de school.
De school wordt daarna o.a. gebruikt als basisschool.
In 1996 verschijnt er een persbericht over het plan om op de grond aan de Wilhelminastraat / hoek Brethouwerstraat, waarop de vroegere landbouwschool staat, 28 appartementen te realiseren. Afbraak volgt.

Bijlage:

Leerlingen uit Nieuwleusen en Den Hulst
Het jaartal geeft aan wanneer de leerlingen hun eindles deden, ofwel diploma haalden:

1938: 
1940: 
 
1941: 
1942: 
 
1946: 
 
1947: 
 
 
1948: 
1949: 
1950: 
1951: 
 
1952: 
 
1953: 
 
1954: 
 
1955: 
 
1956: 
1957: 
1958: 
 
1959: 
 
1960: 
 
1961: 
1962: 
1963: 
1964: 
 
1965: 
1966: 
 
1972: 
1973: 

A. Visscher en H. Visscher.
J. van Ankum, H. Beltman, G.J. Boerman,
J.W. van der Veen, K. Visscher.
B.J. Hoes, H.J. Klomp, H. Kreule, R. Kuiper.
H.J. de Boer, K. van Duren, T. Huls, J.W. Huzen,
H.J. Petter, G. Westerman.
K. Groteboer, G. Huzen, H. Kuiper, K. Kuiper,
D.J. de Lange, H. Prins.
J. Bijker, J. Brouwer, B. van Dijk, J. Huzen,
J. Meijerink, Arend Kreule (hij gaat hierna naar de Middelbare Landbouwschool).
E.J. Stolte.
J. Brouwer.
J. Bruggeman, F. Kok, H. Talen, J. Visscher.
H.J. Bijker, K. Groen, G.J. Huzen, B. Ruinemans,
A. Stegeman, Joh. Westerman.
H.J. van Dijk, J. Evertsen, J. Nijlant,
H.J. Schuurman, A.J. van Spijker, W. Stolte, A. Vonder.
A. van Duren, T. van Lenthe, W. Pasman, B. Prins,
W.G. Uilen.
K. de Boer, W. van Leussen, H. Schoemaker,
G.J. Schuurman.
K. van Dorsten, H. Geerts, H. Groen, K. Kreule,
H. Uilen.
A.J. Evertsen, W. Schuurman.
H.J. van Leussen, J. van Leussen.
G. Stolte, J.E. van Leussen, A. Uilen, K. Upper,
H. Wink.
J. de Boer, D.J. Bredewold, H. Dunnink,
G. Gerrits, R. Hekman, H. Katoele, J.T. Scholten.
A.J. Bredewold, D.J. van Leusen, J. Pot,
D.J. Schuurman.
B.J. Scholten.
J.W. Seinen.
Hendrik de Boer.
M. Bijker, B. de Boer, Jac. Huzen, H.J. Kleen,
J. Luten, H. de Weerd.
Berend Hoes, Peter Kreule, Aalt Westerman.
J. Boer, R. de Boer, H. Kasper, K. Spijker,
H. Westerman.
Hendrik Hoes, Aalt Spijker, K. Vonder.
Martin Dekker.

* * *

BOTER

Met zijn gat in de boter vallen =
Boter op je hoofd hebben =
Boter aan de galg smeren =
Boter bij de vis =
Zo glad als boter =
Het boterbriefje halen =
Zij heeft de boter groot =

(onverwacht) goed terechtkomen
zelf ook schuldig zijn
tevergeefs moeite doen
betaling bij de levering
moeilijk te pakken krijgen
gaan trouwen
ze kan elk moment bevallen

* * *

REACTIES

Op het kwartaalblad van december 2015 kwamen onderstaande reacties binnen:

Matrassennaaisters

Mevrouw Van der Veen-Schoemaker reageerde op deze foto van een groepje onbekende dames in een school waarvan we als enige omschrijving “Matrassennaaisters” hadden. Er was een naam doorgegeven van de vrouw rechts op de foto, maar deze blijkt onjuist te zijn. Mevrouw Van der Veen gaf ons alle namen door. Achter de tafel zitten van links naar rechts: Hilligje Bijker (ongehuwd), Geesje Bijker-Waanders, Grietje de Groot-Ennik en Janna Schoemaker-Dekker (de moeder van mevrouw Van der Veen). Vooraan zit Rika Kouwen-Groen.
Mevrouw Van der Veen wist te vertellen dat haar moeder op een cursus voor het maken van matrassen had gezeten. Deze werd opgezet door zuster Van Buiten van Het Groene Kruis en was bedoeld om de huisvrouwen te leren hoe ze op eenvoudige wijze zelf een matras konden maken die voldeed aan de toen geldende eisen.

De boerderij van Gerrit Jan Kragt
Bij dit artikel was deze foto geplaatst. Mini Nijlant reageerde dat dit niet de boerderij was waar Kragt woonde, maar de ernaast gelegen boerderij Westerveen 33 waar nu het gezin Gert Nijlant woont. De man op de foto is C.M.H. Dekkers die in de jaren 60 chef van de afdeling financiën van de gemeente Nieuwleusen was. De foto van haar ouderlijk huis is gemaakt door Mini Nijlant, die destijds ook bij de gemeente werkte.

Jannie Oostindiën en na haar nog anderen wezen ons er op dat het echtpaar Jan Thijs van Spijker en Hendrikje Luiten ook nog dochter Wiegertje had die niet vermeld is. Deze is op onverklaarbare wijze helaas tussen “de wal en het schip geraakt”, waarvoor onze excuses.
Volledigheidshalve nemen we hieronder alle gegevens van de familie Van Spijker nog een keer op.

De familie Van Spijker
Jan Thijs van Spijker werd in Nieuwleusen geboren op 25 mei 1877 als zoon van Willem van Spijker en Hermina Schuurman. Jan Thijs was 20 jaar toen hij op 28 april 1898 in Nieuwleusen trouwde met Hendrikje Luiten. Zij werd geboren in Nieuwleusen op 4 oktober 1878 als dochter van Lucas Luiten en Hendrikje Huzen. Jan Thijs van Spijker overleed in Nieuwleusen op 22 mei 1921 en Hendrikje Luiten op 28 februari 1947, eveneens in Nieuwleusen.
Jan Thijs van Spijker en Hendrikje Luiten kregen acht kinderen, twee jongens en zes meisjes waarvan er een jong overleed.
Wilhelmina van Spijker werd geboren op 30 oktober 1898 en overleed op 25 januari 1967. Zij trouwde op 16 november 1917 in Nieuwleusen met Koop Massier, geboren in Dalfsen op 24 december 1895 en overleden op 23 september 1965.
Hendrikje van Spijker werd geboren op 19 augustus 1901 en overleed op 25 december 1971. Zij trouwde op 20 mei 1929 in Nieuwleusen met Jan Thijs Alteveer, geboren in Nieuwleusen op 23 maart 1901 en overleden op 17 oktober 1963.
Leentje van Spijker werd geboren op 11 juli 1904 en overleed op 31 juli 1906.
Leentje van Spijker werd geboren op 31 maart 1907 en overleed op 18 juni 1984. Zij trouwde in Nieuwleusen op 19 januari 1928 met Koop Kleen Scholten, geboren in Nieuwleusen op 31 oktober 1903 en overleden op 1 december 1973. (NB. Op de grafsteen staat als geboortejaar van Leentje ten onrechte ook 1903 vermeld.)
Wiegertje van Spijker werd geboren op 19 oktober 1909 en overleed op 26 augustus 1971. Ze trouwde in Nieuwleusen op 18 augustus 1932 met Evert Nijboer, geboren in Nieuwleusen op 14 mei 1908 en overleden op 28 mei 1976.
Willem van Spijker werd geboren op 10 december 1912 en overleed ongehuwd in Nieuwleusen op 3 december 1936.
Anna van Spijker werd geboren op 15 maart 1915 en overleed op 31 augustus 1995. Zij trouwde met Pouwel Bloemhof, geboren op 27 november 1916 en overleden op 15 november 2011.
Lucas van Spijker werd geboren op 13 januari 1917 en overleed ongehuwd in Zwolle op 15 december 1948. Hij woonde nog alleen met zijn herdershond op de ouderlijke boerderij, als laatste van de familie van Spijker. Zijn moeder overleed bijna twee jaar eerder dan hij.
Cacaoboterfabriek Theresia
Van Hillie Westerik kregen we een reactie op de foto van de cacaoboterfabriek “Theresia”, die op bladzijde 60 is afgedrukt. Zij wist te vertellen dat een van de lichtkoepels boven op het gebouw de tand des tijds heeft overleefd. Deze is op een onderbouw geplaatst en heeft dienst gedaan als schuurtje in de tuin van smederij Westerik bij Sluis 3. Het schuurtje staat nog steeds op die plek.

* * *

ZOEKPLAATJES

Op foto 40 van de Zoekplaatjes in het nummer van december 2015 kregen we een reactie binnen van Eefje Ooms-de Boer. Zij denkt dat deze vrouw haar tante Hendrikje Schaapman is. Hendrikje was dienstmeisje bij juffrouw Palthe. Ze was de tweede dochter van Jan Schaapman en Fennigje Schoemaker. Hendrikje Schaapman is geboren op 28 februari 1905 en overleden op 2 juli 1971. Ze trouwde met Willem Vossebelt. Het echtpaar Vossebelt-Schaapman woonde op de hoek van de Dommelerdijk en Kringsloot Oost.

Nieuwe zoekplaatjes
Net als vorige keer komen de nieuwe zoekplaatjes uit het album van juffrouw Palthe.

Foto 41: een gezin voor een onbekende boerderij.







Foto 42: een zittende vrouw met een spoormandje op schoot.




De redactie ziet uw reacties op de zoekplaatjes graag schriftelijk tegemoet, per brief of per email naar redactie@palthehof.nl.

* * *

Foto achterpagina

Omstreeks 1950 keren deze vriendinnen terug van het Oranjefeest op het terrein achter de boerderij van Gerrit Nijboer aan Den Hulst.
Vlnr: Martha Stolte, Roelie Muller, Lammie Huisman en Mini Seine.






Jaargang 34 nummer 2 juni 2016


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina

Jakob de Weerd werd op de jaarvergadering benoemd tot Lid in de Orde van Oranje-Nassau. Rechts burgemeester Peter Snijders van de gemeente Hardenberg die de versierselen opspeldde.

* * *

JAKOB DE WEERD KONINKLIJK ONDERSCHEIDEN

Gees Bartels

Tijdens de jaarvergadering op maandagavond 21 maart 2016 in de zaal van de Ontmoetingskerk legde Jakob de Weerd na 28 jaar zijn functie neer als voorzitter van de Historische Vereniging Ni’jluusn van vrogger, evenals zijn functie als beheerder en conservator van museum Palthehof. Na afloop van het zakelijk deel van de vergadering werd het afscheid gevierd met een terugblik op de hoogtepunten van de afgelopen 28 jaren, door verschillende sprekers in beeld en onder woorden gebracht, te beginnen door Jakob zelf. Daarna volgde de eerste verrassing, want:

Voor zijn inzet voor de vereniging werd Jakob Willem de Weerd benoemd tot Lid in de Orde van Oranje Nassau. Burgemeester Peter Snijders van de gemeente Hardenberg reikte Jakob de onderscheiding uit. Dat dit niet gedaan werd door de burgemeester van de gemeente Dalfsen komt omdat Jakob net binnen de grens van de gemeente Hardenberg woont. Namens onze gemeente was wethouder Maurits von Martels aanwezig bij de feestelijke gebeurtenis.
Hoewel Jakob in Oud Avereest naar de lagere school ging en in Dedemsvaart naar de MULO, was een artikel in het kwartaalblad van onze vereniging, over klompengeld voor kinderen die elke dag naar Den Hulst moesten lopen omdat ze daar naar de lagere school gingen, aanleiding voor hem om lid te worden van Ni’jluusn van vrogger.

In zijn toespraak noemde burgemeester Snijders de vele verdiensten die samen, meer dan terecht, werden erkend in de toekenning van de onderscheiding. In 1988 werd Jakob voorzitter en in de loop der jaren werd hij steeds meer ‘het gezicht’ van de vereniging. Hij heeft heel veel contacten met de plaatselijke en regionale pers, met de politiek, de bibliotheek, het onderwijs en met andere historische verenigingen


Burgemeester Peter Snijders speldt Jakob de Weerd de versierselen op behorend bij zijn benoeming tot Lid in de Orde van Oranje-Nassau.

opgebouwd. Tijdens zijn voorzitterschap had hij een duidelijke lange-termijn-visie. Door zijn inzet voor het vinden van subsidiemogelijk-heden kon in april 1998 museum Palthehof worden geopend. Daarin wist hij de collectie op een aantrekkelijke wijze, met een thematische indeling, tentoon te stellen en met een jaarlijkse thematentoonstelling het museum steeds een nieuwe dimensie te geven. Door de bevolking te betrekken bij die thematentoonstellingen met het organiseren van inbrengochtenden op Oudejaarsdag ontstond een traditie waarmee de tentoonstellingen steeds een eigen Nieuwleusense invalshoek krijgen. In het kwartaalblad komt de geschiedenis van Nieuwleusen in de volle breedte aan bod; van persoonlijke herinneringen tot het schetsen van de historische ontwikkeling van Nieuwleusen, van “woestenije tot groene woonkern”. Werkgroepen maken arbeidsintensieve projecten mogelijk, zoals de school- en groepsfoto’s aanvullen met namen, grafstenen fotograferen en onderbrengen in een databestand, evenals de overlijdensadvertenties, geboorte-, trouw- en overlijdensregisters. De zanggroep houdt de oude liedjes op haar repertoire. Tijdens de wintermaanden als het museum gesloten is voor tentoonstellingen zijn


Namens bestuur en vrijwilligers overhandigt vrijwilligster Gé Brouwer het Delftsblauwe bord met een afbeelding van museum Palthehof.

de theevisites, waarop foto’s en films worden getoond en uitwisseling van informatie plaats vindt, een traditie geworden. Activiteiten buiten het museum, zoals het aanwezig zijn op markten en beurzen, het organiseren van excursies, zomerse fietstochten en kerstwandelingen, krijgen goede respons en de organisatie om vanuit Nieuwleusen met een bus naar “Soldaat van Oranje” te reizen werd zo’n succes dat er zelfs drie keer een volle bus naar Katwijk vertrok.
“De heer De Weerd weet het museum steeds weer onder de aandacht te brengen en de belangstelling hiervoor levend te houden,” aldus burgemeester Snijders.
Na het opspelden van “het lintje” waren het bestuur en de vrijwilligers aan de beurt om hun waardering en dankbaarheid te tonen. Henk Grevelman deed dat met een verhaal, gekoppeld aan een hele reeks foto’s. De tekst kunt u hierna lezen. Daarna volgde de overhandiging van een speciaal voor deze gelegenheid ontworpen Delftsblauw bord, met achterop gememoreerd ter gelegenheid waarvan het is geproduceerd. Uit een grote doos kwam toen het “groepswerk”; een quilt van 1000 lapjes, waarmee als deken op bed of als plaid op de bank, Jakob zich ver van alle roerselen en hectiek horend bij het voorzitterschap, kan warmen in de wetenschap dat het symbolisch staat voor de 1000 leden die zich tijdens zijn voorzitterschap met de vereniging verbonden wisten. Waarderende woorden van wethouder Von Martels pasten daar goed bij en als afronding van de feestelijke bijeenkomst zong de zanggroep van onze vereniging hem toe met een gelegenheidslied met een humoristische knipoog.
Blijft als grote wens van de scheidende voorzitter dat het bestuur de uitbouw van het museum zal weten te realiseren, om daarin de hele Union-collectie te kunnen onderbrengen. Nu kan slechts een deel van de spullen uit de voormalige fietsenfabriek tentoongesteld worden. Op de bovenverdieping van het museum is een keuze gemaakt uit de fietsen, lichtbakken, foto’s en onderdelen, maar een groot deel van de verzameling staat nog op verschillende plaatsen opgeslagen. Dus even creatief zijn in het vinden van sponsoren als voor de bouw van het museum nodig was, is opnieuw de uitdaging voor het bestuur met een nieuwe voorzitter.


Een drietal leden van het eerste uur aan de borrel tijdens de afscheidsreceptie van voorzitter Jakob de Weerd. Vlnr: Ron Klijn, Grietje Kreule en Gé Hengeveld.



Zou deze ontmoeting er toe hebben bijgedragen dat zijne majesteit Jakob de Weerd heeft benoemd tot Lid in de Orde van Oranje-Nassau?


Een volle zaal met leden en genodigden luistert naar de toespraak van burgemeester Peter Snijders




Stien Bosman (links) en Grietje Kreule (rechts), leden in de Orde van Oranje-Nassau feliciteren het nieuwe lid.


Aftredend voorzitter Jakob de Weerd overhandigt de voorzittershamer aan Gees Bartels-Martens.

* * *

AFSCHEIDSTOESPRAAK

Henk Grevelman

Beste Jakob,
Ik heb de eer um oe namens het bestuur, de leden en de vrijwilligers van de Historische Vereniging bij dizze heugelijke geleegnheid te moogn toesprekn. Ie hebt in de afgeloopn joarn vake op ’n ledenvergadering of bij ’n theevisite de historie van Ni’jluusn toe-elicht an de haand van ’n fotopresentatie. Now, bij dit ofscheid en bij dizze Koninklijke Onderscheiding stiet de camera helemoal op oe ‘ericht.
Wíj begunt met oew geschiedenis en dan komme wij al snel bíj 28 joar geschiedenis van de Historische Vereniging, woar ie zo’n belangrieke rol in ‘espeuld hebt. In die geschiedenis wille wij graag oen veulzijdigheid loatn zien: ie bint van alle markten thuus en ie bint bij tal van gelegenheden het boegbeeld van de vereniging ‘ewest.
Wij geeft daorum eerst veur iederiene even een schets van de periode veur en tiedens oen veurzitterschap en gaot een beetien kriskras deur de geschiedenis van de vereniging.
E’em wat joartallen, det könne wij niet loatn bij een Historische Vereniging.
Jakob is in 1948 geboorn in Beilen. Al jong kwam hij met zien zussien en zien olders op de boerderi’je op de Kievitshaar woon’n. Jakob haalde in 1964 zien MULO-diploma en gung op 10 augustus als jongste bediende an de slag op het kantoor van de Union fietsenfabriek. Op die Union komme wij aan het slot nog e’em terugge. In de aomduren leerde hij verder. As leste gung Jakob an het wark bij een groot bedrief in Zwolle.
Ondertussen zat Jakob, al vanof 1984, in de redactie van het kwartaalblad. In 1987 overhandigde hij het 10-duuzendste exemplaar van het kwartaalblad an de toenmalige veurzitter Hendrik Schoemaker. Wi’j bint now bijna 30 joar verder en wij zoll’n now de 100.000 exemplaren wel passeerd weez’n.
In 1988 werd Jakob tot veurzitter van de Historische Vereniging ‘ekeuzen. De scheidende veurzitter overhandigde hem de veurzittershamer. In de pauze van die vergadering werd det veur de


persfoto nog eens over ’edaone. Het bestuur bestun toen uut vlnr: Jan Prins, Ron Klijn, Jakob de Weerd, Hendrik Schoemaker, Arend Kreule en Geertje Hengeveld - van Berkum. In 1998 kon museum Palthehof, noa een periode van tien joar hard warken, opend ‘eworden.
In 2004 besleut Jakob te stoppen met warken en zich nog meer te wijden an de ontwikkeling van de Historische Vereniging en an museum Palthehof. En now in 2016 nemt hij afscheid als veurzitter.
Als wij het hebt over de veulzijdigheid van Jakob dan könne wij een aantal onderwerpen bij langs goan.

De leden van de vereniging
Ieder nij lid van de vereniging werd deur Jakob met gejuich ontvangen. Biezundere leden kregen extra aandacht. Zo kreeg het 500-ste lid Klaasje Seinen-Kijk in de Vegt op 26 november 1996 een Boerderijenboekje en een taart aan’ebeuden. In 2002 werd het 750-ste lid verwelkomd: Klaas ten Klooster en Sienie ten Klooster-Rumpf, en nog weer vief joar later, in 2007, melden zich het 900-ste lid: Bennie Middelkamp. Die kwam op de foto met Jakob en met zien vrouw Marleen en dochter Lieke. In 2011 werd het 1000e lid van de vereniging ‘ehuldigd: Jan Boschman en Henny Boschman-Bosch.


De presentatie van boeken
Jakob hef in de afgelopen joaren an heel wat boeken met ’ewarkt en ok zelf ‘eschreven. Zo verscheen in 1992 het jubileumboek ter ere van het 10-joarig bestoan van de vereniging: “Boerderijen toen, en nu …” , ‘eschreevn deur Gé Hengeveld, Grietje Kreule en Jakob de Weerd. In 2006 kwam het boekien ”Zo zegge wi’j det” van Aartje Schoemaker en Aliet Tempelman uut. Jan van de Hoek overhandigde het boekien in een koektrommel an Jakob. Det verwiest weer noa de tentoonstelling van det joar: “Een blik waardig”. In 2007 was ook de opbrengst van de tweede druk veur de vereniging. Aliet Tempelman en Aartje Schoemaker overhandigden de cheque aan Jakob.
In 2007 kwam het “Fotoboek Nieuwleusen” uut, woar Jakob heel wat foto’s veur ‘escand hef. Det boek was ter ere van het 25-jarig jubileum van de vereniging Nij’luusn van vrogger. Hij presenteern dit boek an burgemeester Arend ten Oever.
In 2009 kwam er al weer een ni’j boekwerkien, namelijk “Kanaalverhalen”. Daorvan overhandigde hij het eerste exemplaar an wetholder Diny Laarman. In 2010 volgdn de “20 Vensters op de Geschiedenis van Ni’jluusn”. Wetholder Maurits von Martels namp daorvan het eerste exemplaar in ontvangst. Uut de foto’s wördt ok wel duudelijk dat Jakob het contact met de wetholders en de burgemeesters altied heel belangriek vunden hef.
En woar wij veural ook veul respect veur magt hebben, is dat Jakob al die joaren, vanof 1984 (32 joar!), een belangrieke steunpilaar ‘ewest is en nog is van het kwartaalblad!!

De pers
Jakob onderhield altied een uutstekende relatie met de pers. As er iets biezunders te melden was over het museum Palthehof of over de Historische Vereniging, dan liet hij det wel weetn en praktisch ieder artikeltien van zien haand wus de kraante wel te vinden. De presentaties van de boeken kwamen natuurlijk ok in de kraante. Mar wíj nuumt nóg wat veurbeelden van de contacten van Jakob met de pers.
In 1992, toen hij zien toespraak höld bi’j het 10-joarig bestoan van Ni’jluusn van vrogger, is de man die noast ‘m zit niet met zien mobieltien bezig en hi’j zit er ok niet deur hen te proaten; hij (Lucas Kappert) maakt opnames van de toespraak veur Radio Nieuwleusen. In 1995 was er een verloting “Help Palthehof onder de pannen” met een tentoonstelling in de bibliotheek. De toespraak die Jakob hield werd ok op’enummen veur Radio Nieuwleusen. Jeanette Mulder was de reporter.


Een biezundere foto van Jakob tussen de poppen en beren bi’j het inrichten van de tentoonstelling “Poppenlief en berenleed” is publiceerd in het tiedschrift “Overijssels Buiten”.
In de Meppeler Courant-online van 2011 is nog de foto te vinden met het 1000e lid van de vereniging.
En dan is er nog een foto met een artikel uut de Stentor van 2011 woarop Jakob de laatste hand legt aan de poesiealbums van de tentoonstelling “Lieve Woordjes en Stoere Helden”.

De markten Jakob is werkelijk van alle markten thuus. D’r ging gien markt veurbij of hij was er wel te vinden as het gezicht van de vereniging, gewoon tussen de mensen. Zo stund hij in 1984 op de noajoarsmarkt, met in klederdracht achter de kraom Gé Hengeveld, Go Dirksen en Grietje Kreule. Die kraom hef langzamerhand ok historische weerde; die is toen ‘emaakt deur timmerman Hendrik Jan Sterken. In 1985 stund Jakob in klederdracht op de veurjoarsmarkt in Ni’jluusn-noord knieperties en cassettebandjes met olde liedties te verkoopn; op de markt in 1990 staot Grietje Kreule veur de kroam en Jakob de Weerd en Geertje Hengeveld in de kraom de ni’jje verjoardagskalender an te priezen en in 2011 stund Jakob met Harm ter Wee in de kraom op de Koninginnemarkt.



Fondsenwerving, of beter ‘ezegd; geld inzameln
Jakob hef in zien bestuursperiode heel wat geld in’ezameld veur de vereniging. Ie könt ‘t niet zo gek verzinnen of hij wus t‘r wel een cheque of een bedrag veur de vereniging an over te holl’n. Wij gaot er een paar bij langs. In 1991 de overhandiging van een cheque van 210 gulden van het Fonds Zomerpostzegels under het toeziend oog van Grietje Kreule, Anneke Sierink, mevrouw Van Alphen, Alie de Boer, de heer Van Alphen, Jakob de Weerd, Ron Klijn, Gé Hengeveld en Sander de Jong.
In 1994 was de Rabobank an het Westerveen d’r nog. Doar kwam toen zelfs een geldautomaat. Burgemeester Arend ten Oever haalde onder de toeziende ogen van het publiek het eerste geld uut de geldautomaat van het kantoor en gaf dat an veurzitter Jakob de Weerd. Misschien stiet de geldautomaat binnenkort wel in ’t museum.
Als het um acties ging, bleef Jakob zölf overigens niet achter. In 1995 vierde hij zien 25-jarig jubileum bij Wehkamp. Doarbij overhandigde hij een vorstelijk cadeau an burgemeester Arend ten Oever als veurzitter van de Aanbevelingscommissie veur de bouw van een museum. Kort daorop taste Willem Stolte in zien binnenzak um het eerste lot te kopen veur de aktie “Help Palthehof onder pannen”. Det deed hij zichtbaar


met plezier! Bij de priestrekking in 1996 las burgemeester Ten Oever de prieswinnaars veur en Jakob noteerde.
In 1997 overhandigde Martin Flier tiedens een bijeenkomst in de raadzaal van de gemeente Ni’jluusn de bezittingen, woaronder ok geld, van het Comité Jeugduitwisseling Nieuwleusen-St. Albans, bestemd veur het museum Palthehof.
In 2013 draagt ook de plaatselijke middenstand bij. Arjan Bakker van Plus supermarkt overhandigde een cheque met de opbrengst van de actie (die nog steeds loopt) waarbij van elke verkochte fles “Coöperatie Ni’jluusn drank” € 0,25 voor het museum wordt gedoneerd.
Now e’em een grote stap noar het heden. Wij wilt graag oons museum verder uutbreiden. De grote waardebon veur ”Advies op Maat” is ien van de eerste stappen op de lange weg noar de uutbreiding van oons museum met een grote Union-afdeling. Die Union-collectie hebbe wij al; now het gebouw nog. Det zit nog in het vat, veurbereidend werk in uutvoering.

En woar leid’n det allemoale toe?
Op 21 oktober 1996 ging de eerste schuppe veur het museum Palthehof de grond in. De schuppen stonden al kloar, maar Jakob overlegg’n nog eem met burgemeester Arend ten Oever en hield vervolgens een toespraak.


Op 3 april 1998 was de opening en onder toeziend oog van Arend Kreule en Gosse Hoekstra dankt Jakob de aanwezigen en nodigt juffrouw Palthe uut het woord te voeren. Zij sprak de historische woorden: “een volk dat zijn geschiedenis behoudt, behoudt zijn ziel”.
D’r kwam een gevelsteen om oons de gebeurtenis te blieven herinneren.

De toekomst
De vereniging en het museum staot niet stille. De nije thematentoonstelling ‘’Met het gat in de boter” gef dit jaor een indruk van de melkveeholderij, van melken tot karnen, thuus en in de fabriek en alles wat daor um hen met zuivel van doen hef .
Wij hebt now een mooi museum met ’n grote groep vrijwilligers as gastvrouwen en gastheren, veur ’t bezoek, veur ’t onderhold en veur de inrichting en tentoonstellingen. Wij bint een grote vereniging met bijna 1000 leden, met tal van activiteiten binnen en buutn het museum, hele goeie contacten met het onderwies, een mooi kwartaalblad met bij tieden heel mooie speciale uutgaven, een aantal warkgroepen; kortum te veul om allemoal op te neumen, ledenvergadering’e met boeiende


Quilt van 1000 lapjes, symboliserend de 1000 leden van Ni’jluusn van vrogger. Vlnr: Vrijwilligster Jenni Veijer, Jakob de Weerd, bestuurslid Joke Bos en Gees Bartels, de nieuwe voorzitter.

sprekers enz. enz. En wij hebt grote plannen veur de toekomst met een unieke Union-tentoonstelling. De Union fietsenfabriek was toch de economische kurk woarop Nij’luusn lange dre’em hef.

Jakob, ie hebt in 28 joar veurzitterschap bij de opbouw van dit alles een heel grote rol ‘espeuld. As bestuur en as vrijwilligers bin wij oe doar heel erkentelijk veur en det wille wij ok graag tot uutdrukking brengen in een cadeau det deur bestuur en vrijwilligers bijeen ‘ebracht is. Jakob, namens de leden, bestuur en vrijwilligers, kortum namens oons allemoale heel erg bedankt veur oen joarenlange inzet!

* * *

BIJ MIJN AFSCHEID ALS VOORZITTER

Jakob de Weerd

Na ruim 28 jaar voorzitter van Ni’jluusn van vrogger te zijn geweest was het op 21 maart j.l. ineens afgelopen. Hoewel het al lang van te voren bekend was dat ik op de jaarvergadering zou aftreden, is het vanaf die maandagavond toch anders. Ik heb de avond in een roes beleefd. Vele warme woorden werden mij toegesproken en het werd nog eens symbolisch overgedaan door het geschenk dat ik naast het Delftsblauwe wandbord met een afbeelding van museum Palthehof, van bestuur en vrijwilligers mocht ontvangen: een lappendeken waarin 1000 lapjes (symboliserend ons ledenaantal) zijn verwerkt om mij warm te omarmen.
28 jaar heb ik dat voor de vereniging gedaan waarvan ik vond dat het moest. Helaas is niet alles bereikt wat we hadden gewild. In al die jaren heb ik heel veel tijd in de vereniging gestoken. Ik heb het altijd met plezier gedaan en ik ben er de leden dankbaar voor dat zij mij de mogelijkheid hebben gegeven om dit te doen. Om dan op de afscheidsavond al die warmte te ontvangen, dat heeft me goed gedaan en het geeft een voldaan gevoel.
Bovendien zie ik het ontvangen van een lintje als dankbare beloning voor al mijn inzet. Dat de burgemeester van Hardenberg speciaal naar NieuwIeusen komt en meedeelt “dat het zijne majesteit heeft behaagd” zegt toch wel iets. Ik ben enorm blij met mijn benoeming tot Lid in de Orde van Oranje Nassau.

Tot slot wil ik hierbij iedereen nog eens hartelijk dank zeggen voor de mooie woorden, voor de felicitaties (ook schriftelijk en telefonisch), voor de bloemen en de cadeaus die ik ter gelegenheid van mijn afscheid als voorzitter mocht ontvangen. BEDANKT!

1 april 2016

* * *

KARNHUIS VOOR HET MAKEN VAN BOTER

In het kwartaalblad van maart 1985 schrijft Th. van Spijker over de boterbereiding met gebruik van een rosmolen in een karnhuis en verwijst daarbij naar het karnhuis van de familie Zonnenberg aan het Westeinde. Inmiddels is het 20 jaar later en waarschijnlijk hebben nog maar weinig leden dit kwartaalblad in hun bezit. Daarom hebben we zijn verhaal verwerkt in dit artikel over het maken van boter.

Boter is de gekarnde room van melk. De naam is beschermd en mag alleen gebruikt worden als er tenminste 80% melkvet in zit. Daarom mag bijvoorbeeld het Amerikaanse woord peanut butter niet vertaald worden als pindaboter, maar is het bij ons pindakaas.
Margarine werd vroeger ook wel kunstboter genoemd, maar dat is ook verboden omdat het een plantaardig product is.
Melk van de koe bevat ruim 4% vet. Boter bestaat voor 80% uit vet van de melk. Daarom is er ongeveer 20 liter melk nodig om 1 kilo boter te maken.
Of er handmatig of machinaal boter wordt gemaakt, maakt voor het proces niks uit. Wij beschrijven hier de handmatige boterbereiding.

Wegzetten van de melk
De melkvetten hebben een lagere dichtheid dan het water dat in de melk zit. Als de melk enige tijd wordt weggezet op een koele plek, komen de melkvetten spontaan bovendrijven.
De melk die gekarnd moest worden werd in platte vaten gedaan en in de kelder gezet. Daar bleef ze minstens 24 uur staan. Dan was de melk voldoende verzuurd en kon het karnen beginnen. Maar ze bleef ook wel een paar dagen staan om aan te zuren. Steeds werd er weer verse melk bijgezet die dan later aan de beurt was. De aangezuurde melk werd met een emmer in de karn gedaan en dan kon het karnen beginnen.


De karnton
Het karnen van de boter gebeurde met een stamper in de stampkarn of met een zwengel die verbonden was met een draaiwerk in de karnton. De houten karnton was er in allerlei maten en variaties en werd al naar gelang de grootte bediend door mensen of honden of kleine paarden.
Door de oprichting van boerencoöperaties begin 1900 verplaatste de boterproductie zich van de boerderij naar de zuivelfabriek.
Voor huishoudelijk gebruik kwamen er later ook wel kleine glazen karnen in de handel.

Het karnen van de room
Na het afromen, waarbij het melkvet in de platte schaal van de melk werd afgeschept (of bij grote hoeveelheden, zoals in de fabriek, wordt gecentrifugeerd) werd het geconcentreerde melkvet (room) gekarnd.
Door het stampen, kloppen of schudden van de room gaan de vetdeeltjes meer aan elkaar kleven, waardoor ze nog verder geconcentreerd worden en door het scheiden van het vocht en vet ontstaat er boter en karnemelk. De karnemelk gaat door de zeef en de boter blijft achter.

Roomboter
De boter werd gekneed tot het nog resterende vocht was verwijderd en er een mooie gelijkmatige klont boter ontstond. Er werd nog wat zout aan toegevoegd voor de smaak en er werd een mooi boterstempel op gedrukt om het aantrekkelijk te maken voor het oog.

Karnemelk
De verzuurde melk die na het karnen achter blijft kun je als karnemelk direct drinken. Toch bestaat er bijna geen karnemelk meer. De karnemelk die wij in de supermarkt kopen heeft een smaak die in de verte op echte karnemelk lijkt. Het is een mengsel van melk en ondermelk die in de fabriek is aangezuurd met melkzuurbacteriën. Dat komt omdat ouderwetse karnemelk er in de fles soms niet uit zag, met onderin een waterige vloeistof en bovenin wat gele boterblubber. Als je de fles even flink schudde werd het weer een egale vloeistof, maar de melkfabrikanten meenden dat de consument de onaantrekkelijk ogende karnemelk niet meer wilde.

Karnhuis
Er zijn nog maar weinig karnhuisjes die nog dienst doen bij het maken van boter. Ze werden gebouwd om op een praktische manier een grote hoeveelheid boter te bereiden.
Aan het Westeinde 96a staat bij de familie Kiekebosch een achthoekig karnhuis in de tuin. In de balken van het karnhuis staan het jaartal 2 Juny 1885 – W = Z.B. en de initialen H.B.M. G.i Z B vermeld. Die letters verwijzen naar vroegere bewoners van de boerderij.
Het karnhuis stond oorspronkelijk dichter bij het huis, maar was al niet meer in gebruik en ontdaan van de karninrichting toen zij het huis en erf kochten. Ze besloten het karnhuis in tact te houden en meer naar achteren te verplaatsen, waar het wordt beschut door een beukenhaag.


In een karnhuis stond een karnmolen; een rosmolen, aangedreven door een ros ofwel paard. Als het paard rond de rosmolen liep, bewoog een trekboom die een horizontale as aandreef die verbonden was met een spil die de “pols” in de karnton in beweging zette.
In Hellendoorn heeft de Stichting “Oald Heldern - de Noaberschop” erve Hofman als museum ingericht en op het erf van de boerderij opnieuw een karnhuis gebouwd. Voor de herbouw


Het karnhuis aan het Westeinde.

van het karnhuis is uitgebreid onderzoek gedaan onder de oudere inwoners van het dorp, om te achterhalen hoe het er precies uit zag. Ook heeft men toen het karnhuis aan het Westeinde bezocht. Tijdens het jaarlijkse “Dagje Hellendoorn” worden er demonstraties gegeven met deze karnmolen.

De vroegere bewoners
Het huis heeft een regionale rol gespeeld in de strijd rond de scheuring binnen de Gereformeerde Kerk (later Hervormde Kerk genoemd), waarbij dominee Van Raalte een belangrijke rol speelde. Voor de Afscheiding hield men er samenkomsten en op 18 juli 1838 werd hier de Provinciale Vergadering van Overijssel gehouden waarbij de gemeenten van Zwolle, Kampen en Zalk, Deventer en Rouveen hun “afscheid” indienden en een nieuwe kerkgemeenschap vormden, die zich “De Gereformeerde Kerken onder het Kruis” noemden.
De bekendste bewoner van de boerderij is Gerrit Jan Zonnenberg (Zwollerkerspel, 4-12-1864 – Nieuwleusen, 4-3-1948).
In de Nieuwe Leidsche Courant van 11 november 1933 lezen we:
”Te Zwollerkerspel werd de landbouwer Gerrit Jan Zonnenberg uit Nieuwleusen, die zich per rijwiel naar de Zwolsche markt wou begeven, nabij het z.g. Plankenloodsje op de straatweg naar Meppel aangereden door een uit de richting Zwolle komende auto en aan het hoofd levensgevaarlijk verwond. Per ziekenauto werd hij naar de R.K. Ziekenverpleging te Zwolle vervoerd.
De heer Zonnenberg was jarenlang A.R.wethouder van Nieuwleusen en een der vooraanstaanden in Christelijk Gereformeerde kringen aldaar.”

Ook was de leiding van de brandweer in handen van wethouder Zonnenberg.
Gerrit Jan Zonnenberg was getrouwd met Janna Koezen (Dalfsen, 7-1-1867 – Nieuwleusen, 10-3-1943). Het echtpaar kreeg drie dochters, die alle drie heel oud zijn geworden:
Hendrikje
(5-11-1901 – 11-5-1990). Zij trouwde 10-6-1920 te Dalfsen met Jan Willem Roebersen.
Jantje (26-6-1904 – 11-1-2003). Zij trouwde 9-5-1935 te Zwollerkerspel met Albert Kok en met hem emigreerde ze naar Canada.
Aaltje (26-6-1904 – 14-5-1993), trouwde met Frederik Aalberts. Ze werd al vroeg weduwe. Na het overlijden van haar echtgenoot in 1934 is ze weer bij haar ouders op de boerderij gaan wonen. Van daar ging ze iedere zondag, weer of geen weer, op de fiets naar Zwolle naar de Chr. Gereformeerde kerk.
Het huis kreeg later een dubbele bewoning. De boerderij werd eerst gerund door Van de Vegte. Hendrik Jan Eikenaar (Zalk, 1918), op 14 mei 1946 met getrouwd met Dirkje Wup, nam in 1950 de boerderij over en bleef er boeren tot 1985. Hij was ook actief in de CDA-politiek en het evangelisatiewerk van de kerk. Zij kregen een zoon, Albert. In 2011 vierde het echtpaar hun 65 jarig huwelijksfeest.

Aaltje Zonnenberg en Frederik Aalberts.







Karnmolen
Th. van Spijker vertelt dat ze thuis geen karnhuis hadden, maar dat de karnmolen aan de zijkant van de deel stond. Maar de werkwijze was hetzelfde.
De karnmolen bestond uit een draaibare horizontale as, waaromheen zich aan de bovenkant een groot getand wiel bevond. Verder naar beneden was een dwarsbalk bevestigd, waaraan het paard trok.
De tanden van het grote bovenwiel haakten in een ander tandwiel dat aan een as bevestigd was die door een gat in de muur naar de karnton liep die in de “geute” (bijkeuken) stond. Daar zat aan de as een tandwiel dat weer in de tanden van het wiel greep waaraan de “pols” zat. Aan deze pols zaten in de karnton een paar “vleugels” die snel ronddraaiden en de melk karnden (pols; denk aan polsstok springen).
Als jongen van acht jaar moest hij het paard in de karnmolen aandrijven. Hij hoefde niet aldoor mee te lopen, maar moest er wel


Het karnhuis stond oorspronkelijk tegen het huis aan, links achter de boom.

bij blijven anders bleef het paard staan. Het paard moest in een regelmatige gang lopen en mocht ook niet te hard gaan, want dan brandde de boter aan. De melk wilde niet altijd even goed boteren; misschien komt daar het gezegde vandaan, “het wil niet boteren” (het wil niet lukken, het gaat niet goed).
Met het karnen was hij al gauw drie kwartier bezig, maar het verschilde per keer.
Zijn moeder wist heel precies wanneer de boter goed was. Ze gaf dan een seintje en dan mocht het paard weer naar de stal.
De pols werd uit de karnton gehaald en de boter die in grote klonters op de karnemelk dreef, werd er met een zeef afgeschept. Later op de morgen moest de boter nog langdurig gekneed worden om alle karnemelk er uit te krijgen. De boter werd in een vat bewaard en op donderdag overgeschept in tonnetjes van 30 kg. Wanneer een ton vol was, werden er met een spatel mooie figuren op gedrukt, want boter opmaken was boter verkopen.
Als er biggen waren die naar de markt konden, gingen vader en moeder met de kleedwagen naar de vrijdagse markt in Zwolle. Moeder ging naar de botermarkt en vader naar de biggenmarkt. Anders werden de boter en eieren op donderdag naar de winkel gebracht. Daar haalde voerman Jan Westerman de boter en eieren op vrijdag op en nam ze mee naar Zwolle. Vader ging dan op de fiets naar de markt voor het verkopen. (Deze Westerman is de overgrootvader van de gebroeders Westerman die het vrachtwagenbedrijf groot maakten.)
De boterkooplieden namen met een boor een monster uit de boter en na ruiken en proeven noemden ze de prijs waarvoor ze de boter wilden kopen. Dan volgde het gepingel om de prijs, want daar kon een groot verschil in zitten. De een maakte een betere prijs dan de ander, al naar gelang de kwaliteit van de boter en de handelsgeest van de verkoper.

* * *

RECTIFICATIE

Bij de namen op de groepsfoto van het kwartaalblad van maart 2016 ontbrak die van onze vrijwilligster Jannie Kouwen. Zij staat achteraan tussen Gé Brouwer en Gees Bartels.
haar naam is in de lijst tussengevoegd

* * *

’s OCHTENDS HAALDE IK BIJ DE BOERIN DE MELK

Koos Geerds

(uit: Staphorst. Amsterdam, De Arbeiderspers, 1998)

‘s Ochtends haalde ik bij de boerin de melk.
Soms zaten ze nog aan het maal;
in de warme lucht van beesten
luisterde ik aan de deur
of de boer al op verhoogde toon
de Bijbel las of het gebed opzei.

Ik wist wel hoe ze zaten: aandachtig vroom,
de vrouw de handen in de schoot,
de boer achter de pet gebogen;
zo zochten zij voor dagelijks werk en brood
Gods aangezicht in hemelse gewesten
en smeekten om Zijn zegen op de vrucht
aarde en der lendenen.

Zo baden zij. En in de stal,
waar alles op het amen wachtte,
zuchtten de beesten mee.

* * *

EEN BIJNA DEAL

Tijdens de inbrengochtend op oudejaarsdag voor de tentoonstelling “Met het gat in de boter” kwam J. van Duren uit Balkbrug met een aantal briefkaarten, verstuurd naar de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek “Onderling Belang”. Dat was een verrassende inbreng die laat zien dat de fabriek aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog haar best deed een groter afzetgebied voor boter te vinden; zelfs tot over de grens. Omdat het moeilijk is de tekst van de briefkaarten in de tentoonstelling in z’n geheel te lezen, geven we hier, in vertaling, de inhoud van de correspondentie weer.

Van: Paul Rothstein, “Butterimport Düsseldorf”
Aan: Coöp. Stoomzuivelfabr. “Onderling Belang” Nieuw-Leusen, Holland.

27 december 1913: U deed mij telegrafisch een aanbod van 600 pond voor 128 Pfg en ik verzoek u mij de hoeveelheid tot dinsdag vast te houden. Maandag spreek ik Bender en het is mogelijk dat deze klant die levering neemt. Hoogachtend, Paul Rothstein.

6 januari 1914: Uw telegram, waarin u mij 600 pond aanbood tegen 129 Pfg, heb ik ontvangen, en deel u hierbij mee dat ik mijn best zal doen voor de order, maar het zal mij onmogelijk zijn deze prijs te behalen, want de Duitse zuivelfabrieken bieden veel goedkoper aan. Eventueel ontvangt u alsnog de uitslag. Hoogachtend, Paul Rothstein.

6 maart 1914: De klanten vonden deze week de prijs te hoog, en hebben daarom dezelfde Duitse goederen gekocht. Ik verzoek u nu mij voor morgenmiddag de alleruiterste prijs voor een grotere levering mee te delen. Bender zei vandaag tegen mij, dat als de prijs gunstig zou zijn, u op een grotere opdracht zou kunnen rekenen.
Hoogachtend, Paul Rothstein.

11 maart 1914: Voor de mij aangeboden 10/3 voor 124 Pfg wil ik mijn best blijven doen om de levering te behouden, maar ik kan u nu al zeggen, dat 124 Pfg niet zal lukken, want vandaag wordt er al voor 120 Pfg aangeboden en de prijzen gaan ook nog verder naar beneden. Als ik dus nog een aanbod van u kan krijgen, ontvangt u de uitslag.
Met potlood aangevuld met: Waarom hebt u op maandag geen offerte gestuurd, toen had ik waarschijnlijk in Heerdt kunnen verkopen. Nu willen de klanten de nieuwe prijs afwachten.
Hoogachtend, Paul Rothstein.

14 maart 1914: Uw aanbod, waarbij u mij 10/3 voor 121 Pfg voorstelt, heb ik ontvangen, en geef u hierbij ook weer als antwoord dat ik maandag Heerdt bezoek en denk u van daaruit de opdracht te kunnen geven. De prijs, vastgesteld op 121 Pfg zal ik wel niet kunnen halen, want vandaag zijn er verschillende offertes tegen 118 & 119 Pfg netto. Ik zal zien wat er te bereiken is en laat u zo mogelijk de uitslag horen.
Hoogachtend, Paul Rothstein.

Er was ook een Postkarte van:
W. Sonntag, Natur Butter – und – Eier Import-Agenturen,
Elberfeld.
Aan: Coöp Stoomzuivelfabriek: “Onderling Belang”.
Nieuwleusen b/Zwolle (Ov.) Holland

Ellerfeld, 25/3.1914: In beleefd antwoord op uw kaart van 23 jongsleden ben ik niet ongenegen met u een zakelijke verbintenis aan te gaan. Ik heb een prima handel in droge waren en aroma’s waarvoor ik goede prijzen behaal. Als referentie kan ik hierbij de volgende firma’s noemen: Coöp. Stoomzuivelfabriek “Juliana”, Achterveld b/Amersfoort. Coöp. Landbouwersbank, Barneveld. H.H. Vinkenburg, Herzogenbusch. J.A. Colenbrander, Varsseveld. Auskunftei, “W. Schimmelpfeng, Eberfeld. Auskunftei”, Stommel, Eberfeld. H. Klitgaard & Co, Copenhagen (importeur van Siberische boter). Enz. enz. Ik hoop, dat u vooreerst genoegen neemt met genoemde referenties, en hoop dat onze zakelijke verbintenis een aangename en duurzame zal zijn. Uw verdere berichten gaarne tegemoet ziend, teken ik intussen, hoogachtend, W. Sonntag

* * *

DIDERIK

Klazien Bijker-van Hulst

Overmurreng koom ik lûs. Maar îen dink blief ik mi'j ofvroagen: wanneer dut een mense het eindelijk goed in zien lêven! Want det ik hier nou in de bak zitte, he'k te danken an Diderik. Maar verdiend? Wacht maar, za'k oe alles vertellen.

"En nou, kom op met oen geld", kommanderende. "En graag een betien gauw."
"Jjjjj ... ja gossemenikkie, maar ik dache ... "
Hoastig scheut ik in mien ochtendjasse, linkerarm in rechterarmsgat noatuurlijk!
"Niet denken zus, ópschieten, geld en cheques!"
Bats, met een klap kwaamp het broene gereedschapstassien noast de hoarkrulset op het toafeltien te stoan.
Gedempt gerinkel...
Wat trillerig tellen ik hem achttien briefies van duzend uut: "Vieve, zesse, achte ... twaalf ... "
"'t Mieste is der al", zei e wat groaperig bi'j de zeumtiende.

Met zien haanden, opvallend fien veur een inbreker, bekeek e ze iene veur iene, voalen ze in mekare en wol ze opbargen.
Maar dan bleef zien haand in de binnenzak rusten.
"Zo lek as een maantien ... eu ... ie hebt vaste wel een noalde?"
Ik vleuge al. "De nijdeuze!"
Het donkergrieze jassien glump en stunk en stund stief van de smerigheid. De noalde piepen der muuizaam deurhen, asof 't leer was.
"Det goaren kleurt er ok niet arg bi'j", wees e mi'j terechte.
Vut maar, 't was al kloar. Gewoontegetrouw beet ik de droad of.
Arrejaksem ... zoltig ... visachtig, wat een smaak!
Bah ... gauw een slok water.
Intied zag ik det mien "gaste" - zeg maar Diderik - met een vies gezichte mien spi'je van zien jassien vegen en zien geld netties opbargen.

"Enne ... vreug ie ok niet um cheques?"
"Goed ontheulen", prees e vriendelijk. En der was iets in zien stem van: hummm, det giet lakker zo. "En nou de cheques!"
En nou de cheques ... och lieve tied, ak die dingen nou maar zo gauw vienden konne ...
Linkerlagien ... rechterlagien ... rechterdéurtien ... how ies, ha, gelukkig.
"Zak ze misschien eem veur oe ondertekenen?" beud ik opgelucht an.
Zonder wat te zeggen scheuf e ze over de toafel terugge.
De arms over mekare gunk e der bi'j stoan wachten as bi'j een kiend det zien bosschop op 't pottien mut doen.

"Zo, nou krie'j doar ok gien gesnotter met." Voldoan lei ik de penne weg. Diderik halen zien halve brillegien teveurschien, kontroleren het nummer en bûrg cheques en pas bi'j het geld in de binnenzak.
"Mooi haandschrift he'j", vund e.
Wi'j wel geleuven, ik begunnen der zelf een betien schik an te kriegen.
"Dizze Chinese vase dan?" proberen ik. "'t Is een héél old femiliestuk ... maar hi'j is nog puntgaaf. Kiek zelf maar!"
"Niks weerd, niks weerd zo'n vase ... Ien keer loaten vallen en ... kapoet!"
Achteloos leut e het antieke stuk hen en weer den langs 't raantien van de schustien daansen, dan eêm uut de haanden glippen um hem net op tied ok nog weer op te vangen.
"Waa'j bange?" zei e teeng mi'j. "'t Giet net as met Diderik, altied langs 't raantien en nooit der of!"
"Hi'j is een kaptoal weerd", proberen ik nog ies. "Murreng zo'j spiet kunnen kriegen ... Maar afijn, zelf weten!"

Wacht ies eem .... Onder een glazen pot met golden tienties halen ik een roesterige sleutel teveurschien. En met Diderik in mien kielzog gunk het richting gebeugen kammenettien.
Och heden, hoewel de sleutel wel passen zat de boel muurvaste.
Diderik wus road: "Een betien eulie." Met gestotter en geknarp weken de verzakte deurties van mekare ... een scharpe kamferlucht kwaamp oes inteeng. Achter een stapel gebeduurde linnen lakens halen ik een liesien teveurschien. Niks gien bezunders, zo op 't oge. Maar as de bliksem greep Diderik mij het diggien uut haanden.

"Ddd ... dit liekt wel... maar dit is ... "
Ik nikkoppen. "Van mien gropva zien Vincent-ome", proberen ik zo ienvoudig meugelijk te zeggen. "Die is uut Vincent-ome zien Drentse periode dus!"
"Ja zeker ... de Turfsteeksters ... "
Ik rekken hem de loepe an. Nog ies bekeke het kleinood.
"Och och, det ik dét nog in mien karjêre teeng mag komen."
Wi'j wel geleuven, ik krege de troanen in de ogen toen ak zage hoe hij die kromgewarkte vrouluu an zien burst drukken.
"Wacht maar, za'k hem effen veur oe inpakken", beud ik hem an.
"Ofblieven, mense" , snauwende opiens. "En koomt niet te kurt bi’j mi want ie hebt dunkt mi'j siepels eten."

Zol Diderik misschien wat durst ekregen hebben? Hij was iniens zo kittelig. Veurzichtig vreug ik of e misschien wat van mi'j wol drinken.
Hij nikkoppen hoaste onmarkbaar. He gelukkig!
"Hier, a'j wilt, kiek zelf maar. Der stiet van alles."
Met een kanjer van een zaklanteren dalende de stienen tregies van de wienkelder of.
Mooi zo, kon ik intied eem mien taanden poetsen. Veur de siepellucht.
Det Diderik zowel veur siepels as veur wien een goeie neuze had was mi'j al gauw dudelijk. Hij kwaamp nor boöm zetten met een dreuge Borgonje uut 1904. De flesse zat in een jutezakkien met het lotien der nog an!
"Hier" ... Ik gaf hem de kurkentrekker an. Eerlijk gezegd vun ik wel det Diderik wat eerbiediger umme mog goan met zoiets as olde wien. Hi'j roppen het zakkien der of as of 't een buul met druppies was, de kurke die niet zo gauw mee wol, wurden der weer half inedrukt, maar een mense kan ok niet overal over zeuren. Het deed mi'j goed det het hem smeuk!
"Een juweeltien, een juweeltien." Hi'j klokken het kostbare goedien achterover as tweedraank. Bi'j het viefde glas was e zelfs zo royaal um mi'j uut te neugen der ók iene te nemen. "De kurke is toch al verspocht."
Zoveule gulligheid ... ik heb der dankbaar gebruuk van emaakt!

Det Diderik hem hoe langer hoe meer thuus begunnen te vulen was te marken. Noadet e ies uutgebreid nor 't huusien ewest was, zakkende mi'j in de grote stoel in sloap!
Wacht ies ... ja, 't kón nou nog eëm. Sssttt, veurzichtig leuk de pot met golden tienties leeg glieden in zien zak. Ziezo!
"'t Zal we'js weer gebeuren mutten", schruk e wakker. "'t Is zo weer licht en dan wee'j 't wel."

Met beide arms vol - op 't leste had e toch nog de vase epakt, plus het Haagse klokkien, plus twee boardmanskrukies - met beide arms vol dus, kommanderende: "Doe mi'j de deure ies lûs."
Hi'j bekeek de deurpost, zetten zien brede rugge der teeng en begun hem te scheuken, te scheuken ... het spul rinkeln hem in de haanden.
"Det iene plekkien ... ik kan der hoaste niet bi'j komen. Toe, he'j gien pannekoekenmes of zo?"
"Tja, pannekoeken bák ik nooit. Een vleisvurke dan?" stellen ik veurzichtig veur.
"Hè ja, jong", zei e al bi'j veurbaat genietend. "Lakker."
Wi'j wel geleuven, ik kon hem heuren spinnen toe'k hem der mee bi'j 't goed in gunge!"
"Pas op veur 't stoepien", waarschouwen ik toen e met de kinne op zien spullen nor buten wol. Temensen, det dácht ik, maar wéér bleef e stoan. Hij sneuf een paar keer in de lucht en bleef maar strak nor ien punt kieken, de mond een betien lûs.
Toch weer mien siepellucht? Of had e nou nog iets met de buten- laampe ...
Niet mooi, en ok gien antiek!
Maar dán iniens ... as een ontploffing ... HATSJIE!!!
De sputters vleugen meters in 't ronde ... maar wat arger was, ok de vase, het klokkien, de krukies, Vincent-ome!
En opgeruumd kulen der ok nog twee golden tienties de stoepe of.

Arme, árme Diderik, och wat sneu nou. En hi'j kon 't helemoal niet helpen.
"Gef niks", proberen ik hem wat onhandig te troosten. "Die rommel ruum ik wel op, en misschien is 't ok wel verzekerd."
"Doar heur ik dan nog van", snauwende en metiene porkende nog gauw de turfsteeksters achter de schoren vandoan! Hi'j zwaaien der een keer met en foetsie was e.

Zo, det was ok weer an de kaante. Met een voldoan gevuul leu'k de scharven van het stofblik in de vuilniszak glieden, en ik stellen mi'j al veur hoe 't gesprek tommee zo'n betien zol verlopen. Wat zóllen ze schik hebben!
Ome Joapik: "Zo deerne, goed opepast in oeze vekaansie?"
Tante Hillegien: "Nog wat gebeurd meid? Alles goed?"
Meestal is het dan: "Niks gien bezunders beleefd", maar dit keer: Haha ... wat zult ze opkieken!

Valsheid in geschrifte is mi'j ondermeer ten laste elegd.
Anklacht van Diderik: Mien name op de cheques, bi'j oom Joapik zien passien. En hij had er niks mee begunnen kunnen. Ik had het kunnen weten!
Maar murreng, nee óvermurreng koom ik lûs.

(Overgenomen uit “Is ’t noe dat ’t pas begint? Verhalen in het dialekt voor jonge en oudere kinderen.” Een uitgave van de IJsselakademie, Kampen, 1989.)

* * *

BESTUURSWISSELINGEN

Tijdens de jaarvergadering op 21 maart 2016 was er nog een bestuurswisseling. Arnald van der Kolk werd als bestuurslid benoemd. Hij neemt de plaats in van Theo Post die in 2013 in het bestuur kwam en secretaris werd. Ruim twee jaar later heeft hij moeten constateren dat door de toename van werkzaamheden er onvoldoende tijd overbleef voor zijn bestuursfunctie. Jammer, maar zo gaat dat helaas in het leven. We danken Theo hartelijk voor zijn inzet voor de vereniging.
In verband met de vele taken die na het afscheid van Jakob de Weerd door het bestuur moeten worden overgenomen wordt de functie van secretaris nu ingevuld door Joke Bos-van der Gaag met als 2e secretaris Henk Grevelman.

In december is de toen bestaande vacature in het bestuur ingevuld door de benoeming van Gerrit Lubbers. Gerrit beschikt over de nodige bestuurlijke ervaring en is dus al weer een paar maanden actief.

In de ledenvergadering van maart is Gees Bartels-Martens benoemd tot nieuwe voorzitter. Ze is een vertrouwd gezicht binnen de vereniging; lid vanaf de oprichting en gastvrouw tijdens de openstelling van het museum en al vele jaren redactielid van ons kwartaalblad.
Met dit “jonge” bestuur, Jan Huzen en Joke Bos zijn in 2013 in het bestuur gekomen en Egbert Beltman en Henk Grevelman in 2014, is het prettig om terug te kunnen vallen op een collega-bestuurslid die de ontwikkeling en groei van de vereniging in de loop der jaren van dichtbij heeft meegemaakt.


Het bestuur tijdens de jaarvergadering van 21 maart. Vlnr: Jan Huzen, Gerrit Lubbers, Henk Grevelman, Theo Post, Jakob de Weerd, Egbert Beltman en Joke Bos.


Fotoverantwoording: De in dit nummer opgenomen foto’s van 21 maart zijn gemaakt door Anne-Jan Haak, Marcel van Saltbommel en Tineke Boessenkool. De foto linksboven op pagina 45 en op pagina 56 zijn uit een privé-archief.

* * *

Foto achterpagina

Quilt, symboliserend 1000 leden






Jaargang 34 nummer 3 september 2016


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina:

Hoewel verbouwd zijn de school en het meesterhuis aan het Oosteinde nog goed te herkennen. Rechts naast de school staat de ook flink verbouwde woning waar Jan Albert Vorschezang en Femmigje Kouwen na hun trouwen gingen wonen.

* * *

MEESTER KAPENGA

Sikko Kapenga was van 1 augustus 1918 tot 1 mei 1933 hoofd van de openbare lagere school aan het Oosteinde (school A). Hij is twee keer getrouwd. Hij trouwde eerst, in België, met Roos Crets, die daar omstreeks 1884 geboren is in Oud Turnhout. Zij overleed op 44 jarige leeftijd in Zwolle op 10 mei 1928. Het tweede huwelijk werd al vrij snel daarna gesloten en wel op 21 december 1928 in Den Haag met Maria Nell. Zij was weduwe in Zwolle en omstreeks 1871 in Wassenaar geboren. Ze overleed op 29juni 1947 in Almelo.
Sikko Kapenga werd geboren op 17 november 1867 en overleed op 20 september 1938. In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 24 september verscheen onder de kop Nieuwleusen het navolgende in memoriam.


Sikko Kapenga en Roos Kapenga-Crets achter hun wonlng aan het Oosteinde.

Sikko Kapenga te Brussel overleden
Op 20 dezer is te Brussel plotseling overleden de heer Sikko Kapenga, oud hoofd der openbare lagere school A, alhier. De heer Kapenga, geboren te Meppe|17 Nov. 1867, verwierf in 1889 de akte van onderwijzer en spoedig daarop de hoofdakte, akte Fransch en wiskunde L.O. Van 1887 - '88 was hij onderwijzer te Nijensleek (Vledder), van 1888 — '91 onderwijzer aan school C te Deventer. Toen zei hij het onderwijs vaarwel en begaf zich naar België, waar hij gedurende 23 jaar te Antwerpen en Brussel in zaken werkzaam was. Daar huwde hij ook. Toen in 1914 de wereldoorlog uitbrak en België door de Duitschers was bezet, werd de heer Kapenga door den Duitschen gouverneur Von Bissing over de Nederlandsche grens gezet, na eerst eenige dagen opgesloten te zijn geweest. In Nederland wist hij alweer spoedig bij het onderwijs te komen, eerst te Nijehaske (Heerenveen) en van 1915 tot '18 als hoofd aan de O.L. school aan den Zeedijk te Blankenham. Daarna kwam hij als hoofd aan school A te Nieuwleusen.
De heer Kapenga heeft zeer veel voor het onderwijs gedaan. Hij was in onze gemeente algemeen gezien; zoowel de ouders als kinderen hielden van hem. Practisch van aard wist hij in zijn school heel wat te bereiken. In de oorlogsjaren, toen in 1918 een stroom van Fransche vluchtelingen ook onze gemeente binnenkwam en ondergebracht was voor 't grootste gedeelte in school A, heeft hij zich zeer verdienstelijk gemaakt, mede door zijn groote kennis van de Fransche taal.
Goedhartig als hij was, heeft hij toen met zijn echtgenoote heel veel voor de vluchtelingen gedaan.

Sikko Kapenga met zijn tweede vrouw Maria Kapenga- Nell en haar dochter Alida Magdalena Zieren voor de onderwijzers woning aan het Oosteinde.


Ook in de christelijke school A aan het Westeinde waren in 1918 vluchtelingen uit noord Frankrijk ondergebracht. Zittend vlnr meester Jan Willem Pieter Valk, burg. Johannes Philippus Backx, mevrouw Backx en Gerrit Jan Zonnenberg.

Op 1 Mei 1933 is de heer Kapenga met pensioen gegaan; bij zijn afscheid is hij op ondubbelzinnige wijze gehuldigd, zoowel van de zijde van het gemeentebestuur als van ouders, kinderen en personeel. Fraaie cadeaux zijn hem toen aangeboden - men heeft toen getoond hoe dankbaar men meester Kapenga was voor al hetgeen hij - in de eerste plaats voor zijn school, maar ook op velerlei ander gebied in de gemeente deed. De laatste jaren woonde hij te Brussel; zijn stoffelijk overschot is daar heden ter aarde besteld.

Hennie en Margje Massier zaten op de school aan het Oosteinde. Op een morgen zei Hennie tegen haar zusje: “Als meester Kapenga je Wat vraagt, zeg dan: Ja."
Even voor negen uur zei Hennie tegen meester Kapenga: “U moet direct bij mijn vader komen.” (deze zat in het schooibestuur). Ter controle vroeg Kapenga het aan Margje en die zei: "Ja."
Daarop spoedde meester Kapenga zich direct naar Massier: “Was u mij nodig?”
Massier antwoorde: “Meester, heeft u vanmorgen nog niet op de kalender gekeken? Het is 1 april."

* * *

EEN BIJNA DEAL

Tijdens de inbrengochtend op oudejaarsdag voor de tentoonstelling "Met het gat in de boter” kwam J. van Duren uit Balkbrug met een aantal briefkaarten, verstuurd naar de Coöperatieve Stoomzuivelfabriek “Onderling Belang". Dat was een verrassende inbreng die laat zien dat de fabriek aan de vooravond van de Eerste Wereldoorlog haar best deed een groter afzetgebied voor boter te vinden; zelfs tot over de grens. We geven de tekst van de briefkaarten hieronder weer, deels in vertaling.

Van: Paul Rothstein, “Butterimport Düsseldorf"
Aan: Coop. Stoomzuivelfabr. “Onderling Belang” Nieuw-Leusen, Holland.

27 december 1913
U deed mij telegrafisch een aanbod van 600 pond voor 128 Pfg en ik verzoek u mij de hoeveelheid tot dinsdag vast te houden. Maandag spreek ik Bender en het is mogelijk dat deze klant die levering neemt.
Hoogachtend, Paul Rothstein.

6 januari 1914
Uw telegram, waarin u mij 600 pond aanbood tegen 129 Pfg, heb ik ontvangen, en deel u hierbij mee dat ik mijn best zal doen voor de order, maar het zal mij onmogelijk zijn deze prijs te behalen, want de Duitse zuivelfabrieken bieden veel goedkoper aan. Eventueel ontvangt u alsnog de uitslag.
Hoogachtend, Paul Rothstein.

6 maart 1914
De klanten vonden deze week de prijs te hoog, en hebben daarom dezelfde Duitse goederen gekocht. lk verzoek u nu mij voor morgenmiddag de alleruiterste prijs voor een grotere levering mee te delen. Bender zei vandaag tegen mij, dat als de prijs gunstig zou zijn, u op een grotere opdracht zou kunnen rekenen.
Hoogachtend, Paul Rothstein.









11 maart 1914
Voor de mij aangeboden 10/3 voor 124 Pfg wil ik mijn best blijven doen om de levering te behouden, maar ik kan u nu al zeggen, dat 124 Pfg niet zal lukken, want vandaag wordt er al voor 120 Pfg aangeboden en de prijzen gaan ook nog verder naar beneden. Als ik dus nog een aanbod van u kan krijgen, ontvangt u de uitslag.
Met potlood aangevuld met: Waarom hebt u op maandag geen offerte gestuurd, toen had ik waarschijnlijk in Heerdt kunnen verkopen. Nu willen de klanten de nieuwe prijs afwachten.
Hoogachtend, Paul Rothstein.

14 maart 1914
Uw aanbod, waarbij u mij 10/3 voor 121 Pfg voorstelt, heb ik ontvangen, en geef u hierbij ook weer als antwoord dat ik maandag Heerdt bezoek en denk u van daaruit de opdracht te kunnen geven. De prijs, vastgesteld op 121 Pfg zal ik wel niet kunnen halen, want vandaag zijn er verschillende offertes tegen 118 & 119 Pfg netto. lk zal zien wat er te bereiken is en laat u zo mogelijk de uitslag horen.
Hoogachtend, Paul Rothstein.

Bovendien was er een Postkarte van:
W. Sonntag, Natur Butter - und - Eier Import-Agenturen,
Elberfeld.
Aan: Coöp Stoomzuivelfabriek: “Onderling Belang”.
Nieuwleusen b/Zwolle (Ov.) Holland

Elberfeld, 25/3.1914
In beleefd antwoord op uw kaart van 23 jongsleden ben ik niet ongenegen met u een zakelijke verbintenis aan te gaan. lk heb een prima handel in droge waren en aroma's waarvoor ik goede prijzen behaal. Als referentie kan ik hierbij de volgende firma’s noemen: Coöp. Stoomzuivelfabriek "Juliana", Achterveld b/Amersfoort. Coöp. Landbouwersbank, Barneveld. H.H. Vinkenburg, Herzogenbusch. J.A. Colenbrander, Varsseveld. Auskunftei, W. Schimmelpfeng, Elberfeld. Auskunftei, Stommel, Elberfeld. H. Klitgaard & Co, Copenhagen (importeur van Siberische boter). Enz. enz. Ik hoop, dat u vooreerst genoegen neemt met genoemde referenties, en hoop dat onze zakelijke verbintenis een aangename en duurzame zal zijn. Uw verdere berichten gaarne tegemoet ziend, teken ik intussen,
hoogachtend, W. Sonntag

En dan een briefkaart die Laat zien hoe zuinig men met geld omging. Bij aanschaf van nieuwe machines werd altijd geprobeerd een coöperatie in opkomst te vinden die minder te besteden had en genoegen nam met een tweedehands machine.

B. Westerhof - Stoomzuivelfabriek - Noorddeurningen
Aan den Weledelen Heer J. Nisjes
Directeur Coöp Stoomzuivelfabr. "Onderling Belang”,
Nieuw Leuzen bij Zwolle.

Noorddeurningen, 23 April '14.
Aan Den Heer J. Nisjes.
Directeur Coöp Stoomzuivelfabr. “Onderling Belang” te Nieuw Leuzen. M. Wanneer krijgen wij de Karnkneder? Hebt U de nieuwe nog niet in ‘t gebruik? Wij beginnen er naar te verlangen, daar de productie elken dag toeneemt. Gaarne spoedige zending tegemoet ziende teekent, groetend, A. Buisman.

* * *

JAN ALBERT VORSCHEZANG,
EEN WEESKIND EN ZIJN NAZATEN

Anja Hogeboom-Spijkerman1

De naam Voschezang wordt op verschillende wijzen geschreven: Vorsgezang, Vosgezang, Vorschgezang, Voschgezang en Vorschezang. De naam komt van oudsher voornamelijk voor in de omgeving van Almelo maar is ook terug te vinden in Nieuw- Zeeland. Door een triest verloop van één jong leven is de naam Voschezang voor altijd met Nieuwleusen verbonden geraakt.

We beginnen deze familiegeschiedenis in Veenhuizen. Daar is Mannes Vorschezang (geb. 10 juli 1797, gedoopt 23 juli te Rijssen) na de geboorte van zijn jongste kind, omstreeks 1840 na enige omzwervingen met zijn gezin komen wonen. Vader Mannes verdient de kost als kolonist en moeder Harmina Borkent (in de overlijdensacte van Mannes vermeld als Van Enst) zorgt voor het gezin. Samen proberen ze het hoofd boven water te houden.
Hoewel er geen foto van Mannes is, kunnen we ons dankzij het Certificaat van de Nationale Militie, dat als een van de bijlagen bij de huwelijksacte zit, toch voorstellen hoe hij er uitzag. Mannes is lang 1 el 685 str., heeft een ovaal gezicht, hoog voorhoofd, bruine ogen, ordinaire (= gewone) neus, kleine mond, ronde kin en bruin haar en wenkbrauwen. Als merkbare tekenen is vermeld dat hij een hazenlip heeft. Bij zijn huwelijk op 8 oktober 1827 te Holten is zijn beroep boerenknecht en woont hij onder Bathmen.
Het arbeidersgezin is erg arm, het leven is zwaar en drie van de zes kinderen hebben niet of nauwelijks het levenslicht mogen zien. Op 5 september 1847 overlijdt Mannes Vorschezang in Veenhuizen.


1 Met dank aan mijn oom Klaas Voschezang en mijn moeder Hendrikje Spijkerman-Voschezang (in liefdevolle herinnering) voor de vele uren van familieverhalen waarvan nog vele bladzijden met meer gedetailleerde verhalen beschreven kunnen worden.



Boven: Gedeelte uit het doopregister van Rijssen met de inschrijving van de doop van Harmina Borkent.
Onder: Overlijdensakte van Mannes Vorsgezang.

In het jaar eenduizendachthonderdzevenenveertig den zesden September verschenen voor ons Meester Lucas Homan, Burgemeester Ambtenaar van den Burgerlijkenstand der gemeente Norg, provincie Drenthe, Noach Scheffenaar, oud zevenendertig jaar en Henrikus Schwartz, oud zesentwintig jaar, beide zaalopzichter en woonachtig aan het derde gesticht te Veenhuizen, gemeente Norg, geen bloed- of aanverwanten van den overledene, welke ons hebben verklaard dat Mannes Vorsgezang, geboren te Elsen provincie Overijssel in het jaar zeventienhonderdzevenennegentig zijnde maand en datum van geboorte onbekend, oud vijf of zesenvijftig jaar, kolonist, laatst woonachtig te Assen, provincie Drenthe, echtgenoot van Hermina van Enst, van beroep en woonplaats onbekend, zoon van wijlen Hendrik Vorsgezang, zijnde naam van de moeder alsmede beroep onbekend doch woonachtig te Elsen gemeld, is overleden aan het derde gesticht te Veenhuizen, gemeente Norg, op Zaterdag den vijfden dezer maand, des morgens te vijf uur. En hebben de declaranten deze acte na behoorlijke voorlezing nevens ons Ambtenaar ondertekend.
De Ambtenaar voornoemd,

Zoals in de hiervoor staande overlijdensakte is te lezen staat als beroep “kolonist" vermeld.

In de eerste helft van de negentiende eeuw heerst er grote armoede in Nederland. Veel mensen hebben geen werk. Ze moeten bedelen of stelen om aan eten te komen. Johannes van den Bosch bedenkt een oplossing. In 1818 begint hij in Drenthe de kolonie Frederiksoord. Hier krijgen arme mensen uit de stad een boerderijtje om in te wonen en een stukje grond om hun eigen voedsel te verbouwen. Deze mensen Worden kolonisten genoemd. Van den Bosch noemt zijn plan de Maatschappij van Weldadigheid. Hij vraagt rijke mensen om geld. In 1823 zijn er geldproblemen. Het helpen van armen lijkt een heel goed idee, maar het is te duur. De Maatschappij van Weldadigheid bedenkt een nieuw plan en bouwt in Veenhuizen drie grote gebouwen, waarin mannen, vrouwen en kinderen gescheiden van elkaar wonen.

Mannes Vorschezang sterft, Zoals we hiervoor zagen, als “kolonist". In de digitale archieven van het Drents Archief2 is te lezen dat de aanduiding “kolonist" niet veel zegt. Veel notarissen e.d. beschouwden dat als synoniem voor koloniebewoner en er kan bijna elke categorie mee bedoeld worden. Het is alleen onwaarschijnlijk dat de persoon op dat moment personeelslid was.
Als iemand “gewone kolonist" wordt genoemd, wordt meestal vrije kolonist bedoeld. Vrije kolonisten woonden in Frederiksoord, Wilhelminaoord of Willemsoord.
Arbeidersgezinnen bestaan uit gezinnen die tussen 1830 en 1857 geplaatst werden op “de tweede helft van het contract met het gouvernement van 16/19 juni 1826". In de administratie worden die vaak aangeduid met de in dat contract gebruikte term “behoeftige huisgezinnen”.
Arbeidershuisgezinnen bewoonden woningen aan de buitenkant van de gestichten in Veenhuizen 2. Het is aannemelijk dat Mannes en zijn gezin daar terecht zijn gekomen als arbeidersgezin, aangezien er geen strafbaar feit is gevonden en Mannes is gestorven in Veenhuizen.

2 www.drentsarchief.nl/zoekwijzer/hulppaginabewonerscategorie.html



Op deze pachtboerderij van de familie Palthe, waar het gezin van rentmeester Blik woonde, kwam Jan Albert Vorschezang als knechtje terecht (foto omstreeks 1915).

Het overlijden van vader Mannes is een drama voor het gezin. Nu er geen kostwinner meer is, keert moeder Harmina Borkent (geb. 25 oktober 1798 te Rijssen, bij haar huwelijk “dienstbaar" onder Holten) met haar kinderen terug naar Rijssen, de plaats waar haar kinderen zijn geboren. Daar wordt moeder Harmina ernstig ziek en twee jaar na het overlijden van hun vader verliezen de kinderen op 21 april 1849 ook hun moeder3.
De drie weeskinderen (Hendrika - 20 jaar, Jan Hendrik - 16 jaar en Jan Albert - 10 jaar) worden tijdelijk opgevangen door een oom en tante van moeders zijde. Maar gezien het feit dat de kinderen al op een leeftijd zijn waarop ze kunnen werken, worden ze al snel “weggegeven" (uitbesteed) als knecht en dienstbode bij derden.
Jan Albert, de jongste zoon (geb. 27 oktober 1838 te Rijssen), wordt door de familie Palthe meegenomen naar Nieuwleusen. Als elfjarig knechtje gaat hij zijn kost en inwoning verdienen op een boerderij die staat aan de kruising Middeldijk/Paltheweg/Bliksweg. Hij heeft het daar moeilijk, nog zo jong, zonder zijn familie op een plek wat voor hem aanvoelt als aan de andere kant van de wereld.


3 In haar overlijdensacte is als geboorteplaats Markelo vermeld.

Als knecht groeit Jan Albert Vorschezang hier op tot een volwassen man en krijgt hij kennis aan Femmigje Kouwen (geb. 10 september 1841 te Nieuwleusen). Hij krijgt de mogelijkheid aangeboden om met zijn aanstaande vrouw te gaan wonen in één van de elf pachtboerderijen van de familie Palthe. Het is een klein boerderijtje, met een houten achterkant, nu bekend als Oosteinde nummer 51, direct naast de school.
Haast was geboden, want het stel trouwt op 3 september 1864 en 24 dagen later wordt dochter Hendrikje geboren. Na de geboorte van Hendrikje volgen nog zes kinderen: Hermannes 26 juli 1866, Jan 28 december 1868, Derk Jan 8 mei 1872, Hermina 17 september 1875, Hendrik 30 september 1877 en Dientje 9 september 1879. In totaal telt het gezin dus vier zonen en drie dochters.
Jan Albert en Femmigje hebben het geluk dat al hun kinderen blijven leven en mogen opgroeien tot zelfstandige personen. Dat is in die tijd zeer bijzonder. Drie zonen en twee dochters vertrekken na hun huwelijk uit Nieuwleusen: Hendrikje trouwt met Mannes Polman op 9 mei 1888 en vertrekt naar Zwollerkerspel, Hermannes trouwt met Willempje Bleijenburg op 9 oktober 1891 en gaat wonen in Oldebroek, Jan trouwt met Annegie de Vries en vestigt zich in Amsterdam, Derk Jan trouwt ook maar hiervan zijn geen verdere gegevens beschikbaar, en Hermina trouwt met Gerrit Jan Klompjan op 15 maart 1900 en gaat wonen in Zwolle. Zoon Derk Jan vertrekt na jaren van hommeles met zijn vader definitief naar Duitsland (Düsseldorf) om daarna nooit meer een voet op Nederlandse bodem te zetten.
Alleen de jongste zoon, Hendrik, en de jongste dochter, Dientje, blijven in hun geboorteplaats wonen. Dientje trouwt op 19 april 1900 met Jan Klein, waarna ze gaan inwonen bij Dientje's ouders naast de school. Van de kinderen van Dientje en Jan overlijden er drie al jong. Hun zoon Albert trouwt op 14 november 1929 met Jantien Kouwen, Egbert trouwt met Margje Pessink op 22 januari 1931 en Willemina trouwt op 19 mei 1927 met Gerrit Jan Wienen. Gerrit trouwt met Grietje Timmerman en Femmigje trouwt met Berend Jan Reuvers.
Jan Albert Vorschezang overlijdt op 9 mei 1915 en Femmigje Kouwen op 15 augustus 1924.

Hendrik Voschezang en Hendrikje Bruggeman. Deze zondagse klederdracht van Hendrikje bevindt zich in museum Palthehof.






De jongste zoon van Jan Albert en Femmigje, Hendrik Voschezang, trouwt op 10 september 1903 op 25-jarige leeftijd met de weduwe Hendrikje Bruggeman (geb. 1 januari 1876 te Nieuwleusen). Daarvoor was Hendrikje gehuwd met Hendrikus de Graaf. Met hem had ze een erg zwaar leven. Zijn alcohol- gebruik was meer dan gemiddeld en haar drie kinderen moest ze de één na de ander naar het kerkhof brengen. Hendrikus de Graaf verdrinkt, met een stevige slok op, in het kanaal op 14juli 1902, Hendrikje zwanger achterlatend. Haar vierde kind vernoemt ze naar haar overleden echtgenoot, maar ook dit kind overlijdt zes maanden na zijn geboorte. Hendrikje is op dat moment 27 jaar.

Hendrikje Bruggeman gaat met haar tweede echtgenoot Hendrik Voschezang op een boerderijtje wonen aan de Nieuweweg nr. 1 in Nieuwleusen. Het echtpaar krijgt daar drie kinderen: Femmigje (24 september 1904), Hendrik (15 september 1905) en Aaltje (2 december 1906). Aaltje komt te overlijden als ze bijna twee jaar oud is. Femmigje trouwt op 6 mei 1929 met Willem Sterken en gaat boeren aan de Sterkensweg in de Punthorst. Kinderen van Femmigje en Willem zijn Janna, Henny, Henk en Jan.
Nu Femmigje is getrouwd, besluiten Hendrik Voschezang en Hendrikje Bruggeman een grote stap te wagen. Ze kopen een stuk grond in het nieuw ontgonnen gebied “Vinkenbuurt" en laten daar een boerderij bouwen aan wat later de straatnaam en nummer Koloniedijk 13 krijgt.

Verlovings/huwelijksfoto van Hendrik Voschezang jr en Jentje Everts.






De familie Voschezang betrekt de nieuwe boerderij in 1931 en de achternaam Voschezang is dan tot begin jaren 80, verdwenen uit Nieuwleusen.
Zoon Hendrik Voschezang jr. scharrelt in die tijd al met Jentje Everts (geb. 16 december 1909) van Kringsloot _ West. Hendrik jr. en Jentje trouwen op 17 mei 1933 en gaan inwonen bij Hendrik's ouders op de boerderij (gemengd bedrijf) in de Vinkenbuurt. Hier worden twee Voschezang-kinderen geboren, dochter Hendrikje op 16 juni 1935 en zoon Klaas op 10 mei 1941.

Hendrikje Bruggeman overlijdt in de Vinkenbuurt op 8 december 1950 en na haar overlijden ontstaan er bij echtgenoot Hendrik sr. gezondheidsproblemen. Zijn geheugen Laat hem steeds vaker in de steek en geregeld moet hij Worden opgehaald als hij onderweg is naar “huis", zijn geboortehuis naast de oude school aan het Oosteinde. Op 5 november 1955 komt er een einde aan Hendriks zoektocht als hij voor de Laatste keer in de Vinkenbuurt zijn ogen sluit om daarna te worden gebracht naar zijn vrouw en definitief terug te keren naar zijn geboortegrond in Nieuwleusen waar ze beiden rusten op de begraafplaats aan de Ds. Smitslaan.

Foto links: De laatste Voschezangs in Nieuwleusen, Klaas en Hendrikje. Foto rechts: Hendrikje Voschezang met haar verloofde Hendrik Spijkerman, omstreeks 1956 voor de ouderlijke boerderij in de Vinkenbuurt.

Begin jaren 80 vertrekken Hendrik Voschezang jr. en Jentje Voschezang- Everts uit de Vinkenbuurt en gaan eerst wonen op de hoek Oosteinde/Wethouder Bijkersweg en verhuizen later naar het “Indianendorp" in Nieuwleusen. Hendrikjr. overlijdt op 11 januari 1994 en Jentje op 28 september in datzelfde jaar. Beiden zijn begraven in Nieuwleusen.
De twee jongste Voschezang-kinderen groeien op in de Vinkenbuurt en worden opgevoed door zowel hun ouders als door hun inwonende grootouders Hendrik sr. en Hendrikje Bruggeman. Dochter Hendrikje trouwt op 17 mei 1958 met Hendrik Spijkerman uit Oud-Avereest (beiden zijn overleden op 11 mei 2008 te Staphorst en rusten op de begraafplaats aan de Ds. Smitslaan in Nieuwleusen).

Zoon Klaas blijft op de boerderij tot 2002. De Voschezang-boerderij wordt dan verkocht en Klaas Voschezang gaat met zijn partner Willemina Maria Francisca (Miny) Middendorp wonen in Nieuwleusen.
Ze trouwen op 22 februari 2003. Klaas is de Laatste nazaat in Nieuwleusen van weeskind Jan Albert Vorschezang die de naam Voschezang draagt.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO

Enigszins in aansluiting aan vorige artikel nemen we hier een groepsfoto op die omstreeks 1932 gemaakt is tijdens het dorsen bij de boerderij van Klaas Everts aan de Kringsloot-West. Op deze foto staat vader Everts met beide dochters.




1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
OF 

Gerrit van den Berg
Derk Jan Schoemaker
Jentje Everts
Arend de Boer
Geesje Schoemaker
Gerrit Jan Visscher
Hendrik Meulenbelt
Janna de Boer
Janna Everts
Derk Jan Bruggeman
Peter Bruggeman
Jan Dunnewind

12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  

Jan Willem Ruinemans
Harm Meulenbelt
Jan de Weerd
Berend Jan Alteveer
?
Evert de Weerd
Derk Kleen
Gerrit Jan van den Berg
Derk Schoemaker
Jan Schoemaker
Klaas Everts
Klaas Schoemaker

* * *

DE RUTE,
WOEST EN ONBEWOOND LAND

De Rute in Zwolse regesten
In de Canon van Nieuwleusen hebben wij 1434 genoemd als begin van ontginning en bewoning van de gronden die later deel uitmaakten van de gemeente Nieuwleusen. In dat jaar schonk bisschip Rudolf van Diepholt delen van het Schoutambt Dalfsen aan de stad Zwolle. Hij deed dat met de hoop dat zich op het land in de Rute, na het afgraven van het veen voor turfwinning ten gerieve van de inwoners van de stad Zwolle, boeren zouden vestigen die de onder het veen liggende zandgrond in gebruik zouden nemen voor landbouw en veeteelt.
Maar daarvoor was er al sprake van gebruik en eigendom van “dat alinge veen" (gehele veengebied). Aan de hand van de Canon van Dalfsen en een uitvoerig artikel van Jan van Zanden in Rondom Dalfsen, het verenigingsorgaan van de Historische Kring Dalfsen, nr. 60, pag. 1269 t/m 1277, en de “Zwolse regesten; 1350-1450”, toegankelijk gemaakt door Drs. F. C. Berkenvelder (Waanders, 1983), geven we hier een schets van de aanloop naar het hiervoor genoemde jaartal.


De eerste bewoning in deze regio was op de oevers van de Vecht, waar op de hoger gelegen gronden akkers werden aangelegd. De hogere gronden waren ontstaan doordat de meanderende rivier na hoog water in de buitenbochten steeds wat zand achter liet. Het lager gelegen land werd gebruikt voor het weiden van vee en de achterliggende woeste gronden werden gebruikt als hooiland, om schapen te laten grazen, turf en heideplaggen te steken, om eikels te oogsten als voer voor varkens en hout te winnen voor de bouw van woningen en boerderijen en om te verstoken.
Er ontstonden al vroeg elkaar bestrijdende groepen. Grondbezit werd belangrijk en een teken van rijkdom. Men ging zich organiseren om de in cultuur gebrachte grond te beschermen tegen de anderen die er aanspraak op maakten. Daarbij ontstond een hiërarchie van vrijen, horigen en lijfeigenen.
De (vrije) landheer woonde op de belangrijkste boerderij in een gebied, de hof. Had hij een groot gebied verworven, dan had hij vaak meerdere hoven. Daarop stelde hij dan hofmeiers als plaatsvervangers aan. Die hofmeiers bestuurden tevens de landstreek, verpachtten andere boerderijen in het gebied aan horigen, spraken recht en inden belasting in natura.
Een horige mocht bezittingen hebben, zoals een stuk land om zijn gezin te kunnen voeden, genoot bescherming van, maar had ook verplichtingen aan de landheer. Als een horige stierf, erfden zijn kinderen zijn eigendommen, rechten en plichten.
Toen het hofstelsel verwaterde doordat de bevolking groeide en betalingen in natura werden vervangen door betalingen in geld, werden horigen pachters van hun grond.

Omstreeks het jaar 1000 hoorde dit gebied, evenals de rest van Nederland, toe aan Hendrik III, koning van Duitsland, die regeerde van 1039 tot 1054. Hij droeg het wereldlijke gezag van Overijssel over aan Bernold, bisschop van Utrecht, die regeerde van 1027 tot 1054.



De bisschop kreeg dus in 1027 hier de wereldlijke macht en had ook de zeggenschap over kerkelijke zaken, armenzorg en onderwijs. Hij deelde zijn gebied op in kerkgemeenten of parochies, die kerspel genoemd werden. Daarbinnen waren priester of kapelaan verantwoordelijk voor de zielzorg van de parochianen en het verrichten van religieuze handelingen.
De bisschop kreeg bij het uitoefenen van zijn wereldlijke macht steeds meer concurrentie van de adel en de steden. Daarom kwam er voor het bestuur en de rechtspraak een indeling in schoutambten, met aan het hoofd een schout, die moest toezien op de openbare orde en rechtspraak. Die indeling was min of meer gelijk aan de indeling van de kerspels.

Buurschap
Bij elkaar wonende boeren vormden een boerschap of wel buurschap, die ook wel boermarke werd genoemd. Het woord “marke”, dat letterlijk grens of scheiding betekent, gaf het gebied aan dat bij een buurschap of dorp hoorde. De boeren maakten mondeling afspraken over de omgang met elkaar, het gebruik van de woeste gronden en de zorg voor bruggen en sloten. Langzamerhand ging men over tot het schriftelijk vastleggen van de afspraken. Zo kreeg de marke een bestuur met aan het hoofd een markerichter; meestal de bezitter van de grootste boerderij. De rechten en plichten werden opgeschreven in markeboeken.
De woeste gronden waren in gemeenschappelijk gebruik, maar niet iedereen had evenveel rechten. De rechten werden vastgesteld door middel van een systeem van waren of waardelen. Elke boerderij kreeg een of meer waren in het onontgonnen veld. Die gaven aan hoeveel recht ieder had op het gebruik. De hoeveelheid waren bepaalde ook wie meer of minder had in te brengen in de jaarlijkse markevergadering.

Tussen 1100 en 1200 nam de groei van de bevolking sterk toe en daarmee de vraag naar voedsel. Daarvoor werd steeds meer plaggenbemesting toegepast. Dat ging ten koste van de heidevelden, die voor de eigenaren van de hoeven van groot belang waren, want ze konden niet zonder deze gronden voor het weiden van schapen, belangrijk voor de mest voor hun akkers, en het hooien en weiden van koeien.



Zoals gezegd behoorden volgens oud recht de woeste gronden sinds 1027 toe aan de bisschop van Utrecht, maar nu namen de eigenaren van de hoeven het beheer en eigendom in handen. Ze gingen regels opstellen voor het beperkt gebruik, ter bescherming van de gemeenschappelijke, bij hun marke behorende woeste grond. Daarvoor werd het nodig de grenzen vast te stellen tussen de verschillende buurschappen en dorpen. Bij deze grensafbakeningen werd vastgelegd wie de eigenaren waren van de hoeven en erven met de daarbij in cultuur gebrachte gronden en wat hun aandeel was in de woeste grond.

Van 1300 tot 1450 werden in het kerspel van Dalfsen negen marken opgericht. Daarvan lagen ten noorden van de Vecht de Leusener Marke en de Rosegaerder Marke, die bestond uit de buurschappen Ankum (met de havezate Rutenberg, ofwel Ruitenberg. De heren van de Rutenberg waren markerichter van de Rosegaerder Marke), Gerner, Dalfsen-kerkdorp, Oosterdalfsen en Welsum, de marke de Rute, waarin oorspronkelijk geen hoeven lagen. Als gevolg van ontginningen is er de buurschap Ruitenveen ontstaan.


De ligging van de diverse gebieden in de Rosengaerdermarke.

Schoutambt
Omdat de grenzen van het schoutambt meestal samenvielen met die van een kerspel, wordt het woord kerspel nogal eens gebruikt als synoniem voor schoutambt. Maar in Dalfsen was het kerspel aan de zuidkant groter dan het schoutambt. Dalfsen was als kerkdorp wel het centrum van het kerspel Dalfsen, maar viel bestuurlijk onder de Rosengaerdermarke.
De landheren moesten de bisschop helpen als die een gewapend conflict had. De bisschop gaf de landheren van Rechteren, Gerner en Ankum (de Rutenberg) toestemming hun boerenhoeve om te bouwen tot een versterkt huis of kasteel.
Die versterkingen dienden als onderdeel van een verdedigingslinie langs de Vecht en functioneerden tegelijk als steunpunt voor de bisschop, waar wapens, paarden en manschappen ondergebracht konden worden. De kastelen Gerner en Rutenberg zijn omstreeks 1380 verwoest door de bisschop toen de landheren hun boekje te buiten gingen en de veiligheid van de buurschap en het handelsverkeer bedreigden.
Deze ontwikkeling verklaart waarom in Dalfsen de eigenaren van de grond vooral leden van de adel waren - dienstmannen van de bisschop - en er al vanouds sprake was van grootgrondbezit en boeren die geen eigenaar van hun boerderij waren. Ook werden rijke burgers van de stad Zwolle eigenaar van diverse hoeven.

De akten, zoals bewerkt door Berkenvelder
In de Rozengaerder marke lagen veel weidegronden. Die werden voor de verdeling van de marke, vermoedelijk in 1416, al “geslagen". We moeten dat zien als verdeeld en afgepaald voor gebruik, zodat ieder op zijn eigen perceel hooi kon winnen. Na de eerste snede (hooien) werden de gronden weer beschikbaar gesteld voor gemeenschappelijk gebruik, voor het weiden van het vee.
Dit kan worden afgeleid uit de bewaard gebleven akten, waarbij Zwolle was betrokken bij de handelingen. We hebben daaruit hier de akten verzameld waarin sprake is van verkoop of gebruik van land in de Rute. In die akten is ook zichtbaar dat de grondeigenaren vaak grote boeren, personen van adel en rijke burgers zijn. Door erfenissen hebben ze nogal eens bezittingen op veel verschillende plekken. Ook is er vaak sprake van financiële bijdragen aan het klooster op de Agnietenberg en in Zwolle, ter zielenrust van familieleden.
Bij de ontginning van woeste grond moest een tiende worden afgedragen aan de bisschop. In de periode 1330 tot 1350 waren in Ankum ten noorden van de Rosengaerder Steghe (nu Hessenweg) al enkele ontginningen uitgevoerd en in slagenverkaveling aangelegd. Het schijnt dat met name de Wester hooislagen al vroeg zijn “geslagen en in vrede gelegd”, d.w.z. verdeeld en afgepaald voor het hooien en weiden. Wanneer er een uitgebreide studie in de akten die betrekking hebben op het Nieuwleusense grondgebied zou worden verricht, zal dat wellicht nieuwe feiten en inzichten aan het licht kunnen brengen.

Een zgn. Kuyperkaartje van 1865 van de gemeente Nieuwleusen.

We volstaan hier met het weergeven van de Zwolse regesten die betrekking hebben op de Rute. Veel van die akten beginnen met …Richter te Dalvessen4, verklaart "in aanwezigheid van ….. als gerichtslieden”. Dat tussenstukje hebben we in de eerste akte laten staan, maar in de daarna volgende akten weggelaten. Veel van de genoemde namen kennen we vandaag de dag nog, al is de schrijfwijze wel veranderd.

4 Dalfsen.


1374, 15 juni
Bernd van Lente, richter te Dalvessem, verklaart in aanwezigheid van Gherd van Eme, Johan van Wytmen en Bernd van Yrte als gerichtslieden, dat Gherd ter Huiset5, geheten die Zwarte6, en Stijne, zijn vrouw, en Wenemer, Enghelbert, Henric, Ghieie en Gherberch, hun kinderen, aan Herman van Ghenne een halve deel gerechtigdheid in de marke, dat behoort tot hun erve, ter Hulset genaamd, dat in Oesterdalvessem in der Ruten gelegen is, verkocht hebben met alle toebehoren, behalve de hooislagen, die daar nu toe geslagen zijn, waarover zij echter wel een onbelemmerde toegangsweg naar hun andere halve deelgerechtigdheid in de marke zullen behouden.

1397, 29 maart Roebert van Tonenberch, richter te Dalvessen, verklaart (...), dat Anse die Scomaker, Gheert Oetberting, Assele Oetberting, zijn zuster, en Ghese, dochter van Heyne Noerman, ten behoeve van de broeders van het huis in sante Agnetenberghe7 aan Dyric Brugman de helft van een deelgerechtigdheid, die behoort bij (het erve en goed), Gheerding genaamd, dat in den Hogenholte8 in de marke in der Rute gelegen is, zonder de hooislag verkocht hebben, maar met het bijbehorende deel van het veen, dat ontstond, toen men de Hermelen in slagen verdeelde.


Het klooster op de Agnietenberg, detail van een schilderij' in het Stedelijk museum te Zwolle.


5 Is hier voor het eerst sprake van Den Hulst?
6 Mogelijk is dit de naamgever aan de Zwartjeslandweg.
7 Het klooster op de Agnietenberg.
8 Dit Hoge Holt is in het westen van de Rute gelegen, tussen Steenwetering en de Leidijk/Oosterwetering.


1407, 13 juli
Roelef die Brethouwer, richter te Dalvesen, verklaart (...) dat Egbert Hake van den Rutenberghe en Nese (van Zuythem), zijn vrouw, aan de prior en het convent van het klooster in sante Agnetenberghe bij Zwolle het volgende verkocht hebben: (1....) 2. een deelgerechtigdheid in de marke in der Ruten met de daarbij behorende hooislagen; (3...)

1409
Roelof die Brethouwer, richter te Dalvessen, verklaart (...) dat Gherbert Montroef en Zewalt, zijn vrouw, aan de prior en het convent in sante Agnetenberghe te Nemele een jaarrente van 3 kop verkocht hebben, gaande uit hun erve, dat Dirc Brugman vroeger van Gheerd van Ancken, vader van Gherbert Montroef, gekocht heeft, en dat bestaat uit: (1 t/m 4....) 5. de helft van een deelgerechtigdheid in der Ruten, die over de derde wetering gelegen is, waarmee Gherbert Montroef en Zewalt, zijn vrouw, tevens afzien van iedere aanspraak jegens de prior en het convent in sante Agnetenberghe toe Nemele inzake Dirc Brugman, het erve en deze jaarrente. Ook bij de verdeling van de Rute in 1416 had de landsheer het recht van voorslag. Dit betekende dat van de totaal te verdelen grond 10% aan de bisschop werd toegewezen. Die kon na ontginning op deze gronden nieuwe hoeven laten bouwen en verpachten. De twee aaneengesloten complexen, in omvang 382 morgen9, werden aangeduid als "Die Hoeven" en "Die nederste hoeven", goed bereikbaar via de pas gegraven weteringen, die aansloten op de Steenwetering en de “Stadt Grave”, de door de stad Zwolle verder uitgegraven Hermelijn, nadat deze hier in 1405 het recht van vrije turfwinning had weten te verkrijgen. Als compensatie voor het graven van de weteringen kreeg de stad Zwolle bij de verdeling, ook als een soort voorslag, twee stukken grond; aangeduid als "Der Stadt" en “Mijns Heeren Slach", in totaal 50 morgen groot. Gezien de benaming kan men denken dat de stad eigenaar werd van het eerst genoemde deel en rijke burgers, die hebben bijgedragen aan de financiering van het project, van het tweede deel.


9 Een morgen is een oude oppervlaktemaat (waarvan de grootte per gebied verschilt).


1416, 13 mei
Schepenen en raad van Zwolle enerzijds en Dyrck van Voerst, Egbert Hake van den Rutenberghe, Rolof van den Rutenberghe, broers, Wolf van lttersim, Herman van Rechter als momber van Beerte, (weduwe van Heyne) Mande, en Rutgher Hermanssoen namens het Hilighen Gheestesgasthuys in Zwolle namens de deelgerechtigden in het veen achter der Rute, dat Grote Hermelijn Genaamd, anderzijds verklaren, dat zij vroeger overeengekomen zijn het veen op de volgende voorwaarden te verdelen:
1. omdat schepenen en raad van Zwolle op hun kosten van hun gedeelte een gracht met wijken hebben laten graven van de Vechte tot aan het baken bij de Luesener marke met sluizen er in en al het land gekocht hebben waar deze gracht doorgaat, zal Zwolle het tiende deel van alle veen krijgen, afgezien van de voorslag van de bisschop van Utrecht;
2. men zal een weg van 4 roeden breed recht door de lengte van het veen aanleggen en een even brede weg dwars daarop, benevens nog een weg van 5 roeden breed langs de gracht, waarbij aan de stad Zwolle het veen zal behoren dat langs de weg in de lengterichting van het veen ligt aan de kant van Haerste;
3. de deelgerechtigden in het veen zullen de kosten van het onderhoud van de gracht, de wijken en de sluizen onderling omslaan naar de grootte van ieders deel van het veen, maar de stad Zwolle is hiervan voor wat haar tiende deel van het veen betreft, vrijgesteld;
4. de stad Zwolle en de deelgerechtigden in het veen zullen niemand toestaan een gracht of afwatering van buiten de marke naar het veen toe te graven of te leiden, tenzij met hun aller uitdrukkelijke goedkeuring, maar aan de deelgerechtigden in de marken Welsem, Oesterdalvessen, Gherner en Ancken10 staat het vrij hun water te lozen op de gracht;
5. wanneer een deelgerechtigde nalatig is zijn bijdrage in de onkosten op grond van de grootte van zijn stuk veen op te brengen, zal de stad Zwolle zijn deelgerechtigdheid en daarbij behorende onkosten overnemen;
6. jaarlijks zullen twee personen namens Zwolle en twee personen van buiten Zwolle schouw houden ingevolge een daarvan opgemaakte akte en op grond daarvan de gezamenlijke onkosten vaststellen.


10 Ankum.


1416, 14 mei
Schepenen en raad der stad Swolle enerzijds en Dyrck van Voirst, Egbert Hake van den Rutenberghe, Rolof (van den Rutenberghe), Wolf van Ittersun, Herman van Rechter als momber voor Beerte (weduwe van Heyne) Mande, en Rutger Hermanssoen namens het Hilighen Gheestsgasthuys in Swolle namens de deelgerechtigden in het veen achter der Rute, dat Groete Hermelijn genaamd, anderzijds, zijn overeengekomen dat jaarlijks een schouw gehouden zal worden van de gracht en de daarin voorkomende wijken en sluizen, die de stad Swolle op haar kosten van de Vechte tot aan het baken bij de Luesener marke heeft laten graven, en wel op de volgende voorwaarden:
1. de deelgerechtigden in het veen zullen jaarlijks vier deelgerechtigden aanwijzen, te weten twee uit Swolle, die op meyedach11 op het kerkhof in Swolle door de in Swolle of in het kerspel van Swolle woonachtige deelgerechtigden gekozen zullen worden en twee uit het kerspel van Dalvessen, die ook op meydach door de in het kerspel van Dalvessen woonachtige deelgerechtigden gekozen zullen worden;
2. van deze vier, waarvan ieder jaar twee vervangen moeten worden, zal een dijkgraaf worden, het ene jaar gekozen door de deelgerechtigden, die in Zwolle en het andere jaar door de deelgerechtigden, die in het kerspel van Dalvessen woonachtig zijn, terwijl de andere drie gekozenen heemraden zullen zijn;


Huis Ruitenberg omstreeks 1730 op een tekening van Cornelis Pronk.


11 1 mei.


3. iedere gekozene maakt twee jaar deel uit van het heemraadambt, zodat steeds de oude heemraden de nieuwe de eed kunnen afnemen;
4. dijkgraaf en heemraden zullen ieder jaar des maenendaghes nae sunte Vitusdach12 schouw houden, te beginnen boven bij de Luesener marke;
5. deze schouw wordt acht dagen van tevoren tegenover de kerk van Swolle en tegenover de kerk in Dalvessen aangekondigd;
6. afkeuring van een geschouwd gedeelte Ievert een boete van 2 Vlemesche groete13 op;
7. na acht dagen zal men het afgekeurde gedeelte herschouwen;
8. hernieuwde afkeuring bij wederschouw Ievert een boete van 4 Vleemsche groete op;
9. de dijkgraaf zal na uitspraak door de heemraden, het gedeelte, dat ook na de wederschouw niet gemaakt is, laten aanbesteden om te herstellen en na acht dagen gaan keuren;
10. wanneer niemand aan degene, die het afgekeurde gedeelte hersteld heeft, de gemaakte onkosten vergoedt, zal de dijkgraaf tot panding en toewijzing van het betreffende stuk veen aan de stad Swolle overgaan;
11. nadat de dijkgraaf de betrokken deelgerechtigde binnen veertien dagen schriftelijk van deze panding in kennis gesteld heeft, heeft deze deelgerechtigde nog zes weken de gelegenheid zijn pand te lossen;
12. wanneer dat niet gebeurt, zal de dijkgraaf met de heemraden het betreffende gedeelte van het veen aan de stad Swolle in eigendom overdragen;
13. verandering in deze bepalingen zal bij meerderheid van stemmen van de deelgerechtigden plaats vinden;
14. wanneer de sluizen naar het oordeel van de dijkgraaf en de heemraden verbetering behoeven, zullen zij hersteld worden en zullen de kosten daarvan omgeslagen worden naar gelang de grootte van ieders veengedeelte, wat dan, nadat hiervan tegenover de kerk van Swolle en tegenover de kerk van Dalvessen mededeling gedaan is, binnen veertien dagen aan de dijkgraaf betaald moeten worden;
15. de dijkgraaf zal bij nalatigheid in dit opzicht tot panding overgaan en het dubbele bedrag verlangen.

1419, 12 maart
Gheert van Tybencampe, richter te Dalfsem, verklaart (...), dat Henric Meyghent en Gheel, weduwe van Herman Meyghent, zijn moeder, aan de prior en het convent van reguliere kanunniken van Belheem14 in Zwolle de

12 15 juni.
13 Vlaamse groot, een munteenheid ter waarde van ongeveer een halve stuiver.
14 Klooster Bethlehem.


helft verkocht hebben van een vrij eigen deelgerechtigdheid in het veen, die behoort bij het erve van Ghysbert Honeken, dat in der Ruyt in het veertiende blok op de Groten Hermel gelegen is en dat stroomopwaarts grenst aan het erve, die Haer genaamd, dat nu aan Coep Holle toebehoort, en stroomafwaarts aan de halve deelgerechtigdheid in de marke van Johan van Beylen, en dat zich van de gracht tot aan Beerntsgrave uitstrekt.

1421, 6 april
Deric Gheerdinc en Jutte, zijn vrouw, en Harman (Gheerdinc), Gheert (Gheerdinc) en Hille (Gheerdinc), hun kinderen, verklaren in aanwezigheid van Egbert Hake van den Rutenberghe, dat zij geen aanspraak meer zullen laten gelden op de stukken land in de marke, die als slagen behoorden bij het erve Wisschinc, maar thans toebehoren aan de prior en het convent te Nemele15, omdat Egbert Hake van den Rutenberghe deze geruild heeft voor een deelgerechtigdheid in de marke, dat als slag behoort bij het goed van de prior en het convent te Welsen, des Monicsguet genaamd, terwijl zij evenmin enige aanspraak zullen doen gelden op hooi- en plaggenslagen in de Rute, Hermelen en Rosengaerden, of op de 3 gheen van het hooislag, dat thans behoort bij Noertcamp, maar bij Wisschinc behoorde.

1421, 9 juni Ludiken Johanssoen, richter te Zwolle, verklaart (...), dat Wilhelmus van der Luere en Lumme, zijn vrouw, aan de pastoor en vicarissen van Zwolle een jaarrente van 2 pond16 verkocht hebben, gaande uit de helft van een weiland, waarvan de andere helft aan Henric Eskenssoen en Lutgherde, zijn vrouw, toebehoort, dat bij het land, de Alberingcampe genaamd, tussen het land van Lubbert Noersche en Wobbe Vorden, zuster van ten Broeke, aan de ene kant en het land van Roelefften Broeke en Jutte van den Haghen aan de andere kant in de Bircmeder marke gelegen is, dat zich van het land van Lubbert Noersche tot aan het land van Dirck Campherbeke uitstrekt en behoort tot het erve van Riquyn Volkers te Bircmede17 en dat geruild is voor een deelgerechtigdheid in de marke in der Ruten, die van de oude Lubbert Schulte was, wat ieder jaar op straffe van panding op hun huis, dat tussen het huis van Evert Tyasen en het huis van Rodolphus Storm in de Nyerstraten in Zwolle gelegen is, toe sunte Merten18 in den winter betaald dient te worden.

1425, 12 juni


15 Klooster op de Agnietenberg.
16 Munteenheid ter waarde van ongeveer zes gulden.
17 Berkum.
18 Sint Maarten = 11 november.


Johannes ten Noerde, vicaris van het sancte Stephensaltaar in de kerk van Dalfsen, verklaart, dat hij met toestemming van Frederick Gruter, zijn collator en pastoor van Dalfsen, aan de prior en het convent van reguliere kanunniken tot Belheem in Zwoll de helft in erfpacht gegeven heeft van een deelgerechtigdheid in het veen in der Ruten, dat aan zijn vicarie en aan het erve van Ghisebert Hoenken toebehoort, en dat gelegen is in het zestiende blok, en wel voor een jaarlijkse pacht van een Zwols pond, wat ieder jaar tot sancte Victoer19 betaald dient te worden.

1427, 23 augustus
Lumme, weduwe van Gheert Hermenss, met Hermen Gheertss, haar zoon, als haar momber, verklaart in aanwezigheid van Arent toe Nemele, Wermbolt ten Brincke en Derick Jordinck, dat zij aan de prior en het convent van het klooster in sunte Agnetenberghe toe Nemele het volgende verkocht heeft:
1. de helft van een deelgerechtigdheid in de marke het Nedersten vene, dat behoort bij een slag in den Groten Hermelen vanwege het erve, Hilwerding genaamd, dat te Gherner in Dalvesser kerspel gelegen is;
2. 1/3 van twee deelgerechtigdheden in de marke het Nedersten vene, die eveneens behoren bi] een slag in den Groten Hermelen, maar dan vanwege het erve, Oetberding genaamd, dat te Gherner in Dalvesser kerspel gelegen is, met de bepaling, dat Lumme, weduwe van Gheert Hermenss, de prior en het convent van het klooster in sunte Agnetenberghe toe Nemele met 20 Rijnssche gulden schadeloos zal stellen, wanneer zij te eniger tijd ten gevolge van deze verkoop hinder of schade zouden ondervinden.

1434, 10 juni, Deventer
Roleff (van Diepholt), bisschop van Utrecht, verklaart, dat hij wegens de veie diensten en huip, die de stad Zwolle hem bewezen heeft, de venen, de Rute en de Grote Hermelen genaamd, die tot het gericht van Dalvessen behoord hebben, brengt onder het gericht en kerspel van Zwolle om daar ten eeuwige dage onder te blijven behoren, zodat degenen, die daar nu wonen of later zullen wonen nergens anders hun recht zullen kunnen verkrijgen dan voor de schout binnen de stad Zwolle, terwijl hij tevens hoopt, dat door deze maatregel de venen, de Rute en de Grote Hermelen genaamd, die nu woest en onbewoond zijn, bewoond en ontgonnen zullen worden.


19 Sint Victor = 10 oktober.


1442, 18 november
Wolter Stellinc Hermanssoen verklaart in aanwezigheid van Wolter Steilinc, zijn neef, en van Roeric Gheertssoen, dat hij aan de prior en het convent van het klooster van regulieren in sante Agnetenberghe bij Zwolle al zijn vrij eigen land verkocht heeft, dat slechts bezwaard is met het onderhoud van de omheining en dat tussen het land van Enghelbert Pauwelssoen en de stadsgracht langs de Hermerlersweghe bij Spikersbaererbroeck in der Ruten gelegen is en dat als slag behoort bij zijn erve en goed, die Rollet genaamd, dat in de buurschap to Anken in het Dalvesser kerspel gelegen is.

1442, 29 november
Femme (Uulrekinc, weduwe van -) van Dolre, verklaart in aanwezigheid van Gheert Visken en Rolof van Dolre, haar zonen als haar mombers, dat zij instemt met het testament van wijlen Willam Uulrekinc, haar broer, waarbij deze ter wille van zijn zielenheil en dat van zijn ouders aan de prior en het convent van het klooster van regulieren in sancte Agnetenberghe bij Swolle de helft van een deelgerechtigdheid in de marke de Ruten (Ruitenveen) nagelaten heeft, die tussen de Oesterweteringhe en het land van de erfgenamen van Henric van der Hegghen in het Dalvesser kerspel gelegen is.

1445, 3 juni
De prior en het convent van het klooster van regulieren in sante Agnetenberghe bij Zwolle verklaren, dat zij met Johan die Wrede het volgende overeengekomen zijn:
1. zij mogen het hun op grond van de hof ten Velde toekomende 2/9 deel van het veen, dat hun beneden in het veen toegeslagen is, voegen bij het hun toekomende 2/9 deel van het veen, dat hun boven in het veen toegeslagen is, zodat zij daar 4/9 deel aaneengesloten krijgen;
2. zij mogen jaarlijks 10 of 12 roeden veen afgraven; 3. >i>zij mogen de 6 of 7 morgen land van Johan die Wrede, die bi1'Spikersbroecke gelegen zijn, beweiden als Johan die Wrede er niet hooit.

* * *

Foto achterpagina:

Trouwfoto Willem Sterken Femmigje Voschezang (06-O5-1929).






Jaargang 34 nummer 4 december 2016


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina:

Het Oosteinde in fraaie herfstkleuren met rechts de Hedwigis Hoeve.
Behalve de vorm van het gebouw herinnert er niets meer aan de voormalige bakkerij met winkel die op nummer 80 gevestigd was.

* * *

OOSTEINDE 80, RUIM 80 JAAR BAKKERSGESCHIEDENIS

René Fokkert

Het pand Oosteinde 80 is bij veel Nieuwleusenaren beter bekend als de bakkerij/winkel van Bijker. De laatste bakker was Berend Bijker. Met zijn overlijden in 1987 kwam er een eind aan het bakkersbedrijf dat daar al generaties lang uitgeoefend werd. In dit artikel laten we de geschiedenis van dit pand en met name van de bewoners de revue passeren.

In 1896 bouwt een G. Huzen een woning op het westelijk deel van een perceel grond aan het Oosteinde dat afkomstig is van de familie Alteveer. In september 1905 verkoopt Huzen het oostelijk deel van dat perceel ter grootte van 2.05.80 ha aan Albertus Massier. Daarop wordt dan een woning met bakkerij en winkel gebouwd. Het huis heeft als nummer Wijk A145d. Dit verandert geregeld door de jaren heen. Omstreeks 1915 wordt dat A165, tussen 1920 en 1930 verandert het in A185. In de jaren dertig wordt het A199 en A200. Daarna wordt het Straatweg oostzijde 9 en uiteindelijk Oosteinde 80.
De eerste bewoners zijn bakker Albertus Massier (02-09-1883 - 29-04- 1950) en zijn vrouw Aaltje Bijker (17-12-1881 - 12-08-1922). Het pand is waarschijnlijk gebouwd in opdracht van de ouders van Aaltje Bijker. Haar ouders zijn Klaas Bijker en Hilligje Alteveer. Klaas Bijker was landbouwer en wethouder van de gemeente Nieuwleusen. Zijn vrouw Hilligje Alteveer was het enige kind van Hendrik Alteveer en Klaasje Bouwman, afkomstig van het erf Alteveer aan het huidige Oosterveen. De Alteveers waren een rijke familie die kapitaal gemaakt hadden in het vervenen van de woeste gronden die vooral gelegen waren in de Varsener Marke (gemeente Ambt Ommen). In een akte uit 1916 waarin een verdeling van de goederen van Klaas Bijker en zijn overleden vrouw Hilligje Alteveer geregeld wordt, worden al hun acht kinderen rijkelijk bedeeld. Er worden negen gebouwen en


De eerste bewoners op een foto uit ongeveer 1915. Albertus Massier en Aaltje Massier-Bijker met hun kinderen Margje en Hilligje gefotografeerd voor de woning. Op het raam boven de deur staat A. Massier - bakker - winkelier.

140 hectare grond verdeeld. Dat was in die tijd een enorm bezit. Albertus Massier en Aaltje Bijker trouwen op 8 juni 1905. Als het pand gereed is gaan ze op Oosteinde 80 wonen. Op 7 april 1906 wordt daar hun dochter Margje geboren. Op 20 september 1911 volgt hun tweede dochter Hilligje. In haar geboorteaangifte staat abusievelijk dat ze geboren is op A65 in plaats van A165.

In maart 1917 komen Hendrik Jan Bijker en Klaasje Bijker-Bijker als nieuwe bewoners op het Oosteinde 80 wonen. Ze zijn getrouwd in Nieuwleusen op 6 mei 1896. Hendrik Jan is hier zowel bakker als landbouwer van beroep.
Hendrik Jan Bijker (28-12-1865 - 15-04-1931) is een zoon van Koop Bijker en Janna Neurink. Klaasje Bijker (06-05-1873 - 06-02-1951) is een dochter van Klaas Bijker en Hilligje Alteveer.
Hendrik Jan Bijker is een zwager van Albertus Massier, de eerste bewoner van Oosteinde 80. Klaasje Bijker en Aaltje Bijker, de eerste echtgenote van Albertus Massier, zijn zussen. Zowel Koop Bijker (de vader van Hendrik Jan) als Klaas Bijker (de vader van Klaasje) zijn zoons van Jacob Bijker en Klaasje Dijk. Dat maakt dat Hendrik Jan Bijker en Klaasje Bijker neef en nicht van elkaar zijn.

De jongste zoon van Hendrik Jan en Klaasje Bijker is Arend Jan (08-09- 1902 - 23-01-1972). Hij trouwt op 6 mei 1927 in het gemeentehuis van Avereest met Aaltje Katerberg (28-08-1904 - 24-02-1992), dochter van Berend Katerberg en Hendrikje Spijker. Evenals andere leden van zijn familie (o.a. in Oud Avereest) is Berend Katerberg bakker en wel in Dedemsvaart.
Het jonge stel gaat inwonen op Oosteinde 80 bij zijn ouders en zet daar het bakkersbedrijf voort. De naam van Arend Jan Bijker komen we in 1941 en 1943 tegen bij de bouwvergunningen van de gemeente Nieuwleusen. In 1941 voor het vernieuwen van de westgevel en in 1943 voor het veranderen van het woonhuis. Ook in 1943 wordt zijn naam vermeldt in een landbouwtelling.
Arend Jan Bijker overlijdt in 1972 en Aaltje Bijker-Katerberg in 1992. Ze zijn beide begraven op de Algemene Begraafplaats in Nieuwleusen.

Trouwfoto van Arend Jan Bijker en Aaltje Katerberg uit 1927 (foto B. Bijker).

Arend Jan Bijker en Aaltje Bijker-Katerberg krijgen zes kinderen. Hun tweede kind, Berend (genoemd naar grootvader Katerberg) wordt geboren op 24 november 1930. Op 26 maart 1958 trouwt Berend met Antje Schuurman (07-11-1932 - 10- 10-1976) en neemt het familiebedrijf over. Hij is daarmee de derde generatie Bijker die bakker is op het Oosteinde 80. Antje Schuurman is een dochter van Arend Jan Schuurman en Geesje Pellenkoft. Arend Jan Schuurman was timmerman van beroep en woonde op het Oosteinde 73. Hoewel de families Schuurman en Bijker dicht bij elkaar woonden, behoorden ze niet tot elkaars buren.


Oosteinde 80 omstreeks 1975. Het pand heeft dun al wat verbouwingen gehad. één van de ramen is vervangen voor een groter winkelraam met daarboven vermoedelijk een betonnen balk voor de stevigheid. Ook is er een dakkapel toegevoegd en het achterhuis, dat vroeger een rieten dak had is nu bedekt met dakpannen. Het boerderijgedeelte is er dun al niet meer bij. (foto B. Bijker)

Uit het huwelijk van Berend Bijker en Antje Schuurman Worden drie zonen geboren, respectievelijk in 1959, 1962 en 1964, waarvan de oudste nog een tijd bakker is geweest in Zwolle en Groningen.

Interieur van de winkel Oosteinde 80 in het begin van de jaren tachtig (foto B. Bijker).






Bij het bakkersbedrijf hoorde ook het uitventen van het brood en de winkelartikelen, eerst met paard en wagen, later met een bestelbus. De ventwijk was behoorlijk groot. Ze strekte zich uit van de Oosterhulst in het noorden, De Stouwe in het oosten, het heideveld, Peezeweg en Kampendwarsweg in het zuiden en de Dommelerdijk tot in de Kerkenhoek in het westen.


Berend Bijker omstreeks 1955 met zijn bestelbus voor de winkel (foto B. Bijker).

Op 20 mei 1987 is Berend Bijker onverwachts overleden terwijl hij in de bakkerij aan het brood bakken was. De bakkerszaak komt door zijn overlijden abrupt tot een einde. Nog in hetzelfde jaar wordt het pand Oosteinde 80 verkocht aan de familie Bouwman. Vanaf 2012 woont de familie Dalhuizen in dit ook van binnen flink verbouwde pand. Op de gevel staat de naam Hedwigis Hoeve. Hedwigis is de voornaam van de moeder van de huidige bewoonster.

Die overleed één dag nadat haar woongedeelte in het verbouwde pand af was. Van de voormalige bakkerij zijn geen sporen meer terug te vinden in de huidige woning op Oosteinde 80.


In de Zwolsche Courant van begin maart 1978 verscheen een foto van een door Berend Bijker gebakken krentenbrood met een lengte van vijf meter. Het echtpaar Huzen-Sandink aan de Brouwersweg kreeg het brood aangeboden ter gelegenheid van de geboorte van hun tweede kind. (foto fam. Huzen-Sandick)

De Massiers
Albertus Massier is de eerste bewoner van Oosteinde 80. Hij is een zoon van Gerrit Massier en Margje Katoele. Gerrit was molenaar en het gezin woonde bij de molen die aan het Molenpad stond.
In de trouwacte van Albertus Massier en Aaltje Bijker is zijn beroep bakker en is zij zonder beroep. In hetzelfde jaar (1905) is het beroep van Aaltje ook als winkelierster vermeld.
Is Albertus in 1905 broodbakker van beroep, in 1916 komen we hem tegen als koffiehuishouder (caféhouder). Hij heeft met zijn gezin op verschillende adressen gewoond, o.a. aan de Burg. Backxlaan en in Den Hulst. Op sommige woonden ze maar een paar maanden.


Westeinde 14 en 16 waar het hulppostkantoor gevestigd was. In de tuin staat rechts Arend Massier en links Lodewijk Brouwer, die er kostganger was.

In maart 1917 vertrekt Albertus met zijn gezin van Oosteinde 80. Ze wonen dan volgens het bevolkingsregister korte tijd op A132a. Dat is op Westeinde 14. Op nummer 18 is dan zijn eerste café gevestigd. Als beroep van Albertus staat dan aangegeven verlofhouder (vergunning om sterke drank te mogen verkopen).

Op Westeinde 16 was een tijd lang het hulppostkantoor gevestigd. Daar woonde Arend Massier, een broer van Albertus (zie hierna). Omstreeks 1919 verhuist Albertus Massier naar wijk C nummer 73a. Op dit adres is hij ingeschreven als landbouwer.
Het pand (inmiddels afgebroken) aan het kanaal in Den Hulst is in 1911 gebouwd voor Marten Massier (16-04-1890 - 28-O8-1957), een broer van Albertus, die daar broodbakker was. Marten is op 19 mei 1911 in Havelte getrouwd met Hendrikje Lotterman (15-O5-1890 - 14-O8-1967). Ze krijgen drie dochters, Maria, Hendrika en Margje, waarvan de jongste al overlijdt voordat ze een jaar is. Vanwege gezondheids- redenen ruilde Marten Massier van woning met zijn broer Albertus (Westeinde 16).
Albertus Massier woont niet lang in Den Hulst. Op 12 augustus 1922 overlijdt zijn vrouw Aaltje Bijker op het adres A158, wat overeenkomt met Oosteinde 2 (hier was later café Schiphorst). Al snel na het overlijden van zijn vrouw verhuist Albertus met zijn beide dochters naar de overkant van de weg waar nu café De Viersprong gevestigd is. Het adres is dan A165 wat later Ommerdijk 2 (Burg. Backxlaan) wordt.



Op 12 juni 1924 hertrouwt Albertus Massier in Ruinerwold met Wichertje de Groot. Zij is geboren op 8 juni 1899 in Havelte. Albertus had haar leren kennen in zijn café. Met haar krijgt hij ook twee dochters, Elsje Gerritdina (24 april 1925) en Albertha (18 maart 1932). Van 1922 tot 1937 is Albertus Massier caféhouder op De Viersprong. In laatstgenoemd jaar ruilt hij het café tegen de boerderij van Hendrik Schoemaker Hendrikszoon op het adres C111a te Den Hulst. Dat is de boerderij net ten westen van Sluis III op het huidige adres Rollecate 18. Daar woonde later de familie Bierma. Hendrik Schoemaker was van 1920 tot 1922 ook al de uitbater van café de Viersprong geweest. Hendrik (12-05-1895 - 12-05-1978) was op 29 april 1920 getrouwd met Margje Massier (10-11-1899 - 01-11-1979) (tante Margje).
Ook op de boerderij in Den Hulst heeft Albertus niet lang gewoond. Hij verhuist al snel naar Ommen, waar hij aan de markt café Laarzicht had. Albertus Massier is in Ommen overleden op 29 april 1950. Hij is begraven in Nieuwleusen bij zijn eerste vrouw Aaltje Bijker.


Café Laarzicht in Ommen.

Het hierna gekaderde artikel bewijst dat er ook in het vooroorlogse Nieuwleusen wel eens een caféruzie was, in dit geval in het café van Albertus Massier (De Viersprong) met een heldhaftige rol voor de burgemeester.

Uit de Sumatra post 1931, overgenomen uit de Telegraaf.
Caféhouder uit Nieuwleusen met mes bedreigt.
Vechtpartij in een Café, Nieuwleusen 7 mei (1931) De Kerkenhoek werd gisteravond in rep en roer gezet aldus de Tel. Een tweetal te werk gestelde werklooze arbeiders in het Staphorsterveld, G. V. uit Rotterdam en A.L. uit Oudleusen, Dalfsen, waren het café van A. Massier binnengegaan. De gemoederen waren een weinig verhit, zodat twist ontstond. V. sloeg h/erbij Wat hard met een g/aasje op de tafel zodat het voetstuk eraf vloog. De caféhouder M zijde hier iets van, hierover ontstond een woordenwisseling tusschen het drietal tijdens welke L een mes tevoorschijn haalde en dit opende. M bij het zien hiervan bevreesd geworden, sprong achter de tapkast. L sprong met het geopende mes M achterna waarop M zijn belager een duw gaf, waarop deze op de grond rolde. M wist daarop het mes machtig te warden, waarna hij een stoel nam en daarmee L te lijf ging. L kreeg gevoelige klappen en maakte dat hij uit het café kwam, achtervolgd door M die hem tot op het midden van de straat na ging. Daarop keerde M terug en zag V nog aan een der tafeltjes zitten. Deze had echter zijn handen thuis gehouden, doch M ging ook deze met een stoel te lijf, waarop V het voorbeeld van L volgde. Toen beide op straat waren zocht L een goed heenkomen in den hooiberg van G. Spijker en verborg zich daar. De burgemeester die juist kwam aanwandelen hoorde dat men M met een mes bedreigt had. Hij diende daarop V nog flinke klappen toe, waarna deze in het arrestantenlokaal van de gemeente veldwachter werd opgesloten. Hierna ging men op zoek naar L die men in den hooiberg aantrof. De burgemeester beval handen omhoog, waaraan L voldeed. Op den weg liet hij de handen weer zakken, waarop hij een tik met den wandelstok kreeg, waarna hij de handen weer omhoog hield. Ook L werd opgesloten. Bij onderzoek bleek dat V niets strafbaars had gedaan, waarop hij werd vrijgelaten. Den volgende morgen werd L nadat tegen hem proces verbaal was opgemaakt wegens het in staat van dronkenschap bedreigen van iemands veiligheid eveneens op vrije voeten gesteld.

Er waren nog twee broers van Albertus Massier die het beroep van bakker uitoefenen. Het zijn Lukas Massier en Hendrik Massier. Lukas Massier (05-08-1872 - 08-12-1955) trouwt op 25 april 1895 met Aaltje Prins (22-01-1873 - 26-07-1948). Zij was een dochter van Derk Jan Prins en Joziena Snel. Lukas had zijn bakkerij in Ankum.
De andere broer, Hendrik Massier (18-O4-1870 - O8-11-1924), trouwt op 5 mei 1892 met Helena Schiphorst (20-O3-1871 - 20-12-1930), dochter van Marten Schiphorst en Aaltien van Spijker. Hendrik had zijn bakkerij op Oosteinde 35, waar nu het chinees restaurant gevestigd is. Hendrik is daar opgevolgd door zijn zoon Marten (26-O9-1895 - 08-09- 1951), die op 20 mei 1926 trouwt met Mientje Bakker (08-01-1900 - 24-02-1991).


Marten Massier en Mientje Massier-Bakker.

De eerder genoemde Arend Massier (25-04-1877 - 02-10- 1919) (hiernaast op een foto van L. van Berkum-Huisman) woonde in 1913 met zijn vrouw Fennigje van Spijker (20-04-1877 - 03-05- 1955) op het adres Westeinde 16. Zij is een dochter van Koop van Spijker en Hermina van de Berg.
Arend en Fennigje zijn getrouwd op 1 december 1898 in Nieuwleusen. Uit dit huwelijk werd dochter Margje geboren die al voor haar vader komt te overlijden op 19 jarige leeftijd (04-O6-1899 - 15-05-1919).


Op de grafsteen van Arend Massier (midden) is de tekst te lezen: "in leven brievengaarder van het hulppostkantoor te Nieuwleusen".

In 1913 is het beroep van Arend Massier molenaar. In maart 1917 verhuist hij gelijk met zijn broer Albertus Massier naar A132. Dat adres komt overeen met Westeinde 16 waar het hulppostkantoor is gevestigd. Arend is dan brievengaarder van beroep. De brievengaarder A. Massier wordt in de gemeenteraadsvergadering van 11 januari 1917 met algemene stemmen benoemd tot kantoorhouder op een aanvangsjaarwedde van 50 gulden. Tot zijn plaatsvervanger, tevens telegrambezorgster op een beloning van 15 cent per te bezorgen telegram, wordt zijn echtgenote F. Massier - van Spijker benoemd. Arend Massier overlijdt op 2 oktober 1919 in het ziekenhuis in Zwolle. Hij is daar zelf op de fiets naartoe gegaan voor een operatie aan de blinde darm, maar komt helaas niet meer levend terug. Hij werd maar 42 jaar oud.
Na het overlijden van Arend woont Fennigje nog een paar jaar aan het Westeinde, tot ze hertrouwt met Johannes Otten en verhuist naar De Wijk. Uit dat huwelijk zijn geen kinderen. Johannes overlijdt op 23 oktober 1954 en Fennigje op 4 mei 1955 in De Wijk. Ze is naast haar eerste man Arend begraven op de begraafplaats in Nieuwleusen.

De Bijkers
Zoals we hiervoor al zagen gaan Hendrik Jan Bijker en Klaasje Bijker- Bijker in 1917 aan het Oosteinde 80 wonen, waar Hendrik Jan bakker is. Uit hun op 6 mei 1896 in Nieuwleusen gesloten huwelijk worden vier kinderen geboren.
Het echtpaar Bijker-Bijker deelt mee in de hiervoor bij Albertus Massier genoemde verdeling van de goederen van hun (schoon)ouders. Hendrik Jan en Klaasje krijgen bij die verdeling in 1916 o.a. drie huizen met bouwland, groenland, heide en weg, gelegen in de Vinkenbuurt aan de Koloniedijk, groot tezamen ruim twaalf hectare. Daarnaast krijgen ze nog een stuk grasland en heide van ongeveer twee en een halve hectare. In deze verdeling worden in totaal maar liefst 47 kavels verdeeld onder de kinderen van Klaas Bijker en zijn vrouw Hilligje Bijker-Alteveer.
De huizen en boerderijen in Nieuwleusen zijn in het verleden heel vaak vernummerd. Zo hebben de nummers C32, C133a, C133, C181, C211, C267, Hoofdvaart 5 zuidzijde en Hoofdvaart 5 allemaal betrekking op het tegenwoordige Oosterhulst 5 waar het gezin van Hendrik Jan Bijker en Klaasje Bijker-Bijker woonde voor ze naar Oosteinde 80 verhuisden. Het huis Oosterhulst 5 was gelegen op het noordelijk uiteinde van het grondbezit dat aan hun (schoon)ouders Klaas Bijker en Hilligje Bijker- Alteveer toebehoorde.

Deze foto van het gezin van Hendrik Jan Bijker en Klaasje Bijker-Bijker is omstreeks 1916 bij de fotograaf in Zwolle gemaakt.




Het eerste kind van Hendrik Jan Bijker en Klaasje Bijker is Koop. Hij is op 8 juli 1897 geboren op het adres C32. Hij trouwt met Geesje Waanders (14-01-1904 - 18-06- 1985). Koop is overleden op 16 januari 1959 te Nieuwleusen op de leeftijd van 61 jaar. De tweede zoon is Klaas Bijker, geboren op 18 maart 1899 1889 op C133a. Hij overlijdt op 49-jarige leeftijd in Zwolle op 8 februari 1946 16 januari 1959. Klaas is bakker en heeft zijn bakkerij in Den Hulst bij de Ommerdijkerbrug. Hij trouwt op 27 maart 1924 in Nieuwleusen met Aaltje Muller (30-10- 1899 - 19-07-1986). Hun zoon Jacob (Jaap) Bijker wordt eveneens bakker en volgt zijn vader op in de bakkerij waar nu bakkerij Timmer is gevestigd.(Rianne Bouwknegt vertelde bovendien dat Klaas Bijker aan een hartstilstand overleed en dat zijn zoon, haar zwager, Jaap Bijker (18-09-1926 – 15-10-1998) toen van school af moest omdat hij zijn vader moest opvolgen.)
De jongste zoon is Arend Jan Bijker, geboren op 8 september 1902 op C133. Ook Arend Jan wordt bakker en trouwt met Aaitje Katerberg (zie hiervoor).
Het vierde en jongste kind staat niet op de hierbij afgedrukte foto omdat zij dan nog niet is geboren. Dochter Hilligje Bijker wordt op 23 juni 1908 geboren, ook op C133. Zij is niet getrouwd. Ze hielp mee met de boerderij en het huishouden. Later is ze verhuisd naar één van de (inmiddels afgebroken) flatjes aan de Raiffeissenstraat. Hilligje is overleden op 13 oktober 1986, oud 78 jaar.


Ansichtkaart uit ca 1925. De Brood, Koek en Banketwinkel van bakker Klaas Bijker. Vlnr. vanaf de bakkersfiets: Jan van Duren, Dina Vonder, Janna Massier (niet uit Nieuwleusen afkomstig), Aaltje Bijker-Muller met Klaasje Bijker op de arm en Klaas Bijker.

Nadat Hendrik Jan Bijker op 15 april 1931 op 65 jarige leeftijd is overleden, hertrouwt zijn vrouw Klaasje Bijker met haar zwager Hendrik Prins die boer is op het erf Alteveer. Zij verhuist daar naartoe met haar dochter Hilligje. Hendrik Prins was eerder getrouwd met Klaziena Bijker (07-04-1877 - 05-04-1930), een zuster van Klaasje Bijker en Aaltje Bijker (de eerste vrouw van Albertus Massier). Klaasje Bijker is op 6 februari 1951 overleden op de leeftijd van 77 jaar en begraven op de Algemene Begraafplaats in Nieuwleusen.


Trouwfoto van Berend Bijker en Antje Schuurman van 26 maart 1958 voor het gemeentehuis van Nieuwleusen. Vlnr: Arend Jan Schuurman, Geesje Schuurman-Pellenkoft, Berend Bijker, Antje Bijker-Schuurman, Aaltje Bijker- Katerberg, Hendrikje Katerberg-Spijker en Arend Jan Bijker. (foto B. Bijker)

Arend Jan Bijker, de jongste zoon van Hendrik Jan Bijker en Klaasje Bijker-Bijker, trouwt met Aaltje Katerberg. Al hun kinderen worden op het adres Oosteinde 80 geboren. Als eerste op 16 juni 1929 dochter Klaasje. Zij trouwt later met Klaas Dunnink die ook bakker is. Het tweede kind, zoon Berend, wordt geboren op 24 november 1930 en volgt later zijn vader op als bakker (zie hiervoor).
Op 3 december 1932 wordt als derde kind Hendrik Jan geboren. Hij trouwt later met Hilligje Schuurman.
Hendrikje Bijker, het vierde kind, wordt op 27 juni 1934 geboren. Zij trouwt met Hilco Krol.
Vijfde op rij is Jan Bijker. Hij wordt geboren op 13 mei 1938 en hij trouwt met Margje van der Kolk.
Het zesde en laatste kind is Arend Jan Bijker, geboren op 30 september 1948. Hij trouwt met Jantiena Geertien Vriend.

Bronnen:
H.C.O. Zwolle, bevolkingsregister Nieuwleusen; internet;
Wim Visscher: Heeren van de Ligtmis (blz. 383-388); fam. Reurink-Schoemaker, fam. Huzen-Sandink; overige leden van de werkgroep Genealogie (research).

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO

De groepsfoto is gemaakt in 1999 toen de zangvereniging D.E.S. haar 40-jarig jubileum vierde.



1  
2  
3  
4  
 
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
 
18  
19  

Aly Hekman-Borger
Ina van de Vegt-Kouwen
Roelie Roo-Bloemhof
Anneke Kalteren-
Wemmenhove
Lammie de Roo-Monsuur
Lidy Hoogteijling
Jan Jonkers
Hans Drost
Wim Wienen
Klaas Koopman
Stien Bosman-Geerts
Ada Kremer-Fransen
Hennie Velzing-Breider
Mieke Scharloo-Vreugdenhil
Geertje Brouwer-Kragt
Hartman-de Groot
Loes van de Wetering-
ter Morsh
Marie van Zoelen-Veld
Corry de Boer-Stellema

20  
21  
22  
 
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
 
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  

Klaasje Kouwen-Visscher
Alie van Duren-Bosch
Dicky Grevelman-
van der Kamp
HendrikJan Eikenaar
Jan Kragt
Jaap Neuteboom
Hendrik Jan van de Vegt
Arend Huzen
Margot Dirksen
Alie Tempelman-Compagner
Jannie Kamerman-Stegerman
Aly van de Hoek-Snijder
Jo Wink-Brinkman
Fennie van de Molen-
Lummy Verbeek-Pit
Geertje Westerman-Kleis
Marjan Schuldink-Jonkers
Jennie Croezen-Kooistra
G Kasper-Tuten

39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  
47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  
54  
55  
56  
57  
58  
59  

Koop Witpaard
Hendrik Jan Winkels
Hendrik Kouwen
Willem Pasman
Tinie Pinxsterhuis-Bunskoek
Klazien Snijder-de Boer
Hennie Stegerman-Winkels
Jennie Snijder-Petter
Jantje Jonkers-Lubbers
Jannie Visscher-Bouman
Gerrie Sterken-van Zanten
Sophie Scholten-Klein
Ada Di Lorenzo-Henstra
Henk Snijder
Henk Bollemaat
Henk Ruitenberg
Alex Dam
Anneke Sierink-van Es
Marrie Bosch-Gerrits
Margje Visscher-Talen
Rita de Graaf-Griffioen

* * *

ARCHIEF ZANGVERENIGING D.E.S.

Gees Bartels

Onlangs ontving onze vereniging van mevrouw Kremer-Fransen het archief van de in 2013 opgeheven zangvereniging D.E.S. te Nieuwleusen. Twee grote, volle tassen met een veelheid aan spullen, notulenboeken, fotoboeken, cd's, recensies van uitvoeringen en nog veel meer; een rijk archief van een zangvereniging met een rijke historie. Interessant materiaal dat vooral een uitdaging kan zijn voor iemand die de geschiedenis van deze vereniging wil beschrijven.

De Christelijke Gemengde Zangvereniging Door Eendracht Sterk (D.E.S.) werd opgericht op 29 april 1959. D.E.S. ontstond uit een samengaan van de koren "Immanuel" en “De Lofstem". Deze koren waren allebei kort na de Tweede Wereldoorlog opgericht, maar waren op dat moment te klein om hun muzikale mogelijkheden goed naar voren te laten komen. Door de samenvoeging ontstond een sterke vereniging. In de keuze van de naam kwam naar voren hoe men tegen de samenvoeging en de toekomst aan keek.
Het koor telde bij de oprichting 45 leden en groeide in de loop der jaren door tot ruim 100.
In de eerste periode stond het koor onder leiding van Willem Huzen. Later werd hij opgevolgd door zijn zoon Dick Huzen. In 1995 kwam er een dirigent "van buiten", Jaap Neuteboom uit Hattem. Neuteboom was ook werkzaam als piano- en orgeldocent en organist van de Grote kerk in Hattem. Hij organiseerde regelmatig concerten waarbij “zijn" vier koren optraden.
D.E.S. bracht een repertoire ten gehore van geestelijke liederen, met daarbij werken van Bach, Gounod, Mozart en Mendelssohn. Hoogtepunten waren mooie concerten, een optreden in het tv~ programma "Nederland Zingt” van de EO, succesvolle concoursen en de uitgave van een LP en een CD.
Op 25 april 2009 vierde het koor met 56 leden het 50-jarig bestaan met een jubileumconcert in de Maranathakerk.
In de loop der jaren liep het aantal leden heel geleidelijk terug, maar na het jubileumconcert ging het onverwacht snel. Na vier jaar was het ledenaantal teruggelopen naar 35 leden en waren er te weinig mannenstemmen. Veel leden waren al vrij oud en er kwam geen jonge aanwas bij. Ook kwam er nu minder contributie binnen en stegen de kosten voor solisten, instrumentale begeleiding, salaris van de dirigent, zaalhuur en aanschaf van muziekstukken. Zodoende viel het onontkoombare besluit: opheffing. Maar voor het zover was, repeteerde het koor vol overgave voor een prachtig slotconcert. Ruim 250 belangstellenden waren aanwezig in de Maranathakerk, waar D.E.S. “in stijl” afscheid nam met een avondvullend programma, waarin “zingen tot eer van de Schepper" naar voren kwam in de 17 stukken die waren aangedragen door de leden en hun dirigent tot de laatste uitvoering, Jaap Neuteboom.

* * *

JE MOEDERTALE VERGET IE NOOIT

Kees Kok

In het kwartaalblad van juni dit jaar schreven we over het karnhuisje op het erf van de familie Kiekebosch aan het Westeinde 96a, dat gebruikt is door de familie Zonnenberg. Toevallig kregen wij kort daarna een krantenknipsel uit De Oprechte Dalfser Courant van 26 juni 2000 waarin Kees Kok, die in 1954 naar Canada emigreerde, vertelt over zijn familie. Hierbij de delen uit dat artikel die aansluiten bij wat we in het juninummer over de familie Zonnenberg schreven.


Ik bin Kees Kok. Wi'j woont in Chatham, Ontario, Canada en bint geimmegreerd in negentienviernvieftig met de hele familie uut de Heuislagen. Ikke was toen zestien joar. Mien va kwam uut Mastenbroek en mie moe uut Ni’j|uusn veurdet ze trouwd waarn. Mie moe was Jantie Zunnebarg (Jantje Zonnenberg, hierboven met een juk bij het melkrek bij de ouderlijke woning) en mien va was Albert Kok. lk heb iene breur, Egbert, en twee zusters, Jannie en Gerrie. Wi'j gingn naar de Schoele met de Biebel bi’j 't Plankenlosie. Ik heurn det ze die schoele met de grond vlak emaakt hebt umdet ze doar met de weg en 't water an ‘t bolwarkn mossen.

Ik bin vrogger vake op Ni'j|uusn ewest. Mien grootva was Gerrit Jan Zunnebarg en die was vrogger loco-burgemeester. Ik weet nog goed det die altied zo'n speltie op zien vest had van de koninginne as hi'j zien beste pak an had. As wi'j doar op zundag waarn, dan ging wi'j noar ‘t Schuttenkarkie an ‘t Westeinde. De vrouwn zaten an de ene kant en de mannen an de andere kante, mar ik mogge bi’j mien moe zitten umdet ik nog jong was. De dominee kwam zoaterdagoamd al en sleup bij de Zunnebargs, want ie moggen niet reizen op zundag. D'r was gien orgel in de karke en mien grootva was veurzanger, en wi'j zungen op hele noten. Wi'j moggen niet op de fietse noar de karke maar mossen doar lopend noar toe. Mien va hef mi’j wel is verteld det ze de diaken soms wakker mossen maken as ‘t tied was van collecteren. Marja, die mien va kent, die weet wel det hi'j van een grappie heuld en det e d'r soms wel is wat bi’j deu.

Ik weet nog det as wi'j een hoge nood hadden dan deden wi'j det achter de karke tegen een bössie.

Gerrit Jan Zonnenberg, wethouder van de gemeente Nieuwleusen van 07-09-1915 tot 06-09-1927

Mie moe hef wel is ezegd det ze bliej waren as mien grootva veur de gemeente op stap mos. De schoenen mossen altied goed opepoetst wodden. Op zien olde leeftied had hi'j een driewieler en doar mochten wi'j ok wel is op fietsen.

* * *

EEN ONOPGELOSTE ZAAK

Jakob de Weerd

Op 20 februari 1941 toog de 23-jarige Harm Mulder uit Staphorst naar het gemeentehuis in Nieuwleusen. In zijn functie van marechaussee verklaarde hij voor H. van Spijker, ambtenaar van de Burgerlijke Stand, dat op 17 februari om kwart over negen ‘s morgens was “overleden bevonden een onbekend manspersoon, naar schatting oud veertig a vijfenveertig jaren, waarvan den aangever de nadere gegevens niet bekend zijn".
Voorzover bekend is het nooit duidelijk geworden om wie het ging. Toch weten we iets meer over de oorzaak van deze aangifte. In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 18 februari 1941 lezen we onder de kop "Lijk opgehaald":

Gisteren is uit de Dedemsvaart tusschen spoorbrug en Lichtmis het in verren staat van ontbinding verkeerende lijk van een manspersoon opgehaald. Het is naar het lijkenhuisje op de begraafplaats overgebracht. De identiteit kon niet worden vastgesteld.

Een dag later schrijft dezelfde courant onder de kop "Identiteit vastgesteld":

Naar we vernemen zou de verdronkene wiens lijk maandag uit de Dedemsvaart werd opgehaald, een zekere Verver zijn, wonende in een scheepje nabij de Rollecate.

Het Agrarisch Dagblad van 19 februari maakt eveneens melding van het voorval: “Lijk gevonden.”

Den Hulst. Door den opperwachtmeester der marechaussée, den heer Zuyderweg, werd een lijk drijvende aangetroffen in de Dedemsvaart tusschen station Dedemsvaart en de Lichtmis.
Het stoffelijk overschot werd overgebracht naar het lijkenhuisje der algemeene begraafplaats te Nieuwleusen.
Naar wij vernemen zou het een zekere Verver zijn, wonende op een woonscheepje, dat nabij de Rollecate gelegen was.

De Dedemsvaartsche Courant neemt op 21 februari het volgende artikel op:

Den Hulst. Lijk opgehaald. - Maandag is uit de Dedemsvaart tusschen de spoorbrug en de Lichtmis het in verren staat van ontbinding verkeerende lijk van een manspersoon opgehaald. Het is naar het lijkenhuisje op de algemeene begraafplaats overgebracht.
Vermoedelijk is het lijk van den bewoner van een woonscheepje bij de Rollecate, zekeren Verver, die per ongeluk te water is geraakt.

Hoewel er een naam opduikt, blijkt het deze persoon toch niet te zijn. De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 20 februari kopt: “Verdronkene niet geïdentificeerd."

Gisteren hebben we gemeld, dat het lijk, dat uit de Dedemsvaart was opgehaald, het stoffelijk overschot was van een zekeren Verver, een bewoner van een woonscheepje, nabij de Rollecate, die reeds eenigen tijd werd vermist. Het blijkt echter, dat deze conclusie niet juist is geweest. Het lijk is dus nog niet geïdentificeerd, zoodat inlichtingen ter bevoegder plaatse stellig alsnog gaarne zullen worden ontvangen.

Een paar dagen later, op 24 februari, corrigeert ook het Agrarisch Dagblad:

Nieuwleusen. Reeds eerder werd gemeld, dat het lijk, dat uit de Dedemsvaart was opgehaald, het stoffelijk overschot van een zekeren Verver zou zijn. Thans blijkt, dat dit niet juist is. Het lijk is dus nog niet geïdentificeerd, zoodat inlichtingen ter bevoegder plaatse stellig alsnog gaarne zullen worden ontvangen.

De Dedemsvaartsche Courant bericht op 25 februari als volgt:

Den Hulst. Wie is hij? Bij nader onderzoek is gebleken, dat het bij het station in de Dedemsvaart gevonden lijk niet dat is van den woonschipper Verver van de Rollecate. De politie zet haar onderzoek voort.

Hierna is er in de kranten niets meer over het voorval te lezen.
Waarschijnlijk is het lijk als onbekend zijnde begraven op de begraafplaats aan de Smitslaan in Nieuwleusen.

* * *

LANDBOUWVERENIGING NIEUWLEUSEN EN OMSTREKEN, I

Arie Kamerman

Tegen het einde van de 19e eeuw groeide het inzicht dat door samenwerking meer bereikt kan worden dan wanneer ieder voor zich opereert. Particulieren richtten coöperatieve verenigingen op om grote investeringen te kunnen doen die anders onhaalbaar zouden zijn. In 1906 werd de Coöperatieve Landbouwvereniging “Nieuwleusen en omstreken” opgericht. Men begon met 65 leden. Door het samen in- en verkopen van producten konden de leden hun economische kant vergroten en meer invloed krijgen op de kwaliteit van veevoer en kunstmest, die bij sommige handelaren onder de maat was. Ook kon men gezamenlijk de nieuwe ontwikkelingen in hun bedrijfsvoering beter toepassen.

Het eerste bestuur wordt door de leden gekozen en bestond uit de volgende leden: A. Aarten, H.J. Bijker (voorzitter), A. Bouwman (secretaris), Hk. Dijk, A.J. Huzen, W. Nijboer, H.J. Pessink (penningmeester), Albert Prins en B.J. Scholten.
Het dagelijks bestuur voert de besluiten van de bestuurs- en ledenvergadering uit.
Er wordt een commissie benoemd die belast wordt met de bewaking van de kwaliteit van de aangekochte goederen.

Om de bedrijfscapaciteiten te kunnen uitvoeren werd de molen van Massier aan het Molenpad aangekocht. Na enige jaren groeide men hier uit het jasje. De molen van Wilhelmus van den Berg aan het kanaal aan de westkant van Den Hulst werd aangekocht. Er werd een silo gebouwd voor de opslag van granen en andere grondstoffen.
De vereniging groeide gestadig en daardoor was het noodzakelijk dat er een directeur werd benoemd. G. Snijder werd in 1916 benoemd als directeur. Zijn salaris was ƒ 6,= per week.
In 1921 werd aan het Westeinde/Ruitenveen een filiaal gevestigd in de boerderij van Frans Masselink. In latere jaren werd er een loods bij gebouwd waarin de goederen werden opgeslagen.
Tot 1920 werden er geen mengvoeders geproduceerd. Toen dit wel was toegestaan kwam de productie ervan al snel opgang. De leden moesten er op kunnen vertrouwen dat de mengvoeders voor rundvee, varkens, pluimvee en paarden van een goede kwaliteit waren. De bestuursleden Van Hulst, Sterken en Westerman waren verantwoordelijk voor de kwaliteit en de samenstelling van de mengvoeders. Die kwaliteits- controle was en bleef een belangrijke zaak. In 1935 werd de controle overgenomen door de onafhankelijke controledienst van de Centrale Landbouw Organisaties (C.L.O.-controledienst).

In 1930 kwam er een tweede vestiging in Nieuwleusen. Er werd gebouwd in de Kerkenhoek aan de Ommerdijk (Burg. Backxlaan); een vestiging met een lange steiger aan de straatkant. Dit was nodig om de boerenwagens gemakkelijk te kunnen laden en lossen.


Bestuursleden en directie van de Landbouwvereniging, mogelijk met personen van elders, omstreeks 1935. Voorste rij: 2e van links Klaas Kouwen, 3e van links is Gerrit Snijder en helemaal rechts zit Gerrit Huzen. De overigen zijn onbekend.

In 1939 werd de eerste aardappelstoommachine aangeschaft. De leden konden hiermee hun aardappelen laten stomen en vervolgens inkuilen om te gebruiken ais varkensvoer.
De Landbouwvereniging bemiddelde ook bij de aankoop van eendagskuikens. Die werden betrokken van broederij Morsink in Enter. In het voorjaar kon men opgeven welk aantal, het gewenste ras en op welk tijdstip. Bijvoorbeeld: 50 stuks witte leghorn in de eerste week van mei. Dit heeft geduurd tot in de 60er jaren. De aantallen werden toen groter en door de broederijen rechtstreeks aan de klanten geleverd.

Doordat de omzet steeg en de administratieve werkzaamheden toenamen werd in 1920 de jonge Klaas Kouwen benoemd als kantoorbediende. Toen G. Snijder in 1927 werd benoemd als directeur van de Landbouwvereniging in Markelo, werd in zijn plaats boekhouder Klaas Kouwen benoemd als directeur, met een jaarsalaris van ƒ 1800,=.
In de ontstane vacature werd Johannes Hopster uit Nieuwleusen benoemd als boekhouder.

De jaren dertig waren niet gemakkelijk. De prijzen van landbouw- producten stonden onder druk. Ook kreeg men te maken met loonsverlagingen van het personeel. Enkele bestuursleden, commissarissen, personeelsleden en directeur Kouwen werden in 1939 opgeroepen voor militaire dienst.
Gedurende de oorlogsjaren 1940-'45 was de bedrijfsvoering bijzonder moeilijk. Er kwam steeds minder werk en daardoor was het niet mogelijk alle personeelsleden in dienst te houden. Er ontstonden ook steeds meer problemen rond de levering van goederen en de omzet daalde met 50%.

Op 4 mei 1943 reed 's middags een vrachtwagen van de CLV te Slagharen het terrein op. Er sloeg een meterslange vlam uit de gasgenerator van de vrachtwagen en het gevolg was brand in de naastgelegen houtopslag van aannemer Goselink. Ondanks harde wind wist men de brand te blussen. Maar toen bleek dat het rieten dak van de molen ook was gaan branden. Ondanks inzet van de brandweer- korpsen uit Nieuwleusen, Staphorst en Avereest was de zaak niet meer te redden.


Het restant van de molen na de brand van 4 mei 1943. Het krantenartikel komt uit De Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 8 mei 1943.

Na het blussen bleek dat de molen helemaal was uitgebrand en dat het dak van de nieuwbouw en het dak van de silo waren vernield. De machinekamer had alleen waterschade opgelopen.
Als gevolg van gebrek aan materialen was geheel herstel van de schade niet mogelijk. Een deel kon worden hersteld door de zoldervloeren van het pakhuis bij het tramstation te gebruiken. Het malen van granen concentreerde zich bij het filiaal in de Kerkenhoek.

In 1950 krijgt het Centraal Bureau de opdracht tekeningen te maken voor nieuwbouw c.q. verbouw van de panden. De Fa. Eshuis en Zn uit Nieuwleusen voert de nieuwbouw uit voor een bedrag van f 175.810,=. In augustus 1952 verricht burgemeester J. Hoekstra de opening van de nieuwe maalderij in Den Hulst. In september komen ongeveer 600 leden en familieleden de nieuwbouw bezichtigen.

In augustus 1956 wordt het 50-jarigjubileum van de coöperatieve landbouwvereniging gevierd met een feestelijke receptie in zaal Schoemaker. Bij deze receptie is ook aanwezig de 82-jarige Wolter Nijboer, het enige nog in leven zijnde lid van het eerste bestuur, en worden de oud-medewerkers Hendrik de Graaf (meestal Hendrik Stolte genoemd), 89 jaar, en Th. Bonen, 73 jaar, welkom geheten. De leden worden uitgenodigd om een avond bij te wonen waar het bekende gezelschap Tetman de Vries uit Leeuwarden optrad. Men genoot van het prachtige zang- en toneelspel "De tijd staat niet stil".


Op 15 augustus 1956 verscheen een uitgebreid artikel over het 50-jarig jubileum van de Landbouwvereniging in de krant waarbij deze foto was geplaatst. De personeelsleden die het langst in dienst zijn geweest (vlnr) de 89- jarige oud-molenaar H. Stolte, de 82-jarige Wolter Nijboer en de 73-jarige Th. Bonen.

In de jaren 50 en 60 van de vorige eeuw bleef de landbouwvereniging groeien. Er werden aan honderden leden en afnemers meststoffen, brandstoffen en diverse landbouwbenodigdheden geleverd. De begrippen schaalvergroting en efficiënter werken kwamen ook hier in beeld. Op een ledenvergadering in juni 1969 werd besloten om te gaan fuseren met de Coöp. Landbouwvereniging te Balkbrug. Zo ontstond de Coöperatieve Landbouwvereniging NIBA te Balkbrug. Deze heeft vijftien jaar bestaan en is in 1984 gefuseerd met de Coöp. Landbouwbank te Meppel. Het is tegenwoordig, na een fusie, Coöp. Agrifirm en heeft een groot deel van Nederland als werkterrein.

* * *

NIEUWJAARSWENS 1921

A. Masselink

Nieuwjaarswens aan mijn familie te Zwartsluis, januari 1921

1921 is voor ons niet als andere jaren
Die wij allen in gezondheid bij elkander waren
Een dierbaar pand is ons thans ontnomen
En rouw is over ons en ons huis gekomen.1
Het is voor mij heden een groot gemis
Dat zij niet meer in ons midden is.
Veel heeft zij hier op aarde geleden
Maar daarbij ook zeer veel gebeden.
De hoop dat zij nu boven is
Geeft mij troost in dit gemis.
Daarom dan ook niet getreurd
Maar gedacht aan eigen beurt.

Laten wij ons huis bereiden
Eer dat de dood ons vaneen komt scheiden.
‘t Is nog de wel aangename tijd
‘t Is nog de dag der zaligheid.
Wie weet of wij een volgend jaar
Nog allen gezond zijn met elkaar.
Maar als de Heiland is de borg voor onze zielen
Geen nood als wij in dit jaar dan eens vielen.
Ons vallen hier is dan een opstaan hierboven
Om dan eeuwig de Heiland te loven.
Schenke de Heere ons zijn genade dit jaar,
Dat is mijn wens aan u met elkaar.


1 Albert Masselink verwijst hier naar zijn echtgenote Geertruida Visscher die op 27 november 1920 op 65 jarige leeftijd was overleden. Ze werd geboren in Zwartsluis en trouwde, als weduwe van Derk Bruggeman, op 24 februari 1887 op 31 jarige leeftijd met de 27 jarige Albert Masselink uit Nieuwleusen.


Nu nog iets over het een en het ander
Maar eerst dat wij gezond zijn met elkander
En hopen dat het met u ook zo is
Was het anders, het zou ons spijten gewis
De gezondheid, de grootste schat hier op aarde,
Wordt niet altijd door ons geschat naar zijn waarde
Maar als wij ziek zijn gevoelen wij gewis
Wat een zegen de gezondheid hier is.

Moogt gij deze letteren in gezondheid ontvangen
En de anderen laten lezen, dit is mijn verlangen
Anders zou ik er twee moeten schrijven
En zou er haast een nacht bij op moeten blijven.
Maar aan wie moet ik nu de brief adresseren.
Aan Kobus of Jan, aan een van die heren.
Mij dunkt maar aan Kobus, de oudste der twee.
Die deelt dan aan zijn broeder de inhoud wel mee.
Zo goed zal broeder Kobus wel wezen
Om ook de anderen het te laten lezen.
Kom maar eens over, dat moet gij niet laten,
Dan kunnen wij samen genoeglijk eens praten.
Kom ons nog maar eens spoedig bezoeken
Eens komt er een tijd, dat wij het aten moeten.

Nu nog een algemene wens van mij
En van mijn huisgezin voeg ik hierbij.
De Heere zij met u op al uw wegen
En schenke u dit jaar zijn onmisbare zegen.
Hij zegene u allen in huis en in hart
En beware u allen voor onheil en smart.
En mogen wij samen bij het volgende jaar
Nog allen gezond zijn en nog bij elkaar
Nu nog onze groet tot een besluit
Want rijmen valt niet mee, en ik schei er mee uit.

Nogmaals van ons allen gegroet,
A. Masselink en huisgezin.

* * *

INHOUD JAARGANG 34

Blz.
1  
10  
20  
22  
36  
37  
39  
41  
47  
56  
57  
64  
65  
67  
71  
73  
76  
79  
87  
90  
105  
120  
123  
125  
127  
129  
134  
136  


Tekening havezate Oosterveen, een ontdekking
Het levensverhaal van Berend van Berkum en Marrigje Stolte, 2
Een oude groepsfoto (gastvrouwen-heren museum Palthehof)
De christelijke lagere landbouwschool te Dalfsen
Boter
Reacties
Zoekplaatjes
Jakob de Weerd koninklijk onderscheiden
Afscheidstoespraak
Bij mijn afscheid als voorzitter
Karnhuis voor het maken van boter
's Ochtends haalde ik bij de boerin de melk
Een bijna deal
Diderik
Bestuurswisselingen
Meester Kapenga
Een bijna deal
Jan Albert Vorschezang, een weeskind en zijn nazaten
Een oude groepsfoto (dorsen)
De Rute, woest en onbewoond land
Oosteinde 80, ruim 80 jaar bakkersgeschiedenis
Een oude groepsfoto (zangvereniging D.E.S.)
Archief zangvereniging D.E.S.
Je moedertale verget ie nooit
Een onopgeloste zaak
Landbouwvereniging Nieuwleusen en omstreken, I
Nieuwjaarswens 1921
Inhoud jaargang 34








Jaargang 35 nummer 1 maart 2017


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina

De mode van 1978, het gezin van dominee M.J. Kalvenhaar. (1972-1978)

* * *

GOED VEUR DE DAG KOMEN

Het onderwerp van de tentoonstelling van 2017 roept allerlei herinneringen op aan gebeurtenissen in ons eigen leven aangaande kleding.
Heb je ook zo’n verhaal? Stuur het ons toe, kunnen we het ook publiceren. Dat zal vast een leuk tijdsbeeld opleveren.

Na de crisistijd en de oorlog was in Nederland gebrek aan alles; ook aan kleding en het was overal hetzelfde; verstellen en vermaken tot de stof van ellende uit elkaar viel. Gebreide truien werden uitgehaald en de wol werd opnieuw gebruikt.
Een beetje huisvrouw kon breien, mazen, stoppen, naaien, verstellen en vermaken.
Zo werden er randjes als tussenstukken in rokken genaaid, zodat het dochtertje in de groei er weer een jaar mee vooruit kon.
Kleding lostornen en keren voor een “nieuw” kledingstuk was aan de orde van de dag.
In de vijftiger jaren mochten meisjes opeens lange broeken dragen. En zo kreeg mijn zus een lange broek die m’n moeder had geknipt uit de streepjes-trouwbroek van m’n vader. Ik was jaloers en niemand wist van dat eerdere gebruik, maar zij vond het afschuwelijk, voelde zich ‘voor gek lopen’ en hield er een trauma aan over.
Badpakken waren een ramp, vaak gebreid of van een te zware stof, die, eenmaal nat, ging uitzakken en dat maakte dat je gegeneerd uit het water stapte en vlug een handdoek omwikkelde.
Hoe blij was ik toen ik een dun katoenen badpak, met spaghettibandjes en rimpelelastiek, dat het model vasthield ook als het badpak nat was, van een nichtje mocht overnemen!
En toen kwam de tijd van de bikini. Maar die was afgestemd op een gelijkmatige verhouding kont/buste. Dus meisjes met weinig buste hadden echt een probleem. Ik weet nog dat ik in de grote, drukke V&D me anoniem genoeg voelde om stiekem een boven- en onderstuk te wisselen, passend bij mijn figuur. En ik vond de verkoopster wel wat dom dat ze het niet opmerkte, maar het knagende schuldgevoel verdween in de loop van de zomer omdat de bikini zo prettig zat.
Een jaar later hadden de producenten het probleem ook in het vizier en kon je eindelijk onder- en bovenstukjes los van elkaar kopen.
De eerste petticoats naaide m’n moeder zelf; in drie etages met katoenen broderie tussenstrookjes en naar onderen toe steeds wijder. Na de was ging er een flinke hoeveelheid stijfsel in en de eerste dag was je trots op de mooi wijduitstaande rok die je droeg. Maar de tweede dag hing de petticoat alweer slap en de derde dag was de lol eraf. Dus in de wasmand; geen vanzelfsprekendheid, want in die tijd droeg je de kleding vaak een hele week alvorens die in de was ging. De weer nieuw gewassen en gesteven petticoat was dus een wekelijks terugkerend feest, met bijbehorende teleurstelling.

Liesbeth Stolte-v.d. Berg vertelde dat ze zich nog goed herinnert hoe ze met haar moeder naar de winkel ging om een nieuwe jurk te kopen Ze was zo’n jaar of tien. Ze was enig kind en haar moeder was er erg op gespitst haar kind niet teveel te verwennen.
Er hing een mooie jurk met bovenin smokwerk en Liesbeth wilde die jurk dolgraag hebben.
Maar de jurk was duur; te duur vond haar moeder. “Ach, mevrouw”, zei de verkoopster, “het is uw enig kind. Gun haar die jurk.” Maar nee, het gebeurde niet en Liesbeth moest met een eenvoudige jurk tevreden zijn. Hoe die eruit zag? Dat weet ze echt niet meer.
Op de tentoonstelling is de eerste jurk te zien die Liesbeth zelf heeft genaaid op de huishoudschool, gemaakt van Ploegstof, een merk waarvan je wist dat de mooie soepele katoenen stof lang mee ging. En er is een mooi badpak te zien dat ze ook bewaard heeft. Het is van het merk “Delana”. Die merknaam was generaties lang een begrip; prijzig maar geliefd omdat de kleding zo prettig zat en van een prima kwaliteit was.
Verrassend was de ontdekking dat deze bekende tricotagefabriek niet in Twente of Brabant was gevestigd, maar hier vlakbij, in Dedemsvaart.

Delana
Gerrit Johan Aleid Ruys, koopman uit Utrecht, begon in 1903, financieel gesteund door Bonne Berends, in Dedemsvaart met een kleine onderneming, waar een zestal vrouwen met handbreimachines sokken produceerden.
Er kwamen al snel financiële problemen, maar in 1907 kon Bonne Berends de zaak terugkopen voor zijn zoon Berend, die een voetgebrek had en waarschijnlijk daardoor ongeschikt werd geacht voor het werk in de veenderij, waar de familie z’n kapitaal verdiende. Er werd een nieuwe fabriek gebouwd aan de Rollepaal. Die kreeg de naam “De Eerste Nederlandse Fabriek van Gebreide Fantasiegoederen”.
Berend Berends was getrouwd met Zwaantje Jonker uit Nieuwleusen en ze waren zeer ambitieus in het bedrijf en ook de familie Minke was met het bedrijf verbonden.
Het bedrijf groeide, maar door financiële tegenslagen in de veenderijen moest de “Fantasiefabriek” weer worden verkocht. Nu was het Martinus Minke die de fabriek overnam voor zijn zoon Guus, die al enige ervaring had opgedaan in Enschede en Engeland.
Met het vertrek van Berend en Zwaantje ging veel ervaring voor het bedrijf verloren, maar Guus wist steeds meer zijn stempel te drukken op het bedrijf.
In 1929 werd de firmanaam gewijzigd in “Delana”, afgeleid van het Franse woord “de laine”, of wel ”van wol”. Meer en meer ging men over op massaproductie. De sokken werden afgeschaft en men ging over op gebreide kinderkleding en boven- en ondergoed.
In 1931 bracht Delana voor het eerst badpakken uit en dat werd een geweldig succes.
Bij het uitbreken van de oorlog in 1940 waren er 400 medewerkers in dienst . In 1945 waren dat er nog maar 70. Na de oorlog werden er direct maatregelen genomen om de productie weer snel op gang te brengen. Vanaf 1948 werd de omzet weer sterk vergroot en werden de gebouwen uitgebreid.
Jetty Minke uit Voorburg trouwde in 1952 met Huub Tak, bedrijfseconoom, die direct na het huwelijk in dienst trad bij Delana als directie assistent. In 1953 trad Hubert, de 2de zoon van Guus in dienst. Het bedrijf kwam in een stroomversnelling waardoor het gezicht van Delana veranderde.


Er vond een renovatie en uitbreiding plaats en bij de opening van het gehele fabriekscomplex in 1954 waren er ruim 500 medewerkers in het Delanabedrijf werkzaam.
In 1956 meldde de oudste zoon Martinus (27) zich aan, die de taak algemene zaken kreeg. Snel daarna volgden Frits en Bernard in de zaak. Allen hadden ze hun textielopleiding in binnen- en buitenland gevolgd. In Roosendaal werd de Tricotagefabriek “M. de Wit” aangekocht. Daar werden voornamelijk truien, vesten en pullovers vervaardigd. In 1957 te Genemuiden een confectieatelier gestart en er kwamen nog meer vestigingen.
Maar midden jaren zestig begon de opkomst van de lage lonen landen en dat werd ook in de textiel goed zichtbaar. De consument nam de kwaliteit niet meer zo nauw, werd modieuzer en de mode veranderde steeds sneller. Veel textielbedrijven moesten hierdoor hun poorten sluiten. Zo begon ook voor Delana een moeilijke tijd aan te breken. In mei 1968 werd surséance van betaling aangevraagd. In Dedemsvaart werden de gebouwen verkocht. Alleen het bedrijf in Roosendaal bleef doordraaien met nog 100 medewerkers, maar op 13 december 1971 sloot het bedrijf zijn poorten.
(Bron: Kroniek van de familie Minke, Hoofdstuk 10.)

Even terzijde:
Wat opvalt aan dit verhaal is dat dit familiebedrijf uit Dedemsvaart wat betreft opkomst en ondergang veel parallellen vertoont met het familiebedrijf Union van de familie Van den Berg uit Nieuwleusen; de firma-naam met een Franse achtergrond en de derde generatie die de fabriek echt groot maakt. Maar ondanks de goede opleiding leggen ze het af tegen de maatschappelijke veranderingen.

Derofa
In Dedemsvaart was nog een confectiebedrijf; “Derofa”, een samenvatting van “Dedemsvaartse Rokken Fabriek”, van A.G. Scholte. Die kocht omstreeks 1955 voor zijn bedrijf N.V. Derofa het grote voor dokter Meijering gebouwde woonhuis en maakte er een modern bedrijfspand van.
Op de hoek van de Marktstraat en Julianastraat kwamen op de begane grond winkels en de receptie. Boven de receptie aan de Julianastraat waren de kantoren en de afdeling inkoop en daarachter knipzaal en magazijn. De fabriek was boven aan de Marktstraat.
Geen handige situatie en met de groei van het bedrijf naar 80 personeelsleden werd uitgeweken naar Nieuwleusen. Daar werd in 1966 in Den Hulst, Hoofdvaart 204 - 208 een nevenvestiging betrokken met royale atelierruimte, waar 75 personeelsleden werkten.
In 1974 werd het hele bedrijf overgeplaatst naar deze vestiging.
De directie heeft dit besluit genomen “om economischer te kunnen werken en om aan de vele orders die thans een levertijd van enkele maanden vragen, in ongeveer vier tot zes weken te kunnen voldoen”.
Een andere reden van overplaatsing was het feit dat veel personeel uit Staphorst, Zwolle, Ommen en Lemelerveld dagelijks naar Dedemsvaart moest worden vervoerd, waarbij men met de bussen de vestiging in Nieuwleusen passeerde.
Voor het personeel had de overplaatsing geen consequenties. Men hoopte zelfs na de overplaatsing meer werknemers te kunnen aantrekken.


Maar het waren moeilijke tijden voor de confectie-industrie. Veel fabrieken moesten sluiten, zoals Delana in 1971.
In 1974 verklaart Derofa, samen met 16 andere confectiebedrijven bij de bedrijfsvereniging dat ze de voorgestelde verhoging van de ziekengeldpremie van 8,4 % naar 11 %, nodig om de problemen veroorzaakt door de afvloeiende fabrieken, niet zullen betalen. “De ondragelijke last voor werknemers en bedrijven die reeds zoveel bedrijven naar de ondergang gevoerd heeft in de laatste jaren, gaat uw bedrijfsvereniging nu in versnelde vaart verhogen.”
Er worden in datzelfde jaar, op 31 mei 1974, door leden van de Tweede Kamer vragen gesteld over een ontslag in een confectiebedrijf in Nieuwleusen, naar aanleiding van een bericht betreffende “het ontslag van mevrouw W.S. op grond van zogenaamde opruiing van haar collega’s”, en, “of het waar is dat door de leiding van datzelfde bedrijf al eens eerder relatief veel actieve vakbondsleden werden opgenomen in een collectief ontslag van 40 personen?”
In 1978 wordt de naam van het bedrijf “Derofa Confectie-Industrie B.V.” en er komt een fusie met Twentse bedrijven en nauwe samenwerking met een vestiging in Haaksbergen.

Sijbe Pluim werkte in de tachtiger jaren bij Derofa. Dat was in de tijd dat het bedrijf flink groeide maar ook op allerlei manieren probeerde het hoofd boven water te houden. Hij vertelt hierover het volgende in het clubblad van USV; in “K & K. Voor een andere kijk op USV-ers. Deel 87”

Ik werd op 4 december 1961 geboren aan de Meele. Na de lagere school ben ik naar de Thorbecke in Zwolle gegaan, ik volgde de MAVO.
Na mijn schooltijd ben ik als vakantiehulp in het magazijn van Derofa hier in Nieuwleusen begonnen. Na een poosje kwam ik op de snijzaal. Daar heb ik een half jaartje gewerkt voordat ik opgeroepen werd voor militaire dienst. Toen ik uit dienst kwam kon ik weer aan de slag bij Derofa, echter niet in Nieuwleusen maar in Haaksbergen. Ik ging daar bij mensen in de kost.
Daar verbleef ik van maandag tot vrijdag om vervolgens weer naar huis in Nieuwleusen te gaan. Zo heb ik het ongeveer een jaar gedaan, op dat moment ging heel Derofa van Haaksbergen naar Nieuwleusen.
Circa 4 jaar heb ik hier weer op de snijzaal gewerkt. Hier sneden we patronen.
Na 4 jaar verkaste het hele spul weer naar Haaksbergen. Nu kon ik daar magazijn chef worden. Hiervoor moest ik eerst een half jaar meelopen bij een vestiging van Derofa in Oldenzaal om het vak te leren. Na een aantal jaren was het ineens gebeurd. Volgens de bazen functioneerde ik niet meer zo goed en moest ik plaats maken voor de vrouw van de boekhouder en een andere mooie jonge dame. Duidelijk een vorm van vriendjespolitiek. Ik werd daar de dupe van. Ik had het daar helemaal gehad en vond een andere baan. (…)
Omdat ook Irma terug wilde naar Nieuwleusen ben ik via via bij Boer in Staphorst komen te werken. Sinds 2002 wonen we opnieuw in Nieuwleusen.
Na het vertrek naar Haaksbergen werden de bedrijfspanden in Den Hulst overgenomen door Hulsink aannemingsbedrijf en nog weer later door BAM Infra Materieel.
In 1992 verklaart Derofa zichzelf: een bloeiende firma voor kledingstoffen en fournituren groothandel, die haar klanten producten en diensten van de hoogste kwaliteit biedt.
Toch gaat het mis en op 29-05-2009 vraagt de BV een faillissement aan en volgt de opheffing wegens gebrek aan baten op 11 oktober 2011.




Mode rond 1930

* * *

CORRECTIE EN AANVULLING

Rianne Bouwknegt wees ons op een fout in het artikel in ons vorig Kwartaalblad: Ruim 80 jaar bakkersgeschiedenis.
Daarin staat dat Klaas Bijker is geboren op 18-03-1889 en is overleden op 16-01-1959. Dat klopt niet. Het moet zijn:
Klaas Bijker is geboren op 18-03-1899 en overleden op 46-jarige leeftijd op 08-02-1946.
Zij vertelde bovendien dat Klaas Bijker aan een hartstilstand overleed en dat zijn zoon, haar zwager, Jaap Bijker (18-09-1926 – 15-10-1998) toen van school af moest omdat hij zijn vader moest opvolgen.

* * *

LANDBOUWVERENIGING NIEUWLEUSEN EN OMSTREKEN, 2

Gé Evertsen-Boer

Arend Jan Evertsen en Arie Kamerman zijn geboren en getogen in Nieuwleusen. Ze zijn ongeveer even oud, hebben bij elkaar op school gezeten en waren hun hele werkzame leven in dienst van de Coöperatieve Landbouwvereniging.
De ouders van Arend Jan zijn Evert Evertsen en Hendrikje Klomp. Arend Jan is getrouwd met Geertje Boer. Arie Kamerman is een zoon van Hendrik Kamerman en Jentje Kouwen. Ze hadden een boerderij aan de Schapendijk. Arie is getrouwd met Hillie Westerman. Zij woonde aan het Westeinde. Haar vader had een kruidenierswinkel die later is voortgezet door zoon Aalt. Gé Evertsen-Boer vroeg Arend Jan en Arie iets te vertellen over hun werk bij de Coöperatieve Landbouwvereniging.


Arend Jan Evertsen was 16 jaar oud toen hij van de landbouwschool kwam en ze bij de Landbouwvereniging iemand vroegen voor het pakhuis en de maalderij. Hij werd als jongste bediende aangenomen door directeur Kouwen en Arend de Weerd, de man van het pakhuis. Het was in 1955, net voor het 50-jarig bestaan werd gevierd. Eerst moest Arend Jan helpen zakken sorteren. De kapotte werden eruit gezocht, want die moesten gemaakt worden. Meyer deed dat en later deed Berend Dunnink dat ook wel. Berend Dunnink was de molenaar en hij was een grapjas. Hij mocht een ander graag voor de gek houden. Als er iemand bij hem in de buurt kwam met een mooi zwart pak aan, zei Berend, terwijl hij hem met zijn meelhanden aanraakte: “Toe ga even een eindje aan de kant” en dan had die persoon een prachtige witte hand op zijn mooie zwarte pak.
Arend Jan hielp ook in de mengerij. Daar werden verschillende soorten gemalen graan in een afgestelde verhouding met elkaar vermengd.


De gebouwen van de Landbouwvereniging in Den Hulst met links de woning van directeur Klaas Kouwen omstreeks 1955.

Natuurlijk probeerde Berend ook Arend Jan voor de gek te houden. Maar die trapte daar meestal niet in. Op een keer zei Arend Jan: “Je kunt mij van alles vertellen, maar mij maak je dat niet wijs.” Berend was geraakt: “Nou geloof het dan niet” en zei vervolgens niets meer. Een hele poos werkten ze bij elkaar in de buurt zonder iets te zeggen.
Na een poos zei Berend: “Zullen we maar weer praten?” “Mij best”, zei Arend Jan en zo was de stilte weer voorbij.
Arend de Weerd had de leiding in het pakhuis. Was hij er niet dan was Hendrik Jan Prins de baas.
Graan kwam per schip aan. Daar ging het op de wagen en dan de silo in. Beurtelings werd maïs, rogge of haver gemalen en opgezakt, toch wel een precies werk. Alles werd opgezakt en ging met een transportband het pakhuis in, waar het werd opgestapeld. Als men Arend Jan daar kon gebruiken was hij er de hele dag mee bezig.
Steenkolen werden van het spoor gehaald. Vaak `s morgens vroeg want overdag werd het te warm en kwam er ook een vieze damp af.
Steenkolen, antraciet, briketten, alles kwam via het spoor. Ook dat moest weer in zakken, die opgetild en verplaatst moesten worden. Soms meteen aan het spoor, maar ook wel aan de zaak. Briketten en steenkolen in zakken van 50 kg. Slakkenmeel (een kunstmest) was al verpakt en zat in zakken van 100 kg. Zoals Arend Jan toen ook gewoon vond, spaarde je de ouderen wat en deed het zware werk zoveel mogelijk voor hen. Ook voederkoeken moesten ze lossen. Die kwamen ook per goederentrein, maar werden ook wel van de fabriek in Oldeberkoop gehaald. Pulp, een vochtig veevoer, kwam per schip. Het spreekt voor zich dat het via het water ging zolang de Dedemsvaart nog open was. Later moest alles met een vrachtwagen gehaald worden.
Arend Jan mocht ook wel eens klanten helpen en dat vond hij mooi afwisselend werk.
Als het schafttijd was gingen ze naar het schaftlokaal. Dat was boven. Eerst nam je zelf koffie mee. Later zette mevrouw Gerrits koffie. Ook tussen de middag bleef het personeel over. Koffiedrinken deden de chauffeurs ook wel bij de boeren, maar alleen als er tijd genoeg was, want de vrachten moesten aan het einde van elke werkdag wel helemaal afgeleverd zijn. Dus bleef er niet veel tijd over om het woonhuis binnen te gaan. Rijden op de vrachtwagen was ook wel spannend. Je maakte vaak wat mee en kwam met veel mensen in aanraking.


Het laden van de vrachtenwagen met behulp van een transportband. Den Hulst omstreeks 1960.

Toen Arend Jan een vrachtwagenrijbewijs had zeiden de ouderen vaak als hij mee moest om goederen te bezorgen: “Rij jij maar”. Dat deed hij met veel genoegen. Daar leerde hij van, want je moest op de spiegels achteruit rijden, anders lukte het niet omdat bij de boerderijen vaak maar weinig ruimte was. Ze hadden ook wel artikelen in de auto om te verkopen, zoals klompen bijvoorbeeld.
Hij is ook nog een poosje vertegenwoordiger geweest. Eerst viel hij wel eens in, maar later werd hij zelf vertegenwoordiger. En later, toen de Landbouwvereniging de winkel van Willem Brinkman had overgenomen, kwam Arend Jan in de winkel. Dat vond hij ook mooi werk. Later werden de winkels Welkoop en daarmee kwamen er bepaalde voorschriften. Dit mocht wel in de winkel en dat weer niet. Ze kregen ook Welkoop kleding aan.
Ook in de Kerkenhoek aan de Burg. Backxlaan was een pakhuis met een winkel. ‘s Morgens moest je al wat bestelde goederen klaarzetten op de steiger. Ze werkten altijd met zijn tweeën. Anders zou ook niet kunnen want er moest ook nog van alles in zakken van 5 kg worden afgewogen, zoals legmeel, gemengd graan en stikstof. De opslag van kunstmest was aan de achterkant van het gebouw.


Met deze versierde wagen nam men deel aan de optocht op 5 mei 1970.

Ook moest je helpen met benzine tanken, want bij elke vestiging was een benzinepomp De benzine werd betrokken van OK.
Arend Jan deed alles met veel plezier, maar de winkel trok hem het meest. Hij kende de mensen ook gauw en wist wel, die houdt niet van een grapje, die vindt het juist leuk. In de winkel werkte hij veel samen met Arend Huzen en ze hadden veel plezier.
Het was vaak vrij druk. De klanten kwamen in de winkel om hun bestelling op te geven, en het bestelde vervolgens achter bij de steiger op te halen om mee te nemen. Wat dan wel eens gebeurde was dat je zei: “Ik kom er zo aan.” Maar ... dan was er alweer een nieuwe klant en die hielp je dan ook gauw even, met het gevaar dat je vergat dat er ondertussen achter iemand op je stond te wachten. Nu waren de klanten meestal heel geduldig. Zo kon het zomaar gebeuren dat je weer achter kwam en daar iemand op je stond te wachten die je al helemaal was vergeten. Maar als je dan zei: “Het duurde wel even, maar het was ook zo druk”, dan zei de klant, “O, geeft niets hoor, ik heb wel even tijd”.
In de tijd van de wandelvierdaagse deed ook een groepje mee van de Landbouwvereniging. Ook dat was gezellig. Allemaal gelijke kleren aan, dus het leek net een echte wandelclub.


Personeelsleden nemen deel aan de wandelvierdaagse en passeren de Landbouwvereniging in Den Hulst. Op de voorgrond de rails die van het kanaal naar de fabriek lagen.

De fusie met Balkbrug maakte niet zoveel verschil wat betreft de werkzaamheden, maar omdat ze daar een veel grotere ruimte voor opslag hadden, werd daar veel afgeleverd en moest daar veel worden afgehaald om bij de klanten te bezorgen.
Er kwam niet minder werk door de fusie, maar per bestelling kwam het accent op groot te liggen. De boeren werden groter en die lieten alles brengen. Bulk, vervoer in tanks, was er nog niet.
Voor het personeel pakte de fusie goed uit. De gemoedelijkheid bleef op de personeelsavonden en ook tijdens de reisjes. In Balkbrug was men al gewend om twee dagen samen op reis te gaan. Dat werd anders na de fusie met de Landbouwbank Meppel. Toen veranderde er veel meer voor het personeel en werd het er voor iedereen niet mooier op. Arend Jan hoefde zelf niet naar Meppel en dan hing je er wat meer bij. Tenminste zo’n gevoel had je. Dat kwam natuurlijk omdat Meppel ook veel groter was en ze hadden zelf een bank.


Een vrachtwagen van de Landbouwvereniging omstreeks 1970 voor de steiger van het filiaal aan de Burg. Backxlaan.

Het was een mooie tijd met veel gezelligheid, maar ook wel met hard werken, want toen moest er heel veel met handen en spierkracht gebeuren. Later, zoals overal, werd het meer machinaal. Maar het was een tijd om nooit te vergeten.

Ter gelegenheid van het 50 jarig jubileum in augustus 1956 van de Coöp. Landbouwvereniging werd een mooie personeelsfoto gemaakt..



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  

Cornelis Zieleman
Albert Jan Weelink
Gerrit Bruggeman
Hendrik Seinen
Arend Jan Evertsen
Harm Jan de Boer
Arend Huzen
Jan Berend Schuurman
Hendrik Jan Prins Wzn
Willem van der Hoek

11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  

Berend Dunnink
Jan Meulenbelt
Arend de Weerd
Hendrik Jan Klomp
Hendrik Masselink
Gerrit Jan Meesters
Corrie Hoek
Arie Kamerman
Hendrik Schuurman
Koop Witpaard

21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  

Gerrit Bonen
Wolter Snijder
Jannie Bijker
Hendrik van Eldik
Klaas Kouwen Rzn
Hendrik Brasjen
Hendrik Huzen
Jan Klein
Jan Kamerman
Lucas Huzen

Arie Kamerman trad in 1952 in dienst bij de Landbouwvereniging. Arie kwam op kantoor in de plaats van Gerrit Klosse, die in militaire dienst moest. Het was in die tijd nog gebruikelijk dat er bij een sollicitatiegesprek ook een afvaardiging van het bestuur aanwezig was en dat er in de bestuursvergadering verslag werd gedaan. Over de sollicitatie is het volgende in de notulen terug te vinden: “Voor de functie van jongste bediende op het kantoor in de plaats van G. Klosse hebben zich een jongen en twee meisjes aangemeld. De vergadering geeft de voorkeur aan een mannelijke kracht, mits deze geschikt lijkt. Daarom wordt benoemd met ingang van 10 november aanstaande: Arend Kamerman Hzn te Den Hulst. Het loon wordt, overeenkomstig de voorschriften, bepaald op ƒ 10,00 per week.”


Op 30 mei 1959 werd deze foto gemaakt. Vlnr: Klaas Kouwen, Hendrik Jan Klomp, Arie Kamerman, Jan Schaapman en Harm Wierenga.

Toen Arie werd aangenomen was de administratie nog vrij simpel. Ze deden het werk op kantoor met zijn vieren en hadden slechts 1 telmachine en 1 typemachine tot hun beschikking.
Directeur Kouwen had geen telmachine nodig. Als er iemand snel kon rekenen was hij het wel. Was je bezig met optellen en hij stond erbij, dan was het maar even of hij zei: zo en zoveel. Toe maar, zet maar neer.
Arie heeft de hele ontwikkeling meegemaakt naar de automatisering. Eerst kwam er een doorschrijfsysteem met drie bestelbonnen: De eerste bon was voor de boer, de tweede ging naar kantoor en werd verder verwerkt tot en met de aflevering van de bestelde goederen en de derde bon bleef bewaard.
Er waren vaste betaaldagen. Op zo`n morgen kwamen er wel 120 klanten. Tijd om te praten was er nauwelijks. Door de drukte werd er ook weleens een fout gemaakt. Als je nog iets op moest schrijven, maar de volgende stond er alweer en begon meteen tegen je te praten, dan kon je gemakkelijk iets vergeten.
Van het personeel werd verwacht dat ze zich bijschoolden. Daarvoor moest je naar Zwolle. Je ging dan `s avonds na het werk snel naar huis, even wat eten en dan op de fiets naar de stad.
Als je geluk had ging er nog iemand naar dat instituut en kon je samen fietsen. Arie ging samen met een medewerkster van de melkfabriek, die ook typen en steno leerde. Ook voor boekhouden kon je daar terecht. Als je vooruit wilde komen, moest je verder leren. Dat je op die manier lange dagen maakte, ach je wist niet anders. Dat moest je ervoor over hebben.
Als het personeel op reis ging was het bestuur ook van de partij. Het waren gezellige reisjes. Evenzo was dat met de personeelsavond. Dan liet men zich van de beste kant zien en menigeen deed mee aan een toneelstuk.
Bij het samengaan was in Balkbrug de heer Kroon nog directeur en Kouwen in Nieuwleusen.
Kouwen stond ruim een jaar voor zijn pensionering. Beide mannen hadden een heel verschillende interesse. Kouwen was een cijferman en is in die tijd ook de directeur gebleven. Kroon wilde graag alle dingen meemaken. Was er iets nieuws in het pakhuis dan wilde Kroon dat zien. De samenwerking ging heel goed. Kroon was nog een tijdje alleen directeur, maar al gauw werd de leiding overgedragen aan Kamerman en Van de Kamp. Ook dat ging prima omdat ieder zijn eigen werk deed. Ze zaten niet in elkaars vaarwater.
Waren bij de sollicitatie van Arie nog bestuursleden bij het gesprek aanwezig, na de fusie tot NIBA ( Nieuwleusen – Balkbrug) lieten ze het aan hem over. Het bestuur was van mening dat hij die verantwoordelijkheid intussen wel alleen aan kon.
Intussen was er natuurlijk al heel veel veranderd. Veel meer personeel, zeker ook op kantoor. Meer machines om mee te werken natuurlijk, het ging allemaal prima.
Nu was het niet zo dat de leden, de boeren dus, allemaal blij waren. Daar werd best wel eens gemopper gehoord wat dat betreft. Ook de boeren moesten wennen.
Voor de jongens die de boer opgingen was het ook niet altijd even fijn. Op de schaalvergroting hadden zij geen invloed en het was weleens moeilijk en om de positieve kant daarvan over te brengen aan een ontevreden klant; dat lukte je niet altijd.


Transport met de heftruck achter de gebouwen van de Landbouwvereniging aan de Burg. Backxlaan. Aan het oorspronkelijke gebouw werd links een deel aangebouwd om de Welkoopwinkel in onder te brengen.

* * *

HET VERHAAL ACHTER DE HONINGPERS

Gees Bartels

In museum Palthehof staat een zware houten honingpers die bij veel mensen vragen oproept over de werking en het gebruik.
Omdat uit het tijdschrift Eigen Erf een artikel was bewaard met een foto en beschrijving van een soortgelijke honingpers, die driehonderd jaar oud was, kwam de vraag op: Hoe oud zou deze pers zijn? Alie Jans-Hoes, gastvrouw in het museum, hoorde de vraag en gaf opheldering: De pers komt bij mijn vader vandaan en die heeft hem waarschijnlijk zelf gemaakt. Hoe de honingpers gebruikt werd wist ze wel ongeveer, maar haar broers hadden als jongens thuis mee moeten helpen en wisten meer over het hoe en wat. Dus met hen een afspraak gemaakt. Dit is de weergave van het gesprek met Berend, Johan en Alie Hoes en Hilbert Jans.


De honingpers is afkomstig van Hendrik Hoes. Die had een boerderij aan wat nu Staphorsterweg 4 is. Hendrik is op de boerderij geboren. Hij was enig kind. Zijn moeder is 75 jaar oud geworden en is tot haar overlijden in 1948 bij het gezin van Hendrik gebleven. Hendrik was getrouwd met Aaltje Klomp en samen kregen ze 10 kinderen, waarvan de oudste, Berend Jan, in 1924 is geboren en de jongste, Berend, in 1948. Ze hadden een gemengd bedrijf, gericht op zelfvoorziening, met varkens, kippen en aanvankelijk zo’n negen koeien, later waren dat er twaalf en tenslotte zo’n vijfentwintig.
Men vraagt zich weleens af waar de naam Staphorsterweg vandaan komt. Vroeger moesten mensen vaak grote afstanden lopen en kozen dan voor de kortste route, ook door het woeste veld. Zo kozen inwoners van Staphorst voor dit pad als ze naar Dalfsen moesten. Het pad sloot aan op de Kreuleweg, die uitkwam op de Hessenweg.
Hendrik Hoes was een handige man, die naast het boerenwerk vaak in de schuur zat “te klooien”. ’s Winters zat hij op zolder, met z’n rug tegen de warme schoorsteen. Hij kon goed strotouw knopen en vlechten, maakte koe-repen en koe-halsters, voor zichzelf en anderen. Hij kon hij heel goed manden vlechten, stoelen matten en bijenkorven vlechten. Ook herinneren de zonen zich de tabaksplanten en de gedroogde bladeren die jarenlang in een kist bewaard werden en tussen de kleren werden gelegd om te voorkomen dat er mot in kwam. Werd het verder gebruikt voor pruimtabak, pijptabak? Ze weten dat niet meer. Ook wist hij een elektromotor aan te sluiten op de hakselmachine, zodat het eentonig lange draaien aan het wiel verleden tijd was.
Maar Hendriks grote hobby waren de bijen. Al op heel jonge leeftijd ging zijn interesse uit naar het bijen houden. Hij was vanaf het begin van de oprichting lid van de Bijenhouders vereniging Nieuwleusen en omstreken. In 1972 bestond de vereniging 60 jaar. Hendrik Hoes was toen al vijfenvijftig jaar lid. Tijdens de feestelijke bijeenkomst van de vereniging ontving hij uit handen van burgemeester Mulder een miniatuur gemeentevlaggetje op staander. (Dat was nog eens een cadeau! Daarmee hoeft men nu niet meer mee aan te komen.) Van de vereniging ontving hij een bijenkorf.


Hendrik Hoes bij zijn bijenstal

Thijs Westerman, eigenaar van de Vivo-kruidenierswinkel op de hoek met het Westeinde, en timmerman Arend Schoemaker, min of meer buren van Hendrik, waren ook imker.
(Over de Bijenhouders vereniging publiceerden we in de kwartaalbladen van juni en september 2012)

De honingpers
De honingpers was al zo lang aanwezig als de mannen zich kunnen herinneren. Hij is zwaar en lomp, gemaakt van verschillende soorten hout, waarschijnlijk van hout dat toevallig voorhanden was en geschikt om te gebruiken. Misschien heeft Schoemaker of Mulder hem ermee geholpen.
Dat de pers zo zwaar en stevig werd, was ook wel belangrijk, want het honingpersen was een onhandig werk, waarbij het nogal aankwam op goed manoeuvreren en goed samenwerken.


Honingpersen met een eikenhouten honingpers. Foto: Eigen Erf 1938.

Bijenhoning persen
Voor het persen werden de raten met honing verwarmd. De klep van de pers werd omhoog gezet en aan beide kanten van de pers werden rechts één stoel en links twee stoelen neergezet, waarop de mannen/jongens gingen staan om goed boven de pers uit te komen.
De man op de linker stoel hield in elke hand een grote houten knijptang een jutezak open. Eén van de mannen rechts hield ook met een houten knijptang een punt van de zak open, zodat er een grote open ruimte was om de honing in te schenken, en hield met de andere hand de wasketel vast om te helpen bij het tillen van de warme honing. De tweede man rechts hield met een hand de wasketel vast en legde zijn andere hand en arm, met daarover een jute zak ter bescherming tegen de hitte, onder de wasketel, zodat hij die kon kantelen. Samen moesten die twee er dan voor zorgen dat de honing gelijkmatig in de jutezak stroomde; niet te snel omdat het over de randen stromen van de honing nogal knoeiwerk opleverde, niet te langzaam omdat de honing dan teveel afkoelde en het persen zou bemoeilijken.
Zat alle honing in de zak, dan werd deze dichtgemaakt en plat gelegd, de klep werd naar beneden gekiept en de draaibalk werd erin gedraaid en zo stevig als ’t maar kon aangedraaid. De honing werd zo uit de raten geperst, stroomde door de ronde gaten van de persvloer en liep over de schuine bodem naar de lage kant, waar twee schuine houten zijkanten de stroom versmalden, en werd opgevangen in een honingpot.

Bijenwas persen
De raten werden bewaard tot er voldoende raatresten waren voor een persing. Daar kon wel twee of drie jaar overheen gaan. Het procedé van bijenwas persen verliep op dezelfde manier als het honing persen, met dit verschil dat nog meer voorzichtigheid geboden was omdat de was nu kokend heet werd gemaakt, snel overgeslagen moest worden om vloeibaar te blijven en onder de uitlaat een emmer stond met koud water, zodat de was, als die in het koude water stroomde snel afkoelde en bij elkaar bleef als een geheel.
Het honing persen gebeurde in de herfst, als het nog niet te koud was, binnenshuis. Was het werk gedaan en de pers schoongemaakt – alle afval werd in de nabijheid van de bijen gelegd, zodat die het weer konden gebruiken – dan werd de pers achterin de schuur gezet, tot hij de volgende herfst weer onder het stof vandaan werd gehaald.
De mannen herinneren zich nog vaag dat de pers ook wel werd gebruikt voor het persen van voederbieten om stroop te kunnen maken. Waarschijnlijk werden de bieten eerst in een hakselmachine of met een grote rasp tot pulp gemaakt, dan gestookt en geperst en nadien ingekookt tot stroop of bleef het staan tot het versuikerde. Was dit in, voor of na de oorlog?
Wie weet hier meer over te vertellen?

Zoals meestal het geval is met kinderen die al vanaf jonge leeftijd jaar in jaar uit mee moeten helpen bij karweitjes die ouders bedenken, is geen van de kinderen van Hendrik Hoes imker geworden.
Een mooie herinnering aan het gezinsleven uit die tijd is een miniatuur honingpers, prachtig op schaal gemaakt door Hendrik Schoemaker en geschonken uit vriendschap aan Hendrik Hoes. Hiermee is heel mooi uit te leggen hoe de honingpers werkt. We zijn blij met de toezegging dat we in voorkomende gevallen deze miniatuurpers mogen lenen.


Hendrik Hoes (links) en Klaas Kreuleman, twee rasbijenhouders tijdens de jaarvergadering van de Bijenhoudersvereniging in café De Uuthof in 1974.

Het honing persen werd vervangen door honing slingeren toen er vierkante bijenkasten kwamen, met houten ramen waarin de bijen hun honingraten bouwden.

* * *

NATUURHONING

Lenze L. Bouwers

De linde is zijn laatste voorkeursdracht;
zijn grote liefde na de bloesempracht
van fruitboomgaarden, korven middenin.
De raten in zijn hand, de honing lacht
hem toe; hij proeft, herkent zijn volk tot in
details, voorkomt het zwermen, houdt de wacht.
De linde is zijn laatste voorkeursdracht.
De werksters zijn er voor de koningin,
voor darren heeft de zomer enkel zin
met paringsdrift; hun werk is dan volbracht.
De winter schenkt hij suiker, bijvoerkracht,
totdat de lente straalt, een nieuw begin.
De linde is zijn laatste voorkeursdracht.

* * *

EVERT DIJK EN DE VINKENBUURT

Evert Dijk (1914 – 1982) groeide op in de Vinkenbuurt in de tijd dat de omgeving daar nog grotendeels uit woeste gronden bestond. Tijdens zijn leven heeft hij veel verhalen en gedichten geschreven. Gerrit Volkerink, secretaris van de Historische Kring Ommen, heeft de verhalen waarin Evert Dijk over zijn jeugd en jongelingsjaren schrijft samengevoegd tot een boek: “Als de dag van gisteren; verhalen uit het leven van Evert Dijk” (Historische Kring Ommen, 2004. 172 p.). Het gaat daarbij om de jaren 1920 – 1927, de jeugdjaren thuis en op school, en de jaren 1927 – 1930, zijn eerste jaren als boerenknecht.
De verhalen geven een goed invoelbaar beeld van hoe het leven in deze omgeving er honderd jaar geleden uitzag. Een mooier beeld van de veranderingen die in de jongste geschiedenis in deze omgeving hebben plaatsgevonden is niet denkbaar. Deze verhalen verdienen het blijvend onder de aandacht te worden gebracht van de jeugd en volwassenen. De verhalen zijn in het dialect van deze streek geschreven, maar de tegenwoordige jeugd spreekt het dialect nog maar weinig en kan het niet of nauwelijks lezen, daarom heb ik het eerste deel, de verhalen die de jeugdjaren beschrijven, vertaald in het Nederlands.
Gees Bartels


1. In en rond het huis van mijn ouders.

Mijn kinderjaren spelen zich af in een toen nog achteraf gelegen boerenstreek aan ’t voeteneinde van de gemeente Ambt-Ommen. Het land lag in de Vinkenbuurt, tegen de gemeentegrens van Dalfsen en Nieuwleusen.
Verharde wegen waren er onbekend, behalve ’s winters als het vroor, dan veranderden de wegen in hard bevroren karrensporen, vol gaten en bulten. Het waren in die tijd allemaal slechte zandwegen, de een nog slechter en beroerder dan de andere.
De belangrijkste weg was de Koloniedijk, die van oost naar west dwars door de buurtschap liep. Aan de Koloniedijk stond de lagere school, de kruidenierswinkel van Teun Jansen, het kleine café van Haasjes, de fietsenmakerij van Jan Tempelman en ongeveer zeven boerderijen. Ook aan de andere zandwegen stond hier en daar een boerderij. Alles bij elkaar waren er in de Vinkenbuurt ongeveer veertig boerderijen; de meesten net groot genoeg om van te leven.
Mijn geboortehuis stond aan ’t eind van een smal weggetje dat gedeeltelijk als uitrit langs het land van Tieme Wind verbonden was met de Koloniedijk. Het was een heel slechte weg, met aan de ene kant een afrastering van prikkeldraad, vastgemaakt aan houten palen, en aan de andere kant een diepe sloot vol rodolm water. (Rodolm is troebel water, roestrood gekleurd door het vele ijzeroer dat hier in de grond zat).
Het huis van mijn vader en moeder stond midden in hun eigen land, dat acht en halve hectare groot was. Het huis was op die plek gebouwd omdat de grond daar het hoogst was en meteen ook om zo dichter bij het werk te zijn.
Het was een vrij groot boerenhuis, met een schuur en een vierroedige hooiberg. Alles was gedekt met dakstro. Als mijn vader met de dorsvlegel de rogge uit de aren had geslagen, schudde hij het roggestro uit en gebruikte dat als dakbedekking.
Het achterhuis was verdeeld in een deel met een lemen vloer, een paardenstal, een kalverhok en een koestal met achterin een brede gang waar de wipkar in en uit kon rijden om de gruppe leeg te maken. (gruppe = een verdiepte goot achter de koeien waarin de mest van de koeien terecht kwam).
In het voorhuis was een ruime woonkamer, een kleine keuken, een slaapkamertje voor grootmoeder en dan nog drie donkere bedsteden, voor mijn ouders en voor mij en mijn broertjes.
De vloeren van de kamers waren bedekt met, om en om gelegd, rode en blauwe tegels, die bestrooid waren met droog wit zand.
Aan de muur in de woonkamer hingen twee grote platen achter glas, met daaromheen een brede lijst, en een stel kleinere platen met daarop Bijbelteksten. Eén van die grote schilderijen heb ik altijd heel mooi gevonden. Van die boeiende voorstelling heb ik een keer heel raar gedroomd, maar ….
En er hing een Friese staartklok. Die bleef op een avond aan een stuk door slaan, wel honderdzestig keer, totdat mijn moeder er een eind aan maakte.
In de voorgevel van het huis, dat met de voorkant naar ’t zuiden was gericht, zaten twee grote en twee kleine ramen, alle vier met kleine ruitjes, waarvoor aan de buitenkant luiken zaten die ’s avonds dicht gingen als ’t donker werd. Tussen de ramen zat de voordeur, die maar zelden open ging, en in het bovenlicht (raam boven de deur) zat een gietijzeren levensboom.
Rond de gebouwen stonden een heleboel bomen, met aan de westkant ook nog een stuk of acht fijnsparren, die wij dennen noemden, als extra beschutting tegen de harde wind.

Vlak naast het land van mijn ouders lag een strook woeste grond met berken, ap-sap-siepies-bomen (lijsterbes), allerlei struiken, heide en wild gras. Die grond was eigendom van Baron van Dedem uit Dalfsen. Verder naar ’t zuiden zag ik allemaal woest land, zo ver als ik kon kijken, tot waar de hemelkoepel de grond raakte.

In dit huis ben ik geboren in de maand van het grasmaaien (juni) omstreeks de langste dag van het jaar 1914, een paar maanden voor de mobilisatie. Begin augustus brak de Eerste Wereldoorlog uit.
Mijn vader is ook in dit huis geboren en mijn moeder komt uit Oudleusenerbroek, vlakbij de Dommelerdijk naar Nieuwleusen. Toen ik geboren werd waren haar beide ouders al overleden. Zij was al op jonge leeftijd bij een “dikke” boer in Nieuwleusen gaan dienen. Een “dikke boer” betekent niet dat zo’n man een dik lichaam heeft, maar zo noemden ze toen een boer met veel land en een grote veestapel, met bovendien heel veel geld in een oude kous, weggestopt in ’t kabinet dat in de pronkkamer stond.
Op hun trouwdag is mijn moeder bij mijn vader ingetrokken om samen het boerenspul in de Vinkenbuurt voort te zetten. Het huis stond op naam van mijn grootmoeder – mijn vaders moeder – die ook bij ons inwoonde. Mijn vaders vader was al twintig jaar eerder gestorven, in 1894, toen hij nog maar 42 jaar oud was. Mijn grootmoeder werd zo al heel vroeg weduwe en bleef met vier kleine kinderen achter, twee jongens en twee meisjes, van twee tot veertien jaar oud. Van die vier kinderen was mijn vader de op een na jongste.
Ik heb weleens gehoord dat ze het heel moeilijk hebben gehad, want weduwen- en wezen uitkeringen bestonden in die jaren nog niet.
Ik heb het altijd heel triest gevonden dat ik mijn grootvader nooit gekend heb. Wat zou ik graag met hem gepraat hebben over vroeger, want zoals ik heb gehoord moet het een heel bijzondere man zijn geweest. Dat het een bijzonder mens was kon ik trouwens nog dagelijks zien door zijn werken die daarvan om ons heen nog getuigden, lang nadat hij dit aardse leven moest verlaten.



De mode in de tijd waarover Evert Dijk vertelt. Trijntje Bosman 1920 en Hennie Massier ca. 1910.

* * *

PROATENDE PEERDE

In De Breef, kwartaalblad voor Salland en omstreken, voorjaarsnummer 1987, troffen we een leuk dialectverhaal aan, verteld door de man van Riek van de Vegt, die woonden op de Mataram bij Dalfsen:

Vrogger zeiden de boeren dat de peerde van old op ni’j proaten konnen.
Noa was d’r een boer en die had een knecht die det ok vertellen. De boer zei: ‘ik geleuve d’r niks van’. – Mar hij dach d’r nog es oaver noa en met oalejoarsoamd zat e met zien vrouwe achter de kachel te prakkezeren.
‘Ik goa ofvoeren,’ zegnen de boer.
‘Mar’, zeg zien vrouwe, ‘ik goa noar bedde.’
‘Iej goat mar vaste hen; mar ik komme voort nog niet.’
‘Wat wil ie dan?’
‘Ik gooie ’n paar bos stro op de peerdezolder en dan wil ik es heuren of vannacht de peerde ok proaten kunt.’
Det gebeurt. Hij giet liggen in ’t stro. De peerde sloapt. Hij denkt: ‘d’r zal wel niks van kommen.’
Toen was het twaalf uur en die peerde sloapt en snurkt mar deur. Dan vlug d’r iene in de bienen en ’n aandern ok. ‘Wat zou’w ’t eerst doen mutten in ’t nije joar? – ‘Nou’, zeg den aandern, ‘det kan’k oe wel vertellen. De eerste daege hoeve wij niet wat te doen. Mar dan is ’t eerste wat wij mutten doen, det is de boer noar ’t kaerkhof brengen.’
Toen was ’t de boer wel oaver. Hij gunk noar bedde toe.


Mode 1964. Grietje Kreule-Kok en Arend Kreule met Luc Kreule, Arina van Spijker, Alie Kreule en Gerrit van Spijker

* * *

REDACTEURSCHAP

Jakob de Weerd is 33 jaar lang de eindredacteur geweest van het kwartaalblad van de Historische Vereniging Ni’jluusn van vrogger, naast het voorzitterschap en meerdere andere functies binnen de vereniging. Na het beëindigen van het voorzitterschap in maart 2016 treedt Jakob nu ook terug als eindredacteur. Het bestuur bedankt Jakob hierbij voor de uitstekende en zorgvuldige manier waarop hij al die jaren het eindredacteurschap heeft ingevuld.

* * *

Foto achterpagina

De mode rond 1915, Hendrik Evertsen en Hendrikje Tempelman met dochter Geesje en met Andries Mijnheer.






Jaargang 35 nummer 2 juni 2017


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina

De Union bakkerskar weer als nieuw

* * *

HET WERKEN BIJ DE DEDEMSVAARTSE ROKKEN FABRIEK (DEROFA)

Rianne Bouwknegt

Alie Kaal-Bosch uit Nieuwleusen werkte van 1976 tot 1988 bij de vestiging van Derofa in Nieuwleusen en deed daar de eindcontrole voordat de jurken de deur uitgingen.

De kinderen gingen naar school en in die tijd was het nog ongebruikelijk dat getrouwde vrouwen werkten. Echter Alie kon bij Derofa terecht op tijden dat de kinderen naar school waren, n.l. `s ochtends. Bij Derofa werden vooral damesjurken gemaakt in tussenmaten (41-43-45-47-49-51).
De jurken waren van goede kwaliteit en kostten vaak wel 200 gulden, bepaald niet goedkoop voor die tijd.
Veel van deze jurken werden in Duitsland verkocht aan de toen al stevige Duitse dames. Voor kerst was het altijd een drukke periode in het bedrijf. Overigens kon je deze jurken ook in Nieuwleusen kopen n.l. bij modehuis Beekman.


De naaizaal. Hier werden de jurken in elkaar gezet.

Het proces van idee tot jurk ging als volgt:
De patronen werden getekend en uitgeknipt. Daarna werden op de snijzaal handmatig grote rollenstof afgerold en werden meerdere lagen op elkaar gelegd. Vervolgens werden met behulp van een snijapparaat de verschillende onderdelen uitgeknipt.
Daarna gingen de patroononderdelen per jurk in een bak en werden ze door de naaisters in elkaar gezet.
Dit was heel uniek omdat in veel andere bedrijven vaak één onderdeel per naaister werd verwerkt. Voor het afwerken, zoals knopen aanzetten enz. was er de afwerkband. Dit werd wel door anderen gedaan.
Als laatste werden de jurken gestreken en daarna gingen ze voor de eindcontrole naar Alie Kaal-Bosch. De goedgekeurde jurken werden daarna verzonden.
Het bedrijf had ook thuisnaaisters in dienst en daarnaast ook veel jonge meisjes uit Staphorst en Dedemsvaart. Deze dames werden met busjes van Derofa van huis gehaald en weer teruggebracht. Meestal reed een van de dames de bus en haalde de overige dames in de verschillende plaatsen van huis op.
Het salaris was volgens de cao. Verder heerste er een goede sfeer in het bedrijf.
A.G. Scholte was de baas/eigenaar van dit familiebedrijf. Er was overigens, zoals in veel bedrijven in die tijd, weinig contact met het gewone personeel.


Het bedrijf aan Den Hulst

* * *

GOED VEUR DE DAG KOMEN

De jongen kijkt zo wijs als een toekomstig
kerkenraadslid of is bereid plaats te nemen
in het bestuur van dorpsbelangen.

Het meisje kijkt zo bezorgd de toekomst in.
Wat zal het worden: bazin van het voorhuis,
wijkverpleegster of toch de kraam?

Dat matrozenpakje maakt hem iemand
anders dan hij wil zijn? Het haalt zijn ziel
onder zijn boezeroen vandaan?

Strik, halsketting, armband, fraaie kraag
maken haar tot een jonkvrouwe;
ze verlangt er naar haar pony te strelen.

Hij zit, zij staat. Ze zoekt steun aan de leuning
van de stoel. De fotograaf zegt niet:
nu even lachen. Had hij dat gezegd,

dan deden ze dat niet. Persoonlijkheden
als ze zijn. Geboren en getogen
in een uniek landschap: Reest- en Vechtdal.

Lenze L. Bouwers, april 2017

* * *

OOSTEINDE 80, RUIM 80 JAAR BAKKERSGESCHIEDENIS (vervolg)

Joop Klein

In het Kwartaalblad van december 2016 (jaargang 34, nr.4) is een artikel gewijd aan het pand Oosteinde 80: zijn geschiedenis en zijn bewoners. Daarbij ging het met name om de generaties van de bakkers Massier (vanaf 1905) en Bijker (1917 – 1987).
In dit artikel gaan we dieper in op de geschiedenis van dit pand en dan met name op de eigendomssituatie en de kadastrale gegevens. We schetsen eerst de situatie tot 1905, het moment waarop Albertus Massier een deel van het perceel koopt waarop het pand Oosteinde 80 gebouwd is. In deze periode tot 1905 gaat het perceel over van een Zwolse grootgrondbezitter, via de familie Alteveer, naar de familie Huzen en vervolgens naar Massier en Bijker.

Startpunt van het onderzoek is de “Kadastrale Atlas van Overijssel 1832”, die uitgegeven is door Historisch Centrum Overijssel. In deze atlas staat aangegeven dat Albertus Sandberg in de gemeente Nieuwleusen zevenentwintig percelen in eigendom had, waaronder het kadastrale perceel Sectie D nummer 454. Het was een weiland van 11ha00a50ca groot. Dat zal de plek worden waar later het pand Oosteinde 80 gebouwd wordt.

Albertus Sandberg was een vooraanstaand advocaat die in Zwolle woonde. Hij is geboren op 1 december 1767 te Zwolle en op 6 maart 1843 te Zwolle overleden. Dat hij een invloedrijke man was blijkt uit het feit dat hij, naast een aantal Provinciale functies, in de periode 1828-1842 ook lid was van de Tweede Kamer.
Alle zevenentwintig percelen die eigendom waren van Albertus Sandberg worden genoemd in de kadastrale legger.
Ook het kadastrale perceel D454 komt in deze legger voor. Als adres wordt Oosterbouwlanden aangegeven en het soort eigendom is weiland. Helaas wordt er geen verwijzing aangegeven naar het algemeen register der hypotheken. De grootte van het perceel is 11ha00a50ca en het belastbaar inkomen van het perceel is ƒ 66,03.

Albertus Sandberg had tien kinderen, 5 zonen en 5 dochters. De oudste dochter was Johanna Maria Magdalena Sandberg. Zij is op 8 maart 1792 geboren te Zwolle en op 18 november 1866 te Zwolle overleden.
Johanna Maria Magdalena Sandberg trouwde op 20 juli 1815 te Zwolle met Coenraad Willem Schlingeman.
Coenraad Willem is geboren op 6 september 1778 te Zwolle en 9 april 1859 te Zwolle overleden. Op de huwelijksakte wordt als beroep voor Johanna Maria Magdalena ‘renteniersche’ aangegeven terwijl ‘koopman’ als beroep voor Coenraad Willem wordt aangegeven.

In een op 14 juli 1843 gepasseerde akte van scheiding wordt aangegeven dat alle 27 percelen overgaan van vader op dochter. Er wordt hierop een nieuwe kadastrale legger gevormd op naam van Johanna Maria Magdalena Sandberg, echtgenote van de Heer Coenraad Willem Schlingeman, beroep wethouder, met als woonplaats Zwolle.
Al de zevenentwintig percelen worden in deze kadastrale legger genoemd, zo ook het kadastrale perceel D454. Ook nu wordt als adres Oosterbouwlanden aangegeven, als soort eigendom weiland, grootte van het perceel 11ha00a50ca en belastbaar inkomen van het perceel ƒ 66,03.

Op 2 augustus 1848 wordt er in ‘t Witte Peerd te Nieuwleusen een veiling gehouden in opdracht van Albertus Schlingeman expediteur te Zwolle. Hij is gemachtigd door Johanna Maria Magdalena Sandberg zeventien percelen te veilen. Hij wordt geassisteerd door de eerder genoemde Coenraad Willem Schlingeman. Het kadastrale perceel 454 wordt gesplitst in twee (vrijwel gelijke) delen en wordt als volgt omschreven:
- De Oostelijke helft van een stuk grond, het Koeland genaamd (in de akte het derde perceel genoemd), aan de Noordkant grenzend aan de Nieuwleusenerdijk, ten Oosten Jan Brouwer, ten Zuiden de Middeldijk en ten westen het zesde perceel. Dit deel van het perceel 454 is groot 5 bunder 50 roeden en 20 ellen.
- Het Westelijke deel van het perceel wordt ook aangegeven als een stuk groen en veldgrond van het Koeland (het zesde perceel in de akte), met aan de Noordkant de Nieuwleusenerdijk als grens, ten Oosten het derde perceel, ten Zuiden de Middeldijk en ten westen Katoele. Dit perceel is 5 bunders 50 roeden en 25 ellen groot.
Van de toekomstige eigenaren van beide percelen wordt verwacht dat zij het onderhoud verrichten aan de “togtsloot” ten zuiden van de Nieuwleusenerdijk.
De scheiding tussen deze percelen moet een rechte lijn zijn, die vanaf het midden van de Middeldijk naar de Nieuwleusenerdijk loopt. De kopers dienen er tevens voor te zorgen dat er een sloot wordt gegraven met een breedte van twee en een halve el op het maaiveld gemeten, met een talud van “twee op een”.
- Het Oostelijke perceel van 454 (derde perceel) is ingezet door Hendrik Alteveer op negenhonderd gulden. Later heeft hij de inzet verhoogd met vijftig gulden. Dus Hendrik Alteveer heeft een bedrag geboden van negenhonderd en vijftig gulden.

- Het Westelijk deel van 454 (zesde perceel) is ingezet door Hendrik van Duren voor een bedrag van duizendvijftig gulden.

Op 16 augustus 1848 is ’s morgens om elf uur wederom een veiling in het Witte Paard, nu van de eigenaresse, de weduwe van Holten te Nieuwleusen, met Meester Isaac Antoni van Roijen, notaris te Zwolle, en wordt overgegaan tot de “eind verkoop” van de in proces-verbaal omschreven vaste goederen.
Het eerste perceel staat bij Hendrik Alteveer. Het tweede perceel staat bij Teunis Snijder.
Het derde perceel (het oostelijk deel van 454) staat bij Hendrik Alteveer voor het bedrag van negen honderd en vijftig gulden.
Daarop is dit bedrag nog verhoogd door de heer De Koning met vijftig gulden. Vervolgens is dit bedrag verhoogd door Peter Alteveer met vijfentwintig gulden, waardoor het geveild wordt voor duizendvijfentwintig gulden.
Het vierde perceel staat bij Jacob Bijker, het vijfde perceel staat bij Jan Willem Nijhuis.
Het zesde perceel (het westelijk deel van 454) staat bij Derk van Duren voor een bedrag van duizendvijftig gulden. Dit bedrag is door Klaas Prins verhoogd met vijftig gulden. Dus wordt dit een totaal bedrag van elfhonderd gulden.
Het zevende perceel staat bij de heer Gerrit de Koning, achtste perceel staat bij Jacob Bijker, negende perceel staat bij Klaas Prins, tiende perceel staat bij Harm Brouwer, elfde perceel staat bij Hendrik Schoemaker, twaalfde perceel staat bij Hendrik Schoemaker, dertiende perceel staat bij Koop van der Woude en veertiende perceel staat bij Lucas Portiek.

Uiteindelijk komt het er op neer dat Peter Alteveer het oostelijk deel van het perceel D454 koopt en dat perceel krijgt dan het kadastrale perceelnummer D880. Het westelijk deel krijgt het perceelnummer D879, met als eigenaar Jacob Bijker.
Peter Alteveer heeft het perceel D 880, dat weiland is met een oppervlakte van 5 ha 47 a 40 ca.
De volgende eigenaar van dit weiland is Jan Schuurman die het op 19-10-1859 in eigendom krijgt. Jan Schuurman overlijdt als hij 63 jaar oud is, op 16-10-1860.
Op 19-07-1861 passeert er een akte van scheiding waarin Fennegien Alteveer, weduwe van Jan Schuurman, het noordelijke deel van het Koeland (D880) als 15/16 deel van het hele perceel krijgt, met een oppervlakte van 5ha13are20ca. De geschatte waarde was ƒ 1.340,00.
Een stuk van 34are20ca, dat het zuidelijke deel van de Koelanden is, is ingeschat voor een bedrag van ƒ 60,00.
Het noordelijke perceel blijft in eigendom van Fennegien Alteveer en krijgt het kadastrale perceelnummer D942. Het zuidelijke perceel D943 wordt eigendom van Hendrik van Duren.
Na het overlijden van Fennegien Alteveer op 30-06-1876 wordt op 10-04-1878 een akte van scheiding opgemaakt.
In deze akte wordt o.a. aangegeven dat een stuk weiland, kadastraal bekend onder nummer D942, ten goede komt aan Tonia Stolte, weduwe van Arend Schuurman Janszoon. Arend Schuurman is op 35- jarige leeftijd overleden op 28-08-1877 te Nieuwleusen in wijk A nummer 10a.
In 1881 vindt hier dus een splitsing van het kadastrale perceel D942 plaats. Dit wordt in het dienstjaar 1882 vastgelegd. D942 wordt gesplitst in twee percelen: D 1564 is het noordelijkste en grootste perceel. D1565 is een kleiner perceel en omvat het zuidelijke deel van D943.

Op donderdag 22 maart 1894, in het huis van de gebroeders Stolte te Nieuwleusen, worden de kadastrale percelen D1564, D1565 en D943 in vier gedeelten ingezet. De openbare verkoop vindt plaats op 5 april 1894, op dezelfde locatie.
Er worden nog de nodige biedingen gedaan, maar uiteindelijk staat het totaal van de vier gedeelten (de percelen D1564, D1565 en D943) op ƒ 1.230,00. Dit bedrag wordt door Gerrit Huzen verhoogd met ƒ 170,00 tot een totaal bedrag van ƒ 1.400,00. Hij is daarmee de hoogste bieder.

Op de datum 5 april 1905 vinden we aansluiting bij de eerder in het Kwartaalblad beschreven (bakkers-) generatie Massier. In 1915 is er een winkelpand met een toonbank verkocht aan de familie Bijker. Het kadastrale perceel D2354 wordt het adres Oosteinde 80.

Op 25 februari 1905 verklaart Gerrit Huzen (of Huizen) dat hij de gronden die hij in 1894 via een publieke veiling in handen heeft gekregen, verkoopt aan de 21-jarige Albertus Massier en aan Arend Huizen.
Aan Albertus Massier wordt de oostelijke helft van de kadastrale percelen D943, D1564 en D1565 verkocht. Het weiland, bouwland en heide is verkocht voor ƒ 1.450,00.
Albertus Massier leent ƒ 2.650,00 naar alle waarschijnlijkheid van zijn schoonvader, tegen een rente van 4% per jaar.
Het huis met erf, bouwland en heidegrond op het westelijk deel van de percelen D943, D1564 en D1565, wordt aan Arend Huizen verkocht, eveneens voor ƒ 1.450,00.
Door deze transactie worden de perceelnummers gewijzigd.
De oostelijke percelen van Albertus Massier: D943 wordt D2354, D1564 wordt D2356 en D1565 wordt D2358
De westelijke percelen van Arend Huizen: D943 wordt D2353, D1564 wordt D2355 en D1565 wordt D2357.
Albertus Massier verkoopt op 18-12-1915 het huis, erf, schuur en grasland, kadastraal bekend met de nummers D2354, D2356 en D2358, aan Hendrik Jan Bijker. Bij de koop inbegrepen is, in de akte met name genoemd, het aanwezige winkelpand met toonbank.
Aanvaarding 1 mei 1916. Hendrik Jan Bijker heeft voor de drie percelen ƒ 7010,00 betaald.
Hendrik Jan Bijker gaat hier in mei 1916 wonen tot aan zijn overlijden op 15 april 1931. Hij is dan 64 jaar oud. Na zijn overlijden worden de eigendommen overgeschreven op zijn vrouw Klaasje Bijker en de kinderen.
In 1933 wordt er een akte opgemaakt waarin Klaasje Bijker en haar kinderen verklaren dat ze willen overgaan tot “de scheiding en verdeling van de gemeenschappelijke boedel…” etc.). Het komt hier op neer dat Arend Jan Bijker het huis, erf, schuur, tuin, gras- en bouwland, kadastraal bekend met de nummers D2356, D2358 en D2354, in eigendom krijgt.
Een voorwaarde in deze akte is dat Klaasje Bijker het recht heeft om in het noordoosten van het perceel D2354 een huis te bouwen naar haar eigen wensen. De bouwkosten zullen Klaasje Bijker en Arend Jan Bijker ieder voor de helft moeten betalen. Na het overlijden van Klaasje Bijker zal het huis in volle eigendom van Arend Jan Bijker komen. Hij is geen vergoeding verschuldigd aan de andere erfgenamen van Klaasje Bijker.
Het perceel D2354 blijkt uiteindelijk het adres Oosteinde 80 te worden.

De generaties Bijker op Oosteinde 80 zijn in het genoemde Kwartaalblad beschreven. Het gaat achtereenvolgens om Hendrik Jan, Arend Jan en Berend Bijker,die op Oosteinde 80 het bakkersbedrijf uitoefenden.

Dus in 1933 wordt Arend Jan Bijker de eigenaar van D2356, D2358 en D2354.
In 1972, als Arend Jan Bijker op 70 jarige leeftijd komt te overlijden, worden de eigendommen overgeschreven naar Aaltje Katerberg, weduwe van Arend Jan Bijker Janszn.
Na de ruilverkaveling vindt er een verandering van de kadastrale sectie en perceelnummers plaats.
De volgende eigenaar wordt Berend Bijker. Hij overlijdt op 20 mei 1987, op 56 jarige leeftijd.
Hierna wordt Arend Bouwman eigenaar van het perceel M559 met het huis, schuur en erf en het achterliggende perceel M703, dat als tuin is omschreven.

* * *

EVERT DIJK EN DE VINKENBUURT vervolg 1

Evert Dijk (1914 – 1982) beschreef in het boek “Als de dag van gisteren” hoe hij opgroeide in de Vinkenbuurt, in de tijd dat de omgeving daar nog grotendeels uit woeste gronden bestond. Hij schreef de verhalen in het dialect. Wij publiceren ze hier in het Nederlands. Gees Bartels

2. Wat verder van huis.

Als je wat verder van huis keek zag je rondom ons land wallen liggen, als een soort dijken van ongeveer twee en een halve meter breed, met als doel het water van buitenaf tegen te houden. De afwatering was toentertijd (omstreeks 1920) heel slecht en is pas verbeterd door de ruilverkaveling Witharen-Vinkenbuurt, halverwege de jaren vijftig.
Die dijken heeft mijn grootvader aangelegd en dat moet wel een heidens karwei zijn geweest; ruim zestienhonderd meter lang en dat allemaal met de schop!
Eigenlijk is het wel jammer dat hij er geen watermolen bij geplaatst heeft om het water van de binnenkant van de wallen er ook uit te kunnen malen. Maar misschien liet hij dat wel achterwege om de buren niet kwaad te maken, want juist door dat vele water dat niet weg kon zijn er vroeger in de Vinkenbuurt vaak kleine oorlogen ontstaan, waar de veldwachter soms aan te pas moest komen. Als de ene boer zijn sloten goed schoon hield, stroomde het water naar het perceel van een ander en als die de boel niet snel genoeg voor elkaar had, kreeg hij dat water bij hem op het land.
Een ander voorbeeld van het bijzondere van de werkzaamheden van mijn grootvader waren de houtsingels die hij ontworpen en aangelegd heeft. Die stonden in een lengte van zo’n tweehonderdvijftig grote stappen aan de oost- en westkant langs het middelste deel van het land en die singels/wallen dienden ook als dijken. Die twee dijken had hij verbonden met vier dwarswallen van elk honderdvijftig meter lang en drie meter breed, zodat er drie besloten ruimtes waren ontstaan van elk een hectare groot. Op de middelste van de drie beschutte kampen stond het huis met de schuur en hooiberg. Bij elkaar was dat een kleine duizend meter houtwallen, beplant met allerlei soorten boompjes en struiken, met daartussen hier en daar bramen en zelfs witte frambozen en hazelnoten.
De langste boompjes werden elk jaar dicht bij de grond met een scherpe bijl afgekapt en wat er dan overbleef deed mij denken aan de afgehouwen stronk van Isaï, de vader van David, bekend uit de Bijbel. Het gekapte hout werd gebruikt als geriefhout, zoals draadpalen, bezemstelen enz. Het kleinere spul werd verzameld en als takkenbossen gebundeld, om dienst te doen als brandstof voor het fornuis waarop mijn moeder de gezinswas kookte en de aardappels gaar stoomde voor de varkens.
Nergens anders in de Vinkenbuurt heb ik ooit zulke houtwallen gezien en op een oude militaire legerkaart van omstreeks 1900* stonden die singels heel duidelijk, mooi groen ingekleurd, aangegeven. (*die mocht ik een tijdje lenen van Jan Meesters.) Het was alsof mijn grootvader zich daar achter in de Vinkenbuurt een kleine lusthof had willen scheppen en ik kan mij voorstellen dat hij van het werk van zijn handen veel plezier heeft beleefd. Jammer voor hem dat dit maar zo kort heeft geduurd.


Op de plek waar Evert Dijk opgroeide staat nu deze boerderij; Middenweg 5, vanaf de Middeldijk net voorbij de Engelandsweg. Niets herinnert nog aan de beschreven situatie rond 1920.

Over dat werk van hem had ik nog graag eens met hem willen praten en dan had ik hem misschien ook wel gevraagd hoe hij het voor elkaar heeft gekregen om de dochter van dominee Brunemeijer heeft weten te versieren, met haar te trouwen en een paar jaar daarna samen naar het huis in de Vinkenbuurt te trekken. (G. Brunemeijer was dominee van de Gereformeerde Kerk in Nieuwleusen van 29-10-1871 tot 11-12-1882.)

Aan de westkant van ons land stond omstreeks 1920 een kleine boerenwoning waarin Hendrik Westerman woonde met zijn vrouw Lammigje Beltman en hun drie dochters, waarvan de oudste, Aaltje, wat jonger was dan ik. Zij huurden dat boerderijtje van Hendrik Prins uit ’t Oosteinde bij Nieuwleusen. Van 1 mei tot 1 oktober had Westerman ook nog het toezicht op en de zorg voor het drinkwater van een grote koppel pinken die in de weide van Prins liepen. Voor de vermeerdering van al dat jongvee liep er een kwaaie stier tussen die, als hij mensen zag, geweldig kon brullen.
Wat verder naar ’t westen zag je het huisje van Hendrik Snijder, die niet zo goed kon zien en die wij als jongens weleens nariepen: Snieder, Snieder …
Maak mij de broek wat wieder.
Maar niet zo wied,
Det e mij van ’t gat of giet!
Als hij dat hoorde werd hij erg kwaad en zat ons met z’n kromme wandelstok achterna, maar hij kon ons toch nooit krijgen omdat wij ons sneller uit de voeten konden maken dan hij kon lopen.
Aan de oostkant van ons huis had je eerst het stuk woeste grond van Van Dedem en langs een smal paadje daar doorheen en dan over een ander stuk land stonden twee boerenwoningen vlak bij elkaar: die van Roelof Groen en die van Buis. Van Buis zei men dat hij niet zo goed kon “boeren”. Op een goede of kwade dag, ’t is maar net hoe je ’t noemen wilt, moest de boel worden verkocht. Maar wat gebeurde er? Op de avond van dezelfde dag dat dit in de krant stond, brandde het huis van Buis tot de grond toe af, en de oorzaak was onbekend … De volgende dag ging er als een lopend vuurtje een versje door de Vinkenbuurt:
Buis, zien huis
stund ’s middags in de krant
en ’s avonds in de brand!

3. Nog wat verder van huis.
Aan de noordkant van het land van mijn ouders, aan de smalle uitweg naar de Koloniedijk, stond de schuur en het kleine huis van Tieme Wind en zijn vrouw Jenne met hun drie zonen: Arend, Jan Waander en Albert. Albert, ongeveer even oud als ik, was mijn speelgenoot.
Tieme had een kleine boerderij en om er wat bij te verdienen vervoerde hij tegen betaling biggen die door de varkenskoper van de boeren waren gekocht, naar de veemarkt in Meppel en Ommen. Hij deed dat in een witte “kleedwagen” met daarvoor een witte kidde, een klein sterk paard. Dat dier moest met die lading soms heel erg hard martelen en trekken om door de slechte zandwegen te komen, maar doordat Tieme de hele weg met zijn kidde praatte en hem gedurig nieuwe moed insprak, lukte het toch.

Naar het westen en zuidwesten lag het grote woeste gebied zo ver als ik maar kon kijken, tot aan het huisje van Jan van ’t Ende op Witharen en tot aan de donkere bossen van Varsen bij Ommen.
In dit prachtige land, waar ik zo dichtbij opgroeide, maakten ik en mijn speelmaatje Albert heel veel ontdekkingstochten.* Het ruige veld met de heuveltjes, afgewisseld met vennetjes, moerassige en droge ruigtes, begroeid met bomen en groepjes struiken, met erica en callunaheide, met bunte en stopnaaldgras en een heleboel bloemen in allerlei kleuren, tot aan de wilde roodpaarse orchideeën toe. Het geheimzinnige land van de hazen, konijnen, bunzingen, slangen en ander klein spul. Vooral het land van de honderden vogels die daar hun domein hadden. Eksters, kraaien, Vlaamse gaaien, duiven, grutto’s, wulpen, nachtzwaluwen, leeuweriken, korhoenders, kieviten, patrijzen, reigers, eenden en waterkipjes, maar ook de koekoek en de scholekster en daarnaast nog een heel stel kleine vogels waar ik de namen niet meer zo goed van weet.

Ze waren daar allemaal aanwezig en soms zelfs een paar ooievaars die op hun lange poten parmantig rondstapten, op zoek naar vette kikkers uit de sloten nadat ze ergens in de Vinkenbuurt weer een baby hadden afgeleverd.

Dat zuidelijke land was zo mooi dat mijn pen het, in al zijn glorie, niet kan beschrijven. ’t Was in mijn fantasie net alsof hier een stukje van het verloren paradijs was overgebleven. Dit land was het dromenland van mijn kindertijd.


Vanaf de boerderij kun je nog steeds ver kijken, maar het uitzicht is veranderd in een saaie groene wei zonder bloemen of ruigtes.
* Voor natuurbeelden van deze omgeving zie: http://www.henkruiter.com/doc/hoe%20nu%20verder.pdf

* * *

Denkertje

Ab Scheper

Maak deze puzzel compleet en maak kans op een tegoedbon van € 5,00 voor besteding in het museumwinkeltje.
Opsturen naar Museum Palthehof, Westeinde 3, 7711 CH Nieuwleusen.



* * *

Een elftal van SV Nieuwleusen

Foto genomen voor een belangrijke wedstrijd 1961 – 1962 Links boven één van de oprichters Evert Bosch



1  
2  
3  
4  
5  
6  

Evert Bosch
Johannes Upper
Klaas Dunnink
Henk van Duren
Jaap Haasjes
Gerrit Talen

7  
8  
9  
10  
11  
12  

Cor Loman
Henk Kouwen
Johan Borgers
Martinus Kuiterman
Johan Poppen
Henk Compagner

* * *

UIT ONZE COLLECTIE

Gees Bartels

Bakkersfiets en bakkerskar

Op de bovenverdieping van museum Palthehof is ruimte vrijgemaakt voor de Union collectie. In de vitrines liggen voorwerpen die verschillende facetten van het bedrijf laten zien en er is een kaartenkast met bouwtekeningen van fietsontwerpen. Er staan een aantal bijzondere fietsen uit verschillende productieperiodes, van gewone dames- en herenfiets tot racefiets en bromfiets.

Ook is er in de collectie een transportfiets die vooral door bakkers werd gebruikt.
De bakkersfiets is een stevig rijwiel met dubbel kaderwerk en, vóór het stuur, boven het voorwiel, een metalen drager waarop een grote rieten broodmand kwam te staan. Die mand werd volgepakt met broden.
Afhankelijk van de route en het aantal klanten werden er zo’n twintig tot vijftig broden mee vervoerd. En al lijkt brood niet zo zwaar; degene die met de fiets op pad werd gestuurd zal af en toe flink hijgend en puffend zijn route hebben afgelegd, want veel klanten woonden aan slecht onderhouden zandwegen. Het is een hele kunst om met een zwaarbeladen transportfiets op mulle of natte zandwegen rechtuit te fietsen en het overkwam elke bakkersknecht wel een keer dat hij met fiets en mand tegen de vlakte ging.

De bakkersfiets werd gebruikt voor het bezorgen van brood bij klanten die dicht bij de bakkerij woonden en voor klanten die te afgelegen woonden voor de venters die met paard en winkelwagen langs de klanten gingen. In de bakkerswagen hadden de venters behalve brood ook veel verschillende kruidenierswaren.

Om het gat tussen transportfiets en bakkerswagen op te vullen ontwierpen slimme fabrikanten de driewieler, ook wel triporteur genoemd.
De Union Rijwielfabriek heeft ook triporteurs gefabriceerd. Op het framewerk werd een houten bak met deksels gebouwd en dan werd het geheel als bakkerskar gebruikt. De bakker kon er een flinke voorraad in kwijt en zijn knecht kreeg krachtige kuiten van het dagelijkse rondje fietsen met zo’n zwaar beladen kar.

Er was in Nieuwleusen en omgeving nergens zo’n bakkerskar te vinden, maar in het Nationaal Fietsmuseum Velorama in Nijmegen stond er een in de opslag; weliswaar in een zeer slechte staat, maar het was een echte Union bakkerskar ofwel triporteur. Vorig jaar is een delegatie afgereisd naar Nijmegen en heeft de bakkerskar opgehaald.


De triporteur, op platen in de kapschuur, tot op het bot gedemonteerd zodat de opbouw kan beginnen.

Enthousiast over de nieuwe aanwinst kreeg het bestuur in eerste instantie veel sceptische opmerkingen over de deplorabele staat waarin het onderstel verkeerde, maar wie niet gelooft in mogelijkheden, komt nergens.
De nieuwe kapschuur bood de mogelijkheid van “Union reparatie werkplek” en Dries Veijer, Henk Vasse en Gerrit Lubbers lieten zich niet ontmoedigen. Ze gingen aan de slag. Eerst moesten ze heel veel demonteren, ontroesten en schoonmaken. Daarna konden ze overgaan tot restaureren en monteren.


Henk Vasse en Dries Veijer demonteren de bakkerskar

Na weken werk kwam er schot in de zaak en kwamen de eerste bewonderende opmerkingen. Ook de houten bovenbouw werd onder handen genomen. Het eindresultaat is om trots op te zijn. Bij gelegenheden waar het past gebruiken we de triporteur als blikvanger en verkooppunt. Daarna moet hij weer in de opslag. Wim Ruinemans deed ons een mooie oplossing aan de hand en wie langs de etalage van het winkelpand aan de Burgemeester Backxlaan loopt, ziet daar het prachtige resultaat van vele uren noeste arbeid.
Met het verwerven en restaureren van deze bijzondere bakkerskar is weer een uniek stukje industriële vormgeving uit Nieuwleusen zichtbaar in Nieuwleusen. Maar deze mooie aanwinst drukt ons ook weer met de neus op de feiten:
ruimtegebrek om de rijke Union-collectie in z’n geheel te laten zien.

* * *

HENDRIK MULLER, MOLENAAR VAN DE VLIJT

Jan Wierenga, journalist bij Het Dagblad van het Noorden, begon zijn carrière als journalist bij de Meppeler Courant en deed in die tijd ook verslag van wat er zoal in en rond Nieuwleusen gebeurde.
In 1974 had hij een gesprek met Hendrik Muller, eigenaar van molen De Vlijt in de Oosterhulst, bij Brug 6 aan de Dedemsvaart, waar nu caravanbedrijf Groen is gevestigd. Het interview geeft een mooi tijdsbeeld. Met toestemming van Jan Wierenga volgt hier een weergave van het interview.

Ten tijde van het interview was Hendrik Muller 76 jaar. Een jaar daarvoor was hij uit het bedrijf gestapt en had het roer overgedragen aan zijn neef. Hij woonde in de Van der Grondenstraat 38, alleen, omdat zijn vrouw, Hendrikje Tijmes, in 1972 was overleden. Het echtpaar had twee dochters.
Hendrik is overleden op 23 januari 1987. Hij was drager van de eremedaille in goud verbonden aan de Orde van Oranje Nassau.


Foto: Felicitaties voor Hendrik Muller, directeur/eigenaar van Gebr Muller Molen de Vlijt vanwege zijn Koninklijke onderscheiding. Vlnr: Hendrik Jan Muller, Hendrik Muller en burgemeester E.H. Mulder.

Hendrik Muller is het grootste deel van zijn leven molenaar geweest. Als jongen van veertien jaar begon hij zijn loopbaan op molen De Vlijt in Den Hulst.
Dit stekkie verliet hij niet meer, ook niet toen de molen in 1933 afbrandde. Op dezelfde plek verrees een nieuw gebouw. Alles werd zo modern mogelijk opgezet.

Vader Muller had een boerderij van 20 hectare. In 1911 zei hij: “Hendrik, lijkt je dat nog wat, boer worden? Als ik jou was zou ik het maar niet doen! Je kunt beter molenaar worden. “
Zo kwam de jonge Hendrik op 1 mei 1912 op molen De Vlijt, die zijn vader voor ƒ 8.000,- had gekocht. Knecht D. Ruinemans leerde hem de kneepjes van het vak.
Toen zijn vader in de dertiger jaren overleed nam Hendrik samen met zijn broer Hendrik Jan de molen over. “Gebroeders Muller, molen De Vlijt” werd in die jaren een bekende combinatie.


De stellingmolen, een achtkantige bovenkruier, werd hier gebouwd in 1898 door J. van den Berg Wzn. Hij deed dat met gebruikmaking van de uit Balk (Fr) afkomstige molen "De Vlijt", die daarvoor vanaf 1639 als olie- en pelmolen "De Pelikaan" in Koog aan de Zaan in gebruik was geweest.

Van den Berg plaatste al een 14 pk benzinemotor om ook op windstille dagen te kunnen produceren.
In 1922 werd de benzinemotor vervangen door een 35 pk dieselmotor.
Het molenaarsleven ging niet altijd over rozen. Het ging toen van: Harm, schrap de wortels, anders vreet ik ze zelf op, aldus Hendrik, waarmee hij maar wilde zeggen dat de verdiensten niet al te hoog lagen. Het kwam geregeld voor dat de jonge molenaars maar vijf á tien cent verdienden aan vijftig kilo meel. Maar: “Toen Duitsland ten gronde ging (crisistijd), ging het in ons vak crescendo”, zegt Hendrik.
In de molen stond een grote dieselmotor. Zodoende waren de mulders niet helemaal afhankelijk van de wind. Het vak van windmolenaar is niet zonder gevaar. Met een beetje fantasie kun je je het goed voorstellen: in een pikdonkere nacht staat de molenaar te worstelen met het anker, terwijl de stormwind hem kille regenvlagen in het gezicht zwiept. De toestand is kritiek, want als de rem het niet houdt draaien de wieken dol. In zo’n geval loop je kans dat door de wrijving van de as de boel in de fik vliegt. “Jongens, jongens, wat heb ik wel in de rats gezeten daar boven! Als het goed stormde dan was het net of de duivel zelf in de wieken was gevaren. Je moest dan ook van te voren goede voorzorgsmaatregelen nemen. Normaal staan de wieken recht op de wind. Als je nou de kap iets van de wind af zet, dan krijgt de wind er minder vat op. Maar je moet wel weten wanneer er gevaar dreigt. Een molenaar is net een schipper. Die moet ook kunnen zeggen wat voor weer er op komst is. De mensen uit de buurt wisten dat. Ze vroegen dan: “Mulder, wat staat er vandaag te gebeuren?” Meestal kwamen mijn voorspellingen uit. Soms ook niet, en dan had je kwaaie gezichten.” Ook ’s winters was het vaak geen pretje boven op de molen. De kap stond stijf van de sneeuw en de ijzel, maar het werk moest gewoon doorgaan,
In 1933 brandde de molen tot de grond toe af. Het was op een zondagmiddag en er werd dus niet gewerkt. Toen de brand werd ontdekt was er niets meer aan te redden. Waarschijnlijk veroorzaakte een blikseminslag de vlammenzee waarin de molen ten onder ging. Alles ging verloren. De schade bedroeg toen 62.000 gulden. De verzekering maakte geen moeilijkheden en onmiddellijk werd door de firma De Lange de wederopbouw ter hand genomen.

Toen het bedrijf werd heropend sprak burgemeester Backx de wens uit dat “het zou groeien en bloeien tot in lengte van dagen”.
In het nieuwe gebouw was een mengvoederinstallatie ingebouwd, compleet met mengmestketels. Als grondstoffen werden hoofdzakelijk granen gebruikt, aangevuld met eiwitrijke producten zoals soja, vismeel en mineralen. “We gebruikten uitsluitend eerste klas graan. Wij zijn behoorlijk groot geworden en ik wil niet veel zeggen, maar dat komt omdat we altijd de kwaliteit boven alles hebben gesteld. M’n broer en ik gingen elke winter naar een cursus om de vakkennis op peil te houden. Dat moest wel, want de grote concurrentie was lang niet mals! De grote meelfabrieken hebben altijd een staf van medewerkers klaar staan en daar moet je tegenop kunnen.”
De oorlog was een opwindende episode. Hendrik heeft een map die uitpuilt van dankbetuigingen van mensen die hij onder het oog van de Duitsers heeft voortgeholpen. “Verzet kun je het eigenlijk niet noemen. We wisten alles en we wisten niets, als je begrijpt wat ik bedoel. We hadden de hele oorlog door onderduikers, die we wegbrachten naar bevriende relaties.” Op z’n hartstreek heeft hij vaak de loop van een geweer gevoeld, maar daar wil hij niet over vertellen. ”Maar niet alle Duitsers waren schoften. Het verzet in het leger zelf was niet te beschrijven. Corruptie was aan de orde van de dag. We hadden


een paar auto’s toen. De Duitsers kwamen die vorderen, maar ze kregen geen kans. Eén van de kerels komt op mij af en zegt: als je er maar om denkt dat je bij je standpunt blijft, hè, want je hebt ze wel, wis en waarachtig.”
De molen draaide gewoon door, zij het dat ze het, net als iedere molenaar, moesten doen met de toewijzing die ze van hogerhand kregen.
De demping van de Dedemsvaart was een gevoelige klap. De aanvoer van grondstoffen per schip was afgelopen. “We hadden een elektrische losinstallatie. Reken maar dat dat een strop was! Nu heeft het bedrijf verschillende auto’s. Alles komt in Hasselt aan en daar wordt het opgehaald met de auto.“
In 1963 overleed zijn broer. Tien jaar later heeft Hendrik het bedrijf vaarwel gezegd, zij het niet helemaal. Hij bleef adviseur

Z’n afscheidsreceptie was een geweldig feest. Van het personeel kreeg hij een stereo-installatie.
En z’n vrije tijd verdeelt “oom Henk”, zoals iedereen hem noemt, tussen tuinieren, biljarten, de zaak, en de sociëteit. In 1980 is het bedrijf overgenomen door het voederconcern UTD.


* * *

EEN GONDELVAART IN 1935 EN 1945

De Oranjevereniging is voor Nieuwleusen van groot belang. Het is de vereniging die de festiviteiten organiseert voor het gehele dorp tijdens het Oranjefeest en ook Koningsdag. Die evenementen worden mogelijk gemaakt door alle bezoekers van onze evenementen, de ruim 1200 leden, sponsoren en de vele vrijwilligers die meehelpen om er een mooi dorpsfeest van te maken. Het lidmaatschap bedraagt slechts € 5,= per jaar en het helpt om de kosten zo laag mogelijk te houden en/of zelfs gratis toegankelijk te maken.
De vereniging kan bogen op een lange geschiedenis, die begint in 1934. Op hun site: http://www.oranjevereniging-nieuwleusen.nl/ zijn ook de jaarverslagen opgenomen vanaf 2001. In het jaarverslag van 2008 geeft de vereniging een beeld van wat ze voorstaan en een terugblik op haar geschiedenis.


Doelstelling
De Oranjevereniging tracht ter ere van de verjaardag van H.(Z.)M. de Koning(in) feestelijke activiteiten te organiseren en al datgene te doen wat naar het oordeel van het bestuur uiting geeft van ondersteuning van het koningshuis.


Oranjefeest omstreeks 1950 omgeving Burg. Backxlaan

De vereniging tracht dit doel te behalen door onder andere het organiseren van festiviteiten op de dagen voor de eerste zaterdag in september. Traditiegetrouw zijn deze feesten gekoppeld aan de verjaardag van koningin Wilhelmina op 31 augustus. Voor een agrarische gemeenschap ook een prettige tijd om feesten te organiseren. Ook is men actief bij bijzondere festiviteiten ter ere van het koningshuis, zoals koningsdag.

Geschiedenis
De geschiedenis van de Oranjevereniging Nieuwleusen e.o. voert terug naar het jaar 1934. Op donderdag 5 april 1934 werd de eerste vergadering van het Oranjecomité gehouden. Ter gelegenheid van de 54e verjaardag van HM Koningin Wilhelmina werd op 30 en 31 augustus een tweedaags volksfeest gehouden. De krant van woensdag 5 september 1934 schreef dat het Oranjecomité voor de eerste keer op bescheiden wijze in staat bleek te zijn om de bevolking van Nieuwleusen een feest aan te bieden dat er zijn mocht. In 1935 zou de 55e verjaardag van de koningin feestelijk gevierd worden, maar een dag daarvoor, op 29 augustus 1935, overleed koningin Astrid van België in het Zwitserse Kussnacht. Zij zat bij haar echtgenoot koning Leopold in de auto. Hij verloor de macht over het stuur. De auto vloog over de reling en raakte twee bomen, waarna hij tot stilstand kwam. Koning Leopold raakte gewond, koningin Astrid was op slag dood. Koningin Astrid was een zeer geliefde vorstin en ook buiten België sloeg het bericht in als een bom. Men leefde heel erg mee en in Nieuwleusen besloot de Oranjevereniging zelfs het feest af te gelasten.
In 1936 werd het Oranjecomité onder leiding van de toenmalige burgemeester Backx omgezet in een vereniging met leden. De leden betaalden toen een bijdrage van ƒ 0,50.
Ten tijde van de Tweede Wereldoorlog lagen de activiteiten van de Oranjevereniging stil. Echter in de periode dat de oorlog in ons land ten einde liep werden de activiteiten weer opgepakt. Direct daarna werd op 30 en 31 augustus 1945 de O-feesten wederom georganiseerd. Om de kinderen een versnapering te kunnen aanbieden, heeft het bestuur zich in verbinding gesteld met de leider van de distributie.

Gondelvaart tijdens de Oranjefeesten
Over de gondelvaarten tijdens de Oranjefeesten is lange tijd grote onduidelijkheid geweest, vooral over het aantal keren dat dit festijn heeft plaatsgevonden. In ieder geval heeft het zo’n grote indruk gemaakt dat de verhalen daarover een beeld gaven alsof er regelmatig gondelvaarten werden georganiseerd. Maar er heeft slechts twee keer een gondelvaart plaatsgevonden. De eerste keer in 1935 en de tweede keer in 1945.
Over de gondelvaarten en de organiserende V.V.V. weten we nog maar weinig. Dus wie nog aanvullende informatie of foto’s heeft? Graag horen we hier meer over.


Hier komen we bij een punt waar we vaak niet meer aan denken. Rond 1935 was er nog geen sprake van dat de Oranjevereniging, zoals we in de inleiding citeerden en zoals wij dat nu vanzelfsprekend vinden, “de festiviteiten organiseert voor het gehele dorp”. Er was nog een duidelijke scheiding tussen openbaar en christelijk en ook bij feesten rond het koningshuis had elke groep een eigen programma.
De Vereniging van volksonderwijs (V.V.V.) had voor haar leden en achterban in 1935 ook een bijzonder feestprogramma bedacht, met als hoogtepunt een gondelvaart door de Dedemsvaart.
Daarvoor was al veel voorbereidend werk verricht en daarom ging de eigen koningin voor de koningin van België en ging de gondelvaart wel door. Over de gondelvaart van 1935 wordt gezegd dat het vissersbootje van Hendrik Heite, een bootje waarmee hij altijd ging vissen, was versierd en dat daarin Gees de Groot zat, met een paraplu waaraan aan elke punt een lampion hing. Duif van de melkfabriek uit Den Hulst, deed ook mee en was verkleed als schipbreukeling. Ook Aaltje Südhölter- Brinkman, haar man werkte op de Union fietsenfabriek, en Paulien van de Berg-Schreuder, getrouwd met Jan van de Berg van de bouwmaterialen of ook wel het houtstek, deden mee.

In 1945 werd opnieuw een gondelvaart georganiseerd door de Vereniging Van Volksonderwijs (V.V.V.). Bijzonder is dat H.J. Muller voorzitter was van de V.V.V. en zijn broer H. Muller voorzitter van de Oranjevereniging. Beiden waren eigenaar van molen De Vlijt aan de Oosterhulst. (Over hen gaat het voorgaande artikel.)

Er werd gevaren vanaf Sluis 3 tot aan de Stouwe.
Het ging hierbij om een optocht van versierde, verlichte boten en bootjes die over de Dedemsvaart voeren. De bootjes die meededen waren met elkaar verbonden en werden getrokken door een motorbootje.
De boot van Bart Mensink, die was omgetoverd tot verlichte zwaan, met Nies Kuterman aan het roer, won de 1e prijs.
Van deze gondelvaart zou ook een foto in de krant hebben gestaan, maar die hebben we nog niet gevonden. Wel de volgende aankondiging in “Vaart en Vecht, streekblad van Noord Overijssel”, vrijdag 21 september 1945 (bewaard door Bartje Boschman-Mostert):

NIEUWLEUSEN: Vredesfeest.- Het vredesfeest, georganiseerd door de V.V.V. op 24 en 25 september, belooft iets bijzonders te worden. Aantrekkelijke volksspelen staan op het programma. Beide plaatselijke muziekkorpsen zijn uitgenodigd hun medewerking te verlenen en tal van attracties zullen op het terrein aanwezig zijn. Op 22 september wordt ’s avonds een gondelvaart gehouden.

In de loop der jaren hebben de O-feesten zich verder ontwikkeld en zijn een niet meer weg te denken volksfeest in de geschiedenis van Nieuwleusen en omgeving. Deze uitstraling blijkt ook wel uit het grote maatschappelijke draagvlak.


Als openingshandeling van het Oranjefeest schiet burgemeester Aat de Jonge een miniatuurkanon af van Hendrik Schoemaker.

De Oranjefeesten worden tegenwoordig verspreid over vier dagen gevierd. In principe liggen deze dagen altijd rond 31 augustus. Als regel wordt gehanteerd: de eerste zaterdag in september met de dagen daaraan voorafgaand.



* * *

BINNENGEKOMEN REACTIES

Geachte redactie,
Hartelijk dank voor het kwartaalblad maart 2017, nr. 1. Het is weer informatief en afwisselend. Hierbij een aanvullende opmerking n.a.v. het artikel "Het verhaal achter de honingpers". Hendrik Schoemaker heeft Hoes niet geholpen met zijn honingpers. Hij heeft er zelf een gemaakt en gebruikt; die is geschonken aan het museum. Ter gelegenheid van hun 70-jarig lidmaatschap van de bijenvereniging hebben Hoes en Kreuleman beiden een miniatuurhoningpers gekregen. H. Schoemaker heeft ze uit eigener beweging gemaakt. Het exemplaar van Kreuleman is na zijn overlijden via dhr. Nijdam boven de tap van De Uuthof terecht gekomen. Het museum heeft ook een miniatuuruitvoering. Volgens Hendrik was het stroop halen uit voederbieten hier niet gangbaar. Het gebeurde in en na de oorlog; vooral in Lemelerveld. De geperste drab werd in een lap gedaan om vocht en pulp te scheiden. Het nat werd tot stroop ingekookt. Met vriendelijke groeten, Aartje Schoemaker

* * *

KUNSTMEST

In De Breef, kwartaalblad voor Salland en omstreken, maart 1985, troffen we een leuk dialectverhaal aan, verteld door G. Steen uit Ommen.

Ik bin nog wel iens te gaste op ’n boerderije bij ons in de buurte. As ’t dan mooi weer is, kuier ik daor graag wat rond, um de boel op mien gemak te bekieken.
Nao wat praoten en koffiedrinken loop ik dan deur de stallen, de schuuren, buutn op ’t arf en langs de veestapel, wiederop um ’t huus hen. Daor ligt de weiden en de bouwlanden van de boer.
’t Is volop veurjaor. Dat is te marken an ’t uutlopen van de bomen en de stroeken. De eerste meizuunties stekt hun köppies al boven ’t grös uut.
In ’t weiland veur ’t huus loopt de twie peerden van de boer.
’t Aandere vee stiet nog op stal.
De boeren bint overal druk in de weer. D’r is now volop wark op de boerderije. Dat köj buten zien en ook roeken!
De mest, die in de winter uut de stal op ’n grote hoop achter de schure is ekruud, wördt now met peerd en wagen naor ’t laand ebracht.
Dat lag d’r, zo ezegd, op te wachten. Daor wördt de mest uutestreid, regen en wind zörgt d’r dan veur dat ’t de grond intrekt.
Op de weg mu’j goed uutkieken waor of ie loopt, aanders he’j de schoenen zo vol.
De starke geur van de mest trekt deur de veurjaorslocht.


Zo loop ik dan wat verdan en kleine Jan giet met mij met. Dan he’k nog wat annepraot.
Jan is een flink jongie. Zo klein as e is, giet e al helemaol op in ’t bedrief waorop e groot ebracht is.
Um ‘m een bettien te plaogen zeg ik tegen um: ‘Ik begriepe maar niet waorumme de boeren al die mest zomaar op ’t laand gooit. ’t Is maar ’n grote pruttel. En an stinken gien gebrek.’
Jan kik mij an met ’n paar ogen vol verwondering over zovölle dommegheid.
‘Umdat ’t zo mut’, zeg e dan.
‘k Gao d’r nog wat wieder op deur.
‘ ’t Grös zit d’r helemaol onder. Tamee is d’r gien koe den ’t nog vretten wil’, hol ik mij dom.
‘Och’, zeg Jan, ‘a’j d’r gien mest op brengt, wil ’t grös niet gruuien. Daorumme mut det. En dat ’t stinkt gef niks.’
‘k Doe veurkommen of ik d’r niks van begriep. En zo kuier wij nog een steugien deur.
Bij huus ekommen zeg ik tegen zien vader: ‘Daor zit een goeie boer in. Help mij maor ies ontholden.”

Jaoren later kom ik nog een keer op die boerderije.
’t Is weer veurjaor. D’r is een boel veranderd. De peerden bint weg en twee trekkers staot in de nije schure. De stallen bint verbouwd en de veestapel is völle groter ewörden.
Jan hef de landbouwschoele of’elopen en is flink uut de kloeten ewassen.
’t Zut d’r naor uut dat e een goeie opvolger van zien va zal wörden.
Hij kump net anrieden op een zwaore trekker.
‘Wil ie d’r ies opzitten’, vrög e lachend.
‘k Bedanke um feestelijk. ’t Is mij völ te gevaorliek.
Um een praotie te maken, zeg ik: ‘’t Wark kump weer opzetten.’
‘Jao’, zeg Jan, ‘ ‘k bin d’r net weer van kunstmest zeien.’
‘Kunstmest”, vraog ik dan verwonderd, ‘en ie hebt nog een grote bult mest achter de schure zitten. Wat doe’j daor dan met?’
‘Jao”, zeg e, ‘ daor zal ook nog wel wat van weg mutten. Maar daor heb ik een hekel an, met dat gestink. Geef mij mar kunstmest.’

* * *

Foto achterpagina

In alle vrijheid rijden op een Union fiets






Jaargang 35 nummer 3 september 2017


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina

De spectaculaire optocht n.a.v. het 350 jarig bestaan van Nieuwleusen in 1982.

* * *

UITNODIGING VERENIGINGSAVOND

Op 12 oktober 2017 is het 35 jaar geleden dat de Historische Vereniging Ni’jluusn van Vrogger is opgericht. Voor het ontsluiten van de geschiedenis van Nieuwleusen was dat een belangrijk moment. Dat willen we niet zomaar voorbij laten gaan. Er komt een boek: “TOENDERTIED; Hendrik vertelt” ter ere van het jubileum. Het boek is veel omvangrijker dan een gewoon Kwartaalblad en brengt dus ook meer kosten met zich mee. Het boek komt daarom in de plaats van het 4e Kwartaalblad en het 3e Kwartaalblad ziet u nu in wat afgeslankte vorm.

Op maandagavond 25 september 2017 , aanvang 19.30 uur is de najaars-ledenbijeenkomst in de zaal van de Ontmoetingskerk, Burg. Backxlaan 269. U wordt hierbij van harte uitgenodigd op deze verenigingsavond aanwezig te zijn.
Tijdens deze bijeenkomst zal het boek Toendertied. Hendrik Vertelt worden gepresenteerd. Aanwezige leden kunnen het boek in de pauze in ontvangst nemen. De overige leden krijgen het boek thuisbezorgd of -gestuurd.
Na de presentatie vertellen Joke Bos en Gerrit Lubbers over het onderwijs in Nieuwleusen en laten aan de hand van foto’s en films uit het archief van de vereniging zien hoe verschillend het schoolleven van grootouders, ouders en kinderen er uit zag.

* * *

JUBILEUMUITGAVE

Voorafgaand aan de uitreiking van het boek verschijnt nu een dunner Kwartaalblad, met daarin opgenomen de bestuursmededelingen die gewoonlijk in Hulstblaadjes verschijnen.

Het boek Toendertied; Hendrik vertelt laat zien hoe in een samenleving alles in elkaar grijpt en hoe kleine gebeurtenissen het leven veranderen en zin geven. Hendrik vertelt graag en heeft een goed geheugen voor details en namen. En hij heeft veel voor de vereniging betekend, als kenner van de omgeving en verzamelaar van voorwerpen voor een museum.
Tot op de dag van vandaag werken we naar zijn voorbeeld aan de opbouw van de museumcollectie. Er komen wekelijks schenkingen binnen en steeds weer horen we van mensen verhalen die nog niet zijn opgetekend. We hopen dat het boek anderen aanspoort ook te willen vertellen over gebeurtenissen uit hun leven. Dat is belangrijk voor de lokale geschiedenis. We leggen dat graag vast.
Twee citaten:
“Ien 1994 mossen wi’j weg van de Burg. Backxlaan umdet ‘t niet langer wol met de kammenetten.
Nao de verhuzing hebt wi’j de museumspullen eerst bi’j Evert ten Kate onderebracht en daorna bint ze naor Bijker ien Den Hulst, kört bi’j Sluus 3, egaone; tötdet ien 1997 ‘t Palthehof klaor was.”

“Ik had de eerste jaorn veurzitter ewest van de historische vereniging. An de gemiente heb ik toen ezegd: “Jakob de Weerd, da-s een heel actief iemand, en nog jong.” - Ik zeg nog steeds det hi’j een butengewoon goeie veurzitter was. Hi’j dee er machtig veule veur. Ik heb d’r nooit gien spiet van had det ik ‘m toen anrecommandeerd hebbe.”


Hendrik Schoemaker overhandigt de voorzittershamer aan Jakob de Weerd.

Na Hendrik Schoemaker heeft Jakob de Weerd gedurende 28 jaar de functie van voorzitter van de vereniging uitgeoefend en de vereniging tot bloei gebracht.
Op 21 maart 2016 is hij voor zijn inzet voor de Historische Vereniging Ni’jluusn van vrogger benoemd tot Lid in de Orde van Oranje Nassau. In het Kwartaalblad van juni 2016 hebben we verslag gedaan van deze gebeurtenis en een overzicht gegeven van de vele activiteiten gedurende deze periode.


Jakob de Weerd overhandigt de voorzittershamer aan Gees Bartels.

* * *

Gé HENGEVELD 34 JAAR IN DE REDACTIE

In mei 2017 heeft Gé Hengeveld bedankt als lid van de redactie. Gé heeft vanaf de oprichting van de vereniging deel uitgemaakt van de redactie van het Kwartaalblad. Met haar enorme genealogische kennis is ze steeds van groot belang geweest voor de kwaliteit van ons tijdschrift. We danken Gé voor al die jaren dat ze zich heeft ingezet voor het Kwartaalblad.
Na het vertrek van Jakob de Weerd is Gees Bartels nu tijdelijk de eindredacteur. Al met al is er een grote leemte in het redactieteam en daarom zijn wij naarstig op zoek naar nieuwe redactieleden en een eindredacteur. Heeft u hier belangstelling voor? Aarzel niet en neem contact op met ons.

* * *

UITBREIDING MUSEUM?

Er is veel geschonken en veel verzameld en sinds 1998 hebben veel mensen in museum Palthehof kunnen genieten van al die bijzondere voorwerpen. Maar er zijn heel veel voorwerpen in de magazijnen die we niet kunnen tentoonstellen. Daarom willen we graag meer tentoonstellings- en depotruimte hebben.
Om te kunnen beoordelen of uitbreiding van het museum met een nieuwe vleugel achter het gebouw mogelijk is, hebben we architect Patrick Belderink opdracht gegeven het schetsmodel en de kostenraming verder uit te werken, zodat we een realistisch beeld van de mogelijkheden hebben om aan de leden op de jaarvergadering voor te leggen.

* * *

MUSEUMSEIZOEN NOG VOLOP ACTIVITEITEN

Tot 28 oktober is de prachtige tentoonstelling nog te bezoeken: Goed veur de dag komen; kleding gedragen tussen Reest en Vechtdal. En u kunt de niet van het origineel te onderscheiden replica van Het zwaard van de Ommerschans bekijken.

* * *

OPEN MONUMENTENDAG 9 SEPTEMBER

Geen huwelijk in de familie en toch graag de trouwzaal bekijken? Nieuwsgierig hoe het Schuttenkerkje er nu als woonhuis van binnen uit ziet? Nooit in een groep een bezoek aan het Grammofoonmuseum kunnen brengen?
Op zaterdag 9 september kan dat allemaal.

Dit jaar doen we voor het eerst mee aan de landelijke Open Monumentendag. Van 10.00 tot 16.00 uur kunt u volop genieten van de “monumenten” die deze dag hun deuren open zetten. Gratis toegankelijk zijn: Grammofoonmuseum, Ontmoetingskerk, Grote Kerk, ’t Olde Gemientehuus, Museum Palthehof, ’t Schuttenkerkje, Veehoudersbedrijf van de familie Prins aan de Jagtlusterallee en Molen Massier. Er zijn verschillende activiteiten en er is een fietsroute langs de mooie historische plekken.

Opening Open Monumentendag 10.00 uur museum Palthehof en presentatie van het DNA van DALFSEN door wethouder Jan Uitslag,

Onder die naam gaan de historische verenigingen van Dalfsen en Nieuwleusen op een verbindende wijze verder aan de slag met de cultuurhistorie van de gemeente. Het eigene, het DNA, komt in de naam naar voren die de werkgroep heeft gekozen. Daarbij is het een leuke toevalstreffer dat de naam ook verwijst naar de verbinding die ze nastreeft van Dalfsen, Nieuwleusen en de Andere kernen. Daarbij willen we de bevolking zoveel mogelijk bij het invullen en vormgeven van de geschiedenis betrekken.
Daarvoor zijn voor de vijf kernen “schatkisten” gemaakt, waarin wensen en suggesties kunnen worden verzameld. De wethouder gaat de Dalfser DNA-schatkisten aanbieden aan de werkgroep. Deze kisten worden gebracht met een melk-/hooiwagen uit rond 1900 met paard, onder begeleiding van nog 2 koetsen/wagens met paarden. Het gebeuren wordt muzikaal omlijst door de accordeonvereniging Con Brio.
Daarna zal er geproost worden op het heugelijke feit van de officiële naamgeving “DNA van Dalfsen”.

Er zijn allerlei activiteiten en er wordt met de paarden en wagens een pendeldienst onderhouden waarbij bezoekers kunnen instappen om van Museum Palthehof naar Molen Massier te gaan en weer terug.

* * *

KONINGINNEMARKT en FIETSWEEK

Een week later, op zaterdag 16 september 2017, zijn we weer met volop activiteiten van de partij tijdens de Koninginnemarkt.

Op zaterdag 23 september vanaf 11 uur presenteert de Union werkgroep zich met een deel van onze Union Rijwielencollectie bij het evenement t.g.v. de aftrap van de Fietsweek Zwolle op het Broerenkerkplein.

* * *

LEDENVERGADERING

Maandag 11 december 2017, aanvang 19.30 uur is de winterledenbijeenkomst in de zaal van de Ontmoetingskerk, Burg. Backxlaan 269. Noteer de datum alvast in uw agenda.

* * *

KERSTWANDELING

Op Tweede Kerstdag is er weer de traditionele kerstwandeling, waarbij deelnemers tussen 11.00 en 13.00 uur in museum Palthehof de route kunnen afhalen en aan de wandeling beginnen. Na afloop kunnen de deelnemers gratis het museum bezoeken.

* * *

PALTHEHOF.NL internet en e-mail

Internet geeft de mogelijkheid om zonder portokosten grote groepen te informeren over actuele ontwikkelingen op allerlei gebied. Als historische vereniging gebruiken wij Plathehof.nl als ons digitale communicatiemiddel met leden en belangstellenden.
Lange tijd verscheen er weinig nieuws op de site, maar hierin is in 2016 verandering gekomen en nu wordt er van alle activiteiten verslag gedaan, vaak met veel foto’s die een goede weergave zijn van de sfeer waarin de gebeurtenissen plaats vinden.

Middels de PALTHEHOFKOERIER onderhouden we de communicatie met de vele vrijwilligers. Vindt u het prettig om tussen de verzending van de Kwartalenbladen ook geïnformeerd te worden over waar we mee bezig zijn? Geef als lid dan uw email adres door aan info@palthehof.nl voor de mailinglijst.

* * *

MUSEUMTV.NL

Met museumtv.nl ontdek je verrassende musea in Nederland. De provincie Overijssel heeft museumtv.nl een subsidie verstrekt om enkele musea in Overijssel op de kaart te zetten, waaronder ons museum. De opnamen zijn achter de rug. Op museumtv.nl is nu ook een korte impressie van Museum Palthehof te bekijken.

* * *

DOUWE EGBERTS PUNTEN

Er is massaal gereageerd op de oproep van Jan Huzen om Douwe Egberts punten te brengen of op te sturen. Hiervoor zijn heel hartelijke dank, gevolgd door het verzoek hier mee door te gaan, want: vervangen van oud materiaal door bij elkaar passend nieuw materiaal geeft vreugde aan het werk in de keuken.

* * *

JAGTLUSTERALLEE

Ron Klijn

De Jagtlusterallee was dit jaar volop in het nieuws omdat het gemeentebestuur moest beslissen over de renovatie en het opwaarderen van de allee tot volledige 80- kilometerweg. Dan zouden 600 bomen gekapt moeten worden. Zou het een 60 km weg worden, dan zouden bomen kunnen blijven staan. Tijdens de vergadering van de gemeenteraad op 6 juni werd door het actiecomité Behoud Bomen Jagtlusterallee aan de politici een petitie aangeboden met ruim 1600 steunbetuigingen.
De gemeenteraadsleden bleken niet ongevoelig voor de petitie. De Jagtlusterallee wordt een 60 kilometerweg.


Een korte terugblik:
De weg tussen de Rollecate en het Westeinde bestond omstreeks 1900 uit twee gedeelten.
1: het noordelijke gedeelte tussen de Rollecate en de Meeleweg genaamd de Kleine Allee.
Dit gedeelte was voorzien van een dubbele rij eikenbomen. Het was ook de geliefde standplaats van de trekkende woonwagenbewoner. Hun verblijf was slechts enkele dagen.
Tussen de bomen werd een waslijn gespannen, om daaraan de was op te hangen. Zodra de paarden uitgerust waren en de was droog was, werd de reis vervolgd. De gemeente ondersteunde de woonwagenbewoners financieel. Soms had gemeentewerken nog 72 een klein karwei voor ze en konden ze nog iets verdienen. Ze kwamen en gingen meerdere keren per jaar volgens een bepaalde route waar ze onderweg werkadressen hadden.
Landelijke bepalingen maakten hier een einde aan.
Tijdens de ruilverkaveling, zo’n 60 jaar geleden, werden deze bomen niet gekapt. Dit gedeelte is thans industrieterrein.


Jagtlusterallee 1957 met nieuwe bomen.

2: Het gedeelte tussen de Meeleweg en het Westeinde genaamd de Jagtlusterallee.
Langs weerszijden van dit gedeelte stonden rijen eikenbomen. In de ruilverkaveling 1950 werd na protest uit de bevolking alleen de bomenrij aan de westzijde van de weg gerooid. Na de aanleg van de nieuwe rijweg werden aan de westzijde van de weg jonge eikenbomen geplant, en ter bescherming zogenaamd onderhout. Deze struiken dienden na verloop van jaren gerooid te worden, maar dat werd op verzoek telkens uitgesteld. Het gevolg is dat er nu behalve eiken diverse andere bomen tussen staan, en het wegprofiel te smal is geworden voor het huidige verkeer. Door selectief kappen kan de verkeersveiligheid worden bevorderd en wordt de Jagtlusterallee een echte allee met aan weerszijden een rij eikenbomen.

* * *

ANWB VERGAT NIEUWLEUSEN

In 35 jaar is heel veel veranderd. In 1982 was er nog geen internet en van postcodes had niemand gehoord. Wie van elders in Nieuwleusen kwam wonen kreeg de post soms met vertraging omdat die eerst naar Leusden in Utrecht werd gestuurd. Het Stedenspel, op tv uitgezonden door de NCRV, heeft Nieuwleusen landelijk op de kaart gezet; voor de ANWB was het nog een onvindbaar stukje Nederland.

De ANWB bood haar leden ter gelegenheid van het honderdjarig bestaan een ‘jubileumkaart’ aan. Kort daarop verscheen in ‘De Kampioen’, april 1983, dit bericht:
De jubileumkaart bleek wat schoonheidsfoutjes te vertonen. Dat kan ook nauwelijks anders, want het cartografisch ontwerp van een geheel nieuwe kaart is bepaald geen sinecure; en zelfs de grootste zorg sluit fouten niet uit. Wat gebeurde er dan? Wij vergaten een aantal plaatsen op te nemen. Leden die in die plaatsen wonen, maakten ons daarop attent. En natuurlijk bieden wij hen (…) onze verontschuldigingen aan.
Nieuwleusen, niet bij Amersfoort maar ten noorden van Zwolle, was een van die plaatsen; al op de kaart van Nicolaas ten Have, vervaardigd omstreeks 1850, vermeld; en nu 'vergeten'.
En dat met een burgemeester die algemeen consul van de ANWB is. Ook de burgemeester en de inwoners van Nieuwleusen - notabene in 1982 350 jaar - beloven wij het bij een volgende druk de plaats te geven die het toekomt: op de kaart!

* * *

DENKERTJE

Bij het controleren van de inzendingen van de puzzel in het vorige Kwartaalblad waren we even in twijfel over vraag 3: lokaal Drankje. Daar moest “Hagel en donder” de letters “h”, “d” en “e” opleveren, passend in drie andere woorden. Bij “Hulsterdubbel” kan dat ook. Maar dat drankje kenden we niet. Navraag bij slijterij D’Ommerdiek leerde ons dat er wel “Hulsterplaswater” wordt verkocht en ook “Hulsterblubber”, maar geen “Hulsterdubbel”. J. Westerman en J. Mulder ontvangen een tegoedbon.

* * *

EVERT DIJK EN DE VINKENBUURT - 3

Gees Bartels

Evert Dijk (1914-1982) schreef het boek “Als de dag van gisteren”. Daarin vertelt hij hoe hij opgroeide in de Vinkenbuurt, in een omgeving die nog grotendeels uit woeste gronden bestond. De verhalen laten zien hoe eenvoudig het leven in die tijd was en men zelf creatieve oplossingen zocht voor wat wij nu in de winkel kopen. In het boek staan de verhalen in het dialect. Met toestemming van zijn dochter publiceren wij ze nu als vervolgverhaal in het Nederlands.

4. Waar ik mee speelde.
De inkomsten van de meeste kleine boerenbedrijven in de Vinkenbuurt waren zo omstreeks 1920 amper voldoende om er met een gezin van rond te komen en soms maar net voldoende om het hoofd boven water te houden.
Bij mijn ouders was dat al net zo en toch, ondanks het weinige was er een bouwdoos en een klein klok- en hamerspel dat ik op de verjaardag van Sinterklaas in de klomp had gekregen, waarmee ik me altijd goed heb vermaakt.
Wij maakten in die tijd meestal ons eigen speelgoed. In de herfst en in de winter maakten wij, als het donker was, bij ’t licht van de petroleumlamp, een molenspel. M’n moeder had op een stevig stuk papier lengte- en dwarsstrepen getrokken en zwarte en witte knopen deden dan dienst als schijven.



Vaak was ik ook bezig om met een potlood de grote titels en figuren van de oude boeken uit het kabinet van mijn grootvader na te tekenen. Er waren nog heel wat andere dingen waarmee ik mij vermaakte en veel te snel naar mijn zin moest ik alweer naar de donkere bedstee om te gaan slapen. Ik was helemaal niet bang in het donker, ook al hoorde ik weleens een muis ritselen in het beddenstro, maar aan al dat geslaap had ik een hekel en ik beschouwde dat als verloren tijd.
Bij daglicht waren mijn speelmogelijkheden vanzelf veel groter, met name buitenshuis.
Ik had zelf een kruiwagen in elkaar geprutst en daar roste ik mee rond het huis, of ik was aan het hoepelen met een afgedankt fietswiel.

Als er sneeuw lag ging ik met de slee glijden. Die slee had mijn vader voor mij gemaakt van twee versleten zeisen, met daar tegenaan gespijkerd dunne balkjes in dezelfde kromme vorm en daarna aan de bovenkant vastgemaakt tot een sterke slee.
Al voor ik naar school ging leerde ik schaatsen, op een paar ijzers uit de vorige eeuw met van die grote krullen aan de voorkant. In ’t begin achter een stoel, maar al snel schaatste ik zonder dit hulpmiddel over het gladde ijs van sloten en plassen.
In het voorjaar en in de zomer was er voor mij nog veel meer te beleven.
Planken en stenen gingen door mijn fantasie soms veranderen in vreemde bouwsels, waar een ander niets van begreep maar die voor mijn spel van grote waarde waren.
Vruchtdozen van de gele lis, die leken op harde groene augurken, met daar ingestoken luciferstokjes, werden mijn varkens. Eikels en kastanjes vond ik heel geschikt om er pijpen van te maken en een beetje losse turf moest rooktabak voorstellen.
Met russen uit het koeland kon ik lange vlechten in elkaar draaien en een taaie tak van een eik, op spanning gebracht met een stuk touw, deed dienst als boog en met een rietstengel, met aan de voorkant een stukje vlierhout, schoot ik soms op de kippen, die dan met veel lawaai uit elkaar stoven.
En dan was er nog de schommel, met het touw van de hooiwagen vastgeknoopt aan een dikke tak van de oude winterappelboom, die voor het huis in het midden van de boomgaard stond.

Maar het allermooiste waren toch wel de zwerftochten door mijn dromenland.

Als mijn vader en moeder ’s morgens al vroeg naar het land waren om de koeien te melken ging ik, als het nog niet eens goed licht was, naar het woeste land aan de zuidkant van de al ontgonnen landerijen. Daar was alles nog woest en ledig. Wat heb ik daar een plezier beleefd met al die vogels.
Met die prachtige gevleugelde vogels speelde ik alsof het mijn eigen speelkameraadjes waren. Voor dag en dauw waren ze zo druk bezig dat ze soms rakelings langs me heen vlogen om mij bang te maken. Ik hoorde de roep van de wulpen, grutto’s, kieviten, kemphanen en al die anderen. Als ik luisterde naar de toonladders van de leeuwerik en het langgerekte gemekker van de nachtzwaluw hoog in de lucht, dan vierde ik op die momenten feest met de vogels in de wildernis en vergat de tijd.
Wat waren ze prachtig, die velden met hun duizenden bloemen en de schittering van ontelbare dauwdruppels. En als dan de zon opkwam en zijn morgenstralen over de wildernis liet schijnen, wat was de Vinkenbuurt dan mooi. Ik was er zo gelukkig.

* * *

GONDELVAARTEN VAN NIEUWLEUSEN

Jakob de Weerd

In ons vorige Kwartaalblad hebben we het een en ander verteld over de gondelvaarten en de Oranjefeesten. Daarbij gaven we aan: “Over de gondelvaarten en de organiserende VVV weten we nog maar weinig. Dus wie nog aanvullende informatie of foto’s heeft? Graag horen we hier meer over.”
Jakob de Weerd is in de krantenarchieven gedoken en kwam met een completer artikel voor ons Kwartaalblad. Dat hebben we geheel opgenomen. De vertaling Ver. van Volksonderwijs (VVV) had moeten zijn “Vereeniging voor Volksvermaken”.


Aan het begin van de 20ste eeuw werd er al een gondelvaart gehouden die met twee deelnemende boten nauwelijks die naam verdient. Die eerste gondelvaart was in 1909 en zou plaatsvinden op Koninginnedag. Omdat het toen slecht weer was, werd die uitgesteld en een week later op 7 september gehouden. De twee sierlijk verlichte boten voeren van De Lichtmis tot aan De Stouwe. In de ene boot zat het Harmoniegezelschap “Crescendo” en in de andere Zangvereniging “Euterpe”. Beide groepen stonden onder leiding van de heer H.A. Meijer, de directeur (dirigent) van beide gezelschappen. Afwisselend kreeg het publiek een nummer van een van beide gezelschappen te horen.
Vervolgens werden er twee gondelvaarten gehouden die door de Oranjevereniging werden georganiseerd. Tenslotte vond er in 1945 nog een gondelvaart plaats waarbij de toen pas opgerichte V.V.V. voor de organisatie tekende.

Oranjevereniging
Nadat in 1934 het Oranjecomité was opgericht, werd “de verjaardag van HM. de Koningin op waardige wijze gevierd”.
’s Avonds waren er meer dan 1500 betalende bezoekers op het feestterrein die het openingswoord van dr. A.J. van Ravenswaaij en de feestrede van burgemeester J. Ph. Backx aanhoorden.
Daarna gaven Muziekvereniging “De Broederband” en Zangvereniging “Sursum Corda” een concert. De avond werd besloten met een vuurwerk. Dat leidde de andere morgen nog tot een ongeluk. Enkele jongens speelden met op het feestterrein gevonden hulzen waarin nog kruit aanwezig was. Hierbij verloor een jongen de vingers van zijn hand, een andere had brandwonden en een derde een diepe hoofd- en een oogwond.

Ondanks het overlijden van koningin Astrid van België vonden de Oranjefeesten van 1935 gewoon doorgang.
“Voor het eerst sedert haar bestaan organiseerde het Oranje Comité alhier een kinderfeest waaraan door ruim 700 kinderen van alle scholen uit deze gemeente en de Vinkenbuurt werd deelgenomen. ….. Voor de volwassenen begon het feest met een gondelvaart door de Dedemsvaart, die later op den avond totaal is verregend. Reeds lang voor negen uur stroomde het publiek van alle kanten naar de Ommerdijkerbrug en toen te ongeveer kwart over negen de Broederband, die eveneens in een aardig versierde bokschuit had plaats genomen, het begin van de Gondelvaart inzette met het spelen van het Wilhelmus, bleken er acht deelnemers te zijn.

Niettegenstaande de tocht wegens de regen niet heelemaal was volbracht, had de jury bestaande uit Mevr. van Strien en mevr. Weenink en de heeren B.J. van den Berg B.Jzn. en J. Kleen Scholten kans gezien de prijzen vast te stellen. 1ste werd het Japansch Theehuis van de dames Hegberg, ten Hoopen, van Schaveren en Visser


Advertentie Meppeler Courant 23 augustus 1935.

2de een groote versierde boot van G. Boers, derde de inval der Noormannen van P. de Boer, 4de de Vuurtoren van de dames Kouwen en Sterken, en vijfde de Sultan en zijn Harem van J. Vos met diverse dames. De prijsuitdeeling in hotel Nijmeijer werd vanwege de regen uitgesteld. Wegens geringe deelname kon den volgenden dag de aangekondigde optocht niet doorgaan.” (Uit de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 3 september 1935.)

In 1936 vond er weer een kinder- en volksfeest plaats met een optocht en diverse spelen, evenals in 1937. In dat jaar stond er ook weer een gondelvaart op het programma.
“Het kinderfeest is alhier gevolgd door het volksfeest der Oranjevereeniging en ’s middags ingezet met een grooten toeloop van belangstellenden naar de diverse volksspelen. Van het nummer versierde sjeezen was nogal veel werk gemaakt, evenals ’s avonds dit het geval was met de gondels. Aan variatie ontbrak het niet. Bij de spelen ontstonden vaak heel wat ongewilde, lachwekkende situaties, waardoor de belangstelling getrokken bleef. Ook de vlotte afwerking zorgde daarvoor.
De avond was bijna geheel in beslag genomen door de gondelvaart, aanschouwd door een groote menigte. De motorboot „De Koophandel", voorzien van een flinke sleep aan gondels, herbergde een groot aantal muzikanten, die zich tijdens de route niet onbetuigd hebben gelaten. Met dit al werd het laat, voordat tot prijsuitreiking kon worden overgegaan. ….. De uitslagen waren: ….. Gondels: 1. Groene Kruis van Mensink—Nijman—De Groot, 2. Hans en Grietje van K. ten Hoopen—G. Groenhuizen— A. Visser, 3. Zwaan van Boers, 4. Kano van Uitenbogaerd, 5. Geloof, Hoop en Liefde van de Lange. De jury voor de gondels bestond uit de dames v. Marle—Gerrits en v. Aarst—de Leeuw en de heeren B. v. d. Berg en Lohman.” (Uit de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 2 september 1937.)


In 1938 was de Dedemsvaart weer een van de elementen die tijdens het Volksfeest werd gebruikt. Dit keer werd er o.a. een touwtrekwedstrijd gehouden over het kanaal.

V.V.V.
In augustus 1945 werd in Den Hulst een Vereniging voor Volksvermaken opgericht. In een bericht in de Staatscourant van 22 april 1947 blijkt dat de statuten zijn goedgekeurd: No 224. Vereeniging voor Volksvermaken, verkort V.V.V. gevestigd te Nieuwleusen. Er is maar weinig over deze vereniging bekend. Waarschijnlijk is ze niet lang actief geweest.
Het is niet de bedoeling van de V.V.V. om de Oranjevereniging te dwarsbomen. Men wil bevordering van het vermaak en de ontwikkeling van de jeugd die zich nu buiten de gemeente vermaakt en jeugd van elders naar hier trekken. De ambities zijn hoog. Er is niet alleen sprake van spreekbeurten, tentoonstellingen en volksfeesten, maar men heeft het ook over het oprichten van een zwembad en een ijsbaan. De feesten zullen niet op hoogtijdagen van het vorstenhuis worden gehouden. Dat verklaart waarom de vredesfeesten van 1945 pas in de loop van september plaats vonden.

Ook wanneer de Vereniging voor Volksonderwijs (meestal afgekort tot Volksonderwijs) een feest organiseert zal de V.V.V. dat niet doen. Hieruit blijkt dus ook dat de in “Vaart en Vecht” van 21 september 1945 genoemde V.V.V. niet in verband gebracht moet worden met Volksonderwijs.


Advertentie in De Oprechte Dalfser Courant van 21 september 1945.

De Meppeler Courant van 28 september 1945 doet verslag van de vredesfeesten: “Het eerste feest van V.V.V. een succes. Den Hulst. De geweldige regen van Zaterdag was oorzaak, dat des avonds niet alle bootjes op de startplaats van de gondelvaart, uitgeschreven door de V.V.V., waarmede de vredesfeesten van deze vereeniging werden ingeluid, aanwezig waren.
Niettegenstaande dat, had de gondelvaart toch plaats en het weer werkte verder mee. Met een motorboot van den heer Van Haarst van De Lichtmis voorop, trok de mooie stoet, onder buitengewoon groote belangstelling vanaf Sluis 3 naar Brug 6.
“Crescendo” vroolijkte met marschmuziek een en ander op. De keuringscommissie wees na lang wikken en wegen aan de Zwaan van mej. N. Kuterman den eersten prijs toe; tweede werd mej. H. Wicherson met Bruidje en derde mej. J. Schuurman met Indië.”







Jaargang 35 nummer 4 december 2017















HENDRIK VERTELT


VAN TOENDERTIED




Uutegeven ter gelegenheid van het 35-jaorig bestaon van de

Historische Vereniging “Ni’jluusn van vrogger



















Hendrik Schoemaker Gzn


Meubelmaker te Nieuwleusen




Grondlegger van Ni’jluusn van vrogger






INHOUDSOPGAVE


INHOUDSOPGAVE






Inleiding
Dank oe wel allemaole!
Veurwoord - Hendrik Schoemaker is een echte verhalenverteller!
Stamboom van Hendrik Schoemaker Geertzoon
Stamboom van Stientje Schoemaker - Mannen


MIEN AOLDERS EN GROOTAOLDERS

10 
12 
13 
14 
16 

De Benne en de Beule
1800 - Hannekemaaiers met Duutse piepen bi’j grofva ien de Benne
Mien grootaolders uut Dalfsen
Mien grootaolders Schoemaker
Mien va en moe, breurs en zuster

17 

MIEN JONGESJAOREN

18 
21 
22 

Openbare Schoele an ‘t Oostende
De umgeving waor as ik opgruien
Buurtschappen

27 

TRADITIES, GEBRUKEN EN GEWOONTES

27 
28 
28 

Carbid schieten met Aold en Ni’j
Ni’jjaorwinnen
Begraven ien Ni’jlusen anno 1933

31 

BOERENWARK HET JAOR ROND

31 
34 
36 
38 
39 
40 
42 

Veurjaor
Zomer
Oogsttied
Harfst en winter
November: slachtmaond
December: koenen op stal
Bi'jenhaolder

45 

IEN MILITAIRE DIENST

49 

De annemers

49 

OORLOGSTIED IEN NI'JLUSEN

50 
52 
52 
53 
54 
55 
55 
55 
56 
56 
57 
58 
58 
59 
60 
61 
61 
62 
63 

David Talbott, de Amerikaanse piloot
Meuleman zien huus
De ondergang van ‘t vliegtuug
Een vliegtuugmotor
Jan Mannen, Jos Bovanie en de vliegmesjienemitrailleur
Hiemstra zien ieskelder (ijskelder)
Spek uut de wiemel
‘t Onderdukersloek ien Meuleman zien huus
Onderdukers bi’j Meuleman
NSB-ers ien huus
‘t Kan ok wel ies fout lopen
Jan Mannen en de zender ien Meppel
Niet spitten mar slachten
De Franse parachutisten
Armoede
Klompen maken
Huusslachter
Roggemeulentie
De Vlim

64 

NAO DE OORLOG: MEUBELMAKER

64 
64 
65 
66 
68 
70 
70 

Bi’j Stoffer ien Zwolle
Bi’j Jan Wibier an Dedemsvaort
Trouwen
Naor Ni’jlusen
Vakdiploma’s halen
Schoenmaker en Schoemaker
Hulpies ien de zaak

71 

MIEN SCHOONFEMILIE: MANNEN-ENNIK

73 

HET GEZIN VAN GEERT

74 

Naor de huushaoldschoele

75 

MAATSCHAPPELIJK BETRÖKKEN

75 
76 
76 
77 
78 

Bi’j de brandweer
De winkeliersvereniging
Ereburger
Gastgezin veur een Oostduutse jonge
De leste kammenetten

79 

DE LESTE LÈVENSJAOREN VAN STIEN

80 

VAN STICHTING OUD NIEUWLEUSEN NAOR
HISTORISCHE VERENIGING NI’JLUUSN VAN VROGGER

80 
82 
83 
84 
85 
87 
88 
89 
89 
90 
90 
91 

‘Een gemeenschap kan niet zonder particulier initiatief’
De boerderi’je achter ien de winkel
Museumstukken repereren
Verhuzen van ‘t museum
Havezate Oosterveen op de provinciale kaarte uut 17de eeuw
De aolde karkklokke van Havezate Oosterveen
‘t Bronzen Zweerd
Pompeboren
Turfklompen
Karkhof?
Spoorspieker
Veuruutziende blik?

91 

VAN EIGEN HAAND

91 
92 
93 
94 
95 
96 
97 
98 
99 

Versiering van ‘t orgel
Iekenholt
Kammenetten
Palmholt
De meule van Usselo
Boerenwarktugen ien ‘t klein
Holten peerd
Schepen op schaal
De Batavia

100 

MIEN VERZAMELINGEN

100 
101 
102 
102 
103 
104 
104 
106 
106 

Tin
De ‘karsballe’
Holt
Holt-zonder-ende
Letterzetter
De tabakspot
Klokken
“Jager”
Waopens


INLEIDING

Dit jaar vieren we dat 35 jaar geleden, op 12 oktober 1982, de historische vereniging “Ni’jluusn van vrogger” werd opgericht. Dankzij de vereniging heeft de kennis over de geschiedenis van Nieuwleusen zich verbreed en verdiept. In het Kwartaalblad verschenen tal van interessante artikelen, er is veel fotomateriaal verzameld en in museum Palthehof tonen we het cultuurhistorisch erfgoed. Op verenigingsavonden en tijdens groepsbezoeken vertellen we over de geschiedenis. Met 950 leden zet de vereniging zich in om te bewaren en documenteren wat waardevol is en dreigt te verdwijnen. Dat geldt zeker ook voor de taal van Nieuwleusen.
Daarom hebben we besloten om het levensverhaal van één van de belangrijkste grondleggers van onze vereniging te publiceren in de streektaal. Hier is de beleving van een tijdperk onlosmakelijk verbonden met de wijze waarop men daarover sprak. Met dit boek is de taal van Nieuwleusen zoals die generaties lang werd gesproken gedocumenteerd en bewaard.
Misschien hebt u wat moeite met het lezen, maar met enige inspanning zal dat zeker lukken en zal het Ni’jluusigers u meer vertrouwd worden; en dat is waarom we het zo hebben gedaan.

Het bestuur wenst u veel leesplezier.

DANK OE WEL ALLEMAOLE!

Dit boekwark is töt stand ekomen met medewarking van Hendrik Schoemaker en nog heel wat meer mensen. De verhalen vertelt Hendrik uut zien geheugen, ‘t bint zien herinneringen, wi’j pint ‘m niet vaste op de details van historische feiten.

Een aantal mensen die ok veule d’r an edaone hebt um dit boekwark veur mekare te maken wil ik nog effen numen. Al die aanderen ok hartelijk dank! En moch ik lui vergèten hebben, dan bied ik bi’j veurbaat mien verontschuldiging an!

Hendrik hartelijk dank veur al oe verhalen!

en

Aartje en Geert Schoemaker,

Gees Bartels,

Philomène Bloemhoff

Maria de Goede,

Ilse Weijman,

Historische Vereniging Ni’jluusn van vrogger

Zonder jullie was dit niet elukt!

FOTOMATERIAAL

Veur disse uutgave is gebruuk emaakt van foto’s van femilie Schoemaker en femilie Mannen en uut ‘t archief van de Historische Vereniging Ni’jluusn van vrogger. Daornaost heb ik zelf een aantal ni’je foto’s emaakt. Umdet ‘t fotoarchief van de historische vereniging töt stand is ekomen dankzi’j al die Ni’jlusenaren die heur foto’s hebt laoten dupliceren ien museum Palthehof wil ik ok iederiene bedanken die de aofgelopen 35 jaor op die meniere bi’jedragen hef.


VEURWOORD

HENDRIK SCHOEMAKER IS EEN ECHTE VERHALENVERTELLER!


Hendrik hef zien hele leven altied heel gedetailleerd verhalen verteld an iederiene die ok mar ‘n betien interesse tonen ien ‘t Ni’jluusn van vrogger.

Ien zien winkel annex meubelmakeri’je op de hoek van de Wetholder Prinsstraote 2a en Burgemeister Backxlaan 16 had hi’j zelfs een eigen museum ienericht, met as grote bezunderheid de veurgevel en ‘t veurhuus van de boerderi’je van familie Van Spijker.

De indruk die disse museumboerderi’je-ien-de-winkel op mi’j maken toen ik ien 1976 as argeloze, 23-jaorige klant een stuk tafelzeil kwam kopen bi’j Stien en Hendrik, was onuutwisbaar. Hendrik vertellen met passie aover zien wark as meubelmaker en aover zien veule hobbies. As jochie al was hi’j graag onderweg, ‘op e struun’, waorbi’j hi’j spullegies verzamelen die veur anderen gien weerde meer hadden. Hi’j nam die roeststukken met, schuren en repareren ze, en vertellen d’r graag ‘t achterliggende verhaal bi’j.

Hendrik zien doel met die verhalen is um kennis vaste te leggen veur nou en veur later, nou – ien 2017 - kan Hendrik nog veule verhalen wel zelf vertellen, 97 jaor old! De verhalen bevat een boel wetenswaardigheden uut een lang leven, ‘t leven van een man die deel uut maken van oeze dorpsgemienschop, daor wonen, warken en die hef bi’j-edragen an de ontwikkelingen en ‘t behold van de geschiedenis deur mede vorm te geven an de oprichting van de historische vereniging.

Ien de winter van 2012- 2013 hef Hendrik Schoemaker Gzn mi’j een aantal van zien verhalen en wetenswaardigheden verteld. Hendrik hef dit edaone op mien verzuuk um zien verhalen vaste te kunnen leggen, en zo een stukkie geschiedenis te behollen veur ‘t naogeslacht. Dit stukkie geschiedenis betreft niet allent zien persoonlijke belevenissen, mar even veule plaatselijke gebruken, beschrievingen van gebruuksveurwerpen en ontwikkelingen ien ‘t dorpsgebeuren, kortom een blik op de historie van Ni’jluusn, die mede dankzij Hendrik bewaard blif.

Aover het dialect wil ik graag effen zeggen det wi’j heel veule andacht hebt besteed an de spelling d’r van, umdet ‘t mien vurige wens was um de verhalen die Hendrik mi’j had verteld ien dialect ok ien Ni’jlusens dialect op te schrieven. Gaondeweg greuien ‘t besef det ‘t feitelijk ondoenlijk is um det goed te doen èn de verhalen ok nog ies leesbaar te hollen veur iederiene. De mieste tied is dan ok gaon zitten ien ‘t aoverleggen aover de spelling en ‘t opschrieven ien Ni’jlusens dialect. De spelling van de Nedersaksische streektaal zoals de IJsselacademie die hanteert bleek toch niet Ni’jlusens genog en daorumme is de spelling ien dit boekwark uuteindelijk töt stand ekomen met medewarking van mensen met veule liefde veur de streektaal, mar helemaole wetenschappelijk verantwoord is de gebruukte spelling niet! De betrökkenen wilt daor verder niet umme strieden.

Geniet d’r mar gewoon van.

Joke Bos, Ni’jluusn, 2017


STAMBOOM VAN HENDRIK SCHOEMAKER GEERTZOON

Ien 1745 bint oeze eerste veurolders naor Ni’jluus’n verhuusd. Det waâr’n Geert Hilberts en Grietje Albers. Zi’j trouw’n ien Rouvene en verhuus’n toen naor ’t Ruitenvene. Zi’j kreeng’n zeum’n zeuns, en van de zesde zeune; Hendrik Geerts, 1761, is oeze stam van de Schoemakers afkomstig. Hendrik Geerts mos bi’j zien beëdiging tot luitenant bi’j de cavallerie een echte achtername anneem’n, en umdet zien va boer/ schoenmaker was, keus hi’j veur de femiliename Schoenmaker. De letter n verdween later.

Geert Hilberts 1717

Hendrik Geerts 1761

Geert Schoemaker 1789

Hendrik Schoemaker 1815

Geert Schoemaker
1847-1873

Hendrik Schoemaker *
17-07-1868

Geert Schoemaker
13-11-1891

Hendrik Schoemaker
21-03-1920


Arend Schoemaker
05-07-1923

Catrinus Schoemaker
11-11-1926

Jentje Schoemaker
24-06-1928

Geert Schoemaker
03-12-1948

Marijke Schoemaker
15-05-1974

x

x

x

x

x


x
09-05-1891

x
23-10-1919

x
24-10-1946


x


x


x


x
16-05-1973



Grietje Alberts 1725

Hilligje Egberts van Hulst

Hendrikjen van Duren

Femmigje Bouwman

Fennigje Snijder
1837 - 1873

Trientje Bijker
03-03-1865

Janna Dekker
07-09-1898

Stientje Mannen
19-06-1920 | 09-04-2010


Arendje Westerhof


Grietje Feitsma


Henk van der Veen


Aartje Ytsma
07-12-1948

Anneke Schoemaker
29-06-1975





















Kiend: Jannie


Kiend: Janneke


Kiender: Antje, Joke, Halbe


*Hendrik Schoemaker nam later de femiliename Alteveer an umdet hi’j na het vrogge aoverlieden van zien olders an de TBC opgruien bi’j de zuster van zien moeder, Janna Alteveer-Snijder. Zien 5 jaor jongere breur Hendrik (van de Schoe) gruien op bi’j andere femilie.





STAMBOOM VAN STIENTJE SCHOEMAKER – MANNEN


Hendrik Mannen
06-01-1896

Stientje Mannen
19-06-1920|09-04-2010


Jan Mannen
22-01-1922

Arend
22-01-1927

Gezienus
11-09-1928

Willem
05-09-1930

x
19-06-1919

x
24-10-1946


x


x


x
x

x

Maria Ennik
25-11-1892

Hendrik Schoemaker
21-03-1920


Siena Houwer


Trijntje Huisman


Jennie Massier
Rie Tieleman

Tinie Baas







Kiender: Henk, Jan en Marian


Kiender: Maria en Klaasje


Kiend: Ron


Kiender: Ria en Erna




MIEN AOLDERS EN GROOTAOLDERS



1930 Mien va Geert Schoemaker en mien moe Janna Dekker






1922 Grofva Hendrik Schoemaker en gropmoe Trientje Bijker met klein Hendrikien veur de achterdeure van de boerderi’je op de hoek van Bijkersweg en Oosterveen


±1920 Gropmoe Jentje Nijhuis 


en grofva Arend Dekker uut Dalfsen



De Benne en de Beule

Iets veurbi’j Kooiker an’t Oosterveen 79 stiet an de zuudkaante zo’n witte boerderi’je en daor zit de jonges van Borger nou ien. Daor is ien 1792 Geert Schoemaker komen wonen. Det was mien aover-aovergrofva, de eerste generatie Schoemaker. Det huus det hieten De Benne. Wat de naam De Benne betekent weet ik niet. En dan iets verder, net op de Bouwmansweg, he-j ok ’n boerderi’je ien de hoek staon, det was De Beule.


Boerderi’je De Benne waor Geert Schoemaker ien 1792 kwam wonen.


Boerderi’je De Beule

Boerderijen De BENNE en BEULE
Bron: De Heeren van de Ligtmis p.160, 165
BENNE – mogelijk: boerderij met vlechtwerk/ waar mandenvlechter woonde
[benne= 'mand']
Ouder lat. Benna – [Gallische wagen met carrosserie van vlechtwerk]

BEULE – Boerderij ook wel ’t Beulengoed genoemd, ontleent haar naam aan
de oudst bekende meier, al voor 1663 Boele(n) Coops.
Oud-saksisch – budil/ bodel, boele – gerechtsbode/ beul/ scherprechter.





nr 1 is boerderi’je De Benne waor Hendrik zien oavergrootvader Geert Schoemaker ien 1792 kwam wonen
nr 2 is boerderi’je De Beule die al veur 1663 werd bewoond deur de oldst bekende meijer Boelen Koops
nr 3 is de boerderi’je woar Hendrik Schoemaker geboren is, en doar nou zien zuster
Jentje van der Veen-Schoemaker nog woont


‘t Dubbele huus waor Hendrik geboren is op de hoek Oostervene – Bijkersweg. Het adres was
Oosterveen A11. Links Hendrik zien bijenstal “De Vlijt”




1800 Hannekemaaiers met Duutse piepen bi’j grofva ien de Benne

Hendrik det net asof hi’j de Duutse piepe rookt

Ik heb twie Duutse piepen. Veur d’oorlog gongen hiervandaon nog wel jonges naor Urk hen grösmeien. Umdet d’r nog gien grösmesjienes waren, mos ’t met de zende (zeis) gebeuren. Mar daorveur, ien 1800, kwammen de hannekemaaiers uut Duutsland en die aovernachten dan bi’j boeren hier ien de omgeving. Zo waren d’r ok een paar die bi’j mien grofva zien grofva aovernachten, ien de Benne.
Iene van die Duutsers had zo’n piepe bi’j ‘m. Een ome van mien grofva vun det zo’n mooie piepe, die hef die piepe van die Duutser ekocht. En die hef grofva later weer ekregen van zien ome, umdet die ome gien kiender had, en nou heb ik ’m later weer van mien grofva ekregen. De hannekemaaiers hadden wel meer van die piepen. Die hadden ze ien militaire dienst ekregen.
Mien zwaoger, Arend Mannen, hef d’r ’t leste uut erookt. Wi’j hebt ’m lange achter de schorstien had hangen, zo op de tegelties. Arend was een keer bi’j oes en toen zeg e: “Wat zol ik toch graag een keer uut zo’n piepe roken”. Nou ja, ik roke zelf niet, dus ik heb d’r nooit uut erookt. Ik heb ’m wat tebak op-ezocht, bi’jentabak, en toen hef hi’j de piepe leug erookt.
Het witte onderdeel liekt misschien wel ivoor, mar ’t is hoorn, en het geweven stukkien is van peerdehaor. Det nuumt ze ’n schrik, det is beweegbaar, dan brek ’t niet zo gauw. En ‘t onderste doppien kan d’r aof. As d’r dan vocht ien kump, kö-j det daor uutblaozen.
Eerder, a-w bi’j grofva ien ’t laand ewest waren, dan gongen we op de terugweg bi’j de Bulders an en dan kree-w wat te drinken. Die Bulder, die was ok iemker, die had ok altied zo’n grote piepe an en dan zeveren die druppen zo mooi. Dan keek ie goed of die drup bleef hangen of det e ien ’t glasie vul.
De aandere piepe is een Oostduutse piepe. Kiek, daor kö-j de tabak ien doen, dan zoeg ie em effen an, dan he-j d’r vuur ien zitten, dan doe-j ’m vol tabak en dan kö-j ’m dichte doen. D’r zit een gatien ien en dan blaos ie d’r op en dan kump d’r rook uut.
Disse piepe is van de va van Gerard Reineke, een Oostduuts jochie det zo’n zes weken bi’j oes ien huus ewest hef vanuut Oost-Duutsland. Ie könt die piepe helemaol uut mekare schroeven. Ik denke det ’t beukenholt is waor e van emaakt is, mar deurdet d’r kleur op zit kö-j det niet zo goed zien.

Mien grootaolders uut Dalfsen
Mien moe, Janna Dekker, was etrouwd met Geert Schoemaker. Heur aolders komt oorspronkelijk uut IJhorst. Det waren Jentje Nijhuis en Arend Dekker. Toen as mien grofva Dekker nog een jonge was, hef zien vader, Hendrik Dekker vanuut IJhorst, ien De Meente ien Dalfsen (dat is umgeving Meenteweg-Veldweg) een boerderi’j ekocht. Zo bint de Dekkers daor dus terecht ekomen.




Toen de aolde Hendrik Dekker aoverleden was, is mien va, Geert Schoemaker, daor boer eworden. Mien moe, Janna Dekker, gonk as kiend vanuut de Meente naor de schoele op ’t Ruitenvene.
Ze hebt later een boerderi’je können kopen die groter was, det was umdet ze meer kiender hadden. Wat nou ’t karkhof is ien Dalfsen an de Oosterdalfserstege, was ammaol laand van grofva Dekker. Die boerderi’je is d’r aof, die is weg. D’r was ’n varkenschure met d’r naost een putte. Alleend de waterputte zit d’r nog. Een paar jaor eleden bin ’k d’r met mien zuster nog bi’j ewest. Van baoven is die putte veranderd.

Ik heb nog eziene det ze die putte an ’t graven waren. Toen hadden ze van die betonringen, zeg mar, die ze ok gebruukt bi’j dukers anleggen veur een dam van ’t laand naor de weg. Eerst wörden op de grond een gat emaakt, daor kiept ze die ring ien, goed rechtop, gezien det e haoks wezen mut. En dan gonk er iene binnen ien staon en die scheppen d’r met de kaolenschuppe iedere keer ’n ummer vol zaand uut en die gung e naor baoven leegkiepen. Was dan ’t zaand onder die raand vandaon, dan zakken die ring weer wat, en dan kwamp d’r een twiede ring bi’j baovenop. Zo stunnen d’r op ’t leste drie of veer ringen baovenop mekare, drie ien de grond en de veerde baoven de grond, die de putte was. Jan Runhard die stun d’r onderien en zi’j hadden al een lange ledder naost ’m staon ien de putte, zodet e, as ’t water kwamp, naor baoven kon. Op een bepaold moment hef e netuurlijk een wateraoder eraakt, kump ’t water anbroesen en hi’j rap met de schöppe en d’ummer de ledder op en toen was de putte klaor.

Grofva Dekker was naost boer ok botterhandelaar. Zi’j gongen vanof Sluus veere (vier) met de trekschute naor Coevorden toe. Daor kochten ze botter op. Die wörden nog ’n keer op-ekarnd, zodet ze goed schone was, en dan gong e vri’jdags met zien zeune Hendrik Dekker naor Zwolle toe. Daor hadden ze verschillende klanten zitten die de botter van heur kochten. Wat aover was, gonk naor ’n banketbakker.
Ik heb nog ’n botterbelans, een weegschaole, met gewichten d’r bi’j, van mien grofva uut Dalfsen. Det bint hele aolde gewichten. Ie könt ’t jaortal nog wel zien, ze bint uut 1824. De gewichies weegt ien ons, twee ons, een pond en een kilo.

Mien grootaolders Schoemaker
Mien grofva zien vader, mien aovergrofva dus, was Geert Schoemaker en die was etrouwd met Fennigje Snijder. Hi’j moch eerst niet trouwen, want hi’j mos ien dienst. Hi’j was bi’j de artillerie bi’j Nijmegen. Ien 1867 was det. Fennigje Snijder was 10 jaor aolder as Geert Schoemaker. Hi’j was goed 25 jaor toen as e aoverleed an de tbc. Misschien hebt ze al eweten det zien vrouwe ok ziek was, want toen ze ‘m wegbrachten was d’r iene die zeg: “Laot ‘t hekke mar lös staon. Met 6 weken kump er weer iene.” En zo was ’t ok. Fennigje was mar 35 jaor.

Het stuk grond van Alteveer, achteran ’t Oostervene vlakbi’j De Stouwe, hef een man eheurd ien Zwolle, Herm Hendriks hieten die man. Hi’j wol ‘t verkopen, want ‘t was ‘m al te veer um daor hen te gaon. Daor is de name Alteveer van ekomen en toen hef e de achtername Alteveer an-eneumen.

Mien grofva Hendrik Schoemaker is gelieke groot eworden met Klaas Alteveer. Det waren neven. Grofva zien moeder was dus Fennigje Snijder, en Klaas Alteveer zien moeder was Janna Snijder. Zi’j waren zusters en dus waren die jonges neven. Toen Geert en Fennigje zo jong an de tbc waren aoverleden, is hi’j as jochie bi’j zien tante Janna en ome Klaas ien huus ekomen.




Klaas Alteveer wonen op de hoek van de Paltheweg en ’t Oostervene, daor nou zo’n meneezje (manege) is. Toen Hendrik 14 jaor aold was is e naor zien andere grofva egaone. Det was Hendrik Schoemaker, ok een zeune van Geert Schoemaker.

Gropmoe Trientje Bijker had tbc. Die is 53 jaor eworden, en grofva is nooit weer etrouwd. Grofva Hendrik Schoemaker is op twee maond nao 87 jaor eworden. Zi’j wonen ien ‘t dubbele huus waor as ik geboren bin. An de oostkaante wonen wi’j en an de andere kaante was grofva en gropmoe zien kamer.

Mien grofva Hendrik Schoemaker was altied zo, met koeken voeren ok, det ie zèè: “Geef ze mar een extra stukkien. As ze naor de slacht gaot, brengt ze ‘t wel weer op”. Wi’j hadden grote koenen, echt waor, zwaore koenen. Derk Meuleman zien vader was indertied ok boer. Hi’j had meer koenen as wi’j, mar die zèè altied: “Ik bin boer ien de regel, mar a-k oew koenen bekieke…. dan bint miende d’r mar rikholten bi’j.”

Grofva Hendrik Schoemaker en gropmoe Trientje Bijker met Geert (re) en Hendrik (li)

Grofva Schoemaker was ok iemker, net as Hendrik Bouwhuis, mar die zien vrouw, die deed det meer. Zi’j hieten Gerregien Schoemaker. Zi’j zèèn ok wel: Garre van de slachter. Zi’j was een dochter van Egbert Schoemaker en twee breurs van heur waren huusslachter. Umdet d’r zoveul verschillende Schoemakers waren, hadden ze ammaol ’n bi’jname. Mien grofva was de lange Schoemaker, zonder ‘Hendrik’. Dan ha-j op ’t Oostende an de straote klein Schoemakertien, det was ok een Hendrik Schoemaker. Oom Hendrik Schoemaker ien de Karkenhoek was ome Schoe van ’t café. En dan ha-j an zo’n tussenweg op ’t Westende nog ’n Hendrik Schoemaker, det was de lange Hendrik Schoemaker.

Hendrik Schoemaker en Trientje Bijker hadden twee kiender: mien va Geert en zien breur Hendrik. Die was vief jaor jonger, det was oom Hendrik uut de Karkenhoek, die is later etrouwd met tante Margien van café De Viersprong. Die Hendrik worden altied Hendrik van de Schoe enuumd.

Op iene van de foto’s kik oom Hendrik nogal lillijk. Det kump, zeg mien va, hi’j wol niet op ’t portret. En toen hef mien grofva ’m een klap met de pette an d’oren egeven en daorumme kik e zo lillijk. Mien va was wel vief jaor aolder as zien breur, mar det zo-j niet zeggen. Hi’j is niks groter, mar det kump, zèè mien va, umdet e dacht det zien aolders te arm waren um heur ammaole te voeden en toen dors e nooit zat te èten.




Mien va en moe, breurs en zuster

Mien va onder de poort van de glorie

Toen mien va Geert ien militaire dienst was, kwam e op de foto as soldaot ien prachtige uutmonstering. Bi’j de fotograaf stun de ‘poort van de glorie’ en daor können de soldaoten dan onder gaon staon. Dan kregen ze ’n sabel an, die was ok van die fotograaf. Normaal hadden ze ’n bajonet an ’t geweer, mar op de foto leek ’t deftiger as ze een sabel an hadden.

Mien moe Janna Dekker is geboren op 7 september 1898, een dag nao de kroning van Wilhelmina. Zi’j had veer zusters en twie breurs. Iene van heur zusters is naor Canada egaone en iene is etrouwd met Arend Jan Morrenhof. Een breur, Hendrik Dekker, is ien de eerste mobilisatie 1914-1918 an de Spaanse griep aoverleden. De aandere breurs en zusters wee-k niet meer van.

Ik had twie breurs en een zuster. Tussen mi’j en mien twiede breur hef nog ’n meisien ezèten, mar die is dood geboren. Toen as mien moeder ien verwachting was is ze evallen en toen is det meisien dood geboren. Daordeur is mien breur Arend drie jaor jonger as ik. Daornao kwamp Rinus, die is zeuven jaor jonger as ik, en dan Jentien. Die hadden mar goed ’n jaor verschil. Jentien is acht jaor jonger as ik.





Femilie Schoemaker met heur veer kiender: v.l.n.r. Mien va, Rinus, grofva met Jentje veur zich, Arend, mien moe en ik.




MIEN JONGESJAOREN
Ik bin geboren ien de boerderi’je ien de buurtschap Oostende, op de hoek Wetholder Bijkerweg-Oostervene, waor nou mien zuster Jentje nog woont. Henk van der Veen, heur man, is al weer een aantal jaor eleden aoverleden. An d’aandere kaante woont heur dochter Joke met heur zeune Tom. ‘t Aolde huus en de schuren bint aof-ebröken en d’r is een ni’j huus op ebouwd. Ien ’t aolde huus had ik een eigen timmerhoek waor ik altied te vienen was as d’r gien boerenwark te doen was. ’t Huus was van 1810, zoiets. ’t Ni’je huus stiet iets naor achter want ’t aolde is pas aof-ebröken toen ’t ni’je klaor was, zo doet de mieste mensen det op ’t plattelaand, nog vake.

Mien zuster Jentje veur ‘t bakhuus


Rechts van 't huus stun ’t bakhuus en ’t mooie is det Hendrik Bijker, mien grofva zien schoonva, det ebouwd had. Daor zat ’n aoven (oven) ien en d’r stund ’n trog ien, en ’n schieter, det is een holten steel met verbreed uutènde waor ie het deeg met achterien de hiete aoven ‘schiet’ of schoeft zodet ‘t ebakken kan worden. Ok was d’r ’n apperaat um de asse uut d’aoven te trekken. Det stun daor ammaol nog ien toen as ik jong was. Det is ok aof-ebröken met ‘t huus. Zelf heb ik er d’aoven uutebröken, det had ik niet mutten doen. Mar ja, da’s te late. Die aoven was niet allend veur eigen brood bakken, mar dan kwammen de buren ok. Die brachen een takkenbosse met um d’aoven te stoken en ’n putien maal (zakje meel), um deeg te maken, en det wörden daornao gezamelijk ien die aoven ebakken. ’s Aovends kwammen de manlui dan ’n köppien koffie drinken en die nammen ’t brood dan weer met.

Ik was een half jaor aold, toen kree-k longontsteking. De dokter zèè tegen mien grofva: “Ie mut d’r um rèkenen, Schoemaker, morgenvrog is e d’r niet meer.” Nog arger, zeg ze welies ien ’n spreekwoord, nog arger as de negendaagse koorts. Mar nao negen dagen, a-j det aoverleeft, dan he-j ’n grote kans da-j d’r deur komt, en det heb ik edaone. Ik bin d’r deur ekomen.

Hendrik, twie jaor old, met zien stoeltien

Een jaor later, anderhalf jaor aold, weer etzelde, zelde dokter. Die dokter zeg weer: “Morgenvrog is e d’r niet meer.” Bin ’k ok deurekomen. Toen bin ’k naor de schoele egaone. Zat ik ’n half jaor op schoele, weer longontsteking. Ik kan mi’j nog erinneren det ik ien de kamer van mien grofva en gropmoe lag, bedde veur ’t raam, en daor he-k toen de ziekte uutevierd. De juffrouw van de schoele hef mi’j nog ’n keer op-ezöcht. En die hef nog wat lesmateriaal met-ebracht, da-k nog wat lèzen kon ien huus. Betien begunnen. En toen bin ’k weer naor de schoele egaone. Gonk goed.
Dit bin ik as jochien van twie jaor old. ‘t Is zo jammer det det stoeltien weg is. ‘t Kwamp bi’j mien vrouw heur huus vandaon, van Jan Ennik met Geesje Bos, die waar’n ien 1909 50 jaor ‘etrouwd, en toen hebt ze beiden zo’n klein stoeltien ‘ekregen. Ik heb iene van die stoelties repereert, ‘t zat wat wrok (gammel) ien mekare, mar d’r zat ‘n goeie biezenmat op. Dan is ‘t jammer um d’r die aof te snieden. Dan is ‘t aolde weg, hè? En ik net zo lang ‘ewrikt en ‘ewroet, he’k die spielen d’r uut-ekregen, liem d’r weer ien, strak weer an-edreit, en klaor was ‘t weer.






Openbare Schoele an ‘t Oostende

De schoele an ‘t Oostende met de meesterswoning an disse kaante.

Meester Kapinga was oeze schoelmeister. Die stun vanaof 1918 an de legere schoele ien ’t Oostende, wat nou ’t schiet-gebouw is. Ik heb mar ien jaor les van ’m ehad. Ie hadden veer lokalen. De eerste en twiede klasse zatten bi’j mekaar ien. Drie en veer ok, en vief en zesse. En dan zeuven, en det was bi’j Kapinga.

Wi’j gongen toen op 1 mei naor de schoele. Ik was 21 meert jaorig, veur mei, dus was ik veurdelig jaorig. En umdet ik veurdelig jaorig was hoeven ik mar zeuven jaor hen. Mar Arend van Spijker, die bi’j mi’j ien de klasse zat, die mos ’n jaor langer, want die was nao mei jaorig en mos dus de achtste klasse deur. Ie mossen dartien jaor wèèn a-j van schoele gungen en hi’j wörden pas dartien jaor nao mei. Ie begunnen ien mei en de zomervekansie was tegen augustus, eind juli.

En dan nog wat: kienderarbeid, det wordt tegenwoordig veroordeeld. Wi’j kregen vrogger eerpelrooivekansie, dan konnen wi’j oeze aolders helpen met eerpelrooien. Was det dan gien kienderarbeid? ’t Was ’n aandere tied natuurlijk, mar wi’j hebt er nooit gien last van had. Warken daor gao-j niet dood an, daor wo-j stark van.

De eerste Schoele van Ni’jlusen op de kaarte – O.L. School 1


Op perceel 13 – zie de kaart op bladzijde 11 - an ‘t Oostervene werd ien 1639 al grond beschikbaar esteld um een schoele te bouwen. Ene Stolte was de eerste schoelmeister. Die hef ien det huus ‘t eerste les-egeven. De eerste schoele van Ni’jlusen was doar, zeg mar, veur kienderties uut de buurte, ien een kamertien bi’j ‘t huus an: lèzen en schrieven en rekenen kö-j daor leren.






Het Schietgebouw


Ien 1658 is ien ‘t Oostende de schoele op-ericht. Det hebt eerst mar twie lokaalties ewest en is later uutebreid. ’t Was op ‘t plak waor as nou ‘t schietgebouw is. Ien 1917 is ‘t hemaol verbouwd. D’r stiet nog een stien ien met de name Zonnenberg, die was toen wetholder.
Toen wi’j de schoele kochten veur de schietvereniging heb wi’j er de muren uut-ebröken en toen kwammen de stienen van de aolde schoele d’r nog uut. En wat bliekt: ‘t hef een schoele ewest met 3 klassen en um die aolde schoele hebt ze een ni’je mure hen ebouwd en ien ‘t verlengde daorvan nog een ni’j lokaal d’r bi’j an en toen was ’t een schoele met veer (4) lokalen.

Toen a-k van de schoele aofkwam wa-k nog mar dartien jaor, en toen moch ik ’t eerste jaor mien moe helpen. Det was aoverlegd. En die gewone boerenkost, zeg mar, die kon ’k toen ok al wel kaoken.

De oavendeur van ‘t bakhuus ien ‘t museum

Een keer was de waterleiding kepot. ’n Zekere Hansen, die kwamp van De Balk, die repereren de waterleiding. Hi’j kwamp ok bi’j oes. Mien moe lag toen ien ’t ziekenhuus. Wat of ze mankeren det wee-k niet. Zi’j hef d’r ok niet lang ewest, mar zi’j mos een paar dagen blieven. Hansen was ’s middags bi’j oes en ik zeg: “Wo-j ok mee-èten?” “Ja, as det kan,” zeg e, “aans dan mo-k naor huus.” “Nou, ik heb èten genog.” Hansen die hef mi’j de hemel ien-eprezen, zo fijn waren d’eerpels. As kereltien van dartien jaor!
Stien, mien vrouwe, was ’n hele goeie kokkin, die kon butengewoon lekker kaoken. Die hef mi’j ok nog wel ’t ien en ’t aander bi’jebracht. Toen zi’j aolder worden, kon zi’j niet meer. Ze had een rekkien, ze strompelen naor de keuk’n toe en dan schillen zi’j d’eerpels. Zi’j gonk veur ’t gasfenuus zitten en zei dan: “Nou, doe d’eerpels mar ien de panne.” Ja, det wus ik wel, det die d’r ien mossen. “Nou, doe ’t gas mar an en zet de panne mar op.” Mar goed, ik heb d’r toen ok nog wel van heur wat bi’j-eleerd.

Mien moe bakken zelf wel stoete. Dan ko-j naor de bakker gaon en halen weitenmaal (= boekweitmeel) ien een grote zakke. Daor bakken mien moe zelf stoete van ien van die grote broodblikken. D’r stiet er nog iene van ien ‘t museum. Zo breed, lang en hoge det e precies ien d’aovend passen. Dan kree-j helderweg een plakke stoete. A-j zo’n grote plakke stoete veur oe hadden, dan kon mien grofva nog wel ies zeggen: “A-j die brief elezen hebt, dan kö-j wel een snee stoete kriegen!”

Wi’j hadden zo’n acht koenen en toen mien breurs groter waren hadden we zo’n twaalf koenen. Mien moe die hölp nooit ien ‘t achterhuus. Die had genog wark ien ‘t veurhuus en wi’j waren met manlui genog.
Mien vader was boer en mien aolders wollen mi’j ok graag boer hebben. Nou ken ik alle boerenwark wel, mar ik heb daor gien zin an. Zeuven dagen ien de weke de koenen twie keer daags voeren, twie keer daags melken, of ’t nou zundag of worteldag is, die koenen mut vreten hebben. Ie bint nooit ’n keer vri’j. ’t Was op Ni’jlusen niet meugelijk, mar kiek, as ik bouwboer had können worren, det had ik wel ewild. As ‘t graan stiet te greuien he-j niks te doen, kö-j mooi op vekansie gaon. Mar ja, det kon op Ni’jlusen niet. En ien de polder kon ’k niet komen, want daor ha-k gien opleiding veur.





HEIN DE KLEINE MEUBELMAKER, ‘t buukie det ik op de zundagschoele kreeg.

Karstaovend was een heilige aovend. Dan moch ie niet weg, en dan wörden ezegd: “Dan löp Derk met de hunties”. Daor maken ze oe bange veur, da- j niet weggaon zollen. Net zoas a-j een waterputte veur ’t huus hadden. Daor moggen de kiender niet bi’j komen. Dan worden ezegd: “Daor zit de bullebak ien en a-j d’r dichte bi’j komt, grip e oe en nemp oe met de putte ien”. Angst anjagen, da-j d’r niet dichte bi’j kwammen.
Op karstaovend was d’r gien karsnachtdienst, mar een karkdienst. Dominee Fokkema zèè altied det ’t tussen karsdagen en ni’jjaor veur hum de 10-daagse veldtocht was.
Tweede Karsdag ha-w van de zundagsschoele karsfeest in de karke. Dan kregen we een kadogien. ‘t Eerste buukien det ik kreeg, Hein de kleine meubelmaker, det bin ’k kwiet eraakt en det spiet mi’j nog steeds. Die jonge Hein is begund met stoven maken en toen hi’j groter wörden, wörden e meubelmaker, en det sprak mi’j an. Misschien kwamp ‘t wel deur det buukie det ik meubelmaker eworden bin. Ik had achterien de schure thuus een warkplaatsien.

Mien moe zeg: “Ie wilt gien boer worden, dan mos ie eigenlijk naor de ambachtsschoele gaon.” Mien neve Arend Dekker gung ok naor de ambachtsschoele, mar ik had de dood an leren en ik dache: Weer naor de schoele, det nooit van zien lèven!
Arend Dekker kwamp een keer bi’j oes en die zol mi’j veurdoen hoe a-j holt dreien mossen. Mar hi’j zat daor met de beitel te heisteren en de stukken holt vleugen oe zowat um de kop. Det mu-j veurzichtig doen. Umda-j ’t met de voet doet, kö-j niet zomar hard dreien.

Dreibaanke

Arend Dekker kwam later bi’j de gemeente te warken en ik heb niet naor de ambachtsschoele west. Det hef veur oes beiden ’t beste west!
Ik heb een eigen bedrief had waor wi’j kammenetten maken. Ien de tied da-k zo’n zeuventien, achttien jaor ware, gongen wi’j naor Andela an Sluus 4. Daor leren wi’j daansen en daor was ok een meisien van Rabbing en daor heuren ik det heur vader een dreibaanke had. Ik denke, daor mu-k een keer hen kieken, en toen he-k zelf een dreibaanke ien mekare efoggeld. Zo’n trapgeval d’r onder, met ’n trapper van ’n fietse d’r an en daor weer een zwaor wiel an met stukken lood d’r ien, want ‘t mos deurslingeren willen. En daor ko-j dan baovenan een stuk holt tussen zetten en dan ko-j dreien.





DE UMGEVING WAOR AS IK OPGREUIEN


Modelboerderi’je femilie Schoemaker op de hoek Weth. Bijkerweg (links) – Oostervene (rechts)
Linksbaoven ‘t bakhuus, links veur de schure, midden de boerderi’je met holten kiepenhokke,
rechts de heuibarg met d’r links baoven ‘t husien.

De aolderlijke boerderi’je uut 1810 waor as ik geboren bin, he-k op een plate nao-emaakt. ‘t Huus stun op ’t hukien Oostervene – Wetholder Bijkerweg, an de zuudkaante van ‘t Pad, met een dwarskappe. En d’r naost op de hoek stun ‘t bakhuus waor as het brood ebakken wörden veur oeszelf en ok veur de buren. De heuibarg stun an d’iene kaante en d’r stun nog een schure naost en an d’aandere kaante stun de aolde schuur zoas die vrogger was. Daor ha-j een karnwiel liggen, met een stange naor binnen en daor zat de karn an vast. Dan ha-j de wc – ‘t husien - en dan was d’r nog een schaapskooi, die stun op ’t laand.

Jakob Bijker is de stamvader van alle Bijkers. Hi’j had ’n stuk of wat zeuns en dochters en dan krie-j dus ’n heel uutgebreide Bijkersfemilie. Hi’j hef de boerderi’je laoten zetten an ’t Pad, zo numen ze vrogger ’t Oosterveen. ’t Huus waor die balke vandaon kump kan wel aolder wèèn, mar toen wi’j d’r wonen was baoven de baanderdeure zo’n balke, daor hadden ze met dezelde grune varve as de deuren ’t jaortal 1810 ien-eschilderd.

De schure is al aorig snel aof-ebröken en toen is de wc weg-egaone. Die is baoven de putte komen. D’r hef later een mestputte an-ezeten en daor hebt ze een ni’je heuischure naost ezet. De boerderi’je is feitelijk ien stukken ebouwd.

Mien grofva hef er ien zien tied ok een stukkie achter bi’j an-ebouwd. En Bijker die hef er nog weer een kamer an laoten zetten, det was later de kamer van grofva en gropmoe.
Mien grofva was peerdehandelaar. Daorumme hef hi’j det huus zo lange bouwd, dan kon e de peerde achterien zetten. De baanderdeure ien de ziedkaante is echt van disse streek.

Toen Jakob Bijker dood was hef Hendrik Bijker daor op de boerderi’je ezèten. Die man was wetholder en daor is de Wetholder Bijkerweg naor enuumd. Mar toen die aolder wörden, hebt ze d’r ’n kamer bi’j an-ezet en daor kwam Bijker met zien vrouw ien te wonen. En toen bint mien grofva en gropmoe Bijker daor ekomen.
Ik weet nog det die schure ebouwd is. Wi’j hadden naost ‘t huus een heuibarg staon, mar wi’j kregen d’r wat meer vee en wat meer laand bi’j en toen mos de heuibarg vut. D’r is toen een heuischure neerezet.






Olderlijk huus van Hendrik ien de jaoren ‘70.

Toen mien grootaolders aoverleden waren, is mien zuster Jentje met Henk van der Veen op de aolderlijke boerderi’je komen. Jentje hef eerst nog met Henk op det van Arend Jan de Boer ewoond. Mien zuster woont nou nog op diezelfde plek, mar ‘t huus daor ze nou ien woont is dus ni’j ebouwd.

Ik had graag uut ’t aolde huus van een gave stiele een veerkant blok holt had. Det ha-k uut willen hollen en dan een plaankien d’r op maken: Een kissien uut ien blok holt met een deksel d’r op. Die stielen lagen later nog bi’j Derk Meuleman aop-estapeld. Die hadden ze geleuf ik verkocht. Mar de stukken holt die daor nog lagen waren amaole met een schief stuk d’r an, daor kon ’k niks meer mee, dus det is toen aover egaone.

Buurtschappen
Vrogger waren d’r buurtschappen. Wi’j wonen ien de twiede buurtschap vanof De Stouwe. Ien die buurtschappen wonen hiel wat huushaoldens, zowel ’t Oostende als ’t Oostervene hören d’r bi’j.

Meuleman zien huus an ‘t Oosterveen is ebouwd ien 1921. Ien de veurgevel stiet HJM en EdB, 1921; Hendrik Jan Meuleman en Evertje de Boer. Det was femilie van De Boer d’r schuun tegenaover. Toen de jongelui trouwen, verhuzen d’aolde lui naor de aoverkaante van de Bijkerweg. Zo hadden ze de femilie mooi bi’j mekare. Ja, zo giet det op ‘t plattelaand.

Ien diezelde tied toen oeze heuischure klaor was, hef Meuleman ok een schure laoten zetten. Iemand die vertellen ies det ‘t apart was det die schure bi’jnao op ien lijn stun met ‘t huus, nog iets d’r veur zelfs. As de vrouw iets meer te vertellen ehad had, dan was






die schure wel verder achteruut ebouwd, zèèn ze. De schure bi’j Meuleman was een wagenschure. ‘t Liekt wel wat op een schaopskooi, mar daor is e niet veur ebouwd. Mien zuster hef er nog een unster uut. Die hangt bi’j heur ien de kamer, hef ze van Derk Meuleman ekregen.

Hendrik Meuleman was etrouwd met Mina Kleen-Scholten. Die kregen twie kiender: Eef en Derk, ze bint beide aoverleden. Eef was 14 jaor aolder as Derk. Eef was etrouwd met Henk Schipper, die wonen ien Lutten. Ze kregen iene zeune, ok Henk.


Meuleman zien erf ien 2014

Eef zat bi’j mi’j ien de klasse. D’r waren hier haost gien aandere jonges ien de buurte en daorumme speulen ik vake met heur. Een keer, Derk was nog mar zo’n jochie, toen was Hendrik Meuleman bi’j oes en toen pakken hi’j Derk bi’j de scholders en zeg: “Dit wordt de boer!”
Hi’j had Derk hoge zitten..

Mar Hendrik Meuleman gung al vrog dood. Toen Derk Meuleman opgreuien had ik gien contact met ‘m. Later was ’t ’n bezöndere man. Naodet zien moe aoverleed hef Derk altied allend op de boerderi’je ewest. Hi’j is nog zeuventig jaor eworden, hi’j is aoverleden ien 2006 of zo. De boerderi’je is toen verkocht an Annelies Westerik en Klaas Kooiker.

De mieste huzen die hier ien dit buurtschappie an ’t Oostervene-Bijkerweg staot, die stunnen d’r toen ok al wel. Tussen oes huus en De Boer zien huus ien, an ’t Pad, stun nog een husien. Daor wonen Jan Brouwer, det was Kleine Jan of Jan A, een breur van Klaas Brouwer van Lammegien. Jan Brouwer hef later achter an ‘t Schuurmanslaantje ewoond, achter ‘t karkhof.
Klaas Brouwer had ok ’n zeune die Jan hieten, det was Grote Jan of Jan B. Jan Brouwer van de Kringsloot, van wie det huus verbraand is, det was een aandere Jan Brouwer. Ie mut wel van hier kommen um de lui uut mekaare te hollen!





Kleine Jan Brouwer wol zien huus verkopen. Grote Jan Brouwer hef ‘t toen van hem ekocht en deurverkocht an Henk van der Veen. Henk hef Arend de Boer daor met zo’n


De eerste en tweede buurtschappen vanaf de Stouwe, rechts he’j De Stouwe, links de Bouwmansweg, in de midden de Wetholder Bijkerweg, en oost-west is de noordelijke weg ‘t Oostervene en de zuudelijke weg is ‘t Oostende

schoever een groot gat ien de grond laoten graven en daor is ‘t huus van kleine Jan Brouwer ien-egaone, en oes aolde huus ok. En dan nog een darde huus. Dijers, die bi’j Henk op de volleybalclub zat, die had een huus van Jannes Willems ien de Karkenhoek ekocht en die zeg: ‘Kö-j ‘t spul van mi’j d’r ok niet bi’j ien doen?’ Daor zit nou dus drie huzen ien de grond. Det gong ok zo bi’j Berend Brouwer, toen die de loopstal zetten wol. Onder die kuilvoerplaten barst ‘t ok van ‘t puin.

Vanof De Stouwe hef hier een grachte of brede sloot elopen. Bi’j Hendrik Prins zat die brede sloot nog. Veur de boerderi’je van Jakob Bijker d’r stund, leup de sloot rechtdeur, dichte an ‘t Oostervene, nog verder naor veuren as waor nou de weg löp.

Toen Jakob Bijker daor een boerderi’je zet hef, hef e de sloot dicht-egooid, want toen wi’j d’r wonen leup de sloot bi’j oes vlak veur de schure langs en a-j dan verder deur gungen naor de weg toe, lag daor een vonder en daoraover was vanaolds ‘t karkepad. Boeren uut ‘t Oostende die naor de karke gungen, kwammen daor aover ‘t vonder hen, en leupen bi’j oes veur ‘t huus langs, bi’j Jan Brouwer achter ‘t huus langs en dan bi’j Meuleman schuun deur de kaamp hen naor veurend en zo op de weg an.
Die sloot hef veur Henk Prins langs elopen, bi’j Hendrik Jan Bouwman en bi’j Hendrik Bouwman veur ’t huus langs. Naost mien zuster met Henk van der Veen was de sloot veur tegen ‘t huus langs en bi’j Albert Westerman achter ‘t huus langs. Bi’j Jan Brouwer naor veuren was ien ‘t laand ok nog een stuk sloot en die passen daor weer op.






Olderlijk huus Hendrik anno 2016

Toen ‘t aolde huus aof-ebröken is, is die sloot verlegd, want die gedempte sloot was ammaol troep. Die ni’je sloot daor kwam nog bolsterturf aonder uut de bodem. Kö-j toch weten det ze daor op evaren hebt met boties.
Die brede sloot of grachte hef ediend um turf vandaon te halen of op te halen, det wee-k niet. Vrogger waren d’r heel wat meer sloten as nou. Waor as ze de sloten dempt hebt, daor blef ’t water altied staon, daor ha-j miesttieds een slichte (lagere plek).


Oosterveen vanaf weth. Bijkerweg ri. Zuidoost: v.l.n.r. Arend Jan de Boer (noordzijde weg), fam. Kuiterman (zuidzijde), Jan Westerik, Fam. Van den Berg, fam. De Boer, fam. W. Lindeboom (alle vier noordzijde weg)

‘t Huus van Hendrik Bouwman dateert van 1721 (‘t miest linkse op de foto hierboaven). Daor zat gien veerkante uutbouw an, daor is een stuk aof-egaone. Toen Hendrik Bouwman zien vader was aoverleden, is hi’j daor komen wonen met zien moe. Toen was heur det huus te groot en hebt ze d’r een gebint achter aof-ehaald. Ien det gebint stund 1721.
An de pompedeure, an de oostkaante, was een deure waor a-j binnen kwammen. Daor zat een groot slot an, det heb ik nog ekregen en det lig nou ien museum Palthehof. Det he-k een keer mee had naor de I’Jhorstermarkt. Daor was ’n man die verkoch sleutels. Ik keek daor al es naor en vreug: “Mag ik wel ies proberen?” “Jawel”, zeg e. Nou, ikke proberen en verduld, ja, ik krege d’r iene die passen op det slot. “Wat kost die sleutel?”





“Tien gulden”, zeg e. “Da’s een verrekte dure sleutel”, zeg ik. “Ja,” zeg e, “mar ie wilt ‘m toch hebben.” ‘t Slot had mi’j niks ekost, dus ik heb ‘m tien gulden egeven.
Detzelde huus daor Arend Jan de Boer nou nog woont, en daor eerder Hendrik Bouwman wonen, en later mien zuster Jentje en Henk van der Veen een posie veur ze ien oes aolderlijk huus trökken, daor wonen veurdien nog een Brinkman, mar die numen ze altied Broek. Die is emigreerd naor Amerika.
Hendrik Jan Bouwman is een aandere Bouwman, daor is Femmigien Brouwer-Bouwman van, die is ien 2012 aoverleden, op ongeveer 104-jaorige leeftied. Die wonen ien ‘t huus daor as nou Jan Westerik woont.

Toen as de electriciteit hier kwam, zeg Arend Jan de Boer: “Die elektrische tied, da’s lèvensgevaorlijk! De draoden staot glunig langs de weg.” Toen ha-j keuperdraoden an allemaol paolen an de weg. As ‘t een betien stormen dan knipperen ‘t licht beheurlijk, heur. De kabels leupen baovengronds en waren vaste emaakt an de veurgevels van de boerderi’jen. Klaas Kooiker mient det daordeur meugelijk de gevel van Meuleman zien huus nog is rond-etrökken.


De mooie aolde boerderi’je van Prins an ‘t Oosterveen 51

Op disse foto van Van der Kolk zien huus ku’j zo’n olderwetse electriciteitspaole nog zien staon. Van der Kolk hef een paar van die aolde paolen bi’j zien huus neer-ezet umdet hi’j det aolde ien ere wil hollen. Vrogger wonen doar een vader en een zeune Prins, ieder an een kaante.

Naost oes huus, achter Jan Brouwer, hef ok nog een husien estaone, daor wonen Bertha Brouwer, een dochter van Jan Brouwer. Die was etrouwd met Hendrik Klompjan. Wi’j hadden een schuurtie achter ‘t huus staon en daor stun oeze heuimesjiene ien. Op een bepaold moment zit ik daor achterien, ik was nog zo’n jochien, kump daor de aolde Jan Brouwer driftig anstappen met zien stok en die giet daor bi’j Klompjan naor binnen. En een gespook daor ien huus! “Kom hier, Klompjan!” zeg Jan Brouwer. Mar Klompjan was wel wiezer, die had ‘m al uut de voeten emaakt.

Arend Jan Schuurman hef die schure van oes samen met Jan Schuurman ezet. Op een bepaold moment kump Jan Brouwer d’r an: “Is Klompjan hier ok?” “Die was hier net wel”, zeg Arend Jan. Mar op det moment leup Klompjan al achter de bos!

Koop Bijker uut de Vinkenbuurt was een neve van Klaas en Hendrik Bijker van De Stouwe. Veuran de Bijkerweg, op de hoek met ‘t Oostende, daor woont nou d’aolde loonwarker Hendrik Jan Huzen en daornaost hef Bart Stolte woond en daornaost wonen vrogger Arend Jan Bijker. Koop Bijker en Arend Jan Bijker waren breurs. Hendrik Jan Bijker, de bakker, was heur va, en de grofva van Berend Bijker, de bakker.





Op de hoek van de Bijkerweg stun een huus en ien het huus daornaost wonen vrogger Arend Jan Schuurman en Geesje Pellenkoft. Daor een dochter van, Antje Schuurman, is etrouwd met Berend Bijker, die de twiede zeune was van Arend Jan Bijker. Arend Jan Schuurman had nog een dochter, Hillie. Die was etrouwd met Harrie Westerik, de smid met de antiek-winkel uut Den Hulst. Daor heb ik nog een keer een veurloper van een dommekracht van ekregen.

Disse foto van de bakkeri’je van Berend Bijker en Antje Schuurman vien ik hiel arg mooi.
Berend en Antje zatten d’r toen nog niet op, pas vanof 1958. Toen was de winkel allange verbouwd, mar ’t giet mi’j um de foto.











foto ±1915 Albertus Massier en Aaltje Bijker en heur dochters
Margje en Hilligje. Baoven de deur stiet: A.Massier – bakker – winkelier.




TRADITIES, GEBRUKEN EN GEWOONTES

Carbid schieten met Aold en Ni’j
Veur d’oorlog had een groep jonges een ‘club’ bi’j rietdekker Jans Pot an ’t Oostende. Ie hebt an ‘t Oostende zo’n dwars huus – zie de mooie foto hierbaoven - daor wonen vrogger Hendrik Jan Bijker, de bakker, en daornaost ’n entien achteruut, he-j de Riethoeve van Jans Pot. Die jonges hadden ’n melkbusse en ‘t mos op ’t leste nog ’n keer goed ploffen. Mar zi’j waren wel zo verstandig det zi’j ’n stukkien zak tussen ’t deksel deden en met de tuunhamer: boms! det deksel d’r op slaon. ’t Mos goed gebeuren! An ’n lange stok hebt ze ’n stuk stof edaone det ze ien de braand konnen stikken. En toen is d’r iene met de stok um de hoek van de schure egaone en die drukken det ding d’r achter. Metiene waart hi’j zien gezichte en toen ’n enorme knal: de onderste raand van de melkbusse zat bi’j Aorend Jan Bijker ien de pareboom! Zo’n ende was die weg-evleugen!






Hedwigis Hoeve, veurmalige bakkeri’je van
Berend Bijker en veurolders, Oosteinde 80


Kwekerij De Riethoeve, voormalige woning van
rietdekker Jans Pot, Oosteinde 78

Ni’jjaorwinnen
Met Ni’jjaor moch ie met de jeugd bi’j de buren ni’jjaorwinnen. Ie zèden: “Gelukkig Ni’jjaor!” en dan kreeg ie soms ien glasie en det moch ie met ’n man of vere, vieve leug maken. Dan had ie d’r ok wel bi’j die sleugen det glasie ien iene slok achteraover en dan hadden de aanderen niks; dan ha-j oew glasie had.
Ien grofva zien tied ha-j van die kleine enkelloopspistoolties, det waren ni’jjaors-pistollegies. Die hadden ze ok wel gewoon op zak, mar met ni’jjaor gongen ze ok met ni’jjaorwinnen. As de jonges dan bi’j d’ien of d’aander veur ’t huus waren, knallen ze met die pistollegies ien de lucht en dan wussen de lui det ze d’r an kwammen. Dan worden de flesse veur de dag ehaald en vake gongen de jonges dan ien de kamer met de rugge tegen de veurmure an zitten. Dan ha-j d’r soms een hele rij zitten.
Ze hadden toen ok al wel euliebollen. Die kreeg ie twee keer ien ’t jaor. Met ni’jjaor at ie ze en ok a-j de eerpels d’r uut hadden. Dan ha-j de bouwhane en dan worden d’r euliekrabben egeten. Zo numen ze det.
Mien moe nam dan zo’n dartig liters melkbusse en dan bakken ze net zo lange det e wel töt halfvol met euliebollen kwamp. De lesten die onderien lagen, die waren wel ontzettend vol met eulie etrökken!
Nao ni’jjaor gongen de olde lui op ni’jjaorsvisite; dan gongen die op hun meniere ni’jjaorwinnen. Een keer waren ze bi’j iene op visite die had de kachel niet erg warm, toen trök iene van de buren zien jasse uut en hong em um de kachel hen en zèè: “Zo, zo hef d’r toch nog iene ’t warm!”
A-j een grote buurte hadden, dan was ’t wel een maond lang det ze op visite gongen en wel twee keer ien de weke. Wat dan de iene aovend verteld worden, det heuren ie de aandere aovend weer. Zo gong det wel een maond lang deur, det gezeur, want zi’j hadden gien ni’js meer.





Begraven ien Ni’jlusen anno 1933
Inwoners van de buurtschappen hadden burenplichten. Die bestunnen daoruut de-j klaorstunnen as ze oe neudig waren. Mar ’t venaamste waren de begrafenissen.
Aolde Jan Brouwer was ziek en daorumme gonk mien grofva em nog ’n keer opzuken. ’t Was niet best meer met Jan. Det zèè de ok zelf: “Hendrik, zi’j roept mi’j. Jezus wenkt mi’j. Ik zie ‘m staon.”
Grofva was d’r ontdaon van toen as e d’r weer was. D’aandere mörgen kwam jonge Jan zeggen det zien vaar uut de tied was. Grofva is met ‘m met-egaone en hef van de grote ramen de rechter vèènsters uut de hengen elicht en tegen de muur ezet en ’t linker vèènster dichte daone, zoas det toen gebruuklijk was.
Jonge Jan Brouwer giet met iene van de buren naor ’t gemientehuus um angifte van ’t aoverlieden te doen. ’t Gemientehuus gef ’t an de köster deur en dan wörren ie umme tien uur verluud. De toren van de karke is eigendom van de gemiente.

Grofva is naor Meuleman egaone en samen hebt ze aoverlegd um de buren an te zeggen en det ze ’s aovens naor ’t starfhuus zollen komen veur aoverleg. Det gunk veurnamelijk aover wie een wagen had. Schoemaker zol de dowagen (liekwagen) met peerd mennen en Meuleman as twiede man. Dan mossen d’r nog twie of drie brikken komen veur de vrouwlui. Hendrik Jan Bijker bakken ’t groevenbrood, ongeveer 20 cm hoge en breed. Arend Jan Schuurman, de zeune van Jan Schuurman, zol de kiste maken. Die was butenumme zwart, met ’n kussentie heui of fiene krullen an ’t heufdende.

Dan kreeg ie ’t groevenbao. Det was ’t anzeggen van de femilie. Die ’t veur ’t minste geld wol doen, die kreeg de opdracht. In dit geval mossen ze naor Gerner en naor Ane.
’s Möns bint d’r een paar vrouwlui west um Jan zien leste hemd an te doen, Jan Schuurman bracht ien de naomiddag de kiste en ’s aovens hebt de buren em d’r ien elegd. ’s Aovens deden ze de vèènsters weer veur ’t raam. ’t Lichten van de vensters wörren herhaald töt de dag van de begrafenis. De wagens wörren nog ies schoon emaakt en de assen esmeerd, zodet op de dag van de begrafenis alles goed ien orde was.

Op de dag van de begrafenis wörren beide vèènsters zo wied dicht edaone det d’r nog ’n haandbreed tussen kon. De femilie was an-ekomen en ze zaten ien huus. Dan kwammen de wagens an. De dowagen stund stille bi’j de baanderdeure. Deur de buren wörren de kiste op de wagen ezet. Naost de kiste an elke kaante ’n bos dakstro, zodet de kiste niet verschoeven kon. De zaandwegen waren nogal slagerig.

Old raadseltien:
          “Weet ie welk hemd as gien zakken hef?” “Nou, nee ikke niet.”
          “Nou, Een doodshemd natuurlijk, want ie kunt toch niks metnemen!”







Foto emaakt tiedens jubileum begrafenisvereniging ien 2007

Twie vrouwlui namen plaatse op de dowagen; ien dit geval de aoldste twie dochters van Jan Brouwer. De aandere vrouwlui gongen ien de brikken zitten. De manlui leupen met achter de dowagen. De dowagen trök op, mar ’t peerd veur de eerste brikke wol niet weg.
De liekwagen stoppen tussen oes en Hendrik Bouwman ien. Nao verloop kwamp d’r toch beweging ien en zo gong ’t naor de Oostendiger Diek. De rouwstoet gonk naor de Karkenhoek. Èven later kwam Femme van Bouwman bi’j mien moe an de deure: “Janna, ik heb gien beste bosschop veur oe. Ie hebt wel eziene det de liekwagen hier stille staon hef en ’t is zo, det waor as e ’t körtste bi’j stond, daor sterft d’r binnen ’t jaor iene. Ik eb ’t uut-etrène (uitgepast) en hi’j stond twie tree körter bi’j oew huus.” “Ja nou, wi’j ziet wel”, zeg mien moe.
Kiek, nou ligt ’t d’r mar net an hoe grote passen a-j neemt, hier grote en an de aandere kaante kleine, dan kö-j ‘t lot nog een bettien beïnvloeden.
Mar det jaor gebeuren d’r niks. Wel twie jaor later. Toen was Hendrik Bouwman met Femme an ’t heui laden ien de Vinkenbuurte. Femme stun op de wagen um ’t heui an te pakken en de wagen te laden, en op een bepaold moment is ze van de wagen erold. Ze brak heur rugge. Zi’j hef nog een dag eleefd ien ‘t ziekenhuus en toen is ze aoverleden, krap zeuventig jaor aold.

As d’r een liekwagen langs kwamp en d’r kwamp ’n fietser an, dan stoppen die persoon of gonk met ’t gezichte naor de wagen staon. De pette wörren uut eerbied aof-ezet. Kwamp d’r uut ’t Westende ’n begrafenis, dan zetten Jan Massier de meule stille, gonk veur op de stelling staon en naamp ok de pette aof. Was de stoet veurbi’j, dan lichten Massier de vang en de meule kwamp weer in beweging.
De köster wachen bi’j de karkdeure de begrafenis op en as die ien de Karkenhoek ankwam, luden hi’j de klokke töt de stoet ’t weggien naor ’t karkhof ien reed. Daor an-ekomen höllen ze stille bi’j ’t baorhusien. De draagbaar wörren achter de liekwagen ezet en daor zetten ze de kiste op. De buren dragen ’t geheel naor ’t graf, veur aof-egaone deur de doodgraver.
Dwars aover ’t graf lagen twie holten balkens waorop de kiste zet wörren. Dan deed men d’r drie touwen onderdeur. Zes mannen beuren de kiste op. De grafdelver trök de balkens weg. Ze leuten de touwen vieren. Zo zakken de kiste ien ’t graf.
De dommeneer wörren dan ien de gelegenheid esteld nog ’n woord te doen. Det wörren meestal volgd deur de geleufsbeliedenis. Daormee was de plechtigheid aof-elopen en gonk men weer op huus an. Manlui die niet meer goed lopen konnen, gongen nou op de wagen zitten.
Ondertussen hadden de buurvrouwlui ok niet stil-ezeten. Zi’j hadden taofels en stoelen klaorezet, köppies en schöttelties met-ebracht en botterborties.





De vèènsters wörren lös-edaone. As de wagens weer thuus kwammen, wörren de peerde uutespannen en van wat heui en drinken veurziene; dan hadden die heur gerak. Dan gonk ’t volk an taofel.
Jan Schuurman, die ok köster was, vreug um èven stille te wèèn. De manlui zetten de pette aof en nao ’t ‘Amen’ deed iederiene zien beste met èten. Nao de maoltied wörren alles weer op-eruumd en gonk men op huus an.
’t Gewone lèven namp weer ’n anvang.


Serviesgoed gebruukt bij de begrafenis van Jan Brouwer

Ik heb de aolde kommegies van de aolde wetholder Bijker nog, grofva zien schoonva. Die had mien grofva ien de kaste staon. Ze past zo mooi ien mekare. De veurstellings op de köppies bint verschillend en die hebt ok ’n eigen betekenis.

Stien, mien vrouwe, had botterborties van heur grootaolders en die köppies heurt bi’j de botterborties. Botterborties waren ok veur begrafenissen enzovoort. ‘t was toen de gewoonte det de buren de botter metbrachten. Zi’j hadden elk een botterschötteltien en daor ha-j de botter op liggen en det worden op de taofel ezet. ‘t groevenbrood was witbrood, van die veerkante stukkies naost mekaar en ok achter mekaar. Hoe of ze det deden, det weet ik niet. Per man en vrouw die daor hölpen, kree-j dan ien zo’n blokkien en daor ha-j zat an, want d’r zat een dikke laoge botter op.

Met ’t 350 jaor bestaon van Ni’jlusen ha-k de kommegies van mien aovergrofva op de tentoonstelling staon en toen pakken ’n vrouw ze op en zi’j zeg: “Zukken hadden wi’j vrogger ok!” Ik zegge: “Zet mar gauw neer, vrouwe! Allend kieken met de ogen!”

Verkering willen met een magie
As vrogger een jonge naor een magie toe gonk en as det meisie ‘m een gebloemde kop met rooie rosies veurzetten, dan zat ‘t wel goed, mar as ze ‘m een blauw köppien veurzette, dan hoeven hi’j niet weer te komen. Dan had hi’j een blauwgien elopen.






Boerenwark het jaor rond

Veurjaor

Veurjaor - De heuibargen bint leug en de iekenbomen hebt allent broen dood blad.

Zo ien meert, april gong ie de vreepaolen (rasterpalen) bi’j langs. Ie namen de knieptange met en vulen an de paolen. As d’r iene lös was, halen ie de kramme d’r uut. De slechte paol leu-j daor liggen. De aandere dag gong ie d’r weer bi’j langs met een wagen met ni’je paolen. Dan ha-j al eteld hoeveule of d’r uutevallen waren.






Vrogger was ‘t: het laand ien vrede leggen. Vree kump van ‘t woord vrede. Een vredepaol daor blieft de koenen tussen en dan krie-j gien ruzie met de buren. A-j niet weet wat de oorsprong van zo’n woord is, dan wee-j niet waor a-j ’t aover hebt.
Da’s net as met de klompenmaker, die mos een kortzaag hebben. Dan denk ie: ‘t is een kört zagien, mar ‘t is zo’n lange zage met twee haandvatten d’r an. Det kump van afkortzaag: iedere keer een bollegien d’r of körten.

Waor een slechte paole lag, gooien ie een ni’je neer en die wörren d’r weer tussen ezet. Wi’j hadden iekenbomen en die worden espleten as ze nog vers waren. Ik kappen ze dan geliek nog wel ies een betien bi’j, want a-j ze ’s winters dreuge opspleten, dan splinteren ze zo.
’t Gebeuren ok wel de-w naor de Ommerbos gongen, hen dennen halen. Daor bin ’k wel met grofva henne west. Det was ien ‘t begun da-j thermosflessen hadden. Wi’j kregen ’n thermosflesse met, en brood. Dan kwamp een aparte lankwagen uut de schure. Daor zetten ie een boom ien die wel zo’n zes meter lang was. Wi’j hadden een aordig brede sloot op ‘t achterpad en daor worden die dennestammen uut de Ommerbos ien-egooid um te ‘wetteren’ (in ’t water laoten liggen), dan trok ’t dennensap d’r uut en bleef ’t holt langer houdbaar.
Waa-j vreepaolen neudig en ie hadden gien iekenholt, dan worden die dennen uut de sloot ehaald. Op ‘t achterpad ha-w een zaagbok staon en dan gongen mien va en ikke die dennestammen op de lengte van een vreepaol aofzagen. Die hoeven ie altied niet te kleuven. Allend a-j een dikke paol hadden met een dikke aonderkaante, dan splijten ie die ok wel. Mar een denne kö-j niet echt kleuven en dan ha-j soms wel een kromme paol bi’j ‘t laand, mar ja, zo nauw keken wi’j niet. As de koenen mar ien et laand bleven dat was ‘t belangriekste. D’r was al wel prikkeldraod, mar daor was mien grofva op tegen, want die was peerdehandelaar en d’r leup nog wel ies een peerd ien et laand. Dus wi’j hadden glad draod langs ‘t laand, zodet de peerde zich niet verwonden, en stroom was d’r toen nog niet.






Motte met biggen lekker buuten

Een weke veur mei worden de eerpels epaot, zowel de vrogge as de late. Eigenheimers en Rode Star. Eigenheimers die ko-j èten töt an ’t ni’je jaor en daornao begönnen wi’j an de Rooie Star. ’k Heb nog een keer een cursus had aover fytoftora, det numen ze ok wel krinkel, umdet ‘t blad zo krinkelen. Coloradokevers, daor hadden we wel last van.

De jonges en meisies die hen dienen wollen, die verhuren zich per 1 mei. Die gongen naor de lege kaante, zeiden wi’j. Die gongen naor Mastenbroek, daor was ‘t laand lege. En a-j ze heuren dan was ‘t vake hard warken en een schale vol karnemelkse pap. Daor mos ie ’t met doen. D’r waren d’r verscheidene die ‘t niet halen töt an ‘t aandere jaor mei, die d’r wegleupen van de honger.

Mei – ‘t jongvee ien ‘t laand achter de vreepaolen.

Bi’j zacht weer wörden de koenen ‘t laand ien edaone. Ien mei kon ‘t ’s mörns ien ‘t laand nog aordig fris wèèn, dan stunnen de koenen te fidderen a-j an ‘t melken waren.

En as de koenen ‘t laand ien waren, dan mos ie ‘t stro van de balken doen, det worden buten an de miete zet, en dan mos ie spinrag jagen, met een lange stok en daor een bessem an, en dan baoven langs deur ’t huus henne. Zo halen ie ‘t spinrag d’r






aof. En dan de stal nat maken. Die mos schone maakt wörden, want de koestront die zat d’r nog op. En as ik dan niks te doen had, dan konnen ze mi’j vinden op ‘t ende ien de schure, ien mien knooihokkien. As ik dan neudig was, dan was ik d’r zo weer bi’j.

Wi’j hadden een stal met een achterkoetse, waor de koenen met de achterbienen op stunnen. Det was emetseld van stienen, ongeveer zo’n 30 centimeter bried. Veurdet de koenen op stal kwammen, dee-j daor grösplaggen ien, zodet ze wat zachter lagen. Later kwam d’r wel gehakseld stro op die beune, veuran ok wel. As ie de stal dan schone maken mossen, dan wörden die eerst ien-eweekt. As det was uuteweekt en schone maakt, dan mossen de muren ewit worden, met onderan een strook van zo’n meter die zwart emaakt wörden, det numen ze paraffine. Hoe of ze daor bi’j kwammen det weet ik niet. “Haalt mar effen een busse paraffine op bi’j de bakker.” Det was naor Aorend Jan Bijker, die verkoch paraffine.
Op een keer toen mien va en ikke met ’t stal schone maken bezig waren, hadden wi’j de vörken en de schuppen tegen een stiele zet. Daor zat de schakelaar op van ’t licht, det was zo’n iezeren schakelaar. Die stiele stund naost een deure. Mien va die halen zien mes uut de zak en hi’j zegt: “A-k daor nou es met ‘t mes tussen stikke, wat zol d’r dan gebeuren?” Ik zeg: “Ik zol ‘t mar niet proberen!” “O, zol ’t kwaod können?” Hi’j stek det mes d’r tussen en metiene lag hi’j al tussen de vörken. Mien moe kwam naor de dèle: “Wat doe-j daor toch, de vonken vliegt uut de meterkaste!” Mien va had wel meer van die grappen, die wol altied wat proberen. Nou ja, toen wus e ’t ien ien keer, hi’j dee ’t nooit weer.

De leste mest uut de putte gung naor ‘t heuilaand. ‘t Heuilaand was ien de winter ok al bemest met streuimest uut de stal. Eerst hadden wi’j een middenvakstal en dan kö-j d’r van weerskaanten met de sturtkaore (kiepkar) bi’j. Toen hadden wi’j twee gruppen. Later bint die gruppen verlaagd en hebt wi’j de stalvloere wat hoger emaakt en ha-w zo’n grote mestputte an de butenkaante. Dan ha-j een schoever met de stele schuun op de schuif, en daor scheuf ie de mest zo met de putte ien en dan ko-j de mest opladen vanuut de putte. ‘t Jongvee stund ien een potstal.

As d’r nog niet te veule weide was, mochen de koenen eerst nog een keer ‘t heuilaand aover, want ‘t heuien gebeuren pas achter ien juni, begun juli. Zo gauw as de koenen d’r uut waren, mossen wi’j achter de koenen an de mestflarden geliek verspreiden. Weideslepen waren d’r toen nog niet. As ie toch zoiets doen wollen, dan gebruken ie de egge, die gooien ie aover de kop, mar det was gevaorlijk. Ie mossen ok de mollebulten slichten (de grond verspreiden). D’r waren toen zat mollen, ien mijn idee veule meer dan tegenswoordigs, mar ik hoeve de bulten niet meer te slichten, det maak wel verschil, dan let ie d’r niet zo goed meer op..
Een jonge bi’j mi’j ien de klasse, die woonden ergens ien ‘t veld. Die gung ien de winter hen mollen vangen um een paar cent bi’j te verdienen. Een dubbeltien kreeg e geleuf ik veur een dooie molle.





Zommer

Slagenlandschap: lange smalle stroken laand

Hier was ’t een slagenlandschap. Oes laand leup noord-zuud, töt an de Middeldiek, en aover de weg henne, achter oes laand. Det waren de koelaanden. Vrogger ha-j gröslaand, en een deel daorvan was veur heui bestemd. Ie hadden ok bouwlaand, veur rogge, haver, gerst en eerpels. Toen wa-j zoveul meugelijk zelfveurzienend, mar det is zo’n betien aover egaone. Nou spuit de boeren alle onkruud dood. Wi’j hebt ien Zwitserland en Oostenrijk wel melk edrunken, det was zo lekker deur alle kruden ien et grös.

A-j koenen met wrange (uierontsteking) hadden, dan gebruken ie de wrangetange. Ie proberen met ’n ontsteking op ’n aandere plek de wrange te verdringen. Met ’n priem of tange die ’n gatien hef wörden ien ’t vel van de koe een ganggien emaakt en daor kö-j ze de wrange mee stikken. Dan gebruken ie een wrangewörtel, de wörtel van ’n plaante die as mien schoondochter nog wel in de tune hef (Helleborus foetides, Ned. nieskruid). Vrogger namen ze een stukkien van die wörtel en det wörden edreugd. As koenen wrange hadden, kneep ie ’t vel tussen de tange en met een prikker stak ie dwars deur det vel en dan trök ie die wrangewörtel d’r ien. Die hadden ze dan onder de huud zitten, gewoon ien de hals. Met een week of veer, vieve kwamp d’r dan een plakke en die veul d’r zo uut, met vel en al. Ondertied gong de wrange aover. As det niet gebeurd was, ja, dan zag ‘t er niet best uut veur de koe. Tegenwoordig gebruukt ze antibiotica van de veearts, da’s wat minder griezelig um te vertellen!

Eind juni gong ie grösmeien. An de mei’jmesjiene - of de grösmesjiene - zat de mei’jbalke. An de kaante van ‘t mes zit een kogel en dan zit d’r een trekstange, die leup de aandere kaante op, en daor zit een vliegwieltien an en die maakt det ‘t mes hen en weer giet.
As ze met de peerde veur de grösmesjiene met de mei’jbalke grösmeien wollen, dan trillen die mesjiene zo hinderlijk veur de peerde det de boeren d’r veur an elke kaante van de boom een vere deden um ‘t trillen tegen te gaon. Ik heb nog zo’n vere veur ‘t peerdetuug.
‘t Eerste snit dee-j met de grösmesjiene.

Heui an opperties, d’r zit al wat ien de barg, misschien nog wel van veurig jaor!





















An de kaante gong ie ’n eintie veur de rikkepaolen langs. Dan mos ie daor later met de zende de kaanten mei’jen en dan det grös met de vörke spreiden det ‘t een betien verdeeld wörden. Dan wörden ‘t nog een keer ummelegd.
Dan kwamp de heuimesjiene. Die sleu ’t achteruut en zo wörden ‘t lös egooid um nog bèter te dreugen. Daornao ko-j die heuimesjiene schieve zetten; dan gongen de taanden de aandere kaante op en ko-j ‘t an zwillen jagen.
As ‘t weer oe niet al te goed leek, wol ie ‘t niet ien zwillen laoten liggen. Dan worden d’r zweetoppers van emaakt, zo numen ze det. Die waren wat hoge en een betien rond en zo mooi toedekt det ‘t grös niet nat wörden as ‘t ’s nachts nog een betien regende.
As de dauw van ‘t laand was, wörden alles nog een keer lös-egooid en dan kwam ‘t peerd en wagen d’r bi’j um ’t heui op te halen. Toen ha-j nog lös heui, pakkiesbinders waren d’r nog niet. Ze gebruken een garvenvörkien um ‘t heui op te stikken op de wagen. ‘n Garvenvörkien hef altied twie taanden. D’r mut feitelijk nog een kroeme stok an.

A-j heui halen wollen, dan ha-j een boerenwagen en daor worden veur en achter balkies aoverhen elegd, met een paar plaanken oaverlangs de wagen, zodet ’t laadvlak breder wörden. Daor ko-j ‘t heui op stapelen en dan kwam d’r een wezeboom (lange dikke paol) aoverhen. Van veuren wörden de boom veur ’t vastmaken van de liende wat op-elicht, en dan dee-j een paar slagen van de veurliende um de kop van de wezeboom en dan drukken ie ‘m neer en maken de liende beneden an de boom vaste. An de achterkaante van de wagen links ha-j ‘t katrol hangen en an de rechterkaante höng de achterliende. Dan pakken ie de achterliende d’r of en die gooien ie aover de wezeboom, vastemaken an de wagen rechts achter, dan gooien ie die liende nog een keer aover de wezeboom naor de aandere kaante en daor weer deur ’n gat naor de wagenkatrol en dan mos ie de liende goed antrekken en vastemaken an de achterkaante van de wagen.

Wi’j hadden een grote schure en daor zat binnenien een heuivak. Det was, denk ik, wel 6 bi’j 7 meter ien ’t veerkant. Det gong helemaole töt baoven an de balken vol. En as d’r veule heui was dan zat d’r nog een vak achter töt an de deuren en det worden dan ok nog vol-estouwd. Daor worden ok wel es rogge ien-evleid veur ‘t dorsen. Vake kwammen d’r takkebossen op de vloer onder ‘t heui.

A-j een heuibarg hadden, dan worden d’r een entien van de kaante of ien de heuibarg een veerkant gat uutesteuken en ‘t heui wörden naor baoven egooid. As d’r ’s winters snee lag en ie mossen heui aofgooien en det naor buten gooien, dan zol det ien de snee terechte komen. Daorum worden det veerkante gat d’r ien esteuken. Dan mos ie met die heuitrekker, det is net zo’n harpoen, van de butenkaante net zo lange an det heui trekken tötdet daor een gat ien kwam. Det open gat sneed ie dan ok weer een betien bi’j. Zo ko-j, a-j heui hebben mossen veur de koenen, oe heui ien det gat gooien en dan ko-j deur det gat van de butenkaante een vörke vol nemen en met ien huus dragen. Dan kwamp et niet ien de snee te liggen.





Oogsttied

Hendrik boavenop de roggemiete, staond Arend Mannen en grofva

Hier worden rogge, haver en eerpels verbouwd. Oeze bouwakkers waren 12,5 meter breed en 200 meter lang. Begun augustus, as de roggearen riepe waren dan gong ie ien rogge mei’jen. Veur het rogge mei’jen gebruken ie ’n zende (zeis). Ik heb nog precies zo’n zende as wi’j bi’j oes thuus hadden. De zende met de strekel (’n lat beplakt met grof schuurspul um onder ’t meien te scharpen) vien ik zelf een heel mooi ding. Met rogge mei’jen kwam d’r een beugel op te staon um de rogge mee te nemen zodet die niet aover de zeis hen vul.
Ik heb nog een compleet haorgerei hangen, waormee ie de zende könt scharpen. Det he-k ekregen van Geertje Bouwknegt, de vrouw van Jaap Bijker, de bakker uut Den Hulst, waor nou bakker Timmer zit.
A-j an ’t rogge mei’jen waren, dan gung ie det met de welhaoke opschoeven tötde-j een bos bi’j mekare hadden. Dan gung ie aandersumme staon en dan wenden ie ‘m net zo lang da-j die bos mooi bi’j mekare hadden en dan leggen ie ‘m neer . Dan kwammen de bindsters en die bunnen ‘t spul op, zodet ’t an schoven ezet kon worden. Ik heb nog een welhaok van iezer en iene van holt. Ik kenne alles van de boerderi’je van vrogger, mar ‘t is inmiddels wel allemaol veraanderd.

Met een slagregen wol ’t wel ies gebeuren det de rogge gung liggen, en dan ko-j d’r met de zende slecht onder komen. Met ’n zichte ko-j bèter onder de rogge komen. An De Stouwe wonen een Bulder – we numen die “Buldertien” umdet d’r meer Bulders waren en hi’j mar een kleine man was - en die had een zichte. Die ko-j dan vraogen um met de zichte te komen en die mei’jen oe dan de rogge d’r aof. Mien grofva is d’r ok hen ewest toen die zelf nog boer was. “Eh, Bulder, zo- j nog können komen zichten?” “Mientje, hoeveule is d’r nog?” “Nog zeuven stuver, Jan.” “Vandage nog niet.”

Met de zende ko-j twie keer zo breed mei’jen, mar ja, dan he-j beide haanden neudig en dan gao-j d’r met een welhaoke achteran. Mar met ’n zichte, die hef ’n körtere stele met een haandvat, bin ie mar iene haand neudig en ien de aandere haand he-j de pik. ‘t Verschil is det een welhaoke rond is en een pik recht. En met die pik daor trökken ze ‘t stro een betien bi’j en dan sleugen ze d’r met de zichte onder. Zi’j sleugen niet zo verre, mar det kon toch al niet, umdet ‘t spul plat lag. Later gebruken ze veur ’t roggemei’jen een grösmesjiene en daor deden ze een bord an daor a-j rogge met meien konnen. Det deden ze d’r allend an met ’t meien, en nao ‘t roggemeien halen ze det d’r ok weer of. Met de eerste keer rondmeien deden ze zo’n bord ok an de binnenkaante van de mesjiene.





Eind augustus was de rogge van ’t laand en dan kon ‘t gebeuren da-j uut de potstal vandaon, waor de kalver waren, nog weer mest aover ’t laand brachten en dan gong det laand onderstebaoven en wörden daor knollen ien ezeid. Mien grofva had een gezegde: “Wie knollen wil eten, moet Sint Laurens [10 augustus] niet vergeten.” A-j een betien goeie knollen hebben wollen, dan mos ie veur die datum de knollen ien de grond hebben.

Hendrik zien zelfgemaakte sturtkaore

Daornao gong ie an ‘t eerpels rooien. Veur ‘t huus ha-w een bonenakkertien. As de bonen de grond uut waren, maken ie op det stukkien een sleuve van een paar meter breed en een halve meter diepe en daor kwammen de eerpels ien. Dan kwam ie met de sturtkaore en die ree’j achtersteveur en dan kiepen ie die zo achteraover. De eerpels stapelen ie een betien mooi schuun op en daor kwam dan an beide kaanten stro op en daor weer zaand aoverhen. Kiek, en dan ha-j meteen een speur rondum de eerpelkoele en as ‘t dan regende dan kree-j de eerpels niet nat, want ‘t water det zakken zo de koele ien, ien ‘t speur det d’r umhen zat.
Wi’j hadden ok een eerpelloodse. Daor deden wi’j de eerpels ien die wi’j veur eigen gebruuk eerst opèten, dan kon de koele dichte blieven.
Wi’j hadden driekwart gedeelte Eigenheimers. Die ko-j èten töt ‘t ni’jjaor, worden d’r altied ezegd. En de rest van de winter waren ’t dan voerjeppels veur de varkens. En dan een kwartdeel, achteran, Rooie Star. Die kree-j nao ‘t ni’je jaor. As de eerpels uut en van ’t laand waren, dan wörden ’t laand ummeploegd en dan wörden daor de winterrogge ien-ezeid. Zie, dan kree-j niet nog een keer rogge op ‘t roggelaand.
Wi’j hadden ok een akker haver. As de haver d’r of was dan wörden daor weer rogge ien-ezeid. Haver wörden veurjaors ezeid. Die kwam dan weer op de eerpelakker en de eerpels die kwammen op de roggeakker. Iedere keer verzetten det, det hiet wisselbouw.

Harfst en winter
Ien de harfst kwammen de knollen as leste uut de grond. As die d’r uut waren, wörden det stuk laand weer ummebouwd en dan wörden daor ien ’t veurjaor weer haver ien-ezeid. En dan was d’r nog een hoek aover, daor worden dan ien de weke veur mei de eerpels ien-epoot.

Het dorsen gebeuren met de dorsmesjiene van de dorsvereniging. Die kwam bi’j de boerderi’jen um de rogge te dorsen. De dorsvereniging had, geleuf ik, vier dorsmesjienes. Ze begonnen um en um an d’Ommerdiek, wat nou de Backxlaan is, en gongen dan töt an De Stouwe. En dan ‘t aandere jaor net aandersumme. Zo duren ’t soms een hele tied veur ze bi’j oe waren en dan mossen wi’j wel ies zelf dorsen met de stok um an zaod te komen veur de varkens. Van roggemaal wörden gien brood ebakken. De varkens kregen rogge en maismaal (meel) met eerpels. Soms nam ie rogge mee naor de meule um te laoten malen veur de varkens.







De dorsmesjiene bi’j een boerderi’je ien Ni’jlusen.
Zie ook Beeldbank nummer 11947

Bovenstaande foto toont geen dorsmachine, maar alleen de aandrijfmotor, daarom er een andere foto bijgezocht:

Een dorsmachine in actie bij Peter Kreule, de aandrijfmotor is niet zichtbaar.
De buren hielpen elkaar bij het dorsen met de machine.

Eerder hadden wi’j de baktrog uut ‘t bakhuus op de dele staon. Daor zat een schot deur en an de iene kaante zat roggemaal en an de aandere kaante maismaal. A-j de varkens voeren wollen, halen ie eerst gekookte eerpels uut de fornuuspot. Dan kwamp er zo’n laoge eerpels onderien de varkenstrog en daor dee-j een schep waai (wei) of ondermelk aoverhen. Dan gong ie naor de maaltrog en halen een schep roggemaal en een schep maismaal, det reuren ie wat deur mekare en det gong de varkenzomp ien.

Hakselmachine

De haver worden vake hakseld. Wi’j hadden een hakselmesjiene. Daormee wörden ‘t haverstro an haksel esneden, met de haverkorrels en alles d’r nog an. Det stro wörden met de haverkorrels d’r nog ien op-evoerd an de peerde.
Wi’j hadden een grote hakselkiste achter staon en daor zat ’n zeve ien. Ie scheppen een zak met haksel uut die hakselkiste en det gooien ie ien de peerdekrubbe. Daor kwam dan nog een schep roggemaal bi’j ien en water d’r op. Daor baoven ha-j een ruuf waor ’t heui ien zat.












Dreug stro was niet zo fijn, de peerde mossen ’s aovens dus ok wat te drinken hebben. ’s Aovens um negen uur wörden de peerde of-evoerd, zo numen ze det, en dan kregen ze det voer veur de nacht.

Havermout aten wie ok wel ies. Ien de oorlog he-w een keer haver laoten dorsen. Det ko-j meegeven met Westerman, die had toen een vervoer op Zwolle, en dan ko-j die haver, bi’j Van de Berg geleuf ’k, ien Zwolle, laoten dorsen en dan kree-j havermout weer. A-j een hele zak meegaven dan ha-j niet veule meer aover as die doppen d’r aof waren. Mar goed, daor ko-j nog wel een hele tied met voort. Hoe of det met haver precies giet, heb ik nooit eziene, mar met garst wel.
Garst det wordt eplet ien de meule, det heb ik wel eziene. Det numen ze pallegarste, gepelde gerst. Ie hebt een tonne zo ien ’t ronde, van blik, en da’s net a-j een rasp hebt. Daor bint van de butenkaante ammaol gaties deur-eslagen. Tussen die raspe en de meulenstien zit ruumte en daor gooit ze garst ien. Dan dreit de stien aordig hard ien de ronde en die reutelt de garst tegen de rasp langs. Nao een posien zèden ze: “Nou, zo is ’t wel klaor” en dan worden det, geleuf ik, aover een zeef edaone, zodet die doppen d’r niet weer ien terechte kwammen.

Olde schoelplate aover boekweit ien museum Palthehof

Boekweit wörden hier ien de streek ok wel verbouwd, mar det worden gebruukt veur de ontginning, nao ‘t aofplaggen. Wi’j kregen d’r ok wel pannekoeken van, mar boekweit mos ok weer ebuuld worden, want daor zatten ok weer van die doppen um. Toen de schaopen aof-eschaft wörden en de kunstmest kwam, ha-j ok gien boekweit meer. Tarwe wörden hier ien de streek ok wel verbouwd, mar daor mu-j eigenlijks kleigrond veur hebben.

November: slachtmaond
De beide zeuns van Egbert Schoemaker waren allebei huusslachter en umdet d’r zoveul Schoemakers waren, worden die gien Schoemaker enuumd, mar De Slachters. Daor was Garre van de Slachter d’r iene van, mar die hieten dus Gerrit Schoemaker. Egbert Schoemaker had as gewoonte det as hi’j kwam slachten, det as hi’j zei: “Hee, det mes wordt weer zo stomp!” Dan mos e weer anzetten (scherp maken) en dan wol hi’j een borrel hebben. Det is dus ok wel bi’j mien grofva gebeurd.
As ‘t varken dood was en ‘t haor was d’r of, dan hongen wi’j ‘m op de ledder en halen de ingewanden d’r uut. ’s Aovens mos ie ‘m ofsnieden. En dan ha-j een heel varken det mos ien-ezolten worden. Ien de kelder stun een grote holten kupe (kuip). Dan nam ie een zee





Klaas van Dorsten, de huusslachter en Boerman zien varken an de ledder

(zijde of stuk) spek, zolt d’r op en det kwam dan onder op de bodem. Dan weer een zee d’r op en al ’t spek stapelen ie dan zo op.
Vrogger wörden d’r gien karbonade maakt. De ruggestrengen worden d’r gewoon uutesneden en dan an stukkies. Die gongen ien de soep. Alles kwam eerst ien ‘t zolt. De ribben die ha-j apart. Die waren wat rond en daor wörden ien de midden nog een keer met ‘t mes aovereslagen, en dan ko-j ze een betien plat drukken. Die kwammen ok eerst veertien dagen ien ’t zolt te liggen. Dan hongen ze zo an de zolder, daor dreugen ze gewoon ien. As ‘t an de zolder mos, en de volgorde kwam nogal aordig secuur, dan hong ie de ribben ’t eerst op. Dan nam ie twee stoelen en dan de eerste ziede spek en daor ‘t ziede det er tegen weg ekomen was, want det was nog nat, ‘t vet dreup d’r dan zo uut. As ‘t dan niet meer dreup, dan kwam ‘t an ‘t worstespit ien de wiemel (zolder naost de schoorstien). En dan ‘t kleine goed, die poties, zeg mar, enzovoort.

Wi’j waren met zeuven personen ien huus, veer kiender, mien va en moe, en mien grofva, die was ok bi’j oes an taofel. Wi’j hadden een grote aolde motte en daor hadden we wel genog an veur een hele winter. Zelfs die aolde motte smeuk nog echt wel lekker.
Mien breur was een keer bi’j oes an de Vaort en die zeg: “Wee-j wat mi’j opvalt? Det det spek van de slager altied zo taoi is!” Ik zeg: “Wee-j wel hoe of det kump?” “Nee!” “Nou, det lig ‘m niet an de slager, mar a-j zelf een dikke motte vetmest, dan geef ie ‘m d’r ok nog ieder keer een paar liter melk bi’j en dan wordt ‘t spek mooi zachte. Det scheelt een stuk.” Varkens die-j veur de slager voeren, die kregen gien melk. Zo’n groot varken det lust heel wat. Een emmer vol voer, met eerpels en maal en dan een paar liter melk d’r op, nou det slobberen e zo op, heur! Det is zo vertrökken, en det twee keer daags.

December: koenen op stal
Tegen december wörden de koenen weer op stal ezet. ‘t Lag er an hoe kold ‘t was. As ‘t weer goed genog was, bleven ze töt december lopen. A-j de koenen op stal hadden, begun ‘t mesten op ’t laand weer. Dan mos de mestputte weer eleegd worden. De mest wörden naor ‘t laand ebracht en an bulties ezet. Later gong ie dan hen met de vörke en de batse (schep). Met de batse gooien ie ‘t eerst uut mekare en dan effen met de vörke wat naostrieken. Grofva gaf oes altied de raod: A-j nou zörgt da-j ‘t an de weg goed uutestrooid hebt, dan is ‘t hele laand goed en as ‘t an de weg niet goed is, dan is de rest van ’t laand ok niet goed. Dan gao-j rond ien de buurte. Mar ‘t kwam toch niet zo krek, want as ‘t een keer regende spulen ‘t toch wel onderuut.





Op stal kregen de koenen knollen te vreten. A-j aordig wat knollen hadden, wi’j hadden vake twie akkers, en die plukken ie aordig vrog, dan gong ie daor een persbult van maken. Daor kwam een boel water uut en det was vake zoere troep, mar det lusten de koenen graag en ‘t was nog wat groenvoer. En dan kregen ze heui en water. De koenen die melk gaven, kregen altied twie of drie blokkies koeke. Eerder ha-j van die grote koeken, die leupen iets schuun toe en dan brak ie daor stukkies aof, mar die zie-j nou helemaole niet meer.


Koenen op de grupstal

Eerder ha-w de mestvaalt veur de grote schure en daor ha-w ok ’t husien, de wc staon. Daor ko-j dan de bak uut trekken en dan kieperen ie die umme ien de mestvaalt. Mar mien moe vun det niet zo arg mooi meer det die mestbulte daor stund en toen he-w die achter ‘t huus neer ezet. Nou ha-w langs ‘t achterpad een slotien met an weerskaanten iekenbomen, mar de iekenbomen die achter de mestbult stunden gongen met een paar jaor dood. Die konnen niet tegen die mest. Die wörden ummekapt op de lengte van een vreepaol.

Die iekenbomen wörden dus vreepaolen en ok wel een betien braandholt. ‘t Baovenholt van de kruun wörden wel ien de kachel of onder de fornuuspot estaokt. Wi’j hadden aorig wat iekenbomen achter ‘t huus staon. Die sneuien wi’j nog wel ies op en daor maken wi’j dan takkenbossen van en die staoken ie onder de fornuuspot, veur de eerpels veur de varkens.
Wi’j hadden rooie bieten ien de tuun en as wi’j de aandere dag rooie bieten zollen eten, dan gooien mien moe wat van die rooie bieten baoven op de varkeneerpels ien de fornuuspot. De volgende dag ko-j d’r zo ‘t vellegien aof doen en dan an schijfies snieden, wat zolt d’r aover en klaor. As jonges halen wi’j stiekem ok nog wel es wat extra rooie bieten uut de tuun, effen aofspoelen onder de krane zonder det moe ’t zag, en dan gongen die bi’j de aandere bieten de fornuuspot ien. Die kaoken dan zo met en as ze gaar waren, halen wi’j die d’r snel weer stiekem uut en dan zatten we ien ‘t bakhuus die extra rooie bieten op te èten. Wi’j vunnen die nog lekkerder as die wi’j ’s aovens op ’t bord kregen van moe.





BI’JENHAOLDER

Hendrik bi’j zien bi’jen op de heide ien Staatsbos, Geert boavenop een bultie veilig achter de kaasten

Bi’j mien grofva zien grofva, die as jonge van 14 jaor an de Bijkerweg is komen wonen, hadden ze een iemskelle; zo numen wi’j ‘t bi’jenhok. Det was mar iene hoogte, met ‘t dak van achter d’r zo schuun op en dan was opzied een deurtien, da-j d’r achter konnen komen, en dan ha-j een plaanke een entien van de grond en daor stunnen de körven op. Mien grofva hef mi’j wel ies verteld aover de bisschopskörf die ze daor hadden. Det was een körf met zo’n krulle d’r an en daor hadden ze achterien een gatien emaakt en een glasien ien ezet. Daor deen ze dan een ding veur en as ze dan kieken wollen dan deen ze det ding d’r èven veur weg, want a-j det d’r veur weg leuten dan smeren de bi’jen d’r was op. Mar zo konnen ze dan toch al ien de körf kieken.

De Bi’jen – schoelplate – museum Palthehof

Mien vader had gien bi’jen, die mos niks hebben van de bi’jen. ’t Waren echt mien bi’jen. Mien iemskelle bi’j mien olderlek huus stun met de kop op ’t zuden natuurlijk. Ik heb mien bi’jen van Jan Stegeman. Hi’j wonen eerder tegenaover Dirk Jan Kleen an ‘t Oostervene, die ien zo’n dubbele woning woont. Jan Stegeman had bi’jen en daor heb ik mien eerste twee körven mee emaakt. Die körven waren van achter zo det hi’j ze kon anpakken en dan zo achteraover trök. Mar as ze wat zwaor waren, dan drukken ie ze zo ien mekare. Buurman Meuleman had ok een bi’jenstal. Die van hum stun veur de hagedoornhege daor nou nog det stukkien van stiet.

Eind mei leupen de koenen buten, met een boel peerdebloemen ien et laand, en dan begunnen de bi’jen te zwarmen. Dan mos ie daor weer achteran. Begin augustus gongen de bi’jen naor de heide ien et Staatsbos. Umstreeks september – oktober mos ie ze voeren, want ze mossen tegen oktober op gewicht wèèn veur de winter. Ie hadden toen ok al suker, speciaal veur de bi’jen;








gedenaturaliseerd en goedkoper. A-j die nat meuken dan wörden ‘t helemaol paorsblauw. Wi’j kochten det gezamenlijk ien bi’j de bi’jenvereniging. D’r waren d’r wat bi’j die wat extra bestellen. Die deden d’r water op en dan geuten ze det d’r weer of en dan gong d’r ie kleur weer of en dan ko-j de suker nog wel gebruken veur eigen gebruuk.

Hendrik bi’j zien bi’jenstal De Vlijt an ‘t Oostervene

A-j vrogger hier of daor fietsen en ie zagen een zwarm, dan was ’t: zakdoek uut de broek en an een takke binden. Dan fietsen ie naor huus um een körf op te halen. As een aandere imker die zakdoek zag, dan wus hi’j: die zwarm is al evunnen en die mag een aander niet meer ophalen.
Ik heb ien maol een zwarm had. Meester Van Aarts was onderwiezer ien ’t Westende. Hi’j wonen effen veurbi’j de Karkenhoek en hi’j had ok bi’jen. Hem was een zwarm gaon lopen. Ja, een dik zwarm, zo onderan een takke, baoven de sloot. Die sloot was dreuge en ik denke: blikskater, det liekt mi’j wat! Nou ja, een mooie körf d’r onder, en ik had d’r nog een zak onder elegd, en de hele zwarm die veul d’r mooi ien. Veurzichtig de körf recht aoverend ezet. Ien de herfst zeg meester Van Aarts: “En, hoe gaat het met mijn bijen?” “Uw bijen? Nou, ze hadden gien kaartien bi’j heur van wie of ze waren!”

Ien ’t dörp an de Backxlaan ha-k bi’j de meubelmakeri’je achter ’t huus ok nog bi’jen. Ik had ronde platies baovenop de kasten en ik had mien kasten elakt. D’r ston een vleerbos en niemand had last van de bi’jen. De ene buurman had d’r ’n schutting staon en d’aandere buurman ’n schuurtien en bi’j Arend Massier, de slager, was de muur van de slageri’je. De bi’jen die mossen derekt de lucht ien.
As mien vrouw deur een bi’j esteuken werd dan kreeg ze een dik heufd, mar ikke niet. An ’t Westerveen, waor nou de apotheker woont, daor zat een keer een zwarmpien an een proemeboom, zo ien de bocht van ’n takke. Feitelijk mu-j die d’r met een doevevere ofstrieken, mar die had ik niet en ik had ok niks op de kop. Heemaol niks. Mar ik heb de zwarm wel ien de körf ekregen. Toen hebt mi’j d’r wel 50 baoven ien de kop esteuken. Det ‘t zukke steekbi’jen waren, det maken mi’j niet uut. De aandere dag ha-k ‘t vel wel strak baoven op de kop zitten, mar det was alles.





Ien Ni’jlusen ha-j van oorsprung veul imkers, de bi’jenholdersvereniging bestund ien 2012 al 100 jaor. Det d’r zoveule bi’jenholders bint det kump umdet hier veule heide was en veule armoede. Met de verkoop van hunnig ku-j een beetien bi’jverdienen. Vrouwen met bi’jen die bint d’r niet zoveule. Garre Bouwhuis, de gropmoe van Henk en Gerard Oldeman, die an Den Hulst wonen ien det lage husien, die was imker.

De femiliename Bijker kump hier ok veule veur, det hef d’r ok met te maken det die mensen al bi’jen hadden toen ze van Napoleon een achtername mossen kiezen rond 1830.

Jan Groen was zo’n betien Garre heur buurman. Jan was ok imker, wienmaker en ambachtelijk rietvlechter. Jan en ik, wie kennen mekare van de bi’jenhaoldersvereniging en Jan die kwamp gewoon wel es effen binnen bi’j de warkplaatse an de Backxlaan as wi’j an ‘t wark waren. Jan had een ringenkörf. Die had een vast gedeelte waor ‘t volk ien zat, en dan kon hi’j d’r iedere keer een opzet onder doen, een stuk of drie baoven mekare, en baovenan had e een deksel d’r op. Det kon e d’r ok ofhalen. Det was al bi’jnao een kaaste. En hi’j had een körf emaakt van Ambrosius, de beschermheilige van de bi’jen en de bi’jenhaolders, een bi’jenkörf met ofnembare mantel en heufd.

De Ambrosiuskorf van Jan Groen

D’r hef een keer ’n vogeltentoonstelling van de Volièrevriend ewest ien sporthal De Schakel ien Ni’jlusen waorveur ze de bi’jenhaoldersvereniging ook evraogd hebt of die daor een stand hebben wollen. Daor stun ik toen met Jan Groen achter de kraome. Hi’j had Ambrosius daor neerezet. Jan zien Ambrosius had een rooie neuze, umdet Jan wienmaker was.

Toen Stien en ik zoveule jaor etrouwd waren kwamp Jan Groen an met twie van die grote platen hunnig, mooi verzegeld. Ja, wi’j konnen wel goed opschieten. Jan Groen hef mi’j toen die Ambrosiuskörf belaofd. Hi’j zeg: “Die Ambrosiuskörf is veur oe, umde-j ’t museum hebt.” De arfgenamen van Jan bint bliekbaar niet op de heugte west van die belofte, want nao ‘t aoverlieden van Jan verdween de heilige. Mar met ‘t 100-jaorig jubileum van de bi’jenhaoldersvereniging kwamp Ambrosius teveurschien. Nao een aantal umzwarvings bleek det e ien ‘t aoldheidkundig museum an Dedemsvaort stund, waor Barend Rooseboom ok een –veurmalig- imker de aolde heilige een goeie rustplase ebeuden hef.
Eric Klunder, ok al jaoren imker, hef de heilige Ambrosius opespoord en veur de jubileumtentoonstelling in museum Palthehof opehaald.





IN MILITAIRE DIENST
Toen ik achttien jaor was gung ik naor de keuring veur militaire dienst. De keuringsarts vreug mi’j: “Bent u weleens ziek geweest?” “Ja!” “Ja, maar ernstig ziek?” Ik zegge: “Ja, twie keer in elk geval det de dokter zèè: “Hij haalt de morgen niet.”” “Wat mankeerde u dan?” “Nou, longontsteking. En toen a-k naor de schoele gonge, weer longontsteking.” “Ik kan je alleen maar feliciteren!” zegt ie. “Je bent er prachtig doorgekomen, aan je longen is niets te zien.” Nou klaor, goed-ekeurd.

Hendrik Schoemaker ien Canadees uniform en geweer met bajonet ien 1945















































Ansichtkaarte van de heufdiengang van de Alexanderkazerne ien ‘s Gravenhage

Ik was negentien jaor toen ik ien militaire dienst gong. Ik was elegerd ien de Alexanderkazerne ien Den Haag. Omdet ik gien boer wol worden, dacht ik: As ’t mi’j nou goed bevalt, dan blief ik daor. Dan word ik beroeps.

D’r waren veer legerondelen: de wielrijders, de pantserwagens, ’t mitrailleursescadron en de cavallerie, det was ’t peerdevolk. ’t Twiede en ’t veerde regiment hadden blauwe uutmonstering. ’t Eerste en ’t darde ‘n rode uutmonstering, en de gele rijders hadden ’n gele uutmonstering. Det waren de mannen van die de kenonnen bedienen.

Schaalmodel van een Duutse BMW motor van ‘t Nederlandse leger

Ik was ien-edeeld bi’j ’t veerde regiment huzaren, ’t mitrailleursescadron en wi’j hadden Duutse BMW’s met mitrailleurs d’r op. Det kwam zo: Goethry Mengelman reed op een BSA –motor en had al een maol of drie de TT ewunnen. Toen kwamp Carl Gall uut met een BMW met liggende cylinders en die won det jaor de eerste pries. Dus det waren de beste motoren en daorum hef ’t Nederlandse leger die ok an-eschaft.














Ik had ’t geluk det Jan Heertjema, mien maot uut Leeuwarden, gien motor dorst te rieden, dus mocht ik altied rieden. Geniene wol ’m achterop hebben, det vunden ze onbenullig, det achterop zitten.

D’r zat een watergekoelde mantel umme de loop van de mitrailleur, en daor zat een tenkien onder en die mos ie onder een plagge doen. D’r zatten mitrailleurbanden op, 220 petronen ien iene band, en a-j die 220 nou achter mekare aof-escheuten hadden, dan kwam det water an de kaok en dan kwam d’r stoom aof en det kon de vijand zien. Det tenkien mos ie dan onder een plagge doen. Och, allemaol kwats! ‘t Geluud hadden ze ja allange eheurd, en de kogels vleugen heur allang umme d’oren.
‘t Mitrailleursescadron wörden gebruukt as een soort artillerie. De infanterie lag veuran en dan wörden oes eleerd: zo opstellen da-j wussen waor de vijand was. D’r wörden uuterekend hoeveule kilometer of det was en dan zetten ie de loop wat hoger en dan scheut ie aover de eigen troepen hen naor de vijand toe. Nooit van ekomen!
Die ziedspannen waren ien Assen emaakt en daor stun een mitrailleur op.

Ie hadden drie motoren; det numen ze een ‘stuk’. Op d’eerste stun ’n mitrailleur, ien de twiede zat de munitie en ien de derde bak zatten de onderdelen.
Wi’j bint twie keer naor de Harskamp ewest. De eerste keer kwammen wi’j daor ’s middags zo’n betien an. Metiene kree-w bericht: Onmiddellijk terugge! Toen was d’r dreiging uut ’t Oosten. Wi’j hebt nog effen ’n portie eten had en toen weer terugge, zo hard a-w konnen. En toen bin w’ d’r nog een twiede keer hen ewest. Toen he-w d’r nog iene nacht eslaopen en d’aandere mörn terug naor Den Haag. De motoren waren zo of-esteld da-j 60 km per uur konnen rieden en niet harder, mar umdet ’t dreigend leek hef de luitenant al die dingen zo aof-esteld da-j 100 km konnen halen. As ik goed gas gave, goed antrökke, dan kon ’k net de 100 halen.

Bi’j Voorburg daor he-j een rotonde, en ik wil ’t gas teruggedreien, mar det wol niet. Gelukkig stund d’r op die rotonde allemaol struukgewas. Ik kon de bochte niet kriegen want dan ging ie onderstebaoven, dus ik stoeve zo die rotonde op, ’t struukgewas ien. Toen sleut de motor of, hebbe wi’j de motor d’r weer uut-etrökken, de gaskabel lös-ehaald en toen weer verder op Den Haag an. Die aandere jonges gungen allemaol deur en de luitenant bleef bi’j oes. Die hef toen nog wat efrutseld an det geval zodet e nog wat harder kon, det ik kon meekomen. Det was ien de tied det d’oorlog op uutbreken stund.

Toen d’oorlog dan uutbrak was ik net 20 jaor. Op een donderdagmiddag mossen wi’j naor de Waalsdorpervlakte. Daor mossen wi’j schietoefeningen hollen, met de mitrailleur, karabijn en ’t pistool. D’r was ok een boerenzeune uut Arnhem vandaon, en hi’j en ikke, wi’j scheuten beiden goed. Hi’j had totaal ien puntie meer as ik, mar wi’j scheuten verreweg hoger as de rest. Wi’j mossen toen bi’j de luitenant komen en die zèè: ‘Jullie gaan voor de opleiding.’ Mar ja, het lukken niet. D’aandere mörn veulen de Duutsers Nederland binnen.

Wi’j waren ien de kazerne toen d’r een luchtanval kwam. Achter de poort stun ik op wacht. De kogels vleugen mi’j veur de voeten langs. De vliegtugen kwammen van de achterkaante anvliegen. Tegenaover oeze kazerne ha-j de Frederikkazerne en achter die kazerne ha-j een exercitieterrein. D’r was ok nog een gymnastieklokaal en ’t militair tehuus en daorachter ha-j de peerdestallen. En dan ’t frontgebouw, daor hadden ze net een verdieping bi’j op-ezet.






Bi’j die anval mossen de jonges van de peerdestallen vluchten en die mossen tussen de keuken en ’ t frontgebouw langs. Toen gooien een twiede vliegmesjiene ok ’n bom en die vul precies tussen die jonges ien. Nou wat daor lag, vreselijk, det vergeet ik van mien lêvensdagen niet meer. Op het exercitieterrein stun een flak-geschut en daormee hebt ze de beide Duutse vliegtugen uut de lucht escheuten.
Mar toen was ’t gebeurd, toen mossen wi’j de kazerne uut. Een entien verderop, op de hoek, ha-j flat Duinwijk. Die mensen hadden ze evacueerd vanwege de bombardementen en daor bin wi’j toen ien-ekomen.
Toen de moffen kwammen, namen die de kazerne ien beslag. Mien koffer stun nog op de kamer met van alles d’r op en d’r ien en die hadden ze ok al op hun wagens liggen. En toen zeg ik: “Mijn koffer!” “Kriegsbeute, wegwesen!” Ja nou, Kriegsbeute, klaor! Zo gung det.

Jan Wonder uut Dedemsvaort was bi’j oes an de ri’jvereniging an De Balk. Zien aolders hadden een boerderi’je an Dedemsvaort. Jan Wonder lag bi’j oes ien dienst, die was bi’j ’t peerdevolk. Zi’j sleupen ien de stallen baoven de peerde. Net toen de bommen uut de vliegtugen veulen springt hi’j uut de stallen weg, naor buten toe en wil aover de umheining springen. Krig e een brok stien op de kop en valt van die umheining aof. Later hebt ze ’m vunden en naor ’t Bronovo ziekenhuus ebracht. Daor heb ik ’m nog een keer op-ezöcht en toen was ’t eerste wat e zeg: “Hebt ze Parijs al veroverd?” “Nee, nog niet det ik wete.” “Nou, en dan gaot ze naor Engeland”, zeg e. Ik zeg: “Jan, daor koomt ze niet, det water is te diepe, jong.”

Wi’j lagen ien Den Haag, mar wi’j zaten ok vake op Scheveningen. Daor waren vissers die goeie schepen hadden, en die lui waren bange det de Duutsers, as ze naor Engeland wollen, die schepen vorderen zollen. Die hebt heur vrouw en kiender onderebracht bi’j de femilie en die wollen zelf naor Engeland tiedens de oorlog, det ze mar veilig an de aoverkaante ien Engeland zaten.
Mar toen bint d’r bi’j kamp Waalsdorp bi’j Wassenaar zo’n 300 Duutse parachutisten uut vliegmesjienes esprungen. Die waren ien ’n duunpanne gaon zitten en dachten det ze daor veilig waren. Mar de Nederlanders hadden ok mortieren. Da’s krombaangeschut, feitelijk niks meer as een piepe waor ie van de veurkaante een granaat ien gooien en as die op de bodem valt, dan krie-j: boem! en dan schöt e d’r uut. Dus die scheuten aover die bult hen en binnen de körtste keren hadden ze bi’j de Duutsers twintig dooien en toen kwamp de witte vlag; zi’j gaven heur aover.
’s Nachts hebt ze nog ien de motorloodse west waor as wi’j de motoren hadden staon. De aandere morgen gongen d’r zeuven bussen achter mekare op Scheveningen an. Det waren Duutse elitetroepen.

D’r waren Nederlandse soldaoten die ok met wollen naor Engeland. Det waren kopstukken die verder metvechten wollen. Die hebt met de vissers aoverlegd. De jonges die naor Engeland egaone bint, wörden later de Irenebrigade.
De Nederlanders hebt toen de Duutsers met-eneumen naor Engeland onder ’t mom van: Weg met det elitekorps, waren ze mooi uut de weg! ‘t Waren de enige Duutsers die daor an-ekomen bint en gevangen eneumen.

De Engelsen hadden langs de hele kust waor as ‘t gevaorlijk kon worden een systeem, net as ien Pernis, met aoveral van die grote benzinetanks met leidingen naor ‘t strand. As de Duutsers ien Engeland ekomen waren, dan hadden zi’j de hele kust ien de braand-esteuken. Det stun later wel ien de kraante, en ie heuren wel ies wat a-j militair bint.





Hendrik zien bewies van groot verlof op 6 juni 1940

Op 15 januari 1940 bin ’k op-ekomen en op 6 juni 1940 kreeg ik groot verlof. Ik bin dus mar een klein half jaor ien dienst ewest. Mar det hef wel een onuutwisbare indruk achterelaoten. ’t Pepier det ik ofzwaaien was ok geliek mien geleidebiljet veur ‘t Staatsspoor.

De annemers
Ik gung hier ien Ni’jlusen naor de kathechesatie, met de annemers, zo numen ze die toen, en toen ik ien militaire dienst kwam wörden bekend emaakt det wi’j daor ien Den Haag ien de Duinzichtkarke verder konnen met de cathechesatie. Toen heb wi’j dus daor geleufsbeliedenis aof-elegd. En later, dus nog veur de oorlog, hebt Derk Kleen Scholten en Jan Paasman en ik met ’n drieënd aoverlegd, wat doe wi’j? ’t Was toen de gewoonte da-j op zien paosbest veur de dag mossen komen. Dan koch ie een ni’j pak en zo. Mar, nou ja, wie weet hoe lang a-w nog ien dienst zollen zitten. Straks is oes det pak nog te nauw, a-w wat forser uutgreuit. Nou, oeze militaire kleding wörden mooi op-estreken en iene van de aolderlingen gong d’r veur uut en de dommeneer d’r achteran en daor kwammen drie soldaoten achteran marcheerd. De aanderen waren op Goeie Vri’jdag an-eneumen en op zundag worden wi’j bevestigd as lidmaot, umdet wi’j d’r niet waren op vri’jdag, umdet wi’j toen ien de kezerne waren. Wi’j bint dus bevestigd hier op Ni’jlusen.

OORLOGSTIED IEN NI’JLUSEN
Ien augustus 1943 dee ik ‘t melkersexamen. De koe moch ie niet zelf kiezen. Richting Hasselt he-j ‘t Körte Rakkien en daor ’n entien ‘t laand ien ha-j een boer, det was Knol, daor mossen wi’j hen melken, bi’j ’n vremde boer. De platies op ’t diploma liekt een schoelplate van Cornelis Jetses. Ik kreeg ’t melkersdiploma met ‘zeer goed’. Ik had ’n mesjesterse (van manchester ribstof) broek an en daor ha-k een aoveral aoverhen. De broek kwamp onder de aoveral uut en det moch niet. Mar ’t was ien d’oorlog en kleren ko-j haost nie kriegen. Det hef niks met ’t melken te maken, mar aanders dan ha-k ‘uitmuntend’ ehad.





David Talbott, piloot van de Engelse bommenwerper

Op 15 maart 1944, ’s middags effen nao de middag, heuren wi’j schieten. Wi’j naor buten, en toen kump daor achteran De Stouwe bi’j ‘t kanaal een vliegmesjiene naor beneden. Hi’j stiet ien de braand en brek ien tweeën. Vrogger wonen daor een Knol bi’jnao achter an de noordwestkaante van De Stouwe, tussen Schiphorst en d’aolde Knol op de hoek, zo’n betien tegenaover Hendrik Ganzeboer. En daor schuun achter Knol, op ’t laand, daor lag ‘t staartstuk later. Mar toen as ‘t staartstuk nog ien de lucht was, det wentelen zo aover de kop hen, en toen zeg ik ien iene: “D’r kump d’r nog iene uut!” En det was David Talbott. Op det moment was hi’j bewusteloos. Hi’j hef geluk had det die vliegmesjiene deurbrak, toen heb d’r schienbaar ien of aander uutsteeksel an ‘t metaal ezèten, en det hef zien parachute d’r uut etrökken. En daordeur is e veilig elaand. Hi’j kwamp an De Stouwe neer, zo’n betien tegenaover ‘t Pad, vlak bi’j Gait Jan Prins. Die stun met de verrekieker te kieken achter op ‘t laand. Aorend Jan Schuurman hef ‘m ok zien komen, die is naor de weg egaone, en Talbott was weer bi’j zien positieven ekomen, en die hef eziene det Schuurman ‘m wenken: zo, die kaante op, naor veurend.

An de Kringsloot stunden de restanten van ‘t verbraande huus van Jan Brouwer, en daor hef ‘m Aorend Jan Schuurman naor toe bracht. Toen hef hi’j Siebe Post op-ehaald en naor die piloot ebracht, umdet Siebe Post opleiding ehad had en goed Engels kennen. Samen bint ze toen ‘t wat schemerig wörden vanof de Kringsloot naor Jan Bijker elopen, daor nou Van Lenthe woont, ien de hoek van ‘t Oostende en De Stouwe. En toen ‘t donker was, heb ze ‘m naor Meuleman ebracht.

Aorend Jan Schuurman en meester Van Aarts stunnen ien contact met de verzetgroep uut Meppel, en daor heb ze hen ebeld, en toen heb ze ‘m ’s aovens een keer ophaald, op de fietse naor Meppel toe. Hoe ‘t hef kunnen gebeuren det weten wi’j nog nooit, mar ze hebt ‘m op de trein ezet naor Amsterdam. Wat mos die man ien Amsterdam? Gelukkig hebt de lui van de ondergrondse ‘m daor op-evangen. Die hebt ‘m ok weer op de trein ezet: Arnhem-Maastricht. Onderweg stopt de trein nog ’n keer, komt d’r twie Duutsers de trein ien. Hi’j zit ’n betien te slaopen, giet d’r ’n Duutser vlak naost ‘m zitten. Twie haltes verder stapt die beide Duutse soldaoten weer uut. Was een gelukkie bi’j ‘n ongelukkie!
Toen kump hi’j an ien Maastricht, en daor hebt ze ’m via de Sint Pietersberg naor België ebracht. Daor treft hi’j een aandere piloot en toen bint ze samen wieder egaone.
De piloot die e daor bi’j em hef is van ’n bult aof-estrompeld en die brek zien bien (been)! Ja, daor stao-j dan, wat mu-j? Kump er ’n echtpaar anlopen met ’n paar kiender, en David denkt: ik zal ‘t toch mar proberen. ’t Was ’n onderwiezer die ok Engels sprak, en toen vertelt e det zien maot ’t bien ebreuken hef. De onderwiezer zeg: “We zijn hier vlak bij ’t klooster, daar ga ik wel even heen.” Een paar zusters van ’t klooster hebt ‘m





opehaald op ’n brancard. Die piloot hef daor d’oorlog deurebracht, ien ’t klooster bi’j de zusters.
David Talbott mos deur de linies van de Duutsers hen um ien Parijs te komen bi’j de Amerikanen. Die waren daor toen al, en toen kump e daor ok ien anraking met de Belgische ondergrondse. Die zèden: “Er komen vanavond dranksmokkelaars, die weten de weg door de Duitse linies heen en die nemen je mee.” Toen is e dan an-ekomen ien Parijs. Ze wollen daor niet geleuven det hi’j Amerikaan was, zi’j dachten det e ’n spion was. Ze hebt ‘m wel een paar uur ondervraogd, en toen hebt ze Engeland op-ebeld of e daor bekend was. En ja, daor kennen ze ‘m wel. As RAF piloot, as Amerikaan, mar zi’j vleugen vanuut Engeland. En ja, toen geleuven ze ’t dan, en toen hebt ze ‘m op ‘t vliegtuug ezet naor Engeland toe.
Hi’j was luitenant-vlieger, en toen as e ien Engeland kwam, lagen de pepieren klaor, en toen was e kapitein. Hi’j hoeven niet weer te vliegen, en is naor huus egaone. Daor hef ‘m Siebe Post nog ’n keer op-ezöcht ien Maryland.


V.l.n.r. David Talbott - de piloot, Jan Schuurman, zien vader had d’r veur ezörgd det David een veilig onderkomen kreeg, Siebe Post - de onderduker en Hendrik Schoemaker.

Zo argens ien 1985 hef David Talbott hier nog es weer ewest, en toen hef hi’j ’n dag bi’j Derk Meuleman ewest. Op de foto stiet David Talbott naost Jan Schuurman, en daornaost Siebe Post, die onderduker was bi’j Hendrik Jan Meuleman. Jan Schuurman zien va, Aorend Jan, was ien 1985 al aoverleden.

’t Is nou alweer heel wat jaor eleden toen belt mi’j Siebe Post op: “David Talbott is overleden, kort voor de kerstdagen (ien 1997). Komt ie uit de vliegmachine vliegen”, zeg Siebe Post, “aan de parachute, is ie bewusteloos, en komt levend op de grond. Daar valt ie uit de appelboom die ie aan ’t snoeien is, breekt de heup en met twee dagen is ie overleden.”






Effen nao Ni’jjaor krieg ik ’n rouwbrief: Siebe Post aoverleden. Vlak nao mekare. Ze waren een paar jaor jonger as ik. Zo kan ’t gaon! Siebe Post is aoverleden op 3 januaori 1998. Hi’j was geboren ien Leeuwarden op 14 mei 1923, hi’j leut iene dochter achter. Hi’j had ok nog een zuster. Siebe Post zien vrouw was Maria Gijtenbeek. Die kwamp uut Brabant. Zi’j was as meisien ien de hongerwinter as evacué ien huus bi’j Jans Hekman, an ‘t Oostende.


Meuleman zien huus
Dit is Meuleman zien huus an ‘t Pad. ‘t Is ebouwd ien 1921, mar disse foto is van rond 1985, toen David Talbott hier op bezuuk was. Derk stiet achter ‘t raam, en de kamer an de linkerkaante van ‘t huus was Hendrik Jan Meuleman zien kamer, det was de vader van Hendrik Meuleman, de grofva van Derk Meuleman. D’r zatten toen twie gezinnen ien.

De ondergang van ‘t vliegtuug
David Talbott, iene van de twie piloten, kwamp dus uut ‘t staartstuk van de vliegmesjiene an De Stouwe. De aandere bemanningsleden waren d’r al uutesprungen. D’r was d’r al iene bi’j Coeverden uut, die waren ze lange tied kwiet. ‘t Vliegtuug was al eerder bescheuten tiedens de vlucht, daorumme vleug ‘t ok niet zo hoge. De Duutse piloot had ‘t wel goed bekeken, die is ‘m veurbi’j evleugen, richting de zunne, en toen van de zunne aof, toen had hi’j d’r goed zicht op.

Tiedelijke graven van Moriarty en Goldman op begraafplaats ien Ni’jlusen

De Engelse piloten konnen hem niet zien, umdet ze tegen de zunne ien keken. En toen hef et vliegtuug de volle laoge nog een keer ekregen, en is e uut mekaar esprungen en naor beneden ekomen. De beide piloten die d’r veurien zaten bint verongelukt. Ik mene det ze met zo’n man of tien ien zukke vliegtugen zaten. Sowieso twee piloten, dan een navigator, iene schutter veurien de neuze, een buikschutter, die hung d’r onderan, een rugschutter en een staartschutter. Dan nog een technische man, en meugelijk wel meer. Van David Talbott wee-k natuurlijk zeker det die ‘t aoverleefd hef. En onderweg had hi’j al ‘t bevel egeven: “Springen!” En een aantal bemanningsleden waren d’r al uutesprungen. Toen ze nog baoven Duutsland waren, waren ze dus al an-escheuten. De vlieger die d’r bi’j Coeverden uut-esprungen was, die missen ze later. Ze wussen niet waor die ebleven was, mar de Duutsers hadden ‘m gevangen eneumen en met-eneumen naor ‘t kamp toe. Later





kwam hi’j wel weer teveurschien, hi’j hef ‘t dus ook aoverleefd.
De twee piloten die met de vliegmesjiene verongelukt bint, hebt hier nog tiedelijk begraven ewest op ‘t karkhof ien Ni’jlusen. Toen hebben wi’j een krans emaakt van dennentakken en ’n paar linten d’r an, en daor hebben we een kaarte bi’j emaakt, en daor op eschreven ien ’t Engels: “Fallen for Liberty”, en die hebt wi’j op det graf elegd. Van Arkel, de NSB-burgemeester, ien alle staten. Hendrik Mijnheer, die was hier wegwarker, die worden d’r onmiddellijk hen estuurd, die mos de linten derekt weghalen.





Een vliegtuugmotor

15 maart 1944 Brokstukken van de Amerikaanse bommenwerper X B-24H Liberator My Ass’Am Dragon, nummer 42.52332LZ, gecrasht an De Stouwe

Op de hoek van de Weemerveldweg en de parallelweg, net aover ‘t kanaal bi’j De Stouwe, he-j De Weerd wonen, en daorveur was ‘t Klunder. Tussen de schure en ’t huus is de cockpit neerekomen. Net precies - boems - op de straote tussen ‘t huus en de schure. Wat hebt die van De Weerd ’n geluk had! En vedder is de mesjiene an stukken uut mekare eslagen. ‘t Staartstuk lag an De Stouwe bi’j Knol achter ien ’t laand. Daor bin ik op een zundagmiddag hen kieken ewest. Toen zaten d’r Duutsers bi’j. Die hadden op een hafuit (een speciale wagen) een mitrailleur staon. Ik denke: blikskater! Ik keke ien ‘t ronde, ja, d’r lagen nog meer mitrailleurs. Nou hadden de Duutsers een wachtpost op-esteld bi’j Knol zien huus, die leup tussen de schure en ‘t huus hen en weer. Dus wi’j mossen veurzichtig te wark gaon. Op een aovend bint mien breur Rinus en ik d’r dwars deur ‘t laand hen egaone. Rinus die mos opletten op die wachtpost. En toen die soldaot de aandere kaante weer op leup, toen wi’j naor ‘t staartstuk, en daor lagen nog wel veule meer mitrailleurs. De miesten daor was ‘t deksel van aof. D’r lag d’r nog iene, daor zat ‘t deksel nog wel op. Ik zegge: “Pak op det ding!” Baanden met munitie lagen verspreid aover ‘t laand en wi’j met grote gordels met patronen um, met det dink op huus an. Mar die loop was kroem. D’r zat een mantel umhen, en veuran zat ok nog weer een keuperen stuk. Toen he-k die mantel voort achter det keuperen stuk of-ezaagd, en kon ik det veurste stuk d’r aof kriegen. ‘t Achterste was toen zo roem, ik kon die loop d’r uut kriegen. Wi’j hadden een sturtkaore, veurop de boom daor zit een kram op en daor he-k die loop tussen ezet. Toen met de bochte naor baoven en met de biele houwen zo hard a-k konne, en ik kreeg ‘m recht!
Wi’j hadden een hol onder ‘t heui, daor he-k det ding met naortoe eneumen. Toen ha-k alleend een lege hulze, de kogel d’r uut, ‘t kruut d’r uut. Alleend ‘t slaghoetien. ’t Geluud kon daor niet weg. Jonge, det gaf een klap daoronder, allerverschrikkelijkst! Mar hi’j deed ‘t wel. Toen he-k ‘t keuperen geleidestuk d’r weer ien ezet, det he-k weer vastemaakt an det aandere. Alleend ontbrak nog de klauwe die ‘t petroon uut die gordel halen, en det ‘t petroon d’r dan weer ien vleug. Toen he-k van een pedaal van een fietse





een ni’je haoke maakt, det he-k d’r eerst provisorisch an-ezet, en kieken. Ik trökke det dink an, en ja heur, hi’j halen ‘t petroon d’r met uut. Nou, det stuk waor e an mos d’r weer of-ehaald en d’r met naor Pinksterhuus, de automonteur. Ik zegge: “Kö-j mi’j dit hier an lassen?” “Waor is dit toch een ding van?” zeg e. Ik zegge: “Van een dorsmesjiene.” “Ja,” zeg e, “det denk ik wel, det det van een dorsmesjiene is. Mar ik las ‘m wel effen, kump wel goed.” Nou ja, toen he-k ‘m d’r an-ezet, en he-k ‘m nog weer probeerd. En hi’j dee ‘t!

Jan Mannen, Jos Bovanie en de vliegmesjienemitrailleur
Jos Bovanie, op Staphorst, was zelf pelisie, mar hi’j hef een distributiekantoor aovervallen. En det zinde de Duutsers natuurlijk niet. Toen ze deurkregen det hi’j det was, hef e zien eigen signalement op-egeven an de Duutsers. Hi’j zeg tegen zien maoten: “Nou begriep ie ‘t zeker wel, nou bin-k vut!” Toen is e onder-edeuken en hef hi’j de verzetploeg op Staphorst op-ericht.
Det ik die mitrailleur had, det wörden hi’j gewaar via Jan Mannen. Jan Mannen is later mien zwaoger ewörden. Toen mos hi’j – Jos Bovanie - die mitrailleur hebben. Zo mar op ’n middag kump d’r opiens een auto an. De buren kieken!
“Goh jongens, wat nou, ie brengt mi’j ien verlegenheid.” “Wi’j hebt een Ausweis bi’j oes, en as det niet helpt,” hi’j trök zo een pistool veur de dag, “dit helpt altied, dan knallen wi’j ‘m zo veur de kop!” Zi’j hebt de mitrailleur mee-eneumen. Ze hadden ’n vrachtwagen met zo’n cabine veurop en een platte laadbak. Op de wagen hebt ze een soort fundement emaakt, zeg mar, daor kon die mitrailleur op staon.
Toen kreeg ik bericht: op donderdagaovend mos ik mi’j klaor hollen, dan wollen ze de wachtpost van de Duutsers op Staphorst aovervallen. Zi’j wollen met die auto deur de deure hen vliegen, en dan mos ik met die mitrailleur schieten, ik hoeven niet raak te schieten, as ik mar lewaai maken. “Schiet mar ien de grond, det die Duutsers schrikt, dan weet ze niet zo gauw wat ze wilt”, en dan zollen de jongens d’r uut vliegen, ok met stenguns enzovoort, en die Duutsers aoverbluffen, en die de waopens aofhalen. Det was de bedoeling.
Zi’j zaten achter ien de Staatsbos vlak bi’j de spoorliende. D’r kump een Duutse auto an, umdet een aandere Duutse auto kepot was, en de chauffeur giet hulp halen. Hi’j giet naor waor die jongens zit. “Nou ja, dan helpen wi’j wel effen”, zeg Bovanie. Zi’j bint d’r mooi mee hen egaone, Bovani pakt zien pistool en die scheut die officier dood. Later bint d’r dan de SS-ers ewest, mar toen waren de jongens al weg, met achterlaoting van de auto en de hele boel, en die mitrailleur hadden ze rap ien de grond estopt. Ze hebt die d’r later ok nog weer uutehaald. Det was net op die aovend det wi’j naor Staphorst zollen um die post te aovervallen. Nou, det gung niet deur, en daor was ik niet rouwig om.

Hiemstra zien ieskelder (ijskelder)
Bi’j Hiemstra he-j een ieskelder ien de hoeke van ‘t arf. Een ieskelder wörden gebruukt veurdet d’r koelkasten waren. As ‘t ’s winters evreuren had, dan halen ze ies - as ‘t nog schone was - naor de ieskelder. A-j dan spul had det bewaard mos wörden, dan deden ze det ien de ieskelder. ’t Ies zat d’r ien de zomer nog ien, zo’n dikke deure zat d’r veur. En d’r aoverhen was ‘t emetseld, en dan nog een hele laoge zaand d’r aoverhen zodet de zunne d’r gien vat op kreeg, en dan strukies d’r baovenop.
Hiemstra wol graag hebben det d’r een peerd ien-ereden werd, um ’t te verstoppen. Ik was toen an de riejvereniging an Balkbrug, en zodoende kwam ik nog wel een keer bi’j Hiemstra, en die hef mi’j toen de ieskelder laoten zien. Die was emaakt deur lui van ’t gesticht, van d’Ommerschans.


Hiemstra zien ieskelder uut 1819. Nou zit d’r vleermoezen ien.


Spek en vleis ien de wiemel

Spek uut de wiemel
Wi’j hadden as wi’j eslacht hadden niet zoveule vleis ien weckflessen ien de kelder. Bi’j oes thuus höngen ze ‘t an de zolder ien de wiemel. Oom Hendrik en tante Margien wonen an Sluus 3, en dan ha-j daor de kachel, zeg mar, en daor höng ‘t spul ien de wiemel, en dan wol oom Hendrik altied an disse kaante van de taofel zitten, en as e dan an ‘t èten was, dan kon e zo een stuk spek uut de wiemel snieden. Zie, det was nog weer lekkerder, hè.


‘t Onderdukersloek ien Meuleman zien huus
Achter ’t loek baoven de baanderdeure – die deure zit d’r nou dus niet meer - heb ik ok wel eslaopen. Daor hadden ze de koenen staon en daor was een hilde baoven. Op de hilde lag een klein leddertien. Det ko-j d’r aof trekken, dan zetten ie det op de grond en dan ko-j de hilde op klimmen. Onder de planken ha-j een bos stro, een stuk of zes bossen an mekare ebunnen. Die ko-j d’r uut trekken, dan klum ie d’r ien, met zo’n ganggien naor baoven, en dan trök ie die dikke bos stro d’r weer ien. A-j op de hilde waren, ko-j niet zien det d’r wat baoven was. Alle truken mos ie uut de kaaste halen!

Onderdukers bi’j Meuleman

‘t Onderdoekersloek baoven de achterdeure, baoven ien de nok sleup Siebe Post dan.

Ik bin ien d’oorlog wel bi’j Meuleman thuus ewest met Siebe Post, de onderduker uut Leeuwarden. Die is eerst bi’j Hiemstra ekomen ien d’Ommerschans, dat is een boerderi’je die eerder van ’t gesticht was. Daornao is hi’j ien de Kolonie ekomen, an de kaante van de Zuderweg. En daornao kwamp e bi’j Meuleman ien huus. Met Siebe Post heb ik veule op-etrökken.
‘t Verbaast mi’j niks det alle mensen hier ien de buurte wussen det bi’j Meuleman onderdukers waren. Siebe Post kwamp soms midden aoverdag nog bi’j mi’j anlopen. Ik was ok klompenmaker ien d’oorlog, en dan was ik ien ‘t klompenschuurtie. Daor kwamp Siebe dan bi’j mi’j zitten, det ik an ‘t klompenmaken was. Meuleman was niet bi’j ‘t





roekeloze of, det niet. Ie konnen ‘m van alles vertellen, hi’j was potdicht, hi’j zol nooit iets deurvertellen. Bi’j Hendrik Jan Meuleman heb ik ok nog naor de zundagschoele west. Hi’j was zundagschoelleraar. Det was ien die tied ien ‘t leerlokaal ien de pastorie van de Grote Karke an d’Ommerdiek

NSB-ers ien huus
Hendrik Meuleman was dus niet zo benauwd. Ien ’t veurjaor wörden ‘t stro van de zolder egooid, die mos schoon-emaakt worden. Zi’j hadden daor een schaapskooi staon, en achter de schaapskooi hadden ze een grote stromiete maakt, met achterien een schuulplaatse daor as Siebe Post kon slaopen. Op ’n nacht toen kump de heren Jan Hagel, met de geweren. En die bint niet an Siebe zien kaante begunnen te trekken, mar an d’aandere kaante van die strobossen. Later he-w d’r bi’j ewest te kieken: as ze nog twee bossen d’r uutehaald hadden, dan hadden ze Siebe Post zien plek evunnen.

Achterien huus was d’r toen nog een baanderdeure. Meuleman heuren volk achter ‘t huus lopen, en toen zeg hi’j tegen Eef: “As ik zegge van ‘ja’, dan druk ie ‘t licht op.” Met toen as hi’j det volk achter ‘t huus weer heurt, gooit ie de deure lös: “Ik heb oe wel eziene, mannen!” En daor gungen ze hen, op de fietse. Weg waren ze! ‘t Waren allemaole mannen hier uut de buurte, NSB-ers. En nog een mooi veurval. Eef is ien de kamer, Siebe Post ok, en d’aolde vrouw Meuleman. Eef kiekt ‘t raam uut, en zi’j ziet daor bi’j Aorend Jan de Boer zwartjakken ankommen. “Kom hier!” zeg zi’j tegen Siebe Post, trekt de beddesteedeuren lös, onder ‘t schudbedde, grootmoeder d’r bi’j ien, en toen de beddedeuren dichte. Koomt die lui ien huus, zii’j mossen de onderduker ophalen. “Ja,” zeg Eef, “mar wi’j hebt gien onderduker.” “Hier is een onderduker!” Nou, toen komt ze aoveral te zuken, ok ien de kamer. Trekt de beddesteedeuren lös, en toen gillen ‘t aolde mense: “Oh, oh, oh oh!” “Stil mar aolde, wi’j doet oe niks.” Wi’j stakken later Siebe Post de gek an: “Ieje, ie kroept bi’j een aold mense ien de beddestee.”

‘t Kan ook wel ies fout lopen

v.l.n.r. De vrouw van Siebe Post, Siebe Post, David Talbott, en de vrouw van David Talbott ien 1985, bi’j de achterdeure van Meuleman

Wi’j kregen ’n keer ’n oproep: wi’j mossen bi’j Jan Snorrewind wèèn an de Meele, det is an de Jan Heereweg, daor kwam wi’j altijd samen. Jan Snorrewind wonen daor samen met zien moe. Mossen wi’j um 9 uur een stuk spoorlijn lösleggen, want d’r kwam ’n Duutse vrachttrein en die moch niet verder. Ie hebt verbindingsstukken ien de rails, die platen die haal ie d’r tegen weg, dan schroef ie een paar bolten lös en trek ie de rails iets naor buten toe, dan vlög d’r de trein uut. Mar Jan Snorrewind en ik, wi’j zit ien ’t warkhusien, wi’j haalt wat gereedschappen d’r uut, wi’j hadden veur en achter een jonge neerezet veur uutkiek. Die iene die fluit, mar wi’j wussen niet van welke kaante. Jan Snorrewind die klimp deur ‘t raampie naor buten toe, ik ok, en hi’j vlög dwars deur de spoorsloot hen. Ik denke, ja, ik wus ok niet welke kaante ik op mos, en Siebe Post die





stun d’r ok nog. De spoordiek was ’n stuk hoger en daor binne wi’j helemaol onderien, ien de wal gaon liggen, plat. En toen heuren wi’j ze veur oes langs stappen. Later bleek det ‘t Oostenriekers waren, ien Duutse dienst. As ze oes ezien hadden, dan hadden ze oes zo kapot escheuten. ’n Stuk of achte leupen d’r veur oes langs, dus det gung goed. Wat bleek nou? Wi’j mossen det um 9 uur doen. En laot nou ’n ploeg uut Zwolle, an de Ni’je Diek, die brug d’r uut springen um 8 uur, nou, toen waren die Duutsers ewaarschouwd... zo fout kon ’t gaon.

Jan Mannen en de zender ien Meppel
Ien Meppel hadden ze ’n zender, daor stunden ze met ien contact met Engeland. Waor precies ien Meppel, det weet ik niet, ik ben nooit bi’j die lui ewest. Mien latere zwaoger Jan Mannen wel, die had ok contact met de jonges van Staphorst. Mar hi’j was eerder onderduker as ik, hi’j warken op de IJsselcentrale. Daor mossen ze zoveule jonges leveren die naor Duutsland hen warken mossen. Mar det wol ie niet, dus hi’j duukt onder. Toen hef e ’n valse Ausweis ekregen.
’n Keer bi’j Derk Jan Schoemaker ien ’t Westende, kump Jan met Piet Jongejans uut ’t Westende fietsen, en de Duutsers holt heur an: “Ausweis!” Jan Mannen en Piet hadden radio-onderdelen, want zi’j hadden bi’j boeren de radio’s emaakt. Jan die denkt, ik mut die lui an de praot zien te hollen. En hi’j mar redeneren, en hi’j leut zien Ausweis zien. Det was een valse, en toen vreugen ze ‘m, toen e bi’j de Ortscommandant was, welke deure as e dan ien mos. Toen zeg e: “Det weet ik niet, want oeze chef die hef oeze Ausweisen mee eneumen, allemaole, en die hef ze oes later weeregeven.” En ien die tied hef Piet Jongejans kans eziene um achteruut ‘t laand ien te vliegen. Het had esneid, en hi’j had ’n witte jasse an, en toen was hi’j muuilijk te zien. Iniens kregen ze deur det Piet Jongejans d’r vandeur was. Nou, die beide moffen d’r achteran: “Schiessen, schiessen, schiessen!”, zeg die ene kerel, det heuren Jan ze nog schreeuwen. En toen zi’j achter Piet an waren, Jan op de fietse, Piet zien fietse met, toen hef hi’j de tasse met onderdelen bi’j de hond ien ‘t hokke gooid, en Jan is naor zien grofva egaone. Piet hef daor argens bi’j ’n boer ien ’t veld ezèten, en die heb ze ’s aovens weer ophaald.

Niet spitten mar slachten
Ien de oorlog mossen wi’j hen spitten naor Hasselt, mar daor gong ik niet hen. Ik kreeg van Van Arkel, det was de toenmaolige NSB-burgemeester, bericht det ik op maondag, woensdag en vri’jdag daorhen mos. Mar ik gonge niet. Det was net ien ‘t jaor det Willem Westerman, de huusslachter, bi’j oes een varken kwam slachten. Hi’j zeg: “Hendrik, bi-j druk?” Ik zegge: “Nee, ’t is winter.” Hi’j zeg: “Jonge, ie mos mi’j helpen slachten.” Nou, toen bin ik met ‘m hen slachten ewest èven later.

Klaas Bijker van ’t Pad - van Hennie Bijker - was twee jaor aolder as ik. Klaas was bi’j de lichte artillerie – det waren de kanonnen bi’j de cavallerie. Hi’j was mien kammeraod, en met Harm Roze gungen wi’j samen naor de ri’jvereniging op de Balk. Klaas gong wel hen spitten naor Hasselt ien d’oorlog. Gerrigien Dijk, det was de vrouw van Klaas Bijker, Klaas zien moeder, die hield de weg van de minste weerstand an, die wol niks uutlokken. As de Duutsers beveelt da-j hen mut, dan gaot mar, dan he-j de minste kans de-j gevaor loopt. En Klaas die zegt: “Wi’j hebt daor een schik! Wi’j doet een touw onderan de schuppe, en de iene die holt de schuppe een betien vast, en dan de aander die trekt an ‘t touw um er die plagge aof te kriegen.” ’t Gong die Duutsers d’r niet umme wat die lui daor deden! Det was gewoon schijn. De lui die kwamen die waren gehoorzaam an de Duutsers, mar die niet kwamen, die veulen d’r uut.





Hendrik Prins was toen locoburgemeester, die gaf vri’jstelling van de fietse, as ik de straot op gonge dan mos ik ’t Ausweis metnemen. Ze dachen: nou hef hi’j ’n Ausweis, nou kump e teveurschien. Dezelde aovend of ’n aovend later toen stiet d’r een aoverval-wagen veur ’t gemientehuus, en toen hopen ze d’r op det ik met die pepieren de weg op gonge. Mi’j ien de krage griepen, hupsee, de bak ien, mar ik gonge de weg niet op. ‘t Lag d’r baovenop, det begreep ik al wel. Daorumme was ‘t zo makkelijk en zo mooi da-k met Willem Westerman hen slachten gong, dan wa-k nooit thuus. Ik mosse dan wel de weg op, mar ’t slachten was meer ien de Vinkenbuurte en op de Maot enzovoort.
Willem Westerman wonen an de Meele zo’n betien tegenaover de eerste schoele, hi’j leeft al niet meer. Ik heb ok wel allent eslacht, mar ien jaor heb ik met ’m mee ewest, daorna hebben wi’j de boel verdield, ik meer ien de Vinkenbuurte, hi’j op de Meele.

De Franse parachutisten
Kört veur de bevri’jding, op 8 april 1945, toen waren de Canadezen bi’j Coevorden en Jos Bovanie zat met zien ploeg daor ien ‘t Staphorsterveld op ‘t Schot. En of die um versterking evraogd had, det weet ik niet, mar ien elk geval, d’r kump een hele zwik Franse parachutisten.

De kruisen veur de Franse parachutisten an de Domineesakker

Waor de notariswoning is, daor wonen Jan de Lange met Henderkien Mannen, det waren ok weer een oom en tante van mien vrouw, en daor achter det huus bint die parachutisten elaand. Van der Heer, die was pelisie, die is d’r voort hen-egaone, en hi’j hef de spullen van die lui bewaakt, det d’r de buren niet met vandeur gongen, want de spullen wörden later nao-ebracht. Die lui bint naor de Staatsbos ebracht. An een ziedweg van de Schaopendiek, an de Domineesakker, wonen een Duutsgezinde boer. D’r stiet nou nog een monementien an de weg bi’j die boerderi’je. Iene van die jonges van Bovanie zien groep reed met een Fransman achterop de motor die weg op en stopt toevallig veur die boerderi’je. En toen schöt die boer uut de boerderi’je die beide jonges dood. Die Fransman had ok nog een tweelingbroer, die was daor niet bi’j, mar wel ien ’t Staatsbos. En toen is de groep van Jos Bovanie met de hele groep d’r hen egaone en hebt ze de die boer zo baoven uut ‘t huus escheuten.

Armoede
Klaas Kooiker vertellen det d’r hier ok es een man uut Rotterdam ewest hef, ien 2006 nog. Die vreug naor ’t Pad, det was waorschienlijk een evacué uut d’oorlog. Iedere trekker (iemand die kwaam vraogen um èten) die an de deure kwamp die kreeg ien of twie kilo rogge. Ie konnen niet alles weggeven. D’r waren ien die tied best veule mensen die veur de NSB hadden ekeuzen. ‘t Was pure armoede, veur iederiene. Bi’j de pelisie ien Kampen waren d’r ok nogal wat NSB-ers. Ik kan mi’j d’r wel wat bi’j veurstellen; ‘t waren bezundere crisisjaoren ien die dartiger jaoren, hiel arg.

Toen as wi’j daor met de groep uut Ni’jlusen ankwammen ien Kampen ankwammen, een dag veur de Canadezen, toen waren al die pelisies evlucht. Ien 1995 bin wi’j met oeze groep nog uut-eneudigd veur de herdenking van 50 jaor bevri’jding van Kampen en Ijsselmuiden.





VERZETGROEP BEVRIJDERS KAMPEN:

Ze staan hier voor de school te Wilsum, waar ze eind WO II drie weken onderdak hadden. Foto 1995

Bovenste rij v.l.n.r.: Hendrik Schoemaker, Gerrit Groen, Hendrik Klein, Jan Mannen, Jannes Groen, politie van Staphorst, ... Siccama/Sikkema, Siebe Post
Onderste rij v.l.n.r.: Jan Klein, Henk Brassien, Albert Klein


Mensen uut ‘t westen die kwammen hier ien de Staatsbos warken, zi’j hebt met krulewagen en schuppe de viever egraven. Zi’j verdienen zeuven gullen per weke. Det konnen ze hier besteden umdet ze ien de kost mossen bi’j iemand. Mar heur gezin kreeg ok zeuven gullen. En jonges van Ni’jlusen die hier wonen en bi’j heur aolders ien huus waren kregen ok zeuven gullen, umdet ze nog thuus wonen. Det was niet eerlijk.
Ik bin nog een keer met mien vaar d’r hen ewest, det ze daor an ‘t spitten waren. Lange kruulplaanken met een stuk of acht man achter mekare, de krulewagen vol spitten en huup, daor gungen ze hen. En baovenan kiepen ze ‘m umme. Hebt ze allemaol verschillende bulten emaakt.
Daor was ok een schuulkeet. As ‘t regende dan konnen ze daor ien gaon zitten. En daor stun een spreuk ien: Mijn rug is krom, mijn schop is glad, mijn klomp is op de draad versleten. Pure armoed!
‘t Heideveld De Zeuven Heuvelen is oorspronkelijk, en niet neerekiept deur die arbeiders. Op det heideveld bint ok de waopens edropt.

Klompen maken

Zelfgemaakte klompen

Een keer toen ik de koenen uut ’t koelaand mos halen, ha-k klompen an die knepen, umdet ze te smal waren. De voeten deden mi’j zo zeer det toen a-k d’r weer was, ik ze uutetrökken heb en ze tegen de mure kapot egooid heb. Toen he-k van buurman Jan Brouwer een peppelboom ekocht en die hebben we op zaoterdagmörn - dan ha-j ‘t minste controle ien d’oorlog - um-eslagen en daor he-k klompen uut emaakt. Eerst krie-j de balle van de voet en dan krie-j iets een verhoging, um ien de klompen te stappen. D’r kwamp d’r iene een keer bi’j oes ien huus en die zeg: “Een neve van mi’j, die woont ien Den Hulst, die hef nog klompenmakersgereedschop.” Det he-k toen direkt ophaald. Die man was al aolder en wol ‘t niet meer doen. Bin we daor een keer an ‘t heuien achter ien ’t laand aover de weg, kump Jannes Kragt, as altied, aover de sloot springen en een praotien maken. “Hendrik,





die klompen die a-j daor an hebt, he-j die zelf emaakt?” “Ja.” “Mag ik die wel es effen bekieken?” “Jaowel.” Hi’j kik d’r ien: “Ik mut oe vertellen da-j de balle van de voet d’r goed ien hebt zitten.” Det was een mooi komplement.

Huusslachter
Vandage stun ien de kraante: Peerde wordt hier praktisch niet eslacht. Gien mense wil hier peerdevleis ebben. Die peerde gaot naor België. Daor wordt d’r 100 per dag eslacht en onder de name van runderbiefstuk en al wat meer komt ze hier ien de schappen te liggen. Ien ’t gehakt wordt ’t ok wel verwarkt. Schaopevleis wille wi’j hier ok haost niet èten. Vrogger was ’t ok al wel de gewoonte det d’r soms een schaop eslacht wörden. Mien grofva zèè toen al: “A-j ien ’t vleis biet, dan is ’t net a-j ’m ien de wolle biet.” Niet echt strak vleis of zo. Ik heb ienmaol van mien lèven een schaop eslacht, bi’j Arend Jan Schuurman. Det was diezelde Arend Jan Schuurman die ien d’oorlog de piloot an De Stouwe ehölpen hef. Hi’j had een schaop ekocht en nou ja, ik was dan huusslachter en hi’j vreug mi’j: “Wil ie ’m wel slachten?” Zi’j zèèn altied: Een schaop det kik oe zo meewarig an. Mar ik druk ’m de kop zo onder ’n aarm det e mi’j niet ankik, ’t mes d’r deur, baoven ’t anrecht, ’t bloed det stelpen zo ’t anrecht ien. ’t Was mar èven, toen was e dood.

d’ Eerste keer as huusslachter was bi’j die lui daor op De Meele ien d’oorlog, toen Willem Westerman met ’n varken bezig was. D’r mossen d’r twie eslacht wörren. “Nou Hendrik,” zeg Kouwen, ’k geleuf det die ’t was, “wi’j haalt die aandere op. Die pakke wi’j an.” Det was de eerste keer det ik een varken stikken mos. Westerman die meuk ’m eerst de strotte wat schone en stak ‘m dood.

Schietmasker van Klaas van Dorsten

A-k nou weer slachten mos dan wol ik een schietmasker hebben. Mar ik deed ’t later wel aanders. Ik had een kilo’s-hamer en det was ofdoende. As ik een varken had, zo’n hendig varken, dan krouwelen ik ’m wat an de kop en dan had ik die kilo’s-hamer en dan: bam! Ik gaf ’m een goeie tik veur de kop en hi’j lag. Det was net zo goed as schieten.


Roggemeulentie
Ien de oorlog hadden wi’j èten neudig en op een boerderi’je waar ie zowat zelfveurzienend. Ie hadden rogge, haver, eerpels, en ie hadden gruunte ien de tuun, bonen en wörtels en vleis, det ha-j. En wi’j hadden een roggemeulentie um de rogge zelf te malen.






’t Was net met de bevri’jding. Wi’j hadden een motte ien ’t varkenhokke zitten veur de slacht. Mar det slachten mos ie anvraogen. En dan was ’t ok nog zo da-j mar zoveule veur oezelf mochen hollen en de rest mos ie ienleveren. Ik had een grote Lee Enfield, zo’n Engels geweer, van de Canadezen. En op een zaoterdagmörgen toen mos ’t dan mar gebeuren. De boel klaor elegd en aover de mure van ’t varkenhok henne: bams! Ik schiete det varken een kogel ien de kop. Hi’j had later de kogel achter ien de bille zitten. Hi’j kiepen onderstebaoven. Ik heb metiene ’t geweer ien de hoeke neerezet, spronge ’t hokke ien, mes d’r ien, ’t bloed d’r aof. Kree-w gien bloedworst, mar goed, daor gung ’t dan dit keer niet umme.
As eerder een koe kalven, dan ha-j zo’n bannegien, det ko-j aover de gruupe zetten met twie regels d’r onder. Det dee-j dan zo det de gruupe dichte was, hè. Dan ko-j ’t kalf d’r aoverhen bi’j de koe vandaon pakken. Det bannegien heb wi’j ophaald en daor he-w ’t varken op-elegd en toen naor ’t bakhuus etrökken. Ien ’t bakhuus ha-w de fenuuspot al klaor staon. Hiet water en toen verder of-emaakt en later op de ledder ehangen.

Bannegien aover de gruupe

Ik heb nog een trechtertien, een worsthoorn. Die schoef ie op de varkensdarm. Dan kump er een holten penne veur ‘t aandere ende van de darm en dan vul ie zo de darm met gehakt vleis en dan he-j een verse worst. As huusslachter heb ik det natuurlijk ok edaone, mar de boerinnen deeën det vrogger zelf op de boerderi’je as ze eslacht hadden.

Ik heb ok wel kalver eslacht, koenen niet, en kippen wel natuurlijk. As d’r een kippe eslacht mos worden, dan: pfff! Ik scheut ’m zo van ’t arf. Ik had veur ’t kipslachten een speciaal holtblok, met een draotien d’r aoverhen um zien kop vaste te hollen. A-j ’t met zien tweeën doet dan giet ’t wel, mar ie mut ’m de vleugels vasthollen, aanders dan vlög ’t bloed heemaol ien de ronde en dan koom ie d’r zelf onder te zitten.

De Vlim
De vlim worden vrogger deur de chirurgijn gebruukt bi’j ’t aoderlaoten. Van ‘vlijm’ kump ‘t gezegde: vlijm- scherp. As ze vrogger een varken bloed aofnemen wollen, worden ok een vlim gebruukt um te aoderlaoten.
Die moch ie niet dwars op ‘t aoder zetten, mar ien de lengte, aanders kree-j ‘t niet weer dichte. Bi’j ’n varken deden ze ‘t vake op een aoder in ‘t oor. As ze det deden dan zetten det ni’j bloed an, zèden ze, det zol kracht geven.




de vlijmscherpe vlijm of vlim




NAO DE OORLOG: MEUBELMAKER


Bi’j Stoffer ien Zwolle
Ik wol gien boer worden mar wel meubelmaker. Eerst he-k een maond of drie bi’j Stoffer ewarkt ien Zwolle. Die kwam iedere keer met dressoirs en aandere meubels anzetten. Op de dressoirs zatten soms mooie versierings, en die worden d’r of ehaald. Toen zeg ik tegen een van die jonges: “Wat is det toch?” “Ach”, zeg e. Mar ik kwam d’r achter det ’t meubels waren die uut de Joan Cele schoele kwammen. ’t Waren Joodse meubels die daor op-eslagen waren. Ik was woest!
Meester Siefers was hier heufd van de schoele en daor een breur van was chef-meubelmaker bi’j Stoffer. Sieffers kwam bi’j mi’j en die zeg: “Wat is det?” Ik zeg zo en zo en vertel et hiele verhaal. En toen hef hi’j Stoffer an-egeven. Hi’j hef een half jaor in de bak ezèten. Ik bin daor derekt weg-egaone en Sieffers ok. De baas zeg: “Ie könt nog van aanderhalve dag loon ophalen.” Ik zegge: “Det vieze geld van oe wil ik egee niet hebben, man!” Nou, en ik weg.

Mien anstaonde vrouw Stientje warken toen ien Zwolle bi’j een nichte van heur, Tine Waanders. Die was met Hendrik Jan Klosse etrouwd en zi’j hadden een café bi’j de gruunteveiling. Daor warken zi’j ien d’oorlog. ’t Was vlak an de spoorlijn. A-j Zwolle ingaot dan ko-j toen rechtuut naor de spoorlijn hen en dan links, daor stun d’ambachtsschoele, de aolde ambachtsschoele an de Mimosastraat. Daor ko-j ok rechtsaf de Deventerstraote ien en an de Deventerstraote, vlak bi’j de spoorlijn, was de gruunteveiling. Daor warken zi’j.

Bi’j Jan Wibier an Dedemsvaort
Jan Wibier warken toen as meubelmaker bi’j een bekende meubelzaak ien Zwolle, de name wee-k zo niet meer. Mar hi’j wol veur emzelf begunnen en det had e tegen Stientje verteld. Hi’j en Stientje gungen toen tegelieke met de busse naor ’t wark ien Zwolle en zodoende sprakken ze mekare. En toen zeg e tegen Stientje: “Laot ‘m mar bi’j mi’j komen.”
Zo kwam ik nao d’oorlog as leerling meubelmaker bi’j Jan Wibier an Dedemsvaort. Jan leeft ook al niet meer, is mar 48, 49 jaor eworden. Eerst dee-k niks aanders as reperasies, mar toen zèè ik tegen ‘m: “Wanneer ma-k es an wat ni’js begunnen?” “Ja, jochie,” zeg e, “mar ie hebt niks eleerd!” “Ja, mar ie weet niet wat a-k kan!” “Nou, maak mar een uuttrektaofel.” Hi’j zal wel edacht hebben: Det krig hi’j nooit veur mekare.
Nou had mien grofva ien de kamer een uuttrektaofel staon, en die he-k ’s aovens uut mekare haald, blad d’r of, enzovoort. Zit d’r ien de midden een plaanke en dan loopt die regels d’r onder deur. En ‘t hoogteverschil mut zoveule wèèn as een bladdikte, dan kump e vlak te liggen. Det he-k es goed ien mi’j op-eneumen en twee dagen later ha-k de taofel klaor.

Jan kwamp bi’j oes kieken en hi’j zeg: “Nou, hoe is ’t?” “Ik heb de taofel klaor.”“Ja, mar die heb íe niet emaakt, det maak ie mi’j niet wies!” Ik zegge: “Daor he-j de chef, vraog ´t ‘m mar.” “Ja, ’t is wel zo”, zeg de chef.
“Ien twee dagen een taofel maken, een uuttrektaofel nog wel! Hoe is ‘t meugelijk,” zeg Jan, “ie hoeft nooit gien reperasies meer te doen!” En toen worden hi’j dan ok gewaar wat er met die meubels bi’j Stoffer an de haand was, waorum det ik daor niet an mee wol warken.

Hendrik bi’j de bestelauto van Varwijk








Trouwfoto van Stientje Mannen en Hendrik Schoemaker.
Wi’j bint van ‘t Westende naor ‘t gemientehuus egaone mit ‘n koetsien van de begrafenisvereniging. Van Duren mende. Burgemeester Backx hef oes etrouwd. Daornao naor de karke an de aoverkante. Ds. De Vries leidde de dienst. Nao de oorlog ko-j haost niks kopen. Mien pak uut Heino kwam niet en toen beud Geert Dekker (de man van mien nichte Katrien) mi’j zien pak an. Det paste goed. Stien had ien Zwolle een lap velours chiffon ekocht en vrouw Bruggeman hef heur jurk emaakt. Stien had zelf heur trouwboeket eknusseld.

Trouwen
Op 24 oktober 1946 bint wi’j etrouwd, Stien en ik. Wi’j hebt vief jaor verkering had. Mien grofva daor ik naor enuumd binne was toen getuge. Det was ok Hendrik Schoemaker. Mien vrouw was Stientje Mannen, mar heur grootmoeder was Stientje Mannen-Schoemaker. Later heb we de stamboom ekregen en daoruut bliekt det wi’j uut dezelde femilie koomt. Toen wi’j etrouwd bint, bin wi’j naor Dedemsvaort egaone. Daor he-j die kalkaovens staon en daorveur ha-j een stuk grond. Wi’j hebt daor vief jaor ewoond. Oes huussien was een aolde directiekete en die he-w hemaol op-eknapt. Umdet ik an de ri’jvereniging was, kennen ik Wolthuis an Dedemsvaort en die hef veur mekare kregen det ik det huussien daor neer moche zetten. En daor ha-’k een bonenakkertien en de kalkaovens ha-w achter ‘t huus staon.


Het holten huussien an de Voart bi’j de kalkaovens






Jan Wibier had de zaak samen met Louis Rijkers. Det waren neven of achterneven. Zi’j bint later uut mekare gaone. En toen kwammen ze beide bi’j mi’j of ik met heur verder wol, mar det gong niet natuurlijk.
Op Dedemsvaort waren twie scheepswärven. Ik denke, ik gao daor es vraogen. Mar die hadden net jonges an-eneumen. Toen naor een woninginrichting, mar die had gien belangstelling. Ik denke, ik zal ‘t ok nog proberen bi’j Varwijk. En det tröf ik. Daor was een jonge die as soldaot naor Indië mos. Hendrik Jan Varwijk zeg: “Zolang as hi’j daor is kö-j hier komen.”

Hendrik op zien bonenakkertien bi’j ‘t holten huussien veur de kalkaovens

‘t Eerste det ik maken mos was een bureau, want zien zeune, Gerard Varwijk, die had op de ambachtsschoele ok een bureau emaakt. Wol hi’j es kieken hoe lange of ik daor wark aover had. Nou ja, dacht hi’j, iedere keer een stukkie d’r an warken dus det zal wel even duren. Mar ik had ien veertien dagen det bureau klaor. Tussentieds vreug ik: “Mut e een centrale vergrendeling hebben of de laden stuk veur stuk allemaole op slot?” “Hoe zit det?” zeg e. Ik zeg: “Nou, a-j iedere lade op slot wilt doen, apart, dan mut d’r aoveral een regel tussen zitten. Die schoot mut d’r ien die ‘m vastholt. Dan he-j veer laden en drie latten d’r tussen. Da’s ruumteverspilling. Met centrale vergendeling kump er achteran een staonde regel en dan kump achter elke lade een soort haoke en daor zit een schroeve ien en an de baovenste lade daor zit een schuine kaante. A-j d’r die ienschroeft dan giet die latte umhoge en die schroeven griept achter de haoken van die onderste laden. En dan zit ze ammaole tegelieke op slot.” “Nou ja, maakt det mar”, zeg e.

Naor Ni’jlusen
Nao vief jaor bin wi’j naor Ni’jlusen etrökken. Ik heb eerst bi’j Barts Mulder ezèten. De Bouwhuisweg leup zo naor veurend en dan veuran op de hoek met ‘t Westende, daor wonen toen Barts Mulder. Die was timmerman en had een schure tegen ‘t huus. Daor binne wi’j toen eerst begund met wat reperasiewark. Ik heb toen nog een compagnon had, ene Van Bik, die kwamp uut Nunspeet vandaon.

Toen bin wi’j kommen wonen an de Backxlaan. Wi’j konnen toen bouwen met subsidie van de Noord-Nederlandse gemeenten. In die tied ko-j veur een redelijke pries geld kriegen. Wi’j hebt dus toen daor in de Karkenhoek ebouwd. Ik had op de hoek met ’t Pad, wat nou ‘t Oostervene is, zitten willen, want dan kwammen de mèènsen allemaol bi’j oe langs, mar die grond was van ’t melkfebriek. ‘t Was feitelijk ‘t vloeiveld van ‘t melkfebriek, en zi’j zèden: ‘Nee, die beide eerste blokken die holle wi’j vri’j veur ‘t melkfebriek.” Nou ja, toen kwammen wi’j an de Weth. Prinsstraote, op de hoek met de Burg. Backxlaan.






Opa Hendrik Schoemaker, Geert, Stien, ouders Stien, compagnon Van Beek en Hendrik

Bi’j de opening van oeze woninginrichtingszaak ien 1953 zee mien grofva ’t volgende riempie:

          “Dit huus is ebouwd deur Sterken en zien mannen;
          Van onderen stien en van baoven pannen,
          Nou bint ie nij’schierig misschein, wat zit d’r binnenien?
          Vraogt ’t Hendrik en Stien, die zult ’t u graag laoten zien!”


Det veur mi’jzelf begunnen hef fout ewest. ‘Geen profeet is aangenaam in zijn eigen vaderland.’ As d’r iene trouwen, dan kregen we soms wel veertien, vieftien vrouwen op visite. Die hadden dan ’n kado ekocht en zaten ien de kamer te koffiedrinken en dan was ’t: “O ja, vrogger knooien de ook altied al.” Ie bint en blieft een knooier as ze oe as kind hebt ekend. Wi’j bouwen kammenetten. Oeze kammenetten staot ‘t hele laand deur. En toch bin en blief ie een knooier! Tiedens mien wark had ik d’r later weinig last meer van.


Tegen mien vrouwe heb ik wel vake verhalen edaone. Zi’j hef mi’j rustig anheurd, mar toen ik ienmaol heemaol opgung in mien wark, want det was mien liefhebberi’je, toen zakken ‘t of. En nou bin ’k aold en nou begunt ’t weer, nou kump det gevuul terugge.







Hendrik ien zien warkplaatse an de Backxlaan. De bezundere pompeboren – stokken en lepels -hangt baoven en rechts naost ‘t raam.

Wi’j konnen veur oeze kleine meubelmakeri’je iekenholt zat kriegen uut Frankriek, mar die grote meubelfebrieken niet meer. En toen, in 1989, vun Jan des Bouvrie ‘functionele meubelen’ uut, spaanplaat met ’n stukkien wit plastic d’r op, en det sleug an. Wat is nou functioneel? Daor kö-j wat ien opbargen. Kö-j det ien een kammenet dan niet, heb ik mi’j altied of-evraogd.
Toen a-k bi’j Jan Wibier an Dedemsvaort was, hadden we ok al spaanplaat. Mar goh, a-j d’r een schroeve ien dreien, dan mos ie niet wieder dreien as e anzat. En a-j een paar keer ‘t deurtien lös deden, dan kon ‘t wèèn det ‘t deurtien d’r veur weg vul.

Vakdiploma’s halen
Mar ik had mien pepieren nog niet ien order en toen heb ik verder eleerd bi’j Van ’t Vlie ien Zwolle. Ik heb nog een deuze vol holtmonsters. Negentig holtmonsters zit d’r ien, mar ik mosse d’r hondervieftig leren. Pfff! En ie mossen ze wel kennen. Zie leuten ze oe niet ammaol zien, zie halen d’r een stapeltien uut, kwakken oe d’r een paar veur: “Wat is det?” Kiek, ie wussen niet welke of ze d’r oe veurzetten en daorumme mos ie ze wel alle honderdvieftig kennen. Potverdikkie!
En toen leggen ze mi’j twie zukke platen veur. D’r zat hang- en sluutwark op. “Kunt u me vertellen wat dit is?” “Mag ik hier begunnen?” “Jawel.” D’r lagen twie ri’jen naost mekäre. Dit is dit, det is det, ik ginge zo voort en zo weer terugge. ’k Had d’r iene aovereslägen en det had e wel eziene. “En nou deze dan?” Ik zegge: “Det is een speeltafelscharnier, mar de name wee-k niet.” “Geeft niet,” zeg e, “ik weet het ook niet.”






Meubelmakeri’je en woninginrichting Schoemaker op de hoek van de Wetholder Prinsstraote en de Backxlaan

Toen ik examen dee waren d’r 200.000 holtsoorten bekend en zie dachen det d’r ien de oerwouden van ‘t Amazonegebied nog wel 200.000 soorten waren die ze nog niet kenden. Ie hebt bossies met zuk glimmend blad, det nuumt ze mahonie. De man die die bossies evunnen hef, Theo Nuttal, die hef ze naor zien vriend de Ier B. MacMahon enuumd, en daorumme hiet det nou mahonia , mar ’t hef niks met mahonieholt te maken.
Mien examenwarkstuk is een kissien, det hebbe ik nog. ’t Is nou niet meer ien gebruuk, want ik roke niet, mar ‘t is een leuk ding. ‘t Is een mooi andenken an mien leerlingentied en as bijouteriekissien ku-j ’t ok mooi gebruken. Toen ha-k er nog een fout ien-emaakt. Ien ‘t binnenbakkien mos ‘t holt deurlopen, aanders ko-j d’r ’t sloffien niet onder kriegen. Hadden ze ammaol of-ezaagd, ik ok. Ie könt nog zien waor ’k een lassien ien-emaakt heb en een ni’j stukkien ien-ezet heb. An de aandere kaante net zo, en toen ha-k det stukkien d’r weer ien zitten.
Toen kwammen ze bi’j mi’j: Hoe krieg ie det sloffien d’r nou onder? Nou, dan mu-j mar effen kieken, zo en zo. En ze hebt ‘t toen ammaol zo edaone.
Ien mien examenwarkstuk stiet nog nummer 64. Det was mien examennummer. En er stiet nog ‘donderdag 12 uur’. ‘t Was ien 1957. Ik was 37 jaor toen ’k mien vakdiploma meubelmakeri’je haald heb. Wi’j mossen een weke naor Amsterdam toe.
Wi’j logeren ien een jeugdherbarg an de Lauriersgracht. An de Lauriersstraat, d’r voort achter, was de meubelmakersvakschool. Die is nou op-eheven umdet ze tegenwoordig niet meer meubels maakt zoas ze vrogger deden. A-j alleend het deksel bekiekt: det bestiet uut 10 stukken holt. En nou is dit een luxe sigarendeuze. An beide kaanten kö-j d’r een pakkien sigaretten ien doen en een deusien lucifers.






Examenwarkstuk meubelmakersvakschool


Examenwarkstuk binnenkaante

Ie könt niet zien det d’r zwaluwstaarten ien zit, want ‘t bint schuifzwaluwstaarten, die wördt d’r van de onderkaante ien-escheuven. En dan kump er een stukkien triplex onderdeur. Det is Cubaans eiken, wörden toen ezegd. ‘t Mooiste ieken kwamp uut Cuba. D’r was veur iedere examenkandidaat één plakkien van en det mos ie zelf verder bewarken. Was d’r iene jonge die begun an ’t deksel. Nou kö-j veule makkelijker bi’j een kissien een deksel maken as bi’j een deksel een kissien. Woensdagmörn bin we d’r an begund. Wi’j hadden töt vri’jdagaovend tied. Op vri’jdagaovend had hi’j alleend ‘t deksel nog mar klaor. Hi’j kwam d’r ook niet deur.
Van ’t Vlie, die leraar ien Zwolle, had ezegd: “Zolang a-j tangen op oew warkstuk hebt staon, mag ze ‘t niet oppakken.” Ik had d’r regelmaotig tangen op staon. En ja: “We wouen toch graag wel eens wat van je zien!” Ik zegge: “Nou, ik zal ‘m wel oppakken.” Ik heb ‘m zo op-epakt, met die tangen d’r an, en van alle kaanten laoten zien. “Oh ja, ziet er goed uit”, zèden ze. Donderdagmiddag 12 uur ha-k ‘m klaor. Mooi binnen de tied!

Hendrik met warkstuk meubelmakersplankgeheim

Bi’j de opdracht kregen wi’j een tekening hoe of ‘t worden mos. Op maondagmörn mossen wi’j al begunnen met een soort nachtkassien te tekenen. Det he-k ok klaor emaakt. En toen mossen wi’j daor de kostpries van berekenen. Hoeveule uur a-j d’r ongeveer wark an hadden. Nou, ik warken naor mien uren umdet ik snel warken kon. En ja, det kassien moch volgens mi’j ok niet meer as 200 à 300 gulden kosten. ‘t was een luxe ding en volgens die lui mos det ding 900 gulden kosten. Ik zeg: “Ja, mar as det kassien 900 gulden mut kosten, dan hoef ik d’r nooit iene te maken, raak ik ‘m nooit kwiet. Det kan niet!” “Daar gaat het niet om,” zegt die man, “het gaat erom dat je begrijpt hoe je de kosten moet berekenen.”














Schoenmaker en Schoemaker
Met de name Schoemaker is ‘t welies fout egaone. Op mien diploma’s meubelmakersbedrief en woninginrichting, die heurt zo’n betien bi’j mekare, stiet Schoenmaker i.p.v. Schoemaker. Da’s een foutje. Wanneer ze op ‘t gemientehuus kwammen, schreef de ambtenaar Schoenmaker, want det was ‘t beroep. Mar as ze zelf heur name mossen zetten, dan schreven ze Schoemaker, want zo sprak ie det uut ien dialect, en det gebeuren zo vake det die ambtenaren d’r toen ok mar Schoemaker van emaakt hebt.

Hulpies ien de zaak
Ik had wel meerdere jonges uut ’t dorp as hulpies ien de zake. Eerst drie maond op proef en dan wus ik wel of iene voldee. Precies op de dag aof zeg d’r iene: “Schoemaker, hoe beval ik oe?” Hi’j was toen net met ’n stoel bezig, daor mos een ni’je achterstiele ien. De jonges hadden twee stielen verzaagd, die lagen op de grond. De darde was wel elukt, die hadden ze d’r goed ien-ekregen. Ik zegge: “Oh, det giet wel.” “Ja, want ie hebt mi’j belaofd, a-k hier drie maond ware en ik bevul oe goed dan kree-k meer loon.” Ik zeg: “Jonge, die stielen die daor ligt die he’j verprutst, wie vergoedt mi’j die?” “Ja, det is ‘t risico veur oe.” Toen zien va later kwamp, hef e zien zeune met naor huus eneumen.
Die jonge is later beroepsmilitair eworden. Hi’j lag ien Duutsland. Hi’j kwamp toen bi’j oes, had spul bi’j oes ekocht en a-w det daor hen wollen brengen en of d’r dan ok nog wat meer meekon. Kon ok wel. Dus wi’j hebt daorgunder de meubels hen ebracht en hebt ‘m daor in-ericht. Onderweg he-w een keer an-esteuken en daor stun een mooie spreuk baoven de tapkast in ’t café:
          Wenn Moses an die Berge klopfte,
          gleich Wasser aus dem Felsen tropfte,
          viel schöner ist es bei Hermann hier,
          man dreht am Hahn und schon läuft das Bier.


En daor naost stun Moses met de staf op die op de rots slöt.

Later waren we met de schietvereniging bi’j de Duutsers ien Cronberg op bezuuk en toen zol de burgemeister komen. Ik was veurzitter, dus ik mos die burgemeister opvangen. Mos ik eerst effen naor de wc en daor stiet ok zo’n mooie spreuk an de kaante:

          In diesem Hause wohnt ein Geist, der jedem der zu lange scheisst,
          von unten in die Eier beisst.

En daor had ’n aander onder eschreven:
          Mir hat er nicht in die Eier gebissen,
          Ich hab Ihm auf den Kopf geschissen!


En daor bin ’k aover an ’t lachen ekomen. Ik kon niet meer ophollen. Kump mien vrouwe d’r an: “De burgemeister kump d’r an!” “Ja, ik kome d’r an, kump goed.”

Umdet ik veurzitter ware van de Schietvereniging Nieuwleusen kree-k een erepenning van de Cronberger Schutzengesellschaft.






Penning Cronberger
Schutzengesellschaft







MIEN SCHOONFEMILIE: MANNEN-ENNIK

V.l.n.r. staand: Arend, Stien en Jan
Zittend: Gezinus (li) en Willem (re) Mannen met hond Juno.
Foto ±1935


Mien schoonvolk, de aolders van mien vrouw, wonen an et Westende, schuun tegenaover meule Massier. Det huus is d’r nou of. Mien vrouw Stien had vier breurs: Jan, Arend, Gezienus en Willem Mannen. Arend was etrouwd met Trijntje Huisman. Zi’j hebt ok ien ‘t Westende woond. Links van de weg stiet een huus daor ze nou kapellen achter ien-ezet hebt en ’n ni’j dak d’r op. Daor wonen Huisman en mien zwaoger Arend Mannen is daor bi’j ien-etrouwd. Maria de Goede-Mannen, de aoldste dochter van Arend en Trijntje, bezuukt mi’j nog wel. Trijntje is plotseling aoverleden. Zi’j was nog veuls te jong, 60 jaor old. Arend is op 65-jaorige leeftied ok plotseling aoverleden.

Mien schoonmoe was Maria Mannen–Ennik en mien schoonva Hendrik Mannen. In 1800 mossen de mensen ’n name kiezen op ’t gemientehuus en toen vreug de ambtenaar: “Wie möt d’r nog een name hebben?” Toen zeg d’r iene: “Ikke nog!” en een veurvader van Maria zeg: “En ikke!”, en det worden toen ‘Ennik’.

Mien schoonmoeder was de jongste van ’t spul. Willem Ennik, de sluuswachter, had zien vrouw verleuren en toen is zi’j daor as 16-jaorig meisie ekomen en hef daor zolange de huusholling edaone töt ze etrouwd is. Willem had een zeuntien, Jan. Die is op een bepaold moment ien ‘t schut evallen. Mar deurdet e zoveule kleren an had is e blieven drieven. Toen is Maria op de sluusdeure gaon zitten en hef ‘m met een schippershaoke naor de kaante trökken en d’r weer uut-etrökken. En toen Jan d’r uut was: “Tante Marie, mien pette die lig d’r nog ien.” Toen hef zi’j met de haoke die pette d’r ok nog uutevist. Later hef ze mi’j wel ies verteld: “Ik trillen aover al mien leden.” De eerste vrouw van Willem Ennik was een Bakker en een breur d’r van, Jouk Bakker, die wonen ien Giethoorn. Naor die oom is Jan as jonge hen-egaone.

Willem Ennik is later weeretrouwd met Jantina Brouwer. Det was een zuster van Jan Brouwer. Hi’j, Marinus Brouwer en Marie Brouwer hebt met mi’j naor de schoele gaone.






Foto ter gelegenheid van het 35-jarig huwelijk van Hendrik en Maria Mannen-Ennik ien 1954
V.l.n.r. staand: Hendrik Schoemaker, Siena Houwer, Stientje Mannen, Jan Mannen, Tinie Baas, Willem Mannen, Gezinus Mannen, Trijntje Huisman en Arend Mannen.
Zittend midden: Hendrik Mannen en Maria Mannen-Ennik met Maria Mannen
V.l.n.r. zittend: Geert Schoemaker, Henk Mannen en Jan Mannen


Jan Brouwer is hier veur de oorlog timmerman, annemer eworden, an de Backxlaan. Marinus Brouwer is directeur eworden van een ambachtsschoele ien de buurte van Assen, mar die is mar zo’n vieftig jaor eworden. Marie Brouwer is met Klaas Brassien etrouwd, en wonen ien de Palthebos , Marie is ok al aoverleden. [Klaas Brassien is aoverleden op 2 meert 2017, red.]


Ik heb ien de gang hier nog de schaatsen van mien schoonmoe. Met mien schoonmoe ha-k ‘t altied arg mee op, det was een heel lief mense. Mien zwaogers hadden de schaatsen al bi’j ‘t aold iezer egooid. De holties die d’r op zatten waren vermolmd. Toen heb ik d’r weer twie ni’je neutenholtholties op ezet. Nou is ’t weer klaor. Van mien schoonmoe heb ik ok nog een eau-de-cologneflessien.










Psalmbuukien van Maria Ennik

Van een nève van mien vrouw, Jan Ennik met Gré, hef mien vrouw een blauw glazen kannegien ekregen. Die man was leraar Nederlands, en daor hef mien vrouw een keer een paar dagen op vesiete west en toen kreeg ze van die angetrouwde nicht een mooi krukien. Ie könt wel zien det ‘t een heel aold kannegien is en an ‘t deukien ien de bodem kö-j zien det ’t nog echt eblaozen is, want as ‘t eblaozen wordt, doet ze det met ’n stökkien en as ’t klaor is brekt ze det d’r of en dan drukt ze ’t raantie wat naor binnen.
Nellie Ennik was een nichte van mien vrouw. Zi’j kwamp van de Lichtmis. Zie hadden daor een café. Zi’j was een nichien van Willem Ennik de sluuswachter, en etrouwd met Harm Mulder. Harm kump uut Drenthe, uut Annen. Die is ien militaire dienst west en is daor op-eklummen töt sergeant. Hi’j wörden plietsieagent in Dalfsen. Bezunder van Harm Mulder was det e zo mooi borduren kon. Ien museum Palthehof hangt nog een prachtige merklap van zien haand.


Blauwglazen flessien

HET GEZIN VAN GEERT
Mien schoondochter Aartje hiet Ytsma van heur meisiesname. Det is Fries. Heur grofva is op Ameland geboren. Zi’j is van gereformeerde ofkomst. Aartje is geboren ien Den Haag. Heur vader was nao zien wark op het ministerie ummeschoold töt onderwiezer. Het gezin hef ien Drijber, Zoutkamp en Zwolle ewoond. Vanof 1969 was Aartje onderwiezeres ien Nunspeet. Heur grootaolders wollen nao de pensionering vanuut Den Haag landelijk wonen en dichtbi’j heur zeune ien Zwolle. Zi’j hebt hier een huus ezet en bint toen bi’j oes achter ien de Weth. Prinsstraote gaon wonen en daor kwamp zi’j toen vake logeren.


Het brandweerkorps van Ni’jluusen vormt de erehaag veur hun collega, bruidegom Geert en zien bruid Aartje op 16 mei 1973





Geert had nog gien verkering met Aartje toen ze een keer langs oes huus leup. ’t Was Ni’jjaor en ik had een voetzuker. Die leggen ik dwars op de stoepe, det e zo de weg op gong. Zi’j leup die kaante op en met da-k ’m anstikke, dreit ’t ding zich umme en vlög achter heur an. Aartje die hef mi’j nog vake zegd: “Det dee-j d’r umme!”

Geert en Aartje bint beiden èven aold. Geert is jaorig op 3 december, Aartje op 7 december, met Sinterklaos zien vejaordag in de midden. Zi’j hebt twie dochters: Marijke en Anneke, ien jaor d’r nao geboren.

De kleine klompies van Anneke bint mee-egaone naor dit huus, gewoon as herinnering an det ik klompenmaker was ien d’oorlog. De eerste klompen die ik maken waren van berkenholt. ’t Was een stukkien holt, ’t kon d’r net uut en net niet. En die klompies van Anneke, die mossen hier bi’j mi’j blieven.










Anneke heur kleine klompies


Waarnemend burgemeester B. van Ankum opent de tentoonstelling
“Zo Was ‘t” ien museum Schoemaker achter de winkel an de Burg. Backxlaan
op 2 mei 1986, geassisteerd door Anneke (links) en Marijke Schoemaker (rechts).






Naor de huushaoldschoele
Ik heb ok nog een winter naor de huushaoldschoele gaone. De juffrouw die daor warken die had gien uren genog. Daorum was d’r ’s aovens kaoken veur mannen. Die cursus was ien de vieftiger jaoren. Ik zegge tegen mien vrouw: Ik wör d’r nooit dommer van. Nou, gao d’r mar hen dan, zeg ze. Oh, machtige schik he-w daor ehad. En wi’j hebt er toch ok nog wel kaoken eleerd. Jan van Blanken was mien maot an ’t taofeltien, want det kaoken det dee-j samen. As ’t klaor was dan moch ie ’t ok opèten. Dan kwamp de juffrouw altied bi’j oes en die zèè: “Doe maar een beetje extra in de pan, want ik wil ook graag een portie hebben.” Wi’j waren met Katerberg, de meester uut ’t Oostende, en Klaas Brassien, achter de Palthebos vandaon. En Harm ter Wee was d’r ok bi’j.
De vloere mos dan ok edweild worden nao aflaop en dan gunk Klaas Brassien daor met de dweil ien ‘t rond aover de vloere. Wi’j kaoken as eerste ‘stimpstamp’, det was stamppot van rauwe andievie met spekkies d’r deur. A-j d’r mar genog spekkies ien doet dan mis ie de worst niet.
Toen a-w slaot. D’r was iene Van Noord of Van Oord, ien van de beide, die warken toen bi’j de gemiente en die gooien de slaot ien een pannekoekspanne. Det dee e d’r expres umme. “Zult wi’j die eerst ies èven gaon opbakken”, zeg e. De juffrouw die keek: “Wat ga jij nou doen?” zeg ze. “Nou, die slaot die mut toch ebakken wörden!” ’t Was een jonge juffrouw en wi’j ammaol lachen, joh! Wi’j wussen ammaol wel det slaot niet ebakken mos wörden.
En toen mossen wi’j mayonaise maken, van mosterd en azien, en of d’r nog wat bi’j ien mos det wee-k niet meer.
Een keer hadden wi’j kroketten emaakt en daor mos eiwit umhen, zie, det ze dichte schroeien, en dan ien de eulie. Mar die Van Noord zien maot die had ’t eiwit opgebruukt. “Och, as ’t een betien nat wördt van water, det is toch ok wel goed?” Nou, det water ien de hiete eulie! Jonge, ’t broezen ’m de panne uut en de kroketten vleugen zo uut mekare. ’t Was iene troep, ie konnen d’r niks meer van gebruken.

MAATSCHAPPELIJK BETRÖKKEN

Hendrik Schoemaker van ’t café ien de Karkenhoek, Hendrik van de Schoe, was etrouwd met Margien Massier. Hendrik was een breur van mien va. Marten Massier was bakker ien ’t Oostende. Hi’j had een bakkeri’j daor nou de Chinees zit. Zien vader was Hendrik Massier en die hef lange samen met mien grofva ’n peerdehandel edaone. Daor was Margien Massier een dochter van en daor hef ome Hendrik ‘t met an-elegd.
Zi’j kregen een keer brand ien ’t café. D’r stun een linnenkaste, en Albert de Leeuw, die was hier van de veurlichting, wol daor de deure veur weg roppen. Ik zegge: “A-j die kaste kapot trekt, dan kö-j ‘m net zo goed laoten verbranden.” Det was ’n paniekreactie, hè.





Vader en zoon in et brandweerpak veur de
boerderi’je in de winkel







Ik had zelf een drevel bi’j mi’j en toen heb ik die kaste uut mekare haald. Bi’j stukken hebbe we ‘m toen deur ‘t raam naor buten deur-egeven. Ik ware toen nog niet bi’j de brandweer, mar ‘t was kört bi’j oes, dus daor bin ’k henne gaone. Burgemeister Mulder kwam de aandere dag bi’j mi’j en hi’j zeg: “Schoemaker, ik wil jou wel bij de brandweer hebben. Ik heb je gisteren aan het werk gezien. Eén en al rust.” En toen bin ik bi’j de brandweer ekomen.
Ik bin vieftien jaor bi’j de braandweer ewest. Op Ni’jlusen was iederiene vri’jwilliger bi’j de brandweer. Wi’j wörden per ure betaald. Ie wordt eerst Aspirant (gien strepies), dan wör ie Brandwacht (ien strepie), dan Brandwacht Eerste Klas (twie strepies) en dan Hoofdbrandwacht, dan krie-j drie strepies. Ien 1967 kreeg ik ’t Getuigschrift Brandwacht Eerste Klasse en ien 1968 Hoofd Brandwacht, dan ma-j leiding geven.

D’r was ok ies brand bi’j Karel de Liefde, det was de vader van Barteld de Liefde die op ‘t hoekien van de Backxlaan ewoond hef. Daor hadden ze een pietereuliekachel in de kamer staon. Karel de Liefde zien vrouw was niet hemaol goed ziende meer, en die vrouwe die strompelt, löp de pietereuliekachel onderstebaoven en ‘t huus ien de brand.
Ik had heur een teunebank emaakt veur ien de winkel. Die was L-vormig, de delen zaten met bolten an mekare. Albert de Leeuw zeg: “Kom op jonges, trekken! Det ding mut lös.” Ik zegge: “Ho, ho, ho! Is d’r iene met een drevel?” Ja, d’r was d’r iene die had een drevel bi’j ‘m. Ikke det zakien gauw lös-edreid: “Nou kö-j em van mekare halen. Nou naor buten d’r mee.”
Daor Annigje de Boer wonen, an et Westerveen, ter hoogte van de Bouwhuusweg, hef ook een keer brand ewest. Daor bint vier boerderi’jen of-ebrand. De boerderi’je van heur die toen is of-ebrand, is nooit herbouwd. Zi’j hebt d’r een ni’je achter ebouwd, an de noordkaante van ‘t Westerveen. Ik was d’r toen bi’j as brandweer, mar wat doe-j as d’r vier huzen ien de braand staot?

De winkeliersvereniging
Ik heb met de oprichting van de winkeliersvereniging ien ’t bestuur ezèten. Jan Bos, Jelle Bos zien vader, was ’s aovens de spreker um ‘t ien te leiden. Bril, die begun voort: “Meneer de veurzitter, ik wil wel graag de statuten ienzien.” “Mar die bint d’r nog niet”, zeg Bos. “Ja, mar hoe kan ik nou lid worden as d’r gien statuten bint.” “Ien de eerste plaatse,” zeg Bos, “bin ik gien veurzitter. Ik ben hier alleen um ien te leiden. D’r zal straks een veurlopig bestuur ekeuzen worden en det maakt samen met de notaris de statuten op.” Bos zeg tegen mi’j: “Schoemaker, ie mut ien ‘t bestuur.” “Nou as det mut, dan mut ‘t mar.” En dan mos Bertus van Marle d’r ook mar ien. Daor bin ’k dan later samen met naor de notaris ewest. Die had al een concept klaor, dan hoeven ie alleend mar de namen ien te vullen.

Ereburger

Burgemeister Ten Oever hef mi’j ereburger emaakt van de gemiente Ni’jlusen. Die medallie stiet op de televisie, daor bin ik arg wies met. Op de erepenning stiet achterop waorveur ‘t is: ‘Toegekend aan H. Schoemaker met dank voor uw grote inzet voor de instandhouding van het culturele erfgoed van de gemeente Nieuwleusen.’ De datum waorop de gemeenteraod beslist hef um de penning toe te kennen stiet op de ingelieste oorkonde: 18 meert 1997.




Erepenning van de gemeente Ni’jlusen






Zi’j hadden hier eerder de jeugduutwisseling met St. Albans, vlakbi’j Londen, en det was estopt. Daor hadden ze nog 15.000 gulden van aover. Det geld wollen ze dan schenken an de historische vereniging, en umdet ik daor altied bi’j betrökken ewest was, schreven ze mi’j van de gemeente a-k daor ok bi’j wèèn wol. Det was ik eerst niet van plan, mar de kiender dröngen d’r op an.
Ik kome daor met de auto en ik zie Aartje en Geert daor lopen en de beide meiden, met de jonges toen nog, en denke: Wat is det? Ik remme en wil dreien, en Geert die kump d’r an en die zeg: “Va, wat bi-j van plan?” Ik wol weer op huus an, mar Ab Scheper, de gemeentesecreatris, die kwamp vanuut ‘t gemeentehuus en die zeg: “Schoemaker, kom maar mee naar boven.” Bode Evert Hulleman leup veur oes uut en an de grote ronde taofel, net tegenaover de burgemeister, trök Hulleman een stoel achteruut, en daor wörden ik neerezet. Toen heb ze dan eerst det daor of-ehandeld, en toen zeg Hulleman: “Nou komt d’r nog een officieel gedeelte. Ik wil de heer Schoemaker vragen naar voren te komen.” Radio Oost en alles was d’r bi’j, mar ik dachte: Wat giet d’r gebeuren? Ja, achterof was ik d’r wel bliede met. Burgemeister Ten Oever daor kon ik goed met, ’t is jammer det die man dood is.

Gastgezin veur een Oostduutse jonge
Ien 1960 hef Gerard Reineke, een Oostduuts jochie van 11 jaor, zo’n zes weken bi’j oes ien huus ewest. Hi’j was met zien aolders en zussien uut Oost-Duutsland evlucht. Ze zollen ien West-Duutsland een huus kriegen, mar det gong niet één-twee-drie. De aolders bint naor een opvangkamp ien West-Duutsland ebracht, mar die kienderties wollen ze een normale opvoedingssituatie geven. Zo kwamp Gerard hier bi’j oes ien huus en zien zussien was ien een gezin ien Stienwiek. Toen heur huus klaor kwam is Gerhard terugge gaon naor Duutsland. En toen kregen ze ok bericht uut Oost-Duutsland det zien grootmoeder ernstig ziek was en bint ze daor weer naortoe terugge gaone.
Oeze Geert had nog een botien veur em emaakt, van een klomp, met een zeiltien d’r op. An de grens heb ze heur alles ofhaald, en zi’j hebt ze daor ien een kamp ondervraogd waorumme of ze vlucht waren.
En toen hef e ok ien ‘t leger ewest. Ze hadden gebouwen naomaakt vanof de Weser töt an Hamburg. Mossen ze elke dag oefenen, mossen ze met de tanks daordeur rossen en snelrichten op de gebouwen. Zi’j dachten dus det de Russen van plan waren um West-Europa an te vallen. Wi’j hebt een tied gien contact meer ehad umdet ze terugge waren ien Oost-Duutsland. Drie maond nao de val van de mure bin ik ien de warkplaatse, stopt d’r een luxe auto, en een man en een vrouw stapt uut. De man kump achteran de warkplaatse ien en zeg: “Kennen Sie mich nog?” “Nou, nee.” “Ich bin Gerard.”




Neutenholten kuufkaste






Was e met zien vrouw nog weer hier hennekomen. Bi-w naor de kamer egaone, zeg ik tegen mien vrouw: “Ik heb hier een man en een vrouw, ik weet niet a-j heur nog kent?” “Det is Gerard!” zeg mien vrouw, die was daor veul scharper op, die had ‘t derekt deur. Later bleek det ze oeze post nooit ekregen hebt. Deur ‘t feit det ze evlucht west waren, mog Gerard niet deurleren en hi’j wörden uut-esleuten van bepaold wark. En toen bin wi’j daor nog een paar maol naor toe ewest.

DE LESTE KAMMENETTEN
Vrogger heb ik ies een klein kammenettien emaakt. Det kon ik steeds verkopen, mar ik wol ’m niet kwiet. Ik vun ’m zelf mooi. Die ha-k ien de winkel baoven staon.
Nou wonen an Sluus 3 een wonderdokter, die kwamp bi’j oes en wol een kaste kopen. Hi’j is later naor Duutsland egaone. Ik zeg: “Baoven e-w nog wel ’t ien en aander staon.” Hi’j zut det kammenettien, en snellen d’r zo naor toe. “Wat kost det kammenettien?” “Det wi-k feitelijk niet verkopen.” “Geld vraogen!” zeg e. Ik vreug een beste pries, ik denke, dan schrikt e wel. “Brengen!”, zeg e.

Nou, toen waar ik ’m kwiet. ’t Speet mi’j ien feite wel, mar ’t zetten mi’j geliek an um een ni’je te maken. Ik heb holt bi’j mekare zocht en bin voort weer an ’n ni’je begund. Geert zeg op e terugweg: “Mien va, heb ie ien de woninginrichting ooit met emaakt de-j karbenade toekregen? Wi’j mut wieder met meubels maken.”
Ien die tied warken Gerrie de Boer bi’j oes, een dochter van Arend de Boer. Die wonen an ‘t Westende. Wi’j wollen met vekansie naor Limburg, en toen zeg zi’j: “Daor heb ik een nève wonen, Gerrit Meijer, en nog een nève, Hendrik Meijer.” Toen binne wi’j bi’j Gerrit Meijer ekomen en daor he-w toen een weke west.
Hendrik Meijer en zien vrouwe, die kwamp uut Friesland, die kwammen nog wel es hier bi’j Arend de Boer an, en dan kwammen ze ok nog wel es bi’j oes. Hi’j zeg op een keer: “Hendrik, he-j det mooie kassien nog, det kammenettien?” “Nee jong, det bin ’k kwiet.” “Goh jong, wat jammer! Det had ik wel graag ehad.” Ik zegge: “Gao es effen met naor de warkplaatse, effen kieken.” “Nou, a-j die klaor hebt”, zeg e, “brengen!” Toen wa-k die ok al weer kwiet!

Ien 1991 binne wi’j ophollen met de kammenettenbouweri’je. Ien die tied wörden ’t ammaol wit en daor passen de kammenetten niet meer bi’j. Toen ko-w ze niet meer kwiet. Wi’j hadden d’r nog een stuk of viefe staon en d’r bin ok wel lui west kieken. Mar ’t gonk niet meer. Geert hef aander wark ezocht. Aartje hef toen mede de kienderopvang ien Ni’jlusen op ezet, en is daor gaon warken, det kwaamp toen ok an de orde deur warkende moeders.



‘t Walnotenkammenet





Ien 1994 is alles verkocht. Geert en Aartje göngen naor ’t Hoefblad. Toen as ’t verkocht was, had bakker Borger al laoten weten det die ’t veurste gedeelte hebben wol. En ’t achterste gedeelte det zol een aander hebben. Ik had een huurwoning an-evraogd an de Prins Bernhardlaan, mar det was mi’j een te groot huus: zes slaopkamers. Ik zegge: “Det wil ik niet, zo’n groot huus veur zien beiden.” Ja, mar ik had d’r al veur etekend. “Maakt mi’j niks uut. Ik wil die kouwe (kooi) niet ien.” De pastorie van de hervormde karke stun toen leug en die konnen wi’j wel huren. Wi’j hebt daor drie weken ewoond.
Ik had intussen al een aandere woning an-evraogd. Bi’j Petra Massier, de kapsalon, was een meisien, det had een woning an de Zwaluwlaan toe-ewezen ekregen. Det was ien oktober – november. Mar die wol die woning niet eerder hebben as ien mei en al die tied konnen ze det huus niet leeg laoten staon. Toen hebt wi’j ien aoverleg met det meisien heur woning ekregen en sinsdien wonen wi’j hier an de Zwaluwlaan. Stien en ik hebt hier twaalf jaor samen ewoond. Toen Stien niet meer kon lopen heb ik heur hier nog jaorenlang verzörgd.

Ien 2005 bin ’k opereerd an een tumor an de dikke darm. Ze gaven mi’j een half jaor en dan was ’t aof-elopen. Ik mos bi’j dokter Kremer komen, ien Meppel. Ik was baoven de 80. “We geven je geen chemokuur, dan wordt je laatste half jaar ook nog bedorven.” Ien ‘t lesten zeg e: “D’r is maar vijf procent die het haalt.” “En daor bin ik d’r iene van!” zeg ik. “Ik hoop het voor je”, zegt ie. Ien ‘t begun nao mien operatie kon ik niet zo lege zitten, dan drukken det zo, en sinds die tied zit ik altied in de zomerstoel, die zit wat hoger.

DE LESTE LÈVENSJAOREN VAN STIEN
Wi’j bint hier ien 1994 an de Zwaluwlaan ekomen en ien 2006 is Stien naor Stienwiek (Steenwijk) egaone umdet ik heur verzörging niet langer an kon. Det was wel een ende uut de buurte, mar zie wollen heur eerst naor Emmeloord doen. Ik zegge: “Dan kö-j heur beter naor Parijs doen, dan hoeft wi’j d’r nooit meer hen.”
Ien de Hulstkampen kon ze niet terecht vanwege de verbouwing en ien Rozengaarde ok niet. Ien Stienwiek kon ze wel terechte. Ze hef daor anderhalf jaor ewest, en toen kon ze ien Avondlicht an Dedemsvaort terechte. Zi’j had een kamer die uutkeek op de Judith van Marlelaan. Daor hef ze nog een half jaor ewest en toen kreeg ze een harsenbloeding. Det is zeer snel egaone, deur de bloedverdunners. Op zaoterdag 9 april 2010 is ze aoverleden. Ik heb ezegd: “’t Is heel goed zo”.
Ze is op ’n zaoterdag aoverleden en de veurige dag, vri’jdag, bin ’k nog bi’j heur ewest. En toen zeg ze tegen mi’j: “A-j nou straks vutgaot, ried dan hier veurlangs en zwaait dan een keer, want de veurige keer he-j niet ezwaaid.” Ik zegge: “Ja, ik heb wel èven de haand op-esteuken, mar ik had een fietser veur mi’j en ik mut ok de ogen op de weg hebben.”
Toen die vri’jdag, veur en achter ien de Judith van Marlelaan, niks. Toen bin ik bi’j heur veur ’t raam stille gaon staon en toen e-w uutgebreid ezwaaid en det was ’t ofscheid.
A-k d’r kwamme, dan was ’t iedere keer: “Henk, ie mut goed veur oezelf zörgen.” Ik zegge: “Ja, mar det doe-k wel.”
Stien is aoverleden op 9 april 2010. As ze töt 19 juni eleefd had was ze 91 eworden. Wi’j waren 64 jaor etrouwd toen as ze aoverleed. Heur kralenketting die had ze umme. Die had heur moe ok altied edragen en zi’j had die ketting uut-ekeuzen as andenken toen heur moe aoverleden was. Ik heb heur ketting um de stoel ehangen waor zi’j altied ien ezèten hef, met de trouwring d’r bi’j an.





VAN STICHTING OUD NIEUWLEUSEN NAOR HISTORISCHE VERENIGING NI’JLUUSN VAN VROGGER

‘Een gemeenschap kan niet zonder particulier initiatief’
Onder die kop schreef de kraante over de oprichting van de Stichting Oud Nieuwleusen.
Vanuit de wens om meer belangstelling voor de geschiedenis van Nieuwleusen op te wekken, werd op 20 november 1960 de oprichtingsakte van de Stichting Oud Nieuwleusen getekend door: E.H. Mulder, P.J. Van de Berg-Schreuder, G. Boesekool, R.J. Klijn, R.W.M. Looman-Van Diemen, D.J. Massier, Jans Mensink [warken veur de kraante], H. Sievers en H. Schoemaker. De coöperaties doneerden geld en aan het Westerveen werd van Gait Jan Kragt een boerderij met een perceel grond van 5000 m2 gekocht. In die periode werden de seniorenwoningen aan de Wethouder Van de Berglaan gebouwd. Kragt kreeg er een van om op comfortabele wijze zijn oude dag te kunnen doorbrengen.

Ien de boerderi’je van Kragt an ’t Westerveen zatten ammaol tegelties an de kaante. Op een zaoterdagmörgen, toen ’t huus al onbewoond was, kwamp Klaas Klein - die wonen d’r derekt achter ien ’n husien det nou is aof-ebröken - en zeg: “Schoemaker, ik heb gien prettige mededeling veur oe.” “Nou?” “Zi’j hebt d’r de tegels uut esteulen. D’r leup d’r iene buten. Klaas Klein is d’r naor toe egaone en die man zeg: “Wi’j wollen graag een paar tegelties hebben. Det zal toch niet zoveule hinderen?” En toen he-k eziene det ze kissies onder de bos scheuven en toen bint ze vut egaone. Kiek, zi’j wollen niet derekt laoten zien det ze ze metnamen.” Ik zegge: “Man, had toen derekt bi’j mi’j ekomen, dan ha-k ze derekt op-ehaald!” “Ja, det dors ik niet, ik was bange veur die lui, ze waren met drie man.” De aandere mörn waren die tegels vut. Ze hebt de tegels an de westkaante d’r helemaol aof-ehaald.


Tegeltableau café met peerdemarkt






Toen kwamp mien neef Henk Schoemaker van de Viersprong bi’j mi’j en die zeg: “Hendrik, d’r mut goddorie wat gebeuren want ’t is foute boel! Wi’j mut d’r hen, want d’r zit nog drie tegeltableaus an de kaante. Die mu-w d’r uut halen.” Ik zeg: “Nou, lao-w d’r vanaovend dan mar hen gaon.”
Ik heb gereedschap met-eneumen en hi’j hef mi’j bi’j-elicht. Naost elk tableau was al een witte tegel kepot eslagen. Zi’j wollen nog weerkomen. Toen heb wi’j die tableautegels d’r uutehaald. Iene was een kanarie ien een kouwe (kooi), 2 tegels breed 3 hoge, en een katte, ok 2 breed 3 hoge, en ‘t grote tableau was 6 tegels breed en 4 hoge. Det was café Landmans Welvaart met peerde op de markt. Toen ien de tachtiger jaoren was det tableau al veule geld weerd.

Die tegels had ik later op ‘t museum ien de winkel liggen. Een mevrouw zeg op een keer: “Wat gaat er nu mee gebeuren?” “Nou,” zeg ik, “as d’r hier een museum kump op ’t dörp, dan gaot ze daor hen.” “Wat is nu de waarde van zo’n tableau?” Ik zeg: “Nou, zoas ‘t toen was, zo’n 5000 gulden.” De tegeltableaus bint nou ammaol ien ‘t museum.

Tegeltableau Kat

’t Huus van Kragt hadden wi’j bestemd veur de Oudheidkamer, mar ’t is tegen de vlakte gaon. Det zol deur de storm west hebben, mar as d’r zoveule storm west hef det ok ‘t gebint – ‘t veerkante wark - tegen de vlakte egaone was, dan waren al dit soort huzen wel tegen de vlakte gaon. ’t Is deur ’n misverstand aanders egaone.
Op ’t huus zollen ni’je sporen. As lid van de Stichting Oud Nieuwleusen hef Derk Jan Massier ien Vilsteren dennen ekocht. Arend Mannen en ik bint daor met Derk Jan hen ewest en wi’j hebt ni’je sporen ezaagd. Die stunnen al klaor tegen de appelboom, naost de boerderi’je.

Kok, die wonen ien e’ Indianendörp, die deed sloopwarkzaamheden. Die heb wi’j opdracht egeven. Hi’j mos ‘t dak d’r aof halen, en de daklatten, de sporen en ‘t veerkante wark laoten staon. Iene van de gemiente zol mi’j vri’jdagsaovens vertellen det Kok ‘t dak de aandere dag zol aofbreken, mar die hef det vergeten. Nou ja, toen heb ik d’r niet ewest en kon Kok zien gang gaon. En maondagmörns was ‘t leed al geschied! Kok die zaagt de plate aover de mure waor de sporen op rust bi’j de achtermure aof en hef twee trekkers veur de zaak ezet en ‘t hele veerkante wark en alles onderstebaoven egooid. ‘t Materiaal is waorschienlijk deur de gemeente op-eruumd.
Wi’j hadden op Staphorst veur 120 gullen een spoorwiel ekocht van een karnmeule. Det karnwiel - zo’ n groot rad waor a-j de karn mee ien beweging brachen met een peerd d’r veur - hadden wi’j daor onderebracht umdet we aanders gien plek hadden. En as Kok ’t


Tegeltableau kanarie ien kouwe




volgens de bedoeling aof-ebröken had, dan was d’r niks an de haand west, mar deurdet ‘t zakien hemaol ien mekare evallen was, was det rad ok totaal kepot. Ik was des duivels, mar ja, wat doe-j d’r an?
De gemeente hef die gezaagde sporen later aop-ehaald, want wat mossen wi’j d’r nog met, nou ‘t huus ien mekare lag.

De boerderi’je achter ien de winkel
An de Backxlaan hadden wi’j een boerderi’je achter ien de winkel staon. A-j de aolde burgemeesterswoning an ’t Westende hebt, dan ‘t Schuurmanslaantje en dan de eerste boerderi’je, dan stun de veurgevel van det huus daor veurbi’j. Daor wonen Jan van Spijker. Een dochter daorvan was etrouwd met Hendrik Jan Scholten ien ’t Westende.

Ik had eheurd det ze ‘t huus wollen verbouwen en toen zeg ik: “A-j det huus een keer


’t Boerderi’jgien van Van Spijker waorvan de veurgevel laeter achter de winkel weer opebouwd is.

aofbrekt, wil ik die veurgevel graag hebben.”
Wi’j waren een keer tegelieke met de dochter bi’j de slager. Zeg ze: “Nou, Schoemaker, de gevel lig d’r uut!” Ik zeg: “Gatverdikkie, wat jammer, ik had er graag eerst een foto van willen maken, want ik wil de stienen d’r net zo ien hebben as ze d’r ien zaten.” “Mien moeder hef d’r een mooie foto van.”, zeg ze. En die he-k had. Toen he-k een tekening emaakt en Snijder die hef ‘m ebouwd.

Later heb wi’j van de Stichting ‘t laand van Van Spijker aoveredaone an de Historische Vereniging en die hebt ‘t veur ’n mooi bedrag an de apotheker verkocht, en die hef er een knap huus op-ezet.





Olde boerderi’jgien van Van Spijker opebouwd achter oeze winkel. Met de vergroting van de zaak ien 1973 kwaamp ‘t achterien de winkel te staon. Li. Be van Voorst op zien Union, re. Geert met zien Batavus.

Bi’j oes achter de winkel an de Backxlaan hebt wi’j dus de veurgevel van det boerderi’jgien aop-ebouwd en daor is de historische vereniging ontstaon op 12 oktober 1982. Ien det jaor bestund Ni’jlusen 350 jaor, det denkt ze teminste.
Wi’j hadden baoven eerst ’n tentoonstelling emaakt van aolde spullen. Toen bint leden van de stichting, Klijn en zien vrouw, en ikzelf an de gang egaon um een historische vereniging op te richten. Op een vri’jdagaovend, toen oes museum open was, kwam ik d’r met Arend en Grietje Kreule aover an de praot en ‘t leek Kreule wel wat. Toen kwam die van Duren, uut Zwolle, en die dee ok derekt met. Van Duren was met een Russische vrouw etrouwd, die hef ok ‘t begin uutezocht van oeze familie-aofkomst uut Runerwold.
Dan ha-j nog Marregien Schoemaker uut ‘t Westende. Det is Marregien van Spijker–Schoemaker, mar wi’j zèden altied Marregien Schoemaker. As die ’t Ni’jlusiger goed an had, dan was ‘t precies een aold Ni’jlusener vrouwgien.


Museumstukken repereren
Deurdet ik ok verzamelen veur ’t museum, he-k heel wat tied deurebracht met repereren. Dagend ha-k mien gewone wark natuurlijk, met kammenetten maken, wonings ienrichten en alles wat daorbi’j was. Geert hölp mi’j daor toen ok bi’j. Wi’j hebt vieventwintig jaor lang gelukkig samen können warken. Det vien ik altied nog hartstikke mooi. Geert en ikke konnen ‘t altied goed met mekare vienen. Stien, mien vrouw, stund daags ien de winkel, en zat ’s aovens vake achter de ni’jmesjiene gordienen te maken.
A-k weer een ni’j stuk ekregen had um op te knappen, gung ik ’s aovens naor de warkplaatse toe. Geweldig mooi wark!
Later, toen ik mien museum aoveredaone heb an de historische vereniging, toen stun ik d’r pas bi’j stil hoeveule tied daor al die jaoren ien is gaon zitten.
Ik zeg: “Ik zal oe een veurbeeld geven. An de Van Neuringsweg daor vun ik op ’t arf bi’j een man zo’n roestig iezeren vörkien ien de modder. Ik zegge: “Ie hebt daor nog een garvenvörkien liggen.” Die man zeg: “Nemp mar met.” Dus det he-k gratis ekregen as aold iezer. Ik heb aanderhalf uur an ‘t schoeren ewest um det weer een betien netties te kriegen. Toen mos d’r een stok ien, mar ’n rechte stok kan d’r niet ien, want dan kiept e umme, en dan valt oe de garve d’r weer of. Ie mut een iets gebogen stok hebben. A-k naor de schietvereniging gunge, daor ha-w zo’n bossien achter staon, he-k ’s aovens ies een paar keer ekeken. Ja, daor vun ik een ieken stok en die he-k d’r ien ezet. Mar daor bin ie niet klaor met. De baste mut d’r of, de stok mut hol emaakt worden waor e an-





epakt wordt en daor mut e weer glad emaakt worden. Al met al he-k d’r vierenhalf uur wark ien zitten.


De onderste is een garvenvörkie, det hef altied mar twie körte tanden en ‘n gebeugen stok, de aandere beide bint heuivorken.

Ik bin ok nog een keer naor de historische vereniging ien Hellendoorn toe ewest. Ze hadden daor een blok met twee spindels d’r ien en daor zat baoven een gat ien, daor a-j een stok ien konnen stikken, zoda-j die spindels an konnen dreien. Toen zèè de vrouw die ook bi’j oes ien ’t museum ewest was: “Schoemaker, ie mut es effen meegaon naor de schure. Wi’j hebt daor een ding staon waor wi’j gien weg met weet.” “Nou,” zeg ik, “lao-w’ ‘m mar es aandersumme zetten, want hi’j stiet op e kop.” “Weet ie dan wat ‘t is?” “Jawel, ik heb er zelf iene. Mar an dizze ontbrek een stuk. D’r mut nog een blok onder, met een staonde poot die hier ien dit veerkante gat mut, zodet die poot aoverend blif. En a-j dan die spindels onderuut dreit, dan is ’t klaor.” ‘t Was de veurloper van een ‘dommekracht’; een plate op de grond met een steunder en daor zit een blok baovenien, en daor he-j twie vijzels ien zitten die-j zo umhoge könt doen.
Bi’j oes olderlijk huus op de boerderi’je stun een stiele middenien ‘t kalverhokke die zo goed as hemaol aof-evreten was deur de kalver. Een klein stukkien was d’r nog heel en veur ‘t ienstortingsgevaor mos d’r een schune schore bi’j an ezet worden. Arend Jan Schuurman en zien va waren allebei timmerlui. Die zetten d’r een dommekracht naost en een balke onder de plate. Toen krikken ze ‘m op, net zo lange det die stiele ok met naor baoven kwamp. Toen hebt ze ‘m aof-ezaagd en wat uut-egraafd enzovoort. D’r weer een stuk an-ezet, schuun met een bek d’r an det e niet onderuut kon zakken, ‘t gat weer dichtegooid en ‘m laoten zakken. En toen was ‘t weer klaor.
Later lag ’t ding bi’j Harry Westerik de smid. Die wonen bi’j de smederi’je ien Den Hulst en was etrouwd met een dochter van Arend Jan Schuurman en daorum hef hi’j det ding toen misschien wel ekregen. En ik kreeg ’t weer van hem. D’r zat wel veule holtwörm ien. Ik had ‘t nog willen opknappen, mar daor kree-k de tied niet veur. ‘t Ding stiet nou ien ‘t museum.
Nou, toen zeg die vrouwe ien Hellendoorn: “Kö-j oes det op pepier zetten?” Toen he-k heur det ding uutetekend. Ik zegge: “Zo mut e worden. Hier is vast wel een timmerman die det maken kan, zo’n karwei is det niet. De penne waor die spindels ien dreit, daor mot een hollegien komen, zodet ze d’r niet uutloopt. Daor mut e ien vaste staon en daor kö-j ‘m dan ien dreien.”
Later, toen ze d’r aover praoten, zeg die vrouw: “A-j wat weten wilt, dan mu-j bi’j um wèèn, hi’j wet alles!” D’r lag gien stuk ien ’t museum of ik wusse waor ’t vandaon kwam en wat ze d’r met deden. Kon ’k ammaol zo vertellen.





Verhuzen van ‘t museum
Ien 1994 mossen wi’j weg van de Backxlaan umdet ‘t niet langer wol met de kammenetten.
Nao de verhuzing hebt wi’j oes museum eerst bi’j Evert ten Kate onderebracht. Daor hef ‘t op de dele staon. Het husie met de gevel van Van Spijker is op zien plek blieven staon. Janko Rabbinge, die det deel van oeze winkel ekocht hef, was doodbliede met die gevel, det vun e prachtig. Dus die bleef mooi bewaard. Toen Evert ten Kate de museumspullen kwiet wol, bint ze naor Bijker egaone, ien Den Hulst, kört bi’j Sluus 3. Die had daor een timmermanswarkplaatse veur trappen en deuren. Daor hef alles toen op zolder estaone töt det ien 1997 ‘t Palthehof klaor was. En toen hebt ze volk evraogd um met te helpen de spullen naor ’t museum te brengen. D’r kwam volk an det wel helpen wol. Mar ’t is niet amaole goed egaone, d’r was wel ’t ien en aander beschadigd, daor a’k zo zunig op ewest ware.

Hendrik Schoemaker oaverhandigt de veurzittershamer an Jakob de Weerd

Een keer toen ik met Arend Kreule mee ien de auto ree, zee die: “Schoemaker, wat zu-j straks veule te vertellen hebben as ‘t museum ienericht wordt, want ik heb er dingen bi’j eziene waorvan ik echt niet wusse wat ‘t was.”

Ik had zestien jaor veurzitter ewest van de schietvereniging en det jaor was ik geliektiedig aoftredend van beide verenigingen. Ik zèè: “Allebei ‘n aandere veurzitter, ’t is mooi ewest.” Van de gemiente wollen ze iemand anders hebben veur de historische vereniging. Ik zeg: “Ik heb een aander: Jakob de Weerd, da-s een heel actief iemand, en nog jong.” Ik zeg nog steeds det hi’j een butengewoon goeie veurzitter was. Heel goed. Hi’j dee er machtig veule veur. Ik heb d’r nooit gien spiet van had det ik ‘m toen anrecommandeerd hebbe. Wi’j warken toen al met hem samen. Ien de eerste vief jaor, toen ik veurzitter was en zelf nog ’t museum had bi’j oes an de Backxlaan, hadden ze al een keer een bukien uutegeven. Toen he-k anrecommandeerd det Jakob de Weerd mi’j opvolgen zol.

De bezittings daor was een misverstaand aover. Alles wat d’r ien oes huus an de Prinsstraote stun, behalve de tableaus, was van oes zelf. Allent de aovendmaolbeker en ‘t deupboek was van de karke. Det heb ik nog helemaol aovereschreven. De klokke was van mi’jzelf. Det is zo egaone: Ds. Fokkema hef mi’j de klok ebracht umdet e naor de schroot zol gaon en ik ‘m veur old iezerpries ekocht hebbe. Det hef hi’j op schrift ezet.





Havezate Oosterveen op de provinciale kaarte uut 17de eeuw

Havezathe Oosterveen is ‘t gebouw met twie torenties – ‘n balangriek gebouw!

De havezate Oosterveen die ien museum Palthehof stiet, heb ik nao-ebouwd. De enige luxe die a-k d’r an edaone hebbe is ’t jaortal. Det hadden ze destieds soms ok wel, mar ik kan niet waormaken det dit ‘t juuste jaortal is. Ik wil ok niet beweren det de havezathe d’r precies zo uut eziene hef. Zeuvenduzend pannen zit d’r op. Mien vrouw hef d’r mi’j goed mee hölpen umme havezate Oosterveen uut te tekenen. D’r waren gien foto’s, dus ik mos logisch naodenken hoe of ‘t ewest hebben kon. D’r wörden ezegd det d’r twie torens op de havezate stunnen, mar det dach ik niet. En deurdet ik een fotokopie had van een aolde brief die gung aover Berend ien de toren, kwam ik d’r achter. Al die havezaten wördt aneduud met twee torenties. D’r zit twee vlaggies op, kiek mar op aolde kaarten van Aoveriessel.

Disse tekening is emaakt deur Jacobus Stellingwerff, die leven ien de 17de eeuw en hef ‘t huus zelf eziene. Hi’j is beruumd um zien schetsen. Ien 2015 is disse schets pas ontdekt deur René Fokkert van de genealogiegroep van ‘t museum Palthehof.
(Ni’jluusn van vrogger, jaargang 34, nr 1, maart 2016 – red.)







Schaalmodel van Havezathe Oosterveen uutedacht en emaakt deur Hendrik Schoemaker – Museum Palthehof

Det is gewoon een anduding van een adellijk gebouw. Ok al hef d’r nooit een toren op-ezeten, daor wördt ze met aneduud. Ik dache al det d’r op ’t Oosterveen gien toren kon zitten toen a-k det ding maken wolle, want a-k d’r een toren op zetten, dan ha-k ien ‘t gebouw zelf gien licht meer, want dan was ik de ramen kwiet.
Mien vrouw gaf uutkomst: neemp et woordenboek ies. ‘Een toren is een hoog gebouw’, stun d’r. Veur mensen die d’r umhen woont en boeren die geliekvloers woont is een gebouw van drie verdiepings baoven op mekare een toren! Ik zeg: “Wi’j bint d’r! Een toren det was een hoog gebouw!”
‘t Gebouw hef eerst twee verdiepings hoog west, toen is dominee Van Berkum d’r komen wonen en toen hebt ze d’r een stuk bi’j op ezet. Plus een veerde schörstien. Det ko-j opmaken uut de schörstiengelden.
Ik heb nog een plattegrond, ik geleuf uut ‘t boek van Gevers en Mensema: De Havezaten in Salland en hun bewoners. Arend Kreule hef die toen nog veur mi’j vergroot. De plattegrond was ien 1812 op-emeten. De boerderi’je hef d’r an vaste zeten, mar ik kwam der niet goed uut hoe of ik ‘t bouwen mos. “Wee-j wel,” zeg mien vrouwe, “det bi’j baron van Dedem op Den Berg, achter Dalfsen, det daor ok een huus naost stiet?” Ik zegge: “Ie hebt hemaol geliek!” Wat was nou ‘t geval: ‘t huus achter de boerderi’je was feitelijk de koestal en de dèle en det aandere stuk was de wagenschure, ‘t koetshuus van de baron.
Toen he-k ien Meppel aolde gebouwen bekeken. An ’t Haagje ien Hoogeveen stund ok een heel aold huus, ok uut 1600. Ok ekeken hoe det d’r uut zöt. Bi’j Dalfsen an de Poppenallee he-j ’t aolde veerhuus nog staon. Daor ha-j van die ronties baoven ‘t raam met tegelties d’r ien. Misschien hef ‘t zo ok wel ewest, en zo he-k een beetien voort fantaseerd, en edacht: zo mut ‘t ongeveer worden.





Mensema of Gevers van ’t Rijksarchief uut Zwolle, iene van de beiden, hef nog een aovend ien Ni’jlusen ewest te praoten aover de havezaten ien Aoveriessel. Ik had toen een platien bi’j mij. Ik zegge: “Nou wol ik nog wel een vraoge stellen. Wat dunkt oe hiervan?” “Ik zal het je even vertellen,” zeg hi’j, “toen wij in Zwolle hoorden dat Schoemaker van de historische vereniging hier de havezate het Oosterveen wilde nabouwen, hebben wij tegen elkaar gezegd: je zult eens zien wat een kasteel of dat wordt, want het moet natuurlijk groot zijn. En toen stond het plaatje in de krant en hebben we tegen elkaar gezegd: hij is niet ver mis!” En det was een mooi compliment.
De havezate is aof-ebröken. Waor Freek ten Kate nou woont, a-j daor rondum ’t arf ien de grond graaft, is ’t ammaol puin, ammaol rood, det bint ammaol rooie pannen die kapot egaone bint toen as ’t Oosterveen aof-ebröken is.





Hendrik zien kissien met deksel en zanderties


Hendrik zien kissien uut ien stuk

Uut de Romeinse vesting ien Kronberg, Duutsland, waor as wi’j met de schietvereniging waren, is een Romeins kissien uut een putte komen. ‘t Is een kissien uut ien stuk. En zo’n kissien heb ik emaakt van een stuk holt uut mien aolderlijk huus. Daor zit nog drie zanderties (merktekens) ien. Die zanderties he-k ok zelf emaakt.

De aolde karkklokke uut de Grote Karke
Op de pastoriezolder hef lange tied een aolde klokke elegen. Ik wusse veur d’oorlog al det die daor lag. Waor kump die klokke vandaon? Met het 350-jaor bestaon van Ni’jlusen kwammen d’r verschillende papieren teveurschien. Op iene stun: ‘Machteld Beuker schenkt voor de kerk een nieuwe klok!’ En, zèèn ze: die klokke hangt nog in de Grote Karke. Ze zèèn altied det op ‘t Oosterveen een karke had estaone. Mar daor höllen ze de preke ien de boerderi’je. Dominee Van Berkum zeg det zi’j graag van de provincie subsidie hebben wollen, want zi’j waren ‘t zat um tussen de koenen en de kippen de preek te haolden. Machteld Beuker en heur man, die was griffier ien Zwolle, wonen toen ok op de havezate Oosterveen. Ik zeg: “Dus dan hef d’r ok een aolde klokke west.” En die stund op de zolder van de pastorie!
An de Rollecate ien Den Hulst hebt ze umstreeks 1950 nog een noodkarkien had en daor hebt ze die aolde klokke nog een tied op-ehangen had. Mar umdet ‘t gien geluud was, hebt ze een ni’je klokke kocht. Die hangt nou ien ’t torentien op de gereformeerde Ontmoetingskarke.





D’aolde karkklokke uut de Grote Karke

“Wat giet er nou met die aolde belle gebeuren?” vreug ik een keer an de dominee. “Ja, ik weet niet wat de kerkeraad er mee wil. Ze hebben hem laten taxeren. Het was een ordinaire scheepsbel en aan oud ijzer zou het een rijksdaalder opbrengen.” Ik zegge: “Een rieksdaalder wil ik er ok wel veur geven.” “Neem hem maar mee”, zeg de dominee. “Nee,” zeg ik, “effen kalm an. A-j zundag bi’j de karkeraod bint, ien de consistoriekamer, praot d’r dan èven aover en as de karkeraod ‘t goed vindt, dan wil ik ‘m graag hebben.” Maondagaovend gao ik naor de schietvereniging, stiet dominee Fokkema daor achter ’t huus met de belle, zo ‘bam, bam’ te zwaaien. “Ze vonden het allemaal goed”, zeg e.
Krie-w een aandere dominee, Jan ter Steege, die ok ‘t boek ‘De kerke tot Oosterveen’ eschreven hef. Die aolde belle ha-k ien de warkplaatse hangen. Hi’j zegt: “Wat is dat voor een bel?” “Nou, hard kan ik ‘t niet maken, mar die mut meekomen wèèn toen hier een ni’je karke bouwd is. Toen hef Machteld Beuker een ni’je klokke schönken en toen was de aolde klokke niet meer neudig, die kwamp op de pastoriezolder te staon. ’t Is de eerste karkklokke van Ni’jlusen!” zeg ik. “Zo, nou, dan moet die maar es weer terugkomen!” “Ja,” zeg ik, “det zal wel. Dominee Ter Steege hef wel zoveule invloed op de karkeraod det as die zeg: een mooie klokkestoel, dan kump die aolde verroeste belle ien de karke te hangen.” “Dat zou wel mooi zijn”, zeg e. “Mar nou kump ‘t, dommeneer. As ie een aander beroep kriegt, dan bin ie weg en d’r kump een ni’je karkeraod, die kiekt naor die aolde belle en die zegt: wat mut det ding toch feitelijk, dan is die aolde belle weg.” “Bewaar ’m maar goed, Schoemaker!” Hi’j hangt nou hemaol achteran ien ‘t museum, ien een hukien. Ik wol em veuran ien ’t museum hebben, bi’j de ingang, ‘t is ‘t aoldste stuk det de historische vereniging ien bezit hef.

‘t Bronzen Zweerd
Ien ’t museum mut ok een bronzen zweerd wèèn, zonder haandvat, det baovenan een bettien rond löp en wat smal toe en dan bi’j de punte uutkump. Daor is ‘t volgende verhaal bi’j:

Aan het einde van de 19de eeuw deed boswachter Geert Remmelts op het landgoed van de Duitse grootgrondbezitter Eduard Lüps in de buurt van de Ommerschans een bijzondere vondst: op een verhoging van berkenstammetjes in het veen vond hi’j een groot bronzen zwaard met daarop verschillende andere voorwerpen uit de bronstijd. Een collega-boswachter in dienst van Lüps, A. Seemann uit Junne, spijkerde alles in een vitrinekast





Na verkoop van het landgoed in 1932 ging de schat mee naar Zuid Beieren (bron: http://www.regiocanons.nl/overijssel/salland/ommen/bronsschat-ommerschans). Mejuffrouw Stein, assistent van professor Werner van het Instituut voor Vor- und Frühgeschichte in Munchen, heeft het zwaard bestudeerd en in tekening gebracht. Dat was zo perfect gedaan dat de heer Schoemaker uit Nieuwleusen er een houten mal van kon maken.


De malle die Hendrik emaakt hef veur de Ommerschans en ‘t darde bronzen zweerd

Dieks Makkinga uut Ommen was druk met de Slag um Ane en Jan Prins uut de Oosterhulst was daor ok. Makkinga zeg tegen ‘m: “Wi’j hebt een tekening van det zwaard, mar nou mu-w d’r eigenlijks nog iene hebben die d’r een malle van maken kon.” “Nou, die hebbe wi’j wel”, zeg Prins, en toen hef Makkinga zich met mi’j ien verbinding esteld. Zodoende heb ik die malle maakt en laoten gieten ien Zwolle bi’j bronsgieteri’j Van Wijhe op de Marslanden, waor wi’j ok et beslag veur de kammenetten leuten gieten. Eerst mossen d’r twee emaakt worden, mar later bellen Makkinga mi’j op en toen zeg e: “Ie hebt det belangeloos edaone, dus ie mut er drie laoten maken, ie kriegt d’r ok iene.”





Pompeboren

Zo lange bint de pompeboren van Schiphorst

Vrogger maken ze holten pompen met pompeboren. Det bint van die lange metalen staven met ’n boorlepel d’r an. Met de pompeboor boren ze ien de lengte deur een boom hen en dan met de vervolgbore. D’r mos van baoven, daor det emmertien ien op en neer mos, een wat groter gat wèèn en dan zetten ze die boren d’r ien. De boren ien ’t museum hier bint niet zo aold as die ien ’t museum ien Ootmarsum. Daor hebt ze lange buizen uut de Romeinse tied. Det waren holten buizen, aanderhalve meter zo’n beetie, en daor zat ok een gat deur. Toen ik die zag, zeg ik: “Laot ik nou van die boren hebben.” De man van ‘t museum ien Ootmarsum kwam hemaol ien extase en hi’j zeg: “Die boren mutte wi’j hier hebben!” Ik zegge: “Nee, oeze boren bint niet zo aold. D’r stiet J.S. op, J. Schiphorst, zeg mar. Die was vrogger smid op Ni’jlusen en die hef die boren emaakt.” Ze konnen ze lienen (lenen) veur twie kwarties per dag. Snijder hef mi’j wel ies verteld: “As wi’j pompen maken mossen, dan konnen wi’j d’r twieje boren ien iene dag. Det kosten een kwartien veur een dag en dan hadden ze twie pompen. Toen was een kwartien nog een kwartien!

Turfklompen

Turfklompen

Dokter Luteijn uut Hattem brach mi’j een keer een klomp mee met ’n briede zool. “Die gebruikten ze vroeger in ’t turf, maar ik weet niet hoe”, zeg e. Ik kon ’t hum vertellen: “Vrogger ha-j baggerturf. Die worden op ‘t laand uutespreid en dan hadden ze twie van die platte klompen an en daor trappen ze de turf met an. As dan alles mooi an-etrapt was, dan trökken ze daor strepen aover en det worden deuresteuken. Det numen ze sponturfies, die waren ongeveer 20 centimeter lange. Die turfies kwammen ok van de Sponturfwieke bi’j Dedemsvaort vandaon.”
Nou had ik nog mar iene turfklompe, mar ik had nog een blok holt en ik had de klompenmakeri’je ok op ‘t museum. Ik bin an ‘t dreien egaone en nou staot de beide klompen ien ‘t museum. De iene die as ik emaakt hebbe was ietsie körter, ‘t holt was niet langer. Die aandere wol ik niet ok körter maken, want wat nog goed is mu-j heel laoten.
Ie hebt ok ‘t hoogveen. Det is ontstaon deur mossoorten. Elk jaor kump daor een ni’j laogien aoverhen en de rest zakt naor beneden. Det is sponzig en a-j d’r aover loopt giet het op en neer. Hoe dieper a-j komt, hoe zwaorder ‘t gewicht is en hoe harder de turf wordt, a-j die uutegraven hebt. ‘t Baovenste wordt bolsterturf. Deurdet grofva peerdehandelaar was, hadden wi’j det vrogger ok wel thuus. De bolsterturf wörden kapot-eslagen en die streien ze onder ‘t peerd uut um de miege (urine) op te vangen.





Karkhof?
Onder ‘t Palthehof könt nog mensen begraven liggen. Hendrik Sterken bellen mi’j een keer op: “Schoemaker, ie weet nog wel ies iets. Ik heb hier een blad en daor stiet ien: gepoterd op de westkant van het kerkhof, eikenbomen. Ik zeg: “Ja, gao mar bi’j de karke staon, dan kiek ie tegen de burgemeister zien huus an en daor stiet een hele ri’j iekenbomen langs. Det bint de bomen die toen op de westkaant van ‘t karkhof epoot bint.”
An de zuudkaante van de karke hef nog lange tied een stien elegen van een vrouw Beldman, umdet de karke toen veraanderd is. Toen hebt ze det graf op-egraven en op ’t aolde karkhof achter de burgemeisterswoning herbegraven en die stien daor weer op-elegd.

Spoorspieker

Spoorspieker van de tram ien de iekenstamme waor de peerde an vaste maakt wörden.

Ien ‘t museum mut nog een stukkien holt liggen met een spoorspieker waor ien ezaagd is. Bi’j de karke was ‘t koffiehuus en een holten peerdestal. D’r stunden ok iekenbomen langs de dieksloot, an de binnenkaante. Ien die iekenbomen hebt ze spoorspiekers van de tram eslagen. As de stal vol was, en det gebeuren later nog wel ies, dan konnen ze daor ok een peerd an vasteknuppen.
Met de ruilverkaveling is de weg van ’t Westende verbreed en toen heb ik een mooie rechte boom ekocht en laoten zagen bi’j Snijder. Ik stun d’r bi’j en toen iniens: een lawaai en een geraos, ‘t vuur det vleug d’r uut en toen zat de zage ien de lengte ien een spoorspieker. Zi’j hebt de zage d’r uut ehaald, want ie konnen niet wieder zagen. Snijder wol det stukkien holt ok nog hebben, mar ik zegge: “Ik heb oe betaald veur et scharpen van de zage, dus det blokkien det nem ik met.”

Veuruutziende blik?
Oes laand leup noord-zuud, töt an de Middeldiek, en achter oes koelaand, aover de weg hen, det waren de koelaanden, daor wonen toen Jans of Jannes Kragt. Hi’j was naost boer ok klompenmaker. De klompenmakeri’je, ok machinaal al, was ien de aolde schure. Nou woont d’r Berend en Annie Kragt. Vrogger was det gewoon ‘n enkel huus, mar daor heb ze waarschienlijk later een ni’j veurhuus an-ezet.
Mien grofva hef mi’j verteld det ze op de plek waor Jannes Kragt later wonen ’s aovens een lichien zagen braanden. ‘t Baovenlicht baoven de deure was ‘t lichien det ze allange ezien hadden toen ‘t huus d’r nog niet stun. Ja, vrogger waren ze ok wel bi’jgeleuvig.

D’r leup toen van Zwolle naor Emmen nog gien trein. Toch heuren ze soms, as ze ien ‘t koelaand waren, de belle van de trein al luden. Ik kan d’r niet mee aoverweg, een veuruutziende blik?
(Dit wordt in de volkskundige literatuur het tweede gezicht, of: voorloop genoemd, red.)






VAN EIGEN HAAND

Versiering van ‘t orgel

‘t Orgel ien de Grote Karke op de Viersprong ien Ni’jlusen

De versiering onderlangs ‘t orgel van de Grote Karke heb ik emaakt en de twie vazen d’r baovenop ok. Jan Westerman kwamp bi’j mi’j vraogen of ik nog wus hoe of die versiering d’r uutzag. Nou ja, det was makkelijk: baovenan daor zat ‘t nog laangs. Ik bin ien de karke gaon zitten en heb ‘m uutetekend; van de kaante en ‘t middelste stuk en det kö-j dan ummeleggen veur de aandere kaante. En toen he-k ‘t ok emaakt.


De iekenholten preekstoel uut 1672 ien de Grote Karke.


Tekstbord De Zaaier ien de Grote Karke






Het doopvont heb ik toen ok gemaakt, en de aovendmaolstaofel, met poten die past bi’j de preekstoel, de drie tekstborden, en de knielbanke veur ‘t trouwen. (Van de Maranathakarke heb ik de preekstoel, het klankbord en de taofel gemaakt.)
De preekstoel niet, die is al hiel old. Ien ‘t boek van ds. J. ter Steege, "De kerke tot Oosterveen", stiet det de preekstoel uut 1672 is. Ien de 50-er jaoren was de preekstoel bijnao weg-edaone. Ik wusse det er onder de varflaoge mooi iekenholt zat. Toen is de preekstoel hemaol restaureert.









Deupvont van baovenaf

Iekenholt
Wi’j leuten ‘t holt zagen ien Marle. Det was Frans eiken. Iekenholt wordt vief jaor edreugd. Ien Marle had ‘t al een poze lös elegen, dus ‘t was al iets ien-edreugd. ‘t Wörden daor ezaagd en as ‘t ezaagd was dan brachten ze ‘t bi’j oes. Wi’j hadden nog een holtschuurtien naost de boerderi’je en daor lag ‘t veer jaor wienddreuge te worden. Dan halen we ’t ien huus, leggen ’t op de zolder en stapelen ’t weer op. Daor stun de kachel onder, en as die kachel daor een winter onder warm ewest was, dan was ’t holt dreuge. Det wil niet zeggen det ‘t holt niet trekken kon. A-j met massief holt warkt, veural ien de kammenetten, a-j d’r een paneel ien hebt, dan mu-j altied ‘t holt ien een sleuf doen, zodet ‘t warken kan, ‘t mut uut können zetten en können krimpen. Later deden we det van multiplex en dan leggen we d’r eikenfineer op, zie, dan scheuren ‘t niet en ‘t warken niet. Det was ok 10 mm dik, net as wagenschot.
‘t Is misschien niet zo mooi ezegd van mi’j, mar d’r was een keer een ambtenaar van ‘t gemientehuus bi’j oes op ’t museum, die zeg: “Voor meubelen moet je uitgewerkt hout hebben.” Zeg ik: “Weet u wel wat het verschil is tussen een ambtenaar en hout?” “Ik niet”, zeg ie. “Nou, hout werkt.” “Doet een ambtenaar det dan niet?” zeg hi’j. “Dat is voor uw rekening, dat heb ik niet ezegd!”



Mozes met de stenen tafelen –
psalmbord Grote Kerk Nieuwleusen


David met de harp –
psalmbord Grote Kerk






Kammenetten
Op ien nao he-k de kammenetten die as ik ien huus heb staon zelf emaakt. Allend die van mahonie niet, die is al aolder.
Ien van de eersten is emaakt van holt uut Rouvene. We deden de ienrichting veur een jong paar op Rouvene en daor stun een grote walneutenboom veur ien de tuun. De man was autohandelaar en hi’j zeg: “Det dink stiet mi’j ien de weg, det mut d’r uut.” De boom was aorig dikke. Ik zegge: “Die wil ik graag kopen!” Zi’j hebt ‘m naor Snijder ebracht, um te laoten zagen. En ik heb daor twie kammenetten van emaakt. Iene he-k zelf ehollen en de aandere he-k verkocht. Toen as die kaaste hier naor baoven mos was det gien probleem, umde-j ’m uut mekare könt halen. A-j baoven ien de kaste kiekt zie-j wat pennegies zitten. Die kö-j d’r uut halen en dan kö-j ’t baovenste stuk oplichten. Dan pak ie de deure d’r uut, de kappe d’r of en dan kan ’t töt an het onderstel d’r of en ok weer d’r op. En de laden könt d’r uut.

Dizze kaste is uut een walnotenboom uut Vorchten. De getekende stukken mut eigenlijk aandersumme, ien de kaste zit ze d’r op de kop ien.

Ien de kroon van ’n kammenet he-j soms hoeken met een stukkie da-j niet vlak konnen kriegen umdet ie d’r niet bi’j könt. Dan gebruuk ie een soort krusien, det nuumt ze een ‘zandertje’. A-j die d’r ien slaot wordt ‘t amaol punties, die tik ie d’r dan ien en dan is ‘t toch glad. De slotornamenties kö-j nog zo kopen en wi’j hebt ze ok wel laoten maken ien Zwolle.

Kammenetten he-w zat emaakt, wel rond de 100 stuks. Toen ik nog wat neutenholt had, he-k daor nog een kuifkaaste van emaakt. Ik heb ok nog een bolpootkassie maakt. Ien Drente nuumt ze die wel ‘Drentse kaste’. Zo’n kaste mu-j anpassen naor det de panelen bint. De prachtige kleuren en tekeningen ien ’t holt bepaolt hoe ze ien de kaste wordt gebruukt.

De bomen kwammen meestal toevallig op mien pad. Dunnink, die was bi’j oes an de schietvereniging, die had connecties met ’n bakker uut Vorchten en hi’j had heurd det daor een walnotenboom ummezaagd was. De boom was wel lang, mar wat jammer is, ien de midden hadden ze nog een stuk ien-ezaagd. Ik had wel 200 gulden meer willen geven as die zaagsnee d’r niet ien zat. Mar goed, ik heb ‘m toch ekregen. Ien ’t onderste gedeelte van de boom zatten mooie getekende stukken. Geert nuump det kassien ‘de vuurwarkramp van Enschede’, umdet de vlammen d’r as ’t ware uutvliegt. Het hef ’n knieftig systeem veur ’t verstoppen van ’t slot. De sleutel ien ’t latien en ‘t geheim blif bewaard.





Wi’j bint ien Zuud-Holland bi’j een schilder. Daor ha-w een kammenet verkocht. Een jochie kek toe. Eerst zet wi’j ‘t onderste deel neer, dan mut ‘t middelste stuk d’r op. As ’t goed is dan past de pennen, die he-k pas emaakt. Wi’j zet det stuk d’r op. “Boems” heur ie. “Mam,” zeg det jochie: “’t past in één keer!”

Palmholt
Ien totaal he-k twie spinnewielen emaakt, eigenlijk drie, met det kleintie op schaal de-k ien huus heb staon. Ie hebt van die buxpalm, buxus met van die kleine glimmende blaties, daor he-j ok wel heggies van. Bi’j oes stiet d’r ok iene veur ‘t huus. Naost mien schoonvolk wonen Zonnenberg, ‘de wet’ numen we ‘m altied, hi’j was wetholder. Die had zo’n palmboom an ‘t hek an de damme staon en die wol e kwiet. Ik vreug ‘m: “Kan ik die stamme kriegen?” “Neemt mar met, dan bin ik ‘m kwiet”, zeg e. Van de stamme heb ik een mooi palmholten spinnewieltien emaakt. ‘t warkt wel goed, mar ‘t rad van een groot spinnewiel is ien verhaolding zwaorder en daordeur löp ‘t beter deur. Soms bint spinnewielen van iekenholt, soms ok wel van essenholt. ‘t Maakt mi’j niet veul uut um een model op schaal te maken of op ware grootte. Mu-j gewoon fiene gutsen hebben, en die he-k wel. Dit palmholt was veurhaanden.
Palmholt is glanzend en keihard. A-j een goed mesheft hebben wilt, dan mu-j det van palmholt maken. Eerder waren goeie beitelheften, daor a-j met de hamer op konnen tikken, ook van palmholt emaakt. Det gruuit heel langzaam en trekt niet kroem.

Hendrik zien palmholten doemstok

‘t Barst ok niet snel, mar d’r zat wel ’n metalen raand um die slagbeitels hen. Goeie doemstokken - det waren vrogger Italiaanse doemstokken – die waren ok van palmholt.

Ik heb vrogger ien de schure ok al een spinnewiel emaakt. Ik had daor ok al een dreibanke. Daor zat een onderdeel an van ’n trapper van een fietse en een groot vliegwiel, met lood d’r ien. Ie stunden d’r veur, met ‘t iene bien mos ie trappen en dan de beitel d’r langs hollen. Det was een heel karwei, heur. ‘t Was een hele verbetering toen d’r later een electrische motor an kwamp. Dan kö-j oe concentreren op ‘t dreiwark.

De meule van Usselo
Ik bin al jaoren donateur van de Stichting Overijsselse Molen. Toen as mien vrouw nog leven, gungen wi’j regelmaotig naor de vergaderingen toe, en dan ha-w ’s middags een koffietaofel. Um half twieje stun dan de busse klaor en gung ie verschillende projecten bi’j langs die weer klaoremaakt waren. En zo kwammen wi’j ien Usselo, bi’j de meule die lange tied ien Buurserzaand estaone had en die ze weer naor de eigenlijke plaats ebracht hadden. Het is een standaardmeule umdet er ’n standaard onder zit, daor dreit e op. Zi’j zegt ook wel: stenderkaste. Het is nog de enige standaardmeule in Aoveriessel. A-j van Enschede naor Haaksbergen gaot dan kom ie bi’j Usselo en daor stiet de meule, links van de weg.
















Binnenwark van de meule van Usselo





Hendrik zien meule van Usselo op schaal

Wi’j bint d’r binnen ewest en ik was d’r zo van onder de indruk, det ik zeg: “Ik gao em naomaken.” Det is dan zomar zo’n opwelling. Hoe a-j det anpakt? Ik bin d’r dus binnen ewest en ik had een boek waor de meule ok ien stun. Daor stun de lengte van de wieken ien: van punt töt punt 25,10 meter. Ien-twintigste daorvan is 62,5 cm, midden uut de as emèten. Die drei ie naor beneden toe en die mut 1 cm van de grond lös liggen, dan wee-j hoe hoge of de asse mut liggen. En ik wusse det e 4 m breed was en 5 m diep, en dat er drie verdiepings ien zit. Nou, en dan bouw ie ‘m.

D’r zit een maalstoel veur, die dreit ook mee, en de bonkelaar giet onderuut met ‘t spoorwiel en daor zit ok nog twie maalstoelen ien. ‘t Mooie d’r van is det ‘t allemaole warkt. ‘t Kosten mi’j eigenlijk niet al te veule muuite um dit zo te maken. Die taanties daor hef mien vrouw mi’j an ’t idee hölpen. “Gao naor de slager,” zeg ze, “die hef van die stokkies waor ie vleis an spiest.” Ik mos ze hebben van 3 mm, dus schoefmaote met. Die a-k gebruken kon, die he-k gebruukt veur de tanen (tanden) ien de wielen. Zat d’r eerst een tik ien. A-k ‘m ronddreien: “Tik, tik”. Gatdulle, wat kan det nou wèèn? Op ’t lesten ontdekken ik ‘t. Ien zo’n taantien was ½ mm langer en die vul niet meer tussen de spielen, mar d’r net op. Toen as ik die of-evield had, was ’t aover. As d’r graan kump, til ie ‘t zakie naor baoven, naor de veurraodzolder. En daor heuren eigenlijk nog van die steunen, mar ik denke, as ik det allemaol volbouwe dan zie-j weer niks.

Ien ding kan ik nog nooit recht zetten hoe of det kan. Wanneer iemand aoverleden is die wat met de meule hef te maken, dan wordt die meule ien de rouwstaand ezet. Det was hier ok zo. As d’r een begrafenis an kwamp vanuut ‘t Westende, dan zetten Jan Massier de meule stille in de rouwstaand. En dan gunk Jan veur op de stelling staon. As de begrafenis d’r langs gunk dan nam e de pette aof. En as die veurbi’j was, de bochte umme, dan gunk e weer naor veuren en zetten e de meule weer ien warking.
Ik weet zeker det ik de meule van Usselo altied ien de warkstaand heb. Det is met de wieken rechtop en horizontaal. Mar toen a-w nao ‘t aoverlieden van mien vrouw ’s middags weer kwammen, en ik ’s aovens naor bedde gunge, leup ik nog effen de veurste slaopkamer ien, dreie mi’j umme, kieke naor de meule, stiet e ien de rouwstaand!





Boerenwarktugen ien ‘t klein

Kafmeule op schaal

Wi’j hadden thuus een kafmeule en die he-k ook naomaakt. A-j zelf met de stok edörst hadden, dan kö-j et zaod ien de kafmeule gooien. D’r zat een schoefien veur, det kö-j opdoen en a-j dan dreit, dan schudt ’t hen en weer en d’r zit een meule ien die et kaf d’r uut waait.

De boerenkaore die as ik emaakt heb is al verscheidene jaoren aold. Toen mien kleindochters nog klein waren, zi’j können net ien ’t wagentien zitten. Dus zo aold is die al. D’r lig een wezeboom ien en een heuihok, een kruke um drinken met te nemen naor ‘t heuilaand en een pannekoektrommel. Vrogger hadden ze gien stoete, mar boekweitpannekoeken mee. De sturtkaore, stortkar, die naost de boerenkaore stiet, hiet zo umdet ie em achteraover könt kiepen. Zie praot ook wel van een kiepkaore. Achteran de sturtkaore, daor zit ringen an. A-w naor ‘t laand hen bouwen gongen, hongen wi’j de ploegwagen an zo’n ring, umdet die nogal zwaor was a-j die ien de bak mossen beuren. Ie halen de hamer, waor ok de touw-knuppel an vaste zat, d’r uut, scheuven de ring d’r tussen, zetten de hamer d’r weer deur en dan slepen ie de ploegwagen zo met.

Holten peerd

‘t Holten peerd veur de boerenkaore, rechts d’r achter de sturtkaore

Ik heb ’n holten peerd emaakt, en toen det klaor was, zeg Geert: “Va, det peerd is mooi, mar de kleur is niet goed.” Toen mos ik een keer veur mien schoondochter naor ’t Klein Oever en daor leupen twie Belgische peerde ien ’t laand en die hadden dezelde leverkleur. Nou, dan was ‘t toch goed. Een keer ha-k ‘m ien de kamer staon. Toen kwamp mien kleindochter. “Opa, det peerd is mooi, mar ‘t is niet aof.” “Wat nou dan nog?” “’t Hef gien hoefiezers onder.” Heb ik de iezers d’r nog onder emaakt. ‘t Is lood, mar goed, ‘t hef wat onder de voeten.

Van een sardienenblikkien maken ik een zeivat, van holt ’n krulewagen, ’n mest-krulewagen, ‘n sliepstien, ‘n hakblok en een zagien.
















Boerenwarktugen ien ‘t klein





Schepen op schaal

twie tjalken op schaal

De botter is ’t ‘vissersvaartuig van de Zuiderzee’. Ik had ‘m half klaor, toen mien schoondochter zeg: “Vader, wat gao-j met die botter doen?” Ik zegge: “Op een keer neme ik ‘m mee naor de schure, daor heb ik een biele en dan hak ik ‘m ien mekare!” Want ik had zo de pest an det bottertien. “Ach nee, vader, ie neemt em een keer mee naor beneden, haalt oen workmate, die zet ie ien de keuken,’t lintzagien d’r bi’j en dan maak ie die botter of.” Nou, toen is e aof-ekomen.



Tjalken he-j ien veule vormen en die vaart ’t hele Nederland deur. De boot die ik nao-emaakt heb is uut begun 1900. Det soort varen hier ok wel deur de vaort hen. ’t Valt onder de verzamelname platbòdems, daorumme hebt ze zweerden.

De Urker Botter UK36

Ik heb een Marker botter baoven staon, mar ik had ok een Vollenhovense schokker, det was een hele rare boot. Van veur en van achter schuun en dan leup e ok weer schuun toe. D’r zat veuran ok een roefien en zo, ‘t was ok een vissersboot. Gerard Reineke, die as Oostduutse jonge bi’j oes ewest was, wol ok zo graag zo’n schip hebben. Ik zegge: “Wee-j wa-j doet, neem die schokker mar mee.” Hi’j hef d’r een soort vitrine veur laoten maken en hi’j had ‘m ien de woonkamer staon. Mar ja, Gerard is een paar jaor eleden al aoverleden. Hi’j had doeven, hi’j had enten, hi’j had ganzen, hi’j had kiepen en hi’j had nog een varkentien. Ik heb nog wat muntbiljetten uut veurmalig Oost-Duutsland, van de staatsbank van de DDR; vief Mark en tien Mark. Die he’k van um ekregen.

De Urker botter die ik heb staon klopt niet helemaol. Die ha-k zo emaakt: we waren een keer in Urk, ik heb een stukkien pepier evraogd an een vishandelaar en daor he-k ‘m op uutetekend.

Ik heb ook nog een Friese tjalk op de schietvereniging staon. Ik zat wat ien een dip en toen zeg Gerard ten Kate: “Maak ies wat veur de schietvereniging.” Ik zeg: “Ja, mar wat?” “Määkt niet uut, kiek mar.” En toen he-k een Friese tjalk emaakt. Daor hebt ze een mooie vitrine veur emaakt en nou stiet e ’s aovens mooi verlicht achter de bar. Ik heb d’r ok mensen op emaakt: de stuurman en de schippersknecht, die is ‘t dek an ’t zwabberen, en





d’r zit een vrouwgien te eerpelschellen. A-j det ziet, det hef zo’n mooi gezichien. Een detail van de knecht en ‘t vrouwgien, die neuze van opzied, det is zo machtig mooi, en die leeuw die daor lig op ‘t stuur. Ik zeg een keer: “Wee-j wel waorum die niet opstiet?” “Nee.” “Hi’j is bange det e d’r ofvalt!” Ie mut een betien gein hebben, toch?

Van de Enterse zompen heb ik d’r wel een stuk of vief of zes emaakt. Een van die Enterse zompen stiet ok ien et museum.

De Batavia

‘t Bouwen van de Batavia was machtig mooi wark. Ik was net 74 jaor toen as e klaor was. Et was mien lèvenswark. ‘t Was wel jammer det ik em vut mos doen, mar ja, ik kon ‘m niet hollen, ’t was zo’n groot ding. Ik zat een keer bi’j de kapper en toen zeg ik zo: “As ik d’r iene wusse die d’r bezonder veule veur vulen, dan kon die ‘m van mi’j wel gratis kriegen.” Toen zeg Evert ten Kate: “Ik wil ‘m graag hebben, mar ik wil ‘m niet veur niks hebben.” Hi’j hef later een enveloppe met inhold ebracht en daormee had ik ‘t materiaal goed betaald, en ja, de rest was hobby.




De Batavia ien wording

De bouw van de Batavia is vast-elegd ien een fotoboek. As ‘t weer een einde op-escheuten was, dan maken ik weer een paar platies. ‘t Mos tussen de bedrieven deur. A-j wark hadden dan mos ie an ’t wark.


De kenonnen van de Batavia

Ik had wel wat bouwtekeningen, mar ik bin ok een paar keer naor Lelystad toe ewest um te kieken. ‘t Model is 3.30 m en de lange mast is 2.50 m.

De Batavia van de achterkaante







De Batavia ien volle glorie

Der zit ok een paar kenonsgaten ien. De onderstellen veur de kenonnen heb ik zelf emaakt, mar de bronzen kenonnen he-k laoten gieten bi’j Van Wijhe. Ik heb een mallegien emaakt van holt en det heb ik naor Van Wijhe ebracht.
De Batavia was een driemaster: twee grote masten en dan de Bazaansmast achteran. Et Bazaanzeil det was schuun, det ko-j ok nog verzetten, det hölp ok nog veur ‘t sturen.
‘t Holtsniewark is etzelde as van de echte Batavia. Ik heb d’r een foto van emaakt en toen he-k ‘t naomaakt.

MIEN VERZAMELINGEN
Tin
Klaas Bijker, de grofva van mien kammeraod Klaas Bijker, was etrouwd met Hillegien Alteveer. Die Alteveer wonen ien het huus daor Henk Prins töt zien dood ewoond hef, an het Oosterveen. In het rieten dak heb ze de name Alteveer staon. De kraanties-koffiekanne die a-k op de taofel hebbe staon, kump bi’j die Alteveer vandaon. Ik heb ‘m ekocht van Klaas Bijker zien moeder. Vrogger hef e zwart ewest. Ien de oorlog mos ie tin enzovoort inleveren en toen hebt ze em ien ‘t zaand estopt, ien van det zaand det ze vrogger ien de kamer op de vloere streuien, en toen is de varve d’r aof egaone. Mar det gef niet, ik vien ‘m zo net zo mooi.





Derk Hof wonen ien de Maot en hi’j mos verhuzen. Hi’j had ok een kammenet en hi’j vreug of wi’j det kammenet verzetten wollen. Nou, det is ammaol prima verlopen en toen lig daor die ronde tinnen lepels op de taofel. Ik zeg: “Goh, det bint mooie tinnen lepels, en nog een merk d’r achterien.” Zi’j hadden gien kiender. “Vien ie ze mooi, Schoemaker?” zeg die vrouw. “Jazeker.” “Nou, neemt ze mar met. As wi’j de kuten rechtuut stikt, dan pakt ze d’r ammaol iene en raakt ze uut mekare en ‘t börtien wordt ien ‘t vuur egooid! En nou blieft ze bi’j mekare.” ‘t Is nog ‘t originele börtien van rond 1800, alleen ‘t baovenste plankien heb ik ni’j emaakt. Tinnen lepels bint meest uut de 18de eeuw.

De ovale tinnen lepels heb ik op De Meele kocht, die bint weinig gebruukt, denk ik. Die heb ik van Meesters, die had er gien börd meer bi’j, die had alleen de tinnen lepels. Een ni’j börtien heb ik zelf emaakt.









Kraantieskoffiekanne van Klaas Bijker
zien moe


De ‘karsballe’

De karsballe onderan de pietereulielaampe höng bi’j mien grofva ien Dalfsen an de laampe. Ik dache det ‘t een karsballe was. Mar hi’j is veule zwaorder as een gewone karsballe en ook al heel aold, ik denke det e wel van èènde 1800, begun 1900 is.
Een keer, ien de harfst of zo, kwammen wi’j d’r en zeg ik: “Goh, grofva, of he-j nou al karsdagen?” Hi’j zeg: “Nee, gao d’r mar es ien kieken. A-j d’r kört met ‘t gezichte veur koomt, dan vervormt oe gezichte, umdet e rond is. As nou de duvel ien huus kump, die hef al niet zo’n mooie kop, en zut ‘m zelf dan ien de spiegel van de balle ziet, dan giet e op de vluchte.” Det was gien geintien, hi’j menen ’t. Det hadden ze ‘m op de markt natuurlijk wies-emaakt. In die tied ha-j van die lanterfanters op de markt staon die oe van alles wies konnen maken.
Ien Twente höngen ze vrogger zo’n glimmende heksenballe bi’j ‘t haardvuur of an de rookvanger baoven ‘t open vuur toen de schörstienen ien de mode kwammen. De vlammen weerkaatsen ien de balle. Det zol heksen aofschrikken, die bint namelijk ‘as de duvel zo benauwd’ veur spiegels. Umdet ‘t haardvuur heilig was, worden det zo bescharmd tegen toveri’j.







de heksenballe





Dit is een emmertien uut een pompe. Ie hadden vrogger van die keuperen pompen, en daor zit een kleppien ien. A-j ‘m naor beneden drukt, dan spuit ‘t water naor baoven, en dan giet ‘t kleppien dichte, en a-j ‘m optrekt, dan nemp e ‘t water met naor baoven.

Pompemmertien




Holt
Wi’j waren ien Titisee op vakansie, det is een plaatse en een meer met dezelde name. Op ’n aovend bin ’k met mien vrouw een èènde an ’t rondwandelen en zeg ik tegen heur: “Kiek, daor he-j die boerderi’je, die as ok op de folder stiet.” “Ja,” zeg ze, “en mu-j es an die boom kieken.” Die boom was op ’n bezundere menier ummebeugen. ‘t Was een dennenboom, die stund zo naor beneden en gruien naor baoven. Dan denk ie: hoe is die zo krom ekomen? Ik denke det ie as jonge boom onder een bult sni’j (sneeuw) ekomen is en toen is e ummebeugen en hi’j hef ‘m zelf nog weer op-ericht, want hi’j wil van nature naor baoven, naor ’t licht gruien. Is e toch dood-egaone. Det holt was zo verschrikkelijk hard, met een broodmes heb ik niks edaone as kitsen um ‘m d’r of te kriegen. Mar ik redden ‘t!








Holt-zonder-ende

Holt-zonder-ende det zit an de boom vaste. ‘t Dikste holt-zonder-ende det a-k heb kump van de weg van Mariënberg naor Sibculo. Daor he-j langs de weg een hele ri’j beukenbomen en daor zat det holt, hoog an de stam, zo umhen. Met een lange paole heb ik der net zolange tegen an estoten töt e midden ien de sloot rollen, en met die lange paole kon ik ‘m zo naor de kaante halen.

Holt-zonder-ende




Holt-zonder-ende as kop van een wandelstok





Letterzetter

Letterzetterworm an ‘t wark ewest

Mien kleindochters vunnen een stukkien stamme ien de bos. Ik heb det niet zelf bewarkt, det hef de ‘letterzetter’ edaone. Det is een wörmpien det ien dood holt zien eigies legt en daor koomp larfies van en die larfies vreet zich deur ‘t holt hen naor buten toe. Ie könt d’r de taanties nog wel ien zien. Ik heb d’r nooit iene weer evunnen daor d’r zoveule aover de hele lengte ien zit. ‘t Is dennenholt, gien sparren. Waor of ze ‘m evunnen hebt det weet ik niet. Hier he-k d’r nog een stukkien aof-ezaagd, ‘t was aordig vergankelijk. En ie könt d’r een vogeltien ien zien, met zien snaveltien, dudelijk versierd. Ik heb ‘m eerst goed laoten dreugen en toen veurzichtig goed of-eschuurd en toen he-k ‘t een betien aof-elakt.

Wi’j hadden connecties met de schietvereniging ien Cronberg, Duutsland. Daor was ok een meubelmaker lid van, die hieten Bettenbühl. Wat die man kon, daor bin ik mar een kleine jonge bi’j, det was een vakman töt en met!
Cronberg lig ien ‘t Taunusgebergte. Daor was vrogger een Romeinse vesting, ha-j um de kilometer een ‘castellum’ staon. Det is zoveul as een kazerne, rondumme gesloten, alleend een poort van veuren en een binnenplaats. Die heb ze nao-ebouwd. Daor bin ’k ok ien ewest. Daor lagen waterleidingbuizen van holt en ik heb een stukkien van die Romeinse waterleidingbuis ekregen. ’t Is meer as 2000 jaor aold. ‘t is iekenholt, det kö-j zo an de structuur zien, en deurdet et zo lang ien de grond ezèten hef is ‘t zwart eworden. D’r was ok een schoen evunnen ien een aolde waterput. Een goeie schoenmaker hef die schoen nao-emaakt. As de dames tegenwoordig zo’n schoen an hebt, dan hebt ze een hele moderne schoen an, zo fien waren die toen al. D’r lag ok een schave. A-j tegenwoordig zo’n blokschafien hebt, bint ze hemaol van holt, mar daor zat een bronzen slof aonder, det e niet zo hard ofsleet. Net zoas wi’j nou hebt! Die Romeinen die konnen d’r wat van, heur! Ien de kraante hef nog een stukkien estaone aover de Batavia, en daor stun baoven as kop: ‘Hout is het helemaal voor Schoemaker.’ Nou ja, det is ook zo, veural mooi holt. En ik heb wat met dit stukkien holt, det al heel arg aold is.

Kern van de Staphorster wonderboom


Ien de grond ligt leilijnen, net as wateraoders. Die komt op een bepaold punt bi’j mekare en det gef een soort energie. Ien ‘t Staphorster bos hef op zo’n plek, net midden ien ‘t punt van die leilijnen, een ‘wonderboom’ estaone. Daorum gungen ze tegen die boom zitten. De Staphorsters vunnen det niet goed, en die hebt em of-ezaagd, een èènde baoven de grond. De stobbe van die boom, een Oostenriekse denne, hef d’r nog jaoren estaone. Mar de paalwurmen hebt die stobbe hemaol van binnen uut-evreten. Ik bin d’r later nog een keer langs ewest en toen zeg mien schoondochter: “Da-s nou jammer, de-w





nou niks hebt van die boom.” Toen bin ’k er nog weer langs egaone en toen zat er ien het binnenste van de aolde boom een jonge boom en det he-k aof-eschoerd. Ie ziet de aolde takken nog van ‘t jonge boompien. Ja, de iene die zöt ‘t en de aander niet. De Germanen hadden de leilijnen al ontdekt en alle karken bint op kruuspunten van leilijnen ebouwd. We hadden d’r wel veule meer met können doen, met die kennis die ze kwakzalveri’j nuumt.

De tabakspot
“Ie hebt daor een mooie aoldewetse tabakspot”, zeg Hendrik. “Zit vol met holtwörm!” zeg Annelies. “He-j lakverdunning?” “Watte?” A-j celluloselak hebt, daor verdunning van, vrief de potte d’r hemaol mee ien, van binnen en van buten, dan kump der nooit gien holtwörm weer ien. Die giet hartstikke dood! Ik had een stiekelbak ekocht op de IJhorstermarkt, en da-s net as een hakselmesjiene, zo’n stuk holt zit d’r an, allemaole holtwörm. Ik heb ‘m met heel dun lak ien laoten trekken an weerskaanten en later met matlak aoveredaone. Hi’j stiet mooi ien ’t museum te pronken.

Hendrik zien tabakspot

Klokken
Mien keukenklokkien löp niet, mar hi’j hef wel elopen en hi’j wil ok wel lopen, mar hi’j mut effen esmeerd worden. Kiek, hi’j löp wel een posie, mar op den duur giet e staon, umdet e dreuge is. Wi’j hadden ien Oldenzaal aof-espreuken met iene van een café. Kome wi’j daor, hebt ze oeze kamer verhuurd an Duutsers. Dus toen ko-w daor niet terechte. D’r zatten een paar jonges an de bar en ien van die jonges zeg: “Wach mar ies effen. Ik lope effen naor huus, kome zo weer.” Det was d’r iene van Spit, en die kwamp weer: “Ie könt bi’j oes terechte.” Ze hadden daor dit klokkien en de vrouwe wol graag een stel vazen hebben, veur op een kassien. Die hadden wi’j thuus wel. Ik zegge: A-w ‘t nou zo maakt. Ie komt een keer bi’j oes en dan neem ie ‘t klokkien mee. En as oe de vazen dan anstaot, dan ruile wi’j gewoon top umme.” “Det doe-w”, zeg die vrouwe. En toen bint ze een keer bi’j oes ewest ien de Karkenhoek. Nou, de vazen die stunnen heur an en toen he-w ze ummeruild. En zo kump Jan Splinter deur de winter.

De Franse pendule, ok met een slinger d’r ien, die he-k van Mans Maat uut ’t Westende. Die man he-w verhuusd naor Amersfoort en hi’j had det klokkien ien huus hangen. “Goh, Mans, wat is det een mooi klokkien!” “Ja,” zeg e, “mar ‘t ding löp niet.” “Nou, bi’j oes he-j Van de Bosch, die kan em wel maken.” “Vien ie ‘m mooi?” zeg e, “pak ‘m d’r mar aof en nemt mar mee.”






Friese startklokke

De Friese startklokke hef mien grofva ien 1880 ekocht op de voddenmarkt ien Zwolle. Toen was ‘t nog een tamelijk ni’je klokke. Die hunk altied bi’j mien grofva an de Oosterdalfserstege. Mien grofva had daor een hele aolde boerderi’je, van midden 1700, en die is later ien mekare zakt. Toen mien gropmoe aoverleden is, hef mien moe die klokke kocht. De klokke hef een kwartierslag; hi’j slöt elk kwartier. Hi’j slöt beveurbeeld 12 uur op de grote belle, kwart aover 12 iene slag op de grote belle, dan um half iene iene slag op de kleine belle en kwart veur iene, iene slag op de kleine belle.

D’r is verschil tussen een Friese startklokke en een Groninger startklokke. Op de Friese klokke he-j de pilaarties op de deure zitten en de Groninger klokke is brieder, daor zit de pilaarties naost de deure. En daor staot twie van die bazuinengels (gevleugelde vrouwfiguur met de bazuin uut de mythologie: Faam) baovenop, met ien de midden Atlas met de wereldbol op de nekke. ‘t Deurtien is rond van baoven. Die ni’je klokken hebt vake een veerkant deurtien.


Groninger startklokke

Mien zwaoger Henk van der Veen dienen op ’n boerderi’je an de Hoevenweg en daor was een groot bakhuus naost. Daor wonen een moeder en een dochter. Henk wus det daor een klokke op zolder lag en hi’j hef evraogd as ze ‘m ok verkopen wollen. Det wollen ze wel, mar hi’j was kepot, hi’j leup niet meer. Nou, ik bin d’r henne west en ik heb die klokke ekocht en erepareerd.
D’r zit ok een bel-uurwark ien. A-j ‘t wiezertien op de zesse zet, beveurbeeld, en ie trekt ‘t kleine gewicht naor beneden en ‘t grote naor baoven, dan zakt, zo gauw as e op zes uur kump, ‘t grote onderuut en dan slöt e tegen de belle an. De beelden stelt de seizoenen veur. Op de wiezerplate he-j een schildering van een borg (butenplaatse) staon, met water d’r umhen. Ze bint daor an ’t vissen op een botien en d’r staon ’n paar zwanen bi’j. Vandaor det ik denke det dit een Groninger type is. Ik wete niet of disse borg een echte of een fantesieborg is, want zi’j schilderen d’r ok nog wel ies zomar een platien op. Mar ik vien ‘m wel mooi. De Groninger startklokke vien ik eigenlijk nog wel mooier as die Friese van mien grofva, mar die van mien grofva daor hang ik wel ‘t mieste an.





“Jager”
Ik was ok wel jager en ik gunge ’s aovens wel met de bukse rond. Toen ha-j nog rogge-akkers en eerpelakkers enzovoort. Leup ik ‘t laand aover. Ik heb wel de meugelijkheid had um een haze te schieten, mar ik dee ’t niet. Ik vun ’t jammer um det dier dood te schieten. Wi’j hadden ok een hond thuus, mar die gunk nooit met. Met de bukse aover ’t laand lopen, kiek, det was ’t, da-s toch ok mooi, de romantiek van de jacht. Ik heb daor wat umme-ezwörven.


Waopens

Twie olde jaegers: Dijk en Klaas zien grootvader Bijker

Ik was een betien militair anelegd. Veurdet ik ien dienst gonge was ik al met waopens bezig. Det zat d’r gewoon ien. Nou ja, ‘t vechten niet. ‘t Gonk mi’j d’r niet umme um iets te schieten. Zo gonk ’t mi’j met de militaire dienst ok.
‘t Eerste pistool det ik kreeg was van Klaas Bijker. Ik ware een keer bi’j ‘m an ’t Oosterveen, hi’j giet naor de zolder en kump met ’n pistool anzetten. ‘t Was hemaol zwart elakt, mar ik zag wel det ‘t een aold pistool was. ‘t Was van Klaas zien va. Ik zèè tegen ‘m: “Wil ie die ok verkopen?” “Nou, ’k zal ’t nog wel ies aoverleggen”, zeg e. Wi’j wonen toen nog an Dedemsvaort, ien oeze holten woning. Klaas brach ’t pistool op een keer met. “’t slot was d’r eerst aof, mar det he-k ook evunnen”, zeg Klaas. Ik heb ‘m helemaol schonemaakt. ‘t was ’n mooi pistool, een vuursteenpistool, van achter was ’t met zulver ien-elegd. Toen ik ‘m klaor had kump Klaas weer een keer bi’j oes an de Vaort en toen zeg e: “A-k det eweten had!” Ik zegge: “Ja, dan hunk e nou bi’j oe an de kaante!”

Mien kammeraod Klaas Bijker zien va, en zien grofva waren jagers. Mar Klaas en zien aoldste zeune Klaas waren beide verzamelaars. Klaas had d’r nog pepieren van det bi’j Alteveer een publieke verkoop was van de spullen. Daor waren twee pistolen bi’j veur ƒ1,75. Die hef hi’j toen ekocht en daor is ‘t vuursteenpistool d’r iene van.
Ien Giethoorn he-k ook nog een keer ’n vuursteenpistooltien ekregen. Det was meer een reispistooltien, ie konnen ’t zo ien de binnenzak stikken. Det was met keuper aof-ezet en heel mooi. Ik heb daor een ni’je kolf an-ezet, want de kolf was verrot.

De holten schieters he-k zelf emaakt: een brengun, det is meer een geweer, en een stengun, det is meer een pistool, die heb ik zörgvuldig nao-emaakt.
Deurdet ik ien dienst mitrailleurschutter ewest was, heb ik van de jonges van de verzetgroep een brengun ekregen. De loop kö-j verstellen en ’t vizier zit d’r naost, umda-j d’r bi’j langs mut kieken. A-j een paar keer escheuten hebt, kö-j de loop d’r aof halen, stik ie ‘m effen ien een sloot, det e aofkoelt. Det was wel neudig. Want a-j twie van die trommels achter mekare d’r uut scheuten, dan was de loop zowat gloeiend. Achter de





munitie, de geweerpatronen, zat een vere. Dus a-j scheuten dan drukken die vere de patronen aonderuut. A-j gaot schieten, dan gao-j liggen, want as det dink schöt dan kö-j ‘m haost niet vaste hollen deur de terugslag. Dus dan gao-j liggen, de scholders d’r veur, dan de poot op de grond en dan kö-j richten.
Iene van de verzetgroep, die zeg: “En a-j spreiden wilt, dan doe-j zo”, en hi’j meien met ‘t geweer van links naor rechts. Ik zegge: “Bin ie an ‘t grösmeien?” “Hoe dan?” zeg e. Ik zeg: “Daorgunder he-j an de weg twee rikkepaolen staon. Richt nou es op de iene en richt dan es op de aandere. Doe je dan zo? Nee! A-j ien de midden richt, dan he-j ‘t hiele pad aonder vuur liggen.” Hi’j was nooit ien dienst ewest.


De holten schieters: achterste een brengun en voorste een stengun

Bonne Ruys was beschermheer van de rievereniging. Mien Ruys, det was toen nog Mieke Ruys, hef ok nog mee-ereden ien ’n achttal. Wijnja was oeze instructeur, die was wachtmeester ien Deventer bi’j de cavallerie.
Toen Bonne Ruys was aoverleden, warken ik nog bi’j Varwijk an Dedemsvaort. Gerard Varwiek en ikke mossen spullen ienladen die veur Mien Ruys ien Amsterdam bestemd waren. D’r hunk een aold geweer ien de gang en daor keek ik al ies naor. ’n Machtig mooi geweer. Willem Ruys, de breur van Mien, die daor toen nog wonen, die zeg: “D’r hangt hier ook nog zo’n oude spuit, wat moet ik daar nou mee?” Det was een veurlaadgeweer. Ik denke: “Det klinkt goed!” Ik zeg: “Meneer Ruys, als ‘t oe u niet interesseert, wil ik ‘m wel aoverneemen.” “Och, laat ik em eerst maar ’ns naar zolder brengen. Ik kan d’r ooit nog wel eens mee doen wat ik wil.”
Vieventwintig, dartig jaor later kump Willem Ruys an met taofelties, stoelties, een hiele bult, of ik die repereren kon. Toen a-w daoraover uut-epraot waren, zeg ik: “Meneer Ruys, mag ik u een brutale vraag stellen?” “Ja, vraag maar,” zegt e. “Hebt u dat geweer nog op zolder liggen?” “Hoe weet u nou dat ik een geweer op zolder heb liggen?” Toen heb ik ‘m det verhaal edaone. “Klopt wel, dat ligt er nog”, zeg e. “Nou, wij moeten maar een deal maken” zeg ik. “Valt over te praten”, zeg e. Wi’j wörden ’t iens aover de pries.





Waopens vien ik gewoon mooi, zomar. Ik schiete d’r nooit mee, allend met det geweer van Bonne Ruys. Met aold en ni’j stop ik d’r wat kruut ien en dan knal ik ‘m nog ’n keer of. Ik heb nooit ejaagd.

Ik had een buks en daor hadden wi’j een vergunning bi’j, mar die mossen we met de oorlog inlèveren en die hebbe wi’j nooit weer-ekregen.
Baron Gijs van Dedem wonen an de Bosrandweg, det is vanaof Dalfsen richting Heino. Hi’j was 3 jaor aolder as ik bin en hi’j kwam hier regelmaotig. Hi’j höld van mahonieholt, en as e dan hier of daor een aold krukkien of stoeltien op de kop tikken, dan kwamp e hier, want Schoemaker die kon ‘t wel weer repereren. Bi’j Van Dedem is de boerderi’je op een keer aof-ebraand. De aolde waopens die verbraand waren lagen hier op ’t pelisieburo. Zeg Van Dedem tegen mi’j: “A-j d’r nog wat gebruken könt...”
Later hef hi’j naor ’t pelisieburo ebeld. Toen bellen mi’j de pelisie op umdet ik een machtiging had en kon ik daor drie waopens uutzuken. Laot nou daor zo’n bukse bi’j wèèn as wi’j veur d’oorlog ehad hebt. Precies dezelde! Toen ha-k ‘m weer.

Ik heb ok de originele kruuthoorn van Baron van Dedem die de vaort, ’t kanaal de Dedemsvaort hef laoten graven en Huize Rollecate van Vollenhove hier naor toe haald hef. Hi’j was ok jager. Ien zo’n hoorn zat ‘t kruut veur ’t geweer. Hi’j is emaakt van de hoorn van een stier. Die hoorn hef gewoon rond ewest, mar die maakt ze hiete en dan drukt ze ’m plat.

‘t Kenon


De staonde kruuthoorn met kruut veur ‘t kenon is al hiel aold. Die is ok van hoorn emaakt, met holt d’r onderien. Det kö-j d’r aofschroeven, en dan kö-j ‘m vullen. A-j nou schieten wilt met ‘t kenon, dan doe-j ‘t doppien vol kruut en det giet veur ien de loop. Prop pepier d’r veur en dan kump e ien de kruutbaand te liggen. Vlammegie d’r aonder en dan giet e: Boem!
Ik heb ‘t kenon ien 2011 veur ‘t leste gebruukt, op aoldjaorsdag bi’j de meule van Massier. Ik had nog wat kruut ekregen van Gert van der Weijden, de molenaar. Het regende en toen kon ik ‘m niet buten zetten. He-w ‘m binnen ien de meule zet, mar deur die waanden klunk ’t ammaol nao mekare, deur de echo! Ik kreeg een klap, die gung ‘t iene oor ien en ‘t aandere weer uut. An de iene kaante bin ik lange doof ewest.
Schieten met ’n kenon blif gevaorlijk. Op een keer striek ik een lucifer an, mar die vlög mi’j metiene uut. Ik denke: weet ie wat, ik doe d’r drie tegelieke, misschien det ‘t dan wil. Ik strieke de lucifers an, en: Boem! zeg ‘t kenon. Was hemaol gien vuur bi’j ewest. Hoe kan det nou? Ik snap d’r nog niks van. ’k Heb nog zwarte punten an de oren zitten, want ik kreeg ‘m veur de kop. Mien aolde hoetien det ik op had vleug wel een meter de lucht ien. Mien vrouw stund met angst en bèven te kieken. Mar ’k had metiene mien haanden veur ’t heufd eslagen. Toen ik de vingers veurzichtig van mekare dee en met de beide ogen de laampen an de weg kon zien, dach ik: det is goed aof-elopen!





Ik heb veur ien ’t haor nog een zwart puntien en ien ’t gezichte ok nog een paar. Ik zatte vol zwarte punten, mar deur de jaoren bint die d’r wel uutesleten.
De loop van ’t kenon hef Dik van Berkum emaakt. Die warken toen as machinist bi’j de gasunie ien Vilsteren. ‘t Holtwark he-k verder wel zelf emaakt en de wagen he-k d’r ok zelf bi’j-emaakt.

‘t Karabijn heb ik ok zelf emaakt, met ’t bajonet d’r bi’j. ‘t Is ’n geweer zoas wi’j ien militaire dienst hadden, mar dan op halve ware grootte.

Mien vader had ’n hondenpistolegien, een kurkepistooltien, ekocht: veur knalkurken. Daor zit een penne veur ien en daor stop ie een knalkurke ien en die schiet ie aof umme de honden aof te schrikken. Kump der ’n keer ’n man: “Ik weet niet of ‘t wat veur oe is,” zeg e, “’t is zo’n blikken ding.” Ik zeg: “Da-s mien va zien kurkenpistool!” Ze kwammen allemaol bi’j mi’j, en zo kreeg ik een hele verzameling en zo bint een aantal dingen nao verloop van tied weer op de aolde plekke terug-ekomen. Da-s wel bezunder, det snap ie soms niet.

de met bot gerepareerde inleg van de geweerkolf van het radslotgeweer

Ie hebt acht Gelderse kasteelties en uut iene van die kastelen mut ‘t radslotgeweer komen. Det ding was zo brak. De hane was d’r aof, die he-k d’r zelf weer an-ezet. De kolf was ien-elegd met stukkies bot, en daor waren 21 stukkies uut. Daordeur hef e niet veul aop-ebracht. Een man uut Denekamp hef ’m ekocht en een buurjonge van die man die hef ‘m ekregen. Een ome van die jonge wonen ien de Maot. Hi’j zeg: “Ik weet wel iene die ‘m maken kan.

Ik wol ‘m stiekem ok wel kopen, mar ik leut det eerst mar effen op zien beloop. Ik zeg: “A-k em nou make, dan wil ie ‘m ok graag met een weke klaor hebben? Det red ik niet.” “Ja, natuurlijk!” zeg e. Ik zeg: “A-j zegt: Veur 300 gulden ma-j ‘t doen, dan bin ik d’r niet bliede met.” Zeg e: “Dan doe ’k ‘t liever niet.” En toen zeg ik: “Wat wo-j d’r dan met?” Nou ja, een architect die wol ‘m kopen, die wol 500 gulden geven. Ik zegge: “Ik wil d’r zo 150 veur geven.” “Asteblief, nem ’m mar met, dan bin ’k van ’t dink aof”, zeg e.
Det was ien februari en februari was veur oes wat financiën betreft altied de slimste maond. Ik kome thuus en Stien zeg: “Ie kon wel gek wèèn, zo’n duur ding te kopen veur 150 gulden.”
Al die stukkies bot die uut de kolf waren verdwenen he-k d’r weer zelf bi’j mutten maken. A-j een stukkie bot hebt met die vorm en ie omcirkelt die, dan wee-j wat veur holt of d’r uut mut, mar hier zatten allemaol gaten ien. Ik heb d’r carbonpapier aop-elegd, met de kaante die aofgef naor baoven, daor een stukkie pepier aoverhen en toen d’r strak met de vinger aoverhen ewreven. Toen kwamp e op det pepier te staon. Det he-k uuteknipt en dan proberen of e d’r precies ienpassen, op ’n stukkien bot liemen en dan bi’jwarken. Eindeloos!





Mar toen ik ‘m klaor had kwam ik d’r met ien de Meppelerkraante te staon.
Een apotheker uut Hoogevene kwamp en zeg: “Ik wil det radslotgeweer wel ies zien.” Nou, det moch wel. “Ik wil d’r 1500 gulden veur geven.” Ik zegge: “Ja, mar daor wil ik ‘t egee niet veur doen.”
Een zeune van mien zwaoger Jan was ien Assen ien militaire dienst. “Henk,” zeg e, “ie mut ies bi’j Jan Tabak angaon.” Jan Tabak had een cafégien an disse kaante van Assen, da-s nou vut umdet daor een rotonde ekomen is. Die man had drie van die lange ganzeroeren. “Ik heb nog een radslotgeweer”, zeg ik tegen ‘m. “Ik kome kieken, ik kome kieken!” zeg e. Hi’j had zelf gien auto, mar een paar van die trabanten die as daor altied bi’j ‘m ien ‘t café kwammen, die kwammen met ‘m met. Hi’j bekek det geweer. “Ik wil d’r 3000 gulden veur geven, mar ik wil effen mien vrouw bellen.” Ik dach det de telefoon van de kaante zol vliegen toen e zien vrouw bellen. Ik zeg: “Geef ‘m mi’j mar effen.” Ik zegge: “Mevrouw, luister eens even. U spreekt hier met Schoemaker. Uw man biedt wel 3000 gulden, maar daar wil ik hem niet voor missen.” “O, gelukkig!” zeg ze.
Toen binne wi’j ien Hengelo. Daor was een man uut Enschede en die mos de luchtbuksen controleren. Toen krege wi’j ‘t d’r aover det ik een radslotgeweer hadde. Hi’j zeg: “Hoe ziet det ding d’r uut?” Ik zeg: “Nou geef mar een kaartien.” Ik heb ‘m uutetekend, en hi’j zeg: “Zit er precies zo’n kolf an?” ‘t Gung ‘m um ’t gedeelte daor een spiekertien zit, een ‘spijkertrekker’ nuumt ze det; een gewone veerkante trekker en recht. Ik zegge: “Ja, zo’n kolf zit d’r an.” “Is die te koop?” “Nee!” “Ook niet voor veel?” “Wat is veel?” “Ik geef d’r 10.000 gulden veur”, zeg e. Oef! “Hier he-j mien kaartien,” zeg e, “ie magt d’r drie maond aover doen. Bel maar en ik kom ’m halen en betalen.”
Ik ’s aovens naor huus toe. Ik zeg tegen Stien: “Nou, ik heb mien radslotgeweer verkocht.” “Ie bint gek!” zeg zi’j. “Ja, det zèè-j ok toen a-k ‘m kocht hebbe.” “He-j ‘m al verkocht dan?” “Nee, feitelijk nog niet,” zeg ik, “ik kan ‘m zo bellen.” “Giet niet deur,” zeg ze, “ie bint wies met det geweer en a-j d’r 10.000 veur kriegt, wat doe-j d’r met? ‘t Giet ien de winkel en ie bint ’t geweer kwiet en ’t geld kwiet. Mooi hollen!”, zeg ze. En daorum hangt e hier nou nog.






Hendrik met ‘t radslotgeweer - 2013


Vader en zoon Geert en Hendrik Schoemaker









Jaargang 36 Nummer 1 maart 2018


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina:

Westerveen 39 en 41

* * *

DE WATERSNOODRAMP VAN 1953

Gé Evertsen-Boer

Dit verhaal speelt zich af in Capelle, een gehucht op Schouwen-Duiveland, gelegen tussen Nieuwerkerk en Zierikzee. Gé Evertsen-Boer is daar geboren, kort nadat haar ouders vanuit Nieuwleusen er naartoe verhuisd waren. Inmiddels woont ze al weer heel lang in Nieuwleusen. Toen 65 jaar geleden de watersnoodramp plaatsvond was Gé vijf jaar oud. De gebeurtenissen hebben een diepe indruk op haar gemaakt.

Op 3 december 1947 ben ik geboren in Capelle. Mijn ouders, Hendrik Jan Boer en Katriena Groen, leerden elkaar kennen in het Westeinde te Nieuwleusen. Mijn vader was een zoon van Arend Jan Boer en Geertje Kragt. Oma Geertje is in 1937 overleden aan tbc. Mijn vader was werkzaam bij zijn vader op de boerderij. Mijn moeder ‘diende’ in het Westeinde bij Scholten en Van Leussen. Het was dan ook niet vreemd dat zij elkaar wel eens ontmoetten en zij kregen verkering. Zoals het dan meestal gaat, denken jongelui na verloop van tijd aan trouwen. Maar, zo kort na de oorlog kreeg je geen huis en Katriena wilde beslist niet bij de ouders of schoonouders in. Om dezelfde reden was een zus van Hendrik Jan naar Zeeland vertrokken. Mijn oom had daar werk gekregen bij een boer in Ellemeet. Daarbij was een dienstwoning beschikbaar. Mede door zijn toedoen kon mijn vader bij boer Boot op Capelle terecht als paardenknecht en die boer had ook een huis voor zijn knecht.

Geertje aan het strand

Het was weliswaar een onbewoonbaar verklaarde woning, maar ze waren blij met een plekje voor zichzelf. In de zomer van 1947 vertrokken Hendrik Jan en Katriena naar Zeeland en op 3 december ben ik geboren.
Capelle bestond uit een straatje met aan weerszijden huizen en verder in de omgeving ook wat huizen en boerderijen. Hoewel er een goed contact met de mensen onderling was, wilde vader toch niet zo ver van de familie blijven wonen en dat oude huis was ook niet veel bijzonders.
Als moeder zat te breien stak er zo af en toe een muis zijn kopje door het behang. Dus probeerde vader een boer te vinden wat dichter bij Overijssel. Toen boer Boot daar lucht van kreeg beloofde hij hen een beter huisje. Van oud materiaal werd een nieuwe woning gebouwd. Op dat huis hebben we tijdens de watersnoodramp van 1953 met 15 mensen op het dak gezeten en dat staat er nu nog. Dit nieuwe huis stortte niet in elkaar zoals de huizen om ons heen en zodoende kwamen wij niet in het kolkende water terecht.

Het straatje in Capelle, met ouderlijk huis voor de ramp.

Zaterdagavond 31 januari 1953 was er een uitvoering van de mandolineclub in Nieuwerkerk. Mensen uit Capelle wilden daar graag naar toe en trotseerden de harde wind. Na afloop was er nog veel meer wind en moeizaam kwamen ze weer op Capelle. Toch gingen ze allemaal slapen en dachten niet aan een dijkdoorbraak.
Zondagmorgen 1 februari moest mijn vader melken bij de boer. Hij zat nog maar net onder de koe toen Boot zei: “Maak dat je thuis komt, want het water komt”. De mensen maakten elkaar wakker met dezelfde kreet: “Het water komt!.”
Mijn vader kreeg het water al over de laarzen, maar kwam nog wel thuis. Alles werd van beneden zoveel mogelijk naar boven gebracht. Zeker ook alles voor de baby die net zes weken oud was.
Al snel moesten wij zelf ook naar boven omdat het water al naar binnen kwam. Dat beeld heb ik nog voor ogen, het water dat onder de deur door kwam . En al heel snel kwam het water de trap op, zelfs bijna tot aan de zolder. Mijn vader heeft toen nog een inkeping in de trap gemaakt, zodat je later kon zien hoe hoog het heeft gestaan. Dat hebben wij later nog weer gezien.
Toen wij daar op zolder zaten, kwamen er buren over het dak naar ons toe omdat ze hun eigen huis niet vertrouwden en dat klopte ook. Hun huizen stortten in elkaar als blokkendozen.
Mijn vader keek wel steeds door het dakraam naar buiten en zag dat het huis van Van Dienst, onze beste buren, in elkaar stortte. Ze grepen zich vast aan een stuk dak van hun huis en schreeuwden om hulp. Mijn pa en buurman Zwaal zijn toen op ons dak geklommen en gingen erop liggen. De een hield de ander vast bij de enkels en zo konden zij de familie Van Dienst uit het water trekken.
De jongste dochter Nelleke zei later: “Ik was al twee keer kopje onder gegaan en dacht: Nog één keer en dan is ‘t gebeurd met mij”. Maar haar broer Kees kon haar grijpen en ook zij kwam bij ons op zolder terecht. Kees zei later over mijn vader: “Aan die man heb ik mijn leven te danken.”
Toen vader en buurman Zwaal daar bezig waren, zagen zij ook dat de opa en oma van Nelleke van Dienst in het water lagen. Oma zat vast in een kozijn. Zij zijn weggedreven en nooit teruggevonden.
Ook zag vader buurman Van Tiggele, die vaak bij ons naar de radio kwam luisteren. Hij hing aan de dakgoot,.maar ook hij kon het natuurlijk niet houden en is verdwenen in het water. Het is heel erg om dat te zien terwijl je niet kunt helpen.
Maar wij hebben allen ons leven te danken aan mosselvisser Wim Schot. Hij woonde in Zierikzee, samen met zijn neef. Omdat het zo stormde vertrouwde die neef de dijken niet. Hij stelde voor om eens bij de dijk te gaan kijken.
Wim Schot zei later: “Wat we daar zagen was vreselijk. De hele polder vol water.” Ze hebben een roeiboot gepakt en zijn gaan varen. Overal zaten mensen op de daken en schreeuwden naar hen. “Maar”, zei Wim Schot later, “we konden er niet teveel in de boot hebben, want dan maakte hij water.” Ze brachten de mensen steeds naar de dijk en zo kon het gebeuren dat als ze een vrachtje afgeleverd hadden, een huis er dan niet meer stond en de bewoners waren verdwenen in het kolkende water.
Wij zaten inmiddels op ons dak en zagen daar die grote watervlakte. De buurvrouw naast ons had net een baby gekregen. Ze hield het in een dekentje dat steeds opwaaide. En er viel van tijd tot tijd een van de andere kinderen van het vlot af waar zij op zaten. Met Annie speelde ik wel, ook maakten wij wel eens ruzie en kreeg ik mijn eigen klomp tegen mijn hoofd. Maar ze zijn allemaal verdronken.
De vader was over het dak bij ons gekomen om kleertjes te halen voor die baby, want ze hadden weinig. Toen hij bij ons was, ging zijn huis tegen de vlakte met vrouw en kinderen. Hij werd helemaal hysterisch, wilde ook zelf het water in. Ze hebben hem toen drank gegeven, zodat hij rustig werd. Deze man heeft later een nieuw gezin gesticht. Hij heeft nooit meer over het gebeuren gepraat, tot vijftig jaar na de ramp.
Toen we met de herdenking van 50 jaar Watersnoodramp in Nieuwerkerk over de begraafplaats liepen, zag zijn dochter haar eigen achternaam op een grafsteen staan. Zij vroeg toen aan Nelleke, ons vroegere buurmeisje, hoe dat toch zat. Toen bleek dat haar vader opnieuw was getrouwd en weer kinderen had gekregen, maar daar nooit over had gepraat. Hij was blind geworden. Na de herdenking is het meisje naar huis gegaan en heeft er haar vader op aangesproken. Ze heeft hem toen meegenomen naar de begraafplaats, waar zijn vrouw en een aantal kinderen lagen begraven. Hij kon het niet zien natuurlijk, maar hem is wel verteld wat er op de stenen stond.

Wij zaten nog steeds op het dak van ons huis en waren bang dat ook ons huis het niet zou houden. Toen het eb werd zijn we, bij de mannen op de rug, naar de overkant gebracht. Daar stond een nieuwer en groter huis. Daar hebben we de nacht doorgebracht. De volgende dag kwam er een roeibootje, Wim Schot dus, die ons vanaf de dakgoot in zijn bootje heeft geholpen. Vrouwen en kinderen eerst. We zijn naar de dijk gebracht en vandaar naar Zierikzee. Ik weet nog dat mijn vader later bij ons kwam.

Alle mensen moesten naar een opvangadres worden gebracht. Zo zijn wij naar Wemeldinge gebracht. We hebben daar een aantal dagen bij de predikant onderdak gekregen. Mijn vader was heel onrustig, was hij later trouwens heel vaak, en liep elke dag naar de kade om te zien of er een boot was die ons daar weg kon halen. Dat is wel gelukt. Ik zie hem nog huilend in de kajuit zitten. Ja, dat vind je als kind heel raar, dat papa huilt.
We zijn toen naar Overijssel gebracht. Daar wisten ze maar weinig van het hele gebeuren. Vader vond het ook moeilijk dat hij daar zijn verhaal niet kwijt kon. Dat heeft hij vaak gezegd. Hoe erg het was geweest drong hier niet door en tv was er toen nog niet.
We zijn een aantal weken bij opa en oma in de Vinkenbuurt geweest, tot er in de Noordoostpolder een boer was die werk en een huis had. Zo zijn we daar terechtgekomen.

Het ouderlijk huis na de ramp

Dat ik een stil kind was en er niet op reageerde als men eens iets vroeg over de ramp is niet zo gek. Als kind had ik teveel gezien. Al die mensen en dieren in het water. Wat een angst is dat geweest.
Nog steeds heb ik contact met onze redder Wim Schot, een man van 89. Ik belde hem in februari en zei: “Als u er niet was geweest, was ik er denk ik niet meer.” Hij zei: “Ik denk ‘t ook niet.”
In 2016 hebben we hem nog bezocht. Hij woont nu in een verzorgingshuis. Daar weten ze niet dat hij ‘de redder van Capelle‘ wordt genoemd. Hij vindt het ook wel eens heerlijk om over gewone dingen te kunnen praten en niet steeds aan de ramp herinnerd te worden.
Het gehuchtje Capelle mocht niet weer worden opgebouwd. Het enkele huis dat is blijven staan en het plaatsnaambord herinneren aan de tijd dat het toch een lieflijk plaatsje was.

* * *

BELANGRIJKE SCHENKING

Op 26 januari presenteerden wij in de Palthehof de prachtige schenking van Klaas Masselink, bestaande uit 12 schilderijen en 21 tekeningen van zijn vader Jan Masselink.

Jan Masselink werd geboren op 10 augustus 1904 aan de Burg. Backxlaan, in het huis naast café De Unie, bij de brug over de Dedemsvaart. Op de lagere school vielen zijn uitzonderlijke tekenprestaties al op. Hij volgde verschillende cursussen en bezocht de Nationale Schilderschool te Utrecht. Jan Masselink werd huis- en decoratieschilder en had een schildersbedrijf, eerst tegenover z’n geboortehuis, waar nu slagerij Kouwen een winkel heeft, en later op de plek waar nu Bos Bedden is gevestigd.
In zijn vrije tijd tekende en schilderde Jan Masselink landschappen en stillevens. Na zijn pensionering verhuisde het echtpaar naar Zuidwolde, de oorspronkelijke woonplaats van zijn vrouw. Daar richtte hij zich volledig op het schilderen.
In het nieuwe gemeentehuis van Dalfsen zijn een aantal vergaderzalen vernoemd naar overleden kunstenaars uit de gemeente. In de ‘Masselink-zaal’ hangen twee tekeningen en twee schilderijen van zijn hand. Er was één schilderij aanwezig in onze collectie. Dankzij deze royale schenking kunnen we nu een goed overzicht geven van het werk van Jan Masselink. Jan Masselink is op 18 juli 1989 overleden in Hoogeveen.


* * *

KRAGTEN VAN HET WESTERVEEN - 1

René Fokkert

Op Westerveen 39 in Nieuwleusen staat het stamhuis van de familie Kragt. De boerderij is al eeuwen de plek waar generaties van deze familie hebben gewoond en gewerkt. Dit artikel belicht de bewoningsgeschiedenis. Ook komt de verdeling in 1916 van het onroerend goed onder de vier zonen Kragt aan de orde. De laatste bewoner op dit adres met de naam Kragt is Jentje Westerman-Kragt die in 2009 overleed. Ook komt de geschiedenis van de boerderij op Westerveen 41 en haar bewoners, die sterk verweven is met die van Westerveen 39, in dit artikel aan de orde.

Inleiding
In 1639 is de Leusener Marke verdeeld. De Participanten van de Leusener Compagnie konden de scheiding en deling van de Marke afdwingen omdat ze de meerderheid van de waardelen (aandelen) in hun bezit hadden. Zij kregen de percelen in het Oosterveen toebedeeld. Het Westerveen werd in twaalf percelen verdeeld onder de overige gezamenlijke eigenaren van de Marke van Leusen.
De scheidslijn tussen de ontginning van het Oosterveen en het Westerveen was en is nog steeds de Dommelerdijk / Burg. Backxlaan (vroeger Ommerdijk). De percelen waren genummerd vanaf deze scheidslijn. Westerveen 39 en 41 waren gelegen op het vijfde perceel. Dit perceel kwam in eigendom bij de familie Van Ittersum die op het huis Gerner bij Dalfsen woonde. Het vijfde perceel werd ook wel aangeduid met de naam Wolfskeel of Wolfskiel. Dit is waarschijnlijk een verbastering van de naam Wolf van Ittersum en het feit dat het afkomstig is van zijn erfdeel.

Het is niet bekend wanneer het vijfde perceel voor het eerst bebouwd werd. Vermoedelijk gebeurde dit niet lang nadat de verdeling had plaatsgevonden. De bij de boerderij behorende gronden strekten zich uit van de Beentjesgraven (de grens met Staphorst) tot aan de Middeldijk en later zelfs tot de Kringsloot. Een behoorlijk deel van het huidige dorp Nieuwleusen is gebouwd op het grondgebied dat oorspronkelijk bij deze boerderij hoorde.
Waar de naam Kragt, vroeger ook als Cragt of Cracht geschreven, vandaan komt is niet bekend. De familienaam komt voor het eerst voor in 1663 op de lijst van huisgezinnen, opgesteld door Ds. Van Berkum.
Na de invoering van de Burgerlijke Stand aan het begin van de 19e eeuw, werd het voeren van een familienaam verplicht. Voor de duidelijkheid hebben we hieronder bij de gezinshoofden de naam Kragt toegevoegd. Voordat we de gezinnen van de bewoners van Westerveen 39 bespreken, geven we hieronder deze eerst in een schema weer.

Klaas Egberts Kragt, geb. ca 1635
X
Hilletien Peters
X 2e
Simon Jansen
      ↓
Egbert Claas Kragt, geb. 1664
X ca 1695
Jennechien Jansen
      ↓
Hermen Egberts Kragt, geb. 1695
X 1727
Willemtjen Berends, geb. 1699
      ↓
Klaas Hermens Kragt, geb. 1731
X 1764
Trientjen Peters
      ↓
Hendrik Claassen Kragt, geb. 1767
X 1e 1789
Claasje Coops Klein, geb. 1767
X 2e 1810
Jantje Alberts Stolte, geb. 1788
          X 2e 1824
          Albert de Weerd
      ↓
Gerrit Kragt, geb. 1807
X 1e 1833
Berendina Nijhuis, geb. 1807
X 2e 1853
Hendrikje Kragt, geb. 1829
      ↓
Harm Kragt, geb. 1859
X 1879
Jentje Boer, geb. 1857
      ↓
Hendrik Kragt, geb. 1888
X 1916
Klaasje Boer, geb. 1891
      ↓
Jentje Kragt, geb. 1921
X 1945
Derk Jan Westerman, geb. 1920

      ↓
Jan
Westerman
(Westerveen 39)

  ↓
Hendrik
Westerman
(Westerveen 41)
X 1973
Johanna Snijder

Havezate Oosterveen.

Claas Egberts Cragt
In 1663 wordt de eerste predikant van Nieuwleusen beroepen. Het is Ds. Arnoldus Bercumensis (van Berkum) die dan op de havezate Oosterveen woont, waar vanaf 1660 ook de kerkelijke gemeente onderdak vond. In het jaar van zijn aantreden is er door Ds. Van Berkum een lijst van huisgezinnen opgesteld. Op deze lijst zijn op nummer 24 Claas Egberts en Hilletien (ook Hillechien) Peters vermeld. Volgens de oorspronkelijke nummering van de perceelverdeling van de Leusener Marke zou dit nummer 23 moeten zijn, maar waarschijnlijk staan er twee huizen op één perceel of is er sinds 1639 een perceel gesplitst.
Het is niet bekend wanneer Claas Egberts Cragt is geboren, maar naar schatting zal dat omstreeks 1635 zijn geweest. Ook van zijn kinderen zijn niet alle doopdata vermeld door de predikant. Uit het huwelijk van Claas Egberts en Hilletien Peters zijn zeker negen kinderen geboren: Peter Klaaszen, Vrouwgien Klaaszen, Egbert Klaaszen (gedoopt 1 januari 1664), Trijntjen Klaaszen, Hendrik Klaaszen, Harm Klaaszen (gedoopt 21 juli 1667), Hendrik Klaaszen (gedoopt 12 december 1669), Aaltien Klaaszen en Gerrit Klaaszen.
Rijckelt Egberts Cracht is een broer van Claas Egberts Cragt. Volgens genoemde lijst van Ds. Van Berkum woont hij op het eerste perceel van het Westerveen, dat het erve Nyeleusen heet. Hij woont daar met zijn twee zussen Aeltie Egberts en Claessien Egberts. Later woont Rijckelt Egberts op een boerderij in Ruitenveen. Het is mogelijk dat Claas Egberts ook van het erve Nyeleusen afkomstig is.
Van Claas Egberts Cragt is bekend dat hij in 1663 diaken is. Wanneer hij overlijdt is niet bekend, maar dat zal omstreeks 1670 zijn geweest.

Simon Jansen
De allereerste vermelding van een meier (pachter) op deze plek is uit 1675. In dat jaar trouwt de weduwe van Claas Egberts Kragt, Hilletien Peters, met Simon Jansen. In de lijst van huisgezinnen van Ds. Van Berkum uit 1663 is na 1670 een wijziging aangebracht.


In de bovenste later bijgeschreven regel staat Simon Jansen. In de tweede regel 24. Claas Egberts en (later bijgeschreven:) is gestorven. Op de derde regel Hilletien Peters sijn H (huisvrouw) Lidm.
De 4e en 5e regel zijn ook later bijgeschreven.
Simon Jansen komt ook voor in het register van hoofdgeld (een soort belasting op het aantal bewoners van elk huis) en het vuursteden-Register, beide uit het jaar 1675. In het “Register der ledematen” van de kerkelijke gemeente, opgesteld door Ds. Van Rhijn in 1695, worden Simon Janzen en Hillechien Peters zijne huisv. (huisvrouw) en Egbert Klaaszen Kragt en Jennechien Janzen z.h. (zijn huisvrouw) vermeld.


Simon Jansen is tussen 1695 en 1700 overleden. In het begraafboek is opgetekend dat de weduwe Hillechien Peters op 20 februari 1700 in de kerk is begraven. Hieruit blijkt dat de familie tot de beter gesitueerden behoorde. De meeste overledenen werden op het kerkhof begraven.

In oktober 1693 laat Simon Jansen zijn testament opmaken door de schultus van Dalfsen (schultus of scholtus = schulte, een soort notaris). Onderstaand een gedeelte uit de tekst van deze akte:
Ik Albert Molkenboer etc. Scholtus van Dalfsen certificere dat voor mij en ceurnoten (getuigen) als dan Gijsbert van Rhijn en Marcus van der Vechte zijn gecompareert (verschenen) Simon Janssen op Nieuwleusen, en die heeft uit insigte van sijn swackheit en dat er niets sekerder is dan de dood nog niet onsekerder als de wijze van dien, voor en aleer hij uit desen leven te scheiden, gedisponeert (beschikt) bij middel van accoord, over sijn tijdelijke nalatenschap in navolgende manier,
Voor eirst geeft hij Simon Janssen erffelijk an sijn vrouwen soone Egbert Claas Cragt alle syne gerede en ongerede goederen als huis, schuire, barg en Schot, vervolgens paarden, beesten, wagen, ploeg, rack ende gereedschap, ’t kooren op ’t land en in ’t huis, schapen, ymen (bijen), niets in ’t kleyne of in ’t groote uitgesondert wat name het ook mag hebben.


Uit deze akte wordt duidelijk dat Simon Jansen zelf geen (dan levende) kinderen heeft. Hij vermaakt zijn bezittingen aan Egbert Claas Kragt, de tweede zoon uit het eerste huwelijk van zijn vrouw Hillechien Peters. Verder bepaalt Simon Jansen dat zijn beide zusters Jenne en Metjen Jans ieder zes Carolus guldens krijgen, evenals de kinderen van zijn overleden broer Bartelt Jans. De armen van Dalfsen (diaconie van de Dalfser kerk) krijgen vijf Carolus guldens.

Carolus gulden genoemd naar Karel V. Deze munten waren er in verschillende uitvoeringen zowel in goud als zilver.

Egbert Claas Kragt
In de hiervoor genoemde akte belooft Egbert Claas Kragt dat hij zijn stiefvader zal verzorgen in eten, drinken en kleding.
Egbert Klaaszen (Kragt) is gedoopt op 1 januari 1664. Zoals we hiervoor zagen is hij in 1695 lidmaat van de kerkelijke gemeente, evenals zijn vrouw Jennechien Jansen. Waarschijnlijk zijn ze kort daarvoor getrouwd. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen bekend: Hermen Egberts gedoopt 6 juli 1695, Geertjen Egberts gedoopt 27 oktober 1697, Aaltjen Egberts gedoopt 10 december 1699 en Hillechjen Egberts gedoopt 14 mei 1702. Het gezin woont op nummer 24.
Huis nummer 23, de Rechterenshoeve genaamd, is in bezit van de familie Van Dongen. In 1719 verkopen de erven Van Dongen hun eigendom aan de Zwolse burgemeester Van Rijssen en factoor (zaakwaarnemer) Johannes Hanselaar. De Rechterenshoeve is dan in gebruik bij Peter Claas Kragt, een broer van Egbert. Beide broers wonen dus naast elkaar. Het achterste gedeelte van de landerijen die bij de Rechterenshoeve behoren, aan de kant van Den Hulst, wordt echter gehuurd door Egbert Claas Kragt.
De volgende vermelding die we tegenkomen is van april 1723. Dan wordt door de scholtus van Dalfsen opgetekend dat Egbert Kragt van de heer Boecop in de Broekhuizen zes roeden hooiland in de Hooislagen heeft aangekocht voor een bedrag van 600 gulden.

Hermen Egberts Kragt
Hermen volgt zijn vader Egbert Claas op als landbouwer. Hermen Egberts (Kragt), gedoopt 6 juli 1695, trouwt op 1 november 1727 met Willemtjen Berends. Zij is gedoopt 12 februari 1699 en een dochter van Berend Peters en Wychertjen Jansen. Uit het huwelijk van Hermen en Willemtjen zijn negen kinderen bekend: Klaas Harms gedoopt 10 april 1729 (jong overleden), Klaas Harms gedoopt 25 november 1731, Jennigjen Harms gedoopt 15 maart 1733, Egbert Harms gedoopt 16 mei 1734, Wygmantje (Wiegmoet) Harms gedoopt 12 augustus 1736, Hilligjen Harms gedoopt 12 oktober 1738 (jong overleden), Annigjen Harms gedoopt 18 oktober 1739, Berend Harms gedoopt 18 maart 1742 en Hilligjen Harms gedoopt 4 maart 1744. De namen Harms, Herms en Hermens worden door elkaar gebruikt.

Twee bewaard gebleven tegeltableaus uit de oude boerderij Westerveen 39.

Klaas Harms of Hermens Kragt
De oudste zoon van Hermen Egberts, Klaas Harms of Hermens, is de volgende die landbouwer wordt op Westerveen 39. Klaas Harms, gedoopt 25 november 1731, trouwt op 13 mei 1764 met Trientjen Peters. Uit dit huwelijk zijn zes kinderen bekend: Hermijna Klaassen gedoopt 31 maart 1765, Harmen Klaassen gedoopt 20 april 1766, Hendrik Klaassen gedoopt 20 december 1767, Peter Klaassen gedoopt 22 oktober 1769 (jong overleden), Peter Klaassen gedoopt 20 oktober 1771 (jong overleden) en Peter Klaassen gedoopt 10 december 1775. De naam Claas Hermens komen we voorts tegen in een in april 1780 opgemaakte akte in het oud rechterlijk archief van het schoutambt Dalfsen. Met die akte doet Gosen Derks van Nieuwleusen, weduwnaar van Aaltjen Peters, zijn boerderij over aan zijn dochter Geertjen Gosens en haar aanstaande man Hendrik Willems. Tevens wordt de voogdij voor de minderjarige kinderen geregeld. Een van de aangestelde voogden is Claas Hermens. Hij is een oom van de kinderen Gosens. Twee jaar later (in 1782) wordt er door de schultus van Dalfsen een renvooi (opmerking in de kantlijn) op de akte geschreven, waaruit blijkt dat Claas Hermens is overleden en er een andere voogd in zijn plaats is aangesteld.
In februari 1784 wordt er weer een akte op gemaakt. Op verzoek van de voogden van de kinderen van de overleden Berent Nijman en Wijgmoet Hermens (zwager en schoonzuster van Trientjen Peters) moet er een tiende part van de Kragt-boerderij uitgekeerd worden. Onderstaand de originele tekst van de akte.

Ik Gerrit Bloemendal wegens sijn hoogheid den heere Prinse van Orange etc. erfStadhouder van de provincie van Overijssel etc. etc. etc. In den tijd vervullen scholtus van Dalfsen doe cond en certificeere in en vermits desen dat voor mij en ceurnoten als waeren Willem Klaas en Harment Jansen persoonlijk in een extra geheegt (besloten) gerigte erschenen sijn Jan Klaasen en Hilghien Hermens ehelieden tutore marito (hij als voogd voor zijn vrouw) en Berent Hermens en Jannegien Hermens met Engbert Bloemendal soveel nodig in deesen als momber (voogd) geasisteert. Benevens Jan Klaas en Klaas Willems als momber over de onmondige (minderjarige) kinderen van wijlen Berent Nijman en Wiegmoet Hermens in leven eheluiden tutore marito, en leggende verder over een request (verzoek) aan zijne weledel gestrenge heere meester Egbert Seriverius scholtus van Zwolle en Zwolse carspels etc., met het daar op gevallen appointement (verzoek) in dato den 24 december 1783 waar bij aan de momber over de minderjarige kinderen wierde gepermiteert omtrent een tiende part van een erve en plaatse genaamd Klaas Hermens gelegen op Nieuwleusen met de verdere eigenaren te mogen verkopen, so dat desen comparanten te samen dan verklaarden om een welbetaalde somma van penningen waar van de eerste met de laatsten voldaan is te cederen en te transporteren, sulks doende kragt deses aan en ten profijte van Trientjen Peters weduwe van Klaas Hermens en haar erfgenamen ieder een tiende part van de bovengemelde erve en plaatse waar van de koopers de halve plaatse en een tiende part selfs toebehoort en thans door haar selfs bewoond word en verhuurt is, gelegen op Nieuwleusen sijnde het selve vrij alodiaal goed sonder beswaar of uitgaande renten als heeren Schattinge, vorders met sijne lusten en lasten, raad en onraad, van ouds daar toegehorende en hebbende comparanten belooft het selve te zullen wagten en waaren voor alle evictie of opsprake als na regten in waarhijds verkonde, hebbe ik verwalter scholtus desen getekent en gezeegeld benevens de eerste comparant uit beijder namen en de tweede en de derde comparant benevens haar verkoren momber en eerste momber voor de onmondige kinders van Berent Nijman en Wiegmoet Hermens tot meerderen zekerheid, actum Nieuwleusen ? februari 1784.

Handtekeningen en lakzegels onder de akte uit 1784.

Hendrik Claassen Kragt
Vervolgens zien we Hendrik Claassen (Kragt), gedoopt op 20 december 1767, als opvolger van zijn vader Klaas Hermens. Op 7 maart 1789 trouwt hij met Claasje Coops Klein uit Den Hulst, dochter van Coop Gerrits en Fenna Klaassen. Zij is gedoopt 15 februari 1767 en overleden op 5 maart 1808. Uit dit huwelijk zijn zes kinderen bekend: Femmigje Hendriks gedoopt 13 september 1789, Claas Hendriks gedoopt 28 november 1790, Coob Hendriks geboren 4 september 1794, Harmen Hendriks geboren 8 augustus 1800, Hermen Hendriks geboren 29 augustus 1803 en Gerrit Hendriks geboren 18 januari 1807.

Zoals in alle Overijsselse gemeenten vindt er in 1795 een volkstelling plaats. Daarbij geeft Hendrik Claas op dat er tien mensen in het huis op Westerveen 39 wonen. Helaas is er in Nieuwleusen niet bij vermeld wie dat zijn.
In 1796 koopt Hendrik Klaassen Kragt de helft van een aandeel in de Marke van Oudleusen. Onderstaand het aankoopbewijs van een halve wijde whaere, dat het recht geeft om een vastgesteld aantal stuks vee te mogen weiden in de Oudleusenermarke.

1796 Den 31 august maakt Hendrik Klaasen kragt van nieuwleusen bekend dat hij den 29 deeser van ? Hendrik kronenberg heeft aangekogt een halve wijde whaare in de oudleusener Markte voor vier honderd en negentig guld zegge ƒ 490.--.,--.
Waarvan aan mij onderschreven den 50ste penning (soort van overdrachtsbelasting) voldaan met de somme van ƒ 14.14.--.
Dalfsen den 4 dec 1797. E. Bloemendal. ?


In juni 1800 kopen Hendrik Claas en zijn vrouw Claasje Coops Klein de helft van het erve Kragt, ook het Hermen Egberts genaamd, van zijn broer en schoonzus Hermen Claas en Berendjen Jans. Onderstaand een gedeelte uit deze overdrachtsakte.

Ten noegen van verkoper te cederen en te transporteren sulks doenden in en vermits deesen aan en ten erfelijke profijte van Hendrik Claas en vrouw Claasjen Coops en derselve erfgenamen, de gerechte halfscheid van een huijs, schuiren en verdere getimmertens waarvan de anderen Halfscheid door Hendrik Claas en vrouw in eigendom word beseeten en door haar geheel bewoont en gebruikt wordende, staande op het erve Kragt of Hermen Egberts op Nieuwleusen.

In mei 1828 koopt Hendrik Claassen Kragt de dienstplicht af voor zijn zoon Hermen Hendriks. Ondanks dat er van Hermen Hendriks Kragt geen foto is, weten we door de bijgevoegde beschrijving van zijn uiterlijk wel hoe hij er ongeveer uitzag. Lengte 1 el en 670 streep (1 meter en 67 centimeter), aangezicht ovaal, voorhoofd plat, ogen blauw, neus ordinair (gewoon), mond idem, kin rond, haar blond, wenkbrauwen idem, merkbare tekenen geen.

Jantje Alberts Stolte
Nadat zijn vrouw is overleden trouwt Hendrik Claassen (Kragt), 42 jaar oud, op 16 juni 1810 met de 22-jarige Jantje Alberts Stolte. Zij is een dochter van Albert Stolte en Stijntje Alberts en geboren op 22 juni 1788.
In juni 1810 wordt er een voogdij-akte opgemaakt voor de kinderen uit het eerste huwelijk van Hendrik Claassen Kragt. In de akte worden de vier nog levende kinderen met naam genoemd. Dat zijn Klaas, Koop, Harmen en Gerrit Hendriks. Tot voogden worden benoemd Harm Klaas, een oom van vaderszijde, en Gerrit Koops, een oom van moederszijde. Als uitkering voor hun moeders portie krijgt ieder kind 200 gulden bij zijn 18de verjaardag en 60 gulden voor een bruidskleed. Bovendien krijgen de drie jongste kinderen nog wat de oudste al heeft gehad. Dat zijn een horloge en verder zilver, een gouden kist (waarschijnlijk een tabaksdoos), een bijbel met zilveren krappen en een stuk gebleekt linnen doek. Bovendien zal ieder van de kinderen tot hun 18e verjaardag in hun ouderlijk huis moeten worden opgevoed en ingeval van ziekte vrije toegang tot het ouderlijk huis hebben. Ook moeten ze behoorlijk leren lezen en schrijven. Uit dit tweede huwelijk worden nog drie kinderen geboren: Klaasje Kragt op 12 november 1813, Janna Kragt op 29 januari 1816 en Albert Kragt op 28 april 1819 en overleden 10 februari 1824.
Hendrik Claassen Kragt is overleden op 1 augustus 1823, volgens de overlijdensakte op 56-jarige leeftijd.

Albert de Weerd
Op 4 december 1824 hertrouwt de weduwe Jantje Alberts Stolte met de boerenknecht Albert de Weerd. Hij is geboren op 11 oktober 1800 in Colderveen en een zoon van Jan Evert de Weerd en Hendrikje Alberts. Uit dit huwelijk worden twee dochters geboren: Stiena op 10 augustus 1825 en Hendrikje op 6 januari 1827. Beiden zijn dus halfzussen van de kinderen uit het tweede huwelijk van Hendrik Claassen Kragt.
Albert de Weerd staat in 1832 vermeld in het eerste kadastrale register met 13.14.70 hectare in Nieuwleusen en 9.47.80 hectare in de gemeente Dalfsen, samen 22.62.50 hectare. In 1843 wordt Albert vermeld in het markeboek van de Marke van Leussen; blijkbaar had hij dus ook nog rechten in de marke.
Albert de Weerd is de enige die op de boerderij Westerveen 39 heeft geboerd zonder dat hij rechtstreeks afstamde van de familie Kragt.

Handtekening van Albert de Weerd.

De beide dochters van Albert de Weerd en Jantje Stolte trouwen op 31 december 1846. Stiena met de 40-jarige Arent van Duren en Hendrikje met de 23-jarige Hendrik Jan Schoemaker.
In Nieuwleusen speelt evenals elders de Afscheiding in de 30er en 40er jaren van de 19e eeuw. De afgescheidenen van de Nederlands Hervormde kerk worden aanvankelijk in Nederland niet erkend. In navolging van de Ommer predikant Van Raalte zoeken zij in Michigan in Amerika meer vrijheid om hun geloof te belijden. In 1847 vertrekken meerdere gezinnen vanuit Nieuwleusen naar Michigan. Ook Albert de Weerd (een van de voormannen van de afgescheidenen in Nieuwleusen) en zijn vrouw Jantje Stolte maken de overtocht naar Amerika. Beide getrouwde dochters en hun echtgenoten gaan met hen mee. Ook een van de kinderen uit het huwelijk van Hendrik Claassen Kragt en Jantje Stolte, de in 1813 geboren dochter Klaasje Kragt emigreert met haar man Harm Broek. In de Census (soort volkstelling) van 1850 van het Amerikaanse dorpje Holland in Ottawa County in de staat Michigan staan Albert de Weerd, 49 jaar farmer (landbouwer) en vrouw J.A. Stolte met dochter Hendrikje de Weerd en haar 2e man Wolter van den Haar op hetzelfde adres ingeschreven.
Voordat er geëmigreerd kan worden naar Michigan moeten de Nederlandse bezittingen worden verkocht. In de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van eind augustus en september 1846 wordt de verkoop aangekondigd.

Volgens deze verkoopadvertentie wonen Albert de Weerd en zijn vrouw Jantje Stolte in 1846 op de boerderij Kragt. Stiefzoon Gerrit Kragt bezit dan al gronden ten westen van de landerijen van zijn stiefvader.
Op het moment dat Jantje Stolte hertrouwde zal er een verdeling van de bezittingen hebben plaatsgevonden, waarbij de kinderen hun vaders erfdeel zullen hebben verkregen. Gerrit Kragt woont bij zijn stiefvader Albert de Weerd en moeder Jantje Stolte in het voorouderlijk huis.
Albert de Weerd die in 1832 ongeveer 22 hectare grond had, heeft zijn grondbezit in 1846 inmiddels uitgebreid naar ongeveer 26 hectare.
Of de verhouding tussen stiefvader en stiefzoon erg hartelijk was valt te betwijfelen. De boerderij, waar dus ook Gerrit Kragt in woont, wordt hem “onder het gat” verkocht.
De percelen 1 tot en met 11 en 22 worden bij de eindveiling gekocht door Koop Kragt voor een bedrag van 3984 gulden ex kosten.
Perceel 1 is bouwland ten zuiden de Kringsloot groot 6.42.70 ha
Perceel 2 is bouwland ten noorden van het vorige perceel groot ongeveer 2 ha.
Perceel 3 is gras en bouwland aan de Middeldijk groot ongeveer 2 ha.
Perceel 4 is weide en heidegrond aan de Middeldijk groot ong. 1 ha.
Perceel 5 is grasland gelegen aan de dorpsweg (Westeinde) groot ongeveer 1 ha.
Perceel 6 is grasland gelegen aan de dorpsweg groot 0.82 ha.
Perceel 7 is grasland met aardappelloods en bakhuis groot 0.60 ha.
Perceel 8 is het erf met huis, berg en verdere getimmerten groot 0.20.30 ha.
Perceel 9 is bouwland achter voornoemd erf groot 3.41.81 ha.
Perceel 10 is bouwland met schapenschot groot 2.85.10 ha.
Perceel 11 heidegrond groot 1.63.84 ha.
Perceel 22 is het recht van acht schapenweiden in de Oudleuser Marke. (De kavels 18 tot en met 27 hebben allemaal betrekking op weiderechten in die Marke.)

In totaal is dit ruim 22 hectare die door Koop Kragt wordt aangekocht. Wanneer de overdracht van dit onroerend goed wordt beschreven geeft Koop te kennen dat hij dit zowel voor hem zelf als ook voor zijn broer Gerrit Kragt heeft gekocht. Gerrit heeft dan zijn vaders boerderij weer in eigendom en kan op die plek blijven wonen.
De overige percelen worden gekocht door Jan Hekman, Jan Blik, Gerrit Aarten, Teunis Snijder, Wilhelmus Snel, Harm Brouwer en Jan Adam Frederiks. In totaal brengt de veiling 5394 gulden op, welk bedrag uiterlijk op 2 februari 1847 betaald moet zijn.
Op dezelfde veilingdag wordt ook de boerderij van Albert de Weerd’s schoonzoon Arent van Duren en diens ouders verkocht. Ook zij vertrekken naar Amerika. Deze boerderij lag ten westen van het erve Kragt en strekte ook van de Middeldijk tot aan het kanaal in Den Hulst.

In november 1855 wordt er bij het kadaster een akte ingeschreven aangaande de verdeling van de onroerende goederen van wijlen Koop Kragt en zijn vrouw Aaltje Bouwmeester. Uit deze akte blijkt dat de broers Koop en Gerrit Kragt het door hun gezamenlijk aangekochte voorvaderlijke erf van Albert de Weerd nog niet verdeeld hebben.
Ook het door Koop Kragt zelf bewoonde erf is een onverdeelde boedel. Doordat Aaltje Bouwmeester, ook Aaltje Egberts genoemd, eerder getrouwd is geweest met Gerrit van Hulst, zijn er ook nog vijf kinderen uit dat huwelijk die meedelen in de boedel. Al met al een uiterst ingewikkelde beschrijving en verdeling van de gronden en gebouwen met een geschatte waarde van ruim 25.000 gulden.

In deze verdeling delen mee Gerrit Kragt (broer), Klaasje Kragt en haar echtgenoot Jan Bosch (halfzuster en zwager van Gerrit), Engbert van Hulst, Klaas van Hulst, Gerrit van Hulst, Janna van Hulst met echtgenoot Klaas Prins, Stijntje van Hulst met echtgenoot Gosen Snijder, Klaas Kragt en Harm Kragt (broers van Gerrit en Koop) en de kinderen Hendrik Kragt, Jan Kragt, Klaasje Kragt en echtgenoot Derk Hof en Mientje Kragt en echtgenoot Arend Blik.

Deel – 2 wordt geplaatst in het volgende kwartaalblad.

* * *

Even voorstellen 1 - 2 - 3

De redactie is weer op sterkte.
De nieuwelingen stellen zich voor.

1
Met ingang van 2018 maak ik, Gea Luttels, deel uit van de redactie. Ik ben 54 jaar en getrouwd met Arie Luttels. Wij wonen letterlijk op de grens van Dalfsen en Nieuwleusen, namelijk aan de Middeldijk. Ik ben geboren en getogen aan het Oosteinde; een echte Nieuwleusense dus. Voor de genealogen onder de lezers; ik ben een dochter van Thijs Kok en Mieni Kreule.
Na een lange periode in loondienst bij verzekeraar Groene Land Achmea, werk ik inmiddels al weer 10 jaar als ZZP-er met mijn eigen bureau Lineatus Communicatie. Momenteel ben ik als coördinator verantwoordelijk voor de projecten van PEC Zwolle United, de maatschappelijke tak van de Zwolse Eredivisieclub. Dit betekent onder meer het organiseren van activiteiten voor diverse doelgroepen en het schrijven van artikelen. Daarnaast ben ik ook betrokken bij de wedstrijdorganisatie van PEC Zwolle Vrouwen.
Ik ben niet alleen werkzaam in de sport, ook als hobby is sport de rode draad in mijn leven. Na zelf volleybal en voetbal te hebben gespeeld, kwam de motorsport op mijn pad. Ik ben een van de medeoprichters van START Racing Nieuwleusen, waar jong motorsporttalent de kans krijgt hun talent verder te ontwikkelen. Inmiddels maak ik geen deel meer uit van dit team, maar ben ik samen met Arie nog regelmatig te vinden op circuits in binnen- en buitenland. Verder maak ik deel uit van de activiteitencommissie van de bedrijvenclub van voetbalvereniging S.V. Nieuwleusen.

Gea in PEC Zwolle tenue
Ik ben iemand die graag vooruit kijkt, maar ben tevens van mening dat het goed is om af en toe eens terug te blikken. De geschiedenis, zoals verhalen uit de oorlog, moeten doorverteld worden aan de jeugd. En natuurlijk is het ook gewoon leuk om verhalen uit de ‘oude doos’ te lezen. Daarom wil ik graag mijn steentje hieraan bijdragen door plaats te nemen in de redactie. En het zal u niet verbazen; om bijvoorbeeld ook eens in de sportgeschiedenis van Nieuwleusen te duiken.

2
Mijn naam is Jan Kaal en ik ben sinds het voorjaar van 2017 redactielid van het blad. Een half jaar eerder was ik ingelijfd als vrijwilliger bij het museum. Het museum had inmiddels een compleet nieuw automatisering systeem aangeschaft en het leek mij leuk om daar mee te kunnen werken.
Op dit moment ben ik 71 jaar. Tot mijn 65ste ben ik altijd actief geweest in de autobranche en heb verschillende functies gehad in de automatisering.
Ik ben geen geboren Nieuwleusenaar maar een import vanaf ongeveer 1970. Tot mijn 10e heb ik in Den Helder gewoond en ben vervolgens met mijn ouders mee naar Zwolle verhuisd. Ik kreeg wel verkering met een echte Nieuwleusense, namelijk Alie Bosch, waar ik later ook mee getrouwd ben. In 1971 zijn wij verhuisd vanuit Zwolle en in dit mooie dorp gaan wonen. Wij wonen hier nog steeds; nu in een appartement op de Grote Markt.

3
Mijn naam is Jenny Kasper.
Lange tijd heb ik elders gewoond, in verschillende plaatsen in Nederland. Het langst in de prachtige stad Utrecht. Geschiedenis heeft mij altijd geboeid. ‘Wie ben je, waar kom je vandaan’. Gebruikelijke vragen om boeiende verhalen te horen. Ik heb graag en veel gereisd. Om te ontdekken dat waar je ook komt, wie je ook bent, er heel veel overeenkomsten zijn. De plek waar je geboren wordt, de familie waarbinnen je opgroeit, de gebeurtenissen in de tijd, bepalen levens van mensen.
Bij deze stel ik mij voor als nieuw redactie lid. Ik ben een dochter van Jennigje Westerman en Bart Kasper, geboren in 1948 aan B 67 of wel het huidige Westeinde 200.
Ik heb gewerkt als verpleegkundige in verschillende instellingen, in verschillende facetten van de gezondheidszorg. Evenzo deed ik de opleiding Maatschappelijk werk om de achtergronden van mensen beter te begrijpen. Het mooie van deze nieuwe uitdaging als lid van de redactie is dat Nieuwleusen in het klein een verrassende geschiedenis heeft. Dat ik door mijn ouders en voorouders zelf verbonden ben met het verleden. Sinds september 2016 wonen wij aan de Stadhoek, in de nabije omgeving waar ooit mijn wieg stond.
Ik woon samen met mijn levensgezel Bart Stijve. Samen hebben we veel gereisd, voettochten gemaakt binnen en buiten Europa. En nog steeds gaan we op pad. We reizen uitsluitend met het openbaar vervoer, per (vouw)fiets of te voet.
Ik vind het afnemen van interviews boeiend evenals het meedenken over de inhoud van Ni’jluusn van vrogger

Jenny en Jan werken aan het kwartaalblad.

* * *

OERGEZELLIG; EEN KETTINGBERICHT

Gerrit Lubbers

De Historische vereniging Ni’jluusn van vrogger heeft regelmatig overleg met de Historische Kring Dalfsen. Dit in het kader van “Het DNA van Dalfsen-Nieuwleusen”. Deze contacten zijn nuttig en gezellig. Het is fijn om samen op te trekken en je wisselt ook gemakkelijker gegevens uit. Zo zag ik in mei 2017 een grote bult oer langs de Veldweg liggen. Ik mailde een foto daarvan naar verschillende mensen, met daarbij mijn vraag:

           “Langs de Veldweg liggen indrukwekkende bulten oer. Daar is pas flink geploegd. In het land zijn nog de oerkleurige stroken te zien. Wat zijn de blauwe vlekken die er in zitten?
Ik heb altijd begrepen dat de oer in de berm wordt gelegd zodat iedereen daar wat van mee kan nemen. Weten jullie daar wat van?”
Hier kwamen de volgende reacties op.

Ab Goutbeek, Historische Kring Dalfsen.
Wat een prachtig stukje natuurlijke ontwikkeling. Zo was dat in het gehele Dalfserveld. Eén van de trechterbekergraven was afgedekt met dergelijke platen, in plaats van hunebedstenen. Het blauwe is vivianiet, een ijzerverbinding Fe3(PO4)2. Dit ontstaat wanneer oude humus of aarde plotseling in contact komt met lucht. Het ontstaat spontaan, waar je bij staat zie je het blauw kleuren. Bij Giethoorn, waar men veen groef, gebeurde dat ook met de turf en kreeg men blauwe handen. De naam van camping De Blauwe Hand is daar een afgeleide van.

René Fokkert, werkgroep genealogie Ni’jluusn van vrogger.
IJzeroer oxideert als het in aanraking komt met zuurstof en wordt dan bruin. Het klopt dat oer binnenin soms blauw is. Door de dichtheid van het materiaal en omdat het in een zuurstofloze omgeving is gevormd in de loop van duizenden jaren is het ijzergehalte daar waarschijnlijk hoger.
Zelf hadden we vroeger grond aan de Dommelerdijk. Ook daar zat en zit veel oer in de grond. In de jaren tachtig werd het door veel mensen in de tuin gebruikt en vond men dat mooi. Als het in de berm werd gegooid waren er altijd wel mensen die het meenamen.
Ook oud ijzerhandelaren gooiden nog wel eens een paar van die brokken in hun vracht om meer kilo’s te hebben. Ik heb ergens gelezen dat het vroeger wel gebruikt werd als fundering onder de wanden van schuurtjes e.d. omdat ander bouwmateriaal te duur was en dit spul gratis.
Wij hebben aan de Dommelerdijk eens een oerbank uit de grond laten halen door loonbedrijf Van Leussen. Dat was ook in de jaren tachtig en het gebeurde met een shovel. Een tand van de bak van de shovel brak daarbij af omdat de bank te dik was. Men heeft het meeste oer laten zitten en die gedeeltes toen iets opgehoogd met grond, zodat we er minder last van zouden hebben.
Mijn buurvrouw Gé Hengeveld-van Berkum, zij woonde begin jaren veertig in de buurt van de Dedemsweg, vertelde mij dat er eind jaren dertig begin jaren veertig een spoorlijntje liep vanaf het kanaal de Dedemsvaart naar de gronden aan de Dedemsweg. Dit spoorlijntje moet gelopen hebben parallel aan of langs de Jagtlusterallee.
Er werd toen veel oer uit de grond gehaald in dat gebied, en dat werd destijds afgevoerd naar schepen in de Dedemsvaart. Dit werd voor ijzerproductie gebruikt.

Gees Bartels, voorzitter Ni’jluusn van vrogger.
Het oer werd onder andere naar Deventer verscheept, waar sinds 1795 een ijzermolen was voor de verwerking van ijzeroer. Dat werd later de oerijzergieterij en machinefabriek van Nering Bögel, de grootste gieterij van Nederland met meer dan duizend werknemers. Daar werden onder andere putdeksels voor de riolering gegoten (gietijzer is heel zwaar en de deksels blijven daardoor goed op hun plek) en brievenbussen, hekken, lantaarnpalen, locomotieven, overkappingen enz.


Willie van Oenen, Historische werkgroep Oudleusen
In het fundament van de Grote Kerk in Ommen is ook oer verwerkt. Volgens mij ging de oer destijds naar de hoogovens.
Bij een overleg over schoolprojecten van de Palthehof bij ons in Oudleusen sprak ik Joke Bos en Frieda Schuurman. Het gesprek kwam ook op de oerbrokken langs de Dedemsweg. Dat leek hen wel wat voor het museum. Op de terugweg hebben ze flink wat oer in de auto geladen. Dat ligt nu bij de Palthehof. Daar past het echt, want oer is een veel voorkomend obstakel in de landbouwgrond van Nieuwleusen. Lastig voor de boeren maar ook een stukje streekgeschiedenis.

* * *

EVERT DIJK EN DE VINKENBUURT – 4

Vertaling Gees Bartels

Evert Dijk (1914 – 1982) groeide op in de Vinkenbuurt in de tijd dat de omgeving daar nog grotendeels uit woeste gronden bestond. In het boek: “Als de dag van gisteren; verhalen uit het leven van Evert Dijk” (Historische Kring Ommen, 2004. 172 p.) vertelt hij over zijn jeugd in de jaren 1920 – 1927. De verhalen geven een goed beeld van hoe het leven in deze omgeving er honderd jaar geleden uitzag. De verhalen zijn in het dialect van deze streek geschreven, maar hier vertaald in het Nederlands.

Naar de school in de Vinkenbuurt.

Op de eerste dag van de bloeimaand van 1920 moest ik naar de openbare school in de Vinkenbuurt. Die stond aan de Koloniedijk en was daar gebouwd in 1908.
Voor die tijd gingen de kinderen uit deze buurt naar de openbare school aan het Oosteinde bij Nieuwleusen. Daar had mijn vader vroeger ook op school gezeten. De kinderen die oostelijk van Jan Riemer woonden trokken naar de openbare school aan de Schans, aan de grindweg van Ommen naar Balkbrug.
Daar kwam echter verandering in toen de gemeenteraad van Nieuwleusen besloot dat zij de kinderen uit de gemeente Ambt Ommen niet langer op hun school in ’t Oosteinde wilden toelaten. Noodgedwongen moest de gemeente Ambt Ommen toen in de Vinkenbuurt zelf een school laten bouwen en dat hebben ze ook gedaan.
Op 25 februari 1908 werd de openbare lagere school ‘Varsenerveld’ geopend. Het was een school met twee lokalen, met daar vooraan de meesterswoning voor de hoofdonderwijzer B.B. Neuteboom.
Die school was voor mij mooi dichtbij; nog geen tien minuten lopen.

De school was tot 1963 in gebruik. Er kwam toen een nieuw schoolgebouw. Het oude schoolgebouw werd later buurthuis.
Tekst en foto’s: Harry Woertink in oudommen.nl


Een paar maanden voor mijn eerste schooldag had ik al kennis gemaakt met het witte gebouw, om er in een van de lokalen de pokken te krijgen. Zonder die pokken mocht je het verplichte onderwijs niet volgen. Een vreemd gedoe, die dubbele plicht: eerst de plicht om je te laten inenten, om daarna verplicht naar school te gaan!
Ik weet het nog goed, het was een heel gedoe: blèrende kinderen aan de rokken van hun moeder en een dokter uit Ommen met een witte jas aan, die ieder van ons vijf prikken in de linker bovenarm gaf.
Ik probeerde die dag de operatie bij mijzelf alsmaar uit te stellen door te zeggen: die eerst en dan die eerst, maar op ’t allerlaatste moest ik er toch aan geloven, want tegensputteren hielp niks. Maar ik heb niet gehuild, daar was ik veel te eigenwijs voor!
Veertien dagen later moesten alle tegen de besmettelijk koepokken ingeënte kinderen weer naar dat lokaal toe om aan de dokter te laten zien of zijn prikken ook opgekomen waren. Bij bijna alle kinderen en ook bij mij werden de prikken goedgekeurd en daar was ik maar wat blij om, want anders moest ik alles nog een keer opnieuw ondergaan en daar had ik helemaal geen zin in.
Mijn moeder kreeg een papiertje van de dokter mee naar huis, want dat moest op de eerste schooldag bij het hoofd van de school worden ingeleverd. Wat er op dat pokkenbriefje stond kon ik natuurlijk toen nog niet lezen, maar daar kwam ik later pas achter.
Er stond met deftige woorden op dat:
De ondergeteekende, Arts te Ommen gevestigd, verklaart de koepokkeninenting verricht te hebben aan Dijk, Evert, geboren den 22 juni 1914, wonende te Ambt-Ommen en zich persoonlijk overtuigd te hebben, dat zich daarna vier koepokken hebben ontwikkeld, die een zodanig beloop hebben gehad, dat zij een voorbehoeding tegen de koepokken zoveel mogelijk waarborgen. Onderaan deze verklaring stond de datum, 21 maart 1920 en de handtekening van de dokter.

Gewapend met dit pokkenbriefje ging ik op 1 mei van dat jaar naar de school, samen met mijn buurjongen en speelkameraad, Albert van Tieme Wind, waar ik al vaak mee gespeeld had. Ik kwam jammer genoeg niet naast hem in de schoolbank te zitten, waar ik op gehoopt had, maar naast Evert van Duren van de Stouwe. Wij beiden, en alle nieuwe leerlingen, kregen van juffrouw Fels elk een schone lei, een griffeldoos, een sponsdoosje en verder nog een blikken doosje met daarin losse letters met daarbij een stevige kaart met plaatjes d’r op, waaronder de volgende woorden, die ik nooit ben vergeten:

aap
teun
wei-de

noot
vuur
does

mies
gijs
hok

wim
lam
duif

zus
kees
scha-pen

jet
bok

Al op de eerste dag moesten wij de letters uit het doosje op dezelfde manier op het stuk papier leggen als de schooljuffrouw het ons op het grote bord voorin het lokaal voordeed.
Op die manier leerden wij lezen en ik kreeg het al snel onder de knie, waarbij het natekenen van de letters uit de oude boeken van mijn opa mij nu goed van pas kwam.
Om zelf de letters en woorden aan te leren gebruikten wij de griffel, om daarmee op de lei te schrijven. Na de les konden we ons gekrabbel met de natte spons uitvegen en met een zemen lapje, die ook in het sponsdoosje zat, de lei weer droog wrijven. De lei deed ook dienst bij het rekenen en tekenen. Het rekenen gebeurde de eerste tijd met een telraam.
Aan ’t einde van het eerste schooljaar maakten de lei en het sponsdoosje, waar je zo mooi bonen in kon laten kiemen, plaats voor het schrift en mochten wij met pen en inkt schrijven.
Ook de letterplankjes met aap, noot, mies, verdwenen voor het leesonderwijs en werden in de tweede klas vervangen door boekjes over Ot en Sien, later opgevolgd door Pim en Mien.
In de derde klas kwam er ook kennis der natuur bij en juffrouw Boes vertelde ons door middel van grote muurplaten over vogels, dieren, vissen en reptielen en verder over bomen, struiken en wilde bloemen.

Ik heb de drie jaar dat ik in de Vinkenbuurt naar school ging ervaren als een mooie tijd.
Ieder jaar kwam Sinterklaas op zijn verjaardag ons in het lokaal bezoeken en bracht kleine cadeautjes, een taaipop en pepernoten voor ons mee. De eerste keer, in de eerste klas, vond ik hem maar een vreemde verschijning met zijn lange rok aan, maar al snel daarna hoorde ik dat het gewoon de bakker-kruidenier Teunis Jansen was, die dan zogenaamd met de stoomboot uit Spanje helemaal naar de Vinkenbuurt was gekomen. Hij maakte ons, zo raar uitgedost, attent op onze goede en minder goede hebbelijkheden.

Zo leerde ik dus in die jaren lezen, schrijven, tekenen en rekenen. Ik vond al die vakken prachtig, vooral het lezen. Als je dat eenmaal kunt, gaat er een wereld voor je open. Dan kun je je verdiepen in de boeken en het nieuws uit de krant volgen. Van toen af aan werden de lange winteravonden in de huiskamer bij de warme kachel nog mooier!
Opnieuw ging ik snuffelen in de oude boeken uit grootmoeders kabinet en las ik de boeken uit de schoolbibliotheek. Daarnaast las ik de berichten uit de Dedemsvaartsche Courant, die twee keer per week kwam, en de stukjes uit De Wachter, een kerkelijk weekblaadje. Maar vooral ook De Automaat, het krantje dat de petroleumventer van Nieuwleusen elke veertien dagen meebracht en dat niks kostte, met zijn stripverhaal over Pijpje Drop, dat elke keer eindigde met:

Hoe het Pijpje verder gaat,
staat in de volgende Automaat.


En niet te vergeten het boekje over Piggelmee, die mijn moeder op de bij de koffiebonen gespaarde punten gekregen had en dat begon met:

In het land der blonde duinen
en niet heel ver van de zee
woonde eens een dwergenpaartje
en dat heette Piggelmee.



* * *

INHOUDSOPGAVE 2017

Maart 2017
01 Goed veur de dag komen
08 Correctie en aanvulling
09 Landbouwvereniging Nieuwleusen en Omstreken (vervolg) door Gé Evertsen-Boer
15 Een oude groepsfoto; Personeel Coöp. Landbouwvereniging 1956
18 Landbouwvereniging Nieuwleusen en Omstreken (vervolg) door Gé Evertsen-Boer
21 Het verhaal achter de honingpers door Gees Bartels
26 Natuurhoning; gedicht door Lenze L. Bouwers
27.Evert Dijk en de Vinkenbuurt; vertaald door Gees Bartels
31 Proatende peerde door Riek van de Vegt
32 Jakob de Weerd treedt na 33 jaar af als eindredacteur.
Juni 2017
01 Het werken bij de Dedemsvaartse rokkenfabriek (DEROFA) door Rianne Bouwknegt.
03 Goed veur de dag komen; gedicht door Lenze L. Bouwers
04 Oosteinde 80, ruim 80 jaar bakkersgeschiedenis (vervolg) door Joop Klein
10 Evert Dijk en de Vinkenbuurt (vervolg 2) vertaald door Gees Bartels
15 Denkertje; puzzel door Ab Scheper
16 Een elftal van SV Nieuwleusen 1961-1962; groepsfoto
18 Uit onze collectie; Bakkersfiets en bakkerskar door Gees Bartels
21 Hendrik Muller, molenaar van De Vlijt
26 Een gondelvaart in 1935 en 1945
30 Binnengekomen reacties
31 Kunstmest door G. Steen
September 2017
65 Uitnodiging Verenigingsavond
67 Gé Hengeveld 34 jaar in de redactie
68 Komende activiteiten
71 Jagtlusterallee door Ron Klijn
73 ANWB vergat Nieuwleusen
74 Evert Dijk en de Vinkenbuurt (vervolg 3) vertaald door Gees Bartels
76 Gondelvaarten in Nieuwleusen door Jakob de Weerd









Jaargang 36 Nummer 2 juni 2018


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina:



Burgemeester ten Oever opent het museum op 3 april 1998

* * *

MENSEN AAN HET WOORD: JENNI VEIJER

Interview door Jenny Kasper en Henny ter Wee

Museum Palthehof verdiept zich in de geschiedenis van Nieuwleusen en omgeving. Actieve vrijwilligers betonen grote inzet om steeds weer facetten uit onze geschiedenis op te diepen. Binnen deze groep vrijwilligers zijn ook mensen met een persoonlijke geschieden gerelateerd aan de ontwikkeling van ons dorp. Jenni Veijer - van Lente is een van de mensen die sporen heeft achtergelaten binnen het dorp en daarbuiten. Zij bracht vrouwen de kunst bij van het modebewustzijn en de vaardigheid eigen kleding te maken en te ontwerpen.

Jenni is geboren en getogen aan het Zandspeur 20. Zij is een dochter uit het huwelijk van Harm van Lente en Jantina Jonkers, zijn tweede echtgenote. Harm van Lente, geboren te Zwolle, was aanvankelijk paardenknecht bij Baron Van Dedem. Hij trouwde met Trijntje Kleen uit Nieuwleusen. Zijn eerste vrouw overleed toen hun zoontje Harm acht jaar was.
Zijn tweede vrouw, de moeder van Jenni, is geboren en getogen nabij Heidelberg in een Nederlands gezin met een avontuurlijke levenswijze. Zij heeft tot haar drieëntwintigste jaar in Duitsland gewoond en sprak goed Duits. Jenni is de oudste dochter in dit gezin, geboren in februari 1937, en kreeg nog een broertje en een zusje.
In die tijd stonden er slechts enkele boerderijen aan het Zandspeur. Rondom hun huis was wei- en akkerland. Jenni ging te voet naar de openbare lagere school C aan de overzijde van het kanaal de Dedemsvaart. Dus het Zandspeur afgelopen naar de Ommerdijk en dan linksaf naar de brug, deze over en linksaf naar school. In deze periode was het hoofd der school meester Jongste. Zijn zoon Jan zat bij Jenni in de klas. Naast haar kwam, einde lagere schooltijd, Margje Hendriks te wonen vanuit het Westeinde. Dit werd een jarenlange, nu nog bestaande vriendschap.
De lagere school telde acht klassen. Kinderen die geen verder onderwijs konden of wilden volgen bleven tot en met de achtste klas op deze school. Margje wilde geen vervolgonderwijs, Jenni wist niet wat ze wilde, beide bleven op school tot en met de achtste klas. Zij kregen maar weinig onderwijs in het laatste jaar. Echter meester Jongste had wel klusjes voor ze zoals post ophalen en post wegbrengen. Ja, zo kon het gaan.
De moeder van Jenni maakte veelal zelf de kleding voor haar kinderen. Zij wist altijd verrassende accenten te bedenken.
Jenni vond naaien leuk en ging naar naailes aan het Schuurmanslaantje in Nieuwleusen, nabij of in de boerderij van Deuzeman. Deze naaischool was onderdeel van E.N.S.A.I.D – Eerste Nederlandsche Modevakschool Vereeniging. Mevrouw Jo Menger, uit Berkum, gaf les. Jenni genoot van deze naailessen en het patroontekenen.
In 1953 deed Jenni haar Lingerie-examen in Utrecht. Bij gebrek aan stoffen in deze periode moest zij haar examenopdracht uitvoeren met papier. Daarna volgde in 1955 het examen Costumière. Jenni bleek een talentvolle leerlinge gezien haar cijferlijst.
Voor zichzelf maakte Jenni veelal kleding naar eigen ontwerp. Net even anders. Onderwijl naaide Jenni menige trouwjurk voor familie, vrienden en bekenden. Samen met de bruid zocht zij stof en patroon uit. Achteraf gezien was dit veel liefdewerk, zegt zij zelf, maar zij kon haar creativiteit kwijt in deze opdrachten.
Jenni kreeg haar eerste verzoeken voor ‘pompwerk’. Dat hield in: het korter maken van pantalons, jurken en rokken, het innemen of juist uitleggen van naden. Een lastige klus was bijvoorbeeld het veranderen van coupenaden bij dameskleding.
Deze opdrachten kreeg ze van B.A. van Marle – manufacturen aan de Hoofdvaart, kledingzaak J. Bos aan de Ommerdijk (waar momenteel de Evangelische boekhandel is gevestigd) en van modehuis Beekman te Nieuwleusen.
De kleding werd op maat afgespeld in de winkel en gebracht en gehaald aan het Zandspeur. Jenni had daar een naaikamertje in haar ouderlijk huis en een Varwijk naaimachine.

In 1955 ging Jenni werken bij DELANA in Dedemsvaart, een tricotconfectiefabriek waar dames- en herenondergoed, jurken, rokken, bad- en skikleding werd gemaakt. In het Museum Palthehof is nog een badpak te bewonderen, gemaakt in deze fabriek.
Deze kleding werd onder andere in Den Hulst verkocht bij B.A. van Marle. De grote, roze directoires, wie kent ze nog ? “Deze onderbroeken zaten tot onder je oksels“, aldus Jenni.
De fabriek was eigendom van de familie Minke. Er werkten voornamelijk vrouwen bij DELANA. Echter in de leidinggevende functies waren ook mannen werkzaam. In hal 1 bijvoorbeeld, was dit Guus van Laar. Gezeten op een soort preekstoel hield hij de controle over de werkzame vrouwen en de duur van hun toiletbezoek. Vrouwen in leidinggevende posities liepen gewoon over de afdeling.
Met de EDS – Eerste Drentsche Stoomtramweg Maatschappij, reisde Jenni naar haar werk. De moeder van Jenni vond het maar matig dat haar dochter in de fabriek ging werken.
Jenni begon aan de snijtafel en doorliep verschillende afdelingen in het productieproces, om te eindigen op de ontwerpafdeling.
Anderhalf jaar bleef zij in dienst. Haar moeder werd ziek, Jenni nam ontslag en ging voor haar moeder en het huishouden zorgen.

Inmiddels had Jenni verkering gekregen met Dries Veijer uit Balkbrug, die zij ontmoette tijdens een toneelvoorstelling met dansen na, in Hotel-Café de Unie in Den Hulst. Het was liefde op het eerste gezicht. Dries werkte als servicemonteur in de Unionfabriek. In 1958 trouwden Jenni en Dries. Gelukkig was Jenni haar moeder hersteld.
In 1965 startte Jenni weer met een opleiding ditmaal aan de Modevakschool te Haarlem. Deze opleiding was moderner en had een bredere basis.
Jenni volgde daar een hogere opleiding en deed in vier vakken examen: coupeuse, mannenmode, lerarenopleiding en haute couture. Haar eerste examen – coupeuse – deed zij in 1969. Tijdens deze opleiding ging de lesgroep naar Parijs om een modeshow te zien. Een bijzondere ervaring die indruk maakte.
Zo werd Jenni een veelzijdig vakvrouw, werd lid van deze modevakschool en kon vanaf toen haar cursisten opleiden tot het examenniveau van deze modevakschool. In 1985 deed Jenni haar laatste examen Haute Couture. Sinds 1969 was Jenni met naailessen gestart aan de Burg. Backxlaan (Ommerdijk). Eerst in een rijtjeshuis ter hoogte van (nu) AH, min of meer gelijk aan de huizen tegenover het zwembad, waar zij en Dries woonden. Nadien woonden zij korte tijd in de Burg. van der Grondenstraat voordat zij terugkeerden naar het huidige adres aan het Zandspeur. Jenni heeft zelfs nog les gegeven in de kelder van de Maranathakerk.
Haar eerste cursisten waren o.a. de vrouw van een huisarts, de directrice van de huishoudschool, de echtgenote van de gereformeerde predikant en de echtgenote van een bankdirecteur. Er was duidelijk behoefte aan naaivaardigheid en het maken van eigentijdse mode. Jenni adverteerde in de Meppeler-, Zwolsche- en Dedemvaartsche Courant. Al snel had zij per week, verdeeld over een aantal dagen, van september tot en met mei, gemiddeld 75 cursisten uit de regio. Met veel plezier heeft zij deze lessen verzorgd. Acht cursisten per groep in een les van twee uur.
Aanvankelijk had Jenni de nodige naaimachines aangeschaft. In de praktijk bleek dat haar cursisten ook graag uitleg kregen over het gebruik van de eigen naaimachine. Vanaf dat moment brachten de meeste cursisten hun eigen naaimachine mee.








Jenni showt haar examenwerkstuk Haute Couture

Er was een periode dat Jenni ook zelf stoffen inkocht van betere kwaliteit middels een tussenpersoon uit Rhoon. Bijna 40 jaar gaf Jenni deze naailessen. Naast het opvoeden van twee zonen, het huishouden en het lesgeven, had ze ook nog tijd om haar studie af te ronden.
Bijzonder is dat een aantal van haar cursisten ook examen deden aan de modevakschool en naderhand zelf een naaischool zijn gestart. Ook namen zij soms lessen van Jenni over ter ondersteuning. Een mooi voorbeeld is Dinie Kleine, één van de succesvolle cursisten van Jenni. Zij heeft een goedlopende winkel in Nieuwleusen.
Met verschillende cursisten is Jenni tot op heden bevriend gebleven. Eén cursiste heeft vijfentwintig jaar op naailes gezeten. Niet omdat het naaiwerk niet lukte, zij kwam omdat het zo gezellig was.
Als Jenni terugblikt in de tijd is er wel het een en ander veranderd. Stoffen zijn handzamer, soepeler geworden en er zijn meer synthetische stoffen. Modebeelden komen terug in iets andere variaties. Allerlei modetrends maakte zij door de jaren heen mee; de komst van de lange broeken voor vrouwen, de minimode, de hotpants, van het meer traditionele mantelpakje naar de diversiteit van ‘bijna alles past’.


Jenny in de jurk voor ’s avonds

Daarbij passen een paar leuke anekdotes: In 1954 naaide zij thuis stiekem een lange broek. Van haar moeder mocht dit niet. Vervolgens ging zij met haar verloofde Dries en twee anderen op de bromfiets naar Giethoorn. De lange broek mee. In Giethoorn heeft zij zich omgekleed. Iemand maakte een foto van het vrolijke viertal.
Thuisgekomen liet zij enthousiast de foto zien. Er was een moment van stilte .… want daar stond Jenni in haar lange broek. Haar moeder heeft er nooit meer over gesproken.


Jenny in de stiekeme lange broek

Op een andere foto is een prachtig geklede vrouw te zien, heel chic met handschoenen en bijpassend tasje, staand in een houten roeiboot. Jenni en Dries, inmiddels getrouwd, gingen graag op vakantie naar Giethoorn.


Jenny en Dries op een Union bromfiets en Marrie en Klaas Leisenaar op een Solex

Samen op de brommer, bagage achterop. In de koffer zat altijd mooie kleding om ’s avonds uit te gaan. Beide houden er nog steeds van goed gekleed te zijn en samen te dansen.

* * *

KRAGTEN VAN HET WESTERVEEN Deel 2

René Fokkert

In het eerste artikel is beschreven dat de boerderij Westerveen 39 al eeuwen de plek is waar de familie Kragt heeft gewoond en gewerkt. Deze familienaam komt voor het eerst voor in 1663 op de lijst van huisgezinnen. Het artikel beschrijft de geschiedenis van de familie Kragt van 1663 tot ongeveer 1850. Dan komt de boerderij, na een korte onderbreking, weer in handen van de broers Koop en Gerrit Kragt.

Kadastrale situatie
De eerste situatieschets hierna geeft de kadastrale situatie weer in 1832. In het weergegeven blok staan dan twee boerderijen: op wat nu Westeinde 44 is (het woonhuis naast bakkerij Borger) stond de boerderij van Klaas Kragt en Trientjen Peters. Aan de westkant van de huidige bebouwing van Westerveen 39 stond de boerderij van Albert de Weerd.
De letter A geeft het grondbezit weer van Klaas Kragt en B dat van Albert de Weerd.


De volgende situatieschets geeft de kadastrale veranderingen weer na het overlijden van Koop Kragt en zijn echtgenote Aaltje Bouwmeester. Deze schets is uit het kadastrale dienstjaar (DJ) 1857. Gerrit Kragt, in tweede huwelijk getrouwd met Hendrikje Kragt (zie hierna), is dan eigenaar van de boerderij Westerveen 39 met grond tot aan het Westeinde.
De percelen 1 en 2 verwisselen hierna nog verschillende keren van eigenaar totdat deze grond met het boerderijtje op Westerveen 41 in 1927 door Hendrik Kragt wordt aangekocht.


Gerrit (Hendriks) Kragt
Gerrit (Hendriks) Kragt, geboren op 18 januari 1807, woont na zijn huwelijk bij zijn stiefvader tot aan diens vertrek naar Michigan. Gerrit is de jongste zoon uit het eerste huwelijk van zijn vader Hendrik Claassen Kragt en Claasje Coops Klein. Zijn beroep is schoenmaker. Op 23 maart 1833 trouwt hij met Berendina Nijhuis, een dochter van Jan Nijhuis en Jantje Koops. Zij is geboren 15 december 1807 en op 3 november 1845 overleden. Uit dit huwelijk worden twee kinderen geboren: Klaasje op 6 juli 1834 en Jentje op 12 december 1839 en overleden 27 juli 1840.
Van Gerrit Kragt is bekend dat hij een bezwaarschrift tegen de in zijn ogen te hoge belastingen voor het dienstjaar 1841-1842 heeft ingediend. Het bezwaar wordt door de gouverneur van de provincie Overijssel evenwel ongegrond verklaard op 21 maart 1842.


In de periode 1850-1860 heeft de boerderij Westerveen 39 het nummer A 104. Er is een inwonende knecht Roelof Klein (geb. 1827) en ook inwonend is Arend Wichert Burger (geb. 1834). Hij is schaapherder en vermoedelijk in dienst bij de familie Kragt.

Gerrit Kragt trouwt voor de tweede maal op 4 augustus 1853 met Hendrikje Kragt. Hij is dan inmiddels landbouwer nadat zijn stiefvader naar Amerika is vertrokken. Hendrikje Kragt is geboren op 20 april 1829 en overleden op 3 maart 1886. Zij is een dochter van Hermen Kragt en Jantje Timmerman. Waarschijnlijk komt zijn tweede vrouw Hendrikje als huishoudster in huis bij Gerrit Kragt na het overlijden van zijn eerste vrouw Berendina Nijhuis.
Omdat Hendrikje Kragt de dochter is van Hermen Kragt, een broer van Gerrit Kragt, zijn Gerrit en Hendrikje dus oom en nicht. Voor het huwelijk werd dispensatie aangevraagd, wat door koning Willem III is verleend op 16 juli 1853. Ten tijde van het huwelijk is Hendrikje al ongeveer zes maanden zwanger.
In totaal zijn er uit dit huwelijk zeven kinderen geboren: Hendrik op 7 oktober 1853, Berendina op 29 oktober 1855 (overleden op 14 januari 1858), Jennigje op 17 juli 1857 (overleden op 25 februari 1863 als Jentje), Harm op 1 november 1859, Berend Jan op 23 maart 1863 (overleden op 16 april 1865), Berend Jan op 23 maart 1867 (overleden 3 augustus 1868) en Jennigje op 4 april 1869.


Handtekeningen van Hendrikje Kragt en Gerrit Kragt.

In 1860 koopt Gerrit Kragt voor 1510 gulden de rechten van zijn halfzuster Klaasje Kragt af in de boerderij in Nieuwleusen. Klaasje is getrouwd met Jan Bosch en woonachtig in Varsen, Ambt Ommen. Als zij in 1903 te Stad Ommen overlijdt, is ze weduwe van Jan Bosch. Het echtpaar heeft geen kinderen. In een akte van inventaris wordt door notaris Blom uit Ommen een opsomming gegeven van haar bezittingen. Deze bestaan uit een boerderij met ongeveer 25 hectare grond, inboedel en uitstaand geld. Als erfgenamen worden aangemerkt haar zuster Jennigje en haar broers Harm en Hendrik Kragt ieder voor een derde deel van haar nalatenschap.


In 1879 koopt Gerrit Kragt voor zijn zoon Harm de dienstplicht af. Deze mogelijkheid bestond toen, maar goedkoop was het echter niet. Het kost Gerrit Kragt maar liefst 600 gulden. Johannes Kamphuis uit Losser is bereid gevonden om als remplaçant de dienstplicht te vervullen. Johannes wordt ingedeeld bij de infanterie in Nijmegen. Het is niet bekend of hij daarvoor ook de betaalde 600 gulden heeft ontvangen.


Gedeelte uit de overeenkomst van afkoop van de dienstplicht van Harm Kragt.

Na het overlijden van zowel Gerrit Kragt op 16 maart 1883 als zijn tweede vrouw Hendrikje Kragt op 3 maart 1886 worden er op last van kantonrechter Hendrik Gerhard Jordens van de Rechtbank in Zwolle, op 16 februari 1887 drie mannen beëdigd die een onafhankelijke opgave moeten doen van al hetgeen tot de bezittingen van de huwelijksgemeenschap van Gerrit Kragt en Hendrikje Kragt kan worden bevonden. De drie mannen zijn Hendrik Eshuis, Willem Boer en Arend Schoemaker, allen landbouwers te Nieuwleusen en waarschijnlijk ook gewoon buren. Onder de getaxeerde goederen is ook een opgave van het vee dat als volgt is getaxeerd. Een paard 60 gulden, acht koeien variërend van 50 tot 100 gulden, drie pinken samen voor 95 gulden, drie kalveren samen 21 gulden, een mot met vijf biggen voor 45 gulden, een mot voor 29 gulden, een mot voor 25 gulden, vier biggen voor 34 gulden en 16 kippen en een haan voor acht gulden en 25 cent.
Gerrit Kragt wordt als landbouwer op deze boerderij opgevolgd door zijn zoon Harm Kragt.

Harm Kragt
Harm is geboren op 1 november 1859. Hij trouwt op 24 mei 1879 met Jentje Boer, de op 14 december 1857 geboren dochter van Willem Boer en Margje Katoele. Harm en Jentje krijgen vier zonen. Gerrit is de oudste. Hij wordt al voor het huwelijk geboren op 6 februari 1879. Bij het huwelijk is hij als wettige zoon erkend. Het tweede kind is Willem, geboren op 8 december 1880. Het derde kind is Berend Jan, geboren op 17 mei 1884 en als vierde en laatste is Hendrik op 29 oktober 1888 geboren.

Jentje Boer overlijdt op 30 december 1914. Dat maakt het noodzakelijk dat er in 1915 bij notaris Visscher te Nieuwleusen een successieaangifte wordt opgemaakt. Vervolgens wordt er in februari 1916 een akte opgesteld waarin het onverdeelde eigendom is verdeeld onder de erfgenamen. Deze akte heeft alleen betrekking op de onroerende goederen; geld en overige goederen worden daarin niet vermeld.
De akte maakt duidelijk dat er in het gezamenlijk bezit drie huizen zijn met erven, schuren, stookhok en hooibergen. In totaal is er in Nieuwleusen circa 24 hectare grond, in de gemeente Dalfsen circa 13 hectare grond, in de gemeente Avereest ongeveer 5 hectare heidegrond en in Ambt Ommen ruim 2 hectare grond. Specifiek is vermeld hooiland in het Dwarsbroek groot 2.5 hectare, hooiland aan de Meele groot 1.76 hectare, nog een stuk hooiland van 1.69 hectare, hooiland (het Meentje bij Westerman) een vierde deel van 7 hectare uit een onverdeelde boedel, hooiland in de Woesten Ambt Ommen groot 2.4 hectare, heidegrond het Witteveen onder de gemeente Dalfsen groot 1.5 hectare en een stuk heidegrond in Oudleusen groot 1.3 hectare (de vermelde oppervlaktes zijn afgerond).

Harm Kragt blijft, als weduwnaar van Jentje Boer, eigenaar van een aanzienlijk deel van de boedel. Hij krijgt o.a. alle bebouwing aan het Westerveen en grond met een oppervlakte van 10 hectare en 67 are. In een akte die is opgemaakt op 23 januari 1920 ten huize van de comparanten Harm Kragt en zijn zoon Hendrik Kragt en diens vrouw Klaasje Boer, verkoopt Harm een groot gedeelte van zijn bezit aan zijn zoon Hendrik. Harm Kragt verklaart te hebben verkocht het huis met erf en schuur, den grooten hooiberg en het varkensschot met hooi en bouwland aan weerszijden van den Straatweg, groot 10.67 hectare.
Een gedeelte van de koopprijs hoeft niet te worden betaald omdat koper de verplichting op zich neemt om verkoper ingaande 1 mei 1920 levenslang kost en inwoning te verschaffen en liefderijk te verplegen, zonder hem voor het een of ander iets in rekening te kunnen brengen, zijnde onder het begrip kost en inwoning niet begrepen kleederen, geneeskundige hulp en medicamenten en evenmin, in geval van overlijden, de begrafeniskosten.
Niet al zijn bezittingen zijn onder deze koop begrepen. Zo blijven o.a. enkele gebouwen en de eikenbomen op het erf en langs de weg in eigendom van Harm Kragt. Als getuigen bij het opstellen van deze akte treden op Gerrit Snijder, directeur van de Landbouwvereniging, en Johannes Jansma, notarisklerk, beide wonende te Nieuwleusen. Harm Kragt overlijdt op 1 mei 1934 in zijn huis aan het Westerveen.

De verdeling van 1916
Gerrit, de oudste zoon van Harm en Jentje Kragt-Boer, krijgt uit de verdeling hooiland in de Oudleusenermeente bij Keizer, groot 2.4 hectare, en een stukje bouwland op Berendsland 0.08 hectare groot. Gerrit Kragt (6 februari 1879) trouwt op 29 oktober 1902 met Jentje Stegerman, geboren op 30 augustus 1884. Zij is een dochter van Berend Stegerman en Geesje Bovenhoff. Volgens het bevolkingsregister over de periode 1900-1910 wonen ze eerst in bij zijn ouders. Daar is oudste dochter Jentje geboren. Als vader Harm Kragt omstreeks 1904 een boerderijtje aankoopt in Den Hulst, dat staat op het uiteinde van het slag grond wat oorspronkelijk bij de Kragt boerderij hoorde, verhuizen Gerrit en Jentje met dochter Jentje naar dit boerderijtje. De kinderen Geesje en Harm worden daar geboren. Omstreeks 1907 verhuist het gezin Gerrit Kragt naar het ouderlijk huis van zijn vrouw Jentje Stegerman aan het Oosterveen.

Op 28 maart 1928 verongelukt Gerrit Kragt op 49-jarige leeftijd met paard en wagen. Hij werkt die dag voor de gemeente en is op weg naar huis. Op het Oosteinde ter hoogte van het huis van Arend Blik slaan de paarden op hol. Daarbij komt Gerrit ten val en hij breekt zijn nek.



Gerrit Kragt en Jentje Kragt-Stegerman.








Provinciale Overijs- selsche en Zwolsche Courant van 30 maart 1928.

Buurtbewoners brengen hem op een ladder naar huis, waar hij de volgende dag overlijdt. Het artikel in de krant wijkt op details af van de versie van het gebeurde in de familie.
Uit een verslag van de raadsvergadering van de gemeente Nieuwleusen in juni 1928, gepubliceerd in de Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 27 juni 1928, blijkt dat de weduwe Kragt bij de gemeente een verzoek heeft ingediend voor een schadevergoeding wegens het verlies van haar man. Zij vraagt volgens de krant 15000 gulden, een buitengewoon hoog bedrag voor die tijd. Het zou aannemelijker zijn als het hier om 1500 of 150 gulden gaat en dat het hier een drukfout betreft. De voorzitter (de burgemeester) verklaart dat men het ten zeerste betreurt dat Kragt dit ongeval is overkomen, maar dat de gemeente echter hiervoor niet aansprakelijk kan worden gesteld.
Nadat Jentje Stegerman op 13 juli 1960 ook in Oosterveen 55 is overleden wordt de boerderij afgebroken en vervangen door een nieuw huis. Tegenwoordig woont de familie Jan Kragt op dit adres.










Jentje Kragt - Stegerman met haar kinderen Gerrit en Geesje. De foto is gemaakt kort na het overlijden van echtgenoot en vader Gerrit Kragt.

Gerrit Kragt en Jentje Stegerman krijgen zeven kinderen:

-  
 
 

 

 
 

 
 

 

 
 

 

Jentje, geboren 18 oktober 1903 en ongehuwd overleden 2 oktober 1993, landbouwster op het Oosterveen.
Geesje, geboren 19 december 1905 en overleden
16 januari 1922.
Harm, geboren 6 september 1908, overleden
13 november 1982, getrouwd met Klaziena Kragt (1903-1981).
Berend, geboren 6 september 1911, ongehuwd overleden 9 oktober 1993, landbouwer op het Oosterveen.
Wilhelmina, geboren 24 december 1914, overleden
15 april 1979, getrouwd met Klaas Smit (1913-1966).
Gerrit, geboren 6 maart 1918, overleden
25 december 1978, getrouwd met Jennigje Dijk (1921-2006).
Geesje, geboren 14 mei 1922, getrouwd met Jan Prins (1917-2009). Geesje Prins-Kragt heeft haar grootvader Harm Kragt nog gekend.
Als klein meisje moest ze een keer naar hem toe om te vragen of ze de brik (koets) mochten lenen voor een rit naar Zwolle.
Grootvader zat in een grote kamer op een stoel naast de haard en herkende zijn kleindochter niet. Nadat ze hem had verteld hoe haar naam was en wie haar ouders waren, stemde hij toe in het verzoek. Dit voorval van zo omstreeks 1930 maakte op haar zo’n grote indruk dat ze er later nog vaak over heeft verteld.


Jentje Kragt-Stegerman met vier van haar kleinkinderen voor de woning aan het Oosterveen.

Zoon Willem Kragt krijgt uit de verdeling een huis en erf in Den Hulst met de daarbij gelegen grond met een totale oppervlakte van 5.36 hectare. Deze boerderij had vroeger o.a. de nummers C158 en Hoofdvaart zuidzijde 143 en tegenwoordig Parklaan 6.
Willem krijgt op zijn erf een bijzondere erfdienstbaarheid gelegd. Als namelijk zijn vader of een van zijn broers goederen via het kanaal zouden laten aan- of afvoeren, dan is hij verplicht dit op zijn erf toe te staan. Die goederen moeten echter wel binnen drie maanden na het lossen van Willem Kragt’s erf verwijderd zijn.
De boerderij lag op het noordelijke uiteinde van de grond van zijn vader Harm Kragt (dat zich uitstrekte tot aan de Kringsloot). Omstreeks 1966 is de boerderij verkocht aan de gemeente. Op een deel van de bijbehorende grond is de Hulsterplas aangelegd. Het zand dat vrij kwam is gebruikt voor het dempen van het kanaal de Dedemsvaart.








De boerderij van Willem Kragt aan Den Hulst.

Naast het onroerend goed in Den Hulst valt er ook een blok heidegrond van bijna 5 hectare in het Westerhuizingerveld aan Willem toe.

Willem Kragt (8 december 1880 – 24 april 1952) trouwt op 26 september 1907 met Klaziena Meijer (15 februari 1883 – 17 november 1965), dochter van Engbert Meijer en Klaasje Boer.
Willem en Klaziena krijgen acht kinderen.


 
 

 

 

 

 
 

 

 

 

Harm, geboren 23 februari 1908 en overleden
26 december 1980, getrouwd met Johanna Kouwen (1911-2002).
Engbert, geboren 4 januari 1911 en overleden
18 maart 1915.
Jentje, geboren 8 januari 1914 en overleden
31 juli 1915.
Jentje, geboren 23 juli 1916, getrouwd met
Hendrik Klein (1909).
Engbert, geboren 23 juli 1916 en overleden
11 juni 1993, getrouwd met Geesje Schoemaker (1919-2006).
Klaasje, geboren 14 juli 1919, getrouwd met
Hendrik Mostert (1913).
Wilhelmina, geboren 15 november 1921 en overleden
8 mei 1923.
Willem, geboren 1 oktober 1924 en overleden
8 april 1997, getrouwd met Mina Meulenbelt (1920-2010).


Deze foto is in 1947 gemaakt ter gelegenheid van het 40-jarg huwelijk van Willem Kragt en Klaziena Meijer. Vlnr: staand achteraan: Mina Kragt- Meulenbelt, Willem Kragt, Engbert Kragt, Hendrik Mostert, Klaasje Mostert- Kragt. Zittend: Hendrik Klein, Jentje Klein-Kragt, Willem Kragt, Klaziena Kragt- Meijer, Harm Kragt en Johanna Kragt-Kouwen. De kinderen op de voorgrond zijn Alie Klein, Klaziena Klein, Klaziena Mostert, Henk Mostert, Henny Kragt en Klaziena Kragt.

De derde zoon, Berend Jan Kragt, krijgt uit de verdeling hooi- en weiland dat gelegen is tussen de Middeldijk en de Kringsloot in de gemeente Dalfsen. Dat perceel is 5.47 hectare groot. Verder krijgt hij hooiland onder de gemeente Dalfsen groot 0.81 hectare, hooiland in de Oudleusenermeente bij Keizer groot 1.48 hectare en een stukje heidegrond in Oudleusen ter grootte van 0.32 hectare.


Berend Jan Kragt en Klaasje Kragt-Bijker.

Berend Jan Kragt is geboren op 17 mei 1884 en overleden op 22 november 1952. Hij trouwt op 31 oktober 1907 met Klaasje Bijker (11 mei 1887 - 15 april 1952). Zij is een dochter van Arend Bijker en Aaltje Evertsen. Berend Jan en Klaasje wonen aanvankelijk bij zijn ouders in huis, waar ook drie van hun vier kinderen zijn geboren. In juni 1916 worden ze uitgeschreven naar de gemeente Dalfsen. Ze gaan dan wonen op het adres Middeldijk 45 wat net over de gemeentegrens ligt. Ze hebben daar een boerderij laten bouwen op het zuidelijke uiteinde van het grondgebied dat aan vader Harm Kragt had toebehoord.
De kinderen van Berend Jan Kragt en Klaasje Bijker zijn:


 
 

 

 

 
 
 

Jentje, geboren 21 april 1908 en overleden
14 augustus 1966, getrouwd met Albert de Boer (1899-1937).
Arend, geboren 21 februari 1910 en overleden
13 mei 1923.
Aaltje, geboren 20 juli 1913 en overleden
23 februari 1953.
Hermina (Mina), geboren 28 oktober 1918 en overleden 22 mei 2000, getrouwd met Jan Bonen (1917-2007).
Hun kleindochter Jolanda Bonen en André Westerman wonen sinds 2004 op Middeldijk 45.

Hendrik Kragt, de jongste zoon van Harm en Jentje Kragt-Boer, krijgt uit de verdeling hooiland in het Dwarsbroek groot 1.22 hectare, grond bij het Meentje bij Westerman (geen afmeting vermeld), heidegrond bij Nijkamp circa 2 hectare en heidegrond in het Katoelenveld groot 0.43 hectare. Hendrik blijft landbouwer op het Westerveen 39 waar hij zijn vader zal opvolgen. Later krijgt hij dit onroerend goed in eigendom.

Hendrik Kragt
Hendrik Kragt is als jongste zoon de opvolger van zijn vader als landbouwer op Westerveen 39. Hij is geboren op 29 oktober 1888 en overleden op 10 mei 1973. Hij trouwt op 25 mei 1916 in Nieuwleusen met Klaasje Boer. Zij is geboren op 19 januari 1891 en overleden op 18 september 1974. Zij is een dochter van Hendrik Jan Boer en Willemina de Boer. Hendrik en Klaasje krijgen samen vier kinderen waarvan er drie jong overlijden. Het eerste kind is Jentje, geboren op 20 mei 1917 en overleden 20 maart 1918, tien maanden oud. Hendrik Jan is geboren op 22 februari 1920 en veertien dagen later op 7 maart 1920 overleden. Het derde kind krijgt de naam Jentje en is op 27 mei 1921 geboren. Zij is het enige kind van Hendrik Kragt en Klaasje Boer dat volwassen wordt. Het vierde kind is de op 2 augustus 1924 geboren Hendrik Jan. Hij wordt maar drie weken oud en overlijdt op 23 augustus 1924.
Bij de landbouwtelling van 1943 geeft Hendrik Kragt op dat hij 17 hectare grond bezit, verdeeld over 4.3 hectare bouwland, 9.2 hectare grasland en 3.5 hectare woeste grond. Of deze opgave in oorlogstijd erg betrouwbaar is weten we niet; het schijnt dat men in die tijd nog weleens wat te weinig opgaf. De intussen verworven grond die bij Westerveen 41 hoort en die dan verhuurd is, is in deze opgave niet meegeteld.

Volgens het bevolkingsregister van de gemeente Nieuwleusen in de periode 1910-1920 wonen op Westerveen 39 tijdelijk ook Hendrik Jan de Boer (1886) en Gerrigje Rozeboom (1894) met hun kinderen Aaltje, Janna en Berendina. In de periode 1920-1930 zijn er ook verschillende


Het graf van Hendrik Kragt en Klaasje Boer op de Algemene Begraafplaats aan de Ds. Smitslaan in Nieuwleusen.

inwonende knechten. Vermeld worden Willem Boer (1890), Willem Gerritsen (1904), Jan Hendrik Endeman (1893), Willem Kappert (1912) en Gerrit Pot (1900).


De huidige woning Westerveen 39.


Uitvergroting van een luchtfoto uit 1950. Onder de pijl Westerveen 39-41. Rechts op de foto is het kruispunt in de Kerkenhoek met de Grote Kerk. Een eindje links daarvan is de oude begraafplaats achter de voormalige burgemeesterswoning zichtbaar.

Jentje Kragt en Derk Jan Westerman
Zoals we hiervoor zagen is Jentje Kragt het enige kind van Hendrik Kragt en Klaasje Boer dat volwassen wordt. Zij is geboren op 27 mei 1921 en is op 14 oktober 2009 overleden. Ze is de laatste die op het perceel Westerveen 39 de naam Kragt draagt. Met haar komt er een einde aan de verbintenis van de familie Kragt met dit erf tussen Westerveen en Westeinde.
Jentje Kragt trouwt in 1945 met Derk Jan Westerman. Voor het eerst sinds 100 jaar komt er een boer met een andere achternaam dan Kragt op Westerveen 39. Derk Jan Westerman is een zoon van Jan Westerman en Jentje Kleen Scholten. Hij is afkomstig van Westeinde 198 waar zijn ouders een boerenbedrijf hebben en waar later zijn broer Egbert Westerman boerde. Derk Jan Westerman is geboren op 4 november 1920 en overleden op 7 april 1980. Tot 1973 heeft hij geboerd op Westerveen 39.
Omstreeks 1970 is het voorhuis van de oude boerderij afgebroken en vervangen voor een nieuw huis; het achterhuis is in 1974/1975 vervangen voor nieuwbouw. Van het oude huis zijn nog enkele tegeltableaus bewaard gebleven die destijds waren aangebracht boven de deuren die uitkwamen in de woonkamer.
De huidige bebouwing op Westerveen 39 is voor zover bekend de

Trouwfoto van Derk Jan Westerman en Jentje Kragt uit 1945.








Onder: Jentje Westerman-Kragt, Derk Jan Westerman, Klaasje Kragt-Boer en Hendrik Kragt voor de oude boerderij Westerveen 39.


derde op die plek. De oudste stond volgens de kadastertekening uit 1832 aan de westkant van de huidige bebouwing en pal tegen de nu nog bestaande toegangsweg vanaf het Westeinde.

Het derde, laatste deel, wordt geplaatst in het volgende Kwartaalblad

* * *

EVERT DIJK EN DE VINKENBUURT – Deel 5

Vertaling Gees Bartels

Evert Dijk (1914 – 1982) vertelt in dialect in het boek Als de dag van gisteren (2004) over zijn jeugd in de Vinkenbuurt. Wij hebben die verhalen vertaald.

Als kind naar de kerk
Als voorbereiding op de eerste dag van de nieuwe week liet mijn vader mij op zaterdag altijd het erf rond het huis aanharken en dat moest precies gebeuren. Ik zag weinig nut in deze bezigheid en bovendien had ik er een verschrikkelijke hekel aan.
Vanaf dat ik naar school ging moest ik zondags ook mee naar de kerk. Mijn ouders waren ‘fienen’, zoals de mensen in de Vinkenbuurt dat noemden. Mijn vader las elke dag twee keer na het eten aan tafel een stukje voor uit de Bijbel en ’s morgens, na de eerste maaltijd, een blaadje van de scheurkalender ‘Filippus’, zowel de voorkant ervan – een Bijbeltekst met verklaring en toepassing – als de achterkant, waarop korte verhalen en mengelwerk stond.
Op zondag gingen mijn ouders meestal twee keer naar de gereformeerde kerk in Balkbrug, vlakbij Sluis 5 van het kort na 1800 gegraven kanaal de Dedemsvaart. Ze gingen altijd op de fiets. Alleen in de herfst en winter, als de wegen te slecht waren, gingen ze ‘met de benenwagen’ (lopend). Mijn grootmoeder, die niet kon fietsen, bleef thuis en kon dan op mijn kleine broertjes passen en meestal las zij die dag voor zichzelf een preek uit de serie ‘menigerlei genade’.
Op zondag werd het werk beperkt tot het allernoodzakelijkste en als een koe op de rustdag ‘bollig’ was, moest het beest haar vrijerij met de stier van Albert van Spijker toch maar uitstellen tot maandag.
Toen ik nauwelijks zes jaar oud was moest ik dus mee naar de kerk. Meestal liep ik een eind vooruit en als mijn ouders mij dan hadden ingehaald, mocht ik bij mijn vader voorop op de stang van zijn fiets zitten, om zo samen verder te gaan naar ‘het heiligdom waar ’t volk vergaderd is’.
De kerk in Balkbrug was geen groot gebouw en toen ik door de grote deur naar binnen ging, viel mij direct op dat de binnenmuren allemaal wit gekalkt waren en dat er aan beide kanten een heleboel ramen zaten, met in elk daarvan wel vierentwintig kleine raampjes.
Als de kerkdienst begon kwam de kerkenraad door de deur vanuit de consistoriekamer plechtig naar binnen, waarbij de room de melk naar twee kanten liet uitstromen: naar de ene kant de ouderlingen en naar de andere kant de diakenen.
De toenmalige voorganger, dominee Sije Dwarshuis, ging het trapje op naar de preekstoel, die boven de banken en de mensen uitstak, zodat alle mensen in de kerk hem goed konden zien en hij ook de mensen die in de kerk zaten.
Op de lessenaar van de preekstoel lag een dikke Statenbijbel. Mijn moeder had mij vooraf gewaarschuwd voor dat grote boek, want daar zou de dominee mij mee gooien als ik niet goed stil zat, maar al vlug wist ik dat Dwarshuis toch niet zo ver kon gooien dat hij mij zou raken; dan moest hij toch wel ‘meer pik in de mouwe hebben’ dan hij nu had. Na het eerste zingen en uitspreken van de zegen liep een van de ouderlingen naar de lessenaar in het doophoekje en las de tien geboden voor.
Dat voorlezen van de wet, en daarna een hoofdstuk uit de Bijbel, deden de grote drie om de beurt; in elke dienst dus weer een ander. Deze drie, die ik Sadrach, Mesach en Abednego* noemde, waren heel gewone boeren en hadden nog weleens moeite met de uitspraak van de woorden. Twee daarvan konden slecht met de letter H overweg. Die gebruikten ze wanneer die er niet stond en vergaten hem als het wel moest. Dan klonk het slot van de tien geboden zo:
Gij zult niet begeren huws naasten uis.
Gij zult niet begeren huws naasten vrouw.
Noch zijnen hos, noch zijnen hezel,
Noch hiets dat van huws naasten his!

De derde ouderling had altijd ruzie met de letter R. Die las bijvoorbeeld niet van de vlakke velden van Jericho, maar bij hem waren het: de vlakke velden van Jerrrrricho en Kapèrnaum werd bij hem Kapperrrnaum.

* Sadrach, Mesach en Abednego werden tijdens de ballingschap in opdracht van de Babylonische koning Nebukadnezar samen met Daniël opgeleid in de filosofie, het geloof en de taal van de Chaldeeën.

Dominee Dwarshuis begon daarna zo zoetjes aan met zijn preek, die altijd bestond uit drie delen. Twee daarvan waren een verklaring en na de tussenzang volgde er dan nog een toepassing.
Voor en na de preek waren er lange gebeden, waarbij de mannen gingen staan en de vrouwen en kinderen bleven zitten.
Van dat gepreek heb ik bijna nooit iets begrepen. Het duurde altijd heel erg lang en er waren nog weleens wat lui die na een week van hard werken zondags in de kerk zaten te knikkebollen en die het ‘hier wordt de rust geschonken’ uit psalm 36 op zichzelf toepasten.
Jans Klein van de Stouwe, een van de kerkgangers, had een goed middel gevonden tegen de slaap in de kerk. Als hij wat doezelig werd, ging hij staan tijdens de bijna eindeloze woordenbrij van de dominee.
Hoe ik dat allemaal beleefde, zul jij je misschien afvragen?
Nou, op zichzelf vond ik er niet veel aan. Het duurde volgens mij allemaal erg lang, maar toch waren er heel wat dingen waar ik de tijd in de kerk mee doorkwam. Vol aandacht keek ik naar de diakenen die voor de collectes de banken langs gingen, ieder met een zwarte buil aan een lange stok. Daarmee haalden ze bij de mensen in de kerk geld op voor goede doelen en, zoals ik wel eens hoorde, in die jaren was de kerkcent de trouwste kerkganger.
Vaak heb ik de ruitjes in de grote ramen geteld en ook het aantal kerkgangers, of hoeveel hoeden en witte mutsen er waren, die de vrouwen op hun hoofd droegen,.
En toen ik al gauw kon lezen, besteedde ik de kerktijd ook aan het kerkboek, waarin naast de psalmen nog een heleboel andere dingen stonden.
Ik was altijd heel erg blij als dominee Dwarshuis ‘Amen’ zei, want dan duurde de kerkdienst niet lang meer.
Dan kon ik weer naar huis, naar mijn eigen vermaak, voor zover dat op zondag werd toegestaan door mijn ouders.

* * *

FLASH VOLLEYBAL - 50 JAAR

Het klonk Martin Flier, gymnastiekdocent aan de MULO in Nieuwleusen, als muziek in de oren toen een groepje leerlingen bij hem kwam met de vraag of er een mogelijkheid was om een volleybalvereniging op te richten. Martin was een fanatiek volleyballer en een volleybalvereniging bestond nog niet in Nieuwleusen. De leerlingen kregen de opdracht om zes jongens en zes meisjes te vinden die wilden volleyballen, dan zou Martin hen helpen met het oprichten van een vereniging. Dat was niet tegen dovemans oren gezegd en de volgende dag konden ze al aan de slag. Er stonden twaalf jongens en meisjes in de startblokken. De naam Flash werd bedacht en volleybalvereniging Flash was op 20 mei 1968 een feit.



1  
 
2  
3  
4  
5  
6  

Klaasje Tempelman-van Gijssel
Marrie Alteveer
Jeanet Reuvers
Simone de Bruin
Minka Schoemaker
Frea Meijerink

7  
8  
 
9  
10  
11  
 

Roel Kiers
Gosse Hoekstra (sponsor)
Dineke Meijerink
Carla Aalbers
Rina Hilberink

Namen:
Van links naar rechts (links van het bord):
- Klaasje Tempelman
-Marry Marsman-Alteveer
-Jeanet Veerman
- Simone Stolte
Voorgrond:
-Tineke Meijerink
-Carla Aalbers- Kalteren
-Rina Huzen
Van links naar rechts (rechts van het bord):
-Diana Bouwman
-Frea Meijerink
-Roel Kiers
Gosse Hoekstra (sponsor van de trainingspakken)

In de sporthal Nieuwleusen op 27 november 1990.

* * *

MET DE STOOMTRAM

Aartje Schoemaker

Bi'j brug zesse was 'n halte van de Dedemsvaartsche Stoomtramweg Maatschappij.
Daor stund'n een va en moe met twie kinderties te wacht'n. Klein Harmpie zag ’n zwart gevaorte deur de bochte, de brugge oaver en deur nóg 'n bochte ankomm'n en kneep zien va steviger ien d'haand. De machinist gaf de lokemetief wat meer stoom umme de bocht'n goed deur te koom'n. Klein Harmpien wörr'n dat te heftig en zett'n op 'n loop'n. Hi'j gongk een ziedweggien ien um zo gauw meuglijk b'i det naodrende monster vandaon te koom'n. Va met grote pass'n d'r achteran en kon 'm snel ien de kladd'n griep'n! "Met ieje! Wi'j mut naor Zwolle." De tram stund geduldig siss'nd te wacht'n töt va met 'n blèrend kiend onder d' arm bi'j moe en Zwaantien was gaon zitt'n. De tram trök op en klein Harmpien bedaarde wat naost zien moe; al hâd e de doem wel ien de mond. Het is ok niet niks zo'n eerste kennismaking met ‘de stoave’. Zo wörr'n de lokemetief 'enuumd umdet e zo vierkaant was.
'n Keerl met glimm'nde kneup'n an de jasse en met 'n glimm'nde pettekleppe kwaamp naost moe staon en zag det bange jochien stief teeng'n zien moe an zitt'n. Hi'j löt 'm mar met rust umme ‘t niet arger te maak'n. Rustig regel'n hi'j met va de kaarties.
Al rammel’n de koppeling'n van de tram, de reize wörr'n vervolgd langs de zaandkaante. In dit geval de Zuudkaante.
Bi'j brug vieve was 'n flauwe bochte. Klein Harmpien durfd'n met va 't balkonnegien op. Va wees ' m op de waangs, die hen en weerden schuierd'n umdet én de rails én de wiel'n sleets waar'n.
De rook kwaamp heur ienteeng'n, dus gauw weer naor binn'n. Moe zol niet bliede weên met roet op ’t goeie goed.
Bi'j de halte ien Den Hulst stapt'n 'n paar dames ien, die Hooghaarlemmerdieks preut'n, wat ok Zwaantien raar ien d'oorn klonk. "Moet je zien, Heleen, deze tram heeft nog eerste en tweede klasse zitplaatsen!"
Bi'j sluus drieë lag de rails met wat bocht'n umme de stroomduker. Op naor de Rollekaotebrugge. Daor met 'n bochte de brugge oaver. Nao 'n paar honderd meter linksof; richting Spoor.
Bi'j 't Spoor an 'ekoom'n was 't wacht'n op de trein uut Möppelt. Tied'ns det wacht'n har oens Harmpien mooi wat te kiek'n en was e van bange meer ni'jsgierig 'ewörr'n. Ze gong'n achteruut, wat veuruut en zo 'n paar keer. D’r wörr’n ’n waang’n uutrangeerd. Mar det dure woord kenn’n ie nog niet.
Ja, daor zag e de échte trein! Hi'j blif mar mooi bij zien va, moe en zussien zitt'n. Tjonge, wat ’n belevenis zo’n reize met de stoomtram! De trein vertrök eerst en daornao zett'n de tram de reize voort.
Bi'j station Dedemsvaort âj 'n spoor- en 'n trambrugge. Oaver de brugge 'n scherpe bochte naor rechts, de spoorlijn kruuz'n en weer langes de Zuudkaante richting De Lichtmis. Klein Harmpien begun 't mooi te viend'n en wees naor de rookpluum'n die langs de raam'n gong'n.
De sluuswachter stak 'm de haand op. De tram reed tjoek'nd wieder langes 't Lichtmiskenaal töt de Hessenweg.

't Gongk niet zo snel, want 'n jeugdige fietser zett'n de sokk'n d'r ien, kwaamp naost de lok en grijnz'n naor de machinist.
Bi'j de Vechtbrugge vund'n de kienderties 't 'n mirakel det ze boòm'n 't water zweefd'n. Op de Vlasakkers wol Harmpien wel graag naor buut'n. Zowat twie uur zitt'n is 'n opgave. Harm pakte zien va weer goed bi'j de haand, want hier gebeurd'n ok weer veule. De goederenwaangs gong'n deur naor de Diezerkade umme de vracht richting Amsterdam oaver te laad'n. Va mos 'm det wel uutleng'n, mar wat was Amsterdam? Klein Harmpien mos es weet'n det dat de poort naor de grote wereld was en hi’j d’r nog zol studeer’n. Harmpien keek nog wel eèm'n achterumme, want ‘de stoave’stund nog steeds te siss'n. Zwaantien stapte dapper met moe veurop. Zoll'n ze al gauw wat ranja krieng'n? Langs de kade stunn'n twie hijskraan’n op ’n steiger. De kienderties keek'n heur oong'n uut. Mar veule tied van kiek'n, naor de containers uut Engeland, kreeng'n ze niet. Moe wus det 't nog 'n hele toer zol wörr'n umme alle vier in 't ni'j te steek'n veur de brulfte van heur zussien. Det was ankoom'nde weke al. Terugge hoem'n de femilie niet langs de siss'nde ‘stoave’. Bi'j de Lichtmis sleup'n beide kienderties al. Va har Klein Harmpie vanmörn spartelend ien de stoomtram 'etild en draang'n 'm d'r nou as 'n lapp'npoppe weer uut. Ja, zo’n reize met de stoomtram is anvarngs!


1930: Oude en nieuwe Brug 6 gezien naar het westen. Vanwege het toenemende verkeer was de brug te klein en werd er een nieuwe bredere brug naast gelegd. De tram, die links nadert, ging hier van de zuidkant naar de noordkant in de richting Balkbrug.


De tram met de locomotief nummer 18, genaamd Klazienaveen (gebouwd in 1903). De bestuurder is A. Koops (later buschauffeur).









Jaargang 36 Nummer 3 september 2018



* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina:

Mavo de Rank in Den Hulst Schilderij Evert Jan Masselink (Nieuwleusen, 23-06-1933 – 08-09-1997)


Tekst september 2018

* * *

ZIJDJES IN DE PALTHEHOF

Halverwege de vorige eeuw kwam de massaproductie op gang en werd merkbekendheid belangrijk. Bij producten werden geschenken en spaaracties bedacht als klantenbinding. De Verkade-albums zijn daarvan een bekend voorbeeld en nu nog sparen veel mensen Douwe Egberts punten. De tabaksproducenten bedachten als klantenbinder de ´zijdjes´; een zijden lapje met een machinaal geborduurde voorstelling van bijvoorbeeld bloemen, vlaggen en vlinders. De grote zijdjes konden, in een lijstje, dienst doen als wandversiering, de kleintjes werden vaak gebruikt om kleding en andere handwerken mee op te sieren. In Nederland kwam Turmac in 1930 met albums om de zijdjes in te verzamelen. De zijdjes van dit sigarettenmerk werden zo populair dat ze ook wel Turmakjes werden genoemd.
Op 28 december 1933 werd de tabakswet gewijzigd. Dit werd in het staatsblad gepubliceerd met de mededeling dat er vanaf 1 maart 1934 geen reclamematerialen bij de tabaksartikelen geleverd mochten worden. Zo verdwenen de zijdjes geleidelijk aan uit de winkels, maar ze werden zuinig bewaard, te mooi om weg te gooien. Zo kan het gebeuren dat tachtig jaar later in de tentoonstelling 'De Palthehof zegt het met bloemen´, nog een grote lijst met zijdjes is te bewonderen.



* * *

KRAGTEN VAN HET WESTERVEEN Deel 3

René Fokkert

Dit is het derde en laatste deel uit de serie over de boerderij Westerveen 39, die al eeuwen de plek is waar de familie Kragt heeft gewoond en gewerkt. Deze familienaam komt voor het eerst voor in 1663 op de lijst van huisgezinnen. Het artikel beschrijft de geschiedenis van de familie Kragt van 1663 tot ongeveer 1850. Dan komt de boerderij, na een korte onderbreking, weer in handen van de broers Koop en Gerrit Kragt.

Westerveen 41
In 1832 bij de invoering van het Kadaster is er nog geen bebouwing op de plek van wat nu Westerveen 41 is. Het is dan een stuk grond dat Klaas Kragt in eigendom heeft en staat ingetekend als zijnde tuin van nummer 39, die destijds tegen de toegangsweg aan heeft gelegen. Hermen Hendriks Kragt (29 augustus 1803) is getrouwd met Jantje Timmerman. Hij krijgt o.a. dit perceeltje grond in eigendom uit een verdeling van de bezittingen van zijn ouders Hendrik Claassen Kragt en Claasje Coops Klein. Door vererving komt het perceel in eigendom van Hermens dochter Bartha (Bartje) Kragt. Zij is geboren op 7 januari 1832 en overleden op 26 maart 1914. Bartje trouwt op 30 april 1853 met Peter Prins (19 oktober 1827 - 23 februari 1864). Hij is overleden op het adres B45 in de buurtschap Ruitenveen. Het tweede huwelijk van Bartje Kragt met Jasper Brouwer (22 oktober 1830 - 2 juni 1898) vindt plaats op 15 april 1865 en begint op dat adres in het Ruitenveen. Daar worden hun kinderen Stientje (15 januari 1867) en Hendrikje (19 mei 1870) geboren.
De boerderij op Westerveen 41, toen met huisnummer A66, is omstreeks 1880 gebouwd door Jasper Brouwer en Bartje Kragt. In de periode 1880-1900 woont op dit adres naast Jasper Brouwer met vrouw en kinderen ook Willemina Prins. Zij is de op 24 september 1863 geboren dochter uit het eerste huwelijk van Bartje Kragt en vertrekt in maart 1883 naar Avereest.
Daarnaast biedt Westerveen 41 in de periode 1880-1900 onderdak aan Jan Brouwer (een neef, geboren in 1885) en aan de in 1846 geboren Jentje Kragt, weduwe van Harm Kleen, en afkomstig uit wijk C. Op 24 september 1891 trouwt Hendrikje Brouwer met Willem Prins (1865). Ze gaan inwonen op Westerveen 41 waar ook hun drie kinderen worden geboren: Willem (27 november 1891), Jan (22 oktober 1897), Bertha (8 april 1893 - 1 september 1899).
Het is druk in Westerveen 41 want er staat nog een gezin ingeschreven op dit adres. Het is dat van Arend Klein (1853) en Aaltje Prins (1855, ook een dochter uit het eerste huwelijk van Bartje Kragt) met hun kinderen Bartje (1879) en Jan (1881).
Sommige van de vermelde personen hebben waarschijnlijk maar korte tijd op dit adres gewoond. Ze staan echter wel allemaal vermeld in het bevolkingsregister.
In de periode 1920-1927 wonen er volgens het bevolkingsregister Willem Prins (1865) met zijn vrouw Hendrikje Brouwer (1870), hun zoon Willem (1891) met zijn vrouw Femmigje Schuurman (1893) en hun kinderen Willem (11 April 1917) en Hendrik Jan (15 november 1919) en Hendrik (8 juli 1923). Ook zoon Jan Prins (1897) woont nog thuis.
In augustus 1927 wordt de familie Prins uitgeschreven van dit adres.
Op 21 juni 1926 is Willem Prins, de man van Hendrikje Brouwer, overleden. Op 19 februari 1927 komt hun ongehuwde zoon Jan door een ongeluk om het leven. Hierna wordt de boerderij te koop aangeboden.

Omslag van de transportakte uit 1927 van Westerveen 41 e.d. door de weduwe Willem Prins sr. en kinderen aan Harm Kragt Gerritzoon en Hendrik Kragt Harmzoon.

Nieuwleusen. 21 februari. Zaterdagmiddag is de landbouwer J. Prins Wz, die aan toevallen lijdt, bij het mestladen in de koestal ten gevolge van een toeval in een mestgrup geraakt en gestikt. Toen broer W. even later terugkwam van het land, vond deze hem levenloos in de grup liggen. Uit: Provinciale Overijsselsche en Zwolsche Courant van 22 februari 1927.

Hendrikje Brouwer, de weduwe van Willem Prins Wzn., haar zoon Willem Prins Wzn. jr en dochter Bertha Prins (getrouwd met Engbert Hekman Janneszn.) verkopen Westerveen 41 aan buurman Hendrik Kragt e erf, schuur, stookhok, grasland, bouwland en weg gelegen tussen de Nieuwleuserstraatweg (Westeinde) en het Zandspoor (Zandspeur), groot 3.1 hectare. Niet bij de koop inbegrepen zijn een gedeelte van de bomen, de mest, de balkenslieten, de kleine hooiberg en de wagenloods. Dit alles moet binnen een bepaald tijdsbestek worden weggehaald. Hendriks vader Harm Kragt koopt tegelijk een stuk grond dat gelegen is tussen de Middeldijk en de Nieuwleuserstraatweg, groot 0.85 hectare.

Familie Stokvisch (huurder Westerveen 41)
Nadat Hendrik Kragt Westerveen 41 heeft gekocht en de familie Prins is vertrokken, verhuurt hij de boerderij aan Jan Stokvisch. Het gezin bestaat uit Jan Stokvisch (4 november 1872 Dalfsen), zijn vrouw Johanna Spijkerman (27 november 1871 Zwollerkerspel) en de zonen Gerrit Jan (11 februari 1902) en Johan (5 januari 1910). Zij komen in november 1927 vanuit Zwollerkerspel en vertrekken in februari 1930. Ze hadden al eens gewoond op Oosterveen 75 en verhuizen later weer naar dat adres.

Familie van Blanken (huurder Westerveen 41)
In 1930 komt de familie Van Blanken hier wonen. Geert van Blanken (2 juni 1880 Zuidwolde), zijn vrouw Annigje Hulleman (18 februari 1885 Avereest) en hun kinderen Pieter (11 juli 1909 Zuidwolde), Bartha (14- december 1912 Ruinen), Wolter (31 mei 1915 Ruinen), Hilbert (7 maart 1917 Zuidwolde), Geert (23 februari 1919 Avereest), Albert

(11 augustus 1923 Avereest), Pieternella (2 juli 1925 Nieuwleusen) en Jan (17 september 1927 Nieuwleusen) komen van een adres in wijk B in Nieuwleusen. Geert van Blanken wordt vermeld bij de landbouwtelling van 1943 met 1.47 ha bouwland, 2.03 ha grasland en 0.5 ha woeste grond, in totaal 4 hectare grond.
De familie Van Blanken heeft hier gewoond tot het voorjaar van 1952.

De familie Van Blanken bij het bakhuis en de hooiberg van Westerveen 41. De boog is gemaakt ter gelegenheid van de terugkeer van een van de zonen uit Ned. Indië.

Familie Klomp (huurder Westerveen 41)
Vanaf het voorjaar 1952 tot het voorjaar van 1963 woont de familie Klomp op Westerveen 41. Hendrik Klomp is geboren 20 januari 1916 en hij overleed op 7 maart 2002. Zijn vrouw Willemina is op 12 oktober 1923 geboren. Zij hebben drie kinderen gekregen: Jan (22 mei 1949 en overleden 25 april 1967) en de tweeling Hilly en Marry, geboren in augustus 1959.
Bij hun huwelijk hebben Hendrik en Willemina Klomp-Kleen een koffie- en theeservies met blauwe bloemen gekregen. Dat is vroeger gebruikt bij begrafenissen in het gebied dat tot de noaberschap behoorde, dat zich uitstrekte van de Middeldijk tot aan waar nu het sportpark is.


Vooraanzicht van Westerveen 41 met rechts het bakhuis. De foto is in 1963 gemaakt.

De familie Weis (huurder Westerveen 41)
Albertus Willem Weis en Mina van Lenthe wonen op de dag af tien jaar in Westerveen 41, van 7 mei 1963 tot 7 mei 1973. Zij volgen de familie Klomp op. Ze huren het huis, evenals de vorige huurders, van Hendrik Kragt en betalen aan hem aan het eind van een jaar de pachtprijs van dat jaar. Telkens als Albertus Weis de betaling heeft gedaan, komt Hendrik Kragt nog die dag of een dag later bij hem en geeft Weis tweehonderd gulden terug met de woorden: “Ie hebt dat nie helemoale goed ehad. Zo is ‘t goed”.
Het boerderijtje wordt gepacht met ongeveer vier hectare land. Weis pacht er van anderen nog wat grond bij zodat er uiteindelijk geboerd wordt op zo’n zes hectare. In 1963 begint Albertus Weis met twee koeien en daarnaast heeft hij nog een baan bij de Coöperatieve Landbouwvereniging in Dalfsen. Gaandeweg de jaren wordt er uitgebreid naar 17 koeien en er worden varkens bij gehouden. De baan bij de Coöperatie in Dalfsen is na een paar jaar opgezegd.
Voordat ze aan het Westerveen zijn komen wonen, woont de familie Weis aan de Vossersteeg in Dalfsen. In 1973 verlaten ze Westerveen 41 en gaan ze naar Rechteren bij Dalfsen. Op de boerderij aan de Rechterensedijk 2, die behoort tot het landgoed Rechteren, wordt verder geboerd.
De onderstaande foto van Westerveen 41 is gemaakt door de in oktober 2016 overleden Gravin van Rechteren. Zij is daar omstreeks 1970 samen met Berend Jan van Lenthe, een broer van Mina Weis-van Lenthe, op bezoek.


Westerveen 41 omstreeks 1970. De man tussen huis en bakhuis is moeilijk te zien, maar het is Berend Jan van Lenthe, een broer van Mina.

Het voorhuis van Westerveen 41 is begin jaren 70 gemoderniseerd en heeft daarmee een heel ander vooraanzicht gekregen. De karakteristieke voorgevel met deur, een groot raam en twee kleine raampjes is vervangen door twee grote ramen en een kleiner raam.

Henk Westerman
Nadat de familie Weis het huis Westerveen 41 in 1973 heeft verlaten, gaan Hendrik (Henk) Westerman (zoon van Derk Jan Westerman en Jentje Kragt) en Johanna Snijder er wonen. Ze zijn in dat jaar getrouwd en wonen er tot 1988. Henk is de laatste die er het boerenbedrijf heeft


Westerveen 41 in voorjaar 2017.

uitgeoefend.
De gebouwen van Westerveen 39 en van Westerveen 41 zijn in die periode als één boerenbedrijf in gebruik geweest. Met de oprukkende bebouwing van het dorp is het in die tijd steeds lastiger geworden om het boerenbedrijf op die plek voort te zetten en uit te breiden. Er is toen besloten om het bedrijf te verplaatsen naar een ander adres, Oosterkampen 20 in het Oudleusenerveld.
In 1988 is de boerderij Westerveen 41 verkocht aan Gerrit Jan Alteveer en Grietje Bouwknecht. Het is sindsdien in gebruik als woonhuis.
Ook Westerveen 39 is nog alleen als woonhuis in gebruik door Jan Westerman.

Bronnen: H.C.O. Zwolle, Wim Visscher: Heeren van de Ligtmis, Historisch Kring Dalfsen, archief museum Palthehof, fam. H. Westerman, K. Hofkamp-Kragt, Gerald E. Kragt, G. Prins-Kragt, J. Klein, mevr. J. Bonen, fam. Weis, fam. Klomp, J.W de Weerd, G. Hengeveld-van Berkum, leden werkgroep Genealogie.

* * *

TUINEN DE SPIL IN DE GEEST VAN MIEN RUYS

Net zoals in het sprookje van Hans Christiaan Andersen over het eendje en de zwaan aanschouwt in september 2018 een prachtig nieuw gebouw het levenslicht: De Spil. Dit na een jaar van verbouwing en uitbreiding van de voormalige Rabobank.
“Het is een belangrijke aanwinst voor de toekomstbestendigheid van Nieuwleusen. Een vitaal centrum is belangrijk voor het dorp en door het middengebied deze impuls te geven, verbinden we de noord- en zuidkant van het dorp met elkaar”, aldus wethouder Van Leeuwen.

Ook aan de buitenruimte rondom De Spil wordt veel aandacht besteed. De inrichting daarvan wordt ontworpen door het befaamde Buro Mien Ruys en kost 2,6 miljoen euro. “Het is een investering die we heel bewust hebben gedaan, omdat die zo waardevol is voor Nieuwleusen!”
De wortels van deze landschapsarchitecten liggen in onze regio. De geschiedenis van het familiebedrijf Kwekerij Moerheim past in de economische ontwikkeling die door Baron van Dedem, met de aanleg van het kanaal de Dedemsvaart, in gang werd gezet.
Een terugblik:
Bonne Ruys begon eind negentiende eeuw in het toen nog afgelegen Dedemsvaart een kwekerij, waarbij hij zich specialiseerde in het kweken en verhandelen van vaste planten die toen nog weinig werden toegepast.
Kwekerij Moerheim ontwikkelde zich tot een begrip in binnen- en buitenland.
Bonne stimuleerde zijn acht kinderen om een passend beroep te vinden. Dochter Mien (1904-1999) wilde ‘iets met planten doen’, maar ze wilde geen kweker worden zoals haar vader. Zij ging aan de slag op de afdeling tuinarchitectuur van Moerheim. Daar tekende zij tuinontwerpen voor klanten van de kwekerij en zo ontdekte zij haar passie. Ze legde haar eerste proeftuin aan om te leren hoe ze de vaste planten van haar vader kon toepassen in haar ontwerpen. Mien voelde zich onzeker maar overwon haar onzekerheid toen ze eind jaren twintig, profiterend van het grote internationale netwerk van haar vader, in Engeland en Duitsland nieuwe kennis opdeed. Daarna volgde ze in Delft colleges bouwkunde.
Politieke bewustwording bracht haar op het idee dat er een samenhang moest zijn tussen de woon- en leefomgeving en zij kwam tot de overtuiging dat tuinen en groen een belangrijk sociaal bindmiddel kunnen zijn. Dat werd de basis voor haar tuin- en landschapsontwerpen.
Eind jaren dertig verhuisde Mien met de afdeling tuinarchitectuur van Kwekerij Moerheim naar Amsterdam. Na de Tweede Wereldoorlog trouwde zij met uitgever Theo Moussault. Met hem gaf ze het tijdschrift Onze Eigen Tuin uit. Daarin kon ze haar ideeën en inzichten kwijt en kreeg ze steeds meer bijval en enthousiaste volgers.
In haar ontwerpen kwam de nadruk te liggen op grote vaste plantenborders, bij voorkeur met strakke vormen in combinatie met een weelderige beplanting en met kleuren die op elkaar zijn afgestemd. Haar bouwkundige opleiding kwam haar van pas bij het experimenteren met verhardingsmaterialen en planten. Volkomen nieuw was het gebruik van spoorbielzen als afscheiding tussen borders en gazons. Daardoor kreeg ze de geringschattende bijnaam van Bielzen-Mien, maar het was wel een doorbraak die nieuwe perspectieven bood.
Haar carrière nam een grote vlucht. Mien Ruys kreeg opdrachten voor de aanleg van tuinen bij bedrijven en ziekenhuizen en zij werkte graag mee aan de groenvoorzieningen van sociale woningbouw en aan de ontwikkeling van nieuwe woonwijken.
Een prachtig voorbeeld van haar karakteristieke tuinen zijn de in 1963 ontworpen tuinen rond het provinciehuis in Zwolle. Hoe sterk haar ontwerpen zijn blijkt ook uit het feit dat bij latere bouwkundige veranderingen Buro Mien Ruys steeds de opdracht kreeg de tuin rond het provinciehuis aan te passen in haar stijl.
Naast de grote ontwerpen bleef Mien aandacht houden voor de kleine particuliere tuinen.
Even belangrijk voor haar waren de proeftuinen in Dedemsvaart, de basis van waaruit ze was begonnen. Met zorg onderhield ze de oudste tuinen.
Die breidde ze in de loop der jaren verder uit met voorbeeldtuinen. Die tuinen zijn al generaties lang een belangrijke toeristische trekpleister.
Mien Ruys bleef mededirecteur van Kwekerij Moerheim. Toen aan het eind van haar leven de kwekerij ophield te bestaan, werden de proeftuinen met inzet van veel vrijwilligers voortgezet onder de naam Tuinen Mien Ruys. De afdeling tuinarchitectuur kreeg in 1982 een andere directie maar behield de naam: Buro Mien Ruys.


Situatie buitenruimte De Spil op 21 augustus 2018

Bron: Zoeken naar de heldere lijn. Mien Ruys Tuinarchitect 1904-1999, geschreven door Leo den Dulk (Rotterdam, 2017).

* * *

VERANDERINGEN DOOR DE KOMST VAN DE SPIL

In het vooroorlogse Nieuwleusen gingen de veranderingen in een rustig tempo. Na de oorlog verandert dat opeens en waait er een heel andere wind door de gemeente. Er wordt veel nieuw gebouwd, verhuisd van klein naar groot en achtergelaten gebouwen worden afgebroken of krijgen een andere bestemming. Wij zien dat bijvoorbeeld bij de bibliotheek en de middelbare school, die in september een nieuw onderkomen hebben gekregen in Kulturhus De Spil.

De openbare bibliotheek van Nieuwleusen is vanaf de oprichting nauw verbonden met de Centrale Plattelands Bibliotheek van Overijssel en begint rond 1950 met wisselcollecties op verschillende plaatsen in de gemeente. Er komt meer subsidie en omstreeks 1960 wordt er halverwege de twee woonkernen aan de Burg. Backxlaan een bibliotheek gebouwd.


Bibliotheek aan de Burg. Backxlaan, naast het Groene Kruis gebouw en de Ontmoetingskerk. De Pr. Beatrixlaan is nog niet aangelegd.

In 1970 is het gebouw te klein voor de steeds groter wordende boekencollectie en wordt een nieuw gebouw betrokken op de hoek van de Ds. Van Diemenstraat.


De ruime bibliotheek na de laatste uitbreiding aan de Ds. Van Diemenstraat

De Streekmuziekschool neemt het vrijgekomen gebouw aan de Burg. Backxlaan in gebruik. Maar de muziekschool heeft het moeilijk. In 1988 wordt het gebouw aan de Burg. Backxlaan afgebroken om plaats te maken voor de bouw van de apotheek van Sikkens. Daarmee komt tegelijkertijd een eind aan het fenomeen apotheekhoudende huisartsen.
De bibliotheek aan de Ds. Van Diemenstraat wordt verschillende keren uitgebreid en gemoderniseerd, maar omdat het accent van het uitlenen van boeken verschuift naar educatie en ontmoetingsplek wordt in 2018 gekozen voor vestiging in het hart van de gemeenschap en verlaat men het pand voor een totaal nieuwe invulling van taken in Kulturhus De Spil.

Op 31 augustus 1959 krijgt Nieuwleusen een middelbare school. De Chr. ULO-school start met 45 leerlingen voor de eerste twee klassen en vindt een voorlopig onderdak in het Jeugdgebouw van de Gereformeerde kerk aan de Burg. Backxlaan. Hoofd der school is dhr. Scholten (Ned. Herv.).
De eerste verhuizing is naar de oude christelijke lagere school CB aan Den Hulst. Door de Mammoetwet wordt de MULO omgevormd tot MAVO en de school kiest als naam: ‘De Rank’.


Chr. MAVO De Rank, naam van de schilder onbekend.
Geschilderd nadat de smeedijzeren Rank op de gevel is vervangen door het grote ceramiek mozaïek, gemaakt door Meindert Zaalberg (Leiden, 1907 – Zwolle, 1989), pottenbakker-ceramist en eigenaar van de bekende aardewerkfabriek, die in 1962 in Ommen ging wonen en daar een atelier opende.


De school groeit al snel uit haar jasje en er komt omstreeks 1975 een dependance in een semi-permanent gebouw aan het Constantijnplein, hoek Prins Bernhardlaan.
In 1975 betrekt de Chr. MAVO De Rank een nieuw gebouw met sportzaal aan de Zwaluwlaan. De oude school aan Den Hulst 150 wordt omgebouwd tot woonappartementen en op de plek van de dependance komen nieuwe woonhuizen. In 1994 volgt een fusie met de scholengemeenschap Blaloborgh te Zwolle. In 1999 wordt dat de scholengemeenschap Agnietencollege. Die naam blijft, ook na meer verzelfstandiging van de school.

Voorafgaand aan de verhuizing naar De Spil heeft de school de in dit Kwartaalblad afgebeelde schilderijen van de twee schoolgebouwen aan de historische vereniging geschonken, evenals de smeedijzeren zwart gelakte ‘Rank’, die voor de naamsverandering de voorgevel van de schoolgebouwen sierde, en een grote collectie foto’s.

* * *

Chr. MAVO De Rank, schooljaar 1982-1983

Ter gelegenheid van de verhuizing van het Agnietencollege naar het nieuwe onderkomen De Spil een foto van klas 1A van de Chr. MAVO de Rank met leerkracht mevrouw Nagelhout uit Hattem



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  

Edwin Roozeboom
Ferdy Riezebos
Erwin Hulst
Harrie Veerman
Hans Oostindiën
Andre Massier
Edwin Lefers
Dick Veldman
Mevr. D. Nagelhout
Trudy Prins
Klara Koonstra
Claudi Wildschut
Aletta Petter
Mariette Pot

15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
26  
27  

Lourette Donker
Ed Bijker
Gerrit Hof
Karin Kuiper
Henriëtte Noordhuis
Rita Herssevoort
Jolanda Loerds
Mirjam de Jager
Alice Stolte
Gerda Balder
Werner Tuten
Martijn Schimmel
Jolanda Grooteboer

* * *

INTERNET OVERBRUGT GROTE AFSTANDEN

In de beginjaren van het bestaan van de historische vereniging hadden wij een groot aantal leden verspreid over de wereld. Het ging daarbij vooral om emigrantenfamilies. Inmiddels is dat aantal door overlijden van 1e en 2e generaties veel kleiner geworden. Wij koesteren de leden die zich in het buitenland nog zo betrokken voelen bij Nieuwleusen dat zij lid blijven omdat zij het Kwartaalblad een interessante bron van informatie vinden.

Na het kleiner worden van de ‘papieren’ contacten doet zich nu een nieuwe ontwikkeling voor. Via de mail reageren mensen uit de meest afgelegen plekken in de wereld op iets wat ze op onze site of elders op internet over Nieuwleusen hebben gelezen.
Zo kwam er een mailtje binnen van het Oxford Museum van de Oxford Historical Records Society in Nieuw Zeeland.
De plaats Oxford ligt in de vorm van een twee kilometer lang lint in de regio North Canterbury op het Zuidereiland van Nieuw Zeeland.
Hemelsbreed is dat ruim 18.580 kilometer bij ons vandaan.
Linda Pocock, de conservator van het Oxford Museum, vroeg of wij belangstelling hadden voor twee foto’s uit Nieuwleusen die bij hen waren binnengekomen, met als toelichting: ” At our local museum we have a useful collection, but with no names to link with our current population, your museum seemed the best place for them.”
(In ons plaatselijk museum hebben wij een informatieve collectie, maar zonder namen om een verbinding te maken naar de huidige bevolking, lijkt jullie museum de beste plek voor de foto’s.)
Vervolgens ontvingen wij op 21 juli 2018 een envelop met daarin twee foto’s:
1. schoolfoto van de openbare lagere school aan het Oosteinde uit 1932.
2. foto met daarop enkele volwassenen.
De schoolfoto is al in digitale vorm op de Foto-Beeldbank te zien, maar de personen op de andere foto kunnen wij nog niet thuisbrengen.


Weet u wie de gefotografeerde personen zijn? Laat het ons weten.

Op de foto staan, van links naar rechts: Meester Van Strien (hoofd van de OLS Oosteinde) met echtgenote, daarachter meester Van Aarts (hoofd van de OLS Westeinde) met zijn echtgenote.
(Zie beeldbank 16166:
1 Carl (Theodor Anton) Fleischman, geb. 1901, Tuinbouwinspecteur.
2 Meester Jan van Aarst, geb. 21-10-1905 te Kampen, Ex Onderwijzer OLS-A.
3 Adelheid van Aarst - de Leeuw, geb. 11-5-1908 te Wichlinshoven Duitsland.
4 Annie (Johana) de Leeuw-Fleischman, geb. 6-9-1906.)

* * *

ACHTER DE DEURE

Chris Canter

Chris Canter (1980) is opgegroeid in Nieuwleusen. Zijn moeder is Alie Borger. Chris schreef zijn eerste verhaaltjes al toen hij nog heel jong was. Op het Meander College werd zijn schrijftalent steeds aangemoedigd en hij won meerdere literaire wedstrijden voor scholieren. Hij schrijft het liefst in de streektaal, ook vanuit het buitenland. Chris publiceert regelmatig in ‘Roet’; het literaire streektaaltijdschrift voor Drenthe. Daarin is ook dit verhaal verschenen. Dat verklaart waarom de woordkeus meer Drents dan Nieuwleusens is, maar voor een goede verstaander zal de vertaalslag niet zo moeilijk zijn.

And I rose
In rainy autumn
And walked abroad in a shower of all my days.


Dylan Thomas, Poem in October
’t Is 1990, ik bin negen. Hiel Neilusen is in ’t openlochtzwömbad wegens de zwömvierdaagse. Bij de wit ekalkte verkeerstoren van de badmeesters stiet een luudspreker en daoruut klinkt Paradise City, oons volkslied. In theorie is ’t zomer en hiete, mar de wiend wet mien witte lief te vienden. Mit blote voeten vuul ik hiel krek de structuur van de koele tegels. Ik kieke naor de watervlekken die langzaam deur de stienen opedrunken wördt.








Zwemvierdaagse 1990

Naost de tegels löp een border van zaand en daorin gruuit netties escheuren stroeken töt börstheugte mit duzenden donkergrune, satienzachte bladties ter grootte van een vingernagel. Ik plok een bladtien, vol ’t op töt ik niet wieder volden kan, en scheur ’t langs de voldlienden in stokkies. Mit gruungeurige vingertoppen strei ik de stokkies uut aover de tegels. De dag rök naor chloor en plaantensap, deur mekare weid. De zunne wil warm wezen, de wiend en ’t water wilt kold wezen en d’r is gien dudelijke winnaar. Achter de stroeken is een grösveld waor mèensen ligt te zunnen, dan hej weer stroeken en wat daorachter zit mu’k nog onderzuken, mar misschien niet vandage.






Het zwembad omstreeks 1970 1990

’t Dörp is een uuterekt geval mit een Noord en een Zuud, en sportvelden in de midden die de scheiding veurgoed bevestigt. Mien eerste jaoren wone wij an een plein in Zuud.
As peuter verscheur ik een boekien mit een leeuwekop op de kafte waor ik bange veur bin en laot de snippers in de prullebak valen. Mien moeder stiet mit de rogge naor mij toe an ’t anrecht en hef ’t niet eziene. De aandere boekies in de serie bin’k niet bange van en bekiek ik alle dagen: de pimpelmees; ries; melk, botter en keze; ’t rendier.
In de zitkoele ete wij ’s aovends stoete. Mien vader zeg det ik pas ’t plakkien mit banaan mag hebben a’k ’t plakkien mit pindakeze op heb.
Mien moeder zeg op een dag ‘Punt uit’, en ik stelle mij een puntige laampe veur die uut de mure stik en mit een koordtien an en uut kan.
Baoven in een kamer stiet een wieg; de trappe hef baovenan een hekkien en onderan een deure. D’r is een dreum waorin ik in ’t trapgat kan vliegen of zweven. Later za’k nog vake dreumen de’k op straote een anloop neme, in de locht springe en in slow motion barre hoog en wied kan komen. ’t Is nog net gien vliegen, mar haoste net zo bezunder.


Aanleg Hulsterplas 1969

Al rap gaow riegelmaotig kieken naor de neibouw in Noord, waor mien olders een huus ekocht hebt det nog ofebouwd mut wörden. De cementmeules zoemt in de zaanderige straote: as een roepe op een blad knabbelt ’t dörp an ’t bouwlaand. Um de doodlopende straote hen lig de Hulsterplas, een grote plasse mit een baggerschip d’rin. Ienmaol in ’t neie huus is ’t rejaal wonen. In de tied van de Biebel mus ie vast een keuning wezen um d’r zo bij te zitten, en dan nóg haj niet iens een tillevisie of een auto.
Steeds a’k later naor Zuud fietse op safari naor oons olde plein, vaalt mij de stoeptegels op die niet lieke ligt en waor onkruud tussen gruuit.


Hulsterpad omstreeks 1990

* * *

DE EERSTE BOTERFABRIEKEN VAN NIEUWLEUSEN

Gees Bartels

Marten Kingma kwam in 1862 naar Lemelerveld en ging er de woeste gronden ontginnen, begon een steenfabriek en een melkveebedrijf en schafte een karnmolen aan. Daarmee legde hij de basis voor een zuivelbedrijf dat door acht zonen werd uitgebouwd tot een Kingma-zuivelimperium, met boterfabrieken van Meppel tot Gramsbergen.
Het verhaal van de familie Kingma is beschreven door Henk Nicolai in het boek “Dekzand; een familiegeschiedenis” (1906). Wij hebben daarvan een samenvatting gemaakt die leidt naar Nieuwleusen, waar rond 1900 meerdere boterfabriekjes worden opgericht.


Jan Kingma was in Makkum een invloedrijke bestuurder; wethouder, kerkvoogd, Nutsbestuurder, dijksgedeputeerde enz. Hij was een vooruitstrevend man en wilde het beste onderwijs voor zijn zonen.
In 1849 stuurde hij Marten en Reiner, 14 en 15 jaar oud, naar Amsterdam om te studeren aan de net opgerichte ‘Inrigting voor Onderwijs in Koophandel en Nijverheid’.
Daar ontmoetten de twee broers de houthandelaar Rovers die hen in aanraking bracht met mensen uit de wereld van het Reveil, met verlichte ideeën over geloof en maatschappij. De broers besloten toen niet langer naar de catechisatielessen te gaan. Marten was zeer ontvankelijk voor het nieuwe gedachtegoed en veel later “zoekt hij God in de stilte van de Lemelerberg”.
Samuel Sarphati was een van hun leraren. Deze arts wilde Amsterdam bevrijden van de ziekelijke dampen van het stadsvuil en tegelijk dat stadsvuil benutten als mest.
Marten voelde zich zeer aangesproken en kreeg zin om zich op de landbouw te richten en dan met name op de ontginning van woeste gronden.
Vader Kingma was niet blij met al die nieuwlichterij en plaatste Marten over naar de kostschool van Grolle in Hattem. Na enige tijd besloot Marten om zich toch maar in te kopen bij de grote olieslagerij in Sneek van twee van zijn broers.
Als Marten 22 jaar oud is ontmoet hij opnieuw de Amsterdamse 18 jarige Netje Bruninghausen, die afstamt van lage Westfaalse adel.
Ze trouwen in 1856, zeer tegen de zin van Martens vader. Die verbreekt alle contacten en heeft zijn zoon en schoondochter nooit weer gezien.

Aan de wet op de verdeling van de markegronden uit 1837 wordt bij Koninklijk Besluit in 1840 toegevoegd dat men na de ontginning van woeste gronden niet tien, maar twintig jaar vrijstelling van het zogenaamde tiendrechten kan krijgen. Dit moet nieuwe eigenaren stimuleren tot het investeren in ontginningen. Veel grond wordt doorverkocht aan kapitaalkrachtige lieden uit Holland, die zich in de arme streken gaan vestigen.
Tussen 1853 en 1858 wordt het Overijssels Kanaal gegraven en kunnen schepen zware vrachten stenen en stadsvuil van en naar het te ontginnen gebied rond de Lemelerberg vervoeren.


NAAR LEMELERVELD
In 1862 verlaten Marten en Netje Friesland. Met hun hele hebben en houden op een huifkar geladen trekken ze met vier kinderen naar Lemelerveld, ‘de prairie van Overijssel’, een gebied van 1500 hectare hei en veen, en gaan daar op het land met huis Statum wonen.

In Lemelerveld wonen ze weer bij oude bekenden; geloofsgenoten uit hun Amsterdamse tijd. Rovers woont er een Blikman Kikkert, getrouwd met een zuster van dominee Van Raalte, die zich hier als eerste had gevestigd op Heidepark, evenals broer Reiner. Nicht Baukje Kingma en haar man Koenraad van Someren Greve en Van Lawijck van Pabst, een oom van Netje, komen niet lang daarna ook naar Lemelerveld.

STEENFABRIEK
Met zijn broer, die ongetrouwd blijft, neemt Marten in 1862 een steen- en tichelfabriek over. Die werkt niet met rivierklei, zoals je zou verwachten, maar gebruikt leem en klei als grondstof die wordt afgegraven van de Lemelerberg. De verdiensten van de steenfabriek vallen niet mee. Als Lemelerveld in 1866 een suikerfabriek krijgt, neemt Marten daarin ook een belang. Aan het eind van de zeventiger jaren trekt hij zich daaruit terug om zich helemaal op de boterbereiding te storten.


‘Statum’ herinnert nog aan de bakermat van Lemelerveld.

In 1877 koopt Marten Kingma een door een paard aangedreven karnmolen. Dat blijkt een gat in de markt. Veel boeren laten bij hem hun boter karnen. Kingma gaat ook aan de slag met het verbeteren van de kwaliteit en de smaak van de boter. Zo ontdekt hij dat de boter van boeren die hun koeien spurrie voeren lekkerder smaakt dan die van de boeren die hun koeien knollen voeren.

BOTERFABRIEK
In 1888 laat Kingma in de steenfabriek een door stoom aangedreven centrifuge plaatsen, waardoor hier ook de productie van boter kan plaatsvinden. De snelle afroming en de afkoeling met behulp van ijs garanderen een kwaliteit die de boeren zelf niet kunnen bereiken.
De boter wordt direct aan winkeliers en particulieren geleverd en verkocht op de markten van Ommen en Raalte.
Als de zonen op een leeftijd komen om voor zichzelf te beginnen, vestigen ze melkfabrieken op andere plaatsen, vaak samenwerkend met elkaar, met hun vader Marten en met hun ooms Reiner, Herre, Hylke en Tjeerd. Soms is een fabriekje niet meer dan een afroomstation, waar de boeren hun melk laten afromen en daarna weer meenemen, maar in enkele plaatsen bouwen ze melkfabrieken die niet alleen boter maken volgens de strenge eisen van de tijd, maar waar ook melk wordt gepasteuriseerd en in flessen afgevuld.
Zo ontstaat tussen 1880 en 1918 een waar Kingma-zuivelimperium. Er kwamen melkontromingstations ofwel boterfabriekjes in: Balkbrug, Meppel, Staphorst, Rouveen, Zwolle, Ammerzoden, Ruinen, Ruinerwold, Uffelte, Lochem, Drachten, Bergum, Nieuwleusen, Hardenberg en Gramsbergen.

DE EERSTE BOTERFABRIEKJES IN NIEUWLEUSEN
In 1896 werd door de ‘Stoomzuivelfabriek Mastenbroek’ in Nieuwleusen aan de Ommerdijk (nu Burg. Backxlaan) een melkontromer geplaatst voor de fabricage van boter. Dit fabriekje gaf aan drie arbeiders werk.

In 1899 kwam de firma Kingma & Co. uit Avereest zich als concurrent ook in Nieuwleusen vestigen. Er werd een melkontromer geïnstalleerd aan het Oosteinde. Dat fabriekje heeft gestaan tegenover waar nu het Chinees restaurant is gevestigd. Het gebouw is omstreeks 1998 afgebroken om plaats te maken voor een boomkwekerij.


De enige foto van het boterfabriekje van Kingma dat wij kennen, op de bodem van een asbak geplakt.

COöPERATIEVE GEDACHTE
De boeren voelden zich steeds meer afhankelijk worden van enkele particulieren die de kwaliteit en prijs van de boter bepaalden. De coöperatieve gedachte wint terrein. Als ze een coöperatie vormen kunnen ze samen investeren en de kosten van de aanschaf van machines, gebouw en personeel delen, en ook zelf de prijs en kwaliteit bepalen en, niet onbelangrijk, samen de winst opstrijken.
Op 30 maart 1900 werd in Den Hulst de Coöperatieve vereniging tot bereiding en verkoop van roomboter ‘De Hoop’ opgericht; op 13 maart 1930 omgevormd tot ‘Coöperatieve Stoomzuivelfabriek Den Hulst’.
Op 26 juni 1907 werd in Nieuwleusen de Coöperatieve Zuivelfabriek ‘Onderling Belang’ opgericht en traden 48 landbouwers toe. Op 17 oktober werd de fabriek in gebruik genomen, aan de Ommerdijk op ongeveer dezelfde plek waar de ontromingsinrichting ‘Stoomzuivelfabriek Mastenbroek’ was gevestigd. In 1908 werd er een botermaker aangesteld en besloten tot de bouw van een directeurswoning.
Jaar na jaar nam het ledenaantal van de twee coöperatieve zuivelfabrieken toe, waardoor ze de kleine ontromingsfabriekjes overvleugelden en opslokten.


De aanvoer van melk bij de zuivelfabriek ‘Onderling Belang’.

EINDE KINGMA
Het is aantrekkelijk om lid te worden van de coöperatieve zuivelfabriek omdat die ook op vetgehalte uitbetaalt, en als een koe minder melk geeft, zoals bij grote droogte het geval is, wordt het vetgehalte hoger.
In 1911 kreeg het boterfabriekje van Kingma plotseling veel minder leden omdat het een jaar van grote droogte was; zo erg dat de boeren uit het Westeinde met hun koeien helemaal naar de Koedijk gingen om ze daar te laten grazen.
Dat alles betekent het einde van Kingma in Nieuwleusen.
Het fabriekje wordt gesloten en door Jonkers, ook wel Paddegien genoemd, als café in gebruik genomen. Jonkers ging ook met paard en wagen met negotie en galanterieën de boer op en verkocht potten en pannen en allerlei andere waar die in de huishouding van pas kwam.
Het pand komt te koop en het lijkt Eef Bouwman-Schuurman, die al vanaf haar dertiende thuis in de winkel van haar ouders aan de Burg. Backxlaan meehelpt, een aantrekkelijk pand om voor zichzelf te beginnen.
Ze wacht tot haar man terugkomt uit Ned. Indië en zijn instemming geeft.
Omstreeks 1950 begint ze hier met haar winkel voor huishoudelijke- en luxe artikelen.
Vier jaar later laat ze een nieuwe winkel met woonhuis bouwen in Weth. Nijboerstraat 5. Tot de afbraak woont Kleen in het voormalige fabriekje.
Het winkelpand van Eef Bouwman wordt later overgenomen door Jolanda Gerrits en als ‘Jolanda Jonge Mode’ voortgezet.

DE ROLLECATE
In dezelfde tijd dat de familie Kingma in Lemelerveld een modern melkveebedrijf ontwikkelde, gebeurde dat hier in Den Hulst op min of meer dezelfde manier. Baron W.J. van Dedem, de laatste eigenaar van landgoed Rollecate, was o.a. voorzitter van het in 1874 opgerichte Nederlands Rundvee Stamboek. Hij vormde het landgoed om tot een veel bezochte modelboerderij.
In 1899 werd in het Westerslag een roomboterfabriekje gebouwd, groot 8 bij 15 meter.
In 1909 liet Van Dedem, op de hoek van de Schapendijk en wat nu de Van Dedemweg is, een stal bouwen voor 200 koeien. Daarin kwam ook een machinekamer waarin een melkmachine werd geplaatst. Verder was de stal voorzien van een laboratorium, een kantoor en een schaftlokaal.


De grote veestal van Van Dedem. In de loop der jaren heeft het gebouw zoveel verschillende eigenaren gekend dat het zich inmiddels in een vrij desolate toestand bevindt.


Aan de weilandkant zijn nog wel wat oude bouwkenmerken zichtbaar.

* * *

EVERT DIJK EN DE VINKENBUURT – Deel 6

Vertaling Gees Bartels

Evert Dijk (1914-1982) vertelt in het boek ‘Als de dag van gisteren’ (2004) over zijn jeugd in de Vinkenbuurt. Hij deed dat in dialect. Omdat hij een mooi (tijds)beeld geeft van deze omgeving hebben wij gekozen voor een vertaling, zodat ook wie onze streektaal niet kan lezen, zich goed kan inleven.

Als kind naar de kerk; (vervolg)
In het begin moest ik ook ’s middags weer mee naar de kerk, tot de herfst van 1920. Vanaf die tijd werd het wat anders, want toen ging ik naar de zondagsschool. Die werd gehouden in hetzelfde gebouw waarin ik door de week mijn leerplicht moest vervullen en was dus dichtbij.
Bij mooi weer, als de wegen begaanbaar waren, was het best te doen om naar Balkbrug te lopen. Maar bij slecht weer en modderige wegen was het haast niet te doen om er te komen. Nu moet je niet denken dat ik dan mooi thuis kon blijven. Dan kan je begrijpen, want mijn vaders wet luidde altijd: op zondag twee keer naar de kerk.
Ik bedacht me dat als ik in de Vinkenbuurt naar de zondagsschool zou gaan, ik dan voortaan op zondag maar een keer de lange reis naar de kerk in Balkbrug hoefde te maken en dat kwam mij heel goed uit.
Het kostte me heel wat moeite om dat voor elkaar te krijgen. Toen ik er thuis over begon te zeuren vond mijn moeder het direct goed. Zij was er vroeger zelf in Oudleusen ook heen geweest en liet mij het boekje met de zondagsschoolliedjes zien. Maar mijn vader wilde er eerst niks over horen.
“Kun je begrijpen,”zei hij toen ik het vroeg, “jij naar de hervormde zondagsschool? Nee, daar komt niets van in.”
Ik bleef intussen aanhouden en toen het op een zondagmiddag heel erg regende en er ook nog een harde wind over de landerijen waaide, kreeg ik van hem toch toestemming om te gaan. En zo ging een gereformeerd jongetje van nog geen zeven jaar oud al ‘samen op weg’ met de hervormde mensen uit de Vinkenbuurt en was ik de tijd al ver vooruit. Het ging er in het schoollokaal heel gemoedelijk aan toe en ik voelde mij er goed thuis.
Gert Jan Beltman en Geertje Knol hadden er de leiding en vertelden ons uit de Bijbel. De school duurde maar een uur, veel korter dan de kerkdienst. Elke week moesten we een psalm- of gezangversje uit het hoofd leren en een Bijbeltekst die we later moesten opzeggen. Het zondagse onderwijs kostte bijna niks: elke keer een cent!
Een enkele keer kwam dominee Bruins uit Ommen de samenkomst leiden, maar normaal liet hij dat door zijn knecht Van Alewijk doen. Dat mannetje kon verbazend goed preken. Hij schreeuwde soms zo hard dat de ramen van ’t lokaal d’r van rinkelden. Hij was meteen voorzanger, want er was geen orgel.
Ik heb in die zes jaar die ik daar elke zondag naar toe ging heel veel versjes geleerd en die heb ik altijd goed onthouden.
Beltman, die net als zijn vader een goed talent voor zingen had, was onze opperzangmeester en aan de melodie van sommige versjes voegde hij mooie uithalen toe, zoals bijvoorbeeld:
Er rui-uist langs de wol-olken een lie-iefelijke naam, of om nog maar niet te spreken van: Wee-eet gij hoe-oeveel ster-erren kleven aan de blauauwe he-emelboog?


Het mooiste van de zondagsschool vond ik de viering van het kerstfeest. In de week ervoor zongen wij al van Stille nacht, heilige nacht, Nu zijt wellecome, In Bethlehems stal en nog meer kerstliedjes.
Op Tweede Kerstdag was dan ’s avonds het feest zelf.
In het lokaal stond een kerstboom, een hoge fijnspar, die met de top de balken raakte. Hij was opgetuigd met echte kaarsen, slingers en gekleurde ballen.
Die kaarsen werden aangestoken en als ze allemaal brandden ging het licht van de twee petroleumlampen uit en kon het feest beginnen.
Gert Jan Beltman en Geertje Knol vertelden allebei een verhaal en ook verder ging het er de hele avond plezierig aan toe.
Vooral aan het eerste kerstfeest heb ik altijd veel mooie herinneringen bewaard.

* * *

NIEUWLEUSEN KRIJGT ‘VROUWELIJKE INDUSTRIE’

In Kwartaalblad nr. 1 en 2 van 2017 schreven we al over het confectie-atelier Derofa. In dit artikel aandacht voor de opening. Het laat mooi zien hoeveel er in ruim 50 jaar is veranderd.
Burgemeester Mulder opende in januari 1965 het nieuwe atelier van Derofa in Den Hulst en schetst in zijn toespraak het tijdsbeeld en de veranderingen ten aanzien van vrouwenarbeid.


De journalist schrijft: Het nieuwe atelier in Den Hulst is uiterst modern ingericht en biedt werk aan 32 meisjes, die zich bezighouden met het vervaardigen van jurken in speciaal grote maten. Het is voor de gemeente de eerste specifiek vrouwelijke industrie. Ter gelegenheid daarvan waren naast burgemeester Mulder en echtgenote ook de beide wethouders en enkele raadsleden getuige van de opening. Die werd verricht door het opentrekken van een ritssluiting die in een buitenmodel japon was aangebracht.


Optocht 1970 – ‘Voorheen en Toekomst’ van Derofa.

De burgemeester: In 1964 heeft het Economisch Technologisch Instituut een rapport uitgebracht dat uitvoerig inging op de structurele veranderingen die bezig zijn zich in de gemeente Nieuwleusen te voltrekken. Mede door de uitvoering van de ruilverkavelingswerken is het beeld van de traditioneel agrarische gemeente Nieuwleusen ingrijpend gewijzigd. Ook aan de vrouwelijke arbeidskrachten biedt de landbouw minder werk dan voorheen en als gevolg daarvan steeg de vraag naar werkgelegenheid in andere sectoren. Zo is een groeiend aantal meisjes werkzaam in een huishoudelijke betrekking in Zwolle.
Deze trek naar andere gemeenten is op zichzelf niet verontrustend, mits in de eigen gemeente voor een deel aan de werkgelegenheid kan worden voldaan. Dit laatste was tot voor kort niet het geval en met het oog daarop werd door het gemeentebestuur de komst van Derofa naar Den Hulst van harte toegejuicht.
De stap van de landbouw naar de industrie is zowel voor mannen als vrouwen een moeilijke stap. De wijze waarop Derofa deze stap ‘begeleidt’ verdient lof; sinds de start van het atelier in juni 1964 zijn geen ongunstige ervaringen bekend geworden.
De directeur A.G. Scholte zei in zijn antwoord dat het voor een gemeente gezond is ook een specifiek ‘vrouwelijke’ industrie te hebben. “Ik zou het echt niet erg vinden als er nog een vrouwelijke industrie zou worden gevestigd.”
De toekomstverwachtingen waren hoog, passend bij de tijdgeest. Bij de opening werd rekening gehouden met een verdere groei. Het atelier was zo opgezet dat het op den duur aan honderd meisjes werkgelegenheid zou kunnen bieden.
Met de bedoeling de gehele gemeente te laten delen in het openingsfeest, overhandigde directeur Scholte burgemeester Mulder een enveloppe met inhoud. Burgemeester Mulder bestemde die meteen voor de ‘Actie Zwembad’ en gaf het geschenk door aan J. van de Berg Ezn, voorzitter van de zwembad-commissie, met de mededeling dat het ook voor de werknemers van Derofa van belang zou zijn dat het zwembad er snel zou komen. “We hebben in één jaar al ƒ 50.000,-uit de bevolking bij elkaar gekregen. Er wordt verwacht dat er nog veel meer komt. Zeker door de bereidheid van de inwoners zelf met de aanleg te helpen. Het is de bedoeling nog deze zomer te zwemmen”, aldus burgemeester Mulder.










Jaargang 36 Nummer 4 december 2018


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina:

Chr.Basisschool Het Kompas Bij opening van de school boden ouders een houten treintje aan.

* * *

DE BOCHT VAN PIET

Jenny Kasper

Een veelzijdig onderwijzer in beeld.

Jenny Kasper in gesprek met Piet Kalteren. Hij is geboren in 1939 te Hijken in de gemeente Beilen. Voormalig onderwijzer aan de christelijke basisschool 'Het Kompas,' in het Ruitenveen van 1973 tot 2000. Veel kinderen heeft hij daar zien komen en gaan in het Ruitenveen. Een gebied dat hem na aan het hart ligt. De aanleiding, dat ik benieuwd werd naar Piet had twee redenen.

De eerste reden was zijn recent geschreven gedicht voor de ‘Gedichtenroute Nieuwleusen’: ‘Het Buitengebied ' , waarin Piet zijn band met Ruitenveen met liefde en aandacht verwoordt. De Gedichtenroute is uitgebracht als een gebundelde serie ansichtkaarten, waarop de gedichten met foto’s zijn afgedrukt. Het gedeelte Ruitenveen waar Piet Kalteren op doelt is tussen de Petersweg en de Staphorsterweg. In dit deel van het Ruitenveen - in de volksmond 't Pad - liggen een paar bochten met fraaie doorkijkjes. In de maand juni van dit jaar was de presentatie van de gedichtenwedstrijd georganiseerd door de Historische Vereniging. Piet Kalteren zond een gedicht in en was een van de twaalf genomineerden. Ruitenveen, het gebied waar hij dagelijks doorheen fietste om naar zijn werk te gaan. En ook nu nog is Piet regelmatig hier aan te treffen op één van zijn van fietstochten door Nieuwleusen.










Piet leest zijn gedicht Het buitengebied voor tijdens de bekendmaking van de 12 uitgekozen gedichten voor de Gedichtenroute Nieuwleusen

De tweede reden voor een ontmoeting met hem is dat één van Piet’s oud-leerlingen van het Kompas, mijn nichtje Anneke, haar eerst geborene vernoemde naar de hoofdpersoon uit één van de boeken die Piet gebruikte tijdens het voorlezen in de klas. Wanneer dit voorval ter sprake komt reageren sommige andere oud-leerlingen met herkenning. Piet heeft kinderen wakker gemaakt en hen de liefde voor literatuur bijgebracht. Voor meerdere kinderen was Piet een bijzondere onderwijzer. Hij las graag voor en de kinderen genoten daarvan. Piet is de bescheidenheid zelve wat betreft zijn kwaliteit als onderwijzer en dichter. Hij zegt: ”Ik ben kind met de kinderen. Ik geef de noodzakelijke lesinhoud en voeg toe wat in mij opkomt.” Wat maakte Piet een bijzondere onderwijzer ?

Ik geef Theo Thijsen het woord: ' Laat ik het voor mijzelf maar een flirt noemen. ( .....) De klas is een stukje gemeenschap dat als individu optreedt. Telkens als een van de kinderen spreekt, geschiedt dat op een wijze waarin ik voel: jij spreekt namens het hele stel. ( .....) En tegen wie spreek ik? Ook niet tegen een kind afzonderlijk, dat lijkt maar zo; ik spreek tegen de klas als geheel. De klas heeft een ziel.' Uit: De gelukkige klas, van Theo Thijssen.

Opdat de kennisoverdracht gelukt, moet er van beide kanten aandacht zijn. Dat Piet deze gave heeft blijkt ook uit het verhaal van Dirk, een oud-leerling van Piet uit Thesinge. Piet gaf tien jaar les in dit Groningse dorp. Dirk ( Dikkie, in die tijd): ' Hij was mijn idool. Een meester die verandering bracht. Toen gaf hij al blijk over dichterlijke kwaliteiten te beschikken. Ik ben mede door hem gevormd. Het opzoeken van grenzen.'

Mogelijk, dat plattelandskinderen meer ontvankelijk zijn en openstaan voor een net even andere aanpak van de lesinhoud. Zeker in de tijd van de zeventiger jaren, ver voor de invloed van de huidige digitale wereld. In 1973 was het leven alhier eenvoudiger, overzichtelijk. Het leven op het platteland verschilde duidelijk van de meer randstedelijke gebieden op velerlei terreinen in vergelijk met de hedendaagse tijd.

Zo kon het gebeuren dat Piet op een bijzondere wijze in Nieuwleusen belandde. Het sollicitatieproces was heel traditioneel. Een degelijke sollicitatiebrief, handgeschreven, met daarin de nodige referenties vermeld, was een essentiële voorwaarde. Na zijn sollicitatiebrief aan het schoolbestuur en het hoofd der school, meester Jaap Nijdam, werd Piet uitgenodigd om een proefles te geven. In de vroege ochtend vertrok Piet vanuit het Groningse dorp, waar hij woonde en werkte, met de bus naar Groningen-stad. Per trein naar Zwolle. Aldaar aangekomen waren alle streekbussen net vertrokken. Zo ook de bus richting Nieuwleusen. Wat nu. Piet sprak een voorbijkomende chauffeur aan en die zei: ' stap mar ien, ik mut noar De Voart met een lege bus.' Maar dan ............ Waar stond die school alweer ? Het adres was Westeinde, maar welke school? Bij de eerste school heeft de chauffeur Piet afgezet. De juiste school! Het Kompas en Piet was net op tijd voor het geven van de proefles. Alle kinderen keken verwachtingsvol naar de voor hen onbekende man, met baard. Achterin de klas enkele schoolbestuursleden. Piet mocht zijn proefles geven. Achter in de klas ontstond een rookwolkje, gevormd door omhoog stijgende sigarenrook, geproduceerd door de ernstig kijkende bestuursleden. De kinderen waren aandachtig en na deze proefles werd Piet aangenomen als onderwijzer voor wat toentertijd klas 3 en 4 genoemd werd.

Voor Piet was het thuiskomen, vertelt hij. Jarenlang had hij op de klei vertoefd in Groningen. Nieuwleusen is gebouwd op zandgrond. Zijn Drentse wortels ervoeren hun vertrouwde aarde. Puur feitelijk evenzo. De tuin is zoveel gemakkelijker te bewerken op zandgrond. Kleigrond , daar is geen doorkomen aan met een eenvoudige spade. Beiden, Piet en zijn vrouw Anneke, voelden en voelen zich thuis in Nieuwleusen. Zij genieten ook van de gevarieerde omgeving in dit deel van Overijssel. Het nabije Staatsbos ( nu Zwarte Dennen) en het deels coulisselandschap, zoals Piet dat zo verfijnd verwoord in het gedicht Nieuwleusen.

Piet vertelt, dat hij van 1980 tot 2000 muziekrecensent was voor de Zwolsche Courant. Hij reisde door de hele regio Salland en woonde vele concerten bij van koren en muziekkorpsen. Soms wel drie concerten in een weekeinde. En dat naast zijn baan als onderwijzer. Thuisgekomen ging de geschreven recensie in envelop mee met de streekbus naar Zwolle. Vervolgens postte de chauffeur van de bus de recensie in een speciale brievenbus op het station van Zwolle.

Piet debuteerde als dichter in 1967 in het literaire tijdschrift Wending. In tien jaar tijd publiceerde Piet vier gedichtenbundels, welke landelijke aandacht kregen. In de Nieuwleusense periode verschenen van zijn hand nog enkele gedichtenbundels. In 1980 verscheen het jeugdboek: 'Fred en het schilderij dat niet te koop is'. Piet vertelt dat hij tijdens de lessen notities maakte voor dit boek. Veel van zijn leerlingen hebben mogelijk geen weet gehad van zijn literaire activiteiten voor in de klas. Piet had graag een kunstzinnige en creatieve studie willen doen zoals de toneelacademie of het conservatorium. Zijn ouders verboden dit. Hij moest maar naar de kweekschool gaan; dit vonden zij een betere en deugdelijke opleiding, waar je tenminste je geld mee kon verdienen. En zo toog Piet naar Sneek, naar de Kweekschool. Hij vond onderdak bij zijn grootouders tijdens deze 2-jarige studie. Met zijn HBS diploma kon Piet de opleiding 2 jaar bekorten. Nadien gaf hij les als onderwijzer in Kraggenburg, Creil en later in Thesinge. In Thesinge was Piet gedurende die tien jaren eveneens organist in de gereformeerde kerk. Piet deed ook moeite zijn MO acte te behalen. De kunstzinnige vakken spraken hem aan met name Tekenen en Muziek. Maar na 2 jaar hield Piet het voor gezien. En toen was er een vacature ergens in Overijssel. Maar zijn hart bleef bij de kunstzinnige kant in het onderwijs. De vele poëziealbums zijn daar getuige van. Piet voorzag menig album van een prachtige tekening en bijbehorend vers in fraai handschrift. Soms eigen tekst, soms een passend bestaand vers. Kleine kunstwerkjes zijn het. Deze albums zijn tentoonstellingswaardig.


Uit het poesie album van Marja

Eén van Piets oud-leerlingen, Marije, vertelde mij: “aanvankelijk was ik teleurgesteld toen Piet in mijn album schreef. Ik wilde gekleurde poesie-albumplaatjes, geen zwartwit tekening. Pas later waardeerde ik de bijdrage van Piet. Nu ben ik er trots op.” Als onderwijzer was Piet zijn tijd ver vooruit. Speelde ook met het lesgeven. Zoals bewegen in de klas. Kinderen zitten lang stil volgens Piet. Dus ....... liet Piet in zijn tijd, de kinderen met enige regelmaat naast hun tafel staan om klassikaal wat bewegingsoefeningen te doen als onderbreking van de les.

In hoeverre zijn kinderen weet hadden van Piets literaire kwaliteiten, is mij niet bekend. Kinderen waren er wel trots op, dat hij hen vertelde van zijn schrijven van een boek. Dat Piet een landelijk bekend dichter was stond mogelijk ver van de belevingswereld van de kinderen. Ook de inhoud van deze gedichten zou voor de kinderen in die tijd mogelijk moeilijk te bevatten zijn.

De geestelijke worsteling met taal en de eigen geestelijke ontwikkeling van een mens in een roerige samenleving, staat ver af van een kind op de lagere school in het Ruitenveen.


Uit het poesie album van Marja

Het in 1997 uitgegeven boekje: 'Een rondje Nieuwleusen, een bescheiden rondgang door de literatuur en geschiedenis van Nieuwleusen’, wordt ook het literaire werk van Piet Kalteren beschreven. Dit boekje, samengesteld en geschreven door Gees Bartels -Martens is uitgegeven door de IJsselacademie, toen nog te Kampen. Dit boekje is niet meer te koop. Wel is er in onze mooie nieuwe bibliotheek, in Kulturhus De Spil een uitleenexemplaar te verkrijgen. Piet vertelde dat hij tijdens het lesgeven op het Kompas onderwijl, op stille momenten in de klas, schreef aan: ‘Fred, en het schilderij dat niet te koop was.' Dit leesboek voor meisjes en jongens 7 - 10 jaar speelt zich af in Thesinge. Het Groningse dorp, waar Piet 10 jaar les gaf op de lagere school. Dit boek is in 1980 uitgegeven door J.N. Voorhoeve, Den Haag. Bijzonder voor Nieuwleusen is dat Piet in zijn vierde gedichtenbundel: 'Buiten mij zelf' (Kok, Kampen, 1977) het gedicht Nieuwleusen heeft staan. Wie zou niet in zo'n dorp willen wonen ? Bijzonder, dat Piet Kalteren met deze woorden Nieuwleusen tot een prachtig dorp maakt. Wij mogen hem daar dankbaar voor zijn. Het mooiste visitekaartje in de vorm van poëzie.

                   Nieuwleusen

Je leeft er langzamer
en lager bij de grond
dan in de ontevreden steden
van haast en haat
en in de greep
van de gebalde vuist geweld.

Je leeft er warmer ook
en dichter bij de mensen en dieren
dan in het verre en vervreemde samenwonen
waar leven uitloopt
als de delta's van rivieren
uitmondend in een zee van leegte.

Je leeft er openstaand
voor wat er omgaat
in en rond de boerderijen
die rustig onder rieten ruggen
omringd door eik kastanje vlier
woonruimte zijn voor mens en dier.

Je leeft er stiller en
je ogen lopen door de bomen
je oren wonen tussen vogels
die het zingen meester zijn
je voeten vormen sporen in het zand
zorgen er voor dat je jezelf
terug kunt vinden.

* * *

REACTIES OP KWARTAALBLAD SEPT. 2018

CHRISTELIJKE MAVO DE RANK
Op p. 13. staat vermeld dat de verhuizing van de Mavo van het oude naar het nieuwe gebouw aan de Zwaluwlaan in 1975 was. Henri Schuurman uit de Vinkenbuurt vertelt dat dit in 1979 was. “Ik heb zelf als leerling nog geholpen met verhuizen en ik ben er in 1977 op gekomen. “


Christelijke Mavo De Rank aan het Constantijnplein, aanwezig in onze Foto-Beeldbank.

De foto van deze tijdelijke huisvestiging aan het Constantijnplein is waarschijnlijk genomen ten tijde van de opening, want de vlag is in top en tussen stoep en hek is het nog een rommeltje. Het jaartal van de opening van het gebouw aan de Zwaluwlaan kunnen wij dankzij Henri nu ook veranderen van 1975 naar 1979. Zo is dit een mooi voorbeeld van de mogelijkheid die de Foto-Beeldbank geeft; net als bij Facebook kunnen kijkers aanvullingen en verbeteringen insturen, die wij dan doorvoeren.
Verder zegt Henri:
“Bij het oude (hoofd)gebouw stond trouwens achter de Gebo ook nog een houten noodgebouw met 2 lokalen.”
Daarvan hebben wij geen foto’s. Dus mocht u daarvan een foto hebben? Wij stellen toezenden zeer op prijs.

INTERNET OVERBRUGT AFSTANDEN
Op de vraag “Weet u wie de gefotografeerde personen zijn?” kwamen twee reacties binnen.
Op de foto staan, van links naar rechts: Meester Van Strien (hoofd van de OLS Oosteinde) met echtgenote, daarachter meester Van Aarts (hoofd van de OLS Westeinde) met zijn echtgenote. Verder nog als toelichting: “Meester Van Aarts is later naar Bennekom gegaan en heeft waarschijnlijk een zoon in Nieuw Zeeland.” Deze laatste opmerking is zeker aanleiding om weer contact op te nemen met het Oxford Museum in Nieuw Zeeland.

Bij beeldbank nr 16166 staan andere namen, waarschijnlijk latere informatie.

DE EERSTE BOTERFABRIEKEN VAN NIEUWLEUSEN
Willem de Weerd nam contact met ons op over de precieze plek waar het boterfabriekje van Kingma aan het Oosteinde heeft gestaan. Tegenover het Chinese restaurant op het terrein waar nu de kerstbomenkwekerij is, is niet helemaal juist. Het stond dichter bij de Viersprong. Vanaf de kerstbomenkwekerij, richting centrum, komt eerst de boerderij van Huzen, dan het huis van postbode Huzen (nu staat daar een dubbele woning) en dan op nummer 38 het huis van Van der Linde, waar het boterfabriekje heeft gestaan.


Dat is recht tegenover het huis waar vroeger Gerrit Willem Lubbers woonde, de grootvader van Gerrit Lubbers, nu bestuurslid van onze vereniging, die ook in (de helft van) het huis heeft gewoond.
Gerrit Willem was van beroep postbode bij de PTT. Daarnaast kocht hij onbeschilderde klompen in, schilderde die en verkocht ze door aan huis. Veel mensen zeiden toen wel Lubbers de klompenmaker, maar hij maakte ze echt niet zelf. De reclamespreuk die hij voor deze handel had geschilderd,
                   Zie Kloas en Dieke lopen,
                   zie goat bij Gait Willem klompen kopen
,
hing pontificaal op een groot bord aan het huis.

Willem de Weerd weet zo zeker dat het fabriekje niet op het land met de kerstbomen heeft gestaan omdat dit land al vanaf 1800 in zijn familie is. Oorspronkelijk maakte het deel uit van zo’n 12 a 13 hectare grond, dat liep van de Dedemsvaart tot aan de Middeldijk. De vader van Willem heeft het perceel aan het Oosteinde tijdens de ruilverkaveling overgenomen van een oom, broer van Willems grootvader. Na het overlijden van zijn moeder in 1999 is Willem eigenaar geworden. Willem is opgegroeid in de boerderij van de familie De Weerd aan de Ds. Smitslaan. De jongste broer Aalt bleef op deze boerderij. Die is door brand verwoest en er is een nieuwe woning voor in de plaats gekomen.
Willem was 40 jaar boswachter bij Staatsbosbeheer en woonde in Punthorst. Ongeveer 20 jaar geleden ging hij met pensioen, is teruggekomen naar Nieuwleusen en in de Burg. Bosch Bruiststraat gaan wonen.

AANVULLINGEN EN CORRECTIES VAN NAMEN
leerlingen op de schoolfoto Chr. Mavo De Rank
01 = Edwin (ipv Edson)
02 = Ferdy Riesebos (ipv Roozeboom)
12 = Claudi Wildschut
17 = Gerrit Hof
(Deze namen zijn verbeterd en aangevuld)

Allen hartelijk dank voor de reacties.

* * *

WONEN OP DE MEELE

Grietje Kreule

Nieuwleusen kent veel families waarvan de voorouders van elders kwamen voor ze zich hier vestigden en een vanzelfsprekend deel van onze samenleving werden. Zo ook de grootouders van Grietje Kreule-Kok, een van de trouwe vrijwilligers van onze vereniging. Dit vertelde ze tijdens haar dienst als gastvrouw in museum Paltehof op 8 juni 2018.

Het begon wat haar familie betreft met Upper, die als marskramer de kost verdiende. Hij kwam van Zwartsluis hier naar toe, kocht grond van Palthe en vestigde zich hier als boer. In die tijd strekte de grond die in bezit was van de familie Palthe zich helemaal uit van het Westeinde tot aan De Meele.
Hij, de zoon van Upper trouwde met Grietje Bruins (31-01- 1877 – 19-06-1966) uit Genemuiden. Grietje moest als elfjarig meisje al in de kost en werken bij een boer in de Mastenbroekerpolder. Daar in de buurt was hij ook ‘bij de boer’ en zo ontmoetten ze elkaar. Die zoon nam de boerderij over en bouwde een winkeltje tegen de boerderij aan. Dit was de eerste winkel op de Meele. Dat initiatief paste goed bij de achtergrond van de familie, waar ‘handel’ al in de familie zat door vader Upper .


Toen Upper jong overleed hertrouwde Grietje Upper-Bruins met Johannes Timmerman (24-10-1884 – 24-07-1952). Hij was toen 28 jaar oud en had daar in de omgeving ook al grond in eigendom. De familie Timmerman kwam van de Lichtmis en uit Staphorst en er woonden al meer Timmermans op De Meele.
Grietje Timmerman-Bruins was de oma van Grietje Kreule- Kok. Grietjes moeder, Hendrika Kok-Timmerman (26-07-1913 – 28-11-1997), kwam enige jaren na haar huwelijk met Lucas Kok (Dedemsvaart, 07-11-1910 – 29-12-1996) op de boerderij. Oma stopte toen met de winkel en ging in dat huis wonen. Grietjes ouders en oma woonden dus bij elkaar, maar wel onafhankelijk van elkaar, ieder met een eigen huishouding, iets wat in die tijd nog niet veel voorkwam. Vaak werd er ‘ingetrouwd’ en dat gaf nogal eens spanningen over wie het in de familie financieel voor het zeggen had.
Grietje ging regelmatig lopend met oma Timmerman naar haar oom en tante Upper, die een boerderij hadden bij de Hoevenbrug. Ze liepen dan over een zandpad, dat met een klein bochtje vanaf De Meele helemaal naar het Westeinde liep. Dat zandpad liep tussen de roggevelden, weilanden en aardappelvelden door, want toen hadden alle boeren nog een gemengd bedrijf met akkerbouw en veeteelt. Er werden ook haver en knollen verbouwd en Grietjes vader verbouwde ook voederbieten, maar dat was zeldzamer.






Het huis Meeleweg 93 al enigszins verbouwd, maar nog voor het 1 kap kreeg.

Grietjes ouders hadden tien tot twaalf koeien, een of twee paarden, enkele varkens en ongeveer honderd kuikens en kippen. Dan was je in die tijd een ‘grote’ boer. De kuikens werden via bemiddeling van de Coöp. Landbouwvereniging afgenomen van een broedbedrijf en opgefokt tot legkippen en dan weer verkocht. Het opfokken en verzorgen van de kuikens en kippen was vooral het werk van oma Timmerman.
Als klein meisje moest Grietje de kuikens soms water geven. Dat vond ze een spannend werkje want ze was heel bang dat ze op een kuiken zou trappen, dat dan misschien wel dood zou gaan.
Een keer per jaar werd er een varken geslacht voor eigen gebruik. Later werd er ook wel een koe geslacht voor eigen gebruik, om het menu van varkensvlees af te wisselen met rundvlees. Dat is gezonder, maar ook luxer en het was niet voor iedereen haalbaar.

Grietjes moeder kookte en bakte graag. In de oorlog heeft ze ook uitgeprobeerd of ze van voederbieten zelf stroop en suiker kon maken, maar dat was niet lekker. Dus na een keer heeft zij dat niet weer gedaan. Ze kon ook lekkere ‘paddergaster’ maken. Toen Grietje een keer thuis kwam en vertelde dat ze bij een vriendinnetje iets had gegeten dat heel vies was (paddergaster), legde moeder uit dat dit hetzelfde was dat ze thuis ook kreeg, maar dat het misschien niet zo lekker op tafel kwam bij iemand die arm was en niet zo royaal kon zijn met de ingrediënten om het lekker te koken.

Vroeger was pap vaak een vast onderdeel van de warme middagmaaltijd.
Veel gegeten werd:
Gortepap, ook wel karnemelksepap genoemd, wordt gemaakt van karnemelk en gort. De gort (gepelde gerst) wordt 12 uur geweekt en daarna 1 uur in water gekookt. Tenslotte wordt er karnemelk toegevoegd (120 gram gort per 1 liter karnemelk). De pap wordt opgediend met basterdsuiker of stroop.
Paddergaster is gortepap, bereid met melk, maar dan smakelijker gemaakt met rozijnen en suiker.
Kruudmoes wordt nogal eens verward met paddergaster, maar het is niet hetzelfde. Kruudmoes wordt met karnemelk bereid; 350 gram gort, 2 ltr karnemelk, 250 gram ham of mager rookspek, 1 rookworst, 250 gram rozijnen, 60 gram boter, verse kruiden, brandneteltoppen, peterselie, selderij, venkelgroen, zwarte bessenblad, kervel, zuring. Van alles 2 takjes of fijngeknipte blaadjes.

* * *

Chr.Basisschool Het Kompas, 3e en 4e klas

Een foto uit het jaar 1973/74 met de klas van meester Piet.



1  
 
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  

Piet Kalteren, onderwijzer
Carla Doornweerd
Johan Mulder
Roelof Sterken
Andre Westerman
Mart Schoemaker
Harry Dunnink
Jan Scholten
Arie Ten Kate
Arend van Duren
Egbert Meulenbelt
Dick Schoemaker

13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  

Alex Schuurman
Jan Vonder
Janny Boverhof
Alie Meulenbelt
Adrie Bonen
Fenny Ekkelenkamp
Gina Massier
Herma Herssevoort
Alie van Leeuwen
Klaasje Pessink
Marja Westerman
Marry Tuten
Lyda Visscher

* * *

WAARGEBEURDE VERHALEN VAN NIEUWLEUSEN

Derk Jan Prins

Op de hoek van het Westerveen en de Burg. Backxlaan staat het mooie huis waar Engbert Hekman woont, die er ook zijn assurantiekantoor en Regiobank heeft gevestigd. Barteld de Liefde heeft het huis rond 1952 laten bouwen. Hij was huisschilder, bekend om zijn goede vakwerk en zijn markante persoonlijkheid. Zijn karakter komt goed naar voren in dit verhaal van Derk Jan Prins, eerder gepubliceerd in het dialect van Nieuwleusen in De Marskramer, nr. 7, augustus 1990, pag. 9.

Dicht bij de Kerkenhoek woonde de schilder Barteld de Liefde. In Nieuwleusen was hij beter bekend onder de naam Barteltien. Als je ’t over Barteltien had, dan wist iedereen wel wie er bedoeld werd.
Barteld was op en top een vakman. Als er eens een keer wat mis ging, dan wilde hij absoluut geen geld hebben voor hij alles weer in orde had gemaakt. Hij had de gewoonte tegen iedereen te zeggen wat hij dacht en het kon hem helemaal niets schelen wie of hij voor zich had. Hij had een grote mond, maar een klein hartje. Maar dan wel een hartje van goud, want voor zijn klanten stond hij altijd klaar. Waren er mensen die het slecht konden betalen, dan rekende hij ook vaak heel weinig geld.
Barteld hield er ook niet van om met vakantie te gaan. Als hij al eens een keer ging, dan deed hij dat om zijn vrouw een plezier te doen, maar zelf gaf hij er niks om. Hij zei altijd: “In de bouwvakvakantie doe ik niks liever dan ramen zetten bij de Nijlusiger boeren”. Dat deed hij dan ook en hij praatte daarbij altijd honderduit. Op een gegeven moment zei hij: “Die lui die met vakantie gaan moesten ze allemaal doodschieten”. Zijn neef, Johan Prins, die twee dochters in Noorwegen had en zelf niet kon autorijden en hem graag mee wilde hebben met zijn auto, hield zijn hart vast toen hij hem vroeg om mee te gaan. Wie schetst echter Johans verbazing dat het meteen voor mekaar was; hij wilde wel mee. Ze zijn allebei met de vrouwen naar Noorwegen geweest en geen van hen is doodgeschoten.

Met burgemeester Backx was hij het ook lang niet altijd eens. Zo kon het gebeuren dat de gemeente vlak na de oorlog zijn woning gedeeltelijk wilde vorderen voor inwoning. Hij wilde geen inwoning hebben omdat hij vond dat hij daarvoor te weinig ruimte had. Op een goeie dag stapte hij naar de burgemeesterswoning en ging alles opmeten. Mevrouw Backx dacht dat haar man hem een schildersopdracht had gegeven en liet het toe. Toevallig kwam Backx thuis en vroeg: “Wat kom jij hier doen, De Liefde?” “Burgemeester”, antwoordde Barteltien, “Ik wilde eens kijken of jij ook wel ruimte hebt voor inwoning. Maar ik heb het al gezien. Jij hebt ruimte zat. Als jij geen inwoning neemt, neem ik dat ook niet”. En hij kreeg ook geen inwoning.

Burgemeester Backx zei later eens een keer: “De Liefde, het is een rare snijboon, maar toch mag ik hem wel lijden. Hij zegt wat hij denkt en dat doen de anderen niet”.
Hij kon ook de stem van de burgemeester precies nabootsen. Op een keer zat hij op het dak van het gemeentehuis te schilderen toen de hoofdonderwijzer Katerberg op de fiets voorbij reed. Opeens klonk er een stem van het dak: “Katerberg”. “Ja, burgemeester”, antwoordde Katerberg. “Katerberg, kom eens even hier?” “Ja, burgemeester”, was ’t antwoord weer. Katerberg ging het gemeentehuis binnen, maar er was niks aan de hand.



Barteld de Liefde en Jo Prins, op hun huwelijksdag en tijdens een dansje op hoge leeftijd

Barteltien had een verstandige vrouw, die Jo heette. Die had hij ook wel nodig. Als er een vertegenwoordiger kwam, dan zij hij: “Donder maar op, ik heb niks nodig!” De vertegenwoordigers kenden dit wel en liepen door naar Jo om koffie te drinken. Meestal kwam er dan toch wel een bestelling.
Als er een belastingcontroleur kwam zei hij: “Als ik de belasting een poot kan uittrekken, dan doe ik dat”. De belastingcontroleurs namen dit voor kennisgeving aan, die kenden het gezegde ook wel: “Die ’t zegt, doet het niet en die het doet, die zegt het niet”. Hij deed het ook niet, want hij had zijn administratie piekfijn voor elkaar.


De woning met schilderswinkel van Barteld de Liefde, op de hoek van het Westerveen en de Burg. Backxlaan. Inmiddels woonhuis met assurantiekantoor en Regiobank

Zo kon ’t ook gebeuren dat er een paar boeren aan de deur kwamen die verf moesten hebben. “Donder maar op”, zei Barteld, “ik heb gien tied”. De boeren kenden dit wel en bleven nog even wat hangen. Toen zei Barteld: “Nou, zeg maar wat je wilt” en hij hielp ze.
Naast het schildersbedrijf hadden ze ook een winkel. Jo was daar erg geschikt voor. Van Barteld kon dat bepaald niet worden gezegd. Hij had een hekel aan de winkel. Af en toe moest Jo wel eens weg en dan zat hij met de winkel opgescheept. Als er dan een klant kwam, dan was de begroeting meestal als volgt: “Dat gedonder met die winkel, die moet dit hebben en die moet dat hebben, die zit over dit te zeuren en die over dat. Ik donder de hele zaak dicht! Nou, zeg maar wat je moet hebben.”


Jo de Liefde en Gea Ruinemans met de zoontjes Edwin en Erik, die kind aan huis waren bij hun buren Jo en Barteld.

Een Hagenaar, die in Nieuwleusen woonde, zei op een keer: “Ik was daar bij een schilder in de winkel en die man ging me toch tekeer! Hoe heette die man ook alweer. De Liefde, geloof ik”. “Oh”, zeiden de anderen, “Barteltien” en met dat ene woord was alles gezegd en verklaard. Barteltien was nu eenmaal Barteltien.
Jo was het er niet altijd mee eens en zei weleens: “Die ouderen, die nemen het, maar de jeugd en de import, die accepteren het niet meer”.

Ook met de burgemeesters die na Backx kwamen was Barteld het niet altijd eens. Op een keer moest een knecht van hem trouwen en die kon van de gemeente geen grotere woning krijgen. Toen is Barteld bij burgemeester Hoekstra ook maar weer eens aan het meten gegaan, maar dit keer aan de buitenkant
Op een keer moest Barteld in Den Hulst een nieuwe woning schilderen, maar hij wist het adres niet. Hij belde naar het gemeentehuis, maar kreeg toen te horen: “Dat mogen wij niet zeggen, er is een nieuwe bepaling dat dit niet meer mag”. “Mag je dat niet zeggen?”, zei Barteld, “Ik kom morgen wel eventjes!” De volgende morgen ging Barteld naar het gemeentehuis. Eerst kwam hij wethouder Koop Krol tegen, die van het hele geval niks af wist. “Wat is mij dit toch veur boerengedoe, ik kan nog geen adres gewaarworden van het gemeentehuis. Mooi spul is dat bij jullie!” Toen liep hij verder het gemeentehuis binnen. “ik moet de burgemeester spreken”, zei Barteld. “De burgemeester is niet te spreken”, was het antwoord. “Ik ben ook niet te spreken”, zei Barteld. “De burgemeester heeft geen tijd”, was het antwoord weer. “Ik heb ook geen tijd”, zei Barteld. Toen kwam burgemeester Mulder er toch aan. Barteld stoof op de burgemeester af en riep: “He’j donder, ik moet jou eens even hebben. Ik vraag een adres op bij de gemeente en ik kan ’t niet krijgen. En ik krijg stapels papieren van de gemeente, dan hebben ze dit te zeuren en dan hebben ze dat te zeuren, dan moet ik dit invullen en dan moet ik dat invullen. In ’t vervolg scheur ik alles kapot”. En hij maakte met zijn handen een gebaar of hij papier verscheurde. “Ja”, zei burgemeester Mulder, “ik vind het ook heel beroerd, maar het is nu eenmaal zo bepaald”. En daar liet hij het bij.
Barteld kon zich permitteren wat niemand anders in Nieuwleusen kon. Hij was niet voor niks Barteltien.



Dat Barteld een goede vakman was bleek al tijdens zijn schooltijd. De werkstukken die hij toen maakte zijn al van een bijzondere kwaliteit.

Barteld de Liefde was een zoon van huisschilder Albert Jan Karel de Liefde (1889 – 1970), die getrouwd was met Hendrika Johanna Buitenhuis, later met Jansina Stolte. Het huis met werkplaats van Karel de Liefde stond aan de Burg. Backxlaan nr.8. Na het overlijden van Karel kocht ‘tante Margje’ Schoemaker van het café restaurant (nu) De Viersprong het huis. Later ging haar zoon Henk Schoemaker er wonen. Het huis is verbouwd tot ‘Villa Backx’.
Bartelds broer Jan en zijn zusters Hillegie en Dina zijn elders gaan wonen.
Barteld ging naar de Ambachtsschool in Zwolle en kwam bij zijn vader in de zaak.
Barteld is getrouwd met Joziena Prins (1915 - 1988). Zij is een dochter van Derk Jan Prins (1889 - 1974) en Jantje Belt (1892 - 1988). Zij hadden een boerderij aan de Oosterhulst.
Barteld ging na zijn huwelijk wonen aan het Westeinde 26, waar hij ook zijn werkplaats had. Hij huurde dat van Frederik Jan Westerman. Later had hij de werkplaats in de voormalige consistorie van de gereformeerde kerk, die toen al als garage in gebruik was door Westerman.



Derk Jan Prins, de vader van Jo, en Jantje Prins, bij haar dochter Jo in de huiskamer.

Jo vertelde later wel dat ze met heel veel plezier aan het Westeinde woonden, waar de gezellige avondjes soms tot in de kleine uurtjes duurden en het vrolijke gezelschap achter de accordeon aan een rondje door het Palthebos liep.
Rond 1951 liet Barteld een woning bouwen aan de Burg. Backxlaan.
Als zelfstandige had Barteld meestal twee of drie schilders aan het werk.
Het echtpaar kreeg geen kinderen, maar Barteld kon goed met kinderen overweg en dat werd gewaardeerd door zijn klanten.
De ouders van Jo zijn pas op hoge leeftijd overleden en hebben nog een heel aantal jaren bij hen in hun huis aan de Burg. Backxlaan gewoond.

* * *

EEN LIEDJE VAN DE WEEK

Anoniem

Een maandagkind, mooi om te zien
Een dinsdagkind, gratie voor tien
Een woensdagkind trekt rampspoed aan
Een donderdagkind heeft ver te gaan
Een vrijdagkind knokt voor ’t bestaan
Een zaterdagkind is met iedereen begaan
Maar het kind dat op zondag is geboren,
              is monter, licht en blij van aard.

* * *

IN EEN TBC-HUISJE

Aartje Schoemaker

'An de koffietaofel' kwam het gesprek op tbc. Voor de Tweede Wereldoorlog was het een gevreesde ziekte. Dat was aanleiding voor een gesprek om meer te horen over hoe het was om in een tbc-huisje te moeten liggen.

Mevrouw Jenny Emmink heeft in oorlogstijd, als meisje van een jaar of acht, negen, twee jaar in zo'n huisje gelegen. "'k Had pluris, 'n breurtie van tbc", vertelt Jenny. Pleuritis is een ontsteking van het longvlies rondom de longen. Gelukkig is dat niet besmettelijk, zodat ze niet geïsoleerd van anderen hoefde te worden en vriendinnetjes in het huisje konden komen spelen. Jenny woonde aan het Westeinde, vlakbij de school waar ze naar de zondagsschool ging. Ze ging daar lopend heen. Op een keer had ze na afloop erge "pien ien de zied". Het ging niet over en toen is ze achterop de fiets naar huis gebracht. Dr. Dekker oordeelde "det d'r ien Zwolle mar naor 'ekeek'n mos worr'n". Het bleek pleuritis te zijn. Van hoesten of benauwdheid kan Jenny zich (gelukkig) niets herinneren. Rusten en veel eten was het devies. Met het eerste had ze op die leeftijd wel moeite. Van nature was ze beweeglijk. Het eten bestond o.a. uit veel melk (wat ze niet lustte en nu nog niet), pap, 2 gekookte eieren per dag en een geklutst ei met bruine suiker, waarin soms een scheut zwarte koffie gedaan werd. "Veur 't huus worr'n 'n tentie op'ezet". Het werd in schotten gebracht, waarna timmerman Brouwer het in elkaar kwam zetten. Het huisje was draaibaar, zodat rekening gehouden kon worden met de weersomstandigheden. Het was groen met wit geschilderd en werd beschikbaar gesteld door de Groene Kruisvereniging. Door de deur kwam je in de ruimte, waar links langs de muur, onder een raam, het bed stond. Tegen de achterwand een tafeltje, waar het eten op gezet kon worden en haar leesboeken op lagen. Rechts was ruimte voor twee stoelen. Ook was er een wit emaillen po. Aan de wanden hing niets. In dat huisje kon Jenny rusten en frisse lucht opdoen voor haar herstel. 's Nachts sliep ze wel binnen. In een ligstoel in de kamer. Als het héél koud was lag ze een enkele keer overdag ook in die ligstoel. 's Ochtends werd ze door moeder gewassen en kreeg ze meestal om de dag een schone nachtpon aan. Daarna droeg moeder haar naar het huisje, waar ze de hele dag in bed doorbracht. Jenny hield van lezen en dat heeft ze dan ook veel gedaan. Juf Wegmans kwam 1 à 2 x in de week om haar les in taal en rekenen te geven. Na haar tweejarige afwezigheid van school kon ze zodoende weer met haar oude klasgenoten bij meester Hoek meedraaien alsof ze niets gemist had. Ze begon met halve dagen naar school te gaan.


Bij het museum staat een ingericht TBC-huisje waarin de patiënt liggend kon kuren.

Toen moeder hertrouwde was Jenny zover hersteld dat ze meekon naar gemeentehuis, kerk en ter afsluiting een glaasje in 't 'Witte peerd'. De moeder van Jenny was naaister en als ze bijvoorbeeld knopen aan moest zetten, kwam ze gezellig bij Jenny zitten om dat te doen. Veel mensen wisten de weg naar haar moeder te vinden en daaraan had Jenny -liggend in het huisje- ook nog wat vertier. Domineesvrouw Moen kwam geregeld op bezoek. Dokter Dekker kwam elke week. Hij reed op een motor. Twee keer per jaar moest ze voor controle naar Zwolle. In een gebouw aan de Badhuiswal werden longfoto's gemaakt. In het begin ging de reis naar Zwolle per auto van Boers. Aangezien het oorlog was, werd later 'de brikke van Schoemaker' geleend en mende stiefvader het paard. Jenny werd dan goed ingepakt en in veel kussens gezet. Mocht er controle van de Duitsers komen, dan was direct te zien dat het om een zieke ging. Toch werden ze een keer aangehouden bij de Vechtbrug. Een Duitser zwaaide de deur van het koetsiersrijtuig open en smeet 'm - luid KRANK! roepend - weer dicht en konden ze doorrijden. Op een andere keer ging het luchtalarm in de stad af en moesten ze daar de schuilkelder in. Tot aller opluchting viel er geen bom en kwamen ze weer veilig in Nieuwleusen aan. Wát een ervaringen voor zo'n jong meisje! Begrijpelijk dat het ophalen van deze herinneringen Jenny geen enkele moeite kostte. Waarvoor veel dank!

P.S.
Bij navraag naar de herkomst van zo'n tbc-huisje schrijft mevrouw J. Stegerman - Hekman:
Mijn oom Klaas heeft heel lang tbc gehad en heel lang in een tbc-huisje gelegen. Eerst had hij een kleiner huisje en later een grotere. Hij heeft daarna in het sanatorium Sonnevanck te Harderwijk gelegen. Later in Utrecht, waar hij geopereerd is. Het tbc-huisje kregen ze volgens mijn tante via het Groene Kruis. In het huisje was het vaak heel koud. Als oom bezoek kreeg van zijn vriendin, later zijn vrouw, kreeg ze van mijn opa een warme stoof. Zij kwam meestal op zondag en woensdagmiddag in het huisje.







Jaargang 37 Nummer 1 maart 2019



* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina:

Schilderij vijver met eendjes door Gepke Visscher-van der Meer

* * *

Kwartaalblad in een nieuw jasje

De viering van 350 jaar Nieuwleusen was voor een aantal mensen in 1982 de aanleiding om te gaan praten over de oprichting van een historische vereniging. Op 6 december 1983 passeerde de oprichtingsakte. Na de oprichting van de vereniging kwam er meteen een Kwartaalblad.
Het blad is gedurende al die vijfendertig jaren steeds in hetzelfde vertrouwde formaat verschenen, met hier en daar kleine aanpassingen.

Langzaamaan gaf het formaat van het blad wat ongemak waar het gaat om foto’s bij de artikelen. Door het overgaan op A4-formaat kunnen wij die wat duidelijker en groter weergeven. Contact met het Cibap, een praktijkgerichte, creatieve MBOvakschool te Zwolle, stelde ons in de gelegenheid om samen met een aantal studenten te kijken naar onze huisstijl en de vormgeving van het Kwartaalblad. Dit nummer is het resultaat van het samenwerkingstraject. Een groter formaat en nieuwe vormgeving, met de mogelijkheid voor meer foto’s in kleur.

Daarbij moest nóg een keuze worden gemaakt omdat deze aanpak meer kosten met zich meebrengt.
Wij willen de contributie voor de leden graag zo laag mogelijk houden, zodat dit geen drempel opwerpt om lid te worden en te blijven. Uit tal van hand- en spandiensten die wij vanuit het bedrijfsleven ontvangen blijkt dat ook veel bedrijven in Nieuwleusen de vereniging een warm hart toedragen. Wij hebben daarom besloten over te gaan op sponsoring. Met de positieve bijdragen van de nu benaderde bedrijven is het mogelijk om met het begrote bedrag een royalere uitgave van het Kwartaalblad te maken.
Wij hopen dat u de nieuwe vormgeving waardeert en de komende jaren weer helemaal vertrouwd blijft met ons tijdschrift.
Het bestuur en de redactie

* * *

Bedrijvigheid: handel en nijverheid thematentoonstelling 2019

Door de jaren heen heeft Nieuwleusen tal van ontwikkelingen doorgemaakt. Bedrijven en winkels komen en verdwijnen, worden verbouwd of verplaatst. Door nieuwe technieken en grondstoffen veranderen de producten.
De gemeenschap is steeds in beweging en de middenstand zorgt voor een gezonde bedrijvigheid.

Door toename van de welvaart wordt er meer gekocht dan ooit tevoren. De wensenlijstjes van bruidsparen uit de zeventiger jaren laten de bescheiden vraag naar luxegoederen van de vorige generatie zien.

De tentoonstelling ‘Bedrijvigheid: handel en nijverheid’ geeft een beeld van die veranderingen en laat zien wat men zoal kocht. Iemand vertelde: “In de zeventiger jaren gingen wij met een lekke band naar de rijwielwerkplaats van Wink, lieten de haren knippen door kapper Bosker, kochten cadeautjes in de warenhuizen van Bouwman, Pinxsterhuis of Stolte, tankten benzine bij Stolte, gingen voor aspirine naar drogist Koster. Alles wat je nodig had om te handwerken was te koop in de voormalige melkfabriek en spijkers haalde je bij Willem Brinkman”. Al die winkels zijn inmiddels verdwenen.

De smederijen veranderden geleidelijk aan; ze kregen een benzinepomp en werden garage, elektriciteitswinkel of installatiebedrijf. De petroleumman werd overbodig toen het aardgas was aangelegd. De huisslachter komt niet meer op het erf. Bakkers- en kruideniers waren er vroeger op loopafstand, verdeeld over de hele gemeente en bezorgden bovendien bij de mensen thuis. Ook de melkboer, later SRV-wagen, kwam aan de deur. Nu heeft de supermarkt die plek ingenomen.

Lange tijd was de Union rijwielfabriek de grote werkgever. Daarvan heeft alleen de Union Bouwmaterialen zich doorontwikkeld en op de vertrouwde vestigingsplek haar marktaandeel weten te behouden Bedrijven die je vroeger in het centrum van het dorp zou aantreffen zijn nu gevestigd op de industrieterreinen De Rollecate en De Grift.

* * *

Het erve Westerman en zijn bewoners 1

René Fokkert

De naam Westerman is een relatief veel voorkomende familienaam in Nieuwleusen en is al in 1775 in aktes te vinden. Dit verhaal gaat over de geschiedenis van die Nieuwleusense familie. Meerdere generaties woonden en werkten in het meest zuidoostelijke puntje, ook wel de Staartkamp genoemd, van het gebied dat de Route of de Rute werd genoemd. Het erve Westerman was gelegen in de hoek van het Westeinde met de Koedijk. Het huis heeft tegenwoordig als adres Westeinde 200. Op het eerste gezicht lijkt het niet een oud erf. In april 1945 echter zijn de boerderij en de meeste bijgebouwen door oorlogshandelingen verwoest, waarna in het begin van de vijftiger jaren de boerderij in een toen moderne stijl weer is herbouwd. Tot 2006 woonden hier Westermans.

Westeinde 200 (okt. 2017).

De Route was een uitgestrekt gebied vanaf de hoek Westeinde / Koedijk naar het noorden en westen in de richting Hasselt en Rouveen. Vanuit Nieuwleusen gezien waren de bewoners in het oosten van de Route woonachtig in “het Wester”, zoals dat deel van De Route destijds werd aangeduid. Het is dan ook aannemelijk dat de oudst bekende voorouders van de uit Nieuwleusen afkomstige familie Westerman in dat gebied woonden en daardoor de naam Westerman gingen dragen. Kerkelijk waren ze op Nieuwleusen georiënteerd. In de markeboeken van de marke Rosengaarde, waar het gebied van de Route destijds onder viel, wordt omstreeks 1565 melding gemaakt van een bouwbestek van twee boerderijtjes.
Deze vermelding bewijst dat er in dat gebied al mensen woonden, ver voordat er in het tweede kwart van de 17e eeuw sprake was van bewoning in Nieuwleusen.
Aangezien er alleen net westelijk van de Koedijk langs het huidige Westeinde een paar boerderijen stonden, is het zo goed als zeker dat de Westermans sinds het begin achttiende eeuw in dit gebied woonden.
Ook in Dalfsen en in de omgeving van Hardenberg woonden en wonen families Westerman, maar deze zijn geen familie van elkaar. Nazaten van de Dalfser familie Westerman vestigden zich wel in Nieuwleusen. Niet alle Westermans in Nieuwleusen hebben dus een familierelatie.

In de tijd van de Franse overheersing (1795-1814) was Nederland bij Frankrijk onder keizer Napoleon ingelijfd en werden onze bestuursvormen omgevormd naar Frans model. In 1804 werd de “Code Napoleon” ingevoerd, een burgerlijk wetboek dat naast veel andere zaken ook de invoering van de Burgerlijke Stand bepaalde.
Tussen 1806 en 1810 stelde de keizer zijn broer Lodewijk Napoleon aan als koning van Holland.

Gouden tien guldenmunt uit 1810 met de afbeelding van koning Lodewijk Napoleon.

Voordat in Nederland in 1811 een achternaam verplicht werd, was het gebruikelijk dat er patroniemen gebruikt werden. De voornaam van de vader werd dan de achternaam van de kinderen. Als bijvoorbeeld de naam van de vader Jacob Peters was en hij had een zoon met de naam Jan dan werd dat Jan Jacobs, soms met de toevoeging van een extra s of van de letters zn (zoon).
De drost- en schoutambten verdwenen en in 1818 werd door samenvoeging van het noordelijke gedeelte van Dalfsen, een stukje van Zwollerkerspel en een stukje van Staphorst de gemeente Nieuwleusen gevormd. Alle wijzigingen in de bevolking moesten vanaf toen in de Burgerlijke Stand van de nieuwe eigen gemeente worden vastgelegd.

Jacob Peters en Hendrikjen Herms
De oudste rechtstreekse voorouders van alle Nieuwleusense Westermans die ik kon achterhalen zijn Jacob Peters en Hendrikjen Herms. Zij trouwden in 1712 in de kerk van Nieuwleusen.
Jacob en Hendrikje hebben daar ook vier kinderen laten dopen: in 1713 Jennigjen, in 1715 Jan, in 1717 Fennigjen en in 1721 Hermen Jacobs.


Doopboek Nieuwleusen, vermelding doop van Hermen Jacobs in 1721.

Jan Jacobs en Jennigjen Hendriks


Trouwboek Nieuwleusen, vermelding huwelijk van Jan Jacobs en Jennigjen Hendriks in 1753

Alleen van de in 1715 geboren Jan Jacobs heb ik gegevens kunnen vinden. Hij trouwde op 5 mei 1753 in de kerk van Nieuwleusen met Jennigjen Hendriks. Met haar kreeg hij waarschijnlijk vier kinderen:
Hermijntje werd gedoopt op 10 augustus 1754, Hermen werd gedoopt op 7 maart 1756, Jennegien werd gedoopt op 17 september 1758 en Jantjen die op 1 januari 1761 werd gedoopt.
Jan Jacobs moet voor de geboorte van het vierde kind zijn overleden. Zijn vrouw Jennigjen Hendriks hertrouwde op 21 maart 1762 met een andere man die toevallig ook Jan Jacobs heette.
Uit dat huwelijk werden nog twee kinderen geboren: Femmigjen Jans, gedoopt 27 maart 1763 en Jape Jans, gedoopt 26 december 1765.
In het doopboek is bij de kinderen van Jan Jacobs meestal vermeld dat de ouders uit ‘de Route’ afkomstig zijn. Alleen in het geval van Hermen Jans staat er Ruitenveen. Dit zou een verschrijving van de dominee kunnen zijn aangezien bij de andere kinderen wel de Route als woonplaats van de ouders is vermeld. Jan Jacobs komt voor op een lijst van huurboerderijen van de stad Zwolle uit 1775. Hij is daarin vermeld als bewoner van Jan Westermans erve, een erf met een grootte van 11 à 12 morgen. Volgens deze lijst huurde Jan Jacobs ook grond van zijn buren voor 20 caroli guldens.

Hermen Jans en Marrigje Jans
Hermen Jans (1756), ook Harm of Herm Jansen Westerman, trouwde in 1787 in de kerk van Nieuwleusen met Marrigje Jans. Van dit echtpaar zijn twee kinderen bekend, Jennigjen Westerman gedoopt op 18 november 1787 en Jan Westerman gedoopt op 22 september 1791. Beiden werden in de kerk in Nieuwleusen gedoopt.
Hermen Jans staat bij de volkstelling van 1795 te


Volkstelling 1795. Vijf staat voor het aantal personen in dit huis, de zeven staat voor het zevende huis als volgnummer.

boek als Herm Jans (Westerman). Bij deze volkstelling maakt Zwolle Carspel of ook Zwollerkerspel geen onderscheid tussen de Route, Ruitenhuizen en Ruitenveen.
In 1793 is er een beschrijving van het erve Westerman opgemaakt waarin we lezen:


Een erve aldaar bij Hermen Westerman bemeijert (gehuurd), bestaande in den opstal van een huis, voorts hooij, weide en zaaijland behoorende hiertoe de dijken, slooten en schouwslooten langs derzelve, zijnde het huis bezwaard met eene vuurstede. Staande voorts op dit erve eene berg, schuir en varkenschot aan de Meijer toebehorende.

In 1797 is er een aankondiging van een verkoop van onroerende goederen door de municipaliteit (gemeenteraad) van de stad Zwolle. In zeven percelen werden verschillende boerderijen in de Route en twee kavels in de stad Zwolle ingezet en geveild. Het tweede perceel is het erve Westerman, dat door Hermen Westerman gehuurd wordt. Het erf is dan 14 morgen groot.
Niet bij de verkoop inbegrepen zijn schuur, varkensschot, hooiberg en iemenhuisje (bijenstal). Deze behoren, zoals in de beschrijving van 1793 ook is vermeld, toe aan de meijer (huurder). Het erf is bij de verkoop nog steeds bezwaard met één vuurstede (belasting).

Uit een op 28 februari 1798 opgemaakte koopakte blijkt dat Hermen Westerman en Marrigje Jans samen met Jan Willems (die ook Seine Willems genoemd wordt) en diens vrouw Janna Albers een erf kopen van de stad Zwolle. Dat erf ligt aan de oostzijde van het erf dat voor 1797 als erve Westerman beschreven staat. Waarschijnlijk is Marrigje Jans een dochter van Jan Willems en kopen Hermen Westerman en zijn schoonvader Jan Willems samen het voordien door de schoonouders gehuurde erf. De koopprijs bedraagt tweeduizend en zestig gulden. Maar aangezien de kopers dat geld niet hadden, konden ze dat van de stad Zwolle lenen tegen een rente van vier procent jaarlijks.

De gekochte boerderij is ongeveer 17 morgen hooij, weide, zaailand, hof en gaerdenland groot (ongeveer 14.5 hectare), met vanouds de landen in de Stellinge genaamd en daarbij behorende weiderechten in zowel de Rosengaarde marke als op De Meele. Jan Willems was als huurder al eigenaar van de schuur, twee (hooi)bergen, het varkensschot en het bakhuis.

In mei 1822 leenden Harm en Marrigje Westerman 600 gulden van Roelof Santink en zijn vrouw Trientje Hortenboer uit Dalfsen tegen een rente van 5% met als onderpand hun boerderij in de Route. Uit de acte die daarvan is opgemaakt door notaris Alexander Carel Bouwmeester te Dalfsen, nemen we twee gedeeltes uit de originele tekst over:

…. hebben zij comparante verbonden een speciaal verhypothekent hun beyder eigendomelijk erve in de Roete bestaanden in een hujs gemerkt No. 66 een schuur, berg en varkensschot met zijne onderhorige hoogen en laagen landerijen en opstaande houtgewassen aan elkander in zijne bekenden situatie en bepalingen gelegen, belendende te westen aan het erve van Willem Jans en ten oosten aan de Koedijk, gelegen in de Roete, gemeente Nieuwleusen, canton het arrondisement Zwolle, provincie Overijssel ten eijnden om cas van onverhoopte wanbetaling zig daar aan ten allen tijden kost en schadeloos te kunnen en mogen verhalen als naar regten.

..... den grosse dese acte, die zijn regt van de zelve ontleend te zijn te geven en te betalen in gemunt geld, gouden of silveren klinkenden geld specien naar den coers van desen dag, de zonder enige kortingen van reeds bestaande of toekomstige belastingen onder welken naam dezelve ook geheven zouden mogen worden met uitdrukkelijk beding van den betaling niet te mogen doen in eenigen biljetten papieren geld of anderen publieke effecten die in omloop gebragt mogten worden.

Hypotheekverstrekker Santink stelde in de voorwaarden dus als bijzonder beding dat hij niet in papiergeld maar in muntgeld terugbetaald wilde worden. In die tijd vertrouwden veel mensen de waardevastheid van het papiergeld niet.

Hermen Jans is de eerste die de familienaam Westerman gebruikt. Na hem zijn er in Nieuwleusen tot nu toe ongeveer 270 personen die deze familienaam door geboorte of huwelijk voeren.

Jan Westerman en Grietjen Schoemaker
Jan Westerman (1791) is de zoon van Hermen Jans (Westerman) en Marrigje Jans. In de akte van naamaanneming uit 1811 neemt vader Hermen Jans voor hem en zijn kinderen Jennigjen Herms en Jan Herms de familienaam Westerman aan.
Hierna komen we Jan Westerman weer tegen in de archieven van de stad Zwolle als hij met zijn toekomstige vrouw Grietjen Schoemaker vermeld staat in een Publication de Mariage (huwelijksaankondiging) van oktober 1813. In deze huwelijksaankondiging staat hij evenwel vermeld als Jan Jans en niet zoals je zou verwachten als Jan Herms of Jan Westerman, de naam die zijn vader twee jaar eerder ook voor hem heeft aangenomen. De ambtenaar is er waarschijnlijk vanuit gegaan dat het patroniem van zijn vader ook zijn achternaam is. Ook bij Grietjen Schoemaker, die de dochter is van Hendrik Geerts en Hilligjen Egberts, is dat het geval omdat zij als Grietjen Geerts is vermeld en niet met de ook voor haar door haar vader aangenomen achternaam Schoemaker. Zowel deze akte als de huwelijksakte van november 1813 zijn in het Frans gesteld. We leven dan nog in de Franse tijd waarin de officiële documenten in het Frans worden opgemaakt.
De vertaling van de huwelijksakte luidt:


De Acte de Mariage zoals die bewaard wordt in het Historisch Centrum Overijssel. Door ruimtegebrek op de rechter bladzijde heeft de betreffende ambtenaar zijn verhaal afgemaakt op de linker bladzijde.

In het jaar 1813 op 5 november zijn voor ons Gerrit Albertus Gomarue, locoburgemeester van de gemeente Zwolle, arrondissement Zwolle, bekleed met de functie van ambtenaar van de burgerlijke zaken, verschenen:
Jan Jans, boer, geboren op 22 september 1791 wonende te Roetenhuizen gemeente Zwolle, zoon van Hermen Jans en van Marigjen Jans, landbouwers wonende te Zwolle, de vader hier aanwezig, en juffrouw Grietjen Geerts, boerin, geboren op 10 februari 1794, wonende Nieuwleusen gemeente Dalfsen, dochter van Hendrik Geerts, landbouwer, wonende ook te Nieuwleusen en hier aanwezig en van Hilligjen Egberts, boerin,die ons hebben verzocht het feestelijke huwelijk tussen hen aan te kondigen, wat is gebeurd naast de hoofdingang van het gemeentehuis, de eerste keer op 24 oktober 1813 en tweede op 31 oktober 1813 om 11:00 uur en in Dalfsen op dezelfde dagen volgens bevestiging van de burgemeester. (Dus ook voor het gemeentehuis van Dalfsen, RF.) Er is geen bezwaar gemaakt tegen het voorgenomen huwelijk, en na het lezen van artikel 6 van de Code Napoleon betreffende het huwelijk, en gevraagd aan het bruidspaar of ze graag verklaard willen worden als man en vrouw, heeft ieder apart antwoord gegeven, en zijn ze verklaard als man en vrouw volgens de wet, Jan Jans en Grietjen Geerts; in aanwezigheid van Hermen Jans, boer en vader van de bruidegom wonende in de gemeente Zwollerkarspel, Herm Jans, boer, broer van de bruidegom, wonende als genoemd, Garhardus Johannes Rijnhart, mandenmaker en Gerrit Jansen, bakker wonende te Zwolle als getuigen, die met ons na voorlezing getekend hebben alsmede de bruidegom, verklarende de bruid het schrijven niet geleerd te hebben. Gedaan te Zwolle op de hiervoor genoemde datum.


De kinderen van Jan Westerman en Grietje Schoemaker
Op 6 april 1814 werd hun eerste kind geboren. Het is een zoon die de naam Harm Westerman krijgt en dus vernoemd is naar grootvader Hermen Jans. Vader Jan Westerman heeft samen met twee getuigen aangifte gedaan in Zwolle. De geboorteakte, die in het Nederlands is opgesteld, tekende de vader met Jan Herms Westerman. Harm bleef als vrijgezel op de boerderij van zijn ouders wonen en overleed op 18 februari 1894 op 79-jarige leeftijd.
Het tweede kind is een meisje. Hilligjen werd geboren op 1 januari 1817 en is vernoemd naar haar grootmoeder van moederszijde, Hilligjen Egberts. Ook zij bleef ongetrouwd wonen op de boerderij van haar ouders en overleed op 4 februari 1891 op 74-jarige leeftijd.
Het derde kind, ook een meisje, krijgt de naam Jennigjen. Zij werd waarschijnlijk vernoemd naar de grootmoeder van Jan Westerman, Jennigjen Hendriks. Jennigjen Westerman werd op 3 maart 1819 geboren en kwam op 21-jarige leeftijd, ongehuwd, te overlijden op 21 april 1841.
Als vierde kind werd op 28 november 1822 dochter Marrigje geboren, vernoemd naar haar grootmoeder Marrigje Jans. Op 23 april 1846 trouwde Marrigje Westerman met Jan Harm Pol en samen stichtten ze een gezin in Avereest. Marrigje overleed op 4 april 1878.
Op 25 september 1826 werd als vijfde kind zoon Hendrik geboren. Hij is vernoemd naar zijn grootvader Hendrik Geerts. Hendrik Westerman trouwde op 8 maart 1851 met Jantje van der Kolk en stichtte met haar een gezin in Nieuwleusen, waar Hendrik op 16 januari 1914 op 87-jarige leeftijd is overleden.
Het zesde kind van Jan en Grietje Westerman is Egbert, die op 1 december 1829 werd geboren. Hij is vernoemd naar de grootvader van moederszijde. Egbert volgde zijn vader op en bleef dus op de voorvaderlijke boerderij wonen. Op 49-jarige leeftijd stichtte hij nog een gezin door met Jennigje Ekkelenkamp te trouwen. Egbert is overleden op 15 augustus 1913 en was landbouwer van beroep.
Als zevende kind werd op 5 april 1833 Stientje Westerman geboren. Zij is vernoemd naar Stientjen Evers, de grootmoeder van moederszijde. Stientje trouwde op 15 april 1858 met Hendrik Scholten en begon met hem een gezin in Nieuwleusen. Ze overleed op 26-jarige leeftijd op 20 december 1859, slechts vijf dagen na het overlijden van haar enige kind Berend Jan Scholten. Berend Jan werd ongeveer 6 maanden oud.
Het achtste en laatste kind is Janna Westerman, geboren op 8 april 1837. Janna werd maar bijna 3 jaar oud, ze overleed op 14 januari 1840.

Alle kinderen van Jan en Grietje Westerman zijn volgens de inschrijvingen in de Burgerlijke Stand geboren te Ruitenveen (Nieuwleusen). Alhoewel de boerderij vroeger tot de Route of Ruitenhuizen gerekend werd, is uit de geboorte- en overlijdensaktes af te leiden dat dit in latere tijden toch bij Ruitenveen gerekend werd.
Jan Westerman is overleden op 1 augustus 1870 en zijn vrouw Grietjen Schoemaker op 23 mei 1875 te Ruitenveen (Nieuwleusen).

In 1878 laten de vijf dan nog levende kinderen van Jan Westerman en Grietje Schoemaker een boedelscheidingsakte opmaken bij de notaris in Nieuwleusen. Harm, Hilligje, Egbert, Marrigje en Hendrik Westerman delen mee in de nalatenschap van hun ouders. De notaris stelde een lijst op met de baten en schulden. De totale baten zijn berekend op 17.140 gulden en bestaan uit de boerderij met grond ter grootte van ongeveer 25 hectare en een aandeel in een onverdeelde boedel van ruim 10 hectare gelegen in zowel de gemeente Nieuwleusen als in Dalfsen, vee, gereedschappen, huisraad, veldgewassen en contant geld.
Als schuld was er een lening van Jan Koops


Kadastrale situatie 1832.
Bij de W rechtsonder ligt het erve Westerman (Westeinde 200). De grond die bij de boerderij hoorde lag vooral achter de boerderij langs de Koedijk. De perceelindeling van destijds is goed te zien.


Timmerman uit Staphorst ter grootte van 1.632 gulden. Dit maakte dat er aan elk van de vijf kinderen een bedrag van ƒ 3.101,60 werd toebedeeld. Hendrik en Margje, de beide kinderen die dan al getrouwd zijn, worden met grond en geld uit de gezamenlijke boedel uitgekocht. De andere drie ongehuwde kinderen blijven op de boerderij wonen. Kort na de verdeling trouwt Egbert en waarschijnlijk was zijn aanstaande huwelijk (zijn toekomstige vrouw was zwanger) de reden van de boedelscheiding.

Harm en Hilligje blijven ongetrouwd en hun erfdeel bleef in de gezamenlijke boedel en viel uiteindelijk toe aan hun broer Egbert Westerman.

Wordt vervolgd.



Kadastrale kaarten geven een mooi strak geordend beeld van de omgeving, maar tot de ruilverkaveling van 1949-1955 waren de zandwegen ‘s winters vaak slecht begaanbaar en stonden weilanden onder water.

1) Een morgen is een oude oppervlaktemaat, die per landstreek verschilt. Het is de oppervlakte land die in een ochtend bewerkt kon worden. Over het algemeen varieert een morgen tussen 8000 en 10000 m2.

* * *

Opa vertelt over zijn schooltijd

M. Prins-Praas

Voor Ciska en Judith

Ik had het vroeger gemakkelijk, want de school die stond vlakbij.
Maar er waren ook van die momenten, die maakten mij niet blij.
Een keer toen ik moest nablijven, strafregels schrijven was de straf,
Was het raam open en ik maakte het werk niet af.
Ik sprong het raam uit, vlug naar buiten, wat scheelde mij de troep.
Maar toen ik bij huis aankwam, stond daar de meester op de stoep.
En al schreeuwde ik toen moord en brand,
Va zei: “In school bent u de baas, neem hem maar stevig bij de hand”.

Het eerste jaar, ik moest echt wennen hoor.
Ik ging er elke keer steevast vandoor.
In de pauze gingen juf en meester met ons naar buiten toe,
Zij gingen ook een luchtje scheppen, waren het binnenzitten moe.
Dan ging ik op een draf naar huis, dronk gauw even koffie bij mijn moe.

Spelen op het schoolplein, de spelletjes, daar weten wij nog alles van;
Aardappelen poten of kaslopen, mee deed alleman.
Ook bokspringen, hoe langer de rij hoe mooier het was.
Om je tot het einde vast te houden, daar kwam heel wat aan te pas.
Of haasje over; met dat spel ging je het hele schoolplein rond.
De kinderen die daarbij vielen, lagen kermend op de grond.
Al waren wij toen niet zo wijs als nu, wij waren toch heel blij
Als ze vertelden: “Bij meester komt er weer een baby bij”.
Was het loon van de meester niet hoog, zoals er werd beweerd,
Bij de komst van al zijn negen kinderen heeft hij
ons steeds op beschuit met muisjes getracteerd.

Waren die jaren niet gemakkelijk, zeker niet,
Maar wij waren blij en gelukkig en ook
tevreden, zo je ziet.

Toelichting op het gedicht:
Opa = Hendrik Prins. Hij heeft zijn hele leven gewoond in de boerderij aan de Petersweg 4, waar nu zijn weduwe, de dichteres Mina Prins-Praas nog woont. Zij komt van de Stouwe en ging in de Vinkenbuurt naar school. Hendrik ging naar de christelijke lagere school aan het Westeinde, die net voorbij de Petersweg stond op de plek waar nu de Speeltuin Ruitenveen is. De oude school is afgebroken en daarvoor in de plaats kwam Het Kompas, net aan de andere kant van de Petersweg. Ciska en Judith zijn de kleindochters van mevrouw Prins, de dochters van haar dochter Alie Prins, die is getrouwd met Hans Giesen.



Chr. Lagere School B – Westeinde omstreeks 1937. Middelste rij, van rechts naar links: onderwijzeres Dicky Visser / Margje van de Kolk / Hendrik Prins (omcirkeld)

* * *

1986: Opening winkelcentrum ‘De Baron’ door burgemeester De Jonge


‘Winkelcentrum’ is misschien een wat groot woord voor een straat met aan beide kanten winkels. In de loop der tijd heeft er in de straat nogal wat wisseling van bedrijven plaatsgevonden.

Ten tijde van de opening waren dat (gezien vanaf de Burg. Backxlaan), aan de zuidkant: slager Kouwen, bakker Borger, boekhandel De Blijde Boodschap, een ruimte waar men koffie kon drinken, tandartspraktijk Ron Veijer, groentezaak R. Boer.

Aan de noordkant: kruidenierszaak Henny Bijker, met woonhuis Leendert Massier, dames en heren kapsalon Blok, meubelzaak Buisman, cafetaria Goos Smink.


Namen foto: 1 Jelle Bos, 2 Bas Reehorst, 3 Bertus van Ankum, 6 Hendrik Jan Snijder, 8 Frans Visscher, 10 moeder Jelle Bos, 12 Albert Heide, 14 Jennie Heide, 19 burgemeester De Jonge, 20 Pieter van Staveren.

* * *

Ni’jluusen van vrogger ontvangt werk van Gepke van der Meer

Gees Bartels

Het is nog niet zo heel lang geleden dat het ‘Ni’jluus’ns lietien’ werd geschreven, met daarin de strofe: ‘Ik bin daor zo gelukkig, waor niks de rust vesteurd. Waor ’t wulen van de wereld de vrede nooit bereurt.’ Het Nieuwleusen van nu is een stuk dynamischer dan honderd jaar geleden en daarin speelt de groei van de bevolking, met een voortdurende import die zich mengt met de oorspronkelijke bevolking, zeker een rol. Een mooi voorbeeld daarvan is Gepke van der Meer, die met haar echtgenoot Frans Visscher in 1959 vanuit Zwartsluis naar Nieuwleusen kwam.

Van haar ontvingen wij eind 2018 een waardevolle collectie (van zes) olieverfschilderijen en aquarellen, met onderwerpen als: bloemen, een kalfje, eenden in een waterplas en aangelegde bootjes. De zes werken zijn in de Palthehof te zien en als afbeelding opgenomen in de Beeldbank, onder Museumcollectie.

Gepke Visscher-van der Meer (Eindhoven, 8 juni 1934) is in 1957 in Zwolle gehuwd met Frans Visscher. In 1959 zijn ze verhuisd naar Nieuwleusen, waar Frans tot zijn pensioen directeur was van de Rabobank. Schilderen en tekenen zat Gepke altijd al in het bloed. Tijdens een vakantie op Terschelling won ze al op jonge leeftijd de eerste prijs met tekenen in het harde zandstrand. Het was de bedoeling dat zij na de Mulo naar de Kunstacademie zou gaan, maar daar is het nooit van gekomen. Na haar huwelijk kreeg Gepke de mogelijkheid haar kunstzinnige talent verder te ontplooien. Zij behaalde haar diploma’s costumière en coupeuse en de akte K (nuttige handwerken met lesbevoegdheid). Veel van haar vaardigheden kon ze gebruiken als leidster bezigheidstherapie voor langdurig zieke patiënten van de welfare-tak van het Rode Kruis. Ook ging Gepke zich het Hindelooper schilderen, waarbij het accent sterk op bloemmotieven ligt, eigen maken. Dit past goed bij haar afkomst, met haar Friese familie. Na verloop van tijd heeft Gepke haar artistieke aanleg verder ontwikkeld in het vrij schilderen. Zij volgde lessen bij Han Douma, de Muzerie in Zwolle en andere instellingen. Haar favoriete onderwerpen waren bloemmotieven, stillevens, landschappen en dieren. Gepke exposeerde onder andere in Zwolle, Ommen, Dalfsen en Nieuwleusen.

Familiebanden
Voor Gepke met Frans Visscher naar Nieuwleusen kwam, was er al een relatie tussen Nieuwleusen en de familie Visscher in Zwartsluis. Een oudtante van Frans, Geertruida Visscher (Zwartsluis, 1855), trouwde in 1884 met Derk Bruggeman (Nieuwleusen 1851 –1885), bakker te Nieuwleusen. Hun dochtertje Geertje overleed op zesjarige leeftijd. Geertruida Bruggeman-Visscher trouwde na het overlijden van Derk op 24 februari 1887 met Albert Masselink, bakker-kruidenier in Ruitenveen aan het Westeinde. Van hem zijn twee brieven in rijmvorm gepubliceerd in een eerder Kwartaalblad.

De eerste is ‘Een brief aan mijn zoon in de mobilisatie’ (2010, p. 29). De tweede: ‘Nieuwjaarswens 1921’ (2016, p. 134) schreef hij kort na het overlijden van Geertruida aan zijn familie in Zwartsluis. In de ‘Nieuwjaarswens 1921’ worden Kobus en Jan genoemd. Dat zijn de broers van Geertruida. Jan Visscher (Zwartsluis, 1866-1929) was gemeenteopzichter te Zwartsluis en noemde een zoon ook Jan (Zwartsluis, 1898-1971). Deze Jan is de vader van Frans Visscher (Zwartsluis, 25 oktober 1933), die met Gepke naar Nieuwleusen kwam.

In de stamboom van Visscher komt de voornaam Frans al sinds 1824 voor en is via Geertruida ook in de familie Masselink terecht gekomen. Haar zoon Frans Masselink (1889-1954) trouwde in 1914 met Jennigje Roddenhof. Zij woonden aan het Westeinde. Frans had op het erf een grote bijenstal en verhuurde lange tijd een schuur aan de Coöperatieve Landbouwvereniging. Omstreeks 1932 had Hendrik Schoemaker daar een rijwielhandel. Het zijn de ouders van de amateurschilder Evert Jan Masselink (1933-1997). In de andere Masselink tak, met de schilder Jan Masselink (Den Hulst, 1904-1989), komt de naam Frans niet voor.
v Op de voorpagina:
Schilderij vijver met Eenden - Gepke Van der Meer


* * *

Constructiewerkplaats H.J. Veltmaat (en Zonen)

Marius Veltmaat

Lang was Nieuwleusen een agrarische gemeente. De Union rijwielfabriek was het eerste en vele jaren enige niet-agrarische bedrijf binnen de gemeentegrenzen. Eind 1955 kwam daar verandering in. In Den Hulst werd een nieuw industrieterrein ontwikkeld. Herman Veltmaat, op zoek naar een geschikte plek om een eigen bedrijf op te zetten, greep als eerste ondernemer zijn kans. Hij vestigde zijn metaalconstructiewerkplaats aan de Hoofdvaart Zuidzijde 177. Later werd dit adres gewijzigd in Rollecate 13, Nieuwleusen. In dit artikel vertel ik u over de geschiedenis van het bedrijf van mijn familie.

De vader van Herman, Herman senior, is in 1893 geboren op de Venneberg onder Rechteren bij Dalfsen. Hij is omstreeks 1910 in Duitsland gaan werken, eerst als melkknecht, later bij de hoogovens van Krupp in Rheinhausen. Tijdens de Eerste Wereldoorlog werd Herman senior voor het Nederlandse leger opgeroepen en gestationeerd in Amsterdam. Daar heeft hij zijn toekomstige vrouw leren kennen. Zij zijn in Amsterdam getrouwd en daar gaan wonen. In 1924 werd hun zoon Herman er geboren.

Op de Ambachtsschool in Amsterdam voltooide Herman de opleiding tot metselaar. Bij het uitbreken van de Tweede Wereldoorlog was hij nog te jong om voor het leger opgeroepen te worden, maar midden in de oorlog was hij oud genoeg voor de Arbeitseinsatz in Duitsland. Het register Tewerkstelling van de gemeente Amsterdam geeft aan dat Herman op 27 juli 1943 uit Amsterdam is vertrokken. Herman heeft enige tijd in de buurt van Münster (Westfalen) gewerkt als metselaar. Het metselen in Duitsland was heel anders dan hij op school had geleerd. In Nederland werden profielen gesteld en metselkoord gespannen, in Duitsland werd alles met het waterpas uitgelijnd.
Herman maakte het nodige mee in Münster. Zo vertelde hij: ‘Op een vrije dag gingen we naar de film in Münster. De middagvoorstelling was echter uitverkocht, zodat wij een paar uur in de stad gingen wandelen. Toen wij terugkwamen voor de volgende voorstelling was de bioscoop echter verdwenen door een bombardement’. De stad Münster vermeldt hierover: ‘Na 1940 is Münster steeds weer doel van bombardementen van Engelse en Amerikaanse vliegtuigen. De zwaarste en ook eerste aanval overdag gebeurt in Münster op 10 oktober 1943, een heldere herfstzondag. Bijna 700 mensen komen om het leven’.
Na een daaropvolgend verlof ging Herman niet terug naar Duitsland. Hij dook onder bij familie in Dalfsen (Lenthe, Milligen en Rechteren). Daar leerde hij zijn toekomstige vrouw Minie Hegen kennen. Herman en Minie trouwden in juni 1945. Na hun huwelijk gingen zij in Amsterdam wonen, de eerste jaren bij de ouders van Herman in huis, later in een souterrain van een dijkwoning (een kelder noemden we dat).

Herman senior begon na de oorlog samen met zijn zoons Jo, Herman en Gerard een constructiewerkplaats. Al na een paar jaar bleek dat de jonge Herman daarin zijn ambities niet kwijt kon. Ook de onderlinge verhoudingen waren vaak gespannen. Herman ging op zoek naar mogelijkheden om voor zichzelf te beginnen. In die jaren kwam verzekeringsagent Klaas Brasjen uit Den Hulst regelmatig bij de schoonouders van Herman in Dalfsen. Brasjen was raadslid in de gemeente Nieuwleusen en hij tipte Herman dat in Den Hulst industriegrond te koop was in de driehoek tussen de Hoofdvaart, Meeleweg en Buldersleiding. Vermoedelijk was toen net de bestemming van het gebied gewijzigd naar industrieterrein.
In 1955 heeft Herman 6.000 m2 grond in de hoek van Hoofdvaart ZZ 177 en Buldersleiding gekocht van Willem Bruggeman, vermoedelijk was de prijs ongeveer 1 gulden per m2. Op dit perceel stond nog een noodwoning waarin Arend Bruggeman (‘Arend toet’ omdat hij trompet speelde in een bandje) met zijn vrouw en kinderen woonde. In 1962 verhuisde het gezin naar een nieuwbouwwoning in de Acaciastraat. Vanaf dat jaar kon Herman ook over de noodwoning beschikken.
In Nieuwleusen was in 1955 juist een aantal nieuwbouwwoningen gereed gekomen en zo verhuisden Herman, zijn vrouw Minie en hun twee zoons Henk en Marius vanuit Amsterdam naar de Burg. O.Z. van Sandickstraat 12 in Den Hulst. Herman nam zijn aandeel uit de firma en begon met een demontabele stalen loods van 63 m2, wat machines en enkele overgenomen opdrachten. De loods werd geplaatst op een betonvloer, de machines werden geïnstalleerd en er werd een verplaatsbare oliekachel aangeschaft. Die kachel was hard nodig, want 1956 is tot nu toe de koudste winter geweest die wij in Nieuwleusen hebben meegemaakt, met februari als koudste maand.

In die tijd had Herman als vervoermiddel een groen Ford-busje uit 1946 (een V8 zijklepper met 3,8 liter cilinderinhoud en een vermogen van zo’n 95pk). Om problemen te voorkomen, werd elke avond het koelwater afgetapt, ‘s morgens werd de motor weer gevuld met een keteltje warm water, het handgas uitgetrokken en de motor aangeslingerd. De accu (6V) kon bij vorst niet genoeg stroom leveren om de motor rond te draaien en ook nog een vonk voor de ontsteking te produceren.

Herman had werk van oude klanten uit Amsterdam en Zaandam, een aantal plaatselijke klanten zoals aannemersbedrijf Boesenkool en Van der Kolk, maar ook klanten als Stalenramenfabriek De Rollecate in Staphorst, Bouwbedrijf Schutte in Zwolle en Bouwbedrijf De Blaauw en Folbert in Vriezenveen. De belangrijkste leverancier werd IJzerleeuw in Zwolle. Nieuwe apparaten uitdokteren vond Herman altijd leuk, bijvoorbeeld een grijper voor hooi aan de tractor voor Klaas Bovenhuis, een trilplaat voor betonnen ramen voor Union Bouwmaterialen en een grijper op de trailer om betonnen beschoeiingsplaten te lossen voor Transportbedrijf Willems. Voor eigen gebruik construeerde hij o.a. een vierrollen wals, een guillotineschaar en een kantbank.

In de begintijd was de elektriciteitsopwekking en -distributie in handen van het Gemeentelijk Electriciteits Bedrijf, met als beheerder Lies Boers. Deze had een kleine centrale en als Herman begon te lassen had de wijde omgeving daar last van. Dat duurde gelukkig niet erg lang. De IJsselcentrale heeft deze activiteit overgenomen, het net verbeterd en aangesloten op hun centrale. Aan de Rollecate, vlak naast het perceel van Herman, werd een verdeelstation (trafohuisje) gebouwd voor het industriegebied, waarna het ongemak voor de omgeving voorbij was.

Hermans bedrijf groeide, er werd personeel aangenomen en al snel werd er naast de eerste loods een hal gebouwd van 240 m2, met een flinke schuifdeur, zodat er ook grotere stukken vervoerd konden worden. De stalen spanten werden uiteraard zelf geproduceerd. Aannemer en buurman Berend Boesenkool maakte de berekeningen. Ook schafte Herman een kraanwagen aan, een Ford uit 1946 met het typische uiterlijk van de Amerikaanse legertrucks uit de oorlog. Deze kraanwagen is tot 1976 in gebruik geweest.

Zoals bij elk beginnend bedrijf waren de financiële middelen niet ruim. De woning van het gezin Veltmaat in de Van Sandickstraat was voor de toenmalige begrippen ruim, zodat de achterkamer kon worden verhuurd aan een schooljuffrouw. Ook waren er een tijdlang twee werknemers in de kost. Dit heeft geduurd tot zich medio 1960 een gelukje aandiende. Er lag een woonark van ongeveer 9 bij 2,5 meter in het zijkanaaltje onder Sluis 3, eigendom van Lies Boers en bakker Beltman. De bodem was wat roestig en zij hadden er olie in laten lopen om de roest te bestrijden. Het gevolg was echter dat de roest losliet, waardoor er gaten in de bodem kwamen en de woonark zonk. Herman kon de woonark voor een zacht prijsje kopen. Met zijn kraanwagen en een truck van transportbedrijf Willem Willems, die voorzien was van een mast en lier, hebben ze de woonark uit het water getakeld. Hangend in de takels werd het gevaarte 500 meter over de Rollecate verplaatst en achter de eerste loods gelegd.

Toen de woonark werd gekocht stonden alleen de noodwoning, de loods en Hal 1 op het terrein. Het was een behoorlijke klus om de woonark bewoonbaar te maken, de olie was overal in de houten wanden getrokken en er lagen ook wat dode voorntjes in. In 1960 is Herman met zijn gezin naar de Rollecate verhuisd. Dit was financieel gunstiger en had ook het voordeel van ‘bij de zaak wonen’. In de woonark is in 1961 een derde zoon geboren, maar deze is in 1963 in het kanaal verongelukt. Omdat de woonark te klein was voor het hele gezin werd er voor de twee zoons een slaapkamer achter de eerste loods getimmerd, een houten frame met eterniet dakplaten en eterniet wandplaten, opgevuld met wat kunststofschuim isolatiemateriaal. In deze aanbouw werden tevens een douche en toiletten aangebracht. In de winter was er een kacheltje op flessengas om het geheel te verwarmen. De woonark werd verwarmd met een oliehaard.

Toen in 1962 de noodwoning van het gezin Bruggeman vrijkwam, is de woonark opnieuw versleept, van zijn plaats achter de eerste loods verder naar achteren tot op een paar meter van de noodwoning. De woningen werden aan elkaar verbonden door een tussenkamer. Zo ontstond een ruimere woning waarin het gezin tot 1965 heeft gewoond. Er is daar in 1964 nog een vierde zoon geboren. Van 1966 tot 1971 heeft de oudste zoon Henk, inmiddels gehuwd, er gewoond. Daarna werd de woning gebruikt als kantoor tot deze in 1974 geheel is gesloopt.

Het bedrijf bleef groeien en in 1961 werd een nieuwe hal van 300 m2 tegen de bestaande hal aangebouwd. Deze hal werd voorzien van schuifdeuren in zowel de voorgevel als de achtergevel. De twee zoons en drie neven, allen tussen de 14 en 17 jaar, hebben in hun zomervakantie de volledige constructie van beide hallen overgeschilderd.
De lange winter van 1962-1963, de koudste van de twintigste eeuw, is een terugslag in de ontwikkeling van het bedrijf geweest. Op veel plaatsen vroor het bijna drie maanden achtereen. Tijdens de oudejaarsnacht van 1962 op 1963 was er een sneeuwstorm, waardoor sneeuwduinen werden gevormd tot vier meter hoogte. Doordat de bouw geheel stil lag, ontstond er een hiaat in de orders voor de constructiebedrijven. De bouwbedrijven konden hun risico grotendeels dekken met vorstverletuitkeringen, maar bij veel toeleveranciers, waaronder ook in de bedrijfstak Kleinmetaal, bestond geen fonds voor dit risico. Drie maanden personeelskosten met weinig inkomsten leverde een financieel probleem op. Toch doorstond het bedrijf deze moeilijke tijd. In 1965 ging de oudste zoon Henk in het bedrijf werken. In het voorjaar van 1966 was Herman overwerkt (nu noem je dat een burn-out) en kwam de tweede zoon Marius ook in het bedrijf.


Tot voorjaar 1968 was er een snelle groei, maar toen kwam er weer een tegenslag die er toe leidde dat van de ongeveer 25 man personeel de helft moest worden ontslagen.
De eerste loods werd in de loop der jaren ook gebruikt als gritstraalcabine om stalen onderdelen te ontdoen van roest en hamerslag. Daarvoor werd een zware compressor geïnstalleerd en een aanbouw om het straalgrit te verwerken, zodat het hergebruikt kon worden. In 1967 is begonnen met de bouw van de grote hal van ruim 1.000 m2 met 6 meter vrije hoogte en daarnaast over de breedte twee verdiepingen voor kantoor, tekenkamer, magazijn, kantine en sanitaire ruimten. De eerste loods werd met behulp van wat stalen steunbalken door de Ford kraanwagen in zijn geheel onder de dakconstructie van de grote hal door naar achteren verplaatst. De bouw van de nieuwe hal is stapje voor stapje uitgevoerd en in 1974 gereed gekomen.

In 1973 is Firma H.J. Veltmaat en Zonen ingebracht in ‘Veltmaat Konstruktie Nieuwleusen B.V.’. De mogelijkheid van een besloten vennootschap was kort daarvoor ingevoerd. Dit bracht vele voordelen met zich mee, qua belastingen, aansprakelijkheid, verzekeringen, arbeidsongeschikt en werkloosheid. Ook maakte het een betere overdracht van het bedrijf mogelijk. Een aantal van deze voordelen zijn in de daaropvolgende decennia door aanvullende wetgeving helaas weer teniet gedaan.
In een zware storm in november 1973 raakten enkele eterniet golfplaten van hal 1 los en deze kwamen dwars door het dak van hal 2 naar beneden. Ook bij de buren van Houthandel Tropica waaiden toen een aantal eterniet golfplaten van het dak. In april 1974 was er weer een zware storm, toen was vanuit hal 3 te zien dat de dakbedekking van het platte dak van de naastgelegen Merino tapijtfabriek plots door de wind werd opgetild en door de lucht vloog. Ditmaal was er bij Veltmaat geen schade.
Van november 1973 tot en met januari 1974 had Nederland te lijden onder de oliecrisis. In die jaren heeft het bedrijf toch enkele flinke opdrachten uitgevoerd. Voor vijf opblaasbare luchthallen in Libië werd al het staalwerk uitgevoerd. Kolonel Gadaffi was net aan de macht. Voor de opdracht eisten de Libiërs een niet-Jood-verklaring van het bedrijf. Die werd op aanvraag, na enig onderzoek, verstrekt door de Kamer van Koophandel. Voor studentenflats in Nijmegen werden staalwerken gemaakt, met onder andere 48 spiltrappen.
Al met al bleef, ondanks het harde werken, de financiële basis van het bedrijf wankel en werd in 1976 het faillissement uitgesproken. De curator zegde het personeel, inclusief de directie, ontslag aan. Een doorstart bleek geen optie. Er werd een veiling georganiseerd van alle roerende goederen. Ook het onroerend goed werd verkocht, de koper was Jacques Roo uit Rouveen. Het terrein en de opstallen zijn nu in gebruik bij Roo Rubber B.V.
Na het faillissement is Herman vanuit de schuur bij zijn huis aan de Rollecaterweg opnieuw een constructiewerkplaats begonnen. Henk werkte enige tijd bij Poly Nederland B.V. maar is daarna weer met Herman gaan samenwerken. In 1983 is dit bedrijf verhuisd naar Heino. Later heeft Henk het bedrijf alleen voortgezet en ingebracht bij Nivelko B.V. Na het faillissement is Marius altijd werkzaam geweest als administrateur in loondienst bij verschillende werkgevers in diverse bedrijfstakken.

* * *

Onder de draod deur vrèet’n

A.C.M. Schoemaker – Ytsma

An de aandere kaante van de vreepaoln liekt ‘t gros altied gruner. Det geldt veur mens en dier. Veur d’iene figuurlijk en d’ aander letterlijk.
Zolange aj prebeert d’r bi’j te koom’n is ’t allebass’nd spann’nd en lokt ‘t lekkere happien!
Mar uuteindelijk leevert ‘t allennig schramm’n op; an geest en d’ hoed.
Zo vergunk ‘t oeze Wimme ok.

Oeze Wimme is jong ‘etrouwd. Met drie kiender hef e ‘n mooi gezinnegien. Hi’j kan zien broek goed opholl’n. Mar ja, dan vuult e de midlifeonrust deur zien aor’n gier’n ... Hi’j wil nog van alles beleem’n; energie zat!
Bi’j de plaatselijke motorclub viend e zien gerak. Veural de lol en kammeraodschop spreekt ‘m an. Oeze Wimme toert met naor t buut’nlaand. Hi’j genot met volle teug’n en thuus liekt wied weg. Wimme vuult zich vri’j as ‘n veugeltien. Hi’j kan de hiele wereld an. Deur de helm ontbrek de wiend ien zien haor’n, mar wieder ... top!

In dizze toestaand wordt oeze Wimme wat losser. Nao ‘n machtig mooie heuvel’nrit zit e ‘edoucht en wel an ‘t garstenat. De stoere verhaal’n vliegt oaver de tap. Hi’j vuult zich ‘n echte keerl!
Zien oge valt op ‘n schier deerntien. ‘t Blozende deerntien lacht lief naor ‘m trugge. Oeze Wimme stiet stoer op van zien krukke en bod ‘t deerntien ‘n draankien an. Ze lop met en kump op de krukke naost ‘m zitt’n. Zien leer’n jasse kraakt en det geknars klinkt as meziek ien zien oor’n. “Wat hej ‘n mooie tatoeage op oen arm!” is zien originele openingszin. Daormet is ‘t ies ‘ebreuk’n en ontspient zich ’n onderhold’nd gesprek oaver koechies en kalvies.
Tot slutingstied ebt ze grote schik. Ien gedacht’n vrog Wimme zich aof hoe ‘t toch nog ies ween zol umme met zo’n gruun blaadtien ien ‘t stro te rolleboll’n. Ien zien heufd vreet e al onder ‘t draod deur. Nog eem’n de blaoze leeng’n veur ze noar buut’n gaot. Daor trilt zien tillefoon.
Zol e kiek’n of ien de roes bliem’n? Ie weet toch mar nooit wat d’r is, dus kik e op ‘t scharm. Zien oldste zeune lot weet’n det e niet slaop’n kan en bliede is as Va morn trugge is. “Wi’j mist oe papa!” Metiene is Wimme weer wakker uut zien verlaang’nde droom. Hi’j herpakt zich. Det zol toch gien pas geem’n! Wat ‘n veurbeeld bin ie dan veur oe kiender? Of ’eziene van wat e zien vrouwe an zol doen.
As ‘n echte keerl helpt Wim ‘t wicht ien heur jasse. Veraldereerd kik ze nog umme veur ze in heur auto de nacht inridt. Zukke mann’n bint d’r toch ok nog, denkt ze.
Allent giet Wimme naor zien kamer. Hi’j beseft det de verleidings zo kortbi’j kunt ween! De draod tuss’n gevuul en verstaand was zowat ‘eknapt. Een kortstondige lekkerni’je zol ‘n nare naosmaak krieng’n. Det is ‘m zo’n happien onder ‘t draod deur niet weerd.
“Wa’k zonder det pingeltien ok met-egaone?”
Hi’j besef det e de kop d’r altied bi’j mut hold’n umme zien gevuul’ns niet op de loop te laot’n gaon. Nouw pitt’n, morn gezond weer op en mooi op huus an! Kan e met ‘n gerust hart geniet’n van de tocht trugge.
Met de schatt’n die e thuus hef, kan e ok alles uut ’t leem’n haal’n.





Jaargang 37 Nummer 2 juni 2019


* * *


NI'JLUUSN VAN VROGGER

Historische vereniging in gemeente Nieuwleusen

Kwartaalblad voor de geschiedenis van Nieuwleusen

* * *

Foto voorpagina:

14 april 2019. Volop aan het werk met het uitgraven van de archeokuil.
Foto: Dick Klinkenberg

* * *

Het verhaal van Frans Visscher

Jenny Kasper en Henny ter Wee

Op 25 oktober 1933 werd te Zwartsluis een jongetje geboren. Zijn roepnaam: Frans. Als jongste kind van de familie Visscher groeide Frans op met drie broers en vier zussen. De vader van Frans was rondhoutbewerker. Een buitengewoon en nu vrijwel onbekend beroep. Hij maakte o.a. houten masten voor zeilschepen.

Frans groeide op in Zwartsluis, ging naar de bewaarschool, vervolgens naar de lagere school tijdens de oorlogsjaren. Een uitdagende, spannende tijd voor ons als jonge jongens, zegt Frans. Avontuurlijk ook. Het kijken naar de luchtgevechten. Er was indertijd vanuit Zwartsluis veel vrachtscheepvaart. Met name met botters, de oorspronkelijke vissersboten. Die vervoerden voedsel, o.a. aardappelen. Dit was bekend bij de Duitse overheersers. Als gevolg daarvan werden deze botters niet beschoten tijdens hun overtocht over het IJsselmeer.
Als kinderen gingen zij in de oogsttijd, heel bijbels, aren zoeken op het gemaaide graanland in het Staphorsterveld. Voor schooltijd moest Frans melk halen bij een boer in Baarlo. Te voet, een half uur heen, een half uur terug. Op school vielen nog weleens lessen uit, zoals bij rekenen onder andere sommen en breuken.

Na de lagere school ging Frans naar de lokale MULO en sloot deze met succes af. Frans las een advertentie. Op de Boerenleenbank in Genemuiden vroeg men een jongste bediende, een administratieve functie. Hij solliciteerde en werd aangenomen. En zo ging Frans op 1 augustus 1950, vanuit Zwartsluis, per fi ets op weg naar de veerpont om aan de andere zijde van het Zwartewater de eerste stappen te zetten op zijn toen nog onbekende pad naar een carrière binnen de bankwereld.

Na vervulling van de militaire dienstplicht kwam Frans terug naar Genemuiden. Binnen de bank volgde hij de gewenste opleidingen en klom, door de jaren heen, op tot de functie van plaatsvervangend kassier tevens adjunct-directeur. Inmiddels had Frans, als lid van de Gereformeerde Jongeren Vereniging (GJV) op een landelijke dag van deze organisatie in Zwolle een bijzondere jonge vrouw ontmoet. Gepke van der Meer was tussen hen beiden en ze kregen verkering. Gepke haar vader werkte als landmeetkundige bij het kadaster en was als gevolg van zijn beroep diverse keren verhuisd. Gepke is geboren in Eindhoven. Via o.a. Groningen kwam de familie Van der Meer in Zwolle terecht. Gepke haar ouders waren in oorsprong Friezen. Gepke zelf werkte bij de PTT in Zwolle. Na haar huwelijk werd zij geacht te stoppen met haar werk.


Op 19 september 1990 ontvangt Frans Visscher in bijzijn van echtgenote Gepke Visscher-van der Meer uit handen van burgemeester A.B.L. de Jonge een koninklijke onderscheiding.

In 1957 traden Frans en Gepke in het huwelijk. Het echtpaar vestigde zich in Genemuiden waar ook hun eerste twee kinderen werden geboren. Na twee jaar zag Frans dat in Nieuwleusen de Boerenleenbank een kassier/directeur vroeg. Nieuwleusen was hem niet onbekend, want tijdens de oorlogsjaren was één van zijn broers ondergedoken bij de familie Ganzeboer aan de Middeldijk. In die periode gingen zijn ouders lopend naar de Middeldijk op zogenaamd familiebezoek om hun zoon te bezoeken. Deze tocht ging te voet vanuit Zwartsluis via de Conradsweg richting Rouveen naar Nieuwleusen. De connectie was dat één van zijn zussen was getrouwd met Marinus Brouwer uit Nieuwleusen. Nieuwleusen was een mooie uitdaging in een verantwoordelijke functie. Beide, Frans en Gepke, voelden zich snel thuis in Nieuwleusen. De spreektaal was Frans vertrouwd. Het lokale dialect verschilde niet zoveel van de gesproken taal in Zwartsluis. Wat Frans opviel was dat er in Nieuwleusen, in tegenstelling tot Zwartsluis, veel coöperaties en samenwerkingsverbanden zijn/waren, zoals de melkfabriek, de landbouwvereniging, de middenstand. Hij genoot van zijn werk. De bank maakte de nodige ontwikkelingen door, werd groter en verhuisde naar een andere locatie. Een fusie tussen de Boerenleenbank en de Raiffeisenbank was een intensieve tijd. Frans vertelt dat met name in Limburg en Brabant, de meer katholiek georiënteerde delen in Nederland, de Raiffeisenbank het meest voorkwam en in de overwegend protestantse gebieden de Boerenleenbank. Nieuwleusen, een van oorsprong protestantse gemeente, kende enkel de Boerenleenbank. In Hoonhorst, toch veel kleiner, stonden daarentegen beide soorten banken.

Van 1908 – 1927 hield de Boerenleenbank Nieuwleusen – Den Hulst kantoor aan huis bij de hoofdonderwijzer van de openbare school A, meester Zoet, later meester Schröder. Op 13 september 1927 verhuisde de Boerenleenbank naar het pand Ommerdijk 124, nu Burg. Backxlaan 316, een woonhuis met aan de voorzijde het bankkantoor. Hier heeft de familie Visscher gewoond van juni 1959 tot november 1960. Op 4 november 1960 is het nieuwe bankgebouw met dienstwoning aan de Burg. Bentinckstraat in gebruik genomen. Daar is de familie Visscher toen gaan wonen. Omdat dit bankgebouw te klein was geworden, is het in 1970 afgebroken en opnieuw en groter gebouwd. Intussen waren de Boerenleenbank en de Raiffeisenbank gefuseerd en Rabobank geworden. En zo werd in de burgemeesterswijk de naam Raiffeisenstraat toegevoegd, genoemd naar de naam van de voormalige bank en tevens de naam van een burgemeester in een Duitse gemeente die zich sterk had gemaakt voor de oprichting van coöperatieve banken.

Als directeur van de bank werd Frans benaderd voor vele nevenfuncties binnen het dorp, meestal gericht op de fi nanciële poot van de diverse organisaties, ook in de non-profit sector. Met genoegen denkt hij terug aan zijn functie als bestuurslid van de opleiding kraamverzorging te Rijssen. Deze opleiding was gehuisvest op een fraai landgoed. Er heerste een prettige sfeer. Als gecommitteerde mocht hij menig examen bijwonen.

Frans was betrokken bij de verbouwingen van de Gereformeerde kerk, de huidige Ontmoetingskerk en is nog steeds onder de indruk dat er voor deze verbouwing 1 miljoen bijeen is gebracht door de toenmalige gemeenschap.
Samen met Jelle Bos en Willem Wildeboer is hij de grondlegger van Plaatselijk Belang in Nieuwleusen, opgericht naar aanleiding van de fusie Nieuwleusen – Dalfsen met het doel de afstand gemeentebestuur – plaatselijke bevolking te onderhouden.


De ingebruikname van de eerste betaalautomaat in Nieuwleusen ca. 1994 bij tegelhandel Chris Dix (links), in bijzijn van de directeuren Rabobank C.J. Jasperse en Frans Visscher.

Gepke maakte zich verdienstelijk in de sociale sector. Zij richtte de plaatselijke afdeling Welfare van het Rode Kruis op. Samen met een groep vrijwilligers heeft zij menigeen, vrouw of man met een chronische ziekte, kunnen verblijden in het aanbieden van bezigheidstherapie. Gepke was creatief, had ook de opleiding coupeuse gevolgd en zij schilderde niet onverdienstelijk. Reeds bekend is dat er een aantal van haar schilderijen zijn geschonken aan de historische vereniging voor de Palthehof.

Frans vertelt dat zijn mooiste tijd, gezien het inhoudelijk deel van zijn werk, valt in de periode van 1970 – 1990, voor de komst van de digitalisering. In deze periode was er het directe contact met medewerkers en klanten, dichtbij de maatschappelijke en financiële ontwikkeling van de bank. In de begintijd was dit klantencontact heel persoonlijk. Wanneer iemand onverhoopt geld nodig had, werd er thuis aangebeld en de noodzaak toegelicht. Als Frans niet thuis was werd aan Gepke de vraag gesteld: kan mevrouw mij helpen. Soms was er verbazing als bleek dat Gepke inhoudelijk niets van doen had met geldzaken via de bank. Zeker bij de boeren, gewend als zij waren dat thuis de boerin, moeder de vrouw, de nodige inspraak had. Dus waarom niet bij de bankdirecteur? Op de vraag naar bijzondere anekdotes reageert Frans terughoudend. Hij vindt de privacy belangrijk. Eén verhaal wil hij wel vertellen. Op een bepaald moment komt een inwoner aan de deur. Hij vraagt Frans om 25,- gulden. Moeder is ziek en heeft medicijnen nodig. Nu heeft hij het geld niet. Frans leent hem het gevraagde bedrag. Wanneer Frans enige tijd later onderweg langs cafetaria Goos komt, ziet hij dezelfde man uit het cafetaria komen met een kratje bier. Ja, de nood kan soms groot zijn.

Toen bij de nieuwe bank ook een dienstwoning werd gebouwd was het bijna vanzelfsprekend dat het gezin Visscher in deze woning ging wonen. In 1970 maakten Frans en Gepke de keuze een eigen woning te kopen omdat, mocht er onverhoopt iets met Frans gebeuren, Gepke dan de dienstwoning zou moeten verlaten. De eerste jaren verhuurden zij dit huis aan de Vijverlaan. In 1986 zijn ze er zelf gaan wonen. In juni 1993 werd Frans Visscher bij zijn afscheid van de bank benoemd tot ereburger van Nieuwleusen. Ze bleven aan de Vijverlaan wonen.
Het is een huis met prachtig uitzicht, constateerden wij tijdens het bezoek voor dit interview, gezeten op mooie knopstoelen, door Gepke beschilderd met Hindeloper bloemenmotief. Frans is een boeiend verteller en het was een genoegen naar hem te luisteren.


Glas-in-lood raam, gemaakt door H. Liefkes uit Den Haag. Een geschenk bij de opening van de Rabobank aan de Raiffeisenstraat, later geschonken aan de historische vereniging, aanwezig in de Palthehof.

* * *

Graven en begraven

Roelof Boerman

Sinds kort kunt u thuis op de computer het complete bestand met foto’s van de begraafplaatsen in Nieuwleusen bekijken. De foto’s zijn te vinden op onze site www.palthehof.nl, onder het kopje Beeldbank bij de naam: De grafstenen en rouwadvertenties.

Er is hard aan gewerkt om het gehele bestand compleet te krijgen en nu staan alle aanwezige stenen/monumenten tot en met het 2e kwartaal 2014 op de site. De graven vanaf 1 januari 1942 zonder steen/monument met alleen een genummerd paaltje en soms helemaal niks, staan ook in hetzelfde bestand met naam, data en plaatsaanduiding. Omdat op de stenen meestal geboorte- en sterfdatum staan vermeld, is dit bestand een waardevolle aanvulling op onze Foto- Beeldbank, waarin enorm veel foto’s van inwoners uit Nieuwleusen zijn opgenomen, maar waar het niet altijd mogelijk is die jaartallen te noemen (denk daarbij aan de school- en verenigingsfoto’s). Beide bestanden vullen elkaar daarom heel mooi aan.
Inmiddels zijn op de pagina bij de grafstenen, voor zover aanwezig, ook rouwadvertenties geplaatst. Die geven vaak interessante informatie over familierelaties.
Heeft u nog advertenties of rouwkaarten die nog niet zijn opgenomen en vindt u het prettig de gegevens te delen, dan is een scan van een advertentie of de rouwkaart welkom via de mail of in de brievenbus. Ook is het heel goed mogelijk om ze te laten scannen tijdens de openingstijden van het museum. U kunt ze dan meteen weer meenemen, of wij leveren ze zo snel mogelijk weer bij u thuis af.
Mocht u op de site fouten tegenkomen, geef ze s.v.p. door via de mail: info@palthehof.nl.


Sfeerbeeld oude begraafplaats naast museum Palthehof; het toegangspad is naast de heg voor het museum.


De begraafplaats aan de Ds. Smitslaan, met kunstwerk ‘Lifely Curve’ gemaakt door Dorothé Jacqueline van Driel.

Enkele wetenswaardigheden Op 25 juli 1830 werd de Grote Kerk in de vorm zoals die nu nog is, in gebruik genomen. In het jaar dat de bouw van deze kerk begon (het is een groter gebouw dat op de plek van de kleinere eerste kerk is komen te staan), werd het verboden om nog in kerken te begraven. Vanaf dat moment werd er náást de kerk begraven.
In 1866 kocht de gemeente een stuk grond van de kerk om een nieuwe begraafplaats aan te leggen. Dit is de begraafplaats “Westeinde”, naast museum Palthehof, achter de voormalige burgemeesterswoning met gemeentesecretarie, Westeinde 5. Deze begraafplaats werd in 1943 gesloten. Hier herinneren oude grafstenen nog aan bekende Nieuwleusense families. Het oudste grafmonument op deze begraafplaats is van Klaasje Bouwman (echtgenote van Hendrik Alteveer) overleden op 29 februari 1864 op 54-jarige leeftijd.
Sinds 1883 wordt er ook begraven op de “Algemene begraafplaats Nieuwleusen” aan de Ommerdijk, nu met ingang en adres Ds. Smitslaan. Het oudste grafmonument op die begraafplaats is van Jentje Nijhuis, overleden op 6 mei 1889 op 22-jarige leeftijd, echtgenoote van Arend Stolte.
Tot plm. het jaar 2000 werden de doden voor zover dat mogelijk was begraven met de voeten naar het oosten en het hoofd naar het westen, zodat zij op de dag der wederopstanding Christus’ komst in het oosten tegemoet kunnen zien (H.L. Kok - De geschiedenis van de laatste eer in Nederland). Er kwam steeds meer bezwaar tegen deze manier van begraven omdat de helft dan met het hoofd aan het pad ligt en men gevoelsmatig te dicht bij het hoofd staat en naar de voeten kijkt. Nu wordt iedereen begraven met het hoofd bij de steen.
Als er sprake is van een dubbelgraf, dan ligt de man (in principe) altijd rechts naast de vrouw. Sinds iedereen wordt begraven met het hoofd bij de steen, ligt voor de kijkers de man dus links.
In Nederland wordt inmiddels gemiddeld 62% van de overledenen gecremeerd. In Nieuwleusen ligt dat percentage globaal becijferd tussen de 20 en 25 procent.
Tussen 2 kisten moet minimaal 30 centimeter aarde zitten en boven de kist moet minimaal 65 centimeter aarde komen. In 2018 is er achter de bestaande begraafplaats een nieuw gedeelte in gebruik genomen. Daar is de grond zoveel opgehoogd dat er ook boven elkaar kan worden begraven.


Dragers van de Begrafenisvereniging in zwart pak. V.l.n.r. W.H. Weelink, H.J. van Veen, W. Timmerman, A. Bruggeman, uitvaartleider J. Rouwhorst, J.H. v.d. Vegt, J. Veijer en W. Zwiers plaatsvervangend uitvaartleider.

* * *

Het erve Westerman en zijn bewoners 2

door René Fokkert

In deel 1 beschreven we de oudst bekende generaties van de familie Westerman die in “het Wester” woonden. De familienaam komt in 1775 voor het eerst voor. Jan Westerman (1791) werd op Westeinde 200 opgevolgd door zijn zoon Egbert.

Egbert Westerman en Jennigje Ekkelenkamp
Egbert volgde zijn vader op als landbouwer aan het Westeinde. Hij trouwde op 28 november 1878 met de uit Dalfsen afkomstige Jennigje Ekkelenkamp. Zij is een dochter van Herm Ekkelenkamp en Aagje Polman. Ten tijde van zijn huwelijk was Egbert 49 jaar en de zwangere Jennigje 18 jaar.
Grappig detail op de huwelijksakte is dat de bruid tekent met J. Ekkelenkamp, terwijl de vader van de bruid tekende met H. Ekelenkamp. De moeder van de bruid kon niet schrijven.
Egbert en Jennigje kregen zes kinderen waarvan de oudste een zoon is, de op 24 september 1879 geboren Jan. Vervolgens kregen ze weer een zoon die de naam Harm kreeg en op 12 februari 1882 is geboren.
Het derde kind is een dochter. Grietje kwam op 18 juni 1886 ter wereld maar overleed al op 8-jarige leeftijd op 3 juli 1894. Als vierde werd op 25 januari 1889 Hendrik geboren, daarna volgden Aaltje op 6 januari 1894 en tenslotte Gerrit op 24 juni 1901.
Egbert Westerman is op 5 augustus 1913 thuis overleden. Hij was 83 jaar terwijl zijn jongste zoon nog maar net 12 jaar oud is. Het overlijden van Egbert maakte het noodzakelijk dat er in maart 1914 een successie- akte opgesteld werd door de notaris in Nieuwleusen. Jennigje Westerman-Ekkelenkamp is daarbij naast moeder ook voogd over de jongste twee kinderen Aaltje en Gerrit. Volgens de beschrijving van de bezittingen bestond de boerderij toen uit een huis met schuur en ruim 10 hectare grond gelegen onder Nieuwleusen, een aandeel in een onverdeeld stuk grond, 5/64 deel van 10 hectare en 31 centiare in de Scholtenkamp en totaal een kleine 10 hectare aan wei, bouw en heidegrond gelegen onder Dalfsen. Uiteindelijk kreeg elk van de vijf nog levende kinderen een bedrag van 1412 gulden en 15 ½ cent toebedeeld. Jennigje Westerman- Ekkelenkamp is op 19 september 1939 in Ermelo overleden. Vermoedelijk was ze daar opgenomen vanwege een geestelijke aandoening.


Deze tekening laat de situatie zien van het erf Westerman van voor april 1945. Er was zowel vanaf het Westeinde (Straatweg) als vanaf de Koedijk een inrit. Voor de boerderij lag een ruime tuin omgeven door een heg. Achter de boerderij staan twee hooibergen en een varkensschuurtje. Rechts naast de boerderij is het bakhuis en de stippellijn links geeft de mestkelder weer.


Deze foto is omstreeks 1925 gemaakt. Het is waarschijnlijk de enige foto waarop de oude boerderij erve Westerman (Westeinde 200) te zien is. Bij de bevrijding van Nieuwleusen werd het pand in brand geschoten.
De drie vrouwen zijn v.l.n.r. Antje Westerman- Brasjen, Jennigje Westerman-Ekkelenkamp en Aaltje Reuvers-Westerman.


De kinderen van Egbert en Jennigje Westerman-Ekkelenkamp
Hendrik, de derde zoon van Egbert en Jennigje, heeft de boerderij Westeinde 200 van zijn ouders overgenomen (zie hierna).
Oudste zoon Jan trouwde in 1912 met Jintje Kleen Scholten. Na hun huwelijk zijn ze gaan wonen op Westeinde 198 (iets oostelijk van de Koedijk) waar geboerd werd op een eigen boerderij. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, Egbert in 1913 en Derk Jan in 1920 (zie “Kragten van het Westerveen” eveneens van mijn hand).


Jan Westerman (1879 - 1960) en Jintje Westerman-Kleen Scholten (1886 -1944).


Westeinde 198, de boerderij waar Jan Westerman en Jintje Kleen Scholten woonden. Daarna boerden hier zoon Egbert Westerman en Geesje Westerman-Lier en als laatste werd hier het boerenbedrijf uitgeoefend door kleinzoon Hendrik (Henk) Westerman (1941-2004).

Tweede zoon Harm trouwde in 1912 met Antje Brasjen. In het begin van hun huwelijk woonden zij in bij zijn ouders op Westeinde 200 waar hun dochters Jennigje (1912) en Fennigje (1914) geboren zijn. Ook zij waren landbouwers en vertrokken in mei 1922 naar Hoevenweg 26 waar ze een eigen boerderij kregen. Het perceel grond werd gekocht van Hendrik Klomp, landbouwer te Nieuwleusen. Harm is overleden op 92-jarige leeftijd en werd begraven te Dalfsen.


Harm Westerman (1882 – 1974) en Antje Westerman-Brasjen (1888 – 1963) naast de boerderij aan de Hoevenweg 26.

Dochter Aaltje trouwde in 1920 met Derk Reuvers. Ze woonden in het begin van hun huwelijk in bij haar ouders, waar hun oudste dochter Jennigje Reuvers in 1920 is geboren. Op 11 mei 1922 is het gezin Reuvers uitgeschreven van het adres Westeinde 200. Ze betrokken toen de door hen gebouwde boerderij aan Hoevenweg 39. Deze werd gebouwd op een perceel weiland dat in 1878 door Harm Westerman (1814-1894) was aangekocht. De moeder van Aaltje, Jennigje Westerman-Ekkelenkamp, verhuist met hen mee naar de nieuwe boerderij.

Op het adres Hoevenweg 39 kregen Derk en Aaltje Reuvers nog zeven kinderen: Willemina (1923), Egbert (1924), Aaltje (1926), Arend (1927), Grietje (1929-1934), Willem (1931) en Gerrit Reuvers (1936).
Omstreeks 1950 is het huis gesplitst in twee adressen, namelijk F165 en F166, en vanaf ongeveer 1971 Hoevenweg 39 en 41.


Derk Reuvers (1901 – 1978) en Aaltje Reuvers- Westerman (1894 – 1972) zittende bij hun moestuin aan de Hoevenweg 39.

Jongste zoon Gerrit trouwde in 1924 met Hendrikje Meulenbelt, dochter van Hendrik Meulenbelt en Klaasje Hekman. Ook hij was landbouwer en is in januari 1925 uitgeschreven van het adres Westeinde 200 naar Hoevenweg 18 waar hij met zijn vrouw als derde uit het gezin Westerman een boerderij aan de Hoevenweg betrekt. In 1925 heeft dit huis het nummer Ankum G89a, later G127 en F149 en vanaf 1971 is het adres Hoevenweg 18. Het perceel waarop Gerrit Westerman een boerderij met 5 hectare land begon was in 1915 als heidegrond in bezit van zijn vader Egbert gekomen.


Gerrit Westerman (1901 – 1984) en Hendrikje Westerman-Meulenbelt (1901 – 1991).

Gerrit en Hendrikje Westerman kregen ook acht kinderen waarvan de oudste Jennigje (1924) werd geboren op Westeinde 200 en de overige kinderen op Hoevenweg 18: Klaasje (1926), Egbert (1928), Hendrikje (1930), Grietje (1932), Mientje (1937), Hendrik (1938) en Egbertdina Westerman (1938).
Gerrit is overleden in 1984, 82 jaar oud, en begraven op de begraafplaats in Welsum (Dalfsen).


Het bruidspaar Lucas Eikenaar en Grietje Westerman in 1958 voor haar ouderlijke boerderij Hoevenweg 18. Hendrik Westerman, de jongste zoon van Gerrit en Hendrikje, nam de boerderij over van zijn ouders en heeft er tot 2000 geboerd. In dat jaar is de boerderij verkocht en niet veel later is het oude huis afgebroken en vervangen door een nieuwe woning.

Hendrik Westerman en Margje Meulman
Als derde zoon van Egbert Westerman en Jennigje Ekkelenkamp is hij degene die de ouderlijke boerderij overneemt. Hendrik trouwde in 1920 met Margje Meulman, dochter van Hendrik Jan Meulman en Evertje Boer. In 1921 is dochter Jennigje geboren en in 1923 zoon Hendrik Jan Westerman. In juni 1928 komt in de gemeenteraad van Nieuwleusen een verzoek van de heer A. Klosse en andere aanwonenden van de Koedijk (ook namens Westerman) aan de orde om de weg die dan nog privé-eigendom is van de aanwonenden, aan de gemeente te schenken. In ruil voor de eigendomsoverdracht zal de gemeente de weg verbeteren en onderhouden.


Hendrik Westerman had een gemengd bedrijf zoals in die tijd heel gebruikelijk was. Er was rundvee, varkens, kippen en paarden voor het boerenwerk. Grasland en bouwland met verschillende gewassen, rogge, haver, aardappelen (deels voor consumptie, deels als veevoer), suikerbieten en knollen. Volgens een rapport uit 1948 bestond de boerderij in 1940 uit 1.86 ha bouwland en 9.29 ha grasland, het erf was 0.5 ha groot. Er zijn dertien stuks grootvee, tien stuks jongvee, twee paarden, vijf varkens en veertig kippen op de boerderij.


Hendrik Westerman (1889 - 1944) en Margje Westerman-Meulman (1891 - 1966).

Hendrik Westerman is op 1 juni 1944 in het ziekenhuis in Zwolle overleden aan een maagbloeding. Hij was nog maar 55 jaar oud. Op de dag van de begrafenis werd zijn zoon Hendrik Jan 21 jaar en dus meerderjarig waardoor hij geen voogd behoefde.
Omstreeks diezelfde tijd kreeg Hendrik Jan een oproep voor tewerkstelling in Duitsland. Hij besloot zich niet te melden en moest dus onderduiken. Hij zat met anderen ondergedoken op de eigen boerderij en soms in Haerst. Als men het redelijk veilig achtte hielp hij zijn moeder met het werk op de boerderij. In de laatste periode van de oorlog werd de boerderij echter gevorderd door de bezetter en werden er Duitse soldaten ingekwartierd. De weduwe Westerman en haar dochter moesten toen wijken en woonden tijdelijk in huis bij de familie Jan Westerman op Westeinde 198.

Het Meentje bij Westerman
Ten oosten van de Koedijk / hoek Meentjesweg lag vroeger een laaggelegen stuk land dat ’s winters geregeld onder water stond. Wanneer het gevroren had was het een geliefd plekje om te schaatsen. Schaatsen op het Meentje bij Westerman was dan ook een begrip. In veel notariële akten vanaf 1860 is de plaatsaanduiding het Meentje of Meentie bij Westerman terug te vinden.



1 Egbert Brasjen, 2 Klaas Bonen, 3 Jan Kijk in de Vegte, 4 Mientje Reuvers, 5 Frits Spijker, 6 Aaltje Bijker, 7 Henk Luten, 8 Jennigje Westerman, 9 Egbert Reuvers, 10 Hendrik Jan Westerman, 11 Jan Geerts, 12 onbekend, 13 Derk Jan van Berkum. (De personen met de namen Westerman, Reuvers en Van Berkum zijn familie van elkaar).

* * *

Evert Dijk en de Vinkenbuurt - 5

Vertaling Gees Bartels

Evert Dijk (1914 – 1982) vertelt in dialect in het boek Als de dag van gisteren (2004) over zijn jeugd in de Vinkenbuurt. Wij hebben eerder uit dit boek in het Nederlands al een aantal verhalen gepubliceerd in het Kwartaalblad.

Donkere dagen na ’t kerstfeest
Enkele weken na ’t kerstfeest in 1922 zijn er voor mijn ouders en ook voor mij donkere dagen gekomen. Die hebben een grote indruk op mij gemaakt. Niet in de zin van dat de lucht zwaar bewolkt was, maar op een heel andere manier. Dat kwam omdat mijn jongste broertje van ruim 10 maanden toen erg ziek werd. Dokter Risselada van Nieuwleusen werd erbij gehaald en die stelde vast dat hij een ernstige longontsteking had. Hij zei d’r bij dat er weinig aan te doen was, niet meer dan dag en nacht, aan een stuk door, te stomen. Mijn vader haalde direct van het Groene Kruisgebouw in de Kerkenhoek een koperen stoomketel. Daar werd water ingedaan en dat werd aan de kook gebracht en vanuit die ketel ging door een dun pijpje de stoom onder de kap van de kinderwagen waar mijn broertje in lag. Op de negende dag zou volgens de dokter de “crisis” komen; dan was het d’r op of d’r onder.


Een koperen stoomketeltje met spiritusbrander zoals die werden geleend van het Groene Kruis, aanwezig in de collectie van de Palthehof.

Er waren al eerder een broertje en een zusje van mij aan deze kwaal overleden. Dat had mijn moeder mij weleens verteld, maar omdat ik geen van beiden heb gekend, had ik daar nooit bij stilgestaan. Maar nu, van zo dichtbij, vond ik het erg naar en het waren werkelijk trieste dagen.
Ik mocht niet hardop praten en aan spelletjes doen had ik ook geen zin. Mijn vader en moeder keken heel verdrietig en mijn grootmoeder zei meerdere keren dat mijn zieke broertje het wel niet zou halen.
Wat gevreesd werd, dat gebeurde. Mijn broertje overleed, “kwam uut de tied”, zoals de mensen dat toen noemden en de eerste keer dat ik zoiets meemaakte ben ik nooit vergeten.
Ik zie alles en ook wat er verder gebeurde, nog voor me als de dag van gisteren.
Mijn vader ging naar de naaste buurman, Hendrik Westerman, om het aan hem te vertellen en die ging het aan de andere buren zeggen.
Al gauw kwamen alle buren om hun burenplichten te vervullen, zoals toen de gewoonte was.
Dat hield in dat ze elkaar vooral in droevige omstandigheden zouden bijstaan.
Zij maakten afspraken over wat ieder van hen moest doen; wie het overlijden moest aangeven op het gemeentehuis van, toen nog, Ambt Ommen; wie d’r een graf moest bespreken op de begraafplaats van Nieuwleusen; wie de kist moest bestellen en wie de boodschap moest overbrengen bij de naaste familie en de dominee, met het oog op de begrafenis.
Ik stond erbij en keek ernaar toen de buren ’s avonds mijn broertje met zijn witte gezichtje in een kistje legden en het op een paar kleine schragen zetten tegen de muur aan de voorkant van de kamer.
Zoals gebruikelijk waren de blinden direct na het overlijden al half dicht gedaan en dat bleef zo tot de dag van de begrafenis.
Op die dag kwamen de uitgenodigde familie en ook weer de buren met hun vrouwen bij elkaar in de kamer en op de deel en gingen samen eten van het begrafenisbrood dat bakker Teunis Jansen had gebakken.
Dominee Dwarshuis was op de fiets vanuit Balkbrug gekomen en na het eten en drinken van het brood en de koffie dat de buurvrouwen verzorgden, las hij een stuk voor uit 1 Thessalonicenzen, de verzen 13 tot en met 18, over het niet onkundig laten van wie ontslapen zijn. Over die voor mij duistere woorden gaf hij toen een lange uitleg, bijna net zo lang als hij nodig had als hij zondags in de kerk preekte.
Dat duurde mijn grootmoeder wel wat te lang, want ze zei opeens: “Dominee u moet zo langzamerhand ophouden; de wagens zijn er al.” Dwarshuis had daar begrip voor en sloot de begrafenismaaltijd af met een gebed.
Daarna werd het kistje op een gewone boerenwagen gezet, met ernaast aan elke kant een bos dakstro om te voorkomen dat het kistje zou gaan schuiven door de knipgaten in de slechte zandwegen.
Twee buren gingen op de wagen zitten, waarvan er een het paard mende. De andere buren liepen naast de wagen, die gevolgd werd door een dichte kleedwagen, met daarin mijn moeder, mijn grootmoeder en tante Trijntje, die niet meer zo goed kon lopen, en ook nog een buurman die de leidsels van het paard in de handen had.
Daarachter liep mijn vader en de familie en daar liep ik ook tussen, eerst door de Vinkenbuurt, voor de huizen van Jan Bijker en Albert Spijker langs en verder over de met stenen verharde weg van Nieuwleusen naar de ongeveer vijf kilometer van ons huis gelegen begraafplaats aan de Ommerdijk (Burg. Backxlaan). Onderweg werd er bijna niets gezegd. Ik hoorde alleen het geklepper van de hoefijzers van de paarden en het onregelmatig stappen van de mensen op de straatklinkers.
Tijdens de tocht moest ik alsmaar denken aan de woorden van dominee Dwarshuis: “De Here tegemoet gaan in de lucht.” Had hij gezegd. Maar dat kon toch niet: mensen kunnen toch niet vliegen, dat kunnen alleen vogels! En oh ja, ook Jan Olieslager met zijn vliegmachine, waar de jongens op school van zongen: “Als Jan Olieslager dood is, dan krijgen wij misschien de helft van zijn centen en ook zijn vliegmachien.”
“Altijd met de Here zijn”, wat zou dat betekenen? Hoe meer ik er onderweg over nadacht, hoe onbegrijpelijker het voor mij werd.
Na aankomst op de begraafplaats namen de buren het kistje van de wagen en droegen het naar een pas gegraven diep gat in de grond. Met twee touwen d’r omheen lieten vier buren het kistje daarin zakken en wat later gingen alle mensen op dezelfde manier als op de heenweg weer terug naar het sterfhuis in de Vinkenbuurt.
De familie ging weer weg en ook de buren. Zij hadden hun burenplichten goed gedaan.
Vooral in de eerste weken na deze gebeurtenis moest ik nog vaak terugdenken aan mijn broertje in dat kleine kistje, diep in de koude grond.



Zangvereniging De Lofstem ca. 1952
Buitenfoto van de zangvereniging met dirigent Willem Huzen. 1 Jan Veijer, 2 Jan van Blanken, 3 Bertus Meulenbelt, 4 Jan Westerik, 5 Jan Goudbeek, 6 Johan Kappert, 7 Berend Harke, 8 Fenny Kappert, 9 Henny Witpaard, 10 Toke Wesselius, 11 Margje Talen, 12 Siny Nijkamp, 13 Wiechertje van der Hoek, 14 Derkje Nijkamp, 15 Tiny Kroon, 16 Jan Lammertsen, 17 Trijntje Petter, 18 Klaas Geitenbeek, 19 Willem Huzen, dirigent, 20 Berend Jan Witpaard, 21 Henny Kroon, 22 Jennie Petter, 23 Jannie van Dorsten, 24 Geitenbeek, 25 Rita van Marle, 26 Fenna Lammertsen, 27 Wieke van Dorsten Kdr., 28 Fem van Dorsten Gdr.

* * *

Hotel Restaurant De Viersprong: een begrip in Nieuwleusen

Lydie Bruggeman

Het is ruim 37 jaar geleden dat Koop en Marjo Reurink het restaurant van de ouders van Marjo overnamen. In 1981 namen zij het stokje over van Henk en Trijntje Schoemaker. Al die jaren hebben Koop en Marjo, net als haar ouders, het bedrijf met hart en ziel gerund. Per 1 juli 2019 gaan ze er mee stoppen. Dan zal het bedrijf worden overgedragen aan de nieuwe uitbaters.

Marjo geeft aan dat het nog wel een vreemd idee is, niet meer in De Viersprong, waar ze is opgegroeid, te zijn. Maar gezien hun leeftijd en het feit dat er binnen de familiekring geen opvolger is, hebben zij besloten het bedrijf te verkopen.

Hotel restaurant De Viersprong, een markant punt en een begrip in Nieuwleusen en omstreken, heeft een lange geschiedenis. Van gelagkamer en paardenstalling uitgegroeid tot een modern bedrijf. Een plek waar al ruim 100 jaar geleden de boeren die met paard en wagen naar de markt in Zwolle gingen, hun paarden even tot rust konden laten komen en zelf ook wat te drinken namen. (Of dat toen ook al de bekende ’Hagel en Donder‘ was?)

In 2017 bestond De Viersprong 130 jaar. Het eerste vergunningsrecht aan de gemeente Nieuwleusen werd betaald in 1887. Dat werd toen gedaan door Barteld Stolte, hij was tapper van beroep. De zaak werd voortgezet door A.J.K (Karel) de Liefde en Jansina Stolte, totdat hij het op zijn beurt van 1920 tot 1922 verhuurde aan Hendrik Schoemaker en Margje Massier. Margje Massier, beter bekend nog als ‘Tante Margje’ zoals ze door veel Nieuwleusenaren werd genoemd.
Daarna was het aan Albertus Massier om de zaak te runnen, hij deed dat van 1922 tot 1937. Tante Margje en haar man namen toen het bedrijf over.
Tijdperk Schoemaker en De Viersprong werd hiermee een feit. Margje en Hendrik Schoemaker waren de grootouders van Marjo. De ouders van Marjo, Henk en Trijntje Schoemaker, namen in 1953 de zaak over. Ook zij zwaaiden jarenlang de scepter over De Viersprong, dat deden zij tot hun oudste dochter Marjo en haar man Koop Reurink de zaak in 1981 overnamen.
De Viersprong is dus jarenlang in handen van de familie Schoemaker geweest. Ondanks de diverse verbouwingen door de jaren heen is de karakteristieke sfeer binnen het bedrijf behouden gebleven. De Viersprong, gelegen aan de kruising bij het Oude Gemeentehuis en de Grote Kerk, is een markant punt in het dorp.


Margje Massier (1899-1979) trouwde op 29 april 1920 met caféhouder en paardenhandelaar Hendrik Schoemaker (1895-1978).

Koop en Marjo kijken met heel veel plezier terug op al die jaren Viersprong. Er is heel veel gebeurd door de jaren heen. Iedereen wist De Viersprong te vinden. Voor feesten, vergaderen, uitvoeringen, optredens, lekker eten of gewoon gezellig een borreltje nemen in Grand café Kareltje.
“Bruiloften zorgen altijd wel voor gekke situaties”, vertelt Marjo. “Vroeger was het de gewoonte dat de dames bij de heren op de rug moesten bij zo’n feest. Er was dan altijd wel iemand die uit z’n broek knapte. Ik had dan altijd de naaimachine klaar staan. Of het spelletje ‘we gaan naar Zandvoort’. Daarbij moesten de mannen hun broekspijpen oprollen en de dames mochten dan met blinddoek en wel voelen welke benen van hun man waren. Ook dat zorgde voor de nodige hilariteit. Ook was er ooit bij een huwelijksfeest aan het eind van de avond een mevrouw die al afscheid nam van het bruidspaar. Ik stond klaar met koffie en broodjes, en met dat ik sta te wachten zakt haar onderbroek op haar enkels, het elastiek was geknapt. De bewuste dame stapt uit haar broek en stopt die in haar tas en dat zonder blikken of blozen”. “Wij hebben echt heel veel beleefd”, vult Koop aan. “Ik zou er wel een boek over kunnen schrijven”.


Tante Margje omstreeks 1965 in het café met Aleida de Weerd-van Veen, Gerritdina Stolte- Stroink en Berendina Koezen-Stroink. Op de voorgrond kleindochter Carly Schoemaker

Ongeveer vanaf 2008 kreeg het geven van een groot huwelijksfeest andere vormen. Niet iedereen ging meer feesten in de grote zaal, gezelschappen werden kleiner en feestjes werden dan ook wel in tenten of kleinere alternatieve locaties gehouden. Reden voor Koop en Marjo om het restaurant gedeelte uit te breiden en dat bleek een goede zet. Ook het hotelgedeelte werd afgestoten, dit mede door de strengere wetgeving. Er was ook een biljartkelder, die ruimte fungeert nu nog als opslag.

“Natuurlijk was het niet altijd lief en aardig, ook vechtpartijtjes kwamen voor. Als dat gebeurde was dat meestal tijdens een feestje en de oorzaak was dan vaak een meisje en drank. Toch kunnen wij wat dat betreft stellen dat dit gelukkig maar zelden voorkwam”, aldus Koop en Marjo.

Dan is er nog de ‘Hagel en Donder’. Deze drank wordt al van oudsher door de familie Schoemaker gemaakt en verkocht. Het recept is en blijft geheim. Door de jaren heen is de afname sterk gegroeid en worden er flessen gekocht die naar diverse landen verhuizen, door klanten verstuurd naar vrienden en families. De drank wordt voornamelijk in de winter verkocht; het is een heilzaam drankje in geval van griep of verkoudheid. Marjo heeft inmiddels een nieuwe onderneming opgezet om het maken en verkopen van de ‘Hagel en Donder’ voort te kunnen zetten.


Henk Schoemaker achter de tap in het café, ca 1960

“Wij hebben al die jaren altijd met heel veel plezier De Viersprong en alles wat daarbij hoort gedaan. Wij kunnen terugkijken op bijzondere jaren, met altijd een fijne band met al het personeel en lange dienstverbanden. Zonder al die fijne personeelsleden was het heel anders geweest”, aldus Koop en Marjo. 16 juni is het laatste weekend dat De Viersprong open is en op 1 juli is de overdracht. Er zal het een en ander veranderen maar volgens Koop en Marjo wordt het pand passend en in stijl aangepast.
De naam De Viersprong en het logo blijven intact. Het klink misschien nog raar maar op 21 juni is er de laatste borrel bij ‘De Schoe’.


Tot in de jaren zeventig speelde een groot deel van het sociale leven zich af in de café’s met grote zalen.
Het bestuur van de 30 jarige accordeonvereniging Con Brio: v.l.n.r. Hendrik Schoemaker, Dochter Marjo, Henk van Dijk, Gerrit Jan Schroten, Hennie Schuurman-Klunder.

* * *

Openbare school en Christelijke school in één gebouw

Gees Bartels

Naar aanleiding van het interview met Piet Kalteren en het gedicht ‘Opa vertelt over zijn schooltijd’, in de vorige Kwartaalbladen, kwam van verschillende kanten de vraag naar voren: Hoe zit dat toch met de christelijke lagere school aan het Westeinde? Tijd om wat meer duidelijkheid te verschaffen.

De oprichting van christelijke scholen ging niet zonder slag of stoot. Met de Schoolwet van 1878 kon de rijksoverheid in alle gemeenten openbare scholen met een goede kwaliteit van onderwijs waarborgen. Voorstanders van bijzonder onderwijs moesten alles uit eigen zak betalen. Zij maakten zich sterk om ook subsidie te verkrijgen. In 1879 werd in Utrecht de Unie voor Christelijk Onderwijs opgericht onder de naam: Unie ‘Een school met den Bijbel’. Jaarlijks werd landelijk een Uniecollecte gehouden, waarvan tot 1918 de opbrengst bestemd was voor scholen die geen overheidssubsidie ontvingen.
Na de nodige strubbelingen werd in Nieuwleusen in 1911 begonnen met de bouw van de eerste School met den Bijbel. De school kreeg de naam christelijke School A. In september 1911 werd meester J.P.W. Valk benoemd tot hoofd van de school, met vrije woning en tuin en een jaartraktement van ƒ 1000,-. Juffrouw A.M. van Zuijlen was de eerste onderwijzeres, met een jaartractement van ƒ 500,-. Op 2 januari 1912 startte de school aan het Westeinde (nu) 62, met 45 leerlingen.


De eerste School met den Bijbel, met aangebouwd de onderwijzerswoning. Dit gebouw aan het Westeinde is nog steeds aanwezig.

Op 5 april 1913 waren er al 70 leerlingen en die groei zette ieder jaar door. Op 31 augustus 1916 werd een 3e lokaal in gebruik genomen en er kwam een derde leerkracht.
In 1918 waren er 155 leerlingen ingeschreven en er werd besloten een lokaal te huren in de verder van de dorpskern gelegen openbare School B in het Ruitenveen aan het Westeinde (naast nu 126 ), net voorbij de Petersweg.


Foto van de OLS school B aan het Westeinde met links de onderwijzerswoning. Dit was lange tijd de tweede school van Nieuwleusen.

Op de eerste schooldag, 3 november 1919, kwamen er ondanks de sneeuw voldoende leerlingen naar de nieuwe locatie en kon ook hier het lesgeven beginnen. Deze locatie werd de Westerse school genoemd en kreeg als naam christelijke School B, ter onderscheiding van de christelijke School A.


Zoals de foto’s laten zien werd de nieuwe naam en het jaartal meteen op het in gebruik genomen deel van het schoolgebouw aangebracht. ’OL School B’ (wit vlak links, naam niet leesbaar) en ‘1919 School Met Den BijBel’.

Op 2 april 1920 telde de christelijke School A 168 leerlingen en de christelijke School B 54 leerlingen. Meester P.G. van Engen had de leiding op School B. In 1925 werden de commissieleden van de Westerse school aangesteld als bestuursleden. Op 18 juli 1927 vond de overdracht als zelfstandige school plaats, met meester Van Engen als Hoofd der school. Beide scholen bleven onder hetzelfde bestuur.
In 1928 werd meester Siefers benoemd als opvolger van meester Valk en bleef gedurende 40 jaar het Hoofd van de christelijke School A.


Op de klassenfoto’s met maar een deel van het schoolgebouw is vaak moeilijk te onderscheiden dat het om hetzelfde gebouw gaat, met een foto van de linkervleugel OLS-B of rechtervleugel CLS-B. Dit is de OLS School B ca. 1939 met openstaande ramen van de klas van meester Katerberg.

In Nieuwleusen waren vier openbare lagere scholen:
School A aan het Oosteinde, School B aan het Westeinde, School C in Den Hulst en School D in De Meele. Het leerlingenaantal voor christelijk onderwijs bleef toenemen, zodat in 1923 in Den Hulst de christelijke School C in gebruik werd genomen en in 1930 De Meele haar christelijke School E kreeg.

In 1964 was er weer behoefte aan een (5e) klaslokaal bij de christelijke School A. Per 1 augustus 1965 betrok meester Boonstoppel met zijn klas een lokaal in de huishoudschool De Olmen aan het Oosterveen.
Eind 1965 werd besloten om voor de christelijke School A er naar toe te werken dat er een nieuw gebouw in de kern van Nieuwleusen zou komen. Dat lukte. Op 5 januari 1970 werd De Wegwijzer aan de Meidoornstraat in gebruik genomen.
Het oude schoolgebouw aan het Westeinde werd verkocht. Het linker gedeelte met onderwijzerswoning werd woonhuis, in het middendeel kwam een berging voor caravans en het rechtergedeelte werd verbouwd tot woonhuis.
Helaas is daar de oorspronkelijke stijl van de lokalen niet meer zichtbaar.
Ook De christelijke School B is inmiddels afgebroken. Dat gebeurde nadat aan de andere kant van de Petersweg een nieuwe school werd gebouwd, die de naam Het Kompas kreeg.

Rond 1947 gaf meester Katerberg nog les aan de openbare School B aan het Westeinde. Daarna werd hij hoofd der school van de openbare School A aan het Oosteinde. Die school werd opgeheven toen de nieuwe openbare school aan de Wilhelmanalaan in gebruik werd genomen.
Aan de verwarring over gebouw en plaats van de scholen A, B enz. kwam een eind toen de openbare scholen allemaal een naam kregen van een van onze koninginnen en de christelijke scholen symbolische namen kregen als Wegwijzer, Zaaier en Kompas.

* * *

EEN OUDE GROEPSFOTO

CLS School B omstreeks 1950, met alle leerlingen met meester Van de Heide, juffrouw Berghuis en meester Mulder.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
18  
19  
 
20  
 
21  
22  

Gerrit Willem Bouwhuis
Henk Wink
Jan Prins
Steven Dunnink
Henk Wink
Jan Luten
Jan Schuurman
Jan Willem Potjes
Henk Uilen
Klaas Kreule
Henk Stegeman
Klaas Brinkman
Henk Hersevoort
Jan van Leusen
Klaas Dunnink
Gerrit Luten
Bart Frielink
Tinus Ruinemans
Keimpe van der Heide, onderwijzer
Anneke Berghuis, onderwijzeres
F. Mulder, onderwijzer
Annie Grit

23  
24  
25  
26  
27  
28  
29  
30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
39  
40  
41  
42  
43  
44  
45  
46  

Hillie Westerman
Geesje Boerman
Jentje Seine
Willie Visscher
Willie de Boer
Berendina Prins
Jentje Westerman
Sina Pierik
Jannie Visser

Dina Prins

Jennigje Prins
Janna Bonen
Margje Stegeman
Tinie Post
Marrie Borger
Jentje Pierik
Hennie Schuurman
Aaltje de Boer
Fennie Potjes
Alie Visscher
Gerda Prins
Mientje Boerman

47  
48  
49  
50  
51  
52  
53  
54  
55  
56  
57  
58  
59  
60  
61  
62  
63  
64  
65  
66  
67  
68  
69  
70  

Alie Schuldink

Dinie de Boer
Geesje Meulenbelt
Tonia Kleen
Jannie Hersevoort
Gerrit Jan Grit
Berend Jan Schuldink
Albert de Boer
Henk Prins
Arend Jan Visscher
Johannes Upper
Aalt Uilen
Fennie Kleen
Annigje de Boer
Margje Seine
Annie Pasman
Aaltje Hoes
Dikkie van Duren
Riek van Lenthe
Stientje Potjes
Aaltje Schuurman
Gerrie de Boer
Ginie Dekker

71  
72  
73  
74  
75  
76  
77  
78  
79  
80  
81  
82  
83  
84  
85  
86  
87  
88  
89  
90  
91  
92  
93  
 

Grietje Hersevoort
Annie Kouwen
Dina Meulenbelt
Dikkie Luten
Jentje Pierik
Johan Hoes
Klaas Schoemaker
Klaas Upper
Aalt Westerman
Jan Klomp
Jan de Boer
Albert Grit
Henk Westerman
Albert van Leusen
Berend Luten
Jannes Pot
Hendrik Runhart
Herman Kreule
Hendrik Dunnink
Berend Potjes
Arend Jan de Boer
Wilhelmus Hof
Jan Ruinemans

* * *

‘n Groet an Ni’jluus’n

Evert Dijk (Vinkenbuurt 1982)

An de westkaant van de Vinkenbuurte
Doar lig Ni’jluus’n uutespreid.
As ik mien fi etse doarhen stuurde,
Die mi’j noar ’t olde dörpien leid,
Dan kwam ik vrögger in die streekn.
Vanof oes uus noar ’n karkenhoek.
‘K eb die umgeving goed bekeekn:
In ’t zuuden lag ’t Oldluusnerbroek.

De klinkerweg bin ‘k langs ekoomn.
Bi’j winterdag soms gloepens glad.
Aan beide kaanten stunden boomn.
Noar ’t noorden hen leup ’t Pad.
Doar stunden grote boern uuzn.
Die luu doar boerden barre best.
Hier in ’t Oostende van Ni’jluus’n
had elke boer een bonke mest.

Bi’j ’t verdergoan langs stienenstroate
Kwam ik in Karkenhoek terecht.
Doar bin ‘k een poosie toen goan proaten,
Mien oom en Menie dag ezegd.
Nog wieder bin ‘k wel ies goan
Noar ’t Westende; noar ’t Rutenvên.
Heb soms wel ies an de spoorlijn stoan:
Den trein gung deur de Meele hên.

Ok gung ik vrögger meerdre moalen,
In mien jeugdtied, veur zestig joar,
Mien andacht an Den Hulst bepoalen:
Dan zag ik völle scheepn doar,
Die van De Balk noar Asselt vaarden.
Den Hulst, an weerskaanten van ’t kanaal.
Woar de huuzen noast mekaar zich schaarden.
Het lag apart; sprak ’n eigen taal.

Ik eb de mölens vaak zien dri’jen,
Van Muller, Snieder en Massier.
En as et soms wat hard gung wei’jen,
Dan hadden de wieken veul plezier.
De tram heb ik er langs zien rieden,
De bochte deur, over brug zes.
Hi’j kwam er langs op vaste tieden.
Langs vaart noar Dedemsvaart SS.

De klokke van de grote karke,
Koj heuren tot in de Vinkenbuurt.
As wiend ’t geluud wied weg wol warken
Hef ee zien groet an oes ‘estuurd.
‘K heb ok wel ies bi’j ’t orgel keekn
van de kleine kark in de Karkenhoek.
Doomnee Van Diemen heuren preekn
uut ’t grote, dikke Biebelboek.

En now Ni’jluus’n feest giet vieren
– driehonderdvieftig joar al old –
Met bloemen stroaten giet versieren,
Muziek kloar over stroaten valt,
Denk ik trugge an die joaren
Toen ik er eertieds veule kwam.
D’ indruk van toen goa ik bewaarn,
Ok van ’t kanaal en d’olde tram.

Dit was een vässien van Ni’jluus’n,
Van ’t dörpien uut mien jonge tied.
Die streek met mooie, oale huuzn.
Wie ’t ienmoal zag, verget et niet.
Ik zal dit laand blieven gedenken
–mien veuroalders komt er vandoan –
Mien aandacht wil ik ’t blieven schenken.
‘K hoop er nog vake deur te goan.

Overgenomen uit “De Darde Klokke; driemoandeleks tiedschrift veur Ommen”; nr. 42.

* * *

Suikerzakjes

Gees Bartels

Schreven wij eerder over het verzamelen van Turmac zijdjes. Na de Tweede Wereldoorlog werden, naast sigarenbandjes, lucifermerken en postzegels, suikerzakjes een geliefd verzamelobject.

Heel veel bedrijven, elk café, restaurant of hotel had een eigen suikerzakje, meestal met een afbeelding van het bedrijf, naam, adres en telefoonnummer.
De grootste fabrikant van suikerzakjes in Nederland was W. van Oordt in Rotterdam. Die gebruikte een verpakkingsmachine die alleen suikerzakjes van 5,0 x 7,8 cm kon produceren. Zo werd dit het standaardformaat van de Nederlandse suikerzakjes.

Hele albums werden volgeplakt, vaak met spiraalband als rug. Volgeplakt stonden ze zo bol dat het mooie er meteen al een beetje van af ging. In de jaren tachtig van de vorige eeuw, met het stijgen van de welvaart, verdween de verzamelkoorts, misschien ook wel omdat iedereen in die tijd vrij gemakkelijk aan suikerzakjes uit de eigen omgeving kon komen. Wie veel op reis ging en in veel verschillende horecagelegenheden kwam, had al snel genoeg van het gedoe rond het verzamelen of weggeven. Immers erg veel verschil in vormgeving was er niet; een afbeelding van het pand, geplaatst in de omgeving, letters in cursief of staand met blauw als aantrekkelijke kleur; dan waren de mogelijkheden wel op.

Als een rage voorbij is verdwijnt vroeg of laat wat met veel ijver en toewijding is verzameld in de container. Bij de een wat sneller dan bij de ander. Maar toch: wie heeft er nu nog een album met suikerzakjes in huis? Arend en Klaas Compagner schonken hun album in 2017 aan de vereniging. Dankzij hun schenking hebben wij nu nog suikerzakjes met daarop het pand zoals het er rond 1970 uitzag van Café Schiphorst, Oostzijde 2 (hoek Dommelerdijk-Oosteinde, is nu woonhuis), Café Restaurant De Viersprong van H. Schoemaker en Hotel Café De Unie in Den Hulst van E. Vonder.


* * *

Merino’s Tapijtfabriek

Aartje Schoemaker

Tijdens een bijeenkomst ‘Met mekare an de koffietaofel’ in het najaar van 2018 bleek dat er geen informatie voorhanden was over Merino’s Tapijtfabriek. Aangezien er nog medewerkers of hun familie in leven zijn, heb ik een gesprek gevoerd met mevr. J. van Bokhorst.

De stichters van de fabriek kozen Merino’s Tapijtfabriek als naam voor hun fabriek omdat merinoschapen een hoge kwaliteit wol leveren. Per cm² groeit bij een merinoschaap tien keer zoveel haar als bij andere rassen. Daar kan zeer fijne wol van gesponnen worden.
Ter onderscheiding van andere wol en aanduiding van de kwaliteit wordt de wol die afkomstig is van deze schapen Merinowol genoemd.


R.G. van Bokhorst bij een weefmachine. Foto beschikbaar gesteld door mevrouw J. van Bokhorst.

Merino’s Tapijtfabriek was gevestigd in Hilversum, waar meerdere fabrieken waren gevestigd die machinaal geknoopte tapijten vervaardigden. Daar kon het bedrijf niet uitbreiden. Toen kwam het nieuwe bedrijventerrein in Den Hulst in beeld. Het bedrijf verhuisde naar Den Hulst en heeft van 1966 tot 1978 voor werkgelegenheid en daarmee productie in Den Hulst gezorgd. Dhr. R.G. van Bokhorst (1943) werkte in Hilversum al bij Merino.

Toen het bedrijf -onder leiding van de heren Bootsman, Vermeulen en Cordes- naar Den Hulst verhuisde, ging Van Bokhorst als één van zes medewerkers en hun gezinnen mee. Dat was, van het stedelijke Hilversum naar het landelijke Nieuwleusen/Den Hulst, wel een overgang voor hem. Na enige tijd heen en weer gereisd te zijn, konden vrouw en dochter ook naar Overijssel komen en werd in Nieuwleusen een nieuwbouwwoning betrokken.
In de fabriek werden Jabo-tapijt en tafelkleden gemaakt. De afwerking met franje van tafelkleden werd met de hand knopend als thuiswerk gedaan. Jabo-tapijt is genoemd naar de rond 1953 door Jan Bosman ontwikkelde weefmachine waarmee (kamer)breed wollen tapijt geproduceerd kon worden.
Helaas brandde de fabriek op Koninginnedag 1972 af. Naar later bleek, onbedoeld aangestoken door onvoorzichtige derden. De nieuwe directeur -dhr. Beersen en de medewerkers hebben het bedrijf weer opgebouwd en samen de schouders eronder gezet om productie en broodwinning door te laten gaan. Er kwam een totaal nieuw bedrijfspand, gebouwd door aannemer Boesenkool en Van der Kolk. Het bedrijf verhuisde later naar de Evenboersweg en alleen dhr. Van Bokhorst ging daarbij mee als medewerker.
Er werd veel overgewerkt en ook op zaterdag gewerkt. Desondanks verminderde de productie. Om meer omzet te maken werd er ook wol aan particulieren verkocht.
Uiteindelijk redde het bedrijf het niet en werd een faillissement uitgesproken. Gelukkig kon dhr. Van Bokhorst bij Van Welzenes Spoorbouw Dordrecht ander werk vinden, want inmiddels waren er geen drie maar zes monden te voeden. Het gezin bleef in Nieuwleusen wonen.






Jaargang 37 Nummer 3 september 2019


* * *

Foto voorpagina:

13 Juli 2019. Tijdens de Union Bromfietstoertocht kwamen alle uitgebrachte modellen weerbij elkaar in Nieuwleusen: de Strada, Roulet-o-matic, Polaris, Tourist, Roulette en de Boomerang. Foto: Dick Klinkenberg


Deelnemers aan de Unionbromfietstoertocht kwamen uit het hele land en uit de directe omgeving. Al die uitgebrachte modellen hier verzameld op de plek waar ze ooit zijn geproduceerd: de Union rijwielfabriek. Vlnr 1. Gerrit Lubbers, 2 Klaas Oosterveen, 3 Arie Kragt. Meer naar ’t midden met geel hesje, Henk Balder uit Rouveen en links van de twee mannen met blauw shirt, in leren jas Johan Compagner uit Staphorst. Uiterst rechts: Jan Schuurman.

* * *

Gerrit Jan Huisman; jongste bediende bij de gemeente

Lydie Bruggeman

Nieuwleusen, van oudsher een eenvoudig boerendorp. Tot 1899 had de gemeente ook geen eigen gemeente- of dorpswapen. Bij Koninklijk Besluit van 18 januari 1899 werd het wapen vastgesteld. De gemeentelijke administratie werd vanaf 1818 gehouden in de woonkamer van een boerenwoning aan het Oosteinde. Dit duurde totdat Burgemeester J. Bosch Bruist in 1878 aan het Westeinde een ambtswoning liet bouwen, die ook gebruikt werd als gemeentehuis. Later werd er aan de rechterkant van de woning een secretarie en een ‘cachot’ bijgebouwd.
Het nieuwe gemeentehuis (nu alweer ‘t Olde Gemientehuus) werd in 1931 in gebruik genomen. Gerrit Jan Huisman was vanaf 1949 werkzaam in dat nieuwe gemeentehuis.


Huisman werd geboren in het huis dat vele jaren later bekend stond als restaurant De Uuthof aan de Uithofsweg in Den Hulst. Zijn vader Bart Huisman, ook daar geboren en getogen, was getrouwd met Gerdina Kok. Gerrit had twee broers Fedde en Wim. Wim was degene die later samen met zijn vrouw Klaasje het restaurant en de discotheek runden. Gerrit Huisman ging naar de openbare lagere school op de Meele (thans woonhuis).
“Wat mij van die periode nog altijd is bijgebleven zijn de godsdienstlessen die we toen kregen. Deze werden gegeven door een jonge kandidaat predikant ds. De Bruin. Hij wist deze lessen zo te brengen dat de hele klas op het puntje van de stoel heel aandachtig naar hem luisterde, ze waren één en al oor. Ik weet dat hij na zijn studie weer uit Nieuwleusen is vertrokken” vertelt Gerrit Huisman.
Na zijn opleiding aan de middelbare school in Zwolle, was er voor hem een baan als ‘jongste bediende’ beschikbaar op het gemeentehuis. Zo werd degene genoemd die als laatste was aangenomen.
“Toen ik daar in 1949 kwam werken had ik zes collega’s en was Johannes Philippus Backx nog burgemeester. In 1950 werd hij opgevolgd door Jan Hoekstra, die naast burgemeester ook een bekend politicus was van de CHU. Zes collega’s had ik, allemaal mannen, geen bode, geen technische dienst of iets van dien. Bode Arend van Spijker kwam er later wel bij en ook een typiste werd aangenomen, eindelijk een vrouw in het herengezelschap. Ik weet nog goed dat toen ik begon, ik werd aangenomen voor 60 gulden per maand. Zodra ik kon typen, werd dat 90 gulden. En als we jarig waren kregen we geen fles jenever…...nee we namen een fles jenever mee, die dan op de zaterdagmiddag na kantoortijd werd genuttigd.”
Gerrit Huisman vertelt verder dat Henk Meyerink, hij was tot aan zijn pensioen werkzaam op het Nieuwleusense gemeentehuis, en Gerard Krol zijn leermeesters zijn geweest. “Zij hebben mij wegwijs gemaakt in de Nieuwleusense perikelen, van hen heb ik heel veel opgestoken. In die tijd was Gerard Krol gemeentesecretaris. Bouw- en woningtoezicht was in handen van aannemer Gooselink uit Den Hulst. Dat is zo gebleven tot in 1953 Ron Klijn als hoofd Openbare Werken werd aangenomen en deze taak op zich nam. Ook Ron Klijn is dat tot aan zijn pensioen blijven doen voor de gemeente Nieuwleusen.”
“Het gemeentehuis van toen bestond uit één afdeling, met een kleine groep ambtenaren, die vanaf de enige afdeling die er was werkzaam waren en de zaken van en over Nieuwleusen behartigden. In de gemeenteraad zaten toen onder andere Thijs de Boer, Jan Reuvers, Johan van Giessel en Hendrik ter Wee. Er waren jaarlijks maar zo’n vijf of zes raadsvergaderingen. Zodra er voldoende agendapunten waren kwam men bij elkaar. De stukken waar het om ging werden daarvoor al bij de raadsleden thuisgebracht. Op die manier konden zij zich voorbereiden op de raadsvergadering, geen commissievergaderingen dus.” Gerrit Huisman vertelt dat er ook personeelsuitjes waren. Zoals een uitje naar een tentoonstelling in Rotterdam. ”Wij zaten dan meestal achter in de bus. Een koffiestop was er toen niet bij. Wel was er aan boord van de bus een melkbus met ranja. Op een parkeerplaats langs de snelweg kregen wij daar dan een beker van. Zo uitgebreid als nu de uitjes zijn, zo summier waren ze toen. Al kon er ‘s avonds nog wel een etentje af.”

Gerrit Huisman was tot 1956 financieel medewerker bij de gemeente Nieuwleusen. In 1956 trouwde hij met Klazien Dunnink en vertrok naar Holten. Na vier jaar Holten ging hij in 1960 in de gemeente Wormer aan de slag tot aan zijn pensioen, ondertussen alweer dertig jaar geleden. Al die jaren was hij werkzaam op de afdeling financiën van de verschillende gemeentes.


De oorspronkelijke secretarie omstreeks 1940. Men kende toen nog maar enkele secretarieambtenaren. H. van Spijker, de eerste ambtenaar tevens gemeente-ontvanger, met rechts van hem de tweede ambtenaar tevens administrateur van het G.E.B., de heer G.H. Krol.


De burgemeesterskamer omstreeks 1940.

* * *

Het erve Westerman en zijn bewoners 3

René Fokkert

Oorlog en wederopbouw

In de beide voorgaande delen van dit artikel hebben we het erve Westerman en de daar wonende families beschreven tot en met de in 1944 overleden Hendrik Westerman. Zijn weduwe Margje Westerman-Meulman en haar dochter Jennigje woonden ten tijde van de bevrijding op de boerderij Westeinde 200. Zoon Hendrik Jan was daar ook ondergedoken en als dat niet vertrouwd was in Haerst. Na de oorlog zette hij de boerderij voort. Voordat het zover was kwam eerst nog de bevrijding met alle verschrikkelijke gevolgen die dat hier met zich meebracht.


Detail van de zgn. Kuyper-kaart uit 1865.
Westeinde 200 is het stipje achter de p van Staartkamp.


De bevrijding
De familie Westerman werd op de avond van 9 april 1945 gewaarschuwd dat ze een veilig onderkomen moesten zoeken omdat de Canadezen de volgende morgen op doortocht richting Zwolle zouden gaan. Omdat er op Westeinde 200 Duitsers ingekwartierd waren en het vermoeden bestond dat er ook munitie was opgeslagen, was het verstandig om de volgende ochtend gewoon achter op het land te gaan en zo ver mogelijk van de boerderij weg te blijven. De waarschuwing kwam van een schoolmeester, vermoedelijk was dat meester Oldenbeuving, het hoofd van de christelijke lagere school op De Meele, die destijds in het verzet zat. Dat zijn advies een goede was bleek de volgende dag. ’s Morgens om 9 uur werden meerdere boerderijen in die omgeving door de Canadezen in brand geschoten. Volgens getuigen werden de boerderijen van de families Klaas de Boer en Jan Pot en die van Hendrik Schoemaker het eerst geraakt en ging het schieten vervolgens verder in westelijke richting naar de boerderijen van Westerman, Schuurman, Albert de Boer en Upper. Op het moment van de beschietingen waren er al geen Duitse soldaten meer aanwezig in die boerderijen. Echter aan de zuidkant van het Westeinde, ter hoogte van de Hoevenweg, waren nog wel Duitsers die zich verstopt hadden achter een houtwal. Naderhand is door verschillende buurtbewoners verklaard dat de boerderij van Westerman niet door de Canadezen in brand is geschoten, maar door de vertrekkende Duitsers in brand zou zijn gestoken.
Het gezin van Albert de Boer, dat zich aanvankelijk achter de gebouwen voor de fosforgranaten en kogels verscholen hield, kwam uiteindelijk in een moddersloot ten westen van hun boerderij terecht. Met de Duitsers achter hen en de Canadezen oprukkend vanuit de richting Nieuwleusen konden zij geen kant op. De Duitsers gebaarden hun dat zij daar moesten blijven zitten. Uiteindelijk hebben ze een halve dag in de sloot doorgebracht. Hun boerderij brandde helemaal af, waarbij ook al het vee omkwam.
De familie Schuurman wist weg te komen door verder de Hoevenweg op te vluchten, waarbij de kogels hen om de oren vlogen. In totaal werden in die omgeving van het Westeinde zeven boerderijen verwoest.
Ook kwam er één bewoner om het leven. Het was de alleenwonende gescheiden Hendrik Schoemaker, die ondanks de waarschuwingen door het verzet en de naaste buren om tijdig zijn huis te verlaten, was gebleven. Een destijds 14-jarige ooggetuige vertelde dat zij met haar zuster de volgende dag al vroeg in de verwoeste boerderij van Schoemaker was gaan kijken, ondanks dat het hen door hun vader verboden was er heen te gaan. In een hoekje achter in de stal achter het dode vee troffen zij de omgekomen Hendrik Schoemaker aan, een beeld dat op haar netvlies is blijven staan. Buurtbewoners verklaarden dat Schoemaker onderdak had geboden aan twee Duitse vrouwen die met de Duitse soldaten meereisden en daar ook door hen veelvuldig werden bezocht. Waar ze zijn gebleven is echter niet bekend, maar ze zullen ongetwijfeld gevlucht zijn.


Situatieschets van 10 april 1945.

De boerderijen met de nummers 1, 2, 3 en 8 tot en met 11 zijn als gevolg van oorlogsgeweld afgebrand (in het kaartje zijn ze aangegeven als boerderij in vlammen).
De bewoners waren: nr. 1 Hendrik Schoemaker (dit huis is niet herbouwd), nr. 2 Klaas de Boer en Hendrikje de Boer-de Boer, nr. 3 Hendrik Meulenbelt en Mientje Meulenbelt-Kappert met dochter Margje Pot-Meulenbelt en schoonzoon Jan Pot, nr. 4 Klaas Schoemaker en Hermina Schoemaker- Blik met dochter en schoonzoon Hendrikje Kreule-Schoemaker en Hendrik Kreule, nr. 5 Harm Krul en Hendrika Willemina Krul-van Berkum, nr. 6 Jan Westerman en Jintje Westerman-Kleen Scholten, nr. 7 Jannes Mullink met dochter en schoonzoon Berendina Geerts-Mullink en Koop Geerts, nr. 8 weduwe Margje Westerman-Meulman, nr. 9 Klaas Alteveer met dochter en schoonzoon Hilligje Upper-Alteveer en Hendrik Upper, nr. 10 Albert de Boer en Jentje de Boer-Kragt, nr. 11 Arend Schuurman en Janna Schuurman-Klunder.


De families Klaas de Boer en Pot wisten al dekking zoekend door en langs een houtwal te ontkomen richting De Meele. Ook zij werden door de Duitsers beschoten, volgens verschillende getuigen uit de richting van de Koedijk.
Uiteindelijk zouden de Duitsers in de richting Zwolle zijn gevlucht.
De materiële schade als gevolg van de beschietingen was groot. Sommige families verloren al hun bezittingen. Bij de branden kwam ook veel vee om. Vooral bij de eerste boerderijen bij de Ebbenweg is veel vee levend verbrand in de stallen, onder andere bij de familie Pot die dan ook alles kwijtraakte.

Al direct de dag na de beschietingen en branden werd er een begin gemaakt om het dode vee te begraven. Dat gebeurde in massagraven waarvan er een aan de oostkant van de Koedijk in de hoek met het Westeinde was, op grond die destijds aan Koop Geerts toebehoorde. Het dode vee van Albert de Boer is achter hun boerderij begraven. Aan de Ebbenweg kwam een dergelijk massagraf achter de boerderijen van Klaas de Boer en Pot. Vele jaren later kwamen er bij het ploegen op die plek nog stukken van koeienhuiden naar boven. Een getuige vertelde dat mannen uit de hele buurtschap meegeholpen hebben om alle dode dieren zo snel mogelijk te begraven. Het moest allemaal met de schop gebeuren en met de beperkte middelen van die dagen zal dat ongetwijfeld een hele klus zijn geweest.

Een gedeelte van de inboedel van de familie Westerman van Westeinde 200 was vanwege de inkwartiering van de Duitse soldaten al bij familie ondergebracht (o.a. bij Harm Westerman aan de Hoevenweg). Ook een deel van het jongvee was om die reden naar familie gebracht en een ander deel liep al buiten in de weide (1945 kende een vroeg voorjaar). De melkkoeien stonden bij zwager Jan Westerman in de boerderij op Westeinde 198 op stal, waar Margje Westerman- Meulman dus ook zelf verbleef.
In de omgeving van de beschietingen zijn drie boerderijen van het oorlogsgeweld gespaard gebleven. Het waren de boerderijen Westeinde 194 van Klaas Schoemaker en Hermina Schoemaker-Blik, Westeinde 196 van Harm Krul en Hendrika Willemina Krul-van Berkum en Westeinde 198 van Jan Westerman en Jintje Westerman-Kleen Scholten. In de eikenbomen die voor Westeinde 200 stonden en die bij de aanleg van het fietspad langs het Westeinde werden gekapt, zijn de vele kogels jarenlang stille getuigen geweest van de oorlogshandelingen die hier hebben plaatsgevonden.
In de Dalfser Courant van 29 juni 1945 plaatsten de bewoners van de bij de bevrijding verwoeste boerderijen een dankbetuiging voor de hulp die zij mochten ontvangen. De afkorting N.B.S. staat voor Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten.

De families Alteveer en Upper woonden op Westeinde 202, familie Westerman op Westeinde 200, de familie Pot op Westeinde 192, de familie Klaas de Boer op Westeinde 190 en de familie Steenbergen op Ruitenveen 27. De boerderij van de familie Steenbergen werd al in november verwoest toen een vliegtuigbom in de tuin bij het huis insloeg waardoor de hele boerderij is ingestort. Niet vermeld in de dankbetuiging zijn de familie Schuurman van Hoevenweg 43, de familie van Albert de Boer van Westeinde 65 en nabestaanden van de omgekomen Hendrik Schoemaker. Zijn boerderij stond in de hoek Westeinde /Ebbenweg en werd niet herbouwd.


Tekening van de boerderij Westeinde 200 zoals die er tot april 1945 uitzag ….


… en de nieuwe situatie vanaf 1951.


Op deze foto van omstreeks 1948 staat de toen aanwezige bebouwing van het erve Westerman. Rechts met de schoorsteen het bakhuis met recht daarachter de noodwoning waarin men tot circa 1951 woonde. Daar weer achter de vierroeden hooiberg. De schuur links op de foto is de veestal, die volgens een taxatierapport uit 1948 slecht was gebouwd. Deze noodvoorziening werd bij de bouw van de nieuwe boerderij in 1951 weer afgebroken.

Herbouw van het erve Westerman
De gemeenschapszin in het getroffen gebied was in die tijd groot. Met vereende krachten van familie en buren werd veel werk verzet om de getroffen families te helpen met onderdak, noodvoorzieningen voor het vee, puinruimen en andere materiële zaken. Op Westeinde 200 werd, vermoedelijk al in juli 1945, een noodwoning gebouwd en direct betrokken. Ook als noodvoorziening werd een stal gebouwd op de plek waar het voorhuis van de verbrande boerderij stond. De noodwoning kostte 3500 gulden en de noodstal 3200 gulden. Uit noodzaak werd op eigen initiatief begin 1946 een vierroeden hooiberg gebouwd met evenzovele lieren en staalkabels waarmee het rieten dak werd gedragen. De noodvoorzieningen werden betaald door het Bureau Wederopbouw Boerderijen (in diverse documenten afgekort als het B.W.B.). Dat bureau was door de Nederlandse Staat opgericht om mensen en vee zo snel mogelijk een tijdelijk onderdak te verschaffen.
Alhoewel de toen gebouwde noodwoningen een tijdelijk karakter zouden hebben zijn er toch nog de nodige bewaard gebleven. In de noodwoning Westeinde 200 woonden in het begin Margje Westerman-Meulman met haar zoon Hendrik Jan en dochter Jennigje.
In november 1948 maakt taxateur W.H. Kaaks een taxatierapport op.


Gedeelte uit het schaderapport van de boerderij Westeinde 200. De woning, koestal/schuur, varkensschuur en de beide hooibergen zijn geheel verwoest. Alleen de wagenloods, het bakhuis en de gierkelder zijn gespaard gebleven.

Volgens dit rapport was de taxatiewaarde van de boerderij en bijgebouwen in 1940 6.452 gulden. De verzekerde waarde voor de brandverzekering was 16.140 gulden. De rijksbijdrage voor herbouw van de boerderij kwam uit op 4.809 gulden, de rest moest de gedupeerde familie zelf betalen.

Margje Westerman met dochter Jennigje in 1946 bij de noodwoning. Goed te zien is dat die is gebouwd met gebikte stenen van de verwoeste boerderij. Later zijn die alsnog vervangen voor nieuwe stenen.





















Trouwfoto (1946) van Bart Kasper en Jennigje Westerman.

Op 15 mei 1946 trouwde Jennigje Westerman met Bart Kasper. Hij was boerenzoon en afkomstig van het huis Hofwijk bij Ankum. Het pasgetrouwde paar trok in bij moeder Westerman in de kleine noodwoning. Vermoedelijk zijn er toen wat aanpassingen gedaan aan het kleine huisje om het ook voor hen bewoonbaar te maken. De beide kinderen van het echtpaar zijn er geboren, Jenny in 1948 en Henk in 1950. Jenny Kasper kan zich de kleine woonkeuken met het fornuis in de noodwoning nog goed herinneren. Ook kan ze zich nog herinneren dat zij als klein meisje, als ze naar school ging, langs het huis van Jan Westerman op Westeinde 198 kwam. Blijkbaar had Jan de bijnaam “Jan met de piepe” omdat hij pijp rookte. Op een keer groette ze hem dus als “hallo Jan met de piepe”, waarop hij heel boos werd ….


Foto uit 1951 gemaakt van de westzijde van de boerderij Westeinde 200 tijdens de wederopbouw. Ondanks de slechte kwaliteit is toch te zien dat er vijf timmerlieden bezig zijn de panlatten op de gordingen te spijkeren en dat de nieuwe dakpannen al op de steiger klaar staan om er opgelegd te worden. De bouw werd uitgevoerd door bouwbedrijf Heldoorn. De herbouw van de boerderij liep geregeld vertraging op doordat verschillende bouwmaterialen niet op tijd geleverd konden worden vanwege schaarste in die naoorlogse periode. Het kind op de steiger is Jenny Kasper. Voor de steiger staat haar moeder Jennigje Kasper-Westerman.



Links Hendrik Jan Westerman met paard bij de hooiberg omstreeks 1948. Rechts Margje Westerman-Meulman in klederdracht bij de nieuwe boerderij. Ze staat met haar fiets klaar om naar de kerk te gaan.

Hendrik Jan Westerman en Wilhelmina (Mina) Uitslag
Hendrik Jan volgde zijn vader Hendrik op als boer op het erve Westerman. Na het overlijden van zijn vader in 1944 en de verwoesting van de boerderij in 1945 was er heel veel werk wat gedaan moest worden. Als in mei 1946 zijn zuster Jennigje Westerman trouwt met Bart Kasper en ze op Westeinde 200 in blijven wonen, kunnen de werkzaamheden verdeeld worden.
In 1955 vindt er een boedelscheiding plaats tussen enerzijds de weduwe Margje Westerman- Meulman en haar zoon Hendrik Jan en aan de andere kant Bart en Jennigje Kasper-Westerman. Dat is toen gebeurd vanwege de aankoop door Bart Kasper van een eigen boerderij op het adres Meentjesweg 8. Hij kocht deze van Hendrik Brassien en Jantje Brassien-Petter. In november 1955 heeft de familie Kasper die boerderij betrokken.
In mei 1963 trouwde Hendrik Jan met Wilhelmina (Mina) Uitslag. Uit dit huwelijk werden twee kinderen geboren, Marja in 1964 en Tiem in 1965. Moeder Margje Westerman-Meulman blijft tot haar overlijden op 5 september 1966 bij hen inwonen.
Het boerenbedrijf van Hendrik Jan Westerman bestond destijds uit maximaal 24 stuks melkvee met bijbehorend jongvee en een aantal fokvarkens op circa 12 hectare grond. In 1991 is Hendrik Jan met melken gestopt, maar tot 2000 bleef hij nog boer. Hij kon echt genieten van zijn boerderij en werkte altijd heel bedachtzaam. ’s Vrijdags ging hij vaak naar de wekelijkse Zwolse veemarkt. Hij genoot van contact met mensen. Verder keek hij met name graag naar schaatswedstrijden op tv. In het najaar van 2005 zijn Hendrik Jan en Mina in een appartement in de Gulia Palthe State in Nieuwleusen gaan wonen en ging de boerderij in de verkoop. Hendrik-Jan is overleden op 18 juli 2011 en Mina op 11 juni 2018. Beiden zijn begraven op de algemene begraafplaats in Nieuwleusen.


Omstreeks 1977 even tijd voor een rustpauze tijdens de werkzaamheden op het land. Vlnr: Arie Geerts (buurjongen), Henk Kasper (zoon van Bart en Jennigje Kasper-Westerman), Marja Westerman, Hendrik Jan Westerman en Mina Westerman-Uitslag.

De huidige situatie
Nadat ze de boerderij Westeinde 200 gekocht hebben van Hendrik Jan en Mina Westerman- Uitslag gaan Victor Lawant en Leonie Stellema er in 2006 wonen. Aan het uiterlijk van de boerderij zelf is weinig veranderd, maar binnen is deze echter flink verbouwd. Het oorspronkelijke voorhuis is veranderd in een slaapgedeelte en het gedeelte van de veestal is woongedeelte geworden. Het erf is nog een halve hectare groot.


Westeinde 200 in oktober 2017 gezien vanaf de Koedijk met rechts “Het Bijhuisje”, de voormalige noodwoning van de familie Westerman.

De oude noodwoning, die in onbruik was geraakt na het betrekken van de nieuwe boerderij in 1951 en toen als varkensstal ging dienen, werd later de plaats waar de melktank kwam te staan en voor het overige opslagruimte. De nieuwe eigenaren knapten dit gebouwtje op en nu wordt het verhuurd als recreatiewoning. Het is de bedoeling om van “Het Bijhuisje”, zoals het gebouwtje nu heet, een Bed & Breakfast te maken. Victor en Leonie hebben drie kinderen waarvan er twee geboren zijn in het huis aan het Westeinde.

Bronnen: families Westerman, Kasper en Lawant/Stellema, H. Ekkelenkamp, mevr. Reuvekamp-Reuvers, mevr. Rolleman-Westerman, mevr. de Weerd- Borger, J.W. de Weerd, HCO Zwolle, https:// wederopbouwvansalland.nl, Hist. Kring Dalfsen, fotoarchief Palthehof, J. Klein (situatieschets 1944) en overige leden werkgroep genealogie.

* * *

‘et kump vanzelf noar bov’n’

Jenny Kasper en Henny ter Wee

Met Mina Prins-Praas gingen wij in gesprek omdat zij aan de historische vereniging een deel van haar gedichten schonk. Gedichten in het Nederlands en in de Neder-Saksische streektaal. Verrassend in haar eenvoud schrijft zij over het leven op de boerderij, haar schooltijd, het verenigingsleven en het landschap in Nieuwleusen zoals zij dit ervaart en zoals zij dit ziet. Daarmee heeft zij, niet zo bedoeld maar achteraf wel zo te lezen, het dagelijks leven vastgelegd als historisch erfgoed.

Mina Prins–Praas is in 1930 geboren als Hermina Praas, op een boerderij aan de Dalfser kant van de Stouwe, op het punt waar toentertijd Nieuwleusen, Dalfsen en Ommen aan elkaar grensden. Zij is dochter van Jan Hendrik Praas en Aaltje Reurink.


Mina Prins –Praas helemaal op haar plek in de landelijke omgeving van het drukke Ruitenveen.

Mina groeide op in een gezin met zeven kinderen. Vier zussen boven haar en twee broers, waarvan eentje voor en eentje na haar. Dus was Mina de middelste van de drie jongsten. In leeftijd stonden zij dicht bij elkaar. Zo groeide zij op met haar broertjes en deed met de jongens mee in het spel. Samen voetballen? Dan moest Mina in het doel.
Zo ging dat.
Het was een gezellig gezin, zegt zij. Er was vaak muziek en er werd veel samen gezongen. Harm Jan, de jongste broer, speelde accordeon. Mina was tien jaar toen de Tweede Wereldoorlog begon. Zij kan zich deze periode nog heel goed herinneren. Het was een nare tijd, deze oorlogstijd met de terugkerende angst en spanning als vliegtuigen overgingen. Met name de ‘groenen’, de mensen met Nazisympathieën, waren gevaarlijk. Bij haar thuis was een onderduiker ondergebracht. Door verraad is deze persoon opgepakt. Op een keer kwamen er nog jonge Duitse soldaten op het erf. Deze raakten in gesprek met haar moeder. De oorlog was voor hen geen keuze. Zij waren dienstplichtig en ervoeren ook de dreiging van de oorlog. Haar moeder heeft deze soldaten koffie gegeven.
Mina vertelt, dat zij als jongste meisje nooit nieuwe kleding kreeg. Alle stof werd hergebruikt uit de te klein geworden kleding van haar oudere zussen.
v Mina ging op school in de Vinkenbuurt, evenals haar zussen en broers. Daar kerkte het gezin ook. Vinkenbuurt was de plek waar haar jonge leven zich afspeelde. Mina ging later pas richting Nieuwleusen. Alle kinderen gingen graag naar school en kwamen met goede rapporten thuis.

Enkele jaren terug schreef Mina voor haar kleindochters het gedicht over haar schooltijd rond 1940

‘s Morgens vroeg om half acht, och wij zaten er niet mee,
kwam ik met mijn beide broertjes vrolijk uit de bedstee.
Wassen moesten wij ons, koud of warm, of dat er iets toe deed.
Om de beurt onder de pomp, bij de koeien op de deel.
Dan had moe een warme pannenkoek, lekker zo van het vuur.
Naar school moesten wij dan, ook al was ‘t maar net acht uur.
Nu gaat de jeugd met de auto of op de fiets. Dat was er toen niet bij.
Onze klompjes stonden bij de deur , netjes op een rij. (…..)

Van haar lagere schooltijd heeft Mina dus echt genoten. Na de lagere school is zij nog korte tijd naar de huishoudschool in Dalfsen geweest, tot de Duitsers deze school vorderden. Vanaf toen kwam zij thuis en hielp met alle voorkomende werkzaamheden op de boerderij, in het voor- en achterhuis. Heel gebruikelijk in die tijd.

“En dan ga je rond je vijftiende levensjaar naar de meisjesvereniging in Nieuwleusen. Een mooie plek om leeftijdgenoten te ontmoeten en daar waren ook de jongens van de jongelingsvereniging.” En zo kon het gebeuren dat zij kennis kreeg aan Hendrik Prins van de Petersweg uit het verre Westeinde. Na vijf jaar verkering zijn Mina en Hendrik in 1952 getrouwd. Mina kwam te wonen op de boerderij van de familie Prins, Petersweg 4.
Het was wennen voor haar, weg van haar vertrouwde omgeving en de rust van de Stouwe, naar de drukkere omgeving in het Ruitenveen. Zij ‘trouwde in’, zoals dit werd genoemd. De moeder van Hendrik was jong gestorven en grootmoeder ( opoe) Van Dijk- de Boer en Hendriks vader, die weduwnaar was, woonden ook op de boerderij.
Drie dochters zijn er geboren. Voor de Praas familie schreef Mina het familieverhaal; opdat de latere generaties Praas hun geschiedenis kennen.

Mina sloot zich aan bij de vrouwenvereniging en ging ook bij de toneelgroep in Nieuwleusen. Zij vertelt hoe bijzonder het was om het toneelstuk ‘Hilde’ te spelen. In dit toneelstuk, naar de roman van Anne de Vries, vervulde zij de hoofdrol. Dit stuk is diverse malen opgevoerd in Nieuwleusen. Grappig is dat de naam van de toneelgroep ‘Oese volluk’ is aangedragen door Mina. Dat kwam zo: De toneelgroep zocht een naam. ‘Als een ingeving’ kwam de stem van opoe Van Dijk-de Boer in haar herinnering. Wanneer deze de eigen mensen riep voor de koffie of het middagmaal, was haar roep altijd: ‘oese volluk – koffietied of èt’nstied!’ Dit bracht Mina op een idee en zo bracht zij de naam ‘Oese volluk’ in. Het bestuur nam de naam over.
Ze genoot van deze activiteiten. Daar kwam nog het dichten bij.
Op de lagere school had Mina al een goed taalgevoel en al lange tijd schrijft zij stukjes op rijm, voor feesten van familie en vrienden.
Mina schrijft in beide talen, het Nederlands en het Nedersaksisch, met evenveel gemak. Daarbij schrijft zij de woorden in de streektaal zoals zij de klanken hoort. Zij heeft in haar gedichten aandacht voor de lokale geschiedenis en haar liefde voor de natuur .

Enkele jaren terug werd in het Dalfserveld een nieuwe sloot gegraven. Voor Mina de aanleiding om het volgende gedicht te schrijven.

De Riete

Vroeger liep de Riete door het Dalfserveld.
Deze laagte zorgde voor afwatering
werd ons steeds verteld.
Vanaf Witharen ging zij op Oudleusen aan.
‘s Winters schaatsen, zomers zwemmen,
wat hebben wij dat vaak gedaan.
Het wolgras en de zonnedauw,
kwamen hier veel voor.
En ‘s avonds in de schemering,
vormden de kikkers saam een koor.
Maar in de crisisjaren,
toen er haast geen werk was,
kwamen de arbeiders met kruiwagen en bats.
En zo veranderde de Riete in die jaren ras.
Maar nu ging men aan het klagen,
het water wil niet weg.
Met een grote graafmachine,
werd door het Dalfserveld,
een nieuwe sloot gelegd.
Helaas is er door dit alles,
ook heel veel pech.
Want zonnedauw, wolgras en kikkers,
die zijn voorgoed nu weg.


Mina is op haar best met spontane opwellingen. Het schrijven gaat dan als vanzelf. Zo gebeurde het dat zij na een uitje met de vrouwenvereniging het verslag van die dag op rijm maakte.
Altijd heeft ze pen en papier bij de hand, ook nu nog, zegt ze. Want soms komt er zomaar een ingeving naar boven en dan moet zij dat wel meteen opschrijven.
Mina droeg haar gedichten het liefst zelf voor. Dat past wel bij iemand die ook toneel speelt en teksten goed tot hun recht moet laten komen.
Ook haar broer Martend kon goed dichten, vertelt Mina.
Er stond ook weleens een oproep in de krant om een gedicht in te zenden. Zij stuurde dan een gedicht in en dat werd soms ook geplaatst. Haar gedichten bleven niet onopgemerkt en werden in Nieuwleusen ook gewaardeerd.
Van de Onderlinge Brandweerborg Maatschappij (OBM), het latere Univé, kreeg zij het verzoek een lied op rijm te maken ter gelegenheid van het 100-jarig bestaan.
Een zware opgaaf, zegt ze. In deze opdracht moest het een precies kloppende tekst worden, op de melodie van “Aan het strand stil en verlaten”.
Op de vraag of zij met anderen haar gedichten doorleest, vertelt Mina dat haar dochters soms reacties geven, waardoor zij weleens de tekst herziet.


Het bakhuisje zoals het nog steeds op het erf staat.

Op de vooravond van ons gesprek vond Mina een foto van het al heel oude, steeds goed onderhouden bakhuis op haar erf. Dat was voor haar zo’n aanleiding om spontaan een gedicht te schrijven over het gebruik en nut van het bakhuis. Het gedicht verhaalt over de periode van de zomerse oogsttijd. De boerinnen hadden dan de dubbele taak. Naast het huishouden en koken moesten ze volop meehelpen op het land. Om het huishoudelijke werk zo beperkt mogelijk te houden, werd het bakhuis tot woonplek gemaakt en het voorhuis alleen gebruikt als het echt nodig was. Vervolgens was dit bakhuis in de herfst- en wintertijd een beschutte plek voor de jongelui en de vrijerij.

Het bakhuisje

Nou kijken wij er tegenaan,
O wat staat het knusjes daar.
Maar in die goede oude tijd
Werd je er zomers bijna gaar.

Gingen de koeien voorjaars van de stal,
Wij woonden de hele zomer daar,
Het bakhuis was grondig schoongemaakt,
In weer en wind, met elkaar.

Want de vrouwen moesten zomers,
Heel vaak mee naar het land.
Zo bleef het voorhuis
Dan altijd netjes aan kant.

Maar midden in de zomer
Was er een grote plaag.
Het zag er zwart van de vliegen,
Dat zie je toch niet graag.


(eerste vier van elf verzen)

Wij vonden het verrassend en plezierig deze oorspronkelijke gedichten- en verhalenvertelster van het oude Nieuwleusen te ontmoeten.

* * *

UNION Hout- en bouwmaterialenhandel (deel 1)

Gees Bartels

De Union Hout- en Bouwmaterialenhandel is een broertje van de Union Rijwielfabriek. Naast elkaar groeiden ze op en breidden zich uit langs het kanaal de Dedemsvaart; eerst als één familiebedrijf, in 1955 ieder op eigen benen.

Berend Jan van den Berg (1845 – 1908) is molenaar en tevens handelaar in hout en bouwmaterialen aan de Dommelerdijk te Nieuwleusen. Hij heeft drie zonen: Berend Jan (1877 – 1932), Jan (1879 – 1945) en Evert (1882 – 1934). In 1900 koopt hij in Den Hulst een perceel grond aan de noordoever van de Dedemsvaart om van zijn bedrijf een familiebedrijf te maken met groeimogelijkheden voor de volgende generatie. Hij bouwt daar een woonhuis met pakhuis en een houtloods. Men begint er met de verkoop van veevoeder, kalk, kunstmest, hout en bouwmateriaal. Daar komen al snel fietsen bij en een reparatiewerkplaats.
Als Berend Jan jr in 1904 trouwt met Hermina Johanna Theodora Hennink, wordt er voor het huis in Den Hulst een winkelpand gebouwd.
De verkoop wordt uitgebreid met ijzerwaren, galanterieën, emaillen huishoudelijke artikelen en rijwielonderdelen.
Als het bedrijf aan het kanaal volop in bedrijf is en de korenmolen aan de Dommelerdijk door de opkomst van de Coöperatieve Landbouwvereniging niet veel meer betekent, wordt die verkocht aan Snijder voor ƒ 4.000.- . Snijder is ook timmerman-aannemer (Snijder- Deuzeman) en bouwt de molen om tot houtzaag molen.

De Union hout- en bouwmaterialenhandel
Na het overlijden van Berend Jan sr. blijven de drie broers nauw met elkaar samenwerken. De oudste twee broers concentreren zich vooral op de rijwielen en gaandeweg worden de bedrijfspanden uitgebreid en komt er een duidelijker werkverdeling.
1916: Evert van den Berg, de jongste, wordt belast met de afdeling timmerhout en bouwmaterialen.
1925: De hout- en bouwmaterialenhandel van de UNION krijgt door uitbreiding van de handel een afzonderlijk kantoor annex cementopslagplaats en houtloods.
1930: De hout- en bouwmaterialenhandel van de UNION krijgt een houtzagerij met schaaf- en cirkelzaagmachines.
1934: Evert van den Berg overlijdt.
1937: Berend Jan volgt zijn vader Evert op als procuratiehouder van de hout- en bouwmaterialenhandel.
1955: Berend Jan Ezn brengt de afdeling hout- en bouwmaterialen onder in een zelfstandige N.V. en wordt directeur-eigenaar.


1925: De hout- en bouwmaterialenhandel van de UNION krijgt door uitbreiding van de handel een afzonderlijk kantoor annex cementopslagplaats en houtloods.


De Evenboersweg was lange tijd een smalle klinkerweg door boerenland.

Berend Jan Ezn. (1915-1990)
Evert van den Berg heeft een zoon, Berend Jan, meestal BJ genoemd. Berend Jan Ezn is als derde generatie Van den Berg met zijn neven aanvankelijk nog nauw bij het familiebedrijf betrokken, maar maakt van de hout- en bouwmaterialenhandel een zelfstandig bedrijf. Hij heeft een opleiding aan een houtschool in Zweden gevolgd. Als hij als procuratiehouder aantreedt is het bedrijf nog een echte houthandel in bekant en onbekant vurenhout.
In de jaren 1925 – 1960 heeft men een bekend product, het zogenaamde rondhout voor steigerbouw. Daarvoor werd sparrenhout gebruikt waar de bast van was afgehaald. Er waren palen van verschillende lengtes nodig: de ‘juffer’, 5 meter lang, met een doorsnee van 12 cm aan de ene kant en 8 cm aan de andere kant, en de ‘aanbinder’, met een doorsnee van ongeveer 8 cm. Daarbij kwam nog de ‘korteling’, dwars op de steiger. Als het raamwerk stond werden over de ‘korteling’ steigerplanken gelegd van geïmporteerd gezaagd vurenhout.
Toen BJ aangaf voor zichzelf te willen beginnen, verklaarden zijn neven hem voor gek “Je hebt hier een goed salaris, beter krijg je het niet en dat gooi je zomaar weg.” Maar BJ kocht het naastgelegen weiland van Massier en begon als zelfstandige ondernemer.
Een jaar later bekenden de neven al dat hij het goed had bekeken.
In 1954 kocht BJ de aandelen van de houthandel van zijn familieleden en maakte er de zelfstandige ‘N.V Union Hout- bouwmaterialenhandel’ van.
Voor hij van de houthandel een zelfstandig bedrijf maakte ging, wat gechargeerd gezegd maar zo voelde het, de winst van de houthandel naar de rijwielfabriek voor de ontwikkeling van nieuwe fietsen en kwamen de versleten typemachines naar de houthandel om te voorzien in de kantoorbehoeften.
De houthandel werd uitgebreid met ruwe bouwmaterialen zoals zand, grind, cement, kalk, kalkzandsteen, gevelsteen, tegels, betonwaren en gresproducten voor riolering. Enige tijd later verkocht men ook ijzerwaren, spijkers, schroeven, sloten, scharnieren enz.


Berend Jan Ezn. en wethouder Evert Evertsen

In 1960 werd er aan de overkant van de Evenboersweg, aan de rechterkant van de rijwielfabriek, een betonfabriek gebouwd. Eerst werden er betonramen gemaakt, maar al snel werd de productie uitgebreid met beerputten, wanden voor schuren, tegels en cementen dakpannen.
Daar werd flink mee verdiend, maar toen BJ zich minder direct met het productieproces ging bemoeien, ging de kwaliteit achteruit. Tijdens het werk bleek dat het cement beter door de machine liep als er wat meer water aan werd toegevoegd. Maar na enige tijd kwamen er klachten van de boeren omdat de ramen scheurden. Er moesten vervangende exemplaren worden geleverd – en weg was de winst.
Wie voorop loopt, wordt vaak ingehaald door volgers die nieuwe technieken toepassen.
Concurrenten gingen werken met kunststof mallen, waarbij geen roestvorming optreedt. Om concurrerend te kunnen blijven produceren zou BJ opnieuw moeten investeren in het vervangen van de stalen mallen. Na de eerdere tegenvaller had hij daar geen zin in en liet de betonproductie wegvallen.
Gemiddeld werd er met drie à vier vrachtwagens gewerkt, maar in de praktijk was dat anderhalf à twee, want de helft van de wagens stond meestal voor reparatie bij Boers in de garage.
Toen BJ dat helemaal zat was, verkocht hij het zomerhuisje ‘De Berghut’ bij de stuw in Oudleusen (het staat er nog steeds) en kocht met dat geld vijf nieuwe DAF vrachtauto’s.
Met de benzine ging het al net zo. Aan het eind van het jaar werd door Boers 1 cent korting per liter gegeven. Toen er niet meer speelruimte inzat ging BJ de markt op en kreeg bij Stolte drie cent korting.


Met draaien en achteruitrijden op de smalle wegen met zachte bermen wordt een verkeerde manoeuvre al snel afgestraft.

Het bedrijf ging zich op een breder assortiment van bouwmaterialen richten.
Vertegenwoordigers van grote houtimporteurs uit Amsterdam, zoals Willium & Bonte, Koning & Houkes, kwamen meestal één keer per veertien dagen naar Zwolle, waar zij dan overnachtten bij hotel Wientjes. Onder het genot van een borrel of maaltijd regelde BJ daar met hen de zaken.
De aanvoer van materialen en grondstoffen kwam deels per schip bij het bedrijf en deels per spoor bij de Lichtmis. Later werden de goederen voor een groot deel met eigen vrachtwagens uit Amsterdam gehaald. In die tijd hing de was nog buiten in de straten van deze stad te drogen. Omdat de wagens zo hoog mogelijk werden opgeladen, gebeurde het regelmatig dat er ergens een waslijn werd losgetrokken.

Laden en lossen ging allemaal met de hand. Van het schip werd de lading overgebracht op een lorrie. Die werd met mankracht over de rails voortgeduwd naar het cementhok onder het kantoor. Daar werden de zakken weer op de schouder genomen en opgestapeld.
Losse arbeiders losten cement voor een of twee cent per zak. Nu nog is er de bewondering en verbazing over de spierkracht van werknemers die jarenlang zakken cement met een gewicht van 50 kg op de schouder van het schip, de treinwagon of vrachtauto tilden. ’s Avonds stond bij hen het bloed op de schouder. Toch werden veel werknemers vrij oud. Ook tilden zij grote, zware rollen vochtwerend (kracht-) papier en bij het lossen van stenen kon een goede werknemer zomaar ‘een meter breed’ oppakken en op de goede plek neerzetten.

* * *

Suzan en Gertjan Groen; een muzikaal duo

Gees Bartels en Henny ter Wee

Bladerend in de Foto-Beeldbank kwamen wij foto’s uit 1998 en 1999 tegen van het accordeonduo Suzan en Gertjan Groen. Wat zou er van dat duo zijn geworden, vroegen wij ons af. Het huisadres Burg. Hoekstrastraat 16 werd ook genoemd, dus was een afspraak met de ouders van het duo snel gemaakt.

Suzan Groen is geboren op 18 juli 1979 en Gertjan op 16 mei 1983. Beiden bezochten de Koningin Julianaschool en daarna de Thorbecke scholengemeenschap in Zwolle.
Suzan was 8 jaar oud toen ze na de gebruikelijke twee jaar blokfluitles op de muziekschool aan het Oosterveen een ander instrument moest kiezen.
Haar moeder adviseerde haar om orgel te kiezen omdat dit instrument thuis aanwezig was. Suzan wilde liever accordeon gaan spelen. Tijdens vakanties in Oostenrijk had ze dat instrument leren kennen en je kon het instrument overal mee naartoe nemen. “Maar dan moet je wel goed oefenen”, zei haar moeder, want de ƒ 680,- aanschafkosten voor dat instrument moesten de ouders zelf betalen.
Het werd het begin van een reeks van jaren waarin ook de ouders flink aan de bak moesten. Eerst kwam het oefenen van de handgrepen, met twee handen tegelijk. Eerst af en toe voor de spiegel, want als speler zie je de toetsen niet en zien wat je hoort, helpt in het begin.


Susan en Gertjan in Oostenrijk.

Suzan had al snel de techniek onder de knie en kreeg veel plezier in het accordeonspelen. Ze bleek heel muzikaal en nam ook zangles.
Gertjan koos na twee jaar blokfluitles voor klarinet. Omdat hij ook graag met zijn zusje wilde samenspelen, nam hij daarnaast privé accordeonles. Ook kwam er een drumstel in huis en werd hij een vaardige drummer.
Suzan en Gertjan werden lid van het accordeonorkest in Dedemsvaart en speelden daarin op verschillende instrumenten en Suzan zong er ook. Al heel snel traden beiden ook op tijdens accordeontreffens, van Hoogeveen tot in Diepenheim en over de grens in Duitsland.
Tijdens vakanties in Oostenrijk speelden ze zoveel mogelijk samen met muzikanten uit de omgeving, vaak met muzikale families. Suzan wilde graag ook zelf Oostenrijkse muziek spelen, maar daarvoor heb je een Steirische harmonica nodig.
Dus was de grote vraag: Hoe kom je in Nederland aan een goede Steirische harmonica? De goede instrumentbouwers wonen immers in Oostenrijk. Tijdens een muziektreffen in Hardenberg bleek dat iemand een chauffeur in Zuid-Limburg kende die regelmatig ritten naar Oostenrijk moest maken. Nadat hem het probleem was voorgelegd, beloofde de chauffeur dat hij bij de fabriek van Peter Müller aan zou gaan. In goed vertrouwen werd een groot geldbedrag meegegeven en zo kreeg Suzan, toen ze 17 jaar oud was, een spiksplinternieuwe originele Steirische harmonica.
De trekharmonica is een instrument dat erg op de accordeon lijkt, maar er is toch een andere techniek voor nodig. Bij de harmonica ontstaan toonverschillen bij het in- en uittrekken van de balg. Als je trekt hoor je iets anders, dan als je duwt. Ook zijn de mogelijkheden beperkter en hangt het af van welke muziek een orkest speelt, welke harmonica daarbij past.
Suzan leerde zichzelf op het instrument spelen en kocht in de loop van enkele jaren verschillende harmonica’s. Ze ging luisteren naar liedjes op een cd en zette die zelf in notenschrift op papier. Zo kon zij de nummers instuderen die zij graag zelf wilde spelen.
Suzan zat inmiddels op het Zwols conservatorium waar ze ook accordeonlessen volgde. Zij gaf zelf ook les, op zaterdag, thuis, meestal aan volwassenen die haar hadden zien optreden en er wel een lange reis naar Nieuwleusen voor over hadden om van haar les te krijgen.
Suzan en Gertjan traden samen op in avondvullende programma’s toen ze 18 en 14 jaar oud waren. Ze bespeelden verschillende instrumenten. Suzan zong en praatte met vrolijke tussenstukjes het programma aan elkaar en Gertjan kwam soms even verkleed als muzikaal spook voor het voetlicht. Vanaf 1992 trad Suzan in de vakanties ook op als straatartiest, bijvoorbeeld in Zwolle, in Meppel tijdens de Meppeldagen en in Ommen tijdens de Ommer Bissingh. Daarmee volgde zij het advies op van haar muziekdocent:
“Oefen en speel ook in de vakantie zoveel mogelijk.”
Moeder en vader hielpen niet alleen financieel bij de muzieklessen en de aanschaf van instrumenten, microfoons en versterkers, maar reden ook bij dag, nacht en ontij naar al die plekken waar de kinderen gingen optreden. Daarbij werd de afspraak gemaakt dat 10% van de inkomsten als vergoeding naar de ouders ging.

Wat is er van het duo geworden?
Suzan wilde na het atheneum medicijnen gaan studeren, maar werd uitgeloot en heeft daarom eerst een jaar biologie gestudeerd. Na een jaar kon ze alsnog terecht aan de Radboud Universiteit in Nijmegen. Na haar studie kon ze een huisartsenpraktijk in Cuijck overnemen en daar is ze nu nog steeds zelfstandig huisarts. Ze is getrouwd met een bioloog en heeft twee kinderen. Daarnaast volgt ze muziekles, geeft ze les en speelt in een orkest. Muziek blijft een belangrijk onderdeel van haar leven.
Gertjan speelde in Nieuwleusen bugel bij Crescendo, genoot van het musiceren en bespeelde tien instrumenten. Na het atheneum wilde hij eigenlijk naar het conservatorium, maar hij bedacht zich en wilde bij nader inzien toch liever architect worden. Hij stopte met de muzieklessen en ging naar de Technische Hogeschool in Eindhoven.
In 2007 was Gertjan klaar met zijn studie, maar 2007-2008 waren slechte jaren voor de bouw en het lukte hem niet om meteen een baan op een architectenbureau te krijgen. Hij ging aan de slag als verkoper bij een tegelzaak.
Na een sollicitatie bij het bekende architectenbureau van Peter Zumthor werd Gertjan aangenomen en vertrok naar Bregenz aan de Bodensee in Zwitserland. Zijn vriendin ging mee naar Zwitserland, maar is inmiddels met een Zwitser getrouwd. Gertjan kreeg hulp van collega Valerie om zijn Duits beter onder de knie te krijgen. Zij kregen een relatie en werden een echtpaar. Valerie was als kind met haar ouders naar Australië geëmigreerd en voor haar architectenstudie teruggekomen naar Europa. Haar heimwee naar Australië bleef en dat maakte dat ze samen naar Australië zijn gegaan. Ze wonen in Perth. Beiden geven in deeltijd les aan de universiteit. Ze hebben twee kinderen, een jongen en een meisje. Valerie is zelfstandig architect en Gertjan maakt deel uit van het management van een gerenommeerd architectenbureau en werkt met toparchitecten aan grote projecten.
In de zomer van 2019 was de hele familie weer even in Nederland bij elkaar. Van samenspelen op de accordeon is het daarbij niet gekomen, daarvoor zijn de levens te ver uit elkaar geraakt en is bij Gertjan de muziek te ver op de achtergrond geraakt.

* * *

Een dag met een oranje randje

Aartje Schoemaker

In het fotoarchief van onze vereniging zijn enkele foto’s aanwezig die zijn genomen op 19 juni 1979. Op de foto’s is te zien dat veertig jaar geleden “Bejaardensoos De Kerkenhoek” meedeed aan het ouderendefilé voor paleis Soestdijk ter ere van de 70ste verjaardag van koningin Juliana. Wij vroegen Aartje Schoemaker wat er was voorafgegaan aan de deelname aan dit defilé door een afvaardiging uit Nieuwleusen. Dit is haar verhaal.


Vlnr. Bep van Eyck-Schreurs, Berend Jan Marsman, Jentje van Duren-Bonen, Aartje Schoemaker-Ytsma, mevrouw Koers, Dien Hulsebosch-Veerman, Koningin Juliana, Willem Venema. Op de achtergrond de met oranje slingers versierde Gebo-bus vol enthousiaste soosleden.

Op 1 april 1978 werd ik bevestigd als diaken van de Hervormde gemeente, met speciale opdracht: het bejaardenwerk. Een van de activiteiten was de leiding van “Bejaardensoos De Kerkenhoek”. Voordien werd dit gedaan door mevrouw Dien Hulzebosch-Veerman. Wegens ziekte moest zij daarmee stoppen. Ik was toen dertig jaar.
Het leek me leuk om het jaarlijkse uitstapje een oranje tintje te geven en schreef op 2 mei 1978 een brief naar de Oranjevereniging te Baarn. Die brief was, zoals toen nog gebruikelijk, handgeschreven. Op 30 mei kwam hun antwoord met daarin: “Ons inziens is het voor bejaarde personen niet aan te bevelen aan het defilé op 30 april deel te nemen in verband met de lange wachttijden en de zeer wisselende weersomstandigheden. Het lijkt ons verstandiger een aanvraag in te dienen bij het Secretariaat van Hare Majesteit te Soestdijk voor deelname aan het z.g. “bejaardendefilé”, doorgaans in juni te houden.“
Dat advies was niet aan dovemansoren gericht. Op 11 juli 1978 kwam er een brief met de ontvangstbevestiging van mijn brief van 6 juli 1978, “Met gevoelens van de meeste hoogachting” van De Particulier Secretaresse van Hare Majesteit de Koningin, jonkvrouw C.E B. Roëll. De jonkvrouw deelde mee dat de brief doorgestuurd was naar de Nederlandse Federatie voor Bejaardenbeleid te ‘s-Gravenhage. Die vereniging was belast met de organisatie van het bejaardendefilé.
Het begon een serieuze vorm aan te nemen. Het zou toch heel bijzonder zijn als deelname zou lukken.
Op 4 augustus 1978 kwam er antwoord van de N.F.B. Als de gegevens zouden zijn ontvangen, zou de bejaarden sociëteit “De Kerkenhoek” op de lijst van deelnemende organisaties gezet worden. Op 15 januari 1979 kwam er een einde aan de onzekerheid, dankzij de brief met daarin: “wil ik U even berichten dat ..... opgenomen is op de lijst van deelnemende organisaties ....in juni a.s., naar aanleiding van Uw schriftelijke opgave d.d. 10 augustus 1978.”
Op dat moment kon het plan aan de soosleden worden meegedeeld. Dát leek ze wel wat! Op naar Soestdijk!
Vanaf dat moment moest ook de organisatie in gang gezet worden. Bus regelen, aantal personen, kosten, verpleegkundige mee, wat geven we cadeau?
Op 10 mei hoorden we van de N.F.B. dat het defilé op 19 juni 1979 om 12.00 uur zou plaatsvinden.
Vier personen zouden nader kennis mogen maken met de koningin en de deelnemers zouden zelf geen foto’s mogen maken. (We hadden nog geen mobieltjes)
Ieder sooslid verheugt zich op de reis. Hoe er vier afgevaardigden uit te kiezen?
Ik neem een oranje washand mee, met daarin gevouwen papiertjes. Op vier ervan staat een oranje merkje. Bij de dames twee en bij de heren twee, want ze brengen de soosmiddagen gescheiden door. Wie er daar één van trekt is een gelukkige. Dat zijn de dames Jentje van Duren en Bep van Eijck en de heren B.J. Marsman en Venema.
Besloten werd om Hare Majesteit een pop in Nieuwleuser klederdracht aan te bieden. Die had zij vast nog niet in haar verzameling. We vonden mevrouw Koers uit Berkum bereid om een pop in visitedracht aan te kleden. Van de Union rijwielfabriek kregen wij een miniatuurfietsje in luxe geschenkverpakking mee. Er werd een bus geregeld waarin voor alle leden van de soos plek was. We troffen het: 19 juni 1979 was een dag met heerlijk weer.
Met de bus voor het bordes aangekomen, zagen we onze vertegenwoordigers naar de koningin lopen. De chauffeur zette de deuren open. Nadat de pop en het fietsje aangeboden waren, zetten we het vanuit de bus op een “Lang zal ze leven!”. De vorstin keek verrast en geamuseerd op. Ze vroeg naar de begeleiding en daarop mocht ik uit de bus stappen en haar een hand geven. Koningin Juliana vroeg hoe ik zo jong dit vrijwilligerswerk deed.
Ik vertelde dat ik de oprichtster van de soos was opgevolgd en dat zij ook in de bus zat. Hup, Dien Hulzebosch werd ook voorgesteld. Hare Majesteit was hartelijk en geïnteresseerd. Ik vertelde dat de maakster van de pop ook mee was. Ja, die wilde ze ook de hand schudden en bedanken. De aanwezige politie vond het wel te gek worden, dat er steeds meer mensen uit de bus kwamen, maar jonkvrouw Roëll maakte hen duidelijk dat de koningin er zelf om vroeg. Daarop stapten ze terug. We waren nu met zeven personen in plaats van de protocollaire vier. We moesten uitleggen waar Nieuwleusen lag. Voor het hele dorp moesten we de groeten van H.M. Koningin Juliana der Nederlanden meenemen. Aan de data van de briefwisseling is te zien hoe lang de voorbereiding voor deelname aan het defilé duurde. De middag werd in de stijl van de Oranjedag in de stallen en de Oranjerie bij paleis Het Loo doorgebracht. Veertig jaar later blijkt deze dag een onvergetelijke herinnering te hebben nagelaten en dat is alle voorbereiding dik waard geweest. De ontmoeting met de toenmalige koningin was voor een bus vol oudere inwoners uit Nieuwleusen uniek! Een dag met een dikke Oranje rand.
Net als veel meisjes kreeg prinsesje Juliana poppen, maar die waren niet allemaal geschikt om mee te spelen. Regelmatig werden poppen van haar uitgeleend voor tentoonstellingen voor goede doelen. Dat bracht een kettingreactie op gang. De mensen lazen de berichten over Juliana’s poppencollectie en namen zich voor om ook een pop te schenken, om zodoende de verzameling verder te doen groeien. In 1961 bestond die verzameling uit ongeveer honderd poppen, uiteindelijk groeide die uit naar zeshonderd exemplaren. De poppenverzameling wordt zorgvuldig bewaard in het archief van het Koninklijk Huis.
In Nieuwleusen waren twee keer poppen uit deze collectie te zien. In 1954 is een aantal poppen uitgeleend voor een bazaar ten bate van het jeugdwerk in Nieuwleusen. In 2008 was in museum Palthehof tijdens de tentoonstelling “Poppenlief en berenleed” een speciale ‘loge‘ ingericht met daarin vijftig koninklijke poppen.


Koningin Juliana neemt de meegebrachte pop in ontvangst. Vlnr. Jentje van Duren-Bonen, Bep van Eyck-Schreurs, Berend Jan Marsman, Koningin Juliana.

* * *

Per Union e-bike naar de Big Stones in Drenthe

Aartje Schoemaker

De Union Rijwielfabriek van de familie Van den Berg behoort definitief tot het verleden van Nieuwleusen, maar auto-importeur Pon heeft uit de failliete boedel de rijwielmerknaam Union gekocht. Zo kan het gebeuren dat er af en toe toch weer een nieuw model Unionfiets opduikt. Onder de e-bike aanbiedingen valt ‘fabrikant Union’ zelfs op door een goede prijs-kwaliteit-waardering. En ze bedachten een ludieke manier om toeristen te verleiden tot het huren van een Union e-bike. In de hotels en bij de dealers in onze hoofdstad is een Groot-Amsterdam-kaart verspreid. Daarmee wordt de indruk gewekt dat op een elektrische fiets de afstanden een fluitje voor een cent worden. Zo zou je met de kaart vanaf het Centraal Station kunnen fietsen naar Amsterdam Green houses (kassen), Amsterdam Long Dike (Afsluitdijk), Amsterdam Versailles (Paleis het Loo), Amsterdam Castle (Muiderslot), Amsterdam Beach (Zandvoort), Amsterdam Big Stones (hunebedden in Drenthe) e.a. Aan het propageren van Amsterdam Cycle city (Nieuwleusen) zijn ze nog niet toegekomen. Wij hoeven dus voorlopig nog niet bang te zijn voor gevaarlijk op huurfietsen slingerende en wiebelende buitenlandse toeristen op de Burg. Backxlaan.







Jaargang 37 Nummer 4 december 2019


* * *

Foto voorpagina:

18 oktober 2019. Samenspraak tussen Aartje Schoemaker en Jannie Stegerman over de waarde van het dialect tijdens de presentatie van het boek “Mooi Plat!”
Foto: Dick Klinkenberg


Tekst december 2019

* * *

Groepsfoto

Klas 5 en 6 van CLS School B in 1969, halverwege het 100-jarig bestaan dat Het Kompas van 4 t/m 9 november 2019 met een feestweek viert.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

Jan Scholten.
Arend Jan Schuurman.
Wim Massier.
Henk de Lange.
Wim Meulenbelt.
Bennie Dunnink.
Freek ten Kate.
Dinie Geerts.
Gea Reuvers.

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  

Hennie Brouwer.
Heleen Schuurman.
Geertje Prins.
Hendriek Pessink.
Herma Boerman.
Dijkstra, onderwijzer.
Bennie Bijker.
Arend Kasper.

18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  

Jennie de Lange.
Minie Beldman.
Jannie Hekman.
Hillie Krale.
Jannes Ekkelenkamp.
Jan Kragt.
Klaasje Huisman.
Klarie van den Berg.

* * *

Een bijzondere winkel

Jenni Veijer

Wethouder Evers Evertsen verrichtte op 30 mei 1975 de officiële opening van een kiosk voor de verkoop van tabaksartikelen. De kiosk stond aan de Burg. Van Haersoltestraat, op de hoek van het Zandspeur, op een vrij gelegen stukje grond bij de lagere school De Zaaier. Dat was een bijzondere plek voor een winkel en er was ook een bijzondere reden waarom deze kioskwinkel hier werd geopend.

De eigenaar van deze winkel was Gerrit Hekman. Hij is geboren in 1947 en groeide op aan het Ruitenveen, waar zijn ouders een boerderij hadden. Gerrit ging werken bij aannemer bouwbedrijf Heetebrij. Daar kreeg hij tijdens zijn werk een ernstig ongeluk. Het ongeluk gebeurde tijdens de verbouw van een boerderij. De toenmalige wetgeving vereiste dat wanneer een boerderij verbouwd werd, daarvan tenminste één muur overeind moest blijven staan. Toen hevige windvlagen maakten dat de muur opeens dreigde in te storten sprongen de bouwvakkers van de muur. Gerrit kwam heel ongelukkig terecht, de muur viel over hem heen en hij raakte in coma en uiteindelijk verloor hij zijn gezichtsvermogen.
Na een verblijf in het Sophia-ziekenhuis in Zwolle leerde Gerrit, tijdens het proces van blind worden, revalideren en het vechten voor weer een plaatsje in de maatschappij, Teuny Hennipman kennen. Zij werden verliefd, trouwden en gingen in de Burg. Van Hoëvellstraat wonen. Daar werd hun zoon Gerrald geboren. (Die woont nu in Enschede en is juist in september 2019 vader geworden.)
Terugkeren naar zijn baan in de bouw was na het ongeluk voor Gerrit geen optie. Dankzij de medewerking van de gemeente voor het plaatsen van een kiosk, kreeg Gerrit de mogelijkheid een tabakswinkel te exploiteren. Daarmee kon hij als middenstander weer aansluiting vinden met de maatschappij en voor een eigen inkomen zorgen. In de kiosk verkocht hij rookwaren en pepermunt.


De kiosk op de hoek van de Burg. Van Haersoltestraat en het Zandspeur.

Gerrit wist een zekere zelfredzaamheid te ontwikkelen. Het was bewonderenswaardig hoe goed hij alles wist te vinden en hoe hij zich wist te redden met het afrekenen van de verkochte artikelen. Hoofdrekenen kon hij zeer goed en snel en het wisselen van geld ging ook zonder problemen. Gerrit had voor sommige klanten toen al een soort webwinkel en er is heel veel pruimtabak richting Canada gegaan. Daar waren na de Tweede Wereldoorlog veel Nieuwleusenaren naar toe gegaan.

Gerrit en z’n vrouw fietsten graag. Ze hadden een prachtige tandem. Daar hebben zij veel plezier aan beleefd. Ze maakten tochten door heel Nederland en het fietsen ging dan met een behoorlijke vaart. In de omgeving van Nieuwleusen wist Gerrit vaak zelf te zeggen waar en wanneer ze moesten afslaan. Aan het geluid van de klinkers en het asfalt kon hij horen waar ze waren.

In de jaren dat zoon Gerrald naar De Zaaier ging, liepen ze samen op. Na sluiting van de winkel ging Gerrit, met z’n stok tikkend op de stoep,


Gerrit Hekman voor de winkel.

weer op weg naar huis. De laatste jaren ging het wat moeilijker en als het dan te lang duurde voor hij thuis kwam, belde Teuny hem op, ging kijken of er iets aan de hand was of liep hem een stukje tegemoet. Maar na verloop van jaren ging het niet meer zo goed en moest Teuny hem bijstaan in de kiosk en later het werk helemaal overnemen. Uiteindelijk had Gerrit meer zorg nodig en werd de last van de winkel te groot. Op 15 december 2001 is de kiosk gesloten en later afgebroken. Het echtpaar verhuisde naar een appartement in de Raiffeisenstraat. Gerrit is op 20 februari 2014 overleden.

* * *

UNION Hout- en bouwmaterialenhandel Deel 2

Gees Bartels

De Union Hout- en Bouwmaterialenhandel is een broertje van de Union Rijwielfabriek. Naast elkaar groeiden ze op en breidden zich uit langs het kanaal de Dedemsvaart; eerst als één familiebedrijf, in 1955 ieder op eigen benen. Vervolg op het artikel in het Kwartaalblad van september 2019.

In 1960 kwam Marinus Kremer op kantoor. Hij had in Dedemsvaart het mulo-diploma en het typediploma behaald. Marinus bleek een heel secure jongste bediende. Na verloop van tijd werd hij een gewaardeerd boekhouder die een goede inbreng had in de bedrijfsvoering en ook op commercieel gebied goed meedacht. Marinus had een prachtig regelmatig handschrift. Nu is zo’n kwaliteit niet meer zo relevant maar voor de komst van de computers was dit voor een bedrijf een goed marketinginstrument.
Het oude kantoor, tot 1970 in gebruik, was door een glazen tussenwand in twee ruimtes opgedeeld, met een ruimte voor het personeel en een ruimte voor de directeur-eigenaar. Die glaswand stond meestal open, behalve als er zakengesprekken werden gevoerd. De thermostaat voor het regelen van de verwarming voor beide ruimtes was in de directieruimte. Marinus hield wel van een grapje en toen Jan Masselink aan de slag moest om het kantoor te schilderen, liet hij hem in de directieruimte beginnen, met de ramen dicht en de kachel goed warm. Het duurde niet heel erg lang of Masselink kwam klagen dat hij zo niet kon werken.


In 1960 kwam Marinus Kremer op kantoor.

Paul van den Berg komt bij zijn vader in de zaak.
Zoon Paul had voor hij omstreeks 1968 in de zaak kwam na de middelbare school werkervaring opgedaan tijdens een stage van een jaar in Alkmaar en een jaar in Deventer.
Berend Jan van den Berg had toen acht man personeel in dienst. Daarvan was Geert Wink vertegenwoordiger en Anton Kleen en Jan Douwes zaten op kantoor. Jan Douwes regelde als procuratiehouder steeds meer zaken omdat Berend Jan vanwege zijn zwakke gezondheid steeds minder bij de zaak betrokken was. Jan Douwes werd opgevolgd door Bart Wissink.
Al snel na zijn komst in het bedrijf kocht Paul een kraan voor de vrachtauto. Het werd zeer revolutionair gevonden, maar volgens Paul was het de beste beslissing die hij ooit heeft genomen; daardoor kon per keer een veel grotere vracht worden vervoerd. De eerste auto bleek nu te licht en werd al snel vervangen door een vrachtauto die veel zwaardere ladingen kon vervoeren. Op de eerste vrachtauto moesten altijd twee mensen mee, maar nu was een chauffeur voldoende, die met de kraan ook de lading kon lossen. Het werk van drie weken was nu in een week klaar. “Grandioos”, volgens Wissink, die eerst keihard beweerde dat zoiets nooit uit zou kunnen.
Toen chauffeur Bemmel ziek was, moest een bestelling van 10.000 stenen met een aanhanger worden opgehaald en dat betekende: met de hand laden en lossen. Niet te doen!
Bij Union Bouwmaterialen werkten in die tijd, naast de al genoemde mannen: Roelof Bouwhuis, Hendrik Jan Bouwman, Klaas Dunnink, Klaas van Duren, Gerrit Groen, Hendrik Groen, Hendrik Jan Lefers, Jan Willem Potjes, Herman Stolte en Jan van Zomeren. Harm Grooteboer maakte betonnen ramen. Chauffeur op de vrachtauto’s waren Jan Hoes, Klaas Kooiker, Harm van Lente en Geert Harke en Jannes Groen was bijrijder.
Cementpannenbakker was IJmker.

In de loop van de jaren kwamen er weggevertjes met logo, zoals potloden en kladblokjes. Zeer geliefd waren de Union (rijwiel)klokjes, met een nieuw logo.
Als de klanten hun jaarrekening kwamen betalen, werden er grote hoeveelheden sigaren en sigaretten weggegeven. Dat zorgde bij de belastingcontrole voor de vraag “Roken jullie zoveel?” Het kantoor was gewoonlijk blauw van de rook, dus die hoge kostenpost hoefden ze verder niet te bewijzen. Thijs Wink had er als middenstander een goede omzet aan.
De zeventiger jaren waren voor het bedrijf een slechte periode. Eshuis in Vriezenveen was een geduchte concurrent. Nederland had 800.000 werklozen en veel klanten haakten af. Paul wist dat investeren noodzakelijk was om het tij te keren. In 1979 wist hij Johan Brinkman te strikken als vertegenwoordiger. Die had al ruime ervaring als vertegenwoordiger voor de Duitse fabrikant van kantel- en bedrijfsdeuren, Elsing & Krüger. Johan had het daar goed naar zijn zin maar om zijn werk naar behoren uit te voeren moest hij steeds heel veel kilometers maken. Dat zou bij Union Bouwmaterialen niet nodig zijn.
En: “Zeg maar wat je wilt verdienen en je krijgt een Mercedes als auto”, hielp ook wel om van werkgever te veranderen.


Johan Brinkman in 1983 in beige stofjas.

Zo ging Johan in Nieuwleusen aan de slag, de eerste vier maanden op kantoor. Hij begon met het samenstellen van een prijscourant. Met behulp van telefoonboeken en bladen van de Kamer van Koophandel werden adressen opgezocht van mogelijke nieuwe klanten. Met die informatie ging hij op pad, eerst in de door Paul voor een stuk grond geruilde Mercedes. Die auto was van een slager geweest en stonk naar vlees en stront.
Al snel kwam er daarom een andere Mercedes. Waarom zo’n luxe auto voor een bedrijf dat moeite had om rond te komen? Zo’n auto maakte een solide indruk en hielp mee het imago van het bedrijf te versterken.
Het bedrijf werd een belangrijke groothandel met klanten van Dalfsen tot Coevorden en voorbij Meppel.
Het inkopen gebeurde voor een hele jaarperiode; het ene jaar bestelde je wat het volgende jaar werd geleverd. Het ging daarbij om contracten met grote bedragen die in het tweede jaar verdiend moesten worden en waarop ook winst gemaakt moest worden om het bedrijf gezond te houden.


De zaken gaan goed. Een nieuw groot bedrijfspand, met daarvoor de geroemde Mercedes.

Er werd hard gewerkt om het bedrijf uit te breiden en meer winstgevend te maken. Johan was zes dagen in de week druk bij de baas. Op zondag zat hij thuis de routes uit te werken om in de daaropvolgende week zoveel mogelijk potentiële klanten te kunnen bezoeken. Ook Paul en Marinus werkten meer dan je mocht verwachten. Met z’n drieën waren ze een team dat elkaar goed aanvulde en de zaak er in twee jaar weer helemaal bovenop kreeg. Daardoor kon het personeel, minstens zo belangrijk, geruster over de toekomst zijn en ook zien dat hun inspanningen beloond werden. Hard werken betekende ook dat het als heel gewoon werd beschouwd wanneer er voor en na kantoortijd hand- en spandiensten werden verricht. ’s Avonds nog ‘even’ een vrachtauto cement lossen, of ’s morgens om half zes eerst met de vrachtauto naar Hengelo om stenen te halen voor je op kantoor met de gewone werkdag kon beginnen? Je deed het gewoon als het nodig was. Paul wilde dat het bedrijf goed naar buiten trad en waste daarom op zaterdag zelf de vrachtauto’s en deed dan meteen de auto van Johan er nog even bij.


Er kwam uitbreiding met producten voor ruwbouw en men specialiseerde zich in keukens.


De nieuwe toonkamers in de ruimte die vroeger werd gebruikt als houtloods.

Paul ging één keer per jaar, tot in het uiterste puntje van Limburg, alle steenfabrieken in Nederland af om monsters te halen en prijsafspraken te maken. Zo kon het bedrijf een breed assortiment aanbieden en waren de klanten verzekerd van goede levering.
Johan had kijk op de agrarische markt en wat nodig was voor goede huisvesting van varkens, kalveren en ander vee. Het bedrijf investeerde in dit segment en dat bleek een goede markt. De producten stonden goed aangeschreven bij de veehouderij en dat is tot op de dag van vandaag zo gebleven.
In al die jaren is er ook bij de administratieve bedrijfsvoering het een en ander veranderd. Met de hand geschreven nota’s werden vervangen door getypte nota’s. In 1965 kwam de eerste boekhoudmachine waaruit grote vellen papier rolden. De capaciteit was tien keer zo groot als die van de aanwezige apparatuur. De grote verandering kwam met de eerste computer, die werd geleverd door Schuldink. De overgang verliep niet zonder problemen. Een crash net voor de bouwvakvakantie betekende dat alles alsnog op de typemachine moest worden overgedaan en er moest worden doorgewerkt tot alles de deur uit was voor je met vakantie kon gaan.
Al na een half jaar bleek de capaciteit van de computer te klein. Ook reken- en telmachines werden groter en groter en daarna kleiner, maar met een veel grotere rekencapaciteit.
De bedrijven voor bouwmaterialen waren verenigd in het HIBIN (Handel In Bouwmaterialen Instantie Nederland). In de zeventiger jaren gingen de ontwikkelingen heel snel. Er kwam een grote markt voor de nieuwbouw van woningen en bedrijven. De firma’s voor bouwmaterialen in de regio groeiden en zochten elkaar op. Onder het genot van een kop koffie of borrel informeerden ze elkaar over hoe ze de ontwikkelingen zagen en wat ze konden doen om hun marktpositie te behouden. Firma’s die proberen prijsafspraken te maken; het is een fenomeen van alle tijden.
Union werd weleens op de vingers getikt omdat ze te concurrerende prijzen hanteerden. “Van zo’n kleintje hebben jullie toch weinig last,” voerde Paul dan met een vriendelijke lach als excuus aan, ook al wist hij beter. Dat excuus werd meestal geaccepteerd.
Verschillende toeleveringsfabrikanten bezochten Union Bouwmaterialen steeds meer omdat ze wisten dat het bedrijf zeer actief was. Ook de opslag en overslag werden steeds belangrijker. Grote stapels betonvloeren werden vanuit het zuiden aangevoerd en aan klanten, verdeeld over het hele noorden, geleverd. Het bedrijf groeide door. Er waren elf werknemers in dienst: vijf op kantoor, een in de keuken en vijf op de werf.


Paul van den Berg in de UB Bouwmarkt aan de Burg. Backxlaan.

Aankoop UB Bouwmarkt aan de Burg. Backxlaan
Willem Brinkman is een zoon van Jan Brinkman, die een aannemersbedrijf had, met een houtzagerij achter de winkel, ongeveer op de plek waar nu de HEMA is. Willem maakte van de aannemerij een winkel met ijzerwaren, gereedschap, verf en bouwmaterialen. Iedereen kwam graag in die winkel want Willem Brinkman was enorm klantvriendelijk en had een goed assortiment.
Begin zeventiger jaren heeft hij de zaak verbouwd tot een ruim, modern winkelpand. Zijn twee zonen en dochter hadden geen interesse om de winkel over te nemen. In 1978 verkocht Brinkman de zaak aan de NIBA (gefuseerde Landbouwcoöperaties van Nieuwleusen en Balkbrug), die vooral bekend was als leverancier van diervoeders. Als verkopers stonden S. Brasjen en Harry Middelveld in de winkel. Het werd een zorgenkindje en in 1984 stond de winkel opnieuw te koop. Paul van den Berg dacht dat een bouwmarktwinkel voor particuliere klanten goed zou aansluiten bij Union Bouwmaterialen en kocht de zaak. Harry Middelveld kreeg na enige tijd versterking van Eef Kremer. Het was een perfect team. Het assortiment van de UB Bouwmarkt werd sterk uitgebreid. Er kwamen tuinmeubelen, schaatsen en vuurwerk en in twee jaar tijd verdrievoudigde de omzet.


In 1991 verkocht Paul van den Berg Union Bouwmaterialen aan de Eshuis Bouwmaterialen Groep.

Nog verder uitbreiden of overname door een groter bedrijf?
Vader Berend Jan van den Berg was overleden. Paul, inmiddels 43 jaar oud, zat 23 jaar in de zaak. Met Marinus en Johan vormde hij een goed team, maar veel oudere werknemers gingen met pensioen en het bleef maar druk. Er was nauwelijks tijd voor vakantie. Vooral de laatste dag voor de bouwvakvakantie kon de deur pas na de nodige stress worden gesloten.
In 1990 verkocht Paul de UB Bouwmarkt aan Installatiebedrijf A. Heide, die al een winkel tegenover de Bouwmarkt had. Een jaar later verkocht Paul het bedrijf Union Bouwmaterialen aan de Eshuis Bouwmaterialen Groep. De aandelen waren nog voor 35% van moeder Van den Berg en die werden ook ingebracht.


Voor vertrek nog even tijd voor een praatje en een kop koffie.

Union Bouwmaterialen maakte nu deel uit van een veel groter bedrijf. Het bleef als vestiging bestaan en kreeg als toevoeging de nieuwe naam Eshuis BMG. De relatie was wederzijds heel goed. Er werd op dezelfde manier gewerkt als voorheen en er was waardering voor de werkhouding van het personeel en de goede contacten met klanten. Men kon lezen en schrijven met de directie, die bestond uit Jan Fraterman, Jan Neurink, Ben Eshuis en de heer Abbink. Zij kwamen zo nu en dan met z’n vieren vanuit Vriezenveen in de BMW even op bezoek, dronken een kopje koffie en dan kwam de vraag: “Jongens, nog wat bijzonders? Zo niet, dan gaan we maar weer. Tot de volgende keer.” De vestiging Nieuwleusen kreeg al snel de naam: ‘Het beste filiaal’. Het bedrijf groeide verder en breidde uit met allerlei producten voor afbouwmaterialen en keukens. Bij Eshuis had men allerlei productspecialisten, want productkennis werd steeds belangrijker. Naast de hoofdvestiging in Vriezenveen waren er nog vier filialen. Maar groei bij een groot bedrijf betekent in deze tijd al snel overname door een nog groter bedrijf.
De aandeelhouders van de Eshuis Groep vonden het belangrijk dat er een solide overname kwam met een partner die garandeerde dat de lusten en de lasten tien jaar lang zo zouden blijven. Die partner werd in 1994 gevonden: Raab Karcher. In 1996 ging in Nieuwleusen de nieuwbouw van start en in 1997 volgde de opening. In 2019 is het een bouwmaterialenhandel met twaalf medewerkers.

* * *

Een hachelijk avontuur in de oude tram

Jan Schuurman, Staphorst

Mijn ouders lieten in de zomer van 1939 een woning bouwen aan ‘t Zandspeur nummer 3 in Den Hulst. Ik was toen 9 jaar oud. Ik kan mij de situatie nog heel goed herinneren. Mijn vader was kolenboer en mijn moeder naaister. In die tijd hebben heel veel jonge vrouwen naailes van haar gehad.

Ik bezocht de openbare lagere school C.
Die school stond aan de Dedemsvaart naast het gebouw van de Coöperatieve Landbouwvereniging (Nu BAM, Den Hulst 110). Indertijd speelde voetbalvereniging USV op het grasveld achter de school. Na de lagere school ging ik het timmervak leren aan de ambachtsschool in Zwolle. Dat was in 1943, in de oorlogsjaren, tot 1946. Die schooljaren duurden erg lang omdat er tijdens die beroerde situatie van de laatste oorlogsjaren een tijdlang geen les werd gegeven. Meestal ging ik op de fiets naar school, maar in de wintermaanden of als het heel slecht weer was mocht ik ook wel met de tram.
Meestal was de reistijd met de tram wel redelijk, maar het is ook een paar keer voorgekomen dat de kleine locomotief of een van de voertuigen uit de rails liep. Dat had soms te maken met de manier waarop de machinist met de machine omging. Als er in een redelijk tempo werd gereden was er meestal niets aan de hand. Maar er was ook weleens een machinist die teveel haast had en dan ging het prompt mis. Dat kon zomaar op een recht stuk gebeuren.


Het eindstation van de tramlijn was in Zwolle bij de Vlasakkers in de Thomas a Kempisstraat. Op de achtergrond de bomen langs de Meppelerstraatweg

In de route was een beruchte bocht. Die lag net voorbij het Plankenloodsje, waar de rails rechtsaf bogen naar de oude trambrug over de Vecht. Als het mis ging zette de machinist meestal met behulp van een zware dommekracht het geheel weer op de rails. Het is meerdere keren voorgekomen dat ik door zo’n voorval te laat op school kwam. Als ik eindelijk met het trammetje in de Thomas a Kempisstraat was aangekomen begon de lange wandeltocht naar school. Ik liep via de Brink en het Koewegje naar de Assendorperstraat en moest die lange straat helemaal aflopen om bij school te komen. De school stond aan het eind van de Hortensiastraat vlak bij de spoorwegovergang van de spoorlijn richting Meppel. Na schooltijd liep ik dezelfde weg in omgekeerde richting. Toen ik in 1944 een keer vanuit school bij het tramstation aankwam, bleek de locomotief tijdens het rangeren uit de rails te zijn gelopen. De tram had een zogenaamde tenderlocomotief, waarin de grote briketten en het water in de locomotief worden meegenomen (zonder vuur en water geen stoom). De machinist was drukdoende om het geheel weer op de rails te zetten. Op de straat en de stoep rond de tram liepen medescholieren die ook richting Dedemsvaart reisden een beetje verveeld rond te slenteren. Ook stond er een groep van zo’n twintig geüniformeerde knapen van de Hitlerjugend te wachten. Dat waren jongens die bij de Duitse bezetter in opleiding waren om een echte soldaat te worden.


Het landhuis Dijkzicht aan de noordzijde van de Vecht was rond de oorlog in gebruik als jeugdherberg. Het huis aan de dijk, verscholen achter een bosje, staat er nog: na de brug vanaf Berkum bij het 1e stoplicht rechtsaf.

Zij waren niet bewapend maar hadden een dolk aan hun koppelriem. Ze waren ondergebracht in jeugdherberg Dijkzicht, gelegen aan de Hessenweg, net over de Vecht bij de oude trambrug.

Op een gegeven moment duurde het de leider van de groep te lang. Hij liet de knapen aantreden en in marstempo gingen ze lopend op weg naar Dijkzicht. Toen wij eindelijk met de tram vertrokken zaten wij als scholieren niet in de personencompartimenten maar stonden in de goederenwagon die aan de staart van de tram bungelde. Daar hadden wij alle vrijheid om onderweg te klieren en te donderjagen.
Ongeveer ter hoogte van de Watersteeg bij Berkum kwamen wij de marcherende groep achterop. Prachtig natuurlijk om, staande in de open deur van de wagon, de lopende knapen voorbij te tuffen. Ik stond een beetje vooraan en bij het maken van wat armgebaren schreeuwde ik: “lauuufennn”. De groep reageerde geïrriteerd met het opsteken van wat vuisten. Blij waren ze allerminst. Voor ons was de kous hiermee af.
In die tijd had ik heel kort haar, echt zo’n ‘stikkelkuifie’. De andere dag gingen wij weer gewoon naar school, maar op de terugweg stopte de tram ter hoogte van de Vechtbrug. Wat bleek: Een groep van de Hitlerjugend stond ons op te wachten. Ze liepen al snel naar de goederenwagon met de kreet dat ze die jongen met de steile haren moesten hebben. Ze trokken mij uit de wagon en begonnen te klieren.
Inmiddels was de conducteur, Jan Koers, ook van het tumult op de hoogte. Met een snerpend fluitsignaal alarmeerde hij de machinist. Dat was Appe Koops uit Dedemsvaart, die geregeld deze route reed. Hij zag wat er gebeurde, stapte van de machine en kwam op zijn klompen met grote passen naar ons toegelopen. Hij greep mijn belager bij de kladden en onder de woorden “a’j die jonge niet löslaot dan krie’j een schup” trok hij hem van mij af. Ik kon toen weer in de wagon klimmen en de tram ging weer rijden.
De dagen daarna zat ik weer braaf tussen de passagiers in de personencoupé, maar ter hoogte van Dijkzicht boog ik voorover om net te doen of ik de veters van mijn schoenen strikte. De jeugdherberg stond namelijk zo dicht bij de trambaan dat de knapen vanuit hun slaapvertrekken op de eerste verdieping heel goed in de rijdende tram konden kijken.
Het was een hachelijk avontuur dat tot op de dag van vandaag nog heel duidelijk in mijn geheugen gegrift staat.


In Zwolle inspecteert Appe Koops (op klompen) de tram en PTT-ambtenaren halen en brengen poststukken.

* * *

Mijn herinneringen aan opa Willem Veldhuizen

Willem Hekman

In dit verhaal kijkt Willem Hekman (7 februari 1914 – 13 februari 1997) terug op zijn jeugd en de herinneringen die hij heeft aan zijn grootvader Willem Veldhuizen. Die grootvader overleed toen hij elf jaar oud was. Willem is inmiddels zelf ook al ruim twintig jaar geleden overleden, maar zijn zoon Klaas heeft het mooie verhaal gedigitaliseerd en dankzij hem en zijn neef Klaas (zoon van Arend Hekman) kunnen wij het verhaal nu publiceren.

Hendrik Veldhuizen (1819-1883) kwam in 1853 vanuit Woudenberg als arbeider naar Avereest. Hij was getrouwd met Rijkje van Dijk (1823- 1889). Het echtpaar kreeg een zoon (Willem), vier kinderen die op een- of tweejarige leeftijd overleden, en zeven jaar na de geboorte van de eerste zoon nog een zoon. Willem Veldhuizen (1856-1925) trouwde in 1879 met Willemina Seinen (1851-1910). Zij waren mijn grootouders. Opa begon als boerenknecht maar staat in het bevolkingsregister van 1883 vermeld als landbouwer. Opa en oma Veldhuizen woonden aan de Nieuwe Dijk in Balkbrug. Zij kregen vijf kinderen, waarvan de jongste binnen een jaar overleed. Hun vierde kind, Jantje Veldhuizen (1887-1956), trouwde in 1912 met Klaas Hekman (1889-1955), een zoon van Arend Hekman (1859- 1913) en Stientje Stolte (1858–1941). Zij werden mijn vader en moeder.


De boerderij Oosterhulst 38 van Klaas en Jantje Hekman.

In april 1915 verhuisden mijn ouders vanaf de Nieuwe Dijk in Balkbrug naar het ouderlijk huis van moeder, C16-C17 (later Hoofdvaart 36-38 en nu Oosterhulst 38) in Nieuwleusen. Zij gingen daar de boerderij van haar vader Arend Hekman voortzetten. Die was in 1913 overleden. Opa Willem Veldhuizen was weduwnaar en woonde bij ons in huis. Ik, Willem, was toen ruim één jaar oud. In het huis aan de Hoofdvaart in de Oosterhulst werd in 1915 mijn broer Arend geboren en in 1918 ons zusje Stien en in 1923 Willemina. Wij gingen eerst naar de openbare lagere school in Den Hulst. Toen daar in 1923 ook een christelijke lagere school kwam, werden wij overgeplaatst naar die school.


Klaas en Jantje Hekman met hun vier kinderen.

Oma Willemina Veldhuizen-Seinen was in 1910 overleden en begraven op het kerkhof van Oud- Avereest. Op haar graf ontbrak een steen met opschrift. Mijn grootvader liet jaren later, na overleg met zijn kinderen, alsnog een steen op het graf plaatsen. Op een fietstochtje kwamen wij weleens langs het kerkhof en dan was het niet zo moeilijk het graf met de steen van oma te vinden. Oma Willemina heeft maar weinig zorgeloze jaren gekend. Mijn moeder vertelde altijd dat zij ziek was, niet goed kon lopen en haar kinderen vanuit de bedstee moest regeren. De kinderen waren koppig en hadden vaak ruzie. Dat was in die tijd vaak zo in boerengezinnen. In het begin van hun huwelijk moeten grootvader en grootmoeder toch een korte, onbezorgde en gelukkige tijd gekend hebben. Zij hadden vier kinderen, twee jongens en twee meisjes en nog een kindje dat vroeg is gestorven. Het was een kleine boerderij waar ze woonden, aan de Nieuwe Dijk voorbij Sluis IV. Mijn grootvader moest als arbeider voor twaalf stuiver per dag bijverdienen. Dat deed hij dan een paar dagen per week. Hoogtijdagen waren de werkdagen in het laagveengebied bij het Lichtmiskanaal. De afstand naar het werk was ruim vijftien kilometer, een grote afstand omdat hij die moest lopen. Het wilde gras van dit nog niet ontgonnen lage land werd eerst gemaaid, dan gehooid, bijeengeharkt en op een bok – een klein houten vaartuig – geladen. Deze verhalen klonken ons kinderen als legenden. Ik vind het altijd jammer dat ik deze tocht, al was het maar op de fiets, en de verdere campagne nooit heb meegemaakt. Op de fiets naar de HBS in Zwolle zag ik de veranderingen. Het hele gebied is ontgonnen, gedraineerd en verkaveld. Hier en daar, maar vooral langs het Lichtmiskanaal, kwamen nieuwe boerderijen. Haast ongemerkt werd het wilde gras vervangen door de gewone weilanden. Er werd geploegd voor de inzaai van nieuw gras onder haver. Toch was het een mooie fietstocht, via het Plankenloodsje naar Zwolle en weer terug naar Nieuwleusen, vooral in het voorjaar met het geroep van de grutto’s en wulpen.


Opa Willem Veldhuizen (1856-1925).

Mijn grootvader was een driftige werker. Hij werkte ook met ‘zijn kop’. Dat betekent niet, zoals je zou denken, dat hij met overleg werkte. Dat deed hij ook, maar het gaf aan dat hij veel van zijn lichaam vergde, niet op vermoeidheid lette maar doorzette en volhield tot een bepaalde taak af was. Mijn moeder en haar oudste broer, oom Hendrik, hebben van hem die karaktereigenschap overgenomen. Grootvader was ook een man van weinig woorden. Als hem iets niet aanstond bleef hij stroef doorlopen of gaf kort en bondig zijn mening, zonder verdere uitleg. Zo kwam hij ook over op het portret dat bij ons in de kamer hing; streng, ernstig, een gebogen neus, sterke onderkin en grijzend, sluik kortgeknipt haar.
Als kinderen zagen wij een heel andere opa. Wij hielden van hem en hij hield van ons. Het woord ‘opa’ vonden wij veel beter bij hem passen dan het ‘grootva’ van andere kinderen. ‘Opa’ was onze eigen bijzondere grootva, echter en beter en liever dan alle grootvaders. Ik geloof dat wij meer respect voor hem hadden en hem eerbiedwaardiger vonden dan onze vader. Wij deden heel veel samen. Zo nam hij ons mee om aan een touw in de vaart voor het huis te leren zwemmen. Meestal ploeterden wij aan de kant op z’n hondjes en was het touw overbodig. Maar één keer ging het mis en verdween ik werkelijk onder water. Wat werd ik toen hardhandig onder het wateroppervlak naar de kant gesleept.
Opa had zijn vaste plaats naast de kachel. Daar zat hij in een leunstoel met een hoge rugleuning, geheel van geschild wilgenhout, met erin een van bamboe met raffia gevlochten mat. Op een keer werd de oude versleten stoel vervangen door een nieuwe. Wat was die mooi, met schitterende kleuren op het bamboe in de mat en op de gevlochten tenen armleuning. Opa had een bijzondere plaats om te slapen. Alle bedsteden kwamen op de kamer uit, maar toen het huis werd verbouwd is er voor opa aan de oostkant van het voorhuis een aparte slaapkamer gemaakt, met een raampje dat opengezet kon worden. Frisse lucht was goed voor een oudere man die veel moest hoesten en al eens ernstig ziek was geweest.
Grootvader had een bijzondere belangstelling voor boeken. Op de plank van onze bedstee lag een stapel van wel tien boeken, boeken met oude banden en al grauw geworden papier over godsdienstige onderwerpen. Behalve de bijbel, enkele kerstboekjes, een paar wat dikkere bandjes die van moeder waren en in het kabinet lagen, was dit alles wat er aan geleerdheid en letterkunde in huis was. Ik geloof dat hij wel de krant las en graag over gebeurtenissen in het buitenland praatte. Maar ik kan mij grootvader verdiept in een boek niet goed herinneren. Wel prees hij ons altijd wanneer wij een boek lazen. Soms, als broer Arend en ik in de kamer zaten te lezen en er visite was, zei hij: “Die jongens zitten altijd in de boeken.” Voor onze verjaardag heeft hij uit Zwolle eens een speelgoeddrukkerijtje meegebracht, met gummiletters, stempelinkt en een stempel waarop je de letters kon verwisselen. Ook bracht hij vaak een mondorgel - zo noemde je toen een mondharmonica - mee en één keer een fluit met zes gaatjes om de vingers op te zetten. Maar met die fluit konden wij geen melodie maken. Of dat aan ons lag of aan de fluit, dat weet ik nu nog niet. Arend speelde voor zichzelf wel mondharmonica, ook later als volwassen man. Op een keer heeft grootvader een boekje dat erg uit elkaar lag, met bladzijden vol rafels en scheuren, meegenomen naar Zwolle om opnieuw te laten drukken. Dat zou wel 100 gulden kosten, zeiden ze hem.
Wat het meest bij opa hoorde was de bijenstal. Daar zorgde hij heel goed voor. De bijenkorven stonden in twee rijen in een apart hok. Deze bijenstal, met een rieten dak, houten wanden en de voorkant helemaal open, stond aan de westkant achter de schuur. Het was een heel beschutte plek


Een bijenstal van het type zoals hier wordt beschreven.

Op brede planken stonden de korven op één rij, gericht naar het zuiden. Er lag altijd een bijenkap, heel primitief nog met een voorkant van verticale draadspijlen dicht op elkaar. Ter hoogte van de mond was het draad wat uitgebogen voor de pijp. Er lag ook een kromme pijp, soms nog halfvol tabak. Met die pijp heb ik stiekem voor het eerst tabak gerookt.

Achter in het hok lagen niet gebruikte korven, leeg, sommige met spinnenwebben erin. Bovendien was er altijd een korf met oude lege raten en spijlen. Spijlen en raten werden gebruikt om een lege korf wat huiselijk te maken als nieuwe woning voor een zwerm die was uitgevlogen en geschept moest worden. Het nieuwe bijenvolk moest dan maar zorgen dat die

Bijenkap met rookpijp, aanwezig in de museumcollectie

korf weer werd volgebouwd met raten vol honing tegen de tijd dat het herfst was. In de winter moesten de bijen regelmatig bijgevoerd worden. In houten bakjes, die op een halve steen onder de korf stonden, werd stroop gegoten van in water gekookte suiker. In de korf was dan een druk gezoem te horen en de bijen kwamen er direct op af. In het midden van juni en begin juli kwamen er steeds korven bij, zoveel dat er niet genoeg ruimte was in de bijenstal. De korven waar geen plaats voor was werden op een rij buiten de stal gezet, een beetje afgedekt tegen de regen met een heideplag. In de tijd van het zwermen van de bijen moesten wij goed opletten. Zagen wij een zwerm, een gonzende door elkaar krioelende troep die zich van de korf had losgemaakt, dan gingen wij lawaai maken met de deksels van melkbussen en potdeksels en liepen achter de zwerm aan. Door het hevige rumoer van deze muziekinstrumenten vloog de zwerm niet ver weg maar zocht al gauw in de buurt een boomtak op. Voor de imker de vastzittende zwerm ging scheppen, zette hij een kap op en stak een pijp aan. De korf met de zwerm erin werd schuin tegen een boom gezet zodat de nog rondvliegende bijen van de zwerm er nog gemakkelijk van onderen in konden komen. En zo stond er ’s avonds weer een korf meer bij de bijenstal. Op het zwerven volgde de tijd van het honing vergaren. Midden juli werden de bijen in de korven naar de heide gebracht, met afgesloten vlieggaten en een zak aan de onderkant. Wij mochten dan mee om de bijen weg te brengen naar de Kievitshaar of aan het eind van de Nieuwe Dijk, waar opa, geloof ik, zelf nog een stukje heide had liggen. Wat stonden de korven er mooi, beschut door berken en kromme dennenboompjes, met ervoor de bloeiende heide. Als wij er dan nog eens heen gingen om te kijken, was er een levendig vertier van aan en af vliegende bijen en op de heide op bijna elke heidestruik één of meerdere bijen. Zouden dat onze bijen zijn? Wij hielden ons groot, maar waren wel altijd een beetje bang voor een bijensteek. In het najaar, september, werd een voldoende aantal volken uitgezocht en opzijgezet om tot de volgende zomer te overwinteren. De overtollige bijen werden geslacht. Er werd een kuiltje in de grond gemaakt. Daarin werd op een gespleten stokje een in hete zwavel gedrenkt lapje oud linnen gelegd. Daar werd de korf met afgedichte vlieggaten op gezet. Het lapje met zwavel werd aangestoken en de onderrand van de korf werd met aarde aangevuld. Zo stond de korf luchtdicht op de kuil, stikten de bijen en kon de korf worden leeggehaald. Het oogsten van honing is heel mooi, maar het was toch altijd een triest schouwspel als de korven werden opgetild: die kuiltjes halfgevuld met dode bijen en met het verschroeide lapje en stokje. De honingoogst werd verwerkt in drie soorten: raathoning, lek- of slingerhoning en pershoning. Er waren ook flessen met mel. Deze, al bij de oude Germanen bekende drank, niet gegist en dus alcoholvrij, vonden wij veel te zoet en niet lekker. Aan het eind van al het werk bleef er een grote, enkele kilo’s zware ronde schijf zuivere bijenwas over. In november 1925, aan het einde van weer een drukke bijencampagne, toen alles zo goed als afgehandeld was, kon opa opeens niet meer. Hij was zo ziek dat hij naar zijn slaapkamer is gegaan en niet meer is opgestaan. Omdat hij daar toch niet gemakkelijk te verplegen was, kwam er een ledikant van het Groene Kruis in de kamer. In diezelfde kamer sliepen vader, moeder en wij ook in de bedsteden. Toch kan ik mij niets herinneren van de ziekte van opa en of hij het erg benauwd had, pijn had, moe was of niet kon slapen. Wel is mij de gestalte van ‘de dokter’ altijd bijgebleven. Omdat mijn vader en moeder en grootvader zo op hem gesteld waren kwam dokter Ruys, een broer van de bekende kweker van Moerheim, helemaal vanuit dorp Dedemsvaart met de auto bij ons, een afstand van tien kilometer. Hij was rijzig, iets gebogen, nerveus en hij kon je streng aankijken. Hij had kortgeknipt grijs haar en had een lorgnet op. Hij stotterde heel erg. Ik kan mij niet herinneren dat wij hem ooit gewantrouwd hebben of zijn kennis in twijfel hebben getrokken. Niet toen zusje Mien, nog geen jaar oud, erg ziek was, niet toen een jaar later moeder ziek was en geopereerd moest worden. Nu kwam hij opa regelmatig bezoeken. De liefdezuster (wijkverpleegster) kwam al gauw elke dag. Voor de liefdezuster hadden wij ook grote eerbied. De laatste paar weken werd er elke nacht gewaakt. Op 30 november, op een avond toen vader en moeder heel moe waren, is opa gestorven. De volgende dag kwam de drukte van het regelen van de begrafenis, toch was het heel stil in huis geworden. De blinden werden voor de helft gesloten, de andere helft werd uit de scharnieren genomen en tegen de muur gezet. Opa lag nog, bedekt met een laken, in hetzelfde bed waarin hij gestorven was. De buren kwamen om hem te wassen, te kleden en te kisten. Wij sliepen in die dagen in onze bedsteden met de dode in dezelfde kamer en wij hebben dat niet vreemd of beangstigend gevonden. Wel ben ik even stil uit bed gestapt en heb door het laken heen de handen van opa betast die gevouwen lagen. Vader en moeder hebben ook het laken van het gelaat teruggeslagen en wij hebben toen stil en eerbiedig en bevreemd onze opa gezien zoals hij voor altijd uit ons leven verdween. Het was zo heel stil in huis. De dag van de begrafenis was druk. Als kinderen wilden wij alle familie wel blij begroeten, maar zij kwamen voor een stille, vreemde plechtigheid. Meneer Van Donkersgoed, godsdienstonderwijzer van Rehoboth, sprak erg lang, zwaarmoedig en waarschuwend.
Voor wij weggingen keken wij nog eenmaal door het raampje van de kist naar opa. Daarna liepen we naar het kerkhof in Nieuwleusen. De mannen achter onze boerenwagen, bedekt met een dikke laag roggestro waarop de kist stond.


In 2007 organiseerde de vereniging bij de opening van het museumseizoen een historische rouwstoet, met daarin ook een boerenwagen zoals beschreven is in dit verhaal.

Achter ons kwamen de brikken met paarden van de buren, waarin de vrouwen zaten. Op het kerkhof was ook meester Postuma aanwezig. Hij was, als vriend van vader en moeder en ook als meester van ons, op de fiets gekomen voor de plechtigheid op het kerkhof. Dat vonden wij heel mooi van hem en ook een hele eer voor ons. De terugtocht ging veel vlugger en was veel minder plechtig. De Dedemsvaart lag al dicht, het was een vroege winter met al vorst in de eerste week van december. Bij thuiskomst waren de blinden weer open en door de buurvrouwen was de tafel in gereedheid gebracht. We aten begrafenisbrood en dronken koffie. Door de hartelijke vrouwen werden we aangespoord het maal eer aan te doen. Door de volwassen mannen werden wij als volwaardige tafelgenoten behandeld omdat wij ook in hetzelfde leed deelden.
Toen wij later voor het eerst weer buiten speelden dachten wij toch nog even: ‘nu is opa voorgoed weg.’ En met opa zijn ook de bijen gegaan.
Oom Rieks en oom Hendrik kregen er een deel van. Er bleven enkele korven staan, maar vader had er geen verstand van en ook geen tijd en belangstelling voor. Een jaar later vroeg de ontginning van de grond aan de rand van de Kievitshaar zijn volle aandacht. Ik was elf jaar oud, te jong om voor de bijen te zorgen. Al gauw was de bijenstal leeg en werd de ruimte gebruikt


De Hekmankinderen van Oosterhulst 38 met hun partners.

voor het bewaren van brandhout en het drogen van wasgoed. In de nazomer werden op de planken in de zon appeltjes gedroogd.

Klaas en Jantje Hekman zijn tot hun dood op de boerderij blijven wonen. Klaas Hekman overleed in 1955, 68 jaar oud, Jantje Hekman–Veldhuizen overleed in 1956, 69 jaar oud.
Hun vier kinderen:
Willem (7 februari 1914 – 13 februari 1997), de schrijver van dit verhaal, is in Utrecht medicijnen gaan studeren en werd arts/narcotiseur in het ziekenhuis te Rotterdam. Hij is getrouwd met Hilligje (Hillie) van Spijker. Ze woonden eerst in Rotterdam en daarna in Barendrecht. Zij kregen zes kinderen: Jantien, Jan (geboren en overleden in 1945), Jan, Klaas (die heeft het verhaal gedigitaliseerd), Ineke en Arend.
Arend (29 september 1915 – 8 juni 2002) kwam na de lagere school thuis, was boer in hart en nieren en betrok in 1937 samen met zijn vrouw Jentje Petter een boerderij aan de Sterkensweg N59, nu 9. Zij kregen vijf kinderen: Klaas (hij gaf ons dit verhaal), Geeske, Henk, Janneke en Willem. Hun jongste zoon Willem nam de boerderij over en daarna kleinzoon Johan. Arend en Jentje bleven tot hun overlijden op de boerderij wonen.
Stientje (Stien) (26 september 1918 – 24 juni 2009) werd onderwijzeres en trouwde met predikant Willem Leegsma. Hij was onder andere in 1947 legerpredikant in Nederlands- Indië en predikant in de Ned. Hervormde kerken te Vrieschelo, Zuidwolde (Dr), Farmsum en Scheemda. In Scheemda zijn ze ook alle twee overleden. Zij kregen twee kinderen: Rindert Willem en Joke.
Willemina (Mien) (15 februari 1923 – 9 mei 2017) trouwde met Lubbert Talen. Zij namen de boerderij, nu Oosterhulst 38, van vader en moeder Hekman over. Zij kregen acht kinderen: Klaas, Jannie, Geeske, Klaas Jan, Harrie, Lubertus, Christien Marga en Minka.


De naam Veldhuizen komt in Nieuwleusen niet veel voor. Rieks Veldhuizen, een broer van Jantje, werd schoenmaker-barbier in Nieuwleusen. Zijn zoon Willem nam de zaak over en opende in 1964 de nieuwe schoenenwinkel aan de Burg. Backxlaan 37, waar nu Helga Schuurman is gevestigd.

In het boekje van onze vereniging “Ze waren van honger gegaan” vertellen Ineke en Wim Ludwig over hun verblijf tijdens de Hongerwinter op de boerderij bij Klaas en Jantje Hekman en Lubbert en Mien Talen (pagina 118-121).

* * *

Wat opoe Westerman en mijn moeder vertelden over 10 april 1945

Jenny Kasper

Heel deze omgeving zag er in 1945 anders uit. Het Ruitenveen was een gebied vol tradities en verhalen. Er was weinig tot geen openbare verlichting en het was er veel stiller dan in de ver weg liggende, iets dichtere bebouwde omgeving. De Meentjesweg, waar wij woonden, was een zandweg en rondom ons heen waren ook nog veel zandwegen. In noordelijke richting, naar de Meele, waren nog delen onontgonnen land en struikgewas met boompjes.

De hoofdstraatweg, nu het Westeinde, was een klinkerweg. Aan beide zijden was een sloot, omzoomd met veelal eikenbomen. In de sloten waren duikers aangebracht onder de brede toegangswegen naar de boerderijen, maar er lagen ook bruggetjes met houten hekjes over de sloot, als toegang naar het woongedeelte op het erf. De meeste boerderijen hadden een traditioneel Saksische bouwtrant met voornamelijk rieten daken. Op de boerderijen werd ambachtelijk gewerkt. Het waren gemengde bedrijven, daarom arbeidsintensief en met veel handwerk. Mensen waren gewend samen te werken, elkaar te helpen. De burenplicht, noaberplicht, was belangrijk en daarbij waren heldere richtlijnen wie van elkaar buren waren. Men hielp elkaar tijdens het oogsten, maar ook als er ziekte en/of dood was.

Opoe Margje Westerman-Meulman was sinds juni 1944 weduwe van opa Hendrik. Samen met dochter Jennigje, zoon Hendrik Jan en een knecht (wiens naam ik kwijt ben) beheerde zij de boerderij op B76, nu Westeinde 200.
In de loop van de oorlog waren er onderduikers geweest. Ook zoon Hendrik Jan was op de eigen boerderij ondergedoken geweest en onder andere in Streukel bij Hasselt. Dat gaf spannende momenten als de Duitse soldaten kwamen controleren. In de buurt zaten meerdere onderduikers, maar aan het eind van de oorlog waren de meeste onderduikers hier weg.
In plaats daarvan was er aan het eind van de oorlog op Westeinde 200 inkwartiering van Duitse soldaten en officieren. Omdat door die inkwartiering het hele woongedeelte was bezet, woonden opoe Westerman met haar dochter Jennigje en zoon Hendrik Jan tijdelijk in bij oma’s zwager, Jan Westerman, op Westeinde 198. Door die familierelatie waren ze minder afhankelijk van de buren en kon op deze wijze het werk op haar boerderij toch voortgang vinden. Het woonhuis van opoe was dus in beslag genomen. Vee en huisraad waren deels elders bij familie ondergebracht, maar een deel van het vee stond nog op stal op nummer 200 en dat werd in de vroege ochtend van 10 april naar buiten gebracht. De verbindingen met de buitenwereld beperkten zich niet alleen tot de onderduikers, er waren ook nauwe banden met de ondergrondse, vooral aan het eind van de oorlog van levensbelang.
Middels berichten van de ondergrondse werden de vorderingen van de mogelijke bevrijders doorgegeven. Het grote nieuws was: ‘De Canadese bevrijders zijn in aantocht’.
Beschietingen waren te horen vanuit de richting van het dorp. Van tevoren was iemand van het verzet (een schoolmeester – meester Oldebeuving?) poolshoogte komen nemen:
hoeveel Duitsers zijn er, hebben ze munitie, waar en wat kan er mogelijk gebeuren?
Op de avond van 10 april werd de familie gewaarschuwd dat het nodig was de boerderij te ontruimen om de doorgang richting Zwolle mogelijk te maken. De opdracht aan de familie was: “Breng het vee naar buiten. Doe alsof het een normale werkdag is. Ga zelf aan het werk op het land. Zorg dat je daarbij uit de buurt van de boerderij bent, want er kan gevochten worden.”
De raadgevingen werden opgevolgd en in de vroege ochtend van 10 april werd het vee naar buiten gebracht.
Dat opoe en haar kinderen gewaarschuwd werden had mogelijk te maken met de opgeslagen munitie in de boerderij en het ontploffingsgevaar bij beschieting.

* * *

Het verhaal achter een diploma, verteld door Herman Bouwhuis

Aartje Schoemaker

Als Geert en ik op de geplande tijd bij Herman aan tafel schuiven, ligt hét diploma al klaar. Er zit een mooie authentieke lijst om. Dat zegt al iets over de waarde die aan dit diploma uit 1931 gehecht werd. Achtentachtig jaar later buigen we ons over de sierlijk gekalligrafeerde -wel verbleekte- naam: Jan Bouwhuis Rzn, te Ruitenveen, gem. Nieuwleusen.

Vanaf 2 juni1931 is Jan Bouwhuis gediplomeerd veeverloskundige. In de hoeken van het diploma staan afbeeldingen van de dieren waar Jan het meest bij geroepen zal worden: koe, schaap, paard en varken. Het diploma is ondertekend door C. A. v.d. Veen, dierenarts, G. v.d. Streek (leider), J. Plender, voorzitter van de O.L.M. afd. Kampen en Omstreken.


Het diploma dat op 2 juni 1931 werd uitgereikt.

Hoe komt een 25-jarige boerenzoon, geboren aan de Hoofdvaart 63 (Den Hulst 7) ertoe dit diploma te gaan halen of zich te specialiseren?
Daar hebben we nog geen antwoord op. Ook het Veterinair Historisch Genootschap weet niets van deze opleiding. Wel stuurden ze ons een kopie uit het boek “Tussen boer en burger”, waarin de verhouding tussen dierenarts en veeverloskundige geschetst wordt.
De veeverloskundigen waren bekenden uit het dorp en voor de boer voordeliger dan een dierenarts. Soms waren er afspraken dat medicatie door een veearts gegeven werd. In die tijd zonder telefoon kwam de boer, zoon, knecht of een buurman aan de deur om hulp vragen. Jan ging dan op zijn fiets naar de hulpvrager. Jan Bouwhuis kocht in 1950 een Jawa 250 cc-motor in Zwolle bij de firma Dragt. Daarmee was hij een stuk sneller ter plaatse. Herman weet nog goed -hij glundert nog bij de herinnering- dat hij weleens achterop de motor met zijn vader mee mocht. Op zich al een hele belevenis voor een jongen, maar als bijna niemand nog een motor heeft is het extra bijzonder. Jan zei dan: “Hold oe goed vaste!”. Op zijn rug had hij een langwerpige lederen tas met gereedschap. Aan die riem hield Herman zich goed vast.
Als de komst van een kalf niet wilde vlotten, probeerde Jan het er eerst toch levend uit te krijgen. Lukte dat niet -omdat het kalf te fors of de koe te nauw was- dan moest het gereedschap uit de tas gehaald worden. Jan doodde het kalfje in de baarmoeder door een slagader door te snijden, zodat het dier niet lang hoefde te lijden. Herman vond het best heftig dat gade te slaan. Dan begon het veeverloskundige werk om het kalf uit de koe te halen. Jan had messen aan een lange steel, haaks halfrond, om de wand van de baarmoeder niet te beschadigen. Hij werkte secuur op een zelfbedachte manier die in die situatie het beste voor koe en kalf was.
Jan werd ook bij zieke dieren geroepen.
Bijvoorbeeld bij ‘wrange ien ‘t gier’, een gevreesde uierziekte. Aderlaten gebeurde met een driepunts rvs-buisje-Trocat. Dat werd gestoken in de ader van paard, koe of varken. Er werd bloed afgetapt zodat het dier weer vers bloed aan kon maken en op zou knappen. Het aderlaten werd eerder met vlijmen gedaan, die boeren zelf nog lang gebruikten. Zo’n canule was moderner. Ook had Jan een medicijnkast. Die stond op de deel.
Daar mochten wij als kinderen niet aankomen!
Zalf, tabletten, drankjes voor de zieke dieren. Injecties geven mocht hij als gediplomeerd veeverloskundige ook.
Jan Bouwhuis was - naast boer en veeverloskundige - ook huisslachter. Dat vak leerde je in de praktijk door met een ervaren


Het gereedschap waarmee een veerverloskundige zijn werk deed.

huisslachter mee te lopen, te assisteren en daarna zelfstandig aan de slag te gaan. Om geen ziektes te verspreiden was Jan heel schoon op zijn kleding.
We kijken even mee hoe het slachtritueel in zijn werk ging. Het te slachten varken (koe of pink) werd uit het hok gehaald. Het vetgemeste varken spartelde onder luid geschreeuw tegen en werd naar de ‘pompestraote’ gebracht. Door touwen om de poten te doen, kregen ze het dier wel mee.
Het was meestal koud in de slachttijd, maar op de ‘pompestraote’ was het warmer omdat de koeien er vlakbij stonden. Vader Jan stond daar al klaar met het schietmasker. Er werd een kogel ingedaan en zodra het varken zijn kop even stilhield, ging het masker tegen het voorhoofd. Als de trekker overgehaald werd, vloog er een pen van ongeveer 3 cm lang in de kop. Daarna was het hersendood en gevoelloos. Vervolgens werd de hals doorgesneden en werd het bloed opgevangen in een lage emaillen schaal met een doorsnee van 40 cm. De schaal werd in een emmer geleegd. Het bloed moest direct rondgedraaid worden om stolling te voorkomen. Dat gebeurde met de hand. En ja, ook Herman moest dat een keer doen. Zijn jongenshand voelde het warme bloed. Geen tijd om daarbij stil te staan, want hij moest sneller roeren. Na een tijdje moest je wel even stoppen om de slierten van je hand te schudden. Hond en kat waren er als de kippen bij om die te bemachtigen en buiten te verorberen. De emmer bloed werd koel weggezet om later bloedworst van te maken. Dan werd er zout, meel en spek doorgeroerd en vervolgens in katoenen zakken in de wasketel op de kachel gekookt.


Als het varken op ladder hangt gaat Bouwhuis verder met zijn werk.

Rond zeven uur ‘s avonds kwam de slachter terug voor het versnijden van het varken. “’k Heb zowat ‘n stientien spek”, klonk het als de speklaag zo dik was als een keukenmuurtegel, zo’n 10 cm. De buren kwamen er een borrel op nemen. Onderdeel van het ‘naoberschop’ en ‘’t vet priez’n’.
Spek met vlees eraan werd aan de zolder in de kamer gehangen. Daar droogde het goed vanwege het fornuis. In een hete zomer drupte het vet nog weleens uit de worsten. Daar werd een paardendeken onder gelegd.
Om leverworst te maken werd de lever in blokjes gesneden. Het was zaak om bij het slachten de galblaas snel van de lever af te scheuren, zodat de galvloeistof niet over de lever droop. Die bittere smaak was er moeilijk af te krijgen. Aan lever, longen, en spek werd boekweitmeel toegevoegd. Aangelengd met water werd de brei ook in katoenen zakjes gedaan en gekookt.
Als Jan avonds thuiskwam, was hij nog niet klaar. Dan moesten de slagersmessen weer geslepen worden. Eerst op een grove wetsteen en daarna op een heel fijne wetsteen. Klaar voor de volgende morgen, want om acht uur had de volgende boer het water alweer aan de kook en volgde hetzelfde ritueel. Er waren zo’n vier of vijf ketels kokend water nodig om het haar van de huid af te schrapen met een krabber.
Bovenaan die metalen krabber zat een haak, waarmee de nagels van de poten afgetrokken werden. Daarna ging het varken op de ladder om de ingewanden eruit te halen.
Bitter was ook het einde aan het leven van Jan Bouwhuis. Op 22 februari 1952, 46 jaar oud, viel hij met de motor omdat hij sterk moest remmen om twee jongens te ontwijken. Dat gebeurde op het Westeinde ter hoogte van het huis van bakker Jonker, waar nu ORA in zit. Werkten de hardgebakken klinkers, die snel glad werden, op het rondlopende wegdek daarbij tegen? Een auto kon hem niet meer ontwijken. Jan is nog naar het ziekenhuis in Zwolle vervoerd, maar hij besefte wel dat hij het vanwege inwendige bloedingen niet zou halen. Een rib had zijn long doorboord. Moeder, zoon Roelof en dochter Dirkje zijn onmiddellijk per ambulance naar het ziekenhuis gegaan. Herman werd later met de taxi van Hendrik Masselink naar het ziekenhuis gebracht. Kleine zesjarige zus Mina bleef thuis. Voor haar was er oppas. In het ziekenhuis nam Jan nog bewust afscheid van vrouw en kinderen. “Zorg ie goed veur oen moe?”, werd de jongens gevraagd. Broer Roelof werd varkensslachter. Herman -14 jaar oud toen het ongeluk gebeurde, hielp met het werk, dat thuis te doen was. Dirkje vond al gauw een betrekking en Mina ging naar de lagere school. Wat een opluchting bracht het telegram -op het állerlaatste moment- met de mededeling dat Roelof vrijgesteld werd van zijn militaire dienstplicht. Hij kon thuis echt niet gemist worden, nu vader Jan weggevallen was.
Drie jaar na het overlijden van Jan ging Herman een paar jaar in de landbouw in de N.O.P. werken. Daarna was hij een jaar opperman bij H. Koezen, aannemer. Vervolgens werkte hij elf jaar bij zuivelfabriek Onderling Belang en achtentwintig jaar bij E.G. ten Kate Landbouwmechanisatie.
Wát een vreugde en verdriet gaan er achter zo’n lang gekoesterd papier schuil.
Bedankt, Herman dat je het wilde vertellen.

Het gereedschap van de huisslachter

* * *

Vier generaties bakkerij Borger in Nieuwleusen

Lydie Bruggeman

Het was Hendrik Borger die rond 1900 aan het Westeinde in Nieuwleusen van start ging met een bakkerij. Alleen de bakkerij was echter niet voldoende om de kost te verdienen. Hendrik Borger had er daarom nog een boerderij bij. De woning aan het Westeinde, waar het allemaal begon, bestond uit een woning, slaapruimte en bakkerij. Die woning is al lang gesloopt. Nu staat op dezelfde plek Westeinde 44 de woning van Herman en Liny Borger.

De vierde generatie Borger is inmiddels actief in de bakkerij. Na Hendrik nam zoon Jan het over. Herman volgde en Roel, de zoon van Herman, is ook al weer jaren van de partij.
In de jaren dat Hendrik Borger de bakkerij hield, werden er broden van anderhalve kilo gebakken, in die tijd bekend als drie ponder. “Op zaterdagavond kwamen de mensen achter uit het veld om brood te halen,” vertelt Herman. “Ze waren dan tevens verzekerd van een praatje en een borrel. Ook in de periode dat mijn vader Jan de bakkerij runde, had hij daarmee van doen. Brood, praatje en een borrel op de zaterdagavond. Wat wil je nog meer.”


Het huis aan het Westeinde, waar het allemaal begon.

In 1937 werd in opdracht van Jan Borger de huidige bakkerij aan het Westeinde 44a gebouwd. “Het werd een bakkerij, uitgebreid met kruidenierswaren, onder de naam Vivo. Wie kent niet de uitspraak ‘Vivo deelt de lakens uit’.
Mijn vader en opa brachten het brood rond met een bakfiets, later kwam er een venterswagen met een paard ervoor. De paarden, die daarvoor nodig waren, werden altijd gekocht bij Jan Huzen aan de Burg. Backxlaan. Het is wel eens voorgekomen,” vertelt Herman “dat het paard eerder thuis was dan de bakker zelf. Als de bakker ergens te lang bleef hangen en/of praten kwam het paard alleen naar huis lopen.” Zoals in die periode veelvuldig voorkwam, werd ook hier het paard in de loop der jaren vervangen door een auto.
Het bakproces is in de loop der jaren ook veranderd. In de tijden van Hendrik en Jan Borger werden de ovens gestookt met takkenbossen, die gehaald werden bij Ten Kate in Oud-Avereest. Ook afvalhout van een klompenmaker uit Westenholte werd gebruikt om de ovens te laten branden. Dit alles werd later vervangen door de komst van briketten, olie en nu gas. Bakker Herman heeft de ovens zelf nog met olie gestookt.

De familie Borger was groot, Herman komt uit een gezin van acht. “Ik had eerst boer willen worden,” vertelt hij, “maar toen ik mijn vader in de bakkerij moest helpen kwam er een omslag. Mijn vader was streng, diverse bakkersknechten konden weer gaan als het hem niet aanstond. Er moest wel gewerkt worden.”
Er waren ook uitzonderingen, zo was Willem Huzen jarenlang bij de Borgers in dienst. Later werd hij koster van de hervormde kerk in de Kerkenhoek en hij was dirigent. Ook Derk Jan van Berkum heeft een jarenlange staat van dienst.
Hij heeft er jaren lang voor gezorgd dat alle boodschappen in Nieuwleusen bezorgd werden. Dat heeft hij gedaan tot zijn 63e, toen is hij gaan genieten van zijn pensioen.

Herman en Liny Borger zijn in 1970 samen begonnen. “Volgend jaar zijn wij samen 50 jaar ondernemer, dat wil ik nog heel graag volmaken,” stelt Herman. Toen wij begonnen waren er maar liefst achttien ondernemers in het dorp die brood verkochten, waaronder enkele warme bakkers. De concurrentie was groot. Nu zijn dat er nog maar vier”. Daarvan is Bakkerij Borger overigens de enige die van oudsher in Nieuwleusen is gevestigd.
“Met de bakkers die hun eigen brood bakten is altijd een goede samenwerking geweest. Zo gingen wij in overleg over de vakanties, werden er spullen van elkaar geleend en was er een jaarlijks uitje”.

Naast Bakker Herman Borger waren er in die periode nog een zestal warme bakkers actief.
Ondertussen is dat teruggelopen en heeft Nieuwleusen nog twee warme bakkers, Borger en Timmer. “In oktober 1971 ging de Coöperatie Eendracht Maakt Macht dicht. Dat betekende voor ons opeens veel meer klanten. Wat tot gevolg had dat wij de daarop volgende kerstdagen heel veel overuren hebben moeten draaien om in de voorraad te kunnen voorzien. Korte slaapjes van vijftien of twintig minuten en weer verder. Maar het is ons gelukt.” In 1990 werd de winkel aan de Burg. Backxlaan geopend. Maar ook in Berkum heeft Borger al 22 jaar een vestiging. Deze vestiging wordt al die jaren gerund door schoondochter Hanneke Borger. De winkel aan het Westeinde doet als winkel al jaren geen dienst meer. Daar is nu de bakkerij gevestigd en is zoon Roel bij nacht en ontij bezig om de klanten te voorzien van vers brood en gebak.
Roel Borger, zoon van Herman en Liny kwam na zijn diensttijd in 1990 bij zijn vader in de zaak. Hij volgde zijn opleiding in Wageningen en liep stage in Scheveningen, waar hij ooit een taart voor minister Lubbers heeft moeten maken. Vanaf 1996 heeft hij samen met zijn vader een maatschap.
“Venten is steeds minder geworden,” vertellen Herman en Roel. “Wel voorzien wij andere zaken van brood en gebak, met name horecabedrijven.
Dat is de laatste jaren flink toegenomen en dat eigenlijk alleen door mond-tot-mondreclame, zoals we dat noemen. Wij leveren onder andere aan PEC Zwolle, Van der Valk en vele anderen. We gaan ‘s ochtends om drie uur op pad, tot een uur of elf en dan zijn alle bestellingen afgeleverd”.
Alles gaat met zijn tijd mee, de bakkerij is door de jaren heen diverse keren gemoderniseerd en het personeelsbestand is flink gegroeid. De bezetting van de bakkerij is dagelijks zeven bakkers en op de vrijdagavond zijn dat er maar liefst tien, waarbij bovendien de kleinkinderen van Herman en Liny hand- en spandiensten verrichten. Als alles mee zit is daar ook een volgende generatie Bakker Borger bij. Daarnaast nog de bezetting van de winkels.

De vier generaties bakker Borger op rij:
Hendrik Borger (1881 – 1949) en Hendrikje Zieleman (1684 – 1965).
Jan Borger (1914 – 1991 en Femmigje Westerman (1914 – 2003)
Herman Borger en Liny Pruntel
Roel Borger en Hanneke Westerhof

Ruim 50 jaar geleden besloot een aantal ambachtelijke bakkers het principe van het oude gilde nieuw leven in te blazen. Door samen te werken, konden zij elkaar versterken en een vuist maken tegen de oprukkende broodindustrie. Niet elke bakker mag zich ‘Echte Bakker’ noemen. Om ‘Echte Bakker’ te worden, zoals bakker Borger is, heb je een flinke dosis passie voor het vak nodig. Je moet voldoen aan strenge eisen en een proeve van bekwaamheid afleggen om te bewijzen dat je keurmerkwaardig bent.


Het huis dat in 1937 werd gebouwd, met daarin een bakkerij, kruidenierswinkel en woonhuis.

* * *

Inhoudsopgave jaargang 37, 2019:

Nummer 1, maart
Het erve Westerman, 1: René Fokkert
Opa vertelt over zijn schooltijd: M. Prins-Praas
1986: Opening winkelcentrum ‘De Baron’ door burgemeester De Jonge
Ni’jluusn van vrogger ontvangt werk van Gepke van der Meer: Gees Bartels
Constructiewerkplaats H.J. Veltmaat (en Zonen): Marius Veltmaat
Onder de draod deur vreet’n: Aartje Schoemaker-Ytsma
Nummer 2, juni
Het verhaal van Frans Visscher:Jenny Kasper en Hennie ter Wee
Graven en begraven: Roelof Boerman
Het erve Westerman 2: René Fokkert
Evert Dijk en de Vinkenbuurt 5:Gees Bartels vertaald
Groepsfoto: Zangvereniging De Lofstem ca. 1952
Hotel Restaurant De Viersprong: Lydie Bruggeman
Openbare school en Christelijke school in één gebouw:Gees Bartels
N Groet an Ni’jluusn: Evert Dijk
Suikerzakjes: Gees Bartels
Merino’s tapijtfabriek: Aartje Schoemaker
Nummer 3, september
Gerrit Jan Huisman; jongste bediende bij de gemeente:Lydie Bruggeman
Groepsfoto: Deelnemers aan de Unionbromfietstoertocht 2019
Het erve Westerman 3: René Fokkert
Et kump vanzelf noar bov’n, interview met M. Prins-Praas: Jenny Kasper en Hennie ter Wee
Union Hout- en bouwmaterialen 1: Gees Bartels
Suzan en Gertjan Groen; een muzikaal duo:Gees Bartels en Hennie ter Wee
Een dag met een oranje randje: Aartje Schoemaker
Nummer 4, december
Groepsfoto: Klas 5 en 6 van CLS School B in 1969
Een bijzondere winkel: Jenni Veijer
Union Hout- en bouwmaterialen 2: Gees Bartels
Een hachelijk avontuur in de oude tram:Jan Schuurman, Staphorst
Mijn herinneringen aan opa Willem Veldhuizen:Willem Hekman
Wat opoe Westerman en mijn moeder vertelden over 10 april 1945: Jenny Kasper
Het verhaal achter een diploma, verteld door Herman Bouwhuis: Aartje Schoemaker
Vier generaties bakkerij Borger in Nieuwleusen:Lydie Bruggeman


3
10
11
12
13
17

20
22
24
28
29
30
32
34
35
36

40
41
42
48

51
53
55

58
59
60
64
66
71
72

75





Jaargang 38 Nummer 1 maart 2020


* * *

Foto voorpagina:

Het restauratieteam volop aan de slag om de DSM Verhalenwagon E33 op de rails te krijgen.
Foto: Dick Klinkenberg

* * *

De bevrijding van Nieuwleusen

Nieuwleusen is op vrijdag 13 april 1945 bevrijd door het 10e peloton van het Toronto Scottish Regement, die behoorde tot de grote 2e Canadese Divisie. Voorafgaand aan de grote legereenheden werden verkenningseenheden vooruit gestuurd om af te tasten wat de sterkte van de Duitse bezetters was. Dat gebeurde overdag. ’s Avonds trokken ze zich terug achter de eigen hoofdlinie nabij Lutten en Hardenberg. Ruim een week hadden Dedemsvaart en Balkbrug ’s nachts eenzelfde ‘niemandsland’ situatie als Nieuwleusen. Tekstfragmenten uit de Kwartaalbladen van de Historische vereniging: ‘De jaren 1940-1945 in Nieuwleusen’ (1995 en 2015) en ‘Ze waren van honger gegaan’ (2007).

De Duitsers boden voor hun definitieve aftocht op knooppunten van wegen zo lang mogelijk verzet en vernietigden bruggen om de opmars van het Canadese leger te bemoeilijken.


De smalle Meeleweg waarover op 14 april de zware Shermantanks naar de Dedemsvaart reden om bij de herstelde Brug 6 via de noordkant van het kanaal de Lichtmis te kunnen bereiken, om de route naar het noorden voort te zetten.

Zaterdag 7 april hebben Ondergrondse Strijders uit Balkbrug de NSB-burgemeester Van Arkel van Nieuwleusen en Avereest naar Balkbrug gelokt en bij De Polle gevangen genomen. Hij is overgebracht naar Kamp Erika bij Ommen. ’s Avonds ging Brug 6 de lucht in en om half negen ging ook de Ommerdijkerbrug (Backxlaan) er aan. In de late avond landden er Franse parachutisten, waaronder een op het voetbalveld, een aantal bij het Zandspeur, rond de Dedemsvaart en in de boomgaard van de boerderij bij Huize Rollecate. De bewoners hebben de mensen niet gezien, maar wel de parachutes, die ‘s morgens in de vruchtbomen hingen. Later hoorde men dat ze gedropt waren ter ondersteuning van de ondergrondse, die was gelegerd in de Staatsbossen bij Staphorst en dat onbedoeld een deel van hen te zuidelijk, bij Nieuwleusen, terecht was gekomen.
Zondag 8 april. ’s Morgens kwam een Duitse vrachtwagen met Grüne Polizei bij de Union Rijwielfabriek fietsen halen.
Maandag 9 april werd in Balkbrug een noodbrug aangebracht. Pantserauto’s kwamen toen tot Brug 6. ’s Middags werd Brug 6 weer gerepareerd. Diezelfde middag zijn er via de Vinkenbuurt pantserauto’s in Nieuwleusen geweest en hebben vijf Duitsers krijgsgevangen gemaakt, die hier al een hele tijd zaten als bezetting van een luisterpost (tegenover het Molenpad, nu zwembad en sportvelden).
Dinsdag 10 april reden tegen 11 uur in Den Hulst een stuk of acht pantserwagens voorbij in de richting van station Dedemsvaart (nu viaduct over spoorlijn Zwolle-Meppel). Nabij het station werden enkele Duitsers gevangen genomen. Ook zijn er circa acht pantserwagens via de Vinkenbuurt naar Nieuwleusen gereden en verder het Westeinde in. Een dag eerder was geconstateerd dat op het Westeinde 198 nog vijf Duitse soldaten aanwezig waren in het bezit van pantservuisten. Vanuit de omgeving van de Hoevenbrug konden ze ook de grindweg naar Dalfsen bestrijken. Omdat de Canadezen dachten dat er nog Duitsers in de boerderijen zaten, zijn er zeven boerderijen beschoten en in brand geraakt. De bewoners, sommigen door het verzet gewaarschuwd, wisten te vluchten en hun leven te redden. Een oudere bewoner wilde niet vertrekken en is omgekomen. ‘s Middags werd begonnen met het repareren van de Ommerdijkerbrug. ’s Avonds trokken de Canadezen weer terug naar Balkbrug en ’s nachts trokken de Grünen nog een keer op verkenning uit.
Woensdag 11 april. ’s Morgens kwamen de pantserwagens weer langs. Aan enkele oudere jongens uit Nieuwleusen werd door het verzet gevraagd om op verkenning te gaan.
Donderdag 12 april. Door Balkbrug trokken vanuit de richting Ommen aaneengesloten colonnes richting Hoogeveen. ’s Morgens zaten er weer Duitsers aan het Westeinde onder andere gewapend met een tank. De Canadezen lagen voor de school aan het Oosteinde in stelling. Er werd niet gevochten. De Duitsers zijn later weer weggetrokken richting Dalfsen. De Canadese bezetters bij Brug 6 waren ’s morgens weer weggetrokken naar Balkbrug en de brug werd daarna bewaakt door de NBS (Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten). Grote schrik toen die ’s avonds ook werden teruggeroepen naar Balkbrug.
Vrijdag 13 april. De Rollecatebrug, inmiddels weer hersteld, was weer opgeblazen door de Duitsers, maar niet onherstelbaar. Tegen tien uur kwam er een groep Canadezen als bezetting in de Kerkenhoek. In Den Hulst stelden zich vijf lichte tanks op bij Theresia aan de Schapendijk. Deze tanks hadden de opdracht deze streek tot aan het Zwartewater te zuiveren van Moffen. Het bericht kwam binnen dat Dalfsen was bevrijd en de Canadezen gingen vanuit Ommen daar naar toe. De Duitsers hadden zich teruggetrokken achter de Vecht en de brug bij Berkum opgeblazen. Zo af en toe zag je een patrouille NBS’ers terugkomen met een paar krijgsgevangen genomen Duitsers. Om half zes kwam het bericht dat om zes uur de officiële bevrijding zou ingaan.
Vrijdag 13 april 1945. Om zes uur ’s avonds werd Nieuwleusen door de bevelhebber van de Canadezen officieel bevrijd verklaard.
Een grote menigte trok naar de Kerkenhoek. Onder het gelui van de klok der Hervormde Kerk werd voor het Gemeentehuis een erewacht van de N.B.S. opgesteld en door Van Weerd (meester Oldenbeuvink) en Van Beek (meester J. van Aarts) de vlag gehesen, met een toespraak door Van Weerd voor een grote menigte toehoorders. Na het zingen van het Wilhelmus kon iedereen zich aan de herkregen vrijheid wijden. Het was een schitterend gezicht al die vlaggen en mensen met oranje petten, mutsen e.d. te zien feestvieren en te stoeien met de Canadezen. Wel was de verordening om acht uur binnen te zijn nog van kracht en was er geen alcohol om de feestvreugde ten top te voeren. Leve de Koningin!!!”
Zaterdag 14 april werd de schoonmaak ingezet. De bevolking hield zich stipt aan de uitgevaardigde bepalingen en heeft zich ordelijk gehouden. De bezetting, die in de Kerkenhoek was gekomen en de opdracht had de zaak te zuiveren, is 14 april ’s morgens weer vertrokken.
Bij café Schoemaker (nu Restaurant De Viersprong) in de Kerkenhoek werd een tafeltje geplaatst. ’s Avonds kwam daar een radio op te staan die werd afgestemd op Radio Oranje. Er kwamen veel mensen om naar de laatste berichten te luisteren. Zware Sherman tanks reden aan twee kanten heen en weer langs de Dedemsvaart en ploegden de straat helemaal om. Omdat de brug over de Vecht bij Berkum was opgeblazen, kwam een enorm grote colonne uit de richting van Raalte bij Dalfsen over de heel gebleven Vechtbrug {NB:“In de vroege ochtend van de 13e april 1945 werden de Dalfsenaren opgeschrikt door een hevige dreun. (.....) In de loop van de middag hebben de Canadezen een pontonbrug over de Vecht gelegd. Die liep vanaf het Veerland naar de Kaai. Toen deze brug gereed was, kon het zwaardere materieel worden overgezet.(...)}, trok over de Hessenweg richting Berkum en ging daar naar het noorden via het Lichtmiskanaal tot de Meeleweg. Omdat de Lichtmisbrug ook was opgeblazen, ging het over de Meeleweg, die ook totaal stuk gereden werd, naar de zuidkant van de Dedemsvaart, langs het kanaal helemaal tot Brug 6, richting Balkbrug, en daar over de brug en weer aan de noordkant van het kanaal terug naar de Lichtmis. Vandaar trokken de tanks in de richting van Meppel verder. De lichtere wagens reden al via De Meele naar de bruggen bij de Rollecate en Sluis 3 en vandaar richting De Lichtmis en Meppel. Toen bij De Lichtmis een Baileybrug over de Dedemsvaart was gelegd, ging alles daar meteen rechtdoor naar Meppel. Al snel stond de weg van Plankenloodsje tot aan De Lichtmis vol met tanks, auto’s en andere voertuigen.

Burgemeester Johannes Philippus Backx omstreeks 1940.

Dinsdag 24 april keerde burgemeester Backx terug naar Nieuwleusen. Een grote menigte had zich voor het gemeentehuis verzameld en verwelkomde hem met een driewerf hoera.
Leden van de NBS hingen hem de ambtsketen om voor hij het gemeentehuis betrad. Via de Raadszaal betrad de burgemeester het balkon. Daar sprak wethouder Nijboer de burgemeester toe in welgekozen en hartelijke woorden. Na de toespraak van de burgemeester, waarin hij zei te hopen dat God hem kracht mocht geven zijn werk in het belang van Nieuwleusen te doen, werd aan de aanwezigen de gelegenheid geboden hem de hand te drukken. Allen stroomden naar binnen.

De oorlogsbruid
H. Prins-Praas

’t Was in 1943 dat Schuurman, ‘s avonds om een uur of acht,
de Zwolse jongen, Henk van der Sluis, stiekem bij ons binnengebracht.
Onze vader sprak, en zijn taal was niet mis: “Hoor eens kinderen,
je vertelt geen mens dat hier een vreemde jongen is.”
Op zolder zat Henk en dacht: “Wat heeft het leven nog te bie-n?”
Alle dagen bruine bonen doppen had hij al gauw gezien.
Maar één troost was er. De boer had dochters, vijf in getal.
Om daar niet naar te kijken vond Henk al te mal.
De middelste, een blonde schone, viel bij Henk goed in de smaak
en de verdere kennismaking was dan ook heel gauw gemaakt.

Maar helaas werd aan die vriendschap op een nacht een einde gemaakt,
want door veel lawaai en herrie zijn wij midden in de nacht ontwaakt.
Henk, die wel was weggekropen, hadden die lui al gauw ontdekt
en met veel bravour grepen zij hem in zijn nek.
Alles werd uit de kast gehaald, al vonden wij het nog zo rot.
Een oranje sjerp, net of die het kon helpen, scheurden ze finaal kapot.
Nu, na 75 jaren, is ’t nog net of ’t de dag van gisteren was!
De spaarcentjes van mijn kleine broertje verdwenen in de man zijn jas.
In de stal, op de zolder, overal gingen zij door.
en helaas, Henk van der Sluis namen ze mee; want daar kwamen ze toch voor.

In de buurt werd nog een jongen ’s nachts uit zijn bed gelicht,
want dat beschouwden de Groenen blijkbaar als hun dure plicht.
Bij het spoor in het Westeinde werd door hen plotseling gestopt.
Daar staken zij heel verwaand doodleuk een sigaretje op.
Henk van der Sluis, een Zwolse jongen, die was toen heel kien,
de bedoeling van die mannen had hij al meteen doorzien.
Hij fluisterde: “Doe niets, al springt het stoplicht op rood,
want als wij gaan lopen, schieten zij ons ter plekke dood.”
Die nacht ging het naar Zwolle, later naar Kamp Amersfoort,
nadien op transport naar Duitsland. Dat is wat je van de ondergrondse hoort.
In de mijnen werden ze opgesloten; ze leken wel bijeengedreven vee,
maar daar zaten de beulen in die dagen toch niet mee.

Het meisje, nu eenzaam bij haar ouders, werd het wachten heel erg moe
en ging gelaten naar Henk z’n familie in Zwolle toe.
Zij zocht daar een baantje, dat stond haar wel aan.
Zo kon ze ook geregeld naar Henk z’n moeder gaan.
Ook Henk zijn vader was in Duitsland te werk gesteld.
Waar de mannen waren werd helaas niet verteld.
Zij, als vrouw en moeder, smeekte de Duitsers vaak om bericht,
maar aan het eind van de oorlog deed dat voor haar de deur dicht.
Helaas, wat menigeen toen dacht: dat zij met de Duitser was.
Na de bevrijding kwam dat de mensen goed van pas,
want zij werd toen opgepakt; ze kwamen met een grote schaar.
Zij moest haar smeken boeten, betalen met haar mooie haar.

Henk kwam terug en was toen weer Joop.
Slechts één keer heeft hij gesproken over zijn verblijf aldaar.
Een hele middag zaten wij te luisteren, als familie met elkaar.
Hoe zij zich ’s morgens moesten melden voordat er wat te eten kwam,
over lijken moesten stappen en elk de ander getrouw mede nam.
De hele dag werden ze gedreven, de wacht stond altijd klaar.
Er was echt geen pardon, al zakte je ook in elkaar.
’s Avonds gingen ze samen terug met de troep
om ‘lekker’ te gaan eten van de altijd lauwe witte koolsoep.
Helaas konden velen deze dwang niet aan
en zijn door honger en ellende de dood ingegaan.
Door schaarste en ontbering werden ze vleugellam,
tot na twee lange jaren eindelijk de bevrijding kwam.

De Russen uit het oosten, uit het zuiden kwamen de Canadezen er aan.
In die ellendige kampen was het toen met de rust gedaan.
De twee jongens zagen op een dag hun kans
en ontsprongen zo aan een dodelijke dans.
Zij vluchtten, lopend door het Duitse rijk
en gaven van hun doorzettingsvermogen weer blijk.
De hulp van medelijdende mensen heeft hen heel goed gedaan
en zo kwamen zij, God zij dank, behouden in Nederland aan.
Dankbaar en blij; de vreugde was heel groot
toen Joop zijn wachtende meisje weer in zijn armen sloot.





Tien jaar na de oorlog stond de Kerkenhoek volledig op de kop voor de aanleg van riolering. Het café van Schiphorst was toen nog in gebruik.

Op 10 januari 1950 was er bij Ante van Marten Schiphorst feest,
want Janny was met haar vriend Joop naar het stadhuis geweest.
Het was heel mooi dat het bruidspaar een huis in Zwolle had,
maar na een paar jaar verhuisde het echtpaar naar Lelystad.
Moest Janny eerst wel wennen, zover bij haar ouders vandaan,
maar samen met hun kinderen stond het haar daar ook weer aan.
Ze hadden een volkstuin; met veel plezier werkten ze daar.
De bruine bonen bij de boer waren ze niet vergeten; ze verbouwden ze elk jaar.

Op 10 januari 2010 werd er in de Kerkenhoek weer een feest gebouwd,
want Joop en Janny waren zestig jaar getrouwd.
Na de oorlog was het hard werken aan de opbouw van ons land.
Al ging het wel moeizaam, het kwam allemaal weer tot stand.
Die nare oorlogsjaren hebben hun verdere leven niet gedeerd;
want op een hoge leeftijd van ruim negentig jaar zijn ze gestorven en geëeerd.

Nieuwleusen, januari 2020.

* * *

Hoe een mooie voorjaarsdag in een hel veranderde

Gerrit Tempelman, opgetekend door Aartje Schoemaker

We schrijven 10 april 1945. Inderdaad, drie(!) dagen voor de bevrijding van Nieuwleusen. De bijna elfjarige Gerrit Tempelman (17 april 1934) fietst vanuit de Stadhoek (adres B60A) naar de Kerkenhoek om voedselbonnen voor het gezin te halen.

Voor zijn vader is het te riskant om te gaan, omdat ‘de gruun’n’ oftewel de Duitsers nog in het dorp zijn. Die voelen de hete adem van de Canadezen in hun nek en een kat in het nauw kan rare sprongen maken.
Het fietstochtje gaat - net als eerder - prima. De zon schijnt, de bonnen zitten weer in zijn jasje, vogels fluiten hun voorjaarsdeuntje. Maar dan hoort hij het geluid van Canadese tanks. Wel een stuk of tien rollen over het Westeinde, richting Zwolle. Het boezemt hem angst in en hij gaat zo gauw mogelijk naar oom E. Bouwman. Die woont aan het Westeinde (nu 17) aan het begin van het dorp.
De Canadezen schieten ter hoogte van bakker Borger noordwaarts naar een Duitse wachtpost. De Canadezen rijden verder over het Westeinde, richting Zwolle, en dan wordt de boerderij van Hendrik Schoemaker als eerste onder vuur genomen. Hendrik Schoemaker woont, gezien vanuit het dorp, in het laatste huis rechts voor de Ebbenweg.
Hendrik woont alleen en heeft twee dames in pension, spionnen naar het lijkt. ‘s Ochtends fietsten ze naar Balkbrug om te kijken waar de Canadezen zaten en ‘s avonds gaven ze die informatie door aan de Duitsers. Hendrik is door de buurt gewaarschuwd, maar hij zegt geen last van de dames te hebben. Vandaag zal het hem zijn leven kosten. Hij wordt gewaarschuwd dat de tanks naderen, maar wil zijn huis niet verlaten. Zijn boerderij wordt beschoten; hij wordt in zijn benen geraakt (vertellen de dames naderhand aan de buren) en de boerderij brandt. Hij laat het leven op de deel, verbrand achter de koeien. Gruwelijk om zo aan je eind te komen. Zijn boerderij is niet herbouwd.
Gerrit was intussen door oom Bouwman thuisgebracht en pas later hoorde hij dat ‘zijn oompie’ niet meer leefde. Hendrik Schoemaker was een soort opa figuur voor hem geweest. Het verdriet was groot bij Gerrit. Opnieuw een groot verlies. Vier jaar eerder was er een doodgeboren broertje en de dag erna overleed zijn eigen moeder.
Zijn vader en tweede moeder gingen met de melkkar naar G. ten Kate, haalden daar een kist en reden naar de resten van Hendriks boerderij. Ze legden zijn verkoolde lichaam in de kist en reden naar de begraafplaats, waar de kist in het baarhuisje werd gezet.
Na de boerderij van Hendrik Schoemaker hebben de Canadezen verderop in die buurt nog zes boerderijen beschoten, die allen afbrandden. Daarbij vielen geen slachtoffers. De boerderijen waren van twee families De Boer (ieder aan een kant van de weg, zo’n 400 meter van elkaar), Pot, (drie boerderijen werden overgeslagen) Westerman, Upper en Schuurman (hoek Westeinde - Hoevenweg). De bewoners vluchtten door de sloot en koeien verbrandden in de stallen.
De hel op een mooie voorjaarsdag.

Die nacht sliep Gerrit met zijn ouders en de rest van het gezin Tempelman op de deel, want er zou meer onheil achteraan kunnen komen. De koeien konden met dit weer wel naar buiten. De andere families werden bij buren en familie ondergebracht tot hun noodwoningen klaar waren. Het duurde nog tot 1952 eer ze in de wederopbouwboerderijen konden gaan wonen.

Dit was niet het enige spannende moment dat Gerrit in de oorlog beleefde.
Op 10 mei 1940 zag de dan zesjarige Gerrit zijn moeder huilen terwijl ze de koeien zat te melken. Dan moet er wel wat ergs aan de hand zijn, dacht Gerrit. Vader was in Geldermalsen aan het front. Moeder legt uit, dat het oorlog is. Na een paar dagen in onzekerheid over zijn lot verkeerd te hebben, komt vader gelukkig heelhuids terug.
Op een dag was kleine Gerrit met vader mee om ‘knoll’n te plukk’n’, van die gele boterknolletjes. In dichte mist waren ze met paard en wagen naar het land gereden. Opeens hoorden ze Duitse en Engelse ‘jagers’ naderen die elkaar beschoten. Het was een fluitend geluid. De kogels vlogen her en der en floten hen letterlijk om de oren. Het paard


Drie van de herbouwde boerderijen aan het Westeinde. De eerste foto is Westeinde 200, daar woonde vroeger H.J. Westerman. De tweede en derde foto zijn Westeinde 65, dat was vroeger van A. de Boer.

schrok, maar was zo mak dat het niet op hol sloeg. “Onder de waang’n!”, riep vader. Naast de wagen spatte de grond omhoog. Ze bleven gespaard, maar wat een angst brengt zo’n oorlog met zich mee.
Altijd stond er een fiets klaar om bij razzia’s te vluchten. Waar zijn vader zich ook verstopte als er onraad was, Gerrit vond zijn vader altijd wel om hem eten te brengen.
Treinen werden geregeld beschoten en de hulzen lagen voor het oprapen. Met andere jongens ging Gerrit hulzen zoeken bij het spoor. Ze maakten er koperen ringetjes van.
Sommige mannen moesten onder dwang voor de Duitsers met paard en wagen munitie naar Deventer brengen. De Duitsers vorderden veel paarden. Soms kon er op tijd gewaarschuwd worden. Maar o, als je gesnapt werd!
Velen moesten spitten in Hasselt. Daar verdiende je wat mee. De koolsoep uit de gaarkeuken was niet erg voedzaam.
In oktober 1944 gingen er drie kleedwagens richting Zwolle en Gerrit mocht mee. De kleedwagen was van lange Hendrik Schoemaker en zijn ‘kidde’ was erg mak. Marten van Hulst en Bijker waren de andere oudere mannen die menden, want ouderen hoefden niet bang te zijn voor een razzia. Op het dak van de kleedwagens was een witte vlag bevestigd. Op ‘t station in Zwolle wachtten hongerige kinderen uit ‘t Westen. Nu maar hopen dat de vijandelijke vliegtuigen de witte vlaggen respecteren, want het luchtalarm gaat. Heelhuids komen de drie wagens met kinderen bij De Viersprong in Nieuwleusen aan en daar worden de kinderen verdeeld over gezinnen waar ze langere tijd zullen logeren om weer aan te sterken.
Gerrit raakte bevriend met een jongen uit Utrecht. Als de jongen na de bevrijding terug naar huis gebracht zal worden, mag Gerrit kiezen: óf met school naar Giethoorn óf naar Utrecht. Gerrit dacht: Giethoorn komt later nog wel eens, maar naar zo’n verre, grote stad, dat is me wat! In een hokje achterin een veewagen reizen de beide jongens mee. Ze worden hartelijk onthaald door de ouders en zelfs de Domtoren wordt beklommen.
Wat een onalledaagse belevenissen voor Gerrit! Ook al is hij net 85 geworden, hij beleeft het nog alsof het gisteren gebeurd is.

* * *

Een dag om nooit te vergeten: 10 april 1945

Jan Schuurman


De nieuwe boerderij, Hoevenweg 43, gebouwd door aannemer A. Huisman van de Lichtmis

Dit is het verhaal zoals ik dat beleefde toen ik nog maar 7 jaar oud was. Ik was een van de negen kinderen die met mijn ouders op een boerderij woonden aan de Hoevenweg 43, aan de Dalfser kant van het Westeinde. De oorlog liep tegen het einde, maar op een dag rond de bevrijding zijn in onze buurt nog drie boerderijen beschoten en afgebrand.

Het was 10 april 1945, een dag om nooit te vergeten. Het was oorlog en er hing veel spanning in de lucht. Als kind voelde je dat het niet normaal was.
Op 3 kilometer afstand, bij molen Massier, stonden de Canadezen met tanks en kanonnen, gericht naar het westen. Omdat ze niet beter wisten dan dat er in deze omgeving in één of meerdere boerderijen nog veel Duitsers zaten, werd er gericht geschoten.
Al voor het oorlogsgeweld zo dichtbij kwam hadden mijn vader en mijn oudere broers de koeien los gemaakt en naar buiten gedreven, het land in. Omdat het heel gevaarlijk werd, ging onze hele familie achter de hooiberg schuilen, omdat daar geen kogels doorheen zouden kunnen komen. Maar de veiligheid van die plek duurde niet zo lang, want er werd met fosforbommen geschoten en het vuur kreeg ook grip op de hooiberg.
Mijn oudste broer Hendrik Jan was toen achttien jaar. Hij heeft de kinderwagen, die altijd klaar stond met papieren zoals trouwboekje, koopakte en misschien foto’s, nog uit de keuken gehaald toen de ramen al kapot geschoten waren.
Toen we achter de hooiberg weg moesten, zijn we door het weiland naar de buren rechts van ons, verderop aan de Hoevenweg, gevlucht. Dat was lang niet zonder gevaar. Wij gingen kruipend, moeder met een baby van nog geen jaar op de arm, en dan weer lopend, maar dan vlogen de kogels ons om de oren. Vandaar zijn we naar een boerderij aan de Middenweg gelopen (toen nog Tweede Hoevenweg). Daar zijn we de hele dag gebleven. We zaten in een schuilhut in een droge sloot en kregen soep en brood van verschillende buurvrouwen.
Waar mijn vader en oudere broers de hele dag geweest zijn weet ik niet meer, maar bij de beschietingen is onze boerderij in brand gevlogen. Ik denk dat ze geprobeerd hebben nog te redden wat er te redden viel toen het vuren minder werd. Na afloop van de beschietingen waren wij alles kwijt; geen bed, geen huis, en dat voor een gezin met negen kinderen. Daarom moest er heel veel overlegd en geregeld worden. De eerste nacht hebben we bij mijn grootmoeder geslapen, in de Arendnevenhoeve, de boerderij aan de westkant naast bakker Borger. De rest van de zomer hebben we daar ook nog gewoond. Toen zijn we ook tijdelijk naar een andere school gegaan.
Na de bevrijding ging iedereen helpen met opruimen, familie, vrienden en buren. Het was een heel mooi voorjaar en er was al zoveel gras dat de koeien buiten konden blijven. Dat kon ook niet anders omdat er na afloop van de beschietingen ook geen stal meer was.
Al snel werd begonnen met de wederopbouw van een noodwoning – die er nu nog staat – en een noodstal voor de koeien, op de plek waar nu de huidige woning staat.
Omdat er niet zoveel stenen te koop waren, moest van de oude stenen zoveel mogelijk het cement afgebikt worden om weer te kunnen worden gebruikt voor een nieuwe stal voor de koeien. Die stal is zeven jaar later weer afgebroken, toen de nieuwe boerderij werd gebouwd.

* * *

Verjaardagsvisite met staartje

Jan Huzen

Jan Huzen, postbode in Nieuwleusen, heeft in 1995 een verhaal aangeleverd voor het boek Verhalenbundel 1940-1944, uitgegeven door de Gemeente Dalfsen. Omdat het boek inmiddels onvindbaar is, lijkt de beschreven gebeurtenis in Nieuwleusen bijna in de vergetelheid geraakt. Het gaat over de onderduik van Henk Lubbers, die aan het Oosteinde 25 woonde. Hij was een zoon van postbode Gerrit Willem Lubbers, die uit Dalfsen afkomstig was. Dat was de reden waarom dit verhaal in de Dalfser verhalenbundel is opgenomen. Huzen wist zich het gebeurde nog goed te herinneren, door wat hij er zelf van heeft gezien en door de verhalen van zijn grootouders en andere mensen uit de buurt. De gebeurtenissen uit het verhaal hebben een diepe indruk nagelaten

Willem Lubbers is de grootvader van Gerrit Lubbers ons bestuurslid. Wij hebben Gerrit gevraagd of wij het verhaal alsnog in ons Kwartaalblad zouden mogen publiceren. Dit was zijn toelichting: “Ik ben in de zomer van 2017 op de boerderij geweest waar het zich in 1944 allemaal heeft afgespeeld. Ik ben er naartoe gegaan met Wiebe Alberts, de broer van Willem Alberts. We zijn bij de huidige bewoners vriendelijk ontvangen en hebben de plek gezien waar de onderduikers zich verborgen hielden en de plek waar Willem Alberts lag toen hij nog aanspreekbaar was door mijn opa. We hebben hier nog minstens een uur onder de koelte van een eikenboom gezeten en gesproken met de bewoners. Het gebeurde kwam zo wel erg dichtbij. We hebben daarna met zijn allen een bezoek gebracht aan Ab Goutbeek en zijn vrouw Tiny in de Ruitenborgstraat in Dalfsen. Zij is de dochter van Kees en Hiltje Broekema en heeft als klein meisje op die fatale dag alles zien gebeuren. Zij wist het nog haarscherp en had ook veel te vertellen. Het vreemde aan het verhaal is dat mijn vader is geboren in het huis waar Ab Goutbeek nu woont. Ik heb later nog het graf bezocht van Willem Alberts in Beilen. De dingen die ik hoorde in mijn kinderjaren vielen toen op hun plaats.”


Het huis waar postbode Gerrit Willem Lubbers woonde, Oosteinde 25.

Henk Lubbers in 1946.

Onderduiken
Gedurende de oorlogsjaren moeten veel Nederlanders om allerlei redenen onderduiken. In de eerste plaats zijn dat joodse landgenoten, maar nadat de Duitsers op 22 maart 1942 verplicht stellen dat Nederlandse mannen ook in Duitsland moeten gaan werken, kiezen velen van hen er voor onder te duiken in plaats van zich vrijwillig te melden. Tijdens een grote razzia in 1944 weet Henk Lubbers aan de greep van de Duitsers te ontkomen. Hij neemt de benen naar Dalfsen. Daar wonen heel wat mensen die zijn ouders goed kennen. Uiteindelijk vindt hij onderdak in de boerderij van Kees en Hiltje Broekema aan de Rechterensedijk 2, vlak bij kasteel Rechteren. Henk is niet de enige onderduiker; hij deelt zijn lot met een jongeman uit het Drentse Beilen. Het tweetal slaagt erin maandenlang uit de greep van de bezetters te blijven. Na een bliksemrazzia zorgen beiden, hoe triest dan ook, voor de nodige opwinding.

Verjaardagsfeest
De fatale 17e november 1944 breekt aan. Het is de verjaardag van Henk. Pa en ma Lubbers stappen in Nieuwleusen op de fiets om hun zoon te bezoeken om hem te kunnen feliciteren. Maar wat een feest moet worden eindigt in een drama omdat het verjaardagsfeest grof verstoord wordt door een onverwachte razzia. Duitse soldaten zijn op zoek naar onderduikers en stappen brutaal en met het nodige geweld de boerderij van de familie Broekema binnen. Henk en de jongen uit Beilen zijn verrast, maar houden het hoofd koel en nog voor de Duitsers goed en wel binnen zijn, kiezen ze het hazenpad. Ze vluchten het veld in. Helaas niet helemaal onopgemerkt. Met het geweer in de aanslag gaan een paar van de soldaten de beide jongens achterna. Er volgt een salvo geweerschoten. Daarbij wordt een van de twee gevluchte jonge mannen doodgeschoten.

Identificatie
Inmiddels heeft een van de soldaten die in de boerderij zijn achtergebleven het persoonsbewijs van Henk Lubbers gevonden. Dat moet volgens hem de jongeman zijn die zo-even is gevlucht. De achtervolgers bevestigen bruut dat ze iemand hebben neergeschoten. Dat moet dus Henk wel zijn! Vader en moeder Lubbers zijn erg geëmotioneerd. Hun zoon is op de vlucht doodgeschoten. Vader Gerrit Willem gaat mee voor de identificatie. Een eerste blik op het slachtoffer leert hem dat het lichaam niet dat van zijn zoon is, maar dat het om iemand gaat die hij niet kent. Henk leeft dus nog!! Maar met betraande ogen bevestigt hij dat de neergeschoten jongeman zijn zoon is. Bij de familie Broekema zijn kennelijk meer onderduikers. Die wil pa Lubbers niet in verlegenheid brengen en hij blijft bij zijn woorden.

Afscheid
Het stoffelijk overschot van de jongen wordt uit het veld gehaald en in een houten kist gelegd. De volgende morgen wordt het opgebaard in het ouderlijk huis van Henk Lubbers aan het Oosteinde in Nieuwleusen. Diverse familieleden en kennissen komen de overledene de laatste eer bewijzen. Zo ook de oma van Jan Huzen, als buurvrouw die aan de overkant Oosteinde 44 woont. De kist is afgesloten met een houten deksel en iedereen vraagt zich af waarom ze de overledene niet nog even mogen zien. “Afgesloten op bevel van de Duitsers”, luidt het antwoord. Niemand mag weten dat het Henk niet is, want daarmee zouden andere onderduikers bij Broekema zeker in moeilijkheden komen.

Onrust
In Dalfsen doen inmiddels allerlei geruchten de ronde. Er zijn wat mensen die vertellen dat ze de ‘doodgeschoten’ Henk Lubbers ergens in de bossen rond Dalfsen hebben gezien. Binnen een mum van tijd gaat dit verhaal het dorp door, komt natuurlijk ook mensen in Nieuwleusen ter ore en komt ook in het Oosteinde terecht. Het geweten van de ouders van Henk Lubbers kent geen rust meer en ze gaan in beraad bij de plaatselijke dominee. Die brengt klaarheid in het geheel. Op 20 november wordt bekend dat de neergeschoten onderduiker Willem Alberts uit Beilen is. Nu bekend is om wie het gaat, wordt de overledene naar zijn woonplaats gebracht. Jan Huzen weet het nog precies. “Op de dag van de begrafenis, zag ik een zwarte wagen via het Oosteinde in noordelijke richting wegrijden. Daarin het stoffelijk overschot van de jongen uit Beilen. Henk was ontkomen aan het geweld van de bezetters. Maar vraag niet hoe!!”
Het slachtoffer is diezelfde dag in zijn woonplaats Beilen begraven.

Afloop
In Beilen werd op 28 november 1944 alsnog een overlijdensakte van de elders overledene opgemaakt. Aktenr. 89: Overledene: Willem Alberts, geboren te Beilen; beroep: landarbeider; overleden te Dalfsen op 17-11-1944; oud: 27 jaren, zoon van Hilbert Alberts, beroep: landarbeider, en Anna Stadman, beroep: zonder.
Na het incident aan de Rechterensedijk is Henk Lubbers elders ondergedoken. Na de bevrijding keerde hij terug naar Nieuwleusen en pakte de draad weer op. Vader Lubbers begon naast zijn werk als postbode een klompenhandel en zoon Henk, die bij de Union ging werken, zette die klompenhandel voort in zijn huis aan het Zandspeur, waar zijn vrouw de zaken waarnam. Hun dochter heeft als huishoudster gewerkt op kasteel Rechteren en hun zoon woont aan de Oosterhulst 10. De familie Broekema heeft een en ander kunnen bevestigen. Zij hebben de gebeurtenis gelukkig ook overleefd.

Rechterensedijk
Dat Henk Lubbers in Dalfsen bij de familie Broekema aan de Rechterensedijk mocht onderduiken getuigt van grote moed door deze mensen, want het vlakbij gelegen kasteel Rechteren was gevorderd door de Duitse bezetter en tussen station Dalfsen en de boerderij van de familie Broekema lag het werkkamp De Vecht, waar in 1942 joodse werkloze mannen werden ondergebracht. Op de dag voordat het kamp werd ontruimd was een man ontsnapt en bij de naastgelegen boerderij van de familie Van der Stouwe verstopt. Bij een latere razzia met verkeerde afloop werd als represaille hun boerderij in brand gestoken. In die gevaarlijke omgeving bood ook de familie Broekema aan onderduikers een schuilplek.

* * *

Brieven van Levie Louis Vomberg

Een briefkaart verstuurd door Levie Vomberg, aanwezig in het archief van onze vereniging, was in 2012 aanleiding om in het Kwartaalblad (pagina 29 tot en met 32) te schrijven over deze joodse slager uit Ommen, die ook klanten had in Nieuwleusen. Inmiddels is er nog een brief ter beschikking gesteld en zijn er twee brieven aan de vereniging geschonken. Die brieven publiceren wij hierbij. Uit de brieven valt duidelijk af te leiden dat Levie Vomberg een nauwe, de klantenrelatie overstijgende band had met enkele families in Nieuwleusen en dat er sprake was van oprechte vriendschap en medeleven. Uit de brieven spreekt angst en hoop en wordt duidelijk hoe het noodlot het gezin nadert.

Achtergrondinformatie.
Levie Louis Vomberg (Dalfsen, 30 maart 1884 - Sobibor, 14 mei 1943) was al drieënveertig jaar toen hij in de zomer van 1927 in zijn geboorteplaats Dalfsen trouwde met de zes jaar jongere Racheltje Vos (Dwingeloo, 1 oktober 1889 - Sobibor, 14 mei 1943). Twee jaar voor zijn trouwen had Levie na het overlijden van zijn vader de slagerij in Dalfsen overgenomen. De slagerij ging zo over op de derde generatie. De grootouders van Levie waren in de negentiende eeuw vanuit het in het midden van Duitsland gelegen Walldorff naar Dalfsen gekomen.
De slagerij van Vomberg was gelegen aan de Koesteeg. Vanuit de winkel in Dalfsen fietste Levie Vomberg vele kilometers om zijn vleeswaren naar klanten tot ver in de omtrek te brengen. Het werkgebied strekte zich uit tot achter Nieuwleusen. Mina, een zusje van Levie, was getrouwd met haar oom, Abraham de Bruin. Die had al jaren lang een slagerij in Ommen. In maart 1930 raakte Abraham betrokken bij een verkeersongeluk met een trein. Na zijn overlijden besloot Levie Louis Vomberg zijn eigen slagerij in Dalfsen te verkopen en de slagerij van Abraham de Bruin over te nemen. Vomberg was ook voorganger in de synagoge.Het echtpaar Vomberg- Vos kreeg twee zonen, Manuel Mozes Vomberg (Dalfsen, 9 augustus 1928 - Sobibor, 14 mei 1943) en Mozes Hartog Abraham Vomberg (Ommen, 5 maart 1932 - Sobibor, 14 mei 1943). In november 1929 werd een dochtertje geboren, Mietje Rebekka, die kort na de geboorte overleed.


Levie Louis Vomberg en Racheltje Vos met hun twee zonen, Mozes Hartog Abraham en Manuel Mozes.


Levi Vomberg voor de woning van Jan Massier aan het Westeinde. Hij bracht vanuit Dalfsen en later Ommen op de fiets ook vleesbestellingen rond in Nieuwleusen.

Toen in mei 1940 de Duitsers ons land binnenvielen probeerde Levie met zijn gezin naar Engeland uit te wijken. De poging mislukte. Daarna werden hem nog wel enkele onderduikadressen aangeboden. Zijn antwoord was resoluut: ‘Men moet de overheid steeds gehoorzamen.’ Ook wilde Vomberg niet dat anderen door hen in gevaar kwamen.
Antisemitische maatregelen hadden al snel een diepe impact op het gezin. Vanaf 5 augustus 1940 had de bezetter een nieuwe wet uitgevaardigd. Hierin werd het ritueel slachten verboden.
Levie Vomberg ging toen aan de slag bij Philip Falkenburg die aan de Hammerweg woonde.
Voor 10 april 1943 moest Overijssel Judenfrei zijn. Alle Joodse inwoners van Overijssel moesten zich melden in kamp Vught. Levie Vomberg wist niet wat hem precies te wachten stond, maar een ding wist hij wel. Terugkeren zou hij niet meer. Voor een persoonlijk afscheid van al zijn vrienden was geen tijd meer. Op het station van Ommen stapten ze op de trein naar Vught. Na een verblijf in kamp Vught werden ze naar doorgangskamp Westerbork gebracht. Op 9 mei 1943 tekende Levie Vomberg daar nog een volmacht. Daarin gaf hij Philip Falkenburg toestemming om hem te vertegenwoordigen in privé- en zakelijke belangen.
Vanuit kamp Westerbork vertrok vanaf februari 1943 iedere dinsdag een trein met een vastgesteld aantal mensen naar de kampen in het oosten. Voor het transport van dinsdag 11 mei 1943 was dit aantal vastgesteld op 1446. Daarbij was de familie Vomberg. De trein kwam op 14 mei 1943 aan in Sobibor, waar het gezin op dezelfde dag dat ze aankwamen, werd vermoord. In november 1947 kwam er bericht van het Rode Kruis waarin het noodlottige einde van het gezin werd bevestigd.

Bron: http://www.joodsommen.nl/menu/familievomberg- vos.html . Uit: Stilstaan bij Stolpersteine - een uitgave van de Stichting Herdenking Joods Ommen. Heeft u vragen, opmerkingen en/of aanvullingen op het verhaal dan horen wij dat graag. U kunt hiervoor contact opnemen via herdenkingjoodsommen@hotmail.com.

Jan Prins en Zwaantje woonden in de Oosterhulst aan de zuidkant van de Dedemsvaart.

Ommen, 21 Juli 1942

Jan Prins en Zwaantje

In gezondheid hebben wij uw pakje ontvangen en daar ik u niet persoonlijk kan bedanken doe ik het maar per brief. Ten eerste hebt u door dit te sturen bijgedragen tot ons levensonderhoud, daar wij tegenwoordig ook al aan alles te weinig hebben, en hiermee hebt u bewezen dat ook in uw huis barmhartigheid en weldadigheid woont, wat altijd bij uw oudershuis en ook bij uw grootvader heeft gewoond.
Ik ben niet bij machte om u het te vergoeden, daar ik misschien nooit weer bij u kan komen, daar ik ook in de termen val om naar een kamp te worden gestuurd. Mijn zwager is maandag opgesloten in zo’n kamp, dus ge kunt wel begrijpen wat voor toestand ons te wachten is, maar we moeten er in berusten, want zovelen treft hetzelfde lot.
Maar zeer dankbaar ben ik u voor het goeie wat u mij hebt bewezen.
Bijna 40 jaren ben ik bij uw huis gekomen en heb nooit anders dan goeds daar ontvangen. Is het dan een wonder dat ik dit nooit zal vergeten. De uren bij u doorgebracht zijn dagen geworden en de dagen tot jaren, steeds altijd een goed woord en een goeie plaats.
Moge God u zijn zegen geven voor het goeie dat u hebt gedaan. Moge Hij u samen behoeden voor de ellende van de tegenwoordige tijd. Moge het u gegeven zijn van uw kind veel goeds te beleven. Moge hij u tot grote steun zijn wanneer voor u de jaren van de ouderdom komen. Prijs uw vader en uw moeder zaliger, die u op de weg hebben gebracht die leidt tot de onsterfelijkheid. Moge u de zegeningen ten deel vallen die voor de rechtvaardigen zijn weggelegd.
En zo neem ik afscheid van u. Vergeet niet wat uw ogen in uw huis hebben gezien, steun je vader en je tante zoveel mogelijk nu zij oud zijn en eens zal je loon groot zijn. Bedank je vader en je zusters voor mij, want ook zij waren goed voor mij en ook je broer Arend ben ik veel verschuldigd, want ook hij heeft mij vaak van zijn overvloed laten genieten.
Mocht ik soms ontijdig van de wereld worden weggenomen, weet dan dat gij aan mij een voorspraak zult hebben bij den Almachtige = Gij en heel uw vaderlijk huis, opdat de Algoede zijn oordeel verzachte en aan u allen zijn barmhartigheid geve. Moge het u samen gegeven zijn in gezondheid tot in hoge ouderdom bij mekaar te blijven.

Moge het u aan niets ontbreken,
Mede uit naam van ons allen
Uw dankbare vriend
L. Vomberg

Deze brief, waarschijnlijk geschreven op 7 april 1943, is gericht aan de familie Massier. Marten Massier was postkantoorhouder aan het Westeinde 18. Levie Vomberg kwam veel bij opoe Massier.

Ommen, Woensdagavond 10 uur

M. Waarde Mensen,

Uw brief hebben we in gezondheid ontvangen en bedank u voor de hartelijke woorden. We zijn nog steeds rustig en gezond, heb nog een beetje werk en ga nog een keer per week naar Nieuwleusen en Den Hulst.
Van de kennissen en vrienden krijgen we zeer vaak blijken van meeleven en troost, wat van grote waarde is in deze tijd, want je kunt wel begrijpen wat het tegenwoordig is. Ik wil je nog heel graag bedienen als klant en als er gelegenheid is doe ik het ook wel, maar …. we zullen zien.
We leven op een vulkaan die ieder ogenblik uiteen kan slaan, we weten niet iedere dag, ieder uur en iedere minuut wat er gebeuren kan. Van mijn bezoek naar u zal het wel vooreerst niet komen, daar ik zo min mogelijk van huis ga zoals je wel denken kunt. Misschien zien we mekaar weer, misschien ook niet, ik moet op alles voorbereid zijn.
Mocht ik je soms niet weerzien, dan hoop ik, wanneer mijn kinderen uit nood eens bij u moeten aankloppen, dat gij dan onze vriendschap zult gedenken en hen helpen als het nodig is, wat het worden moet van hen? Ik kan het niet meer begrijpen.
Wat het voor mijzelf betreft, leef ik zeer rustig en vertrouw op Hem die de hele wereld bestuurt naar Zijn wil, wat er ook gebeure. Voor mij zelf ben ik niet bang of onrustig en slaap gerust door en aanvaard het lot zoals het komt, en verder moeten we maar afwachten.
Leef gelukkig met mekaar en gebruik uw levensdagen zo nuttig mogelijk, want het leven kan soms zo kort zijn.
En tot besluit dit. Ge weet, 40 jaren ben ik bij je ouderlijk huis gekomen, veel goeds en genoegen heb ik daar beleefd, het is niet te tellen, het is niet te begrijpen, het is niet te schatten, het zal me bijblijven tot het laatste toe. Weet dan dit, wanneer ik soms van de wereld mocht worden weggenomen, dan zult ge van mij bij de Hemelse vader een voorspraak hebben, gij en allen die uit uw ouderlijk huis zijn gegaan, voor het goede wat ik van je vader en je lieve moeder z.g. (zaliger) heb ontvangen, hun aandenken zal u steeds tot zegen zijn, God moge je zegenen in alles tot in hoge ouderdom,
dit is misschien de laatste wens van je vriend Vomberg.







Briefkaart door Levi Vomberg geschreven op de avond van 8 april 1943, de dag waarop hij met zijn gezin op transport werd gesteld.

Op de joodse begraafplaats bij Dwingeloo is nog een graf van een familielid Vomberg/Vos aanwezig.

* * *

Eén overval, tien executies

René Fokkert

De gemeente Nieuwleusen is relatief goed door de oorlogsjaren heen gekomen. De meeste schade werd aangericht bij de bevrijding door de Canadezen, waarbij een dode viel en zeven boerderijen afbrandden.
Toch is er ook een ernstig incident geweest waarvoor tien mannen van buiten de gemeente zijn geëxecuteerd.


Maar weinig mensen weten dat er op 27 november 1944 een overval plaats vond op een landbouwer in de Oosterhulst in de gemeente Nieuwleusen. De overval werd met gebruikmaking van vuurwapens uitgevoerd door drie leden van de verzetsgroep uit het Staatsbos in de gemeente Staphorst. De betrokken landbouwer zou zich schuldig hebben gemaakt aan zwarte handel. De overval was bedoeld om de landbouwer zwart geld afhandig te maken en waarschijnlijk ook om hem een hardhandig lesje te leren. Het liep echter niet helemaal zoals gepland.
In de boerderij troffen de overvallers in de kamer de zoon aan. Op het moment dat die zoon door een van de overvallers werd bedreigd met een revolver, kwam de vader de kamer binnen. Hij had een bak met gloeiende kolen bij zich en gooide die de overvaller in het gezicht. Op hetzelfde moment ging de revolver af. De kogel belandde in de muur. De overvallers sloegen op de vlucht en werden nu achterna gezeten door de landbouwer en zijn broer, die aan het melken was en op het lawaai afkwam. Buiten kregen ze de overvaller die de gloeiende kolen in het gezicht had gekregen te pakken. Een van de andere overvallers schoot op de boer en raakte hem in zijn been. De broers gingen weer naar binnen. De vechtpartij was daarmee ten einde. Er werd een dokter naar de boerderij gehaald en deze bepaalde dat de boer met de schotwond in het ziekenhuis in Zwolle moest worden opgenomen.
Na vier jaar oorlog had bijna niemand meer een auto. De broer besloot naar Dedemsvaart te fietsen om daar een auto te regelen. Onderweg kwam hij de N.S.B. burgemeester Van Arkel tegen, aan wie hij zijn verhaal vertelde. Die seinde de S.D. in en die zorgde voor vervoer naar het ziekenhuis.
Zo kwam de overval al heel snel onder de aandacht van de Duitse bezetters. Die namen de overval hoog op en lieten de volgende dag vanuit het huis van bewaring in Zwolle tien gevangen genomen verzetsmensen overbrengen naar kamp Amersfoort. Deze gevangenen werden nog diezelfde dag gefusilleerd.
In de dagen na deze standrechtelijke executie werden op veel plaatsen pamfletten opgehangen waarop, zowel in het Duits als in het Nederlands, werd meegedeeld wat er was gebeurd en wie er terechtgesteld waren.

(De gegevens van deze tien mannen zijn voor een groot deel afkomstig van de Oorlogsgraven stichting.)
Acht van de terechtgestelde mannen zijn net buiten het terrein van kamp Amersfoort op een heideveldje achter een boerderijtje doodgeschoten en twee op de schietbaan bij het kamp.
Op het laatste moment werd ook nog dominee Sjouke Rijper, geb.12-9-1884 Amsterdam, aan de groep toegevoegd en gelijk met hen terecht gesteld. Op een herdenkingssite op het internet waarin zijn verhaal verteld wordt, worden ook acht van de op transport gestelde en deels uit Zwolle afkomstige mannen genoemd. Het volgende stukje tekst komt van die site:
Om onrust onder gevangenen te voorkomen roept hij (Duitse kampcommandant Kotalla) ze af om vrijgelaten te worden. Dat gebeurt ook bij acht verzetslieden uit Zwolle die bij het spoor een seinhuisje hadden opgeblazen. Net als zij, ontvangt ook Sjouke Rijper zijn vrijlatingsbewijs. Gereed voor vertrek zitten ze in het wachtlokaal. Het duurt een tijdje omdat er zogenaamd geen vervoer is. Sjouke zingt zachtjes psalmen voor zich uit. In zijn binnenzak z’n bijbeltje, een witstenen tabakspijpje, een kledingborsteltje en een nagelvijltje. Buiten begint het donker te worden. Dan worden de acht Zwolse verzetslieden afgeroepen: Philips Haye, Philip Bergwerf, Eduard Reinke, Ubel Bulthuis, Cornelis Haye, Andries de Vries, Jan Bronswijk en Hendrik Kolkman. Kotalla die er om bekend staat dat hij het gemunt heeft op geestelijken, wijst met zijn zweepje naar dominee Rijper en zegt ”Nehmen Sie den alten Kerl auch mit. Er is ja doch krank…” (Neem die oude man ook mee, hij is toch ziek). Ze lopen richting een boerderij net buiten het kamp. Het is een tocht van bijna 600 meter. Hier neemt Kotalla van iedereen de ringen en horloges af. De eerste vier worden een voor een doodgeschoten. De dominee en de andere vier moeten wachten. Staand voor een open graf vraagt hij of hij nog iets mag lezen uit zijn zakbijbel. Dat wordt hem niet gegund. Kotalla pakt het bijbeltje af, bladert erdoor en gooit het in de kuil. Hij breekt Sjoukes wandelstok en gooit ook die in het gat. De beul van Amersfoort stapt opzij en geeft om half zes ‘s middags voor de tweede keer zijn bevel. Fertig machen! Legt an! Feuer!
(in deze tekst wijken de namen soms iets af, maar er worden wel dezelfde personen mee bedoeld).
https://rijper.home.xs4all.nl/sjoukerijper/index.htm


1. Bergwerf, Philip, geb.18-1-1923 Den Haag – 28-11-1944 Leusden, 21 jaar.
Beroep letterzetter. Actief in het verzet. Begraven op het nationaal ereveld Loenen.
2. Bulthuis, Ubel Nonkes, geb.18-4-1914 Harlingen – 28-11-1944 Leusden, 30 jaar.
Actief in het verzet. Begraven op de gemeentelijke begraafplaats Kranenburg te Zwolle.
3. Bronsdijk, Jan Cornelis Jacob, geb.14-3-1901 Amsterdam – 28-11-1944 Leusden, 43 jaar. Beroep monteur. Actief in het verzet. Begraven op de gemeentelijke begraafplaats Rusthof te Amersfoort.
4. Haije, Cornelis, geb.6-12-1924 Heino – 28-11-1944 Leusden, 19 jaar. Beroep automonteur. Actief in het verzet. Begraven op de gemeentelijke begraafplaats te Heino.
5. Haije, Philips Engelbertus, geb.11-11-1921 Raalte – 28-11-1944 Leusden, 23 jaar (Zijn initialen zijn op de Bekanntmachung onjuist met Th.weergegeven.) Beroep metselaar. Actief in het verzet.
Begraven op de gemeentelijke begraafplaats te Heino. Cornelis en Philips Engelbertus Haije zijn broers van elkaar.
6. Haeringen van, Arie, geb.15-1-1908 Avereest – 28-11-1944 Leusden, 36 jaar. Beroep landbouwer.
Begraven op de gemeentelijke begraafplaats het Achterveld te Dedemsvaart.
7. Prins, Johann, geb.15-12-1910 Dortmund-Horde (D) – 28-11-1944 Leusden, 33 jaar. Beroep schilder.
Actief in het verzet. Begraven op het nationaal ereveld Loenen.
8. Reinke, Eduard Johan, geb.1-2-1911 Amsterdam – 28-11-1944 Leusden, 33 jaar.
Actief in het verzet. Begraven op de gemeentelijke begraafplaats Rusthof te Amersfoort.
9. Teisman, Harm, geb.22-1-1924 Oldenzaal – 28-11-1944 Leusden, 20 jaar.
Beroep klerk gemeentesecretaris. Begraven op de gemeentelijke begraafplaats te Den Ham.
10. Vries de, Andries, geb.20-4-1924 Steenwijk – 28-11-1944 Leusden, 20 jaar.
Beroep ambtenaar bij de P.T.T. Begraven op de gemeentelijke begraafplaats te Steenwijk.

In een krantenbericht van 7 juli 1945 in Het Vrije Volk wordt melding gemaakt van de vondst van een massagraf bij kamp Amersfoort waarin ook de lijken van de tien personen die op 28 november 1944 werden geëxecuteerd.


Ruim twee jaar na de oorlog, op 25 september 1947, krijgt burgemeester Backx van Nieuwleusen een brief van het Directoraat Generaal voor de Bijzondere Rechtspleging. Om bewijsmateriaal te verzamelen en te ordenen in de rechtszaak tegen Rauter wordt de burgemeester verzocht opgave te doen van verschillende zaken die genoemd worden onder de punten 1 tot 6.


Al de volgende dag gaat een brief met het antwoord van burgemeester Backx retour. Ook deze brief is bewaard gebleven. Uit de tekst wordt duidelijk dat de burgemeester twee jaar na de oorlog wel op de hoogte was van de executie van de tien mannen naar aanleiding van de overval in de boerderij op C13 in de Oosterhulst, waar destijds Berend Jan Huisman (1876-1958), weduwnaar van Jentje Bijker (1877- 1934), woonde met zijn zoon Hendrik (1911-1947), maar niet wist welke personen het slachtoffer waren van de represaille.

In sommige stukken die op het internet zijn te vinden, wordt gemeld dat de familie Huisman lid zou zijn geweest van de N.S.B. Alhoewel er niet echt een ledenadministratie van de N.S.B. bewaard is gebleven als een te raadplegen archief, is dat niet erg waarschijnlijk. Er zijn in april en mei 1945 lijsten gemaakt met daarop de plaatselijke N.S.B.-leden, hulppolitiemannen inclusief personen met functies bij de WA of SS. Deze lijsten zijn getekend door de plaatselijke commandant van de Nederlandse Binnenlandse Strijdkrachten, de heer Van Aarst. Landbouwer B.J. Huisman komt hier niet op voor. Van Huisman is wel een verklaring bewaard gebleven uit waarschijnlijk 1951. In die verklaring worden de gebeurtenissen beschreven tijdens de overval en de eerste maanden na de oorlog.
De overval in de Oosterhulst heeft zeer ingrijpende gevolgen gehad voor een aantal families op verschillende plaatsen in Nederland. Geen van deze slachtoffers kwam uit Nieuwleusen en dat is waarschijnlijk ook de reden waarom dit verhaal hier nauwelijks bekend is geworden.

* * *

100 jaar Oosterveen Oliehandel

Lydie Bruggeman

Al generaties lang is Oosterveen Oliehandel bekend in Nieuwleusen en verre omgeving. Dit bedrijf kent een lange historie. Het 100-jarig bestaan van het bedrijf is in oktober 2019 gevierd. Koop en neef Klaas Oosterveen, de huidige eigenaar, blikken terug.

Het was in 1919 dat Albert Oosterveen, die sigarenmaker was in Dedemsvaart maar dat beroep om gezondheidsredenen niet meer kon uitoefenen, een advertentie zag van ‘De Automaat` (nu Esso) om petroleumventer te worden in Den Hulst. Hij solliciteerde en werd aangenomen.
Albert Oosterveen en zijn vrouw Trijntje Oosterveen-Koning verhuisden daarvoor van Dedemsvaart naar Den Hulst. Daar werd een woning gevonden in de voormalige stallen van Baron Van Dedem, die deze had laten ombouwen tot eenvoudige woningen.
“Daar is de petroleumhandel begonnen,” vertelt de inmiddels 92-jarige Koop Oosterveen, zoon van Albert en Trijntje Oosterveen. “Mijn vader ging toen met een hondenkar bij alle klanten langs.”
De woning daar werd al snel te klein voor het gezin Oosterveen. Albert en Trijntje kregen acht kinderen.
Aan de noordkant van De Smeule, op de hoek van de Burg. Backxlaan, werd een andere woning gevonden. Het voormalig veldwachterhuisje werd hun nieuwe onderkomen. Er kwam een houten schuur achter de woning voor opslag van de petroleum en de hond werd vervangen door een klein paardje of wel een ‘kidde’. “Wij konden het goed vinden met de buren die in het woonwagenkamp langs de sloot woonden. Als deze mensen een sterke ‘kidde’ hadden, gingen wij in overleg en konden dan ruilen. Zo kon mijn vader met paardje en wagen zijn klanten voorzien van petroleum.”
Het gezin Oosterveen heeft daar tot 1937 gewoond. Aan de andere kant van de sloot langs De Smeule werd toen met hulp van ‘De Automaat’ een stuk grond gekocht. Daar werd door aannemer Hendrik Nijman een dubbele woning gebouwd.
“Voor de bouw van de woningen, hebben wij toen geld geleend van ‘De Automaat’, middelen om dat zelf te kunnen bekostigen hadden wij toen niet.”
Toen kwamen de oorlogsjaren, de handel in petroleum en olie lag stil. Wat er nog op voorraad was werd opgeslagen. Om toch wat te kunnen verdienen ging vader/opa Albert Oosterveen eikels opkopen, die hij dan weer aan de boeren verkocht als varkensvoer. Ook brachten mensen hem tabaksbladeren, waar hij dan sigaren van maakte. Nadat de oorlog al een tijdje voorbij was, konden vader Albert en zijn zonen de draad van petroleum- en oliehandel weer oppakken. Albert en zoon Berend gingen met paard en wagen op pad en de andere beide zonen deden dat met een kar achter de fiets. Zo werd er weer een nieuwe start gemaakt.
“Veel geld was er toen niet,“ vertelt Koop Oosterveen. “Om wat vlees op tafel te kunnen zetten gingen wij met de kar naar de Kievitshaar, dat was toen nog allemaal heide. Daar vingen wij patrijzen, stopten ze in olievaten achter op de kar. Ook kurken kopen voor de oliekannen was te duur, wij verzamelden oud papier en draaiden daar zelf kurken van. Vanuit ‘De Automaat’ was er jaarlijks een kascontrole. Als mijn moeder wist dat de kas niet klopte leende zij even wat bij de buren om het wel te laten kloppen.”
De oliehandel ging verder goed. Koop vertrok naar Indië en zijn vader en beide broers Harm en Berend deden hun eigen deel in de zaak in en om Nieuwleusen. Toen Berend Oosterveen zeventien jaar oud was nam hij de handel over.


Vooral de eerste generaties moesten veel lichamelijk werk verrichten. Berend met een volle gasfles op de schouders.


Harm en Albert, de tweelingbroers van Berend, hielpen regelmatig mee met het afleveren van petroleum bij de klanten.

Tot 1952 was het vervoermiddel paard en wagen en was er de transportfiets. In dat jaar werd de eerste auto in gebruik genomen, een oude T- Ford waarvan de achterkant was omgebouwd om er de olievaten te kunnen plaatsen. In 1960 kwam er een echte tankwagen en een tweede in 1964. Dat was ook het jaar waarin de huidige eigenaar Klaas Oosterveen de taken van zijn vader Berend Oosterveen overnam.
Nadat Klaas Oosterveen de ambachtsschool had afgerond werd hij automonteur. ”Toen ik drie jaar als monteur had gewerkt vroeg mijn vader, Wil jij onder de oude wagens blijven liggen of ga je samen met mij de zaak runnen? Ik was toen nog vrijgezel en het aanbod was goed, dus ik ging samen verder met mijn vader in de zaak,” vertelt Klaas Oosterveen.
Het bedrijf bleef zich voorspoedig ontwikkelen. Er kwamen nevenvestigingen en in november 1997 werd een nieuw bedrijfspand met autoshop en kantoor aan de Burg. Backxlaan in gebruik genomen.


Eef Glastra, Klaas Muntinga (uit Groningen) en Gerrit Jan Knotters in 1990 bij de benzinepomp van Klaas Oosterveen bij de start van een tocht met hun solex naar Parijs.

Voor smeerolie, brandstoffen en flessengas werd een investering in de toekomst gepleegd. Het tankstation aan de Burg. Backxlaan, met de opslag voor al deze goederen, vormt de uitvalsbasis voor de tankwagens van Oosterveen die dagelijks op de weg te vinden zijn. Zij leveren al deze producten aan diverse tankstations, transportbedrijven, agrarische sector, industrie en ook aan de toeristische sector.
Aanpassen aan de actuele marktsituatie en inspelen op de maatschappelijke ontwikkelingen, dat is wat Klaas Oosterveen door de jaren heen altijd voor ogen hield.
De petroleumkar is verleden tijd. Die is ondertussen vervangen door vijf tankwagens die de producten uit de haven van Zwolle halen. Die worden aangeleverd met schepen en moeten de bijna twintig tankstations van Oosterveen voorzien van brandstof.


Vrolijke gezichten als Klaas aan Jan Timmerman een geschenk overhandigt ter gelegenheid van diens 25-jarige dienstverband.


Als Klaas Oosterveen in 1996 vijftig jaar wordt krijgt hij een Abraham op een ‘Automaat’-petroleumkar.
Op de achtergrond het huis aan de Burg. Backxlaan waar Albert en Trijntje Oosterveen gingen wonen. Dit huis heeft inmiddels plaats gemaakt voor een andere woning.


“Familiebanden zijn sterk en dat is belangrijk,” stelt de nu 73-jarige Klaas Oosterveen. “Een bedrijf als het onze vergt veel en dan is het heel fijn dat het hele gezin er achter staat.” Tijd voor een hobby was er toch nog wel en dat was muziek. “De boog kan niet altijd gespannen zijn. Toen wij jonger waren, was het aanbod van activiteiten buitenshuis niet zo groot als nu. Samen muziek maken, was dan een hele gezellige bezigheid. Mijn vader speelde op de trombone, mijn zussen Trijntje en Marie op de accordeon en zus Bettie speelde gitaar. Ik zelf was verantwoordelijk voor de drums.”
Als trommelslager was Klaas vijfenzestig jaar geleden het eerste lid van accordeonvereniging Con Brio en ook bij muziekvereniging Crescendo was hij als jongeman van de partij. Muziek maken met vader en zussen, hoe is dat nu in zijn eigen gezin? “Nu niet meer,” stelt Klaas. “Beide dochters hebben wel muzieklessen gehad, maar daar is het bij gebleven.”
Drie generaties Oosterveen en de vierde generatie is ondertussen ook al aanwezig. ”De energie en motivatie om hard te werken is er altijd geweest. Je moet er wel wat voor doen. Onze beide dochters Patricia en Diana werken beiden al in de zaak en zullen deze te zijner tijd overnemen. Het bedrijf Oosterveen blijft bestaan, meer motivatie is niet nodig.”
Zal dat allemaal te danken zijn aan de wijze raad die hij in de beginjaren kreeg van oom Koop?
“Als iemand een nieuw lampje wil, vraag dan geen geld maar laat hem maar komen tanken”.

Het gezin van Albert Oosterveen
Albert Oosterveen (1884-1964) en Trijntje Oosterveen–Koning (1889-1981).
Kinderen:
Berend Oosterveen (1910-1973) gehuwd met Pietje Dolsma. Dit zijn de ouders van Klaas Oosterveen, de huidige eigenaar.
Martha Oosterveen (1911-1986) gehuwd met Jan Hetebrij.
Hendrikje Oosterveen (1914-2010) gehuwd met Jan van Hanten.
Harmina Oosterveen (1917-1938).
Harm Oosterveen (1923-1996) gehuwd met Wilhelmina Dolsma.
Albert Oosterveen (1923-1997) gehuwd met Gerrie Post.
Koop Oosterveen (1927) gehuwd met Margjen Brasjen.
Trijntje Oosterveen (1931-2010) gehuwd met Piet Schaftenaar.

* * *

Zoekplaatje

Een nieuwe rubriek in ons Kwartaalblad. En dan denkt u waarschijnlijk waarom moet dat nu weer? Dat gaan wij u proberen uit te leggen.

Als vrijwilligers zijn wij in de werkgroep Fotoclub al tijden bezig om de bijna 15.000 foto’s uit de historie van Nieuwleusen te beschrijven en te rubriceren. Daarmee zijn wij al een heel eind op weg, maar, zoals gewoonlijk wegen de laatste loodjes het zwaarst. Sterker nog; het lukt niet om de laatste foto’s te beschrijven. Daar hebben we uw hulp bij nodig. Daarom gaan we elk kwartaal enkele foto’s in deze rubriek plaatsen, in de hoop dat iemand ons kan helpen. Dus denkt u te weten wie er op de foto staat, waar de foto is gemaakt, wanneer de foto is gemaakt, wat er op gedaan wordt of waarom de foto is gemaakt, laat het ons alstublieft weten; via de mail of kom op dinsdagmorgen even langs.

Website
Kunt u niet wachten tot de volgende zoekplaatjes in het Kwartaalblad staan?
1 Ga dan naar de website: www.palthehof.nl. Hier ziet u boven in de balk negen afrolmenu’s. Ga naar “beeldbank” en kies “foto-beeldbank”.
2 Of kies rechtstreeks voor: http://www.beeldbanknieuwleusen.nl. Hier vindt u een rubriek “Zoekplaatje” waarin bijna 100 foto’s staan. Over deze foto’s hebben wij nog veel vragen.
Als u op een bepaalde foto wilt reageren, dan kan dat het gemakkelijkst via het “reactieformulier” links onder de foto.
Kiekjesmiddag
Als u graag samen met ons foto’s wilt bekijken, dan bent u op de eerste woensdagmiddag van de maand welkom op onze Kiekjesmiddagen. De data in 2020 zijn: 5 februari / 4 maart / 1 april / 6 mei / 3 juni / 1 juli / 5 augustus / 2 september / 7 oktober / 4 november; steeds van 14.00 tot 17.00 uur
Museumcollectie
In het afrolmenu van museum Palthehof ziet u onder “beeldbank” ook een subrubriek “zoekplaatjes”. Hierin vindt u voorwerpen die in het museum staan waarvan niet duidelijk is waarvoor het werd gebruikt. Ook daar willen wij graag duidelijkheid voor krijgen. Als u over het voorwerp iets weet en wilt reageren, dan kan dat ook hier het gemakkelijkst via het “reactieformulier” links onder de foto.

Roelof Boerman en Klaas Jan Talen namens de Fotoclub

De foto links is de trouwfoto van Geert Doren (1912-1998) en Jentje Groen (1921-2010)

* * *

Reactie van lezers:

In het vorige Kwartaalblad schreven wij op pagina 59 wethouder Evers. Dat had moeten zijn: wethouder Evertsen.





Jaargang 38 Nummer 2 juni 2020


* * *

Foto voorpagina:

Afbraak Agnietencollege, 25 maart 2020

* * *

Van de redactietafel

Kopij
Hebt u nog verhalen over militairen in Nederlands-Indië of andere verhalen? U kunt kopij voor een volgend nummer sturen naar: redactie@palthehof.nl.

Reactie van lezers:
In het maart-nummer staan op pag. 7 drie foto’s van twee herbouwde boerderijen. De eerste foto is Westeinde 200, daar woonde vroeger H.J. Westerman. De tweede en derde foto zijn Westeinde 65, dat was vroeger van A. de Boer.

Op blz.2 staat in de beschrijving van 14 april dat de Vechtbrug heel gebleven was. Dit is niet juist. Dit schrijft C.A. van Welzen-Sipkes daarover in “Rondom Dalfsen”, nr 22, ook opgenomen in “Mijn stad mijn dorp.nl”.
“In de vroege ochtend van de 13e april 1945 werden de Dalfsenaren opgeschrikt door een hevige dreun. (.....) In de loop van de middag hebben de Canadezen een pontonbrug over de Vecht gelegd. Die liep vanaf het Veerland naar de Kaai. Toen deze brug gereed was, kon het zwaardere materieel worden overgezet.(...) De troepen trokken via Ankum naar de Hessenweg en vandaar naar Zwolle.”

* * *

Uitbreiding oorlogsmonument

Gees Bartels

Op woensdag 27 april 1994 vond de onthulling plaats van het monument dat eer bewijst aan de militaire slachtoffers uit Nieuwleusen die het leven lieten in Nederlands-Indië. Het monument is gekoppeld aan het reeds bestaande monument voor de gevallenen uit de Tweede Wereldoorlog. Het dubbelmonument staat aan het Westeinde, aan de zijkant van de Grote Kerk tegenover het gemeentehuis van Nieuwleusen. Het is gemaakt door steenhouwerij Beernink uit Zwolle.

“Vandaag gaat voor de Oud-Indiëgangers een wens in vervulling. Een monument voor onze vrienden die zijn omgekomen. De tijd die we in Indië moesten doorbrengen, is niet uit te wissen uit ons leven. Daarom is het goed die tijd en alles wat zich daarin heeft voltrokken te herdenken. Het stemt tot dankbaarheid dat hier nu een monument staat dat bij de herdenkingen zoals op 4 mei, betrokken kan worden,” sprak Hendrik Jan Bijker op 27 april 1994 namens de Vereniging Oud- Indiëgangers Nieuwleusen.


Dubbelmonument bij de kerk

Bij herdenkingen van de slachtoffers uit de Tweede Wereldoorlog was eerst nauwelijks aandacht voor de slachtoffers die na 1945 in Nederlands-Indië waren gevallen. Toch was hun strijd onlosmakelijk verbonden met de afloop van de Tweede Wereldoorlog, die in Azië een even dramatisch verloop had als in Europa, en de daarop aansluitende jaren.
Voor de jonge mannen van 18 tot 20 jaar die als dienstplichtige werden uitgezonden naar Nederlands-Indië lag hun jeugd in de oorlogsjaren en daarna in de militaire diensttijd. Een half jaar opleiding in eigen land en daarna twee en half tot drie jaar in Nederlands-Indië. Bij thuiskomst was iedereen achteropgeraakt. Studie en beroep waren in de knel geraakt. Er was weinig aandacht en begrip voor hun ervaringen tijdens hun diensttijd in Indië.

Het duurde tot 15 augustus 1945 voor de capitulatie van Japan een feit was. Maar ook toen bleek er in Nederlands-Indië geen sprake van echte vrede te zijn. Indonesische nationalisten riepen de Republiek Indonesië uit als onafhankelijke staat. De Nederlandse regering beschouwde haar als een opstandige beweging binnen de kolonie en stuurde militairen om orde en vrede te brengen en het gezag te herstellen en te handhaven.
Tijdens de politionele acties keerde de internationale politiek zich steeds meer tegen Nederland en de positie van onze militairen werd steeds moeilijker. Uiteindelijk kwam er na bijna vier jaar een einde aan de Nederlandse militaire aanwezigheid. 27 december 1949 werd in het toenmalige Batavia het gezag overgedragen aan de Republiek Indonesië.
Meer dan 100.000 jonge mannen hebben ongeveer drie jaar van hun leven als militair doorgebracht in Nederlands-Indië. Uit Nieuwleusen hebben 65 mannen daar hun dienstplicht vervuld. Veel van hen maakten deel uit van de 43e compagnie Aan en Afvoertroepen (AAT), de compagnie die na de gezagsoverdracht zorgde voor de terugreis van de troepen naar Nederland. De compagnie zelf zou als laatste vertrekken en kreeg daarom op 19 juli 1950 een eigen naam en embleem: De laatste der Mohikanen.

Op Java bevinden zich zeven Nederlandse erevelden, met in totaal ruim 23.000 graven van oorlogsslachtoffers, burgers en militairen. Die worden beheerd door de Oorlogsgravenstichting. Oorspronkelijk waren er 22 erevelden. Na de soevereiniteitsoverdracht werd op verzoek van de Indonesische regering het aantal verspreid over de archipel liggende erevelden ingekrompen. De stoffelijke resten werden overgebracht naar een van de op Java gelegen erevelden.
De militairen kwamen in 1949 en 1950 terug naar Nederland. Met vlaggen en versierde bogen voor het ouderlijk huis werden ze feestelijk ontvangen. Maar de aandacht was van korte duur.
Op het werk en in het gezin werd weinig over Indië gepraat. Men had er geen idee van wat de mannen hadden doorstaan in de periode waarin zij zelf druk in de weer waren met de wederopbouw van hun eigen leven. Het liefst ging men weer snel over tot de orde van de dag.
De militairen moesten in Nederland opnieuw beginnen en op eigen kracht een plaats in de maatschappij proberen terug te vinden. Bij het ouder worden kwamen bij velen steeds meer gevoelens naar boven over wat ze in Nederlands- Indië hadden meegemaakt en wat hen daar was overkomen. Sommige konden er niet meer los van komen. Daarbij kwam de angst dat de Indiëslachtoffers vergeten dreigden te worden.
Het gevoel was door het hele land hetzelfde en zo gebeurde het dat de regering in 1990 een veteranenbeleid ontwikkelde. De Vereniging Oud Militairen Indiëgangers (VOMI) coördineerde het initiatief met betrekking tot Nederlands-Indië en er kwamen provinciale en lokale comités.
In Nieuwleusen namen drie oud-Indiëgangers het initiatief om het oorlogsmonument uit te breiden met ruimte en aandacht voor in Nederlands-Indië omgekomen soldaten. De gemeente realiseerde hun wens, met een financiële bijdrage van de Rabobank Hasselt-Nieuwleusen.
Tijdens de onthulling van het monument op 27 april 1994 zei burgemeester Arend ten Oever in zijn toespraak: “Hun dood weerspiegelt de tragiek van de menselijke geschiedenis. Hun dood betekent een inspiratie om verder te werken aan de heelheid van de schepping. Als gemeentebestuur van Nieuwleusen prijzen wij ons gelukkig met het initiatief van de oud-Indiëgangers Henk Schoemaker, Henk van der Veen en Hendrik Jan Bijker om een monument te realiseren voor onze militairen die tijdens de acties in Nederlands- Indië zijn omgekomen. Het getuigt van een groot historisch besef, dat wij met z’n allen over moeten brengen aan volgende generaties”.
“Het monument wordt gezien als een symbool van erkenning, waardering en respect”, zei E. Vaartjes, voorzitter van de VOMI Overijssel. Hij stelde dat bij veel Indiëgangers de gebeurtenissen nog vaak als een film aan hen voorbijtrekken. Vaak wordt de periode als negatief afgeschilderd, maar hij wees op de vele humanitaire hulp die onze jongens aan het Indonesische volk hebben aangeboden.

De vier mannen, van wie de naam op het monument staat vermeld, worden in Nieuwleusen op 4 mei herdacht, samen met de in Europa gesneuvelde militairen. Van hen zijn er drie in Nederlands-Indië begraven:

Henderikus Mensink (25 augustus 1925 – 21 juli 1947) is begraven op het ereveld Menteng Pulo in Djakarta. Over zijn overlijden schrijft Han Harmsen uit Haarlem: “Op 21 juli 1947 was de eerste politionele actie nauwelijks aan de gang of wij werden onder vuur genomen door de TNT in kampong Lewiliang (Java). Ik lag naast Mensink. Wij moesten verder en door elkaar aan te stoten begreep ieder dat hij door moest lopen. Helaas gaf Henk geen geluid en begreep ik dat hij gewond was. Wij hebben hem toen in een kamponghutje gedragen en zagen dat hij door een dumdumkogel aan zijn linkerslaap was getroffen. Ik ben bij hem gebleven, maar hij overleed al spoedig.”

Jan Bijker (3 juni 1926 – 8 maart 1947) gesneuveld te Gekbrong (Java), is begraven op het ereveld Pandu in Bandung.

Hendrikus Bloemhof (3 maart 1927 – 10 augustus 1948) gesneuveld te Prabamouli (Zuid-Sumatra), is begraven op het ereveld Pandu in Bandung.

Jan van der Sluis (20 februari 1920 – 25 februari 1951) is in Indië ziek geworden en voor behandeling overgebracht naar Davos in Zwitserland. Daar is hij overleden en naar Nederland gebracht. Hij is begraven op de begraafplaats in Nieuwleusen.

Op de Algemene Begraafplaats aan de Ruitenborghstraat in Dalfsen staan ook de namen van vier gesneuvelde militairen. Een daarvan is: Harm Jan van den Berg (7 juni 1927 - 5 september 1948). Hij ging op 6 mei 1947 naar Indië. Op Celebes is hij aan geelzucht overleden. Omdat hij aan de Dommelerdijk 36, net voorbij de Middeldijk woonde, was hij inwoner van Dalfsen en staat zijn naam op het monument aan de Ruitenborghstraat. De ouders kregen een brief met een uitgebreid verslag van de begrafenisplechtigheid, geschreven door de majoor-veldprediker, juist op de dag dat hier het Oranjefeest werd gevierd. In 1942 was er al een zoontje overleden. Hoe dit bericht een diepe wond en groot gemis veroorzaakte laat zich raden.


Hendrik Pruntel (1926-2005) als soldaat in 1946 bij zijn vertrek naar Nederlands Indië

Op de eerste zaterdag in september worden de gesneuvelde militairen uit de (nu) gemeente Dalfsen herdacht. In 2019 zei burgemeester Erica van Lente: ”De oorlog voelde ver weg, het was wel ver in de tijd, maar verhalen brengen de tijd weer dichterbij.” Dit artikel wil daaraan bijdragen.

Henk Schoemaker werd voorzitter van het Veteranencontact Nieuwleusen. Toen hij aangaf daarmee te willen stoppen nam Bart Bas Reehorst het voorzitterschap van hem over.
Bas Reehorst woonde in Santpoort toen hij in 1949 met de 43e Compagnie Aan- en Afvoertroepen naar Nederlands-Indië ging. Hij was werkzaam bij de administratie in Batavia die ervoor moest zorgen dat alle Nederlandse militairen terug konden keren naar Nederland.
Reehorst kwam 40 jaar geleden naar Nieuwleusen en werd onder andere wethouder. Zeven jaar geleden heeft het Veteranencontact Nieuwleusen zichzelf opgeheven en sindsdien gaat men naar het Veteranen Contact Dalfsen, dat jaarlijks in juni door de gemeente Dalfsen wordt georganiseerd in restaurant Madrid aan de Tolhuisweg in Hessum.


Willem Beltman werd in 1948 uitgezonden naar Nederlands Indië

Militairen die gewond raakten in Nederlands-Indië
Rond 1990 werd de Stichting Veteranen Platform opgericht. Ongeveer veertig jaar na hun diensttijd in Nederlands-Indië konden gewonde soldaten als erkenning van hun inspanningen een draagmedaille aanvragen. Van vier van hen uit Nieuwleusen vonden wij in boeken en kranten wat hen is overkomen.

Op 9 april 1992 reikte burgemeester De Jonge in het gemeentehuis een draaginsigne uit aan Hendrik Jan Zieleman. In datzelfde jaar, op 16 november 1992, reikte locoburgemeester Van Ankum in hotel-restaurant De Viersprong een draaginsigne uit aan Bart Stolte en Hendrik van der Veen. Bij de bijeenkomst waren oud Nederlands-Indië militairen uitgenodigd en aansluitend vond een reünie plaats, waarbij de heer Sikkema uit Ommen dia’s en een film over Indonesië toonde. Daarmee werd een traditie ingezet en ontmoette men elkaar vaker tijdens reünies, zoals op 25 januari 1994 en 9 oktober 1995.

Hendrik Jan Zieleman (9 april 1926 – 24 maart 2016) was gelegerd in een buitenpost in de buurt van Kidiri op Oost-Java. Hij zat in een vrachtwagen die bij het ophalen van goederen op een bom stuitte. Daarbij viel een dode en werd Hendrik Jan gewond.

Bart Stolte (2 mei 1926 – 7 maart 2005) (Oosteinde 82) diende in het 4-6 Regiment Infanterie. Hij ging op 14 mei 1947 met MS Volendam vanuit Rotterdam naar Medan op Noord-Sumatra. Zijn bataljon werd al meteen na aankomst ingezet om onder leiding van KNILmilitairen patrouille te lopen en op wacht te staan.
Toen ze een beetje gewend waren aan het leven in de tropen werden de soldaten overgeplaatst naar de buitenpost Tandja Poera. Daar moesten ze in een groot gebied orde en rust brengen en proberen die te handhaven, een bijna onmogelijke opgave.
Er waren onvoorstelbaar mooie natuurgebieden, maar er was geen gelegenheid om daarvan te genieten want tijdens elke patrouille kwamen ze ogen en oren te kort om de opstandelingen op te sporen. En dan waren die hen nog vaak te vlug af.
“Vandaag of morgen krijgen ze mij ook een keer te pakken. Waarom een ander wel en ik niet?” dacht Bart. Tijdens een verkenningspatrouille, waarbij ze onder vijandelijk vuur kwamen te liggen, raakte Bart door een mortiergranaat gewond aan zijn hoofd en een arm. Na een operatie in het militair hospitaal van Medan was hij tien dagen buiten kennis. Aan zijn linkerzijde bleef hij verlamd. In februari 1948 is hij thuisgekomen. Van zijn bataljon zijn achtendertig jongens niet teruggekeerd. In 1992 kon hij na een operatie en een verblijf van vijf maanden in het ziekenhuis en een verpleegtehuis aanwezig zijn bij de medaille-uitreiking.

Hendrik van der Veen (11 oktober 1927 – 29 oktober 2008) diende in het 5-1 Regiment Infanterie. Hij vertrok 5 november 1947, ook met MS Volendam, naar West-Java. Na enige tijd ging hij naar Makassar op Zuid-Celebes, waar kapitein Westerling zijn terreurbewind voerde.
Bijna een jaar verbleef het peloton verspreid over diverse posten waar het betrekkelijk rustig bleef. In november 1948 werden ze met de KPM verscheept naar Padang, op de zuidwestkust van Sumatra. Dicht bij de demarcatielijn kwamen ze volop in de opstand terecht. Ze werden omsingeld en kwamen onder vuur te liggen. Met eigen vuur en geholpen door carriers hebben ze het gered, maar er waren veel doden en gewonden bij de tegenpartij. Tijdens de bevoorrading van een van de militaire posten stuitten ze op een trekbom die onder het zand lag. Henk kreeg daarbij granaatscherven in zijn arm en werd verpleegd in het militair hospitaal van Medan.
Op 19 december 1948 begon de tweede politionele actie. Onder hels kabaal rukten ze uit naar Fort de Kock. In een kloof kwam hen een trein tegemoet met TNI’ers (TNI=Tentara Nasional Indonesia - Indonesisch Nationaal Leger). Die werd doeltreffend beschoten.
Dicht bij een brug zaten ze in een benarde positie.
De nacht werd doorgebracht bij een waterval.
De volgende morgen bleek dat de brug was opgeblazen. Er volgde een periode met veel dramatische gebeurtenissen. Na de afkondiging van het staakt-het-vuren kwamen ze nog in contact met een TNI-compagnie die nog van niets wist. Gelukkig liep dat met behulp van het hoofd van een kampong goed af. De laatste maanden verliepen rustig. De bootreis naar huis ging bijna niet door omdat ze de laatste avond vierden met een etentje in een Chinees restaurant en nogal overmoedig met wapens en carriers verhaal gingen halen voor een eerder schietincidentje.
Er moest heel wat gepraat worden door de commandant voor de militaire politie hen liet gaan. In mei 1950 was Henk weer thuis.

Verhalen van Indiëgangers

Zeventig jaar na dato zijn veel oud-Indiëgangers overleden. Gelukkig zijn er nog enkele mannen die ons konden vertellen over hun ervaringen. En wij hebben enkele fragmenten overgenomen uit het ‘Gedenkboek oud-Indiëgangers gemeente Dalfsen 1945-1950’, door B. Kloosterman (2000), waarin ook verhalen zijn opgenomen van militairen uit Nieuwleusen.

Hendrik Jan Bosch diende in het 2-12 Regiment Veld Artillerie. Hij vertrok op 11 juni 1947 met de Zuiderkruis vanuit Rotterdam. Ze sliepen driehoog boven elkaar en er was te weinig zoet water aan boord. Na een bootreis van vierentwintig dagen kwamen ze aan op de rede van Semarang op Java. Landinwaarts werd hij met de veldartillerie ingezet bij de politionele acties ter ondersteuning van de veldinfanterie. Meerdere keren werden de secties ingezet om bij acties voor de nodige ‘inleidende’ beschietingen te zorgen. In de buurt van Djokjakarta werden de TNI-doelen langdurig bestookt met ’25-ponders’ om de grondtroepen te ondersteunen in hun opmars.
Rond Kerstmis 1948 moesten ze de W-brigade ondersteunen bij zuiveringsacties in meer westelijk gelegen gebied. Meerdere posten in de wijde omgeving werden in de daaropvolgende maanden ingenomen. In juli 1949 werd Hendrik Jan geteisterd door hevige niersteenaanvallen. Hij werd opgenomen in het hospitaal en moest voor een herkeuringscommissie verschijnen. Het toeval wilde dat daarin ook dokter Dekker, zijn huisarts uit Nieuwleusen, zitting had. Hendrik Jan werd afgekeurd voor verdere dienstplicht. In augustus 1949 keerde hij met de Johan van Oldenbarnevelt terug naar Nederland.

Hendrik Jan Brinkman vertrok als negentienjarige dienstplichtige soldaat op 2 september 1949 met MS Groote Beer vanuit Amsterdam naar Indië. Hij is aangekomen in Batavia op 26 september en doorgereisd naar Tjimahi. Op 29 november werd hij overgeplaatst naar Batavia-Kazerne 10e bataljon en op 17 december 1949 naar 30e Aan- en Afvoertroepen (AAT) Batavia. Daar komt in mei ook de 23e AAT bij en heet dan 43e Compagnie AAT. Van 3 juni tot 10 juni is Hendrik Jan gedetacheerd in Tandjok Oost.


Hendrik Jan Brinkman (rechts) tijdens zijn opleiding voor vertrek naar Nederlands Indië

Hendrik Jan Brinkman had in Nederland in de kazerne leren rijden op een vrachtwagen. In Indië werd hij meteen in het diepe gegooid. Nog volop onder de indruk van de nieuwe omgeving met een totaal onbekende natuur moest hij meteen al op pad. Zonder bijrijder moest hij met een 3 ton Dodge legertruck langs kronkelwegen en smalle ravijnen op het goede pad blijven. Met achter zijn rug een groep soldaten die hij veilig moest afleveren in de kazerne, op weg naar de havenplaats voor de terugreis naar Nederland.
Dan leer je wel snel. Daarbij kwam ook nog de spanning van gewapende vrijheidsstrijders die overal konden opduiken. Want ook al kwam Hendrik Jan in een periode na de afkondiging van het staakt-het-vuren, je wist maar nooit. Zelf mochten ze al geen wapens meer dragen. En als er dan tijdens het zwemmen totaal onverwacht iemand uit de groep wordt doodgeschoten, blijft de angst dat jij ook zomaar slachtoffer kunt worden. Hendrik Jan heeft het er goed afgebracht. De terugreis in 1951 naar Nederland verliep als volgt:
1 april: ’s morgens om zeven uur op de wagens van Tanta Tinggi naar Priok. Daar zijn wij om negen uur aan boord gegaan van het KPM-schip De Houtshoorn. ’s Middags om half twee vertrokken naar Soerabaja.
2 april: om half drie in Semarang aangekomen en om half vier weer vertrokken.
3 april: om tien uur in Soerabaja. Het schip bleef voor de haven liggen, wachten op de New Australia.
5 april: om twaalf uur ingescheept op de New Australia. ’s Middags moesten wij kisten laden omdat de koelies vrij waren.
7 april: om acht uur de haven verlaten. Het is een prachtschip, je wordt er als een passagier bediend.
12 april: om twaalf uur de haven van Colombo binnengevaren en om negentien uur weer vertrokken.
17 april: Aden om tien uur binnengelopen, ’s avonds om twintig uur weer vertrokken.
20 april: ’s avonds om half acht in het Suezkanaal.
21 april: zaterdagmorgen om elf uur aankomst in Port Said, blijven liggen tot ’s middags vijf uur.
Vandaar rechtstreeks naar Nederland.
22 april: zondag om elf uur in IJmuiden en ’s middags om vijf uur aan de kade in Amsterdam.
Om zes uur ontscheept en met de bus naar huis, aankomst om half een middernacht.


Hendrik Jan Brinkman op 15 januari 1950 voor de kazerne 43AAT


Militairen Hendrik Jan Oldeman (links) en Hendrik Pruntel (1926-2005) in Nederlands Indië

Hendrik Jan Bijker (15 augustus 1927 – 4 mei 1997) kwam net zoals de andere soldaten in een land terecht met een hem onbekende natuur en samenleving. Na terugkeer maakte hij aantekeningen om een korte voordracht te houden over de indrukken die hij op het eiland Bali had opgedaan. Dankzij die aantekeningen kunnen wij nu nog een beeld krijgen van wat hem toen als bijzonder opviel.
“Ik heb in mijn militaire loopbaan het voorrecht gehad enkele maanden op Bali te dienen. Zo heb ik iets meegemaakt van de prachtige natuur die Bali bezit en de zeden en gewoonten der Balinezen. De Balinezen zijn over het algemeen ijverige mensen. De sawa’s zien er altijd even keurig uit. Het hoofdgewas hier is rijst, een verschil met enkele andere van de kleine Sundaeilanden, waar maïs het meest wordt verbouwd.
Hoofdzakelijk liggen de sawa’s trapsgewijs tegen heuvels en bergen, waar ze langs natuurlijke weg worden bevloeid. Zo u kunt begrijpen, een pracht gezicht. De hoofdplaats is de Pasar.
Vroeger was dit Singaradja. Onze kazerne stond naast de Pasar. In de kampongs rond het stadje wonen de kunstenaars in houtsnijwerk. Het meeste wordt nog steeds met de hand gemaakt, alhoewel er al een enkel machientje in gebruik is genomen. Op het eiland zelf is het snijwerk niet duur. Op Java bijvoorbeeld is het drie keer zo duur. In het plaatsje zelf wonen, zoals overal in Indonesië, Chinezen, die het houtsnijwerk in hun toko hebben uitgestald. Het plaatsje geeft een schone indruk, temeer ook omdat hier de vreemdelingen die een bezoek aan Bali brengen, hun pension zoeken in het welbekende Bali hotel.
De Balinese dansen en hanengevechten trekken veel belangstelling. Verder treffen we hier het Hindoe geloof aan. Wanneer je je eerste rit over Bali maakt, vallen al direct de vele tempels op met de daarbij behorende beelden van hun diverse goden. Iedere dag wordt er door verschillende bewoners in de tempels geofferd. De heerlijkste vruchten worden dan netjes hoog opgestapeld en worden meestal door de vrouwen op het hoofd gedragen. Ook wordt er ‘s avonds steeds geofferd voor hun huis. Hier is een speciaal plekje voor gemaakt, aan de weg, met een klein afdakje van bamboe erboven. Daar wordt dan een handje rijst met heerlijke vruchten klaar gezet voor hun goden. De talrijke honden die op Bali zijn hebben er een heerlijk maal aan. Dit beseft men ook wel, maar ze zijn er toch van overtuigd dat het bij hun goden terechtkomt. De hond wordt daar als heilig dier beschouwd.


Hendrik Jan Bijker Brinkman en Bloemers na ziekenbezoek

Tot slot iets over de lijkverbranding die daar wordt toegepast. Wanneer er iemand is gestorven blijft het lijk zo lang staan tot ieder familielid er geweest is, als blijk van medeleven. Zolang het in huis is, wordt er de wacht bij gehouden, gepaard gaande met veel herrie om de boze goden op een afstand te houden. Wanneer tot de verbranding kan worden overgegaan, wordt het lijk geplaatst in een daarvoor uitgesneden stuk hout, dat een koe voorstelt. Dan gaat het met veel herrie, ook om te voorkomen dat er boze geesten bijkomen, naar de plaats van verbranding. Op de plaats aangekomen wordt de koe onder een bamboe torentje met rieten dak geplaatst. Het aantal torentjes kan verschillend zijn, al naar gelang de welgesteldheid van de overleden persoon.”

Jan Huzen (1 januari 1928 – 11 september 2014) Aan de hand van rapporten die zijn opgemaakt na afloop van patrouilles kunnen wij nu nog lezen in wat voor gevaarlijke situaties de soldaten terecht konden komen.
“Ik maakte ook deel uit van de patrouille die op 30 oktober 1949 uit het kampement D. vertrok. Ik was ingedeeld bij de tweede groep. Toen wij in de kampong T. aangekomen waren, hielden wij daar halt. Nadat wij weer doorgetrokken waren, hoorde ik enkele schoten lossen door onze patrouille.
Enige honderden meters verder ontvingen wij plotseling vuur vanuit de kampong K. Wij gingen onmiddellijk in dekking. Door ons werd het vuur beantwoord en ook mortiervuur afgegeven.
Ik merkte pas dat wij ook vuur ontvingen vanuit de kampong T., nadat wij bevel gekregen hadden om ons terug te trekken achter de spoorbaan. Ik zag de derde (zuidelijke) groep gaan in de richting van de kampong T. Kort daarna trokken wij op ordelijke wijze terug op de kali westelijk van de spoorbaan. De bren van onze groep weigerde al spoedig. Later trokken wij ons nog verder terug vanuit de kali in een daarachter gelegen greppel.
Ik ben van daaruit blijven vuren, totdat ik mijn laatste patroon verschoten had. De D.I. drong steeds meer op en wanneer er iemand van hen uitviel, werd zijn wapen direct door een ander overgenomen. Soldaat H. had, naar ik meen, ook al zijn patronen verschoten. Tenslotte werd het voorste gedeelte van onze groep door de D.I. omsingeld.
Ik zag sergeant v.d. L. schuin links naar voren lopen. Op dat moment was de D.I. tot op een afstand van ongeveer twintig meter van ons genaderd. Sergeant v.d. L. gooide zijn pistool op de grond en deed zijn koppel af. Ik kreeg de indruk dat er geen vechten meer aan was. Ik ben toen opgestaan en vluchtte met achterlating van mijn geweer. Ik kreeg de indruk dat de D.I. diegenen met rust lieten die geen wapen meer hadden, maar later ben ik toch nog beschoten.
Samen met soldaat U. ben ik gevlucht. Ik kon mij niet meer aansluiten bij de rest van onze groep, omdat de vijand ons van hen afgescheiden had.
Wij hebben ons verborgen in het suikerriet en gewacht tot het donker geworden was, waarna wij naar het kampement teruggekeerd zijn, ons oriënterend op het licht van de suikerfabriek. Toen wij thuiskwamen was het grootste gedeelte van de patrouille al binnen. Meer kan ik te dezer zake niet verklaren.”

Harm van Lente (16 maart 1925 – 7 januari 1995 - zijn naam wordt vaak fout als Lenthe geschreven) woonde aan de Dedemsvaart vlak bij de spoorlijn. In 1930 is het gezin verhuisd naar het Zandspeur. Na zijn huwelijk met Johanna van Marle woonde hij in Ankum. Harm maakte deel uit van de 2e compagnie AAT – 7 december divisie. Hij kreeg zijn chauffeursopleiding in de WGF- kazerne te Harderwijk en vertrok op 24 september 1946 met de MS Boissevain naar Indië. In kamp Doeri bij Batavia bivakkeerden ze enkele weken op draagbaren voor gewonden onder een van bladeren gemaakt afdak. Na enkele maanden gingen ze naar Buitenzorg en vandaar naar Tjandjoer, waar ze in de eerste politionele actie terecht kwamen. Harm was betrokken bij het vervoer van brugmateriaal naar de voorste linies.
Dag in dag uit zeer zwaar werk, waarbij hij aan veel beschietingen heeft blootgestaan. Na veel omzwervingen kwamen ze in de plaats Garoet terecht. Van daaruit werden vele konvooien gereden en begeleid op het traject Garoet- Tasikmalaja, ook wel de dodenweg genoemd vanwege de vele beschietingen door de TNI.
Harm maakte de tocht vaak als chauffeur van de laatste wagen voor reparaties. Toen hij te kampen kreeg met oorziekte werd hij in de werkplaats geplaatst. Na verschillende onderzoeken kwam hij weer terug naar het transportpeloton, maar werd na enige tijd definitief afgekeurd voor dienst in de tropen. Eind 1948 is hij teruggekeerd naar Nederland. In Dalfsen werd hij een sociaal bewogen politicus, onder andere als raadslid.

Henk Schoemaker (18 februari 1927 – 2 oktober 2006) van De Viersprong heeft zich altijd heel terughoudend opgesteld in het praten over zijn ervaringen in zijn diensttijd in Nederlands-Indië, maar wist heel goed hoe belangrijk het was zaken bespreekbaar te maken. Hij richtte de vereniging op waar mede-Indiëgangers onderling ervaringen konden uitwisselen en begrip voor elkaars verhalen hadden.

Henk Schoemaker woont nu in de Hulstkampen. Hij vertrok vanuit Oudleusen. Met het 422e Bataljon Infanterie kwam hij op 15 maart 1949 aan in de havenstad Soerabaja op Oost-Java.
Vandaar gingen ze naar een buitenpost in de omgeving van Kediri. De jongens van de oude hap waarschuwden hen goed op te letten, want ze waren op een plek waar de opstandelingen goed geïnformeerd werden over de komst van nieuwelingen. Meteen de eerste avond was het al raak. Door een rampzalig misverstand sneuvelden er in het vuurgevecht drie jongens, niet door vijandige kogels maar door eigen vuur, en raakten velen gewond. Henk moest veel patrouille lopen.
Daarbij kreeg hij het gevoel dat de jongens van het platteland vaak beter ‘konden ruiken’ wanneer er onraad dreigde dan stedelingen. Hij kwam eind 1950 weer veilig terug in Nederland.

Jan Zantinge (23 april 1927 – 28 mei 1996), hoofd van de koningin Julianaschool, heeft als Oud-Indië-strijder na zijn terugkeer in Nederland de rest van zijn leven last gehad van een oorlogstrauma. In een Zwolsche Courant van juni 1983 vertelt hij daarover. ”Alles verterende haat en de meest hechte vriendschappen. Koele moordenaars en de fijnste kameraden. Het zijn vreemde, tegengestelde ervaringen, zoiets kan leiden tot een trauma. De omgeving heeft het vergeten, is te weinig attent op de mensen. Psychische verwondingen zijn het resultaat.”
In 1947 ging Jan Zantinge vanuit Dwingeloo als dienstplichtig soldaat naar Hilvarenbeek. Per schip aangekomen in Batavia volgde een loodzware opleiding aan de Infanterieschool Prins Bernhard in Bandung, waaraan ook kapitein Westerling was verbonden. De trainingen waren vaak al een hel en daarna volgden meerdere zware gebeurtenissen.
“Twee weken lang totaal ingesloten zitten, beschoten door mortieren en bevoorraad uit de lucht. Dat blijft in je onderbewustzijn doorwerken, altijd!” en “Wij waren altijd met z’n drieën in het veld. Op een dag waren we weer op patrouille. Achter de plantershuizen was een pad tussen het rietveld. Dat nam ik. Mijn kameraden gingen buitenom. Ik hoorde automatisch vuur en de PNI-soldaten liepen mij in de armen. Ik heb ze gevangengenomen. In de nacht van 22 op 23 april zijn mijn beide vrienden als gevolg van de verwondingen tijdens dit treffen overleden.”
Ook vele jaren later gaf een krakend takje of een dichtslaande deur meteen een schrikreactie en het vuurwerk op Oudejaarsdag was elk jaar weer een ramp. Op 56-jarige leeftijd ging Zantinge met vervroegd pensioen, afgekeurd wegens een tijdens een val verbrijzelde knie. Ook voelde hij zich soms chronisch moe, zoals het geval was bij meer leeftijdgenoten die in Indië hebben gevochten.
In 2007 verscheen “Flustern zunder zwiegen”, een verhalenbundel waarin Jan Zantinge zijn herinneringen aan het oorlogsgeweld heeft beschreven.


Het erf van Westerveen 41 is versierd met een boog ter ere van de thuiskomst van Jan van Blanken uit Nederlands Indië

* * *

Gedicht

Mit

Ni’jlusen lig niet langer in Ni’jlusen.
Vandage zit het naost mi’j in de trein
die pendelt tussen ni’je taal en huzen.
Ik zie het, as een veugel, in het klein.

Bi’jtieden giet het in het vliegtuug mit:
‘n Ulst, de Backxlaan, speultuun, bieb en park
koomt allemaol te laande in Madrid
en vien ie waor a’k woon en speul en wark.

Het joch det altied an de krusing wacht
en wiesvinger de locht in stik as groet
wanneer ik op de fietse richting sporthal dender

is op mien herbeleving al verdacht.
Het dörp det niet veraandert ken ik goed,
het aandere wördt hieltied onbekender.

Chris Canter, Madrid januari 2020

Chris Canter groeide op in Nieuwleusen en woont in Madrid. Hij schrijft met een zekere regelmaat verhalen in de zo vertrouwde taal van zijn jeugd. Hij toont daarmee de grote zeggingskracht van onze streektaal. In 2019 publiceerde hij Moenen. Het boek is verkrijgbaar in het museum en bij de boekhandel.
Dit nieuwe gedicht laat zien hoe Nieuwleusen, op grote afstand van zijn geboorteplaats, nog steeds deel uitmaakt van zijn dagelijks leven.

* * *

In gesprek met Klaas Groteboer

Jenny Kasper en Henny ter Wee

Klaas Groteboer is geboren op 18 april 1928. Toen de oorlog begon was hij 12 jaar. Met zijn ouders en zijn zusje woonde hij in een boerderij aan het Westeinde, destijds A 264, op de hoek van de Veldweg, met aan de overkant van die weg de oprit naar molen Massier.

De dag dat Nieuwleusen werd bevrijd, hoe was dat voor u? Met deze vraag begon het gesprek met Klaas Groteboer. Het eerste beeld dat bij Klaas opkomt, is wat er gebeurde op 10 april 1945.
Vanaf hun erf zagen zij tanks westwaarts rijden.
Later hoorden ze het schieten vanuit westelijke richting. Later vernamen zij dat zes boerderijen in brand waren geschoten. Klaas was inmiddels zeventien jaar, maar was klein van postuur en kon zich, misschien mede daardoor, vrij bewegen in de oorlogstijd. Hij is op de fiets poolshoogte gaan nemen.
Hij kende deze omgeving en de mensen die daar woonden goed, want zijn ouders hadden weilanden die aan de andere kant van het spoor lagen. Via de Koedijk gingen zij daar naar toe.
Op 11 april werd het voor de familie Groteboer nog spannender.
Rond molen Massier waren Duitsers en later kwamen er ook Duitsers bij hen op het erf. Deze militairen hadden gevechtswagens nabij hun hooiberg gezet. Kennelijk waren deze, relatief jonge, Duitse soldaten uitgeput. In de hooiberg zijn ze in slaap gevallen. Als proviand hadden ze een aantal geslachte kippen meegebracht, die ze in een gevlochten mand ophingen in de open plek in de hooiberg. Dit vanwege de hond die hongerig over het erf liep.
Bij de familie Groteboer was spanning en enige angst. De schrik, vanwege de beschietingen en de verbrande boerderijen verderop aan het Westeinde, zat er goed in.

De familie Groteboer kreeg het advies om te vertrekken en daarom werd uit voorzichtigheid en voor alle zekerheid in de vroege ochtend van 13 april ál het vee naar buiten gebracht, zuidwaarts, naar het achterste weiland. Klaas vertelde: ’Het was gelukkig goed weer dat voorjaar, zodat er al voldoende gras was voor het vee.’ Ook Klaas, met zijn ouders en zus vertrokken met paard en wagen, maar dan noordwaarts, richting Zandspeur, naar het achterste bouwland, waar ze enige beschutting van een bosje hadden. Meerdere families brachten die dag daar door, achter op het land.
Gaande de dag hoorden zij van passanten dat de Canadezen Nieuwleusen bevrijd hadden. Klaas vertelde dat zij, voorzichtigheidshalve pas aan het einde van de dag terugkeerden naar huis.
Waren de Duitsers echt weg?


Op 13 april werd op veel boerderijen het vee naar buiten gebracht

Van het feest in het dorp hebben ze weinig meegemaakt. Klaas is wel met vrienden naar de Kerkenhoek geweest, maar hij vertelde dat het nodige werk op de boerderij voorrang had en de berichtgeving was schaars.
Ook is Klaas, zoals vele anderen, via de Jagtlusterallee naar het land van Ter Wee gefietst, nabij de Rollecate. Daar stonden in het weiland allerlei gevechtsvoertuigen van de Canadezen opgesteld. Onder andere een rupsvoertuig. Er was een kampement ingericht en er vond een levendige ruilhandel plaats: eieren in ruil voor sigaretten en kauwgom.

Op de vraag of hij weet heeft van het gerucht dat er een vliegtuig zou zijn neergestort in het Dalfserveld ter hoogte van bakker W. Jonker, geeft Klaas een ontkennend antwoord.

Wel weet hij dat Duitse soldaten met een tank zich enige tijd hebben schuil gehouden aan de Westerveldweg, in die tijd een zandweg. Daar was een klein bosgebied. Eigenaar was de familie Scholten, verderop aan het Westeinde (nu 196, één van de afgebrande boerderijen ). Waar deze tank naderhand is gebleven, is onduidelijk. Klaas weet daar niks van.

Wat op Klaas zeer diepe indruk heeft gemaakt zijn de dagen in de hongerwinter. Beelden die terugkomen in zijn herinnering. Zoveel mensen die passeerden over de Nieuwleusenerdijk, het latere Westeinde. Te voet of op gammele fietsen, vaak zonder banden en soms met een karretje eraan. Ernstig vermoeide mensen, waaronder ook kinderen, die vanuit het verre westen deze barre tocht maakten voor voedsel. Een aangrijpend beeld wat Klaas nu, na 75 jaar, nog kan emotioneren.
Ook het verduisteren van de ramen blijft hem bij.

Klaas zijn gedachten gaan terug naar hoe hij als jongen op de fiets naar de Landbouwschool ging in Dalfsen. Via de Hoevenweg, want deze weg was één van weinig verharde wegen. Het laatste jaar van de oorlog was de Landbouwschool gesloten. Na de oorlog heeft Klaas, hij was inmiddels zeventien jaar, de Landbouwschool afgerond.
De wegen waren destijds voornamelijk zuid-noord vanwege de ligging van de landerijen.
Het waren meestal zandwegen, met soms een naastliggend fietspad, verhard met sintels en afgezet met houten paaltjes. Deze paaltjes hebben de nodige verhalen opgeleverd. Zoals bijvoorbeeld van een ouderling die in aanraking kwam met een dergelijk paaltje en uitriep: “ ‘s Heeren goedheid kent geen palen.”

Na de bevrijding ging er een wereld open. De melk kon weer vrij naar de melkfabriek. Je kon gaan en staan waar je wilde. Het werk op de boerderij nam hen al snel weer in beslag. ‘’Het werk ging voor,’’ zegt Klaas. Hij heeft daardoor ook weinig herinneringen aan het vieren van de bevrijding in Nieuwleusen.

* * *

Groepsfoto

Klas 1a met meester Böke, in 1981 voor het toen nog nieuwe schoolgebouw, Zwaluwlaan 23, toen nog met de naam Chr. Mavo De Rank. Bijna 20 40 jaar later resten er alleen nog foto’s van de school.



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

Joke Mijnheer
Eelko Evertsen
Wia Huzen
Gerard Schuurman
Remco Gunneman
Sander Volkerink
Dik Klein
Arjan Haak
Inge Huzen

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
 

Willem Flier
Arnold Hersevoort
Marlies Scholten
Jeanette Wienen
Heidi Dragt
Ben Böke, leraar
Ingrid Veldman
Annemarie
Groenenberg

18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
 

Jolanda Bonen
Jan Klein
Rita Vossebelt
Jeanette Katoele
Rian Logtenberg
Harold Bouwknegt
Wilco Meeuwis
Gerard ten Kate
 

* * *

Even kennismaken – ik ben de verhalenwagon

Aartje Schoemaker

Hallo allemaal!
Mijn naam is E33 en ik ben gebouwd in 1907 te Dedemsvaart als gesloten goederenwagon. Mijn laadgewicht is zesduizend kilo. Mijn makers werkten bij de Dedemvaartsche Stoomtramweg Maatschappij, de DSM. De oprichtingsakte van de “N.V. Dedemsvaartsche Stoomtramweg- Maatschappij” werd op 15 juni 1885 getekend.

Op 11 juli 1885 was de concessie-aanvraag voor de lijn tussen Dedemsvaart StaatsSpoor (waar nu de N377 over de spoorlijn Zwolle - Meppel gaat) en Heemse, via Ommerdijkerbrug (Den Hulst), Sluis 4, Balkbrug, Avereest, Sluis 6, Jachthuis (Lutten) en Heemse. Het doel was: “de vermeerdering van den bloei en welvaart”. Dit allemaal voor de prijs van fƒ 300.000,-.
In het Nieuws- en Advertentieblad voor Dedemsvaart werd op 8 mei 1886 gemeld: “De eerste lading rails voor den te leggen tramweg is hier aangekomen en bereids langs een deel van den weg gelost. Het blijken hoogst soliede rails te zijn van getrokken staal.”
E33 en DSM zijn ter herkenning in witte verf aan mijn beide zijden aangebracht. Ik kom uit een serie van 52 wagons; alle voor goederenvervoer.
Ik heb veel gereden tussen Zwolle en Ter Apel om goederen te vervoeren. Een enkele keer zelfs naar de haven van Delfzijl! Daar lag de zee naar verre landen. Ook een enkele keer had ik een koe of paard als vracht. Dan waren de veewagens al vol. Je kunt dat nog zien aan de verste haak van mijn beide schuifdeuren. Zo kon er frisse lucht naar binnen. Je kunt het niet bedenken of ik heb het wel vervoerd: bakkersmeel, ijzerwaren, houten stelen voor bezems en schoppen, blikken thee, cacao, aardappelmeel, enz. Alles om vooruitgang, ontwikkeling en welvaart in de regio te brengen.
Helaas was diezelfde welvaart de reden van mijn ontslag in 1947. Vrachtauto’s en autobussen namen het vervoer over.
Ik werd verkocht en mijn bovenstel heeft tot 2017 dienstgedaan als tuinschuur te Nieuwleusen. Mijn onderstel bracht als oud ijzer meer op.
Maar kijk, op een dag werd ik uit de tuin van Patrick van der Linde getakeld. Ik werd als 110-jarige naar de schuur van Klaas Stegerman gebracht. Wat een avontuur nog op mijn oude dag! Daar ben ik totaal uitgekleed door een groep vrijwilligers van de historische vereniging Ni’jluusn van vrogger. In Zuidwolde is mijn frame gestraald en gecoat. Ik werd sterker! Terug in Nieuwleusen ben ik weer grotendeels aangekleed met fris geverfde planken in mijn oorspronkelijke kleur. Vandaar werd ik vervoerd naar de schuur van Jan Schuurman, waar ik verder opgeknapt ben. Ik lijk wel weer een jonge vent!
Mijn geheim: aan de binnenkant staat op een plank met krijt geschreven ‘ ..os’ (Vos), de plaatsnaam Klazienaveen en het jaartal 1943. Wat betekent dat? Heeft het trampersoneel dat boven de vracht geschreven om te onthouden voor wie het bestemd was of heeft iemand in oorlogstijd er zelf zijn naam opgeschreven?
Omdat de rails nooit is vervangen, is deze rails bij het museum Palthehof van 1886. Al 132 jaar oud! De rails is geschonken door de heer Nijboer uit Dedemsvaart, wiens vader de rails kocht bij het opheffen van de tramlijn.
Totaal herboren sta ik nu weer op mijn onderstel langs het perronnetje om jullie te vertellen over mijn aandeel in de ontwikkeling van Nieuwleusen.


De Verhalenwagon E 33 staat bij het perron, klaar om reizigers te ontvangen

* * *

Veldslag tussen de tramrails

Verslaggever anoniem

Af en toe horen wij van ouderen nog over de rivaliteit tussen jongeren uit verschillende buurtschappen en hoe je gedwarsboomd werd wanneer je verliefd werd op een meisje uit een andere buurt. Het verslag in de Dalfser Courant van 28 mei 1937 is daar een mooi voorbeeld van.


Veldwachter Holties in 1936 met pet waarop het Gemeentewapen

”Het was onze veldwachter Holties bekend dat enige jongelui van hier, die in de buurtschap De Meele verkering hadden, daar door een groot aantal jongelui werden lastiggevallen en dat hun een zwaar pak slaag zou worden toegediend, ja erger nog, dat zij met de dood werden bedreigd. Teneinde erger te voorkomen, trok Holties er een dezer dagen op uit toen de Nieuwleusener jongens de meisjes van de meisjesvereniging weer naar huis zouden brengen.
Hij stelde zich verdekt op nabij het huis van Albertus Bouwman aan het station Dedemsvaart Staatsspoor en wachtte op de dingen die komen zouden. Het duurde niet zo heel lang of in de buurt van Holties posteerden zich enige helden uit de buurtschap De Meele, terwijl er ook al een groep uit De Maat aanwezig was. De twee jongelui uit Nieuwleusen waren echter nog niet te zien en moesten hier in elk geval nog passeren. Verschrikkelijke taal aan het adres van deze twee heren werd er uitgebraakt, zoals ‘afgemaakt moeten ze worden’ en ‘zij zullen het kanaal in’. Omdat de koppel jongelui inmiddels al tot een klein legerkorps was aangegroeid, meende Holties dat het maar beter was om in te grijpen voordat de Nieuwleusener jongelui, die hij wilde beschermen, erbij waren en hen eerst enige klappen werden toegediend. Voorzichtig trok hij op de eigenlijk nog niets vermoedende vechtlustigen af, die zich daar tussen de tramrails bevonden, dus ook nog op een terrein waar ze niets te maken hadden.
Hij heeft hen daar met de stok eens geducht geleerd wat het zeggen wil als men niet gerust en onbedreigd uit vrijen kan gaan in onze gemeente. Holties deelde geweldige klappen uit, met als gevolg dat het hele legerkorps in een minimum van tijd uit elkaar was geslagen en in de vlucht haar heil moest zoeken en hun rijwielen in de steek lieten. De kloppartij had plaats om ongeveer tien uur en de vluchtende helden zat de schrik zo in de benen, … en op de rug en andere plaatsen waar ze ook gevoelig waren geslagen, dat ze pas tegen de morgenstond de moed hadden om hun rijwielen op te halen, welke zij tegen en in de buurt van het huis van Bouwman hadden geplaatst. Het is te wensen dat de les die aan deze heren is toegediend, er bij de andere heren ook zo de schrik in heeft gejaagd dat men nu ook hier eens rustig en zonder last zijn meisje kan gaan bezoeken. Het strekt de buurtschap niet tot eer dat een vreemdeling hier nog door de sterke arm moet worden beschermd en niet alleen, niet tot eer, maar ook is het voor hen zelf gevaarlijk, want als wij goed zijn ingelicht, dan waren de morgen volgend op de veldslag meerdere jongelui ten gevolge van de kennismaking met Holties niet in staat hun werkzaamheden, waaronder het melken, te verrichten.”

In het museum is deze met leer beklede wapenstok aanwezig. Door de zwiepende beweging komt een slag hard aan en veroorzaakt pijnlijke striemen. Of deze wapenstok door veldwachter Holties is gebruikt, is niet bekend.

* * *

Hendrik Jan Brinkman, veeverloskundige

Aartje Schoemaker

In het Kwartaalblad van december 2019 las u over Herman Bouwhuis, die in 1931 zijn diploma veeverloskundige behaalde. Een generatie later, in de vijftiger jaren, haalde ook Hendrik Jan Brinkman dat diploma. Bijzonder daarbij is dat de dierenarts die Brinkman opleidde ook het diploma van Bouwhuis van een handtekening heeft voorzien.

Herinneringen van Jenny, Henk en Herman Brinkman, geboren in respectievelijk 1946, 1949 en 1953, aan hun vader Hendrik Jan Brinkman (1919 – 1982), veeverloskundige, getrouwd met Stientje Brouwer (1922 – 1982 1992).

Vader Brinkman ging voor de opleiding wekenlang met de bus naar Oldebroek. Van maandag tot en met vrijdag was hij daar. Hij ging samen met Doldersum.
Brinkman had al een gezin. Dan moest hij er echt wel brood in zien om nog zo’n opleiding te gaan doen. Zijn vrouw runde de boerderij, het huishouden en had de zorg voor de kinderen.
Naast theorie gingen de cursisten ook met veearts G. van de Streek mee voor het praktijkgedeelte.
Hendrik Jan moest voor zijn examen naar Den Haag.
Jenny herinnert zich, dat het hele gezin een keer bij dierenarts Van de Streek in Oldebroek op bezoek ging. Een reis naar een andere wereld voor een klein meisje van De Meele.
De wetgeving in de veeartsenij was -vergeleken met de voorschriften waar Herman Bouwhuis in 1931 mee te maken had- veranderd. Officieel mocht een veeverloskundige niet spuiten. Nieuwleusen kende als veeartsen Loman en Künzel. Daar werkte Hendrik Jan prima mee samen, hoe verschillend ze ook waren. Van de één mocht Hendrik Jan rustig een penicilline-injectie geven. De ander gaf dat niet uit handen. Uierzalf en dergelijke bestelde Hendrik Jan via een vertegenwoordiger uit Alkmaar.
Bij nacht en ontij moest Hendrik Jan op pad. Was er ‘s nachts iets met een dier, dan werd er op het slaapkamerraam getikt. Dat veranderde met de komst van de telefoon, nummer 502. Brinkman ging de eerste jaren op de bromfiets naar zijn cliënten.
Rond 1960 kwam er een auto. Dat scheelde tijd en het meenemen van zijn gereedschap was een stuk makkelijker. Kleinzoon Freddy mocht wel eens mee. Zijn kleinere handen kwamen bij het halen van biggetjes goed van pas. Het halen van een (dood) kalf uit de koe gebeurde onder andere met een stalen draad, die via twee gaatjes vooraan een ongeveer 80 cm lange metalen buis was vastgemaakt, en


De eerdere boerderij waarin het gezin woonde stond met de achterkant naar de straatkant.

als een lus om de nek van het kalf getrokken kon worden. Rustiger werk was het bijwerken van de koeienhoeven of het knippen van de biggentandjes (zodat de uier van de ‘motte’ heel bleef). Het castreren van biggen werd binnen zeven dagen na de geboorte gedaan, met de gedachte dat die zich dan nog niet van pijn bewust waren. Tegenwoordig is het onverdoofd castreren verboden. Medicatie, antibiotica bijvoorbeeld, werd in overleg met de dierenarts toegediend.

Hendrik Jan Brinkman had ook een stier. Die stond achter een deur naast de ‘baanderdeur’n’.
Veel koeien zijn door deze stier gedekt in de tijd dat kunstmatige inseminatie zijn intrede nog niet gedaan had. Moeder Brinkman bracht de ‘bolle’ meestal voor. De jongste telg werd dan zolang in een ‘box’ van tegen elkaar gezette keukenstoelen gezet.
‘Knieftig uut ‘edacht’ van een hardwerkende vrouw.
Wanneer een eigen varken geslacht werd, kwamen opa en oma Brouwer van de Kringsloot helpen om bloedworst, leverworst, worsten en ham te maken.
Ter voorbereiding op het slachten werd het water gekookt in de koperen fornuispot, in het bakhuis, dichtbij de plaats van handeling! De leverworst werd in tevoren gemaakte katoenen, langwerpige zakjes gedaan en in de ketel in het bakhuis gekookt. De worsten hingen ‘an de balk’n’ tot ze goed droog


Het geheel herbouwde huis Meeleweg 27, na omnummering 29 en 31. Nu is het verdeeld in twee huizen, waar Herman achterin woont en diens zoon voorin. De bouwstijl van de oorspronkelijke boerderij uit 1937 is nog duidelijk herkenbaar
Door de omnummering van Meeleweg 27 zijn wij met de foto even de mist ingegaan. Het huis op de foto is in 1937 gebouwd en heeft huisnummer Meeleweg 27 gekregen. Op de plek van de oude woning van Hendrik Jan Brinkman, Meeleweg 27, zoals afgebeeld op pagina 36, is deze nieuwe dubbele woning gekomen met adres Meeleweg 29 – 31. Daar woont Herman Brinkman in de voorkant van het huis en zijn zoon Berry Brinkman in de achterkant.


waren en werden dan in een melkbus bewaard. Je kreeg dan ‘smolt’ met een snufje zout op brood.
‘Smolt’ was er ongeveer een maand. Het kwam uit uitgebakken stukjes vet, dat van de varkensdarmen afgesneden werd. In 1997 werd het thuis slachten verboden.

In de jaren dat de kinderen Brinkman nog thuis woonden, was het vanzelfsprekend dat ze meehielpen. Jenny werd aan de afwas gezet en harkte zaterdags het zand aan op het erf. Jan Willem stopte sokken en schilde de aardappels voor de volgende dag. Een andere broer moest ‘ankeer’n’ oftewel het pad vegen.

* * *

Bakhuus en stookhok

Aartje Schoemaker

Een bakhuis is een bijgebouw van een boerderij waarin men vroeger brood bakte. In het bakhuisje bevindt zich de bakoven. Het bakhuis staat los van de boerderij. Het stookhok ook. Daarin stond de fornuispot waarop de was gekookt, ‘vark’nseerpels’ gekookt, bloed- en leverworst gekookt, geweckt, suikerbieten tot stroop verwerkt en water gekookt werd om bij de slacht te gebruiken. Er waren koperen en gietijzeren kookpotten.
Een boerderij had nooit een stookhok én een bakhuis. Het was verplicht om het dak met dakpannen te leggen, vanwege het brandgevaar. Die regel stamt uit de tijd van Karel V, die beval dat de bakoven in een vrij van de boerderij staand stenen huisje geplaatst moest worden.


Rietgedekte boerderij, Middeldijk 45 van Klaas Seinen aan het Westeinde, vlak bij het voormalige Schuttenkerkje, met daarnaast een bakhuisje met pannendak

De kleine bijgebouwtjes naast de boerderij verdwijnen langzamerhand. Voor hun oorspronkelijke functie zijn ze niet meer nodig. Toch roepen ze een nostalgisch gevoel bij ons op, omdat een groot deel van het dagelijks leven zich daar afspeelde. Hoe het huisje ook genoemd werd, altijd werd er zomers overdag in gewoond. De plaats op het erf is karakteristiek: dicht naast de zijdeur van de boerderij. Handig bij het heen en weer dragen van heet water en dergelijke.

Meestal zijn de bakhuisjes in rode baksteen opgetrokken. Aan de plaats van de vierkante schoorsteen is te zien of het om een bakhuis of stookhok gaat. Hoe verder de schoorsteen naar het midden staat, hoe dieper de oven is. In de voorgevel zit een houten kozijn met vier of zes raampjes. De deur is aan de zijkant met een gietijzeren raampje ernaast. Heel oud zijn de vloeren van estrikken.
De blauwe tegels waren harder dan de rode. Nu zien we meestal een donkerrode portlandvloer, die makkelijker schoon te houden is. Het portlandcement werd met ‘dodekop’ gemengd om de donkerrode kleur te krijgen. Het balkenplafond was in ossenbloedrood geschilderd en diende tegelijk als zoldervloer, om de ruimte in de schuine punt als opslagruimte te kunnen benutten.

In een groter bakhuis maakten -begin vorige eeuw- twee of drie buurvrouwen het deeg klaar op het deksel van de meeltrog en werd het in deegklompen gereed gelegd. Nadat de takkenbos in de oven verbrand was, werd de as eruit geschraapt met een lange steel met een dwarslat van ongeveer 10 cm eraan. Daarna werd er een natte dweil door gehaald en kon het brood er door middel van houten ‘schieters’ in gelegd worden. Zo’n oude ovendeur is in de museumcollectie van het Palthehof aanwezig.
Het brood werd na het bakken om af te koelen op een plank, die aan het plafond hing, gelegd zodat de hond niet als eerste aan het versgebakken brood kon beginnen. De buurmannen haalden ‘s avonds het brood op en dan werd er gezellig bijgepraat.
In veel gemeenten is van oudsher een minimale afstand tussen het woonhuis en de bakoven vastgelegd vanwege het brandgevaar.

Als de koeien rond 1 mei naar buiten gingen, verhuisde het keukenfornuis naar het bakhuis. De hele zomer werd erin gewoond. Vanaf het werk op het land, kon je zo naar binnen lopen omdat de vloer goed aan te vegen was.
Er stonden een tafel en stoelen in. Bezoek zat er ook tot een uur of tien. Soms tot laat te wachten tot het onweer over was om droog naar huis te kunnen fietsen. Visite werd vaak bij volle maan afgesproken.
Dan waren de weggetjes nog langer zichtbaar.
Literatuur vermeldt dat geliefden graag samen in het bakhuis zaten, maar daar heb ik (nog) geen Nieuwleusenaar over gehoord.

In Nieuwleusen zijn nog veel bakhuisjes aanwezig.
Het ligt in de bedoeling ze te inventariseren. De afmeting varieert van 2,5 m - 5 m tot 4 m - 7m. Op het Ruitenveen 15 was de roskarnmolen (rond 1900) voor aan het bakhuis gebouwd. De as liep door het dak naar de ‘geute’ in de boerderij.
Ieder huisje is uniek. Enkele zijn in oude staat, andere gerenoveerd en in de oorspronkelijke staat herbouwd.

Bron: E. Jans, E. van der Horst en R. Kemper Alferink, Boerderijen in Salland (2013 St. Sallands Erfgoed). Vertellers: G. Tempelman en H. Schoemaker, Gzn.


Het bakhuis van Tempelman, Ruitenveen 13, waarin drie soorten gietijzeren ramen zitten

* * *

In memoriam:
auteur Johan van Dorsten (1926 - 2020)

Gees Bartels

Op 9 maart 2020 is in Wijhe op 93-jarige leeftijd de schrijver Johan van Dorsten overleden. Johan is in Nieuwleusen geboren en groeide op in de molenbuurt aan de Ommerdiek (nu Burg. Backxlaan, tegenover het zwembad), waar zijn vader kleermaker was.

Begonnen als inwonend boerenknecht, werd Johan na enkele jaren monsternemer en hulp in de kaasmakerij bij de zuivelfabriek Onderling Belang. Hij volgde verschillende opleidingen en kreeg daarbij passende werkzaamheden en verantwoordelijkheden. Eerst bij de melkfabriek in Rouveen en in Zwolle. Tenslotte werd hij hoofd interne dienst bij Scado, nu DSM. Johan van Dorsten woonde een deel van zijn leven in Zwolle. In 1962 betrok het gezin een boerderij, vrijgekomen door de ruilverkaveling, in Streukel bij Hasselt. Twaalf jaar later verhuisden ze naar Herxen, gemeente Wijhe, waar zijn vrouw was geboren en was opgegroeid.
De laatste jaren van zijn leven woonde Van Dorsten als weduwnaar in zorgcentrum Weijtendaal. Hij is begraven in Wijhe en laat kinderen, kleinkinderen en achterkleinkinderen na. ‘Dankbaar voor de gaven die ik heb mogen ontvangen’, is zijn citaat in de overlijdensadvertentie.
Hoewel hij van zijn jeugd af aan al graag schrijver wilde worden, lieten zijn drukke baan en zijn kinderrijke gezin lange tijd geen ruimte voor een schrijversleven. Pas na zijn vervroegde pensionering op 57-jarige leeftijd kon hij zich helemaal toeleggen op het schrijven. Vanaf 1987 verschenen er jaarlijks meestal twee nieuwe titels en hij werd een van de meest productieve schrijvers van Overijssel.

Johan van Dorsten schreef ongeveer veertig protestants-christelijke familie- en streekromans.
Daarin wordt naast de romantische verwikkelingen ook veel over de gewoonten, gebruiken en het boerenbestaan uit die tijd verteld. Met een eenvoudige, maar zeer levendige schrijftrant beschrijft hij de hoofdpersonen in hun belevenissen van elke dag. Zonder te moraliseren laat hij de hoofdpersonen, aan wie ook wat het geloof betreft niets menselijks vreemd is, in hun waarde. Een groot deel van de romans is gesitueerd in Salland, de Vechtstreek en het IJsselland.
In drie op elkaar aansluitende romans vertelt hij zijn eigen familiegeschiedenis.
Lied aan de Vecht (Van den Berg, 1991) speelt zich af in Ommen. Het is een verhaal over zijn grootouders. De rulle aarde (Van den Berg, 1992) speelt zich af in Nieuwleusen in de periode rond en in de Tweede Wereldoorlog. Maar het is vooral het dagelijks leven van Gerrit Jan, Derkje en hun acht kinderen dat tot de verbeelding spreekt. Die andere wereld (Van den Berg, 1994) vertelt hoe Joop, de tweede zoon uit het gezin, een baan krijgt bij de melkfabriek en invulling geeft aan zijn verdere leven. Deze romans geven een vrij authentiek beeld van een eeuw dorpsleven en beschrijven veel herkenbare gebeurtenissen.


* * *

Zoekplaatjes

Zoals we vorig kwartaal al schreven, lukt het ons niet om bij alle 15000 foto’s die op http://www. beeldbanknieuwleusen.nl/cgi-bin/beeldbank.pl staan de juiste namen te vinden. Daar hebben we uw hulp bij nodig. Wij hebben 100 foto’s, waar wij het minst van weten, in een speciale rubriek ZOEKPLAATJE geplaatst, zodat u die makkelijk kunt vinden. Hiervan hebben we er vorige keer drie geplaatst in het Kwartaalblad. Het vorige kwartaalblad was amper in de bus gevallen of de eerste reacties kwamen al binnen.
De foto vx077 (de meest linkse in het blad) was zodoende al binnen twee dagen na uitgifte van het Kwartaalblad opgelost. Hartelijk dank! Het is een trouwfoto van Geert Doren (1912-1998) en Jentje Groen (1921-2010) die direct na hun trouwen in Kerkenveld (Drenthe) zijn gaan wonen en inmiddels beiden zijn overleden in Hoogeveen. We hebben alle informatie bij de foto vermeld.
Dit was de enige van de drie gepubliceerde foto’s waarvan de oplossing binnenkwam, maar in de afgelopen drie maanden hebben wij wel tien van de honderd zoekplaatjes kunnen oplossen. Iedereen hartelijk dank voor het reageren.

We hebben er weer 25 nieuwe bijgeplaatst, dus kijk gerust nog een keer op de Beeldbank, type in de zoekbalk: “zoekplaatje”, klik op zoeken en ze komen allemaal tevoorschijn. Zo wordt het echt een site van ons allemaal.
Bij een aantal foto’s staat als datum “voor 1928”. Dit zijn foto’s uit het Palthe-album. Aangezien Gulia Palthe is overleden in 1928 moeten de foto’s dus van daarvoor zijn.
Uiteraard staan er meer foto’s op de site waar wij graag (meer) namen van zouden weten.
Een tip is ook om je eigen naam in te typen. Dan kun je mooi controleren of alles goed staat en kijken of er nog gegevens gevraagd worden (bijvoorbeeld op schoolfoto’s missen we nog wel eens namen).
Schroom niet om rond te kijken en het reactieformulier in te vullen bij de desbetreffende foto, ook al weet je maar één van de ontbrekende namen .

Deze keer hebben we weer vier totaal verschillende foto’s geselecteerd.
Bij uw reactie s.v.p. vermelden: (1)vx010, (2)vx051, (3)14279 en (4)16008.

Klaas Jan Talen en Roelof Boerman, namens de fotoclub.





* * *

Gedicht

Zo kört maar ....

Zi’j uppelt vrolijk veur mi’j uut.
En woar zi’j daanst, daanst een gedicht,
een vlindertien in ‘t zunnelicht.
Eur stemmegien klinkt schel en luud.

Zi’j snapt en schettert ‘t honderduut.
Wied van gevoar en zörg en plicht,
is ‘t lêven veilig, wonderlicht.
Elk bloemegien een toverkruud.

Zo kört maar .... dan is ‘t sprokien uut.
O God, dit vlindertien in ‘t licht,
holt eur, veur oens nog eêm in ‘t zicht.

Klazien Bijker- van Hulst.





Jaargang 38 Nummer 3 september 2020


* * *

Foto voorpagina:

In 1955 kwam er een nieuwe ophaalbrug bij de Ommerdijk (Burg. Backxlaan) en een nieuwe brugwachterswoning, aan de westzijde in de Backxlaan, met een erker van waaruit men goed zicht had op het scheepvaartverkeer. In 1969 werd het kanaal gedempt en verdween de brug. Nu, vijftig jaar later, gaat het kruispunt weer op de schop.

* * *

Grootmoeder Stientje Hekman-Stolte

Willem Hekman

In de zomer van 1947, aan het einde van zijn tbc-kuurperiode, schreef Willem Hekman (1913-1997) een opstel over Willem Veldhuizen, zijn grootvader van moederskant en over Stientje Stolte zijn grootmoeder van vaderskant. Beiden woonden vanaf 1913 samen met het gezin van Klaas Hekman en Jantje Hekman- Veldhuizen op de boerderij aan de Oosterhulst 38. In het kwartaalblad nummer 4 van 2019 publiceerden wij het verhaal over Willem Veldhuizen. In dit nummer het verhaal over Stientje Stolte: een inwonende grootmoeder met, net als vele grootmoeders in die tijd, een prominente plek in het boerengezin.

Grootmoeder Stientje Hekman-Stolte (1858-1941) is blijkens de aantekeningen van haar kleinzoon Arend Jan Stolte, die ik voor dit artikel heb geraadpleegd, een vrouw uit een geslacht met wortels in Nieuwleusen die teruggaan tot in de zeventiende eeuw.
In 1848 koopt Klaas Stolte (1820-1877) samen met zijn broer Arend Stolte (1832-1894) voor duizend gulden veertien hectare land in de Oosterhulst. Ze bouwen er samen een boerderij, een eindje het land in met een uitweg naar de weg langs de Dedemsvaart. Arend Stolte verkoopt enkele jaren later zijn aandeel in de boerderij aan Klaas en wordt bakker in Nieuwleusen.

Klaas Stolte hertrouwt na het overlijden van zijn eerste vrouw met Geertje Brinkman (1827-1910).


Grootmoeder Stientje Hekman-Stolte (1858- 1941). De enige foto die van haar bekend is, waarschijnlijk kort na het overlijden van haar echtgenoot gemaakt.

Geertje is vijftig jaar oud wanneer Klaas Stolte in november 1877 overlijdt. Zij blijft achter met vijf kinderen, waaronder mijn grootmoeder Stientje, die dan negentien jaar oud is.
Overgrootmoeder Geertje zet de boerderij voort, samen met de kinderen. Overgrootvader Klaas Stolte heeft goed geboerd. De zorg om overgrootmoeder Geertje die (na twee huwelijken) met minderjarige en overleden kinderen uit het eerste en tweede huwelijk verder moet, leidde tot een ingewikkelde boedelscheiding, die pas na twintig jaar volledig zijn beslag kreeg.


Grafsteen van Arend Hekman (1853-1913).

Grootmoeder Stientje Stolte, inmiddels getrouwd met Arend Hekman, erft in 1897 de westelijke zeven hectare land zonder gebouwen van de boerderij van Klaas Stolte. Willem Stolte, de broer van Stientje, krijgt het ruim zeven hectare oostelijke gelegen deel, met huis, schuur, boomgaard, bouw- en grasland, houtwal en heide.
Arend Hekman en Stientje Stolte bouwen op hun zeven hectare een boerderij en een schuur met een potstal voor het jongvee en hokken voor de varkens. Zo kwam Stientje weer aan de Oosterhulst te wonen, maar nu met Arend in de nieuwgebouwde boerderij, naast de ouderlijke boerderij waar haar broer Willem Stolte boer was. Toen woonden er dus drie Stolte-kinderen met hun gezinnen naast elkaar.


De boerderij van Willem Stolte, de broer van grootmoe, de ouderlijke stee van de drie Stoltekinderen. De oude boerderij, in circa 1848 gebouwd door Klaas en Arend Stolte, is in circa 1890 door brand verwoest. Daarna is deze boerderij op dezelfde plek gebouwd, later Hoofdvaart 34. Na het vertrek van het gezin Willem Stolte naar Slagharen in 1915, woonden er de familie Jan Prins, daarna de vrijgezelle zoon Roelof Prins en daarna Piet en Joke Hazenberg. Die hebben de boerderij verbouwd tot woonboerderij. Nu woont hier hun zoon Rommert Hazenberg met zijn gezin.

In elke familie is weleens wat, ook in de onze.
Mijn oudere neef Arend Jan Stolte herinnerde zich dat zijn vader Willem Stolte en mijn grootvader Arend Hekman niet met elkaar overweg konden. “Het werd nooit verteld, later ook niet, maar als kinderen merkten we het.” De zwagers waren naast elkaar komen te wonen en hadden samen één uitweg naar de straat. Meer dan eens werd de Stoltekinderen de uitweg verboden en dan moesten zij door de boomgaard, de tuin en het weiland naar de straat om naar school te gaan. “Waar de onmin door ontstond kwam ons nooit ter ore. Oom Jan Stolte, die een huis verder woonde, moest dan als vredestichter tussen beiden komen en dan ging het weer een tijd goed.”


De boerderij van Jan Stolte, op de plaats waar later bakker De Jong woonde, half boerderij, half winkel en bakkerij, later Hoofdvaart 42-44. Na bakker De Jong kreeg dit pand op enig moment een dubbel woonhuis, waarin onder andere de families Schemper, Vasse en Petter hebben gewoond. Rechts woont nu nog Geesje Alteveer- Petter.

“In 1913 is grootvader Arend Hekman overleden. Hij is betrekkelijk vroeg gestorven, naar ik meen aan tbc. Mijn vader Klaas Hekman, die in 1912 was gehuwd met mijn moeder Jantje Veldhuizen, kocht na grootvaders overlijden de boerderij (later Hoofdvaart 36-38) in 1914. Grootmoeder Stientje bleef er wonen, bij ons inwonend. Willem Stolte vertrok in 1914 met zijn gezin naar een boerderij in Slagharen, waar zij zich konden verbeteren. * Jan Prins werd boer op de boerderij (latere Hoofdvaart 34) die zij achterlieten. Tussen Jan Prins en mijn vader ontstond een hechte samenwerking, die later werd voortgezet met zijn zoon, die wij oom Roelof noemden.”
* NB:Verhalen over deze verhuizing naar Slagharen en hoe het de familie daar is vergaan, zijn gepubliceerd in Kwartaalblad 2001, nr. 1 t/m 4 en 2002, nr. 1.

Oma Stientje leeft nog zo dichtbij dat het me moeilijk valt over haar te schrijven. Van haar man, mijn grootvader, heb ik haar nooit horen vertellen. Wel van haar kinderjaren. Ook niet veel, maar wel dat ze de koeien hoedde. Want er was in die tijd, in de jaren rond 1870, nog geen afrastering. Veel land moet nog heide geweest zijn en het boerenland langs de Dedemsvaart was nog arm en groot van oppervlakte. De boeren moeten ook wel arm zijn geweest. Al weerspreekt mijn



Vader Klaas Hekman en moeder Jantje Hekman- Veldhuizen, die na grootvaders overlijden de boerderij kochten.

neef Arend Jan Stolte dit in een brief, waarin hij schreef: “…alles in onze voorgeslachten is niet zo primitief geweest. Ze gingen terdege met hun tijd mee. Vergeet niet dat Zwolle het middelpunt van al deze boeren was, die elke week met boter naar de markt gingen. Ik weet nog dat achter jullie ouderlijk huis een kuil was, en daar lagen de botertonnetjes in het water, schoon en helder, want grootmoeder maakte toen nog boter voor Zwolle”.
Iemand die veel over de tijd van mijn grootmoeder vertelde was Jan Prins, die haar ook als meisje goed gekend heeft. De oude Jan Prins leefde steeds meer terug naar zijn jeugd en vertelde ons kinderen daar steeds weer over. Bijvoorbeeld hoe hij er plezier in had mijn grootmoeder te plagen door de koeien aan het hollen te brengen. “Dat was niet moeilijk, als je maar het gezoem van een runderhorzel nabootste, “tzzzzmmm”. En je grootmoe had toch al zoveel zorg. Ze maakte zich toen ook al gauw van streek.”
Jan Prins vertelde ook wel over de tram die hier vanaf 1886 reed. Maar grootmoe liep in die tijd nog alle afstanden. Zo had ze familie in Smilde, waar ze als jong meisje in één dagmars heen liep. Een afstand van zeker 35 kilometer. En een wandeling naar Zwolle, daar zag ook zij en niemand tegenop. Fietsen heeft ze later niet meer geleerd. Grootvader Veldhuizen wel, maar dat was ook een man.
Ook liep grootmoe eerst naar de kerk. Daar was ze trots op, die stevige wandeling. Zij was dan in haar beste kleren, met een grote beugeltas aan de zijkant onder de rok, zodat ze met de hand in de tas kon komen. Een mooie muts met korte stijve plooien in een krans naar achteren. “Wat loopt ze flink”, hoorde ik de kerkgangers wel eens zeggen. Maar dat is al heel lang geleden. Want ik herinner me haar beter met een rond gebogen rug en kleine schuifelende pasjes.
Van de familie Stolte heb ik maar één indruk. Die van smetteloze vroomheid en onkreukbaarheid. Het is me onmogelijk één feilen in deze familie aan te wijzen. Misschien lijkt dat overdreven. Maar ik kan het toch met schetsen bewijzen. Grootmoe kende hele gedeelten van de Bijbel uit het hoofd, gedeelten die haar bijzonder getroffen hadden en haar herinnerden aan droeve gebeurtenissen in haar leven. Gedeelten waarin ze troost en weemoed en onuitsprekelijke goedheid terugvond. Als ze hiervan getuigde en deze Bijbelteksten op zei, biggelden er tranen over haar wangen en was haar stem alsof ze huilde. Ze las regelmatig volgens de scheurkalenderblaadjes uit de Bijbel en uit het psalm- en gezangenboek en uit een oud prekenboek. Later volgde ze elke radiopreek en elk wijdingsuurtje van de NCRV. Als ze las prevelden haar lippen mee en ook dan krampten soms haar gelaatsspieren mee en was er een traan, terwijl ze met haar vinger deze treffende gedeelten volgde. Dat alles terwijl ze toch ook goedlachs was en heel hartelijk om een grapje of dwaze gebeurtenis kon lachen. Maar als ze soms een boze bui had, dan liep ze stroef en nors en was ze niet te spreken.


Na het huwelijk in 1912 is er een Oma’s huisje aan de boerderij gebouwd. Dat is in 1960 afgebroken en voor de oude boerderij is een nieuw voorhuis gebouwd. Het huisnummer werd later Hoofdvaart 36-38.

Toen grootvader Arend Hekman gestorven was, werd er een éénkamer huisje voor grootmoeder gebouwd dat net paste tussen het voorhuis van de boerderij en de hooiberg.
Grootmoeder kreeg het middageten bij ons vandaan en zij kwam op vaste tijden ‘s morgens en ‘s avonds koffiedrinken. Maar ze woonde en leefde in haar eigen kamertje, afgezonderd van de drukte van de jonge en vooruitstrevende mensen ernaast.
In haar kamertje stond een klein tafeltje tegen het raam aan de oostkant in de hoek geschoven, bedekt met een donker geruit tafelzeiltje. Daarop lagen een Bijbel, geheel oud geworden door het gebruik, en een oud psalm- en gezangboek met ouderwetse letters (gotisch schrift), die ik van het Duits op school ook kon lezen. De bril lag ernaast. Dit was zo’n vertrouwd hoekje. En steeds een klein petroleumlampje, want de grote lamp brandde nooit, die is zelfs helemaal weggehangen op zolder.
Achter in de kamer was een bedstee en een kast met drie diepe planken voor het servies en daarnaast een soort bergplaats, een rommelhokje met een stenen vloer, met een ladder naar zolder. Naast het huisje was nog een portaaltje. Aan de voorzijde in het midden was de schoorsteen met de schoorsteenmantel. Daaronder stond een fornuis en een potkachel. Grootmoe zat in haar eigen hoekje, bij het kleine tafeltje voor het raam, waarvan de blinden ‘s avonds gesloten werden. In haar kamer als zij er was, voelde ik me vrij. Vrij om mijn huiswerk voor school te maken, maar ook om heel lang te lezen in een voor school verplichte roman.

De kachel werd zuinig gestookt met turf uit grootmoes turfhokje, turf van de turfschippers gebroeders Krul. Het was er nooit erg warm. Als ik er ‘s avonds zat terwijl grootmoe aan de andere kant bij va en moe koffiedronk en het was koud, dan kwam moe nog weleens een extra turf op de kachel gooien.
Om negen uur ging grootmoe naar bed, in de bedstee achter de deurtjes, achter de gordijnen. En één of twee uur later kroop ik dan in huis in de bedstee. Wij hebben nooit gesprekken gevoerd, maar ik hield van haar. Ik geloof zoals een kind alleen maar van zijn grootmoe kan houden.
Als wij naar bed gingen kreeg moe altijd een kus. Op een avond vertikte ik dat. Daar werd ik te groot voor. “Dan ga je maar in het hooi slapen!” Op de deel voor de koeien. Daar lag ik, vastbesloten en onwennig. Al heel gauw kwam grootmoe ook op de deel. Ze was helemaal van streek. “Jongen toch, hoe kun je zo doen?” Daar had ik niet op gerekend. Dat kon ik haar niet aandoen. Moe kreeg haar kus.
Of grootmoe van mij hield dat weet ik niet. Ze had zoveel kinderen en kleinkinderen waarvan ze zou kunnen houden, en van haar kinderen, van die hield ze zeker. Ook waren er al zoveel geliefden gestorven, dat zij zich zeker niet meer zou hechten aan al de anderen die in haar leven kwamen.

In de appelhof, pal voor haar kamer, stond grootmoe’s appelboom. Grootmoe had recht op appels van haar boom. Ze waren nogal laat rijp en konden niet lang worden bewaard. Wij aten er volop van.
Van een paasvakantie tijdens mijn studie in Utrecht is mij bijgebleven dat grootmoe voor mij een paar appels bewaard had. Het waren dikke zoete bellefleuren van een jonge boom, die va nog niet zo lang geleden had geplant. Appels gerimpeld, zacht maar nog gaaf.


Tekening van het na 1912 gebouwde éénkamerhuisje van oma tussen boerderij en hooiberg, waar in het hoekje van de daklijst elk voorjaar een vliegenvangerspaartje nestelde.

En dan waren er nog de dieren, waarvoor zij een grote belangstelling en liefde had. In een hoekje aan de binnenzijde van de daklijst van haar huisje kwam elk voorjaar een vliegenvangerspaartje.
Grootmoe was altijd de eerste die ze weer zag terugkomen en wist wanneer het wijfje zat te broeden en er jongen waren. Je kon de jongen zien zitten, altijd hongerig met een steeds mooier verenpakje. De katten waren in die tijd grootmoes grootste vijanden. Ze ging er jacht op maken als ze in de buurt kwamen of het nest in de gaten hielden. En dat terwijl ze altijd voor de poezen zorgde. Die zaten elke morgen te wachten op de etensrestjes na het ontbijt. Als de deur op een kier openging en grootmoes hand de broodkorstjes naar buiten wierp op de stoep, bedankten ze dan met een vriendelijke miauw, met de staart recht en hoge rug.
Dan was er ook de gieteling (merel) waar ze bewondering voor had, de vogel met het gitzwarte pakje en de oranje-gele snavel en de kwieke bewegingen en het driftig stemgeluid. En als die dan ging zingen!
Maar het kleinood, ‘t sieraad onder de vogels was toch het vogeltje met het bloemblaadje op zijn kop. Het wijfje heel eenvoudig, bijna éénkleurig roodbruin. Het mannetje met een helderwit petje op zijn kruin en verder nog veel andere mooie kleuren. Het nestelde bij ons achter de schuur in een mijt bolsterturf. Het was het mooiste vogeltje wat we kenden en grootmoe kwam het altijd vertellen als zij het kleurige vlugge diertje met het bloemblaadje op zijn kop had gezien. Later heb ik in een boek gezien dat het vogeltje met het bloemblaadje roodstaartje heette.
Verder was ze gesteld op het winterkoninkje, omdat zo’n klein vogeltje zo kon zingen, en om zijn wipstaartje en omdat het zoveel jongen grootbracht.

Toch zagen we grootmoe niet voor vol aan. En dat kwam niet alleen omdat ze ouder was en ouder werd. Maar zij stond volgens de jonge mensen op de boerderij buiten het werkelijke en harde leven, waar het er om ging om vooruit te komen. Ook werd niet goedgekeurd dat ze na de dood van haar man, toen ze nog maar 54 jaar oud was, al ging rentenieren en weinig werk voor anderen deed, maar zich beperkte tot haar kamertje, haar eigen kleren en het schillen van de aardappelen voor het gezin aan de andere kant. Ze verwende de kinderen, die dan ongezeglijk en ongehoorzaam werden. Ze zat over alles in angst en zorg, over een jong paard, over een regenbui, over het onweer, ze was bang dat de koeien vast raakten in de touwen en dat we kou zouden vatten.

Onze lieve vrome grootmoeder Stientje Hekman- Stolte heeft geen blij sterfbed gehad. De laatste vijf jaar van haar leven begon ze meer en meer af te takelen. Soms was ze geheel in orde, maar dan kwam ze opeens ‘s nachts uit bed, onrustig door de zorg dat hier of daar in huis niet alles in orde was en zij voor die orde moest waken. Ze liep moeilijker en vergat de volgorde van wat ze wilde doen en kon in het geheel niet meer uit de voeten komen. Grootmoeder is op 5 maart 1941 overleden, 83 jaar oud.
Op het kerkhof sprak meneer Van Donkersgoed en ook grootmoeders neef dominee Arend Jan Stolte. De hele familie van grootmoeder was er, haar kinderen en kleinkinderen en de kinderen van haar broers en één schoonzuster. Ze waren te tellen die niet aanwezig waren. Het was mooi zo het hele geslacht bijeen te zien. Mensen die we allemaal wel kennen van het begin van ons leven toen we nog klein waren en die we nu nog maar zelden ontmoeten.


Rond 1960 is oma’s huisje afgebroken en is er voor de oude boerderij een nieuw voorhuis gebouwd en kreeg als adres Hoofdvaart 38. Huisnummer 36 is toen vervallen.

* * *

‘n Zunnige, zomerse zaoterdagmörn met Derk en Diena

Aartje Schoemaker

Juli had dit jaor zowat ‘n hittegolve te pakkn.
Diena zeg op vri’jdagaomd: “Derk, ‘t Liekt mi’j bèter det wi’j mörn op tied gaot loopn. Aans wördt ‘t mi’j veul te warm umme te wandeln.” Derk is ‘t hielemaole met Diena iens. Zo stapt ze ‘s möns op tied ien d’auto naor de Zwarte Denn’n en kiest ze de zwarte meez’nroute.
Umme dizze tied van de dag stiet d’r nog een fris wiendtie. Gelukkig hoeft ze hier ien ‘t bos niet met ‘n mondkappien veur te loopn.
Diena löp veul naor de grond te kiekn. Niet uut droevigheid mar umme niet te strukeln. Bi’j de gemiente kuj nog vraong’n de stoeptegels vlak te lengn, mar boomwortels gaot heur eing’n gang.
De’ s mar goed ook. Daor gebruukt ‘n mènse zien oongn dan mar veur, toch? Daordeur zut Diena op de rugge spartelnde kevers, mar die lut ze ling’n, want rechtop zettn helpt gien zier. Ok ‘n overstiknd legertien rode bosmiern ontgiet heur niet. ‘t Streepieszaod bluuit frisgeel.
Al loopnd maakt ze mekare vake wat wies die twee. Bi’j de boom’n ziet ze ‘n blauw vlindertien. Het vuilboomblauwtje. Die kent ze uut heur tuun. Boòv’n de heide vliegt wel vier blauwgies. “Heideblauwtje”, zeg Diena. Derk: “’k Zal thuus es kiekn of ‘t heideblauwgien wel bestiet”.
Dan ziet ze de dagpauwoog op ‘n wit brummelbluumpie. Wat ‘n mooie kleur’n bi’j mekaar. Veurdet Diena heur mobieltien te pakkn hef umme ‘n plaattien te schietn, is ‘e alweer verder ‘evleungn. Uut angst veur teekn giet ze d’r niet achteran. Ok zol ‘t nog mar de vraoge weên of de vlinder nóg ‘n keer ‘n witte ondergrond zol kiezn.
Bi’j de olde viever hangt ‘n echtpaar citroenvlinder an ‘n heidestruke. ‘n Meter uut mekare. ‘t Vrouwgien hangt ‘t körtst bi’j ‘t pad en is wat lichter van kleur as ‘t mannegien.
Ze ziet brummelstruukn met witte bloemn en verderop met lila bloemn. Net as eerpels bluuit ze kennelijk ien twie kleurn. Net as mèns’n gaot de brummels niet gelieke op in heur gruui.
d’ Iene struke hef nog mar net ‘n bluumpien en van d’aander kuj al vruchtn plukkn.
Is de heide niet wat vrog? De bluuj kump d’r al goed deur. Kump det deurdet de wereld opwarmt?


De bedreigde iemn kunt d’r heur veurdeel met doen.
Derk wis Diena nog op ‘n klein zwart iemegie met ‘n kloete stoefmaal an de pootties. “De wilde bi’je”, zeg Diena.
‘t Is nog half juli, mar de harfst dient zich al an. Derk en Diena ziet wel zes soortn varse paddestoeln. Broene zwammn en boleetn. Ze kent niet alle naamn. Diena zet d’r iene op ‘t portret umdet ‘t iekeblad, det ‘t stoeltie omhoog ‘edrukt hef, d’r nou naost stiet as ‘n trouwe stutte.
‘n Gaaie vlug -zonder te skriw’n- òver de heide as Derk en Diena op de koffie angaot. De boomklever heurn ze met ‘wiet, wiet’ en twiemaol de lach van de grune spechte. Ze hebt op ‘t zwarte meeznpad wel ‘n koolmees ‘eziene en veul meessies ‘eheurd, mar de zwarte meze niet.
Mar eèmngoed was d’r veule te zien op die zunnige zaterdagmörnkilometerties. Dan te bedenkn wat ze an leémn níet ezien hebt! Want as ze naor links kiekt, ziet ze rechts niks. Kiek ie naor de grond, dan ziet ze niet wat boòmn heur langs vlug.
Nao zo ‘n zaterdagse zomermörnloperi’je smaakt de koffie thuus heur barre goed en geniet ze van de bloemegies en biessies op heur eingn arf.

* * *

Berend Jan van den Berg, stiefzoon en molenaar

René Fokkert

In het boek “De molens van Nieuwleusen en hun molenaars” komt de familie Van den Berg ruimschoots aan de orde. De familie, die bekend is van de Union Rijwielfabriek en Union Bouwmaterialen, kwam als molenaars vanuit Raalte naar Nieuwleusen en zijn dat ambacht hier begonnen op de oudste Nieuwleusense molen, gelegen aan de Dommelerdijk. In het midden van de 19e eeuw raakte molenaar Berend Jan van den Berg verzeild in een vervelend conflict, (mede) veroorzaakt door een testament dat pas onlangs boven water kwam.

In 1811 kocht Barteld Stolte de molen aan de Dommelerdijk. Hij was getrouwd met de achttien jaar oudere Tonia Hemen, afkomstig uit Raalte. Het huwelijk bleef kinderloos. Een zus van Tonia, Hermina Hemen, was in 1809 weduwe geworden van Evert van den Berg, de molenaar op de Bergmolen in Raalte. Als weduwe en moeder van vier kinderen kwam Hermina behoorlijk in de problemen. Dat loste zij op door in het jaar daarop te trouwen met Hendrik Hofman, bakker in Raalte. Haar in Nieuwleusen wonende zwager Barteld Stolte werd aangesteld als voogd over haar minderjarige kinderen. Bovendien werd besloten, om Hermina nog verder te ontlasten, dat haar oudste zoon, Berend Jan van den Berg, naar Nieuwleusen zou gaan om daar als stiefzoon op te groeien bij zijn oom Barteld en tante Tonia. Zo kwam Berend Jan van den Berg bij hen in de molenaarswoning en leerde van zijn oom het molenaarsvak.

In 1829 trouwde Berend Jan van den Berg met de uit Dalfsen afkomstige Fennigje Volbrink. Uit dit huwelijk werden acht kinderen geboren. Het gezin woonde destijds naast hun oom en tante in het molenaarshuis aan de Dommelerdijk. Na het overlijden van de moeder van Fennigje Volbrink in 1830 kregen Berend Jan en Fennigje meer financiële armslag door de erfenis. Berend Jan van den Berg ging, nu hij wat ruimer in de centen zat, met zijn oom Barteld Stolte en tante Tonia Hemen in gesprek om mede-eigenaar te worden van de molen. Eind 1831 was het zover en kocht hij de helft van de molen aan de Dommelerdijk.

Op 20 juni 1834 overleed Tonia Hemen op 66-jarige leeftijd. Zoals al vermeld waren er geen kinderen uit het huwelijk tussen Barteld Stolte en Tonia Hemen. Na haar overlijden bleek dat zij in oktober 1832 een testament had laten opmaken bij de Zwolse notaris Reinier Saris van der Gronden. In dat testament benoemde zij haar man Barteld Stolte tot enige erfgenaam. Ze liet echter wel een bijzondere voorwaarde in haar testament opnemen: Als Barteld Stolte mocht hertrouwen, moest hij aan haar neef Berend Jan van den Berg een som geld van 1000 gulden uitkeren, dat dan als een legaat zal worden gezien.
Op dat moment was deze voorwaarde van Tonia geen bezwaar, maar het zorgde er wel voor dat deze bepaling in haar testament zo’n 25 jaar na haar overlijden een groot probleem werd.
Barteld Stolte hertrouwde in januari 1835 op 49-jarige leeftijd met de tweeëndertigjarige Cornelia de Graaf. Zij kwam uit Dalfsen en had ten tijde van haar huwelijk met Barteld al een onecht kind. Uit het huwelijk van Barteld en Cornelia werden ook nog acht kinderen geboren. De gezinnen Stolte en Van den Berg woonden in het molenaarshuis.


Jaarlijks betaalde Barteld Stolte in de periode tussen 1835 en 1847 rente aan zijn neef Berend Jan van den Berg over het legaat van 1000 gulden, dat hij had omgezet in een lening. Na het overlijden van Barteld eind 1847, betaalden zijn weduwe Cornelia de Graaf en haar kinderen nog tot 1858 de rente over die 1000 gulden. Omdat Barteld Stolte in 1834 ook nog eens 350 gulden had geleend van zijn neef tegen 4,5% rente, werd ook die rente betaald.

In 1859 betalen de erfgenamen Stolte over het totaal geleende bedrag van 1350 gulden geen rente. Uiteraard is Berend Jan van den Berg het daarmee niet eens. In november 1861 leidt dit tot een rechtszaak bij de Arrondissementsrechtbank in Zwolle.
De familie Stolte verliest de rechtszaak maar gaat in hoger beroep bij het Provinciaal Gerechtshof in Overijssel . Die zitting is op 13 oktober 1862.
Namens de familie Stolte voert Mr. D.H. Thorbecke in zijn verweer aan dat de bepaling in het testament van Tonia Hemen, de eerste vrouw van Barteld Stolte, niet rechtsgeldig is omdat men vindt dat Tonia haar echtgenoot per testament zou verbieden om te hertrouwen. Daarom zou deze bepaling dus niet rechtsgeldig zijn, wat volgens hen in zou houden dat het legaat niet uitbetaald hoeft te worden. Men erkende echter wel de door Berend Jan van den Berg verstrekte lening van 350 gulden uit 1834.
De uitspraak van het Hof in de zaak van Berend Jan van den Berg tegen Cornelia de Graaf en kinderen heeft direct na behandeling plaatsgevonden. De voorzitter van het Hof, Mr. A. van der Graaff, stelde eiser Berend Jan van den Berg in het gelijk en veroordeelde de tegenpartij tot uitbetaling van de 1000 gulden uit het legaat van zijn tante Tonia Hemen. Verder moeten zij de lening van 350 gulden terugbetalen, evenals de achterstallige rentebetalingen over 1859, 1860 en 1861. Bovendien worden zij veroordeeld tot het betalen van alle kosten van de procesgang. Alles bij elkaar gerekend zal de rechtszaak, inclusief de eigen advocaat, Cornelia en haar kinderen zeker 1800 gulden hebben gekost.

In het boek “De molens van Nieuwleusen en hun molenaars” is melding gemaakt van de steeds slechter wordende verhoudingen tussen Berend Jan van den Berg en de erfgenamen Stolte. De oorzaak daarvan kon toen niet goed worden achterhaald, maar het onlangs boven water gekomen testament van Tonia Hemen maakt wel duidelijk dat de bepalingen in dit testament (mede) oorzaak waren voor de verslechterende verhoudingen. De genoemde financiële toestanden hebben de relatie tussen beide partijen geen goed gedaan.
In 1864 kwam Cornelia de Graaf financieel steeds meer in het nauw. Dat resulteerde tot een gedwongen verkoop in dat jaar van de molen aan de Dommelerdijk, waarvan zij met haar kinderen voor de helft eigenaar waren. Op last van de rechtbank moest ook de helft van molen waarvan Berend Jan van den Berg eigenaar was, op een openbare veiling worden verkocht.
Op de veiling liet Berend Jan van den Berg iemand anders voor zich bieden en op die manier wist hij voor een zacht prijsje de gehele molen in eigendom te krijgen. Zo werd Berend Jan van den Berg tenslotte de enige eigenaar van de molen waarop hij al als kleine jongen van zijn oom het vak van molenaar had geleerd en zijn verdere leven zijn krachten aan had gegeven en bleef dat tot zijn overlijden op 17 augustus 1868. Zijn nazaten zijn nog tot 1917 op de molen blijven malen en hebben in dat jaar de molen aan de Dommelerdijk verkocht aan Snijder.

* * *

Groepsfoto:


Op 5 mei 1970 vierde Nieuwleusen “25 jaar bevrijding” met een enorme optocht van versierde wagens. Wat vrijheid betekent komt duidelijk naar voren op wagen nummer 70 van de Gymnastiekvereniging G.N.H. “25 jaar vrij bewegen”, met daarop vlnr: Klaziena Blik, Gini Kleine, Martha Toersen, Alie Kappert, Gerda Blik, Eef Krul en onbekend.

* * *

Opgroeien rond d’ Ommerdiekerbrug; Hilda Kappert-Voorhorst vertelt.

Aartje Schoemaker

De Dedemsvaart liep vanaf Hasselt naar de hoogveengebieden in Noord-Overijssel. De schepen moesten veel bruggen en sluizen passeren om goederen, zand, turf, Unionfietsen etc., te vervoeren. Dat bracht langs het kanaal veel activiteit en werk. De nering voer er wel bij. Beroepen als sluiswachter en brugwachter waren nodig. Zelfs vrouwen mochten dat werk uitvoeren. Hilda Kappert-Voorhorst, dochter van brugwachtster Margje Voorhorst-van Buren, vertelde haar verhaal over de periode 1947 - 1978.

Hilda is geboren in 1947. Zij is vijf weken oud als ze met haar ouders en broertje Albert (1944) vanuit De Maat verhuist naar Den Hulst. Voor de verhuizing is ze eerst nog gedoopt in de Reestkerk te Oud-Avereest. Het gezin Voorhorst woonde in De Maat aan de rand van het bos en laat Voorhorst nu ook ‘aan de rand van het bos’ betekenen!
Hilda’s vader, Jans Voorhorst, geboren op 21 februari 1916 is 78 jaar oud geworden. Haar moeder, Margje van Buren, geboren op 16 december 1918 is 92 jaar oud geworden.
Vader Jans Voorhorst werkte en woonde in op de boerderij van zijn vader, maar kreeg een betrekking als sluiswachter bij de provincie, die eigenaar was van de Dedemsvaart. Daarbij hoorde een dienstwoning en daarvoor trok het gezin in 1947 in de brugwachterswoning bij de Ommerdijkerbrug, aan het eind van de Ommerdijk, nu Burg. Backxlaan.


Het brugwachtershuis stond rechts van de straat, tussen het café Nijmeijer en de ‘Vaart’. Na afbraak kwam hier het terras van café De Unie, nu het Chinese restaurant dat binnenkort wordt gesloopt.

In het brugwachtershuis was nog geen doorspoeltoilet. De behoefte werd in een tonnetje gedaan en ze gebruikten, zoals toen nog gewoon was, krantenpapier om zich na de grote boodschap schoon te vegen. Op een winterse dag kwam er een mevrouw vragen of ze bij hen naar de wc ’t huussien’ mocht. Vader was ook net thuis en hij had het tonnetje op het vuur gezet omdat de inhoud bevroren was. Hij moest het ontdooien om in de Dedemsvaart te kunnen legen. Daar kon de mevrouw niet op wachten en zei: “Nou, dan ga ik maar naar bakker Bijker en koop daar een half pond koekjes en vraag of ik daar naar de wc mag.” Ze moest nog 5 km naar huis fietsen en kon het zolang niet meer ophouden.
Vader werd sluiswachter bij Sluis 2, 3 en 4 en moeder zou brugwachter worden van de Ommerdijkerbrug, zodra de nieuwe brug klaar was. De oude brug was in de Tweede Wereldoorlog verloren gegaan. Er was voor nood een drijvende bok in het kanaal gelegd met een uitschuifbaar deel. Deze bok werd door Geert Westerik bediend als er een schip aan kwam varen. Hij woonde aan het Zandspeur. “Als kind mocht ik vaak op die bok mee als die eruit gedraaid werd en daar genoot ik erg van. Af en toe kwam er een ijsventer langs en dan kregen Albert en ik een ijsje van Geert. Een bijzondere traktatie in die tijd.”
Op zesjarige leeftijd werd Hilda zes weken naar Egmond aan Zee gestuurd om sterker te worden. De plaatselijke huisartsen, dokter Versluys en dokter Dekker, kwamen in de klas kijken wie ze voor uitzending in aanmerking vonden komen. Ondanks dat er meer kinderen uit Nieuwleusen meegingen, heeft Hilda veel heimwee gehad. De duinen en de zee konden de vertrouwde ‘Vaort’ niet vervangen.
In de slaapzaal moesten alle kinderen op de rechterzij slapen. Dat zou beter voor je hart zijn, maar het met elkaar kletsen werd op die manier ook voorkomen. Meestal viel ze zachtjes huilend in slaap. Ze herinnert zich ook, dat je zelf je bed héél netjes op moest maken, om beurten een centimeter tandpasta op alle tandenborstels moest doen en ze ruikt nog de geur van Sunlight zeep.


De kinderwagen met daarin Hilda in 1947 in De Maat.

Op achtjarige leeftijd verhuisde Hilda en de rest van het gezin naar een nieuwe woning aan de overkant van de straat, de westzijde van de Burg. Backxlaan, recht tegenover bakker Bijker, nu Timmer, aan de overkant van de Vaart. In het nieuwe huis hadden de beide kinderen een eigen slaapkamer. Ook was er (al) een douche.
Voor aan het huis zat een uitbouw, om van daaruit de Vaart af te kunnen kijken. Richting Balkbrug was er vrij zicht, maar het huis stond enigszins scheef op het kanaal en daarom stond voor het huis een spiegel waarin je vanuit de uitbouw kon zien of er vanaf de Lichtmiskant, vanaf Sluis 3 een schip aankwam (zie foto voorpagina).


Hilda met moeder, brugwachtster Margje Voorhorst-van Buren, en broer Albert

Het loon van moeder ging bijna helemaal op aan de huur van het huis. Als brugwachtster moest ze ’s zomers zes dagen per week van 6 uur tot 21 uur opletten of er een schip aankwam. ’s Winters waren de dagen en daarmee haar diensten korter.
Het huishouden moest tussendoor ook nog gedaan worden en je zult maar net bezig zijn met het bieten raspen. Ongeduldige schippers toeterden met de scheepshoorn.
Oom Jans, van moeders kant, was turfschipper en kwam geregeld langs met een vracht turf uit de veengebieden in Drenthe. Mensen uit de buurt kwamen bij hem turf halen om de kachel en het fornuis mee te stoken.


Sluiswachter Jans Voorhorst

Vader moest als sluiswachter de schutsluis bedienen en bepalen hoe de schepen geschut werden.
Hij was als sluiswachter verantwoordelijk voor Sluis 2, aan De Lichtmis, en voor Sluis 3, in Den Hulst bij de Meeleweg, en Sluis 4, in de Oosterhulst. Hij verving collega’s en maakte lange dagen. Drie dagdelen per week was hij vrij en dan draaide hij de brug voor moeder.
Bij Sluis 2 werkte hij in de zomer tot 21 uur. Hilda bracht hem dan met de bus van de E.D.S.- lijndienst een pannetje warm eten. Moeder had een theedoek om het pannetje geknoopt om het eten enigszins warm te houden.
Bij Sluis 3 viel er eens een jongetje in de sluiskolk. Zowel vader als het jongetje konden niet zwemmen. Grote schrik! Met een haak aan een lange stok heeft vader hem er aan zijn broeksband uit gehengeld. Goed afgelopen!
De ouders brachten uit grote dankbaarheid een doos met lekkere koeken. Sowieso was het altijd oppassen met kwajongens. Rond de jaarwisseling waren er eens een paar knapen met gillende keukenmeiden bij de sluis. De jongens werden opgewonden door het feit dat die gillende keukenmeiden onder water nog een poosje doorschoten. Tot er één weer boven water kwam en verder vloog, rakelings langs het hoofd van vader, sluiswachter Voorhorst. Die opgeschoten jeugd ook!
Moeder was als brugwachter van d’Ommerdiekerbrug verantwoordelijk voor het op tijd openen van de brug voor de te passeren schepen. Op een dag lag er viezigheid op de brug. Dat moest opgeruimd worden. Met een emmer wilde ze water uit het kanaal scheppen, maar viel daarbij in het water. Haar klompen en winterjas zogen zich vol water. Ze is bijna verdronken. Gelukkig kon ze zich nog ergens aan vastgrijpen en kwam drijfnat weer naar huis. Hilda was net thuis, zodat ze de wacht direct over kon nemen en moeder droog goed aan kon doen en wat kon bekomen van de schrik.
Het Union-personeel ging tussen de middag naar huis om warm te eten. Velen moesten dan naar de zuidkant van de Ommerdijkerbrug. Als dan net op dat moment ‘de brug eruit lag’, was het uur pauze zo om. Vaak wachtten de fietsers dan niet tot de brugwachtster de slagboom aan de Unionkant omhoog kwam doen en vast ging zetten, maar deden de boom zelf omhoog, om snel over de brug te kunnen fietsen. Dat was niet veilig, want de slagboom moest weer goed vastgezet worden. Het is altijd goed gegaan, gelukkig.
In de winter, als het kanaal was dichtgevroren, was er geen scheepvaart, en, nee, dan was er geen vorstverlet. Vader moest helpen zand strooien tegen de gladheid op de wegen! Een vrachtwagen om vee te vervoeren van Borger werd volgegooid met zand. De achterste klep ging open en er moesten twee mannen in gaan staan. Terwijl de vrachtwagen over de weg reed, moesten de mannen met een schop het zand over de weg strooien. Middenin de nacht soms!
Als er ijs lag, gingen de kinderen op schaatsen over ‘de Vaort’ naar school. In Hilda’s geval de openbare school C in Den Hulst, waar vader en opa ook op geweest waren. De school stond waar nu de BAM is. Ook organiseerde de school schaatswedstrijden op het bevroren kanaal. In de vrije tijd werden er langere tochten gemaakt tot aan De Lichtmis of Balkbrug. De vader van een vriendin sleep de schaatsen.
Zwemmen leerde je ook in het kanaal. Met een touw om je buik leerde je om letterlijk het hoofd boven water te houden. De schutkolk bij Sluis 3 was daarvoor een geschikte plaats. Nadeel was dat de knieën vaak langs de scherpe stenen schaafden.
Niemand stond er toen bij stil dat in datzelfde water de (poep)tonnetjes geleegd werden.
Toen Hilda een jaar of tien was, fietste ze langs de Dedemsvaart. Bij Brug 6, daar waar nu caravanbedrijf Groen is, moest ze naar de andere kant van het kanaal en moest voor de brug wachten. Er kwam een grote hond op haar af en zette beide voorpoten op haar schouders. De hond wilde spelen, maar Hilda was doodsbang. Sindsdien is de angst voor honden gebleven.
Hilda vertelt: “We mochten niet op de fiets naar school. Waarschijnlijk was het fietsenhok te klein en mochten de kinderen die dichtbij woonden daarom hun fiets niet meenemen. Toch deden wij dat soms en zetten de fietsen dan bij aannemer Goselink neer en liepen de laatste meters. Achter de school lag een voetbalveld, waar we ook gymnastiek hadden. Oom Jan Klein maaide daar het gras met tractor en maaibalk. Leuk, om vanuit de schoolbank een bekende te zien!”
Hilda mocht in de vakanties een week met schipper Van Haerst mee. Die vervoerde zand voor Union Bouwmaterialen. In het knusse roefje heeft ze het pannenkoekenbakken geleerd.
Toen zij veertien jaar was, lag haar moeder twee weken met blindedarmontsteking in het ziekenhuis. Hilda kreeg vrij van school en nam haar moeders werk over. Officieel moest je daar zestien jaar voor zijn, maar de provincie gedoogde het. Het was haar wel toevertrouwd. Toch miste ze een keer een schip omdat ze achterin het huis aan het stofzuigen was. De schipper toeterde van jewelste en Hilda rende naar de brug. Tot haar grote opluchting was het schipper Van Haerst die zo toeterde. Dat waren vrienden en zij waren op de hoogte van de situatie in het brugwachtershuis.
Met een vriendelijke armzwaai voer Van Haerst zijn schip onder de opengedraaide brug door.
“Moeder kon nooit op burenvisite, aangezien ze zes dagen per week moest werken. De buurvrouwen kwamen wel naar haar. Eén buurvrouw nam, als moeder aan de beurt was, kopjes, koekjes, lepeltjes, suiker en theepot mee, zodat moeder bij zichzelf op burenvisite was.”
Een keer per week gingen Albert en Hilda sjoelen bij de familie Boschman. Die hadden vier kinderen. Buurvrouw ‘tante Massier’, zonder kinderen, kookte dan een pan soep, sjoelde mee en voelde het als een feest! Hilda en ‘tante’ maakten voor Palmpasen haantjes op een stokje voor de kinderen Boschman. Bij de optocht vielen die vaak in de prijzen.


Het gezin Voorhorst

Bakker Bijker had een automaat met kroketten. Ook verkochten ze ijs. Op zaterdagavond flaneerde daar de jeugd. Voor een zak patat konden ze terecht bij de snackbar van ‘Jan Patat en Jet Kroket’ in de Burg. Baron van Dedemstraat. Uit die ontmoetingen zijn waarschijnlijk wel verkeringen ontstaan.

Iedereen kende het liedje d’Ommerdiekerbrug, dat werd gezongen op de wijs van Sarie Marijs:
O, breng mi’j terug
Naor d’ Ommerdiekerbrug,
Daor waor Jan Niemeijer woont.
Daor onder die veranda,
Met een lekker glaassien bier,
Hadden wij zoveule plezier!

(De laatste drie regels herhalen)


Jan Schuurman Hzn en Jet Schuurman-Barelds hadden van eind 1958 tot eind 1960 aan het begin van de Burg. Baron van Dedemstraat de eerste snackbar van Den Hulst.

Na haar trouwen met Evert Jan Kappert is Hilda aan Dedemsvaart Spoor gaan wonen en daar is dochter Wilma geboren. Weer aan de Dedemsvaart! Hilda woont nu al tweeënveertig jaar aan het Zandspeur, met uitzicht op het gebied tussen Sluis 3 en de Ommerdijkerbrug.
Vertrouwd terrein, ondanks de gedempte ‘Vaort’.
De liefde voor bruggen en sluizen is gebleven.
De autoweg heeft de functie van de Dedemsvaart overgenomen. Sneller, maar ook jachtiger ‘vaart’ de handel naar haar bestemming, in de vorige eeuw op werkdagen van vijftien uur naar de huidige 24-uurseconomie; van varen naar vliegen.

* * *

Reacties van lezers:

In Kwartaalblad nummer 2, juni 2020:
Pag. 25: Bart Reehorst moest zijn: Bas Reehorst.
Pag. 28: Op de foto staat Hendrik Jan Brinkman met Bloemers en niet Hendrik Jan Bijker.
Pag. 36: Stientje Brouwer is niet in 1982 maar in 1992 overleden. Door de omnummering van Meeleweg 27 zijn wij met de foto even de mist ingegaan. Het huis op de foto is in 1937 gebouwd en heeft huisnummer Meeleweg 27 gekregen. Op de plek van de oude woning van Hendrik Jan Brinkman, Meeleweg 27, zoals afgebeeld op pagina 36, is deze nieuwe dubbele woning gekomen met adres Meeleweg 29 – 31. Daar woont Herman Brinkman in de voorkant van het huis en zijn zoon Berry Brinkman in de achterkant.
Pag. 37 De boerderij op de foto is niet aan de Middeldijk maar de boerderij van Klaas Seinen aan het Westeinde, vlak bij het voormalige Schuttenkerkje.

* * *

Ode aan het Lichtmiskanaal

Wim Logtenberg

Het Lichtmiskanaal kun je zien als het kleine broertje van de Dedemsvaart. Het kanaal is gegraven in 1835 om de Dedemsvaart te verbinden met Zwolle en daarmee de route van de turfschippers naar die stad veel korter te maken. Omstreeks 1968 kwamen de draglines om te baggeren, daarna vulden de zandzuigers het kanaal met zand en in 1970 lag de verkeersweg A28 er.

Het Lichtmiskanaal was ongeveer vijf kilometer lang. Vanaf De Lichtmis lijnrecht tot aan de Hessenweg, daar ging het iets naar rechts naar de Vecht. Er was daar een sluis die toegang gaf tot de Vecht. De schepen staken de rivier schuin over naar de schutsluis bij de Maatgraven, die toegang gaf tot de Nieuwe Vecht. Vandaar voeren de schepen door tot de Turfmarkt, nabij de gracht rond de Zwolse binnenstad.
Het Lichtmiskanaal had vier bruggen. De eerste brug bij De Lichtmis was een draaibrug. De tweede brug, de Hooibrug bij de Meeleweg, was een ophaalbrug, evenals de derde brug bij de Steenwetering. De vierde brug was bij ’t Plankenloodsje aan het eind van de Nieuwleusenerdijk.
De brug bij de Steenwetering was een ontmoetingspunt, vooral in het weekend, voor de opgroeiende jeugd. Bij de Hooibrug en ’t Plankenloodsje stond een brugwachterswoning, maar ik kan mij niet herinneren dat de bruggen opgehaald werden, want de laatste schepen gingen omstreeks 1930 door het kanaal naar Zwolle.


Plankenloodsje met woning van brugwachter Westerkamp. De brug is gesloopt in 1941. De woning is in 1975 vervangen door een nieuwe woning, die rond 1998 plaats moest maken voor industrieterrein Hessenpoort.

Vlak na de oorlog was het kanaal nog behoorlijk schoon. Iedere herfst en winter kwamen de beroepsvissers De Leeuw met hun fuiken paling vangen. Wij keken van de wal toe en zagen dat ze behoorlijk wat vis vingen. Wij visten ook veel, met vrij primitieve hengels, met wisselend resultaat; paling, blei, voorn en snoek zat er veel. Ook speelden wij vaak aan de waterkant. Mijn broer Gerrit maakte van een klomp een zeilbootje en liet dat aan een touw in het water varen.
Aan de oever, aan de kant van de A28, groeiden elzenstruiken en daar was ook een fietspad. Toen wij schooljongens waren, gingen wij portemonnee trekken. Dat ging zo: wij legden een portemonnee met daaraan een touwtje op het fietspad en verstopten ons achter de elzenstruiken. Als er een fietser aankwam, sprong die van de fiets om de portemonnee te pakken, maar die hadden wij dan al snel weggetrokken.
Wij hadden aan de walkant een vonder of stappe, waar wij met emmers water uit het kanaal putten. Dat werd gebruikt voor allerlei doeleinden. Als het ’s winters vroor, werd er een wak in het ijs gehakt om water te kunnen blijven halen. Ik weet nog dat tijdens een lange strenge winter de familie Stolte, onze overburen aan de andere kant van het kanaal, bij ons kwamen om water voor hun koeien te halen, om ze op de stal water te kunnen geven. Dat was een heel karwei in de kou.
Als het ’s winters vroor, werd er veel geschaatst. Zodra het een beetje vroor, probeerden wij al gauw of het ‘lijden’ kon. Wij schaatsten dan naar het ‘t Plankenloodsje en naar De Lichtmis. In 1956 was het ijs nog maar net dik genoeg toen ik naar De Lichtmis schaatste. Ik was er bijna en zag een boer aan de kant staan. Ik stopte om een praatje te maken. “Mooi ies, he.” ”Wat”, zegt hij, “Wil ie verzoepen? As ie mien zeune waarn, brak ik oe de poten!” Ik heb de discussie maar niet voortgezet, leek mij beter, en ben verder geschaatst. Bij het brede stuk van de Dedemsvaart bij De Lichtmis was ook een ijsbaan met verlichting van de ijsclub. In de winter van 1963 werden er zelfs wedstrijden gehouden, langebaan- en afvalwedstrijden.


Wim Logtenberg en zijn neef Gerrit van de Kolk in het Lichtmiskanaal op het vlot dat zijn vader had gemaakt en het scheepje van zijn broer.

Mijn vader had een vlot gemaakt van vier olievaten, met ijzeren beugels over de tonnen, met daarop een houten schot. Daar speelden wij vaak mee. De jongens van Stolte waren er natuurlijk ook bij. Wij bedienden het vlot met een vaarboom om aan de overkant te komen. Zomers gebruikten wij het vlot elke dag want wij hadden weiland aan de overkant van het kanaal aan de Vriezendijk.
Met het vlot was de weg daar naartoe een stuk korter. Op een goede, of liever kwade dag ging het mis bij het overvaren. Een ton schoot los onder de beugels en mijn vader en ik gingen onderuit. Wij zwommen naar de kant, maar het melkgerei lag op de bodem van het kanaal. Vader kon goed zwemmen en zonder veel plichtplegingen trok hij zijn kleren uit en dook de emmers en de bussen weer op.
Zwemmen deden wij ook wel bij de Steenweteringbrug, met alle jongens en meisjes uit de buurt. Later werd dat moeilijker, want van lieverlee groeide het kanaal dicht, met mooie waterplanten, zoals de gele en witte plomp, biezen, kalmoes en riet. Bij tijd en wijle kwam er een bootje en werden de kalmoeswortels en biezen getrokken.
Het kanaal was overal goed voor, alle rommel die je kwijt wilde gooide je erin: prikkeldraad, glas, kachels en wat al niet meer, want er kwam toen nog geen vuilniswagen langs.
Eind jaren zestig kwamen de draglines om te baggeren en de zandzuigers om het kanaal vol te spuiten en omstreeks 1970 lag de verkeersweg A28 er. Weg was ons mooie kanaal vol waterplanten en de zwanen met jonkies die iedere zomer kwamen.


Broedende zwanen in het grotendeels dichtgegroeide Lichtmiskanaal nabij de boerderij van Logtenberg.


Lichtmiskanaal ter hoogte van Logtenberg, uitgebaggerd om vol zand te spuiten voor de aanleg van de verkeersweg, gezien in de richting Zwolle, met aan de overkant nog de oude Rijksweg en op de voorgrond de westelijke parallelweg. Op de achtergrond de boerderij van de familie Aalbers. Op de achtergrond is men al bezig met het dichtspuiten van het kanaal.

* * *

Zoekplaatje

Klaas Jan Talen en Roelof Boerman, namens de fotoclub.

Bij het plaatsen van foto’s op de Beeldbank stellen wij ons bij elke foto altijd de vraag “wie, wat, waar en wanneer”, zodat onze (klein)kinderen ook weten naar wie of naar wat ze zitten te kijken. We zijn een half jaar terug in het Kwartaalblad begonnen met de rubriek Zoekplaatje. De opzet hiervan is om ook van onze laatste foto’s zoveel mogelijk gegevens/namen bij de foto’s te krijgen. De resultaten van de eerdere publicaties zijn wisselend. De 1e keer kregen we diverse reacties en konden we een aantal namen invullen. Op de foto’s in het Kwartaalblad van juni 2020 heeft helaas niemand gereageerd. Maar we gaan gewoon door.
Als u liever niet het reactieformulier gebruikt dat bij de foto’s staat, mag u ook een mail sturen naar redactie@palthehof.nl. Dan s.v.p. wel het fotonummer vermelden waarop u reageert.

Foto 23: Foto (ec.k001) van het feest/de reis naar aanleiding van het 60 jarige bestaan van onze plaatselijke trots, de UNION, in 1964! We missen daar nog veel namen. Wie weet er een aantal? Als u naar www.beeldbanknieuwleusen.nl gaat en in de zoekregel intoetst: jubileum Union krijg je nog veel meer foto’s van dat feest en van andere Union jubilea te zien, waar we namen missen. Als je er 1 of meer weet, stuur dan s.v.p. het reactieformulier in dat bij die foto staat.

Foto 24: Foto (zz008) van een klassieke autobus in Valkenburg met een aantal personen er in. We vragen ons af of dit wellicht te maken heeft met het 50-jarige jubileum (in 1954) van de Union en of er mensen zijn die de namen van de passagiers kennen. Of is het toevallig gewoon een nog oudere foto van een autobus die door de straten van Valkenburg reed (daar lijkt het o.i. meer op) en een bezienswaardigheid was omdat het nog zo weinig voor kwam? In dat geval willen we uiteraard graag weten hoe deze foto in onze collectie (binding met Nieuwleusen?) terecht is gekomen.

Foto 25: Foto (16126) van een voor ons onbekende man met een mooie bloem in het knoopsgat van zijn colbert. Graag een naam en misschien verdere gegevens van deze persoon. Dit is Arend Pessink die op Oosterveen 61 heeft gewoond en bestuurslid is geweest van Onderling Belang.

Foto 26: Foto (14165) van een uitvoering van de streekmuziekschool in november 1998 door een groep kinderen met diverse muziekinstrumenten onder leiding van Wim van Lenthe. We missen daar de namen van de kinderen. Ook in de serie van de streekmuziekschool staan meerdere foto’s waar nogal wat namen ontbreken. Als je op de zoekregel Muziekschool intoetst kun je de foto’s vinden.


* * *

Westeinde 28; ruim 100 jaar bewonersgeschiedenis

René Fokkert

Het huis aan het Westeinde 28 heeft een geschiedenis van ruim honderd jaar. Het huis, ontworpen door architect G. Bergsma, heeft hoge plafonds, zowel beneden als boven. Opvallend aan de voorzijde van het huis zijn de erker, de stijl oplopende kap met rijk versierde dakgoten en de muurankers die rondom zichtbaar zijn. In dit artikel wordt de geschiedenis van het huis zowel als zijn bewoners onder de loep genomen. Daarbij valt op hoeveel mensen met een grote verscheidenheid aan beroepen en afkomstig uit veel verschillende delen van Nederland in dit huis hebben gewoond.

De familie Bakker
De geschiedenis van het huis begint in feite op 13 juli 1912 met de benoeming van Harm Bakker tot secretaris van de gemeente Nieuwleusen.


Berichtje uit de krant waarin de benoeming van H. Bakker wordt vermeld.

Harm Bakker was, voordat hij naar Nieuwleusen kwam, ambtenaar ter secretarie van de gemeente Aalten. Door zijn benoeming werd het voor hem noodzakelijk dat hij ook in de gemeente Nieuwleusen moest wonen. Op 27 augustus van datzelfde jaar tekent Harm Bakker bij notaris Jan Visscher in Nieuwleusen de koopakte van een stukje tuingrond/bouwterrein ter grootte van ongeveer 8 are aan de noordzijde van de straatweg in Nieuwleusen. Hij kocht de grond van Jan Westerman, zijn toekomstig buurman, voor een bedrag van ƒ 600,-. Volgens de koopakte woonde Harm Bakker toen met zijn gezin tijdelijk in Den Hulst, gemeente Staphorst.


De handtekeningen van Jan Westerman en Harm Bakker onder de koopakte uit 1912

Bakker liet een huis ontwerpen door architect G. Bergsma. Deze architect zet er goed de vaart in. Er kunnen inschrijfbiljetten ingeleverd worden voor de te bouwen woning tot uiterlijk 7 oktober 1912. Ruim veertien dagen later, op 23 oktober, staat er in de courant dat de laagste inschrijver voor de bouw van de woning is geworden G. van Hulst, aannemer uit Balkbrug, voor een bedrag van ƒ 2950,-.Vermeld wordt tevens dat aannemer Naarding, eveneens uit Balkbrug, de hoogste inschrijver was, voor een bedrag van ƒ 4300,-.

De nieuwe gemeentesecretaris heeft ontheffing bij koninklijk besluit om tot 1 januari 1913 in Den Hulst, gemeente Staphorst, te mogen wonen. Volgens het bevolkingsregister over de periode 1910-1920 van Nieuwleusen woonde het gezin Bakker in 1912 in de gemeente Nieuwleusen. De bouwtijd van het nieuw te bouwen huis zal al gauw een half jaar in beslag hebben genomen en vermoedelijk zal het huis begin zomer 1913 zijn betrokken. Het huis krijgt het huisnummer A130a.


Westeinde 28

In de periode dat Harm Bakker aan het Westeinde woonde had hij een buurman die ook Harm Bakker heette. Deze was destijds de uitbater van café ‘t Witte Peerd aan de overkant van de straat.

Wordt vervolgd.

* * *

Geldriem

In de museumcollectie bevond zich al lange tijd een riem waarvan wij niet goed wisten waarom hij zo breed was en van zulk stevig leer was gemaakt. Schoenmaker Arjan Fossen, van de schoenenzaak van Helga Schuurman gaf uitsluitsel. Het is een geldriem, alleen ontbraken enkele essentiële onderdelen. Hij heeft de riem voor ons gerestaureerd en weer compleet gemaakt. Daarvoor danken wij hem van harte, want nu kunnen wij goed laten zien wat de functie van de riem is. De dubbele lederen riem is voorzien van een ingenieuze sluiting, met een koperen pen die door een rij koperen oogjes wordt gestoken.


Leren geldriem, gerestaureerd door schoenmaker Arjan Fossen.

Is de pen eruit gehaald, dan kan de eigenaar, als was het een tas, zijn waardevolle briefgeld en papieren daarin stoppen en meenemen, zonder bang te moeten zijn voor zakkenrollers en dieven.







Jaargang 38 Nummer 4 december 2020



* * *

Foto voorpagina:

Op 15 september 2020 werd de archeokuil officieel in gebruik genomen.
Basisschoolleerlingen op zoek naar oudheden.
Foto: Dick Klinkenberg

* * *

Een voettocht in de Hongerwinter

Ina van Wijngaarden

In de barre winter van 1944-45 in één dag van de Veluwe naar Balkbrug moeten lopen en al zes dagen onderweg zijn. Hoe groot is dan de opluchting als bij Brug 6 je een gastvrij onderkomen wordt gewezen. Henry Schuurman maakte ons attent op dit verslag van een voettocht van Harmelen naar Slagharen. Daaruit hier het gedeelte van Zwolle tot Dedemsvaart, met een overnachting in Den Hulst.

Dag 6: Zaterdag 27 januari 1945. De IJsselbrug in zicht.
Even later zagen wij vlak voor ons in de grijze mist de bogen van de IJsselbrug. Toen wij de brug over waren werden we gecontroleerd door de Duitse wachten, op onze persoonsbewijzen. Wij konden verder. Wij waren blij. Gelderland lag achter ons, en Overijssel, waar overvloed van eten was, waren wij binnengetreden. De IJsselbrug, waar ons zo vaak van beweerd was dat het een onoverkomelijke hindernis zou zijn, waren we over. Nu naar Zwolle. (.....)
Wij Zwolle in, op zoek naar het soepadres. Toen we het eindelijk gevonden hadden, werd ons daar verteld dat vanmiddag pas soep werd verstrekt. Maar ‘daar en daar’ kon men de hele dag soep krijgen bij een melkfabriek. Toen we daar kwamen, werd ons duidelijk gemaakt dat we aan de achterkant moesten zijn. Wij weer een straat omgelopen, een achterstraat in, en toen onze kar op een fabrieksplein gezet, en weer geïnformeerd naar soep. Ja, er was hier wel soep verstrekt geweest, maar men was ermee opgehouden. Toen hadden we alle drie de buik dik van de soep, zonder soep geproefd te hebben. Dan zouden we Zwolle toch gaan verlaten, er werd nog naar brood gevraagd zonder bon, maar ook dit ging niet meer. In een cafeetje werd door ons nog wat koffie en limonade gebruikt. (…..)

Een warm maal
Waar het Lichtmiskanaal begint werd getracht om bij een paar boerderijen wat warm eten te krijgen. Het was tevergeefs. Wij moesten werkelijk uitkijken met onze proviandvoorraad, die al behoorlijk begon in te korten. Nadat we al een lange tijd getippeld hadden langs het Kanaal zei Van den Hoeven dat hij eens wou proberen om bij die boerderij over het Kanaal wat eten te krijgen. Het stond mij slecht aan, de reis vorderde deze dag tamelijk traag. Ik zei tegen Jan, ‘Joh, het haalt toch niks uit, honderden mensen komen hier per dag langs, ze kunnen toch er niet aan gaan staan om een ieder eten te geven. Je krijgt niets, laat ons liever voortmaken’. Jan zei ‘Ik ga het toch proberen’. Even later wenkte Jan dat we moesten komen. Los en ik ook het ijs over naar de hofstede. De boerin zette een pan met koude aardappels op het vuur en deed er een flink stuk vet in en witte boontjes, en even later hadden we ieder een heerlijk bord eten. De boerin vertelde ons dat ze ruimschoots aardappelen schilde en kookte, om dan het overschot aan de ‘konienen’ te geven, maar mensen gaan voor ‘konienen’, was het oordeel van de vrouw.

Oostenwind tegen
Later, op de weg, was Jan voldaan dat hij zich aan mijn praatjes niet had gestoord, anders hadden wij niets gehad. Heel in de verte zagen we een watertoren staan. De weg scheen oneindig, het was gaan sneeuwen, van die fijne sneeuw, echt koud. Maar gestadig aan vorderden wij toch, het was reeds vier uur geweest toen wij de watertoren hadden bereikt. Maar waarheen naar de Balkbrug? Bij een villa ging ik vragen naar de weg. Na het bellen verscheen niemand. Toen de villa rondgelopen en eens gevoeld aan een achterdeur, deze was los. Toen hoorde ik een stem en deed een volgende deur open. Hier zat een jongeman, slordig gekleed, bij een potkacheltje kousen te stoppen. Ik vroeg hem de weg naar de Balkbrug. Hij vertelde mij dat wij langs het viaduct omlaag moesten en de weg moesten blijven volgen langs de Dedemsvaart. Toen weer naar mijn vrienden die buiten in de koude stonden te wachten en de weg ingeslagen langs de vaart, de oostenwind nu vlak tegen.
Op een vraag van Los aan een tegenkomer of de Balkbrug nog ver weg was, antwoordde deze van nog meer dan twee uur. Los slaakte een diepe zucht. Hij vooral was erg moe. Ik trachtte hem moed in te spreken, houd je goed, de tanden op elkaar en zo maar weer voort gesukkeld. Enige tijd later zei Los dat hij wel wat eten wilde, hij had honger. Of hier Los de waarheid sprak heb ik zelfs in twijfel getrokken en eerder gemeend dat het argument werd aangevoerd om weer wat rust te krijgen.
Afijn, enkele sneetjes brood opgezocht en aan een man die buiten liep gevraagd of we binnen mochten komen om wat te eten. Hij liet ons in zijn schilderwerkplaats, waar Los al heel spoedig een collegiaal gesprek met hem had. Door deze schilder werden zeer veel klompen geverfd en gebiesd. Maar ook aan deze rust kwam weer een eind en immer voort.


Brug 6 over de Dedemsvaart met rechts de brugwachterswoning van Jantje Seine-Vonder en op de achtergrond maalderij De Vlijt van Gebr. Muller en met links de lange weg richting Balkbrug

Los kan niet meer
Los en Van den Hoeven wilden telkenmale gaan proberen om onderdak te vinden, maar ik was onverzettelijk. Ik wou en zou naar de Balkbrug, ik had immers adressen in mijn zak waar wij goed onderdak zouden vinden. Met bovenmenselijke krachtinspanning trok ik de kar door de sneeuw en Los hing aan mijn arm of het mijn verloofde was. Het was reeds donker geworden, we kwamen aan een ophaalbrug, er lag veel sneeuw, dat Los een noodkreet slaakte, ‘Oh Wout, ik kan niet meer’. Aan een dikke vrouw die de brug overkwam werd gevraagd hoe ver het nog was naar de Balkbrug. Het was nog ruim een uur gaans. Los en ook Van den Hoeven zagen onmogelijk kans om dit te volbrengen. Ook ik begon te begrijpen dat het niet gaan zou.
Los klaagde zijn nood tegen deze dikke vrouw en vroeg aan haar of we dan hier niet een onderdak konden krijgen, ‘ik kan niet meer’.
Er kwam nog een heer met een flink postuur bijgelopen. Ook aan hem werd onze noodtoestand medegedeeld. De vrouw wees naar een klein boerderijtje en zei dat we daar misschien wel konden blijven. Was dat het geval, zei de mijnheer, dan kun je in mijn graanmaalderij de kar wel neerzetten.
Inmiddels was de vrouw naar het boerderijtje gegaan om melk te halen. Los volgde haar en ging vragen of we vannacht daar blijven mochten. Het werd goed gevonden. De kar werd in de maalderij van mijnheer Muller binnen gezet en onze dekens en andere benodigdheden opgezocht en wij naar het boerderijtje recht tegenover de brug.


Jantje Seine-Vonder (1908-1969), in gebloemde jurk, met haar dochter Hermina (Minie) Seine, die trouwde met Gerrit Huzen

Overijsselse gastvrijheid
Wij werden binnengelaten in de woonkamer, waar het heerlijk warm was. Het gezin bestond uit vier personen, een moeder, een dochter, schoonzoon en een kleindochtertje, een lief meisje van ongeveer anderhalf jaar oud dat de lieveling was van het gehele gezin. Margje, zo heette de kleine meid, was al heel spoedig met mij vertrouwd en kwam al heel spoedig bij mij om haar nieuwe klompjes te laten zien.
Er werd hier ons dadelijk brood klaargemaakt en voorgezet. Het was roggebrood, dat zich zeer goed liet smaken. En zo waren wij na een goede maaltijd, huiselijke warmte en tussen deze Overijsselse gastvrije mensen, weer spoedig op dreef en het gesprek wilde dan ook direct erg vlotten.
Maar wat wij toen hoorden heeft mij toch altijd verbaasd. Het heeft bewezen dat wie Los eenmaal gezien heeft, hem niet makkelijk vergeten zal. Of dit nu pleit in zijn voor- of nadeel, laat ik aan ieder zijn beoordeling over die dit leest. Zoals even tevoren verteld was de dikke vrouw, die wij op de brug hadden ontmoet, ons voorgegaan naar dit boerderijtje en had tegen deze mensen gezegd: ‘Er staan drie mensen op de brug die niet meer verder kunnen en d’r is er een bij die bij Jentje op de begrafenis is geweest’. Dit was voor ons van zo’n groot belang, dat, ondanks dat er deze avond door deze mensen vele doortrekkers waren afgewezen, wij werden binnengelaten.
Nu bleek dat de dikke vrouw die wij hadden ontmoet gehuwd was met Seine. En deze Seine had voor enkele jaren tevoren een broer in Harmelen wonen. Een man die een echte stumperd was, die gehuwd was met een vrouw met één oog. Deze vrouw was ziek geworden en toen het gezin in een geheel verwaarloosde toestand verkeerde, greep de Diaconie in. Slechts kort daarna stierf de vrouw en op deze begrafenis was broeder Los, in zijn functie als diaken, aanwezig geweest.

Overblijven op zondag
En zo kwam het dat Los hier midden in het hartje van Overijssel werd herkend als de man die bij Jentje op de begrafenis was geweest. En de mensen waar wij nu logeerden bleken hier eveneens familie van te zijn. De moeder, die er nog fris en jong uitzag, was weduwe. Haar overleden man was ook een Seine en een broer van Hendrik Seine die in Harmelen had gewoond en die na het overlijden van zijn vrouw weer naar Overijssel was teruggekeerd. En waar ons nu van verteld werd dat we hem morgen wel zouden ontmoeten.
Wij hebben tevens deze mensen verteld dat wij zo mogelijk op zondag liever niet reisden en gevraagd of wij de zondag mochten overblijven, wat ons welwillend werd toegestaan. Zo zijn wij deze zaterdagavond ter ruste gegaan, met dank aan Hem die onze wegen zo wonderlijk en zo goed geleid had.


Echtpaar Anton Hendriks (1913-1977) en Aaltje Hendriks-Schuurman (1917-1997)

Dag 6: Zondag 28 januari 1945. Rustdag
De volgende morgen ontwaakten wij in de hooihoop, waar we heel goed in geslapen hadden, toen Anton Hendriks, de schoonzoon van de weduwe, de koeien ging melken. Ik heb toen ook een emmer en een melkblok genomen en een paar koeien gemolken, iets dat door mij in lange tijd niet meer was gedaan.
Nadat de koeien waren verzorgd gingen wij eten. Wij vroegen tevens waar wij vandaag naar de kerk konden. Er werd ons verteld dat wij in Nieuwleusen naar de kerk konden. Maar ook vanmiddag naar de noodkerk aan de Rollecate bij brug 2, waar wij gisteren waren voorbij gekomen. De moeder des huizes gaf er de voorkeur aan dat wij ’s middags zouden gaan, dan kon er vanmiddag bijtijds gegeten worden. Zo zijn wij deze zondagmorgen gezellig bij elkander gebleven.

Terechtwijzing
Deze morgen kwam Hendrik Seine nog even langs, maar hij herkende ons geen van drieën. Toen wij hem vertelden wie wij waren, toen was het of iets heel vaag uit het verleden tot hem doordrong. Ook kwam de dikke vrouw van de vorige avond nog even aanlopen en kwam de begrafenis van Jentje ter sprake. Los kreeg nog een hele terechtwijzing over wat de taak van een diaken was en dat er niet genoeg naar Jentje was omgezien. Los verontschuldigde onze Diaconie door te zeggen dat een Diaconie niet voor iets kan zorgen wanneer daarvan geen kennis is gegeven.

Naar de noodkerk
Het was inmiddels tijd geworden voor de middagmaaltijd. Los en Van der Hoeven zouden ervaren dat waar zij gisteren zo erg naar hadden verlangd en niet hadden kunnen krijgen, hen nu ongedacht werd voorgezet: erwtensoep. Na deze heerlijke maaltijd zijn we met zijn drieën naar de noodkerk aan de Rollecate gegaan. De weduwe Seine ging niet met ons mee, daar zij verkouden was en zich niet wel voelde. Voorganger was deze namiddag de heer Brouwer, godsdienstonderwijzer te Dalfsen. Tot overdenking van Gods woord in deze middag had hij gekozen Mattheus 6: 31-33. ‘Daarom zijt niet bezorgd, zeggende: Wat zullen wij eten? Of wat kunnen wij drinken? Of: waarmede zullen wij ons kleden? Want alle deze dingen zoeken de heidenen; want uw hemelse Vader weet, dat gij deze dingen behoeft. Maar zoekt eerst het Koninkrijk Gods en Zijne gerechtigheid, en al deze dingen zullen u toegeworpen worden’. Deze predicatie was, in alle eenvoud, een troostwoord in deze grote nood. Spreker zei verleden week zondag twee vrouwen gesproken te hebben, die eten bij elkaar gezameld hadden. Zij behoorden tot de Gereformeerde Kerk. Zij vertelden ook op zondag door te reizen. Daar was zo’n groot verlangen naar huis, hoe ze het daar maakten en dat in hun gezin verlangd werd naar hun thuiskomst, ook mede door het geluk dat er heerste en spreker kon dit zich goed indenken.
Er werd gemeenschappelijk gezongen: ‘Wie maar de goede God laat zorgen En op Hem hoopt in ’t bangst gevaar Is bij Hem veilig en geborgen Die redt Hij Goddelijk wonderbaar. Wie op den hooge God vertrouwt. Heeft zeker op geen zand gebouwd’.
Na het dankgebed en het uitspreken van de zegen verlieten wij het kleine kerkgebouwtje, dat maar matig was bezocht. Wij liepen met een vriendelijk oud vrouwtje mee, die mij de onverdiende lof toezwaaide dat ik zo goed zingen kon. We werden uitgenodigd met haar mee te gaan om een kopje thee te gebruiken, wat door ons gedaan werd. Deze vrouw getuigde in eenvoud van een kinderlijk vertrouwen in de Hemelse Vader, iets wat haar echtgenoot vreemd was, die hier niet veel belangstelling voor had. Beiden waren zij zeer hartelijke mensen en toen wij weer verder gingen, beloofden wij hen indien wij terug langs kwamen, dat we nog even zouden aankomen.

Bommenwerpers
Vlak tegen de koude oostenwind in gingen wij weer naar de gastvrije woning van onze gastvrouw. Een geluid of het kortbij hevig onweerde, hoorden wij onderweg en een lange witte streep in de lucht vertoonde ons dat niet ver hier vandaan een startbaan was waar raketten worden afgeschoten door de Duitsers. Wij hoorden van Hendriks dat deze werden afgeschoten te Dalfsen. Ook waren er deze voormiddag een groot aantal bommenwerpers overgekomen die een bezoek aan Duitsland gingen brengen. Berichten die wij hoorden, meldden een sterke vooruitgang van de Russen in Duitsland.

Ma meidje
De zondagavond hebben wij zeer prettig bij deze familie doorgebracht. Hier werd gesproken met een zuiver Overijssels dialect. Hendriks noemde zijn Margje Ma meidje. Ook hier hadden wij de ronde eetlepel aangetroffen.

Dag 7: Maandag 29 januari 1945. Den Hulst - Slagharen
Na hier nog een nacht zeer goed geslapen te hebben en ’s morgens gegeten te hebben, namen wij ook afscheid van deze familie. De weduwe Seine bleef deze morgen te bed liggen vanwege een zware verkoudheid. Wij hebben haar bedankt voor zoveel gastvrijheid. Van een vergoeding voor ons verblijf wilde zij niets weten. Toen zijn we de spaarpot van de kleine Margje niet vergeten.


De boerderij van de weduwe Seine en de familie Hendriks. De boerderij Oosterhulst 28 staat er nu nog

Achter de melkkar
Toen we deze maandagmorgen 29 januari (1945) brug 6 aan de Dedemsvaart overgingen, waren we in heel wat betere conditie dan toen we zaterdagavond aankwamen. Na 5 kilometer gelopen te hebben kwamen we in de Balkbrug en werd door ons geïnformeerd naar het adres dat ons opgegeven was door Donkelaar en De Lange, maar het was niet te vinden. Ook werd door ons gevraagd of wij hier aardappelen konden krijgen. Wij werden verwezen naar een pro-Duits man, een zekere Schuiling, die kon er ons niet aan helpen, evenmin als zijn zwager Roseboom die wat verderop woonde, waar wij ook informeerden. Dus onze reis maar steeds voortgezet, nu naar Dedemsvaart. Het reed moeilijk, er lag hier veel sneeuw en toen een melkkar ons achterop reed werd er door mij gebruik van gemaakt om het touw van onze kar vast te knopen achter de melkkar aan.
Na een tijd gelopen te hebben zeiden Los en Jan tegen mij: ‘Vraag eens aan die melkrijder of die geen adres weet waar wij aardappelen kunnen krijgen’. Dit werd door mij gedaan en hij beloofde mij straks een paar boerderijen aan te wijzen waar wij wel aardappelen zou kunnen krijgen. Op een punt tussen Balkbrug en Dedemsvaart, waar de weg een haakse bocht maakt, wees de melkrijder een ophaalbrug aan waar we over moesten en dan direct aan onze rechterhand over het water moesten wij het bij de eerste boer maar eens proberen, en ging dat niet, dan maar bij nummer twee of drie.
(.....)

Naschrift:
Op 30 januari eindigt het reisverslag in Kerkenveld. Hoe de terugreis is verlopen, weten we dus niet. Maar een ding is zeker: op dinsdag 6 februari komt Wout van Wijngaarden weer aan in Harmelen. De opluchting en blijdschap in het gezin zijn enorm.
Het hele reisverslag dat mijn grootvader maakte is te lezen op:
https://sites.google.com/site/ voettochthongerwinter/70-jaar-later/hetreisverslag/.
Reacties zijn welkom via e-mail:
inavanwijngaarden@xs4all.nl

Een korte toelichting op de in het verhaal genoemde personen (met dank aan Klaas Jan Talen).
De dikke vrouw tegen wie Los zijn nood klaagde Dat was brugwachter Jantje Seine-Vonder (1908- 1969), getrouwd met Harm Jan Seine (1897- 1954). Het gezin woonde in het brugwachtershuis bij brug 6 aan de zuidzijde van de Dedemsvaart.
De meneer die zei, dan kun je in mijn graanmaalderij de kar wel neerzetten is een van de twee gebroeders Muller van molen de Vlijt, direct ten oosten van de brugwachterswoning.
Het kleine boerderijtje aan de overkant van Brug 6, waar de mannen gastvrij werden ontvangen, staat er nu nog. Na demping van de Dedemsvaart werd het adres Oosterhulst 28.
Het gezin bestond uit vier personen, een moeder, een dochter, een schoonzoon en een kleindochtertje. De moeder is Femmigje Arends, weduwe van Arend Schuurman (1892-1922), moeder van Aaltje Schuurman (1917-1997), trouwde in 1931 met Harm Seine (1884-1944). Zij was kort voor de gebeurtenissen opnieuw weduwe geworden. Dochter Aaltje Schuurman was getrouwd met Anton Hendriks (1913-1977). Ze woonden in bij moeder Femmigje Seine-Arends, of andersom, woonde moeder in bij hen. Aaltje en Anton kregen drie kinderen, waarvan de oudste Marrie in de hongerwinter ongeveer anderhalf jaar oud was.
d’r is er een bij die bij Jentje op de begrafenis is geweest / Deze morgen kwam Hendrik Seine nog even langs. Harm Seine, Hendrik Seine en Harm Jan Seine zijn drie van de zeven kinderen uit het huwelijk van Jan Seine (ca.1855-1925) en Hendrikje Kragt (ca.1863-1908). Hendrik Seine (ca.1896-1946) trouwde in 1930 in Dalfsen met Jantje Hoeve (ca.1903-1941). Jantje Hoeve overleed in Harmelen op 38-jarige leeftijd.
Hendrik Seine, die na het overlijden van zijn vrouw weer naar Overijssel was teruggekeerd, overleed op 29-10-1946 te Staphorst.

* * *

Limericks

Piet Kalteren

Er was eens een fietser uit Drachten,
die kampte met achterwerkklachten.
’t Westeinde was lang,
dus vroeg hij heel bang:
“Kan ik hier misschien overnachten?”

Een schuchtere heer in Nieuwleusen
sprak spijtig: “Hier is niet veel keuze.
En hoe dat nou kan
daar snap ik niks van,
want fietsen is hier toch de leuze?”

Een Sallander in hart en nier’n
riep: “Man, zit toch niet zo te klier’n.
Bij mie achter ’t huus
daor vuul ie oe thuus;
gezellig zo tuss’n de dier’n.”

* * *

De monsternemer

Aartje Schoemaker

Klaas Dunnink vertelt over dit betaalde werk, dat hij halverwege de vijftiger jaren van de vorige eeuw deed. Het beroep van melkmonsternemer bestaat nog, al wordt het werk al jaren niet meer op die manier gedaan. Klaas is op 22 januari 1940 op een boerderij geboren, waarvan nu het adres Westeinde 112 is. Als leerling van de Rijks Middelbare Landbouwschool werkte hij als monsternemer. Moet je je nu voorstellen: voor je fietsend naar de school in Zwolle gaat, die om half negen begint, ‘s morgens in weer en wind om vijf uur in het ‘melkland’ of in een koude stal staan. Toen gewoon, nu een kanjer.

Klaas heeft gegevens over het doel, de werkzaamheden, de inhoud van de melkkist en dergeijke al handgeschreven op papier gezet.
De werkzaamheden worden voor de Coöperatieve Zuivelfabriek ‘Onderling Belang’ uitgevoerd; afdeling veeverbetering. De boer betaalt ervoor. Het is in de tijd dat de koeien nog een voor een met de hand gemolken worden. Om voor de baan in aanmerking te komen, meldt Klaas zich ten kantore van de zuivelfabriek. Daar wordt een lijst van gegadigden aangelegd en krijg je bericht als er plaats voor je is. Het is best een gewilde betrekking, omdat je als jongeman daarmee zelf geld hebt. Een monsternemer wordt per keer betaald. Het werk wordt meestal uitgevoerd door jongens (meisjes komen er later bij), die thuis op de boerderij werken en wat willen bijverdienen of door scholieren, zoals Klaas.
De opleiding bestaat uit één keer voordoen door een collega-monsternemer. Speciale kleding is niet nodig. Evenmin extra hygiëne. De zuivelfabriek geeft de monsternemer een werkschema voor bijvoorbeeld twee weken. Het is praktisch als je route dicht bij huis is, maar tegelijk met Klaas zijn er nog vier monsternemers uit het Westeinde en moet hij o.a. naar De Stouwe fietsen. Het schema begint op maandagavond en loopt door tot zaterdagmorgen. Dat komt neer op het bezoeken van vijf boeren per week. Bij elke boer wordt ‘s avonds én de daaropvolgende ochtend van elke koe een melkmonster genomen. Bij heel kleine bedrijven worden er soms twee gemonsterd, die voor één tellen. Een boer wordt meestal één keer per twee weken bezocht; een enkele keer zitten er drie weken tussen. Tussen 05.00 uur en 07.00 uur is Klaas op pad. Meestal wordt de wekker gezet. Het doel van het monsternemen is om de hoeveelheid melk per koe te bepalen en het meten van het vetpercentage. Dat laatste gebeurt vanuit het monsterflesje in de fabriek. Deze gegevens geven de boer inzicht in de fokwaarde van zijn koeien.


Glazen tussendeur in Museum Palthehof met gegrafeerde voorstelling van handmatig melkende boeren

Van de beste koeien houdt de boer de kalveren.
De betaling door de fabriek over de melklevering staat los van het ‘monstern’. De boer wordt betaald naar de hoeveelheid aangeleverde melk en het gemiddelde vetgehalte van die melk.
Via de melkrijder ontvangt de boer een gesloten monsterkist en weet hij dat de monsternemer ‘s avonds komt. De inhoud van het kistje bestaat uit: flesjes om de melk in te scheppen en te vervoeren, een scheplepel om melk uit de emmer te scheppen en in de flesjes te gieten en een boekje om de gegevens in vast te leggen. De flesjes worden afgesloten met een donkerrood rubberen stopje. De hoeveelheid melk en de naam van de gemolken koe worden met balpen genoteerd. Met potlood zou gefraudeerd kunnen worden. Ook het vlak tevoren ontvangen van de kist is om beïnvloeding door de boer te voorkomen.

Hoe er gefraudeerd zou kunnen worden:
1. De boer gaat eerder melken dan op de afgesproken tijd en heeft de emmer al klaar staan. Hij zou er melk van een andere koe bijgedaan kunnen hebben. Dan lijkt het of die koe meer melk geeft.
2. Bij schemer -als de koeien in de winter op stal staan- moet de monsternemer letten op het goed aflezen van het gewicht en op ‘behulpzame’ boeren die zeggen de emmer in evenwicht te willen houden en dan het hengsel wat omlaagdrukken.
3. De boer helpt de unster vast te houden en oefent met zijn vinger druk uit.
4. De boer zou wat vettere melk -van een koe, die pas gekalfd heeft- in de emmer kunnen doen.

De uitrusting van de monsternemer bestaat uit: een sleutel om de kist te openen, een unster en een uitvouwbare metalen driepoot. Bovenin de driepoot wordt de unster gehangen. De emmer wordt aan het hengsel aan de unsterhaak gehangen. Het gewicht wordt geneutraliseerd door de unster eerst op 0 te zetten. Na het wegen van de lege emmer wordt het gewicht van de emmer later van het gewicht van de volle emmer afgetrokken.
Het werk van de monsternemer bestaat uit: wegen, een monster van de melk in een flesje doen, gewicht van de hoeveelheid melk noteren, de naam van de koe (de koeien zijn in die tijd geen nummer) op het etiket of plat vlak van het flesje schrijven, opletten dat er niet gerommeld wordt. Per koe wordt een monster genomen. Bij een ‘kleine’ boer moet Klaas steeds wachten tot een koe gemolken is. Een enkele boer heeft een melkmachine. Dat kost de monsternemer minder tijd.
Na het scheppen wordt de scheplepel afgespoeld onder de kraan of met water dat de boer bij zich heeft. Omdat het vet bovenin drijft wordt de melk in de emmer voor het scheppen doorgeroerd met de scheplepel.
Met de boer wordt het tijdstip van de komst van de monsternemer overlegd. De een wil graag vroeg en de ander laat. Klaas heeft een boer, die moeilijk uit bed kan komen. Heel vaak moet hij op ‘t slaapkamerraam ‘rammen’ om hem wakker te maken. Soms krijgt Klaas na het melken een boterham met gebakken ei of spek. Hij is dan vaak ook al een hele poos in de kou onderweg.
Klaas heeft het werk altijd met veel plezier gedaan.


Veel gebruikt materiaal van de monsternemer, aanwezig in de museumcollectie: Driepoot, unster, melkemmer, canvas tas waarin unster en notitieboekje werden opgeborgen, melkbus en teems


Begin 1900 werd met de komst van melkfabrieken ook de melkcontrole in het leven geroepen. Met het scheplepeltje werd voldoende melk in het monsterflesje gegoten.

Enkele impressies van andere monsternemers
Wie het ook ‘mooi wark’ vond is mevrouw Annie Klein – Tempelman. Zij is vijf jaar jonger dan Klaas. Zou ze de eerste vrouwelijke monsternemer in Nieuwleusen zijn? We willen dat graag weten. Ze nam het werk van haar buurjongen over. Blij om wat anders te kunnen doen en om wat te


Op deze afbeelding zien we zes monsternemers poseren voor de bus bij een personeelsreisje. Ze staan in Elten, dat nu in Duitsland ligt. Getuige bijgaande foto tellen de monsternemers gewoon als personeel mee. Boven vlnr: Albert van Spijker (Vinkenbuurt), Gerrit Luten, Dieks Tuten, Jan Schuurman. Onder links: Klaas Dunnink en rechts Klaas Upper

verdienen om te sparen. Zij ging op de brommer naar de boeren, met de driepoot om haar nek. In de winter van 1963 moest ze naar een boer op De Meele en heeft een heel stuk moeten lopen omdat de sneeuwval zo hevig was. En dat voor twee koeien! Bij de ene boer kreeg ze koffie en een flinke snee brood met kaas en de ander liet bewust ’s nachts de kraan boven een emmer druppelen om water op te vangen, dat dan niet via de meter liep en op die manier gratis was. Ook zij had een boer die moeilijk wakker werd en dan stond ze naast de boerderij geduldig te wachten. Op een dag hoort ze daar de achterdeur opengaan en vrijwel direct plast de boer om de hoek, bijna in haar klompen. Ook goedemorgen! Annie vertelt dat de rvs-monsterlepel voor alle emmers gebruikt werd en daarna werd afgespoeld met water. Soms in de sloot als er geen water bij de hand was. Voor het monster geschept werd goot ze de melk drie keer over van de ene emmer in de andere, om melk en vet goed te mengen. Het waren soms grote, zware emmers.

Dieks Tuten vertelt dat er iets in het monsterflesje zat om de melk langer houdbaar te houden. De koelbox bestond nog niet. Annie herinnert zich roze en blauwe pilletjes. Welke kleur voor de melk en welke voor het eiwit (kwam er later bij) onderin het flesje zat, herinnert ze zich niet meer precies.

Hendrik Jan de Weerd had enkel ‘makkelijke boern’. Hij zat op kantoor bij de zuivelfabriek en voor kantoortijd ging hij monsternemen. Hij vertelt over thee en een boterham, die hij bij de boer kreeg en dan zo van het monsternemen door kon naar kantoor. Hij herinnert zich het tasje met de driepoot en de unster nog goed.


Gerrit Klein controleert een melkmonster uit een monsterflesje in het laboratorium van de Coöperatieve Zuivelfabriek Onderling Belang

* * *

Westeinde 28: ruim 100 jaar bewonersgeschiedenis

René Fokkert

Het huis aan het Westeinde 28 is in 1912 ontworpen door architect G. Bergsma. Het huis heeft hoge plafonds, zowel beneden als boven. In dit artikel wordt de geschiedenis van het huis en zijn bewoners onder de loep genomen. Het verhaal is ook een afspiegeling van de vele mensen, met een grote verscheidenheid aan beroepen, die uit veel verschillende delen van Nederland gedurende langere of korte tijd in Nieuwleusen woonden.

In het vorige Kwartaalblad begonnen wij al met deze bewonersgeschiedenis, maar daar ging even iets mis en daarom beginnen wij hier weer opnieuw.


Berichtje uit de krant van 14 juni 1912 waarin de benoeming van H. Bakker werd vermeld

Voordat Harm Bakker naar Nieuwleusen kwam was hij ambtenaar ter secretarie van de gemeente Aalten. Door zijn benoeming is hij verplicht ook in de gemeente Nieuwleusen te gaan wonen. Op 27 augustus van datzelfde jaar is Harm Bakker bij notaris Jan Visscher om de koopakte te tekenen van een stukje tuingrond / bouwterrein ter grootte van ongeveer 8 are (800 vierkante meter) aan de noordzijde van de straatweg in Nieuwleusen. Hij koopt de grond voor een bedrag van ƒ 600,- van Jan Westerman, zijn toekomstige buurman.


De handtekeningen onder de koopakte van Jan Westerman en Harm Bakker uit 1912

Volgens de koopakte woonde Harm Bakker met zijn gezin op dat moment tijdelijk in Den Hulst,


Advertentie voor inschrijving te bouwen woning

in de gemeente Staphorst. Bakker liet een huis ontwerpen door architect G. Bergsma. Deze architect zet er goed de vaart in. Tot uiterlijk 7 oktober 1912 kunnen inschrijfbiljetten ingeleverd worden voor de te bouwen woning. Ruim veertien dagen later, op 23 oktober, staat er in de courant dat G. van Hulst, aannemer uit Balkbrug, voor een bedrag van ƒ  2.950,- de laagste inschrijver voor de bouw van de woning is geworden. Tevens wordt vermeld dat aannemer Naarding, eveneens uit Balkbrug, met een bedrag van ƒ 4.300,- de hoogste inschrijver was.
Bij koninklijk besluit heeft de nieuwe gemeentesecretaris ontheffing om tot 1 januari 1913 in Den Hulst, gemeente Staphorst te wonen. Er van uitgaande dat de bouwtijd van het nieuw te bouwen huis al gauw een half jaar in beslag heeft genomen, zal het huis vermoedelijk begin zomer 1913 betrokken zijn. Het huis krijgt het huisnummer A130a.

Harm Bakker, geboren in Giethoorn, zoon van Roelof Bakker en Geesje Smit, is op 18 November 1910 in Giethoorn getrouwd met Catharina Wilhelmina Mulder, geboren in Doesburg, dochter van Petrus Johannes Mulder en Catharina Wilhelmina Bier. Als het gezin naar Nieuwleusen komt is er al een dochtertje, Gesina Petronella, dat in Aalten is geboren op 10 januari


Het huis op het adres A-44, nu Westeinde 28. Opvallend aan het huis met erker zijn de statige, hoge voorgevel met de steil oplopende kap met rijk versierde dakgoten en muurankers die rondom zichtbaar zijn. Voor de woning het karakteristieke bruggetje over de sloot

1912. Als Harm Bakker al gemeentesecretaris in Nieuwleusen is, wordt op 26 oktober 1912 het tweede kind geboren, Willem Rudolph Herman.
Dit jongetje is dus gevoelsmatig wel ‘hier’, maar in de gemeente Staphorst geboren. Het derde kind, Rudolph Johan, ook een jongetje, is in het nieuwe huis geboren op 26 oktober 1913. Het jonge gezin woonde nauwelijks drie jaar in het huis toen Harm Bakker op 13 november 1915 kwam te overlijden, nog maar 32 jaar oud. De weduwe vertrekt op 1 juli 1916 en gaat met haar drie kleine kinderen terug naar Aalten. In de kerkenhoek hebben twee personen gewoond met de naam Harm Bakker. De tweede was destijds de uitbater van café ‘t Witte Peerd en werd op dat adres in juli 1917 ingeschreven, anderhalf jaar na het overlijden van zijn naamgenoot.

De familie Backx
Op 21 januari 1916, ruim twee maanden na het overlijden van Harm Bakker, wordt er een nieuwe gemeentesecretaris benoemd: Johannes Philippus Backx, chef ambtenaar ter secretarie in de gemeente Borculo. Ruim een maand later


Op een van de dakspanten in de nok van het huis heeft H. Bakker met potlood zijn naam geschreven, met dezelfde zwier als zijn handtekening onder de koopakte van het huis


Detail van het metselwerk op de hoek van de achter- en zijgevel

neemt hij zijn gezin mee naar Nieuwleusen, waar ze bij de weduwe Bakker en haar drie kinderen intrekken en het huis van haar huren.
Johannes Philippus Backx is geboren in de Wieringerwaard op 11 april 1886, zijn vrouw Johanna Henriette van Dort is geboren in Haarlem op 18 oktober 1888. Hun twee dochters zijn geboren in Rotterdam, Maria Gerdina op 28 januari 1912 en Johanna Maria Gerarda, op 28 november 1913.

De nieuwbakken gemeentesecretaris maakt snel carrière, op 22 mei 1916 wordt hij benoemd tot burgemeester van de gemeente Nieuwleusen.
Zijn voorganger, burgemeester Jan Bosch Bruist, was ongeveer veertig jaar lang burgemeester in Nieuwleusen. Mevrouw Bosch Bruist en hun dochter worden op 4 mei 1916 uitgeschreven in Nieuwleusen en vertrekken naar Epe. Pas in de winter van 1917-1918 verhuist het gezin Backx naar de dan leegstaande burgemeesterswoning.
Daar is in 1920 nog een dochter geboren, Aletta Petronella Hendrika. Johannes Philippus Backx is ook lang burgemeester van Nieuwleusen geweest, van 1916 tot 1950, met een onderbreking in de Tweede Wereldoorlog. In 1943 werd Backx vervangen door de N.S.B.-burgemeester Van Arkel en na de bevrijding van Nieuwleusen kwam hij terug op 24 april 1945.


Het gezin van burgemeester Backx woonde ruim een jaar in het huis

Invoegen foto pag 67 Onder


De derde dochter van burgemeester Backx werd geboren in de ambtswoning

De familie Diepenhorst
Als opvolger van de nieuwe burgemeester wordt in februari 1916 Johannes Gerardus Diepenhorst benoemd als gemeentesecretaris. Diepenhorst, geboren op 20 juni 1881 in Stad aan het Haringvliet, was voordien zestien jaar werkzaam als gemeentesecretaris in Putten. Voordat het gezin Diepenhorst naar Nieuwleusen komt, wonen ze nog enige tijd in de gemeente Dalfsen, waar op 24 september 1917 het vijfde kind, dochtertje Geertruida Hendrika, wordt geboren.
Eind maart 1918 wonen ze volgens het bevolkingsregister van Nieuwleusen al op het adres Westeinde 28. Op 9 mei 1918 koopt Johannes Gerardus Diepenhorst het huis van de weduwe Bakker in een onderhandse akte voor ƒ 4.000,-. Een dergelijk bedrag had Diepenhorst niet. Hij leende ƒ 2.300,- van Arend Hekman Klaaszoon tegen een rente van 4%, met als onderpand het net gekochte huis met schuur en tuin, groot 8 are en 20 ca, gelegen aan de dorpsweg te Nieuwleusen.
In het voorjaar van 1919 wordt Diepenhorst benoemd als burgemeester van de gemeente Poortvliet en daardoor wordt het huis op 5 april 1919 alweer verkocht. De aanvaarding is op 1 mei 1919.

De familie Stolte-Roebersen
Niesje Roebersen, in Nieuwleusen geboren op 16 februari 1867, is een dochter van Albert Willem Roebertsen (met een T in de achternaam) en Grietjen Buit. Zij is op 28 april 1898 getrouwd met Jan Stolte, geboren in Nieuwleusen, zoon van Klaas Stolte en Geertje Brinkman. Volgens de huwelijksakte was Jan in 1898 landbouwer.
In andere aktes wordt vermeld dat hij in 1901 winkelier is en in 1903 bakker. Dominee A.J. Stolte uit Nijverdal schreef in 1977 een boekje over zijn familie Stolte. Daarin schrijft hij dat zijn oom Jan en tante Nies een bakkerij met kruidenierszaak hadden in Den Hulst (nu Oosterhulst), en dat daar drie gezinnen naast elkaar woonden die familie van elkaar waren. (Over die families, twee Stolte’s en een Hekman, publiceerden wij in de voorgaande Kwartaalbladen.) Over zijn oom Jan schrijft hij dat deze vele beroepen heeft uitgeoefend. Zo was hij verpleger bij een gesticht in Ermelo, had een kruidenierszaak in Dedemsvaart en was landbouwer bij brug 5, de Withaarsbrug. Deze familie Stolte was erg betrokken bij de zogenaamde Doleantie van 1886, de afscheidingsbeweging van de gereformeerden uit de Nederlandse Hervormde Kerk.
Citaat: “Jammer dat deze begaafde oom niet heeft gestudeerd, hij was een slechte boer en ook zijn bakkerij was niet geweldig. Maar in de kerk was hij ouderling. Ik weet niet anders dan dat iedereen respect had voor deze vrome en begaafde man.”
Als Niesje Roebersen in april 1919 het huis Westeinde 28 koopt is ze net een half jaar weduwe van Jan Stolte. Die was op 9 september 1918 overleden aan de gevolgen van tbc, en haar oudste dochter, Geertjen, geboren 15 mei 1899, was eerder in datzelfde jaar, op 9 mei 1918, eveneens overleden aan tbc. De andere kinderen zijn: Grietje, geboren op 5 maart 1901 in Avereest, Klaasje Wilhelmientje, geboren op 3 september 1903 in Avereest en Albert Willem, geboren op 21 september 1905 in Nieuwleusen.


Het gezin Stolte op een foto uit circa 1917, van links naar rechts: Klaasje, Jan Stolte, Geertje, Grietje, Niesje Stolte-Roebersen en Albert Willem

Niesje is, weduwe geworden, eigenaar van een dubbel bewoond huis en van een huis met bakkerij/kruidenierswinkel in Den Hulst. Ze besluit al snel om al haar bezittingen te verkopen. Op 14 april 1919 koopt de Verenging voor christelijk onderwijs te Den Hulst het dubbele woonhuis met erf, met de bedoeling om er een school te laten bouwen. Het huis met de bakkerij/kruidenierszaak verkoopt ze met complete inboedel en gereedschappen en met ruim drie hectare grond aan Jan Harwig, bakker in Enschede, voor een prijs van ƒ 9.500,-. Op 17 april 1919 wordt Niesje Roebersen met haar drie kinderen ingeschreven op Westeinde 28. Achter haar naam staat eerst geen beroep, maar dat is gewijzigd in pensionhoudster.
Haar keuze voor het voeren van een pension blijkt een schot in de roos. Al vanaf het eerste begin loopt dat goed. Vooral onderwijzend personeel maakt gebruik van de mogelijkheid om in haar huis te wonen. Lebbert Oosterhof uit Steenwijk, onderwijzer aan CLS School A, is de eerste die hier gebruik van maakt. Tot 1924 volgen er nog acht. Hendrik Schoemaker uit Schoonebeek is in 1924 de eerste met een ander beroep (werkman).


Van links naar rechts: de vriendinnen Klaasje Stolte, Roelanda van Diemen en Grietje Stolte, voor de gelegenheid in klederdracht. Op de achtergrond is links nog net het opstapje bij de voordeur van Westeinde 28 te zien

In maart 1921 vertrekt dochter Grietje Stolte naar Avereest. Zij komt in maart 1923 weer bij haar moeder wonen. In augustus 1923 overlijdt zoon Albert Willem op zeventien jarige leeftijd aan tbc. Hij is daarmee de derde in dit gezin die aan de gevolgen van tuberculose komt te overlijden.
“Tante Nies is dan zo bang voor de gevreesde ziekte dat zij met haar twee dochters vertrekt naar Nijverdal”, schrijft dominee Stolte in zijn boekje.

De familie Aikema en andere huurders
In 1925 verhuurt Niesje Roebersen het huis aan Johannes Aikema. Een paar dagen nadat hij met zijn gezin op het adres Westeinde 28 komt wonen vertrekt Niesje Roebersen met haar twee dochters naar de gemeente Hellendoorn.
Johannes Aikema, geboren in het Friese Leens, is bouwkundig opzichter en zijn vrouw, Elsiena Harmanna Plas, geboren in Delfzijl, is vroedvrouw. Ze komen uit Assen, maar hun kinderen, Albert, Grietje Idske en Gerhardus Laurentius Aikema zijn alle drie tussen 1917 en 1920 geboren in Odoorn. Op 24 maart 1927 verhuist het gezin naar een ander adres in Nieuwleusen. Nadat de familie Aikema is vertrokken woonden in het huis Elsiena Frederika Jonkman, onderwijzeres, geboren in Groningen, Anna Maria van der Made, geboren in Amsterdam, dienstbode, en Hermina Westerman, geboren in Nieuwleusen, ook dienstbode. Op 30 mei 1927 komt er weer een gezin in het huis wonen. Arie Schmidt, belastingambtenaar, is geboren in Dordrecht, evenals de kinderen Arie Theodorus (1898) en Johanna Jacoba (1899). Zijn vrouw Eva Versteeg komt uit Rotterdam. Op 18 mei 1929 wordt het gezin alweer uitgeschreven naar Schiedam. In dezelfde periode woonde hier ook nog een onderwijzeres, Pieternella Adriana Israel, geboren in Lienden. Zij vertrekt na enige tijd naar Koudekerk.

De familie Stolte in Nijverdal
In september 1925 heeft Niesje bij de Coöperatieve Boerenleenbank van Nieuwleusen een hypotheek op haar huis in Nieuwleusen opgenomen van ƒ  2.000,- tegen 4.75%. Het geld heeft ze vermoedelijk besteed in haar huis en winkel aan de Wilhelminastraat 35 in Nijverdal. De winkel, waarin kruidenierswaren, rookartikelen en dergelijke werden verkocht, werd op zaterdag 14 maart 1925 geopend.


De winkel van Niesje Stolte-Roebersen met daarvoor leden van de er naast wonende familie Krommendijk-Ros (Fotoarchief Historische Kring Hellendoorn-Nijverdal)

Dochter Grietje Stolte trouwde in 1929 met Adriaan Nicolaas de Jonge uit Nijverdal. Adriaan was timmerman en later aannemer van beroep. Grietje was ten tijde van haar huwelijk modiste en in de kruidenierszaak van haar moeder kwam een apart gedeelte waar hoeden werden verkocht. Klaasje Wilhelmientje, roepnaam Klazien, werd lerares en trouwde met Cornelis Dekker. Op 6 juni 1929 wordt de eigenaresse van het huis, Niesje Stolte-Roebersen, weer in Nieuwleusen ingeschreven en woont in haar eigen huis. In augustus van dat jaar krijgt ze gezelschap van haar huishoudster uit Hellendoorn, Fenna van Bennekom, geboren in Driebergen. Samen vertrekken op 26 februari 1930 weer naar de gemeente Hellendoorn, waar Niesje Stolte-Roebersen op 4 mei 1944 in Nijverdal is overleden. Zij is begraven op de Algemene begraafplaats in Nieuwleusen.
De twee dochters Grietje de Jonge-Stolte en Klazien Dekker-Stolte erven het huis in Nieuwleusen en blijven het verhuren. Omstreeks 1950 heeft Klazien het huis helemaal in eigendom. Zij laat achter de woning een betonnen garage bouwen ter vervanging van een schuurtje.
Ongeveer een jaar later verkoopt zij het huis aan Evert Bouwman.
Adriaan en Grietje de Jonge-Stolte emigreren omstreeks 1952 naar Canada.

De familie Van Aarst
Jan van Aarst kwam in mei 1927, toen hij onderwijzer werd aan de openbare lagere school A aan het Oosteinde, vanuit Kampen naar Nieuwleusen en woonde als kostganger bij Albert Kragt en Jansje Eshuis. Hij is geboren in Kampen op 21 oktober 1905 als zoon van Hendrik van Aarst (sigarenmaker) en Wilhelmina Frederika Hendriks en trouwde op 6 maart 1930 met Adelheid de Leeuw, geboren in Wichlinghofen in Duitsland op 11 mei 1908, dochter van Albert de Leeuw (veehouder) en Berber de Jong.


Huwelijksaankondiging

Het getrouwde stel gaat wonen op Westeinde 28. De eerste twee jaar wonen zij er samen met de onderwijzeres Adriana Lourits, geboren in Amsterdam. Die is in april 1930 vanuit Ommen naar Nieuwleusen gekomen en is in juni 1932 weer uitgeschreven naar Ommen.
De familie Van Aarst blijft dan negen jaar lang de enige huurder van dit pand, waar op 29 januari 1932 hun zoontje Hendrik Jan en in 1941 hun dochter Wilhelmina Frederika worden geboren.


Adelheid van Aarst-de Leeuw met zoontje Hendrik Jan omstreeks 1935 op het Westeinde, voor het pad naar het huis van Albert Stolte, het huidige Schuurmanslaantje, met links de pastorie van de gereformeerde kerk


Hendrik Jan van Aarst met bolderkar

In 1941 wordt Jan van Aarst aangesteld als hoofd van de OLS school B in Ruitenveen. In september verhuizen ze naar de onderwijzerswoning in Ruitenveen. Daar worden Bertha Dirkje Johanna (1943), Irene Maja (1944) en Albert Jacob (1948) geboren. In het begin van de oorlog begon Jan van Aarst met het houden van bijen, in eerste instantie om honing te kunnen ruilen tegen andere levensmiddelen of goederen. Onder zijn bijenkasten achter het schoolgebouw had hij een schuilplaats gebouwd. Na een oproep voor tewerkstelling in Hasselt, wist zijn goed Duits sprekende vrouw de Duitsers ervan te overtuigen dat haar man inmiddels in de Noordoost polder tewerkgesteld was. Mede daardoor wist hij aan de tewerkstelling te ontkomen en kon zijn werk als plaatselijk commandant van de verzetsgroep in Nieuwleusen voortzetten tot de bevrijding. (Zie daarvoor ook het boekje De jaren 1940-1945 in Nieuwleusen)


Een legitimatiepasje voor verzetsmensen uitgegeven op 25 april 1945

Direct na de bevrijding was er een machtsvacuüm in Nieuwleusen. De N.S.B.-burgemeester was niet meer in functie en burgemeester Backx was nog niet teruggekeerd. Van Aarst en Oldenbeuving, de collega-onderwijzer die ook heel actief in het verzet was, stelden voor om samen het bestuur van de gemeente op zich te nemen. Dit stuitte op verzet van de toenmalige ambtenaren, waarop men besloot te wachten tot burgemeester Backx weer terug zou keren in zijn functie.
Van Aarst vertelde later dat hij teleurgesteld was omdat het gevoel van saamhorigheid, dat er in



Legitimatiekaarten die de overgang na de bevrijding van Strijdend gewest naar Binnenlandse strijdkrachten aangegeven

en net na de oorlog was, al snel verdween en de samenleving op politiek en kerkelijk gebied in Nederland na de oorlog zo verdeeld was.
Hij besloot van het houden van bijen en de verspreiding van kennis van de bijenhouderij zijn beroep te maken. In 1948 volgde Van Aarst een opleiding voor leraar bijenteelt in Groningen. Op 1 mei 1949 kwam hij in dienst van de Rijksbijenteeltconsulent in Wageningen en verhuisde het gezin naar Wageningen.


Jan van Aarst na vertrek uit Nieuwleusen


Jan van Aarst geeft voorlichting aan bijenhouders

Jan van Aarst is op 8 januari 1979 overleden. In een memoriam, geplaatst in het blad De bijenteelt blijkt dat hij heel veel heeft gedaan voor de bijenhouderij in voorlichting en onderwijs en veel aanzien genoot in imkers kringen. Zijn vrouw overleefde hem nog vele jaren, zij overleed in 2000 op 92-jarige leeftijd.

Wordt vervolgd

Foto uit Oxford Museum in Nieuw-Zeeland


Carl Fleischmann, Adelheid de Leeuw, Jan van Aarst en Annie de Leeuw

In het Kwartaalblad van september 2018 stond een foto die was opgestuurd vanuit Nieuw-Zeeland.
Daardoor is nu bekend dat Hendrik Jan van Aarst, de oudste zoon van het echtpaar Van Aarst, is geëmigreerd naar Nieuw-Zeeland en daar in 2008 is overleden. Na zijn overlijden is de foto bij het museum in het plaatsje Oxford in de streek Nord- Canterbury terecht gekomen en na mailcontact aan onze collectie geschonken. Het antwoord op onze vraag “Weet u wie de gefotografeerde personen zijn?” is gepubliceerd in het Kwartaalblad van december 2018. Daarop kwam weer een reactie van een dochter, die de familierelaties goed heeft weergegeven.
Op de achterkant van de foto staat een gedrukte datum: 24 oktober 1927. De foto is dus genomen voor het huwelijk in 1930 van Jan van Aarst en Adelheid de Leeuw. Die staan links op de foto, met rechts Carl (Theodor Anton) Fleischmann, waarschijnlijk geboren in 1901 in Duitsland en van beroep tuinbouwinspecteur, en Annie (Johanna) de Leeuw, geboren op 6 september 1906 in Duitsland, een zus van Adelheid de Leeuw. Zij woonden in Wiesmoor in het noorden van Duitsland.

* * *

Zoekplaatje

Onze rubriek Zoekplaatje is succesvol. We zijn op http://www.beeldbanknieuwleusen.nl begonnen met 175 foto’s waarvan we niks wisten. Inmiddels zijn 22 vragen helemaal opgelost, een aantal deels en aan enkele foto’s wordt nog gewerkt.

Foto 25 uit het vorige Kwartaalblad is opgelost. Daarop staat Arend Pessink, die op Oosterveen 61 heeft gewoond en bestuurslid is geweest van Onderling Belang.
Iedereen bedankt voor de reacties.

Foto 30 (nr 16196)
Deze keer beginnen we met een foto van Hendrikje Massier-Lotterman, getrouwd met Marten Massier, postkantoorhouder aan het Westeinde. Hendrikje is hier op weg naar het Oranjefeest aan de Dommelerdijk. De jongens, op de rug gezien, komen vanaf het feest en lopen richting Café De Viersprong. Lammie van Berkum- Huisman denkt dat deze foto van haar oma ergens tussen 1950 en 1960 is gemaakt. Wie kan ons helpen aan het juiste jaartal?

Foto 31 (nr. vx118) en Foto 32 (nr. vx119)
Twee trouwfoto’s gemaakt in de studio van Foto Thissen. De bruidegoms zouden best broers kunnen zijn. Ze hebben veel overeenkomsten. De bruiden daarentegen lijken niet erg op elkaar, maar de jurk en het tasje tonen wel heel veel overeenkomsten. Zijn het wellicht twee broers die met twee zussen zijn getrouwd? Wij willen graag weten wie het zijn, wanneer ze getrouwd zijn, waar ze getrouwd zijn, waar ze voor of na het huwelijk hebben gewoond en waar “Foto Thissen” was gevestigd.
Op foto 32 staan: Hendrik Nijland en Jantje Hekman, een dochter van Roelof Hekman en Janna Kragt die woonden Oosteinde 54 te Nieuwleusen. Het echtpaar Nijland-Hekman heeft daar ook gewoond en is later naar Lutten verhuisd.

Foto 33 (nr. vx115)
Een schoolfoto met drie meisjes en een jongen, waarvan vermoedelijk twee zusjes een tweeling zijn. Wie weet wie het zijn en op welke school de foto is gemaakt?
Op foto 33 staan 4 kinderen: Willie, Dea, Dik en Marrie Aalbers. Die woonden aan de Hessenweg te Dalfsen (Ankum) in de boerderij thans manege “De Vierels”, schuin tegenover bouwbedrijf Van Pijkeren. De foto is gemaakt op de Christelijke school te Ankum. Deze foto hebben we overgedragen aan de historische kring Dalfsen.

Wij laten ons graag verrassen.
Kijk gerust nog een keer naar de Zoekplaatjes in de vorige Kwartaalbladen of kijk gewoon op de Beeldbanknieuwleusen.nl, waar de rubriek/subrubriek begint met ruim 150 zoekplaatjes.
Het maakt ons niet uit of u reageert via het reactieformulier dat bij de foto’s staat of via een mail naar: redactie @ palthehof.nl. Als u reageert via de mail dan s.v.p. wel het fotonummer vermelden, anders is het voor ons zoeken naar een speld in de hooiberg.

Roelof Boerman en Klaas Jan Talen, namens de fotoclub


* * *

Inhoudsopgave jaargang 38, 2020

Nummer 1, maart
De bevrijding van Nieuwleusen
De oorlogsbruid: M. Prins-Praas
Hoe een mooie voorjaarsdag in een hel veranderde: Gerrit Tempelman en Aartje Schoemaker
Een dag om nooit te vergeten: 10 april 1945: Jan Schuurman
Verjaardagsvisite met een staartje: Jan Huzen
Brieven van Levie Louis Vomberg
Eén overval, tien executies: René Fokkert
100 jaar Oosterveen Oliehandel: Lydie Bruggeman
Zoekplaatje: Roelof Boerman en Klaas Jan Talen

Nummer 2, juni
Uitbreiding oorlogsmonument: Gees Bartels
Mit: Chris Canter
In gesprek met Klaas Groteboer: Jenny Kasper en Henny ter Wee
Groepsfoto: Klas 1 Chr. Mavo De Rank 1981
Even kennismaken; ik ben de Verhalenwagon: Aartje Schoemaker
Veldslag tussen de tramrails
Hendrik Jan Brinkman, veeverloskundige: Aartje Schoemaker
Bakhuus en stookhok: Aartje Schoemaker
In memoriam: auteur Johan van Dorsten: Gees Bartels
Zoekplaatje: Roelof Boerman en Klaas Jan Talen.
Zo kört maar: Klazien Bijker-van Hulst

Nummer 3, september
Grootmoeder Stientje Hekman-Stolte: Willem Hekman
’n Zunnige, zomerse zaoterdagmörn met Derk en Diena: Aartje Schoemaker
Berend Jan van den Berg, stiefzoon en molenaar: René Fokkert
Groepsfoto: Versierde wagen, 5 mei 1970, gymnastiekvereniging
Opgroeien rond d’Ommerdiekerbrug; Hilda Kappert-Voorhorst vertelt: Aartje Schoemaker
Ode aan het Lichtmiskanaal: Wim Logtenberg
Zoekplaatje: Roelof Boerman en Klaas Jan Talen

Nummer 4, december
Een voettocht in de Hongerwinter: Ina van Wijngaarden
Limericks Piet Kalteren
De monsternemer: Aartje Schoemaker
Westeinde 28; ruim 100 jaar bewonersgeschiedenis: René Fokkert
Zoekplaatje: Roelof Boerman en Klaas Jan Talen


1
3
5

7
8
10
13
17
20


23
31
31
33
34
35
36
37
39
40
40a


41
46
47
48
49

53
55


57
61
62
65
72








Jaargang 39 Nummer 1 maart 2021



Tekst maart 2021

* * *

Foto voorpagina:

Deze in 2020 genomen foto van café-restaurant De Viersprong is in 2021 al een beeld uit ons verleden.
Foto: Frank Brinkman

* * *

Van de bestuurstafel

Corona
In verband met de coronacrisis is veel maatschappelijk verkeer geblokkeerd. Dat heeft tot gevolg dat de activiteiten in en rond het museum praktisch stil liggen. De datum van de opening van het museumseizoen en van de Verhalenwagon wordt in overleg met de gemeente Dalfsen bepaald.
Voor alle zekerheid wordt de ledenvergadering evenals vorig jaar pas in oktober gehouden. Wij verwachten dat de leden dan in de gelegenheid zullen zijn om zo’n bijeenkomst te bezoeken. De agenda en vergaderstukken daarvoor worden in het Kwartaalblad van september gepubliceerd.

Uitbreiding museum
Achter de schermen wordt echter hard gewerkt. Zo heeft op 7 januari 2021 de gemeente Dalfsen de bouwvergunning voor de uitbreiding van museum Palthehof afgegeven! In de ledenvergadering van 28 september 2020 heeft de architect het uitbreidingsplan toegelicht aan de hand van een serie overzichtstekeningen. Gekozen is voor de vorm van een hooiberg/kapschuur.
Het bestuur heeft een bouwgroep ingesteld die de voorbereidingen voor de uitbreiding en de herinrichting van de benedenverdieping van het bestaande gebouw op zich neemt. Het doel is de uitbreiding en de herinrichting in fasen te realiseren, zodat de huidige tentoonstelling het komende seizoen kan blijven staan.


De ledenvergadering heeft op 28 september 2021 ingestemd met het financieringsplan voor de uitbreiding. Het bestuur wil voorkomen dat we een beroep moeten doen op een lening bij de bank of andere externe financiering. Daarom is een financiële actie in voorbereiding om meer middelen voor de uitbreiding vrij te kunnen maken. De financiële actie zal in het volgende Kwartaalblad worden gepresenteerd. De Historische Vereniging is een ANBI-instelling en giften zijn dus in principe aftrekbaar voor de belastingen. Uw gift is nu al zeer welkom op NL41 RABO 0345 5744 27 o.v.v. ‘Uitbreiding museum’.

Nieuwleusen in beeld
Albert Heijn De Groot heeft in nauwe samenwerking met de Historische Verenging Ni’jluusn van vrogger het boek Nieuwleusen in beeld tot stand gebracht. In ruim 220 foto’s is de geschiedenis van Nieuwleusen in al zijn facetten uitgebeeld. Het resultaat mag er zijn! Velen hebben de plaatjes bij de boodschappen gespaard en hun boek volgeplakt. Na afloop heeft de Historische Vereniging nog, coronaproof, twee ruilmiddagen georganiseerd, die druk bezocht zijn.

Vrijwilligers gevraagd
Voor de continuïteit van de vereniging blijft het nodig om steeds weer nieuwe vrijwilligers te vinden om het museum ook in 2021 te kunnen openstellen en om werkgroepen te bemensen.
In deze coronatijd neemt de belangstelling voor onze beeldbanken sterk toe. Ook onze website krijgt veel digitaal bezoek. Daarom zijn vrijwilligers met kennis van online-toepassingen van harte welkom! Ook onderzoek naar stamboom en familiegeschiedenis krijgt veel aandacht. Onze werkgroep Genealogie beschikt over veel gegevens, maar kan voor beheer en gebruik ook op dit moment wel versterking gebruiken.

Project Boerderijnamen
De Historische vereniging Ni’jluusn van vrogger en de Historische Kring Dalfsen willen de bewoners van de buitengebieden de kans geven om een historische naam op of bij hun boerderij aan te brengen. Vanuit het Cultuurbeleid gemeente Dalfsen (DNA van Dalfsen) wordt dit project geïnitieerd met als doel de waardevolle cultuur-historische eigenheid uit te dragen.
Vanaf de middeleeuwen hadden vele boerderijen (erven) een naam. Dit was van groot belang want het was vaak de enige manier om een adres te hebben. Vanaf 1832 is het kadaster van kracht en zijn de boerderijen en kavels geregistreerd. Op deze kaart staan bijvoorbeeld namen van boerderijen, erven en kavels en deze namen zullen in eerste instantie als uitgangspunt dienen.
Voor Nieuwleusen is verder het boek Heeren van de Ligtmis, over het ontstaan van het dorp, een belangrijke informatiebron. Via een artikel in de Dalfser Marskramer is er aandacht voor dit project gevraagd. Hier hebben diverse bezitters van boerderijen op gereageerd. Verder is door leden van de Werkgroep genealogie van de Historische Vereniging Ni’jluusn van vrogger informatie over de oudste boerderijen in Nieuwleusen aangeleverd. Naar aanleiding van deze informatie zijn diverse bezitters van oude boerderijen of erven uitgedaagd zich aan te melden.
Voor de kern Nieuwleusen en omgeving zijn er circa vijftien naamborden beschikbaar. De werkgroep gaat met belangstellenden in gesprek over de details van de naamgeving. Het bord wordt bekostigd vanuit het cultuurbeleid (DNA van Dalfsen) en wordt na plaatsing eigendom van de eigenaar van de boerderij of het oude erf.
De borden kunnen aan een hek, op de voorgevel of met twee paaltjes bij de toegang van het erf geplaatst worden.
Contactpersoon voor Nieuwleusen Project boerderijnamen is Hendrik Jan Huzen.



* * *

Westeinde 28: ruim 100 jaar bewonersgeschiedenis, deel 2

René Fokkert

In het vorige nummer zijn de bewoners van het huis beschreven tot en met de familie Van Aarst, die in 1949 vertrok naar Wageningen. Tot aan 2015 krijgt het huis nog vijf keer nieuwe bewoners.

Anna Cornelia Swaerts
In september 1941 komt Anna Cornelia Swaerts hier wonen. Zij komt vanuit Den Helder, waar ze op 17 maart 1887 is geboren en is getrouwd met Klaas Klein. Sinds 1938 is zij weduwe. Mevrouw Swaerts woont hier met een andere vrouw, mogelijk een bij haar inwonende huishoudster. Haar komst naar Nieuwleusen is te verklaren door het feit dat haar dochter was getrouwd met G. Moen, predikant van de Nederlands Hervormde kerk in Nieuwleusen van 31 juli 1938 tot 8 augustus 1943. Zij woonden in de pastorie van de kerk, die stond aan het Westeinde tussen de kerk en café ‘t Witte Peerd, op ongeveer 100 meter afstand van Westeinde 28. Nadat dominee Moen een beroep door de hervormde gemeente in Eibergen heeft aanvaard, wordt het gezin en moeder Swaerts op 22 november 1943 uitgeschreven in Nieuwleusen. Moeder Swaerts overleed op 14 februari 1971 op bijna 84 jarige leeftijd in volle vrede van haar geloof bij haar dochter en schoonzoon in de hervormde pastorie in het Utrechtse Tienhoven. (Rouwadvertentie uit Trouw 18-2-1971).

De familie Bredewold
Slechts twee dagen na het vertrek van de vorige huurder wordt op 24 november 1943 het gezin van Hermannus Bredewold ingeschreven op het adres Westeinde 28. Hermannus was politieagent en aangesteld als postcommandant van de politie in Nieuwleusen. Omdat er nog geen woonruimte gevonden was, woonden ze eerst op een kamer bij Hendrik Schoemaker van café de Viersprong.


Mevrouw Bredewold met kinderen en bezoek tegen de achtergrond van de gereformeerde kerk en pastorie

Het gezin Bredewold kwam uit Hattem en bestond toen uit Hermannus, zijn vrouw Johanna Catherina van de Worp en drie zonen, Henk (1933), Asje (1936), Alex (1941). En in 1950 werd Hans geboren.

Politieagent Bredewold was betrokken bij het verzet in Nieuwleusen. In de oorlog moest iedereen op last van de Duitse bezetter zijn radio inleveren bij de autoriteiten. Bredewold was hiervan vrijgesteld en verschillende mensen, onder wie de dokter, Hendrik Schoemaker van het café en Barteld de Liefde, kwamen bij hem naar de uitzendingen van Radio Oranje luisteren. Uiteindelijk moest ook Bredewold zijn radio inleveren.
Tijdens de oorlog moest Bredewold als politie te paard ook diensten draaien in Nunspeet. Vlak voor de bevrijding in april 1945 is het gezin vanwege de beschietingen aan het Westeinde en de angst voor eventuele terugkerende Duitsers gevlucht naar Den Hulst.


Onder begeleiding van politieagent Bredewold (rechts) brengen Jan Katoele en Jan Snorrewind in 1944 aan het eind van de werkdag de distributiebonnen van het distributiekantoor in het Palthehuis naar de kluis in het gemeentehuis.

Daar verbleef men twee dagen bij een collega. Vanaf de silo bij de Coöperatieve Landbouwvereniging (tegenwoordig BAM locatie) konden ze de tanks zien rijden op het Westeinde.
Na bijna negen jaar vertrok de familie Bredewold eind juli 1952 naar Zwolle, vanwege de overplaatsing van Hermannus naar het parket van de rechtbank.

Arend Jan Mulder
Op 30 juli 1952 is Arend Jan Mulder de volgende huurder die, vanuit Hulshorst op de Veluwe, met zijn gezin in dit huis gaat wonen. Mulder is ook politieagent, in de rang van opperwachtmeester. Arend Jan is in 1905 in Den Haag geboren. Hij kwam al snel in Hattem wonen, waar hij in september 1931 trouwde met Tonia van der Beek (1909). Zij kregen drie kinderen, Ben (1932), Arrie (1936) en Diny (1939).
De familie Mulder heeft een jaar op Westeinde 28 gewoond en is op 23 juli 1953 verhuisd naar een ander adres in Nieuwleusen. Zoon Ben Mulder was later leraar bij o.a. de huishoudschool. In 1956 vierde Mulder zijn 25-jarig ambtsjubileum bij de politie. Hij bleef in Nieuwleusen wonen en werken tot hij in 1961 werd benoemd tot groepscommandant in de gemeente Staphorst. Na zijn pensionering kwamen Arend Jan en Tonia weer in Nieuwleusen wonen. In 1973 is Arend Jan overleden, Tonia in 1983, beide zijn begraven op de algemene begraafplaats in Nieuwleusen.


Tonia Mulder-van der Beek kijkt toe hoe burgemeester Mulder de bloemen schikt bij het afscheid als politieman van Arend Jan Mulder in 1961 in het gemeentehuis van Nieuwleusen

De familie Bouwman
In 1952 kocht Evert Bouwman het huis Westeinde 28 van Klazien Dekker-Stolte, die het na het overlijden van haar moeder Niesje Stolte-Roebersen in 1944 samen met haar zus had geërfd en al die jaren verhuurde. Pas een jaar na de koop gaat Evert er wonen. Evert is de oudste zoon van Arend Bouwman en Evertje Bijker, die woonden aan het Westerveen (nu) 47. Evert trouwde op 6 september 1934 in Nieuwleusen met Aaltje Bovenhoff en woonde in het begin van hun huwelijk in bij zijn ouders aan het Westerveen. Daar werd ook hun dochter Evertje geboren. Na een paar jaar konden ze een boerderijtje huren aan het Westeinde 17 van de landbouwer B.J. Meulenbelt uit Ruitenveen. Op dit adres werden de dochters Annie en Dinie geboren. Evert Bouwman had al jong in de gaten dat hij een talent had voor de veehandel. Bij de familie Bouwman was de veehandel altijd al belangrijk, ook vader Arend was naast landbouwer een bekend veehandelaar in Nieuwleusen.


Handjeklap op de veemarkt. Evert Bouwman is de man met de wollen sjaal

Vader Arend had eerst nog hoop dat zijn zoon Evert de boerderij zou overnemen, maar diens hart lag helemaal bij de veehandel en die zou hij door de jaren heen ook steeds verder uitbreiden.
Handelde hij in de beginjaren alleen op de veemarkt in Zwolle, later kwamen daar de markten in Den Bosch en Leeuwarden bij. Evert werkte daarbij veelal samen met zijn zwager Hendrik Bovenhoff. Op een terugreis uit Den Bosch is Evert bij een ernstig auto ongeluk betrokken geraakt. Waarschijnlijk was hij achter het stuur in slaap gevallen en toen onder een vrachtauto geschoten. Alhoewel het dak helemaal van zijn auto was afgescheurd, kwam hij er, op wat schrammen na, ongeschonden van af.
Achter zijn woning aan het Westeinde had Evert Bouwman de betonnen garage als veestal in gebruik. Daar stalde hij het vee voordat hij naar de markt ging.
Het erf van Westeinde 28 lag een halve meter hoger dan de er achter liggende stukjes grasland. Het is meerdere keren voorgevallen dat Evert zijn auto achter het huis parkeerde en vergat de handrem aan te trekken. De volgende morgen moest zijn auto dan met hulp van de buren uit het lager gelegen grasland worden gesleept.


Het huis omstreeks 1990

De familie Bouwman heeft de woning van binnen meerdere keren verbouwd. Na aankoop kreeg het huis nieuwe dakpannen. De roede-indeling van de bovenraampjes werd vervangen door glas-in-lood- ramen. In de woning werden veel hardboard en schrootjes aangebracht ter isolatie en afwerking. De hoge zolders werden voorzien van verlaagde plafonds en de paneeldeuren werden afgetimmerd. De en-suite deuren tussen de voor- en achterkamer werden verwijderd. Tevens werd de kleinste slaapkamer omgebouwd tot badkamer.
De familie Bouwman woonde ruim veertig jaar in het huis en is daarmee de familie die het langst in dit pand heeft gewoond. Aaltje Bouwman- Bovenhoff is overleden op 8 augustus 1976 en Evert Bouwman op 13 juni 1993.
In 1979 liet Evertje Bouwman, de oudste dochter, een huis bouwen naast dat van haar ouders, nu Westeinde 30.

De familie Westerbeek
Op 10 januari 1994 kopen J.H. Westerbeek en zijn vrouw A. Westerbeek-Huisman het huis van de erven Bouwman. De perceelgrootte is 7 are en 50 ca. De klimop die de woning overgroeide werd al snel verwijderd door de nieuwe bewoners. Ook werd het huis geïsoleerd naar de eisen van de tijd en aan de binnenkant werd veel hardboard verwijderd, zodat de originele houten betimmering weer zichtbaar werd. Westerbeek was rijksambtenaar bij het ministerie van justitie, werkzaam bij Veldzicht in Balkbrug. Net als de familie Backx kwamen ze vanuit Borculo naar Nieuwleusen. In 2015 verhuisde de familie Westerbeek naar Oldemarkt. Zij woonden hier ruim 21 jaar.

Gerald E. Kragt
Sinds 15 juni 2015 is Gerald Kragt eigenaar van het pand. Hij zocht een oudere woning en viel bij dit pand voor de vele originele details die er nog aanwezig waren. Hij heeft de aanbouw aan de achterzijde van de woning vervangen door een nieuwe aanbouw, die het huis verbindt met de garage, en zowel de aanbouw als de betonnen garage voorzien van zwarte planken, wat een mooi contrast vormt met de oude woning. Na een renovatie is Kragt eind december 2015 in het huis gaan wonen. In 2018 zijn er nieuwe vensters aangebracht, gereconstrueerd naar oude foto’s. Het huis Westeinde 28 heeft in de ruim honderd jaar van zijn bestaan zijn oorspronkelijke karakter gehouden. Het is aan de buitenzijde nauwelijks veranderd en ook aan de binnenzijde is de originele bouwwijze nog grotendeels intact. Het is in Nieuwleusen met recht een bijzonder pand met een bijzondere geschiedenis te noemen.

* * *

Terug naar de schooltijd

Alies Kuipers

Ik ben geboren op een boerderij in wording aan de (nu) Peezeweg 1, een weg tussen de Oosterkampen en de Schoolweg, ten oosten van de Dommelerdijk, in het buitengebied van Oudleusen. Dat ik naar Nieuwleusen naar school ging ligt dus niet zo voor de hand, maar er waren wel meer kinderen uit deze omgeving die dagelijks de fietstocht maakten. Mijn halve klas bijna. Ik was wel degene die het verst weg woonde.

Mijn ouders zijn in 1949 met mijn twee oudere broers vanuit Barneveld in Oudleusen komen wonen en precies vijf maanden later ben ik daar geboren. In het Oudleusenerveld waren het toen nog zandwegen en er was geen elektriciteit, waterleiding, gas etc. Elektriciteit en verharde wegen kwamen pas in 1957, maar tot de ruilverkaveling kwam was het er wel een prachtige ruige natuur, met weilanden die werden afgewisseld met korenakkers.
Mijn broers hebben eerst in Oudleusen op de christelijke lagere school gezeten, maar dat liep niet zo goed. Mijn vader kwam wel eens bij veehandelaar Hekman, die vlak bij de openbare lagere school A aan het Oosteinde in Nieuwleusen woonde. Met in zijn achterhoofd dat zijn jongens hier misschien beter op hun plek zouden zijn, vroeg hij wat voor school dat was. Het antwoord van Hekman was: “Het is een goede school, er mag niet gevloekt worden en de hoofdonderwijzer is streng, maar de kinderen krijgen goed onderwijs”.


Onderwijzend personeel van OLS School A in 1953. Vlnr: meester Timmerman, meester Katerberg en juffrouw Katerberg, op de dag van de klassenfoto

Na verloop van tijd viel er op school weer eens iets onverkwikkelijks voor, zodanig dat de maat vol was voor mijn ouders. Mijn vader fietste ‘s avonds naar Nieuwleusen en belde bij meester Katerberg aan. Nog diezelfde avond is hij regelrecht naar het hoofd van de school in Oudleusen gefietst om te vertellen dat de jongens van zijn school af waren. De volgende ochtend gingen mijn twee broers meteen al naar de school aan het Oosteinde. Het was in 1952.

Van mijn oudste broer, Steven, die slechthorend was, weet ik dat hij helemaal weg was van meester Timmerman in Nieuwleusen. Hij zat in de derde klas toen hij daar op school kwam. Die meester heeft hem fantastisch opgevangen en bijgespijkerd. Hij kreeg een plek op de voorste bank. De eerste weken werd de plaats naast hem vrij gelaten en daar nam meester Timmerman plaats om Steven op het peil van z’n nieuwe klasgenoten te brengen. Dat verliep perfect. Na een aantal weken mocht hij een vriend naast zich kiezen. Dat zal Jan Willem Brinkman geweest zijn, want toen ik op school kwam zat Steven in de zesde klas en toen was hij nog bevriend met Jan Willem.
Broer Arend zat in de eerste klas toen hij in Nieuwleusen op school kwam. Hij zat in de vierde klas toen ik op school kwam. Zijn beste vriend was Evert Jan Huzen, tweelingbroer van Hendrik Jan Huzen, die wat groter was.
Nog voor ik zelf naar school ging was ik er al een keer geweest. Dat was in 1953, op de dag dat de schoolfotograaf kwam. Jongere zusjes en broertjes mochten toen mee naar school voor de foto. Foto’s waren nog duur en het was dan een mooie gelegenheid om meer kinderen op eenzelfde foto vast te leggen. Steven vond het niet wat, zo’n klein zusje mee te nemen, maar Arend nam me mee achter op de fiets. Ik ben hem daar nu nog dankbaar voor, want voor mij is dat een belangrijke foto geworden. Van mijn broers waren wel baby- en kinderfoto’s gemaakt in Barneveld en omgeving. Nu werd eindelijk de eerste foto van mij gemaakt. Ik mocht toen die hele middag op school blijven en in de klas tussen Arend en Evert Jan zitten en ik had veel schik met de meiden die achter hen zaten.


Schoolfoto met Alies, genietend en zich bewust van het belangrijke moment, tussen haar broers Steven en Arend

In de zomer gingen mijn broers, als het mooi weer was, tussen de middag naar huis om te eten. Ik deed dat later maar een heel enkele keer.
Toen ik in 1955 naar school ging had ik zelf nog geen fiets en zat bijna altijd bij Steven achterop, maar ook wel bij Arend. Steven ging regelmatig even met Jan Willem Brinkman mee om Douwe Egberts plaatjes te ruilen en dan ging ik ook met hem mee. Jan Willem had geen moeder meer en hij werd door zijn vader en vooral door zijn oma opgevoed. Dat maakte wel indruk op me.
In het eerste schooljaar heb ik veel lessen gemist vanwege een fietsongeluk, begin augustus 1955, net voor ik voor het eerst naar school zou gaan. Die dag waren een nichtje en neefje uit Lage Vuursche met tante en oom, die al een auto hadden, bij ons op bezoek. We waren op de fiets op weg naar Eef Bouwman om cadeautjes te kopen. Steven en Arend fietsten naast elkaar. Ik zat bij Steven achterop en ons neefje, die bij hem voorop zat, kreeg zijn voet tussen de spaken en zo kwamen wij te vallen. De fiets sloeg over de kop en ik werd gelanceerd. Ons neefje kwam er zelf heel goed af, zijn schoen minder, en ik raakte ernstig gewond. Dat gedeelte is uit mijn geheugen gewist, maar ik heb (veel) later van de beide broers tot in de finesses gehoord hoe zij het toen hebben aangepakt. De vader van Diny Steenbergen heeft hierin een rol gespeeld. Diny zat een klas hoger en fietste ook vaak mee.
Toen ik voor het eerst op school kwam, nam juffrouw Wilmink me even op schoot. Daarna mocht ik naast Dineke Dijk zitten. Bij haar thuis kwam ik later een keer met mijn vader. Dineke’s vader was verongelukt, dat trok ik mij ook nogal aan. Ze had een jonger zusje, Elsje. Toen ik kort daarna een pop kreeg, noemde ik die Elsje en de dag waarop dat ik de pop kreeg was Elsje jarig, 28 april.

Het schoolbord stond volgeschreven met woordjes. Mijn klasgenoten konden al lezen, concludeerde ik en dat was ook zo. In de eerste klas waren twee leerlingen linkshandig, dat waren Diny Schoenmaker en ik. We moesten rechts leren schrijven anders zouden we nooit met een pen mogen of kunnen schrijven en ook tekenen links was verboden. Het rechtshandig schrijven is me gelukt en ik kan het nu met beide handen, maar rechts tekenen kreeg ik niet onder de knie. Zo deed ik wiskunde later met de pen in mijn rechterhand en het potlood in mijn linkerhand.
Daarna volgde de strenge winter van 1955/’56. Februari was extreem koud, de koudste maand van de eeuw. Er lag heel veel sneeuw en de wegen waren onbegaanbaar. Er werd een pad gemaakt door de weilanden. De jongens konden zo lopend naar school en ik moest thuis blijven. Aan het eind van de weilanden konden ze de Kampendwarsweg oversteken, de Brouwersweg op en zo hadden ze er al een kilometer op zitten als ze bij het Loonbedrijf Huzen aankwamen en samen met Arie en Geertje verder liepen.


Alies met juf Wilmink voor het Aap-Noot- Mies bord, waar ze, door de letters aml in de goede volgorde op te hangen, het woord lam tevoorschijn toverde

De eerste jaren zaten wij nog in banken. Ergens in klas vier of vijf werden het tafeltjes met stoelen. In klas zes stonden de tafeltjes van mijn beste vriendin Klaasje Bonen en mij naast elkaar, totdat Johan Krul haar plaats moest innemen, omdat wij te veel praatten.
Toen we in de hoogste klassen zaten, gingen wij regelmatig naar het sportveld aan de Paltheweg.
Daar hebben Klaasje Bonen en ik een keer een echt partijtje gevochten. Op het sportveld waren witte strepen getrokken, die waren nog niet droog, waardoor er verf op Klaasje’s en/of mijn kleren terecht kwam. Daarover ontstond de ruzie. Toen kwam meester Katerberg in actie. We werden naar voren gestuurd, liepen even een paar meter uit elkaar, keken elkaar toen aan, begonnen te lachen en gingen gearmd verder. Meester Katerberg, fanatiek als die kon zijn: “Moet je kijken, wat maken we nu mee, zo rollen ze als kemphanen over het gras en zo lopen ze gearmd.” Gelukkig reageerde hij daarna ook geamuseerd. Want ja, je wist het nooit, hij was heel streng.
Mevrouw Katerberg, maar wij zeiden natuurlijk altijd juffrouw Katerberg, viel altijd in als er een leerkracht ziek was, of bij een tijdelijke vacature. Wij hebben haar in de vierde klas in 1958 best lang gehad. In mijn herinnering was zij een natuurtalent in het omgaan met alle leerlingen. Iedereen was heel gek met haar. Van de grootste boef tot het verlegenste meisje. Die verloren de ondeugd en de verlegenheid bij haar.
Ook heeft zij een keer inktvlekken uit mijn haar en trui gehaald toen ik met mijn krullen in de inktpot van de bank achter mij had “geroerd” tijdens een handwerk- les. Juf van Rooijen zei: “Ga maar naar juffrouw Katerberg, die kan je misschien helpen.” Dat lukte fantastisch, met melk, gewoon privé bij haar in de keuken.

Ik fietste in de jaren dat ik geen broers op school had, vaak met klasgenoot en schoolvriend Herman van Zomeren mee tot zijn huis. Dan had ik nog wel een kilometer alleen te gaan. We bleven nog weleens een poosje spelen bij school. Een keer, nadat meester Katerberg ons met spoed naar huis stuurde vanwege een dreigende onweersbui, is het me overkomen dat het op het laatste stuk hevig begon te gieten en te onweren. Ik paste moeders advies toe en sloeg meteen bij de eerste boerderij de dam in en ging met mijn fiets onder een overkapping staan. Ik was best bang, maar niet lang. Mevrouw Van der Vegt had me zien aankomen en kwam meteen naar me toe en zei: “Wat ben jij een wijs meisje om hier naar toe te komen.” Ik kon zo via de deel naar binnen. We dronken thee, met een speculaasje erbij en toen zag zij mijn vader op de fiets aankomen. Ze rende naar de deur en riep: “Hier is je dochter Kuipers, kom maar gauw binnen.”
Hij kreeg ook thee natuurlijk en vast ook een handdoek, want hij kwam druipnat binnen.
Toen ik later hoorde dat in de Tweede Wereldoorlog onder anderen Ed van Thijn als kind daar ondergedoken heeft gezeten, verbeeldde ik me dat ik me dat wel voor kon stellen, bij zo’n aardige vrouw.
Bert Vos zat bij het raam vooraan. Hij was een keer aan het neuriën. Zegt meester Katerberg: “Bert als je zingen wilt, doe je het maar hardop.” Bert zette meteen uit volle borst in: ”A-B-C- D-E-F-G. Weg met de moffen en de N.S.B.”
Grote hilariteit van de hele klas en zelfs van de meester. Toen ik hem dat later een keer vertelde, antwoordde hij: “O, dat zong mijn opa altijd!”


1956, Juffrouw Wilmink naast de banken waarin leerlingen aan het werk zijn. Voor de namen van de leerlingen zie: Beeldbank fotonummer 02336

Mijn jongste broertje Ruth is in 1954 geboren en kwam in de eerste klas toen ik naar de zesde klas ging. Zusje Gretha is in 1955 geboren en zij ging naar school toen ik er al af was en later kwam zusje Adrie nog, zij is geboren in 1957.
Een voorval dat ik niet zelf meemaakte, maar hoorde van Ruth.
Onze school grensde aan de boerderij van Reuvers. Dat was ideaal. Zo hadden vooral de jongens extra, interessante speelruimte, zoals een droge sloot. Mijn broertje en een stel vrienden bouwden daarin een, ... schrik niet... , elektrische stoel. Ze veroordeelden een jongen. Hij werd vastgebonden op die stoel en er werd een draad naar het schrikdraad van de boerderij gelegd en die jongen voelde de stroomschokken echt. Hoe het gestopt is weet ik niet, maar ze zullen wel een pittig lesje hebben gehad. Er stond zwakstroom op de afrasteringen rond de weilanden, dus echt gevaarlijk wat stroom betreft was het niet. Zo herinner ik me dat mijn vader een stroomdraad gewoon beetpakte om te weten of er stroom op zat, maar toch...
Toen ik een paar maanden geleden bij Steven op bezoek was, zei hij: “Dat heeft papa toen goed aangepakt, om ons op die school te krijgen, maar dat had eerder moeten gebeuren.” Ik zei later: “Jullie hebben voor mij de kastanjes uit het vuur gehaald en ik heb in Nieuwleusen een goede tijd gehad.”

We raakten door de school meer georiënteerd op Nieuwleusen. Zo werd toen ook dokter Dekker onze huisarts in plaats van dokter Van der Pot uit Dalfsen.
Mijn broertje Ruth werd op 22 februari in de strenge wintermaand van 1954 geboren. Op 3 februari werd er een Elfstedentocht gereden, daarna was de ergste kou voorbij en werd de half bevroren grond een modderboel. Mijn oma was al jarenlang baakster in haar dorp. Zij was bij ons in huis om bij de bevalling te assisteren en de huishouding te doen. De Brouwersweg en de Korte Kampen waren al verhard tijdens de ruilverkaveling van Nieuwleusen. Dokter Dekker kon met de auto tot aan de Brouwersweg komen en ging vandaar verder lopend door de weilanden, op dezelfde manier als mijn broertjes op weg naar school deden. Toen hij met zijn modderlaarzen binnenkwam, zei oma “Stop! Eerst de laarzen uit,” waar meteen gehoor aan werd gegeven. Toen het achter de rug was zei hij: “Ik dacht weer zo’n oma erbij... zucht... maar het liep van een leien dakje, mijn complimenten.” Het was rond middernacht voor de dokter naar huis kon. Wat tijdstip van bevallingen betreft had dokter Dekker bij ons pech. Mijn daarna volgend zusje werd ‘s nachts geboren. Hij haalde toen al gauw een spuit uit zijn tas, maar oma vroeg: “Wat gaat u doen dokter?” Antwoord: “Ik geef een spuit”. Oma protesteerde en zei: “Ruim die spuit maar op, zover is het nog niet.” En zo geschiedde. En om 8 uur had de dokter weer spreekuur!
We gingen al in Nieuwleusen naar het Schuttenkerkje. Daar ben ik op 25 november 1949 gedoopt. Later gingen we naar Rehoboth aan de Meeleweg.
De winkels waar wij regelmatig kwamen: Eef Bouwman Galanterieën, eerst het kleine winkeltje aan het Oosteinde, later op rij met Slager Massier en Henk Willems Manufacturen in de Weth. Nijboerstraat. Bij Eef heb ik onder anderen destijds mijn keukengerei gekocht en dat gebruik ik nog steeds. En dan Beekman Mode. Die was er al in 1949 en daar werden de kleren gekocht als er bijvoorbeeld een bruiloft was. Ze voelden daar haarfijn aan wat mijn moeders smaak was en kwamen zo nodig bij ons thuis, zodat er thuis gepast kon worden. En de winkel van de ouders van Geert Schoemaker, onze langste klasgenoot, en tenslotte Veldhuizen, die schoenmaker was en een nieuwe schoenenwinkel kreeg.
In Café Schoemaker werden na de zomervakantie de kamerplantjes tentoongesteld die wij in het voorjaar op school kregen om thuis op te kweken. In een ander jaar gebeurde dat in Café De Unie in Den Hulst bij de brug. Er werden verschillende prijzen uitgereikt. Arend heeft een paar keer de 1e prijs gekregen. Ik heb nooit iets gewonnen.


De organisatie van de Floraliatentoonstelling voor de schooljeugd die de plantjes thuis verzorgde, had al een lange traditie, zoals blijkt uit deze foto genomen bij Visser aan Sluis 3. Vlnr: Hendrik Ennik, Marten Massier, Johan Klinge (onderwijzer), onbekend, Gerrit Grotenhuis, .. Wildvank, Jan van Aarst (onderwijzer), Jansen (onderwijzeres) en mevrouw Van Aarst.

Er waren de garages van Pinxsterhuis en Jan Willems, een broer van Henk van de manufacturenwinkel. Willems stond in geval van nood klaar om met mijn ouders ergens heen te rijden, zoals in 1958 naar het Tielse ziekenhuis, toen mijn moeders zus ernstig ziek was.
In de winkel met huishoudelijke artikelen van Stolte aan de Burg. Backxlaan in Den Hulst hoorden wij in 1959, toen ik daar was met mijn moeder en mijn zusje, dat mijn vader geslaagd was voor zijn rijbewijs. Hij had gelijk met mevrouw Stolte examen gedaan. Wij hadden toen nog geen telefoon. Zelf wist hij dat dus nog niet en wij waren helemaal verrukt. Toen we thuis kwamen en het hem vertelden, reageerde hij daar heel rustig op, maar hij keek wel heel blij.
Aan de Dedemsvaart had je ook nog Van Marle kleding en textiel. Er woonde daar, de brug over links, ook een moeder en zoon Brasjen/Brassien? De moeder verkocht (vooral christelijke) boeken aan huis. Het psalmboekje met een drukknop dat ik kreeg toen ik negen jaar werd, is daar gekocht. Dat boekje heb ik nog. De zoon ventte met boeken en ook met Insulinde koffie, die in Groningen werd geproduceerd.
Ik weet nog dat ik met mijn vader mee mocht om met paard en kar een vracht turf te halen vanuit een schip, en dat we met diezelfde kar naar de kerk gingen toen opa en oma op bezoek waren.
De rookstoel werd voor oma in de kar gezet en de anderen stonden er gewoon omheen, volgens mij. Het moet omstreeks 1952 zijn geweest, want dat zijn vagere herinneringen. Verder waren er nog de Spar , met ‘Kopen bij de Spar is sparen bij de koop’, de Raiffeisenbank en Rijkeboer, waar ik een brommer kocht, een Motom.


De OLS School A uit 1953 met meester Katerberg, mevrouw-juffrouw Katerberg, meester Timmerman en alle leerlingen, dus ook de drie Kuipers-kinderen; Steven voor meester Timmerman en daarvoor Arend. Alies midden in rij twee met donkere jurk.
Voor alle namen zie: Beeldbank fotonummer 02418


* * *

In gesprek met Hendrik Kouwen

Gees Bartels

Voor boeren klinkt de naam Kouwen heel vertrouwd. Hendrik Kouwen is een zoon van Klaas Kouwen. Die was varkenshandelaar, evenals zijn vader. Toen Hendrik, en later ook zijn broer Hendrik Jan, ook varkenshandelaar werden, waren zij de derde generatie die binnen de familie dit beroep uitoefende. Zo was er in Nieuwleusen uiteindelijk gedurende een periode van ruim honderd jaar sprake van Kouwen varkenshandelaren.<

Hendrik Kouwen is de oudste zoon van Klaas Kouwen (1905 - 1999) en Femmigje Sterken (1906 - 2000). Hij is in 1933 geboren aan het Westeinde (nu ongeveer nr. 9), waar zijn ouders een boerderijtje huurden van de erven Kragt. Dat boerderijtje is in 2001 afgebroken. Vóór Hendrik waren er al twee dochters geboren, Aaltje en Jannie.
In 1935, toen Hendrik ruim twee jaar oud was, kocht zijn vader aan de Dedemsvaart een boerderijtje met drie hectare grond voor ƒ  6000,-.
In Den Hulst werden nog vier kinderen geboren, Hendrik Jan (gehuwd met Willemina de Leeuw), Femmie (gehuwd met Albert Roeke), Klaas (gehuwd met Diny Kooy) en Annie (gehuwd met Hendrik Runhart). Vader Klaas Kouwen was vooral varkenshandelaar en de werkzaamheden op de kleine boerderij kwamen voor een groot deel neer op de schouders van zijn echtgenote.
Zo’n situatie kwam vaak voor in die tijd, waarin veel boerenbedrijfjes te klein waren voor een volledig inkomen. De moeder deed dan het lopende werk in het voor- en achterhuis en de vader zorgde als kostwinner buitenshuis voor een aanvullend inkomen. Zo had moeder Femmigje de handen goed vol aan het gezin en het bedrijf en moesten de kinderen ook al jong de handen uit de mouwen steken.


Klaas Kouwen, met pet, en buurjongen-chauffeur Klaas Katoele, beiden in stofjas en op klompen, hebben de varkens in de veewagen geladen

In de laatste jaren van de oorlog was het aan het kanaal in Den Hulst gevaarlijk wonen.
Voor het huis lagen binnenschippers met hun schepen, die soms door vliegtuigen werden beschoten. Op een keer zat vader Klaas aan tafel te eten en vlogen de kogels vanuit de schoorsteen vlak langs hem heen, dwars door de kamer en boorden zich in de tegenoverliggende muur.
Op een morgen troffen ze uitgehongerde parachutisten aan in de hooiberg. Zijn moeder heeft eieren voor hen gebakken, zodat ze weer aangesterkt verder konden trekken. Van het neergestorte vliegtuig bij De Stouwe werden aan weerskanten van het kanaal brokstukken teruggevonden. Ook herinnert Hendrik zich de vele etenhalers die in het laatste oorlogsjaar langs trokken en hoe zijn moeder vaak mensen mee liet eten.
De tram liep in die tijd weer in een heel bedaard tempo voor het huis langs en het was een sport om er bij de Ommerdijkerbrug stiekem achterop te springen en er dan bij huis weer af te springen.
Voor de jeugd was er in die tijd weinig te beleven. Zondags ging Hendrik naar de Hervormde kerk, waar zijn oom Jan Jans tot 1953 koster was. Die was ook lid van de damclub. Na de kerkdienst gingen ze af en toe samen een potje dammen en zo leerde Hendrik het damspel kennen. Met andere jongens deden ze dat ook in het café van Schiphorst aan de overkant.
Hendrik moest, net als de andere kinderen, het kerkblaadje De Kerkklok rondbrengen. Als beloning was er ieder jaar een gezellige middag in het Palthebos, met ‘ringsteken’ als hoogtepunt. Twee jongens trokken een melkkar waarop een derde jongen met een stok in de aanslag stond om die in de tussen de bomen hangende ring te steken. Veel valpartijen zorgden voor de nodige hilariteit. Ook een gebeurtenis die tot de verbeelding sprak: Tussen De Smeule en het kanaal werd ’s winters op een met lage walletjes omgeven weiland water gepompt en zo was daar een prachtige ijsbaan. In een keet werd warme chocolademelk verkocht en daar werden ook de gevonden voorwerpen verzameld. Toen een meisje om haar verloren haarkammetje kwam, werd gevraagd “Waor heb ie ’t veleurn?” ”Op ’t ies.” “Dan is ’t niet van oe, want ’t is in de hooibarg ‘evunden.” Daar stond meestal een ladder en dat was een geliefd plekje voor jong verliefden.


De boerderij van Klaas Kouwen aan de Hoofdvaart Zuid Zijde. Het adres werd rond 1970 Den Hulst 5. In het water van de vaart drijven schotten uit de stal die schoongemaakt moeten worden

Opa Sterken had nog heidegrond ten noorden van Den Hulst op de Kievitshaar. Daarvan hadden al zijn kinderen een deel toegewezen gekregen om voor eigen gebruik turf te steken. De plaggen werden gebruikt in de potstal voor onder de pinken. Vader Klaas hield niet erg van hard werken en vroeg z’n zwager Jan Jans voor hem de turf te steken. Als beloning mocht die dan ook voor zichzelf turf steken. Hendrik moest, zo klein als hij was, ook hier flink aanpakken en zijn oom daarbij helpen. Als er te weinig turf was afgegraven werd er bijgekocht bij schipper Krul. Dat meehelpen door de kinderen was een vanzelfsprekendheid, waar niet over gediscussieerd werd. Zo huurde vader Klaas bij goede bekenden extra weidegrond als hij in een warme, droge zomerperiode te weinig gras had voor z’n koeien. De meisjes Jannie en Aaltje moesten dan ’s morgens, voor ze naar hun betrekking als huishoudelijke hulp gingen, eerst met twee melkbussen aan de fiets helemaal naar de Vinkenbuurt of de Steenwetering fietsen en daar de koeien melken. ’s Avonds na afloop van hun werk moesten ze opnieuw dat lange stuk afleggen om de koeien weer te gaan melken.
“Vader had veel gemak van zijn kinderen,” zegt Hendrik. “Hij was ook nogal op de penning en kon rustig zeggen: “Ik heb niks te roken, heb jij nog een sigaar voor mij.” Maar het handelen paste uitstekend bij hem. Hij was een bekende varkenshandelaar en is tot ver over de zeventig blijven handelen.”
Na de lagere school moest Hendrik van zijn vader naar de Landbouwschool in Dalfsen. Dat vond hij een grotere straf dan in zijn eentje de hele koeienstal schoonmaken, zoals hij tegen zijn vader zei. Elke dag moest hij dat hele eind heen en terug naar school fietsen; eerst over het Westeinde naar de Jagtlusterallee en dan samen met zijn klasgenoot Bart Ruinemans over de lange Dedemsweg, een akelige zandweg vol gaten en kuilen en vaak met tegenwind en regen. Die school heeft hij niet afgemaakt en hij is bij zijn vader gaan werken.
Met paard en wagen moest Hendrik naar de boeren om de varkens op te halen die zijn vader had gekocht. In De Maat ging het mis. Het paard dat hij moest mennen bleef stilstaan bij wat bessenstruiken. Het was een nogal schrikachtig paard en toen Hendrik hem weer maande voort te gaan, maakte het paard een onverwachte beweging. Hendrik kwam met zijn hoofd klem te zitten tussen de wagen en een kippenhok. Gelukkig was het een niet al te best houten hok, anders had hij het niet overleefd. Het hok lag helemaal in elkaar en het hoofd lag helemaal open. Dokter Schuringa heeft Hendrik naar het ziekenhuis in Zwolle gebracht. Het is weer goed gekomen, maar nu nog is de plek van het litteken op zijn hoofd duidelijk voelbaar.
Ook schrok een paard een keer van een zeilschip, kon daardoor de bocht niet goed meer maken en kwam met wagen en al in het kanaal terecht. Een geluk bij een ongeluk was dat de wagen luchtbanden had en bleef drijven. Het paard kon zwemmen en werd aan de overkant door buren op het droge getrokken.
Z’n vader kocht een wit paard van Schoemaker aan ’t Oosteinde en dat werd jaarlijks het paard van Sinterklaas. Het was een heel mak paard, behalve wanneer het een veulen had, want dan beschermde ze haar veulen op agressieve wijze.
Als de varkens naar de markt moesten, werden die naar Seinen bij Brug 6 gebracht, die het transport verzorgde. Zijn vrouw was daar de brugwachter.
Ook Willems in Den Hulst zorgde met zijn veewagen voor het transport naar de veemarkten.
De veemarkten waren op elkaar afgestemd; dinsdag Sneek, donderdag Meppel en Ommen, vrijdag Zwolle.
In Friesland werden nauwelijks varkens gefokt en daarom deden de Kouwens daar goede zaken. Met de in Utrecht gekochte varkens gingen ze naar Sneek, waar de slagers in de rij stonden als de markt begon. Bij De Lichtmis was slager Bloemhof een goede klant. Na aflevering van de varkens werd meestal even wat nagepraat en koffie gedronken. Op een dag vond het paard dat het te lang duurde voor de mannen weer naar buiten kwamen en ging zonder voerman op huis aan. Gelukkig waren de slagbomen voor de spoorwegovergang bij Huisman naar beneden en liep het goed af.
Hendrik was van jongs af aan een enthousiast voetbalsupporter en tijdens een wedstrijd in IJhorst ontmoette hij Geertje van de Beld. Op de fiets, later op de bromfiets, ging Hendrik daarna regelmatig naar het Westerhuizingerveld. Vader Klaas had toen al een auto maar kon zelf niet rijden en vond dat Hendrik hem overal wel naar toe kon rijden. Hendrik wilde wel met hem op pad, maar onder één voorwaarde: dat hij zondags de auto mocht gebruiken om naar Geertje te gaan.


In 2000 bracht koetsier Van der Kolk Hendrik en Geertje ter gelegenheid van hun 40-jarig huwelijk met een rijtuig naar het feest.

Hendrik en Geertje zijn in Nieuwleusen getrouwd. Hendrik werd zelfstandig varkenshandelaar en zijn drie jaar jongere broer Hendrik Jan ging met zijn vader samenwerken.
In 1960 was er nog een regeling voor krot- opruiming, waarbij vergunningen werden gegeven voor de bouw van een nieuwe woning als de oude werd afgebroken. Zo kwam naast de oude boerderij een nieuwe woning te staan waarin vader Klaas ging wonen. Hendrik bleef in het ouderlijk huis wonen en heeft het niet afgebroken maar weer goed opgeknapt. Dat het inderdaad een oud huis was, blijkt ook uit de tegelwand, die er nu nog in zit. Een slimmigheid kan soms goed uitpakken.
Het werken in en gebruik van de groentetuin en de fruitbomen bleef gezamenlijk, maar de zuinigheid van vader Klaas leidde tot steeds meer wrijving met zijn schoondochter. Daarom is het jonge gezin op zeker moment verhuisd naar de Vinkenbuurt, vlak bij De Stouwe. Ook Hendrik liet op zijn beurt de kinderen meehelpen; melken, eerst met de hand, later met de melkmachine. Geertje kon goed toneelspelen en was jarenlang lid van de toneelvereniging in Vinkenbuurt.
Toen vader Klaas ouder en enigszins hulpbehoevend werd zijn Hendrik en Geertje weer teruggekomen naar Den Hulst en in het ouderlijk huis gaan wonen, waarna de relatie tussen vader en schoondochter tot zijn overlijden in 1999 wonderwel goed bleef. Terug in Den Hulst kocht Hendrik ook zelf koeien. Begonnen met zes koeien, stonden er op het laatst ongeveer twintig stuks in de stal en was er een stuk bij de schuur aangebouwd.


Omstreeks 1970 gemaakte foto met moeder Geertje en vader Hendrik, met links Klaas, in groen jurkje Ellen, dochtertje van Klaas Kouwen, en Hilco.

De varkenshandel maakte ook een gestage groei door. Wekelijks werden zo’n vijftig biggen in commissie verhandeld, later werd dat elke week een vrachtauto vol biggen. Daarmee werd ook naar de veemarkt van Utrecht gereden.


Hendrik Kouwen omstreeks 1975 naast de veewagen waarmee de varkens werden vervoerd

Jongere broer Hendrik Jan begon na zijn huwelijk ook voor zichzelf en ging aan de Burg. Backxlaan 52 wonen, op de hoek van het Molenpad. “Hij durfde meer dan ik en gokte nogal eens, maar kwam er steeds weer goed uit”, stelt Hendrik. Zijn huwelijk bleef kinderloos en inmiddels weduwnaar, woont Hendrik Jan nog in hetzelfde huis, waar hij gastvrij bekenden ontvangt.


De boerderij, met op de gevel de naam ‘t Olde Nust, van Hendrik en Geertje Kouwen, Den Hulst 5, in 1989.

Hendrik is gestopt met de handel toen hij vijfenzestig jaar werd en heeft zijn klanten overgedaan aan zijn broer Hendrik Jan. Echtgenote Geertje is op 4 mei 2011 overleden. De zonen Klaas en Hilco hebben van de boerderij twee woonhuizen gemaakt en Hendrik woont nu in de Hof van Leusen, waar hij geniet van z’n oude dag, vlak bij de winkels en met uitzicht op de bedrijvige Burg. Backxlaan.

* * *

De meertse zundag

Aartje Schoemaker

Nao ’n weke van meertse bui’n is disse zundag met recht zundag. An alles kuj weetn det ’t veurjaor d’r an kump. Dark en Diena mut op visite ien Dals’n.

‘Kiek!’ röp Diena, “d’r loopt al lammegies buutn.” Ze wördt d’r beidn vrolijk van. Kiender sleept met olde deekns naor buutn umme huttn te bouwn. Buurvrouwn staot –met d’aarms óver menare- oaver de hege met menare te praotn. De racefietsers bint d’r ok weer bi’j en niet te vergeètn de moterrieders. De moter zit weer ien de verzekering en is weer uut de schure ‘escheumn en d’r op uut mar weer. Vrijheid lonkt!
Groot, klein, jong en old, alles kump weer naor buutn umme te genietn van de zunnestraoln. De krokussn en tielozen waarn d’r al boòmn, mar nou staot de kelkies wied lös. An de Vechte loopt pa en ma zwaan te weid’n. ‘t Wit van die zwaan’n stek mooi of teengn de blauwe lucht en ’t grune grös.

Nao de visite loopt Dark en Diena ’n endtie deur ’t Rechternse bos. De veugelties fluit. Ze wilt merakels laotn heurn det ze ’n stukkien bos ien bezit hebt en of d’r ok ’n vrouwgien bi’j koomn wil. Takkn ligt d’r ok zat en Diena nemp d’r vast iene met veur de paosversiering. Die takke kan nog wel ’n weke ien de garage staon. De holtn eier mut ok nog van de vliering koomn, mar eerst gaot dizze weke de gedien’n an de liende.

“Wat bint det nou weer veur vierkaante stoetn!”, zeg Dark. Hi’j smeert ‘m ’n brugge, want buutnlucht maakt hongerig. “Det is casinostoete”, zeg Diena. Dan is ’t vrömde d’r kennelijk of, want Dark smeert wieder. Diena heurt gien gemoster meer.
Wát ’n dag! Zunne én veerkaante stoete. Hoezo een saai leèmn? Dark en Diena verveelt zich nog lange niet.

* * *

www.dnavandalfsen.nl

25 februari 2021 was het dan zover. Op die dag presenteerde wethouder Jan Uitslag de nieuwe website dnavandalfsen.nl aan de pers. Daarmee heeft iedereen toegang tot het prachtige digitale fotoboek waarin de geschiedenis van de gemeente Dalfsen wordt beschreven. Aan de hand van 50 thema’s kan het publiek bladeren van prehistorie naar ruilverkaveling en van hessenweg tot tramlijn. Lemelerveld, Hoonhorst, Dalfsen, Oudleusen en Nieuwleusen komen mooi in beeld en er zijn fiets- en wandelroutes langs de historisch interessante punten. De Historische Kring Dalfsen en Ni’jluusn van Vrogger zorgden voor de informatie en zijn met de overdracht samen eigenaar van de site. Kijk, blader en geniet!

* * *

Zoekplaatje

Van de 4 zoekplaatje foto’s uit ons vorige Kwartaalblad zijn er 2 opgelost.
Iedereen bedankt voor het reageren.
Op foto 32 staan: Hendrik Nijland en Jantje Hekman, een dochter van Roelof Hekman en Janna Kragt die woonden Oosteinde 54 te Nieuwleusen. Het echtpaar Nijland-Hekman heeft daar ook gewoond en is later naar Lutten verhuisd.
Op foto 33 staan 4 kinderen: Willie, Dea, Dik en Marrie Aalbers. Die woonden aan de Hessenweg te Dalfsen (Ankum) in de boerderij thans manege “De Vierels”, schuin tegenover bouwbedrijf Van Pijkeren. De foto is gemaakt op de Christelijke school te Ankum. Deze foto hebben we overgedragen aan de historische kring Dalfsen.

Deze keer:
Foto 34 (07663) 2 heren met (te) grote petten.
Foto 35 (vx121) een bruidspaar met bruidsmeisje
Foto 36 (vx122) een onbekende man (foto gemaakt in Leeuwarden in 1947)
Foto 37 (vx149) een jongeman met 2 dames op het Oranjefeest
Alle foto’s kunt u vinden op www.beeldbanknieuwleusen.nl door in het zoekveld het nummer in te toetsen dat tussen ( ) staat achter 34 t/m 37. Bij de foto’s vindt u ook het reactieformulier.
Een e-mail naar redactie@palthehof.nl kan natuurlijk ook. Mocht mailen niet lukken dan mag u de eindredacteur bellen.











Jaargang 39 Nummer 2 juni 2021



* * *

Foto voorpagina:

Foto gemaakt omstreeks 1920 met Zwaantje Hoogenkamp op het kruispunt van de zandwegen Meeleweg, die rechts afbuigt, en Hulstkampenweg, met in de bocht daaraan links de boerderij van Jan Blik en rechts die van Rozeboom.

* * *

Van de bestuurstafel

Opening van het museum en corona
De lockdown om de coronabesmetting tegen te gaan, is nog van kracht. De vaccinaties tegen het coronavirus zijn in gang gezet. Wij hopen dat de vaccinaties in de zomer zover gevorderd zijn dat het museum op 1 juli 2021 weer open kan. Daar zijn onze voorbereidingen op gericht.
De tentoonstelling ’75 Jaar Vrijheid – Vreugde en Verdriet’ blijft dit jaar staan.

Uitbreiding museum
In het vorige Kwartaalblad hebben wij u geïnformeerd over onze uitbreidingsplannen. Ook de pers heeft uitgebreid aandacht besteed aan deze plannen.
Inmiddels is de bouw van start gegaan. De fundering is uitgegraven en gestort. De vordering van de bouw wordt op film en foto vastgelegd.
De Historische Vereniging is een ANBI-instelling en giften zijn dus in principe aftrekbaar voor de belastingen. Het ANBI-nummer is 805050681. Uw gift is welkom op NL41 RABO 0345 5744 27 o.v.v. ‘Uitbreiding museum’. Vanwege de corona moeten echt grote publieksacties uitblijven. Ook daarom is iedere gift welkom!

Website www.dnavandalfsen.nl van start
U ziet bij de opening van deze website letterlijk in vogelvlucht een overzicht van de gemeente Dalfsen. Aan iedere kern, Dalfsen, Nieuwleusen, Oudleusen, Hoonhorst en Lemelerveld, wordt kort aandacht besteed.
Op de landkaart in deze website kunt u een groot aantal historische objecten met een toelichting vinden. U kunt ook zoeken op dorpskern, gebouw of op wandel- en fietsroute. Wilt u bijvoorbeeld meer achtergronden weten van de Bisschopsschans bij De Lichtmis? U klikt deze locatie aan en u ziet in tekst en kaart de achtergronden van de Bisschopsschans toegelicht. Dat geldt ook voor de Fietsenfabriek Union of de brandweer. Zo zijn een 50-tal objecten in de hele gemeente toegelicht. In de laatste fase van dit DNA-project zullen bij de objecten QR-bordjes worden geplaatst, zodat u ook bij bezoek aan het object zelf de informatie op uw mobiele telefoon kunt lezen.
Het beheer van deze website www.dnavandalfsen.nl wordt in handen gelegd van een stichting die uit de verenigingsbesturen van Ní’jluusn van Vrogger en de Historische Kring Dalfsen is gevormd.

Schenkingen
De collectie van museum Palthehof is opgebouwd door schenkingen van de inwoners en nazaten van inwoners van Nieuwleusen en omgeving. Deze schenkingen zijn heel divers en soms heel verrassend. Zo ontvingen wij in de afgelopen periode een knalkurkenpistooltje. Het pistooltje werd geladen met een kurk voorzien van een rood plaatje waarin kruid was aangebracht en het gaf een knal wanneer je de trekker overhaalde. Het past mooi in de collectie kinderspeelgoed met proppenschieter, raampje tikker e.a. Wij ontvingen een fotoalbum van burgemeester Hoekstra.
Kort daarna ontvingen wij een fotoalbum van het 12 ½ jarig ambtsjubileum in 1970 van burgemeester Mulder, evenals een fotoalbum van zijn afscheid als dijkgraaf Waterschap de Noorder Vechtdijken per 1 januari 1982 en een map met aanstellings- en ontslagbrieven.
Als laatste schenking noemen wij: een Friese staartklok uit omstreeks 1870.

Overleg om toerisme te bevorderen
Op initiatief van het Grammofoonmuseum is overleg gestart met andere instellingen in Nieuwleusen met het doel meer bezoekers naar Nieuwleusen en naar die attracties te trekken. Het Grammofoonmuseum zal dit jaar overgaan naar het Olde Gemientehuus. Met museum Palthehof, de horeca en het Palthebos ontstaat dan een attractief centrum in De Kerkenhoek. Ook andere instellingen en attracties (in wording) willen daar graag aan meewerken. Naast het Grammofoonmuseum en museum Palthehof zijn daar verder bij betrokken: Molen Massier, Natuur- en milieuboerderij BalkInn. MFC De Spil, openluchttheater De Bult van Derk Jan (in wording) en restaurant ’t Witte Peerd. Vechtdal Marketing verleent ondersteuning aan dit initiatief.


Het project DNA van Dalfsen biedt mogelijkheden om vrijwilligers een korte opleiding te geven voor gids/verhalenverteller. Het bestuur wil daar graag gebruik van maken om enkele mensen op te leiden voor gids/verhalenverteller in ons museum en dan ook (meer) groepen rond te leiden. Dat maakt het museum aantrekkelijker voor groepen. Wie heeft belangstelling?

Van de redactietafel:
In het Kwartaalblad van maart 2021 zijn in het artikel ‘In gesprek met Hendrik Kouwen’ twee namen verkeerd weergegeven. Op pagina 11: Willemina de Leeuw moet zijn: Willemina Hendrika Johanna (Willie) Leeuw, en Diny Kooy moet zijn: Dinie Kooiker.

* * *

Willem Beltman in Nederlands Indië

Janni Bijker-Beltman

Janni Beltman, een nichtje van Willem Beltman, zag bij een foto in het Kwartaalblad van juni 2020 dat Willem in 1948 was uitgezonden naar Nederlands Indië. Dat jaartal is niet juist. Hierbij het goede verhaal.

Willem is eind jaren dertig van de vorige eeuw vertrokken naar Nederlands-Indië en diende daar in het Koninklijk Nederlands Indisch Leger (KNIL). In de oorlogsjaren zat hij in een Jappenkamp. Pas na bijna tien jaar, in 1947, keerde hij voor drie maanden verlof terug naar Nederland. Al vrij snel leerde hij mijn buurmeisje Willie Veldhuizen kennen. Wij woonden in de boerderij aan de Goudenregenstraat en Willie aan de Burg. Backxlaan, waar haar vader een schoenmakerij en winkel had. Het klikte zo goed dat het stel voor het eind van het verlof, op 8 februari 1948, is getrouwd. Dat was voor ons als familie onverwacht een leuk feest. Tijdens de bruiloft in de Vinkenbuurt, op de boerderij van Klaas Beltman, de ouders van Willem, zakten de vrolijke gasten tijdens de polonaise door de vloer. Willem moest bijna meteen na zijn huwelijk terug naar zijn post in Indië. Willie ging meteen aan de slag om zoveel mogelijk zomerkleren te naaien, want zij ging hem volgen naar dat warme land. Ze heeft de zeereis gemaakt met de Johan van Oldenbarnevelt. Toen Amerika en de internationale politiek zich met de situatie gingen bemoeien, stemde Nederland in met de onafhankelijkheid van het land en moesten de Nederlandse troepen vertrekken. Willem en Willie zijn na terugkomst tijdelijk bij broer Willem Veldhuizen aan de Burg. Backxlaan ingetrokken. Later zijn ze verhuisd naar de legerplaats ’t Harde op de Veluwe en daarna naar Steenwijk. Daar was Willem tot zijn pensioen gelegerd. Gerrit Willem, zoals hij voluit heette, is op 6 april 1973 benoemd tot Ridder in de orde van Oranje Nassau, het versiersel der orde te dragen met de zwaarden. Willem en Willie zijn in Meppel overleden, Willie op 25 oktober 2013 en Willem op 1 september 2014.


Oorkonde voor bijzondere verdiensten voor de brigade benoemd tot Ere-bison, te Steenwijkerwold op 31-10-1972. Gerrit Willem Beltman (Nieuwleusen, 7-7-1916 – 1-9-2014)

Van de redactie. Wij zijn blij met deze informatie, want in de museumcollectie zijn verschillende voorwerpen van Gerrit Willem Beltman aanwezig. Wij hadden even geen koppeling gemaakt met de foto van Willem Beltman in de Fotobeeldbank. Dat is dus dezelfde persoon. Willem was beroepsmilitair van 1937 tot eind 1974. In de museumcollectie is van hem aanwezig: een militair uniform met bijbehorende zaken en onderscheidingen uit de Tweede Wereldoorlog. Willem kon goed schrijven. In de bibliotheek zijn van zijn hand herinneringen aan zijn militaire loopbaan en de door hem samengestelde verhalen met stambomen van de families Beltman en Luten-Sok. In het Kwartaalblad van juni 2008 staat het verhaal over zijn ervaringen als KNILmilitair in het krijgsgevangenkamp, van 12 januari 1942 tot 28 september 1945.

Janni heeft een goed geheugen en terwijl wij aan de praat waren vertelde ze verder over de familiebanden. Haar moeder Jenny (Jennigje) Fredriks is opgegroeid op de boerderij aan de Goudenregenstraat. Zij trouwde met Arend Beltman, die bij haar introuwde op de boerderij. Er werden zes dochters geboren. In de Hongerwinter kwam daar van december 1944 tot juli 1945 een jongen bij. Daarover heeft Janni’s zus Jenny verteld in de speciale uitgave van het Kwartaalblad ‘Zij waren van honger gegaan.’ (2007). Jenny trouwde met Frits Meesters en zij gingen in een noodwoning in de tuin van haar ouders wonen. Later is daarvoor in de plaats een eengezinswoning gebouwd, nu met adres Weth. Zonnenbergstraat 20. Hun zoon Gert heeft na het overlijden van opa en oma in 1984 de boerderij, die was gebouwd in 1820, herbouwd. De boerderij heeft altijd op dezelfde plek gestaan, maar wisselde nogal eens van adres: A86 Kerkenhoek, daarna Het Pad 63, daarna Burg. Backxlaan 43 en nu Goudenregenstraat 7.

Jenny heeft jarenlang in de schoenwinkel van Veldhuizen gewerkt. Janni, inmiddels 84 jaar oud, woont in Heino. Ze was getrouwd met Henk Bijker van de Hessenweg bij Dalfsen. Hij werkte bij de Nederlandse Spoorwegen, eerst in Zwolle en later bij de ‘vliegende ploeg’, die door heel Nederland aan het spoor werkte en dan in een verblijfswagen overnachtte. Geïntrigeerd door de verhalen van Willem Beltman wilde ze heel graag een keer naar Indonesië en samen met haar man heeft ze twee keer een prachtige rondreis door dat land gemaakt.
Janni weet ook nog dat toen er op 15 maart 1944 bij De Stouwe een bommenwerper was neergestort haar vader Arend Beltman en overbuurman Willem de Weerd met paard en wagen naar de plaats van het ongeluk moesten om de lichamen van de twee omgekomen bemanningsleden op te halen en naar de begraafplaats in Nieuwleusen te brengen. Van de tien bemanningsleden hebben acht veilig de grond bereikt. Daarvan was de piloot David Talbott enige tijd bij Meulman aan het Oosterveen ondergedoken en hij is via Frankrijk weer veilig in Engeland aangekomen. De twee omgekomen vliegers, de 25-jarige navigator Arthur Goldman en de even oude bombardeur Clifford Moriarty, zijn op 17 maart op het nieuwe gedeelte van de Algemene Begraafplaats begraven. Op 20 februari 1946 zijn hun stoffelijke overschotten overgebracht naar de Militaire begraafplaats te Margraten.


De boerderij van Arend Beltman en Jennigje Fredriks aan de Goudenregenstraat, die met de achterkant naar de straat staat.

* * *

Ford Freaks Nieuwleusen

Geeske Hekman-Bruggeman

Begin jaren negentig van de vorige eeuw zat een aantal jonge mannen met elkaar te bakkeleien over wat de meest geschikte auto was om mee te doen aan de autorodeo van de Oranjevereniging in Nieuwleusen.

Zij kwamen uit op Ford auto’s. Deze zijn sterk, solide en, ook niet onbelangrijk, er was nog voor een redelijke prijs aan te komen. Bij hun zoektocht kwamen zij auto’s tegen die motorisch nog goed waren en te mooi om tijdens de autorodeo in elkaar te rijden. Dat deed hen besluiten om deze Fords op te knappen, APK te laten keuren en er zelf in te gaan rijden. Want, dat was al snel het motto van de mannen ‘In een Ford rijd jij als een vorst’. Zonder het zelf te beseffen hadden zij hiermee de basis gelegd voor het ‘Ford Freaks treffen’.
Doordat ze in deze auto’s gingen rijden werden er meer inwoners van Nieuwleusen aangestoken door het Ford virus en werd de Ford de populairste oudere auto in Nieuwleusen. Regelmatig bezochten de Ford Freak-mannen met hun auto’s Ford meetings in Duitsland en Engeland, waar Ford modellen van voor 1985 werden geshowd. Deze meetings waren altijd gezellig en goed georganiseerd en je trof er gelijkgezinden, aldus Nico Dijk, pr-man van de Ford Freaks in Nieuwleusen. Dat bracht de Ford Freak mannen, een groep bestaande uit Henri Witvos, Henri Toerse, Eduard van Spijker, Jeroen Groen, Arjan Scholten en Nico Dijk, op het idee om ook in Nieuwleusen een Ford meeting te organiseren.


In een Ford rijd jij als een vorst. De liefde voor de auto spreekt uit de zorg die de eigenaar er aan besteedt, met als resultaat: blinkend als fonkelnieuw

Het eerste Ford Treffen was in juni 2003 een feit. Op de parkeerplaats bij restaurant ‘De Roustap’ werden tijdens dat Ford Treffen weekend zestig Ford auto’s van verschillende uitvoeringen en leeftijden geshowd. Ook tractoren van het merk Ford waren welkom en werden op hun mooist getoond. Ford liefhebbers uit heel Nederland, Duitsland en Engeland waren te vinden bij dit evenement.
Inmiddels is het Ford Treffen uitgegroeid naar een jaarlijks terugkerend evenement met een deelnemersveld van rond de honderdzestig Ford auto’s in allerlei verschillende uitvoeringen. Bij de eerste opzet werden alleen Fords van voor 1985 toegelaten, maar dit is bijgesteld en de auto’s moeten nu minstens 25 jaar oud zijn. Ford Freaks is geen vereniging en heeft geen leden, benadrukt Nico Dijk. Het is een gezelligheidstreffen voor iedereen die het merk Ford een warm hart toedraagt. Sinds 2015 vindt het treffen plaats bij camping ‘Spokke Riete’ in Oudleusen. Van de deelnemers aan het evenement wordt een kleine vergoeding gevraagd voor de onkosten die worden gemaakt. Zo is de autorodeo van de Oranjevereniging de aanzet geweest voor een nieuwe traditie.

* * *

Een oud boerenerf in Den Hulst

René Fokkert

De buurtschap Den Hulst is halverwege de zeventiende eeuw ontstaan langs de zogenoemde Beentjesgraven. In 1639 werd er door de Leusener Compagnie een nieuw kanaal gegraven, dat de naam hield van de hier al aanwezige natuurlijke afwatering uit het hoogveen. Het kanaal werd slechts tot het oostelijk gelegen veen geschikt gemaakt voor de turfvaart. Bij de laatste sluis werd een sluiswachterswoning gebouwd. Het eindpunt van het kanaal werd door middel van een klein, niet voor scheepvaart bestemd kanaal, een zogenaamde waterleiding, verbonden met de Plompen kolk. Deze kolk lag in het veen bij De Stouwe, op de plek waar nu de oude gemeentegrens van Nieuwleusen met die van Ommen en het tracé N377 samenkomen.
(Bron: Wim Visscher, “Heren van de Ligtmis” 2005).


Deze sluiswachterswoning stond tussen wat nu de Meeleweg en de Eshuisweg is. De sluiswachter die er kwam te wonen was een zekere Hulsjen of Hulsken. Hij was daarmee de eerste bewoner van de buurtschap. Er zijn geen kaarten of akten bekend van voor 1639 waarin de naam Den Hulst wordt vermeld. De naam Den Hulst zou afgeleid kunnen zijn van deze eerste bewoner.
Nadat het veen was verwijderd op de gronden langs het kanaal en de kringsloten, werd de grond geschikt gemaakt voor landbouw. Omstreeks 1650 ontstonden hier de eerste boerenerven. Langzaam maar zeker groeide de bebouwing langs het kanaal uit tot een buurtschap. Omstreeks 1675 stonden er maar een paar boerderijtjes in de buurtschap Den Hulst. Volgens het register van Hoofdgeld (een soort belasting) waren het er vier. Deze stonden grofweg bij het begin van de huidige Meeleweg. Eén van de oudste bewoonde en nu nog bestaande huisplaatsen daarvan is de boerderij aan de Hulstkampenweg met huisnummer 2.


Het achterhuis van Hulstkampenweg 2. De straatweg loopt op maar een kleine meter afstand van de achtermuur. Het is ook een van de weinige oude boerderijen die met de voorkant naar het oosten is geplaatst. Bijna alle andere boerderijen in Nieuwleusen zijn noord-zuid geplaatst

Al vanaf het ontstaan van Nieuwleusen behoorde dit erf in Den Hulst, samen met enkele andere verspreid liggende percelen, tot de bezittingen van de familie Van Haersolte, de eigenaars van de havezate Oosterveen. De bij de havezate behorende bezittingen waren oorspronkelijk circa 120 hectare groot. Daarvan lagen de grootste percelen grond destijds ten zuiden van de Beentjesgraven, tussen de Middeldijk, Bouwmansweg en de school aan het Oosteinde.


Frederik Willem Floris baron van Pallandt, heer van Voorst, Keppel en Oosterveen (Afbeelding van het Nederlands instituut voor kunstgeschiedenis)

De bezittingen van de familie Van Haersolte gingen door vererving over naar de adellijke familie Van Pallandt. In 1728 kreeg Frederik Willem Floris baron van Pallandt de havezate Oosterveen en al wat daar bij hoorde van zijn oom Carel Willem van Pallandt.

In 1730, twee jaar na de schenking, verkocht baron Van Pallandt een boerderij, gelegen in Den Hulst, aan zijn pachter Gerrit Jaspers. Dit is de boerderij met nu het adres Hulstkampenweg 2. Tekst van de verkoop in het Oud Rechterlijk Archief (O.R.A.) van het schoutambt Dalfsen, Inventarisnummer 4 folio 105:
Den 17 mij geeft aan, Gerrit Jaspers uit Den Hulst, dat hij van de hooggeboren heer Baron van Pallandt heeft aangekocht het erve bij hem Gerrit Jaspers selfe bewoont en gebruikt wordende gelegen in Den Hulst te Nieuwleusen carspel Dalfsen voor F.2255 (caroli guldens).

In deze vermelding in het O.R.A. van het schoutambt Dalfsen staat niet vermeld hoeveel grond er bij de boerderij hoorde, maar gezien de koopsom van 2255 gulden zal er een aanzienlijk stuk grond bij zijn verkocht.
Gerrit Jaspers was dus al huurder voordat hij de boerderij kocht. Door zijn huwelijk met Aaltjen Herms bezat hij er ook al enige grond. Tussen 1723 en 1728 was hij ook diaken van de kerk in Nieuwleusen.
Na Gerrit Jaspers blijft de boerderij door vererving vele generaties in de familie.


Op deze kaart is de kadastrale situatie van 2020 over die van 1957 gelegd. De huisnummering (beginnend bij de Eshuisweg) is in geel weergegeven. De gebouwen die rood zijn ingekleurd stonden er in 1957. Het gearceerde perceel bij nummer 2 en het gearceerde perceel tussen 7 en 9 is de grond die bij de boerderij Hulstkampenweg 2 hoorde. Ook is hier goed te zien hoe de Meeleweg vroeger uitkwam bij Sluis 3. (Zie ook foto omslag) De omgeving tussen de Hulstkampenweg en het kanaal werd vroeger ook aangeduid als de Schuthoek. De Hulstkampenweg had vroeger de bijnaam Nijboers slingerwegje. Waar vanaf de Meeleweg de Hulstkampenweg de eerste bocht maakte, liep vroeger ook een pad rechtdoor naar het Zandspeur. (Met dank aan Joop Klein voor het vervaardigen van het kaartje.)

De huwelijken van de elkaar opvolgende hoofdbewoners (eigenaars).
1697: Gerrit Jaspers trouwt met Aaltjen Herms, weduwe van Hendrik Alberts.
1711: Gerrit Jaspers (2e huwelijk) trouwt met Stijntjen Coobs, weduwe van Willem Janszoon. 1742: Evert Klaassen trouwt met Hilligjen Gerrits, dochter van Gerrit Jaspers en Stijntjen Coobs.
1768: Egbert Thijs van Hulst trouwt met Stijntjen Everts, dochter van Evert Klaassen en Hilligjen Gerrits.
1776: Klaas Arends (van Hulst) trouwt met Stijntjen Everts (2e huwelijk), dochter van Evert Klaassen en Hilligjen Gerrits.
1807: Gerrit (Klaas) van Hulst, zoon van Klaas Arends (van Hulst) en Stijntjen Everts, trouwt met Aaltjen Engberts Bouwmeester.
1819: Koop Hendriks Kragt trouwt met Aaltjen Engberts Bouwmeester (2e huwelijk).
1847: Arend Blik trouwt met Mientje Kragt, dochter van Koop Hendriks Kragt en Aaltjen Engberts Bouwmeester.
1880: Koop Blik trouwt met Jentje Scholten. 1917: Jan Blik trouwt met Janna Blik.
1941: Gerard Stolte trouwt met Aaltje Blik. 1976: Verkoop van de boerderij.

Gerrit Jaspers
Voor Gerrit Jaspers in 1730 eigenaar werd van de boerderij was er, via zijn eerste huwelijk met Aaltjen Herms, weduwe van Hendrik Alberts, al sprake van een relatie met de Van Haersoltes.
In 1682 wordt Hendrik Alberts al vermeld in het register van Hoofdgeld. Als eigenaresse wordt dan vermeld de drostinne, Elisabeth Margaretha van Pallandt. Zij is de weduwe van Rutger van Haersolte, drost van Salland, de hoogste bestuursambtenaar van de regio. Hun huwelijk was kinderloos en na het overlijden van Elisabeth Margaretha gaan de landerijen uit haar bezittingen naar de familie Van Pallandt.
Gerrit Jaspers werd door zijn huwelijk met Aaltjen Herms eigenaar van een stukje grond dat zij had verkregen in haar eerste huwelijk met Hendrik Alberts. Van Hendrik Alberts zijn twee vermeldingen te vinden in het O.R.A. van Dalfsen. De eerste vermelding is in een koopakte waarin hij een smal stukje grond koopt in de zogenaamde Melenbleuke. Dat stukje grond moet gelegen hebben bij de Hulstkampenweg. Dit is af te leiden uit het feit dat Hilbert Jans en Arent Geerts in de akte genoemd worden. Zij waren ook landbouwers in Den Hulst. De tweede vermelding is in een koopakte uit 1687. Hendrik Alberts wordt daarin genoemd als buurman/eigenaar van een stuk grond in de Rouveensche Route en woonachtig in Den Hulst.
In 1748 was het aantal boerderijtjes in Den Hulst opgelopen tot acht en in 1795 was dat aantal bijna verdubbeld naar ongeveer vijftien.
Tussen 1730 en 1739 komt Gerrit Jaspers nog meerdere keren voor in aktes in het O.R.A. van Dalfsen. Hij koopt onder andere van de Heer van Boecop uit de Broekhuizen bij Ankum meerdere keren stukken grond in de Hooijslagen. Het gaat hem blijkbaar voor de wind, want in 1739 wordt hij vermeld in een akte waarin hij 250 gulden uitleent aan Berent Egberts Woertink uit de buurtschap Arriën bij Ommen.


De karakteristieke boerderij Hulstkampenweg 2, met rieten kap tot laag bij de grond, met schuur en hooiberg, gezien vanaf de zuidzijde

Uit het eerste huwelijk van Stijntjen Coops met Willem Janszoon zijn twee kinderen bekend:
Klaas (Willems) in 1706 en Hilligjen (Willems) in 1708. Zij is vermoedelijk al overleden voor 1715, omdat er dan weer een meisje met de naam Hilligjen (Gerrits) wordt gedoopt. Gerrit Jaspers krijgt in zijn tweede huwelijk met Stijntjen Coops zes kinderen: Aaltjen, gedoopt in 1712, Hilligjen in 1715, Jasper in 1718, Willem in 1721, Geesjen in 1724 en Coop in 1726.

Evert Klaassen
Hilligjen (Gerrits), de tweede dochter van Gerrit Jaspers en Stijntjen Coops, trouwt op 17 maart 1742 met Evert Klaassen, zoon van Klaas Janssen en Femma Coobsen. Zij krijgen twee kinderen: dochter Stijntjen (Everts), gedoopt in 1744, en zoon Klaas (Everts) in 1748.
In 1748 staan Evert Klaassen en Hilligjen Gerrits vermeld in het register van de volkstelling van dat jaar. In dat register wordt Gerrit Jaspers meegeteld als inwonende op deze boerderij en worden vijf dienstboden (personeel) vermeld en twee kinderen onder de tien jaar.
Dochter Stijntjen Everts blijft wonen op de boerderij van haar ouders.
Zoon Klaas Everts trouwt in 1767 met Trijntje Jans. Uit dit huwelijk zijn acht kinderen geboren. Een van deze kinderen, Gerrit Jasper, is vernoemd naar zijn grootvader van moederskant. Klaas komt met zijn gezin bij een volkstelling in 1795 niet op de lijst voor. Zij woonden dus niet in Den Hulst.

Egbert Thijs van Hulst

Stijntjen Everts, dochter van Evert Klaassen en Hilligjen Gerrits, trouwt in 1768 met Egbert Thijs van Hulst. Zij krijgen drie kinderen: Hilligjen in 1769, Gerrit in 1770 en Geesjen tussen 1770 en 1776 .
Egbert Thijs van Hulst is voor 1776 overleden, want in dat jaar is er een huwelijk tussen Stijntjen Everts en Klaas Arends (van Hulst). Klaas Arends noemde zich ook Van Hulst. Het kwam destijds wel vaker voor dat de naam van een boerderij of plaatsaanduiding werd overgenomen door een nieuwe bewoner.

Klaas Arends (van Hulst)
Stijntjen Everts trouwt als weduwe met Klaas Arends van Hulst. Het huwelijk vindt plaats op 11 maart 1776 in de kerk van Nieuwleusen. Haar huwelijk maakt het noodzakelijk dat er een zogenaamde momberstelling wordt opgemaakt. In een dergelijke akte werden de rechten van de kinderen uit het eerste huwelijk op een gedeelte van de nalatenschap van hun vader veilig gesteld. Vaak werd er uit beide families iemand benoemd tot voogd van de kinderen. De onderstaande akte uit maart 1776, opgemaakt in Dalfsen bij de schout Jan Fabius, geeft een goed beeld van wat er voor de kinderen werd geregeld.

Ik Jan Fabius wegens zijne hoogheyd der heere Prince van Orange en Nassau, erfstadhouder van de provincie van Overijssel etc.etc.etc. in den tijd schultus van Dalfsen doe cond en certificeere in en vermits dezen dat voor mij en ceurnoten (getuigen) Peter Baarslag en Anthony Bakker, persoonlijk erschenen sijn Stientjen Everts, weduwe wijlen Egbert Tijsch van Nieuwleusen, Zeggende haar wederom te willen en te moeten verandersaten,(trouwen) sijnde als momber (voogd) so veel als nodig geanuteert (overeengekomen) met Claas Arends haaren aanstaanden man. Sijnde de momber over haar en drie onmondige kinderen alhier mede prasent, waar mede over eengekomen was om aan desselve voor haar vaderlijke goed te zullen uitkeren aan ieder kind hondert carolie guldens en aan de zoon Gerrit Egberts de vaders klederen, linnen en wollen, zilver en goud en een kiste, en aan de dochters Geesjen en Hilligjen Egberts ieder een bedde met zijn toebehoren en ieder gouden krullen en spelden en een zilveren beugel en een bijbel met zilveren krappen en een kiste of kaste, en aan ieder kind een bruidegom of bruidskleet, vorders sal de moeder en stiefvader gehouden sijn gemelte kinderen te moeten onderhouden in kost en klederen tot 17 jaaren oud sijn en inmiddels lezen en schrijven laten leren, so bij een ander dienende, sieck of suchtig wierden ongetrouwt sijnde, ten allen tijde in het ouderlijke huis mogen inkomen en aldaar verpleegt worden tot herstelt sijnde toe. Vorders mede erschenen Jan Tijsch en Claas Everts en hebben de momberschap bij handtastinge aangenomen en belooft sig te sullen gedragen als goede en getrouwe mombers volgens landregte verpligt sijnde te doen. Voor waarheijds erkende hebbe ik schultus (notaris) deze getekent en gesegelt. maart 1776.

Uit het huwelijk van Klaas Arends van Hulst en Stijntjen Everts worden vijf kinderen geboren. Evertjen in 1776, Gerrit in 1779, Evertjen in 1781, Evertjen in 1784 en Arend in 1787. De beide Evertjens uit 1776 en 1781 zijn vermoedelijk al op jonge leeftijd overleden.
Ten tijde van de volkstelling van 1795 wonen er negen personen in het huis van Klaas Arends. Daar is als opmerking bij geschreven, “voorheen het Gerrit Jaspers.“ Deze vermelding levert het bewijs dat het hier nog steeds om dezelfde boerderij gaat.

Doortrekken Beentjesgraven
Gerrit Willem van Marle wil omstreeks 1791 de Beentjesgraven doortrekken richting de hoge veengronden voorbij Ommerschans/Balkbrug. Met het oog daarop laat hij een kaartje maken door N. ter Wolde waarop ook de grondeigenaren worden vermeld van wie men grond zou moeten aankopen. De stippellijn geeft aan waar het kanaal is gepland. Onder de L, in het midden van het kaartje, is op de plek van de sluis, een nieuwe sluis gepland, die later de naam Sluis 3 zal krijgen.
De tekening laat zien dat sommige noordelijk gelegen boerderijen door de aanleg van het kanaal zullen worden afgesneden van hun grond. Het kaartje laat tevens zien dat de broers Klaas en Hendrik Arends buren zijn. Naast het erf van Klaas Arends ligt aan de oostkant het erf van Hendrik Arends. Gaat het doortrekken van het kanaal door, dan zal de boerderij van Hendrik Arends de eerste zijn waarvan de boerderij aan de noordzijde en het land aan de zuidzijde van het kanaal komt te liggen.

In Mei 1798 is er in Dalfsen bij de schout (notaris) A.C. Bouwmeester een akte opgemaakt om de verdeling van de goederen te regelen van Arent Arends en Niesjen Claas, de overleden ouders van Klaas Arends (van Hulst).
Hendrik Arends, de oudste zoon, blijft met zijn vrouw Aaltjen Jans op de ouderlijke boerderij boeren. Ze moeten daarvoor wel de andere erfgenamen uitkopen.
Klaas Arends en zijn vrouw Stijntjen Everts krijgen uit de ouderlijke boedel 950 gulden en “een stuk land uit gemelde erve tegen sijn saaijkamp geleegen in de Smeule achter van der Kamp tot aan de grachtenwal.” (Daarmee wordt het kanaal bedoeld.)
Zijn zuster Geesjen Arends, getrouwd met Gerrit Koops, krijgt 1000 gulden en een vierde gedeelte van de eikenbomen die op genoemd erf staan.
De kinderen van zijn overleden zuster Aaltjen Arends, getrouwd met Coob Peters, krijgen samen uit de boedel 1250 gulden. Gezien de uitkeringen kan men gerust stellen dat de ouders van Klaas Arends goed geboerd hebben.

Gerrit Klaas van Hulst
Gerrit Klaas, de oudste zoon van Klaas Arends van Hulst en Stijntjen Everts, trouwt op 18 mei 1807 met Aaltjen (Engberts) Bouwmeester, gedoopt op 13 maart 1785. Zij is een dochter van Jan Engberts Bouwmeester en Janna Everts.
Op 16 juni 1807 wordt in Dalfsen bij de schout A.C. Bouwmeester een akte opgemaakt waarin Gerrit Klaas en zijn vrouw Aaltjen Engberts Bouwmeester voor een bedrag van 800 gulden de helft van al het vee, inboedel, gereedschappen en overige zaken overnemen van de ouders van Klaas. Ook wordt geregeld dat zij de grond bij de boerderij huren en vader en zoon het onderhoud van de gebouwen gezamenlijk zullen doen.
Gerrit Klaas van Hulst en Aaltjen Engberts Bouwmeester krijgen vijf kinderen: Stientje in 1808, Engbert in 1809, Klaas in 1812, Janna in 1814 en Gerrit in 1817.
In hetzelfde jaar waarin zijn jongste kind wordt geboren overlijdt Gerrit Klaas van Hulst, op 23 September 1817, pas 38 jaar oud.

Koop Hendriks Kragt
Weduwe Aaltjen Engberts (Bouwmeester) hertrouwt op 6 mei 1819 in Nieuwleusen met Koop Hendriks Kragt. Hij is een zoon van Hendrik Kragt en Klaasje Coops Klein, geboren op 4 september 1794 en negen jaar jonger dan zijn bruid. Uit dit huwelijk worden vijf kinderen geboren: Klaasje, 1820-1820, Hendrik, 1821- 1887, Jan, 1824-1896, Klaasje, 1826-1869 en Mientje, 1828-1910.

Wordt vervolgd.

* * *

Brief uit Leek, 10 mei 1945

Piet van Blanken

In het archief kwamen wij een brief tegen, geschreven in Leek op 10 mei 1945 door Piet. In de brief werd geen achternaam genoemd. Uit de tekst konden wij opmaken dat de briefschrijver een politieagent was, die schreef aan zijn ouders in Nieuwleusen. Wie was die agent? De bibliothecaris van ‘Historisch Leek’ wist ons meteen te melden wie het was: Pieter van Blanken (geboren 1909), gehuwd met Cornelia Elske Heemstra.
De brief, zo kort na de bevrijding geschreven, geeft een beeld van de dagen rond de bevrijding in Groningen. De toestand heeft veel gemeen met die in Nieuwleusen.


Beste ouders, zuster en broers

Het is vandaag Hemelvaartsdag, dat wij U even een klein briefje willen schrijven. Wij weten niet of u onze brief reeds ontvangen hebt, welke wij op 17 april schreven en welke vermoedelijk in Zuidwolde door iemand in de bus is gegooid, want wij hebben de laatste tijd niets van u gehoord.
Zoals wij in de vorige brief reeds schreven hebben wij hier niets van de oorlog meegemaakt, maar in Groningen, hier een uur vandaan, des te meer. Ik kan het de laatste tijd niet wachten (Ik heb het de laatste tijd heel druk - vertaling) en ben ook nog niet in Groningen geweest.
Zojuist trof ik hier echter een auto van De Graaf uit Dedemsvaart, die gerepareerd wordt. Deze wil wel een brief meenemen naar Dedemsvaart.
Het is hier alle dagen feest en vlaggen. Gisteren was het hier zwart van de mensen, maar er is geen drank en dus was het nogal rustig.
Ik ben hier op het ogenblik ook maar alleen als politie. De hoofdwachtmeester, die hier de laatste twee jaar tevens postcommandant was, is van zijn functie ontheven in afwachting van een onderzoek. Ik ben weer wachtmeester en heb weer het oude uniform aangetrokken, met de nestels op (een gevlochten koord op de schouder van het uniform). Allen zijn een rang terug gegaan, maar de salarissen zijn gelijk gebleven.
Met Corry en Gerard is ook alles nog best in orde.
Van Winschoten is niets dan narigheid te schrijven. Juist waar Heemstra woont hebben de Duitsers zich enige dagen verzet. Het huis waar Dirk woonde, dus juist over de brug, is met het paviljoen tot de grond toe afgebrand. Niets is eruit gekomen. Van de rij huizen verderop, samen negentien huizen, waar zwager Reintje woonde, zijn er zeventien door de Duitsers tot de grond toe afgebrand. Dus ook Reintje heeft niets meer dan datgene dat hij aan had. Al die mensen van die buurt hebben met z’n allen in de sloot gezeten terwijl de kogels over hen heen gierden.
Heemstra had het huis vol Duitsers, zowel voor als achter, en kon er zelf niet meer in verblijven. Daarom deed hij zijn bezittingen, zoals kleren, naaimachine, stofzuiger, vloerkleed, dekens, bedden enz., in grote kisten en bracht dat bij familieleden achter de steenfabriek in een huis dat afzonderlijk stond, denkend dat het daar veilig was. Ook dat huis en de steenfabriek zijn gebombardeerd en verbrand, zodat zij ook niets meer hebben aan kleren dan hetgeen zij aan hadden.
Toen Heemstra uit de sloot, waar zij de hele dag hadden gezeten, goed en wel thuis kwam en tot de ontdekking kwam dat zijn huis er nog stond, maar een paar grote gaten door granaten had gekregen, haalden zij hem op en werd hij ingesloten voor de u wel bekende reden. Er kwam daarna een bordje voor het raam te hangen met het opschrift ‘Rijkseigendom’, zodat dat ook niets meer is.
Dirk is zaakwaarnemer geworden op de boerderij van zijn vader, maar heeft natuurlijk niet veel te zeggen. Corry is er een keer geweest en het is heel wat voor haar en haar moeder. De baas zelf wilde niet anders en moet nu maar afwachten. Een paar uur voor hij opgehaald werd zei Dirk nog tegen hem: “Geef mij nou jouw goede fiets, dan krijg jij die van mij op rubberbanden, want ze kunnen jou wel eens komen ophalen. ” Maar hij gooide het ver weg en wilde er niets van weten. Met hem is gewoon niet te praten, hoewel het op andere punten een heel beste kerel is en hij ook in de oorlogsjaren veel mensen heeft geholpen en velen goed heeft gedaan.
Hier zitten nu honderd NSB’ers. Wij zijn al ruim twee weken bezig om die mensen te (ver)horen en het verveelt ook op den duur met dat mooie weer.
Gisteren hadden wij hier een optocht van Zevenhuizen, bestaande uit honderdvijftien wagens vol mensen en daarvoor liepen honderdtien paarden. Allemaal versierd en dat binnen een dag voor elkaar gekregen. Leek heeft zelf ook een mooie optocht, maar Zevenhuizen speelde de boventoon.
Wij zouden wel graag eens naar Nieuwleusen komen en doen dat ook zo gauw mogelijk, maar er is op het ogenblik nog niet het minste uitzicht op.
Nu, schrijf spoedig terug, het beste en de groeten: Piet, Corry, Gerard.

Toelichting: De ouders van Piet(er) van Blanken kwamen in 1930 van Zuidwolde naar Nieuwleusen, waar ze woonden op een huurboerderij, Westeinde 41. Zij kregen tien kinderen waarvan Pieter de oudste was, geboren in 1909 in Zuidwolde, en Jan de jongste, geboren in 1927. Piet heeft waarschijnlijk zelf niet of maar heel kort in Nieuwleusen gewoond, want hij kwam op 8 april 1931 in dienst bij de marechaussee. In juli 1937 werd hij van Groningen naar de opleidingsschool voor de rijksveldwacht te Amsterdam gestuurd. In januari 1938 werd hij aangesteld als rijksveldwachter te Kimswerd. Hij trouwde toen, 28 jaar oud, in 1938 in Winschoten met Cornelia Elsje (Corry) Heemstra, 27 jaar oud, dochter van Albert Heemstra en Hinderika Mooi. In juli 1938 werd hij overgeplaatst naar Zevenhuizen en ging in 1941 over op de marechaussee in Leek, omdat de rijksveldwacht als korps werd opgeheven.
Ten tijde van de brief hadden ze een zoontje, Gerard. Of Piet zijn moeder na de oorlog nog heeft gezien? Zij overleed op 27 december 1945. Op een foto, in 1948 gemaakt ter ere van de thuiskomst van Jan van Blanken uit Nederlands Indië, in de Beeldbank met nummer 15402, staat ook een man in politie-uniform. Dat zou Piet kunnen zijn.



* * *

De handel in vee

Henk Huls

Ieder dorp had meerdere veehandelaren. Eén van de handelaren die diverse veemarkten bezocht was Jan Huls (1923-2004)

Jan Huls is in 1942 getrouwd met Jentje Kragt (1923-2017). Zijn schoonvader Jan Kragt (1895- 1934) was al op negenendertigjarige leeftijd aan TBC overleden. Na het overlijden van zijn schoonmoeder Jentje Kragt (1893-1954) werd de boedel verdeeld en namen Jan en Jentje de boerderij, met ongeveer zes ha land, Hoofdvaart ZZ 83, over. Het adres is nu Den Hulst 21.
Op 31 maart 1941 had Jan zijn diploma Algemene landbouwcursus gehaald. Naast het melkvee werden in de eerste huwelijksjaren ook nog wat varkens en kippen gehouden. Het was natuurlijk geen vetpot in die tijd.
In 1948 kreeg Jan iets met zijn linker heup. Hij heeft er (te) lang mee in het gips gelegen en is behandeld in ziekenhuizen in Meppel en Utrecht.
Uiteindelijk werd zijn heupgewricht vastgezet. Daardoor kon hij moeilijker lopen en zitten. Dat beperkte hem ook in zijn werk op de boerderij. In de vijftiger jaren had hij een, voor die tijd, middelgroot melkveebedrijf, met zo’n vijftien koeien. Mogelijk dat hij vanwege zijn beperking zich begin jaren vijftig meer is toe gaan leggen op de. veehandel. Hij is in ieder geval flink aan het studeren geslagen en haalde in korte tijd:
-.Diploma vakbekwaamheid als handelaar in slacht- en fokvarkens, 29 oktober 1953.
-.Diploma vakbekwaamheid als handelaar in rundvee, 10 juli 1954
-.Middenstandsdiploma, juli 1954.
Op basis van deze diploma’s kreeg hij op 1 december 1954 een “Erkenningskaart” van de ‘Centrale organisatie voor den veehandel’.


De binnenkant, met foto, van de Erkenningskaart, in 1954 door de Centrale Organisatie voor den Veehandel uitgereikt aan Jan Huls

Jan Huls handelde voornamelijk in rundvee, pinken en melkvee. De boeren hielden zelf een paar kalveren van hun beste melkkoeien en de overige werden door kalverhandelaren opgekocht voor slachterijen en stierkalveren voor kalvermesterijen. Jan bezocht wekelijks drie veemarkten: op dinsdag Groningen, donderdag Hoogeveen en vrijdag Zwolle. Groningen en Hoogeveen vooral om vee in te kopen en Zwolle om het ingekochte en ingeruilde vee weer te verkopen. Na terugkeer van de markten in Groningen en Hoogeveen kwamen de boeren die een goede melkkoe zochten langs om te kijken of er iets voor hen bij zat.

De markt in Hoogeveen is later naar maandag verzet, omdat een andere grote veemarkt naar donderdag ging. Naast de weekmarkten werden in de herfst ook enkele jaarmarkten bezocht, zoals die in Zuidlaren en Winsum. Ook Roden werd eerder altijd bezocht.
In Winsum kocht Jan Huls soms wel twintig koeien; het melkvee uit die omgeving paste goed bij de wensen van de boeren in zijn klantenkring. Niet alleen de hoeveelheid melk die een koe gaf was belangrijk, ook het vetgehalte.
Het vervoer van het vee werd gedaan door J. Borger; later door de Gebroeders Runhart. Eerder kwam G. Klein uit Balkbrug ook wel eens. Als er veel dieren gekocht waren, bijvoorbeeld in Winsum, kwam J. Drost uit Koekange deze brengen.

De eerste jaren had Jan Huls nog geen auto. Zijn klanten bezocht hij op de fiets en later op een Mobylette bromfiets. Naar de markten reed hij de eerste jaren mee in de cabine van de vrachtwagen en dan gingen meerdere kooplui mee. Het zal dus wel een dubbele cabine zijn geweest. Pas later ging hij met een auto naar de marktplaatsen. Naar Groningen ging hij altijd samen met een aantal andere handelaren.
Alles werd contant afgerekend. Er gingen duizenden guldens mee, in een portefeuille in de binnenzak, vastgemaakt aan een ketting om de nek. Als je dan met vier handelaren naar de markt ging, zat daar voor een best kapitaal in de auto. Ik kan me niet herinneren dat de handelaren wel eens beroofd werden.
In 2001 brak in Nederland mond-en-klauwzeer (MKZ) uit. Los vee verhandelen mocht niet meer, de kans op ziekteverspreiding was te groot. Dat betekende het einde van de Zwolse veemarkt. Ook de meeste andere veemarkten sloten de deuren; enkele bleven open, waarvan Leeuwarden de grootste is. Voor de nog bestaande markten gelden strenge regels. Hoofdregel is dat een dier dat op de veemarkt is geweest niet terug kan naar een bedrijf. Dat houdt in dat een dier dat op de markt is geweest naar het slachthuis moet. Zo komen er op de markt in Leeuwarden toch nog wel honderden dieren die door de inkopers van slachterijen worden opgekocht.
Voor Jan Huls was die handel geen optie, aangezien hij veel gebruiksdieren verhandelde. En ook moesten deze markten in het begin nog weer worden opgezet. Hij is daarom gestopt. Wat voor hem op zijn leeftijd ook het beste was.


Jan Huls omstreeks 1985 op de veemarkt in Zwolle. (Uit Fotoboek ‘Veemarkt Zwolle 1984-1987,’met toestemming: Gerard Kuster.)

* * *

Dansclub Harjo

Klaas Dijk

Nieuwleusen kent een rijk verenigingsleven. Steeds weer hebben mensen zich ingezet om samen activiteiten te ontplooien op het terrein van kerkenwerk, zang, toneel, muziek, sport, buurtwerk, kaart- en biljartclub, cursussen en dienstverlening. Zo ontstonden op velerlei terreinen verenigingen en groepen waar mensen rond eenzelfde interesse bij elkaar kwamen om zich in te spannen of te vermaken. Sommige verenigingen zijn al heel oud en hebben een groot ledenaantal, andere gingen ter ziele en kleinere leiden een onopvallend bestaan.




Dansclub Harjo is een vereniging waar weinig mensen van hebben gehoord. Toch bestaat de club al ruim veertig jaar. Een feestprogramma met een logo met die naam maakte ons nieuwsgierig. Klaas Dijk wist er alles van. Hij vertelt: Het idee om een dansclub op te richten kwam van Berend Jan Scholten, Jan Katoele en Bertus Langevoort. De laatste woonde in Berkum, maar alle drie waren ze werkzaam bij de ABN-Amrobank in Zwolle. Het leek hen leuk om met hun echtgenoten in Nieuwleusen op vaste avonden bijeen te komen en het stijldansen, waar ze in hun jonge jaren zo van hadden genoten, weer op te pakken.
Als locatie hadden ze de zaal van café-restaurant De Viersprong in gedachten en dat werd goed ontvangen.
Ze probeerden wat deelnemers voor hun plan te vinden. In de vriendenkring en bij familie was voldoende belangstelling om in 1979/1980 te starten. Als leiders-dansleraren werd het echtpaar Harm en Jo van Lente uit Dalfsen, met Nieuwleusense roots, gevraagd. Zij zorgden ook voor de muzikale begeleiding.
Om de veertien dagen kwamen de leden van de club op maandagavond bij elkaar, acht keer voor de kerstdagen en acht keer in het nieuwe jaar.
Uitgangspunt waren de ballroomdansen of stijldansen zoals op de dansscholen beoefend werden: foxtrot, tango, quickstep, slowfox, Engelse wals en Weense wals. Ook de ouderwetse dansen, zoals de Spaanse wals, veleta, kruispolka en sitaki, kwamen aan bod. In principe kon iedereen met iedereen dansen, maar meestal kozen de echtparen elkaar als danspartner.
De dansavonden begonnen om acht uur en om half elf was de afsluiting, met daartussen twee keer een pauze, de eerste keer voor koffie en later voor een drankje en om gezellig met elkaar te praten.
De club is begonnen in de grote zaal van De Viersprong, maar Koop en Marjo Reurink- Schoemaker besloten op een zeker moment de zaal een nieuwe bestemming te geven en in te richten als restaurant. De dansclub kwam toen in de kleinere Trommelzaal terecht.
Op een gegeven moment werd bedacht dat de club een naam moest krijgen. De deelnemers konden hiervoor namen aandragen. Gekozen werd voor de naam die Jan en Jentje Kragt hadden ingediend, “Harjo”, afgeleid van Harm en Jo van Lente.
Af en toe kregen de deelnemers bijscholing van dansschool Drenth om de danskunst wat op te frissen en minder vaak gekozen dans weer beter onder de knie te krijgen.
Aan het einde van het seizoen maakten de leden er een gezellige avond van, met livemuziek van onder anderen Aalt Westerman en Jannes Kleene. Ook werd er een stoelendans gehouden en met de bingo waren leuke prijzen te winnen.
Hoewel er bij De Viersprong altijd tot volle tevredenheid gedanst was, bleek de Trommelzaal toch wat aan de kleine kant. Toen na de grote verbouwing bij ‘t Witte Peerd daar op de bovenverdieping weer een grote zaal, met een goede geluidsinstallatie, vrij kwam, werd besloten om te verhuizen naar die mooie zaal.
De dansclub bestaat nu ruim veertig jaar. Voorzitters waren Marten Praas, Henk Prins, Klaas Dijk en Dick Gerritsen. Nu is dat mevrouw N. Koersen-Westerhof uit Dalfsen. De club heeft dus al een lange historie. Het ledenaantal is daardoor wel teruggelopen, want de leeftijd van de deelnemers spreekt ook een woordje mee en jongeren houden schijnbaar niet meer zo van stijldansen.
In de eerste jaren waren er meestal zo’n twintig dansparen, nu zijn dat er nog zo’n twaalf.



Dansclub HARJO, opgericht in 1979/80, in 1985 bij haar eerste lustrum.

1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  
10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  

Jan Dijk
Klaas Spijker
Johan Rijkeboer
Jan Visscher
Jan Schuurman
Piet Groen
Marten Praas
Klaas Dijk
Henk Ruitenberg
Henk Boesenkool
Jan Kragt
Dini Scholten-Spijker
Aaltje Dijk-Schuurman
Hendrikje Praas-Visscher
Riek Rijkeboer-Jalving
Adrie Kalshoven
Albert Scholten

18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
 
26  
27  
 
28  
 
29  
 

Bert Kalshoven
Gerrit van Veen
Willem Schoemaker
Aaltje Scholten-Bijker
Hendrik Jan Boer
Katrien Boer-Groen
Aaltje Praas-Bouwman
Klaasje Schoemaker-van de Kolk
Riek Ruitenberg-de Boer
Aaltje Schuurman-de Weerd
Henny van de Kolk-Compagner
Zwaantje van Veen-Reeringh

30  
31  
32  
33  
34  
35  
36  
37  
38  
 
39  
40  
41  
42  
43  
 

Gerrit van de Kolk
Jan Katoele
Gerrie Katoele-Veldink
Dini Langevoort-Nijland
Harm van Lente
Jo van Lente-van Marle
Sophie Scholten-Klein
Berend Jan Scholten
Grietje ten Hove-Eikenaar
Bé ten Hove
Bertus Langevoort
Mini Groen-Praas
Jentje Kragt-Mulder
Annie Boesenkool-Pasman

* * *

Zoekplaatje

We hebben op alle foto’s uit ons vorige Kwartaalblad reacties gekregen.
Foto 34 (07663), gemaakt rond 1926, de op dat moment nog vrijgezelle vrienden (zittend) Hendrik Timmerman (1904-1973) en Hendrik Toersen (1905-1984).
Foto 35 (vx121) Het bruidspaar is: Jan le Févre (beroepsmilitair) en onderwijzeres Hermina (Minie) de Lange (geb. 1933, een buurmeisje van turfschipper Krul). Van het bruidsmeisje is de naam (nog) niet bekend.
Foto 36 (vx122) De man is wellicht een zoon van F.J. Weening (procuratiehouder bij de Union), maar echt zeker is dat niet.
Foto 37 (vx149) Jan van Blanken met rechts zijn latere echtgenote Annigje van Dorsten en links Peternella van Blanken (een zus van Jan).
Iedereen ontzettend bedankt voor het reageren.

Deze keer:
Foto 38 (14280) Sjoelkampioenen in de Hulstkampen. Rechts Agnes Sanders en Jan Harke.
Foto 39 (16260) een voetbalteam van USV waarvan we alleen weten dat nr. 7 Henk v.d. Berg is.
( Reactie van Riet Kamerman met 4 van de 11 namen)
Foto 40 (vx120) een bruidspaar. (op de achterkant van de foto staat geschreven Gerritsen)
Foto 41 (aa012) Bouwvakkers en notabelen voor het in aanbouw zijnde gemeentehuis.
Alle foto’s kunt u vinden op www.beeldbanknieuwleusen.nl door in het zoekveld het nummer in te toetsen dat tussen ( ) staat achter 38 t/m 41. Bij de foto’s vindt u ook het reactieformulier. Een e-mail naar redactie@ palthehof.nl kan natuurlijk ook. Mocht dit allemaal niet lukken dan mag u de eindredacteur bellen.









Jaargang 39 Nummer 3 september 2021


* * *

Foto voorpagina:

Uitsnede Plattegrond Landgoed Rollecate, na restauratie in zomer 2021.
Foto Dick Klinkenberg

* * *

Van de redactietafel

Gé Evertsen–Boer gaf aan dat in het vorige Kwartaalblad bij de foto van dansclub Harjo bij Nr. 22 Hendrik Jan Broek staat genoemd. Dat moet zijn Hendrik Jan Boer, haar vader en die staat naast haar moeder Katriena Boer-Groen.

Hilly Douma schreef: In ‘De handel in vee’ wordt op pag. 29 G. Klein als veevervoerder uit Balkbrug genoemd. Dat is niet juist. G. Klein had een veetransportbedrijf in Nieuwleusen. Wij vroegen het na en Jan Huls schreef: Inderdaad was het veetransportbedrijf van G. Klein in de Kerkenhoek gevestigd, aan de oostkant van installatiebedrijf Schiphorst. Er waren verschillende varkenshandelaren die Klein heetten. Klein aan De Meele. Die had twee zonen die ook varkenshandelaar waren. Dat was Hendrik Klein aan Den Hulst aan de overzijde, de noordkant van het kanaal, waar ik altijd zaken mee deed, en Eppie Klein, die het bedrijf van zijn vader aan De Meele heeft overgenomen en waar ik later ook zaken mee deed toen zijn broer Hendrik overleden was. Ik heb trouwens enkele leuke reacties gehad op het artikel. Ook vanwege de duidelijke foto’s.

Griet van der Wal-Brinkman, geboren en getogen op het adres Meeleweg 1, reageerde op de beschrijving bij de voorplaat van het vorige Kwartaalblad. Daar staat: “kruispunt van de zandwegen Meeleweg en Hulstkampenweg”. In de tijd dat dit een zandweg was, heette de Meeleweg tot aan de Jagtlusterallee nog Koeweg. Wanneer de naamswijziging plaatsgevonden heeft en de Koeweg ook Meeleweg is gaan heten, wist ze niet. “Misschien kunnen jullie gegevens vinden waaruit blijkt wanneer en waarom deze naamswijziging heeft plaatsgevonden.”
Wij hebben het nagezocht en kwamen daarbij ook de naamgeving van de Hulstkampenweg tegen.
Het gebruik van de Koeweg komt in beeld in een fragment uit “Een verhaal over de droogte in 1911” (3e jaargang, maart 1985): “Men trok met het melkvee, nadat het ‘s morgens eerst gemolken was, naar het lager gelegen gebied tussen de spoorlijn en de grote weg. Om een uur of acht ging men weg en ‘s avonds tussen zes uur en half zeven was men terug. Daarna moesten de koeien nog gemolken worden. Het trekken met het vee uit de Schuthoek en de Meele over de Koeweg en de Meeleweg naar het westen over het spoor gebeurde ongeveer gedurende zes weken. Het vee liep daar vrij rond en de oppassers lagen bij het brughuis onder de bomen. Dit was bij de brug die aan het eind van de Meeleweg over het Lichtmiskanaal lag. Deze brug werd ook wel ‘Hooibrug’ genoemd.”


Uitsnede uit “Plattegrond van het landgoed Rollecate”, koeiendrijven op de Koeweg. Al vanaf het in cultuur brengen van de omgeving trok men ‘s zomers met de koeien naar de lagergelegen weidegebieden.

In de Kwartaalbladen, 3e jaargang, juni en september 1985, is de uitkomst beschreven van het werk van de “Commissie Naamgeving Wegen Nieuwleusen” onder voorzitterschap van burgemeester J. Hoekstra.
Hieruit enkele delen.
Tijdens de tweede ruilverkaveling waren de kavels verbeterd en over nieuwe verharde wegen toegankelijk geworden. Voordat de verharding plaatsvond waren veel wegen naamloos. Dat kon zo niet blijven en daarom werd in 1954 de commissie ingesteld om alle wegen van een naam te voorzien en zo mogelijk bestaande namen te doen herleven.
Ook ten westen van de Ommerdijk zijn wegen met namen die naar het oordeel van de commissie gehandhaafd dienden te worden, omdat ze goed waren ingeburgerd. Tot deze wegen behoorden het Zandspeur, gelegen tussen Ommerdijk en Jagtlusterallee, en de Jagtlusterallee, van Westeinde tot aan de Rollecaterbrug over de Dedemsvaart. Ten noorden van het Zandspeur liep een weg langs het huis van wethouder De Boer naar de Hoofdvaart ZZ. Aanvankelijk kon men geen naam voor deze weg vinden.
Omdat één der commissieleden misschien onderwijs heeft genoten van meester Eshuis, kwam men op het idee deze weg naar het vroegere hoofd der school te noemen; Eshuisweg. Een zijweg van deze weg liep al kronkelend naar de Meeleweg. Omdat deze betrekkelijk korte weg rijkelijk voorzien was van bochten, werd Kronkelwegje een passende naam gevonden. In een latere vergadering kwam men hierop terug en werd Hulstkampenweg voorgesteld, een naam afgeleid van Hulstkampen, een complex gronden tussen Zandspeur en Hoofdvaart.
Eveneens tussen Westeinde en spoorlijn lag een weg met de vanouds bestaande naam Koedijk. Zonder omhaal besloot de commissie deze naam te laten voortbestaan. Vanaf de Koedijk naar de Meeleweg lag een weg door de vroeger bestaand hebbende gemeenschappelijke weide, de zogenaamde meent. Het was een laaggelegen gebied dat ‘s winters volop onder water stond. Schaatsenrijden op het Meentje was een geliefde bezigheid. Voorgesteld werd de weg door dit gebied Meentjesweg te noemen.
Naar het oordeel van de commissie was Meeleweg een goed ingeburgerde naam voor de weg vanaf Sluis 3 tot aan de Rijksstraatweg Zwolle - Meppel. Hoewel het eerste gedeelte, van Sluis 3 tot aan de Jagtlusterallee nog dikwijls Koeweg werd genoemd, vond men het beter deze niet zo bekende naam te doen verdwijnen en de gehele weg Meeleweg te noemen. De Ommerdijk kreeg, tenslotte als laatste, ook een nieuwe naam: Burg. Backxlaan. Het Zandspeur wordt in kranten heel lang Zandspoor genoemd.
(Redactie).

* * *

Restauratie plattegrond van het landgoed Rollecate

Plattegrond van het Landgoed Rollecate, gelegen in de provincie Overijssel en toebehorende aan den Hoogwelgeboren Heer W.J. Baron van Dedem tot den Berg, Lid van de Ridderschap en Provinciale Staten enz. enz. enz. Opgemeten en in kaart gebracht door Hawig gew. Landmeter van de 1e klasse van ‘t Kadaster. (Tekst zoals aangegeven op de kaart).

De plattegrond van het landgoed Rollecate, zoals het er omstreeks 1850 uitzag, hing vele jaren ingelijst in de gang van het gemeentehuis van Nieuwleusen, nabij de trap naar de trouwzaal.
Op foto’s van bruidsparen is de plattegrond soms op de achtergrond te zien. Op zeker moment is ter bescherming van de tekening plakfolie over deze unieke en kwetsbare, papieren weergave van het landgoed geplakt. Dat gebeurde met de beste bedoelingen, want men wist en vermoedde toen niet dat de lijm in de loop der tijd de afbeelding zou gaan aantasten en verkleuringen zou veroorzaken.

Dankzij de opbrengst van de Rabo Clubsupportactie 2020 en een ruime DNA van Dalfsen-subsidie kon de plattegrond in 2021 worden gerestaureerd. Dit is op deskundige wijze gedaan door KOP Papierrestauratie te Elst. De lijm is verwijderd en uv-werend glas beschermt de kaart nu op veilige wijze. De oorspronkelijke kleuren komen weer naar voren en de omvang van het landgoed en de verscheidenheid van land- en parkinrichting is weer goed zichtbaar; aan de noordkant van het kanaal de villa, tuin en park, omsingeld door de gracht, zeilschepen op het water, vee en voertuigen op de wegen, akkers en weiden, met aan de zuidkant van het kanaal een duiventil in het land, twee kalkovens links aan de westkant bij het kanaal en rechts aan de oostkant Sluis 3.
De twee kalkovens werden in 1843 genoemd als plek waar verschillende mensen werk vonden. Kort na 1900 zijn ze afgebroken Op ongeveer dezelfde plek herinnert nu de Kalkovenweg op het industrieterrein De Grift aan deze alweer lang verdwenen industrie.

Willem Jan baron van Dedem was vanaf 1809 volop aan de slag met het graven van het kanaal dat later naar hem zou worden vernoemd, de Dedemsvaart. De aanleg van het kanaal begon in 1809 en gebeurde met private gelden.
Omstreeks 1820 liet Willem Jan het familiehuis in Vollenhove afbreken en herbouwen aan de noordkant van zijn kanaal, tegenover de Jagtlusterallee. De villa stond dicht op het kanaal, zodat de baron vanuit zijn werkkamer kon genieten van het inmiddels drukke scheepvaartverkeer.
Dat deze bouw in 1820 plaatsvond is heel bijzonder gezien de financiële perikelen rond het enorme kanaalproject. De erven Van Marle hadden in 1817 al een lening van ƒ 430.000,-- verstrekt en in 1820 nog eens een lening van ƒ 350.000,--. In 1926 waren de financiële grenzen van de familie Van Dedem-Van Marle bereikt en moest Van Dedem het kanaalproject overdoen aan het Rijk.
Bij de overname wist hij te bedingen dat hij het project weer in eigendom zou krijgen wanneer hij de financiën weer op orde had.
Twee jaar later in 1828 was dat het geval en deed hij nieuwe pogingen om zijn kanaal te voltooien, maar in 1845 leed het opnieuw financieel schipbreuk. Er kwam een openbare veiling. De provincie Overijssel kocht het project. Op dat moment was de Dedemsvaart over 40 kilometer uitgegraven en er moest nog zo’n 20 kilometer gegraven worden om het uiteindelijke doel te bereiken: een verbinding met de Vecht maken.
Hoe bijzonder de werkzaamheden waren die Van Dedem voor elkaar wist te krijgen blijkt wel uit enkele fragmenten uit reisbeschrijvingen van die tijd.
15 juli 1823:
“Waar vóór twee jaren alleen barre heide was, staat nu reeds welig hout en koren, zijn bloemperken en vruchtboomgaarden aangelegd en prijkt het heerlijk huis, dat van Vollenhove derwaarts gevoerd is, en aangenaam over de vaart hangt. “
“De vaart is zeer breed en voldoende diep. In 1819 zag mijn reisgenoot hier een vloot van zeventig turfschepen zeilen. Met gunstige wind kunnen de schepen van de Ommervenen in een dag te Amsterdam zijn.” (Jacob van Lennep)
Een andere reiziger schreef in 1840: “Op het buitengoed van de Rollecate bevond zich aanvankelijk geen hoogveen, het was een wild en drassig oord. Na de aanleg van de Dedemsvaart zijn er mooie weilanden waarop runderen worden geweid, groeien er eiken, beuken, populieren, hakhout en vreemde heesters, maar vooral verdient de tuin, als een van de grootste en mooiste tuinen van Overijssel, geroemd te worden. Deze is verrijkt met een overvloed van de edelste fruitbomen en tegen de muren prijken uitmuntende wijnstokken. De gracht die achter langs het woonhuis loopt en door een beurtschip bevaren kan worden, wordt ook als bewaarplaats voor vis gebruikt. Er zijn kelders voor het bewaren van ijs en groenten. De inrichting van de stallen is zeer doelmatig. De paarden staan in aflopende vloeren, wat de zindelijkheid bevordert en de gezondheid van de paarden. Wij zagen er het boterkarnen, dorsen, doppen en haksel snijden door één en hetzelfde werktuig uitvoeren. In één woord, men vindt hier het nuttige in alles met het aangename verenigd.”


Plattegrond van het landgoed Rollecate, na restauratie komen de kleuren weer goed naar voren

Na Willem Jan baron van Dedem hebben nog twee generaties op de Rollecate gewoond.
Coenraad Willem was burgemeester en notaris in Nieuwleusen en Dedemsvaart en woonde voornamelijk op Huize Moerheim in Dedemsvaart.
Zijn zoon, Willem Jan, besteedde juist heel veel aandacht aan het landgoed en maakte er een welvarende proefboerderij van, met daarbij een grote nieuwe veestal aan de Schapendijk, waar mensen uit de hele wereld kwamen kijken. Hij stierf kinderloos en in 1931 is het huis afgebroken om de verkeersweg aan de noordzijde van het kanaal rechtdoor te kunnen trekken. Het rentmeesterhuis is nog aanwezig. De nu zo mooi gerestaureerde plattegrond geeft ons nog een indruk van de glorie van het landgoed.

* * *

Een oud boerenerf in Den Hulst (deel 2)

René Fokkert

In de vorige aflevering is beschreven hoe halverwege de zeventiende eeuw de buurtschap Den Hulst is ontstaan. De Leusener Compagnie had een nieuw kanaal gegraven, waardoor de Beentjesgraven geschikt was gemaakt voor de turfvaart. De bewoners van het oude boerenerf Hulstkampenweg 2 noemden zich drie generaties Van Hulst, daarna veranderden door huwelijken de namen van de eigenaars regelmatig.

Op 9 maart 1824 brengt Stijntje Everts als boedelhoudster van de onverdeelde boedel van Klaas van Hulst voor het eerst een bezoek aan notaris Anthonius Nijlant en J.P.J. de Quay, vrederechter van het kanton Ommen. Eind 1823 zijn alle bezittingen beschreven en getaxeerd. Er blijken maar liefst zeven geldleningen uit te staan voor een totaalbedrag van 1975 gulden. In de uitvoerige beschrijvingen van de boedel zijn ook het erf en de opstallen als volgt beschreven.
No.1a: Een huis gemerkt no.76, bestaande uit een keuken en deel en het oude huis, hiervan gescheiden door de muur van de kelder in het oude huis, dan enigszins schuin over de deel en dan recht aan op de daar tegenover staande buitenwand van de stal, getaxeerd op 700 gulden.
No.2a: Twee kamers met de deel of oude schuur, tot voorbij de karnmolen, met de gang aan de kant van het eerste perceel, tot waar dit perceel eindigt, getaxeerd op 600 gulden.
No.3a: Een schuur naast het eerste perceel, getaxeerd op 150 gulden.
No.4a: Een schaapschot, getaxeerd op 100 gulden.
No.5a: De grote hooiberg, staande voor het oude huis, getaxeerd op 75 gulden.
No.6a: De kleine hooiberg, naast de schuur, getaxeerd op 70 gulden.

Uit de beschrijving is af te leiden dat er destijds op het erf een oude en een nieuwe boerderij stonden en gezien de vreemde scheiding tussen het oude en nieuwe gedeelte lijkt het erop dat deze aan elkaar gebouwd waren. Bovendien waren er een karnmolen en twee hooibergen aanwezig.
De grootte van de landerijen bedroeg circa 66 hectare, waarvan 16 hectare bij de boerderij in de Hulstkampen. Dan was er nog het recht van 16 pinkenweiden in de Haarster marke, getaxeerd op 150 gulden. Alle bezittingen tezamen zijn getaxeerd op 12.670 gulden. Omgerekend naar de huidige geldwaarde zou dat ongeveer 300.000 euro zijn. De helft van de bezittingen blijft in eigendom van Stijntje Everts zelf, de andere helft wordt verdeeld onder de andere gerechtigden.
Een kwart gaat naar Evertje van Hulst en de andere kwart naar de minderjarige kinderen van Klaas van Hulst.

In juli 1827 verkoopt weduwe Stijntje Everts de helft van de boerderij met bijna 13 hectare grond in Nieuwleusen en 0.92 hectare grond in Rouveen aan haar schoonzoon Koop Kragt en zijn vrouw Aaltjen Engberts (Bouwmeester). Op 11 december 1827 overlijdt Stijntje Everts, amper vijf maanden na deze verkoop. In november 1855 wordt er bij het kadaster een akte ingeschreven aangaande de verdeling van de onroerende goederen van wijlen Koop Kragt, overleden 11 augustus 1854, en zijn vrouw Aaltje (Engberts) Bouwmeester, overleden 8 maart 1854. Deze akte is maar liefst 38 bladzijden dik. Het door Koop Kragt zelf bewoonde erf is een onverdeelde boedel.
De boerderij van Koop Kragt in Den Hulst is getaxeerd op 10.520 gulden. Het totaal van zijn bezittingen bedraagt ruim 25.000 gulden.
Koop was ook nog voor de helft eigenaar van de boerderij van zijn broer Gerrit Kragt (Westerveen 39), verschillende percelen grond in de gemeente Dalfsen en percelen grond in de Oudleusener marke en Zwollerkerspel.
De vier kinderen van Koop Kragt en Aaltje (Engberts) Bouwmeester krijgen uit deze verdeling, ieder onroerende goederen ter waarde van 3217 gulden. Doordat Aaltje Bouwmeester, ook Aaltje Engberts genoemd, eerder getrouwd is geweest met Gerrit van Hulst, zijn er ook nog vijf kinderen uit dat eerste huwelijk die meedelen in de boedel. Al met al een uiterst ingewikkelde beschrijving en verdeling van de gronden en gebouwen.
In deze verdeling delen o.a. mee: Engbert van Hulst, Klaas van Hulst, Gerrit van Hulst, Janna van Hulst met echtgenoot Klaas Prins, Stijntje van Hulst met echtgenoot Gosen Snijder en de kinderen uit het tweede huwelijk, Hendrik Kragt, Jan Kragt, Klaasje Kragt met echtgenoot Derk Hof en Mientje Kragt met echtgenoot Arend Blik.


Uittreksel uit het bevolkingsregister van Arend Blik 1825 tot Evert in 1860

Arend Blik
Mientje Kragt, dochter van Koop Kragt en Aaltje (Engberts) Bouwmeester, trouwt op 31 augustus 1847 te Nieuwleusen met Arend Blik, geboren op 7 mei 1825 te Rouveen, zoon van Evert Jans Blik en Aaltje Hendriks Katoele.
Uit dit huwelijk zijn negen kinderen geboren, Evert, 1847-1847, Aaltje, 1849-1902, Hermina, 1852-1926, Koop, 1856-1916, levenloos kind 1859, Evert, 1861-1865, Hendrik, 1863-1938, Jan, 1865-1932, en een levenloos kind in 1868.
Arend en Mientje wonen aanvankelijk in bij de ouders van Arend in de Rouveense Hulst, gemeente Staphorst. Daar zijn de oudste twee kinderen geboren.
Op 7 juni 1855 wordt het gezin ingeschreven in Nieuwleusen en gaat op de boerderij van Mientjes overleden ouders wonen, waar tot dan toe ook haar broer Jan en zijn gezin nog woonden.


De kinderen van weduwe Mientje Blik-Kragt laten na haar overlijden heel wat veilen: vee, huisraad, gereedschappen en behoorlijk wat houtopstanden die op het erf en de daarbij behorende gronden stonden

Bij de verdeling in november 1855 is de boerderij en zo’n 7 ha grond toegedeeld aan Arend en Mientje. Bij die verdeling is de eens zo grote boerderij in Den Hulst behoorlijk versnipperd geraakt en zal nooit meer de ontzagwekkende omvang krijgen.


Bij het volgen van de familiegeschiedenis komen wij ook de maatschappelijke veranderingen tegen. In de advertentie wordt de aanwezigheid van de stoomtram als een gunstige bijkomstigheid genoemd

Arend Blik is op zevenenzeventigjarige leeftijd overleden, op 21 november 1902, en zijn vrouw Mientje Kragt op eenentachtigjarige leeftijd, op 14 april 1910.

Koop Blik
Als oudste zoon volgt Koop Blik zijn vader op als landbouwer op de boerderij aan de Hulstkampenweg. Hij trouwt op vierentwintigjarige leeftijd op 25 september 1880 met Jentje Scholten, dan eenentwintig jaar oud. Zij is een dochter van Jan Scholten en Evertje Dijk. Uit dit huwelijk zijn vier kinderen geboren, Arend, 1882-1884, Evertje, 1883-1954, Arend, 1886-1953 en Jan, 1893-1976.
Jentje overlijdt vijftien dagen na de geboorte van haar jongste zoon op 30 januari, pas vierendertig jaar oud. Koop moet dan als weduwnaar met drie kleine kinderen de boerderij draaiende houden. Koop Blik is op de leeftijd van zestig jaar overleden op 23 november 1916.

Jan Blik
Als jongste zoon volgt Jan Blik daarna zijn vader op als landbouwer aan de Hulstkampenweg. Hij trouwt in 1917 met zijn achternicht Janna Blik, dochter van Hendrik Blik en Aaltje Dijk. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren: Koop, 1917-1934, en Aaltje, 1921-1988. Volgens het bevolkingsregister 1910-1920 wonen in die tijd op het adres Hulstkampenweg 2: Koop Blik (met de vermelding, overleden 23 november 1916), Arend Blik (een vrijgezelle broer van Koop), Jan Blik (landbouwer) en zijn vrouw Janna Blik-Blik met hun twee kinderen Koop en Aaltje.


De boerderij omstreeks 1930, met een voor die tijd groot voorhuis en bijzondere, hoge ramen in de noordgevel. Vlnr: Jan Blik, Koop Blik, Janna Blik-Blik (1891-1960), Aaltje Blik, Arend Blik en Arend Blik (oom).


Koop Blik en zijn vader Jan, die bezig is de kippen te voeren

Gerard Stolte
Aaltje Blik trouwt op 6 maart 1941 met Gerard Stolte, zoon van Willem Stolte en Annigje Kleen. De echtelieden hebben de toestemming nodig van hun ouders om te mogen trouwen omdat zij beiden twintig jaar oud zijn en nog minderjarig. Gerard Stolte trouwt in bij zijn schoonouders en boert samen met zijn schoonvader op een boerderij met 22 hectare grond, waarvan circa 8 hectare bij de boerderij ligt. Een gedeelte van het erf ligt aan de westkant van de Hulstkampenweg. De boerderij is een gemengd bedrijf met zo’n twaalf koeien, jongvee, enkele varkens en kippen. Op het erf staan twee hooibergen, een werktuigenloods, een schuur, een varkensschuur, een kippenhok en een mestkelder.


De laatste familie die in een doorgaande lijn op dezelfde boerderij woonde: Gerard Stolte (1920- 2000) en Aaltje Stolte-Blik (1921-1987) met hun vijf kinderen, Wim, Jan, Annie, Johan en Koba, geboren tussen 1941 en 1952, hier in 1972 met hun gezinnen bijeen

Gerard krijgt omstreeks 1976 op vijfenvijftigjarige leeftijd een hartinfarct. Hij stopt dan met de boerderij en laat op het perceel grond tussen de boerderij en de Meeleweg een nieuw huis bouwen. Daar gaat hij met Aaltje wonen. Het huis krijgt als adres Hulstkampenweg 4. Aaltje Stolte-Blik is overleden op 30 december 1987 en Gerard Stolte op 22 maart 2000.


Kadasterkaartje waarop het nieuwgebouwde huis met nummer 4 is ingetekend.

Zoon Johan Stolte en zijn gezin wonen nog even op de boerderij Hulstkampenweg 2 voor die wordt verkocht aan R.W.M. Pieterse.Met het vertrek van de familie Stolte omstreeks 1976 is er een einde gekomen aan een periode van circa 275 jaar waarin de boerderij, veelal in de vrouwelijke lijn, is doorgegeven in één familie. Als R.W.M. Pieterse omstreeks 1976 eigenaar wordt van de boerderij, maakt hij er een woonboerderij van. Het huis wordt omstreeks 1984 in twee percelen gesplitst, Hulstkampenweg 2 en 2a. Het uiterlijk van de boerderij blijft intact, maar er worden moderne ramen en deuren in aangebracht. Na Pieterse zijn de twee helften van de boerderij alweer een paar keer van eigenaar gewisseld.


Het tot woonhuis verbouwde achterhuis Hulstkampenweg 2a

* * *

De overige bebouwing aan de Hulstkampenweg

René Fokkert

Langs de Hulstkampenweg staan nog enkele boerderijen die dateren uit de tweede helft van de negentiende eeuw. Hierbij een beknopte bewonersgeschiedenis. De huisnummering begint aan de Eshuisweg met links de oneven nummers.


Aan de Eshuisweg, tegenover de Hulstkampenweg, stond de boerderij van Thijs de Boer, die is afgebroken omstreeks 1978 bij de uitbreiding van de Hulsterplas. Op de plek staan nu enkele bungalows

Hulstkampenweg 1
Vanaf 1876 stond hier het boerderijtje van de weduwe Borger. Haar zoon Klaas was hier later landbouwer. Vervolgens woonden er de families Hendrik Oosterveen, Klaas Haasjes, Klaas Mussche, Hendrik Mussche en Willem Timmerman. Enkele jaren geleden is het huis afgebroken en vervangen door een riante bungalow.

Hulstkampenweg 3-5
De boerderij is gesticht door Klaas van Hulst en Trijntje Aarten, op grond die oorspronkelijk bij de boerderij op Hulstkampenweg 2 hoorde.
De boerderij die er destijds stond had twee woongedeeltes. In het andere gedeelte woonden Klaas Prins en zijn vrouw Janna van Hulst. Hun huwelijk bleef kinderloos. Klaas is overleden in 1873 en zijn vrouw Janna in 1893. Zij was toen al twintig jaar weduwe. Vervolgens woonden Gerrit van Hulst, een zoon van Klaas van Hulst, en zijn vrouw Evertje Dijk ook in deze boerderij. Na hen woonde hun dochter Trijntje van Hulst (1871-1948) er. Zij trouwde in 1893 met Berend Jan van den Berg (1859-1950), een nazaat uit de molenaarsfamilie Van den Berg. Uit dit huwelijk zijn twee kinderen geboren: Hendrikje van den Berg, 1894, en Gerrit van den Berg, 1896.
Hendrikje van den Berg trouwde in 1918 met Willem Schoemaker. In 1922 is hun enige kind Koop Schoemaker geboren. Willem Schoemaker zette de boerderij van zijn schoonouders voort. In die tijd liep de Hulstkampenweg over hun erf tussen de boerderij en de schuur door.
In april 1926 brandde de boerderij met bijgebouwen helemaal af. De krant deed hier als volgt verslag van:
“Gisteravond brandde in de buurtschap Den Hulst de kapitale boerderij van de heer B.J. van den Berg Hz. tot den grond toe af. De oorzaak is onbekend. ‘s Avonds om kwart voor twaalf hoorde een der huisgenoten het gejank van de hond en het geschreeuw van het vee, waarop hij opstond en tot zijn grote schrik de schuur in lichterlaaie zag. De huisgenoten konden zich bijtijds redden; ook een gedeelte van de inboedel werd er nog uitgehaald. Binnen een half uur had de brand het huis met schuur, hooiberg enz. vernietigd.
De brandspuit, die aanrukte, kon weinig doen. Gevreesd werd voor de aangrenzende boerderij van de heer Pruis. Gelukkig draaide de wind en kwam dit perceel buiten gevaar. De verzekering dekt grotendeels de schade. De burgemeester was op het terrein aanwezig.” Naar later bleek was de brand aangestoken door een pyromaan. Willem Schoemaker liet een nieuwe boerderij bouwen door aannemer Brinkman voor een bedrag van 5600 gulden.


De nieuwgebouwde boerderij omstreeks 1927. De personen op de foto zijn, vlnr: Hendrikje van den Berg, Willem Schoemaker, Koop Schoemaker, Berend Jan van den Berg en Trijntje van Hulst.

Koop Schoemaker, op de foto nog een klein kind, trouwt met Klaasje Stegeman. Koop en Klaasje blijven hun hele leven als landbouwers wonen aan de Hulstkampenweg 3-5. Hun in 1947 geboren zoon Wim (Willem) Schoemaker trouwt met Klaasje Timmerman. Hij is de laatste die hier het boerenbedrijf uitoefent.

Hulstkampenweg 7
De boerderij is gebouwd omstreeks 1898. De eerste bewoners zijn Hendrik Prins en Janna van Ankum met hun gezin. Zoon Derk Jan Prins volgt zijn vader op als landbouwer. In 1930 gaat de boerderij in de verkoop en komt Arend Schuurman er te wonen en daarna Jan Doggen met zijn gezin. Tegenwoordig wordt het pand bewoond door de familie Boesenkool.

Hulstkampenweg 9
De boerderij is gebouwd omstreeks 1861. De eerste bewoner was Harmen Schuurman. Daarna wonen Jan Kragt Koopszn en Geesje Klein er en na hen wonen er meerdere families Bijker. Omstreeks 1967 wordt het huis gekocht door tandarts Kappelhof en echtgenote Leeuwenberg.


Bij de woonboerderij Hulstkampenweg 9, met rieten dak en traditionele voorgevel, is het bakhuisje nog bewaard gebleven

Hulstkampenweg 11
Omstreeks 1867 is Klaas Uilen hier de eerste bewoner. Na hem wonen er de families Hendrik Bouwman, Harm Schuurman en Hendrik Jan Timmerman met Jentje Rozeboom. Het huis staat, net zoals nummer 2, heel dicht op de straat.

Aan de Hulstkampenweg ligt de oorsprong van Den Hulst
Het is heel bijzonder dat er ruim 350 jaar na de aanleg van een pad langs de eerste boerderijen in Den Hulst nog steeds sprake is van een smal straatje tussen twee imposante, riet gedekte boerderijen. Hier is de geschiedenis even voelbaar en zijn geen concessies gedaan aan het moderne verkeer. Zodra je de onopvallende afslag van de Meeleweg neemt, voel je de geschiedenis van de vele generaties die hier hebben gewoond en gewerkt en hun huisplaats hebben gekoesterd. En dat zo dicht bij het moderne, snelgroeiende industrieterrein. Hoewel de boerderijen nu als moderne woonboerderijen in gebruik zijn, hebben de bewoners gelet op de bouwgeschiedenis. Laat nog vele generaties Nieuwleusenaren hun weg vinden over de smalle Hulstkampenweg, tussen deze boerderijen met hun oude geschiedenis.

* * *

Secretarie in Den Hulst

Gees Bartels

Juist nu wij het verhaal publiceren van René Fokkert over het ontstaan van Den Hulst komt een ander intrigerend gegeven boven water; de plaats van een secretarie/gemeentehuis in Den Hulst.

Tussen aantekeningen over benoemingen van de eerste huisartsen in Nieuwleusen stond een opmerkelijke aantekening: “29-5-1876: Burgemeester verlegt zijn verblijf bij de weduwe Jacob Schuttrop, wonende te Staphorst. Secretarie nog steeds in Den Hulst en deze woning alleszins geschikt, dus Raad akkoord. Dat de Raad voornemens is een gemeentehuis te bouwen. De burgemeester zal met K.B.H. Palthe onderhandelen over het afstaan van een stuk grond, gelegen naast het huis dat door de gemeente voor de gemeente-arts wordt gebouwd.”
Dat er weinig over die secretarie rond 1876 bekend was, blijkt uit een notitie die gemeentesecretaris F. Praamstra maakte voor de burgemeester, toen die naar aanleiding van een raadsvergadering liet blijken belangstelling te hebben voor de plaats van het vroegere gemeentehuis te Den Hulst.
Praamstra ging bij oud-wethouder Klomp te rade en maakte op 28-1-1964 de volgende notitie over “De plaats van het vroegere gemeentehuis te Den Hulst”. Herman Stolte (geb. 26-6-1885), Burg. Backxlaan 100, heeft Klomp verteld dat die stond op de plaats waar nu de voormalige hoofdenwoning van OLS-school C staat, toegewezen aan de heer De Boer, tapijtfabriek. De steen die bij de afbraak vrijkwam is verwerkt in het huis van expediteur Klein, Oosteinde 8.
Deze hoofdenwoning is inmiddels ook alweer afgebroken en stond links op de hoek van wat nu het terrein van de BAM is.


Dat de secretarie van de gemeente zich tot 1878 in Den Hulst bevond is ook af te leiden uit deze advertentie

Hoe verhoudt deze informatie zich tot het volgende: De gemeentelijke administratie werd vanaf 1818 gehouden in de woonkamer van een boerenwoning aan het Oosteinde. Dit duurde totdat de gemeente in 1878 aan het Westeinde een ambtswoning voor burgemeester J. Bosch Bruist liet bouwen, die ook gebruikt werd als gemeentehuis.
De situatie kan als volgt worden uitgelegd: Jannes Eshuis (1803 - 1877), onderwijzer aan de lagere school in het Oosteinde, werd in 1818 benoemd als eerste gemeentesecretaris. In zijn huis, Oosteinde 41, werd tot 1878 de gemeentelijke administratie gevoerd. C.W.A. baron van Haersolte van Zuthem, burgemeester van Nieuwleusen van 1869 tot 1872, en Mr. R.J.W.F. baron van Höevell tot Nijenhuis, burgemeester van Nieuwleusen van 1872 tot 1876, woonden in Den Hulst op huisnummers C 24c en C 29c. Als burgemeester voerden zij een deel van de gemeentelijke correspondentie en hadden allerlei ambtelijke stukken onder hun beheer. Daarmee had hun ambtswoning deels ook de functie van gemeentesecretarie, naast de woning van Jannes Eshuis aan het Oosteinde.
Ook burgemeester J. Bosch Bruist (1876-1916) wordt in 1877 nog vermeld als wonend in Den Hulst. Dat sluit dus precies aan op het gegeven dat de gemeente in 1878 aan het Westeinde een ambtswoning liet bouwen, die ruim genoeg was om daarin ook een vertrek in te richten als secretarie/gemeentehuis.
In 1931 werd het gemeentehuis gebouwd en in gebruik genomen en kwam er een eind aan de combinatie burgemeesterswoning-secretarie.
Conclusie van dit geheel: In Den Hulst heeft geen gemeentehuis gestaan, maar drie burgemeesters hadden er een ambtswoning die ook als gemeentesecretarie werd aangemerkt.

* * *

Een leven zoals zoveel anderen

Roelof Stolte

Roelof Stolte groeide op als tweede zoon in een boerengezin dat woonde Rijksstraatweg 17, aan de Nieuwleusense kant van het Lichtmiskanaal, nabij de Vriezendijk. Over zijn jeugd vertelt hij.

Ik ging naar de lagere school bij het Plankenloodsje. In die tijd liep de straatweg tussen het kanaal en de tramrails, die heel dicht langs ons huis ging. Als de school uitging liepen de kinderen over de straat naar huis. Op een dag riepen ze als groet naar ons vierjarig buurmeisje, “Harmpje, Harmpje”. Vrolijk rende Harmpje van het erf, over het bruggetje over de sloot naar de straat, de kinderen tegemoet. Net op het moment dat ze bij de tramrails was kwam de tram aangereden en zo voltrok zich het drama dat niemand had voorzien.
Al vanaf mijn jeugd was ik gek op fietsen, maar er was natuurlijk geen geld om zomaar een nieuwe fiets te kopen. Wie slim en handig was, wist van de nood een deugd te maken. Vlakbij woonde een fietsenmaker die de onderdelen die hij niet meer kon gebruiken in het kanaal gooide. Die viste ik er weer uit. Dat ergerde de fietsenmaker en hij gooide zijn afval steeds verder weg in het kanaal.


Roelof Stolte in 1955 op een Union bromfiets

Van mijn vader kreeg ik een lange stok met een haak, zodat ik toch weer kon opvissen wat werd weggegooid.
In het voorjaar mocht ik graag eieren zoeken. Dan legde ik mijn mooie Phoenix fiets, waarop ik heel trots was, in de berm van de sloot. Dat kon toen nog zonder dat je bang hoefde te zijn dat de fiets werd gestolen. Een andere leuke bezigheid in het voorjaar was even het droge bermgras aansteken om een klein brandje te veroorzaken. Als ik eieren ging zoeken stak ik op weg naar de weilanden nog weleens een slootberm in de brand. Je kon die twee bezigheden mooi combineren, er was volop ruimte en in de verste verte geen mens die het kattenkwaad zag. Maar je moest natuurlijk wel even opletten hoe de wind stond en dat vergat ik een keer. Bij terugkomst zag ik een mooie, kaal gebrande berm, met daarop mijn dierbare, zwart geblakerde fiets.
Roepen naar wie of wat je zag deed je als vanzelf. Toen ik een jaar of dertien jaar oud was kreeg onze buurman een nieuwe hond. Met een vriendje kwam ik op de fiets terug van de kerk uit Berkum en vlak bij het huis met de nieuwe bouvier riepen wij: “Bruno, Bruno.” De hond kwam aangerend, sprong tegen mij op en beet zich vast in mijn dijbeen, beet flink door en liet pas los toen de eigenaar kwam aangerend. In die tijd werd juist de tramrails opgebroken en de materialen lagen er nog. Door de sprong van de hond viel ik met mijn fiets en kwam op een ijzeren pen terecht. Zo had ik twee lelijke wonden, daar heb ik lang last van gehad. Toen de hond twee dagen later weer een jongen aanviel, op weg naar de ambachtsschool in Zwolle, was duidelijk dat het zo niet meer kon. De boer heeft de hond laten doodschieten. Zo gebeurde dat vroeger.
Na de lagere school moest ik “bij de boer” werken. Dat heb ik maar drie dagen volgehouden, ik had geen boerenbloed. Op de avond van de derde dag las ik een advertentie van de Union Rijwielfabriek. Daar zocht men personeel. Zonder iets te zeggen vertrok ik de volgende morgen op de gewone, vroege tijd van huis en fietste naar de fabriek. Onderweg vond ik nog een kistje met sinaasappels, afgevallen van de wagen van een groenteman. De sinaasappels heb ik in de fietstassen gepakt en op de Union uitgedeeld; een mooi binnenkomertje. Op de stoep wachtte ik tot het personeel kwam en vertelde dat ik hier graag wilde werken. Thuis stond een ongeruste, boze vader me op te wachten.Waar ik was geweest en wat ik wel niet had gedaan. De boer was komen vragen waar ik bleef. Koppig heb ik volgehouden dat ik niet terug wilde naar de boer en de volgende dag al naar de fabriek zou gaan, waar ik meteen aan de slag kon. Een broer heeft later het loon voor die drie dagen werken voor mij bij de boer opgehaald.
Ik kwam in de wielmakerij, waar wij spaken in de fietswielen zetten. Dat vond ik al snel een eentonig werk, maar als je twee jaar in dienst was kon je voor weinig geld een nieuwe fiets kopen, dus was het een uitdaging om het zolang vol te houden. Als je geluk had was er soms een “tweede keus fiets”, een fiets met een productiefout, soms niet helemaal per ongeluk ontstaan. Voor de twee jaar om waren vertrok ik, met een nieuwe fiets. Ik kon aan de slag bij een fietsenmaker in de Vechtstraat in Zwolle, waarvan de oudste zoon in militaire dienst moest. Het allround fietsen maken en repareren beviel me goed, maar na twee jaar kwam de zoon terug in de zaak en moest ik opnieuw op zoek naar werk. Dat werd de koekjesfabriek van Helder en daarna de Blok melkfabriek. Daarna ging ik weer terug naar de Union Rijwielfabriek, dit keer bij de bromfietsafdeling en later bij de fietsbanden en de af-montage. Ik werd voorman en baanleider en maakte mee dat er nieuwe directeuren kwamen en werd in de ondernemingsraad gekozen. Met een of meer collega’s gingen wij af en toe met een busje vol onderdelen en gereedschap enkele dagen naar Vlieland, Schiermonnikoog of Odense in Denemarken. Daar had de Union heel veel fietsen geleverd voor de verhuur, wel 1000 per fietsenmaker en daar mankeerde bij de aflevering nog wel eens iets aan. Wij overnachtten bij de verhuurder en waren daar later met echtgenote ook welkom voor korte vakanties.
Op vrijdagavond 10 juni 1976 was de grote brand. Na de nieuwbouw was alles gelijkvloers. In 1984 was het gedaan met de Union en was het weer zoeken naar werk. Drie maanden reed ik voor de Gebo; met een schoolbusje kinderen van huis halen en brengen, maar als chauffeur kon je weinig doen aan de ruzies en ondeugd achter je rug in de bus en daar ben ik al snel mee gestopt. Zes jaar werkte ik in de groenvoorziening bij de gemeente Heino, had het daar goed naar mijn zin, met prettige mensen om mij heen.
Intussen was ik in 1967 getrouwd met Liesbeth. In 1966 hadden wij ons huis gebouwd aan de Ds. Van Diemenstraat. Het was het eerste huis daar en wij keken op de ook pas gebouwde gereformeerde kerk en konden kijken tot de Burg. Backxlaan en over de weilanden tot aan de Bosmansweg. In rap tempo werd dat allemaal volgebouwd.
Het echtpaar Jonkers was koster van de gereformeerde kerk en later het echtpaar Timpers. Zo dichtbij werden wij al regelmatig ingeschakeld als hulpkoster en in 1993, ik was toen 56 jaar oud, werden wij koster. In mijn vrije tijd knapte ik graag fietsen op en had daar een leuke bijverdienste aan, maar enkele jaren geleden liep de vraag terug en nu is het allemaal elektrische fiets wat de klok slaat.
In museum Palthehof hebben wij ongeveer zeventien jaren meegedraaid als gastheer en -dame en dat was een mooie gelegenheid om allerlei mensen te ontmoeten. Door polyneurophatie heb ik geen gevoel meer in mijn voeten en gaat het lopen steeds moeizamer, maar korte wandelingetjes zorgen nog voor afleiding. Er is in de loop van mijn leven heel veel veranderd en de belevenissen tijdens mijn jeugd lijken heel ver weg. Dat was in de tijd dat het Lichtmiskanaal nog niet was gedempt en soms kan ik haast niet geloven dat ik nog met de tram heb gereisd. Toen de tram in de oorlog ook weer met personenwagons ging rijden zijn wij daarmee op familiebezoek naar Slagharen gegaan, waar opa Willem Stolte in 1914 vanuit de Oosterhulst met zijn gezin naar toe was verhuisd.
De school van het Plankenloodsje moest plaats maken voor industrieterrein Hessenpoort.

Over onze schooltijd heeft mijn oudere broer, Willem Stolte, verhalen en gedichten gepubliceerd op http://www.plankenloodsje.nl en over de familie in Slagharen is vanaf 1 maart 2001 een serie verhalen door Johan Stolte gepubliceerd in het Kwartaalblad.

* * *

Een nieuwe hooiberg

Bij de bouw van museum Palthehof heeft men zich voor de vormgeving laten inspireren door de schaapskooi. Schapen hebben een belangrijke rol gespeeld voor en na de ontginning van deze omgeving. Hoe mooi is het daarom dat bij de uitbreiding van het museum is gekozen voor de hooiberg als uitgangspunt voor het ontwerp.

Op oude foto’s van boerenerven in Nieuwleusen zijn bij de boerderijen bijna altijd een hooiberg en een bakhuisje te zien. Door de moderne alternatieven voor hooiopslag zijn de hooibergen zo goed als verdwenen. Op enkele plaatsen zijn hooibergen nog in gebruik als overkapping voor de auto of als schaduwplek bij het terras. Op een enkele plek staat er nog eentje nonchalant te vervallen en zo hier en daar verschijnen opeens weer hooibergen. Die nieuwe hooibergen zijn vooral niet bedoeld voor de opslag van hooi. Het is een sierelement op het erf van een woonboerderij, met een nostalgische verwijzing naar het vroegere gebruik. Voor hooiberging staan ze meestal ook op een onpraktische plek.


Traditioneel erf van Henk de Jonge, Oosteinde 58, gezien vanaf de Paltheweg, met houten schuur, hooiberg en boerderij met rieten kap. In 2015 was dit allemaal verdwenen en stond er een nieuwe woning

Door het gebruik van de hooiberg was men minder afhankelijk van de ruimte die er in de boerderij was. Door het gebruik van een verstelbare kap was het hooi in de berg goed beschermd tegen regen en sneeuw. De ruimte tussen kap en hooi kon steeds klein blijven. De kap ging omhoog, bij het vullen van de berg in de zomer, en omlaag, bij het legen in winter en voorjaar. In Nieuwleusen waren er vooral hooibergen met vier of drie rechtopstaande palen of roeden van eikenhout en een rieten kap. Zo hier en daar stonden ook wel tweeroedenhooibergen, ook wel steltenberg genoemd, met een puntdak, omhooggehouden door een paal aan de twee zijkanten. Voor het op en neer gaan van de kap had de hooiberg enkele ijzeren onderdelen, zoals bergijzers en stikken.


Jan Nijlant bij de tweeroedenhooiberg op het erf van Stadhoek 4, waar hij woonde van 1944 tot 1956

De bouw van een hooiberg was een ambachtelijk vakwerk. Een minimaal 7,50 tot 12 meter lange eiken paal werd na het kappen ontschorst en gedisseld, dat is vierkant gemaakt met een gevaarlijke scherpe dissel. Vanaf een hoogte van ongeveer anderhalve meter werden met de stokboor over de volle lengte van de roede per 30 centimeter gaten geboord met een doorsnee van 28 millimeter. De gaten liepen schuin omlaag zodat de bergijzers, waar de kap op steunt, niet los kwamen te zitten als de kap door de wind ging bewegen. Door die schuine stand drukte de kap het ijzer stevig in de roede.
De rieten kap rustte op een ingenieuze dakconstructie, opgebouwd door een horizontaal houten raamwerk van balken, lanen genoemd, van waaruit schuin omhoog naar het midden balken liepen, sporen genoemd, die aan de top de punt van het dak vormden.


Oosteinde 56-58. Voor de afbraak in 2010. Een rommelig erf met schuren en hooiberg laat de overgang van traditionele naar industriële materialen zien; riet, golfplaat en asbestplaten


Middeldijk 13. Henk Kappert met zijn vader Dirk bij de hooiberg met een Jakobsladder

De kap was beweegbaar bevestigd aan de roeden doordat de lanen op de hoeken aan de rechtopstaande roeden hingen, met hun op vaste afstanden geboorde gaten, waarin men een ijzeren pen of driehoek kon steken. De ijzeren pen werd hier stikke genoemd en de driehoek bergijzer.
De kap rustte op de bergijzers en door deze, na een periode van het weghalen van hooi, steeds enkele gaten lager te steken, kon de ruimte tussen kap en hooi steeds klein blijven, waardoor het hooi beschermd bleef tegen regen en sneeuw.


Westeinde 96. Bloementuin met hooiberg bij de boerderij van F. Huzen

Wanneer er ruimte kwam tussen hooi en bergkap was dat voor kinderen een spannende plek voor verstoppertje spelen of om een glijbaan te maken, maar het was ook een plek waar zich soms zaken afspeelden die men liever verborgen hield, zoals een clandestiene slaapplek voor landlopers en een plek voor romantische ontmoetingen waarvoor in een klein huis met veel bewoners geen ruimte was.

In de tweede helft van de vorige eeuw begon de neergang van de traditionele hooibergen. Het vullen van de hooiberg in de zomer was een zwaar werk waarbij, vooral bij het opsteken van de volle hooivork, veel ervaring, mankracht en zweet kwam kijken. Hooiblazers en Jakobsladders deden hun intrede en namen het zware hooiopsteken over. Om het wegblazen van het hooi te voorkomen werden aan de zijkanten golfplaten opgehangen. Ook de rieten daken werden steeds vaker vervangen door golfplaten en de eikenhouten roedes werden vervangen door betonnen palen. Zo verdwenen langzaam maar zeker de markante, ambachtelijk gemaakte hooibergen uit het landschap.

* * *

Trechterbekercultuur, ver in de tijd en dicht bij huis

Gees Bartels

Op de mooie, nieuwe site DNAvanDalfsen.nl wordt in 50 onderwerpen de geschiedenis van de gemeente verteld. De twee historische verenigingen hebben daar hard aan gewerkt. Als bijna eerste onderwerp wordt het tijdvak van de Trechterbekercultuur in beeld gebracht. Als Drentse import denk ik bij Trechterbekercultuur allereerst aan hunebedden en daarvan is hier absoluut geen sprake. Hoe zit dat?

Vanaf ongeveer 3400 voor Christus vestigden de eerste boeren zich in deze regio. In Drenthe getuigen de hunebedden van een eeuwenoude bewoning. Maar ook het gebied langs de Vecht was al heel vroeg een geschikt leefgebied. Daar bouwden de eerste bewoners huizen op de hoge zandruggen en rivierduinen en legden akkers en begraafplaatsen aan. Dit werd in 2015 bevestigd toen in Oosterdalfsen het grootste grafveld van de Trechterbekercultuur in Noordwest-Europa werd gevonden. Daarbij werden graven en meer dan 100 trechterbekers aangetroffen en scherven en vuurstenen pijlpuntjes. In de omgeving waren al eerder stenen bijlen gevonden, attributen van trekkende jagers en vaste bewoners.
Bij de Meentjesweg, in het zuidwesten van Nieuwleusen, is in een laaggelegen, oorspronkelijk moerassig gebied in 1995 een vuurstenen offerbijl gevonden. Die diende waarschijnlijk om de goden goed te stemmen. Deze ongeveer 3000 jaar oude bijl bevindt zich in museum Palthehof. In Drenthe werden de grote zwerfstenen die vanuit het noorden met het landijs hier naartoe waren geduwd, gebruikt voor het bouwen van grafheuvels, in de vorm van met zand bedekte hunebedden. De hunebedbouwers maken al heel lang deel uit van onze cultuurgeschiedenis. De periode waarin ze leefden werd bekend als de Trechterbekercultuur, die duurde van 3750 tot 2750 v. Chr., de middelste fase van de Nieuwe Steentijd.


Eerste- en tweede-groepers van de basisscholen maken kennis met het archeologisch veldwerk tijdens het schoolbezoek aan museum Palthehof

In de vroege middeleeuwen beschouwde men de hunebedden als heidense bouwwerken en begon de sloop en vernieling. Gedeputeerde Staten zagen de bedreiging van het culturele erfgoed en vaardigden in 1734 een resolutie uit om verdere vernietiging te voorkomen. Nu zijn er nog 53 hunebedden over, van heel klein tot nog bijna geheel intact. Behalve de onder de grafheuvels tevoorschijn gekomen grote stenen en de daaronder aangetroffen grafvondsten zijn er geen andere sporen van bewoning aangetroffen. Door het kalkarme zand zijn er geen menselijke resten en sporen van houten huizen achtergebleven en er zijn geen geschreven bronnen omdat het een schriftloze samenleving was, waar kennis, ervaringen en verhalen mondeling werden doorgegeven.

Voor de kennis over de Trechterbekercultuur zijn de opgraving in Oosterdalfsen van groot belang. Het gaat hier om hetzelfde Trechterbekervolk, ook al ontbreken hier de hunebedden. Daarvoor zijn twee redenen. In de eerste plaats waren hier in de IJstijd geen grote stenen terecht gekomen. De andere reden is dat er vanaf 3125 v. Chr. geen hunebedden meer werden gebouwd. Dat de opgravingen op de twee plaatsen zoveel elkaar aanvullende kennis opleveren heeft vooral te maken met de samenstelling van de grond op de verschillende vindplaatsen. Hier geen ontzagwekkende grafheuvels, maar de samenstelling van de grond maakt dat in Oosterdalfsen sporen van bewoning zijn gevonden die in Drenthe totaal zijn verdwenen.

Bij de opgraving in Oosterdalfsen zijn onder andere over een lengte van 120 meter op een 30 meter brede dekzandrug in de nabijheid van een oude Vechtarm sporen van 130 individuele graven opgetekend. Door de samenstelling van de grond waren resten van verkoolde planken, lijksilhouetten en houten paal- en muurresten herkenbaar. Er zijn onder meer een boerderij ontdekt en zo’n 125 trechterbekers. Daarnaast ontwaarde men graven uit de Merovingische periode, oftewel de vroege middeleeuwen.
Dat deze vondsten voor nader onderzoek allemaal naar het Drents museum zijn gegaan steekt ons als inwoners van de gemeente een beetje, maar eigenlijk moeten wij daar trots op zijn en het koesteren, want volgens archeologen gaat door de opgraving in Dalfsen de kennis over de Techterbekercultuur met een grote sprong vooruit. Dus mogen wij verwachten dat wij over enige tijd, na gedegen wetenschappelijk onderzoek, meer inzicht krijgen over de band tussen het Trechterbekervolk langs de Vecht, zonder hunebedden, en in Drenthe, zonder sporen van bewoning, die behoren tot dezelfde bevolkingsgroep die hun naam danken aan het gevonden aardewerk, met veel versieringen, in de vorm van een trechterbeker.


Naast het schatgraven in de archeokuil volgt het lijmen van scherven tot potjes en schaaltjes

* * *

Zoekplaatje

In het Kwartaalblad, 2021/1 hadden we foto 37 (VX149) geplaatst en in het daaropvolgende Kwartaalblad, 2021/2 als oplossing gegeven: “Jan van Blanken met rechts zijn latere echtgenote Annigje van Dorsten en links Peternella van Blanken (een zus van Jan).” Lammie van Berkum kende de familie van Blanken goed, omdat ze er tegenover woonde en ze wist, dat niet Jan van Blanken stond afgebeeld, maar diens vader Geert van Blanken. V.l.n.r. staan afgebeeld: dochter Annigje van Blanken (1927-1962), vader Geert van Blanken (1880-1957) en dochter Peternella van Blanken (1925-2008).

Foto 14 in Kwartaalblad, 2021/2. Hendrik Jan Brinkman, Burg. Hoekstrastraat 8, wist de volgende namen van de bouwvakkers voor het gemeentehuis in 1930/1931: Nr. 9 = Klaas Bouwman, de vader van Eef en Dinie die een winkel hadden. Nr. 10 = Jan Brinkman, de aannemer. Nr. 11 = Gerrit Regterschot, die in een klein huisje aan de Hoofdvaart ZZ woonde, ongeveer tegenover de Landbouwvereniging. Nr. 15 = Geert Haasjes, die aan de Hoofdvaart ZZ woonde, ongeveer waar nu het benzinestation Tango van Mensink is. Nr. 16 = Willem Brinkman, een broer van de aannemer. Nr. 17 = Berend Brinkman, een zoon van Derk Brinkman die een broer was van de aannemer; Berend is de vader van Hendrik Jan.

Foto 42: Wie kent er personen op onderstaande foto?
Alle namen ontbreken nog van het meisjeskoor “De Nachtegaaltjes”, hier (in welk jaar?) met dirigent Willem Huzen op een boot tijdens een reisje naar Giethoorn. Voor een grote afbeelding zie ook in de Beeldbank, fotonummer 17546
(Bij deze foto hebben we 5 namen: Alie de Weerd, Hennie Pot, Minke Boers, Leida de Weerd en Dinie Wijbenga kunnen toevoegen. Nu deze namen bekend zijn kunnen we misschien verder. Wie helpt ons?)

Bij de foto’s vindt u een reactieformulier. Een email naar info@palthehof.nl kan ook.





Jaargang 39 Nummer 4 december 2021


* * *

Foto voorpagina:

Het Palthehuis en 't Witte Peerd met schuur in 1962

* * *

Van de redactietafel

Een aanvulling op de naamgeving van het Zandspeur
Joop Klein stuurde een aanvulling op de informatie over het Zandspeur door “de Commissieaamgeving Wegen Nieuwleusen”. Daaruit blijkt dat de naamswijziging van de Koeweg in Zandspeur al eerder, tussen 1900 en 1942, heeft plaatsgevonden.
Hij vond in het Historisch Centrum Overijssel in Zwolle een wegenlegger van 1900 waarop wordt aangegeven: “De Koeweg loopt van de Grindweg langs de Dedemsvaart bij Sluis III in Den Hulst, eerst zuidwaarts en daarna in westelijke richting tot aan de Kalkwijk De Meele”. Dit is een klinkerweg van 5 à 6 meter breed. En: “Het Zandspeur loopt van den Ommerdijk, westwaarts tot aan den weg kadastraal bekend sectie C nr. 1752 en verder dien weg in een N.W. richting tot aan de Koeweg”. Dit is een zandweg.”
Maar in de wegenlegger van 1942 komt de Koeweg niet meer voor en heet dit stuk weg al Meeleweg.
Het tracvan het Zandspeur is in 1942 niet veranderd maar komt uit op de Meeleweg. In welk jaar tussen 1900 en 1942 deze straatnamen zijn aangepast kon ik niet vinden. Daarvoor moet er verder gezocht worden in de wegenleggers van de gemeenteieuwleusen in het HCO.

Oproep verhalen over Jeugduitwisseling Nieuwleusen-St Albans
In de collectie van museum Palthehof zitten veel foto’s van de jaarlijkse Jeugduitwisseling Nieuwleusen - St. Albans, beginnend in 1959. Deze vriendschapsband, voortgekomen uit persoonlijk contact van burgemeester Mulder, resulteerde in een jaarlijkse uitwisseling tussen jongeren en ouderen. In augustus 1997 kwam er een eind aan. Het comité heeft de geschenken die in de loop der jaren waren ontvangen overgedragen aan onze vereniging voor museum Palthehof.
Wij kunnen dus veel laten zien, maar de verhalen bij de foto’s en objecten ontbreken. Dat is jammer, want die uitwisselingen zijn van grote betekenis geweest voor een hele generatie jongeren uit Nieuwleusen.
Daarom onze oproep: BEKIJK DE FOTO’S OP DE BEELDBANK EN ZET JE HERIERIGEN OP PAPIER EN STUUR ONS DIE TOE. Als wij die bundelen kan dat een mooie serie verhalen worden!!

* * *

Werkgroep Boerderijen en Veldnamen

Hendrik Jan Huzen

In het samenwerkingsproject DNA van Dalfsen heeft Oudleusen in 2020 het project Boerderijnamen uitgevoerd. Daarbij zijn Historische namen, waarvan sommige totaal in onbruik waren geraakt weer zichtbaar gemaakt. De "Werkgroep boerderijen en veldnamen" van de twee historische verenigingen heeft het idee overgenomen en er aan gewerkt dat, verdeeld over de hele gemeente Dalfsen, bij boerderijen met een historische naamgeschiedenis borden komen met de oorspronkelijke naam.
Daarmee hoopt ze de agrarische geschiedenis van de omgeving meer zichtbaar te maken.


Wethouder Jan Uitslag heeft op 2 oktober 2021 de eerste naamborden onthuld, in Nieuwleusen bij een boerderij met een bijzondere geschiedenis.
In het jaar 1639 werd het Oosterveen verloot tussen de vijf Participanten van de Leusener Compagnie. Enkele inwoners van Zwolle en Hasselt hadden deze Compagnie opgericht om de Leusener marke te ontginnen. In de 12e en 13e eeuw waren bisschoppen al begonnen grote gedeelten van deze wildernissen in pacht uit te geven. Het Oosterveen werd verloot in 18 gelijkwaardige percelen in het gebied dat lag tussen de Dommelerdijk, Beentjesgraven, De Stouwe en Middeldijk.



Op Perceel 3 “Boerderij Derk Albertsplaats” staan nu drie boerderijen. Oude meiers (huurders en bewerkers) van dit perceel waren Geert Symons Wennemers, Simon Geerts, Geert Geerts, Derk Alberts en Hendrik Alberts.
Zoon van de laatste Albert Hendriks en zijn vrouw Marrigien Arents kopen als pachters in 1764 de boerderij Oosterveen 87. Hun zoon Arend Alberts en zijn broer Derk Alberts nemen in 1813 de naam Huzen aan.
Het oude perceel 3 bestaat nu uit Oosterveen 87, 89 en 91, waarvan nr. 87 beschouwd kan worden als de moederboerderij. Hier is op 2 oktober het naambord geplaatst.


Oosterveen 87 van huidige eigenaar Paul van den Berg

Deze monumentale boerderij staat op de huisplaats van de aloude boerderij uit de tijd dat de eigenaar daarvan was de bekende zeventiende-eeuwse Zwolse griffiersfamilie Roelinck, participant van de Leusener Compagnie. De huidige boerderij is het stamhuis van de familie Huzen. De stamvader Arend Alberts Huzen, wiens voorouders al lang op deze boerderij woonden, trouwde in 1801 met zijn 2e vrouw Hendrikje Peters van het naburige erf Havercamp bij De Stouwe. Vele generaties Huzen woonden daarna nog op deze boerderij.


Oosterveen 89 omstreeks 1985

Diverse leden van de familie Huzen bewoonden deze, waarschijnlijk door Gerrit Huzen (zoon van Arend Alberts Huzen) omstreeks 1850 gebouwde boerderij. Gerrit Huzen was getrouwd met Aaltje de Boer. Later woonden er de ongehuwde broers Hendrik Jan Schuurman (1904-1991) en Gerrit Schuurman (ca.1913-1978), daarna G.W. de Boer en Roelina de Boer-Brinkman (kunstenares).


Oosterveen 91 omstreeks 1985

Deze “Huzen-boerderij” is omstreeks 1880 gebouwd door Hendrik Huzen, zoon van Gerrit Huzen van Oosterveen 89, die toen trouwde met Aaltje Alteveer, van de Paltheweg. Daarna woonden er hun oomzegger Gerrit Huzen en Klaasje Hoes met hun zes kinderen. Gerrit Huzen en Klaasje Hoes woonden het laatst aan de Burg. Backlaan, tegenover zwembad “De Meule”.
Nadien werd Oosterveen 91 bewoond door de families Talen, Konterman en Harm Mulder. Deze laatste verkocht de boerderij aan Jan Coster en nu woont er de familie Lindeboom-Westerman. Die heeft de boerderij gerenoveerd en zoveel mogelijk in zijn originele stijl teruggebracht.

* * *

Het verdwenen Spieker.
Herinneringen aan het Palthehuis.

Jenny Kasper

Het in 1965 afgebroken voormalige spieker en woonhuis van Gulia Palthe, bekend als het Palthehuis, gebouwd in 1795, spreekt nog steeds tot de verbeelding. De Palthe familie is een belangrijk onderdeel van de geschiedenis van Nieuwleusen.

Herhaaldelijk duikt de naam van het huis op in gesprekken wanneer het over het “Ni’jluusn van vrogger” gaat. Na het overlijden van Gulia Palthe in 1928, werd de Hervormde kerk eigenaar van dit huis. Het huis, ook het Spieker genoemd, stond dicht naast café ‘t Witte Peerd. Gelukkig zijn er nog diverse foto’s die ons deze unieke locatie tonen en haar bewoonster in ere houden. Bijzonder is dat, na het sterven van Gulia Palthe, onze landsvrouwe, zoals ze zichzelf noemde, er ook nog verschillende Nieuwleusenaren in dit bijzondere huis hebben gewoond.
Zuster G. van Buiten was wijkverpleegster in Nieuwleusen van juni 1926 tot ver in de jaren vijftig. Zij heeft na het sterven van Gulia Palthe lange tijd in het Palthehuis gewoond.


Plattegrond Palthehuis getekend door G. Prins-Naarding

In 1947 werd de volgende bewoner Harm Prins, de nieuwe onderwijzer van de openbare lagere school op De Meele, benoemd door de toenmalige hoofdonderwijzer, de heer Roozelaar. Meester Prins begon er op 1 januari 1947 als onderwijzer. Hij en zijn vrouw Gerda Prins-Naarding betrokken samen het Palthehuis. Aanvankelijk was hen een andere woning toegezegd. Deze bleek echter al vergeven te zijn aan een ander gezin. Middels bemiddeling van burgemeester Backx werd het op dat moment leegstaande Palthehuis aan hen toegewezen. Het echtpaar Prins-Naarding was blij met deze woning.


Rianne met haar ouders met de hervormde kerk op de achtergrond

Het huis had een ruime woonkamer en een grote slaapkamer, gelegen aan het Palthebos, dat in die tijd al honderdvijftig jaar oud was. Ogenschijnlijk zag het huis er keurig uit. Er was wel een beperking. Een deel van de bovenverdieping verkeerde in slechte staat en mocht om deze reden niet gebruikt worden. De zoldertrap werd afgesloten en de kapstok werd voor de deur geplaatst, als een natuurlijke afscheiding.
Op 21 augustus 1948 is hier hun eerste kind geboren, dochter Rianne Prins.

Hun tweede dochter, Roelien is hier geboren op 1 december 1951. Rianne, heeft nog wel beelden van hoe zij als klein kind wandelde in het Palthebos, de laan met de rechte bomen en de stenen bankjes, recht achter het huis.


Rianne in het Palthebos met rechts op de achtergrond het huisje Holtzate waarin het gezin van Gerrit Jan van den Berg woonde

Tegenover het Palthehuis stond de woning van de huisarts. Rianne weet nog dat ze op verjaardagsvisite mocht bij Reinie Dekker, de dochter van dokter Dekker. Helaas was dit feest van korte duur. Ze viel in een bak met water en werd drijfnat naar huis gebracht. Naaste buren waren de familie Reuvers van café ’t Witte Peerd, zeer hartelijke buren waarmee ook nadien goed contact werd gehouden. Aan de andere kant van het huis stond de Hervormde kerk.

In 1951 benoemde de Hervormde kerk een nieuwe koster en wilde de woning bestemmen voor Willem Huzen en zijn gezin. In het notulenboek van de vergaderingen van de kerkvoogden van de Hervormde kerk, periode november 1938 - mei 1967, is in het handgeschreven verslag te lezen dat de huur werd opgezegd aan de familie Prins.

Rianne denkt nog steeds met genoegen en enige weemoed terug aan haar geboortehuis en nabije omgeving. Pas in latere jaren realiseerde zij zich dat ze is geboren op een unieke, historische plek in Nieuwleusen.
De volgende bewoners van het Palthehuis waren Willem en Mien Huzen-Reuvers met hun vijf kinderen, drie jongens, Dick, Jan en Arie, en twee meisjes, Niesje en Alie.
Het kerkbestuur had toegezegd dat er een nieuwe woning voor hen gebouwd zou worden. Tot die tijd werd het Palthehuis hun woning. De huurprijs werd vastgesteld op drie gulden per week. Er moest wel het een en ander verbouwd worden om slaapplaatsen voor de vijf kinderen te realiseren. Voor de twee meisjes, Niesje en Alie, werd beneden een kamer getimmerd achter de ouderslaapkamer.


Uit de notulen van 10 december 1951

En zo werd de zolder met de nodige mankementen ontdekt. Omdat de gevaarlijke trap in slechte conditie was, heeft Willem Huzen, samen met zijn broer Gerrit, een nieuwe opgang gemaakt naar de zolder. Daarvoor werd een bedstee gesloopt. Op de wankele zolder hebben zij voor de jongens een slaapkamer gemaakt. Alie Huzen vertelde dat het vanwege de tijdelijkheid slechts dunne wandjes waren.


Alie en Arie Huzen en vriendin Willy Hogenkamp op de stoep van het spieker met al die kleine ruitjes

Pas eind 19e eeuw werd een dak met beschot gebruikelijk en dit oude huis had nog een dak met onbeschoten kap. Daarbij was de pannen dakbedekking op panlatten direct zichtbaar vanaf de tochtige zolder. Hoe dat was, ervaarde de familie Huzen in de loop der seizoenen. In de wintertijd, tijdens de vorstperiode, zaten er volop ijsbloemen op de ramen boven. De dekens waren door condens vaak vochtig en moesten regelmatig gedroogd worden. Als er ‘s winters jachtsneeuw was, moesten de kinderen op zolder sneeuwruimen. Teilen vol. Wanneer het regende, stonden her en der potten en pannen om het regenwater op te vangen.

Alie vertelde dat toen zij op de huishoudschool zat, de juffrouw een keer vroeg: “Wie heeft er thuis een douche?” Alie stak de vinger op, waarop de juffrouw verbaasd vroeg: “Jullie? In dat oude huis?” Waarop Alie antwoordde: “Ja juf, maar alleen als het regent.”
Aanvankelijk was de wc buiten in het schuurtje. Een ouderwetse poepdoos. Later werd er onder de trap, op de plek van de bedstee, een halletje gemaakt met daarin een nieuwe wc met waterspoeling. De bedstee in de kamer werd omgetoverd tot voorraadkast.
Voor moeder Huzen was het een huis met gebruiksaanwijzingen. De zolder, het plafond van de kamer, was in zo’n slechte conditie, dat het ‘geurde’ boven de eettafel. Regelmatig moest de tafel schoongemaakt worden als gevolg van die neerslag. Het wassen van de ramen, met al die kleine ruitjes zo bekoorlijk om te zien, was een tijdrovende klus!

De kinderen Huzen genoten van het huis.
De voorraadkast was de leukste verstopplek binnenshuis. Het Palthebos was de meest favoriete plek om te spelen: onder andere boomtikkertje, hardloopwedstrijden, voetballen, tennis en uiteraard speurtochten.
Een verleidelijke plek was ook het naburig café ‘t Witte Peerd. Vooral ‘Eef van Harm’ had altijd wel klusjes te doen, met als beloning een lekker hapje. De kinderen Huzen mochten daar graag vertoeven en de nodige klusjes uitvoeren. Het was er altijd gezellig, zegt Alie.
In het genoemde notulenboek van de kerkvoogden is de slechte conditie van het Palthehuis regelmatig een punt van aandacht. Verschillende keren wordt overwogen onderhoud te plegen. Bezwaar zijn veelal de te hoge kosten voor dit onderhoud.


In 1961 wordt G. ten Kate gevraagd een begroting te maken van de kosten voor reparatie


In de vergadering van 26 juli 1962 blijkt dat alleen al de kosten voor reparatie van het dak ƒ 625,- bedragen en wordt in principe besloten een nieuw huis op een andere plek te bouwen en het oude voor afbraak te verkopen. Dus nog geen definitief besluit

Als er na twaalf jaar nog geen ander huis beschikbaar is stopt het echtpaar Huzen-Reuvers als kosterechtpaar in de kerk. Zij verhuizen in 1964 naar een eigen woning in de Weth. Prinsstraat. Alie concludeert: “Wij, als kinderen vonden het Palthehuis een fijn huis, met zeer weinig comfort, maar we hebben er een geweldig fijne jeugd gehad, mede met dank aan onze lieve ouders.“

Helaas is het Palthehuis in 1965 afgebroken. De sloop, middels inschrijving, is verricht door de hoogste inschrijver, D. J. Westerman, voor een bedrag van eenenvijftig gulden.
Het was een periode waarin met andere inzichten werd gekeken naar oude gebouwen en de te maken kosten waren bepalend voor de keuze tot afbraak. En zo verdween een belangrijk, beeldbepalend historisch huis uit de dorpskern van Nieuwleusen.

* * *

Van krabbelslootje tot Elfstedentocht

Henny de Boer, Gerrit de Groot en Gees Bartels

De kans op winters met strenge kou en bevroren sloten en kanalen wordt steeds kleiner en of er ooit nog een Elfstedentocht komt? Vanaf 1907 zijn er slechts vijftien Elfstedentochten georganiseerd. Daarbij valt op dat die soms vrij kort na elkaar plaats vonden, zoals in 1940, '41, '42 en '47, en dan pas weer na een grote tussenpoos. De laatste Elfstedentocht was op 4 januari 1997, nu dus alweer zo'n 25 jaar geleden. Een mooi moment om iets te vertellen over het schaatsen in Nieuwleusen en ver daarbuiten door schaatsers uit Nieuwleusen.

In de herinnering van veel ouderen kon je vroeger iedere winter wel een aantal dagen schaatsen op sloten en plassen. Na de eerste nachtvorst kwamen de schaatsen uit het vet en gingen naar de slijper. Als het een paar nachten goed gevroren had kwam de spanning over wanneer het ijs dik genoeg zou zijn om te schaatsen. Schaatsen deed je van oudsher op ‘houtjes’, houten plankjes met daarin aan de onderkant een strip van roestvrij ijzer, en leren riempjes die door het hout gingen waarin oogjes waren gestanst, waardoor lange katoenen linten werden getrokken. Die linten werden over de schoenen flink aangetrokken, waardoor de schaatsen stevig onder de schoenen kwamen te zitten. Het was een kunst om de veters goed vast te knopen, want je kreeg koude handen als je die bevroren banden opnieuw moest strikken omdat de schaatsen na een paar baantjes los gingen zitten en je schoenen van de houtjes afgleden. Wie geluk had kon met hoge schoenen aan schaatsen, zo niet dan sneden de linten strak in je sokken en de huid rond de enkels. Met de linten kon je ook pronken; een mooi oranje of rood-wit-blauw lint uit de winkel was toch net even iets anders dan een touw of oude veters.
De schaatsijzers werden steeds beter en langer en met ‘Friese doorlopers’ kon je goede sier maken. Met de welvaart kwamen de ‘hoge Noren’, ijzeren schaatsen die vast onder de schaatsschoenen werden gemonteerd. Ook werden de gewone kleren vervangen door sportkleding.


Schaatsen op het kanaal ter hoogte van de notariswoning omstreeks 1950. Vlnr: Greta van Marle, Margje Talen, Aaltje van Dorsten, Tini van Dorsten en Alie Timmerman

Schaatsen deed je dicht bij huis. Jonge kinderen leerden het op dichtgevroren slootjes, al dan niet achter een oude keukenstoel of aan de hand van oudere broertjes of zusjes, maar bij hen was het geduld snel op en dan moest je zelf maar zien hoe het krabbelen te verbeteren naar schaatsen. Vallen en opstaan, en weer opstaan, tot het lukte. Dan mocht je op de brede sloten en ondergelopen weilanden. Iedereen deed mee, als het maar even kon, want schaatsen bracht een groot gevoel van saamhorigheid met zich mee. Wie op school misschien niet zo goed kon meekomen, kon op het ijs opeens een uitblinker zijn. Naar schaatswedstrijden werd uitgekeken en allerlei groepen organiseerden wedstrijden, scholen, buurten, verenigingen en dan als hoogtepunt de grote dorpswedstrijd; Wie zou dit jaar de eerste prijs winnen?
Schaatsen op de Dedemsvaart was een feest, maar je kon er niet altijd op schaatsen. Schippers die Dedemsvaart als thuisbasis hadden voeren het ijs kapot om, als het eigenlijk al niet meer kon, al ploeterend door het ijs hun thuishaven nog te bereiken. Ze verpesten daarmee de gladde ijsvloer, die schots en scheef weer dichtvroor.
Het Meentje, een grote oppervlakte ondergelopen weilanden in het zuiden van Ruitenveen tussen Stadhoek, Meentjesweg en Koedijk, was een geliefde plek waar schaatsers vanuit de verre omtrek naar toe kwamen.


Schaatsen op het Meentie in 1940

De ijsbaan van IJsclub Nieuwleusen was tussen de Dedemsvaart en de Smeule. Daar ontmoette heel Den Hulst en Nieuwleusen elkaar. Met het kanaal dichtbij was er altijd voldoende water om een grote ijsbaan onder water te zetten. Er was een houten hok voor de kaartcontrole en de kaartjesverkoop, waar ook warme chocolademelk en groene kwast werd verkocht.

Er was verlichting rond de baan, zodat er ook na werktijd en het avondeten nog geschaatst kon worden. Iedereen herinnert zich nog het vrolijke, vaste muziekrepertoire dat over de ijsbaan klonk. Na a?oop kwam er iedere avond een ploeg mannen de baan vegen, zodat die ’s nachts weer mooi glad kon aanvriezen. De ijsbaan was ook een mooi punt om leeftijdgenoten buiten het eigen verenigingsleven te ontmoeten.


Seizoenskaartje voor de ijsbaan met instructie: "Zichtbaar dragen"

Toen in 1970 de Dedemsvaart was gedempt was het ook gedaan met de watertoevoer naar de ijsbaan. Bij de sportvelden in het middengebied werd aan de Pr. Beatrixlaan een nieuwe ijsbaan aangelegd. In 2012 kreeg de IJsvereniging hier een nieuwe kantine en op 2 februari stonden er rijen enthousiaste schaatsers voor de deur. Zeker 450 schaatsers waren aan ’t eind van de avond geteld en ondanks het ongemak van luchtbellen in de bovenlaag, waardoor er her en der gaatjes in het ijs zaten, schreven heel veel mensen zich in als lid. Vooral kinderen kunnen hier veilig schaatsen. Ook in de jaren dat er weinig ijs was had de IJsvereniging nog rond de achthonderd leden. Om ook in minder strenge winters de schaatsliefhebbers een ijsbaan aan te bieden werd in 2017 als proef een busreis naar de kunstijsbaan in Deventer georganiseerd, maar dat ging niet door vanwege te weinig deelnemers.



Controlekaarten van Ir. H.G. van den Berg uit 1941 en 1942

Naast de ijsbaan was ook de Hulsterplas een geliefde plek om te schaatsen en in strenge winters was het merengebied rond Giethoorn met een auto snel bereikt voor toertochten in georganiseerd verband of zomaar voor een pleziertochtje.
Kunnen we dit in 2022 of daarna nog weer eens beleven?

Elfstedentocht
Voor wie dat allemaal niet spannend genoeg of te weinig uitdagend vond, was er de Elfstedentocht. Maar om deel te kunnen nemen aan die tocht is het nodig lid te zijn van de organiserende vereniging en om dat te bereiken! Daar is nog meer geduld voor nodig dan voor het wachten op een strenge winter met voldoende dik ijs.

1941: Voor zover wij weten is de eerste deelnemer uit Nieuwleusen die een Elfstedentocht heeft gereden Ir. H.G. van den Berg uit Den Hulst, hier bekend als meneer Henk van de Union Rijwielfabriek. Op 6 februari 1941 startte hij ’s morgens om 7 uur, met startnummer 1844, en hij passeerde de finishlijn in Leeuwarden om 22.30 uur. Hij deed vijftien en een half uur over de tocht.
1942: Een jaar later was Henk van den Berg opnieuw van de partij. Dit keer startte hij op 22 januari om 6 uur, met startnummer 2264, en kwam veertien uur later, om 20.10 uur in Leeuwarden over de finish.
1985: In dit jaar deden uit Nieuwleusen Arie Pekkeriet, Dik Wink, Freek Eissen, Jan Beldman en Arie Meijer mee aan de ‘Tocht der tochten’.
Een goede conditie maakte dat ze de ?nish moeiteloos bereikten. Als echte sporters maakten ze zomers samen lange ?etstochten en deden looptrainingen en vanaf oktober werd op de kunstijsbaan in Assen het schaatsen opgepakt.
Anton Roze keek op tv naar deze 13e Elfstedentocht en zei tegen echtgenote Toos: Het lijkt mij ook wel wat om een keer aan mee te doen.” Ze reageerde daarop: “Dan moet je wel eerst lid worden.” Hij had geluk. Er was een limiet van 16.000 leden. Anton werd ingeloot met nummer 15.972 en er kwam, heel bijzonder, al meteen een jaar later weer een tocht.
1986 Op 26 februari stapte Anton in alle vroegte op de trein, startte in een van de laatste groepen en haalde de finish in Leeuwarden. Hij ging weer met de trein naar Zwolle waar een trotse Toos op hem wachtte en samen reden ze naar de ongeduldige kinderen thuis.
Een bijzonder toeval wilde dat Peter Veldhuis, bijna buurman aan de Kievitlaan, ook deelnam. Hij had een veel lager nummer en kon daarom al vroeg starten en was al een dag eerder naar Leeuwarden gekomen.
Van het groepje mannen uit 1985 deden dit keer Arie Pekkeriet, Dik Wink, Freek Eissen, Jan Beldman en Arie Meijer ook weer mee. Het was de Elfstedentocht die gewonnen werd door Evert van Benthem en waaraan ook prins Willem Alexander deelnam.
1996 Al tien jaar geen Elfstedentocht! Een groepje mannen uit Nieuwleusen kon de spanning niet meer aan over de onzekerheid of er nog een tocht zou komen. Op donderdag 8 februari reden Appie de Boer, Gerard de Boer, Henk Dunnewind, Gerrit de Groot en Marten Hilbrink in alle vroegte naar Leeuwarden om dan maar op eigen initiatief de Elfstedentocht te rijden. Hoewel het min 20 graden vroor, was het ijs echt nog te slecht voor de duizenden leden van de Elfstedenvereniging, maar de mannen namen het risico van een mislukking voor lief.


Mannes Vasse stelt zich in Bolsward middels zijn mobieltje op de hoogte van de stand van zaken

Bij de start van de 200 kilometer lange tocht troffen ze ‘s morgens om half acht prachtig ijs aan, maar de bruggen waren nog gewoon in gebruik, dus dat betekende vaak flink bukken. Op het Slotermeer was nog veel open water en bij Harlingen maakten grote ijsschotsen het schaatsen onmogelijk en moest er twee kilometer gekluund worden. Ook op de Finkemervaart was het ijs heel slecht, maar Bartlehiem werd bereikt en na Dokkum kregen de mannen de wind in de rug. In Leeuwarden werden ze niet beloond met een kruisje, maar met een gevoel van “dat hebben wij ‘m dan toch maar mooi geflikt en dat pakt niemand ons meer af” stapten ze van het ijs. Een verslag via Radio Oost en een artikel in de krant bevestigde hun prestatie. Ook Gea Dijk reed dat jaar de tocht op eigen houtje, samen met haar broer Jan Schuurman. Daar had ze een jaar later plezier van. Ze wist toen dat je bij wind mee je krachten moet sparen voor de tegenwind die nog komt.
1997: Na 11 jaar werd alle spanning dan eindelijk beloond en was het dan toch zover! Op 4 januari 1997 ging de 15e Elfstedentocht van start. Het was een barre tocht in de koudste periode van de twintigste eeuw, met veel stukken slecht ijs en een straffe noordoosten wind, die tussen Franeker en Bartlehiem velen de das omdeed. Het was de tocht waarbij Piet Kleine en René Ruitenberg een stempelhok misten en Henk Angenent met een minimaal verschil voor Erik Hulzebosch, Bert Verduin en Henk van Benthem over de ?nish reed.
Dat ze in Nieuwleusen van volhouden weten bleek dat jaar wel; 15 van de 17 schaatsers haalden de finish.


De controlekaart van Anton Roze met als laatste stempel Franeker

Gea Dijk, 42 jaar oud, deed als vrouw niet onder voor de mannen tijdens deze monstertocht, zij reed de tocht uit in 13½ uur! Thijs Blik deed er 10 uur over, Arie Meijer, Arie Pekkeriet en Wieger Blik 10½ uur , Dick Wink, Freek Eissen en Henk Dunnewind 11,45 uur, Dirk Bouma 12,15 uur, Jan Beldman 12 uur , Gerrit Hoekman 13,15 uur, Gerrit Beltman, Bouwe Verbeek en Mannes Vasse 13 uur en Peter Veldhuis 14,45 uur. Anton Roze startte om 9.33 uur en het was al 17.15 uur toen hij in Franeker zijn stempel kreeg. Anton kon niet meer en heeft hier de tocht beëindigd.

Aanvullingen
Dit is een overzicht van de informatie die wij binnen kregen over deelnemers aan de Elfstedentochten. Ontbreken er nog namen? Laat het ons weten. Ook ontvangen wij graag verhalen over ervaringen tijdens schaatstochten, in de omgeving en daarbuiten.
In het volgende Kwartaalblad komt aandacht voor de Alternatieve Elfstedentochten.

Geert Schoemaker vertelt: Als er in de vijftiger jaren sneeuw was gevallen, kwam ’s morgens om 4 uur Krul op de fiets uit het Dalfserveld bij Hendrik Mannen aan het Westeinde 98 op het slaapkamerraam kloppen. Samen gingen ze per fiets naar Westeinde 42, waar tegenover het huis van Arend de Boer een berg geel zand lag. Deze berg zand was in augustus al gehaald uit een heideveld aan de Stouwe. Daar stonden ook een trekker en wagen. Ze spitten de open aanhangwagen vol zand en reden naar de Dedemsvaart. Staande op de open bak, met de schop het zand uitwaaierend, strooiden ze, vanaf het kanaal, de Burg. Backxlaan en het hele Westeinde. Dat karwei moest om zes uur af zijn, want dan kwam de eerste EDS-bus, die vanuit Dedemsvaart over de Burg. Backxlaan en het Westeinde naar Zwolle reed.

* * *

't Witte Peerd in Nieuwleusen

René Fokkert

Al meer dan twee eeuwen is café-cafetaria 't Witte Peerd aan het Westeinde een begrip in Nieuwleusen. Het horecapand heeft een bijzondere geschiedenis. Het is ooit begonnen in de voorkamer van een boerderijtje naast de kerk. Tegenwoordig is het een modern horecabedrijf dat in 2005 helemaal is vernieuwd. Veel mensen kennen de oude situatie nog en hebben herinneringen aan het café en de snackbar. Ook de naam Reuvers zal voor altijd verbonden blijven aan deze plek. Het boerenbedrijf was nog tot in de jaren zeventig van de vorige eeuw onderdeel van de bedrijfsvoering.

De oudste vermelding van ‘t Witte Peerd is uit 1813. In een notarile akte, die zowel in het Nederlands als in het Frans is opgesteld, verkoopt de in Zwolle wonende koopman Gerrit Stolte zijn onroerende goederen in Nieuwleusen. Deze verkoop werd gehouden bij Het Witte Paard.


Op heden den Tienden der Maand Juni des Jaars Achtienhonderd Dertien des morgens Tien Uuren ten huize van Barteld van Holten kastelijn in Het Witte Paard te Nieuwleusen onder de Gemeente Dalfsen ten verzoeke van den koopman Gerrit Stolte wonende te Zwolle etc.

Deze akte levert het bewijs dat de naam Het Witte Paard in 1813 al bestond. Het is echter niet bekend wanneer men precies is begonnen met horeca-activiteiten op deze plek. Vermoedelijk ligt de oorsprong in het feit dat vroeger de draagsters en de kinderen die in de kerk gedoopt zouden worden in het naastgelegen huis konden wachten tot ze daarvoor werden opgehaald.


Draagsters met dopelingen achter het café en de boerderij van Harm Bakker. Van hier werden de kinderen ten doop gedragen naar de kerk.
Deze foto is gemaakt in 1933. Vlnr: Aaltje Krale-Kooiker met Jan Haasjes, Dina Jans-Kouwen met ?, Janna Witpaard-Bos met Johanna Vasse, Jantje Ruinemans-Klein met Jan Thijs van Duren, Geesje Brinkman-Schoemaker met Jan Albertus Jansen, Griet Zandink-van de Velde met Jentje Boesenkool, Derkje de Weerd-Evertsen met Roelof Bouwhuis, Hendrika Jonkers-van Duren met Geesje Jonkers


Uit de kerkelijke archieven is bekend dat er mogelijk al in 1752 een herberg was in Nieuwleusen. Ook deze herberg zal in de buurt van de kerk hebben gestaan. Het huidige kerkgebouw dateert uit 1829. Daarvoor stond er op ongeveer dezelfde plek een kleinere kerk uit 1672. In een geraadpleegde beschrijving over de familie Van Holten staat dat Barteld van Holten bij de volkstelling van 1795 van Nieuwleusen al vermeld zou staan en van beroep kastelein zou zijn. Barteld wordt daarin wel genoemd, maar nog als Barteld Hendriks. Pas in latere stukken wordt hij vermeld als Barteld van Holten, kastelein van Het Witte Peerd.

Barteld Stolte en Janna Gerrits
De plek waar het café staat was al ver voor 1800 het erf van een boerderijtje. In een lijstje van dominee A.J. Palthe, waarin de destijds bestaande bebouwing om de kerk in Nieuwleusen wordt vermeld, staat dat het huis dat wordt bewoond door Van Holten is gebouwd in 1747. De laatste twee cijfers van het jaartal zijn later verbeterd. Oorspronkelijk stond er 179?


Uitsnede uit de volkstelling van 1795 van Nieuwleusen waarin staat vermeld (op de middelste regel) de weduwe van Hendrik van Holten Janna Gerrits (met daarachter geschreven timmerije (in de middelste kolom) de zoon Barteld Hendriks (er is echter geen beroep vermeld van Barteld), (in de derde kolom) dat er drie mensen in dat huis woonden.

Op 4 augustus 1755 is er een akte ingeschreven door de schultus* Jan Fabius in Dalfsen. In deze akte lenen Barteld Stolte en zijn vrouw Janna Gerrits 200 gulden van de diaconie. Het boerderijtje met bijgebouwen en de inboedel worden daarin als onderpand voor de lening genoemd. (* schultus is een notaris van voor 1815.)
In 1763 zit Janna Gerrits opnieuw bij de schultus in Dalfsen. Janna is inmiddels weduwe van Barteld Stolte en is van plan opnieuw te trouwen.
Het was noodzakelijk daarvoor een zogenaamde momberstelling op te laten maken. In dit document worden de rechten van de kinderen uit het eerste huwelijk beschreven en voogden aangesteld over de minderjarige kinderen. Als kinderen van Barteld Stolte en Janna Gerrits worden vermeld Jantjen, Jan, Gerrit, Berent en Willem Stolte.

Hendrik Everts en Janna Gerrits
Niet lang na het opmaken van die akte trouwt weduwe Janna Gerrits met Hendrik Everts, van oorsprong afkomstig uit de buurtschap Dijkerhoek bij Holten. Daar zal dan ook de naam Van Holten van afkomstig zijn. Uit het huwelijk wordt een zoon geboren die op 14 september 1766 wordt gedoopt in de kerk van Nieuwleusen. Deze zoon krijgt de naam Barteld Hendriks, maar wordt later als Barteld van Holten bekend als kastelein van Het Witte Peerd.
Barteld groeit op met zijn halfbroers en halfzuster op het boerderijtje van zijn ouders. Vader Hendrik Everts is naast boer ook timmerman. Hij is al overleden voor 1795, want in de volkstelling van 1795 staat zijn vrouw al vermeld als weduwe.


Kadasterkaartje uit dienstjaar 1882. De rode vlakken zijn bebouwing, de blauwe vlakken zijn water. Het rode vlak rechts (2402) is de kerk, de zwarte rechthoek daar half ingetekend (661) was de oude kerk. Daaronder de oude pastorie (2404) met rechts daarvan een vijver. Het rode vlak (2401) was het oude spieker ook wel Palthehuis genoemd en links daarvan (2400) is Het Witte Paard en de ernaast staande schuur. Op Het Witte Paard is ook een zwarte rechthoek getekend dit was de plek van het eerste boerderijtje. Deze stond met het voorhuis dicht op de Buitendijkssloot die vroeger langs het Westeinde/Oosteinde liep. De perceelscheiding liep in het midden van die sloot

Barteld van Holten
Barteld (Hendriks) van Holten trouwt op 18 april 1795 met Janna (Jansen) Nijland uit Noetsele bij Hellendoorn. Uit dit huwelijk worden drie kinderen geboren, Hendrina in 1795 en Janna in 1798. Aangenomen kan worden dat Janna is overleden voor december 1802, want op 16 december 1802 wordt een derde meisje gedoopt, die ook Janna wordt genoemd.
Het huwelijk met Janna Nijland duurt maar ongeveer zeven jaar. Zij komt te overlijden kort na de geboorte van haar jongste kind Janna in 1802.
Barteld van Holten blijft met twee kleine kinderen achter. Hij treedt in 1805, 39 jaar oud, opnieuw in het huwelijk met de 24 jarige Grietje Schoemaker. Uit dit huwelijk worden zes kinderen geboren. Jan (1806), Albert (1810), Hendrikjen (1813), Willem (1816, overleden drie dagen na zijn geboorte), Willem (1817) en Marrigje (1822). Barteld van Holten komt in 1812 voor in de aktes van naams aanneming van Dalfsen. Hij verklaart de naam Van Holten aan te nemen voor zichzelf en zijn kinderen Hendrina, 15 jaar, Janna, 9 jaar, Jan, 5 jaar en Albert, 1 jaar oud.

Barteld van Holten wordt in 1813 genoemd in een lijst waarin de Franse bezetter belasting heft op het aantal ramen en deuren in een huis. Vermoedelijk had het huis toen twee deuren en drie ramen op de begane grond. Het is dan nog de oude boerderij uit 1747.
In augustus 1823 leent Barteld 200 gulden tegen 4% rente van de diaconie. Mogelijk dat dit geld gebruikt is voor het bouwen van een nieuw huis. Bartelds zoon Willem betaalt uiteindelijk vijfenvijftig jaar later, in augustus 1878, de lening met rente terug.
In de akte uit 1866 staat vermeld dat de opstallen, bestaande uit een huis, schuur en een hooiberg, alle zijn gebouwd ten tijde van het huwelijk van Barteld van Holten en Grietje Schoemaker. Dus tussen 1805 en 1837.

Op 17 mei 1837 is Barteld van Holten te Nieuwleusen op 71 jarige leeftijd overleden. Na zijn overlijden blijven het bezit en de schulden een onverdeelde boedel, die pas verdeeld wordt na het overlijden van zijn tweede vrouw Grietje Schoemaker in 1866. De zaak wordt door de weduwe en haar kinderen voortgezet.
In 1860 had Het Witte Paard het huisnummer A80. De bewoners zijn dan Grietje Schoemaker, (overleden in 1866), haar zoon Willem en zijn vrouw Geertje Boer (1823-1876) en de Van Holten-kinderen Barteld (1842), Klaas (1844), Gerrigje (1846), Jentjen (1853), Willemina (1855), Aaltje (1860), Janna (1863) en Grietje (1865).

Willem van Holten
Op 27 mei 1823 trouwt de oudste dochter Hendrina van Holten op 27 jarige leeftijd met de dan 23 jaar oude Frederik Pasman, van beroep landbouwer. Het beroep van Hendrina is tot de verdeling van de ouderlijke boedel in 1866 ‘tappersche’ (caféhoudster).
Uiteindelijk is het de jongste zoon Willem van Holten, geboren op 22 juni 1817, die zijn ouders opvolgt als kastelein van Het Witte Paard.
Vanaf 1866 betaalt Willem van Holten, halfbroer van Hendrina, de pachtprijs voor de grond. De waarde van de opstallen wordt getaxeerd op 450 gulden, de inventaris en al wat daar toe gerekend wordt op 404 gulden en 85 cent. Het totaal aan schulden bedraagt 375 gulden en 85 cent. Dit moet verdeeld worden onder de overige erfgenamen. Willem koopt bij die verdeling in 1866 zijn familie uit en wordt daarmee de nieuwe eigenaar.


Een luchtfoto van omstreeks 1973, vanaf de Burg. Backxlaan, richting de Dommelerdijk, met kerk en daarnaast het jeugdgebouw en daarachter de witte pastorie. Aan het Westeinde café Het Witte Peerd. Het Palthehuis is hier al afgebroken, waardoor de oprit naar het Palthebos zichtbaar is

In maart 1885 passeert bij de notaris een akte waarin opgave gedaan wordt van al hetgeen dat tot de gezamenlijke boedel gerekend wordt van Willem van Holten en zijn overleden vrouw Geertje Boer. De akte bestaat uit een overzicht van alle inboedel, vee, gereedschappen en de schulden. Er zijn dan 2 koeien en 2 pinken getaxeerd op 350 gulden, 1 bruin merriepaard op 125 gulden, 4 varkens op 125 gulden en 7 kippen op 6 gulden en dertig cent. De aanwezige sterke drank wordt getaxeerd op 6 gulden en 75 cent. De totale baten bedragen ongeveer 1250 gulden. En er zijn nogal wat schulden gemaakt, totaal ruim 1500 gulden.
De begrafenis van Geertje Boer heeft 40 gulden gekost. Er viel dus niks te verdelen.
Uit deze akte blijkt tevens dat de huurprijs voor de grond 99 gulden per jaar bedraagt, de huur liep van mei tot mei. Eigenaar van de grond is Carel Hendrik Bernhard Palthe.


Carel Hendrik Bernhard Palthe (1820-1897) hier omstreeks 1885 met zijn dochters Gulia en Carolina en echtgenote Maria Emerentie Michgorius

Omstreeks 1900 komen ook de opstallen in het bezit van de familie Palthe, waarschijnlijk is dat gebeurd om de schulden te kunnen betalen. Men kan gerust concluderen dat het hebben van een café de familie Van Holten geen grote rijkdom heeft gebracht.

Klaas van Holten en zusters
Willem van Holten is op 27 april 1902 overleden op de leeftijd van 84 jaar. Een paar jaar voor zijn overlijden heeft hij in een testament bepaald dat zijn dochters Willemina en Aaltje het meeste uit zijn nalatenschap krijgen toebedeeld.
Zoon Klaas (1844) is vrijgezel gebleven en is dan naast landbouwer ook al enige tijd tapper in Het Witte Peerd. Klaas woont na het overlijden van zijn vader in de ouderlijke woning, samen met zijn vier ongetrouwde zussen Willemina, Aaltje, Janna en Grietje.
In 1904 laten zij allen een testament opmaken waarin zij elkaar tot erfgenamen benoemen.
Janna is overleden in 1914, Willemina in 1919 en Klaas, Aaltje en Grietje alle drie in 1920. Klaas van Holten is 76 jaar oud geworden. Als laatste overledene laat Grietje van Holten een klein stukje grond na van 32 are, gelegen achter het Palthebos. De totale waarde van haar erfenis, 520 gulden, wordt verdeeld onder haar overige familieleden.

De familie Bakker
Harm Bakker trouwt, 31 jaar oud, in 1893 te Nieuwleusen met Willemina Klein, ook 31 jaar oud. Harm is geboren op 9 oktober 1862 in De Wijk en Willemina op 27 juni 1855 in Staphorst.
Op 3 juli 1917 is Harm Bakker als verlofhouder en landbouwer ingeschreven op het adres van Het Witte Peerd. Voordat ze naar Het Witte Peerd aan het Westeinde verhuisden waren ze landbouwers aan de Oosterhulst, van 1893 tot 1917, met een onderbreking van drie jaar. Van 1896 tot 1899 woonden ze in de gemeente Avereest, met hun dochter Willemina, die op 23 november 1895 in Nieuwleusen is geboren.
Na de overname van Het Witte Peerd door Bakker zijn vermoedelijk de nog levende Van Holten- kinderen vertrokken naar een pand aan wat nu het Schuurmanslaantje is, dat ook eigendom was van de familie Palthe, en heeft de familie Bakker nog een paar jaar met de Van Holtens samen in een huis gewoond.


Fotoi uit omstreeks 1940 van Willemina Bakker-Klein (1855-1946), weduwe van Harm Bakker en moeder van Willemina Bakker

Evert Jan Reuvers
Willemina Bakker trouwt op 15 augustus 1918 met Evert Jan Reuvers, geboren 6 december 1892 in Nieuwleusen, van beroep landbouwer. Hij trekt in bij zijn schoonouders. Op 7 februari 1919 wordt dochtertje Trijntje geboren en op 18 september 1921 zoontje Harm.


Huwelijksfoto van Evert Jan Reuvers en Willemina Bakker

Evert Jan Reuvers is nog maar 29 jaar oud als hij op 2 juli 1922 aan een longaandoening overlijdt. Hij laat zijn vrouw met hun twee kleine kinderen achter. Die kinderen werden geregeld Bakker genoemd in plaats van Reuvers. Dat heeft waarschijnlijk te maken met het feit dat café Het Witte Peerd ten tijde van Harm Bakker ook café H. Bakker werd genoemd.


Kop van een advertentie uit 1923 waarin een veiling in Café H. Bakker wordt aangekondigd

Willemina Reuvers-Bakker weet als weduwe met de hulp van haar ouders het café en de boerderij draaiende te houden. Wat er met Het Witte Peerd gebeurde toen Gulia in 1928 kwam te overlijden, kunt u lezen in het volgende Kwartaalblad.

Palthebos

Hier waart Gulia's geest nog rond
op de van haar geërfde grond.
Lanen waarop ze zo graag dwaalde,
waarvan zij het voortbestaan bepaalde.

Hier zie je in de vroege zomerzon
de rijke, roze bloei van rododendron.
Grazen zonder tijd, verzonken in gedachten
paarden die eenzaam op hun ruiter wachten.

Hier speelt het zonlicht door bomen
die in ruit patroon weilanden omzomen.
Landschap als spel van groen met groen,
door mensen gemaakt tot wandelplantsoen.

Hier is verkeersgeruis vaag en veraf
soms klinkt er speels wat hondengeblaf.
Kinderen die onbekommerd op hun fietsjes toeren
komen de herten, geitjes en de pauwen voeren.

G. van den Berg, 2001

* * *

ZOEKPLAATJE

In het vorige Kwartaalblad stond een foto van de Nachtegaaltjes. Helaas is hierop geen enkele reactie binnengekomen. Wel kwam er alsnog een reactie van Riet Kamerman op foto 16260 (van USV) die in een Kwartaalblad eerder stond. Hier weten we nu 4 van de 11 namen. De namen van de andere 7 zijn nog steeds welkom. Reageren op de foto van de Nachtegaaltjes mag uiteraard ook nog steeds.

Deze keer 2 foto’s.

FOTO nummer 43 (fotonummer 16105 ) is een schoolfoto van Christelijke Lagere School van De Meele-uit 1979. Daarvan is alleen de naam van meester Aad van de Bergh bekend.
(Op deze foto nummer 43 (16105) kregen we al heel snel een aantal reacties. Inmiddels zijn alle 69 namen bekend en ingevuld bij de foto op de beeldbank.)


FOTO nummer 44 (fotonummer 17748) is van een groep jonge dames met een paar heren die zo te zien een uitstapje hebben. De foto zou zijn gemaakt omstreeks 1950.
(Op foto 44 (17748) gemaakt omstreeks 1950 staan een groep jongelui op en rond een tank afgebeeld. Van Ria Smit kregen we twee namen door. Nr. 6 op de foto is haar moeder Derkje van Dorsten (1921-2016) en nr. 11 is de zus van haar moeder Femmigje (Fem) van Dorsten (1923-2006). Op de beeldbank zijn al meer namen ingevuld.)

Het liefst reageren via het reactieformulier bij de foto op beeldbanknieuwleusen.nl.
Daar zijn de personen ook genummerd en kunnen de foto’s vergroot worden.
Maar een email naar info@palthehof mag ook.






Jaargang 40 mag pas in 2024 getoond worden


Jaargang 40 Nummer 1 maart 2022


* * *

Foto voorpagina:

Erve de Katuil dat in 2021 een naambord kreeg.
Foto: Dick Klinkenberg, die ook de andere erven fotografeerde.

* * *

Project boerderijnamen

Werkgroep boerderij- en veldnamen

Door het plaatsen van een bord met de historische naam van het boerenerf maken de gemeente en de historische verenigingen stukjes lokale geschiedenis zichtbaar. Daarmee blijven de erfnamen die nog een duidelijke verwantschap met hun omgeving hebben of ergens toe te herleiden zijn, verbonden met de geschiedenis van de omgeving. Dit keer het verhaal van drie boerenerven met een historische samenhang.

Erve Roelinck - Oosterveen 23-25
Het van ouds bekende Erve de Katuil, ook wel Erve Roelinck en Erve Katoele genoemd, bevindt zich op de adressen Oosterveen 23-25-27 en Ds.Smitslaan 2. Bij de verdeling van het Oosterveen kwam de grond in bezit van Herman Roelinck, participant in de Leusener compagnie. Op deze grond zijn meerdere boerderijen gesticht. Door vererving komt het geheel in handen van Thijman Vriesen, burgemeester van Zwolle. Een kleindochter van hem, Mechtelt Johanna Geertruida Vriesen, getrouwd met Generaal de Famars, woonde op huis De Aalshorst in Dalfsen. In 1793 laat de weduwe De Famars deze percelen verkopen. Op wat nu Oosterveen 23-25 is woont in 1830 De familie Nijhuis. Een dochter van Nijhuis trouwt in 1886 met Jan Huzen en vele generaties verder woont er nog altijd de familie Huzen. Hier is het bord met de naam Erve Roelinck geplaatst.



’t Middelveen - Oosterveen 27
De tweede boerderij op het Erve de Katuil, ook wel Erve Roelinck en Erve Katoele genoemd, werd vanouds Het Middelveen genoemd. Daar woont in 1825 Hendrik Dijk met zijn vrouw Beegje Nijs. Hun dochter Aaltje Dijk woont hier later met Jan Alteveer. Hun dochter Trientje Alteveer trouwt met Arend Jan Schuurman. Daardoor komt de huisplaats in handen van de familie Schuurman. Anno 2021 is Okke van Geene de eigenaar. Hij blaast met het plaatsen van het bord de naam ‘t Middelveen weer nieuw leven in.



Erve de Katuil - Ds. Smitslaan 2
De derde boerderij van het Erve de Katuil, ook wel Erve Roelinck en Erve Katoele genoemd, lijkt ver verwijderd van Oosterveen 23-25 door de woonhuizen en voormalige huishoudschool De Olmen die er aan de straatzijde tussen zijn gebouwd, maar de daarachter liggende landbouwgrond sluit nog steeds aan op de erven van Oosterveen 23-25-27. Omstreeks 1830 is de grond van Hendrik Dijk, en na hem van Klaas de Boer. Koop Bijker is de volgende eigenaar en door vererving komt het in bezit van Harm Alteveer. De boerderij op dit perceel is gebouwd in 1877 en bedoeld om te verhuren. In 1894 woont de familie Knotters er. Vanaf ongeveer 1920 is het in korte tijd drie keer verkocht. Geertruida Schiphorst was, evenals Willems, maar een paar jaar eigenaar en na hen kwam Paasman. De familie Ruinemans verbouwde de boerderij tot woonboerderij en geeft met het bord de naam aan van Erve de Katuil.
Zie foto op de omslag.

* * *

‘t Witte Peerd in Nieuwleusen.
Deel 2: De familie Bakker en Palthe

René Fokkert

Al meer dan twee eeuwen is café-cafetaria ‘t Witte Peerd aan het Westeinde een begrip in Nieuwleusen. Wij vervolgen het verhaal over het horecapand met haar bijzondere geschiedenis met weduwe Willemina Reuvers-Bakker.

Weduwe Willemina Reuvers-Bakker heeft nog vele jaren steun van haar ouders en weet met hun hulp de zaak en de boerderij draaiende te houden. Haar vader Harm Bakker is op 23 augustus 1941 overleden.
In de landbouwtelling van 1943 staat de weduwe van Harm Bakker genoteerd met 3.25 ha bouwland, 1.6 ha grasland en 2 ha overige oppervlakte. Totaal dus een kleine 6 hectare. Willemina Bakker-Klein is overleden op 23 mei 1946.

Gulia Palthe en de familie Bakker

Jan Arend Palthe was van 1754 tot 1803 predikant in Nieuwleusen. In die periode verwierf hij hier vele bezittingen. Deze, en grote erfenissen in Oldenzaal, kwamen via zijn zoon Johannes en kleinzoon Carel Hendrik Bernhard in bezit van zijn achterkleindochter Guillemette Joanette (Gulia) Palthe. Zij was de laatste van deze tak van de Palthe-familie. Omstreeks 1795 had dominee Jan Arend Palthe het spieker ofwel Palthehuis laten bouwen. Zomers gebruikte de familie het spieker als zomerhuis en ‘s winters woonden zij in Oldenzaal. De ongehuwde Gulia liet in 1921 haar testament opmaken bij notaris Visscher in Nieuwleusen. In 1923 ,1924 en 1927 liet zij dat nog op bepaalde punten wijzigen en/of aanvullen.


Op 3 april 1998 werd als vroeger ‘Gulia’ met een rijtuig opgehaald om het naar haar genoemde Museum Palthehof te openen.

Als naaste buurvrouw van de familie Bakker was Gulia Palthe goed op de hoogte van het wel en wee van deze pachters. Zij was bijzonder gesteld op de familie Bakker. Harm Bakker was de vaste koetsier van “Mvr. Palthe”. Als zij naar Nieuwleusen kwam, moest zij door Harm op het station worden opgehaald. Zij stuurde meestal een week van te voren een brief waarin ze haar komst aankondigde. Ze stond erop dat ze met een rijtuig opgehaald zou worden. In een van de brieven aan de familie Bakker is sprake van de oude kidde (paard) die moest worden vervangen. Van de suggestie dat ze ook met een auto zou kunnen reizen wilde ze beslist niets weten. Bakker moest maar eens informeren bij de verkoper van zijn vorige paard of hij niet nog zo’n mak beestje te koop had.
Als Gulia tijdens de zomermaanden in Nieuwleusen verbleef ging ze geregeld, met Bakker als haar koetsier, op bezoek bij kennissen in Vilsteren, Dalfsen en Zwolle.

Testament Gulia Palthe

Toen Gulia in 1928 kwam te overlijden bleek dat zij het grootste deel van haar bezittingen in Nieuwleusen, bestaande uit boerderijen en landbouwgronden, had vermaakt aan haar pachters. Harm Bakker kreeg per legaat een geldbedrag uitgekeerd en hij kreeg een paar perceeltjes grond aan de Dommelerdijk in eigendom. Zijn dochter, de weduwe Willemina Reuvers-Bakker, kreeg een legaat van 1000 gulden. In het legaat aan de Hervormde kerk staan een aantal bijzondere voorwaarden vermeld.
De Hervormde kerk kreeg uit haar nalatenschap het Palthebos met de daarin liggende stukjes landbouwgrond, het naast de kerk gelegen spieker met de ondergrond en de opstallen en de ondergrond en de opstallen van café Het Witte Peerd, waar op dat moment de familie Bakker woonde. De totale oppervlakte van de aan de kerk geschonken landerijen bedroeg 4 hectare en 88 are. Alle overige bezittingen uit haar Nieuwleusener nalatenschap werden geveild.


“Ik bepaal dat het huis en erf met schuur, gelegen naast het spijker in den Kerkenhoek te Nieuwleusen, met het land gelegen achter het huis en schuur en het


land in Palthenbosch, alles thans in huur bij Harm Bakker en bij zijn overlijden bij zijn weduwe, bij overlijden ook van deze bij hunne dochter Willemina Bakker, weduwe van Evert Jan Reuvers, en bij overlijden ook van Willemina Bakker bij hare kinderen,


blijven, dat die goederen in huur moeten blijven bij hen die ze bij mijn overlijden in huur hebben voor dezelfde huurprijzen en zoo lang zij leven, en dat de jaarlijkse opbrengst dezer goederen moeten strekken tot verhoging van het predikantstraktement.”

Haar bepaling geeft de familie Bakker huurbescherming, zelfs tot aan de kleinkinderen toe. Ook bepaalt Gulia dat er geen huurverhoging mag zijn voor de familie Bakker tot aan het overlijden van de toen jongste telg van deze familie. Harm Reuvers is overleden in 1982 en zo blijft de huur dan ook vierenvijftig jaar lang ongewijzigd.

Voor het onderhoud aan het spieker en het huis/café van Bakker is door Gulia een fonds opgericht waaraan zij per testament 2000 gulden vermaakt. De rente hierop en de opbrengsten van de verhuurde perceeltjes land in het Palthebos moesten hiervoor gereserveerd worden. De royale bedeling door Gulia Palthe aan de familie Bakker had wel een keerzijde. Er moest nog in datzelfde jaar 2524 gulden aan successie worden betaald.

Oude begraafplaats

Sterrenmos en hoge beukenbomen,
besloten door een beukenheg.
Vanaf de straat kun je er niet meer komen,
de in- en uitrit zijn al weg.

Wie het smalle pad kan vinden
dat naar dit stil verleden leidt,
-het paard bracht de beminden,
versteend tot letters door de tijd -

verbreekt de stilte met een klik.
Aarzelend wordt de eerste stap gezet,
beschroomd de voet fout neer te zetten
op ’t levend mos of van de doden ’t bed.

Een middenpad tussen de grijze stenen
waarop familienaam nog aanzien gaf,
’t eenvoudig hout allang verdwenen,
leidt naar een eenvoudig kindergraf.

G. van den Berg. 2006

* * *

Groepsfoto

15 november 1986:

Brandweer Nieuwleusen



1  
2  
3  
4  
5  
6  
7  
8  
9  

Henk Groen
Koop Reurink
Albert Oldegarm
Douwe Schat
Wim Schiphorst
Frank Lip
Bert Brinkman
Henk Mulder
Bertus ten Kate

10  
11  
12  
13  
14  
15  
16  
17  
 

Frans Nederlof
Aalt Westerman
Jan Reuvers
Martin Schiphorst
Arie van de Weide
Henk Ruinemans
Nico de Graaf
Gerrit van der Kolk

18  
19  
20  
21  
22  
23  
24  
25  
 

Arend Broek
Henk Westerman
Marinus Gerrits
Hendrik Jan de Weerd
Gert Goutbeek
Lucas Kappert
Gerrit Jan Lier
Egbert Hekman
 

* * *

Mensen aan het woord.
Douwe Schat, brandweercommandant

Jenny Kasper en Henny ter Wee

Na het overlijden van Gerrit Boers in 1956 werd Klaas Kouwen opperbrandmeester van de brandweerkorpsen in Den Hulst en Nieuwleusen. In 1963 werden de twee brandweerkorpsen samengevoegd. De meeste mannen uit Den Hulst vroegen ontslag omdat ze door de verdere afstand naar de kazerne niet meer snel genoeg aanwezig konden zijn voor het uitrukken. Kouwen ging in 1970 met pensioen en werd opgevolgd door Hendrik Jan Snijder. Op 1 januari 1975 is Douwe Schat benoemd tot brandweercommandant.

Wie kent hem niet: Douwe Schat, voormalig Bouwkundig Opzichter binnen de gemeente Nieuwleusen van 1961 tot 1966. Douwe is geboren op 23 februari 1936 in Leeuwarden-Huizem, een wijk aan de rand van de stad zonder stadse instelling, volgens Douwe. Als gevolg van de Tweede Wereldoorlog had hij een onderbroken schoolopleiding. Douwe zelf heeft dit als kind anders beleefd. Als lagere schooljongen genoot hij van de avonturen op straat, samen met andere jongens.
Na de lagere school ging Douwe naar de ambachtsschool. Hij volgde de opleiding tot timmerman. Vervolgens ging hij naar de Middelbare technische school (MTS) in Leeuwarden, die hij in 1958 heeft afgerond. Daarna volgde Douwe op de avondschool een opleiding tot architect. Overdag werkte hij bij een bouwbedrijf, aanvankelijk als timmerman, maar al snel kreeg hij meer verantwoordelijke taken als uitvoerder. Later was hij werkzaam bij een architectenbureau.
Aan het einde van zijn studie kreeg hij de oproep om zijn militaire dienstplicht te vervullen. Douwe werd gestationeerd in Steenwijk en zoals dit kan geschieden, leerde hij daar een bevallig meisje kennen, met de naam Hillie Helmers. Zij kregen verkering en trouwplannen, het werd dus tijd voor een vaste baan. Heel toevallig las hij een advertentie waarin een bouwkundig opzichter werd gevraagd. Nieuwleusen, dacht Douwe, waar mag dit dorp wel niet liggen? In Overijssel, prachtig, een bereisbare afstand vanuit Leeuwarden.
Zo ging Douwe op reis, met het openbaar vervoer. De route van de busreis naar Nieuwleusen werd omgeleid via de Hessenweg bij Dalfsen, omdat in 1961 het Westeinde afgesloten was. Het wegdek werd vernieuwd. Douwe kwam iets te vroeg aan in de Kerkenhoek. Bij Café De Viersprong kocht hij een kop koffie en kreeg ongevraagd de nodige informatie over het gemeentehuis en de werknemers aldaar.
Het eerste gesprek was met burgemeester Mulder en meneer Klijn, hoofd gemeentewerken.
Het tweede gesprek vond plaats in Leeuwarden in de vorm van een bezoek aan zijn ouderlijk huis. De ouders van Douwe waren op vakantie, zijn zus Tine nam de honneurs waar, ontving de burgemeester en meneer Klijn. Het huis en nabije omgeving werd door beide heren in ogenschouw genomen.
Na het laatste en afrondende gesprek van de sollicitatie in het gemeentehuis, waarbij ook twee wethouders aanwezig waren, zat Douwe in afwachting van de uitkomst in de wachtkamer.
Nadat hij de koffie had binnengebracht, knikte de gemeentebode, Arend van Spijker, hem bemoedigend toe, en zei: “Maak je maar geen zorgen, het zit wel goed“.
Op 1 november 1961 is Douwe begonnen als bouwkundig opzichter in de gemeente Nieuwleusen.
Hij is één week in de kost geweest bij de familie Van Spijker. Daarna konden Douwe en Hillie, die inmiddels getrouwd
waren, een woning betrekken aan de Wethouder Nijboerstraat.


Receptie personeel gemeente Nieuwleusen in 1961. Vlnr: Fennigje Westerholt-Boerman (1931-2019), Willem Westerholt, Hillie Schat-Helmers en Douwe Schat

Vrijwillige brandweer
Bouwkundig opzichter hield ook in dat je brandmeester was bij de vrijwillige brandweer. Voordien vervulde Nanne Vos deze functie.
In die tijd was de brandweer nog eenvoudig georganiseerd en rukte alleen uit bij brandalarm.
Middels vernieuwde, landelijke richtlijnen werden de mensen bij de brandweer geschoold. Zo goed geschoold dat zij bij een landelijke wedstrijd in 1963 eerste werden. Douwe heeft zich steeds optimaal ingezet om de brandweer zo goed mogelijk te professionaliseren.
De brandweer werd na verloop van tijd ook ingezet bij meer complexe situaties, zoals verkeersongevallen. Het verkeer nam toe, dus ook ongevallen, soms met dodelijke afloop.
De aanleiding tot meer specifieke hulpverlening, ontstond na het ernstige verkeersongeluk op de hoek Dommelerdijk – Middeldijk. Bij dit ongeval waren vijf dodelijke slachtoffers. De hulp van de brandweer werd ingeroepen om de lichamen te bergen. Helaas was er onvoldoende materiaal beschikbaar om deze opdracht adequaat uit te voeren. In overleg met burgemeester Mulder werd besloten om specifieke polyester kisten te bestellen. Kort nadien gebeurde er op de Hessenweg eveneens een ernstig ongeval met dodelijke afloop. Het brandweerkorps van Dalfsen deed een beroep op het korps van Nieuwleusen,omdat dit korps inmiddels het juiste materiaal had om de slachtoffers te bergen.
In 1963/1964 werd er een groep van 7 á 8 personen opgeleid voor specifieke hulpverlening en was er een scheiding gemaakt in de oproep ten behoeve van brandbestrijding of ander soort hulpverlening.
Tussen 1964 en 1970 is veel veranderd in de alarmering van de brandweer.
Op 1 februari 1966 vertrok Douwe Schat als bouwkundig opzicht bij de gemeente en is hij gestart met een eigen architectenbureau. Hij heeft toen het verzoek ingediend om bij de brandweer te mogen blijven.

De brandweerkazerne
In het begin was de brandweerauto gestald bij garage Pinkxsterhuis in de Kerkenhoek.
Later stond de brandweerauto bij de Dienst Gemeentewerken, waar ook de sirene was.
De oproep kwam binnen bij Albert Jonkman, monteur en chauffeur bij de gemeente en de brandweer, evenals bij Douwe Schat en Henk Schoemaker van café De Viersprong. Bij laatstgenoemde was ook een drukknop voor de sirene ter alarmering van de brandweerlieden.
Later kwam er een centrale meldkamer voor de regio, waardoor de korpsen in de regio meer met elkaar verbonden werden en alle brandweermannen kregen een pieper met verschillende codes.


Brandweerkazerne, met links gebouwen gemeentewerken

In 1970 kwam er een kantine bij de eerste echte brandweerkazerne. Belangrijk, omdat er nu een plek was waar je als collega’s na kon praten na het uitrijden, het blussen of andere, soms ingrijpende situaties. Het delen van ervaringen en belevingen versterkte ook de onderlinge band.
In 1978 kwam er een nieuwe brandweerkazerne achter het terrein van Gemeentewerken, met de uitrit naar het Westerveen, evenals het stil alarm en de mobilofoon-installatie. Er werd gestart met de Geregionaliseerde Brandweer Noord Overijssel; een samenwerkingsverband van 13 gemeenten voor onder andere een centrale meldkamer, een afdeling preventie en de aanschaf van speciale brandweer en hulpverleningsvoertuigen.

Samenwerking
De toezichthoudende staf bestond uit de burgemeester, het hoofd van gemeentewerken en de brandweercommandant.
De samenwerking met de lokale politie was goed. In het begin kwam de politie bij een uitruk op de fiets, later op de bromfiets. Bij een brand kon er sprake zijn van een delict en was er nader onderzoek gewenst. Niet iedereen stelde een onderzoek op prijs, waardoor de brandweer of de politie soms gehinderd werden in de uitvoering van hun taak. Tactisch optreden was dan gewenst. Een boze burger of boze boer kon de rechtsgang behoorlijk verstoren.


Burgemeester A.B.L. de Jonge (16-06-1986 tot 16-09-1992) opent het programma "Inbraakpreventie" in de raadszaal van het gemeentehuis onder het toeziend oog van de commandant vrijwillige brandweer Nieuwleusen, Douwe Schat. burgemeester van Dalfsen Herman Smit (1985-1989)


het embleem uit 1975

Belangrijk is te beseffen dat je als brandweer een dienstverlenende taak hebt. Deze organisatie moet in tijden van nood, snel en effectief kunnen handelen. Een duidelijke taakverdeling en een goede samenwerking zijn essentieel. Ook het materiaal moet in goede staat zijn. Regelmatig oefenen en onderhoud zijn belangrijke voorwaarden.
Douwe was zich hier zeer van bewust en streefde ook naar een goede onderlinge sfeer, het creëren van de onderlinge saamhorigheid. Als hoofd moet je duidelijk zijn, kwaliteit waarborgen, mensen durven aanspreken op werkwijze en werkhouding. Het instellen van een feestcommissie is een van de bindende factoren. De open dagen, om de inwoners van het dorp te tonen wat het werk inhoud en wat het materiaal is waarmee het werk wordt uitgevoerd versterkt de band met de bevolking, evenals het organiseren van paasbulten; dit betekent bovendien een welkome afwisseling voor de routinematige roosterinvulling voor de brandweermensen.

Persoonlijk
Op onze vraag wat hem het meeste is bijgebleven in al die jaren bij de brandweer, was het antwoord van Douwe: “Die keren dat er kinderen en/of bekenden bij het uitoefenen van het werk betrokken waren, zoals die keer dat dat er een auto te water was geraakt in De Dedemsvaart, nabij de Lichtmis. Het korps Nieuwleusen had geen beschikking over duikers, zodat de hulp werd ingeroepen van het korps uit Zwolle. Douwe stond aan de wal en de duikers van Zwolle waren onder water om de nog onzichtbare auto te onderzoeken en aan het dreggen naar eventuele slachtoffers.
Het is altijd een spannend moment: zitten er nog mensen in de auto?
Opeens staat de dochter van Douwe achter hem en op zijn vraag: “Wat doe jij hier “, antwoordde zij: “Wij zaten in die auto en zijn naar huis gegaan om droge kleren aan te doen”. “Wat er dan door je heen gaat”, besluit Douwe ………….!


januari 1992 Brandweercommandant Douwe Schat, zelf 30 jaar in dienst, bij het afscheid van Aalt Westerman en Henk Groen, die beiden na 15 jaar afscheid nemen als vrijwillige brandweerman.

Marcel van Saltbommel vertelde ons nog het volgende:
Er waren begin 1900 twee handbrandspuiten. De boer die als eerste met zijn paard bij de pomp was om deze naar de brand te brengen kreeg een premie van 10 gulden. In die jaren was de leiding in handen van wethouder Zonneberg, wethouder van 1915 tot 1927. De politie wees de mensen aan die moesten helpen om te pompen. De ene pomp stond in Nieuwleusen bij de oude burgemeesterswoning. De andere pomp stond in Den-Hulst bij het rayonkantoor van politie aan de Hoofdvaart. Dit was een Heiligerlee-brandspuit uit 1910. Die is bewaard gebleven en staat nu nog te pronk in de brandweerkazerne aan het Westeinde.

* * *

Brandemmers in de jaren dertig

Klazien Bijker

Er zullen niet heel veel mensen meer zijn die weten wat brandemmers zijn. Eigenlijk is dat niet zo'n ramp, maar is het toch aardig te weten hoe men daar een brand of andere nood mee kon bestrijden.

Voor de oorlog hadden veel boerderijen nog geen aansluiting op de waterleiding omdat ze te ver van de bebouwde kom af stonden of te ver uit elkaar. Om bij het uitbreken van brand dat hiaat op te vagen, stonden hier en daar bij een boerderij een twintigtal emmers. Daarmee kon een levende keten van mensen emmers vol put- of pompwater aan elkaar doorgeven om de brand te bestrijden.
Ook de boerderij van mijn ouders, aan de noordkant van de Dedemsvaart, net over de grens van de gemeente Staphorst, was voor deze brandemmeropslag uitgekozen.
Hoewel er in die tijd wel een boerderij in de buurt is afgebrand, is er van deze voorziening nooit gebruik gemaakt. Waarom niet? Toch al te laat?
Toen in 1940 de oorlog uitbrak was er de eerste tijd nog van alles genoeg te krijgen, maar met het verstrijken van de jaren werd de boel schaars en raakten ook de emmers op.
U voelt hem al aankomen!
Wat doe je als de voeremmers gaan lekken en er staan stapels dichte emmers te niksen op de zolder? Dan leen je uit armoede toch een emmer! Eentje maar en alleen maar lenen, of, zoals mijn moeder zei, "alleent mar gebruken."
Ach, en later nog eens, en nog eens, en … ook de door de brand en oorlog gedupeerde buren leenden dapper mee.
Het was enkele jaren na de oorlog toen de laatste emmer de trap afkwam. Maar toen lag het materiaal voor de aanleg van de felbegeerde waterleiding ook al klaar.
En nooit heeft er een haan gekraaid naar onze brandemmer-lenerij.
Toch nog maar even schoon schip maken, want ik ben wel een van de laatsten die dit kan opbiechten.

* * *

‘t Witte Peerd in Nieuwleusen.
Deel 3: De familie Reuvers

René Fokkert

De Familie Reuvers

Op dertig december 1943 trouwt Harm Reuvers met Evertje (Eef) Spijker. Moeder Willemina doet dan het café en Harm en Eef de boerderij. Harms moeder Willemina mocht bij haar schoondochter Eef de verdiensten uit het café (verkoop bier) graag vergelijken met de verdiensten uit de boerderij (verkoop melk). Willemina Reuvers-Bakker is op 3 september 1953, op zevenenvijftig jarige leeftijd overleden.
In de oorlogstijd krijgt Harm een oproep voor tewerkstelling in Duitsland. Hij geeft daar geen gehoor aan en weet als onderduiker aan de oproep te ontkomen. In die tijd woont er een jongeman uit Rotterdam tijdelijk in bij de familie Reuvers. Harm wordt er na de oorlog al snel ook postbode bij. Hij bezorgt de post totdat hij begin jaren zestig wordt afgekeurd vanwege zijn slechte ogen.


Harm en Eef Reuvers-Spijker en hun zonen Evert Jan en Berend


Harm en Eef kregen drie kinderen, Evert Jan (1944), Berend (1946) en Willemien (1957).
Evert-Jan Reuvers is vernoemd naar zijn grootvader Evert-Jan Bakker. Op 10 juni 1962, op zeventienjarige leeftijd, krijgt hij een ernstig ongeluk met een bromfiets. Dat gebeurde op de Veldweg, niet ver van molen Massier. Evert-Jan werd door molenaar Massier op een wagen naar huis gebracht en liggend op een ladder naar binnen gedragen. Hij is nog diezelfde avond overleden aan de gevolgen van een schedelbasisfractuur. Evert Jan was in die tijd in militaire dienst. Van de minister van defensie kregen zijn ouders een condoleance brief.
Berend Reuvers werd twee maanden te vroeg geboren en heeft waarschijnlijk een kleine hersenbloeding gehad, waardoor hij spastische verlamming kreeg. Zijn ouders hebben daardoor veel zorgen over hem gehad. Hij had stijve benen en daardoor een schuifelende manier van lopen. Toen Berend ongeveer vijftien jaar oud was ging hij naar de Johanna Stichting in Arnhem, waar men hem vooral zelfstandigheid leerde. Na twee jaar, na het overlijden van Evert Jan, kwam Berend weer naar Nieuwleusen. Dochter Willemien was nog maar vijf jaar oud toen dit familiedrama zich afspeelde.


Harm en Eef Reuvers met hun kinderen Berend en Willemien en met (links) Willy Huzen, de dochter van Hendrik Jan Huzen en Trijntje Reuvers, de zuster van Harm Reuvers. Na het overlijden van Trijntje Reuvers werd Harm Reuvers toeziend voogd over Willy. Zij heeft enige tijd bij het gezin Reuvers in huis gewoond.

Cafetaria

Na terugkomst van Berend uit Arnhem wordt er een plan bedacht om hem iets te laten ondernemen waarmee hij zelf de kost zal kunnen verdienen. Het idee ontstaat om een cafetaria bij het café aan te bouwen, waardoor Berend niet te veel hoeft te lopen en zelfstandig toch een beroep kan uitoefenen. Er was in Nieuwleusen al eerder een aanvraag gedaan door Emmink om een cafetaria in de Weth. Nijboerstraat te openen, maar daar waren de buurtbewoners fel op tegen; zij wilden geen straat vol zwerfafval. Dit ging dus niet door.


Links op de foto het Spieker van de familie Palthe, daarnaast Het Witte Peerd.

Om te mogen bouwen moet de familie Reuvers ook toestemming hebben van de kerkvoogdij van de Nederlands hervormde kerk. Het was destijds zeker geen uitgemaakte zaak dat die toestemming er ook zou komen. Begin 1963 schrijft Harm Reuvers een brief met een overzicht van zijn plannen om voor zijn zoon een cafetaria te laten bouwen. Daarin vermeldt Harm dat de grote houten schuur vooraan het Westeinde zal worden afgebroken en dat de veestalling iets zal worden verplaatst. Hij vermeldt verder dat hij veel steun heeft gehad van zijn buurman, burgemeester Mulder, aan wie hij veel dank verschuldigd is en dat hij erop vertrouwt dat de kerkvoogdij ook haar medewerking zal verlenen om een zwaar gehandicapt kind een toekomst op te laten bouwen.

Uiteindelijk stemt ook de kerkvoogdij in met de plannen van Reuvers. Op 28 september 1963 wordt het cafetaria geopend door burgemeester E.H. Mulder. Om de zaken goed te regelen wordt er door Harm en Eef samen met Berend een V.O.F. opgericht (Vennootschap onder firma). In deze V.O.F. is zowel het café als het cafetaria ondergebracht.


De jeugd voor het café Het Witte Peerd omstreeks 1968. Het Spieker is hier al afgebroken en het uithangbord geeft aan dat bij Het Witte Peerd Hengelosche pils wordt getapt.

In de daarop volgende jaren zijn er nog meerdere verbouwingen. Zo wordt er in 1970 een garage en een spoelplaats gerealiseerd en in 1979 wordt toestemming verleend voor het uitbreiden van het toiletgebouwtje.
Harm Reuvers neemt het niet altijd even nauw met de juiste procedures voor de diverse aanvragen. Hij wordt meerdere keren schriftelijk gemaand door zowel de kerkvoogdij als door de gemeente om zich aan de gestelde regels te houden.


In de jaren zestig had Harm Reuvers ook nog enige jaren een samenwerking met de Dalfser tenten verhuurder Kolbe. Bij menig Oranje-feest werd de tent geplaatst door Kolbe en de dranken geleverd door Reuvers.

Uitgaan en vermaak
Ongeveer vanaf 1972 worden er bij Het Witte Peerd disco-avonden georganiseerd. Jonge beginnende dj’s komen er platen draaien, zoals Eddie Mensink, nu bekend van het Megapiratenfestival, en Cor Mestenbeld, bekend van de Air Bubble band. In eerste instantie speelt de dj muziek tot middernacht, later mag dat tot 1 uur ‘s nachts. In het café zijn twee biljartverenigingen actief, De Zwolse bond en De wilde bond. Het Witte Peerd doet mee met verschillende voetbaltoernooien. De bekendste zijn het Hand in hand-toernooi, het Horeca-toernooi en wedstrijden tegen Veldzicht en de Franciscushof uit Raalte.


Eef en Berend met een wagen vol klanten na het winnen van het Hand in hand toernooi

De familie Reuvers had ook een belangrijke rol in het functioneren van de brandweer in Nieuwleusen. Als bij de brandweerkazerne de alarmtoeter afging werd deze alleen gehoord door de brandweermensen die in en om de Kerkenhoek woonden. De familie Reuvers belde dan zo snel mogelijk de brandweerlieden die verder weg woonden.

Harm Reuvers is overleden op 5 april 1982. Zijn begrafenis was op vrijdag. De maandag daarop stonden er twee heren uit Amersfoort van het Bureau kerkelijke goederen bij zijn weduwe op de stoep. In dat gesprek werd de familie Reuvers verteld dat de huurbescherming die door Gulia Palthe per legaat aan de kerk was opgelegd, was komen te vervallen door het overlijden van Harm als laatst genoemde begunstigde.
De huur werd per direct verhoogd naar ongeveer 900 gulden per maand. Tot die tijd was de huur voor het café 99 gulden, en met de grond in het Palthebos erbij 121 gulden per jaar. Omgerekend ruim 10 gulden per maand. Deze nieuwe huurprijs was een enorme verhoging van 8825%.
Eef Reuvers-Spijker blijft na het overlijden van haar man betrokken bij het café.

De laatste generatie Reuvers

Tot 1995 was Willemien Reuvers ook werkzaam in de zaak. Zij is getrouwd met Ally Schieving. In de periode tussen 1986-1996 hadden zij een stoffenwinkel/slijterij aan de overkant van het Westeinde. Niet lang na het overlijden van Eef raakte de relatie tussen Berend en zijn zus Willemien verstoord.
In 1995 komt de slijterij naar Het Witte Peerd, in de nieuwe aanbouw naast het cafetaria. De stoffenwinkel was al eerder verplaatst naar hun winkel in Dedemsvaart. Willemien werkt daarna nog vele jaren als manager debiteurenbeheer bij Het Groene Land en Achmea verzekeringen.


Westeinde 12 en 14 met stoffenzaak en slijterij. Na interne verbouwingen zijn er vier woonappartementen gerealiseerd.

Omstreeks 1990 leert Berend zijn latere vriendin Roelien kennen. Das was in het ziekenhuis, waar zij tegelijkertijd met Berends moeder Eef was opgenomen. Roelien is zakelijk niet betrokken bij Het Witte Peerd.
Op verzoek van de kerk staat Berend Reuvers omstreeks 1996 het grootste gedeelte van het land af dat hij achter het café nog steeds in huur heeft. Het plan is om op die grond het museum Palthehof te bouwen. Dat is ook gebeurd.
In 2002 verkoopt de kerk de opstallen aan Berend Reuvers, de huur van de ondergrond verandert dan in erfpacht.
In april 1994 is Eef Reuvers op 70 jarige leeftijd overleden. Binnen een jaar wordt besloten om de eenmanszaak die het dan is, om te zetten naar een Vennootschap onder firma. Hier wordt voor gekozen om de financiering voor de overname mogelijk te maken. In deze V.O.F. zitten als vennoten, naast Berend Reuvers, Janneke Koning-Jansen, Hans Koning, Monique Koning en Dennis Kleinluchtenbeld.

In 2005 worden het café en cafetaria geheel vernieuwd. De oude opstallen worden afgebroken en er blijft een klein woongedeelte voor Berend. De nieuwbouw is uitgevoerd door aannemersbedrijf Snijder. Het vernieuwde pand wordt geopend door Elaisa Kleinluchtenbeld, de dochter van Dennis en Monique.

Op 15 augustus 2007, op 61 jarige leeftijd, is Berend Reuvers in zijn woongedeelte achter het café overleden. Met zijn overlijden is er geen band meer tussen de familie Reuvers en ‘t Witte Peerd. Janneke Koning-Jansen, die vele jaren werkzaam was bij de familie Reuvers en daardoor goed bekend met Berend, heeft van de overname niet lang kunnen genieten. Ze is in augustus 2009 op 52 jarige leeftijd overleden.
Bij een ingrijpende verbouwing van 2012 zijn enkele bestaande zalen vergroot en zijn er aan de achterzijde nieuwe zalen bijgebouwd. Het woongedeelte van Berend is toen bij de keuken aangetrokken en een gedeelte is kantoor geworden. De officiële naam is V.O.F. ‘t Witte Peerd.

* * *

Verslag van een prachtige tocht op het Tjeukemeer in 2010

Ds. Bart Trouwborst

Het vandaag ontvangen Kwartaalblad Ni’jluusn van Vrogger met plezier gelezen hebbend, las ik de oproep om schaatsverhalen in te leveren. Bijgaand heb ik er eentje, die gaat over een tocht die ik reed in 2010 over het Tjeukemeer.

Net als velen van u ben ook ik een groot schaatsliefhebber. Als het even kan bind ik graag mijn schaatsen onder. Op natuurijs kies ik dan voor de echte ouderwetse Friese noren. Allereerst natuurlijk vanuit een stuk nostalgie. Wat is er mooier dan op puur staal en hout over de bevroren en met riet omzoomde waterkorsten te glijden, enkel het geruis van de wind en het gekras van de schaatsen horend? Die schaatsen (mijn bij de kringloop voor enkele euro’s gekochte set is nu alweer bijna zo’n 100 jaar oud – kom daar nu nog eens om!) zijn niet alleen onverwoestbaar sterk, maar ook hebben ze als voordeel dat, door de (in vergelijking met moderne noren) matig oplopende voorzijde, de schaats de neiging heeft om een scheur weer uit te rijden, in plaats van dat deze blokkeert en de rijder over de kop laat vliegen. Kortom, als er natuurijs ligt, heb ik altijd mijn oude Nooitgedagt schaatsen bij me.
Zo ook op Tweede Kerstdag 2010. Ik was toen uitgenodigd om te preken in het kerkje van Delfstrahuizen. Tussen Delfstrahuizen en Nieuwleusen bestaan bijzondere overeenkomsten, omdat een van hun vroegere predikanten later ook in Nieuwleusen heeft gestaan. Wellicht is dat de reden dat men ook wel eens een gastpredikant uit Nieuwleusen weet te betrekken.
De laatste weken van 2010 had het gevroren dat het kraakte. Zo hard zelfs, dat Frieslands grootste meer, het Tjeukemeer, dicht lag. Bij zo’n bericht begint het natuurlijk te kriebelen! Daarom had ik, naast mijn toga en preek, ook mijn Nooitgedagts meegenomen. En ja hoor, toen ik die koude Tweede Kerstdag arriveerde bij het oude kerkje van Delfstrahuizen dat pal aan het meer ligt, zag ik reeds vroege schaatsers zich over het meer bewegen. Ik moet u bekennen dat het toen wel even verleidelijk was om direct de schaatsen onder te binden. Maar nee, de plicht riep! De prachtige plicht om het Kerstevangelie te verkondigen, en dat deed ik natuurlijk maar al te graag. Met daarbij het kostbare lied: ‘Midden in de winternacht’, dat die prachtige regel kent: ‘Ondanks winter, sneeuw en ijs, bloeien alle bomen, want het aardse paradijs, is vannacht gekomen.’
Nu moet ik u wel eerlijk zeggen dat ik die tegenstelling nooit goed snap, want een met ijs overdekt meer ís toch een paradijs?! Al is de bedoeling natuurlijk duidelijk, dat het geboren Kind Gods warmte en licht in het soms zo koude bestaan heeft gebracht.

Maar terug naar het verhaal. Nadat de kerkdienst afgelopen was, schoot ik de koster aan, en vroeg hem of hij een plek wist waar veilig geschaatst kon worden. Hij gaf aan dat de randen van het meer al zeer vertrouwd waren, en dat er schuin tegenover de kerk opgestapt kon worden. Zo gezegd, zo gedaan: de preekschoenen uit, de schaatsschoenen met de Nooitgedagts aan, en gaan! Natuurlijk wel veilig, in de sporen van andere schaatsers. En zo was het een heerlijk uurtje rijden langs de zomen van dit prachtige weidse meer.
Aangezien er die Kerstdag nog een familiebijeenkomst was, hielden we het rijden beperkt. Met een heerlijk voldaan gevoel reden we huiswaarts.
Wie schetst echter onze blijde verbazing toen, na aanhoudende kou, slechts enkele dagen later werd aangekondigd dat er een toertocht over het Tjeukemeer verreden zou worden. Dit was een redelijk uniek feit, omdat tochten over dit grote meer zelden of niet uitgeschreven kunnen worden. Nu was het echter zover, en ik nam me uiteraard voor om van de partij te zijn.
Die dag arriveerde ik vroeg, om de drukte voor te zijn. Achteraf bleek dat een goed idee, omdat de organisatie zich behoorlijk misrekend had in de massale opkomst. Voor mij was het echter mogelijk om redelijk bijtijds, in de loop van de ochtend, te starten. Het was een prachtige dag. Er konden rondes van 25 km gereden worden. Aanvankelijk nam ik me voor één zo’n ronde te doen, en dan te zien of het beviel, en er evt. nog een tweede aan vast te plakken. Zo gezegd, zo gedaan. Het schaatsen ging heerlijk. En wat gaat er nu boven zoiets, om twee dagen vóór Oudjaar zo het oude jaar op zo’n spiegelglad meer bij wijze van spreken uit te glijden, het nieuwe tegemoet? Dat het einde van het jaar niet ver was, viel ook te beluisteren aan de diverse carbidbussen, die rond de oevers van het meer opgesteld met regelmaat afgeschoten werden. In het stille winterweer gaven die doffe klappen een speciaal effect, wanneer ze over het ijs naar je toe rolden. Gaandeweg de dag werd het op dit vlak rustiger, misschien mede omdat het weer steeds mistiger werd. Dat gaf overigens wel een heel mooi effect. Door de lichte mist werd de glans van de zon steeds roder, en die glans die naadloos, zonder horizon, overging in de spiegeling op het ijs was magnifiek om te zien. Door de mist zag je de oevers niet meer goed, en leek het wel alsof je door een wit universum van ijs en zonneglans omgeven was. Op een gegeven moment verdween de mist ook weer en werd alles weer goed zichtbaar.
Inmiddels zaten er twee ronden en dus 50 km op. Het schaatsen nog lang niet zat besloot ik nog een ronde te wagen. Een probleem was echter wel, dat ik nauwelijks eten en drinken had meegenomen, er op vertrouwend wel genoeg koek en zopie tegen te komen. Echter, de massale toeloop van schaatsers was ook niet verwacht door de verkopers, en had er inmiddels voor gezorgd dat alle kraampjes leeg waren. Nergens meer energie of drinken voorhanden. Dat was niet leuk. Dus, een derde ronde zou flink aanpoten worden. Die derde ronde ging gelukkig nog redelijk, al liet het lichaam goed merken wel wat chocolademelk of snert te lusten. De kramen bleven echter leeg, en de meeste waren zelfs al verlaten… Maar ja, als er eenmaal 75 km op zitten, wil een mens meer, en het getal rond maken. Een tocht van 100 km had ik nog nooit gereden, dus dat was het proberen waard. Al was ik dus wel behoorlijk moe, en door het gebrek aan eten en drinken niet meer zo topfit als bij de eerste ronden. Ook de wind was meer gaan opzetten, en dat betekent op een meer de helft van de tijd een sterke tegenkracht. Maar, de mentale wil was sterker, en al ploeterend hebben we het gered. Moe, maar zeer voldaan bond ik, zittend op een besneeuwde rietoever, mijn Nooitgedagts af. Inderdaad, dat het zo’n mooie dag met zo’n bevredigend resultaat zou zijn, had ik ‘nooit gedacht’. Met dank aan die oude Friese schaatsenmakers, wier werk zovele jaren later mij als schaatser nog steeds zoveel plezier schonk!

* * *

De mooiste tocht der tochten

Wietze Brinksma

Ik ben geboren in 1944 en woon in de Burg. Hoekstrastraat. In 1985 ben ik lid geworden van de Vereniging de Friese Elfsteden.

Ik kreeg startnummer 14451. In datzelfde jaar 1985 ben ik ook gestart, maar heb de tocht helaas niet voltooid omdat er door de invallende dooi heel veel water op het ijs kwam en de kluunplekken steeds langer werden. Om zes uur hadden wij Franeker bereikt en daar kregen wij het advies om van het ijs te gaan. Het zou voor ons onmogelijk zijn de tocht binnen de tijdslimiet te voltooien.
In 1986 kwam er weer een Elfstedentocht. Ik had met mijn broer Henk al veel tochten geschaatst, waaronder de Elfmerentocht van 125 kilometer. Dus zijn wij om 7.30 uur, vol goede moed, weer gestart. Het was echt een belevenis, met prachtig weer en goed ijs. Het was een lust om door de steden te schaatsen, vooral in Franeker was er heel veel publiek, met heel veel muziek en zingen en dansen. Wat een feest!
In Leeuwarden gingen wij op de Bonkevaart om 22.00 uur over de finish; wat een heerlijk gevoel was dat, 200 kilometer voltooid.
Toen er in 1997 weer een tocht was kwam die voor mij op een verkeerd moment. In november en december is het altijd heel druk in de zaak en is er dus weinig tijd om te trainen. De conditie was niet op peil, maar als je lid bent wil je rijden. Samen met zoon Hans gestart, was het met de wind in de rug tot Sloten een makkie. Maar daarna kregen wij te maken met een straffe noordoosten wind, die steeds krachtiger werd. Voorbij Harlingen zagen we dat een deelnemer onwel was geworden en overleed. Dat was heel triest om te zien*. In Franeker aangekomen was ik totaal uitgeput en heb besloten om te stoppen. Toch was het al met al weer een hele happening!

NB: In 1986 hebben 18 deelnemers uit Nieuwleusen de Elfstedentocht uitgereden. Tijdens een feestelijke bijeenkomst in De Viersprong sprak de voorzitter van de Sportraad, V.V. de Rest, hen toe, overhandigde wethouder B. Reehorst alle schaatsers een herdenkingsplaquette met gemeentewapen en kregen ze namens het bestuur van de ijsclub bloemen aangeboden door mevrouw Ruinemans.

*Dit was zeker een bijzondere ervaring, het is de enige keer dat er een deelnemer aan de Elfstedentocht is overleden.
NB: Omdat de mooi ingerichte decembertentoonstelling “Van krabbelslootje tot Elfstedentocht” niet aan het publiek kon worden getoond, wordt die dit jaar in december opnieuw ingericht. Wij stellen daarom het artikel over de Alternatieve Elfstedentochten ook uit tot het decembernummer.

* * *

Stille zaoterdag

Aartje Schoemaker

Op de weg is 't lange niet stille. 't Liekt wel of iederiene 'n camper hef. Zu’k mooi is 't weer nou ok weer niet; bewolkt met 'n gure wiend uut 't noord'n. Diena hef de gebreide muzze met'eneum'n. Ja, want Derk en Diena bint nao de koffie ok op pad 'egaone. 't Huus is an kante en de tuun kan 's middags nog wel 'n leste harke krieng'n. Zie riedt op Hasselt an. Zie wilt gaon kiek'n of de kievietsbloem'n al bluujt. Vlak veur Holt'n zet Derk de auto an de kante. Hi'j is gien bestemmingsverkeer. Saam'n loopt ze tuss'n de paar diekhuussies van Hasseltse Holt'n deur. Ien de tuun'n koomt de veurjaorsbloem'n naor boòm'n. PostNL mut d'r ok net weên en 'n wielrenner kronkelt d'r tuss'ndeur. Veur fietsers is 't 'n mooi diekien. "Nou, nou," mompelt 'n bewoonster, die naor heur schure an de oaverkante van de weg mut, "wat 'n drokte hier!" Det zal ze wel niet gewoon weên. Bi'j 'n volgnd huus stiet an'egeem'n dej daor naor de wc kunt gaon. Daor holdt ze kennelijk meer van de toerist'n.
Derk en Diena stapt wieder. Nao de huussies zet Diena de muzze op, want de wiend hef daor vri'j spel. Rechts van de diek ziet ze nog gien paors of wit klokkien bungel'n. Zoll'n ze te vrog weên? Al is het wetland met de knotwilg'n ok al mooi. Ie zoll'n d'r zo 'n ooievaar ien kunn'n denk'n, mar die is niet te zien. Watervogels en ganz'n laot zich zien en heur'n. Meneer en mevrouw Fazante vliegt verschrikt op uut de rietkrage. Die kunt ok kabaal maak'n, zeg! Die hebt gien weet van 'stille zaoterdag'. Derk en Diena kiekt ze vol bewond’ring nao. Mooie kleur'n hef det mannegie toch!
Nao 'n stuk of wat meters zut Diena 't eerste paorse klokkien bungel'n. 't Stiet daor as veurloper. Allennig aj goed kiekt, kuj zien det d'r nog wel meer koomt. Veur 't echte kleur'n van de strook'n bint Derk en Diena nog te vrog. 'n Enkel bloemegie ien de knoppe ziet ze nog. Zie loopt deur tot an ‘t Zwartewater. As ze tien kievietsbloem'n 'ezien hebt, is 't veule. 't Pad lig vol met ganzekeutels. Zie mut goed kiek'n waor as ze loopt. De keutels bint haoste zo groot as katt'nstront. Det koomt ze ien heur tuun nogal ies teeng'n. Warempel brek 't zunnegie nog eèm'n deur. Derk en Diena vuult zich gezeeng'nd umme hier op zaoterdagmörn te kunn'n loop'n. Stille denkt ze an ’t lied’n dat neudig was veur ze mörn de Opstanding vier’n kunt.


Op 't Zwartewater leert drie roeiers umme te start'n vanuut stilstand op 't golm'nde water. Vanuut 'n volgboottien pröt de trainer deur 'n megafoon umme ze te begeleid'n. Iene kump schieve van de plekke en stek zowat ien de wallekante. Hi'j lig metiene achterop. Hi'j roeit al wat e kan umme weer bi'j te koom'n töt z’ uut 't zicht bint.

Det was ok ies mooi umme te zien, zo’n vrogge-roei-start-veurstelling. Goed veur die jongemann'n umme zo ien de natuur te train'n en dan thuus lekker douch'n, denkt Diena. Keer’ls wördt niet stark van uur'n op 'n scharmpien kiek'n.
Umdet de weide nog zo nat is, loopt Derk en Diena 't zelde pad terugge. Speenkruud, dotterbloem'n, pinksterbloem'n bint ien bluuj. De pinksterbloem wat flets, mar 't geel van speenkruud en dotters is diepe en fris. Al bint ze veur de kievietsbloem'n te vrog, ze loopt ien 'n and'r landschap en geniet'n van water, wiend en wolk'nlucht'n.

't Olde sluussien Gennerziel wördt deur Derk goed bekeek'n en Diena les de jaortall'n van restauratie veur. 't Is smal, mar ze ziet toch twee sluusdeurties. Iene stiet dartig centimeter lös en 't water kolkt d'r deurhen.

As ze nou tuss'n de huussies terugge loopt naor de auto is er gien ander verkeer. ‘Is weer stille op de diek. Uut'ewei’jd en op'efrist riedt ze weer op huus an. 'n Snee stoete giet d’r wel ien aj buut'n ien beweging 'ewest bint.
"Derk, kiek!", röp Diena, "'n oranjetipje". De's de karse op de taarte van heur stille-zaterdag-mörn. De veurbode van 't ni'je lèem'n det met Paos'n 'evierd wördt.

* * *

1672; Het Rampjaar en de invloed daarvan op de ontwikkeling van Nieuwleusen

Gees Bartels

Hele generaties zijn er mee opgegroeid: het rampjaar 1672; het jaar waarin het volk ‘redeloos’, de regering ‘radeloos’ en het land ‘reddeloos’ was. In dat jaar werd de Republiek der Verenigde Nederlanden tegelijkertijd aangevallen door Frankrijk, Engeland en de bisschoppen van Keulen en Munster. Aanstichter was Lodewijk XIV, die de zuidelijke Nederlanden bij Frankrijk wilde inlijven. Ook was hij jaloers op de groeiende handel en scheepvaart van de jonge republiek. Met veel geld en goede woorden wist hij de andere partijen aan zijn zijde te krijgen.

Nieuwleusen op weg naar 1672
Het lijkt met elkaar in strijd; terwijl overal in het land in 1672 zware strijd werd gevoerd om de vijanden het hoofd te bieden had Nieuwleusen zich juist zover ontwikkeld dat er een kerk werd gebouwd.
In 1416 had Zwolle van de bisschop van Utrecht, de landsheer van Overijssel en eigenaar van grote stukken veen in de Rute, toestemming gekregen om een grootschalige vervening in het Ruitenveen te starten.
Zwolle liet de Rutenwetering verruimen, verdiepen en verlengen tot een turfvaart, de Grote Hermel. Langs de vaart werd een weg aangelegd (Dat is nu de hoofdweg naar Zwolle, het Westeinde). Na het afgraven van het veen ontstonden weide- en hooilanden en werden boerderijen gebouwd.

In de loop van de 16de eeuw was het meeste veen in de Rute afgegraven en de afwatering werd verwaarloosd.
In 1631 is de Leusener Compagnie opgericht. Zij had een groot oppervlak aan veengronden in het noorden van de marke van Leusen gekocht, in de vorm van een vierkant dat aan de noordwestkant ongeveer eindigde waar zich nu Den Hulst en Sluis 3 bevinden.
De Beentjesgraven werd vanaf dit veenblok naar Hasselt uitgegraven tot veenkanaal.
In 1639 werd het veenblok door de participanten van de Leusener Compagnie onderling verdeeld. Ook de ten westen van dit veenblok gelegen veengronden werden toen gescheiden en verdeeld door de overige in de marke gerechtigde eigenaren. In het Oosterveen werd een havezate gebouwd.

Hoogtepunt van de turfwinning en bouw van de kerk De periode van 1650 tot 1660 kan worden gezien als het hoogtepunt van de turfwinning in Nieuwleusen. Er kwam een grootschalige vervening op gang, waarbij in de grote ontginning van het Oosterveen in het zuidwesten, van de Grote Hermel bij de Grashekkebrug naar de Beentjesgraven, een ‘nije sloot’ werd graven, min of meer evenwijdig aan de Nieuwedijk. De dichtgegroeide Grote Hermel werd deels weer uitgegraven en verruimd tot een veenkanaal.

Vanuit de Grote Hermel werden een aantal zijwijken in het veen gegraven. Die sloten waren gemiddeld 700 meter lang. Daarna werd het meest westelijke deel van het Oosterveen aangesneden en als turf via dit nieuwe kanaal richting de Lichtmis afgevoerd. In de Meele werd laagveen afgegraven en ook via dit kanaal afgevoerd.

De bevolking groeide zodanig dat er in 1657 in het Oosterveen een school werd gebouwd.
In 1663 kwam dominee Van Bercum naar de havezate, die tevens onderdak bood aan de jonge kerkelijke gemeente.
Enkele participanten begonnen rond die tijd met de eerste verkopen van hun percelen aan hun huurders en andere gegadigden en zo kwamen er meer zelfstandige boeren.
In 1672 lieten de pioniers in de tegenwoordige Kerkenhoek van Nieuwleusen een kerk bouwen.

Het is een vreemde tegenstelling: De bouw van de eerste kerk, een hoogtepunt in de vroege ontwikkelingsgeschiedenis van Nieuwleusen, vond plaats in het jaar dat bekend werd als het Rampjaar.
Wat er in dat jaar in de noordelijke gewesten van de Republiek gebeurde, was van groot belang voor de rest van de Republiek. Daarbij speelden de weinige begaanbare routes door de moerassen tussen Overijssel en Drenthe, met daaraan de Ommerschans en de Lichtmisschans, een belangrijke rol.

De Ommerschans
Na afloop van het Twaalfjarig Bestand (1609-1621) was de Ommerschans aangelegd om de noordelijke provincies te beschermen tegen strooptochten van de Spanjaarden. De vierkante schans met drie bastions kwam in 1628 gereed. Twintig jaar later maakte de Vrede van Munster een einde aan de Tachtigjarige Oorlog en verloor de schans aan strategische waarde.

De Nieuwedijk
In 1636 was dwars door het moerassige land een nije wech (Nieuwedijk) aangelegd vanaf het Grashekke naar de Beentjesgraven, bij de Lichtmis. Dit was een strategische weg voor de doorgaande route naar het noorden. In 1650 werd, min of meer parallel aan deze dijk, een ‘nije sloot’, ofwel turfvaart gegraven.

De eerste Munsterse oorlog
Bij de aanleg van de Nieuwedijk in 1636 was in de Beentjesgraven bij de sluis bij de Lichtmis nog geen enkel verdedigingswerk aangelegd. Naar het noorden doortrekkende troepen konden hier ongehinderd het veenmoeras passeren. Met het oog op oorlogsdreiging werd in 1664 bij de Lichtmissluis een kleine schans opgeworpen.
Rutger van Haersolte, als drost van Lingen beducht voor de Munsterse militaire macht, gaf de schout van Rouveen opdracht het leger bij de schans te voorzien van onderdak, hooi, hout en turf.
Tijdens de Tweede Engels-Nederlandse Oorlog in 1665 had de Republiek haar handen vol aan de strijd op zee. Bernard van Galen, bisschop van Munster, viel op 23 september met 30.000 man Twente binnen. Toen het hem niet lukte de IJssellinie te doorbreken, richtte hij zijn blik op het noorden en belegerde op 25 september Ommen en omgeving.
Toen de bisschop inzag dat de Ommerschans niet te nemen was, besloot hij met een deel van zijn troepen Drenthe binnen te vallen via de slecht verdedigde schans bij de Lichtmis-Rouveen. Voor hij vertrok op 6 oktober werd Ommen nog geplunderd.

De Lichtmisschans was slechts uitgerust met twee kanonnen en een bezetting van 280 musketiers. Op 12 oktober kwam de aanval. Op weg naar de schans liet Van Galen zijn trompetters het Wilhelmus spelen, alsof zijn leger de schans kwam versterken. Het kleine garnizoen werd hierdoor overrompeld en de officieren zagen al snel dat de verdediging tegen zo’n achtduizend man niet haalbaar was en men sloeg op de vlucht. Daarna trok het bisschoppelijke leger verder.
Door geldgebrek moest de bisschop zich begin 1666 terugtrekken. Op 18 april 1666 werd de Vrede van Kleef gesloten, waarmee een einde kwam aan de Eerste Munsterse Oorlog.

* * *

ZOEKPLAATJE

Op het zoekplaatje 43 (16105) schoolfoto van de Christelijke Lagere School de Meele uit 1979 kregen we al heel snel een aantal reacties. Inmiddels zijn alle 69 namen bekend en ingevuld bij de foto.
Op foto 44 (17748), gemaakt omstreeks 1950 staat een groep jongelui op en rond een tank afgebeeld. Van Ria Smit kregen we twee namen door. Nr. 6 op de foto is haar moeder Derkje van Dorsten (1921-2016) en nr. 11 is de zus van Ria’s moeder genaamd Femmigje (Fem) van Dorsten (1923-2006).
Ook op zoekplaatje 42 (17546) boottochtje van de Nachtegaaltjes in Giethoorn, die in kwartaalblad 2021/3 stond hebben we 5 namen (Alie de Weerd, Hennie Pot, Minke Boers, Leida de Weerd en ??? Wijbenga) kunnen toevoegen. Nu deze namen bekend zijn, komen we misschien verder? Wie helpt ons?

Iedereen ontzettend hartelijk bedankt voor het reageren.

Nieuwe zoekplaatjes:


Foto 45 (02805) een foto van een klas leerlingen van de OLS-C (meester Zantinge) uit omstreeks 1959-1960 op een podium, die een eindmusical opgevoerd hebben. De namen Annie Brinkman, Jennie Compagner, Miekie Kooiker en Tini Veijer zijn al bekend, maar naar de andere namen zijn we benieuwd. Misschien is ook bekend hoe de musical heette.


Foto 46 (10134) is gemaakt tijdens een optocht omstreeks 1959-1960, waarin ook nog paard en wagens meereden. Op de wagen “Sneeuwwitje en de zeven dwergen” zitten een aantal kinderen waarvan we uiteraard graag de namen willen weten en van welke school of vereniging ze zijn.

Alle foto’s kunt u vinden op www.beeldbanknieuwleusen.nl door in het zoekveld het nummer in te toetsen dat tussen ( ) staat achter 45 of 46. Bij de foto’s vindt u ook het reactieformulier.
Een e-mail naar info@palthehof.nl kan natuurlijk ook. Mocht dit allemaal niet lukken dan mag u de eindredacteur bellen.







Jaargang 40 Nummer 2 juni 2022


* * *

Foto voorpagina:

Myla Groenendijk, de eerste Kinderburgemeester van Dalfsen, opende op zaterdag 9 april het museumseizoen met daarbij de jaartentoonstelling "Spelenderwijs".

FOTO:Geeske Hekman-Bruggeman

* * *

Boerderijnamen

Werkgroep Boerderijen en Veldnamen

Door het plaatsen van een bord met de historische naam van het boerenerf maken de historische verenigingen in de gemeente stukjes lokale geschiedenis zichtbaar. Daarmee blijven de erfnamen die nog een duidelijke verwantschap hebben met hun omgeving of daar toe te herleiden zijn, verbonden met de geschiedenis van die omgeving. Dit keer het verhaal van twee boerenerven, overburen, helemaal achteraan het Oosterveen.

Het Havercamp - Oosterveen 54

Dit laatste boerenerf aan het Oosterveen, gelegen langs De Stouwe en de gemeentegrens, is in 1639 toebedeeld aan Jacobus Wijfferdingh, een van de vijf participanten van de Leusener Compagnie die de ontginning van het Oosterveen ter hand namen. In 1687 wordt Abraham Haddis, rector van de Latijnse school in Zwolle, eigenaar van het erf. Hij trouwt met Barta Bloemert, dochter van burgemeester Bloemert uit Hasselt. Zij was eerder getrouwd met Junius en haar dochter uit dit eerdere huwelijk, Elisabeth Junius, erft later het perceel en trouwt met Everhardus Havercamp. De familie Havercamp blijft eigenaar tot de verkoop in 1763 aan de pachters Gerrit Wolters en echtgenote Hilligje Klaassen. In 1775 koopt Peter Hendriks de helft van het erf en later erft hij de andere helft. Zijn dochter Hilligje Hendriks trouwt met Herm Hendriks Klaas. Later kopen zij ook het ernaast gelegen erf Alteveer. De boerderij is dan een van de grootste boerenbedrijven uit de verre omtrek en Herm Hendriks Klaas neemt de naam Alteveer aan als familienaam. Klaas Alteveer en Dirkje Hof zijn de laatste Alteveers op het grootouderlijke erf. Vermoedelijk heeft hun schoonzoon Hendrik Jan Snel, getrouwd met Hermina Alteveer, er nog even gewoond. Hij kwam in financiële problemen en moest de boerderij van de hand doen. Omstreeks 1900 is Klaas Bijker eigenaar, zijn dochter Hilligje Bijker (1895-1956) trouwt met de uit Ommen afkomstige Gerard Oldeman (1897-1978) en zo wonen er sinds omstreeks 1925 tot in onze tijd meerdere generaties van de familie Oldeman op deze van ouds als Het Havercamp bekende plek, tegenover Erve Alteveer.


Het Havercamp

Erve Alteveer - Oosterveen 93-95

Eén van de oudst bewoonde huisplaatsen in Nieuwleusen is het Erve Alteveer. Bij de verdeling van de gronden van de Leusener compagnie in 1639 komt het erf in eigendom van Herman Bloemert, burgemeester van Hasselt. Niet lang na deze verdeling wordt de plek al bewoond. Door vererving komen de grond en de boerderij in eigendom bij Egbert Scriverius, burgemeester van Zwolle. In 1799 komt het in eigendom bij Herm Hendriks Klaas, op dat moment al eigenaar van het aangrenzende Havercamp (Oosterveen 54), en Herm gaat zich later Alteveer noemen. Hij wordt opgevolgd door zijn zoon Hendrik Alteveer, die gehuwd is met Klaasje Bouwman. In 1868 trouwt hun kleindochter Hilligje Alteveer met Klaas Bijker en hun dochter Klazina Bijker trouwt met Hendrik Prins, waarna er meerdere generaties Prins op het Alteveer wonen. Een gedeelte van het huis kreeg huisnummer 93 en is lange tijd verhuurd en daar, op nummer 93, hebben onder anderen de families Bunskoek, Pruntel en Nijman gewoond.


Erve Alteveer

* * *

1672; Het Rampjaar en de invloed daarvan op de ontwikkeling van Nieuwleusen. Deel 2.

Gees Bartels

N.B. Deel 1 deel van dit artikel is in het vorige Kwartaalblad afgedrukt op de groene pagina’s.

Toen Bernard van Galen, bisschop van Munster, in 1665 vanuit het oosten naar Friesland en Groningen trok, was de Lichtmisschans slecht uitgerust en snel ingenomen. Na de Vrede van Kleef op 18 april 1666 kwamen er plannen om een schans te bouwen bij de ‘passage’ van Rouveen, waar de Nieuwedijk de Beentjesgraven kruiste, die in de toekomst mogelijke vijanden wel zou kunnen tegenhouden.

In 1671 ontstond er weer een ernstige oorlogsdreiging. Leden van de Raad van State maakten zich nu ernstige zorgen over de kwaliteit van het Noord- en Oost Sallandse moerasgebied. Dat vormde vanouds een natuurlijke verdedigingsgordel, maar door het afgraven en in cultuur brengen van de venen tussen Coevorden en Rouveen waren de moerassen passeerbaar geworden. Doordat men de venen ongehinderd kon oversteken, liep de veiligheid van de staat ernstig gevaar.


Uitsnede kaart van Ten Have, 1773, waarop de kanalen voor de afwatering en de afvoer van de turf zijn aangegeven, evenals (links) de Nieuwe weg tussen Grooten Hermel en Beentjesgraven, en de boerderijen op het ontginningen en de havezate.

De Staten van Overijssel vaardigden namens de Raad van State een plakkaat uit, waarin de commandeur van de Ommerschans werd gelast de in het veen gegraven greppels en afwateringssloten dicht te gooien of af te dammen en de inwoners werden bedreigd met strenge straffen tegen het doorsteken van de dammen. Het plakkaat was ondertekend door de Statengriffier Dirk Roelinck, een van de participanten van de Leusener Compagnie.


Het alliantiewapen boven de preekstoel in de Grote kerk herinnert nog aan de band met de familie Roelinck.

De tweede Munsterse oorlog

In april 1672 viel de bisschop van Munster opnieuw de Nederlanden binnen, tegelijk met zijn bondgenoten Engeland, Frankrijk en Keulen. De Republiek wist zich ternauwernood staande te houden tegen deze overmacht. De vestingwerken waren verwaarloosd en zodoende kon de sterke overmacht zonder noemenswaardige tegenstand het zuidelijk en oostelijk deel van ons land veroveren. Alleen Groningen en Friesland hielden stand en Holland zat nog veilig achter de Hollandse waterlinie. Binnen een maand veroverde de bisschop van Munster praktisch heel Overijssel.
Op 13 juni 1672 kwam in Zwolle het bericht binnen dat Deventer had gecapituleerd. De Zwolse regenten voelden niets voor een zinloze strijd en voordat de Keulse troepen de stad genaderd waren stemden ze in met de capitulatievoorwaarden: In Zwolle zou godsdienstvrijheid komen en de bisschop moest erkend worden als wettige soeverein. Het stadsbestuur, dat bestond uit zestien leden, moest voor de helft uit katholieken bestaan en de Grote Kerk werd als St. Michaëls kerk weer van de katholieken. Op 22 juni 1672 capituleerde Zwolle. In de stad waren geen soldaten meer aanwezig want Ripperda, de commandant van de troepen, was de avond tevoren met zijn legertje naar Hasselt getrokken. Ook de kleine groep soldaten van het Katerveer had zich bij hen gevoegd. Dit verklaart waarom er in Zwolle niet is gevochten en er tussen Deventer en de Lichtmisschans geen veldslagen plaatsvonden.


In de museumcollectie zijn twee lontslotgeweren aanwezig, zoals gebruikt in de periode 1500 tot 1880.

Ommerschans
De bisschop zette een aanval in op de Ommerschans. Kapitein Van Arkel gaf de soldaten die vrouwen en kinderen op de schans hadden toestemming om hun gezin bij boeren in de omgeving in veiligheid te brengen. Die soldaten keerden niet terug. De overgebleven verdediging bestond uit 146 musketiers en 55 piekdragers. Zodra de soldaten vernamen dat de bisschop in aantocht was, sloegen ze aan het muiten. Ze weigerden te vechten, maakten zich meester van een voorraad bier en vluchtten bij het zien van de vijand naar het noorden.
Na inname van de schans bleef de bisschop met zijn troepen nog negen dagen in en rondom Ommen gelegerd. De bevolking moest de soldaten van alle mogelijke proviand voorzien en ze beroofden de burgers desnoods met geweld van hun bezittingen. De hele graanoogst ging verloren. Zelfs het huis van de schout werd geplunderd en vernield. Na betaling van een brandschatting van ƒ 2.000,? verliet de bisschop de stad richting Groningen.



De schans gesitueerd aan de noordkant van de Dedemsvaart en een luchtfoto genomen vanuit het noordoosten, die laat zien hoe het waterschap de oude gracht van de Lichtmisschans weer in het landschap heeft uitgegraven.

Lichtmisschans
Bij de Lichtmis werd tijdens deze tweede Munsterse inval nog aan de schans gebouwd. Op weg naar de stad Groningen werd de schans door de troepen van de bisschop onder de voet gelopen. De tweehonderd musketiers die de schans moesten verdedigen waren in allerijl naar Hasselt gevlucht. De boeren in de omgeving verdedigden hun bezit, maar moesten zich gewonnen geven. De bisschop trok met een deel van het leger naar Groningen. Intussen hield een ander deel van de bezetters huis in en om de Lichtmis en hield strooptochten in Friesland en Drenthe. De inwoners van Staphorst en Rouveen werden gedwongen grote bedragen aan oorlogsschatting te betalen.
De bisschop bestookte de stad Groningen veelvuldig, maar moest zich weer terugtrekken. Op 22 maart ondernam hij een laatste aanval op Groningen. Op 22 april 1674 was Christoph Bernhard von Galen, hierna bekend als Bommen Berend, gedwongen vrede met de Republiek te sluiten.

Verbod op grootschalige vervening, turfsteken en boekweit zaaien.
Het oosten van het land had door deze tweede Munsterse oorlog veel te lijden gehad. De hoge belastingen die door de oorlog waren opgelegd lieten de bedrijfswinsten slinken, ook van ondernemingen als de Leusener Compagnie. En hoewel nu het belang van een sterke schans bij de Lichtmis was aangetoond, werd de verdere bouw ervan niet weer opgepakt. Wel kreeg de schans de naam Bisschopsschans, naar de oorlogszuchtige bisschop.
Op de Ommerschans bleef een bezettingsmacht gelegerd. De soldaten zorgden voor de nodige overlast. In 1675 begonnen ze tolgelden te eisen van alle passanten, waarvan het handelsverkeer richting Ommen ernstig hinder ondervond. Bovendien mochten de boeren in de omgeving niet langer turf steken of boekweit zaaien op de veengronden. De stad protesteerde met succes tegen deze gang van zaken. Uiteindelijk besloot de Raad van State in 1715 de schans te ontruimen.
Voor de landsverdediging werden grootse plannen opgesteld. Zo is in het archief van Hasselt een stuk uit 1676 aanwezig waarin de aanbeveling werd gedaan de oude leidijk en de Nieuwedijk te vernietigen en het daaraan parallel lopende kanaal te dempen, evenals de andere watersloten en de daarover liggende bruggen te slopen.
In 1681-1682 werd op last van de Raad van State, samen met Gedeputeerde Staten van Friesland, een onderzoek ingesteld naar de toestand van de noordelijke en oostelijke moerasgordel.
Bij Nieuwleusen vonden ze nog maar weinig veen dat voor de landsverdediging bruikbaar was. Het Oosterveen was tot de Stouwe met boekweit ingezaaid, aansluitend op de langs het Pad gelegen boerderijen en landbouwgronden.
De omringende venen waren zo droog dat het mogelijk was met paard en wagen van Leusen door het veen naar de Beentjesgraven te komen en vanaf het Hulsjen huis (Den Hulst, Sluis 3) via de weg op de oude leidijk aan de noordzijde van het kanaal naar Rouveen te gaan. Er kwam een voorstel om de moerassen van Hasselt tot Coevorden en van Hasselt naar Staphorst en verder langs de Reest naar de Echtense venen in te sluiten met leidijken van ongeveer twee en halve meter hoog en twee meter breed. De noordelijke kanaaldijk van de Beentjesgraven zou als zuidelijke buitendijk gaan dienen. Het gebied tussen Beentjesgraven en de Grote Hermel zou daarbuiten blijven omdat inunderen van het al helemaal drooggelegde Oosterveen geen zin zou hebben en de vijand toch ook voor de kortste en meest toegankelijke weg onder langs het Oosterveen van Leusen naar Nieuwleusen zou kiezen.


Kaart van de onderwater te zetten gebieden, waaruit blijkt dat er geen moeras meer aanwezig is in Nieuwleusen en Den Hulst.

De dijken werden tussen 1685 en 1690 aangelegd en bekostigd door Friesland, omdat het gebied dat door Overijssel liep diende voor de bescherming van Friesland. De naam Friezendijk, van de dijk door de Tolhuislanden, en Friese Kaai, voor de noordelijke kanaaldijk bij de Lichtmis, verwijzen hier nog naar.
Door de aanleg van de leidijken was verdere vervening in de tussen de dijken gelegen venen streng verboden. Door de verordeningen en de aanleg van dit stelsel van dijken stond het voortbestaan van de Leusener Compagnie op het spel. De grootschalige vervening was definitief voorbij.
Er werd alleen nog op kleine percelen boerenturf, turf voor eigen gebruik, gegraven. Boekweiten en grazen van vee buiten de leidijken werd verboden op straffe van verbeurdverklaring van het aangetroffen vee. De Beentjesgraven had alleen nog nut voor de afvoer van landbouwproducten en het onderhoud bleef achterwege.
Pas in 1755 en 1765 werden de regels voor turfsteken versoepeld, maar er mochten geen brede sloten of kanalen worden gegraven en geen veenkolonies worden gesticht.
De tijden veranderden en door modernere oorlogsvoering werden de moerassen geleidelijk aan strategisch van minder belang en kreeg de turf als brandstof een grotere economische waarde. Zo werd er in de tweede helft van de 18e eeuw aan beide zijden van de Stouwe weer hoogveen gegraven en daarbij komt de familie Van Marle en Van Dedem in beeld.


In klederdracht namen inwoners deel aan de herdenkingsdienst ter ere van het 350 jarig bestaan van Nieuwleusen.

Een conclusie: Door de gebeurtenissen rond 1672 stagneerde de ontginning van het inmiddels bewoonde Oosterveen en Ruitenveen richting de Lichtmis omdat de Staten-Generaal verdere vervening verboden. De ontoegankelijke veenmoerassen dienden waar mogelijk hun verdedigende functie te behouden. Achteraf bezien had het leger van de bisschop van Munster Rouveen misschien niet bereikt als de Nieuwendijk niet was aangelegd en de hele omgeving nog onder water kon worden gezet. Pas met de ruilverkavelingen in de 20ste eeuw is de waterhuishouding in onze omgeving goed verbeterd.
Bronnen:
Canon van Nederland, Nieuwleusen, Ommen, Staphorst
Heeren van de Ligtmis, door Wim Visscher
In ’t Catholycke gelove hersteld, door Bob Erdtsick, in Zwols historisch tijdschrift, 11e jaargang, 1994, nr. 4, p. 129 t/m 136.

De naam van het tijdschrift “De Darde Klokke” van de Stichting Oud Ommen verwijst naar een gebeurtenis uit het Rampjaar 1672. De soldaten van de bisschop van Munster hebben een van de drie luidklokken die ooit in de toren van de Ommer kerk hingen gestolen, maar zijn daarmee niet verder gekomen dan de haven. Daar is de zware koperen luidklok over boord geslagen en verdwenen in de bodem van de vroegere Vechtarm, ongeveer waar nu het oude Hemapand plaats maakt voor nieuwbouw.

* * *

Feesten in Nieuwleusen. Deel 1. De nacht van Nieuwleusen, 13 - 14 Mei 1988

Geeske Hekman-Bruggeman

Er zijn in Nieuwleusen jaarlijks terugkerende dorpsfeesten. In de jaren ’90 van de vorige eeuw en in de beginjaren van 2000 zijn er feesten geweest voor het dorp die het jaarlijks weerkeren niet hebben gehaald. Een feest dat twee keer is gevierd en jaren later nogmaals, was het “Midzomeravond Festival”. Het feest dat een keer heeft plaatsgevonden is “De Nacht van Nieuwleusen”. In dit artikel blikken wij terug op deze nachtelijke happening.


Het bestuur van de Stichting Nieuwleusen Actief, bestaande uit (vlnr) G. van der Ven (voorzitter), D. Schat , G Hoekstra (penningmeester), A. Pekkeriet (secretaris), en A. Scheper

Ieder dorp heeft zijn bijzondere feesten. Het bestuur van de ‘Stichting Nieuwleusen Actief’ vond dat er ook zo’n bijzondere activiteit plaats moest vinden in Nieuwleusen.
De intentie van het bestuur was dat “De Nacht van Nieuwleusen” geen ééndagsvlieg zou worden, maar ieder jaar gehouden zou worden, met de Burg. Backxlaan, de slagader van Nieuwleusen, als verbindende factor tussen de kernen Noord en Zuid.
De organisatie was erin geslaagd een scala aan activiteiten op te zetten, die werden gedaan door de bevolking en voor de bevolking. De unieke samenwerking met de middenstand en de horecaondernemers gaven de dag en nacht een mooie, specifieke sfeer.
De horeca was de grote drijfveer achter deze happening. De plaatselijke horeca, Goos, De Lichtmis, De Unie, De Viersprong en ‘t Witte Peerd, zorgde individueel voor muziek en ’s avonds was er een uniek programma in de feesttent aan het Molenpad.
De organisatie vond het belangrijk dat het feest voor iedereen toegankelijk was. Alle activiteiten waren gratis toegankelijk of voor een minimale vergoeding.


Mooi affiche met aansprekende slogan

Tijdens “De Nacht van Nieuwleusen” was de busdienst van de D.V.M gewijzigd. De bussen van en naar Zwolle werden vanaf 11.00 uur omgeleid. De GEBO B.V. was bereid om voor het vervoer van de bezoekers te zorgen en voor de bevolking van Noord naar Zuid pendeldiensten in te zetten tussen parkeerplaatsen in Nieuwleusen-Noord, -Midden en -Zuid. En alle winkels in het dorp waren open tot 22.00 uur.


Gratis vervoer tussen de activiteiten

De jeugd had een leuk initiatief ontwikkeld. De gelegenheidsformatie “Appie Bier” had een lied geschreven en uitgebracht op cassette over “De Nacht van Nieuwleusen”. De tekst hiervoor is aan de bar bij Reuvers bedacht en uitgeschreven. Het nummer, dat als eerste zin heeft Hé jongens waar gaan jullie naar toe?, werd door één van de initiatiefnemers, Klaas (Appie) Kreule, aangeboden aan toenmalig burgemeester A.B.L de Jonge. Opmerkelijk was dat geen van de bestuursleden van “Nieuwleusen Actief” aanwezig was bij deze overhandiging. Zij waren wel uitgenodigd, maar hebben daar geen gehoor aan gegeven.
Vrijdagmiddag 13 mei werd burgemeester De Jonge met een luxe bus van zijn huis opgehaald om even later, om 15.00 uur, het startsein te geven voor de eerste “Nacht van Nieuwleusen”. Bij zijn inleidende praatje noemde de burgemeester dat de gemeente erg royaal was geweest met de afgifte van vergunningen. “Er mag een keer veel lawaai worden gemaakt en de tent mag tot laat open blijven.” Maar er werd ook verwacht dat de bevolking zich daar naar zou gedragen. De burgemeester sprak de hoop uit. “Dat het een gezellig dorpsfeest gaat worden en het begin van een lange traditie”.
De organisatie had veel plaatselijke verenigingen benaderd om een bijdrage te leveren aan het evenement. Wat was er allemaal te doen?
Er was een kindervlooienmarkt, georganiseerd door de Badmintonclub.
Kinderen konden geschminkt worden door de dames van de Nederlandse Bond van Plattelandsvrouwen. Er waren die dag heel wat clowntjes, vlindertjes en leeuwtjes te zien in het dorp.
De accordeonvereniging Con Brio plaatste een reuzesjoelbak. Onder begeleiding van accordeonmuziek kon iedereen een potje sjoelen.
Zwem-en Poloclub Nieuwleusen bedacht hoe het anders bij en in het water kon. Zij hielden een “fiets ‘m d´r ín” wedstrijd. Fietsen waren aanwezig en voor de winnaars waren mooie bekers beschikbaar.


Toneelvereniging Plankenkoorts trad op met een revue vanaf een vrachtwagen. Een keer in Noord en een keer in Zuid. Mooi verdeeld over de kernen.

Volleybalvereniging Flash, de Gymnastiek, de Tennis en de supportersvereniging van S.V Nieuwleusen waren op verschillende locaties langs de Burg. Backxlaan met leuke en ludieke activiteiten gesitueerd, om het publiek uit te nodigen kennis te maken met hun sport. Zo kon er gekostumeerd gevolleybald worden en op doel schieten bij S.V Nieuwleusen.
Bij ‘t Witte Peerd stond op het terras een rodeostier voor een officiële rodeowedstrijd. De hoofdprijs was 250 gulden.
Vanaf het clubgebouw van Union S.V werd het hele weekend een scooterfestijn gehouden. Deelnemers kampeerden op het terrein van de Ponyvereniging. In de omgeving waren mooie toeristische routes uitgezet voor de toertochten die gereden werden door de deelnemers. En in de nacht kon er spelletjes nachtvoetbal worden gespeeld.
De gezamenlijke middenstanders van het dorp hadden het mogelijk gemaakt dat Acrobatic Team Show op de hoek van de Burg. Backxlaan - Weth. Prinsstraat een show gaven, waarbij salto’s, side by side en fire’s je om de oren vlogen. Alles omlijst door swingende discomuziek.
Natuurlijk was er muziek, veel muziek. Van plaatselijke koren en muziekkorpsen een disco bij De Unie. Crescendo Excelsior gaf in Noord een uitvoering bij winkelcentrum De Baron en de Broederband was als boerenkapel in Zuid te beluisteren. Zowel koren, zangverenigingen als fanfares trokken veel publiek.
Ook van elders werd muziek naar Nieuwleusen gehaald. ’s Avonds kon er in een propvolle feesttent aan het Molenpad door de 1500 bezoekers gedanst worden op de muziek van Show- en Dansorkest Example. Het slotoptreden werd verzorgd door Piet Veerman, voormalig frontman van The Cats. Een leuk weetje is dat Piet Veerman op het laatste moment af wilde zien van zijn optreden omdat hij vond dat het publiek in de tent te dicht bij het podium stond en te rumoerig was. Koop Reurink vertelt: “Ik heb moeten praten als Brugman om Piet het podium op te krijgen”. Gelukkig is hem dat gelukt.
Op zaterdagavond 14 mei, de avond na de nacht, kon de jeugd een gratis concert bezoeken in de feesttent. De horecaondernemers hadden besloten om er nog een rockconcert aan vast te knopen. De tent stond er toch al en op deze manier haalde men er meer rendement uit.
“De Nacht van Nieuwleusen” werd afgesloten met vuurwerk. Het feest was een enorm succes. Met naar schatting bijna 10.000 bezoekers was het een schot in de roos. Alles was goed en rustig verlopen en er waren vanuit de bevolking en organisatie alleen maar positieve reacties.
Ondanks de perfecte organisatie, de inzet van de horecaondernemers, de middenstanders en de verenigingen van Nieuwleusen en het enthousiasme van de bevolking, is de wens en gedachte om er een jaarlijks terugkerend evenement van te maken, niet gelukt. Al wat ons rest zijn de mooie herinneringen van de eerste en tevens enige “Nacht van Nieuwleusen”

Bronnen: De Marskramer, mei 1988, De Meppeler Courant, 16 mei 1988, en Koop Reurink. Foto’s uit De Marskramer.





* * *

Verhalen van mijn moeder over de Union in de Tweede Wereldoorlog

Gerda Koorman-Smink

Bij ons thuis werd vaak over de oorlog gesproken en daar kwamen ook vaak de verhalen in voor van de Union. Mijn vader is vroeg overleden ,dus hoorden we alles van mijn moeder.

Toen de Tweede Wereldoorlog uitbrak werd de fietsproductie in de Unionfabriek stopgezet. Veel werknemers werden door de Duitsers opgepakt en er bleef maar weinig personeel over. Mijn vader had een Ausweis waarop stond aangegeven wanneer en waar hij vergunning had om te werken, met een stempel van de Duitse commandant met zijn handtekening. Zo kon hij bij de Union blijven werken als “reperateur”. In die tijd deden ze veel reparaties aan voertuigen, fietsen en allerlei apparaten. Vooral in de hongerwinter repareerden ze de karretjes, fietsen en kinderwagens van de mensen die uit het westen van het land kwamen om hier eten te halen.
In die tijd ontwierpen ze zelfs een soort pers, waarmee de olie uit koolzaad geperst kon worden. De boeren leverden het koolzaad en de olie was vooral voor de plaatselijke bevolking.

Veel machines, motoren en gereedschappen hebben een poos onder de grond verstopt gelegen, zodat de Duitsers ze niet in beslag konden nemen of vernietigen. Groot was de vreugde toen na de oorlog alles in goede staat weer boven de grond kwam. Dit werd gevierd met een dagje uit naar Amsterdam voor personeel en directie.
In vijf jaar oorlog met veel spanning en samenwerken is er een hechte band ontstaan tussen personeel en directie, die jaren daarna nog voelbaar is.
NB: De datum van het verstoppen van de machines en gereedschappen weet ik niet. Of het vlak voor de bevrijding was of eerder.
Berend Jan van den Berg schrijft in zijn verslag “Krijgsverrichtingen betreffende Den Hulst vanaf 1 April 1945” op 5 april: Bij de Union-rijwielfabriek werd onmiddellijk aangevangen de meest essentiële machines en motoren te verwijderen.











* * *

De Tol aan de Hermelijnsgracht, ook bekend als Grashekke

René Fokkert

Eeuwenlang werd er door steden, allerlei overheden en grondeigenaren tol geheven voor het gebruik van een land- of vaarweg. De tol werd geheven om de aanleg en het onderhoud van de weg- en waterwegen te betalen, maar was ook een belangrijke bron van inkomsten voor de eigenaar. De stad Zwolle had meerdere weg- en watertollen. Een daarvan was het tolhuis in de Rute. Dit oude tolhuis stond een paar honderd meter voor de spoorwegovergang van het Westeinde, ter hoogte van (nu) het Noordeinde, aan de noordkant van de weg. Dit tolhuis is het oudst bekende bouwwerk in de gemeente Nieuwleusen. Toen halverwege de 19e eeuw het tolhuis werd afgebroken, werd er een nieuw tolhuis gebouwd in de hoek Westeinde-Nieuwendijk. Deze plek werd vooral bekend onder de naam Grashekke. In dit artikel wordt de geschiedenis van deze twee tolhuizen belicht.

Vroeger lag aan de westkant van de marke Rozengaarde de marke de Rute. Dat was het gebied tussen de Vecht bij Dalfsen en de Beentjesgraven bij Rouveen. Het gebied dat tegenwoordig als de Rute/Route wordt aangemerkt begint iets noordelijker richting Rouveen.
Deze marke bestond voor het grootste deel uit veen. Inwoners van Zwolle haalden al omstreeks het jaar 1400 turf uit dit gebied. In 1416 was de bisschop van Utrecht de landsheer van Overijssel en de eigenaar van grote stukken veen in de Rute. De bisschop had als landsheer recht op 10% van de grond, de zogenaamde voorslag van de te verdelen markegronden. De stad Zwolle kreeg in 1417 een groot stuk veengrond als dank voor het aanleggen van de een jaar eerder gegraven Rutenwetering. Vanaf de Berkumerbrug liet de stad Zwolle dit veenstroompje met de naam de Grote Hermel verruimen en verdiepen tot een echte turfvaart. Deze werd de Hermelijnsgracht, de Stadsgraven en later de Tolgracht genoemd. In dit artikel houden we het bij de benaming Hermelijnsgracht. Deze gracht liep tot aan de grens met de marke Leusen.
Met de grond die vrij kwam bij het uitgraven van de Hermelijnsgracht werd een weg aangelegd langs deze gracht. Deze weg was lange tijd de enige ontsluitingsweg voor het gebied richting Ruitenveen.
In 1434 ontnam bisschop Rudolf van Diepholt het schoutambt Dalfsen, dat toen nog uit 8 marken bestond, de Marke de Rute en de Hermelijnsgracht en wees het toe aan het schoutambt Zwolle, met de bedoeling het te laten bewonen en te ontginnen. De achterliggende gedachte zal ook toen geweest zijn dat als er meer mensen gingen wonen er ook meer belastinginkomsten zouden zijn.
De grens van de marke Rosengaarde lag net ten westen van de huidige Jagtlusterallee. De verdeling van de marke Leusen, waarop het huidige Nieuwleusen is gebouwd, vond pas ruim 200 jaar later plaats.



Munten, duiten uit West Friesland, Holland, Utrecht en Overijssel, door Rick van der Werf gevonden op de locatie van het oude tolhuis. (Foto René Fokkert)

Het ontstaan van het Tolhuis
In het jaar 1449 is er in de jaarrekening van de stad Zwolle een aantal vermeldingen van gekochte bouwmaterialen, met de vermelding voor het huis der stad Zwolle in de Rute. We kunnen ervan uitgaan dat het hier om het tolhuis gaat, ook al wordt het tolhuis niet expliciet vermeld, omdat er destijds verder geen bebouwing was in deze woeste streek.


Een kadasterschets uit 1843 van het erve tolhuis van de stad Zwolle. Het is de enige bekende afbeelding van hoe het gebouw er ongeveer uit gezien heeft. Nummer 310 is de huiskavel en 311 is het tolhuis, herberg en boerderij. Net als het latere tolhuis Grashekke lag het gebouw in de lengte op en net naast de weg Zwolle-Nieuwleusen. Een jaar later is het verdwenen van de kaart. De kavel grond wordt later in rood aangegeven als nummer 497 voor het geheel, met tuin, gras of bouwland.

Het oude Tolhuiserf lag aan de oostkant van het huidige Westeinde 218a.
De stad Zwolle verpachtte de tol vroeger in openbare aanbestedingen. De inschrijver moest bij de inschrijving ook twee borgen opgeven tot zekerheid van betaling. Dit had als voordeel voor de stad Zwolle dat zij niet zelf de tolgelden hoefde te innen en er bijna zeker van kon zijn dat het geld betaald werd.
Het tolhuis in de Rute was voor Zwolle waarschijnlijk nooit een heel grote bron van inkomsten. Het wordt ook niet apart vermeld in de bewaarde aanbestedingen. Ergens in de loop der tijd komen de tolopbrengsten ten goede aan de provincie Overijssel.
Ruim zeventig jaar later, in 1520, komt er in het schattingsregister van Salland een vermelding voor dat Herman van Lueszen grond in pacht heeft van een klooster uit Zwolle, gelegen voor het Tolhuis in de Rute.
Door de verbeterde toegankelijkheid van het gebied wordt er veel turf gestoken, die met kleine scheepjes richting Zwolle wordt vervoerd. Langzaam maar zeker ontstaan er geschikte gronden voor permanente landbouw. Al ruim voor 1600 stonden er boerderijen in het gebied van Ruitenveen en Ruitenhuizen.
Er is een bouwbestek uit het jaar 1565 bewaard gebleven voor de bouw van twee boerderijen in de buurt van de Zwartjeslandweg. Tot 1628 zijn er in de archieven aanwijzingen te vinden dat er op grotere schaal veen werd afgegraven in Ruitenveen. Door bodemdaling en inklinking van de grond wordt het uiteindelijk onrendabel om hier nog turf te steken. Deze ontwikkeling zal de inning van tolgelden vast niet ten goede zijn gekomen. In 1635 komt hier verandering in.

De nieuwe Dijk
Om van Zwolle naar Groningen of Friesland te reizen kon men voor 1635 niet anders dan via Hasselt te gaan. Nu was er in Rouveen en Staphorst in die jaren een ontwikkeling gaande om nieuwe boerderijen verder oostwaarts aan een nieuwe dijk te bouwen. In feite verplaatsten de beide dorpen zich in hun geheel oostwaarts. De magistraten in Zwolle zagen nu een mogelijkheid om een kortere verbinding naar het noorden tot stand te brengen door een weg te aan te leggen tussen de Hermelijnsgracht en het pannenhuis (Lichtmis). Het probleem voor Zwolle was hierbij dat het gebied van de marke Rosengaarde was. Zwolle zal daarop een verzoek hebben ingediend bij de markerigter (bestuurder van de marke voor de gezamenlijke eigenaren). Op 12 augustus 1634 wordt aan de Zwolse magistraten een positief antwoord met voorwaarden voorgelezen. Deze zijn daar waarschijnlijk wel mee akkoord gegaan.
Een jaar later is die Nieuwe Dijk, of Nieuwendijk (de naam die het ook nu nog heeft) al gereed. Het zal de tolinkomsten ongetwijfeld weer ten goede zijn gekomen.
Wat ook meespeelde bij de tolinkomsten was het feit dat de gronden in het Oosterveen in dezelfde tijd werden verdeeld. Hoewel de Hermelijnsgracht geen betekenis meer had voor de ontwikkeling van Nieuwleusen, is de ernaast gelegen weg uiteindelijk wel doorgetrokken tot aan de Stouwe, en steeds belangrijker geworden voor deze ontwikkeling.
Er werden bij het gereedkomen van de Nieuwendijk ook nieuwe toltarieven ingevoerd. De brief uit april 1635 daarover is bewaard gebleven. Voor een paard moest bijvoorbeeld een halve stuiver betaald worden en voor een os of een veulen een oortgien, dat is een kwart stuiver.


De situatie in 1825; linksonder het oude tolhuis en bovenaan de Bisschopsschans bij de Lichtmis, met daartussen de Nieuwendijk. In 1843 staat het nieuw gebouwde tolhuis Grashekke verderop aan het Westeinde, in de hoek van de Nieuwendijk, met in het verlengde daarvan de Ankummerdijk richting de Vecht met Hessenweg.


Een dubbele zilveren stuiver uit het Duitse Oldenburg, een stad die enige tijd onder het bisdom Munster viel, gevonden op de locatie van het oude tolhuis. Deze muntjes werden geslagen tussen 1604 en 1667. (Foto Rick van der Werf)

Bommen Berend
De betere bereikbaarheid van het noorden via de Nieuwendijk bleek ook een keerzijde te hebben. Voor het leger van de Duitse bisschop van Munster (Bommen Berend) was in 1672 de omgeving van Staphorst over de Nieuwendijk eenvoudig te bereiken. De schans bij de Lichtmis, het verdedigingswerk dat de weg naar het noorden moest beveiligen, was nog in aanbouw en werd snel veroverd. Een deel van het bisschoppelijke leger trok op richting Groningen en een deel bleef in deze regio, waardoor de bevolking zwaar gebukt ging onder al het oorlogsgeweld. Uiteindelijk lukte het Bommen Berend niet om Groningen in te nemen.
In 1673 wist Johan Maurits graaf van Nassau-Siegen de troepen van de bisschop te verdrijven en keerde de rust terug. De schans die bekend werd als de Bisschopsschans, had geen militaire betekenis meer en werd nooit afgebouwd.

Eerste bewoners
Al vanaf de bouw heeft het tolhuis ook een functie als herberg gehad. Er zijn verschillende stukken te vinden over zogenaamde verteringe, het eten en drinken in de herberg. Wie al die tollenaars geweest zijn is niet bewaard gebleven.
Pas vanaf de tweede helft van de 17e eeuw zijn er namen te vinden in relatie tot het tolhuis.
In het oud rechterlijk Archief worden in 1657 Jan Backer en Geessien Geerts vermeld en Geerligh Jans Backer en Anna Jans in een gerechtelijke beslaglegging van goederen vanwege een niet betaalde rekening van geleverd bier. In 1662 worden Jan Mertens en Geessien in het tolhuis vermeld. In 1666 is de weduwe van Jan Backer, Geessien Geerts, wonende aan het tolhuis, getrouwd met Willem Otten.
Omstreeks 1700 woont Bartelt Herms op het tolhuis en in 1725 Herman Bartels, waarschijnlijk zijn zoon. Deze Herman heeft een schuld van 162 gulden aan de heer Voet. Als onderpand voor de schuld wordt vermeld: de halve eendenkooi in de Haerstermarke, 3½ weiderecht in die marke en een klein stukje grond. In 1729 wil de heer Voet zijn geld terug en worden de bezittingen van Herman gedwongen verkocht.
In 1771 is er Claas Willems j.m. in den Ruite en Jutjen Hendriks, onlangs wonende aan het tolhek onder Zwolle. Op een rekening uit 1772 staat de naam Lambert Olsman, en in dat jaar is er de familie Burger(s), ook als Borger(s). In het tolhuis onder de vrijheid van Zwolle is er in 1780 een huwelijk tussen Jan Borger, weduwnaar van Trijntjen Simons Hospes, met Catharina Dangremont. In 1793 wordt Jan Bongers ook nog als de bewoner genoemd.
De laatst vermelde bewoner is Jan Koezen, in 1835, met een laatste vermelding in 1842, het jaar van de verkoop.


Rekening van een overleg tussen vertegenwoordigers van de stad Zwolle en de Rosengaarder marke. Lambert Olsman is in 1772 de uitbater/tollenaar. Hij heeft in rekening gebracht: voor het gebruik van de kamer in het tolhuis 1 gulden, voor haver en schepsel 1 gulden en 6 stuivers, voor de thee van de Heeren van de Roosengaarder marke 16 stuivers, 2 kan drinkbier 4 stuivers, hooi voor 6 paarden 12 stuivers, aan tol 3 stuivers, nog een kan bier 2 stuivers en voor de thee van de koetsiers 4 stuivers.

Brug bij de Ankummerdijk
In 1773 is er weer een belangrijke verandering in de buurt van het tolhuis. Na het nodige overleg met de Rosengaarder marke laat de stad Zwolle een brug bouwen over de Hermelijnsgracht, tegenover de Ankummerdijk.
Als gevolg van deze nieuwe verbinding zal er ook meer verkeer langs het tolhuis zijn gekomen.
Voordat de brug gelegd werd was hier een doorwaadbare plek, waar de in de Rosengaarder marke gerechtigde boeren uit de buurtschappen bij Dalfsen, komend van de Ankummerdijk, hun vee lieten oversteken naar de gezamenlijke weidegronden richting de Meele.


Volgens een mededeling uit 1799 zijn alle binnenlandse tollen dat jaar afgeschaft.

Ten tijde van de Bataafse Republiek, 1795-1806, maakten de Fransen de dienst uit in Nederland. Na het vertrek van de Fransen voerde koning Willem 1 in 1815 het tollenstelsel opnieuw in. Ook deze nieuwe verbinding langs het tolhuis zal meer verkeer tot gevolg gehad hebben.
Kort na 1960 is iets oostelijker een nieuwe brug aangelegd. Dit verklaart ook waarom de Ankummerdijk tegenwoordig niet meer recht voor de nieuwen dijk uitkomt.

Watersnoodramp van 1825
Tussen 3 en 5 februari 1825 werd Nederland, maar vooral Overijssel, getroffen door een watersnoodramp. Veel huizen werden weggespoeld, er kwam veel vee om en veel mensen verloren hun leven. Tijdens deze grote overstroming werd het water vanuit de Zuiderzee via de rivieren en kanalen zo hoog opgestuwd dat in Staphorst alle huizen onderliepen. Bij Haarst was de Vechtdijk doorgebroken en de volgende dag konden schippers uit Dalfsen het achterland binnenvaren en via het lage land bij de Bese richting Nieuwleusen nog 40 mensen uit hun bouwvallige huizen redden en in Den Hulst aan land zetten.
Gezien de lage ligging zal het oude tolhuis daarbij ook onder water hebben gestaan, maar heeft deze ramp blijkbaar overleefd.

Verkoop erve tolhuis
Tien jaar later staat er een advertentie in de krant waarin het erve tolhuis samen met andere erven door de stad Zwolle verpacht werd voor een periode van 6 jaar. Jan Koezen was toen de zittende pachter en hij werd ook de pachter in de volgende 6 jaar.


Aanhef van een verkoop aankondiging uit de krant van 1835

In 1842 houdt de stad Zwolle een openbare verkoop op het stadhuis. Meerdere erven worden bij die gelegenheid verkocht, waaronder ook erve tolhuis. Volgens een advertentie in de krant is het verdeeld in 3 kavels, een blok van 20 hectare, een blok van 9.5 hectare en een blok van 4 hectare. Daaruit blijkt dat het erve dan ongeveer 33,5 hectare groot is, inclusief de huiskavel. De verkoopakte vermeldt dat het eerste perceel voor 5750 gulden is verkocht aan Jacob Bijker, landbouwer uit Nieuwleusen, het tweede perceel voor 2600 gulden aan Rutger Snel, landbouwer uit Nieuwleusen, en het derde perceel voor 425 gulden aan M. Sleyerink uit Zwolle.


Het Grashekke, aan het Westeinde op de hoek met de Nieuwendijk. Van 1900 tot de straatnamen als adres werden ingevoerd had het Grashekke als huisnummers B-58,B-64, B-65 en B-72.

Omstreeks 1843 is er sprake van een nieuw gebouwd tolhuis en herberg, dat 750 meter verderop in de richting van Nieuwleusen is gebouwd en later bekend wordt als het Grashekke. Eigenaar en opdrachtgever voor dit nieuw gebouwde tolhuis is de gemeente Nieuwleusen. Bij de herberg was ook een zogenaamde schutstal gelegen. Deze stal werd gebruikt door de Rozengaarder marke om vee te stallen dat illegaal op haar gronden werd geweid. De eigenaar kon zijn vee daar weer ophalen tegen betaling van gemaakte kosten en een boete. Deed men dat niet binnen een bepaalde tijd, dan werd het vee op de veemarkt in Zwolle verkocht.


In 1850 is er in de krant een kennisgeving te vinden van een dergelijke verkoop.

In 1866 werd de Rozengaarder marke door de eigenaren opgeheven.


Kadasterkaartje uit 1892 geeft de kruising Westeinde met de Nieuwendijk weer.
Onderaan in blauw een stukje Hermelijnsgracht. Het gestreepte blokje daarvoor is de brug naar de Ankummerdijk. Het andere gestreepte blokje is de brug in het Westeinde, waar de aansluiting was van de sloot langs de Nieuwendijk aan de Hermelijnsgracht. Op het kaartje is te zien dat het tolhuis voor het grootste gedeelte is gebouwd op de weg en de berm van het Westeinde. Het zwarte blokje met het nummer 503 is het tolhuis uit 1843, het rood gearceerde blok daar overheen getekend met het nummer 1680 is het tolhuis na een verbouwing in omstreeks 1891.

De familie Bosch
De eerste bewoners van het nieuwe tolhuis zijn Berend Bosch, vaak ook geschreven als Bos, en Aaltje Goldstein, ook geschreven als Goldsteen. Berend is afkomstig uit Genne-Overwaters, waar hij volgens zijn trouwakte landbouwer is. Het stel is in 1835 getrouwd in Zwolle. Twee jaar later staat het echtpaar ingeschreven in Nieuwleusen. Ze hebben dan twee kinderen. In de geboorteregisters zijn in de periode 1835 tot 1853 acht kinderen ingeschreven.
Volgens het uit 1846 stammende patentregister, een soort belasting op verschillende beroepen, is Berend op 1 januari 1846 als tapper werkzaam in Ruitenveen. Hij zal nog vele malen vermeld worden bij veilingen van onroerend goed en grasverkopen, die in of bij zijn herberg aan de Grashekkebrug worden gehouden. Berend had er ook een boerenbedoening bij, net als zijn voorgangers op het oude tolhuis.

De familie Van Berkum, de laatste tolgaarders
Oudste dochter Berendina Wilhelmina Bosch, geboren op 11 oktober 1837 in Nieuwleusen, treedt op 16 april 1863 in het huwelijk met Derk Jan van Berkum. Deze boerenzoon is op 4 juli 1839 geboren in Zwollerkerspel, als oudste zoon van Gerrit Harm van Berkum en Steintje Lubberts Brink. Het ziet er eerst niet naar uit dat de echtelieden de herberg gaan overnemen. Derk Jan en Berendina wonen aanvankelijk in de gemeente Avereest. Daar wordt hun eerste kind geboren. Vervolgens is Derk Jan tussen 1863 en 1878 landbouwer in Nieuwleusen. Het echtpaar krijgt zeven kinderen, waarvan er een al jong is overleden. Ze vertrekken naar Hasselt, waar Derk Jan als schipper aan de slag gaat.
In maart 1880 wordt het gezin weer in Nieuwleusen ingeschreven en gaat wonen in Berendina’s ouderlijk huis, het tolhuis. Deze terugkeer kan te maken hebben met het overlijden van Berendina’s moeder, Aaltje Goldstein, ongeveer een week eerder op 23 februari1880. Zij werd 66 jaar oud. Berend Bosch is op 20 april 1890 overleden, 75 jaar oud.
Tot 1890 is de gemeente Nieuwleusen eigenaar van het tolhuis/herberg, maar tussen 1880 en 1889 hebben de huurders een nieuw huis gebouwd op het perceel Grashekke. Wat daarvan de reden is heb ik niet kunnen achterhalen. Derk Jan van Berkum koopt in 1889 ook de ondergrond van de gemeente Nieuwleusen, middels een onderhandse akte voor een bedrag van 50 gulden. In het jaar daarop biedt eigenaar Derk Jan van Berkum in de krant de Tapperij en Uitspanning het Grashekke te koop aan. Een week daarna vermeldt de krant dat de verkoop is aangehouden. Niet lang na deze poging om het Grashekke te verkopen, wordt de herberg met woongedeelte verbouwd. Dit is af te leiden aan vermeldingen en kaartjes in het kadaster.
Op 11 oktober1896, een paar jaar na de overname, overlijdt Berendina Wilhemina, 59 jaar oud.
De gemeente Nieuwleusen hield in het zogenaamde dienstbodenregister bij wie er allemaal een dienstbetrekking hadden. Uit dat register is op te maken dat Derk Jan in de periode na het overlijden van zijn vrouw inwonend personeel had. Vermeld worden Johanna Meesters, Gerrit Jan Mars (zijn schoonzoon) en eene Bos.


Op 23 maart 1904 sloeg het noodlot opnieuw toe en brandde het Grashekke volledig af.


Al snel na de brand werd het Grashekke herbouwd. In de gevel werd een ‘eerste steen’ geplaatst die vermelde dat Derk Jan van Berkum op de 16e van de 5e maand 1904 de herberg herbouwde. De steen is later geschonken aan museum Palthehof, maar viel al snel uit elkaar.

Vervolg artikel 'De Tol aan de Hermelijnsgracht, ook bekend als Grashekke' in kwartaalblad september 2022


TOL 14:Een kadasterschetsje uit 1917 waarop de herbouwde herberg in roze is ingekleurd. De stippellijntjes geven de kavelgrootte weer. In vergelijking met het grondoppervlak van de oude herberg is het voorhuis iets verbreed en is er aan de kant van de straatweg weer een doorrijschuur geplaats. Men kon dan paard en wagen overdekt ‘parkeren’ en zonder draaien de weg vervolgen.

Op 11 oktober 1906 trouwt weduwnaar Derk Jan van Berkum met de 31-jarige Hendrikje Luten in Nieuwleusen. Hij is dan 67-jaar. Op 30 oktober 1907 wordt hun zoon geboren, die ze, net zoals zijn vader, Derk Jan noemen. (Deze trouwde in 1928 in Dalfsen met de uit Nieuwleusen afkomstige Jennigje Westerman en had een Jrg40Nr2Fotopag17_rechts.jpg aan de Hoevenweg.)

In het verslag van de najaarszitting van de Staten van Overijssel in 1906 is te lezen dat de provincie in beginsel al in 1899 had besloten tot afschaffing van de tollen op provinciale wegen.
Het duurde nog tot 1 mei 1907 voordat de tol ook definitief tot het verleden behoorde. De lijst van de op te heffen tollen in Overijssel telt 51 wegen met een tolhuis, met op nummer 19: De straatweg door Nieuwleusen. Het weggedeelte waarop de tol werd geheven had een lengte van 12,6 km. Na ruim 450 jaar is de weg tolvrij.
De laatste advertentie waarin het Grashekke en D. J. van Berkum samen worden genoemd betreft de verkoop van de Grashekke zelf. De herberg wordt op maandag 8 november 1909 om 11 uur ter plekke publiekelijk verkocht; ingezet op 2000 gulden door molenaar Bartels uit Heino en verkocht voor 2900 gulden aan Jan Bulder. Bij de verkoop is ook een strook grond aan de westkant van de herberg langs het Westeinde inbegrepen. Deze had de naam het Voormeijersland.
Derk Jan van Berkum is 70 jaar oud als de herberg overgaat op een nieuwe eigenaar. Derk Jan en Hendrikje worden in 7 december 1909 uitgeschreven in Nieuwleusen en vertrekken naar Ankum, waar Derk Jan op 79-jarige leeftijd is overleden.

De familie Bulder
Hun
Op 12 december 1909, vijf dagen na het vertrek van de familie Van Berkum, komt Jan Bulder met zijn gezin vanuit de buurtschap Moddergat in de gemeente Zuidwolde naar Nieuwleusen. Jan Bulder is geboren in 1877 in Meppel en Geesje Weertjes is geboren in 1877 in Avereest. De zonen Evert (1902) en Jan (1906) zijn in Zuidwolde geboren en in 1910 komt Hilbertus in het Grashekke ter wereld.
Jan Bulder is naast landbouwer ook koffiehuishouder, caféhouder zou men nu schrijven. In 1918 wordt het gebouw enigszins vergroot met een aanbouw met een plat dak aan de noordzijde. Om aan de eisen van die tijd te voldoen moet ook de hoogte van de cafézaal worden aangepast. De simpelste oplossing daarvoor is het verlagen van de vloer en daar wordt voor gekozen, waardoor men bij binnenkomst altijd op het afstapje moest letten. Het café blijft bestaan tot halverwege de jaren 50. Jan Bulder laat op zijn erf in 1939 een varkensschuur bouwen. Volgens de landbouwtelling uit 1943 bestaat de boerderij dan uit ongeveer 10 ha grond en is een gemengd bedrijf, zoals bij de meeste boerenbedrijven in die tijd. Daarnaast is hij ook bijenhouder.
In het Kwartaalblad, jaargang 3, nummer 3, werd in een artikel al eens aandacht besteed aan de familie Bulder. Een kleindochter vertelt daarin dat Jan waarschijnlijk een van de beste klanten was van zijn eigen café. Vooral op de vrijdagen moest de omzet in het café gemaakt worden. Boeren en veehandelaren die naar de veemarkt in Zwolle waren geweest maakten er dan een tussenstop op weg naar huis.


TOL 15:Jan en Geesje Bulder, links boven de deur is nog net een bord met de naam Bulder te lezen. Het metselwerk was onderbroken door speklagen en boven de ramen en deuren was een rollaag met aanzet- en sluitstenen.


TOL 16:Het Grashekke kort voor de sloop. Boven de raampjes in de dakkapel is nog net de naam Grashekke te lezen. Het voorhuis had een symmetrische verdeling van de ramen en deuren. De rechter deur was voor het woongedeelte en de linker deur was voor het café. De ramen bleven tot de sloop van blinden voorzien.

Jan Bulder is in 1954 overleden. Na zijn overlijden is het Grashekke verkocht aan de familie B.J. Sterken. De verkoop had wel een bijzondere bepaling, de weduwe Geesje Weertjes mocht haar levenlang een kamer bewonen in het Grashekke en een stukje van de schuur blijven gebruiken. Zij is overleden op 22 oktober 1958 en naast haar man begraven in Nieuwleusen.

De familie Sterken
Berend Jan Sterken, getrouwd met Janna Fredriks, is landbouwer aan de Ankummerdijk 5 als hij het Grashekke, Westeinde 218, koopt. Het echtpaar heeft twee zonen, die beiden ook willen boeren. De oudste zoon Jan blijft op de boerderij aan de Ankummerdijk als Berend Jan en Janna in 1954 verhuizen naar het door hun gekochte Grashekke.
De jongste zoon Hendrik is getrouwd met de uit Koekange afkomstige Janna Veld en na hun huwelijk bij zijn schoonouders ingetrokken. In 1951 wordt daar hun eerste kind geboren. Hendrik verhuist kort daarop met zijn gezin naar de Noordoostpolder, waar hij werkt bij een boer in Bant. Begin jaren zestig verhuizen ze naar Nieuwleusen, waar ze eerst nog even aan de Ankummerdijk wonen. Eind mei 1959 ruilen Hendrik en Jantje met Berend Jan en Janna en gaan als boeren op het Grashekke wonen. In 1964 wordt daar hun jongste zoon geboren. Bij de boerderij van Hendrik is ongeveer 14 hectare grond. In de beginjaren is het een gemengd bedrijf met varkens en melkvee. De varkensschuur wordt in de 70er jaren verbouwd tot pinkenstal. Het boerenbedrijf blijft bestaan tot 1986.



TOL 17 en 18:Afbraak van het Grashekke in 1987 om plaats te maken voor een fietspad. (Foto’s Roelof Sterken, zoon van Hendrik)Tweede foto mag vervallen als er ruimteprobleem is

Veel scholieren gaan dagelijks over het Westeinde naar Zwolle voor het volgen van voortgezet onderwijs. Door de toename van het autoverkeer wordt dat een steeds gevaarlijker onderneming. De provincie Overijssel neemt daarom begin jaren tachtig het besluit om langs deze provinciale weg een fietspad aan te leggen. Om dat mogelijk te maken moet langs de hele westkant van het Westeinde ruimte worden vrijgemaakt. De provincie koopt de daarvoor benodigde gronden. Het Grashekke is het enige gebouw dat zo dicht op de straat staat dat het moet verdwijnen. In 1987 zijn de meeste gebouwen van het erf Grashekke afgebroken. Hendrik en Janna hebben een bungalow aan de westkant van hun oude boerderij laten bouwen. Een schuurtje en vervallen hooiberg op de hoek met de Nieuwendijk herinneren nog aan een ander gebruik van het perceel.
Hendrik Sterken is overleden in 2003, zijn vrouw Janna is in 2004 verhuisd naar een appartement in de De Marke van Leusen en in 2012 naar het verzorgingshuis de Hulstkampen.
Met de afbraak van het Grashekke, dat ruim honderdveertig jaar in gebruik was als tolhuis, café en boerderij, is een markant gebouw verdwenen uit Nieuwleusen.

* * *

ZOEKPLAATJE

Op foto 44 (17748), gemaakt omstreeks 1950, staat een groep jongelui (van o.a. de meisjesvereniging Bid en Werk van de Gereformeerde kerk) op en rond een tank afgebeeld. Na de reactie van Ria Smit-Pieltjes in ons vorige kwartaalblad, kregen we van Willy van Dorsten-Visscher de namen door van Gijsje Kroon, Hendrik Jan Snijder, Alie van Dorsten, Derkje van Dorsten, Dina Visscher, Fem van Dorsten, Alie Timmerman, Klazina de Boer, Pé van Blanken en Gerrie Visscher. Van de 5 ontbrekende namen werden nog als mogelijk genoemd Piet van Harten, Riek de Boer en Gerry van Eldik. Nu we deze namen weten, komen we misschien verder, wie helpt ons?

Op foto 45 (02805) kwam al vrij snel een reactie van Rianne Prins die zich afvroeg waarom deze foto 2 keer in de beeldbank stond. Een keer met namen en een keer zonder namen. Zo blijkt maar weer dat we nog niet alles voor elkaar hebben. Er is nog werk te doen.

Op foto 46 (zoekplaatje 10134) heeft niemand gereageerd. Maar dat mag nog steeds.

Nieuwe zoekplaatjes:

Zoekplaatje 47:


Foto 47: (01923) een foto van klas 2 van de MULO uit 1962 waar onder leiding van mijnheer Scholten wordt gewandeld ten bate van de oprichting van het zwembad.

Zoekplaatje 48:


Foto 48: (03782) een foto van een reünie in 1987 van de huishoudschool van een klas uit het schooljaar 1947/1948 met daarop ook meester Katerberg, hoofdonderwijzer van de OLS-A.

Alle foto’s kunt u vinden op www.beeldbanknieuwleusen.nl door in het zoekveld het nummer in te toetsen dat tussen ( ) staat achter 47, 48 enz. Bij de foto’s vindt u ook het reactieformulier.
Een e-mail naar info@palthehof.nl kan natuurlijk ook. Mocht dit allemaal niet lukken dan mag u de eindredacteur bellen.







Jaargang 40 Nummer 3 september 2022


* * *

Foto voorpagina:

Onze bouwers van 'De Hooiberg'.
Van links naar rechts: Gerrit Lubbers, Egbert van Swol, Henk Koorman, Thijs Visscher, Jan Schuurman, Wim Schoemaker, Henk Vasse, Geert Schoemaker, Dick van de Wal, Albert Kleen.

* * *

Toertocht voor Union bromfietsen

Op zaterdag 16 juli 2022 organiseerde Ni’jluusn van Vrogger voor de derde keer een toertocht voor uitsluitend Union bromfietsen. De ongeveer 65 km lange tocht ging vanaf museum Palthehof richting Hasselt, via Zwartewaterklooster, Staphorst en IJhorst naar de voormalige Union Rijwiefabriek. Deelnemers vanuit het hele land en zelfs vanuit België genoten volop van de prachtige omgeving en vooral ook van al die verschillende, goed onderhouden, door Union geproduceerde bromfietsmodellen, waarvan de vijf Boomerangs het stralend middelpunt vormden. In 1961 nam de Union rijwielfabriek de Boomerang bromfiets in productie. Van het fraaie, overdadig gestroomlijnde ontwerp van Charles Burki zijn nog maar heel weinig exemplaren over en daarom is het heel bijzonder dat er zaterdag op het voorplein van museum Palthehof zomaar vijf exemplaren naast elkaar stonden. Het is een droom voor de Union vrijwilligers dat er ooit een Boomerang bromfiets in de collectie van Palthehof kan worden opgenomen, maar daarvoor is veel geld nodig, meer dan tot nu toe bijeen gebracht kon worden.
Het was een feest voor alle aanwezigen om zomaar zoveel prachtig cultureel erfgoed bij elkaar te zien. Een zeer gewaardeerd initiatief, tot stand gekomen door de inzet van de voor de vereniging zo belangrijke vrijwilligers. Klik voor een door Vechtdal TV gemaakte impressie van de toertocht op https://www.youtube.com/watch?v=n3jNX42bd5E



Een hoogtepunt van de dag was de presentatie van het enige exemplaar van de ook door Burki speciaal voor Union ontworpen Union Rocket, die helaas nooit in productie is genomen. Dit gebeurde door Wout Meppelink van het blad ‘Bromfiets’.
Charles Burki, de in 1909 in Nederlands Indië geboren, bijna legendarische naoorlogse tekenaar en motor- en auto-ontwerper, stond bekend om zijn prachtige tekeningen en wist als geen ander auto’s, motorfietsen en vooral bromfietsen in lijnen te vangen.
In 1958 benaderde Union Burki. Met een duidelijke opdracht; hij moet zorgen voor een sensationeel bromfietsontwerp, een machine die glanst van vertrouwen, waarmee je zo de toekomst tegemoet kunt rijden. Drie schetsen komen door de eerste selectie en daarvan haalt één ontwerp in 1961 het productiestadium; de Union Boomerang. “Een ultieme buikschuiver van volledig Nederlands fabrikaat. Gestroomlijnde luxe en overdaad; één revolutionaire vloeiende lijn, in plaats van allemaal losse onderdelen. En een benzinetank zó groot, dat een rit heen en weer naar de Eiffeltoren geen enkel probleem is.”
Van de andere twee ontwerpen kwam het zeer futuristische ontwerp, de Rocket dus niet verder dan de tekentafel, tot de gedreven ‘Bromfiets’ redactie er één prototype wist te produceren en dat ene exemplaar 61 jaar na de productie van de Boomerang in Nieuwleusen aan het publiek presenteerden.

* * *

Boerderijnamen

Werkgroep Boerderijen en Veldnamen

Door het plaatsen van een bord met de historische naam van het boerenerf maken de historische verenigingen in de gemeente stukjes lokale geschiedenis zichtbaar. Daarmee blijven de erfnamen die nog een duidelijke verwantschap hebben met hun omgeving of daar toe te herleiden zijn, verbonden met de geschiedenis van die omgeving. Dit keer gaan wij helemaal naar de andere kant van de gemeente, waar twee boerderijen gerelateerd zijn aan de familie Van Dedem.

Het Spijkerbroek - Westeinde 210
De adellijke familie Van Dedem is heel lang eigenaar geweest van deze grond. De plek is bewoond sinds 1929. Enkele generaties Hoes hebben hier gewoond. Na hen woonden er Van den Bos en Zwarts. Hierna werd de ‘Maatschappij tot exploitatie van het landgoed Den Aalshorst en aanhorigheden’ de volgende eigenaar, en daarna de ‘Naamloze vennootschap maatschappij tot expoitatie der onroerende goederen van de erven B.H. Egberts’. Vervolgens is het in handen gekomen van A.J.H. Boer en G.W. Potjes. Nu zijn De Witte en Ballijns eigenaar. Het erf heeft de naam van de achterliggende gronden gekregen; Het Spijkerbroek.



Erve De Jagtlust - Ruitenveen 2 en 4
Bij de verdeling van de gronden in 1639 wordt dit perceel toebedeeld aan Joan van Isselmuden tot de Rollecate en Zwollingerkamp. Hij laat hier een spieker (herenhuis) bouwen met de naam Jachtlust, en daarbij een boerderij. De achterkleindochter van Joan van Isselmuden trouwt met Gijsbert van Dedem tot den Berg en erft het geheel van een door een val van zijn paard overleden neef. In 1816 wordt het Jachtlust verkocht, waarschijnlijk om de financiële problemen op te lossen die zijn ontstaan door de grote investeringen voor de aanleg van het kanaal (de Dedemsvaart) door haar zoon Jan Willem baron van Dedem. Koper is D.J. Neurink, schoolmeester in het Ruitenveen. Na Neurink is het erf Jagtlusterallee 1 jaren lang eigendom van Marten Schaap. Vanaf 1912 zijn Koop Bijker en Berend Ruinemans de eigenaars van het erf Ruitenveen 2 en 4. In 1938 wordt dat Jan Willem Ruinemans en vanaf de jaren 1980 Berend Ruinemans. Het terrein, de woning en een vakantiehuis heeft een jaar of twintig een eigenaar van buiten de familie gehad, die het huis ook heeft verbouwd. Sinds omstreeks 2020 is er weer een Ruinemans eigenaar van Ruitenveen 2 en 4. Wilco Ruinemans heeft het goed toen gekocht en heeft het de naam Erve de Jagtlust gegeven.


De luchtfoto van de boerderij in 1948 geeft een goed beeld van de omvang van het erf met de boerderij met schuren en hooiberg


Erve de Jagtlust, Ruitenveen 2 en 4, in het voorjaar 2022

* * *

De Tol aan de Hermelijnsgracht,
ook bekend als Grashekke

René Fokkert

In het vorige Kwartaalblad is de geschiedenis van het tolhuis aan het Westeinde, hoek Nieuwendijk beschreven tot 3 maart 1904, de datum waarop “de van ouds bekende herberg aan den straatweg naar Zwolle, genaamd ‘het Tolhuis’ of ‘het Grashekke’ volledig af brandde”. Derk Jan van Berkum herbouwde de herberg nog in hetzelfde jaar. Wij pakken hier de draad weer op.

Op 11 oktober 1906 trouwt weduwnaar Derk Jan van Berkum met de 31-jarige Hendrikje Luten in Nieuwleusen. Hij is dan 67-jaar. Op 30 oktober 1907 wordt hun zoon geboren, die ze, net zoals zijn vader, Derk Jan noemen. (Deze trouwde in 1928 in Dalfsen met de uit Nieuwleusen afkomstige Jennigje Westerman en had een boerderij aan de Hoevenweg.)

In het verslag van de najaarszitting van de Staten van Overijssel in 1906 is te lezen dat de provincie in beginsel al in 1899 had besloten tot afschaffing van de tollen op provinciale wegen.

Het duurde nog tot 1 mei 1907 voordat de tolheffing ook definitief tot het verleden behoorde. De lijst van de op te heffen tollen in Overijssel telt 51 wegen met een tolhuis, met op nummer 19: De straatweg door Nieuwleusen. Het weggedeelte waarop de tol werd geheven had een lengte van 12,6 km. Na ruim 450 jaar werd de weg tolvrij.

De laatste advertentie waarin het Grashekke en D. J. van Berkum samen worden genoemd betreft de verkoop van de Grashekke zelf. De herberg wordt op maandag 8 november 1909 om 11 uur ter plekke publiekelijk verkocht; ingezet op 2000 gulden door molenaar Bartels uit Heino en verkocht voor 2900 gulden aan Jan Bulder. Bij de verkoop is ook een strook grond aan de westkant van de herberg langs het Westeinde inbegrepen. Deze had de naam het Voormeijersland.

Derk Jan van Berkum is 70 jaar oud als de herberg overgaat op een nieuwe eigenaar. Derk Jan en Hendrikje van Berkum worden op 7 december 1909 uitgeschreven in Nieuwleusen en vertrekken naar Ankum. Daar is Derk Jan op 79-jarige leeftijd overleden.


Een kadasterschetsje uit 1917. De herbouwde herberg is roze ingekleurd. De stippellijntjes geven de kavelgrootte weer. In vergelijking met het grondoppervlak van de oude herberg is het voorhuis iets verbreed. Aan de kant van de straatweg is weer een doorrijschuur geplaats, waarin paard en wagen overdekt konden ‘parkeren’ en zonder draaien de weg vervolgen

De familie Bulder
Op 12 december 1909, vijf dagen na het vertrek van de familie Van Berkum, komt Jan Bulder met zijn gezin vanuit de buurtschap Moddergat in de gemeente Zuidwolde naar Nieuwleusen. , Jan Bulder is geboren in 1877 in Meppel en Geesje Weertjes is geboren in 1877 in Avereest. De zonen Evert (1902) en Jan (1906) zijn in Zuidwolde geboren en in 1910 komt Hilbertus in het Grashekke ter wereld.

Jan Bulder is naast landbouwer ook koffiehuishouder, caféhouder zou men nu schrijven. In 1918 wordt het gebouw enigszins vergroot met een aanbouw met een plat dak aan de noordzijde. Om aan de eisen van die tijd te voldoen moet ook de hoogte van de cafézaal worden aangepast. De simpelste oplossing daarvoor is het verlagen van de vloer en daar wordt voor gekozen, waardoor men bij binnenkomst altijd op het afstapje moest letten. Het café blijft bestaan tot halverwege de jaren 50. Jan Bulder laat op zijn erf in 1939 een varkensschuur bouwen. Volgens de landbouwtelling uit 1943 bestaat de boerderij dan uit ongeveer 10 ha grond en is een gemengd bedrijf, zoals bij de meeste boerenbedrijven in die tijd. Daarnaast is hij ook bijenhouder.

In het Kwartaalblad, jaargang 3, nummer 3, werd in een artikel al eens aandacht besteed aan de familie Bulder. Een kleindochter vertelt daarin dat Jan waarschijnlijk een van de beste klanten was van zijn eigen café. Vooral op de vrijdagen moest de omzet in het café gemaakt worden. Boeren en veehandelaren die naar de veemarkt in Zwolle waren geweest maakten er dan een tussenstop op weg naar huis.


Jan en Geesje Bulder. Links boven de deur is nog net een bord met de naam Bulder te lezen. Het metselwerk was onderbroken door speklagen en boven de ramen en deuren was een rollaag met aanzet- en sluitstenen

Jan Bulder is in 1954 overleden. Na zijn overlijden is het Grashekke verkocht aan de familie B.J. Sterken. De verkoop had wel een bijzondere bepaling, de weduwe Geesje Weertjes mocht haar leven lang een kamer bewonen in het Grashekke en een stukje van de schuur blijven gebruiken. Zij is overleden op 22 oktober 1958 en naast haar man begraven in Nieuwleusen.

De familie Sterken
Berend Jan Sterken, getrouwd met Janna Fredriks, is landbouwer aan de Ankummerdijk 5 als hij het Grashekke, Westeinde 218, koopt. Het echtpaar heeft twee zonen, die beiden ook willen boeren. De oudste zoon Jan blijft op de boerderij aan de Ankummerdijk als Berend Jan en Janna in 1954 verhuizen naar het door hun gekochte Grashekke.

De jongste zoon Hendrik is getrouwd met de uit Koekange afkomstige Janna Veld en na hun huwelijk bij zijn schoonouders ingetrokken. In 1951 wordt daar hun eerste kind geboren. Hendrik verhuist kort daarop met zijn gezin naar de Noordoostpolder, waar hij werkt bij een boer in Bant. Begin jaren zestig verhuizen ze naar Nieuwleusen, waar ze eerst nog even aan de Ankummerdijk wonen. Eind mei 1959 ruilen Hendrik en Jantje met Berend Jan en Janna en gaan als boeren op het Grashekke wonen. In 1964 wordt daar hun jongste zoon geboren. Bij de boerderij van Hendrik is ongeveer 14 hectare grond. In de beginjaren is het een gemengd bedrijf met varkens en melkvee. De varkensschuur wordt in de 70er jaren verbouwd tot pinkenstal. Het boerenbedrijf blijft bestaan tot 1986.


Het Grashekke kort voor de sloop. Boven de raampjes in de dakkapel is nog net de naam Grashekke te lezen. Het voorhuis had een symmetrische verdeling van de ramen en de deuren. De rechter deur was voor het woongedeelte en de linker deur was voor het café. De ramen bleven tot de sloop voorzien van blinden


Afbraak van het Grashekke in 1987 om plaats te maken voor een fietspad. (Foto’s Roelof Sterken, zoon van Hendrik)

Veel scholieren gaan dagelijks over het Westeinde naar Zwolle voor het volgen van voortgezet onderwijs. Door de toename van het autoverkeer wordt dat een steeds gevaarlijker onderneming. De provincie Overijssel neemt daarom begin jaren tachtig het besluit om langs deze provinciale weg een fietspad aan te leggen. Om dat mogelijk te maken moet langs de hele westkant van het Westeinde ruimte worden vrijgemaakt. De provincie koopt de daarvoor benodigde gronden. Het Grashekke is het enige gebouw dat zo dicht op de straat staat dat het moet verdwijnen. In 1987 zijn de meeste gebouwen van het erf Grashekke afgebroken. Hendrik en Janna hebben een bungalow aan de westkant van hun oude boerderij laten bouwen. Een schuurtje en vervallen hooiberg op de hoek met de Nieuwendijk herinneren nog aan een ander gebruik van het perceel.

Hendrik Sterken is overleden in 2003, zijn vrouw Janna is in 2004 verhuisd naar een appartement in De Marke van Leusen en in 2012 naar het verzorgingshuis de Hulstkampen.

Het Grashekke is ruim honderdveertig jaar in gebruik geweest als tolhuis, café en boerderij. Met de afbraak is een markant gebouw verdwenen uit Nieuwleusen.

* * *

Feesten in Nieuwleusen. Deel 2. Midzomeravondfestival 1993/1994/2003

Geeske Hekman-Bruggeman

Van de dorpsfeesten in Nieuwleusen die een jaarlijkse terugkeer niet hebben gehaald, blikken wij dit keer terug op het succesvolle ‘Midzomeravondfestival’, dat drie keer is gevierd, in 1993, in 1994 en nog een keer in 2003.

Het idee om na de ’Nacht van Nieuwleusen’ nog eens een groot dorpsfeest te organiseren kwam van Koop Reurink en Gerrit Schoonhoven.

Op 18 mei 1993 werd de Stichting Midzomeravondfestival opgericht, waarvan het bestuur bestond uit Bert Brinkman (bouw, techniek en timmerwerk), Evert Hulleman, Koop Reurink, Ab Scheper (contactpersoon gemeente), Gerrit Schoonhoven en Aalt Westerman (muziek).

Een groot muzikaal en cultureel festival in Nieuwleusen, het dorp waar muziek in zit. Een evenement dat de stichting zo mogelijk ieder jaar gaat organiseren. Mede om Nieuwleusen te promoten naar omliggende gemeentes en wellicht nog verder. Dat was het doel van het bestuur.

Het eerste Midzomeravondfestival zou plaatsvinden op 9 juli 1993. Daarmee had het bestuur tussen de oprichting van de stichting en het festival slechts 53 dagen om hun beoogde doel te bereiken. Het zou dus een hele prestatie worden om in dit korte tijdbestek een avond te organiseren die stond in het teken van muziek, toneel en gezelligheid en een gigantisch vervolg zou worden op de vijf jaar eerder gehouden ‘Nacht van Nieuwleusen’.

De aan het festival deelnemende artiesten zouden hoofdzakelijk afkomstig zijn van buiten Nieuwleusen. Dat werden uiteindelijk ongeveer 430 personen. Zou men er voor gekozen hebben om leden van de plaatselijke verenigingen aan te trekken, dan zou dat veel publiek wegnemen. Bovendien werden op deze wijze ook de plaatselijke muzikanten in staat gesteld om van het festival te genieten.

De Stichting Midzomeravondfestival heeft zich enorm ingespannen om van deze avond een succes te maken. Met een programma met ‘Voor elk wat wils’, zou het een avond worden waarop er voor iedereen wel iets zou zijn om van te genieten. Van heinde en ver werden artiesten naar Nieuwleusen gehaald, met Jan Vayne als grootste publiekstrekker, werd er gerekend op 3 á 4 duizend bezoekers.

Dat het bestuur ruimschoots is geslaagd in zijn opzet kan wel worden afgeleid uit de optredens die we hier de revue laten passeren.

De activiteiten en optredens vonden plaats op verschillende locaties in en rond de kerkenhoek, tot aan de voormalige melkfabriek, waar nu de Gulia Palthe State is gevestigd.

Bijna alles vond op straat plaats. Voor jong en oud was er een attractie op elke hoek. Overal waren terrasjes gecreëerd, waar in totaal ongeveer 700 stoelen waren neergezet.

Er was een hobby -en ambachtenmarkt, er waren kleine toneelvoorstellingen, optredens van een goochelaar, clowns en steltlopers.

In het gemeentehuis was een expositie georganiseerd met werk van de bekende kunstenaar, acteur, danser, cabaretier en schrijver Albert Mol en van zanger-kunstenaar Tol Hanse. De expositie werd muzikaal omlijst door het duo ‘Festin’, met viool en piano.

In het Palthebos was een doorlopende voorstelling gepland voor de jongste kinderen en hun ouders. Daar was het circus ‘Bongo’ gesitueerd, compleet met houten Pipowagens en vrolijk gestreepte tent. Dat optreden was een bezoekje zeker waard.

Overal was muziek in verschillende stijlen en genres, zoals zigeuner-, country- en western-, klassieke en jaren 60-muziek. Jan Vayne trad op in een bomvolle Grote kerk.

En wat is een groot feest zonder paniekmoment? Vlak voor hun optredenkwam Operettevereniging ‘Bel Canto’ er achter, dat er geen piano was. In de voorbereidingen was een miscommunicatie ontstaan rond de piano om het koor te begeleiden. Er was geen piano! In alle hectiek regelde Koop Reurink snel dat hun piano vanaf de eerste verdieping van ‘De Viersprong’ door het raam met een hoogwerker naar beneden werd getakeld en naar het podium werd vervoerd. Zo kon na enige vertraging het optreden van “Bel Canto” toch nog plaatsvinden.

Rond middernacht werd het zeer geslaagde Midzomeravondfestival afgesloten met zwoele Zuid-Amerikaanse muziek door de groep ‘Canta Brasil’.

Midzomeravondfestival 1994
Aangemoedigd door het succes besloot het bestuur opnieuw aan de slag te gaan.

Voor het tweede Midzomeravondfestival werd 8 juli 1994 als datum gekozen en er zou opnieuw een mooi programma komen.

Allereerst werd besloten het festivalgebied in te krimpen, waardoor alle activiteiten op kortere loopafstand zouden plaatsvinden.

Waren er in de eerste editie vijf podiums, verspreid tussen Grote Kerk en melkfabriek, in 1994 kwamen er 15 podiums in en om de Kerkenhoek en in het Palthebos.



Midzomeravondfestival 1994 werd afgesloten met een wervelende show op het podium bij De Viersprong van de groep ‘Straat’, een combinatie van cabaret en popmuziek.

Ook het tweede Midzomeravondfestival bleek een feest voor jong en oud en trok, net als het jaar ervoor, ongeveer drieduizend bezoekers. Het publiek was positief en de organisatoren waren tevreden over beide feesten. Alles was goed verlopen. Financieel kon het allemaal net en daar zou bij een volgende editie wat op moeten worden gevonden. Het is er niet van gekomen.

Het zou negen jaar duren voor er opnieuw een Midzomeravondfestival plaatsvond. Deze keer met subsidie en een culinaire invalshoek. Dit werd helaas een heel regenachtig festival en door de killere en natte weersomstandigheden minder sfeervol dan was gehoopt. In museum Palthehof konden de bezoekers zich even terug in de tijd wanen, in de school van vroeger, met ‘… en een zoen van de juffrouw’- tentoonstelling.

Bronnen: Koop Reurink en Gerrit Schoonhoven.

Marskramer van mei en juli 1993 en juli 1994 en juli 2003

* * *

Nou, dan melk ik toch die koeien ………………………….!
Griet Feitsma; de eerste gezinsverzorgster in Nieuwleusen.

Jenny Kasper

Halverwege de vorige eeuw ontstond binnen de Hervormde Diaconie te Nieuwleusen de behoefte aan een gediplomeerde gezinsverzorgster. Er was in Nieuwleusen een wijkzuster voor de verpleegkundige zorg. Wanneer je, voor een heel laag bedrag, lid was van het Groene Kruis kon je daar hulp van krijgen. Er kwamen steeds meer hulpvragen voor ondersteuning van de zorgtaken in gezinnen tijdens ziekte en/of het uitvallen van de moeder des huizes. Tot dan toe werd er veelal hulp verleend door buren en familie. Waar nodig kwam er soms via de Diaconie een helpende hand en/of beperkte financiële ondersteuning. De samenleving veranderde en er kwam behoefte aan meer professionele hulp.

Geertje Boesenkool had verkering met Fokke Vleer uit het Friese Bears, een dorpje even ten zuidwesten van Leeuwarden. Van hem hoorde ze dat Griet Feitsma net gediplomeerd was als gezinsverzorgster. Dat zou mogelijk een geschikte kandidate voor Nieuwleusen zijn.

Griet Feitsma is in februari 1927 geboren in Bears, in een orthodox protestants gezin met strenge regels voor de zondag in een destijds overwegend vrijzinnig protestants Friesland. Haar moeder was huisvrouw, haar vader timmerman. Griet was de oudste dochter en kreeg nog een broertje en zusje.

Na de lagere school bleef Griet eerst een jaar thuis. Op dertienjarige leeftijd ging ze als inwonende meid werken op een boerderij, waar ze in het voor- en het achterhuis alle voorkomende werkzaamheden leerde en dus ook leerde melken. Dit alles voor twee gulden per week.

Zij bleef daar tot haar achttiende jaar, ook tijdens de oorlogsjaren. Elk jaar kreeg zij twee gulden loonsverhoging.

Ze ging naar een andere boerderij toen ze bij een jong boerengezin meer kon verdienen. Ook daar werkte ze met veel plezier. In die tijd werd Griet lid van de Friese Jeugdbeweging, die veel vormende activiteiten voor jongeren ontwikkelde. Voor Griet ging er een nieuwe wereld open. Hierdoor kreeg ze behoefte aan een nieuwe uitdaging en ander werk. Ze nam ontslag en ging weer thuis wonen.

Ze voorziet in haar onderhoud met schoonmaakwerk en naaiklussen in en rond Bears en volgt een opleiding voor coupeuse. Na verloop van tijd gaan de vele uren binnen, achter de naaimachine, haar tegenstaan. Ze besluit naar de Volkshogeschool in Bakkeveen te gaan voor de opleiding voor gezinsverzorgster. Daar volgt ze eerst het theoretische gedeelte en daarna gaat ze stagelopen in Twijzel en Ternaard. Tijdens deze stage woont Griet in een gastgezin. Ze volgt de opleiding met veel plezier en rondt die af met een mooi diploma. Ze is dan vierentwintig jaar en hoort via Fokke Vleer van de vacature in Nieuwleusen.

En zo kon het gebeuren dat Griet Feitsma in augustus 1951 in Bears op haar fiets stapt en naar Nieuwleusen fietst voor een sollicitatiegesprek voor de functie van Gezinsverzorgster. Er was in die tijd nog geen maatschappelijk werkster. Het gesprek werd gevoerd met kerkenraadsleden en kreeg nog een extra spanning omdat in de kerk de stroom uitviel. Er werd uitgeweken naar café Schiphorst, tegenover de kerk, waar het gesprek werd voortgezet. Na het sollicitatiegesprek overnachtte Griet bij Geertje Boesenkool thuis en de volgende dag fietste ze terug naar Bears.


Scan uit het notulenboek van de diaconie van 2 juni 1951

Griet wordt aangenomen en is daarmee de eerste gezinsverzorgster in de gemeente Nieuwleusen, in dienst van de Nederlands Hervormde gemeente, waar in die tijd een groot deel van de gemeente bij was aangesloten.

Het eerste gezin waar Griet kwam was een wat ouder echtpaar. Het was een vuurdoop, voor haar, maar ook voor het echtpaar. Stel u voor: In plaats van de vertrouwde buurvrouw komt de nieuwe gezinsverzorgster binnen; een jonge vrouw in een uniform; een groene jurk met daar overheen een gesteven wit schort en deze goedlachse jonge vrouw spreekt Hollands.

Weliswaar is huishoudelijk werk overal hetzelfde, maar de wijze waarin het uitgevoerd wordt kan nogal verschillen. In die tijd was er een wezenlijk verschil tussen de levenswijze en de sociale omgang op de Friese kleigrond en die van de zandgronden in Nieuwleusen. En dan was er naast het verschil in cultuur ook nog het verschil in de gesproken taal en de manier van werken.

Het klikt al snel tussen Griet en het echtpaar. Zij werkt er twee weken. Als ze de was ophangt treft ze een merkwaardig kledingstuk aan. Het lijkt op een soort onderbroek, maar zonder kruis. Griet vraagt om uitleg. De vrouw kijkt Griet verbaasd aan, ‘ weet ie nie wat det is ‘? Det is mien bokse.’ Het Saksisch dialect was wennen. ‘Bokse’, ja, dat is een onderbroek, maar in dit geval wel een bijzondere. Als ze er weer aan terugdenkt kan Griet er nu nog smakelijk om lachen.

In dit eerste gezin leerde Griet meteen heel nieuwe werkzaamheden kennen, zoals het wekelijks zandpatronen strooien op de stenenvloer en het knieperties bakken, met een ouderwets handijzer in de houtkachel.

Griet voegt zich naar de wensen ter plaatse, is hartelijk, goedlachs, heeft gevoel voor humor en is vooral daadkrachtig. Griet was onvervaard en zij wordt door de jaren heen een begrip in het dorp. Per fiets gaat zij in weer en wind van oost naar west en van zuid naar noord. Vele gezinnen biedt zij hulp, gezinnen waar de moeder kortere of langere tijd door ziekte is uitgeschakeld, maar ook gezinnen waar op basis van sociale indicatie de nodige hulp en begeleiding gewenst is.

Mensen waarderen haar, ook omdat zij, waar nodig, op onverschrokken wijze hulp biedt op terreinen die niet in het takenpakket van de gezinsverzorgsters zijn opgenomen.

Zo kwam zij in een boerengezin aan het werk waar de vrouw was uitgevallen en de boer ten einde raad was. Hoe moest dat nu met het melken vanavond? Griet keek hem aan en zei: ‘Nou, dan melk ik toch die koeien.’ Ze nam het melkkrukje en de melkemmer en, met haar witte schort nog voor, is Griet onder de koe geschoven. Zij wist van haar werk op de boerderij in Friesland van nabij wanneer de ‘nood aan de man of de vrouw’ was.

Op een ander adres moest de hooiwagen nog geleegd worden toen Griet daar aan kwam. De boer wilde z’n vrouw laten helpen, maar de dokter had haar strikte rust voorgeschreven. Tot verbazing van de mensen ter plekke nam Griet de hooivork en kwam in actie.

Op één adres trok ze haar grens. De toenmalige notaris, ook een Fries, behandelde haar als huishoudelijke hulp in plaats van als een professioneel opgeleide gezinsverzorgster die was ingeroosterd om zijn moeder bij te staan. Hij controleerde haar ook op huishoudelijke taken en maakte daarover weer eens een opmerking; ze had het richeltje boven de keukendeur niet afgestoft. Griet maakte hem in het Fries klip en klaar duidelijk dat ze van een dergelijke behandeling niet gediend was: “als het hier zo moet, donder ik op” en vertrok.

Door haar persoonlijke werkwijze werd ze vermaard in het dorp. Zij werkte met hart en ziel, was de mensen toegedaan, deed wat gedaan moest worden en was voor geen kleintje vervaard, altijd respectvol met immer de blijde lach en het nodige humorvolle commentaar. Griet was, zeker voor die tijd, een zeer geëmancipeerde vrouw.

In de loop der jaren kwamen er steeds meer collega gezinsverzorgsters en gezinshelpers in dienst. Griet was heel blij met de collega’s met wie ze ervaringen kon uitwisselen. En zeker in de periode dat Dien Hulsebosch-Veerman de leidster werd. Er was op vrijdagmiddag vanaf 17.00 uur altijd een inloop bij Dien aan huis. Dan kon je de noden maar ook vrolijke momenten met elkaar delen.

Ook binnen de kerkelijke gemeente maakte Griet indruk. Toen er weer kerkenraadsverkiezingen aan kwamen, werd Griet gevraagd of ze voelde voor de functie van ouderling. Er was nog een vrouwelijke kandidaat. Griet werd met meerderheid van stemmen gekozen. Zo werd zij de eerste vrouw in het ambt van ouderling te Nieuwleusen.


Enthousiaste gezinsverzorgsters tijdens een wandeltocht. Foto uit de Staphorster Courant.

Vervolgens werd zij benaderd door het bestuur van de Christelijke Lagere school B aan het Westeinde om zitting te nemen in het bestuur. Ook hier was zij de eerste vrouw in deze functie.

Inmiddels was Griet getrouwd met Rinus Schoemaker. In 1956 werd dochter Janneke geboren. Rinus was een veelzijdige man en prima vader, maar als echtgenoot en kostwinner liet hij het nogal afweten en het huwelijk eindigde met een echtscheiding. Door wie zij was als mens en in haar functie als gezinsverzorgster hebben veel dorpelingen haar in deze voor haar zo moeilijke en verdrietige periode steeds gerespecteerd en gesteund. Hoe anders was de houding van de Kerkenraad. Die gaf te kennen dat ze, als gevolg van de scheiding, geacht werd zich terug te trekken als ouderling. Een in die tijd onomstreden, maar vanuit deze tijd gezien, strenge maatregel.

Ook als ouderling deed zich een omstandigheid voor waar ze haar grens trok. Het is een voorval dat ook in die tijdgeest past. Griet was met enige regelmaat ouderling van dienst tijdens huwelijksvieringen. Op een dag trouwde een collega gezinsverzorgster. Naar goed gebruik stond er buiten het gemeentehuis na de voltrekking van het huwelijk een erehaag van collega-gezinsverzorgsters in uniform. De kerkelijke huwelijksbevestiging was in de Grote kerk aan de overkant en Griet zou ouderling van dienst zijn, en, op aandringen van haar collega’s, deze keer tijdens de kerkdienst ook haar uniform dragen. Ze ging niets vermoedend met het uniform aan de kerk in om dienst te doen als ouderling. De predikant sprak haar aan. Het was ongepast om in het uniform dienst te doen als ouderling. Griet werd verzocht zich om te kleden.

Bij een volgende huwelijksinzegening van een collega-gezinsverzorgster kwam de koster naar Griet in de kerk en vroeg haar even mee te willen komen. Ze legden haar het probleem voor: De ouderling was niet op komen dagen, zou zij dienst willen doen? Dat mocht dan voor deze keer wel in uniform, vond de voorganger, want er was immers sprake van overmacht. Griet, consequent als ze was, gaf aan dat ze uiteraard dienst zou willen doen, maar dat ze wel eerst naar huis ging om zich om te kleden. Zo begon deze huwelijksinzegening een half uur later, met achter in de kerk een rij gniffelende gezinsverzorgsters

In 1976 heeft Griet in Doesburg in de intramurale ouderenzorg een boeiende en inhoudelijke baan met eindverantwoordelijkheid gevonden. Daar leerde zij ook haar tweede man, Dick Hulshof, kennen met wie zij een paar hele fijne jaren heeft beleefd. Helaas werd hij ernstig ziek en overleed anderhalf jaar na hun huwelijk. Met dochter Janneke heeft zij een zeer goede relatie.


Een haag van gezinsverzorgsters, met Griet 1e links, voor het gemeentehuis bij het huwelijk van Dicky van Zomeren en Herman Ardesch

Griet oogt nog immer jeugdig, met een ferme blik en stralende ogen. Fysiek raakt zij beperkter en in het voorjaar van 2022, is ze vanuit de stad waar zij vele jaren met plezier woonde en werkte, verhuisd naar Brielle, de stad waar haar dochter Janneke woont, zodat die dagelijks haar moeder kan bezoeken. Griet kijkt terug op goede jaren in Nieuwleusen, naast haar soms persoonlijk moeilijke periodes. En in Nieuwleusen zal er altijd de glimlach verschijnen als we spreken over die eerste gezinsverzorgster in het dorp. Griet Feitsma, ja, ‘ dat was toch een vrouw ‘ en met een gouden hart.

In memoriam Henny ter Wee - Westerman

Hoe onverwacht kunnen gebeurtenissen ons overvallen. Maandagavond 15 augustus hadden wij onze redactievergadering voor dit Kwartaalblad en na afloop stonden wij nog even na te _praten in de warme avondzon en brachten elkaar op de hoogte van onze familieomstandigheden. Ontspannen en met een tot ziens gingen we naar huis. Groot was de schrik toen enkele dagen later het bericht kwam dat Henny een herseninfarct had gekregen. We waren heel ongerust en onzeker over deze situatie. Op zondagmorgen 28 augustus kwam het telefoontje dat Henny was overleden. Met grote verslagenheid moeten wij dit bericht verwerken.

Henny werd in 2001 lid van de redactie en heeft in al die twintig jaren een belangrijk aandeel gehad in het redactionele werk. Ze was een toegewijd redactielid; rustig, betrouwbaar en accuraat vond ze de fouten die anderen over het hoofd zagen. Ze kende de bevolking en de familieverbanden heel goed en was op de hoogte van de veranderingen die zich voordeden. Ze had oog voor de leesbaarheid van de teksten. Haar bijdrage aan de kwaliteit van het Kwartaalblad was essentieel. Na zovele jaren van prettige samenwerking zullen wij haar nog heel lang missen.

Voor het vele goede werk dat zij gedurende lange tijd in het belang van onze vereniging heeft gedaan zullen wij haar steeds met grote dankbaarheid gedenken.

Het bestuur en de redactie.

* * *

Terug naar de melkfabriek

Klaas Katoele en Gees Bartels

Tijdens een bezoek van Klaas aan ons museum raakten wij aan de praat over de melkfabriek ‘Onderling Belang’ en daarbij kwamen interessante feiten over de inrichting van de fabriek aan de orde, die we hierbij op een rijtje zetten.

De Coöperatieve zuivelfabriek “Onderling Belang” is in 1907 opgericht en in datzelfde jaar werd er ook al een houten fabriekje gebouwd.

Op 16 juli 1907 werd J. G. Greijdanus als directeur benoemd, in 1911 opgevolgd door T.G. Eldink en daarna was S. Visser directeur van 1914 – 1917. Op 23 juni 1917 werd Lammert Vos benoemd als directeur. Hij werd na zijn pensionering, eind 1953, opgevolgd door zijn zoon, Jo Vos, die voor die tijd al adjunct-directeur was.

Vanaf de oprichting maakte de melkfabriek een snelle groei door. In 1913 kwam de eerste grote uitbreiding. Na de tweede uitbreiding in 1927 waren er vier met elkaar verbonden bedrijfsruimtes met elk een puntdak.


04658: De oudste foto die wij hebben van de melkfabriek, met rechts de toen nog vrijstaande directeurswoning. Op de plek van de twee met elkaar verbonden gebouwen, met elk een puntdak, staat nu de Gulia Palthe State

Ook de directeurswoning is in de loop der tijd flink verbouwd en uitgebreid met een kantoor. Het gebouw kreeg twee voordeuren, waarvan de deur links toegang gaf tot het kantoor, dat vast aan de fabriek was gebouwd, en de deur rechts van de directeurswoning was. De bovenverdieping, over de volle breedte, had schuine met dakpannen gedekte zijkanten, verbonden met een plat dak. Die woning met kantoor staat er nu nog, in vrijwel dezelfde vorm, deels wit gepleisterd. Het gebouw werd vooral bekend als het huis van Vos, vrij logisch omdat meerdere generaties Nieuwleusenaren Vos als de directeur van de fabriek kenden.

De melkfabriek kreeg ook een heel ander aanzicht. In augustus 1930 werd besloten tot de aanbouw van een tanklokaal met een benedenruimte voor het verwerken van de ondermelk. Dat werd een groot vierkant gebouw met plat dak, ook weer vast aan de bestaande bedrijfspanden. In 1932 volgde de bouw van een kaaspakhuis met pekellokaal. Voor die uitbreiding was een groot deel van de naastgelegen tuin en boomgaard van de boerderij van Katoele nodig.


06776: De Burg Backxlaan, toen nog Ommerdijk, gezien in zuidelijke richting, met links het boerderijtje van Katoele nog voor/naast de melkfabriek

Aan de straatkant van de fabriek was de machinekamer met stoommachine, met daarachter het ketelhuis en daar weer achter, met de nodige vrije tussenruimte, de fabrieksschoorsteen. Voor de aanvoer van brandstof voor de stoomketels was er een klinkerstraat vanaf de straat tussen de gebouwen door. Later kwam er een pad vanaf het Oosterveen, dat langs de oostkant van de fabriek, met een bocht aan de noordkant, voor de boerderij van Katoele langs liep naar de Ommerdijk (Burg. Backxlaan). De sintels die overbleven van het kolen stoken werden op het pad gegooid en zo werd dat in de loop der tijd een verharde sintelweg. Het eerste stuk van dit pad vanaf het Oosterveen is nu nog aanwezig en loopt dood tegen een hek voor de nieuwbouw aan de Zuivelstraat.

Tenslotte zijn de vier oudste bedrijfsruimtes afgebroken, om plaats te maken voor het robuuste hoge gebouw met twee verdiepingen, waar op moderne wijze de melkverwerking plaats vond. Voor de melkontvangst was aan de straatkant het grote los-en laadperron op laadhoogte, waar de melkrijders op laadvlakhoogte de melkbussen aanleverden.


04641: De directeurswoning met kantoor naast de nieuwste uitbreiding van de fabriek, met de schoorsteen op z’n vaste plek aan de oostkant van de melkfabriek

Na de oorlog moest alles groter en voordeliger. Er werd gefuseerd, eerst met Blokmelk in Zwolle, later met Coberco. In 1970 werd de melkfabriek gesloten en in 1981 werd de schoorsteenpijp opgeblazen afgebroken. Het gebouw werd daarna aan verschillende ondernemers verhuurd, als laatste, tot 2001, aan De Keyzer Kaas, die het als opslagruimte voor zijn kaashandel gebruikte. Daarna is de fabriek afgebroken.

In 2005 kwam het appartementengebouw Gulia Palthe State gereed en rond 2010 was de nieuwbouw rond de Zuivelstraat in volle gang. De fietsenzaak van Ten Kate in het weiland op de hoek van de Ds. Smitslaan en het al enkele jaren leegstaande en vervallen boerderijtje van Willem de Weerd zijn daar toen voor afgebroken.

Klaas vertelt:
Ik groeide op in een door mijn ouders gehuurd boerderijtje met een stuk land aan de oostkant van de fabriek, met adres ’t Pad 61. De weg liep achter het huis langs en naar de boerderij met bakhuisje, hooiberg en schuren van Willem de Weerd (1924-1991) en de boerderij van Krul en liep helemaal door tot aan De Stouwe. Het Pad werd het Oosterveen, maar kronkelde hier toen nog, net zoals bijvoorbeeld vroeger bij de boerderij van Freek ten Kate, verderop aan het Oosterveen. De boerderij van De Weerd is inmiddels afgebroken, die van Krul is nu woonboerderij, met adres Ds. Smitslaan 11. Later werd het adres Ommerdijk 38 en Ommerdijk is nu Burg. Backxlaan.


06703: Boerderij van Katoele, omstreeks 1951, destijds Pad 61, later Backxlaan 38

Al jong ging ik mee naar de melkfabriek wanneer mijn vader daar hand- en spandiensten verrichtte, inclusief onderhoud van de tuin van directeur Vos. Daarom kende ik bijna alle hoeken en gaten van de fabriek.

’s Morgens was het een drukte van belang met de melkontvangst. Tientallen paarden en wagens van de melkrijders brachten de bussen melk van heinde en ver naar de fabriek. De paarden, die van ver moesten komen, kregen rust en hooi in de paardenstal aan de overkant van de Ommerdiek. De stal staat er nog steeds maar is inmiddels verbouwd tot fraai woonhuis.

Naast de altijd blinkende stoommachinekamer werden de bussen melk vanaf de wagen op een rollenbaan de fabriek in getransporteerd. Twee mannen goten de bussen leeg in een grote trechter, waarna de lege bussen iets verderop weer naar de wagens terug getransporteerd werden. De melkrijders namen niet alleen de lege melkbussen mee, maar ook de bestelde boter en kaas en, een keer per maand, het melkgeld, dat werd achtergelaten in of op de melkbus of het handvat van een van de bussen, die weer aan de oprit van de boerderij werden afgeleverd. Ik heb nooit gehoord dat er iets vermist werd.

De melk van elke boer werd gewogen en gecontroleerd op reinheid en vetgehalte en daarna werd de melk ontroomd. In een grote betegelde hal werd een gedeelte van de room voor het karnen van boter gebruikt, het bijproduct, de karnemelk, werd uit de karn opgevangen in een reservoir. De boter werd daarna uit de karnton geschept en ging naar een andere afdeling om verpakt te worden. Ik haalde ontelbare keren met een melkbusje een paar liter karnemelk op. Dat kostte heel weinig, 4 of 5 cent per liter. Met een oord (een liters kannetje met een handvat ) werd de karnemelk (ruim) afgemeten.

Aan de noordkant van de hoofdingang was de kaasmakerij met pekelbaden. Met doeken werd wrongel uit die baden geschept en in houten kaasvaten te drogen gelegd (een groot rad, een klein rad of een Edammer). De afgekeurde vaten vonden gretig aftrek bij de leden van de coöperatie voor gebruik als bloembak of bloempot. De nieuwbakken kaas werd in het witte pakhuis te drogen gelegd en werd op gezette tijden met doek en al in de vormen omgedraaid, wat ook voor de afgeronde vormen zorgde. Vanzelfsprekend moest oude kaas het langst bewerkt worden.

Het bijproduct van kaas was wei (wai in het dialect). De boeren konden het gratis ophalen of het werd gebracht door de melkrijder. Het werd gebruikt voor kalveren en varkens.

De niet gebruikte wei werd door een betonnen goot uit de fabriek en via het er achter gelegen weiland afgevoerd naar de weilanden achter de weinige huizen aan de Ommerdijk. Die ‘vloeivelden’ liepen door tot aan de huizen aan het Oosteinde. Het vloeiveld-weiland was verdeeld in drie kavels, met daar omheen dijkjes, die om de beurt volliepen met de wei. Door de weibemesting groeide het gras er heel goed en tussentijds werd het gras van de droogliggende velden gemaaid en gehooid. Later zijn de vloeivelden gebruikt voor de huizenbouw aan de Weth. Nijboerstraat en later de Weth. Prinsstraat.

Met het groeien van de fabriek werden de vloeivelden te klein. Er werd steeds meer kaas geproduceerd en er kwam dus ook meer wei vrij, vandaar dat er nieuwe vloeivelden gerealiseerd werden. De wei werd nu met een pompinstallatie naar weilanden aan de overkant van de straat gepompt, die je kon bereiken over het pad achter de boerderijen van Berend Pot en Arend Beltman, nu de Goudenregenstraat.

De procedure bleef hetzelfde, totdat er een manier werd gevonden waarbij door middel van droogtorens en indampen alle droge stoffen uit de wei gehaald konden worden. Er kwamen speciale weifabrieken, onder andere in Borculo en Workum, waar de wei naar werd afgevoerd. Weipoeder wordt voornamelijk gebruikt in voedingsmiddelen. Ook wordt wei al heel lang gebruikt bij de productie van de frisdrank Rivella.


08849: Na 1940. Willem de Weerd met een melkbus voorop de fiets. Op de achtergrond de smederij met hoefstal van Jan Sander Westerveen, met EDS-bushaltebordje aan de gevel

Toen het Oosterveen werd aangesloten op de Ommerdijk, en daarbij de weg achter de fabriek werd aangelegd, werden daarop elke dag, behalve op zondag, een stuk of vier volle kruiwagens sintels uitgestort, het afval van de verbrande steenkolen. Het heeft wel een jaar of wat geduurd voor de wegverharding klaar was.


04680: ca. 1980. Zicht op de achterkant van de fabriek met de schoorsteenpijp en het met sintels verharde pad, gezien vanaf het Oosterveen

Na een kleine dertig jaar buiten Nieuwleusen gewoond te hebben zag Klaas op een goede dag in de tuin van de voormalige directeurswoning bij de melkfabriek het bord met “Te Koop” staan. Hij kocht de woning van Hendrik Jan Stolte, die inmiddels de eigenaar was en kwam zo weer terug naar de plek van zijn jeugd. Stolte ging in het Schuurmanslaantje wonen.

Aan de noord- en oostkant van het huis hebben de fabrieksmuren plaats gemaakt voor de muren van nieuwe appartementen en een deel van de tuin is gebruikt voor de bouw van een dubbele woning, die aan het Oosterveen staat. Klaas heeft in de tijd dat hij hier woont het onderhoud en de aanpassingen uitgevoerd met respect voor de oorspronkelijke stijl. Het pand heeft nog steeds de stoeptreden naar de twee voordeuren van kantoor en directeurswoning.

Dankzij die aanpak kunnen wij ons nu nog een beeld vormen van de omvang van de verdwenen melkfabriek.

* * *

ZOEKPLAATJE

Klaas Katoele bezoekt regelmatig rommelmarkten en kwam zo een mooi smeedijzeren voorwerp tegen. Hij had geen idee waarvoor het werd gebruikt. Navraag bij het museum gaf ook geen opheldering. Daarom aan de lezers onze vraag: “Wie weet waar het afgebeelde gereedschap, met een scherpe punt, voor diende?”


* * *

ZOEKPLAATJE

Het resultaat van ons vorige zoekplaatje heeft weer een complete serie namen opgeleverd bij foto 48: (03782) Hennie Luinstra-Borgers wist ons alle namen door te geven.
Foto 47: (01923) van het wandelgroepje ten bate van het zwembad heeft helaas nog geen enkele reactie opgeleverd.

Nieuw zoekplaatje: Wie helpt ons?



Foto 49: (17753): Een foto van de Gereformeerde jongeren die in 1947 een bezoek brengen aan de Heilige Landstichting. We hebben al de namen van o.a. Bert van Marle, Fem van Dorsten, Margje de graaf, Gerrie van Eldik, Alie Hof, Siena Nijkamp en juffrouw Klerk maar we missen er nog heel veel. Op de beeldbank kunt u nog verder uitvergroten.

De foto kunt u ook vinden op www.beeldbanknieuwleusen.nl door in het zoekveld het nummer 17753 in te toetsen, vervolgens bij “Zoeken in veld” daar vakje “Foto nummer” kiezen en dan op “Zoeken” klikken.

Bij de foto’s vindt u ook het reactieformulier. Een e-mail naar info@palthehof.nl kan natuurlijk ook. Mocht dit allemaal niet lukken dan mag u de eindredacteur bellen.







Jaargang 40 Nummer 4 december 2022


* * *

Foto voorpagina:

In de winter van 1963 lag het turfschip "Stien" van Albert Krul vast in het ijs in de Dedemsvaart. Toen zulke strenge winters uitbleven ontstond de behoefte aan Alternatieve Elfstedentochten.

* * *

Ten Kate, smid aan het Westeinde 92

René Fokkert

Wie van elders in Nieuwleusen komt wonen, kan het niet ontgaan dat er relatief veel bedrijven zijn met de familienaam Ten Kate. De vraag komt dan vroeg of laat: Is dat allemaal familie ? Evert Geuchies ten Kate kwam in 1899 naar Nieuwleusen en inmiddels wonen hier een groot aantal nazaten, die vooral als ondernemers flink aan de weg timmeren en zorgen voor werkgelegenheid in het dorp.
Evert Geuchies ten Kate, die we verder E.G. zullen noemen, is geboren op 15 april 1880 in Avereest als zoon van Hendrik en Jentje ten Kate. Vader Hendrik was landbouwer van beroep. E.G. verliet op zeventienjarige leeftijd het ouderlijk huis en werd arbeider in Ruinerwold. Twee jaar later, op 1 mei 1899, kwam E.G. naar Nieuwleusen om als smidsknecht bij Harm Schiphorst aan het werk te gaan. Schiphorst was hoef-, grof- en kachelsmid in de Kerkenhoek.
In de eerste periode dat hij in Nieuwleusen werkte, woonde E.G. in bij de familie Timmerman–van Holten, die woonden aan wat nu Schuurmanslaantje is. E.G. vond daar meer dan alleen kost en inwoning, want ruim een jaar later trouwde hij met de dochter des huizes, de tweeëntwintig jarige Geertje Timmerman. Het huwelijk vond plaats op 12 juli 1900. Twee maanden later was er de geboorte van hun eerste kind, Jentje ten Kate.
Deze privé omstandigheden hebben er ongetwijfeld aan bijgedragen dat E.G. een bestaan in Nieuwleusen probeerde op te bouwen. In de tijd dat hij als smidsknecht voor anderen werkte zal hij er vast wel eens aan gedacht hebben om ooit eens voor zich zelf te beginnen. Niet ver van het huis van zijn schoonouders staat aan het Westeinde 46 een boerderij met een karnhok. E.G. besluit dit karnhok te huren. Hier begint hij met bijna niks een kleine werkplaats en gaat er wat smidswerk doen. Het blijft de eerste jaren zoeken en doorpakken.
In 1901 verhuist het jonge gezin naar Avereest, om na vijf weken weer naar Nieuwleusen terug te keren. Daarna zijn ze even inwoners van de gemeente Dalfsen en wonen in het Welsummerveld. Hier wordt hun tweede kind, dochter Gerrigje, geboren. Zij werd maar zeventien dagen oud. Nog in hetzelfde jaar verhuizen ze weer naar de gemeente Nieuwleusen en gaan weer enige tijd bij de schoonfamilie inwonen. Ook wonen ze nog even in een huisje tussen het Westerveen en het Westeinde. Dit huisje kwam vrij toen Hendrik de Graaf, zoon van de voormalig eigenaar van de er tegenover staande molen, met zijn gezin vertrok naar Hoorn om daar op een molen te gaan werken. In 1904 gaat het gezin in een huisje aan het Westeinde wonen, tegenover Schoemaker kachels, in de buurt van molen Massier, Daar worden twee zonen geboren; Hendrik Jan in 1905 en Hendrik in 1908.


Het echtpaar Evert Geugies ten Kate en Geertje Timmerman

Zelfstandige smid
In 1909 wordt E.G. zelfstandige. Hij begint dan met een eigen Hoef-, grof- en kachelsmidsbedrijf. Op 8 november 1909 passeert er bij notaris A. van Scherpenzeel een akte waarin E.G. (aan nu Westeinde 92) een stukje grasland koopt, groot 47 are en 30 ca., van Albert Dogger, bakker en winkelier, wonende te Ruitenveen.
De koopakte vermeldt een bijzondere bepaling, namelijk dat Ten Kate nooit een bakkerij of handel in kruidenierswaren en aanverwante artikelen mag beginnen op het gekochte perceel, op straffe van een boete van 1000 gulden.
E.G. bouwt hier een bedrijfswoning, waarbij het woongedeelte zich aan de achterkant van het gebouw bevindt. In het nieuwe huis wordt in 1913 de derde zoon, Gerrit, geboren. In oktober 1913 wordt schoonmoeder Gerrigje Timmerman-van Holten weduwe. Aan de westkant van het huis van haar dochter wordt dan een stukje aangebouwd, waar zij in 1914 haar intrek neemt en blijft wonen tot aan haar overlijden in 1919.


Op een kadasterkaartje uit 1910 is te zien dat er een huis is gebouwd op het perceel dat E.G. een jaar eerder heeft gekocht.

Later breidt E.G. het smidswerk uit met de handel in fietsen, loonwerk bij de boeren en loodgieterswerk. In 1917 is er blijkbaar genoeg werk voor E.G. om iemand in dienst te nemen.


Een advertentie in de krant van 22-11-1917, waarin is te lezen dat E.G. een medewerker zoekt voor de smederij.

In september 1920, ruim tien jaar na aankoop van de grond, zit E.G. opnieuw met Albert Doggen bij de notaris. In een nieuwe akte wordt beschreven dat Doggen er mee akkoord gaat dat de in de koopakte overeengekomen bepaling over het verbod voor het vestigen van een bakkerij of handel in kruidenierswaren en aanverwante artikelen komt te vervallen. Dit maakt voor E.G. de weg vrij om ook een winkel op zijn perceel te kunnen beginnen.


Op het kadasterkaartje uit 1923 is te zien dat de woning/bedrijfspand links is uitgebreid en dat er aan de oostkant van het perceel een smederij/werkplaats is gebouwd, waarvoor de vergunning in 1922 is verleend.


In deze advertentie uit april 1930 staat E.G. naast anderen vermeld als dealer van Baving Rijwielen uit Zwolle. In Nieuwleusen en Den Hulst, waar veel mensen binding hadden met de Union fietsenfabriek van de familie Van den Berg, werden dus ook fietsen van een ander merk verkocht.




Uit een kennisgeving van de Gemeente Nieuwleusen in de krant van juni 1933 blijkt dat E.G. ten Kate is aangesteld als brandmeester voor de wijk Ruitenveen. Bij zijn huis is een klein depot voor spullen van de brandweer.


Een foto uit ca.1937 met daarop het woonhuis met winkel en de smederij van de familie ten Kate. Voor de smederij staat een box om paarden te beslaan en bij het brugje links is een petroleum- of benzinepomp geplaatst. V.l.n.r.: E.G. ten Kate, Klaas Spijker Klzn, J. van de Molen, Klaas Spijker, H. ten Kate E.G.zn, R. Oosting-van Duren, B ten Kate-van Duren, Sina ten Kate en Evert ten Kate Hzn.

In de jaren net voor en net na de Tweede Wereldoorlog zijn er geregeld verbouwingen op Westeinde 92. In 1937 is er een aanvraag voor een berging van het lasapparaat. In 1939 is er een uitbreiding aan de westzijde van het huis met een keuken en een kamer.

In 1947 wordt de gevel van de smederij vernieuwd en het jaar daarop de gevel van het woonhuis. In 1949 wordt de gevel opnieuw veranderd om er een etalageraam te plaatsen. Ten Kate heeft in die tijd ook een tractor en een dorsmachine en is er zo ook een beetje loonwerker bij.


Foto gemaakt in 1950 ter gelegenheid van het 50 jarige huwelijk van E.G. en Geertje Ten Kate-Timmerman. Staand v.l.n.r.: Fennigje ten Kate-Schuurman, Gerrit ten Kate, Jentje Boesenkool-ten Kate, Roelof Boesenkool, Dina ten Kate-van Duren, Hendrik ten Kate, Hermina ten Kate-Boverhof en Hendrik Jan ten Kate

De kinderen van E.G. en Geertje
Jentje ten Kate (1900-1982), de oudste dochter, trouwt in 1921 met Roelof Boesenkool (1897-1972). Roelof en zijn gezin wonen tussen 1921 en 1928 bij zijn schoonouders in huis aan het Westeinde 92. Hun eerste drie kinderen worden daar geboren. Tussen 1928 en 1932 woont het gezin op A263, dat is nu Westeinde 35. Roelof Boesenkool wordt landbouwer in Punthorst, waar hij na 1932 met zijn gezin woont en werkt.

Hendrik Jan ten Kate (1905-1987), de oudste zoon, trouwt in 1928 met Hermina Boverhof (1905-1982). In het begin van hun huwelijk, tussen 1928 en 1930 wonen ze bij zijn ouders in huis aan het Westeinde 92. Hun oudste twee kinderen zijn daar ook geboren. Hendrik Jan verhuist in 1930 met zijn gezin naar Witharen, waar hij een eigen smederij/landbouw- mechanisatiebedrijf is begonnen.

Hendrik ten Kate (1908-1986) trouwt in 1930 met Berendina (Dina) van Duren (1910-2000). Zij gaan na hun huwelijk, net zoals de broer en zuster, inwonen bij de ouders aan het Westeinde 92. Hendrik blijft in het pand van zijn ouders wonen en zal de zaak gaan overnemen. Daar gaan wij in het volgend Kwartaalblad meer over vertellen.

Gerrit ten Kate (1913-1979) de jongste zoon, trouwt in 1932 met Fennigje Schuurman (1912-1989). De eerste maanden na hun huwelijk wonen ze bij zijn schoonouders in Den Hulst (in de gemeente Staphorst). Daar wordt ook de oudste zoon geboren. Half september 1932 komt het huis van zijn zus en zwager Roelof Boesenkool vrij en verhuist het gezin naar Westeinde 35. Gerrit is timmerman/aannemer en heeft vele jaren een schuur van zijn vader in gebruik. Op het moment dat zijn broer Hendrik de zaak overneemt heeft hij de keus; deze schuur huren, of de schuur kopen en ergens anders weer opbouwen. Het wordt de tweede optie. De schuur wordt afgebroken en verderop, aan het Westerveen, weer opgebouwd. De tractor en een dorsmachine en een zaagmachine om brandhout te zagen gaan ook met hem mee. Dit wordt de basis voor het agrarisch loonwerkbedrijf, in 1979 voortgezet door hun jongste zoon, Frits ten Kate. Zij hebben het uitgebreid tot Loon- & Grondwerkbedrijf met grondverzet in weg- en waterbouw, woningbouwprojecten en transportactiviteiten en hun zoon Errit ten Kate wordt mede-eigenaar.


Het bedrijf van Gerrit en Femme Frits ten Kate, Bouwhuisweg 25, in 2007

Evert Geuchies ten Kate, de oudste zoon van Gerrit, die ook E.G. wordt genoemd, begint, na eerst enige jaren in loondienst elders te hebben gewerkt, het landbouwmechanisatie bedrijf aan het Westerveen.


Een foto uit 2007 van de "Groene Vakwinkel" annex tankstation van E.G. ten Kate, deel uitmakend van de VOF E.G. ten Kate landbouwwerktuigen.

De familie Ten Kate komt goed door de oorlogsjaren heen. In juni 1948 koopt Hendrik de zaak en gaat vader E.G. het rustiger aan doen. Hij blijft wel bij het bedrijf wonen. E.G. is in 1961 overleden, zijn vrouw Geertje in 1962.

Wordt vervolgd...

* * *

Alternatieve Elfstedentochten

Gerrit de Groot en Henny de Boer

1973 leek het tiende jaar zonder Elfstedentocht te worden en zo ontstond het idee voor het organiseren van een alternatieve schaatstocht in een land met uitgestrekte, goed bevroren ijsvlakten. Het initiatief werd goed ontvangen, maar de invulling zorgde in de eerste vijftien jaren voor de nodige problemen. De eerste Alternatieve Elfstedentocht werd in 1974 verreden in Noorwegen, in Lillehammer. Maar ook de Noorse winters bleken onbetrouwbaar en in januari 1976 gingen de schaatsers naar Lahti in Finland. Daar was de eenzaamheid spelbreker en ook Polen bleek geen succes.

In 1988 ontstond de ‘Alternatieve Elfstedentocht-Weissensee, Oostenrijk’. De initiatiefnemer Aart Koopmans had, naar het schijnt, de schaatsaccommodatie Techendorf, ‘Spielplatz der Natur’ aan de Weissensee ontdekt door de James Bondfilm The Living Daylights. Hij zag de mogelijkheden van de Weissensee en had de zaken meteen goed aangepakt en de ’Stichting Wintersporten’ opgericht.

Gerrit de Groot las de aankondiging van dit nieuw fenomeen en hij besloot in 1989 met zijn gezin op schaats-wintersportvakantie naar Oostenrijk te gaan. Op de bestemming aangekomen wachtte een grote teleurstelling. Alleen leden konden meedoen en ter plekke lid worden ging niet.

Desalniettemin zorgde de prachtige omgeving en de uitgestrekte ijsvlakte voor een mooie vakantie. Terug in Nieuwleusen vertelde Gerrit enthousiast over zijn beleving in Oostenrijk. Het werd een jaarlijks terugkerende, inmiddels 33 jarige traditie. In 1992 was er al een groepje van zo’n tien personen die vanuit Nieuwleusen naar de Weissensee gingen om deel te nemen aan de toertochten van 200 kilometer. Dit keer gingen schaatsvrienden Gerard de Boer, Marten Hilberink, vergezeld door echtgenotes Hennie en Berta mee. Ook Henk Dunnewind was van de partij. Zo zou het ook de daaropvolgende jaren gebeuren. De groep werd ieder jaar groter. Vele Nieuwleusenaren sloten aan, sommige voor een enkele keer, anderen voor meerdere keren. Sommige voor enkele dagen, anderen voor twee hele weken. De Weissensee, met aan de oevers het dorp Techendorf, bleek een uitstekende locatie. Van december tot het vroege voorjaar ligt er zo goed als altijd een dikke ijslaag op het gigantische meer. Er wordt een natuurbaan uitgezet die dagelijks wordt onderhouden en hotels in de directe omgeving bieden goede logeermogelijkheden. De winters zijn redelijk ijszeker, met in januari en februari vaak wekenlang temperaturen ver onder nul. De omgeving was al ingesteld op toerisme. De bevolking woonde over het algemeen in huizen die groter waren dan nodig voor het eigen gezin en verhuurde kamers als B&B. Het water in het meer was zo schoon dat het ook gebruikt werd voor eten en drinken. Zomers waren er internationale viswedstrijden, de plaats was beroemd vanwege het carnaval en er waren ski-hellingen in de buurt. Er was ruime kennis over het ijs aanwezig omdat de bergen rondom het meer gebruikt werden voor bosbouw en het gekapte hout ’s winters over het bevroren meer werd getransporteerd. Voor de schaatswedstrijden verzorgde de plaatselijke bevolking het uitzetten van de schaatsbanen en de schaatsroutes.

Het meer bestaat uit een groot meer en een klein meer, in de vorm van een acht met elkaar is verbonden. Afhankelijk van de ijsomstandigheden ligt het parcours op het ‘Kleine meer’, of gaan de schaatsers ook onder de brug door naar het ‘Grote meer’.

De baan gaat in een zigzaggende slinger over de breedte van het meer en met een grote ronding langs de oevers over een afstand van 16,5 kilometer over het kleine meer (12 rondjes) of 25 kilometer over beide meren (8 rondjes).

De goede schaatsers deden en doen nog steeds ruim zeven uur over de tocht. Henk Bruis heeft in 6 uur 30 minuten de snelste tijd van alle Nieuwleusenaren gereden. Gerard de Boer reed als beste tijd 6 uur 32, Gerrit de Groot 6 uur 35. Bij de start ’s morgens om zeven uur is het nog echt ijskoud. Om vooraan mee te kunnen starten was het zaak om op tijd in de rij aan de startstreep te staan en zo moest je er meteen al flink wat voor over hebben om een goede prestatie neer te zetten. De begeleiders en verzorgers van de schaatsers Hennie, Ria, Eelco, en Dicky, de meegekomen echtgenotes, leerden al snel hoe lang een ronde ongeveer duurde en stonden op de doorkomsttijden met drinken, bananen, andere voedzame versnaperingen en aanmoedigingen de schaatsers op te wachten. Er werd niet gestopt voor een pauze.

De beloning was een oorkonde en een medaille.



Jaarlijks groeide het aantal deelnemers aan de wedstrijd in rap tempo. Ook kwamen er steeds meer recreatieve schaatsers en langzaamaan zaten wedstrijdrijders en recreanten elkaar in de weg. Met 1200 deelnemers per dag bleek de grens van veiligheid bereikt en al snel werden er over twee weken verdeeld vier toertochtdagen ingesteld, de dagen waarop de tocht voor de medaille kon worden gereden. Gerrit ging vaak veertien dagen en reed dan twee keer de tocht en zo deden ook Gerard en veel meer schaatsers. Gea Dijk reed in 2006 zelfs binnen twee weken drie keer de 200 kilometertocht.

Het was goed toeven in Techendorf aan de Weissensee, ook voor de niet schaatsende meegekomen familieleden en vrienden. De sfeer was zoals bekend van skigebieden, met veel gezelligheid en after-skate uurtjes. Er was een grote tent waar je kon eten en drinken. Op de dagen tussen de toertochten waren er kleinere wedstrijden van bijvoorbeeld 60 km, er waren ijshockey- en curlingwedstrijden en op zondag was de sfeervolle, gezellige ‘Oostenrijkse dag’. Regelmatig troffen Tijs Blik, Gerard en Hennie de Boer, Henk Bruins, Henk Dunnewind, Eelko, Gea en Aleida Dijk, Gerrit, Ria en Esther de Groot, Dik Jansen, Bé en Dicky Krul, Henk en Klaasje Weelink, Jan en Bastiaan de Weerd, Dik Jansen, Henk Gelderman, Klaas Spijker, Marten en Berta Hilberink en Wybren Terpstra elkaar in Oostenrijk.

De Stichting Alternatieve Elfstedentocht en de KNSB (Koninklijke Nederlandse Schaats Bond) hadden lange tijd een moeizame verhouding met elkaar omdat deelnemers aan KNSB wedstrijden niet mogen deelnemen aan wedstrijden die buiten hun brede organisatie om georganiseerd worden. Toch ging de KNSB ook Nederlandse kampioenschappen organiseren op de Weissensee, aanvankelijk op de laatste zaterdag, maar de toertochtdeelnemers bleven geen dag langer in Oostenrijk om te kunnen kijken naar die wedstrijd. Op vrijdag zat het er voor hen op en pakten ze hun koffer. Tijdens de kampioenswedstrijd was er nog nauwelijks publiek. Toen de wedstrijddag naar woensdag werd verplaatst was dat, ook voor de verslaggeving met televisiebeelden, een verstandige beslissing en genoten de aanwezige Nederlanders van de inspanningen en strijdlust van Evert van Benthem, Henk Angenent, Dries van Wijhe, Piet Kleine, Erik Hulsebosch de zusjes Janita en Greta Smit en andere profs.

Triatlon in Nieuwleusen
Om deel te nemen aan de Alternatieve Elfstedentocht moest je dus lid zijn van de Stichting Wintersporten. Leden kenden elkaar en dat had toch ook lokale effecten. Voor zo’n tocht moet je een goede conditie opbouwen en samen trainen is goed voor het competitiegevoel. In Nieuwleusen ontstond een informele groep van zo’n negen man, met Gerrit en Gerard als ‘harde kern’, die de hele winter twee keer per week samen trainde op de ijsbaan in Assen en zomers fietstochten maakte.

Voor de grap werd in 1990 het idee geopperd om ook eens een triatlon te organiseren. Mevrouw Kamperman was destijds badmeester en had de sleutel van het zwembad. Zij vond het een prachtig initiatief en zorgde ervoor dat op zondagmorgen 17 juni een uur voor de openingstijd het bad gebruikt kon worden, zodat er twee keer een groep een half uur tijd had om de afstand te zwemmen.

Het huis van Gerard de Boer aan de Eshuisweg, met het ruime voorplein naast de straat, leende zich goed voor start en finish en de garage en douche werd voor de sportvrienden beschikbaar gesteld. De C1000 supermarkt werd al snel de sponsor en met de opvallende rode pakken werd het een goed herkenbare groep. Met een bestelbus werd het drinken en eten voor onderweg verzorgd.

In de zomers van 1990 tot 2004 werd 15 keer een triatlon georganiseerd van 1 km zwemmen, 40 km fietsen, en 10 km hardlopen.

In de winters van 1991 tot en met 1994 werd er ook een wintertriatlon georganiseerd; 40 km fietsen (een parcours van 10 km, dat 4 keer afgelegd moest worden), 10 km hardlopen en 20 km schaatsen.


Zwembad

In die tijd ging alles nog wat gemoedelijker dan tegenwoordig en waren de voorschriften van verzekeringen en wegafzettingen en dergelijke zaken nog niet zo belangrijk en kon ook de gemeente nog redelijk coulant met dit soort initiatieven omgaan. Het zwembad en de dranghekken voor de parcoursafzetting werden door de gemeente beschikbaar gesteld en het zwembad werd ook start- en finishplek.

Vanaf de 2e triatlon, op 15 september 1990, was het traditie dat het zwemseizoen werd afgesloten met de triatlon. Evert de Bruin, Nico van de Wetering en Gerrit Heusinkveld hadden al ervaring opgedaan met de Aluvo-loop en hielpen mee met de organisatie.

Op veler verzoek werd de zomertriatlon uitgebreid met de mogelijkheid voor deelnemers om aan afzonderlijke onderdelen deel te nemen, die dan als estafettewedstrijd konden gelden. Dat was een groot succes, met 120 deelnemers in 1998, maar ook zo groot dat de organisatie van vrijwilligers aan dat succes ten onder ging; het werd te groot en te problematisch voor een informeel evenement. De laatste keer was op 11 september 2004.



Ook aan al het goede komt een eind.
Gerrit de Groot heeft achtentwintig jaar meegedaan aan de Alternatieve Elfstedentocht op de Weissensee en vond het steeds een uitdaging om met het klimmen der jaren de competitie tegen de jongere deelnemers weer op te pakken. In 2016 ging het mis. Hij had een grote snelheid toen hij met een schaats in een scheur in het ijs bleef haken en brak daarbij een been. Met een ijsscooter-brancard werd hij van het ijs gehaald. Zo een sportcarrière eindigen past niet bij een sportman. In 2017 is hij nog een keer mee geweest als toeschouwer.
Van de oude groep waren inmiddels al veel deelnemers gestopt en zo kwam er een einde aan een tijdperk dat door particulier initiatief voor Nieuwleusen veel schaatsplezier heeft opgeleverd en een heel actieve sportsfeer in het leven heeft geroepen.

Succes blijft
De belangstelling voor dit jaarlijkse schaatsevenement op natuurijs blijft onverminderd groot en trekt jaarlijks nog steeds ruim 4000 Nederlandse schaatsliefhebbers. Ook uit Nieuwleusen blijven schaatsliefhebbers hun sportieve wintervakantie op de Weissensee vieren. Hierbij enkele berichten van deelname die wij toevallig oppikten.

Van de vertrouwde kern is Gea Dijk nog steeds actief.

In 2017 zette Janita Willems-Crediet (22 mei 1987) haar beste tijd neer en eindigde op de elfde plaats.

En leden van de Toerclub Nieuwleusen waren in hetzelfde jaar ook weer van de partij, gezien dit citaat uit het Gastenboek, op 28 jan 2017 van Henk E. “…Henk haal de schaatsen maar weer uit het vet, laat je leiden door de zon en rij naar de Weissensee met je schaatsen in de koffer. Hier kun je genieten van elke dag een strakblauwe lucht en 45cm dik ijs onder je schaatsen. Wij doen iedere dag even een wintertraining, voor het geval straks de echte Elfstedentocht wel komt. Groet Peter.”

In 2020 nam het zes man sterke Schaatsteam Hoekman deel aan de Alternatieve Elfstedentocht op de Weissensee, rijdend voor de Stichting Red een Kind.

Wij zijn wij wel benieuwd of er nog meer enthousiaste schaatsers met zulke mooie sportieve prestaties in Nieuwleusen wonen. Laat het ons horen als wij iets gemist hebben.

* * *

Boerderijnamen

Werkgroep Boerderijen en Veldnamen

Door het plaatsen van een bord met de historische naam van het boerenerf maken de historische verenigingen in de gemeente stukjes lokale geschiedenis zichtbaar. Daarmee blijven de erfnamen die nog een duidelijke verwantschap hebben met hun omgeving of daar toe te herleiden zijn, verbonden met de geschiedenis van die omgeving.

Erve De Beule - Oosterveen 67
De boerderij met de naam De Beule ligt aan het kruispunt Oosterveen-Bouwmansweg. Bij de verdeling van het Oosterveen in 1639 is de grond waarop deze boerderij is gebouwd toegedeeld aan Rutger van Haersholte. De historische naam van deze plek, Erve de Beule, is in oude stukken ook omschreven als Het Beulengoed. Deze naam is afgeleid van de eerste pachter van deze boerderij, Coop Boelen, ook Beulen genaamd.
Door vererving komt het goed achtereenvolgend in bezit bij de adellijke families Van Echten van Hoogeveen, Van Dedem tot de Gelder en Van Fridagh tot de Rutenberg.
In 1786 wordt de boerderij verkocht aan de pachter Coop Thijs en zijn echtgenote Aaltje Claassen. In 1830 woont Jan Peters Bouwman hier. Enkele generaties Bouwman verder trouwt Hemina Bouwman met Hendrik Kreule. De familienaam Kreule blijft nog lange tijd verbonden met deze plek. De foto uit 1963, gemaakt door dokter Versluys, toen de boerderij werd bewoond door Herman Kreule (1920-2000) en Annigje Kreule-Pessink (1921-2000), laat zien dat de gebouwen goed en in stijl zijn onderhouden. Tegenwoordig wordt de voormalige boerderij bewoond door de familie Nooijen.


Erve de Beule


Erve de Beule

Erve Hof – Oosterhulst 47
De grond van het perceel Oosterhulst 47 hoorde bij de boerderij Oosterveen 61, waar rond 1850 Jan Hof en Aaltje Klein woonden. Hun zoon Thijs Hof trouwt met Femmigje Evertsen en bouwt omstreeks 1871 een boerderij op het perceel Oosterhulst 47. Vervolgens wonen er Jan Hof (1891-1975) en Evertje Hof-Bonen (1892-1972) met kun kinderen Femmigje en Klaas. Ook nu nog bewoont een nazaat van de stichters, Jan Hof, dit erf en die bijzondere omstandigheid is te herleiden in de naam Erve Hof.


De boerderij omstreeks 1965, toen bewoond door het gezin van Klaas Hof (1918-1982) en Anna Kouwen (1920-2000) en zijn ouders.


De boerderij is inmiddels geheel verbouwd en ook de naastgelegen schuur is vervangen.

Correcties en aanvullingen
In het Kwartaalblad van juni 2022 staat bij Het Havercamp, Oosterveen 54 een verkeerde naam. Gerard Oldeman heeft aangegeven dat niet Klaas Alteveer(gehuwd met Hendrikje Hof) de laatste Alteveer op Het Haverkamp is, maar Hendrik Alteveer.

De nichtjes Geertje Brinkman en Dinie van Oosten vertelden meer over Het Spijkerbroek, Westeinde 210, in het Kwartaalblad van september 2022. A.J.H. Boer moet zijn: A.J. Boer. Arend Jan Boer (1897-1994), gehuwd in 1922 met Geertje Kragt (1899-1937) en na haar overlijden in 1940 gehuwd met Gezina Willemina Potjes (1907-1984), heeft de boerderij er in 1929 laten bouwen en hij woonde er met zijn gezin tot 1975. In dat jaar is het echtpaar verhuisd naar Westeinde 45. Westeinde 210 kwam toen in handen van dochter Heintje Boer, getrouwd met Berend Jan Hoes. Dit gezin met zes kinderen heeft er gewoond tot 2013/2014. Het huis had toen de naam Jeans Farm; de naam van een geliefd kledingstuk als speelse, eigentijdse verwijzing naar de omgeving waar de boerderij stond. Door de Engelse woordspeling was de relatie naar de historische omgeving een echt doordenkertje. Nu is die naam, in het Nederlands, weer gekozen door de huidige eigenaren De Witte en Ballijns. Door het lidwoord Het komt de samenhang met de achterliggende gronden meteen tot stand en is de link naar het kledingstuk niet zo snel gemaakt.

* * *

De heuibarg

Mien Prins-Paas





De heuibarg



Een verhalend gedicht

Ja, mensen, wie kent hum nog; de olderwetse heuibarg.
Ik denke dat’r nog mar weinig over bint
en die d’r nog staot bint um’ebouwd tot een mooi prieeltien.
Vrogger, as de koen’n in ‘t laand waren, wörn as eerste de koestal
schone maakt.
Daornao was de heuibarg an de beurte.
Dat wark mus klaor veur het dröge heui naor huus wörn bracht.
De barg was dan al helemaol leeg. Op ‘t zaand was een laog takkenbossen.
D’r wörn eerst keken of t’r nog ni’je bossen bij in mossen.
Het holt greui’n op et laand, tussen de akkers van de boeren.
De boswallen wörn jaorlijks snoei’t en an bossen ‘ebunden.
Bij huus wörn ze in een bult ‘ezet tot ze dröge waren um te gebruken.

As ’t grös zo laank was dat ’t ‘mei’jd kon worden,
hadden de boeren haost gien tied meer um te eten en te drinken.
Dan gonk de zeise d’r in en wörn ‘t gras in zwillegies legd.
Die mossen wi’j nao een dag of wat ummeharken.
Alleman kwam t’r an te passe en zelfs moe mos ok mee as
ze ’t maor eff’n wachten kon.
Zo gonk het dagen achtermenare, tot het grös dröge was.
Dan wörn et bij menare harkt, op de wagen esteuken en in de barg ‘epakt.
Zo waren de boeren de hele veurzommer drok in de weer met ’t heui.
Het kwam ok wal ies veur dat ’t heui nog niet al te dröge was
as t’r aander weer in de locht zat.
Dan mos het toch ok mar de barg in, want onder de kappe
regende het tenminste niet weer nat.
Zo kon het gebeuren dat de buurman um de hoek van de schure
kwamp met de vraoge: “Mannes, ie hebt toch gien breui in de barg?”
“Niet det ik wete, ik heb nog niks ‘eröken”, was ‘t antwoord.
“Ik zol Reuvers toch mar ies laoten komen met zien braandiezer.”
’s Middags stunnen d’r al een paar lui van de braandverzekering op ’t arf
um te kiek’n hoe ‘t er bij stun.
Het braandiezer worden wel een meter of drie in de heuibarg ‘edrukt.
Het kwamp t’r uut met an de hake een plukke heui det
helemale broen was, ja, et was bij ’t zwarte of.
Mannes wus meteene wat er mos gebeuren.
’s Nachts gonk e een paar keer kieken of t’r gien braand was.
’s Mörns kwamen de buren um te helpen.
D’r mos een groot gat van boven naor onder in het heui ‘esteuken worden.
Zo kon de brui d’r uut en was het gevaor veur braand weg’espit.

Zo mos ie bij alle wark beducht weezen op gevaor.
De bargkappe rustten op veer pennen, die in de gaten van de bergroe zaten.
Bij het vullen van de barg wörden de bargkappe met een hevel
op’ebeurd, det was een lange paole, en ’t kon wel gebeuren
det de kappe daorbij van de bergroe scheut. Dan was ’t echt mis.

Heel lang gonk alles met de haand.
Het heui worden met de vörke omhoog ‘estöken, tot boaven in de barg.
Nao verloop van tied kwamp er bij pattie boeren een Jakobsledder.
Daor kon ie het heui onderop gooien en dan bracht de ledder ’t
automatisch naor boven, de heuibarg in.
De heuiblaozer was nog gemakkelijker, maar dan mos d’r wel eerst
een gaozen kap um de barg ‘espannen worden.
Toen kwammen de eerste baalties heui. Die gongen ok de berg nog in.
Maar de grote balen die daornao kwammen, werden met een veurlader
netties bij de stal op’estapeld en
zo bint, een veur een, en stap veur stap,
de heuibargen verdwenen.

Zo prakezeerde ik wat bij mijzölf, toen ik las over
de bouw van de heuibarg bij museum Palthehof.

Mien Prins-Praas 92 jaar (september 2022)

Glad maken met de haanden, ledder teegn de barg en dan worden alle vier kaanten van de barg mooi glad maakt, want ’t oog wil ook wat.

Een anekdote uut die tied, zo as iedereen d’r wal een kende.
De volle heuibarg was veur jongeleu een fijn plekkie
Waor aj ongestoord kunnen vrijen.
Zo gebeurden ’t een keer det jongens uut de buurte een jong stel
de barg in zagen klummen. En wat deden die smeerpiepen!
Ze haalden de ledder weg en zie dan mar ies hoe aj weer uut de barg koomt.
De boer, die de aandere mörn tegen de bargroe stund te pissen, dacht:
’t Is net of ik wat höre.
En ja heur, daor kwaamp een heufd onder de kappe vandaon.
“Die kwajongens hebt oens de ledder weghaald. Laot ie oens d’r uut?”
De boer schudden lachend zien heufd en zetten de ledder weer tegen de barg an.
Negen maond later kwaamp de ooievaar anvliegen met een gezonde jonge zeune.
Zo zie’j mar: kleine oorzaken hebt soms grote gevolgen.


Tekening bij het gedicht gemaakt door Jan Masselink. Het is de boerderij met hooiberg van Jan Willem de Weerd en Gerrigje Groen. Het gezin had 10 kinderen, waarvan Leida de Weerd (20-1-1943) trouwde met Klaas Masselink, een zoon van de schilder. De boerderij, die aan de Ds. Smitslaan aan de bocht voor de begraafplaats stond, is door brand verwoest.

* * *

SPREEKWOORDEN; wie gebruikt ze nog?
Wie kent de betekenis ervan nog?

DOM ALS HAVERSTRO werd gezegd over iemand die niet nadacht bij wat hij deed en nergens voor deugde. Haverstro is kort en daar kun je maar weinig mee doen, terwijl het veel langere roggestro kon worden gebruikt voor dakbedekking en voor van alles en nog wat.

EEN KOEKJE VAN EIGEN DEEG KRIJGEN werd gezegd als iemand klaagde omdat hij of zij zich onheus bejegend voelde, maar je wordt door anderen behandelt op een manier zoals jij zelf anderen behandelt, net zoals bij het bakken van koekjes de ingrediënten voor een groot deel bepalen wat het resultaat wordt.

IETS OPPOTTEN sparen of geld opzijzetten voor later doen wij in onzekere tijden als het even kan. De uitdrukking verwijst naar de potstal. Dat was een verdiepte stalruimte of schaapskooi waarin de bodem bedekt werd met stro of heide waarin het vee of de schapen de mest en urine vast aanstampten. Door regelmatig een nieuwe laag strooisel aan te brengen ontstond er een steeds dikkere laag, die in het voorjaar over het akkerland werd uitgestrooid.; hoe meer mest hoe vruchtbaarder de bodem werd en hoe groter de oogst.

DE MUSSEN VALLEN VAN HET DAK zeg je als het verschrikkelijk warm is en eigenlijk gaat het helemaal niet om mussen maar om mossen; want kussentjes mos laten los tijdens een langdurige droogteperiode en vallen dan van het dak af naar beneden.

MET DE DEUR IN HUIS VALLEN doe je als je meteen zegt waar het om gaat, zonder eerst over koetjes en kalfjes te praten. Vroeger was er achter de deur geen gang of hal, maar kwam je direct in de woonkeuken.

AAN DE STRIJKSTOK BLIJVEN HANGEN zei men als iets niet op de plek terecht komt waar men er recht op heeft. Het verwijst niet naar een viool, maar naar een latje waarmee de bovenkant van een geijkte liter-maatbeker vol meel of graan precies tot op de rand werd gladgestreken.

ERGENS EEN STOKJE VOOR STEKEN doe je om iets te verhinderen, zoals vroeger de deur aan de binnenkant werd vergrendeld door een houten stok of balk door een ijzeren oog te steken, zodat je niet kon binnenkomen.

TE VEEL HOOI OP JE VORK NEMEN doe je als je teveel dingen tegelijk wit doen waardoor het samen te zwaar wordt, net zoals je vroeger als je met een brede vork zoveel hooi of stro ging opsteken dat het tillen zo zwaar werd dat de tijdwinst niet meer opwoog tegen de extra inspanning.

* * *

Waarom het tramstation niet bij de Lichtmis werd aangelegd

Na 1860 ging de aanleg van het Nederlandse spoorwegennet van start. Wat is toch de reden dat het treinstation en het tramstation aan de Dedemsvaart midden in de weilanden werden gebouwd en niet bij de Lichtmis, naast de verkeersweg van Zwolle naar Meppel ? Dat was toch een kortere weg! Een korte verklaring.

De spoorwegen zorgden voor een compleet nieuwe manier van vervoer. In plaats van modderige kronkelende wegen kwamen er spoorlijnen van kaarsrechte ijzeren staven over dwarsliggers op een zandbed gedekt met grind, waarover “met hoge snelheid” treinen konden rijden die geschikt waren voor massatransport.
De aanleg van een spoorlijn vergde enorme investeringen.
Hoe korter de afstand tussen stations, hoe minder de aanlegkosten. Maar ook; hoe minder niveauverschillen en hoe wijder de bogen in een spoorweg waren, hoe minder wrijving er tussen de rails en de wielen was en des te lager het energieverbruik en de slijtage en de noodzaak om onderhoud te plegen.
Als een traject veel landerijen doorsneed veroorzaakte dat hoge onteigeningskosten, maar een traject over waardeloze grond kon soms nog veel duurder uitkomen vanwege het grondverzet dat nodig was om een stevige ondergrond te creëren.

Tussen het traject Zwolle en Meppel werden zes mogelijke tracés onderzocht. Een technisch gunstige en korte spoorlijn langs het Lichtmiskanaal bleek onmogelijk omdat die spoorlijn bij Rouveen en Staphorst dwars door een lange rij van heel smalle landbouwkavels moest worden geleid. Daarbij zou een even lange rij eigenaren schadeloos gesteld moeten worden. Om die problemen te omzeilen werd gekozen voor een omweg. Het definitieve tracé maakte een wijde bocht om Staphorst heen en het spoor werd aangelegd over de woeste gronden aan de oostkant van de gemeente. Daarvoor hoefde er maar één smalle kavel te worden aangekocht om de lijn in de richting van Meppel verder te laten lopen.
Aan de zuidkant van de Dedemsvaart was weinig verschil in het landschap en zo kon de spoorlijn met een ruime bocht de stad Zwolle verlaten en in een kaarsrechte lijn, parallel aan het Lichtmiskanaal, maar op ruime afstand daarvan, naar de oostkant van de gemeente Staphorst worden geleid.
Aan de spoorlijn werden tussenstations gebouwd om een zo groot mogelijk achterland te bedienen. Omdat de Dedemsvaart een belangrijke oost-westverbinding was kwam daar een treinstation.
In plaats van bij het buurtje rond de sluis aan de Lichtmis kwam dit Staatsspoorstation dus vanwege financiële afwegingen te midden van de weilanden te liggen.


Situatieschets van de kruising tramlijn met staatsspoor uit het boek De Dedemsvaart van L.F. Teixeiria de Mattos (1903).

Voor het platteland was een spoorwegnet niet rendabel, maar de lokaalspoorwegwet uit 1878 gaf particuliere ondernemingen de mogelijkheid in dunbevolkte gebieden tramlijnen aan te leggen.
J.D. Ruys, G.C.J. van Hemert van Dalvoorde, C. Piek en W.J. baron van Dedem zagen de economische waarde van een tramverbinding van Dedemsvaart naar het treinstation aan de Staatsspoorlijn Zwolle - Meppel. Zij richtten daartoe de NV Dedemsvaartsche Stoomtramweg Maatschappij (D.S.M.) op. De Staten van Overijssel gaven toestemming en subsidie voor de aanleg van een tramlijn langs de provinciale weg, langs de Dedemsvaart, vanaf de Staatsspoorlijn Zwolle-Meppel naar het marktplein in Dedemsvaart.
Er kwam een D.S.M. tramstation met een perron tegenover het Staatsspoorstation.
Op 12 oktober 1886 reed de eerste tram vanaf het markplein te Dedemsvaart tot het tramstation bij de Staatsspoorlijn. Daar konden de passagiers oversteken naar het spoorperron en op de trein stappen of lopend of per rijtuig hun weg vervolgen naar de tussen de weilanden verspreid liggende huizen.


‘Dedemsvaart Staatsspoor’ met links het spoorstation en rechts het tramstation. De oost-west tramlijn voegde zich aan de noordkant met een ruime boog bij de spoorlijn. Naast elkaar lagen de rails tussen de stations noord-zuid en aan de zuidkant, na de spoorbrug over het kanaal, ging de tramlijn weer met een scherpe bocht oost-west naar de Lichtmis.

In 1895 werd de tramlijn doorgetrokken naar de Lichtmis en vervolgens langs het Lichtmiskanaal naar Zwolle, met een eindstation op de Vlasakkers, net voor de versmalling van de Thomas a Kempisstraat.

* * *

Oma’s schort

Ik geloof niet dat onze kinderen nog weten wat een schort is. En wie weet nog waarvoor het diende?

Het voornaamste gebruik van oma’s schort was om haar jurk te beschermen, want daarvan had ze er maar een paar. En het was ook gemakkelijker om een schort te wassen in plaats van een jurk.
Ze gebruikte het schort ook als pannenlap, om de pannen van de kachel of uit de oven te halen, als ze bij het koken gebukt stond over de kachel, kon ze met het schort de zweetdruppels van haar voorhoofd vegen.
Het schort diende ook om de tranen en vieze neuzen van de kinderen af te vegen, als er visite kwam konden haar verlegen kinderen onder haar schort schuilen, als het koud was kon ze haar armen erin draaien en warmen, als zij de eieren uit het kippenhok ging halen, was het schort heel handig om de eieren te dragen, hout voor de kachel werd in het schort binnen gebracht, uit de tuin werden allerhande soorten groente in het schort naar binnen gebracht en in de herfst werd het schort gebruikt om de appels op te rapen die onder de bomen lagen.
Als oma onverwacht visite aan zag komen, je stond ervan te kijken hoeveel meubeltjes dat oude schortje in een paar seconden nog snel kon afstoffen.
Als het eten klaar was ging ze naar buiten en zwaaide met haar schort, dan wist iedereen dat het tijd was om binnen te komen.
Het zal nog lang duren voor iemand weer iets heeft uitgevonden dat voor zoveel doelen gebruikt kan worden als het schort.
In deze tijd zouden wij gek worden bij het weten van hoeveel bacteriën er in het schort zaten.
Toch heb ik er nooit wat van overgehouden …of toch?
Liefde.

Dit leuke verhaaltje, zonder naam van een schrijver, kregen wij in januari 2022 van Hendrik Jan Brinkman toen hij net in een appartement in de Hulstkampen was komen wonen. Helaas is Hendrik Jan op 2 november overleden. Dit is nog een aardige herinnering aan hem.

* * *

ZOEKPLAATJE

Dankzij een aantal reacties op foto 49 (17753) van de Gereformeerde jongelingen hebben we ca. 30 namen van de 38 mensen op de foto kunnen invullen. Daarvan een paar nog met een vraagteken. Hartelijk dank voor de reactie. Aanvullende reacties zijn uiteraard altijd welkom.

Nieuw zoekplaatje





Foto 50 (14551): Dit keer een foto uit een album van Aaltje Vonder-Knol (1932-2002). Omstreeks 1950 maakten 22 jongeren van de Ned. Hervormde kerk een reisje naar Den Alerdick te Laag Zuthem bij Heino. Onder de foto stond “De jonge kerk”. We hebben de naam van Aaltje Knol al kunnen invullen.
Wie helpt ons met het invullen van de overige namen?

De foto kunt u eventueel nog verder uitvergroten op www.beeldbanknieuwleusen.nl

Type in het zoekveld het nummer 14551 en klik bij “Alle velden” op “Foto nummer” en daarna op “Zoeken”. Bij de foto’s vindt u ook het reactieformulier.

Een e-mail naar info@palthehof.nl kan natuurlijk ook. Mocht dit allemaal niet lukken dan mag u de eindredacteur bellen.







Jaargang 41 Nummer 1 maart 2023


* * *

Foto voorpagina:

Foto van de omslag van de eerste uitgave van het Kwartaalblad in maart 1983.

* * *

Veertig jaar Kwartaalblad

Gees Bartels-Martens

Kop in de Marskramer van 26 augustus 1982: "Oproep tot oprichting van een gespreksgroep die belangstellen in de geschiedenis van Nieuwleusen, alsmede het dialect en wat verder van belang is."

In het mooie gerestaureerde huisje, dat Hendrik Schoemaker in de hal van zijn meubelmakerij op de hoek van de Burg. Backxlaan en Weth. Prinsstraat had ondergebracht, waren op 14 september 1982 tien personen aanwezig om met elkaar van gedachten te wisselen over de mogelijkheden voor een historische vereniging. Twee bijeenkomsten later was er voldoende vertrouwen om te besluiten een vereniging op te richten.


Foto van de omslag van de eerste uitgave van het Kwartaalblad in maart 1983

In de vergadering van 15 december kwam al snel de uitgave van een eigen "krantje" ter sprake en er werd een commissie gevormd om een uitgave voor te bereiden.
In maart 1983 verscheen het eerste nummer van het Kwartaalblad, met op de voorkant een foto van het huisje waarin het allemaal is begonnen.
Meteen was er al het moedige voornemen om te starten met een viermaal per jaar verschijnend tijdschrift. Daarin zouden verhalen komen die Nieuwleusenaren nog kennen van en over vroeger en de kennis die er nog is over wat in het verleden gebouwd, gewerkt en gevierd werd.
Op de voorjaarsmarkt op zaterdag 9 april brachten, in klederdracht, de dames Hengeveld, Kreule en Van Spijker het Kwartaalblad onder de aandacht van het publiek. Van het eerste nummer werden al 300 exemplaren verkocht; een hoopvol begin!
Het was de tijd waarin er nog weinig computers waren, internet niet bestond en bibliotheken klein van omvang waren. Over de geschiedenis van Nieuwleusen was weinig gepubliceerd. Zou het lukken om ook na tien jaar nog vier keer per jaar een Kwartaalblad te doen verschijnen met nieuwe verhalen en nieuwe informatie? Een spannende uitdaging!
Vanaf het begin is de inbreng van de bevolking van groot belang geweest voor het boven water halen van informatie. Zo groeide een rijke geschiedenis, die haaks staat op wat er toen vaak werd gezegd: "Dat gebeurde hier niet, 't was hier zo arm." of "Dat kenne wij hier niet, daorveur muss'n ie naor Zwolle."
De interesse voor de eigen geschiedenis is in de loop der tijd alleen maar toegenomen en verhalen met persoonlijke herinneringen worden steeds afgewisseld met historische overzichten aan de hand van diepgravend archiefonderzoek. Daarbij kunnen foto's worden gebruikt uit de Beeldbank. Dankzij de aanlevering van steeds weer nieuwe oude foto's maken die de verhalen vertrouwd en herkenbaar.
Het Kwartaalblad is vanaf 1983 tot en met 2018 uitgegeven in het kleine A5 formaat, met zwart-wit foto's. De groei van het aantal leden en de inbreng van steeds weer interessante verhalen en informatie deed ons besluiten om over te stappen op een groter formaat en kleurrijker tijdschrift. De geschiedenis kreeg daardoor meer kleur en werd aansprekender.
Terugblikkend zijn er in de loop van de veertig jaar heel veel interessante verhalen verschenen en is het tijdschrift een verbindende schakel in de Nieuwleusense samenleving geworden.
Vol vertrouwen gaan we aan de slag met het volgende nummer en wij hopen dat er nog veel interessante uitgaven gaan volgen.

Meneer Klijn
Meneer Ron Klijn maakt al sinds het verschijnen van het Kwartaalblad in maart 1983 deel uit van de redactie. Een citaat uit zijn eerste bijdrage: 'Om nu te voorkomen, dat "dat van toen" vergeten wordt, stelt de vereniging zich tot doel, om al wat van belang is voor het nageslacht te behouden. Foto's, geschriften en het gesproken woord op de band zullen worden verzameld en bewaard. Maar ook het Vrogger van lang geleden, dat in archieven elders is opgeslagen, zal worden opgespoord en op een voor een ieder begrijpelijke wijze beschikbaar komen."


Foto: De Dalfser Marskramer

Met zijn grote kennis van de gemeente, opgedaan als hoofd van de openbare werken en later als directeur gemeentewerken tot zijn pensionering in 1985, heeft hij veel bijgedragen aan de kwaliteit van het Kwartaalblad. Ook na zijn pensioen heeft hij steeds zijn kennis ingebracht over gebeurtenissen en veranderingen waarover wij publiceerden.
In 2022 is Ron Klijn verhuisd naar de Hulstkampen en is de afstand naar de actuele samenleving groter geworden. In maart 2023 vond hij het, na 40 jaar lid van de redactie, een goed moment om daarmee te stoppen. Wij spreken hierbij onze grote waardering uit voor al die jaren van grote betrokkenheid.
Op 1 februari hebben Hilly Douma, als voorzitter van de vereniging, en Gees Bartels, namens de redactie, hem een bezoek gebracht en onze waardering voor zijn betrokkenheid en inbreng overgebracht en dat onderstreept met een mooie bos bloemen.

Sinds 2018 maakt Jenny Kasper deel uit van de redactie. In 2016 wsas ze met levensgezel Bart Stijve in de Stadhoek komen wonen, in de nabije omgeving van waar ze is geboren. Tot die tijd had ze lange tijd op verschillende plaatsen in Nederland gewoond. Henny ter Wee was voor haar een belangrijke schakel met de vereniging en bij Henny kon ze terugvallen op haar kennis en grote sociale netwerk. Met Henny heeft ze verschillende interviews afgenomen en als artikel in het Kwartaalblad gepubliceerd. Na het overlijden van Bart en van Henny trekt de band met vrienden en organisaties buiten Nieuwleusen. Door die aandacht dreigen de redactiewerkzaamheden in het gedrang te komen. Jenny heeft daarom aangegeven hiermee te stoppen. Wij vinden dit heel jammer en zullen haar inbreng in de redactievergaderingen en bijdragen voor het Kwartaalblad erg missen, maar kunnen ons ook in haar situatie verplaatsen en nemen met dankbaarheid afscheid van haar als redactielid.

De redactie heeft in korte tijd een belangrijk deel van haar leden verloren. Nieuwe versterking is daarom zeer welkom. Heb je interesse in de geschiedenis van Nieuwleusen en zou je daarover willen meedenken of meeschrijven, neem dan contact op met de redactie.

* * *

Ten Kate, smid aan het Westeinde 92

René Fokkert

In het vorige nummer vertelden wij over Evert Geuchies ten Kate, die in Nieuwleusen trouwde met Geertje Timmerman en een eigen Hoef-, grof- en kachelsmidsbedrijf begon en hun kinderen. In dit tweede deel gaan wij verder met zoon Hendrik, die in 1948 de zaak overnam van zijn vader

Hendrik ten Kate (1908-1986) is 21 jaar oud als hij in 1930 trouwt met Berendina (Dina) van Duren (1910-2000), 20 jaar oud. Zij gaan na hun huwelijk, net zoals de broers en zuster voor hen deden, inwonen bij de ouders, in dit geval de ouders van Hendrik aan het Westeinde 92. De ouders wonen in het huis achter de winkel en Hendrik in het indertijd voor oma Gerrigje van Holten bijgebouwde woongedeelte, aan de westkant van hetzelfde pand.
Hendrik en Dina krijgen vijf kinderen. De oudste zoon Evert, geboren in 1930, werd maar zes dagen oud. In 1931 wordt de tweede zoon geboren, die eveneens Evert wordt genoemd. Klazina (Sina) is geboren n 1934. In 1936 wordt het vierde kind, zoon Hendrik (Henk), geboren en de jongste is zoon Geert, geboren in 1940.

In eerste instantie is Hendrik in loondienst bij zijn vader Evert Geuchies. In 1938 huurt hij het woonhuis met winkel, smederij, erf en de helft van de tuingrond van zijn ouders.
Omdat Hendrik de smederij vanaf 1938 huurt van zijn vader is het noodzakelijk dat hij de inboedel verzekert. Op een bewaard gebleven verzekeringspolis uit 1938, uitgegeven door de Onderlinge Brandwaarborg Maatschappij, gevestigd te Nieuwleusen, is opgesomd wat Hendrik allemaal heeft verzekerd. Inboedel en goederen voor persoonlijk gebruik ƒ 600.-, twee rijwielen ƒ 60.-, vijftig kippen ƒ 50.- , twee geiten ƒ 20.-, de goederen uit de winkel, rijwielen en onderdelen ƒ 150.-, klompen ƒ 160.-, email- en zinkwerk ƒ 100.-, draadnagels en krammen ƒ 100.-, grasmaaimachine-onderdelen ƒ 140.-, petroleum ƒ 100. - De smederij machines en gereedschappen als zljnde een 3 pk elektromotor ƒ 100.-, boormachine ƒ 150.-, gereedschappen ƒ 170.-, slijpsteen, assen, poelies met riemen ƒ 150.-, ventilator ƒ 60.- en een lasapparaat ƒ 150.- . Dat is opgeteld een bedrag van 2260 gulden.
Deze opsomming geeft een goed beeld van wat er in zijn winkel zoal te koop was en wat hij in zijn werkplaats had staan.

Op 28 augustus 1939 wordt in Nederland een algemene mobilisatie van kracht. In totaal worden 300.000 mannen opgeroepen en getraind voor een eventuele inval in Nederland. Enkele dagen na het begin van de mobilisatie valt Duitsland Polen binnen. Deze inval wordt gezien als het begin van de Tweede Wereldoorlog. Ook Hendrik ten Kate wordt opgeroepen. Hij wordt als hoefsmid ingedeeld bij de cavalerie en in Scherpenzeel gestationeerd. Zijn zwangere vrouw en zijn ouders moeten dan het gezin en de zaak draaiende houden.
In het voorjaar van 1940 krijgt Hendrik een gemene trap van een paard en belandt daardoor in het militaire hospitaal in Utrecht. Zijn vrouw, inmiddels hoogzwanger, reist nog enkele keren met de trein naar Utrecht. Zij bevalt op 8 mei 1940.
Enkele dagen later wordt Hendrik ontslagen uit het ziekenhuis en nadat de Duitsers op 10 mei 1940 ook Nederland zijn binnengevallen en de oorlog een feit is, eindigt na enige tijd ook zijn militaire dienst.
De familie Ten Kate komt goed door de oorlogsjaren heen. Twee advertenties uit oorlogstijd.


In 1942 biedt Hendrik een ploeg te koop aan.


In 1944 wordt een jonge (goedkope) medewerker gevraagd voor de smederíj


Dat een smid ook wel eens een weekje met vakantie wíl, blijkt uit deze advertentie uít 1945

In juni 1948 koopt Hendrik de zaak en gaat vader E.G. het rustiger aan doen. Hij blijft wel bij het bedrijf wonen. E.G. is in 1961 overleden, zijn vrouw Geertje in 1962.
In 1949 wordt er opnieuw een polis opgemaakt. Hendrik is inmiddels ook eigenaar van de gebouwen. Het huis is verzekerd voor ƒ 12000.- en de smederij voor ƒ 2400.-. Het totaal verzekerde bedrag is dan opgelopen tot ƒ 17500.-.


Hendrik en Dina ten Kate met corsage ter gelegenheid van hun 50-jarig huwelijk op 12 juli 1980

Hendrik ten Kate laat begin 1961 een nieuwe smederij bouwen. Volgens de vergunning zijn de kosten ca. ƒ 6500,-. Het bouwwerk komt ongeveer op de plek waar zijn vader in 1922 de smederij liet bouwen. De bouw wordt uitgevoerd door de firma Gebroeders Snijder van de Dommelerdijk.
Ook komt het tankstation voor het pand meer tot ontwikkeling. Een leveringscontract uit 1961 toont aan dat de brandstoffen in die tijd worden geleverd door Esso.


De nieuwe Esso pomp met rechts daarvan Dina en Hendrik

De kinderen van Hendrik en Dina
De oudste zoon Evert (1931-2017) is in Hasselt een succesvol eigen bedrijf begonnen. De beide andere zonen, Henk en Geert, zijn in loondienst bij hun vader.
Henk ten Kate laat, als hij in 1968 gaat trouwen, een nieuw huis bouwen, aan de westkant van het woonhuis/winkel, op Westeinde 92. Op die plek bevond zich tot dat moment een boomgaard.
In eerste instantie is het de bedoeling dat de beide broers samen de zaak van hun vader gaan overnemen. Na enige jaren van samenwerken wordt er in goed onderling overleg besloten dat Henk in de kerkenhoek de voormalige paardenstal van de Coóperatie-winkel 'Eendracht Maakt Macht' gaat overnemen en daar de loodgieters- en gasfittingstak van het ouderlijk bedrijf mee naar toe neemt. Het nieuwgebouwde huis naast de ouderlijke woning wordt dan ook verkocht.


De zuid- en de oostgevel van het loodgietersbedrijf van Henk ten Kate, met op de bovenverdieping het woonhuis en de eerste peuterspeelzaal van Nieuwleusen

Het gebouw stond op wat nu de parkeerplaats bij de Plus supermarkt is. Op de bovenverdieping van het gebouw is de eerste peuterspeelzaal van Nieuwleusen gestart, "Het Uilennestje", met Hennie ten Kate-Vasse en Sinie Houwer-Roozeboom als leidsters. Uiteindelijk wordt het gebouw verkocht aan de Plus supermarkt en afgebroken om plaats te maken voor parkeerruimte.

Geert ten Kate, de jongste zoon van Hendrik en Dina, heeft ook interesse in het smidswerk. Hij gaat naar de ambachtsschool in Zwolle. In 1955 slaagt hij voor de opleiding smeden-bankwerken. In 1962 haalt hij het diploma landbouwmecanicien.
In de jaren daarna volgt hij nog enkele opleidingen om zich verder in het vak te bekwamen, en een opleiding bedrijfsvoering in de metaalnijverheid.
Tussen het werk en de opleidingen door trouwt Geert in 1963 met Wilhelmina Hendrika (Riek) van Lenthe. Uit dit huwelijk worden 3 kinderen geboren in respectievelijk 1964,1969 en 1972.


Geert ten Kate en Riek van Lenthe bij hun huwelijk in 1963

Geert neemt in mei 1974 het "Landbouwmechanisatie en constructiebedrijf tevens tankstation G. ten Kate" over van zijn ouders. Slechts twee en een halfjaar zal hij de zaak kunnen voortzetten. Ongeveer een jaar na de overname van het bedrijf wordt Geert ziek. Er wordt een vorm van kanker geconstateerd. Aanvankelijk lijkt het nog behandelbaar, maar gaandeweg blijkt dat er toch uitzaaiingen zijn naar de longen. In goed overleg met Geert wordt besloten dat Riek de zaak in afgeslankte vorm voort zal zetten. De smederij en landbouwmechanisatie worden afgestoten.
Op 20 november 1976, vijftien dagen voor Geerts overlijden op 36-jarige leeftijd, neemt Riek de zaak over. Het bedrijf gaat verder als tankstation en klein warenhuis.
In eerste instantie is er ook nog een reparatiewerkplaats bij. In de winkel worden huishoudelijke en landbouw gerelateerde producten verkocht. Met hulp van medewerksters voor de benzinepompen, die dan nog met de hand bediend worden, en een medewerker voor de reparatiewerkplaats weet Riek het bedrijf en haar huishouding draaiende te houden. Deze situatie blijft de volgende negen jaar ongewijzigd.


Het Klein warenhuis met Avia benzinepomp van Riek Kok - van Lenthe

In 1985 hertrouwt Riek met weduwnaar Johannes (Johan) Kok. Johan is in 1939 in Nieuwleusen geboren. Voor zijn eerste huwelijk vertrekt hij voor zijn werk als landbouwvoorlichter naar Twente en woont in Markelo. Uit het huwelijk met zijn eerste vrouw Derkje Prins zijn drie kinderen geboren. Zijn kinderen blijven in Markelo wonen. Johan heeft geen binding met het zakelijke gedeelte van Riek.
Uiteindelijk blijkt er voor het bedrijf op Westeinde 92 geen opvolging te zijn in de vorm van een vierde generatie Ten Kate's en wordt besloten de zaak te verkopen.
Riek verkoopt de zaak in het voorjaar van 1998 aan Bert Vonderman. Die was in die tijd klant bij de benzinepomp en had een motorzaak in het Plankenloodsje. Dit gebouw moest worden gesloopt om plaats te maken voor de uitbreiding van industrieterrein Hessenpoort b1j Zwolle.
Omdat Riek al zolang het gezicht was van het bedrijf vroeg de nieuwe eigenaar haar nog anderhalve dag per week in dienst te blijven, om de overgang soepel te laten verlopen naar de firma Six Center Motorzaak en tankstation.
Met het vertrek naar Dalfsen van Riek en Johan in 2000 komt er een eind aan een familiebedrijf op Westeinde 92. Eenennegentig jaar woonden en werkten er drie generaties Ten Kate op deze mooie plek tegenover de molen.
Inmiddels heeft het bedrijfspand weer een nieuwe eigenaar. Bert Vonderman heeft deze plek in september 2020 verkocht aan Bertjan en Anita Hoeve, eigenaars van het bedrijf Hoeve Motoren aan de Burg. Backxlaan 39a. Het tankstation blijft verhuurd aan de firma Haan.


Luchtfoto van het bedrijf van de familie Ten Kate aan het Westeinde 92 omstreeks 1976

Nog een kleine aanvulling:
In het vorige Kwartaalblad schreven wij op bladzijde 52 dat ...het agrarisch loonwerkbedrijf van Gerrit ten Kate . . . wordt "in 1979 voortgezet door hun jongste zoon, Frits ten Kate. Zij hebben het uitgebreid tot Loon- & Grondwerkbedrijf met grondverzet in weg- en waterbouw, woningbouw- projecten en transportactiviteiten en hun zoon Errit ten Kate wordt mede-eigenaar."

Neel ten Kate heeft hierop gereageerd:
"Gerrit en Femme hebben het bedrijf niet aan de Bouwhuisweg gehad. Frits en Neel hebben in 1977 het bedrijf aan het Westerveen overgenomen. In 1979 hebben hun een stuk grond aan de Bouwhuisweg gekocht en daar een loods gebouwd. In 1988 heeft Frits een Kangoeroe woning laten bouwen zodat moeder (Femme ten Kate) ook mee kon, wat helaas maar voor 3 maanden was en is toen overleden. In 1989 is de loods vergroot."

Ook de andere zonen van Gerrit en Femme hadden ondernemersbloed. De oudste zoon van Gerrit en Fem was Evert Geuchies. Hij begon een landbouwmechanisatie bedrijf. Gerard was de tweede zoon, en van diens zonen heeft Gerrit ten Kate de motorenfirma op De Grift, zijn andere zoon Freek ten Kate was de eigenaar van de Marskramer-winkel en zijn jongste zoon Bertus ontwikkelde het stacaravanbedrijf Arcabo. Hilco ten Kate, een jongere broer van Bertus, werkt bij zijn broer in de zaak Arcabo.

De derde zoon van Gerrit en Fem is Hendrik Jan ( Henk ). De oudste zoon van Hendrik Jan bouwde een kozijnenbedrijf op aan de Middeldijk.

Zijn jongste (3e) zoon Hendrik Jan woont nu in de vroegere chr. lagere school aan het Westeinde. Hij begon als bakkersknecht in Hattem, werkte daarna bij de Coöp. "Eendracht Maakt Macht", was groenteboer en is daarna tot zijn pensioen werkzaam geweest bij slagersfabriek Meesters in Wijhe.

* * *

De Slag bij Nieuwleusen

Geeske Hekman-Bruggeman

In het weekend van 2I en 22 april 2007 was er "gedonder" in Nieuwleusen. Kanongebulder was in de wijde omtrek te horen. Net als vele mededorpsgenoten ging ik op de doffe dreunen af, richting het Palthebos. Al wandelend kwam ik in het kampement terecht, waar bij het vuur soldaten stonden om zich op te warmen. Ik zag andere soldaten en officieren bezig met geweren poetsen, knopen aannaaien, uniform herstellen en wasvrouwen bezig met de was. Ik deed even mijn ogen dicht en rook de geur van kruit, gebakken brood, soep en open vuur. Ik hoor de kanonschoten op afstand en het geroezemoes uit de Taveerne, waar soldaten even op adem konden komen en een pijpje rookten. Even waan ík mij in de Franse tijd, waarin keizer Napoleon heerste over bezet Nederland (1795-1813). Als ik mijn ogen weer open, ben ik terug in 2007 en vervolg ik mijn weg richting het slagveld. Aangekomen bij de heuvel in het Palthebos zoek ik mij een mooi plekje op in de zon die deze dag volop schijnt en met goed zicht op het slagveld beneden mij. Genietend van de voorjaarszon, ben ik benieuwd naar het schouwspel van "De slag bij Nieuwleusen", dat zich afspeelt op de vlakten van het Palthebos.

Leo Elfers, toenmalig burgemeester van Dalfsen en geïnteresseerd in geschiedenis, kwam op het idee om de Napoleontische Associatie Nederlanden (hierna NAN) uit te nodigen om een veldslag uit de Franse tijd bij Nieuwleusen uit te voeren. Dit gekoppeld aan het 375-jarig bestaan van Nieuwleusen. Tegen het einde van de Franse overheersing in Nederland kwam ons land in opstand tegen de Franse bezetter. Tegelijkertijd met de bevrijding door de Nederlanders zelf, onder leiding van de prins van Oranje (de latere koning Willem I) aan de Noordzeekust vielen de geallieerde troepen Nederland vanuit het oosten binnen.


In de kampementen kregen de bezoekers een goed beeld van de dagelijkse beslommeringen van de troepen en meetrekkende marketentsters. De geallieerden in rood uniform. Foto: Marcel van Saltbommel

De Stichting Midzomeravond Festival had de ervaring om gtote evenementen te organiseren en is in een vroeg stadium door Leo Elfers betrokken bij dit culturele evenement. Daarbij kwam dat de stichting bekend was met de eisen en verplichtingen die hieraan gesteld werden. Er werd ook van hen verwacht dat zij zorg zouden dragen voor voldoende aandacht en/of public relations om Nieuwleusen extra voor het voetlicht te brengen, zowel bij de eigen inwoners als bij belangstellenden uit de regio en ver daarbuiten.

De veldslag werd gehouden in het weekend van 21 t/m 23 april 2007 in het Palthebos, een toplocatie!
Op zaterdagmorgen was er de mogelijkheid om een kijkje te nemen in de kampementen. Om 10.00 uur heeft burgemeester Elfers de troepen geïnspecteerd. Daarna kon het publiek op zaterdagmiddag en op zondagmiddag getuige zijn van de veldslag.
Op zaterdagavond was er een gezellige avond, georganiseerd voor deelnemers en publiek. De avond stond in het teken van de Napoleontische tijd. Iedereen kon kennis maken van de eet- en drinkgewoontes uit de jaren rond 1800, zorgvuldig uitgevoerd door ruim driehonderd leden van de NAN, ook wel "re-enactors" genoemd. Hun hobby is levende geschiedenis uitbeelden.
Naast een veldslag kreeg het publiek een realistisch beeld te zien van het leven van soldaten uit de tijd van keizer Napoleon tijdens oorlogshandelingen. Daarvoor was het Palthebos opgedeeld in twee sectoren, een sectie met de kampen van de Franse troepen en een sectie voor de geallieerde troepen. Beide kampementen waren toegankelijk voor bezoekers. Zo kreeg men een goed beeld van de dagelijkse beslommeringen in het kampement, met marcherende soldaten. Daarnaast werden er op verschillende tijdstippen schermutselingen nagespeeld.
Het was bewonderingswaardig te zien hoe de leden van de NAN met precisie en zorgvuldigheid tot in het kleinste detail streven naar historisch verantwoorde kleding, uniformen en wapens. Om alles zo echt en authentiek mogelijk te laten lijken werd er niets aan het toeval overgelaten.
Het evenement was nieuw voor Nieuwleusen en haar omgeving en het had raakvlakken met de cultuureducatie in het primair onderwijs. Verder werd er verwacht dat met deze activiteit veel belangstelling zou worden gewekt, bij zowel ouderen als de jeugd.
In de voorbereiding naar dit evenement werden alle zes scholen van het basisonderwijs in Nieuwleusen bij de historische betekenis van de verbeelding betrokken.
In week 16 van het jaar 2007 werd er aandacht besteed aan de periode Napoleon. Een lespakket voor de kinderen van de groepen 5t/m 8 gaf een goed tijdsbeeld en leden van de NAN ondersteunden deze lessen. Zij waren in vol ornaat bij de lessen aanwezig voor uitleg en om vragen van de kinderen te beantwoorden.
Vanuit de gemeente coördineerde de afdeling Welzijn en Onderwijs dit project. En er was regelmatig contact tussen de gemeente en de Stichting Midzomeravond Festival.


Franse kanonniers, in blauw uniform, in actie.
Foto: Marcel van Saltbommel


"De slag bij Nieuwleusen" was een fantastisch schouwspel, een evenement waarmee Nieuwleusen goed op de kaart werd gezet, maar er hing ook een pittig prijskaartje aan. De totale kosten van het project waren geraamd op € 55.000.-.
Er werden daarom ook verschillende subsidies aangevraagd.
De Stichting Midzomeravond Festival Nieuwleusen vroeg de gemeente om een subsidie van € 30.000.- en een garantstelling van € 10.000.-.
Voor het verlenen van de gevraagde subsidie is gekeken naar bestaande posten in de gemeentebegroting 2007.
De projectsubsidie ad € 30.000.- is als volgt ingedekt:
- uit de post Wavin-gelden € 15.000.-.
- uit de post Toerisme/recreatie € 4.000.-.
- uit de post Onvoorzien € 11.000.-.
De garantiestelling tot maximaal € 10.000.- zo nodig te dekken uit de post Wavin-gelden.
De stichting ontvangt van de stichting Promotie Dalfsen een subsidie van € 10.000,-.
Bij de provincie is een subsidie gevraagd van € 15.000.-.
Verder zocht men nog naar sponsoren.

Uiteindelijk, nadat alle voorbereidingen waren afgerond, was het dan zo ver.
Op de grasvlakten aan de westkant van het Palthebos kon de strijd beginnen.

Door het mooie weer kwamen er duizenden mensen uit de wijde omgeving af op het evenement.
Genieten was het voor de vele bezoekers, want bloedvergieten, laat staan doden en gewonden, bleven de acteurs en het publiek bespaard.
Anton van de Water, de presentator, benadrukte dat het hier om een schijngevecht ging. Gehuld in kledij uit die periode gaf hij de nodige informatie over de krijgshandelingen en manoeuvres die de legerhoepen uitvoerden. Dat was het spectaculairste onderdeel van het schouwspel, want de geweerschoten en vooral het gebulder van de kanonnen was tot in de wijde omtrek te horen.
De ruim driehonderd leden van de NAN gaven een getrouwe weergave van alle facetten van de (krijgs-) historie uit de tijd van keizer Napoleon.

De hele veldslag was live te volgen via internet, nu alom bekend maar in 2007 nog een nieuw medium. De registratie van de beelden, via een draadloos breedbandnetwerk, werd verzorgd door het bedrijf Selecsys BV uit Nieuwleusen.
Via een kleine camera, gedragen door één van de soldaten en twee vaste camera's en een loopcamera, kon men thuis de veldslag volgen en zien hoe het eraan toe ging. Op deze manier kwam het verleden/geschiedenis en toekomst in dat weekend samen.
.
De "Slag bij Nieuwleusen" op de vlakten van het Palthebos heeft in werkelijkheid niet plaatsgevonden in de Napoleontische tijd en staat daarom ook nergens beschreven, maar voor Nieuwleusen werd er in dit weekend plaatselijke geschiedenis geschreven.

Bronnen: Koop Reurink en Gerrit Schoonhoven van Stichting Midzomeravond Festival, Leo Elfers, oud-burgemeester gemeente Dalfsen, Rieks Folkerts, Marskramers april 2007


Tijdens de veldslag werd voor het eerst ook gebruik gemaakt van het nieuwe gedeelte van het Palthebos. Als afronding van de Ruilverkaveling Nieuwleusen-Ruitenveen was in 2002 een grondstuk aangekocht van Willem Stolte en voorzien van wandelpaden, een heuvel en een moerasje. De heuvel bij de open plek in het nieuwe gedeelte van het Palthebos vormde een ruime natuurlijke tribune, waar vanaf de kijkers een goed zicht hadden op het slagveld.
Foto's: Marcel van Saltbommel





* * *

Project boerderij namen

Werkgroep Boerderijen en Veldnamen

We komen dit keer nog even terug met correcties en aanvullingen op de geschiedenis van Het Havercamp.

Bij de namen van oude Nieuwleusense families is een fout al snel gemaakt, vaak omdat kinderen naar dezelfde ouders en grootouders werden vernoemd. Zo ging het ook mis bij Het Havercamp in het Kwartaalblad van juni 2022.
Wij schreven dat omstreeks 1900 Klaas Bijker de eigenaar was van Oosteinde 54. Dat moet zijn Hendrik Bijker (1869-1940), die was getrouwd met Aaltje Bijker-Bijker (1875- 1940).
Hun dochter Hilligje Bijker (1895-1956) is, zoals al genoemd, getrouwd met Gerhardus Oldeman (1897-1978), die niet uit Ommen maar uit Dalfsen komt. Hierbij nog enige aanvullingen.
Gerhardus Oldeman is op 2 juni 1916 ingeschreven in Nieuwleusen. Hij woont dan bij Massier in huis en is daar molenaar. Daarvoor werkte hij vermoedelijk ook als molenaar in Olst. Een jaar later vertrekt hij naar Dalfsen, waar hij zeer waarschijnlijk ook als molenaar heeft gewerkt.


Gerhardus (Gerard) Oldeman, rechts, naast knecht en dienstmeisje, Hilligie met Hendrik op schoot en naast haar Hendrik Jan, voor de oude woning. Het Haverkamp is verbouwd in 1931, dit staat als gedenksteen gemetseld aan de voorzijde van de woning.

Dalfsen wordt genoemd als vorige woonplaats wanneer hij op 2 mei 1921 naar Nieuwleusen komt en introuwt bij zijn schoonouders. Na zijn huwelijk wordt Gerhardus boer op de boerderij. Het echtpaar krijgt twee kinderen: Hendrik en Hendrik Jan.
Gerhardus heeft de boerderij waarschijnlijk gekocht tussen 1921 en 1930, want in 1930 wonen zijn schoonouders op A196 en hun zoon Jan Bijker en vrouw Albertine Geertruida Meesters op A195, een dubbel huis, het huidige Oosteinde 88 en 90.

Hendrik Jan Oldeman is molenaar geworden, onder andere op de molen in Rouveen en op molen Den Oord in Ommen. Hendrik Oldeman (1922-1997) is op de boerderij gebleven en is getrouwd met Hilligie Bouwhuis (1928-1978). Zij kregen drie kinderen: Gerhardus, Henk en Hilligje.
Gerhardus Oldeman ging naar de Mulo en kwam, net na de fusie van de Coóperatieve Landbouwverenigingen van Nieuwleusen en Balkbrug tot Niba, op kantoor bij Niba in Balkbrug, waar Klaas Kouwen en Arend Kroon de directie vormden. Hij is bij het bedrijf gebleven en heeft als bedrijfsleider op veel verschillende plaatsen door heel Nederland gewerkt, afhankelijk van de elkaar opvolgende fusies, met als laatste Agrifirm en standplaats Emmeloord.
Henk Oldeman is op de boerderij gebleven. Hij heeft de schaapskooi, die naast zijn boerderij stond, van overbuurman Klaas Bijker gekocht en heeft de wagenschuur verbouwd tot woonhuis. Ook de boerderij, die nu weer de naam Het Havercamp draagt, en die met de kont ofwel het achterhuis naar de straat stond, is totaal verbouwd en daar woont dochter Helen Oldeman, die is getrouwd met Ard Kremer.
Hilligie Oldeman is getrouwd met Henk Kruidhof uit Staphorst. Zij hadden in Staphorst een meubelmakerij.

* * *

Van de redactietafel

In het vorige Kwartaalblad stond als naam vande schrijfster van "De heuibarg" Mien Prins - Praas onder het gedicht. Dat moet toch echt Mina Prins - Praas zljn, zoals ze al haar hele leven wordt genoemd.

* * *

Rouwgebruiken bij kinderen in Nieuwleusen in de vorige eeuw

Aartje Schoemaker

De aanleiding voor dit artikel is een toevallige opmerking tijdens een gezellige koffievisite: "N.N. zat bi’j mi'j ien de klasse en had toen een rouwbandtien umme." Dat was een verschijnsel, dat ik niet kende. Thuis gekomen gegoogeld, maar op internet was niets te vínden over rouwsymbolen voor kinderen. Wel over rouw bij volwassenen, de rouwtijden en het algemene doel van rouwsymboliek en rouwkleding:

"Rouw bestempelde mensen tot kwetsbare lieden, beschermde hen tegen ongewenste toenadering en bood gelegenheid om openlijk te treuren. Maar zodra de rouwtijd voorbij was, moest ook het verdriet achter de rug zijn; de samenleving zag daar als het ware op toe."

Verschillende vertellers hebben mij geholpen een tipje van de (rouw-)sluier op te lichten. Daar ben ik ze zeer erkentelijk voor en dank hen voor het vertrouwen, want het is en blijft een emotioneel onderwerp. Dat is de reden, dat de namen van de vertellers hier niet weergegeven worden. Hun verhalen worden chronologisch weergegeven en de naam van de school waar het gebeurde. Dat laatste omdat niet elke school dezelfde rouwregels hanteerde. Vaak hing het van de leerkracht af, of en hoe er aandacht aan rouw geschonken werd.


Een kinderrouwschort uit de collectie van Museum Palthehof: dat werd gedragen over een kinderjurk, gemaakt van zwarte luster, een halfwollen elastische lichte en gladde stof, met zwarte kanten bies aan de schouderkapjes, met de hand genaaid.
Geschonken door mevrouw Koopman - Warner. Er ls een briefie bij met daarop:
"Rouwschort Hilligje Massier gedragen toen ze 10 jaar was en Aaltje Bijker overleed." (Hilligie Massier-Alteveer, geb. 1905, zou dit dan gedragen hebben in 1915.) Beeldbanknummer 00584


1926 - 1932. Openbare Lagere School A
In die periode verloren enkele leerlingen een broertje, zusje en een van de ouders. Als ouders geen geld hadden voor rouwkleding werd de kinderen een rouwteken op hun mouw genaaid of opgespeld. Dat rouwteken werd minstens zes weken gedragen.

1935. School met den Bijbel, Westeinde; nu Het Kompas
Als er een rouwstoet voorbijkwam, gingen de kinderen op een rij buiten staan. De jongens deden -als gebaar van respect- hun pet af.

1938. Een driejarig meisje werd bij haar vader achterop de fiets gezet met de mededeling, dat Opa overleden is en ze samen naar hem gaan kijken. De nacht ervoor had het ge-onweerd en dat had zijn sporen op de overledene nagelaten. Het meisje, eigenlijk nog een peuter, is er zo van geschrokken, dat ze tot in haar volwassen leven geen overledene meer wilde zien.

1932 - 1944. School met den Bijbel te Den Hulst
De vertelster is "ien de rouw 'edeupt". Haar grootvader was enkele weken ervoor overleden. Ze droeg een aan de rouw aangepaste doopjurk.
Als zesjarige herinnert ze zich, dat alle acht klassen van de school langs de muur van de school gingen staan om respect te betonen aan de begrafenisstoet -komend vanaf de Schapendijk- van de zoon van de voorzitter van het schoolbestuur. Die jongen zat in de hoogste klas en was door ziekte overleden.
Toen ze in de derde klas zat, overleed een klasgenote. De hele klas ging lopend naar de begrafenis. Elk kind had een rouwteken om of op de mouw. Een zwart driehoekje, zwarte ruit of zwarte rouwband. Dat werd enkel op de dag van de begrafenis gedragen.
Na de begrafenisplechtigheid liepen de kinderen weer terug. Omdat er nog geen aula was, kregen de kinderen geen drinken.
Als elfjarige overleed een klasgenoot. Wederom werd lopend de gang naar de begraafplaats gemaakt.
De grafstenen van deze kinderen zijn te zien op de Beeldbank onder nummer 01000 en 01110.

1942. School met den Bijbel, Westeinde; nu Het Kompas
Hoe dichterbij in de familie, des te langer droeg je -ook als kind- rouwkleding. Had men net een nieuwe jas, dan werd een Zwarte rouwband van ongeveer 4 cm breed omgedaan. Een nieuwe jas was in die tijd een kostbaar goed en daar was je zuinig op.
Een 8-jarig meisje verliest haar vader door ziekte. Ze kreeg rouwkleding aan. Ze had twee jurkjes. Op haar jas werd -ze denkt op de rechtermouw- een zwarte rouwruit genaaid of gespeld. Vader werd thuis op bed opgebaard. Het was gebruikelijk om dan de vensters/luiken dicht te doen. Ze ging mee naar de begrafenis. Ze herinnert zich haar zwarte kousen. De kist werd in de voordeur gezet en de familie en buren liepen langs de kist naar buiten. Daarbij is een man flauwgevallen. De kist werd op een wagen -met paard ervoor- gezet. Voorop zaten de moeder van haar vader en haar moeder naast de menner. Na terugkeer zorgden de buren voor het "groev'nmaol"; koffie, eigengebakken brood met zelfgemaakte boter.
Toen haar overgrootvader overleed "mos ik weer rouwgoed an".
1945. In augustus 1945 overleed haar grootmoeder. Ze is dan elf jaar en nog op dezelfde school. Weer moest de rouwruit op haar jas. Oma was thuis opgebaard.
Nu waren er feestelijke bogen over het' Westeinde. Vanwege de bevrijding en/of het Oranjefeest. Een begrafenisstoet onder een feestboog door gaf geen pas. De buren hebben de versierde bogen verwijderd, zodat de rouwstoet met respect voor de overledene en ordentelijk naar de begraafplaats kon gaan.

1951. School met den Bijbel, Westeinde; nu het Kompas
Een meisje van vijf jaar verliest haar moeder. Eén keer mocht ze haar moeder zien, die in een zwarte kist 'ien de geute' opgebaard stond. Het was februari en ijzig koud.
ln de rouwperiode gaat ze -met een zwart ruitvormig rouwteken van voeringstof op haar jas genaaid- voor het eerst naar school. Het aangeven, dat er rouw in het gezin was, gebeurde omdat dat gebruikelijk was. Ze voelt zich er ‘gemerkt' door. De andere kinderen hebben dat immers niet.
Ze probeerde het rouwteken er vaak af te trekken, maar het zat goed vastgenaaid. Lukte het wel, dan moest de oudere zus het er 's avonds weer op vast naaien. Op school werd er niet over gesproken. Er waren geen boekjes over rouw voor kinderen en geen kringgesprekken.
Ze mocht niet mee naar de begrafenis en werd bij familie gebracht, waar oudere kinderen op haar konden passen. Later is ze met een van hen naar de begraafplaats gelopen en hebben ze door de heg gekeken waar mama begraven lag.
Ze trouwt later met een lotgenoot, die op jonge leeftijd zijn vader verliest. "Ie bint bliede daj 'n maot 'ebt!" Wie anders zou kunnen begrijpen wat het is om met een rouwteken op je kleding naar school te gaan en een ouder te verliezen?!

1952. Openbare Lagere School A
Een achtjarige jongen verliest zijn vader die bijna vijfendertig jaar oud is.
Ook hij kreeg een zwarte ruit op zijn mouw gespeld. Naar zijn herinnering op de linkermouw


Grafsteen op kindergraf uit 1955
(Beeldbanknummer : 01265)


1955. Openbare lagere school C te Den Hulst

Een jongen uit klas 2 (nu groep 4) was omgekomen door een noodlottig ongeval. Een hele dag kregen de kinderen in zijn klas een zwart lint om de arm gestrikt. Dat maakte wel indruk. De klas ging niet naar de begrafenis. Het omgeknoopte lint was de enige markering van een heftige gebeurtenis en de enige vorm van rouwverwerking voor de kinderen. In de Beeldbank staat een advertentie die de school voor 'ons aller speelmakkertje en leerling' geplaatst heeft. Anders dan nu gebruikelijk vond de begrafenis plaats vanaf het sterfhuis.

1955. Handelsdagschool, Zwolle

Een zeventienjarige jongen -uit Nieuwleusen verliest zijn broertje door een noodlottig ongeval. Hij heeft geen rouwteken of rouwkleding gedragen. Op school werd er over gesproken. Hij heeft zijn broertje mogen zien en is mee naar de begrafenis geweest.

1955. Een vrouw, wier vader overleed toen ze drie jaar oud was, herinnert zích nog dat ze merkte dat er iets ergs gebeurd was. Vader verongelukte bij een aanrijding met een trein in dichte mist. Zodoende kon hij niet worden opgebaard. Ze werd niet meegenomen naar de begrafenis, maar bij mensen gebracht die ze helemaal niet kende. Dat was zo verwarrend en bevreemdend, dat ze zich dat gevoel ruim vijfenzestig jaar later nog goed herinnert.

1961. Een jongen van 12 jaar verliest zijn oma. "Dit rouwteken -rouwruit- was met grote steken op de mouw van mijn jas genaaid. Ik denk dat het de rechtermouw was, maar dat weet ik niet zeker. Alleen voor de dag van de begrafenis. Zo'n goede jas kreeg je echt niet zomaar in de week aan. Het was de meest praktische en de goedkoopste manier om te laten zien dat we in de rouw waren."


Een jurkje dat omstreeks de jaren vijftig, gedurende de rouwtijd, gedragen zou kunnen zijn/worden. Een ruitje was toegestaan, als de kleur van de stof maar zwart, grijs of donkerblauw was. De kleur hing ook af van de familiaire afstand tussen kind en overledene.
Beeldbanknummer 00581, nr.3


1963. MULO te Dedemsvaart.
Een meisje van 16 jaar -uit Den Hulst- verliest haar broer door een ongeluk. Zij en haar broers droegen een jaar lang rouwkleding. In zwart, blauw of grijs. "Ik had wel een grijze rok, dat weet ik nog. Het ergste vond ik dat ik donkere kousen moest dragen". Ze vond het wel erg om rouwkleding te dragen; ten eerste omdat het zo lang moest en anderzijds omdat ze zich er bekeken mee voelde.
Haar broer stond in de voorkamer in een kist opgebaard. Zo waren zij als kinderen er alle dagen, tot en met de begrafenis, heel erg nauw bij betrokken. De jongste broer, die toen nog op de lagere school zat, verwoordt de impact van het ongeval op hun gezin treffend: "De dag dat ons leven kantelde."

'Wat me na alle gesprekken het meest bijblijft, is het eenzame verdriet van de kinderen. Aan de buitenkant werd er aandacht aan de rouw besteed, maar van binnen moest je het zelf zien te verwerken. De ouderen hadden hun eigen verdriet en die viel je niet 'lastig' met jouw verdriet. Het gevoel om op jonge leeftijd 'gemerkt' en daardoor anders te zijn, blijft ieder bij. De een vond het vervelend en de ander maakte er geen punt van. "'t Heurde zo."


J. Ph. Backx was van 1916 tot 1950 burgemeester van Nieuwleusen. Het echtpaar had drie dochters; Maria Gerdina (1912), Johannes Maria Gerarda (1913) en Aletta Petronella Hendrika (1920). Op 15 augustus 1928 kregen zij nog een dochtertje, met de naam Johanna Henriëtte, die twee maanden later te Leiden is overleden. De burgemeester en zijn vrouw zijn begraven te Wageningen, maar de zo jong gestorven baby kreeg een graf op de begraafplaats aan het Westeinde te Nieuwleusen.


* * *

Thuiszorg

Frans Visscher

"In het Kwartaalblad van maart 1987 gaf ik een historisch overzícht rond de oprichting en ontwikkeling van onze plaatselijke Groene Kruisvereniging tot eind dertiger jaren. Als oud-voorzitter van het Groene Kruis en van het Kruiswerk Land van Reest en Vecht etc. pak ik de draad weer op en schets de grote veranderingen naar onze tijd"

Even een korte samenvatting: In 1912 wordt tijdens een drukbezochte vergadering ten huize van G. Massier aan de Ommerdijkerbrug een vereniging van Het Groene Kruis opgericht. Op 15 mei 1919 begint zuster Van de Abeelen haar werkzaamheden.
In 1921 kan vanuit het eigen, nieuwgebouwde, Groene Kruis-gebouwtje worden gewerkt. Het gebouw is aan de gemeenschap geschonken door Mej. G.J. Palthe en Mr. W.J. Baron van Dedem.
In 1925 wordt zuster Agnes van de Abeelen opgevolgd door zuster Geesje van Buiten.
In 1929 gaat een consultatiebureau voor zuigelingen van start. DokÍer Van Ravenswaay wordt adviserend geneesheer. Rond 1935 stonden er vier à vijf tbc-huisjes in Nieuwleusen.


Wijkverpleegsters zuster Eikelboom (links) zuster Heida omstreeks 1955

Die werden beschikbaar gesteld door het Groene Kruis. De enige die daarvan is overgebleven staat op het terrein van museum Palhehof. 3 september 1946 gaat zuster Van Buiten met pensioen. Zuster Jannie Bakker uit Alkmaar wordt aangesteld als wijkverpleegster, later volgen onder anderen zuster Margo Derksen (1957 - 1984) en zuster Eikelboom.


Het Groene Kruisgebouw, Burg. Backxlaan 265

20 mei 1953. B&W: Voor de inrichting van het nieuwe Groene Kruis-gebouw, verderop aan de Burg. Baclodaan 259, zal voor de inventaris nogal het een en ander nodig zijn. In 1955 is het gebouw geopend en later sterk uitgebreid.
Eind 1986 wordt een periode van verbouwwerkzaamheden beëindigd. In de loop van april 1987 bestaat de Vereniging "Het Groene Kruis" Nieuwleusen 75 jaar en zal ook de officiële opening plaats vinden.

F VISSCHER
Noot van de redactie: Frans Visscher kon niet vermoeden dat hij de publicatie van dit artikel niet meer zou meemaken. Hij overleed op 2 januari van dit jaar Dat hij deze kennis aan het eind van zijn leven nog wilde overdragen geeft blijk van zijn betrokkenheid bij de gemeenschap van NieuwIeusen.


Aanvulling op het artikel: Rond 2015 is het Groene Kruisgebouw verkocht aan ondernemer Lucien de Groot. Het pand werd zowel aan de binnen- als buitenkant grondig verbouwd, maar de contouren van het oude gebouw zijn na de renovatie nog steeds te herkennen.

* * *

Een huis met geheimen

Claus Katoele

In het najaar van 1995 kochten wij van de familie Stolte het kantoor en de directeurswoning van de melkfabríek Onderling Belang aan de Burg. Backxlaan 34. In de jaren 60 had Stolte het kantoor al aangepast voor bewoning.

Het huis heeft een flauw zadeldak met vrij steile zijkanten en bovenop het dak was een hokje gebouwd van 125 x 125 cm, 50 cm hoog en afgedekt met een deksel van zink!
Onder dat dak en boven de plafonds was een ruimte van ongeveer 1 m hoog, met een soort looppad van het hokje naar een luik op de overloop. Aan de noordkant was een slaapkamer met een rechte wand met een ingebouwde kast en in de achterwand van de kast was een deur die toegang gaf naar de ruimte tussen de rechte wand en de schuine kant van het dak, die ruimte liep door tot het einde van een tweede slaapkamer. Daar konden we een dichtgetimmerd luik onderscheiden.
Vanaf de ingang van het kantoor (nu 34A) liep een kleine gang, met aan de rechterkant een loket waar een bestelling voor boter of kaas kon worden opgehaald en aan de linkerkant een raam met zicht op het altijd glimmende koperwerk in de machinekamer. Aan het eind van de gang was een deur rechts naar het kantoor en een deur verderop de gang in naar een ruimte (die door Stolte is verbouwd tot badkamer). In die ruimte kwam dan weer het luik uit van de slaapkamer. Er moet volgens mijn zus Jennie daar ook nog een deur geweest zijn naar de machinekamer.
In die ruimte was onder de vloer waarschijnlijk ook een trap naar beneden, want daaronder is een rechthoekige gemetselde ruimte met een ingang. Daarnaast is nog een grote boog, die is dichtgemetseld.
Elke kamer op de begane grond had een luik naar de kruipruimte. Het is daar altijd droog en vanaf de ketels van de melkfabriek kwam de centrale verwarming binnen. De hoofdbuis, met een diameter van 10 cm, liep midden door de kruipruimte en vertakte zich met buizen van 5 cm. De buizen naar de begane grond en de verdieping zijn gedeeltelijk nog in gebruik. De buizen waren geïsoleerd met 3 cm geïsoleerd asbestkoord en daaromheen jute en daarna afgewerkt met gips.

Mijn zus Hennie "diende" in de oorlogsjaren bij de oude mevrouw Vos. Toen wij in 1995 het huis kochten kwam ze al direct kijken of er nog iets over was van de oude glorie. Zij verbaasde zich over de kelder die ze in de oorlog nooit had gezien en dacht dat wij die gebouwd hadden. Zus Jennie heeft na de oorlog nog vijf jaar "gediend" bij mevrouw Vos. Zij wist wel dat de kelder er was. In een achterliggende slaapkamer was een kast met een dubbele bodem die in de kelder uitkwam. Zij wist ook dat er onderduikers verstopt waren geweest in de oorlog. Dat waren Jan Vos en Jo Vos, de zoon die zijn vader later opvolgde als directeur, en de zoon van Westerveen, de hoefsmid met de smederij aan het kruispunt met het Westeinde. Er waren legio mogelijkheden om je te verstoppen in de fabriek en in het huis. Er werd na de oorlog niet over gepraat, want er was nog altijd dreiging uit het oosten.
Mijn moeder vertelde dat er in de oorlog op een morgen O.B. (Onderling Belang) op de pijp was geschilderd. De Duitse bezetters begrepen dat er Oranje Boven bedoeld was en de letters moesten snel weer worden weggewerkt.
Toen de geallieerden naderbij kwamen maakten de Duitsers op hun terugtocht met legervoertuigen, paard en wagen, motoren en fietsen kampement rond ons naast de fabriek gelegen boerderijtje en in de boomgaard.
Zus Hennie werd door mijn moeder tijdelijk ondergebracht bij familie of kennissen. Zij vond het thuis niet vertrouwd met al die Duitsers.
Na een week trokken de Duitsers hals over kop verder met achterlating van (waarschijnlijk) geroofde spullen. Mijn ouders hebben dat naar de burgemeester gebracht zij wilden geen gestolen goed in huis hebben.


De melkfabriek heeft inmiddels plaats gemaakt voor de Gulia Palthe State, maar de directeurswoning staat nog op de vertrouwde plek

* * *

ZOEKPLAATJE

Het vorige zoekplaatje foto 50 (14551) van NH-jongeren, die een bezoek brachten aan Den Alerdinck in Laag-Zuthem bij Heino, leverde een aantal reacties op.
We hebben de namen Henny Luten, Aaltje de Boer, Geertje Witpaard-Huzen, Annigje Hekman-Prins, Gerhard Hekman en Aaltje Vonder-Knol kunnen invullen. Hartelijk dank voor deze reacties. Aanvullende reacties zijn uiteraard altijd welkom, want we missen bij deze foto nog de namen van ruim 15 mensen.

Nieuwe zoekplaatjes:



Dit keer twee foto's (jaren 1988 - 1990) van leerlingen van de Wilhelminaschool. Afgebeeld staan de winnaars van de enkele opeenvolgende jaren door deze school georganiseerde wedstrijd
"Wie kweekt de grootste suikerbiet?".

U kunt op www.beeldbanknieuwleusen.nl de foto's eventueel nog verder uitvergroten. Type in het zoekveld het tussen haakjes geplaatste nummer of type in het zoekveld het woord suikerbiet. In het laatste geval krijgt u 3 foto's van deze jaarlijks gehouden wedstrijd, waarbij ook foto (03034) tevoorschijn komt van de winnaars in 1989, waarbij de namen al wel bekend zijn.

Bij de foto's vindt u ook het reactieformulier waarmee u de gevonden namen kunt doorgeven. Wie helpt ons?

Een e-mail naar info@palthehof.nl kan natuurlijk ook. Mocht dit allemaal niet lukken dan mag u de eindredacteur bellen.







Dit is de laatste regel